Google
This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project
to make the world's books discoverablc onlinc.
It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover.
Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the
publisher to a library and fmally to you.
Usage guidelines
Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying.
We also ask that you:
+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for
personal, non-commercial purposes.
+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the
use of public domain materials for these purposes and may be able to help.
+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it.
+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe.
About Google Book Search
Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web
at|http: //books. google .com/l
Google
Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken.
Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.
Richtlijnen voor gebruik
Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op
automaüsch zoeken.
Verder vragen we u het volgende:
+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden.
+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe-
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien
hiermee van dienst zijn.
+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet.
+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng.
Informatie over Zoeken naar boeken met Google
Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en uitgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken
op het web via|http: //books .google .coml
?
- ^7 <
>
h -
) ••OtM?
i-'
c)
hl
t
/^
. I
MIDDELNEDERLANDSCH
WOORDENBOEK.
I.
I
1
Gedrukt by GtEBR. Giunta d^Albani te VGrayenhage.
i
MIDDELNEDERLANDSCH
WOORDENBOEK
YA3r
\-"
wyien Dr. E. YÏ3RWIJS
BK
Dr. J. VERDAM,
Hoogleeraar te Anuterdam.
BSB8TS DBBL.
's-GRAVENHAGE ,
MARTINUS NIJHOFF,
1885.
')
AAN
MATTHIAS DE VRIES
T O E O E W IJ D,
Aan U, waarde Vriend, komt de opdracht van dit Middelneder-
landsch Woordenboek toe met niet minder recht, dan aan Hoffmann
VON Fallersleben die van het Uwe, waarvan gij tot Uw leedwezen
slechts twee afleveringen hebt kunnen in het licht zenden. Niet alleen
hebt gij , voorgelicht door den man , aan wien gij Uw Woordenboek opdroegt ,
in vereeniging met Jonckbloet de beoefening van het Middelnederlandsch
tot eene wetenschap gemaakt, maar ook hebt gij den grond gelegd tot
de Middelnederlandsche Lexicographie , door die beide afleveringen, welke
voor elk Middelnederlandsch Woordenboek tot voorbeeld kunnen dienen , en
ook voor dit Woordenboek , zooals gij niet zonder voldoening zult bemerken ,
tot model gekozen zijn. Weliswaar hebt gij ten gevolge van andere drin-
gender werkzaamheden U buiten staat gezien, den zoo voorlreflelijk be-
gonnen arbeid voort te zetten, veel minder te voltooien, doch gij moogt
394449
(ie overtuiging koesteren, dal het werk, aan die beide afleveringen besteed
niet vergeefsch is geweest, en dat de bewerking van een Middelnederlandse
Woordenboek eene veel zwaardere taak zou zijn, indien niet door U voo
latere bewerkers het pad ware gebaand en geëffend. Om deze redenen i
het mij eene behoefte, dit Middelnederlandsch Woordenboek aan U op t
dragen, en zoo Uwen naam voor altijd aan de Middelnederlandsche lexico
graphie te verbinden. Ik doe dit met des te meer ingenomenheid, daa
ik weet, dat gij — gij hebt het in de Inleiding op Uw Nederlandscl
Woordenboek uitgesproken — U in het verschijnen van dit boek liar
telijk verblijdt en dat gij, nu gij zelf er niet meer aan denken kun:
den arbeid voort te zetten, aan mij. Uwen leerling, met gerustheid hel
werk toevertrouwt, dat gij zelf onvoltooid moest laten. Deze gedachte,
en het gevoel van piëteit jegens mijn te vroeg ontslapen medearbeider
Verm'ijs, zullen mij den toch reeds zoo aangenamen arbeid der bewer-
king van dit Woordenboek nog aantrekkelijker maken , en de krachtigste
prikkels voor mij zijn om te trachten, het omvangrijke werk op eene
waardige wijze voort te zetten en — indien ik leven en gezondheid be-
houd — te voltooien. Dunkt U dit werk eene niet onwaardige vrucht der
door U gekweekte plant, — eene vrucht, welke gij wellicht vroeger gerijpt
ziet, dan gij hadt kunnen denken, — wil dan deze toewijding met welge-
vallen aanvaarden als een blijk van waardeering der verdiensten, die gij
U jegens onze Middelnederlandsche taalwetenschap verworven hebt. Wees
verzekerd, dat, indien dit werk de goedkeuring mag wegdragen van hen,
die het bij hunne studiën zullen behoeven, dit voor een niet gering
gedeelte te danken zal zijn aan Uwen lexicographischen arbeid; houd U
overtuigd, dat ik steeds met vreugde zal terugdenken aan de lang vervlogen
uren, onze ahorae belgicae», waarin gij mij ons gemeenschappelijk studie-
vak leerdet liefhebben, en aanvaard de oprechte betuiging, dat niets mij
aangenamer zal zijn, dan dat ook uit dezen arbeid moge blijken, dat ik
eenmaal Uw leerling ben geweest.
Amsterdam, 24 April 4882.
J. VERDAM.
III
IlSTLEIDHSTG.
■t » i»*-#-»>
Bij het verschijnen der eerste Aflevering van dit Middelncderlandsch
Woordenboek zal een enkel v^oord vooraf niet ongepast zijn ter mededeeling
van datgene y wat aan hen, voor wie dit werk eene welkome verschijning is,
belang kan inboezemen.
dHabent stta fata libeUiy> is waar, ook in een anderen zin dan waarin
dit gezegde oorspronkelijk was bedoeld. Ook dit Woordenboek moet
reeds van zijne fata getuigen, nu het pas zijne intrede in de wereld doet.
Evenals in het Middelnederduitsch Woordenboek van Karl Ghristian
Schiller (f 4 Aug. 1873) en August Lubben, moet ook in dit Woor-
denboek reeds in de Inleiding de dood worden vermeld van een der
beide mannen, die met elkander de bewerking van dit boek hadden
ondernomen. Eelco Verwijs heeft het verschijnen der eerste aflevering
van het boek , waarvoor hij met mij de voorbereidende werkzaamheden voor
een goed deel had voltooid, niet mogen beleven. Hoe gelukkig zou hij
geweest zijn, indien hij had kunnen aanschouwen, dat het werk, waaraan
hij zooveel tijd en arbeid besteed heeft, zulk eene groote schrede was
gevorderd. Doch nu reeds twee jaren rust hij in het graf, aan mij niet
aUeen de herinnering aan een scherpzinnig, en bij zulk een groeten en
uitgebreiden arbeid zoo gewenschten medearbeider achterlatende, maar
ook de verplichting, om den te zamen begonnen arbeid alleen voort
te zetten en zoo mogelijk te voltooien. Het was mij eene behoefte, ook
zijn naam te verbinden aan dit Woordenboek, waai'voor hij met mij
de bouwstoffen verzamelde en waarvan hij de A en de met BA begin-
nende artikelen grootendeels bewerkte. Ook in de Middelnederlandsche
Lexicographie moge voortaan de naam van Verwijs met eere worden
genoemd, en de herinnering aan hem levendig blijven als aan een
onzer ijverigste en verdienstelijkste taaikenners. Doch hoe smartelijk zijn
gemis mij ook valt, ook zonder zijne medewerking heb ik geen oogen-
blik geaarzeld, de bewerking van dit Woordenboek te ondernemen,
IV INLEIDING.
Verwijs is ontslapen in het volle veiirouwen, dat de taak door mij zou
worden volvoerd, en behalve dus, dat de arbeid zelf om zijn belangrijkheid
iemands beste krachten en jaren in alle opzichten waardig is, is ook de
piëteit jegens een overleden medearbeider een drijfveer voor mij, om in
dezen arbeid mijn levensdoel te zien en alle krachten in te spannen, om
hem op eene het werk waardige wijze ten einde te brengen. Aan den
vasten wil en den lust zal het mij evenmin ontbreken als — ik ben er
van overtuigd — aan den steun van vakgenooten en geleerde vrienden , wier
voorlichting en kennis men bij het maken van een Woordenboek, dat ons
op allerlei minder betreden of minder bekende terreinen brengt, zoo zeer
behoeft. ^ Uit de opdracht aan mijn geachten Vriend de Vries is reeds
gebleken, en hij zelf heeft het in de Inleiding op het Nederl. Woordenboek
verklaard, hoe dit Woordenboek zich ook in zijne ondersteuning mag ver-
heugen. Zooals bekend is, had hij zelf jaren lang bouwstoffen verzameld voor
een Middelnederlandsch Woordenboek, waarvan in 1864 twee Afleveringen
zijn verschenen. Van zijne hand bezitten wij eene reeks keurige artikelen , van
A tot Anxene, welke het ten zeerste deden betreuren, dat de verdere Afleve-
ringen niet verschenen, daar deze artikelen zelve de bevoegdheid van den
bewerker tot het schrijven van een Middelnederlandsch Woordenboek ten
duidelijkste toonden. Doch de jaren gingen voorbij en brachten ons de
zoo zeer en zoo algemeen verlangde voortzetting van den nuttigen arbeid
niet. Het Nederlandsch Woordenboek nam den besten en meesten tijd van
DE Vries in beslag, en men behoeft niet veel doorzicht te hebben om. in
te zien, dat het voor iemand, die amaer één man en es», en die daarbij de
aan een Hoogleeraarsambt verbonden plichten heeft te vervullen , niet mogelijk
is, tegelijk twee Woordenboeken te schrijven van zulk een omvang als het
Middelnederlandsche, en vooral het reusachtige Nederlandsche Woordenboek.
Er moest dus eene keus worden gedaan, en hoewel het Middelneder-
landsch Woordenboek voor de Vries een veel aantrekkelijker werk was,
aarzelde hij geen oogenblik aan de bewerking van het Nederlandsche
Woordenboek de voorkeur te geven, daar hij dit als een plicht beschouwde,
waaraan hij zich niet mocht onttrekken.
>) Het is mij aangenaam, hier te kunnen vermelden, dat ik reeds yoor welwillende ondersteuning
van verschillende kanten te danken heb. Mijn geachte vriend R. Fruin heeft mij reeds meermalen met
zijne voorlichting en kennis gediend bg de verklaring van rechtstermen , waarvoor my vaak — ik ben
helaas niet ook jurist — het ware gevoel ontbreekt; zyn broeder, de Utrechtsche Hooglceraar, zond
mij alvast de afgedrukte bladen van zijn werk: De oudste Rechten der stad Dordrecht^ dat over eenigen
tijd verschijnt. De Belgische Regeering schonk ons op ons verzoek een volledig exemplaar van de door
dat Gouvernement uitgegeven Belgische Coutumes. Ook aan de welwillendheid mijner vrienden Du Rieu,
Campbell en Roooe ben ik veel verplicht. Zij stelden alle kostbare handschriften en boeken, die ik
verlangde — en ik vroeg niet weinig — steeds met de grootste heuschheid te mijner beschikking.
Aan allen hier de openlijke betuiging van mijn hartelijken dank.
INLEIDING. V
Ik behoef hierover niet verder te spreken. In de Inleiding op het
Nederiandsch Woordenboek , welke voor eenige dagen in druk is versclienen ,
wordt alles wat met de geschiedenis van het Woordenboek in verband slaat ,
uitvoerig besproken en ik kan dus volstaan, met daarheen te verwijzen.
Intusschen werd de behoefte aan een goed Middelnederlandsch Woorden-
boek hoe langer hoe levendiger gevoeld, en de «Bijdrage tot een Oud- en
Middelnederlandsch Woordenboek» van A. C. Oüdèmans Sr., was niet in
staat, deze behoefte te bevredigen. Integendeel, zij diende slechts om den
wensch naar een goed geordend en met oordeel bewerkt lexicon des te
sterker te maken. Het is mijne bedoeling niet, het werk af te breken van
een voorganger, aan wien niemand den lof van groote werkzaamheid en
stalen vlijt zal ontzeggen, en wiens naam voorlleeft in een aantal beroemde
zonen , op wie het vaderland trotsch is. Doch dit meen ik te mogen zeggen ,
dat OuDEMANS de man niet was, om den arbeid, aan het bewerken van
een Middelnederlandsch Woordenboek verbonden, tot een goed einde te
brengen. Alleen reeds de toevoeging op den titel: «Uit vele glossaria en
andere bronnen bijeenverzameld» voorspelt niet veel goeds. Hij die een
Woordenboek wil schrijven, mag niet afgaan op woordenlijsten, door anderen
bijeenverzameld, maar moet zelf de schrijvers lezen, ten einde zich van
den geest der taal te doordringen. En zooveel te meer is dit noodig, indien
de verzamelaars dier «glossaria en andere bronnen» geen vertrouwen
verdienen; indien daaronder mannen zijn als Blommaert, Vissgher,
SxELLAERT, BoRMANS, WiLLEMS e. a. , die hoo vele en hoe groote ver-
diensten zij overigens ook mogen bezeten hebben, in het verklaren van
Middelnederlandsche teksten zich in het rechte pad te vaak vergissen , om hen
tot gidsen te nemen op het gebied der Middelnederlandsche lexicographie.
Het zou mij niet moeilijk vallen, het hier uitgesproken oordeel met eene
reeks van bewijzen te staven, doch men zal mij wel op mijn woord ge
looven, indien ik zeg, dat men tal van groote fouten en verkeerde ver-
klaringen, welke de glossaria van de bovengenoemde mannen ontsieren, in
de Bijdrage van Oudemans kan terugvinden. Ten overvloede kan ik mij
beroepen , o. a. op het oordeel door den Gentschen Hoogleeraar Heremans
eenige jaren geleden over het boek uitgesproken en met bewijzen gestaafd ' .
Een ander groot bezwaar tegen het werk van Oudemans is het volslagen
gebrek aan systeem in de spelling en rangschikking der woorden, waarvan
bijna iedere bladzijde getuigenis geeft. Wordt een woord in 't mnl. op drie
of vier verschillende wijzen gespeld, men kan zeker zijn, dat men het woord
op drie verschillende bladzijden vindt vermeld. En aangezien nu, gelijk
ieder weet, de spelling der mnl. woorden allesbehalve vast is, zoo kan men
') Jn zyn Nederiandsch Uaseami
VI INLEIDING.
begrijpen , hoe een woordenboek er moet uitzien , dat in dit opzicht geen
ander systeem heeft, dan dat van de woorden op te nemen naar hunne
spelUng. Een derde bezwaar is de onoordeelkundige wijze waarop de ver-
schillende beteekenissen van één woord zijn gerangschikt en waarop vaak
de beleekenissen uit de middeleeuwen en de 46de en 17de eeuw zijn door-
eengeworpen. En — last not least — de verzamelaar heeft zich met het mnl.
proza zoogoed als in het geheel niet ingelaten , en men voelt , welk een
groot gebrek het in een woordenboek is , indien daarin alleen de woorden
der altijd min of meer conventioneele taal der poëzie worden gevonden ,
terwijl de alledaagsche prozaïsche taal , waartoe ook de « keukenwoorden »
behooren , welke eene tegenstelling vormen met de door ons zoo genoemde
c stadhuiswoorden » , niet daarin worden opgenomen. Nog daargelaten , dat
aan de verklaring van de tallooze middeleen wsche rechtstermen door den
verzamelaar zelts niet is gedacht. Oudemans heeft zelf wel gevoeld, dat
er aan zijn lexicon te veel ontbrak , om er den naam van Woordenboek aan
toe te kennen, en met prijzenswaardige bescheidenheid heeft hij dan ook
zijn boek den nederigen titel van « Bijdrage tot een oud- en middelneder-
landsch woordenboek » ^ gegeven , maar daardoor is dan ook tevens te
kennen gegeven , dat dit boek onmogelijk het laatste woord der Mnl. lexico-
graphie kan zijn. Niet eene « Bijdrage » wordt verlangd , maar een « Mid-
delnederlandsch Woordenboek f> , waarin zooveel mogelijk de geheele taalschat
onzer middeleeuwsche voorouderen is bijeenverzameld ; waarin de beteeke-
nissen der woorden naar hare historische volgorde worden uiteengezet, opdat
men daaruit zich een denkbeeld zou kunnen maken, hoe de verschillende
opvattingen zich uit elkander of uit de grondbeteekenis hebben ontwikkeld ;
waarin de woorden van alle of althans van zooveel dialecten als mogelijk
is en waarin is geschreven, worden opgenomen; waarin de taal van het
proza evengoed is vertegenwoordigd als die der poëzie; waarin de termen
der verschillende wetenschappen eene plaats vinden: zoowel de rechtstermen
als die der mystiek, die der medische wetenschap zoowel als die der theo-
logische; waarin de platte taal der klucht verklaard wordt zoowel als de
verhevene — vaak niet zeer verstaanbare — taal van het in godsdienstige
overpeinzingen verzonken gemoed; waartoe de dorste kronieken en de lang-
dradigste geschiedverhalen evengoed hunne bijdrage leveren als de uil-
stekendste gewrochten van den geest onzer middeleeuwsche voorvaderen,
in één woord, waarin men een zoo veel mogelijk afgewerkt gedenkteeken
' Waartoe de toeToeging Oud-Ned^rlandtch? Óf oudndl,, beteekent hetcelfde als Middelned€rl.
en dan is de toeToeging orerbodig en het voegwoord en verkeerd, óf het beteekent iets anders, nl. het
Neder landêcA b. y. der KaroUngisehe Psalmen , en dan zoekt men de woorden daarnit natnnrlijk in de
n Bijdrage" te vergeefs. Beter ware geweest Bijdrage tot een Middel- en Nieuio-Nederl. Wdh.^ daar er
ook woorden uit de 16e en He eenw in worden gevonden.
INLEIDING. VII
vindt onzer geheele middeleeuwsche taal , een codex van den woordenschat ,
waarover onze landgenooten in de middeleeuwen konden beschikken.
Ziehier het groote doel, waarnaar in dit Woordenboek is gestreefd, en
dat met nauwgezetheid is nagejaagd , gelijk de aan de Inleiding toegevoegde
lijst der bronnen, waaruit geput is, kan bewijzen. Ik weet, het is een
strenge maatstaf, die voor de beoordeeling van dit werk door mij zelven
wordt aan de hand gedaan, doch ik weet ook, dat geen andere mag aan-
gelegd worden aan een Woordenboek, en al heb ik de overtuiging dat aan
dit werk fouten zullen kleven, ik mag ook de overtuiging koesteren, met
inspanning van krachten te hebben gestreefd naar een grootsch doel. Absolute
volledigheid zal men in een Woordenboek van het Middelnederlandsch ,
waarin zoo verbazend veel geschreven is, wel niet verwachten. Hij die dit
beoogde, zou misschien nog even veel tijd aan het verzamelen kunnen
schenken , als wij beiden — Verwijs en ik — er reeds aan hebben besteed.
Doch ondertusschen zouden de beste krachten en jaren hem ontschieten , en
de kans om het werk te voltooien zou verminderen in dezelfde mate, als
de volledigheid zelve grooter zou worden. Ook in dit opzicht moet de spreuk
worden toegepast: «est modus in rebus, sunt certi denique fines», en ik
vertrouw, niet al te enge grenzen te hebben getrokken.
Men zal wellicht de vraag doen, waarom het Woordenboek van de Vries
door ons niet is voortgezet. Om de vele later aan het licht gekomen
nieuwe woorden, en de vele nieuwe beteekenissen en bewijsplaatsen van
reeds bestaande, was het niet geraden, dit Woordenboek te beginnen,
daar waar mijn hooggeachte Vriend genoodzaakt was zijnen arbeid te
staken , en zoo de vruchten , welke wij door het lezen van nieuwe en
minder bekende werken , hadden geoogst , aan dit Woordenboek te ont-
houden. Doch de aanleg, de indeeling en de geheele wijze van bewerking
dier beide Afleveringen zijn voor dit Woordenboek tot voorbeeld gekozen,
en niet alleen dit, maar ook zal men verscheidene der daarin voor-
komende artikelen met geene of weinig veranderingen in dit Woor-
denboek terugvinden. Dat van de daartoe door den bewerker gegeven
vergunning dankbaar gebruik is gemaakt, spreekt wel van zelf. Daardoor
werd veel werk bespaard, en waren wij niet in de noodzakelijkheid
ccabgethanes neu zu thun.» Ik zou hier de verzen 161 — 163 uit Huygens'
Cluyswerck op den bewerker toepassen, indien ik niet vreesde, dat aan
vleierij zou worden toegeschreven, wat niet meer is dan een welverdiende
lof. Ook heeft de Vries mij vergund, gebruik te maken van het overige
VIII INLEIDING.
gedeelte der A, door hem in manuscript bewerkt, alsook mij de vrije
beschikking gegeven over zijnen geheelen wetenschappelijken apparaat. Het
is mij hoogst aangenaam, dit hier te kunnen vermelden, omdat men zal
inzien, dat het werk zelf daarbij slechts kan winnen, en er nu een
zooveel te grootere waarborg is voor volledigheid.
Ons Middelnederlandsch Woordenboek omvat de taal onzer middeleeuw-
sche voorvaderen van het begin der Mnl. letterkunde af tot aan het
einde der 15de eeuw, met terzijdestelling alleen van de werken der
Rederijkers (± 1200 — ± 1500). Slechts bij uitzondering is een schrijver
uit eenen eenigszins lateren tijd opgenomen. De in het Woordenboek ge-
bruikte verkortingen der grammaticale termen zullen voorzoover het
mij, ook met het oog op Hoogduitsche en andere buitenlandsche lezers
noodig scheen y achter de bronnenlijst worden verklaard. De citaten
zijn zoo getrouw mogelijk weergegeven, doch hier en daar heb ik mij
eene verandering in de spelling veroorloofd ten behoeve der duidelijk-
heid. Ter besparing van ruimte heb ik de aanhalingen uit poëtische
werken als proza laten drukken — , hoe weinig verschilt maar al te vaak
de middelnederlandsche poëzie van gewoon proza! In het algemeen is
zooveel mogelijk zorg gedragen voor beknoptheid bij volledigheid, doch
zonder de volledigheid of de duidelijkheid aan de beknoptheid op te offeren.
Van het behandelen der etymologie van Middelnederlandsche woorden heb
ik mij niet onthouden, doch alleen voorzoover die niet reeds elders te
vinden is; in dit geval heb ik gemeend te kunnen volstaan met eene ver-
wijzing. De ter vergelijking aangevoerde woorden uit het Middelnederduitsch,
Middelhoogduitsch , Oudhoogduitsch , Oudfriesch en Oudsaksisch zijn te
vinden in de Woordenboeken van Schiller en Lubben, Lexer, Graff,
RiCHTHOFEN en Heyne: ik achtte het onnoodig, die namen telkens weder
te noemen of op te geven, Middelnederlandsche monstra of woorden, die
in de Taalzuivering te huis behooren, heb ik op de plaats, waar men ze
in een Woordenboek zoekt, met een * vermeld, doch alleen voorzoover ze
niet reeds in nieuwe tekstuitgaven zijn verwijderd. En eindelijk wat de in
dit Woordenboek voorkomende verkortingen van schrijvers en geschriften
betreft, men vindt die in de nu volgende lijst nauwkeurig vermeld.
Met deze korte mededeelingen kan ik volstaan. Moge verder het boek
voor zich zelf spreken en niet alleen welkom zijn aan alle landgenooten ,
die onze taal en onze rechtsgeschiedenis , onze historie en onze kerkge-
schiedenis beoefenen, maar ook buiten de enge grenzen van ons vaderland
zijn weg vinden tot de Germanisten, die tot heden onze zoo rijke Middel-
eeuwsche taal ten gevolge der gebrekkige hulpmiddelen niet voldoende
konden leeren kennen.
J. V.
ALPHABETISCHE LIJST DER VERKORTINGEN VAN
BRONNEN EN HULPMIDDELEN.
Aioly Die fragmente des ninl. Aiol, herausg. von J. Verdam in Wendelin Foer-
ster's uitgave van Aiol el Mirabel, Heilbronn i881.
Alex. Alexanders Geesten van Jacob van Maerlant, uitg. door Joh. Franck, 1880
vgg. in Bibliotheek van Mnl. Letterkunde; Alexaadei*s Geesten, uitg. door
F. A. Snellaert, 2 dln. Brussel i 860 vg.
Akx. {Hist, V,) Zie Hkt,
Altd. BldU. Altdeutsche Blatter van Moriz Haupt en Heinrich HofTmann, 2 dln.
Leipz. 4836.
Ama7id, Leven van Sinte Amand, patroon der Nederlanden, uitg. der Bibliophilen ,
2 dln. 4842.
A?i:!, Anzeiger für Kunde der teutschen Vorzeit, herausg. von Fiunz Joseph
Mone, 40 dln.
ArcL V. Delft ^ J. Soutendam, Inventaris der Charters en Privilegiën berustende
op het Archief te Delft, Delft 4860.
Aug, Sceepk, August^jnkens Sceepken, in OVl. Ged. 3, 405 — 412.
Aubry ^ Fragment van den Aubry de Borgengoen, uitg. door L. Ph. G. van den
Bergh in N. Reeks van Werken der M^. van Ned. Lett. 7*, 429 — 444.
Bagh V. F, Bagh^nken van Parijs. Oock is hier by ghedaen die wyse leringe die
Catho sijnen sone leerde. Uitg. der Bibliophilen, 4860.
Barthol. Bartolomeus (van Glanvilla) den Engelsman, Van den Proprieteiten der
dinghen, Haarlem bq Jac. Bellaert van Ziericzee, 4485.
Beatr» Beatrijs en Garel ende Elegast, uitg. door W. J. A. Jonckbloet, 4859.
Bed, d. M. Die Bediedenisse van der Missen, uitg. door A. G. Oudemans, in N.
Reeks v. Werken der M^ v. Ned. Lett. Dl. 7.
BeeH. Beestiaris der Minnen , fragment , uitg. door J. H. Bormans in de Bulletins
de r Academie Royale de Belgique, 2me serie, tome 27 n°. 5, bl. 488 — 505, 4869.
Bel. V, Leiden, Meerman, Verhaal van het beleg en de verovering van Leyden in
4420, Bylagen. Leiden 4806.
X ALPHABETISCHE LIJST DER VERKORTINGEN ENZ.
Belg, Mus. Belgisch Museum voor de Nederduilsche Taal- en Lellerk. en de Gesch.
des Vaderlands, uitg. door J. F. Willems, iO dln. 4837—46.
Bere JFisL Van den Bere Wislau, fragra. in Vad. Mus. 2, 265—284.
Bern, W. ; Bern, S, Dit is dat boec van Sinte Bernaerdus Sermoenen , Wintersluck en
Somerstuck, Zwolle, Peter van Os, 1484.
Bienb.. Dit is der Biên boeck, een goet boeck dat ghehieten is een ghemeyn guet
van der naturen der byen. Zwolle, Peter van Os, 4488 (Gat. Lett. Dl. 2,
bl. 510).
Bild. Versch, Bilderdijk, Taal- en Dichtkundige Verscheidenheden, 4 dln.
Bild. iV^. Versch. Bilderdijk, Nieuwe Taal- en Dichtkundige Verscheidenheden, 4 dln.
Bloeml. Bloemlezing uit Middelnederlandsche dichters, bq een verzameld door Eelco
Vei-wijs, 3 dln.
Blisc. V. M. De eerste bliscap van Maria, in Mnl. Dram. Poézie (Bibl. v. Mnl. Lett.)
bl. 329—448 (Ook in Belg. Mus. 9, 59—438).
FII Bloemen y Van den Seven Bloemen, gedicht ter eere van Maria, in Angillis,
Geestelijke Gedichten; vgl. Mone, Uebersicht 469.
Blomm. fr. Zie Fragm, Carl,
Boec d, M, Dat Boec der Minnen, Hs. der Kon. Bibl. te 's-Gravenhage (n^ 35
der Weespsche handschriften).
Boeck V, (l, L, JhesUy Dat boeck van den leven ons liefs Heren Jhesu Christi, van
Ludolphus Gailhusianus , Antwerpen, Geraert Leeu, 4479.
Bouc V, Sed, De Bouc van Seden, in Kausler's Denkmaler 2, 564 — 599.
Boerden y Dit sqn tien goede Boerden, uitg. door E. Verwys, 4860.
Boetps, De zeven Boetpsalmen en andere stukken, uitg. door G. J. Meyer, in N.
W. van de M«. d. Ned. Lett. 5', 437—240.
V Bomen ^ Van vqf bomen, Allegorisch Gedicht voorkomende in het Leidsche Hs.
van Maerlant's Naturen Bloeme, f* 22(? — 23ö?.
Boom d. Schr, Den Boom der Schriftueren van VI personagien, ghespeell tot Middel-
burch in Zeelant, 4539. Uitg. door G. D. J. Schotel, 4870.
BrcJ), Y. De Brabantsche Veesten of Rijmkroniek van Braband door Jan Boendale
van Antwerpen, 2 dln. uitg. door J. F. VSTillems, 4839 en 43; 3" dl. (7" boek)
uitg. door J. H. Bormans, 4869 (in Gollection de Chroniques belges inédites ,
publiées par ordre du gouvernement.)
Brand, Van Sinte Brandane, uitg. door W. G. Brill, in Bibl. der Mnl. Lett. (ook
in Blommaert's OVl. Ged. 2, 4—28, naar het Comb. Hs.).
Brand, H, Reis van Sinte Brandaen , naar het Hultbemsche Hs. , in Blommaert's
OVl. Ged. 4 , 94—420.
Brugman, W. Moll, Joh. Brugman en het godsdienstig leven onzer vaderen in de
45* eeuw. 2 dln. Bijlagen. 4854.
Busk, De Sotternie van den Buskenblaser , in Mnl. Dram. Poézie, bl. 426 — 440 (ook
in Hor. Belg. 6, 90—99.)
B, V. 4357, Prozavertaling der Historische boeken van het O. T. en een gedeelte
der Apocryphe boeken. Perkamenten Hs. van het jaar 4357, in de Bibl.
van de M^. der Ned. Letterkunde te Leiden.
Cirisl. Leven van Sinte Ghristina de Wonderbare, uitg. met aant. door J. H. Bor-
mans, 4850.
alphabetische lijst der verkortingen KKZ. xt
D. B, Delftsche Bijbel of Bijbel van 1477. Oude Druk van het O. Testament en de
Apocryphe boeken.
Delfl, Bijl, Bijlagen tot de Gesch van het Hoogheemraadschap en de lagere water-
besturen van Delfland, uitg. door A. A. J. Meylink, 4848.
Denkm. Denkmaler altniederlandischer Sprache und Litteratur, herausg. von E.
Kausler, 3 dln.
Despars, Cronycke van den lande ende graefscepe van Vlaenderen , door Jonker Nico-
laes Despara, uitg. door J. De Jonghe, Brugge 1840, 4 dln.
Devoet B. (30). Hs. der Kon. Bibl. te 's-Gravenhage (n^. 30 der Weespsche Hss.),
met het opschrift: Hier begint een devoet boecskijn vander bereydinge ende
vercieringe onser inwendiger woeningen.
Devoet B, (36). Hs. der Kon. Bibl. te 's-Gravenhage (n^ 36 der Weespsche Hss.),
met het opschrift: Een devoet boecskijn van stichtighen leringhen ende van
goeden exempelen.
JDial, Creai. Dyalogus Creatui'arum , een boec dat vol is van genoechliken fabulen,
die profitelick syn tot leringe der menschen. Te Delf in Hollant , 1488.
Diericx, Mém. Mémoires sur la ville de Gand, uitg. door Ch. L. Diericx, Gent,
1814. 2 dln.
Dingt, v, Amst Dingtaal, te Amsterdam in de 15e eeuw b\j een doodslag gebrui-
kelijk, uitg. in N. Bijdr. voor Bechtsgel. en Wetgeving, N. Beeks. Dl.
5. 1879.
Dmgt, V. Delft, Dingtalen van Delft, uitg. in N. Bqdr. voorB. en Wetg. Dl. 4. 1878.
Dingt. V, Wat, Oude Dingtalen van Waterland , uitg. in N. B\jdr. voor B. en Wetg.
N. Beeks V. 1879.
Disp, Eno disputacie van onser Vrouwen ende van den heiligen Cruce, uitg. door
Van den Bergh in N. W. der M^. v. Ned. I^ett. 5*, 17 vgg. , in Kausler's
Denkm. 2 , 677 vgg. , in Van Vloten's Kleine Gedichten van J. v. Maerlant
^^ ^%^- j in Verwijs' Strophische Ged. van J. v. Maerlant 80 vgg.
D, Cat, Die Dietsce Catoen, uitg. door W. J. A. Jonckbloet, 1845.
Doet, Die Dietsche Doctrinale , leerdicht van 1345 , uitg. door W. J, A. Jonckbloet, 1842.
D, Orde, De Duitsche orde of Beknopte Gesch. der Broeders van het Duitsche Huis
van St. Marie van Jerusalem, uitg. door J. D'Ablaing van Giessenburg, 1857.
Dram, P, De Middelnederlandsche Dramatische Poëzie, uitg. door H. E. Moltzer,
in Bibl. der Mnl. Lett. 1875.
Drie D, llere, De sotternie van Drie Daghe Here in Mnl. Dram. Poëzie 190 — 209.
(ook in Hor. Belg. 6, 105—120.)
D, War, De Dietsce Warande, Tijdschrift voor Nederlandsche Oudheden, enz., be-
stuurd door J. A. Alberdingk Th\jm, Dl. 1 — 10.
Edeti), Van den derden Edewaert, in Belg. Mus. 4, 302 — 367,
Eleg. [C, en El,) Beatrijs en Carel ende Elegast, uitg. door W. J. A. Jonckbloet,
1859 (ook in Hor. Belg. Dl. 4.)
Enq, Enqueste ende Informatie upt stuck van der Reductie ende Reformatie van den
Schiltaelen, gedaen in den Jaere 1494, uitg. door R. J. Fruin, 1876.
Eèm, ' Een abel spel van Esmoreit, in Mnl. Dram. Poëzie uitg. door H. E. Moltzer,
bl. 1—59 (ook in Hor. Belg. 6, 3—39 en in Bloeml. 3, 157—189.).
£êop, Bqdragen tot de oude Nederlandsche Letterkunde, uitg. door J. A. Clignett,
1819; Esopet, uitg. door J. Te Winkel in Bibl. der Mnl. Lett. 1881.
XII ALPHABETISCHE LIJST DER VERKORTINGEX ENZ.
Exc. Croji, Van Brabant die excellente Cronike, Antwerpen bg Jan van Does-
borch, 1530.
Fase. M, Fasciculus Myrre, Een sonderlinge devote materie van die passie ons
Heeren J. G. , geheeten dat busselkqn ofte dat bondelkqn van myrre,
Antwerpen, Symon Cock 1529.
Fase, Temp. Fasciculus temporum, inhoudende die Cronycken van ouden tqden, by
my volmaect (gedrukt) Jan Veldenar, Utrecht 1480.
V. (l. Feest. Van der Feesten een proper dinc, in Theophilus (uitg. v. Blommaert) 44 — 55.
in Van Vrouwen ende van Minne (Bibl. d. Mnl. Lett.) 1-34, uitg. door E. Verwqs.
Ferff. Ferguut, uitgave van E. Verwijs in Mnl. Bibl., na z\jn dood bezorgd door
J. Verdam, 1881 (Ook uitg. door L. G. Visscher, Utrecht 1838).
Ffandr. Flandrqs, fragmente eines mnL Rittergedichtes , uitg. in Quellen und
Forschungen, door Joh. Franck, Straatsburg 1876.
Ff. en BL (Flaris)^ Floris ende Blancefloer, uitg. door H. E. Moltzer (in Bibl.
der Mnl. Lett. 1879 (Ook in Hor. Belg. Dl. 3 door Hoffmann von Fallers-
leben, 1836).
Floveut, Flovent, Bruchstücke eines mnl. epischen Gedichtes, uitg. door K. Bartsch
in PfeifTer's Germania 9, 407—463.
Fragm. CarL (Blomm. fr.) Fragment d'un roman de Chevalerie du cycle Carlo-
vingien, uitg. door Ph. Blommaert in de Annales du Comité Flamand de
France, Dl. 5.
Franc. Leven van Sin te Franciscus door J. van Maerlant, uitg. door J. Tideman,
in de Werken der Vereeniging tot bevord. der O. Ndl. Lett. 1848.
Garijn^ Fragmenten van den Garyn van Montglavie, uitg. door Bilderdgk in
Taal- en Dichtk. Verscheidenheden 4, 126 vgg.
Gedenksi. L. Ph. G. van den Bergh, Gedenkstukken tot opheldering der Nederl.
Gesch. opgezameld uit de Archieven te Rqssel, Leid. 1842.
GeesL Ged. Geestel^ke Gedichten van J. van Maerlant e. a., uitg. door L. Ph. C.
van den Bergh, in N. W. van de M**. de Ned. Lett. 5», 1—124.
GeeH. Leer. Geestelijke Leeringen, Handschrift der Kon, Bibl. te *s-Gravenhage
(N**. 34 der Weepsche Hss.)
Gendsck Chtb. Het Gendsch Gharterboekje , uitg. door K. L. Diericx, 1821.
Gerl, Petere, Geschriften van Gerlach Petere, uitg. door W. Moll in Kerkhistorisch Archief,
vei-zameld door N. Kist en W. Moll, Dl. 2, bl. 202—214, 218—229, 234—239.
Gesch. V. Antw. F. H. Mertens en K. L. Torfs, Geschiedenis van Antwerpen,
Antw. 1845—54. 7 dln.
Geschiedz. Nederlandsche Geschiedzangen naar tydsorde gerangschikt en uitg. door
J. van Vloten, 1852, 2 dln.
Gest. Bom. Gesta Romanorum, tracterende van die do<;chden ende sonden ende die
ghemoralizeert ende ghetoghen tot enen gheesteliken zinne, Gouda b\j
Gheraert Leeu, 1481.
Gnr. V. Si. Tm^en, Gewoonten, Vryheden en Privilegiën der stad Sint Truyen,
Uitg. door de M*. der Vlaemscho Bibliophilen.
G. Groote, (ïeerl Groote's Dietsche Vertalingen, hcschrevcm en toegelicht door W.
Moll, in Letterk. Verband, der Koninkl. Arad. Dl. 13.
Gfor. Een abel spel van Gloriant, in Mnl. Drarri. FN>/''zi<j, bl. 75 — 125 (ook in
Hor. Belg. 6, 49—89.)
ALPHABETISCHE LIJST DER VEHKOHTINGEN ENZ. XIII
God t>. d. Cr. God van den Gnice sprect te di, in N. W. van de M"^. der Ned.
Lett. 51, 216.
Greg. Hom. Sinle Gregorius Omelien, Utrecht, Joh. Veldener, 1479.
Grimb. De Grimbergsche Oorlog, Riddergedicht uit de 14e eeuw, uitgave der VI.
Bihiiophilen, door Ph. Blommaert, 2 dln. 1852.
Gulden T. Boec des Gulden Throens of der XXIV ouden, Haarlem bq Jan
Andriesz. 1484.
Hadew. Werken van zuster Hadewijch, uitg. der Vlaemsche Bibliophilen. 1875.
Halb. Aant. 3. H. Halbertsma, Aanteekeningen op Maerlant's Spiegel Historiael, 1851.
Ilandv. V. Alhn. Handtvesten ende Privilegiën der steden Alkmaar en Hoorn,
Enkhuizen 1667.
llando. V. Enkh. Handvesten, Privilegiën, VSTillekeuren ende Ordonnantiên der stadt
Enchuysen, Enkhuizen 1667.
Ilandv. V. Medembl. Handvesten ende Privilegiën der stadt Medenblick mitsgaders
die van Grootebroek, enz., en andere West-Vriesche en Drechterlandsche
voorrechten, Enkhuizen 1667.
Ilandv. V. Waterl. Handvesten ende Privilegiën van Monnickendam ende Water-
landt, 1713.
Ilan. IL Een tafelspeelken van twee personagien, eenen man ende een wijf gecleet
up z^jn boersche, in Mnl. Dram. Poëzie, 312 — 338 (ook in Belg. Mus. 2,
121—134.
Ilarderw. Schrassert, Beschr^vinge der stadt Harderwijck, 2 dln., 2de dr., 1732.
Heelu, Chroniques en vers de Jean van Heelu, ou relation de la bataille de Woeringen ,
uitg. door J. F. Willems, in GoUection de Ghroniques belges inédites, publiées
par ordre du gouvernement, 1836.
Ileemsh. De vier Heemskinderen, uitg. door J. G. Matthes, 1872.
Ileim,^ Ileim. d. U. De Heimelijkheid der Heimelijkheden, üitg. door J. Glarisse in
N. Werken van de M*. der Ned. Lett. , Dl. 4 (ook in Kausler's Denkm.
{Ileim. C) 2, 483—556).
Hexe ^ De sotterie van de Hexe, in Mnl. Dram. Poëzie, 183 — 189 (ook Hor. Belg.
6, 100 vgg.).
Hild. Gedichten van Willem van Hildegaersberch , uitg. door W. Bisschop en E.
Verwas , 1870.
ITUt. V. Alex. Prozabewerking der Hiêloriè van Alexander^ Delf 1491. (Een
druk van 1477 bevindt zich in de Kon. Bibl. te Berlijn , een van 1479
is in het bezit van den Hertog van Aremberg te Brussel; hetzelfde werk?).
IlofJc. van Dev. Dat Hof ken van Devotie , een zeere devoet ende profitel^jck boecxken ,
gedrukt te Antwerpen b\j Geraerdt Leeu, 1487.
Hondsb. Verzameling van stukken betrekk. den Hondsbossche en Duinen tot Petten ,
1388—1598, uitg. door J, A. Kluppel.
J£or. Belg. Horae Belgk^ae, uitg. door HofTmann von Fallersleben, 12 dln.
V. d. Houte , Dboec van den Houte , uitg. door J. Tideman , in Werken der Ver-
eeniging enz. , 1844.
Ih. Evang. Perkamenten Hs. der Maatschappij v. Nedl. Letterkunde , n**. 243 (nieuwe
Gatal.), bevattende de vier Evangeliën.
Hs. Pn. Prozahandschrifl eener mnl. vertaling der Psalmen , berustende op de Kon.
Bibl. te 's-Gravenhage (N°. 6 der Weespsche Hss.).
XIV ALPHABETISCHt: LIJSt DEH VERKORTINGEN ENZ.
lis, Souf-er, Prozahaudschrifl eener mnl. vertaling der Psalmen , waarby enkele andere
stichtei^ke stukken , berustende op de Kon. Bibl. te 's-Gravenhage (N^ 5
der Weespsche Hss.)
Hs. 71 , Handschrift uit de i5de eeuw , bevattende de vier Evangeliën , in de Bibl.
van de M^. der Ned. Lett. (Nieuwe Catalogus n^ 245.)
Hs. 75 , ld. bevattende de brieven van Paulus en de Openbaring van Johannes (ald.
^ n°. 250).
Hs. 80 , ld. getiteld : Dat boeck van den leven ons liefs Heren Jhesu Christi (ald.
n^ 259).
Hs. 81 , ld. bevattende Den leven ons Heren Jhesu Christi (ald. n^ 258).
Hs. 86 , Handschrift , bevattende Dat leven van Sijite Franciscus (ald. n®. 264).
Hs. 87 , Handschrift uit de 1 5de eeuw , bevattende Sinte Franciscus legende ende
s\jn leven (ald. n°. 265).
Hs. 88 , ld. bevattende Sinte Franciscus ende signre ghesellen leven , (ald. n°. 266).
Hs, V. 1348, Hs. op Perkament van 1348, bevattende epistel- en evangelielessen
voor het geheele kerkjaar , berustende op de Universiteitsbibl. te Amsterdam.
(Hss. uit de nalatenschap van W. Moll N°. 1.)
Hs, V. 1423, Papieren Codex der Maatsch. v. Nedl. Letterkunde (Nieuwe Catal.
n®. 234) , bevattende de Psalmen Davids , de Lofzangen der Heiligen,
Ezechiél , Daniël , Job , de werken aan Salomo toegeschreven en Jezus Sirach.
Hs, Yp. Handschrift der Bourgondische Bibliotheek te Brussel (N®. 15624 — 41) be-
vattende allerlei tractaten over medische en physische onderwerpen, o. a.
eene Chirurgie van Johannes Yperiiians (slechts gedeeltel^k met de ui tg.
van Broecx , naar het Canibridgesche hs. , samenvallende).
Httge V, Bord, I, H, Fragmenten van den Huge van Bordeaux , uitg. door S. de Wind,
in N. Reeks van Werken v. d. M^. der Ned. Lett. 5 , 261 vgg.
Huge V, Bord, Het Volksboek van Hughe van Bordeaux , uitg. door F. Wolff, als
deel 55 van het Wurtembergische Verein.
Jonckbl. Geselt. Jonckbloet, Gesch. der Mnl. Dichtkunst, Bijlagen (Dl. 3, bl. 595 vgg.).
Inform, Informatie up den staet, faculteyt ende gelegentheyt van de steden ende
dorpen van Hollant ende Vrieslant , van den jare 1512, uitg. door R. J.
Fniin , 1866.
Invent, v, Brugge^ Inventaire des Archives de Bruges, uitg. door Mr. Gilliots van Severen.
YsL Bl, Der Ystorien Bloeme , d. i. de legende der Heiligen , uitg. door A. C. Oude-
mans in Dietsche Warande 1 , 137, 327, 533; 2, 123, 179, 470.
Kal, Kalender voor de Protestanten in Nederland , 8 jaarg. geredigeerd door W.
Moll, 1856-63.
Cannaert , J. B. Cannaert , Bedragen tot de kennis van het oude strafrecht in Vlaenderen ,
3de dr. 1835.
Cass, Roman van Cassamus , fragment , uitg. door E. Verwijs, in Bibl. der Mnl. Lett,,
2* Afl. 1869.
CaM. ff. Het Brusselsche fragment van den Cassamus , in Taal- en Letterbode 2 ,
158—166.
Cat, L, Dit s\jn Catoens Leren, in Kausler's Denkm. 2,600 — 610.
K, en O, V. Delft ^ Keuren en Ordonnantiên der stad Delft, uitg. door J. Souten-
dam, 1870.
andere
(lid
4).
ende
^
ssen
ital.
en.
be-
a.
ALPHABETISCHE LIJST DER VERKOt\TINGEN ENZ. XV
Keri, CL Der Kerken Glaghe, van J. van Maerlant, uitg. (met V. d. Lande
V. Overzee) door J. F. J. Heremans, 1870 (Ook in Bloemlezing 2, 93 vgg.
in de Kleine Gedichten van J. van Maerlant, door J. van Vloten, 92 vgg.
en in de Strophische Gedichten van Maerl., uitg. door E. Verwijs, 132 vgg.).
Keuhenh. Keukenhoek, uitg. naar een Hs. der 15e eeuw, door de M^. derVlaemsche
Bibliophilen, 1872.
Claghe^ Claghe of lofdicht op Heer Danieel van de Merwede (Uit het Wapenboeck
(ald I OU Armorial de 1384 par Gelre Heraut d*Armes, V. Bouton, Parijs 1882).
Ook in J. Smits en G. D. J. Schotel, Gesch. v. Dordrecht 1, 149 — 157.
C/^c, Krongk van Holland, van een ongenoemden Glerc, gemeenlijk geheeten Kronijk
van den Clerc uten laghen landen bider zee, uitg. in Werk. v. h. Hist.
Genootsch. te Utrecht, Nieuwe Serie, N°. 6, 1867.
IVuL CriL Historia Critica Comitatus HoUandiae et Zeelandiae, Kluit, Middelburg
1777, 2 dln.
C/rWM. Die Clausule van der Biblen, gedrukt in dezelfde werken als Disp. (zie ald.)
(kmdichb. v. Zutf. Dat Condichboek der Stad Zutphen, medegedeeld door L. A. J. Baron
Sloet (in Nedl. Jaarb. voor Bechtsg. en Wetg. DL 7).
Con. Somm. Summe Ie Boy of des Conincs Summe, ende leert hoe men de sonden
biechten ende beteren sal, Haarlem, Jan Andriesz. 1848.
d ^^' ^* ^^i'^' öit sqn de Goren van der stad Antwerpen, uitg. door de Vlaemsche
Bibliophilen.
Oock Dit is dat edele lant van Cockaengen, in Altd. Blatter 1, 165 — 167.
Coerb. van Antw. Coerboeck der stad Antwerpen, in Anciennes Coutumes de la
^' Belgique, Quartier d*Anvers, Dl. 1.
. Caut. V, Anüo. Coutume du Pays et Duché de Brabant, Quarter d'Anvers 5 dln.
1870 — 74. Uitg. in den Becueil des anciennes Coutumes de la Belgique.
. Caut. V. Brugge^ Coutume de la ville de Bruges, 2 dln. 1874, uitg. ibid.
C&uL V, Brussel f Coutume du Pays et Duché de Brabant, Quartier de Bruxelles,
2 dln. 1869 en 73, uitg. ibid.
Coui. V. Gefit, Coutume de la ville de Gand, 1868. Uitg. ibid.
Cout V. Leuven, Coutume du Pays et Duché de Brabant, Quartier de Louvain et
de Tirlemont, 1874, uitg. ibid.
Cout V. St. Truyen , Coutume du Comté de Looz , de Saint Trond et de Beckheim ,
1872, uitg. ibid.
Cron, V, Vlaend. Kronyk van Vlaenderen van 580 tot 1467, 2 dln. uitg. door de
Vlaemsche Bibliophilen, 1839.
Cracht der 3L , Die Gracht der Mane, door Heinryk van Hollant , uitg. door M. De Vries
uit de Nalatenschap van J. Glarisse, in Verslagen en Berichten der Ver-
eeniging, IV, 5 vgg.
K V, Brielle, Brielsehe kleuren uit de 15de eeuw, medegedeeld door H. De Jager,
in N. B^jdr. voor Bechtsgel. en Wetg. Dl. 3, 1877.
K. V, Belfi, , Keuren van Delfland ende Ordonnantiên van 't Hoogheemraatschap van
Delflant, Delft 1754.
Lams, W. G. Lams, Het Groot Privilegie en Hantvest Boeck van Kennemerlandt en
Kennemer gevolgh, Amst. 1664.
L(mc. Roman van Lancelot, naar het eenig bekende Hs. der Kon. Bibl. uitg. door
W. J. A. Jonckbloet, 2 dln., 1846.
XVI ALPHABETISCHE LIJST DER VERKORTINGEN ENZ.
Lanfr. Lanfranc's Chirurgie, Hs. in de Bibl. der M**. tot Bevord. der Geneeskunde
(in bruikleen afgestaan aan de Universiteitsbibl. te Amsterdam.).
Lanfr. Incun. Een incunabel derzelfde M**. over soortgelijke onderwerpen.
LansL Een spel van Lantseloot van Denemarken ende die scone Sandrqn, in Hnl.
Dram. Poézie, 141—182 (ook in Hor. Belg. 5, 1—32; 6, 157—166).
Landr, v. Vel, Gereformiert Landt recht van Velu wen und Veluwenzoom , Arnhem 1715.
Leid. Keurh. De Middeneeuwsche Keurboeken van de stad Leiden, uitg. door H.
G. Hamaker, 1873.
Leit. N, W. Nieuwe Werken van de M^. der Ned. Letterkunde, 6 dln. 1824—44.
LetL N, R. Nieuwe Reeks van Werken van de M«. der Ned. Lelt. 9 dln. 1846—57.
Lïb. Alk Liber Albus van Utrecht, uitg. door Baron Lintelo de Geer, in Nieuwe
Bijdr. voor Rechtsg. en Wetg. Dl. 3, 1875. Ook in Rechtsbronnen der Stad
Utrecht, bl. 3—68.
Limh Roman van Heinric ende Margriete van Limborch, uitg. door L. Ph. C. van
den Bergh, in Lett. N. R. Dl. 2 en 3.
Limb. Serm, Sermoenen in 't Limburgsch Dialect, perkamenten Codex van ± 1290
der Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage , N°. 377. Vgl. T. en Lettb.
5, 169 vgg.
Livre d. Mest. Le Livre des Mestiers, Dialogues Fran^ais-Flamands , composés au
14e siècle, uitg. door Michelant, 1875.
JApp, De sotternie van Lippijn in Mnl. Dram. Poëzie, 60 — 74 (ook in Hor. Belg.
6, 40—48 en Bloeml. 3, 189—196).
L, o. IL Van den Levene Ons Heren, uitg. door P. J. Vermeulen, 1843.
Lorr. Roman van Karel den Groote en zqne XH Pairs , uitg. door W. J. A. Jonck-
bloet in Werken der Vereeniging, 1844.
Lort. fr. Fragmenten van den Roman der Lorreinen, uitg. door J. C. Matthes in
Bibl. der Mnl. Lett. 1876.
Ijütt ff, HL en IV. Nieuwe fragmenten van den Roman der Lorreinen , uitg. in het
Festschrift zur Vierten Sacularfeier der Universitat Tübingen , door Hermann
Fischer, 1877.
Jjgp, Der Leken Spieghel, leerdicht van den jai'e 1330 door Jan Boendale, gezegd
Jan de Clerc, uitg. door M. De Vries in Werken der Vereeniging, 1844.
I/ucid, Die Dietsce Lucidarius , leerdicht uitg. in Blommaert's Oudvlaemsche Gedichten
3, 1—74.
Lulofs, Ilandb,^ B. H. Lulofis, Handboek van den vroegsten bloei der Ned. Lett. 1845.
Liitg. Het Leven van Sinte Lutgardis door Broeder Gheraert, uitg. door J. H. Bor-
mans, in de Dietsche Warande B. L in Dl. 3, 55, 132; B. H. in Dl. 3, 156,
285; Dl. 4, 155; B. HL in Dl. 4, 266.
L. V, J, {L, V, Jes,) Het Leven van Jezus, naai* een Nederlandsch Hs. uit de 13e
eeuw uitg. door G. J. Meyer, 1835.
Lijd. ƒ. Dat Lijden ende die Passie ons Heren Jhesu Christi, uitg. door A. Holder
in Bibl. der Mnl. Lett. , 1877.
F Mtiegd, Het spel van de V vroede ende van de V dwaeze maegden, naar een
handschrift van het begin der 16e eeuw, uitg. der Bibliophilen.
Maleg. Fragmenten van den Malegys , byeenverzameld en uitgegeven door J. Verdam ,
in Taal- en Letterbode, Dl. 6, 113—147.
ALPHABETISCHE LIJST DER VEKKORTINGEN ENZ. XVTl
Mandev. Mnl. bewerking der reis van Sir John Mandeville, perkamenten Hs. in de
Univei'siteits-bibliotheek te Leiden (N°. 14/.)
Mar. V. N. Marieken van Nijmegen, eene Nederlandsche Volkslegende uit de 16e
eeuw, uitg. door J. van Vloten, 1854.
IF Marl. {Vierde Mart.) Het vierde boek van den Wapene Martijn door Hein van
Aken , in Vaderlandsch Museum 4, 55 — 90.
Maget v. Gent , Gedicht van Boudewgn van der Lore , in Blommaert's OVl. Ged.
2, 105—108.
Masi. Dit es van Maskaroen, in Ned. Ged. der 14e eeuw, uitg. door F. A. Snel-
laert, 493—538, vgl. Merlqn 1927 vgg.
Matth. Het Rechtsboek van den Briel, beschreven door Jan Matthijszen, uitg. door
J. A. Fruin en M. S. Pols in Oude Vaderlandsche Rechtbronnen , 1880 (Ook
in Alkemade en Van der Schelling, Beschri^jving der stad Brielle, Dl. 1).
Matth. Anal. Anthonii Matthaei Analecta Medii Aevi, 5 dln. 1738.
Melib.. Melibeus, in Ned. Ged. der 14e eeuw, uitg. door F. A. Snellaert, 1 — 136;
Melib. Var. aldaar bl. 645 vgg.
M. en Fr. Heim. Der mannen ende vrouwen heimelijckheit in Hs. Yp. (Zie boven)
fo. 77v— 85r.
Merl. Jacob van Maerlant's Merlyn, uitg. door J. van Vloten, 1880.
Mieris, Groot Charterboek der Graven van Holland, van Zeeland en Heeren van
Vriesland, 4 dln. P. 1753.
MLoep. Der Minnen Loep door Dirc Potter, uitg. door P. Leendertz in Werken der
Vereeniging, 1847.
Mni. Spreekw. Altniederlandische Sprichwörter nach der altesten Sammlung, uitg.
door HofTmann von Fallersleben in Dl. 9 der Horae Belgicae. Vgl. W. H.
D. Suringar Be Proverbia Communia, vooral bl. 49 — 61.
Mor. Roman van Moriaen, uitg. door J. Te Winkel in Bibl. der Mnl. Lett. 1878,
(Ook in Lancelot, Hl, 42547—47250).
Nat. Bl. Der Naturen Bloeme, van J. van Maerlant, uitg. door E. Verwqs in Bibl.
der Mnl. Lett. 1878 (Boek I— IV ook uitg. door J. H. Bormans, 1857).
Natuurk. Natuurkunde van het Geheelal , van Broeder Gheraert , uitg. door J. Cla-
risse in N. Reeks van Werken van de M^. der Ned. Lett. Dl. 4, 1847.
N. Boet. Die nieuwe Doctrinael of Spiegel van Sonden, van Jan de Weert, uitg. in
Blommaert's OVL Ged. 3, 75—104.
Negen Best. {IX Best.) Van den Neghen besten, in Kausler's Denkm. 3,141 — 161.
Nijh. L A. Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de Geschiedenis van Gelderland, 6 dln.
Ned. Ged. Nederlandsche Gedichten uit de 14' eeuw van Jan Boendale, Hein van
Aken e. a., uitg. door F. A. Snellaert, 1869.
Ned. Kluchtsp. Het Nederlandsche Kluchtspel van de 14* tot de 18* eeuw, uitg.
door J. van Vloten 1* uitg. (1« afl.) 1854; 2' uitg. 3 dln. 1877.
Ned^ Proza ^ Verzameling van Nederlandsche Prozastukken van 1229 — 1476, uitg.
door J. van Vloten, 1851.
Nu nock^ Een clute van Nu noch, in Mnl. Dram. Poëzie, 291 — 311 (ook Belg.
Mus. 2, 107—120).
O. H. Passie^ Ons Heren Passie, Mnl. Gedichte herausg. von H. A. Keiler, in
Einladung zur akad. feier des Geburtsfestes seiner Maj. Wilhelm von
Wurttenberg, Tübingen 1851.
XVIII ALPHABETISCHE LUST DER VERKORTINGEN ENZ.
O. luL O Intemerata, in Kausler*s Denkmaler 2, 557 — 566.
O. K. V, Dordr. Hel Oudste Keurboek van Dordrecht, uilg. door J. A. Fruin in
Nieuwe Bijdr. voor Rechlagel. en Wetg. Dl. 2, 1876.
O, K. V. EtM. Oude Keuren van Enkhuizen, medeg. door J. Soutendara in N. Bijdr.
voor Rechtsgel. en Wetg. Dl. 4, 1878.
O. K. V, EoU. Het oudste Keurboek van Rotterdam, uitg. door R. J. Fruin, ald.
Dl. 2, 1876.
OoriL Oorkondenboek van Holland en Zeeland, uitg. door L. Ph. C. van den
Bergh, 2 dln. , 1866.
Oorkb. V, Geld, Oorkondenboek der Graafschappen Gelre en Zutfen tot op den slag
van Weeringen, uitg. door L. A. J. W. Baron Sloet, 1872 — 76.
Oorl, V. Albr, De Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen, uitg.
door E. Verwijs, in Werken uitg. door het Hist. Genootschap te Utrecht,
N. Reeks N°. 8.
O. R. V. Bord/r, De oudste rechten der stad Dordrecht en van het Baljuwschap van
Zuid-Holland, uitg. door J. A. Fruin, 1882 (N^ 4 der Oude Vader-
landsche Rechtsbronnen).
O. R. V. Af/isL Oude Regten van Amsterdam, uitg. door P. Schel tema, 1875,
Oudenh. Z.-HolL Jacob van Oudenhoven's Out-HoUandt, nu Zuyt-Hollandt, Dordr. 1654.
Overzee, Van den Lande van Overzee, van J. van Maerlant, uitg. in dezelfde
werken als Der Kerken Glaghe (zie ald.)
Overijs, R. I , Overijsselsche Stads-, Dijk- en Markerechten ; U , Dykrechten van Vol-
lenhove, uitg. door de Vereeniging ter bevord. van Overrqsselsch Regt
en geschiedenis.
OFL Ged. Oudvlaemsche Gedichten, 3 dln., uitg. door Ph. Blommaert, 1838.
OVL Lied, Oude Vlaemsche Liederen, uitg. door J. F. Willems, 1848.
O VI, Lied, eii Ged, Oude Vlaemsche Liederen en andere Gedichten der 14e en
15* eeuwen, uitg. der Bibliophilen , 2* serie n®. 9.
O. W, V, Amst, De Oudste Willekeuren van Amsterdam, medegedeeld door C. Pqn-
acker Hordijk in N. Bijdr. voor Rechtsgel. en Wetg. Dl. 5.
Pwrth. Ouddietsche fragmenten van den Parthonopeus van Bloys, uitg. door J. H.
Bormans (ook gedeelt. uitg. door H. F. Maszmann in Partonopeus und
Melior, Berlin 1847).
Parth, fr. Fragment van den Parthonopeus, medeged. door E. Verwys in Hande-
lingen en Mededeelingen van de M^. der Ned. Lett. 1872.
Pa89, W, Pass. S, Passionael Winterstuck en Somerstuck , Legendenboek , Gouda
1480 Gheraert Leeu (Een enkele maal is de uitg. van 1489 aangehaald,
Vg. Gat. Lett. 1, 177 en 178).
Pelgrim, Dit is dat boeck van den Pelgherigm, Haarlem 1486.
X Plagen {Tien PI,) Dit s\jn die X plaghen ende die X gheboden , in Ned. Ged. der
14» eeuw uitg. door F. A. Snellaert, bl. 551—638.
Playerto, Een cluyte van Playerwater in Mnl. Dram. Poëzie, 257 — 284 (ook uitg.
door Mertens, Antw. 1838).
Praet, Spieghel der Wysheit of Leeringhe der Zalichede door Jan Praet, uitg. door
J. H. Bormans, 1872.
ALPHABETISCUE LIJST DER VERKORTINGEN ENZ. XIX
Priv. V. Briely Privilegiën, Octroyen enz. van de stad Briele en den lande van
Voorn, in Alkemade en Van der Schelling, Beschrijving van de stad
Briele, Dl. 2.
Froza-Rein, Prozabewerking van den Reinaert, Gouda, 1479 bq Hendrik Leeu ,
cenig exemplaar, berustende op de Koninkl. Bibliotheek te 's-Gravenhage.
Racer, J. W. Racer, Overijsselsche Gedenkstukken, 7 st. 1781 — 92.
Eein, I. Van den Vos Reinaerde, uitg. door W. J. A. Jonckbloet, 1857.
Hein. II. Reinaert, Willem's gedicht van den Vos Reinaerde und die Umarbeitung
und fortsetsung Reinaerts Historie, herausg. von Ernst Martin 1874.
Rein. Bijl. Bqlagen tot den Reinaert, in de uitgave van J. F. Willems, bl. 287 vgg.
Rdn. (Proza-) Zie Proza-Rein,
Bek d, Buuri. De Rekeningen van de kerkmeesters der Buurkerk te Utrecht in de
15de eeuw , uitg. door Ridder F. A. L. van Rappard , als 3de deel der
Bqdr. en Meded. van het Hist. Genootschap te Utrecht.
Re^, d, Plac. Register van de Placcaten staende gheregistreert inden derden Memo-
riaelboeck van Jan van Dam , eertijts Griffier van den Hove van Hollandt ,
beginnende a®. 1550.
Rei, V. Gent. De Rekeningen der stad Gent, uitg. door de M**. «De taal is gansch
het Volk » te Gent. Slechts 1 deel verschenen , 1873—74.
RöL d. Gr, De rekeningen der Grafelgkheid van Holland onder het Henegouwsche
huis, uitg. door H. G. Hamaker in Werken van het Hist. Genootschap te
Utrecht. Nieuwe Serie N°. 21 , 24 en 26.
Rei. V. Zeel, De rekeningen der Grafelijkheid van Zeeland, uitg. door H. G. Hamaker ,
ter zelfder plaatse. N. Serie N°. 29 en 30.
Ren. Renout van Montalbaen (fragmenten) , uitg. door J. C. Matthes in Bibl. der
Mnl. Lett. 1875 (ook in Hor. Belg. 5, 45 vgg.).
Rincl. Rinclus , Strophisch Gedicht door Gielis van Molhem en Heinric , in Vader-
landsch Museum 3, 225—286.
Roel, La chanson de Roncevaux , fragments d^anciennes rédactions Thioises , uitg.
door J. H. Bormans , 1864 (Vg. Vad. Mus. 2 , 38—95).
Ro9e^ Die Rosé, van Heinric van Aken, met de fragmenten der tweede vertaling,
uitg. door E. Verwijs , 1868 (ook [Roêe C) in Kausler's Denkmaler 3 , 1 — 482).
RM. De sotternie van Rubben , in Mnl. Dram. Poëzie , 242 — 256 (ook in Hor.
Belg. 6, 147—156).
Rumb. Av. Angillis, Rumbeeksche Avondstonden, 1856.
Ruusb. Werken van Jan van Ruusbroek , uitg. door J. David , in Werken der
Vlaemsche Bibliophilen , 6 dln. (het laatste deel na David's dood uitg. door
F. A. Snellaert) 1858—1868.
R. V, Utr. Rechtsbronnen der stad Utrecht , uitg. door S. Muller Fz. in « Oude
Vaderlandsche Rechtsbronnen », 2 dln. 1881.
B. V, Zul/. Rechtsbronnen der stad Zutphen , uitg. t. a. p. door C. Pynacker
Hordflk, 1881.
Rijmb, Rijmbijbel van Jacob van Maerlant , uitg. door J. David , 3 dln. 1858.
ScicT, Dit is tspel van den Heiligen Sacramente vander Nieuwei^vaert , uitg. door
E. Verwijs , 1867 (Ook in Mnl. Dram. Poëzie 419 vgg.).
8al. Dit es van Saladign, in Nederl. Ged., uitg. door F. A. Snellaert, 539 — 549 (ook
Belg. Mus. 6 , 94 vgg. en Kausler , Denkm. 3 , 83 vgg.).
XX ALPHABETISCUE LIJST DEU VERKORTINGEN ENZ.
Sal, e. M, Dat Dyalogus of twisprakc tusschen den wiscn coninck Salomon ende
Marcolphus , uitg. der Bibliophilen , 1861.
Scalc e. CL Scalc ende Clerc, fragm. eener berqmde samenspraak uil de 13de eeuw,
uitg. door M. De Vries in N. Werken Letterk. Dl. 6, 123—186 (ook in
Van Vloten's Kleine Gedichten van Maerlant en Inleiding op den Meiiijn).
Schaahp, Hier beghint een suverlyc boec vanden tijtverdrqf edelre heren ende vrou-
wen als van den scaecspui (Mnl. vertaling van het Lat. werk van De
Gessoles), Gouda, Gheraert Leeu, 1479.
Schwarz. Groot Placaat- en Charterboek van Vriesland, verzameld door G. F. Baron
Thoe Schwarzenberg en Hohenlansberg , Dl. 1 , Leeuwarden 1768.
Segh. Seghel^jn van Jherusalem , uitg. door J. Verdam, 1878.
Serv. Sinte Servatius Legende van Heinric van Veldeken, uitg. door J. H. Bormans
in de Annales du Duché de Limbourg, 1858.
Seven JF. Die Historie van die Seven wyze mannen van Roemen, welcke historie
boven maten schoen ende genoechlick is om horen , Delf zonder jaar (Exemplaar
der Koninkl. Bibl. te 's-Gravenhage).
Sp. Jacob van Maerlant's Spiegel Historiael , uitg. door M. De Vries en E. Verwys , 3 dln.
1863; Sp. II, 2e Partie, van Philip Utenbroeke, uitg. door F. von Hell-
wald, met medewerking van M. De Vries en E. Verwqs, 1879.
Sp. d, Volc. Spiegel der Volcomenheit , Hs. van de Maatsch. der Ned. Lett. te Leiden
(N. Gat. n^ 340).
Spieg, d. J. De Spiegel der Jongers door Lambertus Goetman, 1488. Uitg. der
Bibliophilen, 1860.
I^ieg, d. M. Spiegel der Maagden, Dl. 1 n®. 21 Weespsche Hss, op de Konink-
1^'ke Bibliotheek te *s-Gravenhage. Dl. 1 en 2, Hss. van de Maatsch. der
Ned. Letterkunde te Leiden (n°. 341 en 42).
Spr. Oude Spreuken in Altdeutsche Blatter 1 , 74 — 78. -
Spreuken , Oude Nederlandsche Spreuken en Spreekwoorden, uitg. door G. J. Meyer, 1836.
Stadir, V, Zwol^ De oudste Stadsrechten van Zwolle, uitg. door G. J. Dozy 1867.
Sternen, Stemmen uit den Voortijd, uit een viertal Weepsche Hss. verzameld door
F. H. G. Van Iterson, 1857.
Stoke, Rqmkroniek van Melis Stoke, uitg. door Balthazar Huydecoper, 3 dln. 1772.
Taf, up D. K. Een tafelspeelken om up der dry coninghen avond te spelen, in
Mnl. Dram. Poëzie, 285—290 (Ook Belg. Mus. 2, 102—106).
TeesL Jans Teesteye, in Ned. Gedichten der 14e eeuw, uitg. door F. A. Snellaert, 137 — 286.
T. en Letterh, De Taal- en Letterbode, onder redactie van E. Verw\js en P. J.
Cosqn, 6 dln.
X Geb. {Tien Geb.)y Tien Geboden, in Le Long, Boekzaal der Nederduytsche
Bijbel, 297—308.
TkeopL Theophilus, uitg. door J. Verdam, 1882.
TAeopk, BI. Theophilus, gevolgd door negen andere gedichten, uitg. door Ph.
Blommaert, Gent 1858.
Tien PI. Zie Plagen.
Torec , Jacob van Maerlant's Torec , uitg. door J. te Winkel in Bibl. der Mnl Lett. , 1875
(ook in Lancelot IH, 23127—26964).
ALPHABETISCHE LIJST DER VERKORTINGEN EN3S. JCXt
Trayen , Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen , uitg. door J. Verdam , in Bibl.
der Mnl. Lett. (gedeeltelijk in OVl. Ged. 4, 1—56, 2, 73—400 en
Blommaert's Theophilus 58—74).
Troyen f.^ Handschrift van Maerlant's Hist. v. Troyen , berustende in de boeker^ van
den Graaf von Loê te Wissen- Weeze b\j Gelder.
Troyen Vb, Het Volksboek der Historie van Troyen, ex. van de Koninkl. Bibl. te
's-Gravenhage.
Truw, De sotternie van de Truwanten, in Mnl. Dram. Poëzie, 240 — 245 (ook in Hor.
Belg. 6, 424—424.)
Uebers, Uebersicht der niederlandischen Volksliteratur alterer Zeit, uitg. d. F. J.
Mone, 4838.
Vod, Mii9. Vaderlandsch Museum voor Nederlandsche Letterkunde, Oudheid en
Geschiedenis, uitg. door C. P. Serrure, 5 dln., 4855 — 63.
Val, e. N. Valentyn ende Nameloos , fragment in Altd. Blatter 4 , 204 — 206.
Velth. Spiegel Historiael van Lodewqk van Velthem, uitg. door IsaacleLong, 4747.
Vergif De Borchgravinne van Vergi, in Blommaert's OVl. Ged. 4, 57 — 72 (ook
afzonderlijk uitg. door S. Muller Hz., Leiden 4873).
Verk, M. De verkeerde Mart^jn, in Stroph. Ged. vanMaerlant, uitg. door E. Verwijs,
77 — 79, ook in Wapene Martijn, uitg. door E. Verwijs, 88 — 94, en N.
Werken Lett. 3^ 68—72.
VerscL Zie Bild. Versch.
N. VerscA. Zie Bild. N, Versch,
VersL e, B, Verslagen en Berigten, uitg. door de Vereeniging ter bevordering der
Oude Nederlandsche Letterkunde, 5 st. 4844 — 48.
VI Verwe ^ Een moy sprake van Sesterhande Verwe, uitg. door W. Bilderdijk in
Nieuwe Versch. 4, 84 — 90.
VL Rijmk, Rqmkroniek van Vlaanderen uitg. door E. Kausler in Denkmaler Dl. 4.
Vr, Heim. Der vrouwen Heimelqcheit , dichtwerk der 44e eeuw, uitg. der
Bibliophilen.
Vr. e. M, (Vrouw, e, M.) ^ Van Vrouwen ende van Minne, Mnl. Gedichten uit de
44e en 45e eeuw, uitg. door E. Verwas in Bibl. van Mnl. Lett., 4874.
V Vroude7iy Van den V Vrouden, in Stroph. Ged. van Maerlant, uitg. door
E. Verwiijs, 400 — 402. (Ook daar waar Claus, en JDisp. \oorkomen , z. Disp.)
Wal, Roman van Walewein, door Penninc en Pieter Vostaert, uitg. door W.
J. A. Jonckbloet, in Werken der Vereeniging, 2 dln., 4846.
V. d. Wall , Handvesten , Privilegiën , vqjheden , voorregten enz. der stad Dordrecht ,
uitg. door P. H. van de Wall, 4e deel, 4770.
Wap, M, Wapene Mart^'n, van Jacob van Maerlant, uitg. door E. Verwas in Stro-
phische Gedichten 4—76 (Bibl. van Mnl. Lett.) 4879. Ook afzonderl.
uitg. door E. Verwys, 4867, door Kausler in Denkmaler 2, 644 — 676,
door Siegenbeek in N. Werken Lett. 3» , 84—436.
Wap Eog, Eene disputacie van Regiere ende van Janne, in Kausler's Denkmaler
3, 44—82.
West/r, Dingt, Westfriesche Dingtalen, medegedeeld door J. A. Fruin, in N.
Bqdr. voor Rechtsgel. en Wetg. N. Reeks VL
Wiel. Instr, Instructie voor de stad Haerlem ontworpen door Philips Wielant, uitg.
door J. A, Fruin, 4874.
xxn
ALPHABETISCHE LIJST DER VERKORTINGEN ENZ.
Willems Meng, J. F. Willems, Mengelingen van Vaderlandschen en Geschiedkun-
digen inhoud Antw. 4827.
JFint. e, S. Een abel spel van Winter ende van Somer, in Mnl. Dram. Poëzie
246—241. (Ook in Hor. Belg, 6, 145—146.)
JFittek, V, S, Wittekind van Sassen, Fragment d'un ancien roman du cycle de
Charlemagne, uitg. door .1. H. Bormans in Recueil de Bulletins de la
Commission royale d'histoire de 1' Academie de Bruxelles, 1848. T. 14,
262 vgg.
V, d. Wiven, Noch meer van den Wiven, in Ned. Ged. , uitg. door Snellaert, 276 — 279.
fFrake, Het boek van der Wraken, in Ned. Ged. uitg. door Snellaert, 287 — 491.
O. IL Wond. Van Ons Heren Wonden, in Strophische Gedichten enz. 103 — 106.
Verder in dezelfde werken als V Froud.j Claus, en Dutp, (z. ald.)
Zegenspr, Zegenspreuken, in Altd. Blatter 2, 268 — 272.
Ziele e, L, Van der Zielen ende van den Lichame in Theophilus, uitg. door Blom-
maert {Theoph, BI.) 38—43; ook Belg. Mus. 2, 57 vgg.
ZFl, Bijdr, Bedragen tot de Oudheidkunde en Geschiedenis, inzonderheid van
Zeeuwsch- Vlaanderen , uitg. door H. Q. Janssen en J. H. van Dale, 6 dln.
Ziüijndr. JF, Handvesten en Oorkonden betrekkelijk de Regtsgeschiedenis van den
Zwjjndrechtschen Waard, uitg. door D. W. Nibbelink, 1860.
VERKORTINGEN VAN GRAMMATICALE TERMEN, ENZ.
aant(eekening) , annotaHo.
aaiit(ooneiide) wgs, mdicatimu.
aany(oegende) wys, conj'unetivus.
aan w(y Eend) mw. , pronomen demotuirativwm.
afh(ankeigke) zin, j^9ttbordinatió^\
afl(eiding), derioatio.
ald(aar) , ibidem.
a., art., artikel, arüeuhu,
bedr(gvend) ww. , verbum activum , &anHtivum,
bet(eekent) en bet(eekem8) , eignificat en tentui.
betr(ekkel^k) vnw. , pronomen relaüvum,
bezitt(eiyk) vnw. , pronomen posseaimtm,
bl. , bk. , bladzgde , pagina.
bnw. , byyoegiyk naamwoord , odf'eeHvum.
byw(oord) , adverbittm.
bv. , bg voorbeeld , exempli gratia,
deelw(oord) , participium.
enkv. , enkelvond, eingularis.
ens., ensoovoorts, etcaetera.
geb(iedende) w^js, imperativui.
lidw(oord), articulus,
m. , ml., manneiyk, masculinum.
mv. , meervond , pluralis.
nl. , nameiyk , scilieet.
nv. , naamval , eatiis.
nw. , naamwoord, nomen.
onb(epaalde) wgs, infiniiivui.
onpers(ooniyk) ww. , verbum, impertonale.
ontk(enning) , negatio,
onz(ydig), neutrum en iniraniitivum.
overtr(effende) trap, tuperlativm,
per8(ooniyk) vnw. , pronomen pertonale.
8amen8t{eUing) , eompositio,
tegw. , tegenwoordige tyd , praetens.
telw(oord) , aeffect. numerale.
toek(omende) tgd , futurum.
tn88chenw(erp8el) , interjectio.
nitdr(nkking), exprettio.
var(iant) , varia leetio.
verg(rootende) trap , eomparativui,
verklw., (verkleinwoord , deminutivum.
verl(eden) tyd , praeteritum.
vg. , Ygg. , volgende , sequent , iequentia.
vgl., verg., vergeiyk, eonferatur,
vnw. , voornaamwoord , pronomen,
voegw(oord) , conjunctio,
voorz(et8el) , praepoiitio,
vrag(end) vnw. , pronomen interrogativnm,
VT. , vronweiyk , femiiwnum,
wederk(eerig) , refiexivum.
WW. , werkwoord , verbum.
znw. , zelfstandig naamwoord , tubstantimm.
~X» Jl.«
A 9 de eerste letter van het mnl. alphabet, vg.
De Vries, Mnl. Wdb. 1 — 5. — In Geldersche oor-
konden vindt men meermalen de a voor zuiver
mnl. o, b. V. apenèaer^ aver {over) ^ avet {pof f)^ enz.
▼g. TVoyen bl. 38 vg. en Lubben, Mnd. Gramm,
§ 15. — Als benaming van het letterteeken is A
vr. als by ons, b. v. Lap. II, 24, 79; Sp. I',
88, 11 en 17; Vod. Mut. 1, 364,81.— ^.^. of ^.
B. C,j benaming van het alphabet, onz. || Ene
bedinge op den A. B., Vod. Mtu. 2, 406. Na
dordine van den A. B. C., Nat BL UI, 88. Van
der eerster (letter) die Alpha heet tote Thau , daer
dat A. B. C. uutgeet , Ltp, II , 24 , 66. Zoo ook
Amand II, 6368, 6377, Natuurk. 119.
A-, voorvoegsel. Zie Awech.
AASIEN. Zie AsiEN.
ABABIJS, bnw. Ofr. abauhi^ verl. deelw. van
I b a u b i r , ééonner , turpretidre , effrayer , afgeleid van
Snuhe {haïbé)^ lat. balbut, it balèo (Burguy 2,
17; Duc. 7, 2<?; Roquef. 1, 6; La Cume 1, 9),
I200 stamelende van verbeumg of tchriky versla-
en^ geheel en al van zijn stuk gebracht. Verg. Teba-
EERT en Verbabeert. I) Daer mochte men sien
en stare pongij s ende meneghen Tnrc ababijs van
ien kerstinen die daer waren, Parth. 6689.
ABASSEREN, zw. ww. bedr. Fr. abaisser
Littré 1,6), it. abbassare. Neder slaan , naar beneden
laan, omslaan. || Die mantel was. . . . ghe voedert
iet erminen ghevisiert, boven met eenre cappen
;licabas8eert , Fersl. en Ber. IV, 63, 272.
ABATEMENT, znw. onz. Voor het gewone
Ssbatement (zie ald.). Tooneelvertooning. \\ Up
ten Groot- vastenavond verteert bi den heere, bi
Ier wet ende andren vergadert zijnde omme de
)ckeeringhe te zien spelene van den Raddere ,
. want costume es, dat men up dien dag verga-
lert omme dabatemente te ziene. Vod. Mus. 6,
19. Omme dabattementen te zien spelene, 30.
Dm ghenouchlicheit van habatementen ende
lezelrie te hantieme, 31. Zoe wanneer zy zullen
ibatamenten proeven , Hermans , Gesch. d. Reder.
)26.
ABATEMENTEN , zw. ww. onz. Voor het gewone
Bsbatementeu (zie ald.). Tooneelvertooningen geven,
toanee lepelen. \\ Jonghe ghezellen van Rousselare,
il e omme prijs te winnene quamen abatementen ,
F^ad. Mus. 6, 41.
ABBEDESSE (abedesse), znw. vr. Lat. abba-
Htsa; mnd, abbadisse. Voor het gewone abdis se,
a6dis. Sp. III", 21, 68 en 77; enz.
ABBET, znw. m. Oudere vorm voor abt, l^t.
abèas 1 -atis] mnd. abbet, eng. abbot. Ver», AbOT.
II Die abbet; up tsabbets zeggen; des sbbetSf
Fad. Mus. 1, 290; 2, 366 vlgg. passim; enz. ■—
De verkorte vorm abt heeft somtijds het mv. abde , als
Velth. V, 2, 32; Teest 3308; Ruusbr. 6, 148,
Tijdschr. 1, 282; of, naar de zwakke buiging,
abden, als Sp. III>, 45, 21; IV», 33, 69. Doch
elders veelal abte, abten^
ABBIE, znw. vr. Verg. fr. abbaye. Voor het
gewone abdie, abdij. \\ Die wassen kaersen,
die mgn heer o£ferde in 6 abbien, in elc abbie
sijn gewichte, dat beliep 1000 pont was, Rek. d.
Graf. 3, 129.
ABEDESSE. Zie Abbedesse.
ABEDIE, znw. vr. Lat. abbatia\ mnd. abbedie,
abedie. Voor het gewone abdie, abdij. \\ Ene
abedie, Lanc. II, 11373. Tere abedien van witten
nonnen , 8190. Tere witter abedien , 2941 ; enz.
ABEL (habel), bnw. Lat. habilis] ofr. i^le
(Roquef. 1, 6; La Curne 1, 17); eng. able.
1) Geschikt, behoaam, ervaren. || Die abstinencie
es 80 goet, dat soe abel maect den moet ter
graden divine, Wap. Rog. 1726. Daer toe es een
mensce gereet ende abel noch, Zimb. XI, 371.
Noyt vrou en leefde opter aerden so able, Mar. v.
Nijm. 9, 196. By sulken persoine dair toe nut
ende abel, alst hen goet duncken sal, V. d. Wall
616 {a 1431). Die jongelinc die ghewoen was ter
vleyslicheyt ende noch niet abelen was tergheeste-
licheyt, Fass. W. 32 b. Hi formeerde sine ghe-
dachten dat hy wesen soude abel "ter verstande-
nisse, 228 c. Bet gescict ende habelre ten dienste
Goods, Matth. 70. Enen abelen besochten meester
cyrurgijn, 92. Die taelman sal wesen habel van
sinne, 101. Een abel, geradich man, ald. (Een
rechter moet zijn) abel ende cuysch van gehoude,
39. Dan ghesuvert {dat bloet) dat verlicht alle
dat lichaem ende maect die moeder abel totter
ontfangenis, Barth. 84 a.
2) Handig , behendig. \\ Die heefmoeder sal te hant
die hant wederkeeren abel, Vr. Heim. 866. Mit
list ende abelen dingen, Mloep II , 2481 ; verg. vs.
2477: „List ende behendige zaken." Noyt en was
beeldemaker also abel, Spieg. d. Volc. f. 23. Sere
abel ende apertich, Brab. T. V, 3869 var. enz
3) Schoon, hupsch, bevallig. || Dese scone, dese
abele, was geatsameert van sabele, O VI. Lied. 2
37. Amon was een abel jonge, rijc, edel ende
van huefscher tonge, Mloep II, 3923 var. Desen
rude ende desen abel, Wap. Rog. 1460. Moey
sijn, scone, rike of abel, 1664. Het en was nye
abelre creatuer ghemaect van der hant Qo<is, Ned.
Prosa 319. — Abel spel, schoon spel, de ge-
wone benaming van een ernstig tooneelspel of
drama, in tegenstelling van do sotternie of sotte
1
ABEL.
ABIE.
elutê. ii Een abel spel van Esmoreit . . enile one
sotternie daer na volghcntle. — Zie in Mnl. Dram.
Poëzie de opschriften op bl. 1, 75, 141, 216. —
Ook versterkt door de part. in : inabel, door
en door ichoon. || Die mi mitten panser sijnre
volcomenre kunst soe inabel geformt hadde, dat
ie sonder ghebrec was, Ned. Proza 319.
ABELHEIT, «nw. st. vr., en — iiKpE , zw. vr.
Zie Adel.
1) Geschiktheid^ bektoaamheid ^ ertarenheid. || Du
en sulste niet alleen kunste hebben endc abelheit,
Clerc 28. Dat der abelheit van enen clerc toebehoirt ,
Matth. 74. Abelheit ende conste, 72. Promethus, die
hilt oec die eerste scoel op , ende leerde den kinderen
menigherande conste als ontwerpen, Icsen ende
ander veel abelheit, Ned. Proza 124. Nochtan en
verghinc die liefde niet na abelheit der sielen,
Ruusbr. 5, 233. Ghelijc dat eens menschen wijs-
heyt drie dinghen sijn, dat is die abelheyt, die
memorie ende der (/. die) verstandenisse , P<m*. W. 37
d. Een subtijl dichter . . , die overmits sonderlinghe
abelheit van veersen te maken, . . . een coninc
der veersen was gheheten, Hê. 88,/. 16 d.
2) Schoonheid^ bevalligheid. \\ Si draget van abel-
heiaen een rijs boven alle Vrouwen die ie nie sach ,
Olor, 300. Der swarter abelheit es so smal, Wap.
Rog. 1109.
ABELIJC, 'like^ bnw. Schoon , bevallig. Zie Abkl.
Ij Met siere baniere, die abelic was ende diere,
Gnmh. I, 3622.
ABELIKE (Abelic), biiw.
1) Op eene kundige., behendige^ slimme wijze ^
knapy netjes. )| P. Waer es u man dan? H^. Dien
heb ie al te abelic verseynt , Plat/erto. 206. Ie salter
u inbrengen . . . Alte abelic, 153. Maer nu zijn
wi abelic alle b$yde vercleet, ons en kent nu nauwe
een mugghe, Boom d. Scr. 14, 279. Wysseliken
ende abeliken, Matth. 70.
2) Op eene schoone , bevallige wijze , mooi ,
netjes. \\ Een verdeck van sijde, half swart, half
peersch seer abelicken ghestoffeirt, Versl. en Ber.
IV, ÖO.
ABELMAKINGE , znw. vr. Zie Abel. Het ge-
schikt maken] de voltooiing ^volmaking. || Die eerste
vrucht {van d-istns opvaert) is abelniakinge der
luinnen, als sinte Jan seyt in dat euangelie: „En
gae ie niet wech, die troester en sel niet comen
tot u; mer gae ie wech, soe sel ie hem seynden
tot u, Pass. S. 3ötf.
ABETE, znw. onz.; van A en gr. ^^ra, bèta.
Het ABC^ het alphabet. \\ Dat men die Icttren
onderkint van der eerster, die Alpha hiet, tote
daer tAbete uuttiet, Lsp. II, 24, ö4 (hs. I).
ABETIJT (Abbetijt), znw. m. Verbasterde vorm
van appetijt y lat. appetitiis.
1) Litsty zin. II Kedene, eere ende werdicheit
daer hadde dat beildc toe bereit nerenstelijc zijn
abetijt, OVl. Lied. en Ged. 463, 196.
2) Eetlust. II Oec maectet goeden abetijt, ist
datment in somer tijt sijn pulver werpt op die
spise, Nat. Bl. IX, 171 var. {van het kaneel), ^e^e
in soute ende in aisijn so makensi abbetiit ter cure ,
IX, 291. Sijn pulver in spisen gefrijt dat maect
goeden abetijt, X, 692 var.
ABY , znw. m. Misschien gevormd naar het Ofr.
abbeiy abeiy abt (Roquefort 1, ö), als titel der
geestelijkheid. || Si sueken oec daer by, datmense
heete aby, ende grotelike groete op die strate,
JTrake IlI, 1647. Er wordt hier gedoeld op J/ijr/M.
32, 7: „Amant . . . salutationes in foro,etvoc^ri
ba hominibus B^tbbi.''- Het is dus mogelijk, dat alg ,
ten gevolge der gel^kheid van klank , door een af*
schryver in de plaats van Rabbi gesteld is.
ABIEGNE, bnw. Lat. abiegnns. Abiegnehont,
d^nnenhont. \\ In cedrenhoute ende abiegne . . .
Dus leverde Hyram Salomon cedrenhoute eade
abiegnehout, D. B. I Kon. 5, 8 en 10.
ABIJT (HABIJT), 'bite, znw. onz. YT.habityiixi
lat. habitits. De ongeadspireerde vorm was de gewone.
1) Kleed y in ^t algemeen. || Clerc no moneke,
ridders, poriers no canoneke, so wat abite dat si
dragen, Rosé, fr. bl. 251, 186. Ten leste qnam
die vrouwe schoen mit rycken abiit toegemaect,
3£loep 1 , 29.54. Die lichame , der saleger siele abijt
bequame , Wap. Rog. 743. Die bisscops abide (1. abite)
hadde an. Wrake III, 792. Keiseriyc abgt, Edew.
364. Coninclyc abijt, Sp. IV», 47 , 61. Ridders tbgt,
Ferg. 1013. Ridderlyc abyt, Sp IIP, 29,6;Hild.
26 , 105. Weerlijc abijt , Teest. 2203. Dat leec abijt ,
Franc. 200. Met wedewen abite, Fl. Rijmkr. 1050.
Dit ertsche abijt, Lanc. III, 4651. Zoo ook Theopk.
822, Melib. 3204, enz.
2) In H by zonder kloosterkleed ^ ordekleed. ||Int
cloester, daer si droech abijt, ^«a/r. 28. De werelt
wart hem ommare, ende heeft hem met Fransoyse
begeven in syn abüt ende syn leven. Franc, l^b'i.
Men seget dat hi daer naer in den cloester dabgt
andede, Amand II, 5001. Als ^aer uut es, des
seker syt, ende si draghen gaen dabyt, Vad.Mus.
I , 82 , 28 {van den convente). Roe , abgt ende solen
ende corde , Christ. 59. Eens minderbroeders abyt ,
Franc. 8258. Fransoisen abyt, 9711. tAbyt nemen
of ontfaen, zich in eene geestelijke orde begeven^
Amand I, 4958, 4965. Monics abyt ontfaen, Lsp.
II, 48, 1063. Moencs abyt andoen, Brab. Y. IV,
1124. Liede of volc van geesteliken abite, Lsp.l,
25, 95; Teest. 3401. Moneke van alderhande abite ,
Heelu 8826. In nonnen abite, Sp. IV', 63, 20.
Oetmoedich abyt, Rosé 11085, 11089. Grau abyt,
Beatr. 1027 ; Truv^. 86. Menech monec van scarpen
abite, van eene strenge kloosterorde , Nat. Bl. III,
1938. Dat abyt der religiën, Stemmen 17.
3) Kleed y overdrachtelyk voor uitwendig voor-
komen ^ uiterlijk. \\ Daer niemen en sal bliven quite
no bi ghelate, no bi abite; daer doble pine selen
doghen, die hem sempel buten toghen, Theoph. 821.
Hudt u vor de valsche profeten, die comen tn in
abite van simpelheiden, mar binnen synt gripende
wolve, L. V. J. c. 49. Enen bouc in den selven
abite, Sp. III>, 9, 21.
Aanm. — Alex. VII, 1198, waar het Hs. heeft
bi abiten, heeft de Var. uit het Hs. der Hist. r.
Troijen de ware lezing, nl. met vlite.
ABYS (abis, ABissi:), znw. onz. Lat. ahyssu* ^
van gr. oi^vaaog, Afgrond ^ grondelooze diepte. \\
Dat ie minen vrient moet ontliven, oft latic dat
achterbliven , dat ie in abissen vare, Sp. II*, 57,
66. Ie bin verzwolgen in sinen mont, in een abys
al sonder gront, Vad. Mm. 3, 7, 81. Thomas
ludet alsoe vele alse een abis, Ruusbr. 1, 213.
Versinken in dat abys synre genaden, 3, 140.
In dat abys synre grondeloser minnen, 218.
Een grondeloes abys (abis), 2, 240,5, 37 en llKi.
Hieromme ginck hy {Judas) alzo liegen. . . Ende
es versoncken in abisse, in de hel^ Merl. 1336.
ABITEREN en ABITUEREN (habitueren) ;
zw. WW. Het eerste rechtstreeks afgeleid yzxiabiji
fr. habii\ het tweede ontleend aan m\dX. habitiiare ^
(Duc. 3, 608), ofr. habitue^r (Roquef. 1, 728) van
lat. habitus y met behoud der u van de 4de deel.
II Ryckelyck gehabitueert , r/ir. geabiteert , if/o^
II, 1394.
ABOL.
ABRE.
6
ABOLGE , zuw. vr., in lateren vonn ook abolch ,
m. Ohd. abulgi'^ mhd. abidge\ ags. ww. abelgan^
irasci (Ettm. 282), Van het voorvoegsel «-, met
intensieve kracht , en het ww. belgen {balch^gebolgen).
Verbolgenheid ^ grarmcha'p^ toorn \ meestal van Gods
toorn gezegd. || God wille ontfermens niet verghe-
ten, maer hl wille na sine abolghe dat ontfarmec-
hede volghe, Mcak, 1184. God en wille sijn abolge ,
mits sire ontfermhertichede , keren van der men-
schede. Edew, 52. Alexander, doe hi trac ende Gods
abolge wrac , Lsp. 1 , 48 , 123. So dat God al vergaf
ende sine abolge dede af , 1 , 29 , 29, var. H. (teksths.
verbolgentheit ^ I gramscap). Dat mijns Soens abolge
daer met raste ende blive, Lutg. II, 84. Dat si,
met hare pineu ende met haren tranen, algader
sond sinken doen die abolge sijns Vader, 11,325.
Dat gi mijn abolge van hen keert, II, 496. Gi
selt . . mijns vaders abolge . . keren, II, 1712.
Dat God . . sijn abolge moet laten sinken, ende
sier ontfaermhertechheit moet gedinken, Chrut.
988 — 92. Daer bi sonde bina al der kerstenheide
saen Gods abolge met groter wraken aengaen, 1697.
Als Gode niet en willen wiken die erdsche creatu-
ren , 80 doet hi sine abolge striken beide ten armen
ende ten riken, Vad, Mus. 4, 66, 154. Hoe God
in hemelrike sijn abolge keerde openbaer op Lnci-
ferre , 67 , 174. Om die abolge Gods groet,
Velth. I, 16, 12. Dat doepsel . . daer men mede
afdwaet die abolge . . die verdiende ouse yrste
vader , Teest. 1869. Wie w^jsde u te vliene van der
toecomender abolgen ? L. p. /. c. 22. De Gods abolge
sal bliven op hem, e. 32. Ene grote geecele ende
abolge sal comen over al dat volc, c. 196. Dusalt
breken den bant Adaems , ende selt aveleggen den
abolge dyns vaders, Hê. bij Bormans op CAritt.blAS9.
-^ Ook van de gramschap der booze geesten. ||
Ie kenne der dnvele abolge wale, 7st. BI. 1802.
— Van menschelijken toorn gezegd, als billyke
verontwaardiging. || Dien abolch ontsiende nter-
maten haers heeren shertogen , ^ra A. T. VII, 17310.
Omme dat hare genadege here ende vrouwe hare
abolge keren selen van haerre goeder stat, Brab.
r. Dl. II, bl. 677. — Bij latere schrijvers ook in
kwaden zin van menschelijke gramschap als harts-
tocht. 11 Toren ende abolge doen den mensche
scelden ende vloeken, Ruusbr. 2, 9. Sachtmoe-
dicheit, die alle dinc effene ende sonder abolge
dreecht, 164. Kynder der abolgen, 3, 170. Over-
moedicheit, toem ende abolge, 256.
= Van abolge is een bnw. abolgich afgeleid , dat
mnl. niet schynt voor te komen, maar in de
latere volkstaal bekend is onder den vorm oubollich.
Zie Kil. op Ou-bolghigh en Ou-bolligh,
en verg. Oudem. 5, 1 en 478.
ABOT, znw. m. , voor het gewone abt, lat.
abbat^ -atisy eng. abbot. Verg. Abbet. || Abot in
eenen goeden abdie, Bote {C.) 8236.
ABEEIJE, znw. vr. KoppeUiartter ^ eene vrouv
die aan meisjes schuilplaats verleent voor ongeoor-
'loofden minnehandel^ fr. maquerelle. Vg. Abreiscap.
Van ofr. abiHer^ protéger, défendre, mettreirabri
(Roquef. 1, 9, La Cume 1, 28); prov. abriar
(Rayn. 2, 17); vanwaar nog fr. om/, netzelfde als
maquereau , koppelaar. Over de merkwaardige over-
eenkomst van fr. ftvril en maquereau^ beide in
de beteekenis van koppelaar en als benaming van
den visch makreel^ zie De Vries, MnL Wdb. 9. ||
Als dat die quade abreje horde, si was blide van
dien worde, Rose^ bl. 254, 36.
ABREISCAP, 'seape^ -seepe, znw. vr., ^* ^sCEP^i
vr. Koppelarij, fr. maquerellage. Z[^ /*^fi%li^'
Een woord inzonderheid in West- Vlaanderen , in
't Vrije van Brugge, gebruikelijk. || Van moordade,
reeroove, vrauwencrachte , moordbrande, dieften,
tassemente , valschen teerlincspele , onredelicker
wandelinghe, pilichede, putierscepe, abreyscepe,
onnutscepe ende lazarien , Cout. v. Brugge 1 , 498
(a. 1426) ; verg. 501. Van onredelicker wandelinghe,
pilichede , putierscepe , abreyscepe , onnutscepe ,
zullen zy bannen als boven, also langhe als
scepenen goed dincken zal, 500; verg, 502. Item
rappel de Catherine dou Dain, bannie (t six ans
par Ie loy dé Bruges, pour Abreyscep. — Item
rappel de Tde d^ U Dilfty bannie par Ie log de
Brnges h six ans, pour cause d-e Abreiscep, Oork.
in de Rekenkamer te Rijsel, bij Duc. 1, 2Sa.
ABREUSC, bnw., in de uitdrukking Abreusc
gout, fijn^ zuiver, gelouterd goud, lat. aurum
obrgzum, ook in den vorm abrigeum bekend. Zie
Duc. op Obrgzum, gr. o^qv^ov. Aldus genoemd
naar het lat. obrussa, de vuurproef van het
goud. II In die camere . . die van abreuscen goude
was claer, stonden die edele twaelf st^ne, Troyen
5412 {Ovl. Ged. 1, 49, 544). De variant in
den tekst heeft ebreusc, en bij Benoft leest
men Pors d'Jrraibe, Arabisch goud. Misschien
heeft de dichter met ebreitsc (abreusc) gout niet
anders dan goud uit het Oosten willen aanduiden.
ABSCONSE, znw. vr. Lat. absconsa, bij Duc.
(1 , 30) : „ caeca Interna , qua monachi ut plurimum
utuntur in obeundis dormitoriis*\ Ofir. absconse, es-
conse, lantame «OMr^^ (Roquef. 1, 10 en 105; La Cume
1, 29). Slonsje, dievenlantaarn , van voren licht
gevenae en van achteren gesloten. || Donderprioor
gaet ende besiet met eere absconsen ende sochten
ginder, Sp. V , 88, 22. — Ook genoemd in deHat-
temsche Rekeningen {Des Hertogs huis te Hattem),
bij Fruin, Bijdr. N. R. 9, 19: „Twee absconsen
daar die wachters des nachts mede omgingen*\
ABSOLUTIE, znw. vr. Absolutie, vergeving van
zonden. Ook in de uitdrukking Absolutie riden
naar de eene of andere plaats rijden om er ver-
geving van zonden te bekomen. Verg. de uitdrukking
Bed-evaert riden'. Zie Bedevaert. || Item bi mijns
heren besloten brieve den grille een paert mede
te copen, om absolutie mede te riden tot Avenioen
Rek. d. Graf. 2, 187.
ABUUS, -use, znw. onz. Fr. aJfus, van lat.
abitsM, eig. misbruik van iemands lichtgeloovigheid,
en, bij uitbreiding, in concrete opvatting:
1) Vreemde, wonderlijke zaak. \\ Te hem een
wolfinne quam, diese zoochde ende hielt te live:
dit es abuus dat ie hier scrive, Lsp. I, 42, 160
(hs. I. Teksths. toonder). In dese beroerte . . ge-
sciede in Vlaender te meneger stede menich won-
derlij c abuus, VI. Rijmkr. 8511. Nochtan so ge-
sciede int lant groet abuus ende vremde saken ,
9034. Doen sagic dat mi dochte abuus. O VI. Ged.
2, 108, 194. Jaet, het dunct mi een vri abuus
steinen cruken binden ende melcteilen! Buskenbl.
32. En hoorde myn dage noyt vremder abuus,
Blisc. V. M. 1656. Hoert hier abuus, Brab. T. VI
1557. Nu hoort abuus, 4608. Ay, hoor van desen
abuse, O VI. Lied en Ged. 155, 42. Dits ommers
abuus! dat is al heel raar, Belg. Mus. 6, 63,
verg. eenige verzen vroeger: Payt een ander met
'Sulc een ducht!'''* — Wegens de altijd min of meer
•ruime beteekenis der bastaardwoorden kon een
vreemde zaak, die iemand verbaast en verwart,
"ook den zin krijgen van verwarring, boel, als
Brab. T. VI, 7194: „Her Jan Platvoet, die in
desen groten abuse eeneu sciitter sach."
ACCE.
ACHE.
8
^l).Fopperij y beélrog ^ als in ïv.abuier. \\ Bi seute ^
Jan! ie aal haer dit abuus noch tavout tuugoede 1
msikenf Lippijn 58. — Abuus maken van e ueu, ;
iemand voor den gek houden^ met hem gekken of \
tollen^ hem ale speelbal gebruiken. || Dus maken I
sy van hem haer abuus , also die catte doet metter |
mnos, OFl. Lied en Ged. 356, 1225.
= Het latere abuis in den zin van vergissing (reeds
Èoerd. I. 67) en abuis! voor mis! is slechts eene
gewijzigde opvatting, evenals abuis in de betee-
kenis van verwarring. Het wonderlijke geeft vaak het
denkbeeld dat iets in de war ^ verkeerd of mis is.
ACCES, znw. m., van lat. accessus. Medische
term. JSen aanval eener ziekte , vooral van koorts ,
het opkomen der koorts. || Hets properlike goct
iegen vierdachcorts in de wile voer den acces,
Hs. Yp. 15 a. Men «aelt geven een wile vore
den acces, ald. b.
ACCESSIE, znw. vr. Hetzelfde als acces ^ lat.
aeeessio. \\ So en ware die phisisiin niet sculdech
tontbeidene die 3 of die 4 accessie, Hs. Yp.
56 b. In sine accessie, ald. Zie ook Ondern.
— Aldus leze men ook voor altesie^ Hs. Yp. 56 a.
II Gaet de corts aldus niet wech , so digereert die
materie . . achter die 4 altesie.
ACEMIEBEN. Zie achemieren.
ACH, het gewone tusschenwerpsel , doch als
znw. gebruikt in de bet. geween^ gejammer. \\ Daer
{bij haar dood) en was no ach no wach no daghen
noch hantgeslach, Sp. III», 28, 47. — Tot in de
18de eeuw kende men de uitdr. ach noch wach
zeggen (Ndl. Wdb. 1, 614).
ACHARME, ACHAERME, ACHERME , ACH ARM
enz. Zie Arm bnw.
ACHATES. Zie Acaet.
ACHDAGE, samenkoppeling van acht dage,
waarvoor men ook met verscherpte consonant vindt
achtage. || Dat huus . . te verwaren tote
achdagen voer onser Vrouwen dach. Mieris 2,
351 a. {a. 1325). Binnen den eersten achtaghen ,
dat die pape gheclaghet hevet, 212^ {a 1319).
ACHDE, bnw., Serv. I, 3167, voor het gewone
Achte, achtste. Zie ald.
ACHELEN (achoelen), zw. ww. onpers. , voor
hagelen, met regelmatige verscherping der keel-
letter vóór de /, en Ylaamsche weglating der
aspiratie. S^. I», 33, 20 (hs.). Agelen, ald. I»,
56, 32 (hs.).
ACHEMANT (aetsemant), bnw. Ofr. aches-
mant. Zie by Achemeren. Bevallig ^ aanminnig,
fraai van uiterlijk, zoowel door eigen schoon als
door kleeding; veelal van ridders en jonkvrouwen
gezegd. II Die voren quam sere achemant, scilt
an den hals, spere in die hant, Lanc. II, 10367.
Wel fl^epareert ende achemant, II, 13733. Hovesch,
cuusch, van sconen seden, sere behagel ende
achemant, Vrouw. e. M. 1 , 3. Van der outster
dochter achemant des derden Jans van Brabant,
Brab. Y. VI, 505. Hertoghe Jan, die edel heere,
in sijnre gheselscap achemant, VII, 8702. Vrien-
delike so was hl ontfaen van drien heren ache-
mant, OVl. Lied. en Oed. 265, 937. Ie ben vaeillant
ende achemant int wesen mijn, Praet 2911. Die
ridder achemant, Wal. 8040, 9490; Orimb. II,
5501. Die joncfrouwe achemant. Wal. 8428,8559,
9300, 9521, 10164. Scone vrouwen ende achemant,
Parth. 50. Ene vrouwe scone ende aetsemant , Vad,
Mus. 2, 202, 41. Die coninc achemant, 4, 85,
733. Menegen here achemant. Rosé 8004. Jonge-
linge achemant, Sp. IV, 2, 47. Menighen poorter
achemant , Troyen f. 57 c.
ACHEMENT, -ente, znw. onz. Ofr. acéement,
acesmement (la Cume I, 61). Zie bg AcilEMEREN.
Tooi, dus, uitrusting. \\ Daer mocht men wonder-
like achemente sien van silver ende van goude,
Grimb. II, 5709.
ACHEMEREN (aetskmeren, atsemeren,
ATSAMEREN, ASEMEREN, ACEMIEREN), ZW. WW.
bedr. Prov. aeesmar (Rayn. 5, 208); ofr. acesmer,
achesmer (La Cume 1 , 61 ; Roquef. 1,15, Gachet
4). Vrij algemeen wordt aangenomen dat prov.
aeesmar, ofr. acesmer , gelijkstaat met prov.
azesmar , adesmar , aesmar ^ ofr. aesmer , van lat.
ad-aestimare (Diez 1, 164, Burguy 3, 4); doch
hiertegen zijn èn om den vorm èn om de betee-
kenis bezwaren. Waarschijnlijker is de afleiding
van gr. axVf*^^ ^^^- '^^^'^i schema^ „omatus,
vestitus, habitus", waarvan mlat. aschemare , asce-
mare (Dnc. 6 104, op Scema) ontsproot, waaruit
regelmatig ofr. aschemer , hetwelk tot aeesmer,
achesmer werd door inschuiving der s ter aan-
duiding van de lange vocaal. Zie verder De Vries ,
Mnl. Wdb. 11.
Optooien, opschikken, uitdossen, met kleederen
en sieraden; of wel uitrusten, met wapenen,
harnas enz.; of optuigen (een paard). || Doe
brochmen voor die vrouwe gheleet, gheachemeert
ende wel gecleet, Farth. 6181 (zie T. en. Ltb.
5, 274). Dese scone, dese abele, was geatsameert
van sabele, Ovl. Ged. 2, 105, 38. Daer waren
ridderen ende joncvrouwen met dieren clederen
ende met goeden geaetsemeert , die hen wel stoeden ,
Lanc. III, 14598. Wel geatsemert warense beide,
III, 22920. Hoe gheacemiert dat soe was, Eose
{C), 3485. Daer drie joncfrouwen saten vore, wel
geaetsemeert ter core, Limb. X, 355. Allegeache-
meert wale bede met ysere ende met stale, Wal.
2265. Ge wapent, wel geasemeert, Grimb. 11,5614
var. (Voor geartseneert , zooals het teksths. heeft
moet geaetsemeert worden gelezen). Ferguut ginct
achemeren, hi breidelet ende traect in die zale,
Verg. 3790. — Later ook van gebouwen gezegd. ||
Te Coustantinoble is dat palaes van den keiser,
scoen ende wel geaetsemeert, Mandev. 5a. — Hem
achemeren, zich uitdossen, zich uitrusten. ||
Doe wapinde hem Galarant, achemerde hem
hoverdelike, Ferg. 4614. Hi haddem ghedaen ache-
meren na de vrancsche wise, Parth. 5041. Die
coninc achemeerde hem wale, Ahx. X, 1338.
ACHEMÜRE (ATSEMURE, asemure), znw. vr.
Ofr. achesmure. Zie by Achemeren. Opschik^ tooi,
dos, uitrusting. \\ Hi bat den waert daer ter uren,
dat hi hem dade maken nieuwe asemuren, Lanc.
III, 17660. Walewein ende die andere heren wilden
keren tote Arture ende daden gereiden scone atse-
mure, III, 18568. Verchierde achemuere, Wap.
Rog. 760 (verg. vs. 757). Die costelijcheit der
achemure, Brab. Y. VII, 2067. Ende wapenden
hen wel ter cuere ende daden hen ane haer ache-
muere , Flovent 436. Ende deidem af sine achemure ,
Flandr. IV, 104.
ACHENDEEL, znw. onz. Voor het gewone
achtendeel (zie ald.), achtste gedeelte. \\ Ander-
half ertrike al gheheel es Maers groot, ende
tachendeel, Natuurk. bbl (var. achtendeel).
ACHGELEN. Zie Achelen.
ACHSTENDE , bnw. Onjuiste vorm van het rang-
getal achtste, ontstaan door de verwarring van
achtste of achste en achtende. \\ Op den achstenden
dach, Ruusbr. 1, 257.
ACHT , znw. Zie Achte.
ACHT, bnw. Zie Aft.
9
ACHT.
ACHT.
10
ACHT, bijw. Zie Achter, bgw.
ACHTAGE. Zie Achdage.
ACHTBAER, -bare, bnw. AcAHnff ofaanmerkmg
verdienende^ aanmerkelijk; in de oude rechtstaAl
van vonden gebezigd, „die wegens hare grootte
en diepte achting^ d. i. aandacht en opmerking
verdienen" met andere woorden ;n0<zar. Achtbare
wonden heetten ook Hof wonden^ Corewonden of
Matetoonden (zie die woorden). || Si quie aliquem
gravi vulnere vulneraverit^ vel aliquem percusserit^
tale vulnus quod ahtebare dicituTy Oor kb. 1, 292a
(a, 1262); V. d, Wall 20. In de oude vertaling
heet het: „zulkenre wonden die achtbaer zijn."
Zie de aant. van Y. d. Wall 26 en 113, waar men
vinden kan , welke wonden oudtijds tot de achthare
werden gerekend.
ACHTE, znw. vr. Ohd. dhta\ mhd. dhte^ aehte\
nhd. acht\ mnd. achte\ nnd. aehte^ acht (Koseg. 1,
71—76.)
1) In \ algemeen. Gerechtelijke vervolging ^ straf
lat. proscriptio, bannum, |) God brenge snn siele
uut aller achte, Brab, T, YI, 9218. In de uitg.
verkeerdeiyk allen ^ daar het woord vr. is.
2) In *t by zonder. Rijkeproecriptie , keizerlijke ban ,
ook nog by latere schriivers als historische term
in gebruik, vooral in de samenstelling rijksacht.
Yerg. Ned. Wdh. op Acht (1ste art.). || Dat . .
die kejser van Romen , mit sfjnre ongenaden dwin-
gende ende dreigende is, ons ende onse lant mit
swaerre achten ende banne te besweren, Xyh.
4, 111 (a. 1434).
ACHTE (acht , ook hachte , hacht), znw.
vr. Ohd. ahta\ (mhd. ahte^ aht\ mnd. achte ^
acht (verg. Eoseg. 1, 66 — 66). Over de afleiding
zie Ned. Wdb. op Acht znw. (3de art.). Uit de
grondbeteekenis het denken ^ de gedachte ^ aandacht^
oplettende beschouwing , vloeiden de verschillende
beteekenissen voort, die in het Mnl. nog aan het
woord eigen zijn.
1) In actieven zin. Opmerkzaamheid ^ oplettendheid».
In de thans nog gewone uitdrukkingen: Achte
(acht) slaen, en Achte (acht) nemen, met
den 2den nv. van den persoon of de zaak. |i Dat
n ghedachte . . aldus onsachte moet doghen clachte
om eene , die uus slaet cleyn achte , Troyenf. 36 b.
Al heeft die clapboghe grote macht, die reyne
liefte en slaets gheen acht, Mloep II, 1671. Soe
wje sgns selfs souden bedachte, des anders naem
hi clene achte, Hild. 266, 113.
2) In passieven zin. Toestand; vg. mhd. ah te
= oprt und weise^ verhdltnisy n&ch ah te =: noch
art und lage (Lexer 1, 30). üit achte in dezebe-
teekenis, welke in 't mnl. ook voorkomt, is
het achterv. aehüg gevormd, vg. Ndl. Wdb. op —
achtio (1, 760). — Enen in ere achte
brengen, iemand in zekeren toestand brengen ^ hem
op zekere wijze stemmen. || Brenct mi in sodaniger
achte, dat ie di met rouwighen tranen bedachte,
J). War. 4, 612, 43. Nu hevet de neve sinen
oom met boosheden brocht in suiker achte, dat
hi met liste no met crachte in geere w^s ne can
ontgaen.i2^. 684. Aldus leest Jonckbloet te recht
in plaats van in boosheden brocht met sulier achte
(Hs.), by welke lezing achte zou beteekenen beraad^
overleg. Yg. 3). Men kan achte met De Yries (Mnl.
Wdb. 13) ook opYAiien a\a hachte d. i. gevangenschtq)
(z. ald. en vgl. fr. vs. 10313 : Moult Tavoit mis en
male presse), doch met het oog op de plaats uit
J). War. schijnt aan de bet. toestand de voorkeur
gegeven te moeten worden.
3) Overleg, beraad, vooral in de ToU^nde tii^'^- •
In achte hebben, in beraad hebben , van plan
zijn. II Dat die van Gloucestre hadden in achte
over te comene met crachte , Brab. Y. YII , 16866.
— Met snelre achte, met snel overleg, met
kort beraad. \\ Want het geschiede mit snelre
achte, 80 datter hem nyemant voir en wachte,
Mloep II, 913. — In corter achte (acht),
met kort beraad, dus binnen korten tijd, spoedig.
Il Alsi (die eyer) ripe sgn worden si open; so
coemter woerme uutghecropen , ende worden in
corter achte geschepen na haren gheslachte, Nai.
BI. lY, 262. So dat hine in corter achte te al-
sulker hoocheit brachte, Sp. III', 10, 31. Nyet
lange hier na in corter acht tooch dees hertooch
mit heers cracht voir Ghildenborch bi utrecht,
Claghe 226. — Sonder achte, zonder beraad,
terstond. \\ Qpdat men hem, sonder achte, die
slotel van Limborch brachte, Brab. T. Y, 2006..
4) In bijzondere opvatting , een ^^oo^ in rechten ,
in de uitdrukking Ene achte bidden, verlojf^
vragen om zich te beraden. Yeelal Achtinge ge-
noemd: zie ald. 1), en verg. vooral Lubben 1,3,
Koseg. 1, 68—60, en Kuhn's Zeitschrift, 6, 78.
II Heer schout, ick bidt u om een acht, Oudenh.
Z. Holl. 482. — Achte woorde, ookachtinge
WO orde, de woorden van het beraad, de uitslag
van het gehouden beraad, die den rechter moest
medegedeeld worden. Zie het aangemerkte bg Ach-
tinge 1). II Heer rechter, Jan Lam dien gaefdj
een achtinghe , ende in sQnre achtinghe een talman ;
die brenct hy, ende hy volbietse, ist u lief, ende
ick segghe s^n achte woerden, Dingt, v. Delft
28. Ist u lief, ick segghe haer achte woerden,
69 ; verg. 61 : „ick segghe zijn achtinge woerden".
Yg. Wfr. Dingt. 16.
6) Uit overleg voortvloeiende meening, beschou-
wing, opvatting. — In rechter achte, naar
juiste opvatting, in waarheid. || Een machtich
burger, wail bekant van edelen arde ende geslachte,
was hoir man, in rechter achte, Mloep lY, 2042.
ACHTE = Hachte. Zie ald.
ACHTE, bnw. Het ranggetal, achtste , ook mnd.
achte; samengetrokken uit achtede, mnd. aehtede
goth ahtitda,; anders gewooniyk, met ingeschoven
n, achtende. Zie Achtende. || Des achtes dages,
Sp. I*, 43, 36; Limb. 1, 847. Dat sevende . .
dat achte . . dat negende . . Ned. Froza 136. In
den achten dach. D. B. Nehem. 8, 18; enz. Yerg.
Achde.
ACHTE (acht), telw. Jcht, het hoofdgetaL
Mnd. achte. || Hondert ende achte, Nat. BI. II,
4023. Si achte, acht personen, Lanc. UI, S65S '.ff at.
BI. II , 1822 ; L^. 1 , 29 , 86. Die viere verwonnen
dachte, Bijmb. 18481. Nochtan begheerden dese
mooncke achte el negheene ghestichten noch ander
wachte, Amand I, 1014 (in den tekst staat ver-
keerdeiyk: achtre en wachtere. Zie T. en Ltb. 6,
246). — Meermalen in oude rechtsbronnen als znw.
gebezigd: die achte, een uit acht personen be-
staand college van uit de gilden gekozen rechters
of raadslieden; ook in het enk. een achte, een van
het college der acht. || Scepenen ende raedt, achte,
dekens ende die ghene, die vrede moghen nemen,
O. K. V. Dor dr. 16, 19. Die goede knapen van den
achten, die by tydcn bi den gherechte zyn , 16,24.
Dat niement van der stede ghezworen knapen
ende dienres . . en zullen moghen wesen in
den gherecht, als schout, borghemeester, scepenen,
raet, noch van den achten. Ende waert dat eenich
van desen dienres . . haren dienst oflieten, «nde
in den gherechte (^uamen of van den achten
1
11
ACHT.
ACHT.
12
worden , die en zullen daer na in der stede dienst
niet comen, 55, 194. Sonder enige berechtinge off
bewint van den achten of dekenen, Y. d. Wall
413 («. 1409). Dez gelijcx en sal nyemant achte
wezen, hi en sij een ingebomen poirter, ald.
Dat onse gemeente van Dordrecht bil horen ghilden
snllen jaerlicx mogen kiesen ende nemen die
achte, 467 \a. 1418).
ACHTE, bijw. Zie Achten ,.bijw.
ACHTKEL, znw. onz. Samengetrokken uit
Achte deel, achtdeel. Achtste gedeelte eener maat.
Zie ACHTENDEEL. || In elcke sack van hart koren
of moute niet meer en sal wesen dan drie achteelen ,
O. K. V. Delft II, 69.
ACHTEHÓEVEN, znw. vr., alleen in *t mv.
gebezigd. Samenkoppeling van Achte en Hoeve,
Aehthoeven, benaming van eene buurtschap, waar
acht hoeven staan, vg. Achttienhoven en andere
derg. plaatsnamen. )| Van dien achtehoeven vinden
wi den Grave tambocht ende tiende . . Yoirt van
der wildemisse van den achtehoeven tote der
Wike toe vinden wi den Grave tiende ende ambocht.
Mieris 2, 61 ft {a, 1306).
ACHTELOES , bnw. , van achte in de bet.
aansien, eer, achting, welke iemand door zijn stand
geniet, in welken zin het woord wel niet voor-
komt in *t mnl., maar wel in het mhd. en mnd.
Yg. Lezer 1, 30: uz der ahte, ohne standes-
toert, ansehen en vooral Lubben 1, 4, waar achte
vertaald wordt met ansehn, achtung , rang, stand.
Deze bet. is nauw verwant aan die van toestand.
Yg. Achte 2). Eerloos, Gr. an^fiog- \\ C ende D
voemoemt . . legghe ie ballinc achteloes ende
vredeloes mijns liefs heren lande van HoUant,
Dingt. v. Amst. 23.
ACHTEN (hackten), zw. ww. onz. en bedr.
Ohd. ahtón ; mhd. ahten ; ags. eahtjan (Ettm. 22) ,
mnd. achten. Yan denzelfden wort«l als het znw.
achte, acht (zie ald.), of wel rechtstreeks er van
afgeleid. Achten had de grondbeteekenis van den-
ken, eijne aandacht op iets vestigen, waaruit alle
wijzigingen zich geleidelijk laten verklaren. By de
verschillende opvattingen, die achten in H Mnl.
had, verg. men vooral Koseg. 1, 66—69.
I. Onzijdig.
1) Nadenken, overleggen, tich beraden, \\ Hine
waent niet, maer beit ende acht; hine waent niet,
maer hi wacht, Sp. 1«, 34, 73.
2) In H bijzonder, als rechtsterm, zich heraden,
consult hoitden met de in rechten betrokken par-
tijen. In de latere rechtstaal heette het te rade
gaen. Zie Matth. 142, en verg. bij Achtinge 1) en
Achte* 2). || Ende al gaet hi uyt achten, dat
hi wel incomen mach ende dat oerdeel ontsegghen
dat hies niet sculdlch en es te deylen, Oorkb. 2,
376tf (a. 1292); 507ft {a. 1299); Mieris 2, 91tf
(«. 1310).
3) Achten tegen of jegen iet, bedenkingen
tegen iets maken, er tegen opkomen. \\ Och! wie
dat daer tegen acht, dats een nutlic zot gezogen,
B. War. 7, 380, 45.
4) In *t bijzonder, als rechtsterm, zich in rechten
tegen iets verklaren, er tegen opkomen of in verzet
komen, als niet overeenkomstig de wettelijke vor-
men. Zie Achtinge 2) en verg. nnd. wederachten
(„widerstreiten, anfechten") bij Koseg 1, 70, en
Euhn's Zeitschrift, 6, 78. Zeer gewoon in de
uitdrukkingen: Acht hier yemant tegen? Oudenh.
Z. Holl. 486, 617, 523, 524, enz. Het en zy of
daer yemant met recht tegen achten mach, 464.
Soo verde daer niemant met recht tegen en acht,
487 , 523. Dat niemant tegen de vyerschaer en sal
mogen rechtelijcken achten, 523; enz.
5) Met den 2den nv. ofheiyooTz. om: Acht geven,
acht slaan op iets, zorg dragen voor iets. || Daer
mochte sien , dies acht« , dat God enz. , Rijmb. 30868.
Die jonge ginc wech siere straten metten ingel,
die sijns acht, 15557. So willen si dan der kinder
achten, Nat. BI. III, 1820. Ende sire eren nauwe
achten, Lsp. III, 9, 94. Wildi uwer eren achten,
Mloep I, 1847. Ende peinst ende acht om onso
vrome, Fhr. 2072.
6) Met den 2den nv. zich voornemen, het plan maken
tot iets. II Ende volbrochte des hi te voren hadde
gheacht, Stoke Y, 756. — Ook zonder bepaling
in den 2den nv. || Parthonopeus , als hi heeft
gheacht , na et en e ghinc hi ter havene waert ,
Parth. 1884.
7) Met den 2den nv. of de voorz. om, op, van
en bi. Zich gelegen laten liggen aan iets , zich be-
kommeren, zich bekreunen om iets. || Dats daer ie
nu meest up achte, Rijmb. 2322. Es niemen die
mijns lachters achte? 9428. Wat soude achten mijn
vrouwe op mi, die ben een keytief? Limb. YI,
536. Maer een ewelijc besuren, daer gheen eynde
en is te wachten, mit anxten souden wy daer op
achten , Hild. 242 , 40. — Yooral in ontkennenden
zin: Niet (luttel, clene, weinich) achten
niet {weinig) geven om.
a) Met den 2den nv. || Sy seiden hem al haer
ghedachte , mer hy was [die] des cleen achte ,
Troyen f. 167 a. Die Jnede en achte niet der wort ,
Ueim. 2033. Lamech achtets min no mee, Rijmb.
968. Josias achte niet der dinc, 14681. Ne acht
hijs danne groot no clene, 24092. Maer recht ende
daer toe ghenaden, dies ne achti min no mere,
25520. Die van Ydumee ne achten dies min no
mee, 30225. Wie ons niet en mint, en dorven wi
achten twint, Lsp. I, 27, 79. Die de werelt mint
hi es dom! . . daer omme, mensche, en achter
niet, X Plagh. 22li. Hoe luttel men nu achte sijns
Theoph, 350. Die luttel schinen mijns te achten. Rein.
II, 4386. Het heeft alsulke cracht, dat etens noch
drinkens en acht, II, 5481. Een zwijn soude des
weynich achten, dat men lelyen trade int slijc,
Mloep I, 1342. — Des clene achten, Grimb. II,
4287; Christ. 1018. Niet een caf achten, Mloepl,
1130. Niet een twint — , Heelu 1279. Niet een zaet,
niet twee peren — , Lsp. I, 28, 20 en 31, Niet een
haer— , PcrM 2418. Zoo ook Theoph. 734, enz.
b) Met het voorz. om. \\ Ferguut en acht niet
om haer seer, Ferg. 1065. Ende hi om ghene dinc
el ne achte . . . sonder der ghere die hi minde,
Parth, 1220. Dat hi niet achte omme tghestuur,
Rijmb. 28606. Die ghemeente achte niet ... om
dese tele, 28711.
c) Met het voorz. op. \\ Sine achten niet up
tgrote here, Rijmb. 31925. Up sijn weenen achte-
men niet, 33561. Daer om en acht op niemens
nijt, indien dat gi weldoende zijt, Lsp. I, 27,95.
Gheeft mi u hulpe, Here Heilant, soe achtic cleyne
op yements spot , Z Plagh. 72. Hi en acht op geue
souden, Theoph. 658. Dat hi op hem selven niet
en achte, 1348. Op dat water en achtese niet,
Christ. 389. — Luttel (clene) achten op, Lsp. I,
26, 152; Rijmb. 22590 vlg.; Hild. 250, 54, enz.
d) Met het voorz. van. \\ Nochtan achtic niet
van dien. Rein. 1 , 2115. Yan dinen werke en achtic
niet, Esop, LXIII, 14. Ne achti niet van uwen
wive no der gherre die u minnen, Rijmb. 32120.
13
ACHT.
ACHT.
14
Die mordadeg^he kejrtive ne achten niet van haren
live , 32715. Tytu8 sach wel dattie keytive no van
temple no van live niet ne achten teser tij t, 33217.
Si en achten niet van groten zalen, Lip. II, 11,
31 ; enz.
e.) Met het voorz. bi. \\ Datmcn niet en acht en
twint by die scoenheit van den menschen, Vrouw,
e, M. VIII , 8.
/.) Met een afh. zin. || Dat ie niet en hebbe
gheacht , hoe vele sonden dat ie dede , Tkeoph. 782.
II. Bedrijvend.
1) Achten^ denken^ meenen^ gelooven^ de tegen-
woordige beteekenis , in *t Mnl. reeds zeer gewoon.
II Gone andre twe achtic te sine knechte ende
dieme , Franc. 2392. Daer bi achten sijt gewonnen ,
Heelu 6192. — Vandaar de uitdrnkking Ie ach te,
gevolgd door een zelfstandigen bijzin met dat^ of
door een bijzin in den vorm van een hoofdzin , ter
uitdrnkking van een gev^ dat men als aanwezig
onderstelt. Ie achte geldt dan voor ik neem aan^
ik ttely d. i. ik wil aannemen^ getteld {dnf). \\ Ie
achte dat si doot si, nochtan en soudi daer bi n
selvenal niet verslaen, Melib. 119. Exempel soe willic
n toghen: ie achte, ie ende ghi wi sQn die den
andren minnen moghen. Vrouw. e. M. 1, 167. Ie
segghe hoe, nu verstaet mi: ie achte, joncfrouwe,
ie draghe minne, I, 501. — Ook als onz. znw. ||
Die erre es, hi waent dan meer vermoghen dan
hi can, so dat sijn wanen ende s|jn achten verre
gaet boven siere machten, Melib. 1433.
2) Denken aan iets, bedacht zijn op iets. ||
Fransoys, de rudder ons Heren, die om vaer achte
geen keren. Franc. 5097.
3) Denken^ meenen, ramen, (er op) rekenen, ver-
wachten. II Bi ons Heren helpe hi acht te doene
dinc van groter cracht , Franc. 7437. [Die] in corten
tiden acht te gewinnen des hi wacht, 6099. Dats
daer wi te ridene achten. Ren. 266. En sal niet
gaen als hi acht, Lorr, I, 272. Alsoe sciere als
men acht, Heelu 3671. Nu hoert wat hi achte te
doene, Stoke IV, 1348. Elc acht te stervenc up
den andren dach, Bloeml. 3, 15, 260. Dye grave
en achte daer niet te comen, Exc. Cron. 119«. —
Vandaar 'de uitdrukking Dat comet na sijn
achten, dat gebeurt zooalt hij het zich had voor-
gesteld. II Dat en quam niet na sijn achten, Heelu
6367. Mocht noch comen na mgn achten, dat mi
dat noch mochte geschien, Olor. 376.
4) Beramen, overleggen. || Dus so heeft God selve
gehacht ende gheordineert al, Wrake I, 546. Hi
achte sijn dachvaerde ende sijn dinc, ende nam
raet met sinen camerlinc. Flor. 1610. — Enen
tot iet achten, t^ma^ tot iets bestemmen. \\ Elc
van sinen ambachte, daerse God selve eerst toe
achte, Lsp. I, 4, 9. — Vandaar de rechtsterm:
Geachte tale, eig. beraamde, overlegde, (opzet-
telijk daartoe) bestemde taal, die zich stipt houdt
aan de in rechten gebruikelijke formulieren {verba
euriae). \\ lek gebiede datter niemant en spreeckt
dan met geachter tael, Oudenh., Z. Holl. 486,
617. Soe sal die heer vyerschare maken met ge-
achter tale, 517. Zie ook ald. 504, 619, enz.
— Enen iet achten, iets voor iemand bestem-
men, wegleggen. \\ Ende keert onrecht na dgnre
cracht, soe es u hemelrike gheacht, r Plagh.
1799.
6) Iets voornemen, tot iets besluip ^Ig een
gevolg van overleg.Verg.AcHTiNOE en Va ' cHTEN.
II Begef diere sotheit, die du heefs i^^^i. Flor,
2110. Bi siuen exemple achti te latene die quade
werclt ende te hatene, Franc. 1075. Want hi hem
selven telker stat achte te gevene wie so bat,
175. Ende achte te vaeme in Surien, 4975. Wat
bediet, dat men bi nachte wech te vaeme aldus
achte, Stoke VI, 771. Doot es hi, die . . . wisen
raet niene acht tontsiene, Rincl. 76. — Vooral
in de uitdr. Geacht hebben, voornemens zijn,
van plan zijn. Verg. lat. decretnm habere. \\
Ten selven huus hatsi gelegen een nacht, daer
Floris haddc te herbergen geacht. Flor. 1830. In
den casteel . . . daer gi gistren te vaeme had
gehacht , Lanc. II , 15759. Waer hebdi geacht dat
gi herberge salt nemen tnacht? IV, 12651. Mer
daventuere hadt anders gheacht, die teghen die
Troyene vacht , Troyen f. 81 d. Alse si lange hadden
geacht, Sp. III», 92, 35. Daer hi mede heeft geacht
te wreken dat hem es mesdaen, Velth. 11,12,14.
Gaet daer gi hebt geacht, want die misse is uu
volbracht. Bed. d. M. 1246. —Zie ook ÓJp. IV*, 13,
20; Franc. 1305, 5633; Lanc. II, 15632; Flor.
1776, 1898, 1982, 2880; r««?. Jfiw. 1,316, 24, «ir.
6) Achten , rekenen , schatten , op prijs stellen ,
aan iemand of iets zekere waarde of zeker belang
toekennen, (Verg. bjj Onz. 7). Nog heden gewone
opvatting. || Ene vrouwe die niet ... en acht
mine noet, Limb. VI, 1256. Mer dat ie alremeest
achte, dat ghi verhaesten sout u eer op hem, dat
misstond u seer, B£in. II, 3688. Hoe veel vint
men der noch , die luttel achten wat si loven , II ,
6814. Ie acht cleine al dijn maghen , II , 7295. Zijn
clachte en wert niet geacht, Exc. Cron. 124a,
Dat zy tselve lant in coope, deen deur tander,
achten of rekenen up 25 Rh. gl., Inform, 215. —
Nog in de volgende spreekwijzen: Enen achten
over iet, iemand houden voor iets, beschouwen
als iets. || Omme dat men siere moeder achte over
een ghemeene wijf, Bijmb. 7830. — Iet achten
te . . , iets achten of rekenen voor , opvatten als. \\
Dat ie mettem niet en vacht , dan dooch ter bloet-
heit niet geacht, Sp. I«, 23, 19. —Geacht met
.. , medegerekend onder ^gelijkgesteld m£t. \\ Geacht
metten mordeneren. Vod. Mus. 2, 436; enz. —
Niet geacht sijn, voor niets gerekend worden,
niets beduiden, geene waarde hebben. \\ Belovedi
oec dies gi geene macht te vuldoene hebt, dins
niet geacht , Melib. 2036 var. — (Niet)geachtsijn
jegen enen, {niets) te beduiden hebben t^enover
iemand, {niet) in aanmerking komen bij. \\ Dat si niet
waren geacht jegen sine grote cracht, Melib. 311.
Vor hem soue heeft niemen macht, die jegen mi
iet es geacht, Sp. III^ 60, 31 (in het hs. staat
verkeerdelijk heeft voor es; doch verg. de Bijv.
en Verb. op Sp. Hist. bl. 452 , en Vinc. „Nemo . . .
habet potestatem apud eum, sicut ego.")
— lu verzwakte opvatting geldt Geacht sijn
voor in aanmerking komen , te vinden of aanwezig
zijn, evenals becant sijn. Zie ald. || Daer
luttel trouwen in es geacht, Vad. Mus. 2, 156,
134. Dan en sal dach no nacht nember werden
daer geacht, Velth. VIII, 27, 46.
ACHTEN = Haciiten. Zie ald.
ACHTEN, ACHTE, ACHT, bijw. {lerg.danen,
dane, daen en henen, hene, heen). Got aftana;
nnd. achten, achten (Koseg. 88). Verg. Bachten,
Bacht.
1) Van achteren, aan d€ achterzijde. \\ Dat hi
die Grieken vor ende achten sonde hebben beringt
met crachten , Alex. II , 869 (Hs.) — V a n achten,
van achteren', vg. van binnen, van buten, enz. ||
Doen sloechmeuse doet van achten, si en n^ochtend
15
ACHT.
ACHT.
16
hem niet gewachtcn, ^Z^^. III, 451 (Hs.). Op beide
plaatsen staat in de aitg. van Franck backten,
2) Achterna^ in de uitdrukking Enen achten
slaen, iemand achternazitten, vervolgen. \\ Die
Percen begOnsten te vlien. Alexander heeft dat
versien, ende sloech achte alse die coene, AUx.
III, 245. Franck leest hier orA/^fr , dat wel de ware
lezing zal z^n. — De voorbeelden van den ver-
korten vorm acht zie men bij Achter b|jw.
ACHTENDALF, telw., samengetrokken uit ach-
tende half, achtête half , dus zeven en een half.
Verg. anderhalf ^ derdehalf, vijfiehalf, zettehalf
enz. In het voormalige Nederl. muntstelsel waren
nog de zestalf, achtendalf en dertiendalf als stuk-
ken van 5| , 7^ en 12^ stuiver bekend. || Die sonne
es achtendalf werve als groet als dit erderike al
gheheel , Rijmb. 220. — In den gedrukten tekst
der Hiel. Schol, staat octiea ; maar Maerlant zal
wel in het door hem gebruikte Hk. VII en daar-
achter het gewone teeken voor \ gevonden hebben.
ACHTENDE, bnw. Het ranggetal , «rA/:*^^ ; goth.
ahtiéda ; ags. eahtodha ; mnd. achiede met ingeschoven
n, als in nakend voor naked. Ook het Deensch heeft
oitende. \\ Die hont rijt tsire achtende maent , Nat. BI.
II, 71. Ten achtenden jare, I, 373. In zijn achtende
paeus jaer, Franc. 2159. Up dachtende calende vor
Hoymaent, 7983. Ten achtenden dage, JSymd. 5292 ,
21144. Dachtende coninc, 12389. Recht opten
achtenden dach die in December gelach, Lap. II,
3, 157. Van Oechst ter achtender kalende, *^. II',
32, 42. Op dachtende kalende Augusti, Yêt. BI.
1954. Dat achtende gebod, iV. Doctr. 1851; Ned.
Proza 62. Tachtende bot, Hild. 11, 500. —Hem
achtende (r), met hun achten. \\ Pieter van der
Asselt voer saterdages ... ter Sluus, hem ach-
tender, in den orbore van der stede. Rek. v. Oent
1, 286. =: Achtende is de gewone vorm, maar
ook achtste komt reeds veelvuldig voor. Ook
vindt men achte, ach de (zie ald.) en ach-
tenste. |i Dachtenste coninc, Rijmb. 3385. In sijn
achtenste jaer, 14554. Ten achtensten daghe, Amand
I, 661. Zoo ook Lap. II, 3, 157; 10, 52 {ha. H.);
D. B., Exod. 22, 30; I Kon. 12, 32; Ned. Proza
355, enz. Verg. ook Achstende.
ACHTENDEEL, -deU, znw. onz. Achtate ge-
deelte. Mnd. achtendél. \\ Dachtendeel honechs daer
bi, M. en Fr. Heim. 1219. Van den anderen 500 mergen
zoe behoert den Abt van Egmont toe dat achtendeel
van den geheelen lande , Inform. 42. — Als koren- en
zoutmaat = \ zak. Zie Le Long , Koophandel v. Amat.
(8e dr.), 1, 284). || Ende nyement uut zinen scepe
myn teffens te vercopen noch te meten dan een
achtendeel souts, O. K. v. Rott. 44, 140. Item
niet meer te nemen op enighe wintmolen van malen
dan van een achtendeel harts corens een engels,
45, 141. Soe wie dat bruyct XXXVI gemeten
lants , die zal gehouden wesen te hebben een ach-
tendeel, O. K. V. Briel 166 A. Tachtendeel van
de lantmate hout XIX sceppers ende een pinte , al
vol gestreecken mate, 169 X. Twalef achtendeel
witter erweten , cost elc achtendeel erweten XX gr.,
Oorl. V. Albr. 106. 260 hoet terwen, 4 achtendel
te backen , Bel. v. Leid. 300. Van eenen sack terwe
van twee achtendeel, Inform. 18. Een sack van
twee achtendeel tarwen, maickeude een viertel
Antwerper maet, 11. — Bij geslachtsberekeningen
gfizegd van een der acht gea lach takwar tieren. ||
Dat Willaem voirsz. daer quam met zinen edelen
maghen, uyt allen vierendelen toet enen achten-
dele toe alse van Machtilden weghen, zire moeder,
ende deden aldaer ten heylighen, als hem vond-
nesse w^sde ende recht was , dat Machtilden voirsz.
een edel wijf was van vader ende van moeder tot
enen achtendele toe. Mieris 2, 304Ó {a. 1323).
Twee achtersusterkinder , of eerste lede, mcerre
int een vierendeel of achtendeel dan int ander , na
dat die misdadige meer magen heeft int een vieren-
deel of achtendeel, dan int ander, Matth. 220.
Ghebrake daer den clagher enich van zgnen vier
vierendelen of achtendeleu . . . , soe sal hy mit zijnen
eedt wijnnen, dat hy in dien vierendele ofat^hten-
dele . . alsoe . . verstorven is, dat hy daeruyt
gheen maech werven en mach , Dingt. v. Amat. 13.
ACHTENSTE. Zie Achtende.
ACHTENTICH, bnw. Het ranggetal, tachtig,
in de volkstaal tachentig. Zie Tachtentich. Mnd.
achtentich. || In den jaer uns Heren dusent dric-
hondert tweenactentich , Nijh. 3, 107.
ACHTER (akter), voorz. en bijw. Goth. a/^ro,
aftra\ ohd. aftar\ mhd. af ter \ ags. aefter
eng. after ; osaks. aftar , after ; ofri. efter ;
onl. aftir , mnd. achter. Van het bijw. «ƒ, door
middel van het achtervoegsel ter , waardoor de
vergrootende trap wordt aangeduid. After is alzoo
hetgeen verder verwijderd is dan hetgeen voor
is. After , de oorspronkelyke vorm , die vooral
by jongere Hollandsche schryvers nog veelvuldig
in gebruik was, werd verscherpt tot achter, als
in gracht voor graft, enz.
I. Als voorzetsel.
Oorspronkelijk met den 3den nv. , die nog in
enkele uitdrukkingen bewaard bleef, doch veelal
met den 4den nv. verbonden.
fl) Van plaat*.
1) Achter, in den hedendaagschen zin, als het
tegengestelde van voor. |j Voer oghen vrienscap
toghen, maer verraden achter die oghen , Wrake II ,
730. Jhesus bleef te Jherusalem achter hen, ende
sine wistens nit, Lev. v. J. c. 20. Quaet sprekende
achter diegene die wel haer viant (/. vricnt)
wanen sijn, Belg. Mna. 10, 28.5. Omeenen anderen
sijn eere te benemen achter rngghe, Httghe v.
Bord. 3. Zie ook Vad. Mm. 2, 161,176; Ruusbr.
3, 60; Theoph. 110, enz.
Inde uitdrukkingen: Achter rugge, aL)^ach-
tertoaarta, teritg. \\ Hoe dicke sach Reinaert
achter rugghe, Rein. I, 1724. Daer simetcrachte
worden gedaen achter rugge ende wech verdreven ,
Stoke IX, 446. (Si) liepen vaste achter rugge,
IX, 536. Ende deedse keren after rugge, IX,
787. Een scuwel pert, dat van cleynen dingen
after rugge springet ende valt afterwaert in den
sloet, Ned. Proza 204. Si trocken achter rugge
al bescaemt, Exc. Cron. 134 a. — Achter
T XL gg e, ^), achterwaar ta, Mhterover. \\ Dat ghi
maect een va.ste brugge, sone valter nyemant
after rugge, Hild. 53, 129. Doemen in der missen
opbeurde dat heilige lichaem Christi, viel hi
achter rugge, Ned. Proza 293. Ende se vielen
achter rugghe ter eerden , Brugm. 2, 342. || Achter
rugge setten of werpen, oy? den achtergrond
zetten, geringachatten. || Verghete, dat is, set after
rugghe die dinghen die gheleden sijn, Brugm. 1, 290.
Dat wy alle tijtlike dinghen achter rugghe setten sel-
len , ald. 279. Dat si eer ende gemac al after rugge
setten , St. Bern. 40 d. Of een broeder ontrint van den
oerden ende ghehorsamheit ende geestelike tucht
achter rugghe werpt, D. Orde 265. Du worpes
afl«r rugge al mine souden, Ha^^ Pa. 60 r. —
Ook met de bijw. a: achter rugges setten,
17
ACHT.
ACHT.
18
II Zyn stnderen setten hl drie jaren lanck achter
mgghes ende regeerde schole in der stadt,
Bienb. 128 d. (Vg. Frosa-Rein. 56 r: Scouten ende
scepenen raden after mgghes toe ende helpent
mede insetten ende leren doer den vingher sien.
Rein II, 4239 heeft achter baees, ons achterbaks ^
dat in vorming met achter niggee te vergelgken
is.) — Achter voet, achteruit ^ terug. || Daer wart
doe die strijt so groet, datsi moesten achter voet
enen bogescote, Merl. 23167. — Ook in de nitdr.
Enen achter voet y^ol g en ^ tem. op den voet ^ op
de hielen volgen. \\ Daer si hem volgeden achter
voet, Sp. III«, 37, 19, en Achter voet gaen,
achteruitgaan y op den achtergrond geraken. \\ Dan
gaet die doget achter voet, ^. !•, 8, 41.
2) Naar, eigenlek in de richting van iemand die
zich verwijdert. \\ Als hi achter die vlieghe sloech
endemissede, die vlieghe loech, ^^qp. XXXVI, 9. —
Achter enen sien of roepen, iemand achter-
nazien of achtemaroepen. \\ (Si) ghinghen boven
ten hoghen tinnen ende saghen achter Walewcyne ,
Wal. 204. Doe riep hi achter Waleweinc, 8557.
3) Zeer gewoon was eene andere opvatting, die
nog in de 17de eeuw in enkele spreekwijzen voort-
leefde, t. w. die van door-heen, over-heen, nog min
of meer in ons achterwege bewaard. Achter met den
3den nv. werd als voorz. van plaats gebruikt om
aan te duiden, dat iets óf zich binnen zekere
ruimte beweegt, óf overal binnen die ruimte ver-
spreid is. Zie de nadere verklaring dier uitdrukking
Ned. Wdb. op Achter I, 5.
De meest gewone dier uitdrukkingen z^n:
Achter lande, door het land heen , overal in het
land. II Dese plach aerme broeders tontfane, die achter
lande plagen te gane, Sp. III», 42, 33. Wette, die
waren tegaen achter lande ende in die steden, III*,
19, 52. Dit sien wi daghelijcs achter lande, Doctr.
III , 1032. Diemen vendt achter lande , Teett. 56. Die
vare achter lande, Limb. III, 481. Die conste
draghen achter lande behoeven ghelt, Hild. 173,
119. Sine ghinghen achter lande, L. v. J. c. 76.
Wyde achter den lande, Serv. II, 1264. Achter
lande jagen, Nat. BI. I, 247.— Achter velde
over, op het veld. \\ Datti hier achter velden heeft
gelegen so menich jaer, Maleg. 668. Ende men
daermen achter velde verhuege met gonen gelde.
Franc. 3601. Daer mochte men menich moederbaren
naect sien lopen achter velde, Stoke III, 1134.
Singhende scoen ende claer achter velde. Nat. BI.
VII, 510. Springhende achter velde, VII, 674.—
Achter straten, lar^gs den weg. \\ Ende voer
stille alse een muus achter straten, Ferg. 726.
Als sise droghen achter straten , Rijmb. 6508. Die
cruciflxe.... sleypten si onwaerdelike achter straten
in den slike, Wrake III, 1799. Als ie achter
straten ginc, Lucid. 5695. Edelheit die laet men
dolen achter straten in den slijck, Hild. 123, 132.
Dese en loopt niet after straten met enen lyedekgn
om broot, Mlo^ II, 54. Si placht te Nyvele achter
straten te gaen aen haer vrienden , Exc. Cron. 27 d.
— Zie nog tal van voorbeelden in de gloss. op
Rijmb. , Lsp. , Mlo^ enz. , by Huyd. op Stoke Dl. 2 ,
bl. 20, Clignett, Bijdr. 362—64, De Jager, Zat.
Verteh. 159, enz. — Ook reeds vroeg met den
4den nv. gebruikt: Achter tfelt, after tfelt.
Nat. Bl. VI, 732, Rijmb. 28104, Mloep II, 2198.
Achter de strate,if«nAi»^I, 3494, enz, r= Andere
uitdrukkingen met achter in deze beteekenis zyn
de volgende: || Achter heiden, Ferg, 3^^0. Achter
mouden, over den grond, i^. II*, 4^ .a Achter
bossche, Lann. III, 2845; Rosé %Xy^* : j, ter lw)s-
schen ende hagen, Eleg. 340. Achter wonde, Base
90; Limb. VI, 1953; Sp. IV», 25, 14; Brab. T.
II, 3739. Achter de stede, Sp. I^^ 27, 115.
Achter poorten, Cout. v. Brugge I, 328. Achter die
port , Ferg. 721 ; Amand 1 , 3466. 22 personen die
ommeghinghen achter de poert van huse thuse.
Rek. V. Gent, I, 457. Achter dorpen , Serv. II, 166.
Achter wege, langs den weg, Lane. III, 1874;
Velth. VIII, 3, 28; later, min juist: Achter wegen,
Brugm. 2, 322. Achter erderike, ^. III* , 24, 45;
III», 48 , 89. Achter werelt , Sp. II» , 17, 24. Achter
werelden harentare, Sp. IV», 12, 83; Franc. 4114.
Achter die (o/ der) werelt, ^. III*, 10, 64;
IV», 31, 45; Mloep I, 2097, 2181. Achter die
woestine, Sp. IV, 36, 11. Achter kercken, Merl.
9722. Achter Vrieslant harentare, Stoke III, 224.
Achter Grieken harentare, Sp.,V U, 45. Achter
Surien harentare, Sp.V ,^b, 41. Achter Rome,
Sp.V,'i, 29; III', 14, 48. Achter Colene, Serv.
1 , 2220. Praxedis keerde hare achter haer cellekijn
harentare, Franc. 9969. Achter hove, Lanc. 111,
17061; Wal. 7441. Achter den hoven, Belg. Mus.
2, 116. Achter huse, Sp. III •, 38, 62; Lev. v.
J. c. 80. Achter huse ende achter vloere. Rosé
8831. Achter thuys. Hor. Belg. 9, 90. Achter
vloere, Belg. Mus. 10, 64, 73. Achter zalen , Xtf»r.
III, 10300. Achter die sale, Velth. IV, 40, 58.
Achter scepe sien, Lanc. III, 9572. Achter therte
Parth. 7801. After water ende after lande. Mieris
1, 223tf.
b) Van tijd.
4) Na, nog heden in H eng. de hoofdbeteekenis
van after. \\ After Augustus, Jan Yp. 51. Achter
dese edele vrouwe bleef een sone, VI. Rijmkr.
5065. Ende verbeetse elc achter andren, Esop.
XXIII , 5. Inne wane achter desen dach niet langher
beiden, Limb. II, 148. Tien jaer regneerde hi
achter hem, Sp. III», 26, 24. Achter noene gaen
si dringhen by den vrouwen in dat bier, Hild.
173, 114. Achter sine doot, ^. IV», 71,33 ;^*c>p.
LXVII, 10. Achter dien doot van Christus, Ned.
Proza 250. Achter onse doot , iZym*. 33957. Achter
die plage, D. Lucid. 5647. Achter Sinxen, Rijmb.
5173 var. After dien mael ende stonde, Mloep I,
1779. Achter dit lijf hemelrike, Vad. Mus. 4,
147, 76. After dese tijt, Clign. op Esop. bl. 140.
Achter die tnt beterde si haer , Exc. Cron. 30tf.
(Hi) en hoerde haer ghescalle niet meer after die
tijt, Hs. 87, /. 69c. Achter etene hi te bedde
ghinc, Parth. 1196; zie ook -FVry. 241 , 582. Achter
hem, Rijmb. 20170. Achter hem crone dragen , Sp.
IV», 83, 16. Ghi en siets meer after heden, -Stf^A.
306. Achter huyde, na heden, Serv. I, 2780. Dat
niemant . . . after huyden enigherhande wjn . . .
duerer sal mogen tappen ... dan die stoop voir
XII groot, O. K. V. Delft II, 67 , 23. Achter nu , »w
dezen , Lsp. III , 3, 845. Dat niement vlas hekelen . . .
en sal achter dander clocke tot datmen den dach
blaest, O. K. v. Dordr. 24, 53. Gheneset niet achter
dat beschauwen, soe bedarf dat men die stede ont-
vleesche,Jan.Yp. 115. — Achter een, achtereen^
na elkander. \\ Flor. 1128 ; Nat. Bl. XII , 966 ; Rijmb.
33754. — Achter dien, achterdien, uit
achter en dien, 3den nv. ywi onz. dat. Na dien tijd ^
d^Nsrna. \\ Den logenaer castien, ende after dien niet
meer getruwen, Hild. 4, 72. Soe moghen si mit
vrou Eren hoven achter dien hoer daghen lanc , 26 ,
133. Worde een scaep soe nauwe ghescoren, dat
in twifel staet verloren wolle te draghen achter
dien, 238, 109. Zie nog 51, 220; 143, 113;
Mhep II, 3187, 3635, III, 1099. — Achter
19
ACHT.
ACHT.
20
dien dat, na den lijd dat^ nadat. \\ Waer omme
ie meene dat een recht goet man nemmermeer
qaadyen lief mach hebben ofte eenige Trienscepe
met hemlieden honden , achter dien dat hare quaet-
hede hem keulic zij, Schaakêp. f. 123. Achter
dien dat die rechter des gewair geworden is,
Matth. 209. Of die ghene . . . ziec werden , achter
dien dat si comen binnen oeren vier stapelen,
Stadr. V. Zwol 135, 226. Achter dien dat hi eens
ghedoopt is, Hs. 75, /. 98 b. After dien dat si
hem aldaer soe vaste neder scickeden, Clerc 9.
— Achter dat, hetzelfde. || Gheen licht noch
vyer te honden in die stove , achter dat die wachter
untgaet, O. K. v. Bott. 20, 38.
c). Van omstandigheid.
5) iVAn* bij WW. van ii^tf^» , evenals eng. after. \\
Polypus is gheseit achter eenen visch , Jan. Yp. 103;
Schronfifelen alsoe heeten si in Latine achter die
soghe, 134. Zoo ook 165 en 167.
6) Van bij ww. van ^pr^ifr^». || Alle die van uwen
ambochten sijn doet eere, ende sprect altoes wel
after hem lieden, Jan Yp. 43. Die quaet after mjjn
ziele spreken, Ut. Ps, 769.
II. Als bijwoord.
a). Van plaats.
1). Aan de achterzijde y van achteren. || Per-
chevael ende Bohort drogense voren, ende Galaat
. . . droechse achter allene, Lanc. III, 10737.
Ende spranc haer achter op tlijf. Rein. II, 6289.
Ende hem nochtan sijn grove nrijn achter ontgleet
van grooter pnn, II, 7345. Ende gaf hem daer
mede sijn deel after op sijn lenden. II, 7472
(zie nog II, 4153, 7487, 7491). Achter so en ist
hogher niet dan die heert. Nat. BI. II, 3111.
Twi sidi vor mine ogen smeker, ende achter valsch
als de verrader? Rijmb. 86. Dat hi hem achter
ontwee snijt aertsoen ende ors met sinen swerde,
Ferg. 2560. Die voren es ru ende achter bloet,
2407. Die joncfrouwe scoet achter an ende hielt
vaste den wilden bi den bene, Flandr. I, 41. Mer
achter, daer men mi niet en siet, singt hi van
mi een argher liet, Rincl. 1365. Achter te gader
gebonden ghelijc het ene verwoede ware, Limb.
X, 256. Dat mense after sel beghieten, Hild. 91,
140. Een peerdekfjn . . . dat hontte . . . achter ende
vore, Velth. II, 19, 39. Dicke haer aen den cop
ende achter dnnne, bediet sotheit, Belg. Mus, 10,
285. — Van achter, van de achterzijde , van
achteren. \\ Den lachter . . . diemen hem sprac van
achter, Rijmb. 9957. Isengrine wies sijn toren beide
van after ende van voren, Rein II, 7151. Zie ook
Wal. 4250; Nat. BI. II, 3223; Heelu 6340. Het
tegengestelde na (naer) achter was niet in ge-
bmik: daarvoor zeide men achterwaert.
2) Aan de achterzijde ^ achteraan. \\ Selve quam
hi achter ghevaren, Rijmb. 20757. Achter qnam
ene vrouwe rike, lAmb. III, 1182. Dat after hoert
dat keersi voer, Hild. 236, 71. — Ook komt naast
achter de vorm acht voor. Verg. bacht naast
tachten en bachter. \\ Dus reet hi tot hem op
die gracht; si voeren na, die waren acht, Segh.
2027. Daer na ginck dragen den heilich Sacrament,
daer aft ging de bmederscap , Hermans , Gesch. d.
Reder. 191.
3) Evenals het denkbeeld van „^ voorste te zijii"
de voorstelling medebrengt van voordeel te behalen ,
of, waar het een strijd geldt, van te overwinnen ^
zoo staat dat van „de achterste te zijn" gelijk met
schade lijden , het onderspit delven. Achter of
1
tachter (te achter) worden in dien zin over-
drachtelük gebruikt in verschillende nitdrukkingen,
die te kennen geven dat iemand hetzjj in den
strijd ongelukkig y hetzij in nood of ellende ^ terug-
gezet of benadeeld ia, Yerg. Achterdoen, ACHTER-
GAEN, Achterhouden, AcHTERSETTEN. — Achter
hebben, tachter hebben, achterstaan, het
kwaad hebben in den strgd , in H nauw geraken , of wel
verslepen worden , het onderspit delven , achteruitgaan.
II Alse twee manne, die beide spn fiere , enen wijch
vechten, deen moets daer achter hebben ende
bejagen lachter , Ferg. 2418. Weet wale dat tachter
hier hadde die stoute Ritsaert, Lorr. II, 4321.
Bi Gode, her ridder, ghi hebt tachter: slougic u
dus, ie hads lachter, Limb. III, 325. — Ook met
bijvoeging van het vnw. V,gelijkw5 thans zeggen:
het kwaad hebben, enz. || Si hebbent daer nu
tachter sere, Lorr. I, 17. Nu soudi u weren alse
ghijt hadt tachter, Limb. VII, 1262. —Tachter
werden, hetzelfde als het voorgaande. || Ende
sloech Keyen oec na das . . . opten arm met
nidecheden , dat hem sijn swaert ontviel ter steden.
Doe werd Keye tachter sere, Lanc. III, 19829.
— Tachter gaen, hetzelfde als het voorgaande.
Verg. AcHTERGAEN onz.). II En haddi geweest,
sonder waen, ie ware hier nu tachter gegaen,
Lanc, III, 21887. Bi den wekken dat si weder
qualic gheregeert is gheweest ende seer tachter
ghegaen, Exc. Cron. 235 d. — Tachter doen,
doen achterstaan y terugslaan , achteruitzetten, in V
nauw brengen. Verg. ACHTERDOEN. || Binnen deser
selver steden was Keye tachter soe gedaen, dat
hine mochte niet gestaen, Lanc. III, 19846. Ag^-
lant , die stoute here , heeften harde swaer bestaen
ende tachter sere gedaen, Lorr. II, 704. Die den
coninc dus tachter doet, Velth. IV, 10, 16.
Reinout en achtes niet, al was hi nu tachter ge-
daen, III, 13, 42. So dattie coninc sciere was
tachter gedaen, V, 26,56. — Tachter setten,
terugzetten y terugslaan, achteruitzetten, benadee-
len. Verg. Achtersetten). || Ne setwise niet
tachter, wine verwinnen niet den lachter, Lanc.
II , 33387. Deerste is dat men daer met den lichame
sere tachter set, Lsp. III, 24, 17. — Tachter
houden, voortdurend doen achterstaan, in "^t nauw
houden. Verg. Achterhouden). |j Si daden den
coninc groten lachter van Ingelant ende hllden
tachter, Velth. VI, 7, 59. — Tachter bliven,
voortdurend achterstaan, in de klem blijven, verlo-
ren gaan. \\ Hi heeft hulpen hier te doene ochte
hi blives tachter hier, lA>rr. II, 3381. Beneemt
hi dus onse coren, soe blivewi tachter ende ver-
loren, Velth. IV, 59, 15. — Hem tachter
geven, zich verwonnen geven, erkennen dat men
verslagen is, hetzelfde als Ivve , gelove liën. \\
Sloechstu doet den coninc, die hem verwon-
nen geeft ende tachter, daer (/. dat) ware
scande ende oec lachter, Lanc. III, 18518. —
Hem tachter sien, zich achteruitgezet zien. \\
Al schijnt een man eeu vrient voer oghen, alst
comt dat hi hem tafter siet, meent hijs mitter
herten niet, Hild. 28, 188. — Achter sgn,
verslagen zijn, in liet onderspit zijn. \\ Daer dus
achter was die Grave, Velth. III, 9,1. — Achter
of tachter sijn, in verval zijn, aan lager wal
zijn , of wel , in verslagenheid zijn , neerslachtig zijn.,
II Flatus meester, wat sal geschien, daer gi
aldus om tachter sijt? Esmor. 62 (verg. 60). Maer
so waer dat scepenen of die in sheeren stede es
achter es , ne wordt daer niet gehouden als scepene
of in sheeren stede zijnde, Cout. v. Brugge I,
21
ACHT.
ACHT.
22
325. Also dat dat heel conincrijc daer zeer om
tafter was ende in zwaren verdriet, Ned. Proza
78. Policvmeesters , die de stadt, die seer tachter
was, weaer op haer voeten brachten, Exc, Cron.
286 d, — Tachter visscen, met nadeel vu-
achen^ met tchade de visseherij drijven, || Want
zij die naeste vier off vgff jaren meer tachter ge-
vist hebben dan te vooren, Enq. 17. — Achter
in dezen zin wordt ook als znw. gebruikt, gelijk
men nog van Aet vóór en te^en B^reékt. U achter,
uwe aehade^ uw nadeel^ hetzelfde ongeveer als
achterdeel: zie ald. en verg. ons znw. hinder
met het onde voorz. hind-er^ hd. hinter, || Here,
gine selt die strate niet Uden, daer lage n achter
sere an, Yelth. III, 5, 26.
4) Naar achteren , ochtn'waartt.YeTg. Achtersien.
II Hoe luttel si after ten stertwaert sien. Rein.
n, 7616. — Vooral in den vorm Jeht: verg. II, «,
2). II Nochtans keric nemmermeert acht, Fland.
I, 777. — Bet acht, naar achteren^ terug. Y erg.
Bet. II Gringolet trac bet acht. Wal. 6082. Daerom
stac ie u bet acht, so ie best mochte metten
voet, Segh. 1466. Boe traken die ander bet acht
ende waenden utekeren saen, maer datsi werden
wederstaen, 10384.
6) Met het ww. sijn of seinen , blijken. — Achter
8 ij n , verkorte uitdrukking voor achter- of over-
gebleven zijny over zijn, of blijken te zijn, || Dat
deel van desen dage , dat u noch achter is (eujpe-
resf) , St, Bern, f. 37. Daer ne sceeu ander trooster
achter. Franc. 10300.
b) Van tijd.
1) JVid, in de uitdrukkingen. : — Hier achter,
hierna, daer achter, daarna.\\ Men souds wel
tellen lachter over hondert jaer hier achter, Maleg.
292. Hoet hoer ten lesten is vergaen, suldi hier
after wael verstaen, Mloep, I, 721. Altoes hier
achter, ^. lY, 22, 46. Nemmermeer daer achter
Bose, fr. 262, 251. — Hier achterwaert, in
denzelfden zin, Sp. 1», 63,71. — In derg. uitdr.
met een voomaamw. bijwoord is werkelijk het tweede
woord bSwoord, niet voorzetsel , blijkens hieriot,
^^rmede enz.
2) Absoluut gezegd, voor hier achter, dus
hierna, later. \\ 6hi biecht recht of ghi een scive
in die hant hilt achter mede aen te gaen, om
daar later mede aan te komen, Hein, \A.) 1672
(bfl Willems bl. 67 verkeerdelijk in één woord
geschreven: aftermeed, en gissend verklaard door
achterkoop , achterhuur. Verg. De Vries , Mnl. Wdb,
op Achtermede). — Eer ende achter, vroeger
en later, voor en na. \\ Dese drie coninge, deen
achter ende dander voren, droeghen crone in
AIba die stat, Rijmb. 12949.
Aanm. Achter, als bijw., in samenstelling met
werkwoorden , wordt zoowel scheidbaar als on-
scheidbaar gebruikt, hoewel de fijne onderscheiding
tusschen scheidbaar en onscheidbaar, gelijk thans,
in 't mnl. onbekend schijnt, men ging althans wille-
keurig te werk. Bij de oudere schrijvers werden
deze WW. meest scheidbaar gebruikt; terwijl bij
latere, vooral ascetische schryvers, die veelal uit
het Latijn vertaalden , de verbinding zeer geliefd
was, hetzij omdat zQ daardoor de eenheid van het
Latijnsche woord op soortgelijke wijze wilden
teruggeven, hetzij om hun styl meer deftigheid
b\j te zetten.
ACHT£R, als znw. gebruikt. Zie .^.qhTCR^S^*
a, 3).
ACHTERBAECS (Achterbacs) -j:^. TJit
Achter en Bac, rug; ohd. bacho-, ^^> % gC' ^'^^'
\
back. Mnd. achterbakes, — Achter den rug, in V
geheim, nog heden bekende uitdrukking: verg.
Ned. fTdb, en de mnl. uitdr. achter rugget op
Achter, Voorz. a, 1. || Scout ende scepen raden
daer toe achterbaecs , ende helpent insetten , Bein.
II, 4238.
ACHTERBAN, znw. m. Uit Achter en Ban,
bij Kil. extremm delectut generalis ataue omnium.
Vertaling van fr. arrière-ban , dat reeds in 't ofr.
voorkomt en verbasterd is uit mlat. aribannum,
herebannnm (Littré 1, 202). De legermacht door
den leenheer ten strijde opgeroepen uit de achter-
leenmannen, welke in tyd van nood met die uit
de leenmannen ban en achterban uitmaakten. ||
Entie soudaen sende ter vaert om al dat quame
darwaert den achterban van sinen lande, lAmb,
VII, 1869 (vg. 1447). Zoo ook VIII, 1746.
ACHTERBLIVEN {bleef, bleven, gebleven), st.
WW. onz. , scheidb. en onscheidb. Mnd. achterbliven.
1) Met een persoon als subject.
a) Achterblijven, terugbUjven, de tegenwoordige
beteekenis: Ferg. 1784, 3962; Hild. 69, 116; enz.
b) Achterblijven, na den dood van iemand blijven
leven, \\ Van deser dochter van den voirscreven
sijn twee sonen achterbleven, Brab. Z. VI, 11293.
c) Achterblijven, hei onderspit delven, \\ Maer
met enen scarpen knive motie noch tavont gehert
wesen, oftic achterblive van desen, Lanc, II,
45694. Dies en selense bi minen rade . . . nem-
mermer gewinnen soene, en si dat Ritsart die
coene hier so verre achterblive, dat wi vrese
hebben van sinen live, Lorr. II, 4024. Dat des
hertogen liede onder bleven, dat was meer dan
wonder; want dat daer si bleven achter, dat was
die ierste lachter, Heelu 463. — Ook van eene
vloot gezegd. Te niet gaan. \\ Hoedat in den jaere
van 91 lestlede bynaest alle de gheheele vlote
verginck ende achter bleeff, Bnq. 119.
d) Ook met den 2den nv. Des — , in gebreke
blijven van iets, het niet volvoeren. \\ Ende hadde
hijt ontseit den heren, hi waers wel achterbleven ,
Sp. I», 23, 41. Al woudic die soetheit scriven,
dat ics moeste achterbliven, Yst, Bl, 639. Hi sal
ons wisen wel waer die mordenaren fel siin, of
wi nemen hem tleven: hi ware (/. waers) quaet
achterbleven, Limb. II, 295.
2) Met eene zaak als subject.
a) Blijven bestaan, van kracht blijven. \\ God,
jane spraecstu dat: . . . „Vergevet, ie sal u
vergeven." Waer es dit wort nu achterbleven ? Sp,
III', 16, 24.
b) Achterwege blijven, wegblijven, onvermeld blij-
ven, Ne ware mijns wives lachter ne mach niet
bliven achter , no onghebetert of ODghewroken ,
Bein, I, 96 (verg. II, 107). Daerom laet iet ach-
terbliven , dat ie daer niet af en wil scriven ,
V, d. Houte 18 var. Maer de ghene de tLatgn
screef, in weet waer bi dat achterbleef, hine
becreef dat jaer niet mede, Stoke I, 611. Een
deel is daer afterghebleven , Bein. II, 6. Bedi
latict achterbliven, Ferg. 3520. Die jeeste . . .
die es van mi achterbleven, Bijmb, 11208. Dat
hijt bescreve, ende het achter niet ne bleve,
14745. Te volbringene dit ghedichte, dat achter
ware bleven lichte, Limb. IV, 3. Tis beter after-
gebleven, Mloep IV, 2031 var. Zoo ook Ferg,
606; Velth. II, 20, 33, enz.
c) Achterwege blijven, niet gebeuren, onvervuld
of onvolvoerd blijven. \\ Dus bleef achter Brunen
dinc bi mgnre behendicheit al. Bein, II, 2602.
Dat vele achterblijft van dien dat dullarde te
23
ACHT.
ACHT.
24
pensene plien, Lanc. II, 34989. Ende ember so
werd dacr belet, dat achterbleef die soendinc
Velth. VI, 27, 33. Die dinc, die ember moet
gescien , en soude daerom niet achterbliven , VII ,
15, 40. Ooc heeft hi hem orlof ghegheven die
feeste, die es achterblevea , te voldoene of hi
wille , Bijmb. 33085. Nu benemet dat venijn van
ghiericheden dit, Martijn, ende doet al achter-
bliven, Wap. M. I, 621. Als tgeven es achter-
bleven, Velth VII, 20, 10. Dus bleeft achter,
toren ende sale, Liwid, 4048. Dus blijft achter
dat „ay mi", Wap. Rog. 791. Daerom siet, wat God
gebiet op der aerden, daer en sal niet of achter-
bliven, B. V. 1357, 183^. Dat quaet achterbleven
ware, Vad. Mu*. 2 , 411 , 8. Die duecht laten achter-
bliven, Amand II, 3546. Waer dat eer ende baet
an leit, dats quaet versuumt ende achterbleven,
Hild. 242, 140. Soe moet by wilen daer geschien
dat beter after waer ghebleven Mloep 1 , 940. Vander
Vricsker reise , die men ghedaen soude hebben ende
afterbleef, Oorl. v. Albr. 329, verg. 331; Christ. 1258.
Wrake III, 1666 enz. — In praegnante opvatting
ook van eene bede , gedachte en wilU^ voor den inhoud
der bede, der gedachte en van den wil. |) Maer
die bede es achterbleven: fierlike ontseidyt hare,
Sp. III*, 29, 26. Dat afterbleeff Reynarts ghe-
dacht, Hild. 35, 216. Doch es sijn wille achter-
bleven, 1^. IV*, 62, 95. (Dat) achter moet bliven
syn {hs. sinen) wille, Limb. X, 773. Dien (/.Die)
wille sal achterbliven, Glor. 920. — Sonder
cnich achterbliven, zonder dat iet* achter-
blijft^ bloote versterkingsformule. || Alle die u
gaen ane, selen si uten lande verdriven sonder
enich achterbliven, Orimb. II, 350.
d) Ophouden^ uitscheiden met iets. Verg. Achter-
laten 10). II Siet, Damascus sal achterblyven stede
te wesene, D. B. Jee. 17, 1 (Vuig. ^fleeinet esse
civitas").
ACHTERBOEDINE, znw. vr. Nageboorte, lat.
secund^e. Vg.BORDENE en Dief. Ghas. Lat.-Germ. 623
op secunda en secundina^ waar o. a. ook Kindezburdlin
wordt vermeld. || Tsap gedronken of geplaestert
op vulva doet dwyf haer stonden comen ende ver-
loest die achterbordine ende van der dracht die doot
comt, lis. Yp. 97^. Lossen van der doder dracht
entie achterbordine, 106^.
ACHTERBRAKEN, zw. ww. onz. Zie Braken.
Achterwaarts trekken^ wijken. \\ Walewein scaemdem
derre saken, dat sine daden dus achterbraken,
Lanc. II, 42137.
ACHTERBRINGEN , achterbrenoen {brachte
of brochte, gebracht of gebrochf), onreg. zw. ww.
bedr. Ncuir achteren-brengen, terugdrijven. \\ Rechte
alsic waende ingaen, so werdic al wederst-aen rechte
als van eere heercracht, ende al weder achter-
bracht, Sp. IP, 43, 21.
ACHTERBUCKEN, zw. ww. onz. Achterwaarts
bukken y zich achterover buigen. \\ Die here van
Edinghen stac den here van Cochi , dat brac tspere
op sinen scilt in stucken, ende hi achter moste
bncken; maer hi rechte hem daer naer, Grimb.W,
2125 (var. achterwaert . . . bncken).
ACHTERDAET, -dode, znw. vr. Hetgeen men
achterna verricht tot herstel eener vroegere daad,
waarover men berouw heeft. \\ Want ghebet ende
achterdade comen dicke te spade, ende dat men
oec na doet , dat hevet cranken spoet , Brand. (H),
1401.
ACHTERDEEL, -dele, znw. ouzMu^. achterdél.
Het tegengestelde van V orde el: dus het achter-
staan (b\j iemand) , de minste partij zijn , de
oorspronkelijke opvatting, allengs overgegaan tot
de beteekenis van nadeel, schade, die nog in de
17de eeuw zeer gewoon was. Zie Ned. Wdb. ||
Doe wert erre Dodineel om sire geselleu achter-
deel, Lanc. II, 126. Of hem Serahioen achterdeel
wilden doen , dat sjjt gereet wreken souden, Flandr.
V, 160. In desen twist waren die Brabanters geheel
al te seer int achterdeel , want si die meeste scade
namen, Grimb. II, 5551. Aldus eest dicke achter-
deel , dat die maté gesellet dan metten hoverdegen
vrecken man, Doctr. II, 594. Elc souct tgheent
dat hem 'mach vromen, al waert achterdeel hem
zomen, Wap. Rog. 21. Hieromme heefti qualic
generen , die niet en can sgn achterdeel verdragen
ende laten hem geberen, Vad. Mus. 1, 89, 100.
Wye den anderen tsijn ontsweert , . . .offafterdeel
sijn ouders biet, dat en gheert hi selve niet, Hild.
12, 585. Tis onrecht dat goede kinder achterdeel
of groten hinder sullen hebben , 193 , 100. Op hare
achterdeel ende schade, Nijh. 2, 281. Hinder,
prejudicie noch achterdeel, Willems, Meng. 319.
In grooten acht«rdeele van den gelanden, Vad. Mus.
4, 113. Groot belet ende achterdeel, ZVl, Bijdr.
4, 73. — In het mv. : Alle scaden, costen,gprieve
ende achterdeelen , ald. 66.
ACHTERDEINSEN, zw. ww. onz. Achterwaarts
deinzen, terugdeinzen, wijken, jj Hem wart sijn
wapenroc van sinen live verbarrent , ende sgn
oghen met calke ende met asschen soe begoten,
dat hy blindelinghe achterdeinsen moeste, Cron.
V. Vlaend. 2, 28.
ACHTERDEISEN, zw. ww. onz. Achterwaarts
deinzen, terugdeinzen, wijken. Hetzelfde als het
vorige woord, met uitgevallen n: verg. Deinsen
en Deisen. jj Want wie dat wille zijn ghepresen,
te wapinen si moeten reesen, daert te doene es
metten vromen, ende negheen tijt achterdeysen.
Denkm. 3, 183, 32. Entie aer soude vliegen ter
stede , . . . ende sine vederen slaen so vreselike ,
datter lilyen soude eysen, ende daer af achter
sal mogen deysen, Velth. VII, 11, 38.
ACHTERDENKEN, {dachte of dochte, gedacht
of gedocht) , onreg. zw. ww. onz. By Kil. futura
meditari, habere rationem futuri ; mhd. hinterdenken ,
zich in gedachten verdiepen; mnd. achterdenken.
Overdenken, nadenken, zich ^é'^^éwi'^y», inzonderheid
over eigen handelingen met bezorgdheid en be-
kommering. Zie Ned. Wdb. 1 , 651. jj Daerby sou
men ooc gevoelen moghen , dat hy quaet is , omdat
hijt segenen vliet. Wat wil ie ooc achterdenckeu ?
besiet doch, besiet, tis nu te verre comen om
achterdenken. Mar. v. Nijm. 26 , 597. Die articulen
van den kerstengelove , die elc mensche sculdich
is te geloven sonder achterdenckeu , Con. Som, 6a.
— Inzonderheid als znw. onz. , in toepassing op
het overdenken van bedreven zonden, in den zin
van berouw, tw^^^*. || Ofl sy int spel yet hoorde van
dege, daer sy berou oft achterdenckeu by crege.
Mar. V. Nijm. 30, 710. Maer die soo versteent
bij ven in archeden onweerdich, dat sy nimmermeer
en hebben achterdincken , die moet met Lucifer
in den afgront versincken, 31 , 737. Ie hoor der
reden ende argumenten so vele, dat ie puer ach-
terdenckeu crijge en berou, 33, 794.
ACHTERDIEN. Zie Achter, voorz. b.
ACHTERDIJC, znw. m. Uit Achter en Dijk.
Dijk die achter een anderen gelegen is, binnendijk. \\
Ende alse die ree dorecomet ghaende van diere
hoeven in die Matena tote dien achterdike, ende
dien achterdikesloete van Papendrecht, ende
dien achterdike ende achterdicsloet toegaende
25
ACHT.
•ACHT.
26
toter Merewede, O&rkb. 2, 172 « («. 1280).
Si sullen oec also verwaren hoer sidewinden
ende hoere achterdike, dat si gheen onrecht water
oppe miin lant ne leyden, 302 b {a. 1289).
Dat zj zeer groote oosten hebben van dyckaetge,
overmits de voors. inlage, van dammen ende
achterdoeken, Inform. 62.
ACHTERDOEN {dode of dede, gedaen), onreg.
st. wvr. bedr.
1) NoAT achteren doen ^ ackteruittchuiven. \\ Ende
siner gaten op dat hooft van den vede, men doet
dat veile achter, ende men bestrike ... die
gaten, Jan Yp. 183.
2) Doen achterstaan (in den strijd), doen terug-
loijken^ terugslaan^ verslaan. \\ Entien si harde
sere verladen ende verre achterdaden, iorr. II, 861.
Si daden daer so groete were. Dat si dat heidene
here achterdaden ende dreven , Ren. 1722. Si
vgftien hondert qnamen daer jegen ende hebben
die andere achtergedaen, Lanc. III, 21738. Dat hem
die van Fortegale snn volc aldus achterdede, 21758.
Si daden achter die van buten, Ferg. 3961. Dat
sise doe te male wel een boenre achterdaden,
Cass. 995.
3) Achteruitzetten , benadeelen. || Hier af werd
sere die coninc in Aelmaengen achtergedaen, Yelth.
II, 28, 54. Yerg. de zegswijze tachter doen
in Achter bijw. 3), alsmede Acutergedoen en
ACHTERWAERT (DOEN).
4) Hem bet achterdoen, ineA achterioaarts
begeven j terugtreden^ achteruitdeinzen. \\ Doe wilde
soene cussen na dien zede, maer Joseph hem bet
achterdede, ^. I', 48, 63.
5) Van een gebod , eene meening of bewering ,
een geloof gezegd. Achteruitzetten , naar den achter -
grond verschuiven, op zijd-e zetten, opgeven, luten
varen. || Dus was des conincs gebot ontfaen,ende
des paues achtergedaen, Velth. IV , 13 , 77. Worde
bl moejheden geweert die minste zeerhede die
hem deert, ie wille dit achterdoen , )f^ap. Bog. 1TS6.
Entie prophete, die was gheset aen den cruce,
. . dien sal u kint te dienste staen, ende doen
onse wet al achter, Segh. 100.
ACHTERDRAGEN {droech, droegen, gedregen
of gedragen), st ww. onz. Zie Draoen. Achter-
waarts trekken, wijken. \\ Datter menech achter-
droech ende keerde van den stride , Lanc. II, 44108.
— Met den 3den nv. Eiien achterdragen,
zich van iemand terugtrekken, hem niet bijstaan,
hem in den steek laten, \\ Die gene die mi achter-
dragen ende mi niene helpen wreken . • . , God
gevem lachter ende toren! Oarijn I, 49—64.
ACHTERDRAVEN, zw. ww. onz. Achteraan
draven , achter aan het paard mede draven. Van een
gevangene gezegd, die achter een paard moet
medeloopen. || Maer nu dedi mi sulo ghenigp metter
corden • die mi cnochte , wanneer ie daer waert
«ach of sochte , ende ie vergat mgn achterdraven ,
die coorden mi sulcke trecken gaven, dat icker
niet up mochte letten, in moeste mi te lopene
aetten, OvL Lied. en Oed. 243, 303 (verg. 242,
267 vlgj.
ACHTERDRINGEN {éranc , drongen , gedrongen ,)
st. WW. onz. en bedr.
Onz. — Achtemadringen , met gedrang achterna-
komen. \\ Tvolc quam achter te hope gedrongen
met groten scaren, Brab. Y. II, 1262.
Bedr. — 1) Achterwaarts dringen^ tertiff^^^'
Il Doen hi wert achtergedrongen xTaein &^^*
Hoe hertoghe Wenceline waert aek* /Ironeen
'daer met crachte, JBrab. Y. VI, ^M^S^
2) Terugdringen, terugzetten, benadeelen. \\ So
sal die loep des tijts ... in vulen souden werden
so quaet, ende jegen die wet doen ... in
vele sticken , ende achter dingen (/. achterdringen ,
t. w. die wet), ende ongelove oec vord bringen^
Velth. VII, 18, 38—44. Vg. Tijdschr. 1, 286.
ACHTERDRIVEN {dreef, dreven, gedreven), st.
WW. bedr.
1) Terugdrijven, terugslaan, verslaan. || Ende
weerde hem so , dat hise achterdreef over voet
toter bruggen die an tfosseitstoet,Za»c. II, 17368.
Dat hise soe sere verblinde ende met slagen
achterdreef, dat hem tfelt allene bleef, II, 44139.
Dus wordense sere achtergedreven , want menech
man verloes daer dieven , III , 17410. Ende dreven
den coninc achter daer, II, 46924. Siet dat wyse
te deser stont ghemoten ende dryven achter, ende
wreken mynen groten lachter, Troyen f. 72^.
Hi entie sine weken uten stride, alse die achter
was gedreven , S^. I* , 49 , 37. Vier conincge metten
haren quamen vreeselec toeghevaren, ende dreven
die onse achter, Limb. IX, 641, verg. 631. Hi
werd achtergedreven, Velth. II, 7, 98. Die van
Gendt . . . dreven den gprave van Stampes met
den sin en achter tot upt feit, Cron. v. Vlaend. 2,
142. Doe wart die coninc . . achtergedreven . .
enen bogescote , Merl. 26669. Nochtan . . . dreven
sise achter in der noet ende sloegen daer oec
vele doet, 21133.
2) Terugdrijven, achteruitzetten, vernietigen. ||
Hi dede Rome groten lachter, want hi dreef die
vriheit achter, Alex. V, 1126 {van Julius Caesar).
ACHTERDROMEN, zw. ww. onz. en bedr. Zie
Dromen.
Onz. — Achterwaarts dringen, terugdringen,
terugwijken. || Hi sonde hem sciere te hulpen
comen ende doen den keyser achterdromen , Fl.
Bijmkr. 672.
Bedr. — Achterwaarts dringen, terugdringen,
verjagen. \\ Van souden achterdromen wint die
ziele vromen, Wap. Rog. 1104.
ACHTEREBBE, znw. vr. Uit Achter en Ebbe.
Het laatste gedeelte der eb , nog achtereb geheeten :
zie Ned. Wdb. \\ Tis al op een achterebbe te
wachten, Hild. 245, 167.
ACHTEREN , (Afteren) zw. ww. en bedr. Verg.
ons verachteren.
Onz. — Achteruitgaan, benadeeld worden. \\
Daer met achterden sine zaken, Limb. IX, 132.
Bedr. — Achteruitzetten, benadeelen. \\ Ende
mi Mares dus heeft ghelachtert ende verraden
ende gheachtert bi vidscen rade dien hi ghevet,
Parth. 1662. Hijs dom die hem te prisene pleget:
dats ydele glorie die sere achtert, Sp. 1*, 46, 8.
Doe hem de keiser Vrederic sette om der heiliger
kerken lette ende tachteme tgeestelike goet , Stoke
UI, 733. Hine sal mi dit niet lachteren, noch
minen name daer bi niet achteren, Theoph. 19.
Dune moets oec nlemen achtren, noch met quaden
worden lachtren, Bouc v. Sed. 61. Waer dat zake
dat binnen deser tgd enich ghemene oirloch woirde
jof dat men also vele brouwede aels binnen onser
poirte van Dordrecht, waer bi dat sier te zere
mede gheachtert waren ende an verliesen souden,
dat zouden wi zelve versien alse redelike ware,
Mieris 2, 290 «; V. d.Wall 160 (a. 1322). Dat out
raed ende nye voertmeer ghene machte hebben
en sellen enighen ghilde vrihede te gheven, daer
ander ghilden bi gheaftert werden, R. v. ütr.S9.
2) Naar den achtergrond schuiven, uitstellen. ||
Nochtan en waert gene maniere dat mijn camp
27
ACHT.
ACHT.
28
geachtert ware, in stredene margen openbare,
Lffrr, II , 3497.
ACHTEEENDE, «nw. onz. Uit JchUr en JEnde ,
einde. Achtereinde,
1) Het achtente einde ^ hei aehtersie gedeelte;
in de uitdrukking: — Int achterende bliven,
achteraan blijven^ ten achteren raken. \\ Als sy
horen wagen haestelic mende, so bleven dander
int aflerende f Mloep II, 2727.
2) Het achtereinde des lichaams, het achtertte,
II Ne ghebrake ons niet een strop, langhe heden
wiste s^n erop wat sijn achterende mochte weghen,
^ein. I, 1927. — Nog in gebruik.
ACHTERFEESTE , raw. vr. Uit Achter en
Feeate. Feeet dat men viert na afloop van een ander
feest Vg. ons voorbrtiiloft. \\ Dat niemene ghene
voorfeeste noch achterfeeste van brulochten en houde,
noch en doe houden, meer danne van X scuetelen
van buten der duere, Cout. v. Brugge I, 355.
ACHTERGAEN {ginc , gingen , gegaen) , st. onreg.
WW. onz. en bedr., scheidb. en onscheidb. ; mhd.
hindergdn,
I. Onzijdig (scheidb.).
1) Achteraan gaan, achterna gaan, volgen, het
tegengestelde van voorgaan. Verg. Achter b|jw a,
1). II Peter quam achtergegaen , daer men sinen
here leidde gevaen, X. o. H. 2218.
2) Achteruitgaan, wijken. Verg. Achter b^w.a.
3). II Ende si bilden hem soe wel daer naer, dat
si niet achter ne gingen, Lanc. II, 34040. Wale-
wein moeste nu achtergaen , dies was droeve Artur . .
ende alle die met hem waren, 42134.
3) Achteruitraken, in Hnauto komen, het onder-
spit delven. Yerg. Achter bgw. a. 2) , waar t a c h-
ter gaen in denzelfden zin vermeld is. || Dus
sal u ordcne achtergaen, Velth. VII, 20, 79. So
dat die heidine en mochten niet met redene gestaen ,
haer roepen en moeste achtergaen, Sp. III*, 47, 58.
4) Achteruittrekken, zich terugtrekken, achter-
blijven, het beloofde of voorgenomen e niet gestand
doen, een plan opgeven. Verg. Achterkeren onz.
3) , Achtertien onz. 2) , Achtertrecken onz.
5). II Dat Ferguut niet en wille achtergaen, hine
sal proeven die avonture. Terg. 1058. Engeen en
salre achtergaen , hine salre penitencie ontfaen ,
Bx>se 14053. — Met den 2den nv. of het voorz.
van, later ook met den 4den nv. || Al hadt ghe-
wesen Barlabaen, Hine hads achter niet ghogaen,
hine hadden ghe volgt toter helle. Wal. 9741.
Daer wi nu te hant of spraken, ie en wils niet
achtergaen, Maleg. 377. Dies achtergaet, moet
riesen , Fleg. 602 (Var. : moet verliesen). Die hier
penitencie ontfaen ende des willen achtergaen ,
moetent becopen int ander lijf, Lucid. 3486.
Ende bedie diat ie niene wille dat enech man,
lude oft stille, van der dinc die ie sal bestaen
enechsins moge achtergaen , soe willic dat gi nu
gereet ten heilegen doet hier uwen eet, Lanc.
IV, 5435. Dat nieman en sal . . . van den
vorwaerden achtergaen, 8761. Die Venetianen
ghynghen hun belofte achter, ende zy en wilden
op de Turken niet trecken, Belg. Mus. 3, 382.
4) Met eene zaak ?Xs Bv\>)eci. N€Mr achteren gaan ,
aehtervitgaan. \\ Alse een roede gheswollen es ende
hi es vol gaten buten ende binnen, ende dat de
slove van den vede niet achter mach gaen, Jan
Yp. 184.
5) Met eene zaak als subject. Achterblijven^
niet plaats hebben. \\ Coep van erven steet te wet-
tiger waerheit, ende alsoe saen als de coep es
gedaen, soe es naerscap gevallen, ende soe en
mach de coep niet achtergaen, op datten de gene
wilt hebben dies naerder es , al waert dat sake
dat hen beiden berouwede, Cout. v. Vccle 126.
n. Bedrijvend (onscheidb.).
— Achterhalen , inhalen. Zie On 7.. 1) en verg. ACH-
TERLOPEN , ACHTERRIDEN. Die dieve waenden
hem wech maken, maer Ferguut was daer te snel,
ende liep na die ridders fel, ende achtergincse
ane enen berch, Ferg. 2730.
ACHTERGANG, -gange, znw. m. Achteruitgang.
Zie Achtergaen onz. 2) en 3). || Wat is ledi-
cheit , dan . . . afterganc der vordemisse ? D. War.
6 , 195.
ACHTERGEBREKEN (gebrac, gebraken, gebroken)
st. WW. onz. Zoodanig in gebreke blijven, dat iets
wordt nagelaten; achterwege blijven. \\ Si brachten
die aventuren ... in vif jaren te hoefde , so datter
na die saken lettel te bringene achtergebraken ,
Lanc. III, 10180.
ACHTERGEDOEN (gedode of gedede, gedaen),
onreg. st. ww. bedr. Hetzelfde als Achterdoen:
zie ald. Terugslaan, verslaan. \\ Hem torent sere
dat hi niet die Fransoyse conde achtergedoen , lamb,
V, 234.
ACHTERGECRIGEN, (gecreech, gecregen, ge-
cregen) , st. ww. bedr. Achter uitkrijgen , naar achte-
ren krijgen of schuiven. \\ Is dat zake . . . dat
men dat vel achter niet can ghecrighen ende die
bolle bloot hebben, daer salmen aldus toegaen,
Jan Yp. 183.
ACHTERHALEN, zw. ww. bedr., onscheidb.
1) Inhalen, de hedendaagsche beteekenis: Eleg,
352; Boerden III, 14.
2) Enen — , als rechtsterm, iemand betrappen
op iets dat strafbaar is , hem van schuld overtuigen.
II Zo wie die gheachterhaelt worde bi dekenen
ende vinders , dat hi eenich laken niet wel ghescoren
en hadde, ZVl. Bijdr. 6, 163 {a. 1441). Danne
sal men thof open houden tote smorghens, ende
danne , es hi niet commen , men salne wisen ach-
terhaelt van sinen derden voortheesschene , Belg.
Mus. 1 , 54. Ende naer datter niement commen
nes , no bode , no zinnebode , dat hise alle achterhaelt
heeft, diere recht an heesschen moghen, ende s^n
leen wel ghesuvert, 55. Dat.... alle de ghene
die hem rechts vermeten willen an dit leengoet,
achterhaelt syn ende verwonnen van haren drien
veertiennachten, ald.
3) Iet — , iets door een gerechtelijk vonnis
verkrijgen. Verg. Afwinnen. || Van den lande
dat men achterhaeldt ende afwindt by vonnessen
van scepenen . . , daer af heeft Jan vorseyt tderde
van den lande, Gend4 Chtb. 125 {a. 1402).
4)Enescade — , weder inhalen, herstellen^
of verhalen. \\ Maer laet hi dat ridderscap nu,
dat ne sal hi nemmermere achterhalen in ghenen
kere, Lanc. II, 35456. Al gevalt bi aventuren,
dat een man teneger uren sijn lant verliest bi
crachte, oft bi verradenesse , oft bi machte, dits
ene sake diemen mach achterhalen op enen anderen
dach, IV, 5221.
ACHTERKANT, znw. vr. In de uitdrukking
die achterhant hebben, het onderspit delven ,
den stHjd verliezen: verg. in tegengestelden zin,
de overhand hebben. \\ Bandersidc Agulant, die
daer hadde die achterhant, was sere droeve ende
onblide, want hi verloren hadde die stride, Lorr,
29
ACHT.
ACHT.
30
II f 553. Banderside was onvroe die rike coninc
Agulant , om dat hi hadde die achterhant , II , 388.
ACHTERHEIT (achterhede) , znw. vr. Van
Achter bjw. Het ten achteren zijn^ dns zoowel
Achterstand als üadeel^ schade; bij Kil. nAch-
terbeyd j. acliterstel, r^%/m^. || Aensieude
die groote sware schade ende achterhede, Matth.
Anal. 3, 373.
ACHTËRHEEE (achterhare) , znw. onz. Ach-
terste gedeelte van het leger ^ achterhoede. \\ Quame
80 vare tachterliare commen al daer ie naer gare;
ghelijc dat die coninc omboot sijn acliterhere , daer
bi 80 groot toeyerlaet badde ende bope, Beest.
163. — De eerste woorden zyn stellig beaorven , en
moeten misschien aldns veranderd worden: Ware
so varre (of verre) tachterhare, enz.
ACHTERHOEDE (achterhüde) , znw.vr.Mnd.
aehterhode. Aehterhoede^9\s thans. || Mer als si comen,
daer die noot aengaet, so sgn se die eerste die daer
wiken. Die scamele moeten dan voorwaert kiken,
ende si verwaren die afterhoede , Rein. II , 5056. Den
Hollanders , die doe die afterhude hielden , Matth.
Anal. 3, 318. — Die achterhoede doen, de
achterhoede uitmaken^ vormen, \\ Doe al dat volc was
comen daer, ghinc men scaren doe dat heer,welc
voren varen sonde ter weer, ende wie doen sonde
de achterhoede, Stoke IX, 646. Die achterhoede
dede met hem die stonte here van Crajnem met
menighen ridder snel, Grimh. II, 1057.
ACHTERHOEDEN, zw. ww. bedr. Uit u<cA^«- en
Hoeden^ hetzelfde als Achterwaren: zie ald. Be-
waren y behoeden, beschermen. \\ Entie coninc wel-
ghedaen, die daer achterhoede de stad, lAmb.
XII, 292.
ACHTERHOFSTEDE, znw. vr. Een naar ach-
teren gelegen hofstede. \\ Dirc Vranken s. van een
afterhofstede op die slnse . . 40 se. Item Dirc
Melys nevc . . van een voerhofstede op die sluse . .
30 SC, Bek. d. Graf. 1, 263.
ACHTERHOUDEN {hilt, hielt of helt, hilden,
gehoitden) , st. ww. bedr. en onz. Zie' Achter b^w.
Bedr. — Voortdurend achterdoen (zie ald.
1) , dus voortdurend doen achterstaan (in den strijd) ,
aanhoudend in V nauw brengen. || Si daden den
coninc gproten lachter van Ingelant, ende hildent
achter, Velth. VI, 7, 59.
Onz. — Zich achteraf houden, ophouden, uit-
scheiden. II De dach verginc, de nacht qnam aen,
wy moesten tstormen laten staen; die scatters
achterhielden, O VI. lAed. 54, 15.
ACHTERJAGEN, zw. ww. \iB^. Achteruitjagen,
terugjagen. \\ Die van binnen gingen slaen np die
ander, eer sise wel saghen, ende begonstse weder
achteijagen. Wal. 7566. Tancreit, segetmen over
waer, dat hi ses milen achterjaghede , ^. IV*,
18, 44.
ACHTERCASTEEL , znw. onz. Hoog oploopend
achtergedeelte van een schip. \\ (Jesns) sliep opdat
acht«rcasteel op enen poeln, Hs. 71, Mare. 4, 38.
ACHTERKEER , -kere, znw. m. Zie het volgende
art. Het achterwaarts keer en, het teritgwijken. ||
Dat si noch hare here, die hertoge, van den
achterkere nie twint en worden gescoifiert, Heeln
5241. Nochtan drongense so sere jegen, al was
die strjjt ongewegen, dat hem een twint niet dat
here en scofflerde van den achterkere, want si
bleven gescard in een, Velth. III, 6, 60
ACHTERKEREN, zw. ww. onz. en b^r
Onz. — 1) Terugkeeren, ifugtrekk^' \\ Pie
van bnten voer waerhede namen deji JL van
Vendome , ende keerden achter met cra^ J^ qxsï» ,
VI. Bijmh'. 6434. Als de coninc Philips dit siet,
keerdi achter in Vranckerike, 8812. Keren soe
wonde hi te bant weder achter, om dit doen,
Brab. T. II, 3871. Mi dnnket goet, dat wi weder
keren achter, Cass. 955. Ende wilden weder keeren
achter, Ferg. 3917. Ende keerden achter van der
rivieren, OVl. Ged. II,jl06, 111. Ende keerdon
achter van moede, 117.
2) Achterwaarts keeren, terug wijken, wijken. ||
Hi dede die onse al achterkeren, ende sloeger
vele ende vinc, Lanc. III, 11664. Si moesten van
pinen achterkeren, III, 17718. Die onse sgn be-
ancsent sere, ende snllen bliven in den lachter,
wine doense keren met crachte achter , Parth. 5328.
3) Met den 2den nv. Zich terugtrekken {van iets),
het niet gestand doen, niet vervullen. Verg. ACH-
TERGAEN onz. 4). || (Hi) dede ons allen s weren, dat
wijs niet achter sonden keren, wine sonden hem
sine dochter geven, Lanc. III, 13997. — Ook
zonder den 2den nv. Zich terugtrekken, zich af-
wenden. II Om dit woord es snlc die keert achter,
ende wille niet sijn geleert, Bijmb. 24543.
Bedr. — 1) Naar achteren brengen, afwentelen. \\
Wie sal ons achterkeren den steen van der dore
des graefs, Hs. v. 1348, 129<;.
2) Boen achteruitgaan , achteruitzetten , benadeelen.
II Antkerst bode, die dat rycke breken wil ende
achterkeert, alsoet hem die duvel leert. Wrake
I, 563.
ACHTERCLAP, — clappe, znw. m. Achterklap ,
kwaadspreken achter iemands rug. Mnd. Achterklapp. \ \
Mer dat si draghen qnade viet {vede), end daer toe af-
terclappe callen, die sond en wroeoht hem niet
mit allen, KeUer, Mnl. Ged. 18, 420. Dat nwe
leven geen gherufte noch gheneafterclap daer of en
ehedoghe,P<»«. ^. 94a. e. e. — Enen achterclap
doen, iemand belasteren. \\ Ende si lieten dat lesen
staen ende begonsten die (/. den) moninc aftorclap te
doen. Ende te bant wort hy weder levende, ende
seide : Broederen , . . . waer om woudi mi afterclap
doen? Pass. W. 236 a.
ACHTERCLAPPEN,zw. ww. bedr. yLnd. achter-
klappen, vg. Ned. Wdb. 1, 680. Enen -^ , iemand
belasteren. \\ Wanneer dat ghi yemant siet sterven,
so en afterclappet hem niet. Pass. W, 236 a. Zoo
ook Devoet B. (36) 19p.
— Afl. Achterclapper , DevoetB. (36) 19p, 20r, e. e.
ACHTERCLOP, znw. m. Uit Achter en Clop.
Eigenlijk Klop of slag van achteren, in fignnrlgke
toepassing. Schade, nadeel. Verg. hd. hinterschlag
(Orimm 4*, 1515\ || Die steltmakers, mids
aesen dinghe, verloren al haer neringhe; want
men behoefder nu niet meere, alsoe alst plach
wilen eere bi vrouwe Johannen tiden; sonderscop,
elc huedde hem voor den achterclop, Brab, T,
VII, 199.
ACHTERCOMEN (quam, quamen , gecomen) , on-
reg. st. WW. onz.
1) Achteraan komen , volgen. Verg. Achter bgw.
a,l), II Selc soudemi laten met ghemake , saghe
hi u comen achter, hi sonde u gripen ende doen
lachter, lAmb. I, 728. Doen quamen si al bloedende
achter, Segh. 647.
2) Aehteruitraken , in V nauw komen, het onder-
2nt delven. Verg. Achter bjw. a, 8). || Want
oen die grave achterquam, worden tomich ende
gram die Maseleren ende die Oesterlinge, Heelu
6647.
ACHTERCROMMEN, zw. ww. bedr. Achter-
waarts buigen, naar achteren buigen of wenden. \\
Die {home) dede men werpen dan daer buten , ende
31
ACHT.
ACHt.
32
neder vaste in deerde sluten, dat men niet mochte
werpen omme {den wagen) y noch vorwerd mennen
no achtercrommen , Velth. III, 12, 15.
ACHTERCRÜDEN (croet of eroot, croden , ge-
crod-en)^ st. ww. bedr. Van Cruden (zie ald.), bij
Kil. „kruyden, trudere^ peilere", ons kruien.
AchtenoaarU dringen , ter itg drijven. \\ Men ginc
die blode achtercruden , OVl. Ged. 2, 91, 1402.
Maer dats waer, dat was soe groot die perse,
daer mensa achtercroot, Heelu 5261. Daer men si-
nen here achtercroet, 5657 (verg. 5535 en Velth.
III , 8 , 66).
ACHTERLATEN (liet, gelaten), st. ww. bedr.,
scheidb. en onscheidb. Mnd. achterlaten.
1) E n e n — , Bij zijn dood iemand achter zich luten ,
nalaten. \\ Hi achterliet enen soue die Godevaert
hiet, Grimb. I, 2881. Hi liet achter eenen sone
die ooc Karle heet, Ejfc. Cron. 47 a, enz.
2) Enen — , iemand verlaten, begeven, aan
zijn lot overlaten. || Onzen lieven Heer die sijn
dienaers niet achter en laet, Getta Ram. c. 79.
Du en hebste niet aftergelaten die ghene die di
soeken, Hi. Pi. 9r. Mijn God, waer om hebstu
mi aftergelaten ? 24r. Achterlatét hise een luttel ,
80 vallen si in becoringen. Kal. 7, 166. En laet
ons niet after noch en verworpt ons niet, B. v.
1357, 168a. God sel met u wesen endc en sel u
niet afterlaten , 796. Ie en hebbe dat geslacht uwes
vaders niet aftergelaten, 1106. Ie en sach den ghe-
rechtige niet aftergelaten, Hi. Pi. 43r. Hi en sel
niet aft«rlaten sine heilegen, ald. Als mijn craft
gebrect, so en laet mi niet after , 769. Zoo ook 77a,
lOOr.
3) Enen — , iet — , Afitand doen van, ver-
loochenen. II Die duvel sal s\jn wreetheit tegen u
tonen, omdat gi hem aftergelaten hebt. Geit. B.c.
110. Hi afterliet Gode, Hi. Pi. 118r. God die u
sciep, die hebgi aftergelaten, B. v. 1367, 806. Si
lieten after den almachtigen God, 97^. Hi liet
sijn heydenscap after ende dede hem besnyden,
217^. Du lietste after dien God die di wan,
Hi. Ps. 118r. — Ook wederk. || Nyemant en is
vryer, dan die hem selven can achterlaten. Kal.
7, 168.
4) Iet — , ieti verlaten, begeven. \\ Hi afterliet
dat lant, daer hi in gheboren was, Ned. Proza
240. Maldegarius . . met sijnder huysvrouwen
Woutruyt achterlieten naemaels die werelt ende
volchden Christum na, Kxc. Gron. 9 b, enz.
6) Iet — , ieti achterwege laten, weglnten, on-
vermeld laten. \\ Al dat haer ye was ghesciet, dies
ne liet si achter niet. Wat si wiste in haer herte
gront maecte si den abt al cont, Beatr. 993. Die
helighe boeke laten achter die jaer dat hi leefde
in den lachter, ende ne bescrijft maer die helt,
Rijinb. 12087. Deze Minderbroeders lieten al bloet
dat gebot achter, dat verstaet, ende seiden ten
keyser goet no quaet, Velth. V, 40, 41 (Verg.
46.) Die cleeder latic achter gheheel , Rijmb. 4903.
Tghesteente willic niet achterlaten , 4908. Weet
wel, ie moet hier achterlaten van der dierheid
van den vaten, 11711. En dadic des niet, so
mostic onderwilen achterlaten , dat nit goet en
ware ghelaten, Lev. v. J. 2.
6) Iet — , ieti achterwege laten, ongedaan laten,
nalaten, verzuimen. \\ Des en salie achterlaten
niet, in sal u secgen dat rechte ware, Lanc. III,
11094. Omme dat hem sijn vader hiet, Ne wilde
hyt achterlaten niet, Rijmb. 16991. Nochtans gout
hi hem harde sware dat hi liet achter dat hi hiet
17270. Geen priester en zoude achterlaten sine
getiden , groot noch clene , Lip. II , 48 , 408. Ie
sal nochtan achter-laten dore der lieder tale,
Limb. III, 696. Die dus hunne penitencie laten
achter, sullen besitten der hellen lachter, Lueid.
3331. Si afterlieten die wet Gods , J9. v. 1357, lOl/f.
Die geboden ende die woerden Gods afterlaten,
117^. Si hebben uwen vrede aftergelaten ende uwe
outaren gebroken , 1696. Ist dat sine kinderen myn
ewe afterlaten, Hi. Pi. 95». Ie en liet niet aflcr
dine geboden , 134r. Die here en sel niet afterlaten
die roede der sondaren, 140p (Pi. 126, 3). Zoo
ook 143p. Soe datmen by wilen doet dat nutter after
waer ghelaten, Mloep IV, 1630. Dat hi mesdaet
achterlate, OVl. Ged. 3, 115, 233. Wiltu ontfanc-
lic wesen godliker openbaringhe, so laet after
sinlike oefeninghe. Stemmen 176. Deze dne man-
nen lieten achter Job te antwoerden, B. B. Job
32, 1 (Vuig. omiierunt). Overdenckende alle dat
quaet dat hi gedaen heeft, ende alle dat goet dat
hy aftergelaten heeft, Geita Rom. e. 17. Waerby
sy eeuige schouwe afterlaten wouden, of after-
lieten daer ons lants orbaer aen lage, Meyliuk,
Helfl. Bijl. 176 (a 1361). — Enen crjch — ,
dien niet voeren. || Daer Licinius sinen crych moeste
achterlaten an sinen dane, iSp. II *, 30, 24. —
Enen wech — , dien niet nemen , niet gaan. \\
Ende dat hi niet en ware so coene, dat hi den
wech achterliete, Amand 1, 1861. — Ook alsznw.
gebruikt, en schynbaaronzHdig: Tekortkomingen. \\
Ie heb di myn ontbliven ende mijn afterlaten bekent
gemaect ende myn ongerechticheit en heb ie niet
verborgen, Hi. Pi. 35 v.
7) Iet — , ieti verzuimen , verwaar loozen , niet
behartigen, in den windilaan. Verg. ACHTERSETTEN
3). II Want si allene om hare baten gemeene bate ach-
terlaten. Lip. III, 16, 137. Dattie berechters van eenre
stat om haers selfs quade genieten gemenen oor-
baer achterlieten , 128. Maer die doghet lati achter ,
Teeit. 623. Ende om ongherecht ghenieten gherecht
vonnesse achterlieten , 878. Ende si souden , sonder
letten, haers selfs lijf daer vore setten, eer si
trecht achterlieten, H^rake III, 498. Doen dese
in trouwen ghestoeden, waren si altoes in voer-
spoede; ende doen si die lieten achter, volghdem
altoos scande ende lachter , III , 638. Datte Vla-
minghe wouden niet achterlaten haer beghin , sine
wouden meerren haer ghewin, Stoke VIII, 270.
Roboam liet den raet der ouder pnncen after ,
B. V. 1367, 162(r. — De uitdrukking, gemenen
oorbaer achterlaten, het algemeen belang ver-
waar loozen , ook Ltp. 1 , 34 , 80 en 85 ; Doctr. III , 994.
8. Iet — , ieti nalaten , laten varen , begeven.
1 1 Keer di van toern ende laet after verwoethei t, Hi. Pi,
41e;. Dat hi den nijt moste afterlaten , Hild. 85, 111.
Dattet boosheit achterlaet , ende weder totten vader
gaet, ende betert dattet heeft misdaen, 116, 141.
Weet wel dat hi achterliete die waerheit, de niet
geloefde dies , Rijmb. 426. Ende hieromme soudemen
begheven die taverne ende achterlaten. Vod. Mui.
1 , 89, 94.
9) Enen — , laten achterblijven, thuit laten,
overilaen. \\ So vergadert al Baals propheten ende
en laet nyement af&r, B. v. 1367, 183(r.
10) Met een ww. in de onbep. wys verbonden,
achterlaten te sine (te doene enz.), staat
achterlaten gelijk met ophouden, uittcheiden. Verg.
ACHTERBLIVEN 2, d). \\ Noch 65 jaer, eude
Ephraym sal laten achter volc te wesen, B. B.
Jei. 7, 8 (Vuig. y^deiinet E. esse populus").
11) I e t — , iet^ afichaffen , buiten gebruik it ellen ,
niet meer gebruiken. || In dcscn Kaerls tyden so
33
ACHt.
ACHT.
34
was sinte Ambrosins missael ghelaten after, ende
sinte Gregorius dienst die wort alte hoechlic ge-
menichfoudicht , Past, W. 11 d.
ACHTERLATENESSE(ACHTERLATENissE),znw.
vr. Mnd. achter latenisse.
1) In actieve opvatting. Verzuim , plichtoerznim ,
tekortkoming. Zie ACHTERLATEN 6 en 7). || Die af-
terlatenisse mijnre joget . . en wil , Here , niet
gedeinken , Hs. Ft, 25r. Vergif mi alle mine after-
latenisse , 289. (Ut, Souter : -nissen). Mine quaet-
heiden ende mine achterlatenissen {tcelera) tone mi ,
G. Groote 72.
2) In passieve opvatting. Verlatenheid. Zie Ach-
terlaten 2). II Alle trybulacie, alle bitterheit
ende achterlatenisse binae van alle menschen,
Gerl. Peters 209.
ACHTERLATERE (achterlater), znw. m.
Zie Achterlaten 2). Die iemandt partij ver-
laat of begeeft^ hem ontromo wordt ^ dus ver loo-
chenaar^ afvallige. \\ Wee n, kinder achterlaters !
seyt die Here, D. B, Jet. 30, 1 (Vuig. „Vae filii
detertaretV^ \ Stat.-B. „Wee den kinderen die af-
vallen !").
ACHTERLATINGE, znw. st. vr. Mnd. achter-
latinge. Het nalaten , hegeven , dus verliet , verkorting.
Zie Achterlaten 8). || Die sal hem bekennen
dat hi na den penen van onser indignatien . .
ende van achterlatinghen sijnre rechten, eeren,
staets ende graets, die welken wi hem alsdan
verclaren openbaerlic vercort wesen, gevallen is
onverlatelic in der penen van C marken , Braè, T.
Dl. 2, bl. 471 {a. 1349).
ACHTERLEGGEN {leget, leecht of leit\ leide\
geleget , geleecht of geleit) onreg. zw. ww. bedr.
1) Naar achteren leggen, achterover leggen, \\
Jacob seghet, alst wille, dattet achterleghet den
enen hoem, ende oerbaert den andren te stride
waart, Nat, Bl. II, 1701.
2) Op den achtergrond tchuiven, vertchuiven,
uitttellen. Verg. Achteren bedr. 2). jj Dat men
te bat sonde wedersecgen daer sijn cronen, ende
achterlecgen, Velth. V, 29, 36.
3) Op den achtergrond tchuiven, aftchaffen, ||
Aldus bi redenen ende bi sticke minderende ende
verlichtende dicke was doude wet achtergeleit ,
Bp. I», 25, 41.
ACHTERLE VEN , zw. ww. onz. scheidb. {Iemand)
overleven y nog leven hij iemands dood, || Waert
saeeke dat eenich man zijn wyf ofifstorve ende
gheen kinderen achter en leeffden , Handv, v, Weetp
enz. 49^.
ACHTERLIDEN {leet, leden, geleden), st. ww.
onz. , scheidb. en onscheidb. Zie Liden. Achter-
vfoxtris gctan, en dus
1) Voorbijgaan , -van den tyd. Achterleden, tot
het verkdene hehoorende, voor hij. jj Dat men vergeten
8al al die overvloedicheit die achterleden is , J). B.
Gen, 41, 30 vg. Bern. S. 96^: after ende gheleden.
2) Achteruitgaan, wijken, overdrachtelijk voor
ietjf toegeven, fr. ceder, || (Dat si) partien zeiden,
aen beede ziden achter te lidene, ZVl, Bijdr. 4,
3(>8. Dat . . henlieden gezeit was achter te lidene,
370 {a. 1424).
ACHTERLOPEN {liep, gelopen), st. ww. bedr.,
onscheidb. Verg. Achtergaen bedr.). Loopende ach-
terhalen, inhalen. \\ Die te voren was so snel, dat
hi die ree achterliep, Alex. IV, 789. IJJ wanet
doe was
BFiopen wci, urt. uea, i , 04 ^^ "genS
hi op die gracht bi aventul ^3^' ^j-io-
pen, Bein. II, 376. Om dat sine sullen achter-
lopen, Alex. II, 825.
* ACHTERMEED, hoogstwaarschijnlijk ver-
keerde lezing in het Amst. hs. van den Rein. (bij
Willems bl. 67). Vg. Achter bijw. en De Vries,
Mnl. Wdb. 29.
ACHTERNA (afterna), bijw. Achterna, later,
naderhand, daarna. \\ Mit stienen doot ghe worpen
ende afterna verbrant , Devoet B. (36) bh, So comt
daer dan afternae die doorn, dat is die worm der con-
sciencie, la. Die te voren al sliepen . . ende
afternae . . weder opverwrect worden, 8p. Een
broeder . ., die afterna een groot man wert, 53 9.
ACHTERNARAET, -rade, znw. m. Raad die
achterna en dus te laat gegeven wordt. Hetzelfde
als Achterraet. || Dat seght Willeken van Scher-
nau : „ Achtemaraet es eerscrau ," Brab. Y. VI ,
11511. Bij Harre bomée I, 6: Achtemaraad is aars-
gekrauw.
ACHTERNOENE, znw. vr.; Achternoen , znw.
m. Uit Achter en Noen. Achtermiddag , namiddag. ||
Dat menne doe bringhen voor scepenen metten
heere up dat scepenen zitten svoomoens in de camere,
jof sachternoens , Gout, v. Brugge 1 , 442. De voirscr.
palrtsinghe selmen houden int wanthuus alle werckc-
daghen van inganc Maert, als die clocke 3 slaet
afternoen, L. Keurh. 76, 33. — In figuurlijke toe-
passing in de uitdrukking: Geen achternoene
hebben, geen morgen hebben , niet op den dag van
morgen kunnen rekenen, onzeker zijn over de naaste
toekomtt. jj Peinst dat men di sal delven , want ghi
en hebt gheen achternoene, Vad, Mus. 1, 328, 26.
ACHTERPENSEN (achterpeinsen), zw. ww.
onz. zie Pensen, en verg. Achterdekken. Mnd.
hinder denken. Overdenken , nadenken, zich bedenken. \\
Mine souden sijn soe quaet; .... het ware onrecht,
peinsese achter, nl. Maria, of zij mij genade schen-
ken zou, Theoph. 884. Vg. de Aant. bl. 145. —
Ook als onz. znw. || Waermen mint sonder veyn-
sen, daer sietmen luttic achterpeynsen om arbeit
off om cost te lyden, Hild. 86, 136.
ACHTERPORTE (achterpoorte , achter-
poort), znw. vr. Mnd. achterport. Achterpoort. \\
Vrou Julocke van der afterpoorte was sijn moeder ,
Rein. II , 846. — Schertsende benaming van het
achterste. Zie Achterrinc.
ACHTERQUEERNE, znw. vr. Zie Qüerne.
Schertsende benaming van het achterste , het achter-
kwartier, eigenlijk de molen die van achteren maalt.
II Ie hebvreese, by Lucifers achterqueeme , Mar.
V. Nijm, 30, 708 (verg. 33, 801: Helpt Lucifers
hillenl).
ACHTERRAET, -rade, znw. m. Raad die ach-
terna en dus te luat gegeven wordt. Hetzelfde als
Achternaraet. II Achterraets en gebrac nie man,
Mnl, Spreekw. 2. — Later door naraet vervangen.
Bij Cats I, 648: ^Nae-raet gebrack noyt man."
ACHTERRIDEN {reet, reden, gereden), st. ww.
bedr.
1) Achterna rijden, scheidb. || Doe reet hi Galline
achter, Segh, 8637. Die hertoghe reet hem achter
ende die sine, om dien lachter te wrekene, 8907.
2) Rijdende achterhalen, inhalen , onscheidb. Verg.
Achtergaen bedr. || Gine sultse in corten tiden
niet wel mogen achterriden, Lanc. II, 681. Lan-
celoet en consten niet achterriden , ende hi liet dat
jagen staen , II, 18643. So dat hi doutste achterreet,
ende namse bi den breidele gereet, ende vragcde
waer omme si vlo soe, II , 17082. Hi achterretenc ,
11, 7085. Hem volchden die jongelinge, macr on
mochten achterriden, Alex. VI II, 1223.
2
35
ACHT.
ACHT.
36
ACHTERRINC, -ringe, znw. m. Schertsende be-
naming voor het achterste^ de aart, om den ronden
vorm met een ring vergeleken. || Op die heyme-
licheyt daer vloech een swerte cray uut sijn after-
rinck, Getta Rom. c. 125. — In hetzelfde cap.
meermalen Achterpoort genoemd.
ACHTERROUWE, znw. vr. Naberouw, te laat
berouw, Vg. Achterraet. || Achterrouwe en es
el niet dan eerscrouwe, Teest. 1745.
ACHTERS. Zie Achterst bijw.
A( flTERSATE, znw. m. Zie Saté. Nazaat, maar
bepaaldelijk in den zin van opvolger gebezigd. || Maer
den hchtersate te sine heeft Peter Clemente gecoren ,
Sp. II 1 , 22 , 36. Dat hi Maximine in state sette te
sinen achtersate, II*, 6, 27. Dat Basel^js in sinen state
wesen sal sijn achtersate, II«, 72 , 73. Vg. Vorsate.
ACHTERSCOÜ (achterscau), znyr.m.Uetach-
ternaiien, het nakijken. In de uitdrukking den
achlerscou hebben, mogen achternazien , nakij-
ii-^» , ;<onder iets te kunnen uitrichten. Vg. Ach te r-
siEN. II (Hi) vloech wech , en wiste waer. Hem te
houden waren si flau ; daer hadden si den achterscau ,
Malet, 253.
ACUTERSCOUWE , znw. vr. Nasehouw, d. i.
herhaalde schouw, inzonderheid van dijken of andere
openbaie werken , om te onderzoeken oi de gebreken ,
bij de fcerste schouw aangewezen , naar behooren
hersteld zijn. || Nae een yeghelicken scouwe sal een
nascouwe sijn, die men die afterschonwe heyt {in
den tekst verkeerdelijk atterschouwe), Meylink, Delfl.
Bijl. 131 {a. 1273). Dese dilck sel hebben drie
schauwen in den jaere , . . ende eicke schauwe sall
hebben eene achterschauwe , Oorkb. 2, 219<i (a.
1284). Post quamlibet vero perlustrationem sive
cir umspectionem una posterior circumspectio que
a/i rrschouwe dicitur, 2, 142^ {a. 1277) Dese dik sel
hebben die scouwen in dien jare . . end elke
scouwe sel hebben ene achterscouwe, Oorkb. v. Geld.
1038 ter. — In denzelfden zin elders Achterscou-
wiNGE. II Post quamlibet circumspectionem una pos-
terior circumspectio erit, que achterscouwinghe
dicitur, Oorkb. 2, 108* {a. 1273).
ACHTERSCOÜWEN , zw. ww. htdiT.Achternazien,
nakijken, naoogen. || Hi dede menigen achterscouwen
binnen der stat, si haddens wonder waer dat hi
voer, Ferg. 3976.
ACHTERSCUVEN {scoof, scoven, gescoven), st.
WW. bedr. Achteruitschuiven , terugzetten , versmaden,
II Al syn tjjt sel hi leven in onwaerde, ende
altoes achter sijn ghescoven, Hild. 56, 272, hetz.
als verseoven (z. ald.)
ACHTERSETTEN, zw. ww. bedr.
1) Enen — , iemand op den achtergrond stellen ,
aclteruitzetten. \\ Doet mi ere, ie doe u lachter;
tre;t mi vore, ie sette u achter, Belg. Mus. 6,
186, 61 (verg. 202, 508).
2) Enen — , iemand terugzetten, benadeelen, of
te keer gaan, belemmeren. Zie Achter bflw. 3)
watr tachter setten in denzelfden zin voorkomt,
en verg. Achtersteken. || So ware hi ende sijn
ge; lachte . . ewelike achtergeset , Lort. 1 , 1039.
En Je waer yemant , die onsen dljcgrave , heemrade ,
jof dijcrecht verstoerde, jof belette, jof in eenigen
punten . . achtersette, Mieris 3, 315a {a. 1375).
3) let — , iets op den achtergrond stellen, ver-
waarloozen, of ^^^-é-^r^oa». Verg. Achterlaten 7)
en A.CHTERSTOTEN 2). II Dat gi , om uwen oorbaer
allene , achterset dat gemene oorbare van der stede ,
Lsp. I, 44, 93. Want wi doen haer gebod, ende
setten ons Sceppers beheet achter , III , bl. 15 , vs. 44.
Dat i^i saghen hare wet tebrokcn ende achtergeset .
L. o. H. 1264. Die om ghewiu ende om bate, recht
met subtilen vonden achterset te meneghen stonden,
Melib. 1048. Die onpeis gheren , ende vrede achter-
setten ende soene , Grimb. 1 , 5442. Der kerstenheit
doen si lachter, want si die doget setten achter.
Hor. Belg. 12 , 23. Zoo ook Rein. II , 6014 ; Doctr. III ,
919; Wrakel, 1170; verg. III, 1310.
4) Iet — met den 3deu nv. Achterstellen bij , lat.
postponere. \\ Hoe dat hij sinen . . raet aftergheset
heeft den rade of meer den wille eender vrouwen ,
Bern. S. lic.
5) Iet — , iets te keer gaan met woorden, het laken,
afkeuren. \\ Hoe modi dus calengieren die wande-
linghe ende achtersetten , Belg Mus. 7, 318, 14.
6) Iet — , iets op den achtergrond schuiven, er
niet van spreken. Verg. ACHTERLATEN 5). || Moer
achter hebben wi lange gheset, ende verswegen
in allen sinne van vrou Marien , Brab. Y. VI , 11104.
ACHTERSIEN {sach, sagen, gesien), st. ww.
onz. Zie Achter bijw. a, 4). Ach ter uitzien , om-
zien, omkijken. \\ Alsi wechvoeren, sach hi achter,
Parth. 2373. Doe Saul uten hole ginc, volgdem
David ende riep . . : „ Coninc , wel lieve here !"
ende Saul die sach achter weder, Rijmb. 9522.
Dat wi van nuwes beginnen sonder achtersien,
Ruusbr. 1, 177; verg. 21. — In de uitdruk-
kingen: — Daer en was geen achtersien,
er was geen tijd van omkijken, t. w. bij eene overhaaste
vlucht. II Si vloen sere, si sagen wel dat die knape
hadde leelic spel : daer en was geen achtersien , Ferg.
569. Doen brakense op ende gingen vlieu, bisscop,
grave ; geen achtersien en was daer noch wederkeren,
Velth. II, 54, 75. Doen deen den andren heeft
versien, daer ne was geen achtersien, si reden te
gader met haren orssen, IV, 59, 39. — D ach-
tersien hebben, mogen achternazien , tem. slechts
kunnen nakijken. Verg. ACHTERSCou. || Mettien
ginc in den boet die smale , entie knechten vingen
ten riemen. Na den man en beide niemen; hi hadde
dachtersien van dier jonfrouwen , Limb. 1 , 792. —
Qeen achtersien es an enen, geen omzien is
bij hem , hij gaat zonder aanzien des persoons te
werk, is een eerlijk man. \\ Ane hem (d. i. hen) en
was geen achtersien , Velth. II, 6, 18.
ACHTERSKINT (afterskint), -kinder, znw.
onz. Eigenlijk Achterstkint, uit Kint en het bijw.
achterst, in den verminkten vorm achters (zie
Achterst bijw). Eig. een kind, dat, uit het
standpunt van den stamvader gezien , achterst, d. i.
het verst af staat, dus een kleinkind, doch meest
in den zin van achterneef of achtemicht. Vg. ACii-
TERSUSTERKINT, 0118 naneef, eu Ned. Wdb. O]^ ACH-
TERSKIND. In hd. diaXeci af terkind (Scheller 1, 46).
II Als daer een dootslach geschiet in der stede
ende men den dooden leggen wil ende vierdelen na
den rechte van der stede , soo salmen leggen in
elcken vierl een vierendeel , alsoo verre als hy
daer is, ende niet meer dan een vierendeel, ende
s\jn daer geen op susterlingen , dan op after-
kinderen , sijnder geen afterskinderen , dan twe eerste
leden op een vierendeel, ende elcke broeders te
gelden in elck vierendeel een afterskint maech-
gelt ende niet meer, O. K. v. Enkh. 19, 91. Dits
hoe die quadaders maghen sijn sculdich te ghelden
ende te betaelen, nae trecht van der stede, eeu
yghelijc nae dat hem angheboren is . . Een oude
vader, dat is een vierendeel, een afterskynt geit.
Item een vader, dat is een syd twee vierendeel,
dat is twee afterskynderen. Item een rechte broe-
der, dat is vier vicrendeelen , elcke vierendeel een
afterskynt ghelt. Item een halve broeder twee vier-
37
ACHT.
ACHT,
38
endeel, elcke vierendeel een afterskynt . . Item
elcke snsterling twee afterskynderen . . Item een
recht afterskynt een vierendeel, alsoe als hem
aengheboren is , te ghelden ende te nemen , Westfr.
Dingt. 15; zoo ook 12.
ACHTERKINTSVREDE , znw. m. Uit JcAter-
kint en Vrede. Vrede , verzoening tmtchen klein-
kinderen. II Soo wie vreede name ende gave, ende
vocht hy daerover (d. i. in weei'tcil d-aaroan), die
vcrbuerde lijff ende goet, ende een susterlingvrede
op 20 pont, een afterkintsvrede ende daer beneden
op tien pont, ter scepenen proeve, O. K. v. Enkh.
17, 84.
ACHTERSLAEN, onas. st. ww. bedr. achterna-
zitten^ vervolgen, \\ Alexander heeft dat versien
ende slouch achter (lezing van Franck, Hs. achte)
alstie coene . . met ere scare van lieden te voet,
Alex. III , 240.
ACHTERSPRAKE (later achterspraec), znw.
vr. Mnd. aehtersprake. Verg. Achtertale. Achter-
klap^ laster. \\ Niemare ende aehtersprake , die den
liede tscande maken, D. Cat. 91. Wacht u oec
van achterspraken , ende en segt van niemen quaet ,
Vad. Mus. 1, 400, 101. Aehtersprake, de vnle
mesdaet, Franc. 4176. Van der qnader achter-
sprake , 4206. Alse hi horde ofte vernam van hem
enege aehtersprake, i^. I', 39,18. Ende van sinen
goeden saken seiden si vele achterspraken, III*,
37, 66. Quetsten sine in achterspraken, III', 4,
48. Scuut altoes aehtersprake, Ltp. III, 4, 471.
Qnade aehtersprake, Fraet 1925, 4466. Liegen,
driegen, aehtersprake, D. fVar. 7, 376, 7. Hoedt
n altoes van achterspraken, Rnusbr. 5, 133. Liegen
ende nydich aehtersprake, 173. Achterspraec , toem
ende nydicheit. Stemmen 35. Vloeken , scelden, aeh-
tersprake, Ned. Proza 173, vg. 268. Node hoorde
hi . . aehtersprake oft lange clappinge , Exc. Cron.
22 d. Aehtersprake spreken, Sp. I*, 17, 66; zie
nog Franc. 10079; Ruusbr. 4, 80; Gerl. Peters 227 ;
Hs. V. 1348, 173, 246tf, enz.
ACHTERSPRAKERE (-ER) , znw. m. Hetzelfde
als het meer gewone achtertpreker (z. ald). Lasteraar^
achterklapper. || Sanghers of speelders die sproken
spreken , loghenaars , achtersprakers , enz. Con. Som.
1383. Want de aehtersprake (1. achtersprakere) dat
pleget , dat hi der zielen bloet ontfaet, die hi metter
tongen verslaet , Franc. 4182 (Lat. C. 106 : detractor
animarnm sangaine pascitur quas gladio linguae
necat). Zoo ook Bevoet B, (36) 19», 20r, 21r.
ACHTERSPREKEN {sprac , spraken , gesproken) ,
st. WW. onz.; ook met het voorz. van of met den
3den nv. des persoons. Achterklappen^ kwaadspre-
ken^ lasteren. Mnd. achterspreken. || Sijns nerghent
en ghebrect, daer men achter van hem sprect: al
seide yement van hem quaet, een ander dat van
monde slaet, Lsp. III, 2, 139. Hets sonderlinghe
groet lachter onhoudeiyc te spreken achter. Wrake
III, 157. Die sine hande roert alse hi sprect,
bewiset nidech , bedriechlijck ende achtersprekende ,
Belg. Mus. 3, 234 (Hs. Yp. Hd). Waer om en
ontsaechdi u dan niet achter te spreken minen
knecht Moyses? D. B. Num. 12, 8 (Vuig. detra-
here). Si beloofde dat si nymmermeer sinte Domi-
nicus afterspreken en sonde, Pass. S, 152 c. —
Ook met bijvoeging van het znw. quaet blarne of
lachter. \\ Ie segge, dien hi smeect ende lect,
dien so sal hi heimelike *"ï^ter-spfgL .. blame
ende lachter. Rosé 7318. Si «praken Vni Q.^*®^
achter, Vad. Niis. 2, 441. Si sprake^ i^ alle s^^^
quaet after. Pass. IV. 197 c. Den gorj^'ï^ aulstu
niet achterspreken quaets, D. B. ^V^^K ^^ og
ACHTERSPREKERE (aciiterspreker), znw.
st. m. Achterklapper , kwaadspreker , luisteraar. Mnd.
achter spreker. \\ Dat hi niet en weet, weder hi
misdoet meer, die achterclap hoert dan diese
spreect; want waer geen hoerre (hoorder) en is,
dair en is geen afterspreker. Stemmen 78 (Geest.
L. 32r). Smenschen veronwaerden is een achter-
spreker . . Mitten achtersprekers en menge di
niet, D. B. Sprettk. 24, 9; 21 (Vuig. detractor).
Of een broeder een achterspreker is ahe lester-
liken dingen, D. Orde 264.
ACHTERSPRINGEN (spranc, sprongen , gespron-
gen) , st. WW. onz. Achteruitspringen , terugspringen.
II Hi waendene bi den aerme nemen doe, ende
pensde, haddine alsoe, hine soude niet mogen
gestaen , mar die coninc spranc achter saen , Jjanc.
II, 35190.
ACHTERST (echterst), bnw. Van het voorz.
en byw. Achter ^ in de dubbele toepassing op
plaats en tijd.
1) Van plaats. Zie Achter voorz. «, l)©nbjjw.
a, 1). Die Bichteraie, dsLchiersle, de achterste.
II Die de vorste welt sgn, dat sal dachterste syn ,
Lev. V. J. c. 133. Qanc sitten talre echterste, c.
151. Die vore mochte, alsict versta, hine beide
des achters (d. i. achtersts) niet, Velth II, 41,
36. — Tachterst, het achterste ^ de achterzijde ,
Rijmb. 5135; Lev. v. J. c. 151. — Ook in den
zin van uiterst^ buitenst^ d. i. het meest achteraf
zijnde. || Worptene in dechterste demstemesse , daer
ghescrei es, Lev. v. J. c. 170.
2) Van tijd. Zie Achter voorz. b) en bijw. b).
Laatst. Die achterste, dachterste,/;?^ /aa^j/^.
II Dit es die achterste strijt, die sal wesen in
conincs Arturs tijt, Lanc. IV, 11413. Eer men
van den werke sciet, ende men leide den ach-
tersten steen, Rijmb. 11414. Ghevallet oec die
afterste dach der rekeninghe up den sondach , Na-
tuurk. 171. Nu es die tijt soe leden, dat es die
achterste dach des vreden, Limb. XII, 63. Du
draechs dijn achterste paer scoen , als God di volcht
met wraken naer, O VI. Lied. en Ged. 447, 196.
üpten achtersten dach van Aprel, Sp. IV», 4,61.
Den achtersten dach van Octobre , Vad. Mus. 4 ,
360. Daer na quam sijn achterste dach, Rijmb,
16632. Int achterste jaer van sinen rike, 30523.
In den achtersten morgen, Brand. H, 1981. In
dien achtersten dage, 2043. Dat arechst wort
dachterste pine. Franc. 5930. Als men den ach-
tersten soude slaen, Fsop. L, 13. Dachterste co-
ninc (van Athene, Babyion enz.), Sp. I«, 24, 18;
47, 20; I», 4, 32; e. e. In der achterster buzinen ,
met de laatste bazuin^ Hs. v. 1348 , 247 c. Dechterste
paepscap , Wrake 1 , 412. Dat achterste cleet des ellen-
dichs lichamen, III, 2496. Dan soude dechterste
dolinghe quader sgn dan dirste, X^». v. J. c. 233. So
wat poortre . . gheboden wordt tsinen huus jof tsicr
achterster woenste , Cout. v. Brugge 1, 312. Also voert
toter achterster doot van hem beeden vorseit, Gends
Chtb. 38 (a. 1360); enz. — Ten achtersten,
ten laatste, in de laatste plaats y D. B. Deut. 17,
7. Verg. het volgende art. — In denzelfden zin:
Int achterste. || Int achterste seidi openbaer,
Rijmb. 23414 var. (Int ende, tekst).
ACHTERST, bijw.; of, met het voorz. ^tf, tach-
terst, TECHTERST, TACHTERSTE, Ook min ZUivCr
achters, tachters en taftert geschreven.
1) Het laatst j in de laatste plaats. \\ Dat hi
hem gaf enen penninc , die achterst te werke ginc ,
gelijc dat hi den eersten dede, Rijmb. 24553. Die
kerstin, die achterst was geleert, 5654. Ende
Ó9
ACHt.
ACHt.
40
plach tontfane oec algader tachterst die benedictie
van den vader, 2283. Dat dier so maectic techterst
dan, L. o, H. 4389. Ënde tafterst van der ertbe-
vinge, Natuurk, 1446.
2) Het laattt ^ voor het laatst, voor de laatste
maal. \\ Daer waest dat wine achters sagen, Za»r.
II, 46782. Up den tijt dat hl quam achterst ute
Ingheland te Ghend, Bek. v. Gent 1, 385. —
Vandaar de elliptische uitdrukking: doe hi ach-
terst van hem (haer, hier, daer, enz.)sciet,
toen hij het laatst van hem {haar ^ hier ^ daar)
scheidde , d. i. toen hij het Inatst {hem zag en) van
hem scheidde. \\ Dat hi mire moeder behiet, doe hi
achterst van haer sciet, Lanc. II, 45689. Evax
seide: kindi mi niet? doen ie achterst van hier
sciet, wanedi mi hebben gegraven, Limb. YI,
2111. Waer sise vercochten ende hoegedanen lieden ,
ende waer si achterst van haer scieden, Flor.
1468. — Zoo ook Lanc. II, 43666,43246,45614,
III, 16199; Limb. VI, 2100; enz.
3) Ten laatste ^ eindelijk. In deze beteekenis
altijd met te: tachterst enz. || Tachterst vel
Cresseus ter moude, Mahg. 716. Hi werde hem
als dies hadde noet; nochtan moesti tachterst
sterven, Lanc. III, 22462. Die riddere weerde
hem harde wel , maer tachters werd hem de strijt
te fel , III , 23563. Tachterst so sach hi van verren
enen herde vasten casteel, Ferg. 3482. Doch be-
dochtic tachterste dat, dat noit en was so scone
stat, Bose 491. Versiewi ons so verre te voren,
dat wi niet ne sjjn techterst verloren, L. o.
H. 91. Tachterste so dorgingen Fransoysen woorde
80 sine zinne , Franc. 1946. — Zoo ook Ferg. 732 ,
2955, 3040; Flor. 2206; Rijmb. 1295, 25275;
Bose 1319; L. o. H. 4077; techterst, 1830;
taftert, Nattmrk. 654; enz.
4) Laatst, laatstelijk, onlangs. In deze betee-
kenis altijd achterst, zonder te. \\ Lieve here,
nu biddic u, dat gi mi wilt vergeven nu dat ie
achterst jegen n mesdede, Bose (C), 3241. Omme
dustane dinc hiet achterst die coninc Sennacherib
di nemen diin leven, Bijmb. 15287. Die Jueden
wilden di achterst steenen, 25711. — Achterst
leden (verleden), l^mtstleden. || Van der renten
die viel sente Bamesse achterst leden. Bek. v.
Gent 1 , 269. Te Faesschen achterst verleden , 388.
ACHTERST AEN {stoet, stoeden of stonden, ge-
staen), st. ww. onz. Mnd. achtersten.
1) Afstaan, wijken. || Doen quamen van binnen
een groet deel selfscotters , die senden menech
quareel , ende dadense also achterstaen , Lanc.
III, 15968. Eermen uut conste ghetien, ende sine
uutbrenghen moghen, was de valbrucghe upghe-
toghen. Doe mosten de porters afterstaen, Stoke
VI, 678. Daer deedsise weder achterstaen, wast
lief of leet, IX, 371. Als sij daer b\j quamen,
riep de sondaen tot s|jn volk, dat sij souden af-
staen en hun vechten laten , H welk sy terstont
deden , en Reinout hiet de Eerstenen dat sy mede
achterstaen souden, Heemsk. 175.
2) A/staan, teruggaan, zich verwijderen. \\ Carel
hiet Reinout met sgn broeders achterstaen, want
hy wonde hem met sijn magen heT&den , Heemsk. 156.
3) Met den 3den nv. des persoons. Enen — ,
iemand belagen, van achteren aanvallen, verraden.
II Alle daghe stonden mi achter mine viande
ende daden lachter, Boetps. 102, 33 (Vuig. Ps.
102, 8: „Tota die erprobrabant mihi"), vg. vs. 36.
4) Van schuld. Achterstallig zijn, verschuldigd
zijn. II Ontfaen van afterstel, dat Gheret over-
leverde in siro lestcr rekcninghe van Enghebrechts
afterstal ende van sijn selves afterstal van den
jare van 42 . ., dat rekent hi algeheel ontfaen
alsoe groot als hijt bewijsde afterstaende , Bek. d.
Graf. 2, 10. Item beval mijn here . . te innen
tghelt van den weghe tusken Rijswijc enter Haghe ,
dairt afterstond, 117. Summa van afterstallighen
renten van den jare 40 . ., die minen here den
grave noch afterstaen , 279.^
ACHTERSTAL , bnw. Of het als bnw. gebezigde
znw. Achterstal, 6f door af kapping van den uitgang
'ich uit Achterstallich ontstaan. Verg. Achteustkl
bnw). Achterstallig. \\ Voirt hevet onse Rentemeester
van Zeeland hoir ghelevert in achterstalre scoud
van den oiste, die nu ghelcden es . . elf hondert
ende vychtich pond. Mieris 2, 270a («. 1321.)
— In de uitdrukking: Achterstal vonnis,
een achterstallig vonnis, d. l een vonnis door de
Schepenen in advies gehouden of uitgesteld , dut zij
dus nog uitwijzen moeten. || Alsulc achterstal vonnes ,
als onder u gesteet is . . Dat hy hem sijn achterstal
vonnes verdage overdworts nachts , Matth. 157 vg. —
Kort te voren heette het een vonnis , „ dat die sce-
penen in vorste genomen, d. i. uitgesteld hebben."
ACHTERSTAL , znw. onz. In de tegenwoordige
beteekenis: Achterstal, achterstallige schuld. Verg.
AcHTERSTELi.E. || Van den afterstalle, dat haer
Gherijt van Heemskerke overleverde haren Florans,
Bek. d. Graf. 1 , 270. Ontfaen van verdingheden
afterstal, 271. Afterstal van den renten, 353.
Item so salmen alle kercghelt ende alle afterstal
van kercghelt in pan den mitter stede bode , Leid.
Kenrb. 482, 1. Zoo ook Bel. v. Leid. 296; Inform.
430, 562, enz.
ACHTERSTALLING , komt meermalen in Zeeuw-
sche stukken in plaats van achterstallich voor;
zoo b. V. Bek. v. Zeel. 1, 10, 11, 12, e. e.
ACHTERSTE, znw, onz. Zie Achterst bnw.)
Komt in den Delftschen Bijbel van 1477 in twee
elders ongewone opvattingen voor, die alleen aan
de onhandigheid van den vertaler zijn toe te schrijven.
1) Einde. II Hi en sal onse achterste niet sien,
Jer. 12, 4. Vuig. ywvissima nostra, Stateub. ons
eynde. Ende die Here benedide Jobs achterste meer
dan sijn beginnen, Job 42, 12. Vuig. novissimis,
Statenb. laetste.
2) Het achter of na iemand komende , zijn nakroost,
nageslacht. \\ Ende ie sal afcorten dijn achterste,
I Kon. 21, 21. Vuig. posteriora tua, Statenb. uwe
nakomelingen.
ACHTERSTEDICH (achterstedech), -dige of
-dege, bnw. Van Achters f at, uit Achter en Stat,
stand of plaats, evenals Achterstellich van Achter-
stelle (zie ald.). Ten achteren staande , achterstallig.
Mnd. Mhterstedich. Een Duit^ch gekleurde term,
in de Geldersche oorkonden gebruikelijk. || Hir
mede secge wi alle afterstedigh geit van ure mede-
gave quijt, Nijh. 1, 202. Alle afterstedighen pacht
. . daer die daghe van betalinghe of gheleden siin ,
die sal men betalen mit alsulc payment , als dat tot
hier thoe betaelt is gheweest, 3, 39. Hoer rinthen,
pacht ende scolt dye men hoer sculdich is , of achter-
stedich weren, 69. Zoo ook 4, 64; 5, 165. Het
onderpandt voor zijn achterstedige renth, Landr.
V. Vel. 31. Voor sijnen buyten-, als oock binnen-
jaersche achterstedige rente, 36.
ACHTERSTEKEN (steect of stect, stac, staken,
gesteken), st. ww. bedr. Zie Steken en Achter
bijw. a, 4).
1) Enen — , iemand terugstooten , tei'ugslann ,
terugdrijven. || Doe quamic op hem om dese dinc
eude stacken achter, ende gewan met mire vromec-
4t
ACHT.
ACHT.
42
heit al oase man, Lanc. III, 11666. Daer met hi
achter heeft ghesteken her Aerde van Hoemen ,
soe dat hi den hertoge niet en mochte comen bi,
Brab. Y. VI, 8058.
2) Enen — , iemand van zich stooten , veratooten ,
terugstooten. \\ Want alse ghi mi sult gebreken,
alle andre sullen mi achtersteken, Xiz»<;. II, 11349.
Die arme heeft selden gelacke : achter es hi altoes
gesteken , Rosé 439. Alsraen scalcheyt wijsheyt meet,
ende die gherechtige achterstect. Wrake II, 39ö.
Willic alle mijn ande wreben, soe comen mijn
vriende mi verspreken; verdraghe ie wel, men
stect mi achter, D. War. 1, 135, 24.
3) E n e n — , iemand achteraf houd€n , achter-
houden^ niet overleveren (aan het gerecht). || Die . .
van Dordrecht . . namen selve de voirscreeve valsche
munten in horen bande , achtersteeckende den voir-
screeven persoon, soo dat men dair off geen justicie
doen en mochte, V. d. Wall 564 {a. 1444).
4) Enen — , iet — , iemand of iett terugzetten ,
tekeergaan^ tegenwerken, || Aldus met hogen spre-
ken worden die wise achterghesteken , Brab. Y. VI ,
5735. Wilde iemeu van sconinx maghen dat weder-
segghen, mijn vader sonde met sinen selvere ende
sinen goude so den ghenen steken achter, dat sijs
souden hebben lachter, liein. I, 2274. Dat hi dus
wilde achtersteken den besten man, gelovet das,
die nie in hondert jaren was, Velth. V, 22, 70. Deu
genen die in dese sake enegen van hen achterstake ,
Lorr. II , 3510. Die jegen den here altoes hem setten,
ende achtersteken ende letten, Stoke VII, 647.
Alle die ghene die wederspraken tRoemsche rgc
ende achterstaken , Wrake 1 , 554. Ende helpen daer
om aftersteken den gemeinen orbaer alle dage , Hild.
5, 190. Int lest soe helptment achtersteken ende
beletten daer men can, 231, 172.
5) Enen in of van iet — ^ hem doen achterstaen
in iets ^ of wel, er hem van versteken of berooven. ||
Dus scijnt die mensche boven al dat leeft achter-
gesteken , eest in snelhede , in crachte , in ontsien-
lijchede, i^. II*, 75, 32. Eest dat sijt volc te sere
verduwen ende achtersteken van den rechte , Lit-
cid,. 2880.
6) Iet — , iets van zich stooten , verwerpen , bene-
d-en zich achten. || Ende cracht ende valscheit ach -
tersteken, ende alle quade dinge breken, Lsp. III, 12,
53. Ende alse Antekerst dan siet, dat hem tfolc alga-
der vliet end^ sine lere aftersteken , IV , 8 , 23 (verg.
VS. 21). Swighen es een proper woort, het luut
so wel int spreken; van Gode moeten si sijn ghe-
stoert die dat achtersteken , Belg. Mus. 6, 196, 323.
ACHTERSTEL, bnw. Zie Achterstal bnw.)
Achterstallig. \\ Ontfaen ende inghenomen van den
achterstellen renten in Zuithollant, Rek. d. Graf.
I , 120. Ontfaen van den achterstellen renten , ald. —
Vooral in Zeeuwsche stukken. i| Van achterstellen
beden, renten, vrien, pachte, scote,i2tf/t. v. Zeel. 1,
II, 12, 48, 61, 55; 2, 119 enz.
ACHTERSTELLE , znw. vr., later Achterstel ,
als onz. gebruikt. Uit Achter en Stelle y stal ^ si&nd
of plaats ; dus de achterstand ^ het ten achteren
staande y thans Achterstal ^ achterstallige schuld. \\
Doe gaderden si met goeder staden haer achter-
stelle, Rijmb. 27568. Mids dachterstel vore vercleert,
dat hertoghe Willem, des sijt wij s , sal gheven den
hertoghe Anthonijs, Brab. 7^ VII, 2l9() Item soe
sceldcn wi quite . . onse stat van Loveng Ige van II*
pont Lovens sjaers . . ende oec van d«w v,t<»rstelle
daer af, Brab. Y. Dl. 1 , bl. 774 (^ ^^^77). ^^
allen den achterstf Hen , die mea oijj^^* 1^ f jjcul-
dich is van tiden voirleden , Dl. 2 , k^^ ^-|f ^ i404).
Ende hi heef oec ghelevert in afterstelle , die noch
afterstaen van den renten voerseyt. Rek. d. Graf.
1, 75. Alle achterstelle , dat die greve vanHollant
sculdich is. Mieris 2,868a. Alle sulke afterstelle,
als haer dan gebreecken mach, 4, 944^. Dien sal
men rekenen te gelde tafterstel opt hoeftgelt, V. d.
Wall 305. Eiken persoen sijn afterstel oprekenen ,
ald. Achterstelle van renten of van anderen sculden,
ZFl. Bijdr. 4, 5. Van allen haren achterstellen,
die hemlieden de stede sculdech es, ald. Zoo ook
6; 8. Rek. v. Zeel. 1, 5, 10, 51 ; 2 , 112, e. e. De coninc
byden feilen rade ende inghevene, hy wilde hebben
de achterstellen van X jaren, Oron. v. Vlaend. 1, 171.
— Enen sine achterstelle gelden, iemand
zijn achterstal betalen ^ overdrachtelijk hem iets be-
taald zetten y hem voor iets doen boeten. \\ Ende
reden bet an , ende wilden ghelden Waleweine sine
achterstelle om te wrekene haren gheselle, Wal.
4146.
ACHTERSTELLEN, zw. ww. bedr. Uit den
weg ruimen y wegnemen ^ en dus weren ^ voorkomen,
II Om alle donkerheden ende dolingen achter te
stelne, ZVl. Bijdr. 4, 7.
ACHTERSTELLICH (achterstellech), -lige
of -lege^ bnw. Zie Achterstelle. Achterstallig.
Mnd. achterstelHch. \\ Die afterstellige versoenen
scult, V. d. Wall 305. In de uitg. afterstellinge^
Vg. ACHTERSTALLINO.
ACHTERSTELLICHEIT, znw. vr. ZieAcHTER-
STELLICH. Achterstallig heid. \\ Hertoghe Anthonijs
heeft ghegheven tgelt van der duwarien voorscreven,
dwelc was van achterstellicheit van der herto-
ghinnen voorseit, Brab. Y. VII, 2197.
ACHTERSTOOT, -stotêy znw. m. Verg. Weder-
stoot. Achteruitgang van zaken ^ tegenspoed, jj Om
dit ducht hem te min die here van achterstote in
genen tijt, oft daer af te hebben eenigen strijt,
Velth. V, 4, 14.
ACHTERSTOTEN {sHet, stiet, gestoten), st.
WW. bedr. Zie Achter b\jv. a, 4).
1) Van zich stooten, wegstooten. \\ Ende Juliaen
stieten after ende si worpen neder ter aerden.
Pass. W. 223 b. En hadden si niet mit veel sonden
bewonden geweest, so had dese oec om sijn
stoutheit geslegen geweest ende achterghestoten ,
D. B. II Maccab. 5, 18.
2) Op den achtergrond stellen, verwaarloozen.
Verg. Achtersetten 1) 4. Dat die berechters
van eere stat om haer selfs quade ghenieten ghe-
meene oorbaer achterstieten, Lsp. III, 16, 128
(hs. H).
ACHTERSTWERF, Achterstwerven, bijw.
Het laatst, voor het laatst, voor de laatste maal.
II Ie saghere vele meer , sonder saghe, te Kamaloet
in dien daghe dat ie daer achterstwerf tornierde,
Lanc. lx , 28544. Hoe dat Lanceloet siec lach daer
hine achterstwerven sach, II, 16412. Doe icken
achterstwerven sach. Wal. 1812.
ACHTERSÜSTERKINT(achtersusterskint),
-kinder, znw. onz. Uit Achter en Susterkint, d. i.
kind van een zuster (of broeder) , neef of nicht. Ac^
temeef of aehtemicht. || Hier of sal hem die bail-
liu geven zegel ende brieven sijn rechte maechsoen
te panden . . , dats te verstaen eenre moeyen soen
X schelling , eenre oudermoeyen soen X schelling ,
ende een aftersusterkint V schelling, ende een
aftersusterkint in een halven lede nae V schelling ,
een eerste litt 2^ schelling, V. d. Wall 118 (a.
1303). Dat namaels tot ghenen tyden niet meer
dan twee personen en sullen te samen in den
gherecht sltten off wesen die naerre malcanderea
43
ACHT.
ACHT.
44
sijn vau inaeg8caj)pcu off van zwagherscappeu dau
aftersusterkint, 521 (a. 1432). Dat die ghene die
malcanderen aftersusterkint niacch of naerre siJn,
tot geenre tijt mit malcanderen te samen hcemraden
wesen en sullen, 542 (a. 1442). £nde want dan
nu ter tijt . . vier personen van eenre maescappe
ende swagerscappe , die aftersusterkint zijn ende
dair en bynnen, tsamen in den gerechte sitten,
593 (a. 1455). Dat voertaen . . in den gerechte
niet meer en soude sitten noch wesen dan twee
personen, die naerre malcanderen souden sijn van
maechscappen of swagerscappen van eenre maech-
talen dan aftersusterkint, 617 (a. 1462). Ten sellen
ghene borghermeysters vau der stat te gader
borghermeysters wesen, de malcanderen aftersus-
tcrkynderen sijn of naerre maech , R. v. Vtr. 19.
Weert sake dat yemant enigen man off vrouwe
aensprake dat die hem hoerde te rechte, so sal
hy den man off vrouwe wynnen mit twee gueden
knapen, die hem sijn achtersusterkynder ende
niet veerre en sijn, die van der selver side zijn
daer hy den van aenspreket, Overij». Recht. I* ,
104; verg. 11. Dat achtersusterkynderen sullen
afkieren ende niet vorderen van malcandems saken ,
I*, 171. Dat een ander dat recht voert vorderen
mach , die een aftersusterskynt is , Dit^gt. v. Delft
35; verg. 42, 45. Zoo nog R. v. Utr. 78, 13; 316,
193; R. V. Zutf. 53, 18; 99, 29; Dingt. v. Amst.
12; 24; Handu. v. Weesp la; v. Waterl. 16tf, enz.
ACHTERSÜSTERKINTMAECH, znw. m. Uit
Achtersitsterkint en Maeeh. Bloedverwant van een
achterneef of aehtemicht ^ in 'talg. een ver verwant. \\
Alsoe Coster Huyghe Melysz. een aftersusterskynt-
maech is van Jacob Pieter Costersz. , Dingt. v.
Delft 61.
ACHTERSÜSTERKINTVREDE (-vreed), znw.
m. Uit Achter tutter kint en Vrede (zie ald.). Vrede ^
verzoening ook tuttchen d€ verre verwanten van twee
ttrïjdende partijen. \\ Ende heeft die ondact namelike
selve mitter hant gedaen, over een aftersusters-
kyntvreed of daerenbinnen , Dingt. v. Delft 62.
ACHTERSWEMMEN {twam , twommen , getwom-
men) , st. ww. bedr. Zwemmende achterhalen , in-
halen met zwemmen. Verg. T. en Ltb. 4, 116 vlg.
II So stare sijn si ende so vermeten, dat si ver-
winnen enen walvisch wel ende achterswemmen:
si sijn so snel, Alex. VII, 951.
ACHTERTALE , znw. vr. Verg. Achter-
sprake. Achterklap^ latter. \\ Ne spreect van
niemende gheen achtertale , Amand II , 5189. Die
achtertalen scuwen ende jugimente sullen daer
boven hebben rente, II, 5198. Ie gheve mi scul-
dich . . in scop, in scheme, in achtersprake, in
achtertalen. Vod. Mtit^ 2, 423. Eu wilt niet mal-
cander mit achtertalen uwen gueden name niet
vcrniinren, Ht. 75, /. 112 c. Dat hi hem hier
af wachte van den aermen te verstekene ende van
achtertale te sprekene, Sp. III', 17, 26. Nochtan
vresic achtertale . . ; wilden si hem selven besien
die der achtertalen plegen , si souden hem wachten
daer jegen, Theoph. 33 — 44 (verg. 19 en 47).
ACHTERTERDEN (tart, torden, getorden), st.
WW. onz. Zie Terden. Achterwaartt treden, terug-
treden, wijken. \\ Guweloen die also groot up
hem weder slouch die slagen, so datsi hem ver-
sagen somige daer of begonden. Daer orame wilden
si tdicre stonden al daer niet achterterden, ïltighe
V. Bord. 1,2, 39. Wye achterterdt daer blijft sijn
heere, die scande verwint hi nermernieere , Bral.
r. VII, 3251 var.
ACHTERTIDEN {tide, tijdde\ getijt , zw. ww.
onz., hetzelfde als AcHTERTiEN. Verg. TiüEN. ||
Eer si achtertiden ocht erselen souden enen voet ,
Brah. Y. VI, 5844 (in den tekst: ach ter lieden).
Als ghi ghewapent sijt om stiden, daer meerder
heren sijn dan ghi, en seldi ierstniet achtertiden,
Vad. Mat. 1 , 338 , 34.
ACHTERTIEN (toecA of tooch, togen, getogen),
st. WW. onz. en bedr. Zie Tien en Achter bijw.
Of 4), en verg. Achtertrecken.
I. • Onzijdig.
1) Achterwaartt trekken , zich terugtrekken , wij-
ken. II Hi sloechse neder, bi tween, bi drien :
men sach daer menegen achtertien, Lanc. III,
16540. Hi sloecher meer dan XL te dale, eer hi
ye toech achter, Sp. IV*, 35, 28. Omdat hy den
sclach heft ontfaen en was daer gheen langher
staeu , mer hy toech achter aver ruc , Troyen f.
164 c. Doe toghen si achter in beiden siden ende
lieten hem beiden , die sciere striden souden ,
alleue staen int criit, Limb. VI, 1073. Doen ont-
boet die Hertoge mare den Grave , dat hi achtertoge ,
Velth. II , 51 , 27. Ende als Vilvoirden was ver-
brant , toghen si achter te hant , Grimb. 1 , 5607.
Sy toghen achter hare verde , Trogen Q1T2. Daer
soude node iemenne achtertien, Catt. 670. Dat hi
door noot moeste achtertien, Heelu 6737: verg.
6733). Sine moesten sterven oft achtertien, 7114.
Datiie Grave moest achtertien, Velth. II, 60, 52.
Int leste moestense achtertien ende der Galose
scoten vlien, III, 35, 39. Ende togen achter met
droefheden, Brab. r. VI, 8205 Seghelijn die ridder
goede is achterghetogen een deel, Segh. 6311 var.
2) Met den 2den nv. Zich terugtrekken van,
achterblijven, of wel overdrachtelyk, van eene
belofte , niet gettand doen , onvervuld laten , nalaten.
Verg. Achtergaen onz. 4) en Achtertrecken
onz. 5). II Hoe verwonnic meer den lachler, ocht ie
nu togedes strijts achter, Troyen 6284 var. Bidtdatgi
wilt te deser steden: dies en 'willic niet achtertien,
Belg. Milt. 10, 66, 63.
II. Bedrijvend.
1) Achteruittrekken, terugtrekken. \\ Mar ist dat
ie wille den enen steen achtertyen, die naelde sal
ten andren vlven, Ltp. I, 11, 44.
ACHTERTRECKEN, ook achtertreken (/ra^,
treken , gelreken , of trocken , getrocken ; en trecte ,
getrect), st. en zw. ww. onz. en bedr. Zie Trecken
en Achter bijw. a, 4), en verg. Achtertien.
I. Onzijdig.
1) Achterwaartt trekken, zich terugtrekken,
wijken. || Doen trac hi achter bat, want hem porde
die doot, Roel. IV, 306. Dus trocken si achter al
in een ende dorsten narre comen niet, Lanc. III,
17413. Si traken achter metten orseu ende lieten
hare here in groter noot, IVal. 2450. Dat wi met
staden trecken achter binnen onsen barbakanen,
Parth. 6529. Ende begau te hant achtertrecken:
Hi keerde weder te sinen here, Flor. 3295. Tien
broeders daden daer twaren achtertrecken drie
scaren , Troyen f. 74 d. Wie sone sach in den aen-
schine, scaemde hem te treckeue achter, Rijmb.
31774. Ie riede u bet te trecken achter dan hier
te comen, Ferg. 2236. Gi moest u here achter
doen trecken, 4271. Die daer zere strcct . . ende
niet achtertrecken en wilde, Sp. IV", 36, 5. Der
45
ACHT.
ACHT.
46
Ylaniinge vele hadden ducht ende trakca achter
optie vlucht, Velth. IV, 35, 1. Die vandersteede
verwerden hem zoe ridderlyke , dat sy met foeter
schaden moesten achtertrecken , Cron. u. Flaend.
I , 106. — Zie nog Lanc, II, 28505, 33465, 47035;
III, 8970; ïFal. 5554, 5603; Ferg. 1792; Rijmb.
19611; Velth. I, 22, 34; 28; 24; IV, 29, 88;
Brab, Y. II, 3733; Vl. Rijmkr. 7427, enz.
2) Achterwaarts trekken^ zich terugtrekken^ t. w.
om voor iemand plaats te maken of om zich te
weer te stellen. || Ende doen Keye dit hadde ver-
staen, wildi hem ter were setten saen, ende trac
achter metter druest, Lanc, III, 20083. Die van
Brucge trocken achter ende gereiden hem ten stride,
Velth. IV, 20, 40. Oft ie trecke achter overwaer,
II, 51, 30.
3) Zich terugtrekken^ loegtlitipen ^ zich schuil of
uit den weg houden. Verg. bedr. 4, a). || Doe
scaemdi hem ende trac achter, het dochtem herde
groet lachter, Ferg. 1691. Want hi noyt in en-
ghenen dinghen dore blootheit achter en trac , Parth.
6539. Sonder den ghenen, de nachts trac achter.
Trouwen , der wasser vele , die niet en quamen
totten spele, Stoke, X, 50. Als hi Gods stemme
hadde ghehoort, en dorste hi niet comen voort;
also noch trecken achter die hemselven kennen in
den lachter, L^. I, 23, 25. Ende spraken hem
scande ende lachter haren here ende trocken achter ,
om dat hi jeghen die Maghet sprac, OFl. Ged. 2,
106, 105.
4) Zieh terugtrekken, achteruit krabbelen. \\ Doen
si alsoe die dinge sagen gescepen daer, trocken
si alle achter daer naer, Velth. V, 9, 36. Ware
dat sake, dat . . die ghene dien vonden ofte ffe-
hacht hadden, achtertrocken, Brab. Y. Dl. 1,1)1.
778 {a. 1328). Na dire uren so trocken achter
vele sire yongren ende en wandelden nemmeer
met hem, Lev. v. J. c. 110.
5) Met den 2den nv. of het voorz. van. Zich
onttrekken aan iets, het er bij laten zitten, het
nalaten, of wel, weigeren het te doen. Verg.
bedr. 4, b). || Dit willic geme doen, ie ne
wils niet achtertrecken , Lett. N. 22. 7 ' , 135 ,
165. Diemeer verghevict u niet das, dat ggs
noch sult trecken achter; bedie men souts u
spreken lachter, Parth. 6108. Maer sulke sijn
dies trecken achter dor scame ende dor der
werelt lachter. Rosé bl. 251, 168. Ende trocke hi
oic des achter, hi bleve ewelijc in den lachter,
Edew. 791. Vrouwe heeft dat God (gheordineert ,
soe willics volgen; ende eest oec jeghen sijn
ghebod, soe trecke ics achter, wies hem bolghe,
Vod. Mus. 1 , 62 , 165. Ende trecti achter oec van
desen, ie sal u lacht^ren in allen hove, Velth.
II, 19, 76. — Bepaaldelijk bQ eene gedane belofte ,
sich terugtrekken, ze niet gestand doen, niet na-
komen. Verg. AcHTEROAEN onz. 4) en Achter-
tien onz. 2). II Ie ne trees heden achter, sprac
mijn vader, bi onsen Here! haester mede, ie
bids jou sere : dat ie ghelovede salie houden.
Wal. 5658. Maer hi es dul die vos betrouwet:
dut si beloven si treckens achter, 5898. Gi hebt
mi geloeft nu, dat sfi doen sont dat ie wilde. Ie
ben die u vortan hilae over gerecht logenere, en
doedl niet dat ie begere, trocti achter van deser
dinc, Ferg. 930.
II. Bedrijvend.
1) Achteruittrekken , terugtrekken.
spronghen uten oghen die tranen, ^^ Il
J'loris
en^'^ liep»"
hare ende tracse achter. Flor. 3689. Men trac de
lude, bi dreen, bi tween, weder achter seer
ghewont, Stoke IX, 318. Dat trect men achter
ende steect voort , Rijmb. 28771 {van een stormram).
2) Terugtrekken, uit iets verwijderen. || Altemet
daer die melc beghint te roomene, soo trect die
matten achtere, Coocb. I, 26.
3) Achterwaarts trekken, achteruitzetten, terug-
zetten, te keer gaan. Verg. Achtersetten 3) en
Achtersteken 7). || Enen verradere , enen bosen
dief, die hen vernoy duet ende lachter, ende hare
recht trect emmer achter, Parth. 1677. Daer si
ooc comen ten ghedinghe, trect hi achter hare
gherechte, 1693. Tghemene oerbaer trect men
achter, Doctr. III, 994 var.
4) Als wederk. gebruikt: Hem achtertrec-
ken, in denzelfden zin als het onz.
a) Zich terugtrekken , of wegblijven , zich schuil hou-
den. Zie Onz. 3). || Merke dat wie hem daer
achter trecken zal, Merl. 986. Daer was altoes ene
ydele stede, want hi (Judas) track hem selven
achter, 7293. Hi selve die trac hem achter, alse
die ontsach snlken lachter, Sp. V , 90, 49.
b) Met den 2den nv. Zich onttrekken aan iets ,
weigeren te doen. Zie Onz. 5.) || Wie so hem oec
dies trake achter, hi bleve altoos in den lachter,
Sp. I', 36, 17.
ACHTERÜUTVAREN (afteruutvaren) st.
WW. onz. Eig. achteruit weggaan d. i. met de noor-
derzon vertrekken, ongemerkt heengaan. \\ So wanneer
die luden . . gewaer worden, dat haer schuldeners
also ruymen off affteruutvaren willen , O. R. v. Dordr.
120. Zie vooral Ndl. Wdb. op achteruitotaren.
ACHTERVAREN {voer, voeren, gevaren), st. ww.
onz. en bedr. Zie Varen en Achter bgw. a, 4).
Onz. — Achterwaarts trekken, teruggaan, terug-
trekken. II Doe dede hi sijn here scaren entie
Percen achtervaren , AUx. V , 911 (lezing van
Franck, lat. retrocedere; Hs. verkeerdelijk achter-
waren). Hi dede sgn volc achtervaren , ^i'Vr^. 4287.
Bedr. — 1) Achtemagaan, aehternarijden. ||
Die np wille sitten sonder sparen dit scaecspel
halen ende achtervaren, Wal. 71 en 1184.
2) Achteroprijden , van achteretl op iemand aanrij-
den, met een vijandig oogmerk. || Dese ridder, die ons
achtervoer, lAmb. IV, 1494. Soo sere reet die coninc
wert, dat hi den coninc achtervert, VI, 2361.
ACHTERVLIEN {vlo of vloe , gevloen) , st. ww.
onz. Zie Vlien en Achter byw. a, 4). Ach-
terwaarts vlieden, terttgv lieden , terugdeinzen. ||
Die dor die vreeze van den payen niet enen voet
mach achtervlyen, Fragm. Carl. 337. Die emmer
scoot ende achtervlo, Flandr. III, 65. Ende
maecte om hem een scaert, so dat si achtervloen,
i^. IV* , 35 , 46. Want die heydine an haren danc
moesten wiken ende achtervlien, Velth. II, 33,
48. Ie heb scande gedaen dat ie gevloen ben dus
achter, III, 14, 24. Trouwe sal u vorwert tien,
hope en laet u niet achtervlien, Limb. X, 613.
Eest dat darcheit vorwert tiet , ende trouwe vorder
acbtervliet, vronde sal ons merren, IF Mart. 118.
ACHTERVOET, znw. m. Achterpoot. \\ Die esel
sloech hem mit sinen achtervoeten voor sijn hooft,
Dial. Creat. 76a.
ACHTERVOLGEN, zw. ww. onz. en bedr.,
scheidb. en onscheidb. gebezigd. Mnd. achtervolgen.
I. Onzijdig.
1) Veelal met den 3den nv. en als scheidbare
samenstelling gebruikt,
47
ACHT.
ACHT.
48
a) Enen — , Iemand van achteren vohjen^ achtet'
volyen ^ achte-rna loopen of rijdeti. || Oftet was dore
tridilers goet dat si herae dus volgeden achter,
Soet was om sinen lachter, Lanc, II, 43828. Ende
eist dattu voren sijts, wi sullen u alle volghen
achter, Maleg. 696. Alle die heren entie scaren
volgheden achter, Rijmb. 33555. So langhe vol-
ghet si hem achter. Nat. BI. III, 985. — Ook
absoluut. Il Bynnen desen selven veertien nachten ,
dat men Helenen nam met crachten, sijn haer
broeder ghevolcht achter, Ti'otjen f. 47 a.
d) Enen — , iemand vervolgen^ lat. persequi,
t. w. met eene vijandige bedoeling. || Sy sullent
becopcn, die ons deden desen lachter; mijn vrieut,
volghen wy achter, Troyen f. 260A. Ie mochte
sulken spreken lachter bi namen, hi soude mi
volghen achter ende slaan mi doot, Stoke X,lll.
Ghi wilt hem heden volghen achter, Serjk. 11048.
Desidere . . volgeden si achter, Sp. III*, 83, 27.
Ende volgden achter siere scaren, Rijmb. 28064.
2) Ere dinc — , iets nakomen^ eig. het gezegde
opvolgen^ door daden doen volgen. || Biddende dat
sy souden willen achtervolgen haren scrivene , Cron.
v. Vlaend. 2, 150.
3) In het tegenw. deélyr. achtervolgende , blIb bnw.
prebezigd. Onafgebroken doorloopend. \\ Die derde . .
linie . . es somtijt oneflfene ende niet achtervolgende,
Belg. Mus. 10, 267. Es oec dat sake dat dese linie
gaet van daer si beghint tot den wortel van der
haut achtervolgende , 269. Alsi cort es ende niet
achtervolghende , dit bediedt wandelheit, 272.
II. Bedrijvend.
1) Iet — , iets volgen^ opvolgen^ nakamen of
navolgen (een gebod, voorschrift, verbintenis, ver-
plichting, voorbeeld enz.) , lat seqni. || Hier omme
soude elc kerstin poghen, hoe hise soude achter-
volghen moghen (nl. de evangeliën) , Amand 1 , 280.
Dit achtervolgende eenpaerlijc heeft van Vlaendren
greve Lodewijc oec selve sijn brieve hier afgegeven,
Brab. Y. VI, 3783. Want thof van Brabant oyt
heeft ghescreven de jare ons Heeren claerlike, soe
achtervolght dese cronike die selve maniere, dat
si u cont, VI, 9200. Maer om te achtervolghen,
dat verstaet, tbestant voorseit ende den tractaet,
VII, 3147. Eene prijselicke ghewoente, die men
te rechte achtervolghen sal, Belg. Mtis. 6, 165.
Achtervolgende ende obedierende uwer genaden
scryven ende bevelen , Gedenkst. 1 , 268. Wie
dese voirss. statuten nyet holden noch achter-
volgen en wolde, Overijs. Recht. I', 101. Omme
dat hy achtervolgt den dienst van den monde van
den Prince , Matth. Jnal. 1 , 265. Dat wy commis-
sarissen waeren, die achtervolgen mosten tinhouden
van onser commissie, In/orm. 496. Betrouwende
dat tguendt, dat wy om beters wille gedaen hadden ,
geachtervolcht zoude werden , ald. Dat (ieder) . .
de selve ordonnancie onderhoudt , achtervolcht ende
volkomt , 623. Die welcke haer riedt dat enz. . .
Twelck si achtervolgede , Jüxc. Cron. ISb. Dat leven
Christi tachtervolghene in den geeste, Hs. p. 1348,
270a (vg. aldaar: sonder navolghen van ere doot).
2) Iet — , iets aanhouden ^ voortzetten^ het vol-
houden. II Hoe wel datten voorseiden staet mijn
vrouwe aenveerde sonder verlaet, ende sceen daer
met te vredeu sijn, ende achter volghede een en
termijn, Brab. Y. VII, 6258. Dat zij de voorsz.
coopmanschepen nyet en hebben mogen achtervolgen ,
ende moeten tproffijt, dat zij., van dien plegen
te hebben , derven ende onberen , E7iq. 43.
3) Enen — , iemand volgen om hem in het oog
te houden^ en, b\j uitbreiding, hem beschermen. \\
De selve van Gendt , alsoe wel ten vercryghcne ende
ten achtervolghene ende onderhoudene van haren
poorteren ende poorterssen , C'w». v. Vlaend. 2,201.
4) Soms heeft het ww. in navolging van lat.
assequi, consequi de bet. van verwerven, verkrij-
gen. II Nu hebdi ontfaermechede achtervolghet,
Hs. v. 1348, 203Ó. Omdat si ontfaermechede moe-
ten achtervolghen, ald. (vg. Rom. 11, 30 vlg :
misericordiam consequi).
— Afl. Achtervolginge, in de bet. bedr.
1). II Ter volcominge ende achtervolginge vanden
voersz. appointemente , V. d. Wall 608 {a. 1457).
ACHTERVOLGENDE, voorz. en bijw., eig. het
tegw. deelw. van Achtervolgen als bedr. ww.
1). Zie Ned. fVdb. bij Acutervoloens.
Voorz. — Met den 3den en 4den nv. Volgens,
overeenkomstig met. \\ Dies laet varen telker tijt
tghewerke alst niet en es van acoorde, ende ach-
tervolghende den woorde , dat men van den priester
hoort, Amand II, 2750. Terstout achtervolghende
desen worden . . twee burghemeestren ghecoren,
Brab. Y. VII, 12198. Achtervolghende dit over-
drach, VII, 14903. Achtervolghende desen enz.,
VII , 16316. Achtervolgende dien , diensvolgens ,
Handv. v. Alkm. 21a. Achtervolghende den voet-
stappen van den voorsaten ende den inhoudene van
desen jeghenwordeghen lettre, Vad. Mus. 4, 113
{a. 1439). Achtervolgende den voorseiden seggen,
£xc. Cron. 142 c.
BiJW. — Volgetts {het vroeger genoemde) , in over-
eenstemming [daarmede), naar evenredigheid {daar-
van). II Dien achtervolghende . . soe worden . . veer-
tien persoone . . ghevanghen, Brab y. VII, 12133.
Desen achtervolghende al die voorseide hertoghe
Jan beval, enz., VII, 13207. De balken groot
ziinde twaelf dumen viercante , de stilen ende cor-
beelen achtervolghende, ZVl. Bijdr. 4, 319. De
stagen tusschen beeden achtervolghende upwaert
gaende alsoo daertoe behoort, 310 {a. 1409).
ACHTERVROME (achtervrame), znw. zw. vr.
Nadeel, schade. \\ Die gherne zijn vleesch- vet name,
anesiet lettele dachtervrame van den wederkeere,
daer weelde ghedoomt wert ter scrame, Wap. Rog. 749.
ACHTERWAERDE, afterwaerüe, znw. vr.
Achterhoede. Uit Achter en JVaerde, fr. garde,
hetzelfde als hoede. Zie Waerde en verg. HiN-
DERWAERDK. || Wie hebben soe vele goeder liede
nu in dachterwaerde , datse al sconfieren datter
comen sal , Lanc. II , 33324. Men haddere gnoech
gevaen, ne hadde gedaen die achterwaerde , diese
soccoreerde harde, II, 33466. Dachterwaerde die
selen echt bewaren van Vlaenderen Robbrecht ende
Robbrecht die Norman, Brab. Y. lil, 1169 (var.
A. achterioere, B. achterhoede). Seghelijn hielt die
afterwaerde stoutelike terre vaert, Segh. 4538.
Ferrant . . met Renault . . quamen met eender
meenichten van schepen gheseylt in de achter-
waerde van den coninc Philips , soe dat sy ghecreghen
veele schepe , Cron. v. Vlae^id. 1 , 126.
ACHTERWAERNEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde
als Achterwaren: zie fiXd. Bewaren , beschermen ,
het toezicht houden over iets. || Dat ie hebbe
gheven der kerken . . orlof te makene twee viere-
berghen , ten ouden Brielle , ende die viereberghen
te achterwaernen alsser toe horet, Oor kb. 2, 172
{a. 1280).
ACHTERWAERRE, znm. m., samengetr. uit
achtehwarere, achterwarer. Zie Achter-
waren. Behoeder , beschermer. \\ Wies haer behoeft.
49
ACHT.
ACHT.
50
neemt grote ware. God heeft van siere moeder
di geset tachterwa«n*e , dat es die wet, L. o. IL
298. — In de uitgave verkeerdelijk /örA/^K^a^fm^,
dat hier geenen zin geeft. De zin eischt hier ken-
nelijk een znw. , blijkens het voorafgaande van.
ACHTERWAERT (achterwart, achterwert,
ACIITERWAERTS , ACHTERWERTS), bijw. Mnd. «cA-
tenoart.
d\ Van plaats.
1) Aan de achterzijde^ van achteren ^ achteraf.
II Het had een hoeft, ende achterwaert hadt twee
enden, ende elc enen staert, Stoke II, 525. (Ui)
stac Waleweine soe metter vard, dat sijn part
boech achterward, Lanc. II, 39471. Beide clerke
ende leeken can hi vore met talen weeken; mer
hi bidt {d. i. bjjt) altoes achterwert, Rincl. 1329.
Zo wie eenighen scheerdisch stelde achterwaert,
up zolders of np cameren of yeuwers el dan ter
stratewaert, ZFl. Bijdr. 6, 163 (a. 1441).
2) Naar achteren, achterwaarts^ achteruit^ terug.
II Tuet, daer hine mede woude vanghen, ende
achterwaert wincken metter hant , D. War. 7 , 384 ,
38. Sine hant sloech hi achterwaert, Sp. 11 «, 18,
12. Ende van dien sondaghe afterwaert die daghe
telle dan ter vaert, Natuur fc. 123. Waerom hi sijn
haer achterwaert bant, Schaaksp. 33£?, enz.
— Achterwaert over, achterover. \\ Ter
stont dede hi hem achterwaert over opt paert vallen,
Exc. Oron. 78c.
— Van achterwaert, met d-e achterzijde ^ mei
af gewend hoof d en lichaam^ achteruit hopende. || Ende
deet sinen broedren verstaen, die van achterwaert
qnamen gheghaen , . . ende dectene weder daer hl
lach, Rijmb. 1307. — Inzonderheid in de volgende
uitdrukkingen :
— Achterwaert gaen, naar achteren gaan,
en in figuurlijke toepassing, achtei'uitgaan] met den
3den nv. des persoons, tegenloopen, tegenvallen. \\
Het viel, dat Pema was ghegaan afterwaert om
hoir hoeft te dwaen, Mloep I, 841. Dan maecti
u op die vart mettien, ende waent sien dat gi
begart; maer het gaet u achterwart, gine selse
sien no spreken mogen, Rote 2278. — Achter-
waert keren, terugkeeren. \\ Heer keyser, en
wilt niet achterwaert keeren, Exc. Cron. 82<;.
— Achterwaert tien, terugtrekken. || Die
coninc . . tooch daer om achterwaert tot Cranenborch,
om des anderen dages henen te trecken, Clerclbl. —
Ook in den vergrootenden trap : achterwaerder
tien, meer of verder achterwaarts trekken. Verg.
Ned. Wdh. 1, 741. || Haddi, here, geweest van
dien, die gerne achterwerder tien, Cass. 1199. —
Achterwaert trecken (vertrecken), terug-
trekken. II Ende trecter enech achterwaert, eest
nachts , eest daghes , hi roeptse dan , Nat. BI. III ,
1906. Als Aygolant dat vernam, so vertrac hi
achterwert , Exc. Cron. l^b. — Met den 2den nv.
der zaak. Zich aan iets onttrekketi, zich er van
terugtrekken. Verg. Achtertrecken onz. 6). ||
Des en treckic niet achterwert, L. o. H. 1951. En
ben nemmer so ververt, dat ie des trecke achter-
wert, in dart wel seggen overwaer, dat ie ben
God, want het es waer, 2709. — Achterwaert
b 1 i V e n , achterblijven , terugblijven. \ \ Aldus bliven
si achterwaert. Nat. BI. III, 1922. — Achter-
waert rumen, terugwijken , naar achter ef^ wijken.
II Als hi dat vernam ruumde hi v^q «ode mit
sinen perde afterwaerts, Clerc 67, — Ach* •.wftert
vlien, naar achteren vluchten , ^^^ffiryu II Die
Insce vloen daer achterwart, Cass. lifP^^' A-ch-
terwaert pensen (denken), /^% ^ .^
Want elc moet pensen achterwaert . . om die
gheen die argueren, Hild. 226, 14. Hier na . .
begonsten si oec afterwaerts te dencken dat si
qnaet gedaen hadden, Clerc 147. — Achter-
waert doen, doen achter staen (in den strijd),
terugslaan , het onderspit doen delven. Verg. ACHTER-
DOEN 2). II Qelijc enen die ontsinnet es geliet hem
die stoute Ritsart ende dede verre achterwart
Pyrote den ridder coene, Lorr. II, 4373. Hi liep
den genen sere op saen , . . ende deetse haers on-
dancs achterward, Lanc. IV, 11213. Hi . . dede
met crachte die brudere beide ende hare geslachte . .
tote binnen der porten achterwart, Cass. 1155. —
Achterwaert scuven, neuir den achtergrond
schuiven^ terugzetten , in minachting brengen. Verg.
ACHTERSETTEN CU ACHTERSTEKEN. || Als haer
onrecht gaet te boven , ende trecht wart afterwaert
ghescoven. Rein. II, 4235. — Achterwaert
set ten, op den achtergrond stellen, terugzetten,
of wel, vergeten. || Die boosheit doet, hi wert
vermaert, mar doechde setmen achterwaert, Hild.
254, 57. Dat die rouwe . . soe haest vergeten
was, want si sette afterwaert des doden (/. den
doden), ende hilt feesteliken bruloft, Clerc 72. —
Achterwaert steken, terugstooten , van zich
afstooten, verwerpen. Verg. Achtersteken 1).
II Ermoede en es met niemen wart, men steecse
altoes achterwart. Rosé 7489. Mettien so namen
bede mgn hande met crachte ende stakense achter-
waert. Rosé bl. 255, 163. Goet raet, diemen stect
achterwaert, Rincl. 634. Al hebben si recht,
twort ghesteken afterwaert oft gaet te quist,Hild.
135, 102.
b) Van tijd. In de uitdrukking: Hier achter-
waert, voor het enkele hier achter gebezigd, in
den zin van hierna, naderhand. Verg. Achter
bijw. b, 1). II Bedi sal altoos onder dat zwert
dijn gheslachte sijn hier achterwert, Rijmb. \OZQb.
Die heilighen hier achterwaert, Sp. V , 53, 71.
ACHTERWAKER (afterwaker), znw. m. On-
geveer hetzelfde als achterwaerre (z. a). Hij
die voor iets moet waken, opzichter, || Die afterwa-
kers zeilen elcx in hoeren vyerendeel die Inde
moigen bekoeren ende die koeren selve hebben,
R. V. XJtr. 1 , 340 , 9.
ACHTERWAREN (achterweren), deelw. aM-
terwaert en geachterwaert , zw. ww. bedr. Uit Achter
en Waren, in acht nemen, hoeden en verg. ware,
hoede, zorg. Zie Waren en Ware. Mud. achter-
waren.
l) Bewaren, behoeden, beschermen. \\ (Dieduven)
te wachtene ende te achterweme, Esop. XXVI,
5. God moeter u huljien toe, ende moet u hoeden
ende achterwaren, Itanc. III, 1092. Ende si es
henen gevaren : God die moetse achterwaren ! £orr,
I, 973. God moet ons allen achterwaren, Livr. d.
Mest. 45. — Evenzoo , in toepassing op de godde-
lijke hoede, Limb. IV, 698, V, 913, 928, 1865,
VI, 20, IX, 988, XI, 33. Van een beschermengel
gezegd, Lucid. 4253. — Een land of volk a.
behoeden, beschermen, verzorgen, beheeren, als heer
of landvoogd. || Wilde die coninc Aelbrecht varen
sijn lant besien ende achterwaren, Velth. IV, 69,
3. Dien hi in Gallen hadde gesent te achterwaerne,
Sp. II», 11, 78. Enen grave, hiet Elijn, liet hi
van den lande sQn drossate ende montbore al,
om dat hijt achterweren sal , Lorr. II , 2356. —
Zoo ook Lanc. III, 18614, Lorr. fr. II, 207, Grivib.
II, 993 var., Limb. V, 876, Negen best. 159.
Evenzoo Die scaren (die liede) a, de krygs-
benden beheeren, besturen, als legerhoofd, Limb.
51
ACHT.
ACHT.
52
VII, 922, Grimb. I, 3312, 4242, II, 173, 1402.
Dat voetvolc achterwaren, Grimb. II, 1444.
2) Bewaren y beheeren^ het toezicht houden over
iets. II Si Heiden: hier sijn al de nonnen, sonder
ene, die Hottelike ^ebaert, die de cokcne achter-
waert, Sp. III', 40, 86. De meester, die de fonteynen
achterwaert, Belg. Mm. 7, 106. Qualike is het
geachterweert {van een zwaard) Ooerzee 101. Dese
dinc {werktuigen enz.) waren den coninc bevolen ,
dat hise achterware, Limb. XI, 1079. Te achter-
waerne . . sine dinghen, VI. Rijmkr. 2456. Dat
hy Reynier Goethere . . geset . . heeft te regeren
ende te achterwaren . . die herberghe ende staet
van vrouwe Johanne, Brab. Y. D. II, bl. 736
{a. 1406).
3) Verzorgen^ verplegen y oppotten ^ zorg dragen
voor iemand of iets. || Torec kerde ter tenten
wacrd, daer hi wel was achterwaerd, want daer
waren knapen gnoech die hem daden syn gevoech,
Lanc. III, 26325 {Torec 3201) Men gaf hem ene
voestere doe die tkint wel achterwaren can , 23328
{Torec 202) Hebdi wel geachterwaert Gringolette
mijn goede paert ende minen helm? Wal. 8491.
Hoe sy vaert te Cyeroene in Tessalien, die haren
sone langhe stont hadde achterwaert, Troyen f. 1 d.
De zieke is wel gheachterwaert , it goed bezorgd ^
heeft niett te vreezen , Lanfr. 45r. Dan deene maegt
sonde dander achterwaren , Ytt. Bl. 1368. Drie lich-
tende lampten achterwaren, Sp. II», 71, 68. Den
standaert . . tachterwaerne , Grimb. 1 , 4906. — Een
kind a., Stoke lY , 65. Een paard a., Limb. X, 126,
Renout 27, 329. Het lichaam {lijf) a., Latg. II , 1004.
Vod. Mttt. 1, 339, 67. Eenen krankzinnige a. Ztmd.
VI, 277; enz. — Ook bepaaldelijk van het behan-
delen van zieken en ziekten. \\ Arsaters quamen so
si eerst mochten, diese souden achterwaren. Wal.
7602. Haer sustre gingen enen meester huren, die
haer scène soude achterwaren, Chritt. 568. Daer
na cauterizeert ende achterwaert hem met gueder
spisen, Lanfr. 80 v. (Die wonde) te achterwaerne
van tiden te tiden met zalven, met coolbladen,
met wondendranke , so dat si luken, Ht. Yp.
142(7. Dat lieden hebben geweist tongemake, dat
{omdat) si so lange geachterwert (Hs. geacht-
wert) siin met sachten dingen, 144r. Eist {been)
uten lede, men trect weder in ende achterwaerne
toter tijt, dat hi genesen es, 145c. (Den voet)
tachterwaerne van vijf dagen tot vijf dagen, 146r.
Wonden a. , Chritt. hll. Enen gewonde a. , Lanc.
III, 16787, Grimb. I, 5144. — Ook als wederk.
gebruikt. Hem achterwaren, voor zich zelven
zorgen. \\ Nochtant wert wel beter, dat de men-
sche hem achterwaerde mit ghenadeliken arbeit
ende mit ghetemperde ate ende drancke , Lanfr. 72r.
^ Het Vlaamsch kent nog heden achterwaren ,
eene kraamvrouw verzorgen, achterwaartter ^ ach-
terwarege^ achterwarigge en achterwaartterigge y als
benaming der vrouw die in Holland kraambewaar-
tter of baker genoemd wordt (De Bo 22).
4) Waarnemen. \\ Minnen ambacht achterwaren,
Hadew. I, 36, 31.
ACHTERWARINGE, znw. vr. Verzorging, op-
putting y behand-eling y vooral van zieken. || Dat men
de humoren sal temperen . . mit Moet laten ende
mit medicinen ende mit gueder achterwaringe ,
Lanfr. 36 r. Bewachten den zieke van zweringen
mit gueder achterwaringe ende mit ruste ende
mit payse, 68 r. Men sallen achterwaren mit
gueder . . achterwaringe, al soudemen die ziekte
meren, 80r.
ACHTERWECH, -wege, znw. m. Uit Achter en
j Wech. Een achteraf gelegen en weinig begane weg.
II Bestu cnape, vrouwe of heere , ganc achtreweghe
niet allcene , ghetordene wech ganc ende ghemeeue ,
BoHc V. Sed. 749. — Nog in gebruik, vg. Ned.
Wdb. 1, 743.
ACHTERWELDAET, znw. vr. Uit Jchter en
Weldoet. Eene goede daad, een goed werk, achterna
verricht tot hert tel eener vroegere dood. Verg.
AciiTKRDAET. || Want achterweldade commen
dicwile spade, ende dat men naer dieven doet,
dat heeft aermen spoet, Brand. 1453.
ACHTERWERE, znw. vr. Uit Achter en Were,
grondbezit, akker. Zie Were. Een achteraf gelegen
akker of ttuk land. || Die bueren mit horen after-
weren van Aemstelreveen an die westzide, Mieris
3, 446 *. {o. 13H6).
ACHTERWESEN , znw. onz. Het ten achteren zijn
of komen in geldzaken , dus zoowel Achterttond als
Nadeel ytchod^\ vg. Ned. Wdb. 1,745. || Scade, verlies
ende afterwesen , Mieris 4 , 94a {a. 1408). Dat wy . .
die noch hair aflerwesen by moigen brengen ende
bewysen mit zegelen ende brieven , sullen betalen ,
V. d. Wall 493 (tf. 1425). So sel die stede gehou-
den wesen an den burgemeesteren die sculde ende
afterwesen te verhalen, LeUl. Kenrb. 162, 34.
Tot groten scadelicken hinder ende achterwesen
der voirs. stede, K. v. Brie l Ie 160, 39. Dat elc
gequetste by des meesters cyrurgijns wijsheden sal
mogen weten die groetheit sijnre smarten, ende
dair by comen tot voldoeninge sijns achterwesens ,
Matth. 92. Ende trecken mede dat achterwesen
an hem, d. i. tchuiven hem de tchade op den halt,
146. Hertoge Aelbrecht ende Grave Willem . .
wouden der stat also te bate comen in horen ge-
breken ende afterwesen, die sy hadden an den
Heer van Arkel , Matth. Anal. 3 , 318. Die van
Utrecht . . vervolchden hoir saken voert van verlies
ende afterwesen, 379. Die verclaringe van huere
schulden ende afterwesen, Inform. 241. Zoo ook
Inform. 284, 332, 430, 477; Handv. v. Medembl.
62Ó, enz.
ACHTERWIKEN {weec, weken, geweken), st.
WW. onz. Zie Wiken en Acuter bijw. o, ^). Ach-
terwaar tt wijken, terugwijken. \\ Hadden Tytus niet
gheholpen daer, die met gheschote in die stede
die Joden achterwikeu dede, Rijmb. 31912. Ui
saegt, ende waes omblide, dattie Romeine achter-
weken, 33037. Ducke des daghes hoerdic spreken ,
dat die Griecken achterweken, Trogen f. 96c. Als
die Hollanders so vele uutghecoren kempen ver-
loren hadden, weken zy achter tot Eyloo, Belg.
Mut. 4, 201.
ACHTERWINTER (akterwinter) , znw. m. Uit
Achter en Winter. Het luattte gedeelte van den win-
ter, nawinter. \\ Hine can hem selven so verhoeden ,
hine leghet sijn eyer so vroe int jaer, dat hem
die achterwinter swaer alle dicke vervricset te doet.
Nat. Bl. III, 1398 var. Des Manendaghes na Zinte
Pouwels dach inden afterwinter, R. v. Utr.lS, 12
en 13, e. e.
ACHTERWISEN {witede , gewitet , of wijtde,
gewijst) , zw. ww. bedr. Achterna wijzen, nawijzen. \\
Metten vinghere si achterwisen den ghenen die
hem te vele onderwint. Vod. Mut. 1, 328, 20.
ACHTERWORTE, -wort, znw. o., ook Na-
bier en Nagoed genoemd (Kil. 409) , vg. Kil. 819 :
worte oft meddigh bier, ghesoden mout,
muttea cervitia et tepida, condimentum polentarium.
Kruiderbier , bier met kruiderijen vermengd. Vg. Eng.
wort. Muller 2>, 661 en de daar genoemde schrij-
vers. II Dat gheen tappere eeuich achterwors (d.
53
ACHT.
ADAM.
54
i. achterworts) in zij ure huys zal moegen haelen
ofte hebben , ten zij aat hl tuelve eerst den excyse-
naer te kennen gegeven sol hebben, K. en O, u.
Delft 218, 8.
ACHTICH, telw. Oorspronkelijke, in 't mnl.
gewone yorm, sedert door tachtig verdrongen; hd.
acktzig^ eng. eighty, \\ Ene quene van achtich jaren,
Franc. 10258. Des wijfs borsten van achtich jaren,
10286. Hl hadde met hem omtrent achtich perde,
Versl. en Ber, IV, 61 , 192 enz. — Bceds vroeg kwam
daarnevens tachtich in gebruik, ook taeheniich en
zelfs iachtentich geschreven: zie Hor. Belg. 9, 88.
ACHTIEN , telw. , in den verbogen nv. achtienen ,
doch niet uitsluitend van personen gezegd. )| Int
jaer van achtienen , in 1318 , B^ik. v. Zeel. 1 , 197
passim.
ACHTIENSTE. Zie Tienste.
ACHTINGE, znw. vr. Zie Achten. Mud. ach-
tinge.
1) Overleg^ beraad^ vooral in do uitdrukkingen:
Ene (sine) achtinge nemen, en Ene ach-
tinge begeren, bidden, rechtstermen , beraad
nemen , en van den rechter verlof vragen om zich (met
partij , voorspraak of magen) vooraf te beraden , alvo-
rens de zaak verderen voortgang hebbe. Zie Acht E 3 en
4) en Achten onz. 2). || Yoerd aldaer een rechter enen
man vraghet een ordeel, so mach hi sine achtin-
ghe wel nemen tote dien rechter , ende al gaet hi
uyt achten, dat hi wel incomen mach ende dat
oordeel ontsegghen, dat hies niet sculdich en es
te deylen , Oorkb. 2 , 376* («. 1292) ; 6073 (a. 1299) ;
Mieris 2, 91a {a. 1310). Doe dat vervolcht was,
doe nam P. v. B. een achtinge , ende nam J. B. . .
tot enen voirsprake . . . , ende doe dair vervolcht
was, doe nam P. mit synen voirsprake een ach-
tinge , ende geerde te weten , off die weet gedaen
was, als recht was. Mieris 4, 579a, 680a (a.
1421). „(Hier) staet Jan Lam, ende ie in zynen
woerden, ende seyt, dat hy des onsculdich is,
ende gheert sijn achtinghe ; gheeft ghy hem ? " Soe
seyt die rechter: „Ja ick." Soe beraet hy hem
mit synen talman ende mit synen vrienden, ende
als hy hem beraden heeft, soe comt die talman mit
dier achtinge in, ende seyt aldus: „Heer rechter,
Jan Lam dien gaefdy een achtinghe , ende in sijnre
achtinghe een talman ; die brenct hy , ende hy
volbietse, ist u lief, ende ie segghe sijn achte
woerden , Dingt. v. Delft 28 ; verg. 61 , 58. Al ver-
toecht mit vonnisse, mit daghinghe, mit achting
of mit berade, 38. Ie ghebiede, datter nyemant
achtinghe uyt en draghe, hi en draghe se uyt
als recht is , Dingt. v. Amst. 7. lek ghebied dat er
nyemant enich achting uyt eu neem , buyten m3^en
oerlof, hy en brenghen weder in, alst recht is,
Weetfr. Dingt. 8. Soo sal hy een achtinge begeeren ,
Oudenh. Z.Holl. 476. Heer Schout, ick bid u om
een achtinge ende een man die mijn woord houdt,
483; 518. Heer Schout, hebt gy mijnen meester
een achtinge gegeven ende eenen man die sijn woord
houdt? 619. — Bij Matth. 106 en 142 vlg. heet het
raet nemen; beraet geven. Wie raad begeerd heeft,
lezen wij daar ook, moet den uitslag van het be-
raad aan den rechter mededeelen (dien „weder
inbrengen") en „dair op sijn recht formeeren", of
hij spreekt ongeachte laoirde (dus hetzelfde als
onberaden w.) — Achtinge woorde, sie de
verklaring bij Achte 4). Vandaar, in gewijzigde
opvatting:
2) Achtinge hebben jegen • é het
recht hebben zich tegen iets te verklare\ y^^ jre^olg
van gehouden beraad), er tegen op ie t^^ gf ***
V^
verzet te komen. Zie Achten onz. 4). || Daer jegens
en mach haer man geen achtinge hebben , Mieris 1 ,
234 , a. 46 ; ter vertaling van : „quod maritus suus non
poterit contra hoc actionem ha ber e" (ald. 1,
2303). Dit heet elders: „alsoe dat hoer man dat
niet keren en kan" (Mieris 1, 2263), en Handv.
V. Alkm. 83: „datter die man geen reden tegen
hebben en magh. "
3) Welberaden inzicht^ overtuiging^ als beginsel
der handelingen. || Dat hi blive gestade in sine
achtinge, in sinen rade, Ileim. 1833.
4) Bedoeling^ voornemen^ plan. \\ Met onver-
keerden anscine ende met bliden zinne te zine ende
in heligher achtingen vort. Franc. 3041 („eodem
sanctitatis proposito "). Hare achtinge was Indien ,
emmer der lieder uplopen ontflien, Sp.I*, 38, 23.
— Vooral gewoon in de uitdrukking: Achtinge
hebben, plan hebben, van meening of voornemens
zijn , hetzelfde als geacht hebben. Zie Achten
bedr. 5). || Ie hadde achtinghe openbare te vraghene
wie dat hi ware, Alex. I, 1375. Dane haddi
achtinghe das, te varene saen in Bacteren lant , VI ,
816. Hi hadde achtinghe, die poort te slechtene
neven derde , VII , 214. Want hi desen ach-
tinghe hadde sekerlike te latene dat Roemsche
rike, Sp. V , 97, 62. Ende hadde achtinghe seker-
like hem te ervene dat keyserrike, I^, 98, 11.
Ooc hadde Daris achtinge mede dat hise daertoe
vordren soude, Rijmb. 16902. Alse Earle hadde
vromelike verwonnen menich coniucrike, . . haddi
achtinghe dat hi woude tAken rusten in sijnre
oude, Brab. Y. II, 2268—77. Zoo ook J'Vawc. 2089 ;
Rijmb. 16802; Sp. IV», 11, 94; enz.
6) Meening, gedachte, in de uitdrukking ach-
tinge hebben, van meening zijn, meenen. \\ Ooc
hadden si achtinghe das, dat si souden vechten seghe,
AUx, III, 1042.
6) Inachtneming, in de uitdr. na achtinge
van, lettende op, naar gelang van. \\ Ende sall
daer en boven na groetheyt des delicts ende ach-
tinge des plaets ende persoens gecondemneert word-
den in seeckere geltpenen , Overijs. Recht. I ' , 213.
ACHTINGE, in Vlaamsche oorkonden, voor
hachtinge. Zie ald.
ACHTSCAT. Zie de met telwoorden gevormde
samenstellingen bij Sc at.
ADAEM, znw. m. Gew^zigde, zelden voor-
komende spelling voor adem , als Lanc. II , 35183 ;
Amand 1 , 684 ; Mandev. 48(7 : (Si) leggen een
broot op sinen mont om sinen adaem te stop-
pen. Vg. ohd. dtam , naast dtum (Graff 1, 165). —
Ad om komt voor Christ. 1166, verg. Bormans,
W. 313.
ADAEMSAPPEL, znw. m.; lat. pomum Adam:
zie Dnc. 6, 340. De vrucht van eeu boom in Fa-
ktestina , waarin de beet van Adam gezien werd.
Verg. Nat. BI. VIII, 197 vlgg. || Daer vint men
oec Adaemsappel, die hebben een voet {l. beet)
aen die een zide, Mandev. 123. Bij Maerlant t. a.
pi.: Arbor Ade . . es een boem in Oriënt, die
Adaems boom heet bedi , . . om dat si appele
draghen vele schone ende van vaerwen ghele, ende
elc appel met ere beten , so datmen sien mach ende
weten , dat God toghet in aertrike Adaems souden
wel dorperlike."
ADAMANT (ademant, later ayamant, ay-
MANt) znw. m. ; gr. dddfiai, lat. adamas^-antis).
Oorspronkelijk ijzer of staal, later de naam van
den
X) Diamant en soortgelijk edelgesteente. Verg.
Beu, 1,7. \\ Wreder dan cnich tirant ende har-
/
i'
•^ /
/•
55
AD EB.
ADER.
50
dor dan een adamant, Alex. VI, 565. Adamante
die sijn so Htarc, en machse breken gheen ware,
sonder sbox bloet allene, VII, 1017. Een ada-
mant diere ende goet, IX, 627. Harde ghelijc
den adamant, Nat. BL XII, 193 (var. athmani).
Dat versche heele bocsbloet scoert den adamant,
dat harde steenken dat en gene andere cracht scoren
noch verwinnen en mach, Rnusb. 2, 59. — Ook de
vorm diamant was echter reeds in 'tmnl. bekend. ||
Sulc man desen dyamas heet, Nat. BI. XII, 100
(var. dy amant). Sijn bloet es oec van suiker macht ,
dattet scuert den dyamant, II, 1003. Datmene
graveert met dinghe enghene sonder met adamas
splintere allene, XII, 706 (var. adamana).
2) Zeilsteen^ magneet^ ook later in den jongeren
vorm Ay amant ^ aymant^ fr. aimant. || Men vint
enen andren ademant tote Arabien int lant, ....
ende dien hetewi den seilsteen. Nat. BI. XII, 111
var. (in den tekst dyamant). Een stien ayamant,
dat is der scipluden stien . . , die die naelde nae
hem trect, Mandev. 40i. Te Ormes sijn alle die
scepen sonder ysoren naglen, om die stienroetsen
wille van den aymant, die daer in der zee veel
sijn, 40d.
Samenst. adamantsteen. || Hy sal wesen
recht als een adamantsteen , dat hy die flguer ende
dat beelde Goeds onghequetset houde , Ned. Proza
222.
ADËBE. Adebe, vetns, j. pekel. Sahuyo,
muria. Kil., Lat. ad^ps.
ADEC. Zie ADIC.
ADELBIE, znw. vr. Wesp^ crahro. De oorsprong
van den naam, die in een ander Hs. adeelbie
luidt, is onzeker. || Crabo (/. Crabro) . . . dinct
mi wesen die adelbie. Nat. BI. VII , 497.
ADELBROEDER. Adel-broeder, vetus.
AdelphM. Kil. ZieAOELSONE enyer^. Adslbruoder^
adelbroder, en Adelkint bij Ben. 1, 271, 818;
Lexer 1, 20, 21; Lubben 1, 14; Koseg. 1, 107.
ADELINC , 'inge , znw. m. Hetzelfde als
Edelinc (zie ald.). Adellijk persoon^ edelman. \\
Verdrevene arens jonghe mede dat sijn helpelose
adelinghe, Nat. BI. III, 2392.
ADELSONE, znw. m. Mhd. adeUun] verg. mnd.
adelkint. Wettige en diu edelgeborene zoon van
een edelman. Verg. Adelbroeder. || Die van
ere getrouder moeder sijn adelsone geboren waert,
Heelu 6476.
ADEM, ook ADAEM (z. a.), in lateren samen-
getrokken vorm ook aem, en met voorgevoegde » :
NAEM, znw. m.: ohd. dtum\ m\idi.dtem\m\i^.ad€m.
1. Adem. \\ Met groten ademe blaest hoverde,
Uincl. 1191. Haer ademroec als galigaen, Verg. 1192.
Ende off hi heeft enen hoefschen mont, of hi
enen gueden adem heeft, 3f/ö^I, 991. — Inzonder-
heid in toepassing op den a^-em als het vermogen
om het lang in den strijd uit te houden , in verschil-
lende zegswijzen. — Den adem goet hebben
of hoge dragen, een langen adem hebben en het
bijgevolg lang kannen uithouden ^ nog niet vwe zijn. \\
Ui hadde den adem so goet, dat hi vele mochte
gedoegen daer bi , Lanc. II , 5206. Als hi gedoecht
hadde gnoech , ende dander sinen adem hoge droech,
begonste Bohort dapperlike op hem lopen, III,
6776. — Den adem weder gecrigen, weder op
adem komen ^ weder op zijn verhaal komen. || Dat
si moesten met crachten bede ophouden ende rusten
mede, om weder te gecrigene doe haren adem,
Lanc. II, 9522. — Den adem nemen, ojd adem
komen ^ op zijn verhaal komen y uitrusten. \\ Ende
gingen sitten beide alsoe, tot dat si gerest waren
/
i 1 i t^vL i'
aJ
'/
doe, ende alsi haren adem hadden genomen, sijn
(si) weder te gadere comen , Lanc III , 24308. — Den
adem behouden, niet buiten adem komen. \\ In
Arturs hof, alsict las, waren alse goede ridderg
alse hi was, also lange alsi behouden mochten
haeren adem als si vochten, Lanc. II, 5130. —
Ook in de uitdr. Sinen adem trecken, eigen-
lijk, zijn adem trekken ^ met moeite ademhalen ^ en
bij uitbreiding zieltogen. \\ Die Kerniers quamen
over den Grave daer hi lach ende vonden levende ,
sinen naem treckende ende sprac een weynich,
Clere 137.
2) Woêem^ damp. \\ Bese (critden) salmen sleden
in eenen pot wel ghedect, soe dat die adem niet
hute mach gaen anders dan vau den pot tennin in
de cupe. Jan Yp. 92.
ADEMGAT, -gate, znw. onz. Lnchtgat. \\ Mijn
buuc is nu als most sonder ademgat, D. B. Job
32, 19. Vuig. „absque spiracnlo^\
ADEMINGE, znw. vr. Adem. Van ademen. \\
Ende noch eist ademinghe ende wint dat den
mensche uutgaet ten monde, Praet 505.
ADEMTOCHT (ademtuciit, adomtociit) , znw.
m. Van Adem en Tocht (van tien). Zie Ned. Wdb.
op Ademtocht. Ademhaling ^ adem. \\ Langhe hi
onder twater gheet; doch moet hi weder in die
lucht, danen comt hem sijn ademtucht, Nat. BI.
III, 2740. Daer af {van den wind) heeft hi uut
nese, nut monde den ademtucht tallen stonde,
M. en Vr. Heim. 89. Binnen dien dat si sus sanc ,
ende men daer hoerde dat snete gcclanc, en ginc
noch stimme noch adomtocht ute haren nese, dat
iemanne dochte, Chritt. 1163.
ADER. Zie Adere.
ADERACHTICH (aüerachtech , adrachtich),
'tige of 'tege, bnw. Aderrijk ^ vol van aderen. ||
Twijf es aderachtich sonderlinge, ende alle ader-
achtege dinge sijn gevoeleker dan andre vele , if. en
Vr. Heim. 1593. Si sijn aderachtich ter stout be-
neden an der matricen mont, 1601. Dat boven es
al adrachtich, ende onder eist al vleesachtich ,
Vrouw. Heim. 588.
ADERE (adre, ader, Aer), znw. vr.; verkl.
Aderkijn (zie ald.). Ohd. ddara\ mhd dder\ mnd.
aihr. Ader in verschillende opvattingen.
1) Eigenlijk Ader in het dierlijk lichaam. || Die
borse es wel ter cure gehecht an die gegaden
met adren die daer an siin geset, M. en Vr. Heim,
604. Here , om u adren , die u scoerden aen den
cruce, Vad. Mm. 2, 395, 28. Van couden sijn
hare aederen versworen , 1, 83, 55. Dat van
den wive alle daderen in die matrice vergaderen
ende in den vede den man. Vrouw. Heim. 973.
Aderen ende matricen in de poert, 186 Eene
adere es in dat wijf, die (/. bi) welke adere
des kints lijf sine voediughe ontfaet, 981. Dat
mi die adren scorden binnen , Boetps. 31 , 56. Het
gaen oec twe aderen ghelyc tot eenen aerse, Sal.
e. Mare. 22. — Ene adere slaen, aderlaten ,
Lanc. III , 9360. Zie Slaen en verg. Aderslach.
Men zeide ook die adere laten, als Ferg. 1851
vlg. , maar gewoonlijk: Ter aderen laten, nl.
het bloed, in twee opvattingen : a) iemand
aderlaten. \\ Ie wane gi gelaten sijt ter aderen, Lanc.
II , 37329. Des hartoghen barbier van Borboen ,
die mijn here ter aderen liet. Rek. d. Gr. 3, 384.
Kinderen den welken men mach scerpen achter
vier jaren, mer niet laten ter aderen, Lanfr. 75r.
Nie en heb ie bloet doen laten ter aer, Dial.
Creat. 10b, Zoo ook Matth. Anal. 3,3. — b) gelaten
worden , eene aderlating ondergaan. || Als een
57
ADEil.
ADMA.
58
mensche gelaten heeft ter aderen, so wert dat
hert traechliker beroert , Barth. 72 h. Een men-
sche , die ter aderen laet , die is temael zeer
dorstich op die tijt, Brugm. 1, 316. — De volle
uitdr. vinden wij Grimb. II, 2144: Daer liet, al
waest te ghere aderen, menich sijn bloet int ver-
gaderen (d. i. al was het door geen aderlating; verg.
de op Aderscrode aangeh. plaats).
2) Overdrachteiyk. Gemoed, pees i^ zin. Verg. mhd.
ader» (Die adem unde die sinne heter ummazen
zche, FmHoh. 281, 74). || Siel ende lijf, been
ende ader heeft hi al in mi gheset, SeffA. 5002.
O wijf, dine wivelike ader es so vul der reinicheit
dat ie di bliven moet ghestade, OVl. Lied. en Ged.
130, 1. Daer an willic zin ende ader leggen , mach
ics werden wijs, Denkm.S, 182, 16. — Ene felle
adere hebben tot eenen, een vijandige ge-
zindheid tegen iemand hebben, op iemand verstoord
sijn, II Qhi hebt een harde felle ader te mi waert ,
des ben ie erre, Segh, 616. — Ene qua de ader
werpen in, ergens een kwaden geest in brengen,
scheuring veroorzaken, twist en tweedracht zaaien;
vg. De Vries, Mnl, Wdb. 43. || Nu haddi geme
ene quade adere daer in geworpen ende verwerren,
Sp. III«, 30, 4 (Vinc. „scisma intromittere").
3) Bij uitbreiding, a) Ader waaruit water opwelt ,
of wel opwellende waterstraal. \\ Dat alre fonteynen
adren gaen uut deser moeder fonteyne. Nat. BI.
XI , 60. Bi suurs so springhet in de zee ene adre. .
uut den gronde , XI , 182. Ende dede die adren saen
onsluten van der erden ende twater uutcomen,
Rijmb. 1166. — Figuurlyk. |i Ende met haren
verhoelnen aderen al tien int conduut daer minne
haer minne al scinket, Hadew. I, 43, 55. — Ook
van een stroom bloed. || Eene crone van scaerpe
doome so was mi in mijn hooft ghewronghen,
daer adren van bloede ute spronghen, Praet
4202. — b) Ader in de aarde. || In der adren
van der aerde es menech ding van groter waerde.
Nat. BI. XIII, 1. Adren die uut berghen sprin-
ghen vint men die gout voer hem bringhen, 29.
— c) Aderachtige streep. || Dinc , die, roestich
gedaen , met donckeren aderen sijn bevaen , Natuurt.
969. Neemt een glas dat es bevaen met adren,
dire doregaen , 975. — d) Een ader van der zee , een
zeearm, Mandev. 4c.
Aanm. In het latere mnl. proza vindt men ook
adere, inzonderheid het mv. aderen, in den
zin van aar, korenaar , eene onjuiste vorm , ontstaan
door verwarring vau mv. aren (spicae) en het
samengetrokken dren {adren, venae). Zelfs Kil.
geeft Adere, i. are, spiea. Zie Ned. Wdb. op
Ader, Aanm. || Die aderen opten velde hangen
neder, die vol vruchten sgn. Sommige aderen schinen
vol te wescn , Stemmen 59. Die seven dunne aderen
D. B. Gen, 41,5. Aderen die noch groeyen , Levit,
2, 14. Die aderen die daer bliven, 19, 9 (Elders
evenwel aren, als Gen, 41, 22; Xifrt^. 23, 10 enz.)*
ADEBE (adre, ader), znw. vr. Adder. Met
weglating der n van 'toorsp. nadere (zie ald.) ||
Aderen, padden ende slangen, Qlor. 1106. Eene
cleene adre, Melib. 2884 var. (in den tekst: Een cleyne
ader). Van slangen ende van adren mede,^. 1V«,
60 , 77. Daer auam ene adre tier stonden , ende es
Pauwelse om den arm gewonden, Yst.Bl.^^.Q\ïi
slacht der adre vul van venine , Praet 8144,
ADERKIJN, -kine, znw. onz.; verkl, y,. J^^^tf,
ader (vena). Adertje. \\ Dat sjjn beging^j mt dit
saet an die hersenen ende nederwt^n ^^aet ^^
cleincn aderkinen, M. en Vr. Ileim. gc^^ i. oAex-
kine clene, 719. — Vooral in den /^U TÏ^ Wa-
terstraal , die uit ondei*aardsche buizen opspringt,
om eene fontein te voeden. || Want uten ardschen
paradise comt gesprongen een aderkijn ende sprinct
in den borne fijn. Wal. 3554. Herde rikelijc was
tpaviment, daer ute sprongen die aderkine. Terg,
3054.
ADERSCOERRE , znw. m. , samengetr. uit
Aderscorere: zie Scoren. Aderscheurer , in mys-
tieken zin, van Christus, die door de overvloedige
volheid der liefde de aderen doet zwellen en open-
scheuren. II Ghi sijt een zielwidere ende een ader-
scoerre ende een hertbrekere, Stemmen 27 {Geest.
L. 16r).
ADERSCRODE , znw. vr. Ader lating. Yd^ Seroden ,
snijden, en dus eigenlyk adersnede. || Sy deden
haer bloet menigen laten sonder vliemen al in der
noode, ende sonder te geven aderscrode, Grimb.
II, 600.
ADERSLACH, -slage, znw. m. Aderlating. Van
de uitdrukking Ene adere slaen. Zie bij Adere
{vena) en Slaen. || Dat hi ten negensten dage
rechts naer sinen aderslage ene duve sonde scie-
ten, Sp. III», 39, 13 (Vinc. ^j^ostflebothomum'').
Dat up ene wile van den dage vreselic sgn die
aderslage, Rijmb. 4029 {Eist. Schol, ^minutio
{sanguinisY^).
ADIC (adec) , znw. m. Ohd. atuh', mhd. atich;
nhd. attich; mnd. adick; bij Kil.: „Adick, ha-
dick, ebulus , pumila sambttcus , chamaeacte ;^^
verg. Dodon. 619. Wilde vlier; sambucus ebulus
L. Over den oorsprong der benaming zie Weig. 1 ,
85; Grimm. 1, 595. || Ende wiltuse meer hebben
draghende , soe nemt dat sop van adicke ende sap
van apien was, Jan Yp. 52. Nemt succum alsene,
van adicke seeni ende aisyn ende tarwen blommen ,
177. Ebulus dats adec. Es. Tp. ^Id. Nemt die
bladere van vliedere, van adeke, dese suldi stoten
ende sieden in wine ende in borne, ald. 33d.
ADMAEL (atmael), znw. onz. Hollandsche
dialectvorm voor edmael, etmaal; mnd. o^m^/; ofri.
etmél, etmdl; ohd. itmdl; bij Kil. (bl. 12 en 134)
atmael, etmael, ook aetmael en eetmael ^s^eXd om
de volksetymologie van eten. Het woord is samen-
gesteld uit Mael, d. i. tijdruimte, tijd, en de
partikel ad, ed, goth. id, ohd. U, ags. ed. Zie vooral
Grimm, D. Gr. ^, Ibl vlg. en Tijdsehr, 1, 304.
Id, ed, komt in beteekenis overeen met lat. re-,
ons her- of weder, als nog blijkt uit etgroen en
mnl. ede-rieken, herkauwen. i?<2i»a^/ is dus eigenlyk
wederkeerende tijd, in drieledige opvatting.
1) Etmaal, tijd van 24 uren, de tijdruimte tot
aan het wederkeeren van denzelfden t\jd des dags.
II Coemt die tiendennare danne niet, zoo zei die
ghene, des dat coren es, den tiende uutzetten bi
tween zire ghebure, ende den tiende hoeden een
atmael, Oorkb, 2, 282a {a. 1289). Es dat die
rechtere van Lopike coemt binnen dien atmale,
na dien dat hem die boede hevet gheseghet , 390^
{a. 1293). Een admael . . ende niet langer , Mieris
2, 212d {a. 1319). Die sal die scout een atmael
in den stien legghen, L. Keurb. 492, 17. So mach
men die were of die hofstede met rechte winnen
binnen drien atmalen, Stadr. v. Zwolle 121, 204 ter.
Zoo ook K. en O. v. Delft 91 , 7.
2) De tijdruimte tot aan het wederkeeren vaneen
{vasten) feestdag; inzonderheid ter berekening van
den huurtyd van personen of zaken en vooral in
de oosteiyke provinciën in gebruik. Verg. 3). ||
Daerloe en solde hi dat atmael bynnen Zwolle
niet dyenen, Stadr. v. Zwolle 150, 265 var. Ende
die boeden moeghen dat selve atmael wal over
59
ADOB.
AECS.
60
boeden dienen in onser vriheit, 266. Ende ont-
voeren si hem dan tot oeren onwille, so soldense
hem gheven also vele al8 hem gheloeft was, ende
daer to en zoelen si dat atmael niet dienen binnen
onser vriheit, ende waer yemant diese wonne dat
atmael hem te dienen dat si den anderen ghelovet
hadden te dienen, . . die verloer teghen die stad
een pont , 267. Yan dat die knapen ende meghede
oer atmael untdienen zullen, Kondichb. v. Zntfen
§ 68. Meet {Kondichb. t. a. p.: myedet) enigh
man ofte vrouwe knapen , meghede ofte ammen ,
die knapen , meghede ofte ammen soelen oer atmael
uutdienen, daer sy hom hebben vermyet, R. v.
Zutf. 31, 112; zoo ook 58, 40.
3) Feest ^ feestmaal ^ oorspronkelijk de regel-
matig wederkeerende tjjd van een (vasten) feest-
dag; bij uitbreiding van een feest in H algemeen.
Verg. mnd.: „to allen admal dat is in sunthe
Michelis daghe unde Fasschen", Lubben 1, 16;
en ohd. itmdl^ solemnia, itmdU ta^, dies festus
(Graflf 2, 716, Grimm, D. Ör.2,758, R. A.S'27);
ags. edmélu , sacra orgia (Benson i. v.). De betee-
kenis van feest ging in H mnl., door eeneonjniste
opvatting van het tweede lid des wjoords, in die
van feestmaal over ; vg. ons maalt ij d en mnl. eten-
tij t =. diner. || Ende heeft den hoefmannen ende
sijn heren een groet atmael bereyt, Gesta Ram.
c. 9.
= Matth. 99 vindt men den vorm nattmael,
door prothesis der n van het lidwoord , „ Binnen
eeu nattmael, dats te seggen, binnen al so veel
tijts, als een mogeliken mit eenre maeltijt vasten
sal mogen, dat is, tyt van een dach ende nacht,
24 uren." Reeds toen bracht men dus het woord
in verband met maaltijd ^ en verklaarde het daar-
uit; later leidde men zelfs het eerste deel des
woords af van eten: vandaar de spelling aetmaal,
eetmael (zie Kil. op „Eetmaele, . . ab eten,
edere, prandere; quia astrologi incipiunt diem a
meridie^ . . qtto tempore vul-go prandetur).
ADOBEREN, zw. ww. bedr. 'M.\&t.adobare;pTOY.
adobar (Rayn. 2 , 26 vlg.) ; ofr. adonber ; ital. addob-
bare. Zie Diez 1, 7. Uitrusten^ tooien^ opsieren, \\
Ende also wel gheadobeerde vant men kume upter
eerde, Fragm. bij Mone, XJebersicht n<». 14.
ADOM. Zie Adaem.
ADRACHTICH. Zie Aderachtich.
ADRE. Zie Adere.
ADVENT, znw. m. Van lat. adventus (Domini).
Be besloten tijd van voorbereiding voor het Kerst-
feest^ door de Kerk gewgd aan de gedachtenis
van de naderende komst des Hoeren. Zie Ned. Wdb.
op Advent. || Ende ooc, alsict ghescreven zach,
sette hi te vastene voort den Advent voor Qods
gheboort, in ghedinckenes ende eren der twee
toecoomste ons heren, Lsp. II, 40, 92. In eenen
advent, dies willic lyen , doe dochtic in dat herte
mijn, dat Jhesus in der maghet Marien IX maent
woude besloten zijn, Denkm. 3, 121, 1.
ADVERSANT, -santen ^ znw. m. Van \9X.adver-
sane ^ tegenw. deelw. van adversari. Tegenstander.
II Sathanas is so veel te seggen als ad versant, Boeci
V. d. L. Jhe9ti, f 167a. So scaemden hem alle
syn ad versanten, dat is die tegens hem waren,
/. 140*. — Adversant is van jongeren oorsprong. De
oudere mnl. vorm was adversarijs (-rise)^ van lat.
adversariits. \\ Onse grote adversarijs,Z*/?. 11,36, 1484.
Saghe hi sijn adversaris, hi sweech der claghe,
Rein. II, 4663. — Ook in den vorm Adversarie.
II Prudentia ontboet al stille die ad versari en te
samen, Melib. 3333.
ADVERSARIJS. Zie bij Adversant.
ADVIJS. Zie Avus.
ADVOCAET (avocaet, avecaet), -caie^ znw.
m. , lat. adoocattu. Adioocaat ^ pUUbearrger ^ otsaak-
waamémer, zoowel fr. avoué ids avocat, afwisselend
met Taelman (zie ald.). In de middeleeuwen
werd de stand der advocaten veelal om hun geld-
zucht tentoongesteld. || Men moet van den advo-
caet tswigen copen, of et wert quaet, Sp. 1' ,
63, 46. Avocate ende flsiciene, dese gaen alle
die straten gemene, ende sijn bilde ende sere in
hogen alsi den penninc winnen moegen , Rosé 4926.
Taelmanne ende avecat«n, die om hare horsen
baten scalke vonde venden conen, daer si dat
recht mede honen, Doctr. III, 106. Dat eneghe
vrouwe wesen soude advocaet ofte voorsprake,
Mask. 386; verg. 437. — Desbiscops 9l.^ des
bisschops pleitbezorger. De advoeati ecclesiae stonden
de bisschoppen, abten en andere geestelijken ter
zijde om de rechten en goedereu der Kerk te
verdedigen. Zie Du Cange 1 , 105 \ yioW , Kerigeseh.
1 , 302. II Hi was des biscops van Cameriken
advocaet wel negen jaer. Rein. II, 4414. — Van
Maria, als de pleitbezorgster en voorspraak der
zondaren, ook vr., in den vorm Advocate (waar-
voor ook talevrouwe gebruikt wordt) , naar lat.
advocata. \\ Herhaaldelijk in den MasL^ als 461,
698, 709, 733, 779, 826, 1116, 1334. Si is
moeder alre gracien ende alre genaden, ende si
is onse advocaet ende onse middellersse tnsschen
ons ende haren Sone, Ruusbr. 4, 24. Ghenadiche,
ontfaermiche aducate (/. advocate), hope int leven
ende in de doot, O II. Lied. en Ged. 27, 30. Dus
comt dat Onse Vrouwe blijft de name Advocata,
ende men scrijft ende roept: Eya ergo advo-
cata! Mask. 1346.
ADVOCASIE, znw. vr.; lat. advocatia (Duc.
1, 112). Advocaatschap ^ pleitbezorgerschap. || Ie
mach vore jammerlike persone, weduwen ende
wesen, ende voor die gone die ligghen ghevaen
in zwaer prisoen wel ambacht van advocasien doen ,
Mask. 443. Sonder enech wederstaen van Maskaroen
of sire partien, doe ie mire moeder tere advoca-
sien, 466.
ADVOCATERIGGE, znw. vr. Westvlaamschc
vorm. Van Advocaet met den vrouw, uitgang -igge.
Pleitbezorgster y voorspraak van zondaren. Van Maria
gezegd: zie Advocaet. || Nu bid ie der moder
ende maget, alder werlt advocaterigge , Jan Yp.
36 (in de uitg. verkeerdelijk: advocateringe),
AECHDOCHTE. Zie Hagedochte.
AEFGUNSTICH , bnw. Uit aef, d. i. ave ,
welke bijvorm van af o. a. in averecht voorkomt
(zie ald.). A/gunstig. \\ Niet vrack, noch ghiericb
noch aefghunstich , Bern. S. 46<i.
AEFRUI (aefruy), mnl. ook averone genoemd
(z. a.) , znw. vr. Van lat. abrotanum (Artemisia abro-
tanum) , fr. aurone ; hd. aberrante ; thans averuit of
averoen geheeten. Een heester met frisch groen en
geurig blad] eitroenkruid. \\ Van aefruy ende den hase.
Aefruy , als een meester seyt , gemenget mit smout,
trect uten leeden doornen of ander hout dat daer
in steket, Dgal. Creat. 20a. Ende seyde totter
aefruy . . Die wortel van die aefruy , ald. Elders op
dezelfde bladz. averuy genoemd.
AEFSC. Zie Avesc.
AECSC, -sce.^ bnw., van den naam Aken^ thans
Akensch\ gevormd als Leidsch van Leiden. \\ Die
kerke, die naer den Aecscen gewerke gemaect
was Onser Vrouwen teeren, Sp. IV', 44, 15.
AECSË, AECXE. Zie Aex.
61
AEL.
AELD.
62
AEL. Zie Ai.E.
AEL f zuw. m. Aal. Mnd. dl. In de Rek. d. Graf.
worden verschillende soorten genoemd , als d o 1 a e 1 ,
kijfael, roecael. || 45 tonnen paildinx, so
dolail ende kijfail, 2, 417; 419. Twee tonnen ghe-
soutens dolails, ald. 6| tal roecs ails, ald. Van
ere tonne ghesoutens roecails, 418.
AEL- , bijvorm van Al in sommige samenstel-
lingen , overeenstemmende met got. ala- ; ohd. ala- ;
osaks. aUt' en aio- , waarvan ook nog alinc , alentlike
(zie die woorden). Verg. Ned.lVdb. 1, 18, bij Aal-.
Nog over in aelmechtich (z. almechtich);
aelwerich (aelwarich) (z. ald.), en desamen-
stelling Aeleigen, geheel eigen ^ volkomen eigen-
dom. II Dat dese mensche seyt dat zijn aeleyghen
is ende den andere nyet en bestaet, Wesifr.
Dingt. 4. Des dese man seyt, ende ick voer hem,
dat zijn aeleyghen is, ende Lambrecht Fietersz.
nyet en bestaet mit enyghen recht, 7.
AELDINGER. Zie Aeldinc.
AELDINC, -dinge ^ later aeldinger (bij Kil.
ook HAELINC en HAELDiNG,metyiaamschead8p.),
znw. m. Erfgenaam. Een ook in de latere Vlaam-
sche , inzonderheid Westvlaamsche , costumen veel-
vuldig voorkomend woord (De Bo 3). Volgens
De Vries {Mnl. Wdö. 46) van y^aeld, volks-
uitspraak van het onde alód (allodium), d. 1.
eigene, vrne bezitting, van al (totus, integer) en
dd (bonum). Zie Grimm, R. A. 492 vlg. Het af-
geleide aloding, aelding, was de natnurlgke naam
van den gerechtigde tot het (nagelaten) vrije
eigendom, tot het achtergebleven erfgoed." || Dat
die rechtzweere, diere was bleven, beede van der
moeder ende van den vader, die helt heffen zoude
van algader den goede, voren ute, ende dan int
ander, kint kint gelike, voortan jegen die andre
aeldinge heffen sine rechte deelinge, £elg. Mus.
8, 270. Eude op geen aeldinge te laten stane,
Aet op geen erfgenamen te laten aankomen , Lncid.
4872. Zijn vleesch den wormen ende zijn bloet,
ende zinen aeldinghers zijn werde goet, endezine
siele viant of vrient, Praet 1019. Of hy thavent
of moorghen storve, ende my zijn aeldynghers
wilden deerren, ie zoude my metter quyttancie
verweerren, Ned. Kluchtep. 92, 86. Die ghoene
die aeldinghe waren met hem van der voerseider
Elemoeden doet, Vad. Mm. 2, 360 (a. 1281). Van
den voors. personen , die rechte aeldinghers waren
van den voors. Jhanne Den Weerd ende Eerstine
zinen wive, £elg. Mus. 8, 270. Der haeldingers
Jan . . Oosters land, van de erven Jan C, ZFl.
Bijdr. 3 , 388. Ende ne waerre gheen recht onbejaert
hoir , 80 sal hebben die here dene helt ende die stede
dander helt , ende hare ne mach nemmermeer gheen
goet versterven up haere haeldinghers , ghel^cjof
soe laghe doot up dien vloer , Cout. v. Brugge 1 ,
320. So waer dat een huus te gader es , daer deen
of verstervet, ziit man of wil f of ander mensche,
daer sinen aeldinghers sculdich of es te verstorvene,
ende die aeldinghers hevet , 1 , 329. Ware ooc dat
zake dat hy brieven gave, ende enich goet buten
den brieven liete , daer aeldinghers sculdich waren
an te deelne, ende ment vinden mochte binnen
den jare ende binnen daghe, dat hy brieven ghe-
gheven hadde, ent die aeldinghers keniyc maken
mochten met drie declmans . . , dat goed ware
gheheelleke ende al verbuerd. Ende daer of souden
hebben die aeldinghers die rechte helt, 1, 331.
So wie die sculdich es in te bringhene van enigher
verstervenessen , dat hy den aeldinghers doe ghe-
noech binnen XL daghen, 1, 333. So waer dat
ene doot verstorven es, daer bezittere jof bezit-
tighe blijft, ende die bezittere iof bezittighe ver-
souc doet an deelmans omme te verheffene ende
te verdeelne tieghen die aeldinghers , dat deelmans
sculdich siin , den aeldinghen dachvaerd te settene
ter stede daer die doot verstarf, ende eiken aeldinc
te daghene te siere dachvaerd te commene, up
ziin deel te verliesene tsieghen den bezittere iof
tsieghen die besittighe, 1, 334. Ware ooc dat zake
datter enich oubeiaerd aeldinc ware ende deelen
wilde, ende die vogheden hadde, ende biconsente
van sinen vogheden, so moeten dies ghelike die
vogheden hebben een ghebod in te gane ghelijc
den anderen aeldinghers, 1, 338. Wilden van
Lubeke, aelding int goet dat bleven es bachten
Janne Ooien, 1, 429. Dat de voorseide Tideman
Wilde , Symon WUde ende Metkin Wilde alle ael-
dinghers waren van Jans Oools dood , als van ziere
moeder zfde, ende van ghetrouweden bedde, 1,
430. Midts dat de stede aeldinc was van den
vierden vierendeele van . . heer Pietren den Nayer ,
mids dat hy bastaerd was , 1 , 534. Bemaerd
Bettin als broeder ende aeldinc van den vorsey-
den Berthelmeeuse Bettin, 1, 537. Zie nog I,
204, 332, 341, 497, 558—71 passim; enz. — Ook
verbonden met Aoir. || Ende waert eenich van
minen hoyre ofte van miuen aeldinghers, so ont-
ghevic hem van nu vort al dat ghoed, dat hem
van mi toecommen eude versterven mach, Vad.
Mus. 4 , 359 {a. 1372). Al sulc goet . . als den
hoirs ende den haeldinghers . . toecomen, ver-
storven ende gebeurt mach wesen, ZFl, Bijdr, 4,
141. Van den hondert ponden groten tornoise, die
Martin vorseit . . den vorseiden Grielkin gaf, in
manieren, storft zonder hoir, dat zy weder keeren
zouden up hem of up zQn wettelijc hoir ende
aeldinghers, Cout. v. Brugge 1, 431. In den name
van den kindren, alse hoyre ende aeldinghers
sinde an deen side, Cout, r. Oent 529. Dat nem-
mermeer yemen anders dan sylieden selve hoyrre
ofte aeldinghers wesen souden van der vorseiden
versterften haers kints kinde, 547. Dat by cos-
tumen niemene vurder eet schuldich es te doene . .
dan thoyr ende aeldinghers van der versterften
vorscreven, 549. Men gaf den twe cnapen . . be-
segelde letteren van sgraven weghen , dat sy souden
gaen te haren lande, ende doen comen de aeldin-
ghers ende gherechte hoir van den vorseiden doeden
coeplieden, Cron. v. Vlaend, 1, 42, — Nog haalt
De Vries een oud testament aan uit Diericx, Lois
des GantoiSy 1, 318, waar aeldinger naast hoir
wordt genoemd. „ Negeen van minen hoyre ofte van
minen aeldingers^^ , heet het aldaar , en straks wordt
gesproken van „al dat goet dat hem van my verstorven
ofte verschenen mochte wesen. " Hieruit , in verband
met de plaats uit de ZVl, Bijdr, 4, 141, trekt hij
het volgende besluit: „Aan het hoir derhalve is
het goed verstorven^ aan de aeldingers is het ver-
schenen of gebeurd. Vermoedeiyk worden door hoir
de erfgenamen in de rechte lyn bedoeld, door
aeldingers de erfgenamen bij uiterste wilsbeschik-
king." Doch uit het groot aantal plaatsen, inzon-
derheid uit de Cout. v. Brugge^ biykt ten duidelijkste,
dat aeldinc de wettige erfgenaam in rechte linie
is. Worden beide termen nu vereenigd aangetroffen,
dan komt ons voor dat zij synoniem zyn. Vg.
hetgeen De Bo t. a. pi. zegt: „Aalding is het
oude Vlaamsche woord en beteekende: Een erfge-
naam volgens de zeden en gebruiken onzer heiden-
sche voorouders ; het ander (hoor), van lateren dag
en vreemden oorsprong , was : Een erfgenaam volgons
63
AELE.
AELW.
04
nieuw ingevoerde rechten en wetten. Aalding bleef
het volkswoord, Hoor was de rechtsterm. "
AELEIGEN. Zie by Ael, 3de art.
AELINGE, AELLINGE, en AELINC, AEL-
LINC. Zie Alingk, Alinc.
AELMACHTICH (aelmachtech), -tigeoïtege,
bnw. Verbasterde vorm van Amachtich , door het
niet meer verstaan van het oude voorv. «-. — Bij
Kil. Aelmachtich, j. amachtich, impotens."
MachUlooi^ afgemat^ uitgeput van vermoeienü, ||
Opdat ge in den wech niet aelmachtich en wort,
Fase. M. 2d.
AELMAN. Zie Aleman.
AELMATIKE. Zie Almatike.
AELMECHTICH. Zie Almechtich.
AëLMISSE (aelmis, almisse, elmis), latere,
verzwakte vormen voor Aelmoesene, Aalmoes.
Mnd. almese, almüse. Zoo Doctr.l^ 733, 756, 781 ,
83Ö (var.); Hild. 60, 136; 225, 166; 231, 168;
Spreuken 18, 44; Clerc. 45; L. Keurb. 202, 250,
489. Zie Ned. Wdb. op Aal mis en verg. den
in 't eng. nog meer samengetrokken vorm alnu.
— Ook in de samenstellingen:
Aelmisbroot („In der kercken, als men dair
aelmisbroot deelt", L. Keur 6. 485, 6); aelmiscor/
(„Vrecheijt totten aelmiscor/^\ Versl. en Ber. V,
31, verg. Fruin, Bijdr. N, R, 9, 27); aelmisfiede^
-luyden („Huttekens, daer aelmisluyden inne woneu,"
Inform. 219J ; aelmisprovende , een dagelijksche
maaltijd ten oehoeve van armen, („Dry e elmispra-
vende geacht voor drye personen , Nijh. 6, 79).
AËLMISSE. Zie almisse.
AELMOESENE. (alemoesene, aelmoessene,
aelmosene, aelmosine, aelmoessine, almoes-
sene, almoschene, aelmoese , aelmoesse) znw.
vr. Van Lat. eleemosgna^ Gr. èXsrjfioaivrj, gift uit
medelijden. Blijkens de afleiding was alemoesene
de oudste vorm ; doch de meest gewone was
aelmoesene ^ welke vorm allengs afgekort werd tot
aelmoesen, aelmoese, eindelyk tot aelmoes. Reeds
in H mnl. vindt men „clene aelmoe8é*\ Lanc II,
24397; „van selseure aelmoesse^\ Velth. IV, 42,
18; „in aelmoesen*\ Christ. 786. || Bedinge die es
harde goed in vastene, als men almoesenen doet,
Rijmb. 15845. Ënde bat hem dat si al haer leven
gerne aelmoesenen souden geven, 15963. Gef ael-
moesenen met reineu moede, 15443. In aelmoesenen
leecht grote ere, 15446. Sine alemoesenen die hi
guf, 16061. Ende alemoesene bidden gaet, Franc,
3760. Alemoessene en soude niemen ontfaen. Rosé
10649 (var. aelmoesene). Van aelmoesene was hi
groet, Theoph. 65. Ende gafhare aelmoesene mede,
Sp. III*, 4, 22. Alsoe verdryft tallen stonden die
aelmoesene die souden , Doctr, 1 , 834. Aelmoessene,
vasten noch beden, Lsp. I, 13, 117. Gi hebt grote
almoessene gedaen, Lanc. III, 8984. Ende om
almoessene daer bat, III , 10742. Wat loone hi heeft
die almoesene doet, Amandli, 1112. Een armen.,
die u enige almoschene bidt, Ltitg. II, 1475. In
aellemoessenen ende in weldaden, Praet 4831.
In rechter aelmossen, Mieris 2, 238a {a 1320).
De sijn erve vercoept of in aelmossen gheeft ghees-
teliken luden, die verboord twintich pond, R. v.
TJtr. 18, 21. Van offerande ende van aelmossen,
Rek. d. Oraf. 3, 88; enz. — Aelmoesene eten,
per metonymiam gezegd voor gebedeld brood eten. ||
Als si der ondedeger liede aelmoesene at , Christ . ,
titel vóór vs. 781. Si ginc daeghlijcs van doren te
doren bidden aelmoesene gemeinelike, .... ende
daer met levcse, dat drancse, dat atse, 732. —
Aelmoesene varen, uitgaan om te bedelen.
Verg. bedevaert, pelgrim aedse, varen,
enz. II Of een broeder biddere sent, of selver
vaert aelmoese toe den spetael zonder oerlof, D.
Orde 264. — Aalmoesene roepen, om een
aalmoes vragen, eig. „aalmoes!" roepen, jj Eenen
sot, die aelmoes riep, Rek. d. Graf. 3, 95. —
In aelmoesene bidden, om Oods wil uitnoo-
digen, uit barmhartigheid te gast nooden. \\ Amant
plach in aelmoesenen sonder saghe te biddene met
ootmoed icheden XII die aermste van der stede te
siere maeltijt, Amand II, 1114. — Bew ijsde
aelmoesene, eene aan iemand toegewezen gave.
Verg. Bewisen. || Van den sekeren renten so
sal mijn joncvrouwe Berte ghelden Niclaus van
Putte rechte sculte ende bewijsde almoessene van
dien die ierst vallen, Oorkb. 2, 134^ (a. 1276).
AELMOESENIE, znw. vr. Van Aelmoesene.
Aalmoezeniershuis. \\ Zekere profite ende jaerlijck-
sche renten, die haere de aelmoesenie van sente
Piet«rs schnldich was , , Gends Chtb. 190 (a
1413). Ter voerseider aelmoessnien bouf, 191.
AELMOESNIERE (almoesniere), znw. vr. ,
later veelal aelmoesnier, -niere, onz. Van lat.
eleemosynaria , tr. aumónière. Aalmoestaseh, geld-
buidel, en by uitbreiding tasch, buidel in H alge-
meen. II Doe vonden si daer ene almoesniere , Z^imt.
III, 8808. Hi trac uut sinen almoesniere, die
God van Minne , een sintel diere , Rosé {C) 1919.
Sconegordele ende almoesniere, 2089. — Elders,
meer naar den Franschen vorm Almoniere,
ook Almenier, Alminier, Almelnier,
ja zelfs Halmeniere, halmelnier ge-
schreven. II Si wrochten hem mantelsnoere , ende
huven ende aelmoniere , Parth, 2856. Messe ,
gordele ende almoniere cochti haer goet ende
diere, Beatr. 175. Sint idel es nwe almoniere.
Rosé (C) 7364, by ^vs. 7454: u almenier. Stac hi
in sine halmeniere een paer letteren, Lanc. III,
13682. Een gordel men an sine side sach, daer
een halmelnier ane hinc, III, 11274. — Ael-
moesnier, als onz. gebruikt, vindt men o. a.
Belg. Mm. 3, bl. 110 vlg. {Bloeml, 3, 24
vlg.), als: II Dit aelmoesnier, vs. 80. Taelmoesnier ,
99, 11'4, 122. Int aelmoesnier, 118; vg. boven
het tweede voorbeeld. — Ten onrechte wordt
het elders in hetzelfde stuk manlyk gebezigd.
II Een gordel ende enen aelmoesnier, vs. 66.
— Nog meer verbasterd van het oorspronke-
lyk Fransche woord is meisniere, dat Belg,
Mus. 1 , 336 , 360 voorkomt , en waarmede wel niets
anders bedoeld kan zyn dan de altneniere, Eene
non heeft haar neus afgesneden, en: „Si nam
haren nese sciere ende deden in haren meys-niere.''*
AELWERICH (aelwerech, alwarich), -rige
of -rege, bnw. Aelwerich, eigeniyk aelwarich , is door
middel van het achtervoegsel -ich afgeleid van
den grondvorm aelwaer, in den Teuth. „Aluwer,
simplex'*^', ohd. alawdr (Grimm, B. Gr. 2, 553,
677, 651); ags. ealverlice {JËéiim. 2,^) ;m\ï^,alwaer e \
nhd. alber, albern; mnd. alver en, volgens zeer
waarschyniyke gissing van Cosyn, got. alavers ^
te ontleenen aan alaverei, zooals volgens hem
moet gelezen worden in plaats van allsverei] zie
T, en Lettb. 6, 239 vg. Zie over de afleiding des
woords en de ontwikkeling zyner verschillende
beteekenissen , Ned, Wdb, op Aalwaardio, en
de breede uiteenzetting in De Jager's N. Archief
261—282.
1) Oorspronkeiyk, eenvoudig, dwaas, en vandaar
Gemelijk, verdrietig, knorrig. \\ Hi was aelwerech
ende onwys, Boerden IV, 8.
65
AEM.
AEN.
6&
2) DarUl^ brooddronken, In een Tafeï^eelken
van twee personnagien (Dram, P, 285 vlgg.) heet
een der personen Alwarich voortstel^ d. i. dol plan,
II Ghij heet Alwarich voortstel : van u zo mneghen
si seer zjjn verheucht, ald, vs, 9. — Vg. Alwarich.
AEM. Zie Adem.
AEM. Zie Ame.
AEMACHTICH, AEMECHTICH. Zie Amacii-
TICH
AÊMINGE. Zie Aminge.
AEMVAT (haemvat) , znw. onz. Uit Aem , wijn-
maat , en Fat, Aamvat , vat dat één of meer aam wijn of
ander vocht inhoudt. \\ Van elcken vrempden drancke
daer coerenwerc toe es, . . zo es men schuldich
yan elcke haemyate , houdende 48 gendsche stoopen
ofte min , 8 deniers parasyse , eest vul of wan , op
dat het liggende beede de bodeme getaken mach.
Item de kuelsche haemvaten van 60 stoopen sijn
ooc schuldich 8 deniers parasyse, eest vul o^ wan . .
Item vaten van 8 hamen, eest meer ofte min, es
schuldich van elcker ghenscher haeme alzoe vele
alst houdt, 6 deniers parazjse, Diericz, Mém. 2,
127. In den tekst staat beide keeren verkeerdelijk :
haembate^ haembaten,
AEN (ane, an, in 't rijm ook anne, Rijmb.
23028, Grimb, I, 3028, enz.), voorz. enbijw. Got.
ana ; ohd. ana; mhd. ane , a» ; nmd. ane , tfi» ; gr. dvd.
De mnl. grondvorm was aney allengs tot aen, an
verkort, evenals ave tot af De drie vormen worden
in H mnl. willekeurig dooreen gebruikt ; ane meest
bij oudere, an en aen meest bij latere schryvers.
— Aanm. Aen, verbonden het voorn, bgw., hoewel
in werkelgkheid bgw. (Vg. Achter bijw. d, 1.) is
onder het voorz. gerangschikt, daar het naar zijn
aard daartoe behoort.
I. Als voorzetsel.
Oorspronkelijk met den datief of ace, naar ge-
lang het eene rtut of beweging binnen eene ruimte y
of wel eene beweging naar iets heen^ eene richting
uitdrukte. Doch dit onderscheid ging al ras ver-
loren ; de ace. kreeg meer en meer de overhand , en
had reeds in de 14de eeuw bijna geheel den datief
verdrongen , die alleen nog in staimde spreekwazen
in gebruik bleef. — In 't algemeen drukt ane ^ aen y
an eigeniyk de betrekking uit van personen of
voorwerpen, van wier oppervlakte een gedeelte
wordt aangeraakt y of naar welke eene beweging
gericht ie.
I) Oorspronkelijk met den 3/2»», doch allengs
veelal ook met den Aden nv,
1) Van plaats y in eigenlijke opvatting.
a) Onmiddeliyke aanraking: Opy op de opper-
vlakte van, II An der heiden, an der heide, op het
veldy Rein, 1,879, 1098,1429,2286; TroyenQ279;
Sp. Is 46, 6, iy>, 16, 36; later: Aen die heide,
Eein. II, 4410; OFl, Oed, I, 86, 110; Teest. 320,
An den velde, Sp, lY', 10, 66; an twoeste velt,
Rein, I, 2266; an dat velt, Fl, Rijmkr, 9242; ane
den velden , Brand, (H) 1546. An de erde , S^, III* ,
36, 71. An daerde, opdengrondy Merl, 31069, Ane
des zees gronde, Brand, (ff) 350. An denzande,m
het zand y ^. I», 76, 76. An desen berch, Yelth. 1,13,
22. Eest an straten, eest an taverne {var, op str. of in
t.) , Fad, Mtts, 2 , 393 , 435. Dus spraken die boecstave
an den saerc upten grave. Rein, ly 459. Die letteren
die men daer an sach , 455. — Aen vare (vaerde)
en de aen velde s^n, op weg en op "'t veld zijn^
vooral in de bet. van aan eene vechtpartij of een
gewelddndigen aanslag deelnemen, \\ Metten ghenen
die waren an vaerde ende an velde, daer onze
neve . . vermoert wort. Oor kb. 2, 502tf (a. 1299).
Die mit hem an vare ende an velde waren, R. v,
TJtr, 60. Yemant de daermede ware an vare of an.
velde , 63. — Later in vare (vaerde) ende velde y b. v.
Handv, v, Alkm, 90a; v. Medembl. 60a, 61 d; v.
JFeesp 9« , enz. Zie verder Yaer en Yaert , die
in deze uitdrukking wel niet de bet hebben van
reiSy weg (van varen) y maar die van hinderlaag ,
(van vdreny waarvan Qo)si gevaar y ongeveer ytnz.yygl.
got. /êrja), — Deze uitdrukkingen zijn echter
overblijfselen uit een vroeger tijdperk, en bg der-
geiyke plaatselijke aanwijzingen werd eerlang aen
door op of in vervangen, t^rwQl zich aen beperkte
tot aanduiding van het raken der oppervlakte in
meer eigenlijken zin. || Een swaert . . hadde an hem
de Sarrasijn, Fland^, Y, 121. Enich man de meer
verdobbelde dan hi ghelts an hem hadde, R, v,
TJtr. 43, 91. Hoort, wat daer an (op den gouden
kop) gemaket stoet. Flor, 631. An den schedel,
op het deksel y 642. Ware al tlaken perkement . . ,
inne gescreeft niet daer an, Rein. I, 93. Daer
sinte Servaes sgn houft aen leende, Serv, 1,2993.
Ie hadde niet daer ie mjjn hooft ane lenen mochte,
Ruusbr. 4, 30; verg. 1, 151. Die soon des men-
sches en heeft niet daer sijn hooft aen rusten mach ,
Oest. Rom. 163d, (Si) clopte aen haer borst ende
aen haren lichame, Christ. 796. Ane sijn hovet
lach haer aenscyn, JParth. 8265. Gust mi an minen
mont. Wal, 5468. Ende cussent (tkint) andenmont,
Limb. lY , 1827. Custese an haren mont , Melib. 4268.
b) Aanhechting of verbinding , het zich bevinden
van een voorwerp , eene eigenschap of hoedanigheid ,
aan eenige plaats , bij of in eenig voorwerp of eenigen
persoon. Thans : Aan , in , bij , ten opzichte van. \\ Raste
aen den geeste, Christ. 507. Gracht aen den lichame,
bliscap aen den geeste , 721 vlg. Quetsinge aen haren
lichame, 432. Gesonde aen ziele ende aen Ifjf, 1880.
Gestorven ane der sielen, Ruusbr. 2, 121. Reine ane
lif ende ane herten , Limb, Serm, 27 d. Ane dien dat ,
voor zoover y 164^. Al es si scone an den lichame, Limb.
I y 1366. Die scoonheit die ane u lach , Parth. 7625.
Die doegde die aen hem waren, Heelu 6459. De
omoedichede an hem ende an de zine , Franc, 3102.
An Adame was die materie van alden lieden , Rijmb.
388. So dat men Alexanders gedochte an die moeder
kennen mochte, iSp, I*, 8, 55. Dat jammer, dat
si aen haer sagen, Christ, 896. Dat si ane die
prelaten sien, Wrake I, 274. Yoer dat hyt ane
enen andren siet, Yelth. I, 27, 122. Dat ghi
versien gaet ane hem, Limb, XII, 1024. Om te
te besiene ane u, 1054. Dat men groet jammer
sonde scouwen ane kinderen ende ane vrouwen,
Edew, 1693. Daer alle doget was an, Sp, III*,
11, 39. Daer vele w^sheden was an, III*, 40,
8. Daer vele doegden leget an, Lorr. II, 1690.
Daer gheene loosheid an en es, Rijmb. 22328. Al
haer dinc, die hare an haren man gebrac, Edew.
141. Ende ane u meest mochte mesvallen, Limb.
YUI, 428. Sibile die bekinde ane den ridder
dat hise minde , YI , 197. Die letteren . . deden
an tgraf bekinnen, wie daer lach begraven bin-
nen , Rein. 1 , 455. Wi syn schuldech te hatene an
hen , in hen , dat si ons syn lettende in den weghen
van onser selegheit, L, v. J, e, 85. Die souden
haten an den sonderen , Limb. Serm, S2e, Daer gi
enigen troost wet an , Grimb. II , 384. Ane den nest
es saen vermoedt wat vogle datter inne broedt,
Teest. 938. — In de uiMrukkingen : Daer es
(was) niet ane, in tweeledige opvatting:
a) Daar is niet aan gelagen , verbeurd , daar
3
Gl
AËN.
AEN.
68
wordt niet op geht^ om gegeven^ d^xt komt erniet op
aan. \\ Wijf ende kinder, daer was niet an; nienne
spaerder nieiuen altoos, Rtjmb. 33627. Al sijn temp-
tacien snel int toeval, daers nietane, Wap. Rog. 249.
Zoo ook Sp.V, 32, 89. — b) Daar is niets (van) aan^ het
is geheel onwaar. || Hi was Gods prophete gheacht met-
ten lieden: daer was niet an, Rijmb. G040. Nn mogte
iman spreken : Dengele sin boven mi : dar en es uit
ane , Limb. Serm. VA%d. Yg. Esop. XXX , 18 : Daer
es I ander redene an , het is geheel anders. — S o vele
e SS er an, zooveel is er (van) aan, zooveel is seirer.
II Maer so vele esser an, hine en steelt neghenen
armen man, Eleg. 243,vgl. 511. — Aen handen.
a) In handen. || Die trecht aen handen hebben , Matth.
34. Dair men die last mede aen handen heeit , 79. b)
Onder handen y in behandeling. || Die materie die aen
handen is , 78r). Ophanden , op til , beraamd^ overlegd.
II Die welcke op ghelove sinen vader ontdeckte die
sake die aen handen was ,64. — Aen i e m e n s
stat, in iemands plaats. Enen andren meester ane
zine stat te kiesen, D. Orde 313. Ane Gots stat,
Limb. Serm. 2Tb. Wel een germanisme (verg. hd.
anstatt) y evenals aen eeds stat, in plaats van
een eed. \\ Ende ghelaven van beiden siden, mit
goeden trouwen, aen eeds stat, enz.^ Nijh. 1,
358. — Aen brand e, in brand. \\ Dat hi als
dan die stede . . aen brande steken sonde. Ere.
Cron. 211c. — Hiertoe behooren ook de uit-
drukkingen: II An dievaert, op reis^ op teeg ^
Sp. III', 48, 38. An sine vaert, Limb. VII,
1877. Aen de reise, Stoke V, 1038. An den
ganc, op toeg^ Rijmb. 13846. An sinen ganc,
Sp. IV', 27, 72. An die strate, op tceg^ Sp.
IV', 6, 21. An der se aren, in agmine^ Sp. I»,
16, 21. An sire roten, in zijn gevolg ^ Sip. III",
67, 16. — Zie verder bij Vaert, Reise, Ganc,
Strate, Scare, Rote. — Anporre, an porre,
zie Porre. An roere, zie Roere. Antame, zie
Tame. An staden, zie in staden op stade.
c) Aangrenzing of onmiddellüke nabijheid: Bij,
nabij y naast, nevens. \\ Tbordeel , dat ane die
porte stont van der stat, Lorr. I, 248. Een scure
staet an sijn hnus, Rein. I, 1123. Absalon ghinc...
an Davids amyen liggen saen, Rijmb. 10459. Dese
sijn vergadert ane Garine, Zorr. 11,419. Woenende
ane den berch, Lsp. II, 55, 16. Neven den watre
an die wostine , Ferg. 2479. Met sinen rocke hi
an (strijkelings langs) hem swaf, Franc. 6477.
Doe hi geschapen hadde den man , so sciep hi een
wijf daer an, daarbij , daarnaast, Mloep. II, 2837.
2) Fan plaats, in overdrachtelijke opvatting, bij
uitbreiding of toepassing. Bij uitbreiding wordt aen
als plaatsbepaling gebezigd in een aantal verschil-
lend gewijzigde toepassingen, aan welke echter
altijd het denkbeeld van aanraking , verbinding ,
gepaard gaan, samenhang of het gelegen zijn in of
bij iets ten grondslag ligt.
II Die gerne ware ane torloge, Lorr III, 84.
Gestadich an die minne. Flor. 330. Genoech aen
seven warf, Rijmb. 24101. Dicke versuchte hi an
sine sprake , in , bij zijn spreken , 529. Daer ie te
lange ane sweech , Lorr. II , 4083. Daer liecht hi
ane, Mask. 442. Ende bleef doet an pinen-(%',
onder pijnen) daer, Lorr. fr. III, 229.
II Dit were heft God ane mi gewarcht, L. v.J,
c. 2. Dat hi engene miraculeu aen haer gescien
liete, Christ. 1742. Daer God so wouderlec ge-
wracht heeft aen, 82. Dat men jammer werken
soude ane vrouwen, Edew. 1701. An thout was her
Adame messeiet, lüsp. 97.
II Smenschen geboorte aen die planeten vele
leecht, Lsp, I, 10, 52. Dat aen Cristum vele ge-
lach, II, 36, 1226. Daer sijn salecheit aen gelach,
Christ. 970. Daer al sine ere leget an , Parth. 7405.
Daer Florisen sin al ane lach. Flor. 2873. Daer
sgn goetdoen ane staet, Parth. 7609. Daer die
raet stont an, 6719. Die sere stont an der heren
prys, Limb. XII, 1064. Sine hope ne lach niet an
den scat, Franc. 161. Nu leget mijn troost an di
allene. Flor. 1220. Haer begerte es an enen stene
Sp. I > , 36 , 42. Want hi onlange daer an was ,
ende hi sijn leven liet, Rijmb. 7106. Laet hi sine
herte an hare staen , 1226. Staen aen sine genade ,
Heelu 3933.
II Booth den here, daer sident an. . . . huwede
een wijf, Rijmb. 9154. Donghelove die Jeroboam
vant van den cal ven, daer bleef hi 9ji, Rijmb. 13124.
Daer soe hare nu hilde anne, dat soe sine amie
ware, 23028.
II Daer en was niet ane bewant, Heeln 2501.
Waer dat hi noemt Antiocus dat dit an Christus
bediet, betrekking heeft op C, op hem slaat, Velth.
VII, 1 , 39. Daer ie ane hebbe cleine macht, Parth*
6389. Die gheen recht en hadde an tlant, ^/). I*,20,
42. Daer en heeft nieman ane recht, Teest. 1216.
Hadder Cortois iewet an (er eenig aandeel aan) , dan
was bi niemene dan bi mi, Rein. I, 122. Zoo ook
Sp. I*, 52, 37, misschien ook Limb. VI, 2446.
Deilinge daer aen, aandeel daarin, Heeln 1477.
Moghcdi daer ane oec sijn gewes, Teest. 2797.
II Si mochten wel merken aen haren rouwe,
ocht aen hare bliscap, wat soud gescien. Christ.
906 Daer men haer doegde mach ane merken , 192G
Der zielen scoenheit daer merct an , JT Plagen 223.3.
Alst aen haer wel sceen, Christ. 526, enz.
II Aquitanse ane hem maken, kennis met hem
maken, Lanc. IV, 990. — Hi nes, diere ende an
weten sal , Rijmb. 18943. Enen ridder . . die wel
an die wapenen can, verstand heeft van, ten op-
zichte van de w., zich verstaat op dew., Limb. II,
791. Die wel consten aen de wapen, die goed met
d£ wapenen konden omgaan, Grimb. 1, 2611, 2925.
Die hare wel an dronie verstoet. Rosé 6161.
Aen die orloghe connen si bet dan wi, Parth.
1478. Si connenr^ bet aen dan wi, 1488. Graven
diere aen connen, nl. d^n stnjd, Limb. II, 1928.
Die bat an gevenijnde wonden can, Lanc. III,
23778. Zie nog Limb. VII, 98; Lanc. III, 25154;
Sp. III», 45, 44; r. <?» Lettb. 5, 115.
II An Willemme beginnic de.se dinc, Velth. III,
18 , 23. Aen ons en sal hi niet beghinnen . . . derre
onminnen, Limb. VIII, 441. Daer na begonste hi ane
Moysem ende ane alle de propheten, L. v.J. c. 239.
Hier an volghet Numerus, Rijmb. 5442. Die ander
ewe neemt hier ende an Abrahame, Rijmb. 1495.
Alse die minne an Gode begint ende ane heme ent ,
Limb. Serm. 25/t. — An rade ofan dade sijn
(met ere dinc), in iets met raad en daad helpen.
II Yemant de daermede ware an vare of an velde,
an rade yof an dade, R. v. JJtr. 63, 117.
3) Op verscheidene plaatsen geeft aen te kennen ,
dat het voorwerp eener werking gelegen is bij of
in een persoon of eene zaak, die er als H ware
de grond of het uitgangspunt van zijn. Zoo
staat aen bij die ww. , die een verkrijgen , ontvangen ,
verwerven, vernemen, of wel de begeerte daarnaar
of de poging daartoe uitdrukken, ter aanduiding
dat het verlangde of te verkrijgen voorwerp gelegen
is in een persoon of in eene zaak, en r^» deze der-
halve verlangd of verkregen wordt. Vergelijkt men
dat mnl. gebruik met het hedendaagsche, dan blijkt
dat beide uitdrukkingen : genade aen Gode verwerven
69
AEN.
AEN.
70
of van Gode even goed zijn: alleen de voorstellings-
wijze is eene andere, en de innl. zegswijze cene
elUptische nitdrukking: dé genade (die) aen Gode (is)
verwerven. Vg. onze uitdr.: iets ontleenen aan iem.,
een voorbeeld aan iem. nemen , vreugde aan iem, bele-
ven (Yg. Lsp, 1 , 29 , 1 : Dus en sach Adam anders
niet an sijn twee eerste kindren, dan verdriet);
in de 17de eenw waren nog verschillende dergelyke
uitdrukkingen bekend , als iets verwerven , bedingen^
hopen ^ erven ^ enz. aan iemand: verg. Ned. Wdb,
op Aan (§ 12 aan het einde). In *t mnl. werd het ge-
bruikt bij alle ww. zonder onderscheid, die hetzij eene
ontleening van elders , hetzy eene begeerte daarnaar
of poging daartoe uitdrukten. Aan moet thans veelal
door van of bij^ somtyds door op worden wederge-
geven. De voornaamste voorbeelden zijn : || Gecrigen
(iet aen enen, iets van iemand)^ Sp. III*, 37, 45,
Jmand II, 1619, Limb. VII, 1440, OFl. Ged. Il,
117, 61. Vercrigen, Heelu 1429, Christ. 1470,
Ned, Proza 72*. Verwerven, CArist. 1036, Beatr,
130, Brab. Y. VII, 2945, Har. Belg, 10, 140, 5,
Exc, Cron, 89<?; 94d. Werven ende crigen , J^rad. Y,
VII, 1010. Ontfaen, Lsp. II, 6, 165, 7'if/?*if. 1514,
Amand I, 5267, K d. Honte 187, Yst. BI. 3286.
Bejagen, Rijmb. 28221, Sp. III», 32, 77, Franc.
5642. Impetreren, Brab. Y VI, blz. 67, var. vs.
71. Procureren, Ltttg. I, 979. Winnen, Rijmb.
17929, Stoke I, 520, Heelu 1730, G^rm*. I, 3941.
Gewinnen, Rijmb. 16378, Sp. III« , 6, 48; 37,
101. Verdienen, Velth. II, 7, 16. Vervolgen (aen
enen, op iemand verhalen), Inform. 408. Halen,
Lsp. III, 26, 49, Vergt 1047. Vinden, van iem.
gedaan krijgen, Terg. 2430, Tim. 2762, Sp, III*,
44, 32. Nemen, Rijmb. 16462, Theoph. 998 vai*.
28, en 1010, Rosé C 7014. Raet nemen, Lorr. I,
801, Rijmb. 4841. Helpe nemen, Limb. I, 696, Sp.
IV', 47, 48. Orlof nemen. Rein. I, 1427, Ferg.
979, Flor. 1755, Lsp. II, 5, 104. Begin nemen,
Rijmb. 1384, -^. I», 15, 35; Rijmb. 1385. Mayen
(iet aen iemen, terugontvangen van, beloond worden
door), Sp. I», 73, 17. Een leen houden aen enen,
Disp. 504. II Vernemen, Rein. I, 3238, Grimb. I,
2355, L(yrr. II, 1316, 2797, Rijmb. 1389, 12759,
Limb. IV, 1594. Verstaen , Eleg. 768, 780, Franc.
1543, 6536, Rijmb. 25832, Amand II, 997. Bevin-
den , Franc. 9549 , Grimb. II, 5417. Ondervinden van ,
vragen aan, onderzoeken bij, £(;md. 21403. Bekinnen
aen weten van, Limb. VI, 197. Hulpe roepen aen,
Sp. I*, 57, 29. Verhoren, Rijmb. 9685. Leren (iet aen
enen, iets van iemand). Rein. I, 204, 2080, 2396,
Rijmb. 22876, Lsp. I, 39, 20; II, 7, 30; 24,38,
Teest. 1448, Limb. III, 1379, L. v. J. c. 84. Sp.
I«, 55, 42. Genieten, Wrake I, 1245. || Begeren,
Franc. 6208, JTap. Rog. 28. Hopen, JTal. 5S7, Wap.
Mart, II, 269, Umb. VI, 553, VII, 299, Segh.
852, Boetps. 32, 51. Belg. Uus. 7, 187,24, Brab.
Y, VII , 14830. Umb. II , 1319. Hope dragen , Sp.
III «, 6, 74. Hope hebben, Ferg. 2089. Soeken,
Lorr. II, 3916, Rijmb. 9910, Heelu 7011, 7125,
Lsp. III, 26, U,Doctr. II, 1377, Limb. IV,
383, VIII, 1404, MeUb. 1722, 3285, Lncid.
1699, Christ. 1869, Ruusbr. 5, 163. Besoeken, Sp.
I», 49, 62, Franc. 1542, Rijmb. 22408. Versoeken
Franc. 1077. Vragen, V. d. Wall 115. Bevragen,
Franc. 6427. Bidden, Heim. 1948, Sp. III», 7,
27, Rijmb. 29116. Verbidden, ^ot^im? II, 239, 1581.
Smeken, Rijmb. 8043. Eescen, Sp. IV», 84, 53.
Vervolgen, dringend verzoeken, Inform. 76. Wach-
ten, Mask. 722. — Hiertoe behoort ook het ww.
hebben, in den zin van verkrijgen. \\ Dat sire niet
an hebben en mochte, niets van haar verkrijgen,
Lsp. III, 3, 806. Hi sach dat hiere niet hadde
an , dat hij niets gedaan kon krijgen , Rijmb. 20000.
Haddi iet an mi , soe en liet u gheen man , Limb. VI ,
2446 (de verklaring der niet zeer duidelijke woorden
is niet geheel zeker). — Hierbij behoort aen bij een
persoonsnaam, ter aanduiding dat de werking bij dien
persoon geschiedt, om door middel van hem haar
oogmerk te bereiken. Thans wordt in dit geval bij ge-
bezigd. |[ Dese paeus brochte dat toe aen den keyser ,
Lsp. II, 48, 754. Sone mochtmen met genen
dingen die dinc an den paeus vulbringen, Sp.
III", 30, 53. Die met scoenen woerden an den
coninc so vele dede, VI. Rijmkr. 9313. Dat si
met haren heilegen gebede aen Gode dat verwaerve
ende dede , Christ. 1035. Doe maecti an die Dietsce
vort, dat si waren an sijn accort, Velth. I, 47,
43. Ende maecte an hem daer alsoe, ald. 49.
Dese Wigbertus wort so wederstaen . ., dat hi
mit siinre leer an dat harde volc luttel vorderde,
Clerc 13. — Nog in de volgende uitdrukkingen,
waaraan hetzelfde begrip ten grondslag ligt, en
waarin a^n ook meestal door bij moet worden weer-
gegeven. II Die beste menschen, die . . meest ane
Gode vermoghen met hare ghebede, Ruusbr. 2,
146. Dat hi ghelesen hadde an Josephuse, bij
Flavius Josephiis, Sp. V, 12, 38. Ie hebbe di be-
jaghet an minen Sone van dinen zonden aflaet,
I', 60, 70. Grote cracht ende macht aen Gode hebben,
Lutg. II , 1349. Want sijs wel macht aen Gode hadde ,
II , 1635. Dat si heme hulpen dingen aen den oversten
Sceppere, Serv. I, 1552. Dese saken . . vervolgde
si . . aen den hertoge, Brab. Y. VI, 8549. Ende
pijnt ane mine here, Lorr. I, 235 Dat si om sinen
wille pinen om der scoender Salaminen ane van
Tracien den coninc, Limb. XII, 999. Ie hope dat
dit ons bat soude helpen aen den keyser, Grimb.
I, 1834. Gods moeder, die mi in mijn inde aen
haer kint halp, Lntg. II, 355. Dat gheen wisse-
laer syns gouds . . en sal mogen loochenen, als
ment ane hem suect te wisselen, Willems, Meng.
347 {in den tekst ver keer d£lijk\ ave hen snect).
Die yrste vrocht . . die hi ane die vrouwe ver-
warf, Wrake I, 133. Ada wan Jabel an sinen live,
Rijmb. 970. Ende wan . . noch XL sonen ane
hem , 10030. Kinder winnen an enen wive , Lsjt.
II, 2, 25 en 29, Sp. I*, 2, 10, m», 2, 13,
Stoke I, 505, Limb. IX, 789; enz. — Eene andere
wijziging is het gebruik van aen bij eene hande-
ling of eene zaak, die voorgesteld wordt als het
middel, waardoor eene werking geschiedt, waarrra»
zij als *t ware hare vervulling ontleent. Thans is
in dezen zin met of door in gebruik, bij sommige
WW. bij, bij andere nog aan. || Die so vele eren
hadde gewracht an te haelne dat cruce ons Heren ,
Sp. lil", 20, 48. Twee standaerde verloes Brabant
hier ane , Heelu 3369. Mochti die maget daer ane
winnen, Limb. VII, 1810. Dit wan Otte ane sijn
bedwanc, Lorr. II, 2075. Wiere aen wint oft ver-
liest, Grimb. I, 3941. Ie souder nu {l. mi) gerne
proven an. Vod. Mus. 4, 314, 53. Gi moget u
proven daer an, 315, 72. Doe gi u daer ane hadt
versadet, Rein. I, 212, vg. Tijdschr. 1, 6. Daer
die Scavedriesche haer ande gerne ane hadden
gewroken, Heelu 7190. Nochtan heeft mense tam
vonden, so datmer beesten ane vinc. Nat. BI. Il,
2288 var. {in den tekst', mede). Ende hi desen
cyrkel van goude ane mi dan behuwen soude,
Lanc. III, 23161.
4) Van tijd.
Daar tijd als ruimte gedacht en voorgesteld
wordt, werd aen ook gebezigd bij tijdsbepalingen,
7i
AÈN.
AEN.
72
ter aanwijzing dat eene handeling voorvalt op een
zeker tijdstip of binnen eene zekere tydruimte.
Thans : Op of in, Yg. ons morgen aan den dag^ d. i.
reedt morgen^ en Bein. I, 136 ghistren in den
daghe, gisteren nog, \\ Noch heden an desen dage,
Rijmb. 26837. Het was wel noene an den dach ,
Limb, III, 412. Heden an desen dach, LeU. N. R,
7*, 129, 6. Van ane dien dach, 150, 18. Tote
noch an desen dach, Sp. III", 20, 34. Ane den
achden dach, Serv. I, 3167. An den middage, Sp.
P, 31, 1. An den avont, Stoke VIII, 1275, X,
161. An deser nacht, £leg. 125 var. M. Recht
aen der selver tfjt, Serv, I, 3128. Ane dien stonden,
Ferg, 44, 2940, 3996, of: Aensionden ^ aam tonde ,
Orimb, I, 1115. Aen corte stonden, binnen kort,
2503. An desen kere, Stoke VIII, 1266. — Ook
voorafgegaan door tote, tot, tot aan. || Tote an
den doemsdach. Brand. (H) 2020, 2025; enz. Verg.
straks bg II, 3).
II) Met den Aden naamval,
1) Fan plaats j in eigenlijke opvatting.
Ter aanduiding, dat eene beweging in de rich-
ting van een zeker doel geschiedt of zich tot eene
bepaalde plaats uitstrekt. Thans: Naar, tot, of, waar
het met vijandige bedoeling geschiedt: tegen. ||
Ridende ant foreest, Ferg. 75. Die pape spranc an
dat vier, Rein, 1, 1148. (Si) quamen lopen an de mure,
Stoke IX, 1163. Doe voeren si an ene vruchtelike
stat. Brand, (ƒ/) 616. Ende es an (in) tlant van
Rome gevallen (verg. ons aanvallen), Sp. III*, 14
69. Als hi qnam aen tlant, FartA, 2097. Keerde
weder an dat lant. Franc. 6574. Set mi an tlant,
Ferg. 3185. Zeilen an den aert, 3273. Hi quam
gereden aen dien casteel, 1157. Ghinghen si vaste
an hem riden, Stoke X, 552. Nu hevet hi gesent
ane u, FartA, 7626. Senden ane den keyser, ane
den hertoge, Lorr, II, 336, 2488. Ende ane den
coninc van Dalmaten ghingen, Limb, XII, 991.
Trocken si ane Pylatus wyf, Matk, 30. Porren al
te hande ane den coninc, Lorr, II, 1161. Dat
gi vaert ane den coninc rike, 1536. £s voren
gevaren haestelike ane Robbrechte, IV, 35. Tho-
lomeus voer an Antiochen , Rijmb, 19862. Te
vaerne an den coninc , Stoke VI , 1299. Ënde voer
an coninc Willem saen, Velth. I, 28, 25. Die
ridder es te bant aen hem gevaren, Orimb, II,
3065. So sQn die Romeine gevaren an Aelbericke,
S^, IV*, 4, 87. Ende voer an keyser Otten , IV»,
27, 136. Ende rijt an Darinse, I*, 26, 15. Ende
liep an hare , Flor, 3690. Dingel ane hem quam ,
Sp. III*, 59, 10. Ane Girbert quam hi saen met
enen gerechten spere , Lorr, II , 468. Dat hi quame
an hare, Limb, X, 599. Al comdi an mi ende an
mine kinder, X, 641. Ane hem waren de goede
liede comen, XII, 1130. En dorste niemantcomen
ane, Belg, Mus. 1, 28, 55. Si quamen an hem
screien, Sp. III*, 40, 34, Dat soe an hem comen
mochte, hem kon aanraken, III*, 44, 28 (Vg. onze
uitdr. ergens niet aan koenen), Haergelijc andren an
hem dwanc. Flor, 3054. Ane hem so dwanc hi sinen
scilt, Ferg. 2339, 3925; enz. — Ook bij de ww.
vechten en striden, waaraan insgelijks eene beweging
in de richting van een zeker doel ten grondslag
ligt. Thans: Tegen. \\ Dus vachtmen an Jothapata ,
Rijmb. 28887. Hi belaghene in een vaste poort
ende vachter an, 20263. Ënde vacht an den tempel
utermaten, 30802. Ende streder an met vier scaren ,
27648 var. Dat hi an den tor niet ne strede,
19890. Ende an hem streden, 19177. Tupperste,
daer si ane streden, dat nu heet die tor Syon,
10006.
2) Van pltiats , in overdrachtelijken zin , bij
uitbreiding of toepassing, Aen wordt aldus ge-
bezigd ter aanduiding, dat eene werking op een
persoon of eene zaak gericht is, zich daarheen
uitstrekt , ze ten doel heeft. Thans : Aan , tot of op.
II An onse gelove bekeert, i^. III*, 57,2. Dattu
di wilt bekeren an de arme Gods, Franc. 3527.
Ende mindi aldus , . . . soe seldi an hare geraken ,
haar krijgen, Limb. X, 651. Want elc man comt
geme ane ene rike, OVl. Ged.l, 82, 714. Spreect
an ons God, Rijmb, 4638. Alse die liede an hem
spraken, 5162. Doe sprac an Achab een Gods man
12693 (zoo ook 6900, 20858, 34527). Ofdieingelen
an hem spraken, Sp. III*, 36, 102. Hi viel an
Gode met siere bede, ald. 52. Hi sprac aldus ant
vier. Franc, 2618. Soe dat hi in hopen sloech aen
onser Vrouwen , {eig, onse Vrouwe) Theoph. 850. Ende
riepen hulpe an onsen Here , /^. I * , 57 , 29. Doe rie-
pen si an Gode genaden , Rijmb. 7445. Ënde riepen
genade an haren Mamet, ZimtsJ. 1732. Ende riep ane
den bode , Lorr. II , 1893. Roep ie an u , Marien kint ,
Limb. XII, 4. Wat roepstu ane mi? Rijmb. 4215.
An hem sprekende vriendelike , Franc. 309. Ie
getrouwe an onsen Here, Sp, III ^, 1, 26. Daer
hi hem best getroude an. Rosé fr., bl. 248, 24.
Ende troosten an onsen Here, Sp. IV*, 21, 96.
Dat ghi u goet settet ter noet anemi,Xtmd. VIII,
1566. Hier an setti al sinen raet, Parth. 2548.
An uwen cop sel hi hebben geset sinen sin , Flor.
2643. Die naer herte leggen an die minne, 55.
Suete rycheit . . , waerbi sidi so ongenadich
dengenen die u an hen lesen, die u tot zich trek-
ken. Rosé 5063. {C heeft: Die hem ane u lesen,
dat ook een goeden zin geeft, nl. die zich tot u,
hun gemoed op u richten, Vg. mhd. lesen (Lexer
1, 1888) en zie verder bij Lesen). Ente vele
hevet ghewesen songhevals ane mi ghelesen, dat
over mij, tot mij gekomen is, Limb. I, 1891.
Dat hi an daerme drouch so grote ontfaermichede ,
Franc, 167. Die an niemen en droech minne , Esop.
LXII, 2. Ofte hi die dinc ane hem draecht, of hij
er schuldig aan is, Sp, IV, 48, 58. Sine minne an
ene ander keren. Flor, 397. (Du) sets an hem
dinen crgch , 1183. Gespar an , vijandig tegen, Rijmb.
16642, 20686. God vergraemde hem dier mï , daar-
over , Wap, Rog. 686. Dat si quamen an sinen raet ,
Rein. 1 , 1003. Ware onse sone an dogeden comen,
Limb, IV, 126. God late ons comen an onse gerief ,
152. (^ kerden hem an hare voere, Stoke VII,
1074. (Hi) keerdem niet an den neve , IV , 769. Hem
daer an keren, zich er aan storen, FV, 1327, V ,
688. Ende (ie) kere an Evax wreder, lAmb. IV, 2099.
Nu willic an die jeeste keren , Rijmb. 8593. Dat
Cristus onse menscheit an hem nam , 34. Ende onse
menscheit an hem nam, Stoke VI, 1079. Die hi
ane hem trac met gelde , . . ende trac an hem dat
recht, Sp. III*, 39 , 37 en 39. Dien die vader aen mi
trect, Doctr. I, 400. Die dan (twater) dranc of an
hem stac, Franc. 10188. Welc u meest toech ane
minne, Limb, XI, 471. Hoe dat hi ane hem be-
dwanc al Gallen, Sp. III*, 54, 43, verg.bO,\, Hi
sal an sine hande {in zijne machf) dwingen harde
vele lande, III*, 31, 35. David dwancse an dat,
daartoe, Rijmb. 12928. Dlant sal hi dan an sine
hant setten, naar zijn hand, onder zijn macht ^
Velth. VII, 9, 91. Dat hi tfolc an sine hant eerst
ghewan, Rijmb, 20238. Die wrake sal aen den
lanshere gaen. Wrake III, 46. Dat aen hem niene
gaet een twint , maer ane u , dat het niet aan hem
staat, non ad se pertinere , Mask. 763, vg. Jf^r/. 260.
Al soudt aen yemans leven gaen, Wrake III, 40.
73
AEN.
AEN.
74
Het sal ane u leven gaen, uw leven zal er meds
gemoeid zijn, gevaar hopen , Ferg. 2338, H^al.
6506, enz.
3) Fan tijd, In deze opvatting komt oen bij ww.
van beweging niet anders voor, dan voorafgegaan
door tote, tot, ioi aan. Aen met zijne beheer-
sching moet dan als één geheel worden beschouwd ,
door tot e geregeerd, t. w. met den 3dennv.,daar
het geene beweging^ maar eene rtf^^ uitdrukt. Doch
onwiUekenrig vatte men tote aen als eene eenheid
op, en verbond het gezamenlijk met den 4den nv.
Verg Ned. Wdb, op Aan (§ 9 aan 't einde).
II. Als bijwoord.
1) Van plaat*. Als by woord van plaats wordt
aen bg andere uitdrukkingen gebezigd ter aan-
duiding van
d) Onmiddellijke aanraking, t. w. van wapenen
en kleedingstukken , die eum het lichaam worden
gedragen (zie boven, I, 1, a). || Ge wapent ende
halsberch an, Eleg. 1112, Qrimb. I, 4189. Platen
of halsberch an , Grimb. II , 2914, enz. — Aen s ij n ,
vast zijn , vastzitten , verbonden zijn , t. w. aan dat-
gene waartoe het behoort. i| Ofte eenich mensch
ware ghewont boven den ooghen dwars ende dat
been ware ghequest, soe besiet oft gaet aldore..
Ende ofte dat stic ane was , hanghet weder te siner
stede, Jan Tp. 82.
b) Aanhechting of verbinding (zie boven ,1,1,
b), in de uitdrukking: — Aen sQn, met den
3den nv. des persoons, van eigenschappen of hoe-
danigheden gezegd. Aan, bij of in iemand zyn,
tot zgn wezen behooren. || Alle doget was hem
ane, Idmb. I, 74.
c) Aangrenzing of onmiddeliyke uabBheid (zie
boven, I, 1, c). \\ Alle die lande ten berge an,
tot aan den berg, Sp. III*, 54, 40. Ende maecte
sine herberghe te stane al tote sUns selves ane,
naatt zijne eigene, UI', 32 , 25. — Ais tegenstelling
van voren bi) een ww. van beweging: voren —
ane (riden, vlien, enz.), voorop — daaraekter
{rijden , enz.). || Madelgijs reet voren ende Vivien
an, Maleg. 524. Maer die stuer (j^^Mr)jaechten van
dane: so vliet deen voren, dandre ane. Nat. BI. V, 476.
— Met het ww. tijn verbonden , in de uitdrukking: —
Aen sijn, bij, nabij, tegenwoordig rt;ii , het tegen-
gestelde van a/zijn. De zaak of handeling, waarbij
men tegenwoordig is, wordt aangewezen door het
voorz. te. \\ Tumus was ten stride mede ane,Z«p.
1 , 42 , 108. — De persoon , wien men nab\j , of bij
wien men tegenwoordig is , wordt in den 3den nv.
geplaatst || Dat hem die doet was ane, Vad.Mut.
2, 57, 244. Altoos is hi ons an mit sinen sub-
tilen vermane, Ltp. I, 6, 18. Soe was hem bi of
an, Sp. lil", 44, 31. Dus was hi hem altoes ane,
11^, 35, 17. Waer daer die porse meest gelach,
was hi den Hertoge altoes an, Yelth. III, 18, 3.
Die dar tue gescapen sin, dasse Gode an sin,
lAmb, Serm, ISla. — Met bi of over , of beide, ver-
bonden , van getuigen , die bij eene handeling tegen-
woordig geweest znn. || Van der ander miracle, daer
goede liede bi ende ane waren , Rumb, Avondit, 17.
Want wi daer bi ende ane geweest hebben , daer dese
saken gesciet sgn , Brdb. T. D. II , bl. 641. Want z^re
by ende aen gheweest hebben , dair alle saken ghe-
schiet siJn, bl. 731. Dat hi dat sach, ende daer aen
was ende bi, Nijh. 1, 318. Want wier over ende ane
gheweset hebben , ende bi onsen rade is ghesciet ,
Mieris 2 , 228a. Mit tween goeden Inden oi knapen ,
die daer over ende an gheweest hebben, Stadr, v.
Zwolle, 150,263 vg. Hier waeren over ende an . . ,
Mieris 4 , 75^ , VèOb. Dat wyre bv , aen ende over
geweest hebben , 3 , 588a. Na raiae onser mago . . ,
die dair mede by, over ende aen geweest sijn,
Nijh. 4, 4. — Het is ieder gelQc an, het ie
ieder even na, voor ieder even verplichtend. \\ Ende
sulc scot . . en mach men niement verdraghen;
want het is ygeliken poirter geiyc an,Matth. 127.
d) Richting naar een doel (zie boven, II, 1).
II Ende varen te Bajoene an, Lorr. II, 264. Ten
oestenwert an , Alex. IV, 455. — In verbinding met
andere bijw. van plaats in de samengestelde uit-
drukkingen: — Daer ane, derwaarts, Her ane
of Hier ane, herwaarts, Werwert an, wer-
loaarts heen, waarheen. || Oi vaert daer eaie , daar-
heen, Rijmb. 7000. Daer ane lopen, Sp. lil", 2,
73. (Die) stede . . daer men winters ende zomers
te paerde ende te voete aen mach, Inform, 194.
Quam gedreven her au, Stoke IX, 1283. Wildi
mi helpen, buget hier ane, Sp. III* , 60,34. Enen
kerstenen man, die werwert en weet trecken an,
Be^. Mus. 7. 450, 300. — Vort au, verder,
bij Kil. „Voord-aen, ulteritu,''* \\ Als ick op
een placke coeme, soe coeme ick wel voort an,
iS^euJk, 56.
2) Fan tijd. Als b||woord van tyd wordt aen
aan andere bg woorden toegevoegd, ter aanduiding
van onmiddellgke aansluiting of opvolging. — Hier
an, strais hierna, Sp. 1\ 10, 22, Rijmb. 5442,
6332. Daer an, daarop, Rijmb. 10496, 25230,
25967, Stoke II, 421. Saen daer an, kortdaar-
aan, Franc. 6035. Voortmeer an, 7283, Lett.
N. R, 7*, 150, 20, en Vorwerd an, voortaan
steeds, van ntt voortaan, gedurig. || Ende u dienen
vorwerd an , Lane. III , 23749. 8i gaet dimmen vor-
waert an. Natuur k. 1136 var. Gevet nu hare in
dranke te drinkene dan drie dage ende vorweert
an, Jf. en Fr. Heim, 1552. — Vort ane: voert
an, vord ane, of voert anne {Grimb. 1,3028,
II, 2923), voort aan, in de drie opvattingen, die
thans door voort, voorts en poor^oum worden onder-
scheiden, als:
a) Foort, terstond. \\ Die vos vort an ontsloop
ende es ten hole gekeert, Sp. III*, 16, 160. Dus
namen si orlof vort ane, Grimb. I, 2985. Ende
sloech voert an sQn sterke ors metten sporen, I,
3789. — Zoo ook 1 , 3462 , II , 700 , 2299 , 3027 , enz.
b) Voorts, vervolgens. \\ Sgn broeder . . wort
oic ontboden; voirt an twee kynderen, die waren
gebroeder, Grimb. 1, 1100. Van Mechelen ende
oic voirt an tot bi Postele menich man quamen
hem te helpen, I, 2644. Et gheneset ende levet
vort an. Nat. Bl. VI, 726. Ende ligghen voert
ane als een hont sonder spreken , Lansl. 256. Dese
soute sieden dan in watre ende in wine vort an,
M. en Fr. Heim. 1311. — Zoo ook Grimb. I,
2946, 3609, II, 780, enz.
c) Foortaan, ongeveer in de hedendaagsche be-
teekenis, van nu af aan, in ^t vervolg , doch ook
beginnende van een tijdstip, datinHverledeneligt.
Zoo b. V. Parth. 8215 ; Lanc. III , 9885 ; OFl. Lied. en
Ged. 418 , 145 ; Amand 1 , 3963 ; Gnmb. 1, 2367, 3024,
enz. II Toter tijt voert anne dat, tot den tijd toe dat,
totdat, Grimb. 1, 3028. So vort ane dat si out si
XXIII dage, zoo verder totdat, totdat, Sp. II',
59, 14. Gine sijt niet wel genesen van dat giden
camp vacht vortan, van het oogenblU dat, sedert,
Lane. ÏII, 25101. — Ook door meer versterkt:
Voert ane meer. || Dus bilden voert ane mere
dbesniden die Joden al te samen , Teest. 1789. Voert
an meer tal]en stoqden wert hi ter weerelt leven4o
75
AEN,
AENB.
76
doot, Amand I, 1353 {in den tekst verkeerdelijk'.
Wert au). Hudt di van sunden voert ane meer,
L. V. J, c. 164; enz. Zie verder voortankmkkr.
Aanm. Over het scheidbaar en onscheidbaar ge-
bruik van Aen^ Ane, Au, als bijw. , in samen-
stelling met werkwoorden, zie de slot-Aanm. bij
ACIITKR.
AEN (ane, an), voorz. en bijw. Zonder. Got.
inuAy inu\ ohd. dnn, dno\ mhd. dne,dn',Xi\L^.ohne',
mud. ane, dn-, und. ane (Koseg. 1, 3U3 — 401);
ndl. der 17de eeuw ane en oon (Ondem. 1, 177,
5, 401); gr. dvBx- Verg. Grimm , D. Gr, 3,
157, 261, en Uoeufft, Bred. Taai-eigen, Aanh, 2.
L Als voorzetskl.
Ane, dn, voor zonder, was zoowel in H mhd.
als in *t nind. zeer gewoon bij allerhande znw. In
de Duitsch gekleurde Geldersche oorkonden wordt
oen, an, in dien zin meermalen gevonden, als bij
Nijh. II An schaede, 3, 226. Aen versterf, oyiver-
sterfelijk, 346. Aen vede, 4, 125. Aen twivel,
227. Aen alrekunne indracht ende geveerde ,
124. Aen geverde, 211, 377. — Vooral in het
gewone : Aen (alle) argelist , 1 , 358 , 3 , 304 ,
346, 4, 72, 73, 76, 144, 272, enz. — Doch
ook elders in verschillende uitdrukkingen, als:
Ane vaer, zonder vrees. \\ Al moeten si schei-
den ane vaer, Hild. 116, 10. Ende sy ghebru-
kent ane vaer, recht offt hoer eyghen waer, 124,
59. — Ane ra et. || Of een meester weder deze
gezette ane raet ende volgingen des capetels . .
over dat gheberchte varet , dat hem voertmeer gheen
broeder ghehorsame zi verbonden, B. Orde 313.
— An die wet, zonder, d. i. binten, tegen de
toet. II Dus dede hi hoerdoem an die wet, Rijmb.
963. — An gebreken, zouder ontbreken, zonder
missen. || (Die pennine) bediet dien loon die sonder
somme es an ghebrekene nemmermere, Rijmb.
24572 {bij F. : sonder ghebreke). — Vooral bij het
znw. danc in de oude beteekenis van wil, in de
vaste spreekwijze: Ane, aen ofan (meest an)
sinen dauc, eig. zonder of buiten zijnen toil,
doch in de bepaalde opvatting van tegen zijnen
ml, zijns ondanks. ||An minen danc, Lorr. II,
1920; Wal. 5547, 5559; Lsp. II, 61, 40. An di-
nen danc, 'schijnt niet voor te komen, misschien
omdat het gemeenzame dijn niet strookte met de
ietwat deftige uitdrukking. An sinen danc,
Rijmb. 1296; S^. V, 4, 13, I", 67, 44, III',
11, 67, III», 42, 118, III», 20, 25, IV\ 21,
53; Heelu 6558; Stoke IX, 1280; Brab. Y. II,
3274, V, 1050, VI, 5517; Lsp. I, U, 51; Amand
II, 5020; Hild. 144, 153; 166, 177 (var. om).
An baren danc (enkv.), Limb. \ll, 958, VIII,
808, 1657; Sp. V, 16, 30, III*, 39, 67;
Edew. 144. An onsen danc, Limb. IX, 341;
Heelu 4920. An uwen danc, Wal. 5496; Troi/en
{OVl. Ged. 1, 14) 1182 (bij Verdam vs. 3941 : ten
onrechte onsen d.). An haren danc (nieerv.),
Rijmb. 28593; Sp. IH' , 14, 17; 25, 39; 33, 46;
Stoke IV, 525, 925; Umb. VIII, 1275; Brab. ï. V,
1220, 3298, VI, 4351 , 5493; Lsp. II , 46 , 24 , ^/<?j-.
X, 1320. Evenzoo: An sbisscops danc, ^ra*. Y.
IV, 1336. — Allengs werd an door sonder vervan-
gen , en zeide men : Sonder danc, Rijmb. 30846 ;
sonder minen danc, Lanc. II, 1637; sonder
dinen danc, Rincl. 1041; sonder haren^ilanc,
Huyd. op Stoke, Dl. 2, bl. 221; sonder der
Hollanders danc, Stoke IX, 759, enz. Zie bij
Panc.
II. Als bijwoord.
1) Zonder, behalve. \\ Dat hy ons daer aff niet
rekenen en sal noch syne erven, an dan sy ons
onsen pacht daer aff jaerlix geven suelen, Nijh.
2, 67 (a. 1353).
2) In de spreekwijze: Des ane sijn, d. i.
a) Iets ktoijt zijn , het verloren hebben, \\ Daer
moestic myn iser laten, het ontviel mi opter
straten . . dus was ie myns isers ane , Eleg. 735.
Nu ben ie des alles ane, 972. Hare scilde waren
si ane beide, Lorr. fr. III, 201. Nu sijn si alle
bars lives ane. Wal. 6678. Alsof sy ware des
sinnes ane, Trogen 5860.
b) Vrij zijn van iets, er van aj zijn. || So moeste
ich yem reicht wederfaren laten, des ich doch
liever ayn were, Nijh. 4, 126 {a, 1436). — De-
zelfde uitdrukking komt ook in de verwante
talen voor, als ohd. dnu sin; dnn xoesen en dnu
toer dan ; mhd. dne sin ; mnd. ane sin , an werden, doch
daarin wordt ane door Benecke- Muller (1 , 40) en
Grimm (D. Gr. 1», 744, 750, 4, 963) ten on-
rechte als een bnw. dn, dne, expers, beschouwd.
Het is het voorz. dne, dn, als bijw. staande en
met het ww. verbonden , als ten duidelijkste blijkt
uit de geheel gelijksoortige uitdrukkingen: des
sonder sijn, des af sijn, des van zijn. Zie SoNDER,
Af en Van.
AEN, znw. m., voor Naen, dwerg, met wegla-
ting der n voor aan het woord, als in meer andere
woorden geschiedt, b.v. Ap (zie ald.) voor Nap,
aak, hd. nachen, adder , hd. natter. Zie De Vries op
Hooft's Warenar, bl. 90 vgl. || Enen leliken aen,
Lanc. II, 532. Die aen hadde in die hant enen
groeten stoc, 535. Den aen begonst wel behaghen ,
Segh, 3240. Ende maecte den aen vroeder, 3279.
Die aen scoet ane hem, 3292. Sinen oem, den
goeden aen , 3927. — Elders in den Lanc. en andere
geschriften herhaaldelijk naen, als Lanc. II, 537,
538, 544, enz., Segh. 3603 var., 5665, enz.
AENAERDEN , zw. ww. onz. Mnd. anarden; nhd.
anarten, natura insitum esse. Uit het byw. Aen en
Aerden. Verg. Akrden en Akrt (2de art.). Aan-
geboren zijn, tot iemands aard behoor en. \\ On-
cuuscheit art di an van ore , d. i. hore , door
overerving, Rincl. 240.
AENBASSEN {bies, biesen, gebassen), st. ww.
bedr. Zie Bassen. Aanblaff'en. || Hi en darf hem
niet ververen voer der rueden aenbassen, Mloep
IV, 109.
AENBEDEN, aenbeeüen zw. ww. bedr. {aen-
bede, aenbeedde, later ook aenbedde; deelw.o^tó^^/,
aenbeedt, aengebedet, geanebeet) , Ohd. anapét4xn;
mhd. anbeten; nhd. anbeten; mhd. anbeden. In het
mul. was ook aenbidden (zie ald.) bekend, maar
in verschillende opvatting. Aenbidden, met den
klemt, op aen, had gewoonlijk de eigenlijke betee-
kenis van zijn gebed richten tot iemand, hem iu
gebede aanroepen (lat. precari) ; terwijl anbéden
veelal de bet^iekenis van adorare had; vgl. Ned,
Wdb. op aanuidüen.
1) Aanbidden. \\ „ Gi moet met ons gaen ten
temple ende anebeden onsen God." — „Anebeed-
dicken, so waric sod", sprac sente Jan, Yst. Bl.
1086. Di suchtic ende anebede ende bidde ene
visike mede, O. H. Wond. 43. Elc aenbeet sinen
Mamet, L. o. IL 1179. Wi anebeden di. Griste
Jhesu, Franc. 1581. Diene anebedet hi essot, Limb.
VIII, 1262. Ende anebedes die gode mede, *^. II* ,
21, 36. Anebeedt den minen dan, Yst. Bl. 2608.
Ende aenbedt enen vreniden god, Glor. 1029.
77
AENB.
AlUNB.
78
Dien de heidcue van der steden over enen god
anebeden, S^. 11», 24, 4. Dat wi Gode dienen,
danken, loven ende anebeden, Rnusbr. 1, 171.
— Onbep. wijs. II Aenbeden, anebeden, Rijmb. 1376,
178*2, Yst. BI 2600; V, d. Hou te 660; lap. II,
10, 48; 11, 114; 13, 29; Z. o. H. 1590, 3004;
Ca»8. 363; Hild. 7, 127; erus, Wi coraenne ane-
beden, L. V. J. c, 16. Aenbeeden, Y*i. BI. 2597,
2608. Die gode tanbedene, Sp. II*, 29, 58; II\
12, 94. Die gode taenbeden, S^. II*, 37, 3. Dat
Roomsche volc tanebedene plach ene selverine gans,
NaL Bi. III, 358. — Gebied, wij». || Aenbedet,
aenbeedt, aenbeet, Lsp. II, 9, 157; Yst. BI. 2611;
L. o. H. 401. — Verl. tijd. || Aenbede , Lsp. I, 29,
69; L. o. H. 172, 421, 1253; Runabr. 3, 222.
Aenbeedde, lUjmb. 1470, 2140; Franc. 9629, Ltp.
11, 15, 104 en 109; 17, 147. Aenbedde, L. o. H.
581, 3244; L.v.J. c. 58, 235. Aenbeden , Z«j9. II ,
13, 116. Drie sach hiere ende anebeedder enen,
Rijmb. 1779. — Ook scheidbaar gebezigd, jj Dattet
afgode beedde an, W^rake I, 106. — Verl. deel w.||
Anebeedt, Y*t. BI. 2535. Anegebedet, Raasbr. 3,
243. Aengebedet, Ned. Proza 237; Pass. JT. Ic.
Anegebeet, Runsbr. 5, 256. Aeugehedt ^ 1). B. Exod.
34, 15; Deut. 29, 26; Jerem. 22, 9. Geanebeet,
Sp. I«, 47, 129; III», 10, 58. Geanebeidt, Franc.
9130; mz.
2) Zijn gebed richten tot iemand, hem in gebede
aenroepen^ in welken zin men gewoonlijk aenbid-
den bezigde, daar aenbeden gtmttvM^kyoor adorare
gold. Zie Aenbidden. jj „Roept an hem, hi is
vol genaden." Die ridder sprac :„ Dats goede reden,
sel ic God nu aenbeden mi te helpen als een vrient?"
Hild. 50, 130. Dan sal hi anebeden ende aneroepen
die ghenadicheit ende die ontfermicheit ende die
miltheit Gods, Ruusbr. 6, 115. Onse vadere ane-
beden in desen berch ende ghi secht dat Jheru-
salem es de stat daer men anebeden moet, Hs. v.
1348, 85^. Ghi anebedet dat ghi niet en weet,
maer wi anebeden dat wi weten, ald.
AENBËDëRë (aënbkdre, aenbkder), znw.
m. Zie Aenbeden. Aanbidder, jj Lof, hemelsch
vader ghebenedijt. Die dinen aenbeders zo milde
zijt, OVl. Lied. efi Ged. 6, 134. Die anebedre der
Drievoudichede , Franc. 1088. Der afgode anebeders ,
Sp. II», 19, 45. Die ghewarighe aenbeders aen-
beden inden geeste ende in der waerheit, Ruusbr.
3, 67. Gewarege anebederen, L. v, J. c. 115. Die
geware anebeders , Hs. v. 1348 , 856 , vgl. Joh. 4 , 23.
AENBEDINGE, znw. vr. Zie Aenbeden. Aan-
bidding, II In ons en is geen ydel noch ongewa-
righe anbedinghe , mer in u , die die hoefden
neyghet ende bughet den steen ende den metael.
Pass. W. 106*.
AENBEDWINGEN , st. ww. bedr. Enen iet
aenbedwingen, het hem onderwerpen^ aan zijn
gebied toevoegen. \\ Hoe die Gallen entie Germane . .
worden Rome bedwongen ane. Sip. Prol. (bl. 9)
VS. 5.
AENBEGIX, -ginne^ znw. onz. Eerste begin ^
aanvang. Mnd. anbegin. Vgl. Ndl. Wdb, op AAN-
hegin. II Van der werelt aenbeginne, Brab. Y.
VI , 11981. Voir al die (1. der) werelt aenbegin, OVl.
Oed. 3, 120, 4; (verg. Claghe 3, bij Smits en
Schotel, Beschr. v. Dordr. I, 150). In den aen-
begin was een woert, 131, 17. Een inganc of
een aenbegin, Bed. d. M. 255. In horen eersten
aenbeghin, Mloep. II, 818. Van aeubeghin, Hild.
25, 17; 44, 175; 193, 60; 230, 16. Den
ewegen Vader, die een ewech anebegin es der
heileger Triniteit , Rqusbr, 1 , 204. Pie Vader es
een aenbeghin alder godheit, 6, 157. Alle scaden,
in welker manieren dat si ghesciet sien (1. sijn)
an beyden siden van anebeghinne des kijfs , Mieris
2 , 188« {a. 1317).
AENBEGINNEN (verl. tijd began, begonde, be-
gonste), onreg. st. ww. onz. Beginnen, aanvangen. Mnd.
anbeginnen. \\ Den offersanc sinct men dan. Dat
choer beghint ierstwerf an , Bed. d. M. 536. Ende
want die yeesten der princen zoe vele dar onder-
gemenget ziin, dat mense niet lichteljjc na den
rechten ganc en can ontholden, zoe wil ic anbe-
ginnen van den jaren ons heeren eersten vaders
Adam, Ned. Proza 341. Die scepen wyst , . .
van wat einde van der steden dat men den omme-
ganc aenbeginnen sal te gane, Matth. 151.
AENBEGRIPEN {begreep, begrepen), st. ww.
bedr. Aanvatten, aanvangen. Verg. Aengripen. ||
Hoe mochte enech riddere dan begripen sulke
ontrouwe an, dat hi u dlijf heeft genomen! Lanc.
IV, 5080. Eusebius die heilige man die begreep
dat wandelen an in die kerken yanYtale, Sp.ll^,
26, 29. Ende hebt te beghinne ooc mede ver-
sleghen IX dusent man: dus hebdyt begrepen an,
Rijmb. 21816 var.
AENBEHOREN , zw. ww. onz. , met den 3den nv.
1) Toebehooren, behooren tot. \\ Dat den rike
behoert an, Edew. 529. Dits de sone dint gheërf-
nesse anebehorrende es, comt ende lattene ons
doeden, L. v. J. c. 169.
2) Toebehooren, opgelegd zijn, van eene verplich-
ting. II Om dienst te wederstane , die hem te rechte
niet behort ane, daer sal men om striden totter
doot, Melib. 3186 var.
AENBEHOÜDEN {hilt, hielt of helt, htlden,
gehouden), st. WW. bedr. Aanhouden. \\ Wi moeten
die heileghe ghewaden der doechde anebehouden,
Runsbr. 2, 54. , « -i.
AENBEYE, znw. yr. Aambei. Over de afleiding
zie Ned. Wdb. op aaNBEI en vooral T. en Lettb.
1 , 291—298. II Die de aenbeye hadde inden fun-
dament, hi sonde te hant daer af ghenesen werden,
Barth. 712a. Van den aenbeyen of spenen, 2706;
271a. Het doet die aenbeyen die opgheheven zijn
ghaen sitten , 631a. Die aderen . . der aenbeyen , 85tf.
AENBECKEN, zw. ww. onz. Zie Becken. Be-
ginnen te bikken of te slaan, U vechten. ZiüNed.
Wdb. op Aanbikken onz. 1). |1 Maer de vrouwen
moeten altoes anebecken ende tlaetste behauwen
van der tale, Han. II. 39.
AENBELEN , zw. ww. bedr. Zie Belen. Aan-
blaf en. II Wat doet hem ander conste noot, . .
als hem die honden belen an , dan sise weder van
hem slaeu? Hild. 172, 102.
AENBELOOP, -hpe, znvr. onz. Het verschuldigde
aandeel in het beloop of bedrag eener geldsom. ||
Van sinen anebeloepe van den gelde, dat wi . .
uytgeleget hebben , Mieris 2 , 600* {a. 1337).
AENBELOPEN {beliep, belopen), st. ww. onz.,
met den 3den nv. Enen — , iemand toekomen als
aandeel in het beloop of bedrag eener geldsom. \\
Wair enich poirter in enighe erfnisse bestorven van
enen anderen poirter, die sel . . nemen sulc scot
up him als hem anbeloept van den ghenen, dair
hi tgoet of neemt, L. Keurb. 19, 23.
AENBELT, aanbeeld. Zie Aenbilt. ^^
AENBELT, beeld. „ Aen-beld, vetus. iij^«?*.
Kil. Verg. Ned. Wdb. op Aanbeeld (2de art).
Mi.sschien is dit aenbelt bedoeld K. en O. v.
Delft 88, 1: Dat niemande binnen der steede
vriheit en sal moeten werpen . . , cactsen, coot-
ten, clootten, den bal slaen, anbeelten worpen
79
AENB.
AENB.
80
enz. In de in de noot aang. plaats nit O. Keur.
V. Delft II , 19 , 2 leest men „ steenen noch
aenbeelden werpen" en „Voirt sie elcke
mensche toe, dat hij sijn a en bel te beware,
dattet niet npten kerckhove en come." Het schgnt
dns een soort werptuig te zyn, maar welk is niet
zeker. Wellicht z\jn de „imagnnculae " of poppen
(Kil.), dns een soort speelgoed, bedoeld.
AENBERNEX zw. ww. onz. Zie bernen. Aan-
branden. II Altoes roerende mit enen spane, dattet
niet aenbemet, Lanfr. 154r.
AENBERREN (óar, borren, geborren)^ st. ww.
onz. Zie Berren. Voortbranden. \\ Maerghevalt
dat si ontsteken werden van der mannen minne,
si berren an sonder ghebreken langhe met ghe-
staden sinne, V. d. Feest. 701.
AENBESCOÜWEN, zw. ww. bedr. Aanschouwen,
met eigen oogen zien. || Alse wijt hebben bescouwet
an, Sp. III*, 4, 16. Doe dese lettere anebescou wen
van der stat die edel vrouwen, Velth. V, 49, 67
var. Zie de Bijlage op Maerlant^s ^. ^mA D. 3 , bl.
460. In het tekst-hs. anescouwen.
AENBESIEN {besacA, besagen, besten), st. ww.
bedr. Aanzien, || Daerne was ridder no seriant
negheen onder al sconincs man, hine besacheue
te wonder an, Partk. 5089. Vgl. Merl. M0b2 vgl.
AENBESTERVEN, st. ww. onz. Enen. —Door
eens anders dood het eigendom worden van iemand \
hetzelfde als Aensterven en Aenverstervkn : zie
ald. II Nijh. 4, 392; V. d. Wall 692; L. Keurb.
186, 78; 487, 8; Stadr. v. Zwolle, 120, 203; 127, 213
var. ; 132, 223 var. ; Rei. d. Graf. 2,7,8; Clerc 130,
aant. 1); In/orm. 196; R. r. Zutf. 79, 111; K. en
O. V. Delft 86 , 16 enz.
AENBETYEN, aenbetien {betiet, beiyet\ be-
teech , betegen , betegen) , st. ww. bedr. Hetzelfde
als Aentiën (zie ald). Enen iet — , iemand iets
aantijgen, te laste leggen, verwijten. || Die paens
purgeerde hem dan van datmen hem beteech an,
Lsp. II, 49, 37 {var. teech an). lek . . betyet
hem an, dat hj bespaert heeft een stucke erfs,
Westfr. Dingt. 9. — Spreek w. || Als men den hont
dootslaen wil, soe bethyet men hem dolheyt an.
Spreuk. 49.
AENBEUREN Taenboren, aenboeren), zw.
WW. bedr. Van gela. Beuren, in ontvangst nemen. \\
Yoir die welke somme gelds wy die selve onse
vriende . . gesat hebben ende setteu mit desen
brieve, in tweehondert alden schilden des jairs,
der munten voirscr. . . op sente Martjjns dach in
den wynter . . yrstwerflf aen te boeren, Nyh. 4, 32.
AENBEVECHTEN {bevocht, bevochten, bevochten),
st. WW. bedr. Hetzelfde als Aenvechten : zie ald.
Met strijd aanvallen, bevechten. \\ Wairt sake dat
eenich vremde uutlants man . . eenige poirteren . .
eerst anebevochte ende smerte dede, of dat die
voirs. poirtere selve eenige uutlants vremde man
eerst anebevochte ende smerte dede, die voirs.
smerte, by den voirs. anevechter gedaes, sal ge-
betert worden den verweerrer, die aldus yerst
aenbe vochten wort, vierscatte, Priv. v. Brielle 2,
88, 21.
AENBEWISEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als
Aënwisen: zie ald. Aanwijzen, aanduiden. \\ Ende
dat so die lelye bewijsde an in exemplen der suver-
heden, Amand II, 1692. Dat dese twee condicien
in den man alle salicheit bewisen an , up dat mense
te gader hout vast, II, 6499.
AENBIDDEN {bat, baden, gebeden), st. ww.
bedr. Verg. Aenbeden.
l) Zijn gebed richten tot iemaqd, hem in gebede
aanroepen , lat. precari. Aenbidden staat tot bidden ,
gelijk aanroepen en aanspreken ioi roepen en spreien.
Verg. Aenbeden 2), en Ned. Wdb. op Aanbiüden. ||
End keerd hem doe tot onsen Heer, Dien hie
aenbadt mit rouwen zeer: „Gedenc mgns, heer,
ghenadichl^c !" Keiler, Mnl. Ged. 27, 741.
2) Aanbidden, lat. adorare. Eene beteekenis eerst
in het laatst der Middeleeuwen gebruikelyk ; het ww.
veelal scheidb. gebruikt. || Wi comen om hem aen te
bidden , Pass. W, \bbd. Dese goeden plach alle die
crucen die hy sach devotelgcken aen te bidden , mer
eens ghinc hy voer een scoon cruus, dat hi niet en
sach, sonder aenbeden, 260a. Doe die Inden van
dien lande voeren te Jherusalem om dat heylighe
cruus aen te bidden , Pass. S. 8r. (om dat heylighe
cruce aen te beden, ald. d).
AENBIJT, znw. onz. Van aenbiten, ontbeten,
Kil. jentare\ Aenbgt, i. inbfjt, jeniaeulum.
Verg. mnd. anbet. Ontbijt , lichte maaltijd. Zie Ned.
Wdb. op Aanbijt. || De clo veniers voor haer
aenbyte opten H. Sacramentsdag 26 st., Hennans,
Reder. 3.34.
AENBILT (aenbelt, haenbilt, haenbelt)'
'bilte , -belte , znw. onz. Van Aenbillen , aankloppen ,
kloppen of slaan aan of op iets. Zie over de aflei-
ding Ned. Wdb. op Aanbeeld. Mnd. anebelte,
anebolt. Aanbeeld. \\ Want hare slage mochten niet
dieden meer dan een man sloge slage op een haen-
belt dat vor hem lage, L(mc. III, 4876. Noit
smet bet slach hilt aan si twee op een anebilt,
Ferg. 1876. Alse smeden die mit hameren slaen
op een aenbilt ende smeden, Lsp, I, 13, 74. V^
hamere op aenbelte, die daer sonder inde slaen,
L. o, H. 3998. 6hy slaet hier slaghen alsoe milt,
soe een smet doet op sgn aenbilt, Sacr. 634. Den
diamant, dien men op een anbilt leget ende slater
op, Lucid. 2619. Worpmen daer een aenbilt in
{in het vagevuur), het smoute alse oft ware een
snee, Lsp. I, 12, 10. Worde een mensche ge-
slagen met hameren op een anebilt, I, 19, 72
{hs. n.). Niet mere dan aen een aenbelt mochtmen
der covertner ghenaken, Segh. 2222. Dat clincte
als een aenbelt , 4604. Want de maerscalc ne heeft
gheen haenbilt no gheen hamer, Livre d. Mest. IS.
Recht oft ware een anbilt, Flandr. I, 869. — Zie
nog Segh, 6368 , 8666 , 8663. Merl. 9821 , 24976 ,
enz. — Haenbilt, m. gebruikt, Lsp. 1, 13, 76;
19, 73, in hs. 7. — Vgl. ook aenvilte.
AEN BINDEN {bant, bonden, gebonden), st. ww.
bedr. Met den 4den nv. van den pers. en den 3den
nv. der zaak, iemand aan iets vastbinden. \\ Hier na
Marchus gevangen waert met sinen brueder Mar-
cilliane, ende enen stake gebonden ane, S^, 11^ ,
8, 6.
AENBITEN {beet , beten , gebeten) , st. ww. bedr.
1) Aan iets bijten, beginnen in iets te bijten, by
Kil. admordere. || Daer si enen doden man vonden,
ende si sijn vleesch dan anebeten, sone connen si
niet vergheten die soetheit van den vleesche groet ,
Nat, BI. II, 2443.
2) Aanranden, aanvallen, uitdrukking aan honden
en verscheurende dieren ontleend. || Die al om
waren geseten , ende Brabant anebeten met orlogen
ende met reesen, Heelu 486. Vg. Uitl, Wdb, op
Hooft en Ned. Wdb. op Aanbijten.
AENBLIC, znw. m. Aanblik, aanschouwing. Yg\.
Ned. Wdb. op Aanblik. || Dats een vri ende een
wonderlic aneblic Gode vrilike te sinne {siene) in
heme selver, Limb. Serm. 72a.
AENBLASEN, st. ww. bedr. Enen ietaen-
blasen, iemand iets in het gezicht blazen. Vg>.
81
AENB.
AENB.
82
Ndl, WM. op Aanblazen. || Hi bevoelde bi
Hiin aeusicht also veel stofs of ment hem mit
blaesbalghen aengheblasen had, Devoet B, (30)
\Uv,
AENBLIYEN {bleef, bleven, gebleven oi bleven),
st. WW. ohjs. Met den 3den nv. Enen — , iemand
bijblijven,
1) Van personen. Iemand bijblijven, hem getrouw
bleven, II Het moeste smaken met tormente die
bittere doot man, wQf, kint, cleene ende groot,
dat Jhesus Kerste ane wilde bliven, ^. lï" , 10,
56. Ende doepte Geminiane, die Lucien vort mee
bleef ane, 16, 97.
2) Van zaken of hoedanigheden. Iemand of iets
bijblijven, in iemand* bezit blijven, aan iett blijven,
II Sgn bloet in watre ende in wgn den lachame
ende dbloet sijn. Nochtan so bliven hem ane specie ,
smake ende gedane, Sp, III ^, 15, 57. Jof hem
ware enich gestof anbleven van enegen dingen.
Franc. 6870. Bi deser doet bleef daer verloren
beide wapen ende name vercoren ewelike vorwerd
an, want het bleef den Hertoge an, Yelth. III,
10 , 54. Alle de steene , careele , calc , savel , eyser
ende loot, ende al dat ter voerseyde capellen an-
bliven sal, Diericx, Mém. 2 , 107.
AENBOELEN, zw. ww. bedr. Zie Boelen en
verg. Aenbelen. Aa/nblaffen, || Als hem die honde
boelen an, Hild. 172, 104 var.
AENBOERDE, AENBOEBT, AENBOERTE.
Zie Aenboort, Aenboorte.
AENBOEREN. Zie Aenbeuren.
AENBOORDE. Zie Aenboort, Aenboorte.
AENBOORDEN, zw. WW. bedr. Zie Aenboort
en Aenboorte. Oude rechtsterm, vooral in Zee-
land gebmikeiyk. Naatten, benaderen, eigenlek op
grond van aangeborenschap of bloedvenoantscAap ,
bi| uitbreiding ook op andere gronden. || Of die
coopere macht ontfken , op dat siit niet en begheren
te horen of taenboerden, Oorkb. 2, 340a. Waer
oock dat zaecke, dat yemant eenich landt in dit
voornoemde landt vercoopen wilde, dat zonden
wj . . of onse naecommelingen aenboorden voor
elcken man, waert dat onse gevonch ware, Mieris
2, 89tf («. 1310).
AENBOORT (aenboert, aenbort), meest ge-
braikelijk in het mv. aenboerden , znw. m. Y an het
byw. Aen en ge-boorte (got. ga-baurth-e, dus elg.
ge-boorde , zie ald.) , met weglating van het voorv. ge- ;
verg. aanboor ling en inboorling. Ook aengeboerte komt
voor, doch in anderen zin (zie ald.). Jangeborene,
bloedverwant of maag, die aU zoodanig bij verkoop van
vast goed het recht van voorkeur of naasting heeft,
„also hy aen den genen geboren is, die dat erve
vercoopt" (Matth. 112). Verg. het volg. art. en
Aengeboren. II Wat portre zin erve vercoeptbin
40 daghen nadien dat hi de ghifte gevet, moecht
zine aneborden hebben om dat zelve gheld dat si
vercoft es; waren daneborden buten lande, binnen
40 daghen nadien dat si int lant comen, moeghzi
die erve lossen, ende de vercopre zal sweren zin
aneborden, hu diere dat land es vercoft; na dien
40 daghen ne hebben die aneborden gheen talen
an die erve . . Broederkind ende zusterkind ende
narre die z||n aneborden , Oorkb. 1, 313^ {a. 1253).
Wie siin arve vercoopt of vercopen wille , die saelt
drie Sondaghen ter kercken bieaen voer die lieden ,
siinre aenboerden broedere, sustere ende haerkin-
deren, oem, moeyen ende haer kinderen van beiden
halven, ende niet vordere; als drie Sondaghen
gheboden es, so sal die scoutate siin aenboerden
dach legghen in die weke te horen den coop,
ende den copere sinen eet te doene, als die coop
ghemaect was , ende die aenboerden moetent gheren
te horen nomen . . So wie lant vercoopt onghe-
boden ende vergift, sine aenboerden moghent
binnen jare nemen om den selven coop als tlant
vercocht was. Keur v, Zeeland van 1290, a. 90,
in Oorkb. 2, 339.
AENBOORTE (aenboerte, aenborte, aen-
boirt, ook AENBOORDE, aenboerde), znw. vr. Vg.
Aengeboorte. Het op aangeborensehap of bloed-
verwantschap {of bij uitbreiding ook op andere titels)
gegronde recht van voorkeur of naasting , hij verkoop
van een vast goed, later ook daderschap geheeten.
Bij Kil. Aen-boord, Terg. het vorige art. en Aen-
boorden, alsmede Ned, Vdb. op Aanboord. || Van
aenboerden in Zeelandt. Niemant, die in Zeelandt
woent , en sal hebben aenboerte van eenigen lande ,
en si dat hi binnen ien naesten jare ende dage , na
dien dat dat lant vercocht wort, sine aenboorde soke
voor des graven mannen van Hollandt openbaer.
Mieris 1 , SUb (o. 1256 ; vgl. ald. art. 75. In
den latQnschen tekst beide keren aneborte {art.
91, Mieris 1, 307* , art. 94, Oorkb. 2, 25a). — Ane
dat arve mach elc man sine aenboerte hebben,
diet sculdich is te hebbene, Priv. v, Brielle 2,
26, 22. Sullen de heeren hebben aenboirt totter
heerl^ckheyt behoef . . aen alle huysen ende gron-
den van erven . . voer allen anderen, aanh. bij
Noordewier, Ned. RO. 262.
AENBOORTICH (aenbortech), -tige of -tege,
bnw. Ihor aangeborenschap gerechtigd tot benadering.
Zie Aenboort en Aenboorte. || Dat de ghene,
die partie ende deel souden willen hebben in de
coopstat, hem habele gemaect ende gefondeert
hadden als hoyr, naer advenant dat hemanbortich
ware, Tractaet, in Taalgids^ 9, 281.
AENBRANDEN, zw. ww. bedr. Met den 3den
nv. der zaak. Inbranden, branden in. \\ Bruedere,
weenen wi al gemeene, eer wi gangen aldaer die
trane den lichame branden ane, Sp. II', 16, 30.
Yinc: ubi lacimae nostrae corpora nostra combu-
rant.
AENBREKEN, st. ww. bedr. mnd. anbreken.
Breken, verbreken, Ygl. mnd. de helle anbreken.
II Van enen appel boeme vanden welken Adaem
aenbrac dat ghebot Gods, Mandev. 3^.
AENBRINGE, znw. m. Hetzelfde als aenbringer,
lat. delator. Hij die eene zaak in rechten aangeeft ,
voor het gerecht brengt. \\ Die rechter seyt: „Den
anbringhe (/. Die anbringen?) eyssche ie hier"
ende noemt elck by z^nen naem ende toenaem.
Dan comen die anbringen an der werif ende die
voersprake seit dan: „Heer rechter, ist u lyeflT,
dat ie trede uyt A. voorn, woerden ende come in
desen (d. i. deser) anbringhen woerden?" Dingt,
V. Amst. 11 vgl. Heer rechter, hier staen deze
anbringhen ende ie in horen woerden, 12. Men
wijst , dat die acht anbringen loten sullen op vier ,
12. Waer yemant van den anbringhen ghedaecht,
die niet te werflT en quame , daer omme en sal die
claghe niet upstaen {opgeschort worden), 12. Als
die anbringen gheloet hebben, zoe seit die voer-
sprake, 13.
AENBRINGE, znw. vr. De aangifte zelve, lat.
delatio , hetzelfde als aenbrine (z. a.). || Deze an-
bringhen . . begheren een vonnis, hoe zij die
anbringhe doen sullen. Dingt, v, Amst, 12. Zfjn
naghelnaest , die an die werve is , sal die anbringhe
voer hem doen, 12. G heeft den anbringen een
vonnis , hoe sij die anbringhe doen zullen , 13.
AENBRINGEN, aenbrengen {brachte oi hochte,
83
AENB.
AENB.
84
gebracht of ijehcochi)^ onrep^. zw. ww. be«lr. 3Ind.
atibringen . lu 't algemeen dezelfde beteekeiiis als
ons oaHÖretiyeH , t. w. bij iemand of bij iets brewjen ,
doch in verschillende opvattingen, die de hedeu-
daagsche taal niet kent.
1) Enen — , iemand etgetu heen brengen^ t. w.
bij een persoon, die wordt aangewezen door een
3aen nv. of bij een voorwerp, ingeleid door een
voorz. II Ënde gi siten sculdech mi te vane ende
in min scip te l3ringen ane , Lanc. II , 39499. Doe
brocht men hem kinder ane: hi benediedse ende ghinc
dane, Rijmb. 24163. Ënde dune bi gracien briugs
Gode ane, i^. II», 10, 77. Dat wy . . beloven . .
Vranken ende Claeyse zijnen broeder, leveude of
doot , . . an te brynghene in de zelve vanghenesse
ende houdenesse, daer zy nu in zijn, Oorkb. 2,
449a (a. 1299).
2) Iet — , iet» met zich brengen , met zich voeren.
II Nochtan heeft dander eens bestaen met sinen
geselle ten grave te gane, daer hi die kersse
mede brachte ane, Sp. II*, 48, 28.
3) Enen — an enedinc,of met den 3den
nv. der zaak, of met een onb. wijs met te ^ of
met een bijzin met dat. Iemand ergens toe brengen.
il Dus brachte Mordret al die lande an, dat si
an hem vielen dan, Lanc. IV, 10325. Maer om
sterven no om leven ne conde hyt {dat kint) met
ghenen slane an dat ambocht bringhen ane , Heim.
1630. Want hem onse Here brochte an te volgene . .
der ewangelien vulmaecthede , Franc. 1024. Dat die
joecht den jongen man der quaetheit also brachte
an, . . 80 dat hi liet alle goede sede, i^. II',
24, lö.
4) Aan een geheel een nieuw gedeelte toebrengen ,
toevoegen. || Die Norichi entie Dalmaten . . brachte
hi den Roemscen rike ane, Sp. !• , 17, 17. Die veel
landen van nacien van volc aeubrochte ter croneu
van Vrancrijeke, Pass. W. 11 d.
5) Van kleederen of wapenrusting gezegd, in
tweeledige opvatting:
a) Aan het lichaam brengen , dus aantrekken ,
aandoen. \\ Eer die ridder anbringen conde sinen
halsberch , Lanc. II , 5450.
b) Aan het lijf met zich voeren , dus aanhebben ,
dragen. \\ Ghi soudt u hoeden daer ave, dat ghise
{die cleder) niene smettet dan; als ghise te hove
bracht et ane, dat si dan scoene waren ende clare,
Lsp. III, 8, 16. Wie dat dit cleet bringt aen es
overal wel ontfaen, Docir. III, 269. Si brachten
alle die wapen an, daerse den strijt met wonnen
dan, Velth. IV, 43, 11. Soe arm. . dat si cume . .
een cledekijn brochten ane, Brab. Y. IV, 120—124.
— Ook van het voeren van een wapen. || Doe die
coninc te Ghent inquam, . . bracht hi an, wel
gevisiert Vrancrike ende Engelant gequartiert,
Edew. 1053.
6) Enen iet — , van eene tijding of mededee-
ling gezegd: ze iemand aanbrengen^ dus berichten^
vielden\ ook, als thans, van de aangiite van eenig
feit aan het gerecht, de overheid. || Egesippus, die
heilege man, brinct ons dit vor waerheit an, Sp.
1', 3, 95. Als ons Matheus bringet an, Rijmb.
24849. Van hertoghen Jans weghen wort, van
Beieren, aenbracht dese tale, dat hi enz.^ Brab.
Y. Vil, 938. Die anebrochtcn met haren eeden,
dat, enz. Rek. v. Zeel. 2, 307. Wairt dats him die
gruter niet gheloven en wilde, hy en haede meer
ghebrouwen dan hi him anebrochte, V.d. Wall 151
ia. 1322). Als si ons mit besceide aengebrocht heb-
ben, 390 {a. 1404). Hoc dat ons anbrocht es by
diversscben persoonen.., dat enz.^ Vad. Mus, 4,
109 {a. 1438). Dat hen hoir voirvaeders , schepenen
tot Venraede, aenbracht hebben , dat nyemant gheen
ghebot oif gheen bedwanck en hevet ouucr die ludc
van Oestrem, Nijh. 4, 262. — Enen logen — ,
iemand tangens op den mouw spelden^ maar wat
wijs Vlaken. || Doe seidc Dalila tot Sampson: Gi
hebt mi bedrogen ende logen angebrocht, B. v.
1357, 101a. Waer om brenct gi mi dus logen an,
ald. — Ook van rekeningen, aangifte van geleden
schade, enz. || Scade anebrengeu. Mieris 2, 206Ó
vijfmaal {a. 1319). Item so sijn alrehande partyen
{posten) bleven, die dese voers. heren niet betaelt
en hebben, overmids dat mense haren ambachts-
luden niet aenghebrocht en hevet, Rek, d. Graf.
3, 242.
7) Enen iet — , van iets kwaads gezegd, dat
men omtrent hem bericht of aangeeft^ dus aan-
tijgen^ te laste leggen. \\ Ende hevet daer gedaen
voer hem sine purgatie saen van dat hem die
quade knechte anebrochten met onrechte, i^. lil*,
1, 113.
8) Iet — , iets instellen. \\Wt\t vastinc bringen
si an, Sp. IV», 43, 22 (Vinc: Multa , , facinnt
ieiunia).
9) Iet — , iets bewerken ^ teweegbrengen. \\ Dese
kcyser brachte dat ane , dat menne als gode anebede ,
Sp. II*, 1, 14. Want hi wilde dat bringen ane
onder die kerstene met gewonde, dat men die
godheit sceeden soude van Gode den Vader ende
den Sone, II», 31, 24. Hoe hi selke dinc bringe
ane waer bi die twee heilege lieden . . verellent
mogen wesen, II*, 60, 10.
10) Op enen iet — , van een last enz., hem
dien aanbrengen , dus dien op hem leggen. \\ Als dat
ghenen dijck (nl. het onderhoud er van) op eenighen
|)oorter aenghebrocht of aengeset sal mogen worden ,
V. d. Wall 38 {a. 1270), Vgl. aknsettkn.
11) In jur. zin. Bij gemeenschappelijk bezit,
dat men scheiden wilde, had in den regel degene
die het grootste aandeel had , de keus , of hy tegen
eene bepaalde schatting het geheele eigendom
wenschte te bezitten, zijn deel in het bezit tot
geheel wilde maken ^ dan wel of hfl zyn deel door
den ander wilde zien gekocht , zich van zijn eigen-
diym wilde ontdoen. Het eerste heet in de Enk-
huizer keuren (waar juist hij die het minste aandeel
heeft in het gemeenschappelijk bezit, de keus
heeft) den anderen afriden, het tweede den
anderen aen brengen of aenwerpen. Vg.
K. en O. V. Delft 94, 8, en de in de Aant. aan-
gehaalde Briels'che Keur. Vg. ook aenvverpkn. ||
Desgelijx mach hy den anderen (dat.) anbrengen
weder tot desghenen seggen, die daertoe geordi-
neret sijn, is dat sij met malkanderen g^landet sijn.
Ende saylant mach men desgelijcks aenbrengen, bij
gemeenschappelijk bezit ^ tegen taxatieprijs overdoen
offte ofriden, tegen tajratie hetgeen niet zijn eigen-
dom is , overnemen , O. K. v. Enkh, 21 , 98 (vg. 99).
12) Enen iet — , van eene gezindheid, stem-
ming, handeling of gewoonte gezegd; hem die
aenbrengen y dus ze bij hem verwekken^ veroor-
zaken^ bewerken y hem daartoe brengen^ ze hem
ingeven \ lat. suggerere. \\ Die duyvel hoer leids-
man die hem al quaetheit bracht« an, Merl. 3388.
Want men mach dat proeven wel, dat di dese
coringe gevel, dat di dat niet an en brachte
roukeloosheit van gedachte, Sp. III», 30, 19. Dese
forche ende dese were brochte an meerre wille
ende gere Vespasiane, die poort te winne, Rijmb.
28617. Want de hoverde brinct hem ane, dat hi
hem verheffen moet, Stoke VII, 660. L. Temp-
85
AENB.
AEND.
86
teret dwijf . . N, Ic brinct liaer best an bi den
serpente, £lisc. v, M. 151. Vele Syten brochti ane,
dat 8i dat heydijnscap ontgingen, Sp. III*, 4,
84. Das brochti den Jneden ane der heidine cos-
tume ende zede, Sp. !•, 24, 12. Ghierecheit . .
bringet ons die dorpernie ane, Sp, I», 73, 47.
Dingel brochten enen vaer an, III*, 47, 103. Wat
haer tlachen brochte ane, III', 15, 21. Dat (</a/7)
hare een priester anebrochte, omdat soe also geit
winnen mochte, IV», 41, 19. Eest dat u invallen
onsavere beelde . . overmits . . aenbringen des viants ,
Raasbr. 3, 131.
13) Enen iet — , van verschillende zoo aan-
gename of onaangename dingen die iemand ontvangt ,
enz., ze he^n toebrengen ^ bezorgen ^ toedienen. \\
Ghi hadt der werelt bliscap grot anebracht, die
gi na versloecht, Rincl. 1412. Die di anebringt
al selc verlies, Sp. II ' , 16, 92. Die hem doepsel
brachte ane, II», 16, 68.
AENBBINC (aenbrenc), znw. m. Zie Aen-
BRiNGE (2e Art.) en Aenbrengen. Aangifte^ ook
voor het gerecht. || Ten einde van den jair, als
die ghequetste sijn leemte vrinnen wil, so sel hi
betooch brenghen van den scepenen, dat hi dien
man voir ghenoemt heeft ende syn qnetsinghe
ghetoocht, also voirscreven is, ende gheen an-
brenc dair of te doen ten si seepene keulic, dat
hi verleemt is , Leid, Keurb. 37 , 17. Enen
bode die liep in Vrieslant an den bailin, om 1
knaep te daghen, die ghecoren was tot Aemstel-
redamme een aenbrinc te doen van 1 coerwonde,
Bsk, d. Graf. 1, 362. Die selve hooftmans van
cost, die zi in den Haghe uutleiden, . . beliep
die cost bi horen aenbrenc, Bel. v. Leid. 201. Die
achten (/. achte) poorteren voorscreven sullen horen
aenbrenc den Heeren voirscreven doen tasschen dit
ende beloken Pynsteren, 238.
AEND ACHTE, znw. vr., gevolgd door den
2den nv. Verg. Aendenken. Mnd. Andackte.
1) Het denken^ de gedachte aan iets. \\ O suete
Jhesa, onnosel lam Gods, in wien geen vlecke
oft aendachte der sonden en is, Boeek v. d. L.
J. 50c.
2) Aand€tcht^ opmerkzaamAeid. || Is die saleghe
siele aldus minneliken geroepen . . , so doet sy op
haer oren met nerstiger aendachten, Hofk. v.
Dev. 2r.
3) Godvruchtige overpeinzing^ hd. andacht. \\ Een
maghet . . in haer sijde hebbende een grote wonde
bi vele jaren , te weten overmits der aendachten der
passien Christi ende sijnre wonden, Ext. Cron.d'ód.
AENDACHTELIKE, biiw. Met aandacht, met
oplettendheid , ijverig. Mnd. andachtUken. \\ Een
monic die hem sonderlinghe ende andachtelic gaf
tot sinte Barbara te dienen. Pats, W. 115c. Dat
hi hem vlite te dienen oetmoedelike end andach-
telike, D. Orde 218.
AENDACHTICH (aenukchticii , andegtig) ,
-tige of -tege, bnw. Mnd. andach tich.
1) Op enen — , aan iemand gedachtig. \\ Also
staet Hi gheheel te miner hoede, als of Hi alle
menschen vergheten hadde, ende allene op mi
andachtich ware. Stemmen 32.
2) Ere dinc — , aan iets gedachtig, indach-
tig II Ende was des my rakels altoes aendachtich ,
Fass. /r. 115//.
3) Eerbiedig, vroom. \\ Hi wert jegen Gode au-
degtig ende wert ane sinen wercken oetmudeg ende
onderdeneg, Limb, Serm. 66^. — Ook als titel van
geestelijken. || Die eerbere onse lieve andcrhtige
vreeuden , deken ende capittel van onser kercken
van Zutpheu, Nijh. 3, 194 {a. 1394). Dien eer-
baren geisteliken, onsen lieven andechtigen heren
Johanne die Wael, ther tijt prior der canonike
reguliere binnen Swolle, 276 {a. 1405).
4) Met ere dinc — , met iets met aandacht
bezig. \\ Soe sinte Barbara . . mit desen ende mit
vele anderen ghebeden aendachtich ende becom-
mert was, Pass. W. dSd.
AENDACHTICHEIT, znw. vr. Mnd. and/tchticheit.
1) Aandacht, oplettendheid, ijver. || Dat hi . .
alzodane dienre winne, den die anedachticheit ende
oetmoedicheit daer toe brenghe dat si den zieken
lieflike ende ghetrouwelike dienen, D. Ord^ 218.
Buten der ghesatter tijt en solen die broedere doer
andachticheit der kerken, of in den huus . . niet
barvoet gaen, 240.
2) Godsdienstige overpeinzing, Vg. AENDACiiTE
3). II Medidatie of aendachticheit , Boeck v, d, L.
J. 50c e. e.
AENDALEN, zw. ww. onz. Nederdalen, dalende
naderen. \\ Want een bi vresen daer ontscoet,
die cortelike sach albloet seven croenen daer dalen
ane, die Moyses ende sine ses compane scoene
croenden, S^p. II*, 55, 71.
AENDE , Zie Ande.
AENDEEL, znw. o. mhd. anteil, mnd. and^l.
Een bepaald gedeelte , waarop iemand recht heeft, aan-
deel, doch in onze tgw. taal uitsluitend met t» ver-
bonden. II Hi moet hoor gheven dat aendeel van haren
goede, Mandev. Mb. Vgl Ndl. Wdb. op aandeel.
AENDELEN, zw. ww. onz. Aandeel hebben , deel
hebben in of aan iets. Vandaar ons znw. aandeel. \\
Dat hi trike . . sinen neve Valentiniane mede gaf te
deelne ane, Sp. III* , 20, 58. — In den zin van toe-
deelen , eout. v. Antvo. 1 , 346 : dien datse {bona) aen-
ghedeylt sijn.
AENDELICH (aendeelich), -igeoï-ege, bnw.
.Met het voorz. fl^» : Aendeelich aen enen, tot
iemands aandeel behoorende. || By dusdanen weghe . .
mochten vele vrauwen die scoene versterften voer
oghen hebben up hopen van dien , hem ontvremden
van haren gheselscepe, ende dat versteken van
deu ghenen daert andeelieh an zoude weseu metten
rechte , Cout. v. Gent 596.
AENDEN. Zie Axden.
AENDENKEN {aendachte of aendochte, aenge-
dacht of aenijedocht) , onscheidb. onreg. zw. ww.
bedr. en onz. Mnd. andenken^, nnd. andenken (Koseg.
1, 371). Thans als ww. verouderd, maar nog als
znw. {het aandenken) in gebruik.
Bedr. — Oplettend aan iets denken, geden-
ken, bedenken, aandachtig zijn op. || By den
goeden patriarchen , die aendochten hoer beghin ,
Hild. 67, 160. Dese bruat laet ons aendenken
ende bidden haer seer innichlijc. Hor. B. 10,
88. Aendenket mijn grote pyn, 144, verg. 210.
Aendencken , horen ende verstaen die materien ,
die voir hem te vonnissen comen, Matth. 50.
Ist dat ic die maniere aendencke zijnder toe-
coemst , Bern. W, 16c. Die aendencke , dat hi noch
niet en is binnen huys, 3lrf. Wie isser . . die
hem niet en verscricket, als hi dit hoeret ende
aendencket, 84rf. De grote oetmoedicheit ons heren,
als men haer te rechte aendochte, 153£^. Aendenc
mi, Hs. Ps. 54. Aendenc mijn stemme, 161. Aen-
dencke die stemme mijns gcbeets, 85. Hi aendachte
mi , 76. Hi heeft aengedocht mine bedinge , 65 ,
die stemme mijnre bedinge, 70r. Bidt God metten
monde ende metter herten aendenckende , Ejtc. Crpn,
lUta. Aldus aendocht hi sine rleynheit, svn armoédcv
ende syn snoothcit, Con. Som. 170A. '*-
87
AEND.
AEND.
88
Onz. — Met den 3den nv. Aan iets denken^
gedachtig zijn aan iett. \\ Die aendencket den
woerden des propheten , Bern, W, 42a. Dat si niet
andersins en leerden , noch andenken en souden
den fabulen, Ks, 76 /. 836. — Ook absol. als
£nw. gebruikt. Aandacht^ opmerkzaamheid. || Een
overspeelsche siel die dat woert sonder aendenken
hoert, Sp. d. M. 1, 113rf.
AENDENKENESSE (aendenkenisse) znw. vr.
Zie Aendenken en Aendachte 3). Godsdienstige
overpeinzing. \\ (Si) hevet den anderen tijt . .
ghebruuct . . totter oefeninghe ende aendenckenisse
der heyligher scriften, Pass. W, 240i?.
AENDENKINGE, enw. vr. Zie Aendenken.
Gedachte. \\ Alle ongeordineerde begeerte ende
aendenkinge ende genoecht mit groten eernste te
schuwen , Us. 80 /. 44^. Dat hy oec Gode sinen
^ vader sculdich waer te doen in aendenkinge ghees-
teliker leringe , ƒ. 46{r.
AENDIENEN, zw. ww. bedr.
1) Toedienen^ voordienen y voorzetten. \\ Overmits
die vruchtbaer ende eerweerdighe passie Christi wert
ons zeer overvloedelic aengedieut materie alre ghees-
teliker goede, Ifed. Froza 49. Die susteren die
van den oversten daertoe ordiniert sijn dat sie
aendienen sullen, 300. Al wast dat men u broot
ende wijn overvloedicb andiende ende gaf, gi en
wout niet eten noch drinken, Gestn Rom. c. 106.
Hi heeft angenomen een onverganckelic lichaem,
daer bi ons in aendyenen woude die spijse der
ewiger salicbeyt, Bern. W. 39rf. Gulden vaten
daer in . . oec den armen . . overvloedelike in
aengedieut wert, 566. Doe hi den keiser dat
laeste gerechte andiende, Seven W. 73r. Inden
eersten worden dair gepresenteert ende aengedieut
dertien gherechten, Exc. Cron. 226a.
2) Enen iet — , iemand iets toedienen, ver-
schaffen, bezorgen, verleenen. || Die den sayer
andient dat saet, die sal oec dat broet gheven te
eten , Hs. 76 /. 49<7. Mi die noottrufte au te dienen ,
f. 72a. Hi {die hemelsche bisscop) dient hem dat
ewighe leven an, f. 1006. Al die gbeen die ons
die beilighe godlike woerde aendienen, die sijn
wi sculdich te eren . . , als die ghene die ons
aendienen beyde gheest ende leven , J^jt. 87 ƒ. 101 £^.
So wie dient , als uter doechden , die God andient ,
Hs. Ib f. 1176 (I Petr. 4, 11: „ex virtute quam
administrat Deus.") Enen voersmaecke gevoelen
die die minne die god selve is hem overvloedelic
hier na sal aendienen , Sp. d. M. 1, 79a.
3) Enen — , iemand dienen. \\ Ende daer om
wast dat si hem soe vriendelic aendiende, op dat
hi niet baetich . . op haren soen wesen en soude.
Lijden o. H. 16. Do hi in sijnre gheboerten den
wille Gods anghedient hadde , starf hi , Hs. 75 ƒ.
149 {Acta Ap. 13, 36: „cum administrasset
voluntati Dei").
AENDIENINGE, znw. vr. Bediening, ter ver-
taling van lat. administratio en ministerinm (II
Cor. 4 , 1 ; 8 , 4) , in de Staten-vert. op beide plaatsen
door bedieninge vertaald. || Wi die dese andieninghe
hebben . . , en laten niet of, Hs. 75 /. 44c. Die
gracie ende die mededelinghe der andieninghe , die
in den vrienden Godes ghedaen wort, /. 48a.
AENDIENRESCHE, znw. st. vr. Voordienster,
benaming der kloosterzuster aan welke de zorg
van het voordienen der spijzen is opgedragen. ||
Oec sullen al sulke siecke susteren te kennen
je'^n den koek of der aendienresche van hoerer
; r siente , ende sytten by malcanderen op een stede
- dtfbr to ordiniert van den oversten , buten of inder
vasten, op dat men hem bequeemliker aendienen
mach, Ned. Proza 300.
AENDINGHEN, zw. ww. bedr. Uit Aen en
Dingen, voor 't gerecht spreken. Terg. Aentalen.
Mud. andingen.
1) Met een persoon, bepaaldelijk uitdrukkende
de eene of andere overheid, in den 3den nv. en
een ww. in de onb. w^s met te. Bij de wettige
overheid een eisch instellen om tot de eene of
andere gerechtelijke handeling over te gaan , vooral
in het pandrecht, tot het verkoopen van on-
roerende goederen voor schuld. || Item soe en
sullen die burgermeesteren der stede goeden noch
gheen huysen of tilbair haven , diemen den gerechte
aendinget te vercopen , . . voirtan niet verhuyren
noch vercoopen dan op werkedagen. Leid. Keurb.
167, 49. Wairt saec dat hfj dat niet en dede, soe
sel die geen diet gebrec heeft , den burgermeesters
mogen andingen dat huys ende erve te vercopen,
199, 25. Wairt saec dat die scout . . versumende
wair enige kueren te rechten van visch of van
vleysch, so souden een of twee van den poirt-
meesters hem dat aendingen te rechten, 230, 37,
verg. 519, 5. Ende alsmen den burghemeisteren dit
andingen sal, dat salmen doen ende beginnen den
eersten twie poortdingen , O. K. r. Del/t 1,21,
32. Wairt datmen binnen den voirsz. 12 weeken
dat huys den gerecht niet an en dinghede te
vercoopen , 1 , 23 , 33. Men soudt hem mit recht
aendingen, dat hyt sculdich wair te doen, Matth.
197. Soe sullen scepenen wysen uut aendinghen
van den clager ende tot vermanen van den scout,
dat hy sal procederen . . tot vercopinghe van den
sel ven huysen, O. R. v. Dord. 137. — Ook zonder
den 3den nv. of met het goed als subject van het
lijdende ww. || Soe wie dat pant van verleden ren-
ten an yemants huys of erve binnen Leyden . . , die
sel binnen 12 weken, nae dat hij twie pantbrieve
heeft op dat huys ende erve , . . dat selve huys
ende erve andingen te vercopen . . Wairt dat men
binnen die voirs. 12 weken thuys niet an en dingede
te vercopen. Leid. Kettrb. 207, 48. Indien die
sculdenaire alleen onroerende goeden heeft, zoe
zullen terstont . . deselve den gerechte, bij het
gerecht, angedingt worden ende alzoe voorts gepro-
cedeert tot vercoopinge, K. en O. v. Delft 31, 6.
2) Iemand in rechten iets toewijzen, doch steeds
in tegenstelling tot afdingen (z. ald.) of daarmede
verbonden gebruikt. Vgl. de uitdr. {overheden) af
ende aeusetten, af ende aendoen en afdoen
4). II Die core {boete) sal staen an denghenen, die
zijn hnysinghe ende erve afghedinghet worde; mer
worde vemant huysinghe ende erve aenghedinghet,
zo soude die core comen an denghenen, dien die huy-
singhe ende erve aenghedinget worde, ald. Zo wie
dat renten hebben wil van enigher huysinge ende
erve . . , die men yemande mit rechte af- of ane-
dinghede ende ghezet worde van den gherechte,
die soude jaerlix tot den ewighen pachte van 18
penninge hebben te renten enen penninc vryes gelts
ende zonder enigherhande afbrec, O. W. v. Amst.
21, 17.
AENDOEN {dode of dede , gedaen) , onreg. ww.
bedr. Mnd. and^n.
1) De hedendaagsche beteekenis Yan aantrekken ,
als in sine cleder aendoen, sinen hals-
berch enz. aendoen, Parth. 1155, 7239; JB(;iii6.
2892, 6672, 18209, 18882; Ferg. 460, 1072, enz.
Enen sijn harnasch aendoen, Rijmb. 9225,
enz. II Doe gaf hi mi sijn caproen, ende dat so
hieti mi andoen, OFl. Lied. en Ged. 288, 1614. —
89
AENÖ.
AEND.
do
Hiertoe behooren ook de spreekwazen: 6 ode aeii-
doen, het geestelijk ordekleed aannemen en daar-
door zich wijden aan den dienst van Ood, \\ Hi plach
te segDe sonder waen sint hi Gode adde angedaen ,
datti des plach in de tijt, datti dronch dat leec abyt,
enz.j Franc, 197. — Menscheit aendoen, de
gedaante van mensch aannemen, || Die yolmaecte God
yan hoegen dede volmaecte menscheit an, Sp, 11*^
23, 366. — Gracht aendoen, sich met kracht
wapenen, \\ Dn selste hier moeten comen mit groten
arbeyde, ist nochtan dattu dy craft andoets, Pass,
W, 63*.
Aanm. Yelth. YII , 21,19: Doe wi ane , het es tyt ,
haer mogentheit es haer abp, is eene yerkeerde
lezing, yoor: Doewi ave , . hoer m. ende haer a.
2) Hem aendoen, algemeen gesteld, hetzy
met of zonder yermelding yan het object, d. i. klee-
deren of wapenen. Zich kleeden, zich aantleeden,
zich wapenen. \\ Die ridderen, knechten ende goede
man deden hem alle snyerlic an. Die heren hem (hier
dat sibi) oick andaden hoer beste clenoden ende
gewaden, Mloep I, 2241. Als . . dese nn we ridder
misse hadde gehoort, was daer al bereet om mit
speren te steken: ende hi dede hem aen, Clere
92. — In het yerl. deelw. aengedaen, met
of zonder bepaling, gekleed of gewapend, || Met
dieren clederen anghedaen. Nat. BI. II, 1188.
Na der maeltijt . . sach men die heeren aenge-
daen, op stercke rosse met rassen leden, Brab, Y,
YI, 5173. Dayid was aenghedaen mit een blenc-
kende cleet, B. B. 1 Chron. 16, 27.
3) Enen iet aendoen, iemand iets aan het
lijf doen, het er aan vastmaken, || Enen steen daden
si hare an, ende woerpense in die Tybre dan,
Sp. II*, 7, 19.
4) Aanstellen (tot een ambt), alt^d in yerband
met het tegengestelde Afdoen (zie ald.), afzet-
ten, in de yereenigde uitdrukking Afdoen ende
aendoen, of wel Af- ende aendoen. Ygl. af-
dingen 2). II Daden haer bisscoppe af ende an, i^,
I", 18, 15. Ende als te doene sal wesen dan den hoefb-
bisscop af ende an, I*, 18, 36. Ende gheyen hem
macht yan onsen weghen gheswoeme te make, of
ende an te doene. Mieris 2, 313a (« 1323). Soe sul-
len wl . . elcs sjairs onse scepenen ende raedslude yan
Dordrecht afdoen ende yemieuwen ende weder aen-
doen die ons ghenoeghen, Y. d. Wall 188. Dese
twee manne sal men altoos kiesen, andoen ende
oifdoen by den gemeenen geselscepe yan scepenen
ende raden, 197 (a, 1345).
5) Invoeren, yan excgsen enz. , ook slechts in y er-
binding met het tegengestelde Afleggen (zie ald.) ,
d. i. a/sehajèn, in de yereenigde uitdrukking Af-
leggen ende aendoen. || Yoorts hebben wy
hen gegeyen dat sy haer excysen af mogen leggen
ende aendoen als sy willen, Mieris 2, 305^ (a.
1323).
6) In de uitdr. Ten aendoene, naar dat het
noodig is , naargelang der behoefte, Yerg. te doene
by Doen. || Pawelioene, die si mochten ten andoene
yan ere weide ter andre dragen, Rijmb, 974 (yar.
te haren doene).
AENDOENRE, znw. m. Waarschgnlijk de be-
naming yan den lakenbereider , tr, apprêteur. In
twee Bmsselsche keuren yan 1306 onder andere
ambachtslieden genoemd. || Linen weyers, fhitiers,
aendoenres , timmerUde , Brab, Y. Dl. 1 , bl. 723.
Yan den weyeren, ende yan den yolderen, ende
yan yerweren , ende yan noppersen , ende yan scro-
derssen, ende yan den kymmersen, ende yan aen-
doenderen, D. 2, bl. 725.
AENDOESEL, znw. o. Yan aendoen 2). Klee-
ding. Ygl. yoor de vorming schoeisel. \\ Waeromme
es dan diin andoesel roet, ende dine cleder alse
der terdender in der persen? Hs. v. 1348, 115*
{Jesma 63, 2). Al mine andoesele hebbic be-
smet, ald.
AENDONKEREN, zw. ww. om. Donker worden.
Yerg. ons aanlichten. \\ Teerst dat te hove was de
mane, begant sere donkeren ane, O VI. Oed. 2,
86, 981.
AENDRAGEN {droech, droegen, gedragen of
gedregen) , st. ww. bedr. en onz. , zelden onscheidb.
gebruikt. Mnd. and/ragen.
I. Bedrijvend.
Met een persoon als onderwerp.
1) Dragen, {aan het lijf), van kleederen, wa-
pens of wapenen gezegd. Yerg. aendoen, aentreo
ken , aenhebben. In het mul. zijn dragen en aendragen
zeer juist onderscheiden. Men droeeh b. v. een
mantel op den arm, als men dien niet om Hl|jf
had; maar men droeeh een mantel, rok enz. aen,
d. i. cum het IQf. |i Yan calfvellen hi anedroech
enen roe cort toten knie, Ferg, 302. Ocht dan een
gierech tierant anedraget squ diere gewant. Kerk.
Cl, 98. Ene hare hadde Jan yan kerneis hare,
die drouch hi an, Sp, V, 5, 11. Ende men cleder
draghet an, die geyoechlnc sijn den man, Heim.
1237. Den roe , die die heilege man menegen dach
gedregen hadde an, Sp, II', 32, 176. Sal ie u
scoen andraghen, Éein, I, 2914. Die en wit cleet
draghet an , Nat, Bl. II , 380. Eenen roe , dien hi
anedrouch, Sp. IIP, 51, 105. Geetsyel sullen
si dragen an, III*, 31, 39. Die niet dan enensac
en droeeh an. II", 61, 26. Du . . droeghes oec
sine cleder an, Stoke lY, 1187. Ende droeeh
sgrayen cleder an, YII, 191. Dat yolc . . sal
quade cappen dragen ane, Yelth. YII, 32, 14.
Wat zouden si draghen an? Lsp. I, 25, 112. Die
eerst purpur droeeh an , 1 , 44 , 9. Gheleende cleder
te draghene an, v. d, Wiven 69. Die draget bonte
cleider ane, D, War, 7, 377, 24. SQt onachtsam
van uwen abite dat ghi anedraecht, Buusbr. 4,
109. Yan dinen mantel dien du drages aen, D. B,
Deut, 22, 12. Zie ook Serv. II, 1927; Belg. Mus,
3, 211; OVl, Lied. 266; Hor, Belg, 2, 106; enz.
— Yan geslachtswapens. || Snlke wapene draget hi
an, Stoke III, 667. — Yan wapenrusting of strijd-
wapenen. II Daerom sal die ridder . . gouden
sporen andragen, Sehaaksp, 26^. En was noit
arm man, die sulke wapen droeeh an, Eleg,
315. Yan wapen en wardic nie becant, dat dit
yolxcken anedroech, Yelth. lY, 2, 26. Hi en
liet noit ghenen man sine wapene draghen an,
Brab. Y. Y, 131. Ende droeeh al an sine wa-
pine, Ferg. 1602. Die selken halseberch ane-
droech, Yelth. III, 32, 63. Ant pansier, dattu
droughes an, OVl, Lied, en Ged, 419, 175.— -Bij
uitbreiding ook yan abstracte zaken, die met
een kleed worden yergeleken. || Si hebben lie-
yer beesten ghedane dan menschelicheit te dra-
ghene ane, v, d, Wiven 73. — Ook yan andere
zaken, die men bij zich draagt. Yergezeld yan den
3den ny. des persoons. |i Lettel spisen droeeh hi
hem ane, Sp. W , 40, 70. Derdalf broet droeeh
ie mi ane, 11^, 44, 25. — Hiertoe behoort ook de
uitdrukking: Draghet sine nature an, indien
zijne natuur dat aan zich heeft, dat medebrengt^
Natuurk. 1369.
2) Enen iet — , yan bezittingen, rechten ,
91
AEKD.
AEND.
92
enz. , iemand iets opdragen , in handen stellen , over-
geven, II Amilliu8e hebben si yerslegen, eude haren
oudervader angedregen dat lant, want sgn wesen
sonde, Sp. I>, 37, 37. Andere seiden, dat men die
have der kerken beste sonde anedragen, III', 43
20. Het en es genoech niet, sprac die maget, ten
vollen, dat men Gode andraget dat enen bliven
mach min no mere, II*, 2, 26. Want here (/. dere,
de eer) groot wert Aareliane anegedregen, II*, 38,
ö. Te bant so beeft gedregen Juliaen , sijnbmeder,
trike hem ane, II», 11, 82. Beghin, middel ende
ooc dat lest dragbic der wet met allen an, O VI.
Lied. en Qed. 367, 1235.
3) Enen iet — , van een last enz. , iemand
iels opdragen^ in handen geven ^ gelasten. || Dat
wi . . aenghedraghen hebben onsen lieven ende
ghetrouwen scoute, borgermeisters , scepene ende
rade . . enen dam te legghen, V. d. Wall 320
(fl. 1377).
4) Iet — , iet^ {aan zich zehen) opdragen , op
sirh nemen. \\ Sie dattu geene dinc andrages, die
du geleesten niet en mages, Sp. I", 34, 163. Hem
dat rike aendragen, Sp. II*, 11, 82.
5) Hem (dat.) enen of hem (ace.) en es — ,
sich iemand- aantrekken , zich gel-egen laten zijn aan. \\
Cristns wildese hem andraghen, ende heeftse selve
geleert , Wap. Rog. 1036. Ende dat ie mi van nu voort
an . . nemmermeer harer gheen van al aendraghen
noch onderwinden en sal, Brab. Y. VII, 10932.
6) Hem ere dinc — , zich iets aantrekken ,
het ter harte nemen ^ of wel, het tot zich nemen ^
hef zich toeèigenen. \\ Mi ware leet dats hem an-
dronghe eenich knecht, of des antrake, hine ware
besmet met alre zake, Lenkm. 3, 100, 172. Al
heeft de lampte vele renten, ochte de portenerse,
ochte iemen anders dien sijs gheloeven, des en
dragben si hen niet ane: nochtan verteeren syt al
te male, Ruusbr. 2, 191. Des en draecbt hi hem
niet aen, mer hi gheeil Gode die ere, 6, 239.
7) Enen iet — , iets aan iemand toeschrijven ,
toekennen. \\ Den welken si dragben ane . . dinc
die hem noit en gheschieden, Lsp. III, 15, 126.
(Hine) salt siere wijsheit niet andragen, maer
Gode danken diet hem gaf, Melib. 1230* var. Ende
hoe dat hi die viande versloecb die wile dat hi
Gode aendroech die victorie ende die eere. Wrake
I, 118. Maer souden den viant draghen aen de
miraclen die si dede, Christ. 686. Dese victorie
mach men Gode wel andragen, Sp. IV', 33, 17.
En dragt des beilechs geests werc den quaden
geest niet ane, L. v. J. c. 79. Hem ghescien bi
wilen, overmits den viant, die dinghen die si
begheren, ende dan draghen sijt hare heylicbeit
ane, Ruusbr. 6, 170. Die vroede keyser die be-
kende dat hi sterflijc was, soe en woude hi hem
niet aendraghen enen onsterflijcken name,P/»j. W.
131//. Aendraecht den here glorie ende eer, B. v.
1357, 133rf.
8) Enen iet — , iemand iets bezorgen , het hem
schenken j geven, of wel, het hem toezenden, be-
rokkenen. II Darise droechbi grote ere ane, als
oft siere moeder broeder ware, Rijmb. 17316. Dat
hem allen, diet ansagen , Mochte vast gelove andra-
gen , Franc. 7831. Dier genaden , die u anghedraghen
is in der openbaringbe Jhesu,^jr. 75 f. 114^. lemen
die ons strijt anedraghe, 18922 var. Dat hi ons
in coringhen sta bi, die ons die viant nacht ende
dach anedraecht, Lsp. II, 41, 165.
9) Hem enen — , zich bij iemand rekenen , zich
bij hem plaatsen. || Wi en dorren ons niet andraghen
of gheliken den sommighen, die hem selven prisen,
Hs. 75 /. 50A (II Cor. 10, 12. Vuig. inserere,
Staten-vert. rekenen).
II. Onzijdig.
Met eene zaak als onderwerp, en den 3den nr.
V. d. pers. drukt Aendragen de strekking of
richting tot een bepaalden persoon of zaak uit,
evenals dragen als onz. ww. Het beteekent dan
Aangaan, betreffen, vgl. AENOAEN. jj Zo wien
dattet aendraecht of aendraghen mach, Nyh. 3,
184 (a. 1393). Also verre alst ons enichssins an-
draicht of andragen mach , Mieris 4 , 10756 (a. 1436).
Alre onredelijcke pointen die ons ende elcke be-
sonder aendragen moghen, V. d. Wall 530 («. 1437).
Gi snit desen spiegel dicke oversien , ende proeven
of hier yet in staet dat u aendraget. Biechtspiegel
(Hs. te Schtoerin) f. 65. Verg. nog Stadsr. v. Zwolle
124, 208; 168, 327, enz. — Vooral in het deelw. aen-
dragende, rakende, betreffende, aangaande. \\
Schulden of misdaeden , boer persoonen alleen an-
dragende, Harderto. 2, 41 (vgl. V. d. Wall 622).
Brieve ofte scriften, der stat van Utrecht aen-
dragende, R. v. JJtr. 332, 8. Die zaken . . , aan-
dragende den ghenen daer hij zQn ampt of voert ,
341 ,227. Tot enigen zaken onser stat off partyen
aendragende, 342, 228. In redeliken saken, der
stadt ende gherechte voerseyt aendragende , 357, 7.
2) Zich bemoeien, als znw. gebr. inmenging, Vg.
Bedr. 5) || Dat wy God sgn werc lieten werken,
boe ende wat hy woude, sonder enich andraghen,
ende dat wy waren als een ledich instrument,
Brugm. 1, 283; zoo ook Vevoet. B. (30) 79r (aan
Brugm. ontleend).
Aanm. Andragen {Lib. Alb. 52) is eene ver-
keerde lezing voor an'* dragen d. i. overdragen,
overeenkomen (R. v. ütr. 62 heeft op de overeen-
komstige plaats overdragen).
AENDRAVEN, zw. ww. onz., met den 3den
nv. Enen — , op iemand aandraven, jj Doe qua-
men hem ridende beneven lieden, die hem vaste
andraven, Sp. III», 44, 78.
AENDREFFEN, zw. ww. bedr. half Neder-, hal r
Opperduitsche vorm voor andrepen of antreffen (z.
ald.). Betreffen, raken. || Saecken, oer ampt an-
dreffende, R. v. Zutf. 118, 25.
AENDREPEN, st. ww. bedr. en onz., de Neder-
duitsche , bij ons slechts in duitsch gekleurde schrif-
ten voorkomende vorm van aentreffen. De verbogen
vormen komen niet voor , maar moeten , te oordeelen
naar het ags., oorspronkelijk drap, drapen, gedr epen
geluid hebben. Mnd. andrapen, andrepen (vgl. Lubben
1 , 572 op d r e p e n) ; nnd. andrapen, andrepen (Koseg.
1, 390; Stürenburg 5; Schambach 9); Teuth. An-
drepen, berneren, antreffen, concemere ,
tangere, contingere. Verg. Drepen en De Vries,
Mnl. Wdb. 62.
Bedr. — Raken, aangaan, betreffen. Yevg. AE}i-
TREFFEN. || Mit swaire clagen, andrepende ur
lijff, ere ind guet, Nijh. 4, 125 {a. 1436).. Zie de
aant. aldaar, en verg. Lubben 1, 84.
Onz. — Ergens geraken, in zeker vaarwater ko-
men, aanlanden. Verg. hd. eintr effen. || Ghi sult^ït
wael an laten drepen ende seylen als ghi hebt
den wint, dair ghgt rechte diep wael kint, Mhep
I, 1856, d. i. y^gij zult het {minnebootje) teel in
zoodanig vaarwater doen komen, daar het goed diep
is, en gij goed zeilen knnt.
AENDRINGEN (dranc, drongen, gedrongen) , si.
WW. onz. Voorwaarts dringen. \\ Tlachen doet wa-
penen wal den man ende doeten dringen daer bet
93
AEND.
A.EKG.
U
an, daer men wal met wapen doet, J). War, 9,
157, 4, 15. — Men zou ook an met bet kunnen
verbinden, (zie bet) en dringen als het ww. be-
flchouwen.
AENDRIVEN {dreef ^ dreven , aengedrecen en
aendreven) , st.ww. bedr.
1) Drijven, brengen. \\ Dese woerde dreven men-
ghen man van blytscap tot sorghen an, Troyen
ƒ. 2314.
2) Enen iet — , iemand iets (een last, ver-
plichting, enz.) opdtüingeny opleggen, aandoen, ||
Sondewi tribuet te Rome geven , die ons met crachte
was angedreven? Lanc. IV, 9775; Sp. III*, 51,
31. So dat men hem anedreef so swaren pine,
daer hl in bleef ghedoechsam ende van siune
blide, Sp, II', 46, 57. Hem die di die persse
andrivet, die u zoo in het nauw bt'engt, Rijvtb,
13191. Soo wie een arve wederroepen wil . . , die
sal geven den schout een pont, den gerechte een
pont ende den geenen, diet andreven wordt, een
pont, O. K. V. Enkh, 20, a. 96.
AENDÜWEN, zw. ww. bedr. Van kleederen.
Met geweld aandoen, || Die dat doet uut sul ken
gheer, dier is also veel om hoir eer, als der
gheenre, die hoir man sijn cleder mit stocken
duwet an, Mloep IV, 1848 (var. doet an),
AENDWINGEN (dicanc, dwongen, gedwongen),
st. WW. bedr.
1) Aansnoeren, aanhechteti, vastbinden. || Ende
si andwongense mitten blaenwen miter, J). B.
Exod. 39 , 31. Vuig. itrinxe'runt. Statenb. hech te-
den daar oen.
2) Iemand dwingen iets te doen , tot iets dwingen. \\
Als si hadden gemaect cont haer namen, haer
ambacht, niet met danc, also als hen die sant
andwanc, Sp. IV, 38, 26. Omme hare tedwingene
ane dat si dat heelde anebede, II', 28, 102.
3) Enen iet — , iemand dwingen iets aan te
nemen, het hem opdwingen , hem dwingen tot. || Den
kinde sal men doget andwingen, Sp. II', 87, 31.
Dat hi den hertoghe brachte in dien, dat hi die
manscap Hete achterbliven ende te niete, die hi
ons wilt anedwingen, Orimb. 1, 1826.
AENEESCEN (aeneiscen), zw. ww. bedr.
Eischen te Icomen, opeischen, oproepen. \\\)\e sevene
aeneyschen ende laeten hem oeren eet doen , Overijs.
Recht. II», 23.
AENEIGENEN, zw. ww. bedr. Met den 3den
nv. des persoons. Enen iet aeneigenen,
iemand iets bij gerechtelijk vonnis als eigendom
toewijzen. || Voert sel die rechter mit drie schepe-
nen ommeghaen, elcx ander daghes na den dinc-
daghe, in te panden elcke man dies begheert van
sijnre lijfscoudt g^ede pande, die hij soude houden
of sel houden veertien dagen , dan sel mense hem
aeneygenen den derden penning meer, O. K. v. Delft
I, 4, 11. Wairt sake, dat yemant binnen den stede
van Delf enjghe huysinghe, erve of hofstede cofte,
die anghepacht of angheëygheut worde, dair hij
te voren enyge renten of pachte op gehadt hadde,
soe dat den eyghendom van den huysen of erven .
verenicht worden mitten renthen ofte pachten, soe
sal die selve huysinghe, erve of hofstede mitten
coope voirsz. gevrydt wesen ende blyven van den
renthen ende pachten , die de voirsz. coper dair te
voren up hadde, I, 20, 30. Soe wie voirt an
eenich roerende guedt mit recht angepacht of an-
gheeygent wordt, die en sal dat gnet nietlangher
laten staen in den huysen, diet ofgepacht is, dan
«es weeken, I, 25, 39. Zoo ook K. en O. v. Delft
39, 3; 4; 40, 5; 6; 7; 45, 13. Vg. afkioenen.
AENERVEN (aenarvknJ, deelw. aengeërvet en
aenervet, zw. ww. onz. en bedr. Verg. Erven en
zie Taal' en Ltb. IV, 104 y^g. Mnd. anerven.
Onz. — Met den 3den nv. des persoons. Enen — ,
door erfenis op iemand overgaan en zijn eigendom
worden, aan iemand als erfgoed ten d^el vallen.
II Alse die meeste here soude sterven, sijn goet
dat soude aneerven sinen sone, die niet was
groot, Sp. I', 77, 6. God en willes niet gehin-
gen , . . want di dese werelt sal erven an , dattn
souds slaen enen ouden man, Al^x. V, 386 (in de
uitg. van Snellaert ten onrechte aenernen). Ren-
ten . . , die hoir anegheërvetziin van hare moeder.
Mieris 2, 3614 (a, 1325). Renten . . die wi ende
onse erfname hebben souden uten tollen te Gheer-
vliet ende te Ammers, ende ons Jutte voirsz.
aneghearft sien van Veren Margrieten . . onser
ouder moeder, 2, 363« {a. 1325). Zo wie hem
gheneren wil aen enigheu ambochten, dat ghilde
heeft , diet nyet aengheërft en is , die zellent win-
nen, 2, 394 {a. 1304). Sulkeu guede als oer aen-
gekomen ende aengeerft were, Nijh. 3, 295 {a,
1409). Guet . . dat hem angheervet were, Overijs,
Recht I ' , 10. Overmits welken persoen die erfnisse
voirs. den cloester voirs. aengeerft were, I', 100.
Dat derde deel van den gericht van Selwert, dat
hy had van synen vader . . ende hem aengeërvet
was , Matth. Anal. 1 , 76. Ten was hem oock niet
noch van vader noch van moeder verstorven , noch
van sQuen geslachte aengheërft, Iluge v. B. 49.
Seghede oec die vrouwe, dat er guet anervet
were, R. v. Zutf, 58, 39.
Bedr. — 1) Met den 3den nv. des persoons en
den 4den nv. der zaak. Enen iet — , iemand
door erflating in het bezit stellen van iets , hem er
erfgenaam van maken. \\ Hine hevet liever an te
erven groet goet de naer hem comen , al eist luttel
tsinen vromen, Stoke VI, 1090. Alsulker erfnisse ,
gueden ende lude, als my mijn alderen aengheërft
hebben, Nijh. 3, 80 («. 1379). Wyen van den Sonde
off van oestwart ghuet bynnen onser stat aenghe-
ervet wordt, daer zoelen die kerken den tyenden
penningh van hebben , Overijs, Recht I ' , 98. Alsulck
g^et ende erfnisse . . als den in enigher wgs daerna
in der stat . . angheervet mochte werden, Stadr,
v. ZwolU 140, 234. Luden, die selve niet en woe-
keren , mer dat hem hare ouders aengheërft hebben
ende met woeckeren ghewonnen is, dat houden si
sonder wederkeren , lied. Proza 158 {Con. Som. 244).
2) Met den 4den nv. des persoons. Enen — ,
iemand erfgenaam Tnaken. \\ Off sy ter syden angeerft
wurde, Nijh. 4, 9 («. 1423).
AENGAEN (gaet, geet, geit; ginc, gingen, ge-
gaen), st. ww. onz. en bedr. Mnd. angdn. Verg.
Aengangen.
I. Onzijdig.
1) Gaan {naar een bepaald doel), heengaan, zich
begeven naar. || Ten lande van Surs ghinc hi ane,
Rijmb. 23716. Ende ghingen te Wichvliet an,
ende voer vort te Remerswale, Stoke X, 980.
2) Oaan {in de richting van iets) , voortgaan ,
naderen, jj Slecken, die wi sien haer sel ven treek en
ende traghelike angaen, Nai. BI. VII, 654. Die
gravinne doe aneghinc ende ghinc sitten in den
rinc, Limb. I, 2039. Ganc vri an ende clim in mi
{boom) ende nem datti gelieft, Dial. Oreat. 24tf.
O Heer coninc, ganc vry an, 264. (Men kan op
de beide laatste plaatsen aen gaen ook opvatten
als zijn gang gaan.)
95
AENG.
AENG.
96
3) Aan den gang gaan^ aanvangen^ beginnen (te
zijn), Vgl. onze uitdr. de kerk^ de ichool gaat
aan. II £n hadde die nacht niet anegegaen , Karel
hadde verloren tfelt, Lorr, II, 934. Dierste boec
die geet an daer dese veede eerst began, II, 21.
Ende sliepen tot die dach ginc ane, Lane, III,
25744. Savons alse die nacht ginc an, lY, 694.
Nu ffaet ons {voor om) ane die wjle , dat wy doot
wouden wesen, T^oyen 6903. Manleecheit es ene
etaet, die ten 36 jaer anegaet, Nat. BL I, 49.
Omme dat angaet die hitte, die den ogheste be-
staet, III, 3323. Als tconde angaet, Yll, 16. Als
haer ende angaet, legghen si dan haer saet in
lo veren ende sterven dan , Y II , 644. Dat Roomsche
rike gaet hier an, Rijmb. 20579. Rechts alse
aneginc die dach, Sp. III*, 40, 6. Die dageraet
ginc an, III* , 60, 49. Daer die jeesten anegaen,
III*, 23, 22. Die derde boec gaet hier ane,
Lip, III. ProL Den Salm . . . , die y^Deut in adju-
tmiuvC^ aengeet, Lutg, II, 841, verg, 1488. By
Helina . . . , daer die Galileische see angaet , Yelth.
I, 14, 1. Sedert dat anegync de dach, Stoke I,
314. Nn gaet hier an rouwe ende vaer, II, 707.
Hier gaet nu een orloghe an , lAmb. IX , 227. Dat
die heerlicheyt van Yemoen aengaet mitten westeren
eynde in dat grondeloesen mereken, Mieris 2,
142 b {a. 1314). Welke vrede aengaen sal ende
aengheet op huden, Nijh. 3, 297 («. 1409).— Yrg
Sleonastisch luidt : Sint dat eerst begontte anegaen
ese werelt van beghinne, Rijmb. 30586. — Ook in
verband met het tegengestelde Afgaen (zieald.),
in de vereenigde uitdrukking Af- ende aengaen,
ophouden en beginnen. \\ Dat hi niet en wiste al
dat er toe behoerde ende waert af ende anginghe ,
Oends Chtb. 20. — Als znw., in de uitdrukking: Ten
aengane, ten beginne^ om te beginnen, allereerst.
II Hoert hier wonder ten anegane, Nat. BI, Y,
386.
4) Aan den gang gaan met versterkte kracht,
voortgaan, te werk gaan. jj Men salre bliden
maken sterke, ende anegaen met groten werke,
Stoke YI, 141. Soe men quade wijf meer slaet,
Hoe haer quade wille meer angaet, Ltp. III, 9,
81. Had ie bi mate nu gemint!... maar neen, ie
ginc 80 haestelic an, Mloep I, 2082—86.
6) Met den 3den nv. Aangaan, behooren tot, in
betrekking staan {of komen) tot.
a) Met een persoon als onderwerp. Behooren tot,
in betrekking staan {of komen) tot (iemand of iets).
II Ie meene den paues . . . ende die den hove
anegaen, Vad. Mus, 4, 74, 403. Die haer van
maechscape gingen an , 1 , 69 , 40. Die der sake
anegaet, si sal ons gheven den besten raet, Belg,
Mus. 1 , 333 , 266.
b) Met een persoon als onderwerp. Iemands
partij kiezen, zijne zaak omhelzen, tot hem over-
gaan, iemand volgen. || Nochtan, wille hi ons an-
gaen, wi sullen hem gehelpen das, <S^. III*, 35, 68.
Den keyser daden sijt wel verstaen, dat sijs (des
expletief gebruikt, Ygl. 8p. II*, 34, 24 en afgaen)
Martinen Gode anegaen , II* , 12 , 61. — Met wegla-
ting van den 3den nv. des persoons, ook absoluut
gebezigd. || Dus gingen si an , ende alse onse Here
dit versach , dattem tfolc dus anelach , es hi up eenen
berch gheseten , ^. I' , 9 , 38. Ie sal geloven dor
dese dingen an uwen God ende kersten bliven , ende
mine manne ende haer wiven sullen selfs anegaen ,
Flandr, I, 276.
c) Met eene zaak als onderwerp. Aangaan,
betreffen, raken, behooren tot, in betrekking staan
tot. II Want si {die feesten) ter ouder wet bestaen
ende onser wet niet an ne gaen, Rijmb, 6261.
Dbegin, dat salecheit angaet, dats dat een kenne
sine mesdaet, <S^. I*, 31, 46. Dat enech man dede
dorper dinc, die der crunen aneginc, III', 4, 26.
Ende berechte alle die dinc, die ten orloge ane-
ginc, III*, 87, 49. Wat gaets u an? Mask, 41.
Menich point, wildyt verstaen, die eersamen leven
anegaen, Lsp. III, 26, 71. Dits doerdene daertal
aen steet dat der werelt anegheet, Teest. 3394.
Wel versien van allen dinghen , die alselker borch
aneghinghen, Braö. Y, Y, 1917. Dese prologhe
hebbic gheseit om dat so eleken mensche angheyt,
Amand I, 2781. Eene parabole die ons an moet
gaen , II , 6271. Waer dat sake , dat orloghe uphoeve
jeghen enighen here, dat den lande aneghenghe
of den here, Np. 1, 177 («. 1318^). Yoor dat ie
u mjjn sake gegeven hebbe, dye u lyf ende leven
aengaen , Exc. Cron. 2Ud. Zoo ook <S^. II*, 30, 22.
6) Met den 3den nv. Enen — , aan of tot
iemand komen (of gekomen zijn) , als aandeel, dus :
ten deel vallen, toekomen, toebehooren, || Tkeyserrike,
dat die van rechten oire es angegaan, Sp, lY' ,
62, 88. Dien tlaut van Beruch ginc an, IY*,24,
16. Wat den papen anegaet ende wat den lantsheren
bestaet, III*, 6, 6. Grote heerscap geet uan ende
grote mogenthede, Lorr, II, 2416.
7) Met den 3den nv. van den persoon of de zaak.
Tot iemand of iets gaan, naderen,
a) Met een persoon als onderwerp , of eene zaak
by persoonsverbeelding.
a) Met den 3den nv. des persoons. Enen — ,
tot iemand gaan , hem naderen , aanklampen , en wel :
1». Met woorden, en dus: Aanspreken, hetzij
zacht en vleiend, hetzij scherp en dreigend, maar
altijd met het doel om iets te verkrijgen. \\ Ghi
gaet mi so soetelyc aen met scoenre soeter sprake,
Melib, 2583. Enae geet hem met smekene ane.
Rosé 13781. Dan geet soe hem weder met cussene
ane, 13887. Ende ghinc hem ane, dat si hem
gaven up te vane. Rosé {Cf) 13821. Ende ginc hem
wgslijc an, ende began hem seggen ende leeren,
Edew. 1838. Dat onse w^f de conincginne . .
aneginc met hare bede, Stoke I, 411. Ende ghinc
de van Barsele ane, dat hise broehte in sQnre
bane, YII, 23. Hem, die mi vore hadde berecht,
ghinghie ane met talen echt, Brab. T, II, 43S2.
Dattu Gode angaes met love, Sp. III', 40, 48.
(Hi) ginc hem mit geloften an, Mloep II, 2742.
Die hem aneghine met feilen dingen , met woerden
ende met tormenten groot, 1^, W, 16, 78. Die
meester was een stuer man, ende ginc den kinde
herdelijc an, Lsp. II, 30, 9. Hi ginc hem eerst
met worden an, daer na geseldi den man. Franc,
659. Hi ginc hem selven met sceldene an, 3709.
Met scarpen worden ende met swaren gingensi
hem an, Yelth. lY, 62, 46. Entie conincginne
rike ginc hem met talen vreselic ane , lAmb, YI ,
220. So wie dat met disputacie hem anghinc, hi
bleef verwonnen, Segh, 6708. (Hi) ginc hoer mit
groten luegenen an, Mhep II, 3969 var. {tekst-ks,
gincse). Die hem eerst angine mit smekinge ende
mit beloften, ende na mit dreyg^nge. Pass. S,
266c. — Zoo ook by ondervraging. || Ende ginc
doe den anderen aen mit suiker vrage als dander
was (nl. aengegaen) , Mloep II , 2666. Doch ginc hi
hem scharpelic an ende woude weten sine minne , II ,
606. — Met weglating van den 3den nv. des persoons
ook absoluut gebezigd. || Die here van Yalkeborch
es angegaen: „Gi bHjft nu met ons gevaen'*, Yelth.
YI, 13, 79. Ygl. ons aangaan in den zin van
tieren, razen en Ndl. Wdb. 1, 130.
91
AENG.
A.ENÖ.
ês
2". Met daden, en dus: Te lijf gaan ^ aanvallen^
aantasten^ aangrijpen^ overvallen^ bestoken^ in de
latere middeleeuwen ook met den 4den nv. || Ende
gingen hem doe alle an, ende velden daer den
stouten man, Lanc. III, 25796. Deen van achter,
dander van voren, gingen si mineu here Wale-
weine ane. Wal. 4250. Die coster metter vane
ghinc hem vastelike ane, Rein. I, 813. Coemt
onder hem een starker au, so gaet hi den voghet
an, Nat. BI. II, 367. Alsmen hem gaet met
bedwanghe ane, II, 2228. Van enen viant die
hem ane meest ghinc in die niewe mane, Rijmb.
23979. Van den kejser Vespasiane , die den Jueden
swaer ginc ane, S^. Dl. 1, bl. 457, vs. 13. Dat
dongelovege Pelagiane der kerken swaerlijc gin-
gen ane, Sp. III*, .43, 45. Aldus so ginc die
grave dan sinen oeme swaerliken an, Edeia, 1569.
Ende ghiughen hem vromelic ane, Fl. Rijmkr.
9691. Nie en wart baer so wreet, dien men
met honden angheet. Rosé (C) 9021. Ende ghin-
gen hem vaste ane, ende hi weerdem met slane,
Limb. II , 275 , vgl. V, 95. Crachtelec , niet
alse een kint, ghinc hi heren Fromonde ane,
III, 338. Doe ghinc hi ane Demophon met
soe sere te slane, dat hiue jagede om den rinc,
YIII, 1523. Ginc men haer an met pinen swaer,
Sp. II*, 14', 136. Bestaen van den geeste die haer
ginc aen , ende diese moyde , CArist. 698. Ende g^nc
daer haren lichame ane, ende begonsten gruwelec
te slane , 1569. Thezeus ginc hem aen bi der hulpe
van Adriaen {Ariadne) ende heeftet ter doot gebracht,
MLoep III, 219. Syn swaert hi in die handenam,
ende ginc him (Minotauruê) an mit sulken woerden,
als tot dier saken behoerden, I, 1486. Ende hi
aengingen ende hi sloech hem doot ^ D. 3. I Kon.
2, 34 (Yulg. aggressuê eum interfecit). Ende si
gingen hem aen in den name Gods ende ver-
sloegen dit dier, Ejtc. Cron. 89a. Ende hebbeu
die kersten so sterckelgc . . aeugegaen, dat die
gheen die te paerde waren vloden int gheberchte
lOlfl.
^ Met den 3den nv. der zaak, in de uitdruk-
kingen: — Der doot aengaen, den dood te ge-
moet gaan^ dien ondergaan^ lat. obire. \\ Ende seiden
dat si der doot ane wilden gaen eer eyghen te sine ,
Rijmb. 32544. — Enen boeke aengaen, tot
een boek gaan, het opslaan om het te raadplegen.
II Die wille, ga Balaam^ boucken ane, daer aldus
in staet ghescreven, Amand I, 323.
b) Met eene zaak als onderwerp. Enen — ,
iemand aantasten, aangrijpen, aandoen, hem over-
komen, overvallen, van allerlei aandoeningen en
ervaringen gezegd. || Grote bliscap ginc hare
ane, Sp. III», 7, 40. Groot toren ginc den bis-
Rcoppen ane, III >, 37, 63. Daer bi soude . . al
der kerstenheide . . Gods abolge met groter wraken
aengaen, Christ. 1697. Josepphe ghinc an so groot
wille, hine mochte niet langer swighen stille,
Rijmb. 3165. Den bisscop ginc vort an de duerst,
iS^. IV*, 79, 10. Die honger ginc mi an, Lane.
II , 45299. Alse hem hongher anegheet , Heim. {(T)
1042. Daer na ghinc hem honger an , Rijmb. 22229.
Des hongers slach, die hem anghinc nacht ende
dach, 31927. Dat hem geen coude soude angaen,
Wal. 2524. Dat suchten gheet hem so met {mede)
ane , Parth. 8219. Swaer versuchten ginc hem ane ,
Troyen 5942. Als hem siecheit oec gaet an. Nat.
Bl. II, 2237. Coringe . . , plage gaet mi an, Sp.
III*, 30, 41. Altoes gaet hem droef heit ane,
Belg. Aftts. 6, 205, 626. Wat bitterheiden hem
anegaet, Velth. VIIl, 24, 14. Die here heeft so
bliden gedane, hem en gaet geen belgen ane,
Lucid'. 5885. Druc ende liden so ghinc den ridder
an, OVl. Lied. 311. Dien de jare nu gaen an,^.
III*, 30, 36. Alse . . u doude vaste angeet. Rosé
13004. Dien hi vinc, ginc die dood ane, Rijmb.
30468, verg. Sp. I', 67, 125. Als hem die doot
anegaet, Liicid. 4405. Dat mi een onmacht anginc ,
Sp. IV' , 6, 31. Mi gaet ane angst ende noei, Hs.
bij Bormans op Christ. bl. 212. Dats menegen,
wonder aneginc, Sp. IV», 74, 71. Gondebant dien
ginc dit ane, III*, 6, 27. Die nacht ginc hem an,
Lanc. III, 15988, Ferg. 2204. Ne ware dat hem
ghinc an die avont, het ware al ten ende comen,
lAmb. VII, 890. Groot orloghe ghinc hem an
jeghen den coninc Diderike, Brab. Y. I, 608. Mi
wondert wat hem ginc ane te segghene van den
Zwane, OFl. Oed. 1, 84, 13. Dulle wive,.. wat
gaet u an? wat mankeert u, hoe verzint gij het?
Sp. I', 28, 12. Gy ridder, slaepdy, wat gaet u
ane? Mei'l. 31101.
II. Bedrijvend.
1) Aanvangen, beginnen (te doen),
a) Zonder uitgedrukt object of met een afh.
objectszin. || Daerom wast dat hi ontfinc men-
schelike vorme, ende aneghinc dat hi dor hem
sterven woude, Lucid. 632. Ende gaf also veel
elcken man, die te vespertide ghinc an als die
ghestaen hadde den dach aldure , Amand II ,
4303. Doe quam die sondach vele saen dat Jhesus
wilde anegaen dat sijn lichame . . verrees, L. o.
H. 4504. Oec ware hem te swaer te angane
smargens vroech op te stane, Lorr. fr. II, 155.
Wildi lieven , so gaet aen , of latet mit allen staen,
MLoep II , 4175. Niet lichtelic sal men anegaen,
voir dat enz., I, 1001. Kent den man eer gi ane-
gaet, I, 1631. Aengaen meerre penitencie te doene,
Christ. 1896.
b) Met object.
2) Iet — , iets aanvangen , beginnen , onderne-
men. Il Gaet ende vernemet ons nu saen , wat si
willen anegaen, Lanc. III, 26193. Si en wiste wat
anegaen, IV, 3321, Lorr. II, 1885. Ten jonc-
sten daghe wat sullen dan anegaen oncuussche
menscen, Hs. v. 1348, 2&id. Dat Diixe aneghinc,
sal ie anegaen, die ombe haers lieves wille starf,
Parth. 6441. Ie hebbe sulke dinc nu angaen, die
ie node hadde anevaen, Lorr. I, 836. In weet wat
ie moge angaen, I, 483, 520. En was noyt wijs
man die gherne strijt ghinc an, 3£elib. 3076, vgl.
230. Nenic, en dert niet anegaen, L. o. H. 3400.
Wat gi anegaet anevawi alle, Velth. II, 4, 53.
Waerbi dat si dit anegiugen, II, 30, 38, vgl.lW,
24, 27 en V, 20, 32. Wat soutu nu daer mogen
angaen, daer di die Here wilt verslaeu? VIII,
20, 41. Wat hi laten soude oft anegaen, Lsp. III,
10, 158. Wat sal ie na anegaen! Umb. I, 1326,
vgl. VI, 2173. Wa^ spele selen wi aengaen?
XI , 111. Dese vaert entie piue die ghi anegaen
wilt, XI, 1137. Ie salt anegaen blidelike XII,
1264. Dies doet saen beghinnen dwerc ende ane-
gaen, Amand II, 207. Ende om dat alle liede
niet verstaen tLatijn, so willict int Vlaemsche
anegaen , II , 267. Dat elc bedinghe woude angaen ,
11, 5706 {in den tekst: ingaen). Twi hi anghe-
ghaen ware {met zijn, evenals ons trans, begin-
nen) . . sulke dinc, ende die werelt dus hadde
gelaten, II, 1731. Dat hi dronkenscap aneginc,
Sp. IlI', 42, 43. Heliodorus anginc te hant dcQ
wech , 1). B. II Machab. 3 , 8. Waerom augin^
I
ÖÖ
aenö.
AEt4G.
400
ic desen wech? Fass. S. lO&c. Die aventure weder
anegaen, Lanc. III, 26847. Goede werke aengoen,
CAritt. 1619. Quaet anegaen, Ltp, III, 27,30 yar.
Zwacke dingen ans^n, MLoep. lY, 1950. Stryt
anegaen, inire proelium, D. B. DetU. 2, 9 «» 24,
I Sam. 17, 10. Enen raet aengaen , conn'/tui» t»»r^,
D. ^. I &Mn. 5, 9, Dan. 11, 25, Hs. v, 1423,
117i. — Starchede die men proevet in anegane groter
dinghen, Ht. v. 1348, 21b,
3) Iet — , iets aannemen , volden, opvolgen^ er
naar handelen, \\ Alle die grade van den lieden . .
selen verwandelen daema saen ende ander maniere
dan anegaen, Velth. VII, 23, 63. Wildi oec
aengaen uwen wille, doet a gebod, ic swighe al
stille, L, o, H. 1880. Dnnct u in dat leste dat
beter si uwes selfs raet, so rade ic a dat ghine
auegaet. Lip. III, 3, 1156. Woudi anegaen minen
raet, ic wane wale datti ons goet ware te male,
lAmb, V, 282. (Men) anginc dat hi riet, Velth.
IV, 61, 80.
4) Iet — , ieU vrijwillig ondergaan. \\ Dat ster-
ven angaen, Sp, I», 8, 53. Die doot anegaen,
Rijmb. 24867, Sp. I', 22, 11, III\ 5, 57, AUx,
VIII, 733, Amand II, 2456, StokelV, 1310, iVTéffi?.
Proza 78. Doe moeste hi anegaen dat sure, JRiJmb.
13843. Want sijt niet en conden verweren, om dit
anegingense dminder deren, Velth. 111,50, 71. Dat
beter waer een heymelike zonde dan an te gaen die
dootlike wonde , MLoep II , 4099. Hebdi wille minne
tanegane, u te laten minnen^ Rote 12070.
5) Iet — , iets aanvaarden ^ op zich nemen , aan-
nemen., van eene belofte, eene verplichting, eene
verbintenis enz. || Wildi anegaen soendinc ende
dat ontfaen, Hein, I, 187. Anegaen der kerken
fehorsaemheit, Sp. III», 16, 36. Wonde si hem
ouden trouwe, hi sout herde gheme anegaen,
lAmb, X, 390. Dat hi die ordene moeste ontfaen,
die hi doe soude anegaen, II, 89. Dat si ane-
ffhingen kerstine wet, Amand I, 4636. Wi willen
dit anegaen ende gheven ons gevangen, Ferg,
2752. U ere ware mi lachter genoech, daer omme
en willics niet (des afh, van het znto. niet) anegaen ,
Tst. BI. 2124. — Zie nog Lanc, III, 26236, -54,
-56, enz. Ook Rote 12070 (zie 4) kan hiertoe
worden gebracht.
6) Iet — , iets aanvaarden^ tot zich nemen ^ in
bezit nemen , in beslag nemen. Verg. Aenvaen ,
Aenvangen en Aenvaerden. || Want siit dors-
ten anegaen , den stoel van Rome , die ere
groot, ^. III», 1, 122. Wie sal Reinaerde dat
veronnen dat hi gestolen goet ginc an? Rein. I,
260. Hoe si den duvel sullen ontgaen, ende Gods
rike anegaen, Lueid. 2709. Ende aneginct {dat
eonincrike) met stouten moede, Velth. III, 1, 43.
Ende gheloefden doopsel tontfane , ende tlant in
manscap tangane, Brab. Y. II, 6358. — Over de
gelijkheid van beteekenis tusschen Aengaen en
Aenvaen^ zie bij dit laatste.
7) In de bet. Onz. 7 1») wordt aengaen
meermalen als trans. ww. gebruikt. Zie de voor-
beelden ald. en vgl. nog ^.I», 9, 15: Lucifer ginc
an dat serpent , daer hi twijf met hevet gescent , e. e.
AENGAENDE, bnw., eig. tegenw. deelw. van
Aengaen als onz. ww. , in de bet. 7, «, a, 1^
Met den 3den nv. des persoons. Enen — , voor-
komend^ vriendelijk jegens iemand. || Den goeden
religiosen was hi aengaende als een vader, Exc,
Cr on. Whc,
-4EïfGAEP znw. m. Stam van \t\,^yf . aangapen
.<ci«i mi. Wdb.). Hetzelfde als aencaep, dat een
; aiideren oorsprong heeft (zie ald.). Beiyk. || Doe
hi naect hinc aen den cruse tot eenen aengaep
alre menschen, Brugm. 1, 315.
AENGANGEN (ginc , gingen , gegangen) , st. ww.
onz. bedr. Oude bgvorm van Aengaen. Zie ald.
en verg. Gangen en Ndl. Wdb. op Gaen.
Onz. Naderen, toegang krijgen tot, vgl. Aen-
gaen, Onz. 7, a, !•). || Niemare, qnaetheit,
valsce wane ne laet di niet gangen ane, ^.
I«, 86, 191, vgl. OFl, Oed. 3, 114, 75.
Bedr. Beginnen, aangaan, vgl, Aengaen, bedr.
2 en 5). || Wat dinghen ic mach aneghanghen,
Vr. e. M. rV, 113. Alsulken verbont, als dese . .
angeganghen hebben, Nyh. 4, 4 (a. 1423). En
anganc ghene beloften milten luden van dien lant-
scappen, D. B. Exod, 34, 12.
AENGANC, -gange, znw. m. Ohd anagang •,m\iA,
anegane; mnd. angank.
1) Het naderen, het aankomen, het te gewkoet
komen. Zie Aengaen onz. 1). In deze oorapron-
keiyke beteekenis werd ohd. anagang, mhd. ane-
gane in het oude volksgeloof in eigenaardige
opvatting gebezigd. Hetgeen iemand bjj H beginnen
eener reis of by H aanvangen eener onderneming
het eerst te gemoet kwam of ontmoette (H zg
mensch , dier of voorwerp) , werd als een heil- of
onheilspellend voorteeken beschouwd , en heette de
goede of kwade anegane, d. i. ontmoeting, of wel
het goede of kwade gemoet. Zie Grimm, Mythol.
1072 vlg. ; V. d. Bergh , Ned, Mythol. 305 , en verg.
Ben. 1 , 475 en verder alhier op Gemoet. Daaruit
ontwikkelde zich de spreekwijze: — Ten aen-
gange comen, juist van pas aankomen als men
iets zal gaan doen , onverwachts aankomen , onvoor-
ziens verschijnen, oorspronkelijk met het by denk-
beeld , dat die verschyning tot een goed of kwaad
voorteeken verstrekte. By Kil. „ supervenire , e* in-
sperato «uUtenire.^'* \\ Ghi souten hebben doot gheste-
ken en haddi mi niet horen spreken , daer ic ten aen-
ganghe quam ghereden , Esm. 983. Ypander sloechae
om dat Torec quam ten angange daer ende seide ,
Lanc. III , 26638. — By uitbreiding ook van zaken
gezegd, die zich onverwachts voordoen en iemand
overvallen. || Niemen en houden an dat belof,
daer men es oft toe oft of, anecomende ten ane-
gange met looshede oft met bedwange, Sp. I*, 8,
5. — Vandaar nog heden in geiyken zin de zegs-
wyze op den aangang komen: zie Ndl. Wdb,
2) Aanvang, begin. Zit AENGAEN onz. 3) en
verg. Aenginc. || Van anegange van erderike
tote haren tiden sekerlike, Sp. I*, 13, 7. Als
tjaer es an den aneg^c. Nat. BI. VIII, 942.
Gode te vresen van allen danc, dat is des wgs-
heits anegane, Hild. 253, 1. Tien tiden begonst^
die anegane {de eerste opkomst) van den FariseeDf
Rijmb, 20432. Scone was des mans anegane, zijn^
begin, zijne eerste daden, 32979. S neemt bier
anegane. Nat. BI, V, 964. In den aengange Tan
desen stride so vloen die Vriesen, Clerc 64. An-
ganck des vreden, Nghoff 4, 392 {bis). — Aen-
ganc voor begin werd niet alleen van den tyd ,
maar ook van de ruimte gebezigd. Byzonder by
dykschouwing was de uitdrukking Aenganc en-
de afganc bekend, d. i. het begin en einde van
eiken hoefslag van den dyk. Zie by Afganc 2).
3) Aanval. Zie Aengaen onz. 7). In desen
stride bleven doot in den aenganc die heer van
Arkel ende heer Jan, Clerc 145. Die grave van
Normandyen hevet begonnen den aenganck met
synder scharen aen deen side, Exc. Cron. 103^.
4) Het element, de grondstof waaruit iets tg
geschapen', het element, waarin iets leven moet.
101
AÈNG.
AENG.
lÓ5i
Yg\. Ben. 1, 478a. In mystieken zin opgeyat.
II Dattu die afgode vlies ende du te mi allene
ties , . . ende minne dinen God met herte endc met
sinne, . . dits der sielen anganc, Tien PI. 152.
In deser {hêmeüche) vrouden so wert de geest glie-
transformeert van yet te siins selyes in een Uoot
niet, en (1. ende) leeft allene siins anegancs, m»
gijn element. Es. p. 1348, 2786.
AENQEBOORTE , znw. vr. Ygl. Aenoeboren 2).
1) Eigeniyk atmgeboremehap , d. i. bloedverwant-
eehap , vuutgschap ; docli bg uitbreiding het op die be-
trekking gegronde recht van naasting. Hetzelfde
als Aenboorte: zie ald. || Die ontnaester sonde
sijn aengeboerte yan dat erye gederyen, Matth. 116.
2) OeboorterecAt , droit de naiesanee, ygl. AEN-
OEBOREN 1). II Ie viste dat Heroden (1. Herodes)
yan anegheboorte der naturen coninc was gbecoren
ende daer omme booptic dat bi den eersten coninc
(Jeztn) gbespaert soude bebben , Hs. v. 1348, 301d.
AENGEBOBEN, bnw. Uit Aen en Gebaren. Van
zaken, personen en eigenscbappen gezegd, docb in
yerscbillende opvatting.
1) Van zaken, in tweeledige opvatting.
II
a) Enen — , door iemand door en met de ge-
boorte verkregen y hem bij geboortereckt toekomende.
II Waer bi scamel, bi soude beiden ende laten
die gene voren sitten, dient es anegeboren, Vad,
Mui. 1, 76, 36. Dits boe die qua£iders magben
zQn sculdicb te gbelden ende te betaelen, naé
trecbt van der stede een ygbelQck nae dat bem
angbeboren is, Westfr. Dingt. 16. Item een recbt
afterskvnt een vierendeel, alsoe als bem aengbe-
boren is, te gbelden ende te nemen, ald.
6^ Enen — , iemand met de geboorte vootbe-
ecAtJtt, door Het lot over hem beschikt, volgens
het volksgeloof aan eene onvermQdeiyke voorbe-
schikking. Hetzelfde als EnengescapensQn:
zie ald. || Al mjn vruecht haddic vernoren, dit
leven was mi angbeboren, OTl. Lied. en Oed. Sll,
2286 (in den tekst nu voor mt). I» di qnalicvaren
angbeboren van natueren , of van dgn vader ofte
moeder, of van sterren, ofte van anderen saken,
dat en is di niet also« ghescapen, dattet di
ommer geselen moet, Der Zielen Troost f. 9tf.
— Elders scheidbaar gebruikt: Geboren aen,
in denzelfden stil. Dat loghen es ende niet el,
als een nensche stelen gaet, ende menne hanghet,
als men vaet, dat die lieden seggben dan: ^Het
es hem gheboren an: ware hi besloten in enen
mnre, bi moeste doen sQn nature,'* Natuurk. 1307.
2) Van personen. Enen — , aan iemand door
geboorte verbonden, hem bestaande, tot hem m»
maagschap staande. Verg. Aenboort, Aenboorte,
Aenoeboorte. II Niement en is vorder ver-
bonden sgn zoen te verborgen, dan hy hem aen-
geboren is, DIatth. 219.
3) Ingeboren^ ingeschapen. || Ons es ene nature
anegeboren, die heet /omes peccati, lamb. Serm,
Iw. Dese naturlike bosbeit es ons regte van
naturen so vaste anegeboren, dat se niman ver-
drucken en mag, 16tf. Vgl. JS^tm». I, 1796 en 2497;
MLoep III, 143 leest men ingeboren.
AENGEBOREN (AE>f oeboeren) , zw. ww. onz.
Met den 3den nv. Enen — *, iemand te betert val-
len, ten deel vallen. \\ Naect ende arm soe sün
wy dan, alst hier op een scheiden gaet . . Tis
nauwe dat u een lindewaet ten lesten mach ghe-
boeren an, Hild. 64, 233-^9.
AENGEBRINGEN, abnoebrenoen (brachte of
broehte, gebracht of gebrocht), onreg. zw. ww. bedr.
1) Enen iet ^, iemand iets berichten, et hem
aangifte van doen. \\ Voort waert sake dattie vorsz.
beemraders den vorsz. scepenen gbeen zeker be-
tooch van den vorsz. diick te leggen aenghebren-
gen en consten, V. d. Wall 38 \a. 1270), Mieris
1 , 446tf.
2) Enen aen iet — , iemand tot iets brengen,
er hem toe noodxaken. \\ Maer om sterven no om
leven ne constijt {het kind) met gheenen slane an
dat ambacht ghebringhen ane, Heim. 1626.
AENGEDACHT, -daehte, znw. onz. Aandacht,
stille overdenking. \\ Bi des papen anegedacht so
wert daer wonder groet gewracht , Bed. d. M. 814.
ABNGEDEELTE (aengedeilte) , znw. onz.
Aandeel. \\ Dat ons onse stad van Bruessele wel
ende wettelic betaelt heeft ende vergouden haer
aengedeelte van deser beden , Brab. T. Dl. 2 , bl.
693 {a. 1362). Welke somme van den
Berghe ende van Hoesdein . . men den voor-
seiden steden . . van haren taxe afcorten sonde
ende aenghedeilte van der bede voorseit, Brab. T.
VII, 13301.
AENGEDOEN {dade of dede, gedaen), onreg.
st. WW. bedr. Hetzelfde als Aendoen (zie ald.). Van
kleederen, wapenen enz. Aandoen, aantrekken. U
Ende eer si mochten wapene an-ghedoen, sloech
hiere vele doot, Bijmb. 19036.
AENGEDRAGEN (droech, droegen, gedragen of
gedregen), st. ww. bedr. Hetzelfde als Aendragen
(zie ald.). Dragen {aan het lijf), van kleederen,
wapenrusting, boeien enz. || Hier af wonderde
menigen man hoe yemen mocht den halseberch an-
ghedragen, om dat hi was so ongemicke, Velth.
III, 32, 68. Oec en es so sterc geen man, die
hadde connen gedragen an die brake entie veteren
mede, VI, 6, 66.
AENGEGRIPEN {gegreep, gegrepen), st. ww.
bedr. Hetzelfde als Aenoripen: zie ald. Aan-
grijpen, aanvatten, aanvaarden. \\ Zenoens wedewe,
die keyserinne, gegreep trike ane met zinne, Sp.
in« , 1 , 3.
AENGECNOCHT, verl. deelw. van aencno-
pen , aanknoopen , in de hedendaagsche betee-
kenis. Aangeknoopt, verbonden, verknocht. || Alle
die ghene die hem gheliken in opgherechter be-
gbeerlicbeit , die mogben si verclaren in aenghe-
knocbter minlicheit , Ruusbr. 4 , 183 , in het Latijn:
„In amoris applieatione sive confunctione.^^
AENGELANT, bnw., alleen in gebruik als
gemeensl. znw., en wel bepaald in *t mv. aenge-
tande. Uit het bijw. Aen en Gelant. Eigenaar of
eigenares van een land aan een weg, een dijk, een
watering enz. \\ De aenghelande an de Caelve
S beven te kennen an Schepenen van der Keure
er stede van Ghend, dat sy groote prejudicie ley-
den (/. Uden) an hunne landen mits de Caelve ver-
slijckt sQnde , men het waeter niet en can afleeden tot
de Lieve , waer op Schepenen verleenen hun octroy
tot de verdiepinghe behelsende : dat de Caelve sa}
ghecuyst ende verdiept worden ten coste van de
aenghelande, Diericx, Mem. 1, 233 {a. 1412). Dat
men de aenghelande den rietgracht sal doen delven
tot den ouden bodem, 431.
AENGELIJC, like, bnw. GoV analeiks; obd.
anagalih; mhd. anelich; nhd. Shnlich; ags. anNc
(Ettm. 183); mnd. angelik. BQ Kil. „Aen-lQck,
assimilis." Uit Ane, aen en Oelijc, dus: aan het
gelijke rakende, bijna gelijk. Met den 3den nv.
1) Enen — , gelijkende op iemand. || Deen was
Florise anegelifc, dat ander stoet in diere gebttre
oft Blancefloer sine amie ware, Flor. 927, vgl.
Nat. BL XII , 672 : Der roscn welna ghelijc ane.
i03
AEKG.
AENG.
d04
2) Ere dinc — , gelijh aan iets. || Alle diere
inwonende zyn zullen hebben alzulcke vrijheden
ende zulcke wet . . . eeuwelike voortan ende anghelijc
de (d. i. ah de) stede van Brugghe houden ende
useren , CoiU. v. Brugge 1, 203.
AENGELOVEN, zw. ww. bedr. Enen iet
— , iemand ietê aan- of toevertrouwen. Evenals
vele uitdrukkingen in Geldersche oorkonden heeft
dit woord een Buitsche kleur: verg. mhd. d/iz
an in gelouben, by Ben. 1, 1018. || Weert dat
die dyck bynnen die gesette tijt nyet gemaict en
were , so en solde mens hem nyet meer aengeloeven ,
Nijh. 2, 2Ö9 {a. 1370).
AENGELOVEN, zw. ww. bedr. hd. angeloben.
Iet — , iets beloven , zicA door eene belofte tot iets
verbinden, || Ende ne gheloeft anders niet an dan
dat ghi der toe sult doen uwe beste naer uwen
vermogen, Jan Yp. 43.
AENGEMERC , znw. o. Ret in aanmerking nemen.
Vooral in de bijw. uitdr. mits of ten aenge-
mercke van, met het oog op.\\ Om noch bat die
discipulen te vermanen tot lijdsaemheit mits aen-
ghemercke des utersten oerdels, Boeck v. d. L,
Jhesu 953. Ten aenghemercke van den loone die
wij van hem verwachten, 1713.
AENGENOMENHEIT , of -hede , znw. vr. Mnd.
angenomenheit ^ een woord der mnl. philosophie.
1) Abstract. Het aangenomen hebben ^ de aan-
neming, il Een welbehaghen in aenghenomenheiden
sonderlingher wisen van buten, Ruusbr. 4, 146,
in het Latijn: „In singulari quodam . . externo
vivendi modo."
2) Concreet. Hetgeen aangenomen is , de vorm ,
gedaante^ maaksel. \\ Al sijn wi een met Gode in
onsen beelde, overmitfi aenghenonienheit onser na-
buren, wi moeten hem oec gheliken in gracien
ende in dogheden, Ruusbr. 5, 22.
AENGERIËN (aengeryen), st. ww. onz. De
hoofdtijden komen niet voor, maar moü\%n gereech ^
geregen geluid hebben. Zie RiËN, rijgen. Geriên
is dus samenrijen^ aaneenrijen, in neutrale opvat-
ting; angeriiht, het hd. sich anreihen^ dus aan-
sluiten, raken, aangaan, toebehoor en. \\ In en genen
dienste noch ambachte . . die den hertoge . . ochte
sinen lande ochte sinen steden van Brabant ende
van Limborg anegeryen mogen in eneger manie-
ren. ïe eneger vonnesse ochte te enegen
rade , . . die hunnen here den hertoge . . ochte
sinen landen anegeryen , Brab, Y, Dl. 1 , bl. 829
(fl. 1342).
AENGEROEPEN, st. ww. bedr. Jenroepen. \\
War es die mensce, die di (God) noit anegerip,
dune deilest dine genade mit heme, Limb, Serm. 93.
AENGESCOU, -scoutoe, znw. onz. Verg. Aen-
scouwe, Aenscouwen en het volgende art. Het
aanschouwen, het aanzien, in passieve opvatting,
dus het uiterlijk voorkomen. \\ Jonck ende schoen
van aengescouwe, MLoep I, 933.
AENGESCOU WEN , zw. ww. bedr. Aanschouwen,
aanzien. \\ Want si niet gescouwen an sine grote
quaetheit conden, Sp. I*, 64, 24.
AENGESIEN {aesach, gesagen, gesien), onreg.
st. WW. bedr. Aanzien. \\ Dat si {Maria) na sinre
opvart kume einigen mensce anegesach mettin
oegen, Limb. Serm. 39«. So groten rouwe, datse
niemen can aneghezien, Hs. v. 1348, 307^. Dat
niemen anghesien ne conde, Rijmb. 32872. Dat
si en dorren van anxte groot mi van scanden an-
ghesien. Rosé (C) 9343. Doen die Godheit aen-
gesach, O Tl. Ged. 3, 133, 201. Men en mochten
nyet aenghesien , Serv, II , 868. Doen dat sy willen ,
en cant ghedoghen, noch aenghesien met mynen
oghen, Troi/en f, 216e. Zoo ook Sp. IV, 28, 43.
AENGESIEN, eig. deelw. van aanzien. Reeds
in Hmnl. gebr. in de uitdr. aengesien dat,
welke uitdr. de kracht heeft van een grondaan-
gevend voegwoord. || Anghesien dat daer niet af
en quam als si haepten (hoopten), Brugm. 2, 316.
— Ook als voorz. Met het oog op, in aanmerking
nemende, || (Hi) wert seer begaen, wes hy recht-
vairdeliczt ende redellczt dairof soude moghen
wysen, aengesien yghelix brief ende betoech van
ghelyken ouderdom, Matth. 51.
AENGESINNEN (gesan, gesonnen, gesonnen), st.
WW. bedr. Zie Gksinnen, verlangen, in de zegs-
wgze: d-es an enen gesinnen; verg. Ben. 2*, 309.
Een Duitsch gekleurde term, in Geldersche oor-
konden gebruikelijk. Teuth. bl. 239: „Ansyn-
n e n , requirere , petere'*'' (z. ald.). Enen des — , iets
van iemand verlangen of begeeren, hem iets verzoe-
ken, tot iets uitnoodigen: beleefde uitdrukking. ||
Welke sijn rekenscap . . wy oick altois gnetliken
horen solen, als hy ons des oick vertennacht te
voren aengesyndt, Nijh. 4, 201 (a. 1444). Offt
sake were, dat . . die gene van ons, den sulx
toequeem, an den anderen hulp ende bistant ge*
some, so sall die gene van ons, den dat ange-
sonnen worde . . enz., 5, 83 (a. 1477). Als men
uns des aingezinnen deyt; welche zgt die heirren
des ain^esunnen werden ; — wilge zijt (welche xeit)
si . . des aingesunnen solen werden; — so wie
unse nichte uns des aingesonnen hait, 2, 58 — 62
(a. 1353).
AENGE VECHT, -vechte, znw. onz. Zie Aen-
VECHTEN. Het aanvechten, bestrijden. \\ Wat deert
mi niders aneghevecht , doe ie minen dingen recht ?
Lett. N. W. ia, 161. — In denzelfden zin ook
het als onz. znw. gebruikte ww. Aengevechten. \\
Ende want dit edel lant van HoUant . . veel ange-
vechtens der Denen, der Noormanne ende andere
gehadt heeft, Clerc 20.
AENGEVECHTEN. Zie Aengevecht.
AENGEVEN (gaf, gaven, gegeven), st. ww. bedr.
Enen een cleet — , iemand een kleed aan het
lijf geven , het hem geven om aan te doen, || Want
alsemense te bedde leet, men trecket hem alte-
gader af so wat men hem teersten angaf, Sp. I',
71, 38. Dorstich, ghine hebt mi niet ghelaeft;
naect, dat ghi mi niet aen en gaeft, Lsp. IV, 11,
25. Daema was hem anghegheven een purpur^n
cleet in mantels wise, Amand, II, 862. Ie was
naect, gi ne gaeft mi niet an, Lucid. 5710. Ka
dien dat de vraye minne Cristi, die lach in
Fransoyen zinne, die vorme adde gegeven ane
van der ymagen enter gedane den minre , die die
meester drouch. Franc. 7081. Romanus . ., dye
sint« Benedictus gaf monincs abijt aen , Pass. H\
245a. Hi gaf een van sinen knapen sgn cleder
aen, 2473.
AENGEWEGEN, zw. ww. bedr. Verg. Geweoen.
Enen iet — , iemand iets toezenden, doen toe-
komen, verleenen. || Dat sall dich God anege wegen ,
Serv, I, 2547.
AENGIEN, znw. Herhaaldelijk in den Segh. voor
Eng I en: zie aldaar.
AENGIN, -ginne, znw. onz. Aanbegin, beyim,
Ohd. anaginni, anagenni, anagin\ mhd. aneginn^ ^
anegin; ags. angin (Ettm. 426); os. anginni',x£Ln^.
anegin (Lubben 1 , 78 op Anbegin ; Koseg. 1 ,
404). Uit Aen en het grondwoord ginnan, van-
waar ons beginnen, ontginnen. \\ In aneginne was
een woort, ende dat woort was bi Gode, ende
405
AENG.
AENH.
106
God was dat woort. Dat was van anegione bi
Gode, Jok. 1, 1, hij Lelong, Boekz. 211, f» bij
Lnlofs , Handb. 47. Die vader van aneghinne hadde
sinen sone de minne verborghen in sinen scoet ,
Hadew. I, 111, 41.
AENGINC, -ginge^ (of aenoinge), znw. De on-
verbogen vorm en het geslacht des woords blijken
niet. Ohd. anagenffi , vr. en ons. ; mhd. anegenge ,
onz.; nnd. anegenk^ anegink, m. (Koseg. 1, 404).
Van Aengaen in den zin van beginnen^ en dus het-
zelfde als Aenganc (zie ald. 2), doch met de
vocaal », uit tf ontstaan, welke e voortkwam uit
de oorspr. a door de werking der i van den uit-
gang (anagengi). Het mnl. woord zal, blijkens de
nnd. vormen, wel Aenginc geluid hebben, 3de nv.
aneginge^ doch het komt alleen voor in de vaste
spreekwijze: — Yan aneginge, van den aan-
vang af, van den beginne ; allengs door van anegange
verdrongen. || Cortelike van aneginge, hoe die
werelt hare dinge gehandeld heeft tote onsen tiden ,
suldi hier horen overliden, -^. I*, FroL 33. Ende
sullen geselen swaerre dinge, daut noit dede van
aneginge, IV», 24, 101. Van der werelt aneginge,
!•, 13, 35; IV», 31, 66. Van aneginge stomende
doof, IV», 32, 51.
AENGBEEP, znw. m. Van Aengripen, aan-
grijpen , nog heden in den zin van aantasten , aan-
vallen^ evenals in *t hd. nog het znw. an^ri^, ohd.
anagrif^ mnd. angrepe. Ook in denzelfden zin Aen-
GRIJP. Aanval^ aantasting^ vijandelijke bejegening.
II Dat ich . . . ghenen scade off ghewalt doin en
sall, noch aengreep ynden lande van Gelre, Nijh.
3, 164 {a. 1390). Dat wj . . . gheen gewalt,
angrijp of onrecht keren en selen, 171 {a. 1390),
verg. 216. Herhaaldelijk in den Landvrede tusschen
Gelre en Kleef, van 26 Jan. 1369 , ald. 2 , 109—135 ,
met name bl. 118 vlg.
= Over het later door Bild. gebezigde Aan-
greep^ zie Ned. Wdb.
AENGRIPEN {greep ^ grepen^ gegrepen)^ st. ww.
bedr. Ook onscheidbaar gebruikt. Mnd. angripen.
1) In de hedendaagsche beteekenis van Aantasten,
aanvallen: verg. Aengreep. || Allen den ghenen
die . . . sgn lant, sijn lijf, sijn goet anegripen
ende aentasten moghen, N^h. 2, 135 (a. 1369).
2) Van land, goed enz. Aanvaarden, in bezit
nemen, of wel in beslag nemen. \\ Dat jonc vrouwe
Beele angripen soude de vorseghede derdalf ghemete
lands van dien daghe vorwart haren vrien wille
der mede te doene, Oorkb. 2, 412« (a. 1295).
Her Edwart, of sine amptman in siin behoef, sal
moghen aenvaen ende anegripen alle onse goet,
Nijh. 2, 90 {a. 1356). Doe beloofden si ooc hin
haer lant weder te gripene an , Rijmb. 8418. Ende
angreep somwile omt gene dinge, die hem niene
waren, Velth. IV, 2, 44.
'3) Aanvatten, aanvangen, doch in ruimere toe-
passing naar gelang van het object, als beginnen,
ondernemen enz. || Doe greep hi scaerper leven
an, Sp. III», 33, 47. Wat grijpti an? laetti Gode
al openbaer ende maect enen lozen outaer ? Rijmb.
7016. Daer si die vaerd omme grepen ane, 30361.
Daema selen si sonderlinge die kerke eren ende
stichten mede , ende dit anegripen met ernstichede,
Velth. VII, 25, 6. Ootmoeaicheit .... suldi
aengripen, Amand 1, 4839. Discipline aengripen,
Bern. fV. 1603. Heren sellen hebben te hare rade
wise liede ende ghestade, in goeder manieren
beheudech ende in aengripene ghenendech, Teest.
1000. Dus hebdijt ghegrepen an, Rijmb. 21818
var. Hpe ghi anegrijpt die vaert, Melib. 334 var.
Laet ons uu . . . die deughden erust^lic angripen,
Stemmen 8. Ende nymmermeer en sellen si {die
duechden) ons smaken, wi en gripense aeu ende
bliven daerbi, Ned. Proza 133. Goede werke ane-
gripen, Ruusbr. 1, 173; 2, 167. Ende gripen ane
grote werke van penitencien , 2, 221. Datmen
haer heet, dat aeugripet si, 3, 37. Opdat ghi die
souden laet ende duechde angrijpt, 260. Anegrijpt
altoes den versmaedsten nedersten dienst, 4, 76.
Soe wat mensche die aengrijpt een versmaet abijt
ende een hert leven van penitencien, 274. Hi sal
anegripen die ghebode Gods, 281. "Weert saec,
dat yemant engherhande ghewaut aeng^ype, Nijh.
3, 37 (a. 1377). — Rennesse aengripen,
eene zaak opvatten en er recht in spreken. Zie
Rennesse. || Oft ghevallet dat de vorseide officiers
onder tdecscelle van hueren officieu aennemen arrest
oft angrepen kennesse up de warachtighe poorteren
van Gendt, Cron. v.Flaend. 2, 202. — In het tegenw.
deelw. aengripend, als bnw. gebruikt, in den
zin van (alles) met zich sleepend, onstuimig. \\ Ende
van sinen anscine daer scoet ene vierige angri-
pende vloet, Velth. VII, 2, 58, bij Dan. 7, 10,
in de Vuig.: „ Fluvius igneus ropirfrtjque."
4) Aangrijpen, aannemen, tot zich ft^m^». || Grijp
an ewich leven, daer du in gheroepen biste, Üs.
75 ƒ. 87A (I Tim. 6, 12, Vuig. „ apprehende").
Aengri pende dat sermoen dat na der warachtigher
leringhe ia, /. 91<? (Tit. 1, 9, Vuig. „amplec-
tentem"). Nerghents en hevet hi der enghelen
nature anghegrepen, mer hi hevet angheg^epen
Abrahams saet, /. 95^? {Hebr. 2, 16; Vuig. „ap-
preheudit ").
5) Enen — , iemand aanpakken met voorden ,
tegen iemand uitvaren. \\ Als menne dar anegript
met scarpen ende berespliken worden , lAmb. Serm.
117*. Wie onwerdelike datten man angript dar
ogt anderswar, so sal hi altoes segtelike . . ant-
werden, ald.
AENGRIPERE (aengripre, aengriper), znw.
m. Zie Aengripen 3). Iemand die iets aanvat,
onderneemt, omhelst, dus volgeling, aanhanger. Van
de Bedelmonniken heet het bij Vetth. VII, 20, 62:
Anegripere der ongestadechede , predicaren der be-
haechlijchede.
AENGRIPINGE, znw. m. Vgl. Aengripen 1).
Geweldenarij. || Dat si minen heere ende sinen
lieden upgeloepen ende hebben hem gedaen vele
angripinghen ende weghen van faite, Cron. v.
Vleiend. 2, 206.
AENG ROE YEN, zw. ww. onz. Beginnen te groeien,
II Dat in veuijnde lichaem overmits die boesheit
ende coutheit des venijns gheen wormen angroeyen,
Gest. Rom. 4Ab {of te Uzen : en groeien ?).
AENGROETEN (aengrueten), zw. ww. bedr.
Begroeten, groetend aanspreken. || Mettien ghinghen
si inne, ende aengruetten Marien met zinne, Lsp.
II, 13, 100 var. Ende quame daer in uwen moet
die scone, di gi alsoe mint, gine sout macht een
twint hebben te anegroetene hare. Rosé 2362.
Den ridder, dien te moede sware was, anegroete
die conincginne, Limb. VI , 1296. Hine dars (/.dar?)
hare niet anegroeten, VI, 1241. Onsen here si
wilde anegroeten, L. o. H. 1405.
AENHAEN {hinc , hingen , gehaen) , st. ww. onz.
Met den 3den nv. Zie Haen en verg. Aenhangen.
Aanhangen, aankleven, bijblijven. — Spreekw. ||
Waer gi mede omgaet, dat u anhaet, Spreuk. 40.
AENHALEN, zw. ww. bedr. Ook onscheidbaar
gebruikt.
1) Tot zich halen, naar zich toe trekken, aan^
107
AENH.
AENH.
108
trekken, \\ Doe sach si dat scrientgin {met Mozes
er in) comen driven, si dedet aenhalen, B. v.
1367 , 33^2. Hoir hant soe haelde si weder an . . on-
ghebeten, MLoep U , 3276. Deser gelike is die betten
winnende ende makende, want OYermits hare doen
der aenhalender crachten soe opheft si menigher-
hande droge ende ynchte wasemen, Barthol, 68«. Die
warmte des herten wort gesachticht mitten aen-
halen des adems, 64^.
2) J)ocT vriendelijkheid en voorkomendheid tot
zich trekken. \\ Merckende dat Adolf s^n soon een
jonck , cloeck ende vroom jongelinc geworden was ,
adhereerden ende . aenhaelden si seere Tronwe
Eatheline yan Cleve de hertoginne van Gelre met
haren soon Adolf, Exc. Cron. Id2d. Ygl. ons iem.
aanhalen en Ndl. Wdh. 1 , 169.
3) Van goederen, die tegen de bestaande yer-
ordeningen, of zonder dat er de accynsen yan
betaald zijn, vervoerd worden. Vgl. Ndl, Wdb. op
Aanhalen 3). Aanhouden , in heelag nemen^ om ze
6f verbeurd te verklaren 6f ze vrij te geven,
wanneer aan de verplichtingen is voldaan. || Waer dat
zake , dat yement eenich zei ofte ghelt nyten voir-
zeyden lande ontfoerde . . die mochte men anhalen
op onsen stroem. Mieris 2, 363d (a. 1326). Brieven
roerende van enen scepe van Lejden , dat miin heere
verstaen hadde, dat die van den Briele aengehaelt
souden hebben , Bel, v. Leid. 361. Brieven roerende
dat sii müns heren haver, die sii angehaelt had-
den, ontcommerden, ende voirt aen lieten liden
sonder aen te halen , 373. Vgl. nog Handv. v. Medembl,
27tf, 63tf; O. R. v. Jhrdr. 278, 64.
AENHANOEL, bnw. Aanhangende en zich aan
iemand vattklemmende, 1) In eigenlijke opvatting.
II Cinomia dat es des honts vlieghe, . . ende es
een woerm pynlec sere, ende anhanghel ende
quaet emmermere, sine laet die honde niet rusten.
Nat BI. VII, 412.
2) In fig. toepassing. Zich aan iemand vast-
klemmende om zijn doel te bereiken. Niet lot-
latende^ vasthoudend, vast op gijn stuk staande,
lat. tenax, || 81 peinsde wel, dat si sal noch van
hem weten al ; . • soe anhanghel sQn die vrouwen ,
rergi 674.
— Afl. Aenhangelheit, het iemand niet
met rust laten , onbeschaamdheid, \\ Nochtan sal
hi upstaen dor des anders anhanghelheit , Hs, v.
1348, 279tf {Luc. 11, 8).
AENHANGELIJC, -like, bnw. Zie Aenhangen
2 , a). Uitwendig. Vgl. aenhanginge 3). || Luttel-
heit der menscheu ende der aenhangeliker dingen ,
daer die menscheu der werlt mede becommert ple-
gen te wesen. Stemmen 148.
AENHANGEN {hine, hingen, gehangen), st. ww.
onz. Veelal met den 3den nv. Mnd. anhangen.
1) Eigenlek, a) Enen — , iemand aan het lijf
hangen. || Een hout hinc hem altoos ane, daer
si, in heimeUker stede, die erde ontgroeven mede,
alsi ter camere wilden gaen, Bijmb. 22126. — b)
Ere dinc — , aan iets hangen, er aan vastkleven.
II Myn siele heeft anghehangen den paviment
Pass. W. 266 d, (verg. Ps. 119, 26: ^Adhaesit
pavimento anima mea).
2) In oneigeniyke opvatting, met eene zaak als
onderwerp, tf) Ere dinc — , Iets aankleven, er bij
behooren. Verg. Aenhaen , Aenhangelijc en Fl.
Rijmkr. 2099: Den edelen grave ende weerden
man van Vlaenderen ende datter hanget an. || Die
weyde ende dat ghers van Vriesendike . . . ende
anders die weydë die Vriesendyke anehanghet,
Oorkb. 2, 308 tf {a. 1290). Die twee dele van
Vriesendyke met allen dat hem anehanghet, ald.
b) Enen — iemand aankleven, eigen zijn. || Deze
twee plagen hinden hem an, Sp. V , 80, 15. Doe
haer dees crancneit ende dit verdriet langh had
anegehangen, Lutg, III, 879. Hanghet u G^ an,
soe hanget u alle goet an, Ruusl»:. 3, 62.
2) Overdrachtelgk , met een persoon als onder-
werp en een ander perzoon in den 3den nv. a)
Enen — , zieh voegen bg iemand, sieh aansïui'-
ten by hem. || Ende hi aenhinc enen borger van
dyen lande, dien buyten op sQn dorp gesondan
heeft om daer die vereken te hoeden, Boeek v. d,
L. Jhesu 176 b. (Vuig. Lue. 16, 16: adhaesif).
b) Enen — , zich vastklemmen aan iemand (met
eene bede), by hem aanhouden, aandringen, \\ Har
en was genoech nyet dit, so dat si hem zo laagh
aenhinc, dat si anderwerf ontflnc antwerd van hem
ende gueden troest, Lutg. H, 206.
AENHANGINGE, znw. vr. Zie Aenhangen.
1) Abstract. Aanhankelijkheid, verkleefdheid. \\
Van alre eertscher becommeringhe ende aen-
hanghinghe der dinghen sellen si vri wesen, JVtfii
Proza 76* {Stemmen 140). Die der werelt antie-
ringhe ende alle aenhanghinghe der vleyscheliker
dinghen gestorven waren, 269.
2) Concreet. Aanhoorigheid, \\ Mannen . . .
binnen den hertogedommen van Lothreike, van
Brabant ende van Lymborgh . . . ende hoeren
aenhangingen , gerichten ende yegeliken toebe-
hoerten geseten, Brab, T. Dl. 2, bl. 470(^.1349).
3) Dat wat bij iets behoort, zonder er het wezen
van uit te maken, lat. appendix, \\ Die uutwendige
anhanghinge des menscheu, als zgn slaet, graet
of oerdene, sine schoenheit, . . , s^n habyt, enz.
Gerl. Peters 206.
AENHEBBEN {hitdde, gehot), onreg. zw. ww.
bedr. Aan of in zich hebben , in verschillende op-
vattingen.
1) Aan zich hebben, aan zich dragen, bevatten ^
als iets uiteriyks en zichtbaars. || Enen casteel . .,
die hadde ane menighen tor , na minen wane , WaL
2880. Al ghepeins es openbaer voer hem, die
tellet alle haer, ende wat die hemel heeft ane,
Wap. Mart. I. 226. Die vlieghe beet enen caluwen
man opt hoeft, die geen haer hadde an, Esop.
XXXVI, 1. Merct dat Than hevet ane der cruce
vorme ende haer gedane , Franc. 1999. Syn ors ende
dat hi hevet an, Eleg. 347. Den man, die een
wit cleet hevet an, Nat, Bl. II, 380 var. Die
vrucht, die hi {de palmboom) hadde ane, ^. III^,
29, 50. Die mensche . . ., die vleis ende Moet
hevet an, OVl. Oed. 3, 135, 412. Dese helege
man, doe hi dit leven adde an. Franc. 8008.
So goede manieren haddi an, dat si eiken moch-
ten behagen, Velth. V, 2, 10. Cleder aenhebben,
Brab. T. II, 1924. — Een onrecht — , ieU
kwaads op zijn geweten, op zijne rekening hebben,
er aan schuldig zijn. \\ Dat si elc soude doen
verstaen syn gebrec, ende daerna dan diegene,
diet onrecht had an , sout den andren beteren ,
Velth. V, 6, 36.
2) In zich hebben, als iets dat tot het inneriyk
wezen behoort. Verg. Aen voorz. 1 , 1 , 6) en by w.
1, d). II In laet heden dor man, die so grote cracht
heeft an, Lanc. II , 44671. Die godheit nie en began ,
entie mensceit hevet begin an, Sp, III* 21, 29. Dat
so edele gedane binnen niet en hevet ane die hope
van hemelrike, UI*, 61, 29. Ende welc si meest
hevet ane {van de vier elewunten), daer na trect
sine gedane , M, e, Vr, Heim. 179. Dat dit wonder
hevet grootheit ane. Nat. BL IV, 1073. Opdat hi
109
AENH.
AENH-
410
doghet hevet an, Teeat. 3069. Die redeniyc yer-
stMn hebben an, Lsp, lY, 9, 102. Die ziele
heeft vroetscap ane, Lueid, 2956. Hi heeft an die
felste natnere, Amand I, 3879. üat helicheden,
die hi hadde an, II, 3014. Ende dit heeft oec
groet bedieden an, Yelth. YI, 30, 9. — Spreekw.
il Een onledich wQf ende legghende hinne hebben
yele cakelens aen, kunnen goed kakelen^ hebben die
eigentehap^ Spreuk, 104.
3) In neh hebben y inhouden ^ bevatten ^ behelzen <i
zoowel met betrekking tot den inhoud (mimte)
alfl tot den tijd. || Avontore es maer een woert,
dat IX lettren hevet an, Teett 1629. Sine misse,
die hi dede, en hadde niet meer aen, roor noch
na, dan die woorde, . . die Cristns sprac met
zinen monde des Donredaechs ten avontstonde , Ltp,
II, 39, 174. Nu wil ie n vort cont maken dan,
hoe vele ene mile hevet an, Natuurk, 253. Ende
elke grote sterre es int firmament, sp seker des,
hondert werf meerre dan al eertrike heyet an,
563. Een walpuyt biers en heet niet yele ane, als
meynchs {een menech) met doerste es beringhelt,
Plagerw. 351. Zoo ook Lep, II, 54, 71 en Natuurk,
1088 (yan tyd).
4) In {zich) hebben, vorderen, vereisehen, || Die
tale entie wedertale, ende dat bieden alsoe wale,
ende dat eyscen .... hadde mi te yele yertrec-
ken an, Yelth. YI, 22, 27.
5) Met den 3den ny. Ene dinc hem — , iet»
aan zich gehecht hebben , eigenl. het zóó hebben dat
het hem aanhangt, \\ Dit was een sere stout man,
haddi dbisdoem wel hem an, Yelth. lY, 70, 36.
AENHECHTEN. Zie Aenheften.
AENHEFFEN {hief, hieven, gehaven of ge-
heven), st. WW. bedr., mnd. anheven. Zie Hef-
fen. Aanvangen, beginnen, ondernemen. \\ Maer
haesteiyc hi yan daer sciet, ende hief weder
aen die yaert met sinen lieden te Bruessel waert,
JBrab, T, YI, 1484. Int jaer yan XII . . . hief
die hertoghe ane sQu yaert ten lande yan Lutzen*
borch waert, YII, 2853. Notable doctore . . die
haer i«rste lesse . . in harer consten elc yan hen
ter eeren Gh>ds . . ierst aenhieyen ende begonden
opten iersten dach . . der maent yan Noyembri,
YII, 16463—74. Wes (= va/) men anheft mittie
vroede dat eyndet gaerne al int goede, JfLoepJl,
2155. Ygl. lY , 180. Si hief jammerl)jc an te cla-
gen, III, 406. Elk richter sal bynnen synen ge-
richte uutrichten alle saeken , die in synen gerichte
yallen ende angehaeyen weerden, R, v. Zutf. 143,
18. Ygl. AENHEVEN.
AENHEFTEN, zw. ww. bedr. mhd. anhaften,
anhe/ten; mnd. anheehten; hd. anhe/ten en anhaften,
Vcuthechten, eng verbinden, vastkleven, || Dattu
aengheheftet ofte aenghelijmet biste dinen yleysche ,
dat wonderlycke zeer onreyn is , Bern, S, Sid, Dat
ander lede, daert aengeheft is, dat die ghequetst
werden, Barthol. 97a,
AENHEFTICH, bnw. st. Blijvend, duurzaam,
ygl. elefvaat, \\ Dat sal guet ende anheftich sQn,
Ngh. 4, 4 yar. (in den tekst etaniafftich),
AENHELEN (aenheelen), zw. ww. bedr. Uit
Aen en Helen, heelen, yan heel. Tot een geheel
samenvoegen, aaneenheehten , aaneenvoegen, \\ Mir-
thous ginc ende brac die asse, ende heeldse weder
an metwasse, dat niet harde yast en helt, MLoep
II, 2761.
AENHETE (aenheete), znw. m. Samengesteld
ait Aen (ohd. ano, mhd. a»tf,M^, nhd.oAi»), groot-
vader en Hate, heete, got. atta, ohd. aUt, atto ,
mhd. atte^ opperd. atti {D, Wtb, 1, 595), ofri atta,
atha, ettha, Ifri. heit, heite (Epkema 203), yader.
Yerg. Diefenb. , Vergl. Wtb, 1, 80. Aenhete is dus
de grootvaders-vader, overgrootvader, in Hmnl. ge-
woonlijk oudervader geheeten. Aenhete, in den
verbasterden vorm at^the komt in den Gedderschen
tongval voor, doch in den zin van grootvader, ||
Heren Sander van Yosheym, m^ns wijffs auythen
ende h. Wolter van Yosheym, synen 8oene,ritter,
mgns wijffs vader, Nijh. 3, 226 {a, 1404).
AENHEYEN {hoef, hoeven, gehaven, geheven) ,
st. WW. bedr. en onz., mhd. anheben\ mnd, anheven.
Zie Heven.
Bedr. — Aanheffen van een lied enz. || Sy
loefden Gode langhe met ymnen ende mit sanghe ,
die sij vroliken aeuhoeven, Serv. II, 708. Mit
herten ende mit tongheu hoeven sQ ane den Gods
loff, II, 1451. Mit vrouden wil ie heven aen ende
ie wil vrolic singhen. Hor. Belg, 10,112. Te bant
zo solen die broeder papen hoechlike aenheven Te
Deum laudamus, D. Orde 278. Toe den homissen
salmen venien den confiteor, ten zi dan datmen
zie aneheve eer men den confiteor begint, 301.
Onz. — Aanvangen, beginnen. Die groet armoede
an ziere boert anhoef, begon bij zijne geboorte,
80 dat menne bewant mit crancken doeken, D.
Orde 215 (in den tekst verkeerdelyk : è hoef),
AENHOGE, znw. vr. Hetzelfde als Evenhoge
(zie ald.). Belegeringswerktuig van gelijke hoogte
ale de muren der belegerde plaats, \\ Merkenburch,
dat hi stormde met bilden ende mit aenhogen,
Matth. Anal, 3, 247.
AENHOREN. zw. ww. onz. en bedr. Mnd. an-
horen, mhd. anheeren,
Onz. — (scheidb.) Horen in den zin van behoo-
ren, hd. gehoren. Met den 3den nv. Behooren tot,
voegen, passen bij, hd. angehören, \\ Artur sette
hem dat hi wan alle die horden ten berge an,
beide steden ende vesten, Lanc, lY, 10088. Desa
nam die deghen bout, ende met hem sine ghebure
mede, die met groter sekerhede hem tier wilen
hoorden an, Rijmb, 1628. Dinct u dat eens coens
mans daet, dat hi hem selven verslaet? neemt,
het hoort den bloden an! 29271. Na datter mate-
rien hoort ane , Zsp. III , 15 , 32. Om dienst te
wederstaen, die hem niet te rechte en hoert aen,
Ifelib, 3186.
Bedr. — Horen in den eigenleken zin van
met de ooren vernemen, hd. horen, In de heden-
daagsche beteekenis (hd. anhoren), zoowel scheid-
baar als onscheidbaar gebezigd. || Aenhooret roepen
des dienaers dijn! Lett, N. W, b^ , 95. Doe si
gheanhort adden den staet van den edelen prinche
goet, VI, Bijmkr. 6163. Mensche, wie bestu, dat
anehore, Bincl. 232. Wijf ende man, die dese
niemare hoerden an, Brab. Y, YI, 1617. Seden..,
die goet sgn te hoerne ane, II, 1856.
AENHOUDEN {hilt, hielt of helt, hilden, gehou-
den), st. WW. bedr. Mnd. onhelden,
1) Fasthouden, vastklemmen, || Hine liets niet
dor die minke, hine hilt tscip an metter slinke,
so dat men hem die afslouch thanden, doch hilt
hi tscip an metten tanden, Sp, V , 18, 67. Waer
by dat ie dij rade, datstu se nederlegs . . ende
niet meer an en houdes. Pelgrim 343.
2) Aanhouden, herdenken, vieren, \\ Die bisscop
van Utrecht . . vercreech die lichamen van sinte
Ponciaen ende van Sinte Agniete, deen YIII dage
na den anderen; dat men zeder die tijt jaerUx
angehonden heeft alse van Ponssen ende van Angen ,
Clerc 55. Die keyser bescreide lange tyt haer doot
ende hilt syn droef heit lange an, Seven W, Iv,
411
AENH.
AENC.
112
AENHOÜWEN {Aieu, hieuwen^ gehontaen)^ st.
WW. bedr. , mhd. anehouwen {:=. angreifen). Met den
3den nv. Bij het houioen {van een beeld) aanbrengen.
II Ënde daer sijt sagen gemene, scorde geënt
beelde, gemaect yan stene, gene marbrine cledren
rene, die hem angehouwen waren, i^. !• , 81, 34.
AEN JAGEN, zw. ww. bedr. en onz.
Bedr. Met den Sden nv. — Naar iemand of
iets toedrijven, \\ Daer dreven cogghen zonder
man, de hem de wint jaghede an, Stoke IX, 833.
Figuurlijk. Enen iet — iemand iets op V lijf
jagen ^ het hem bezorgen, \\ Coemt ons in saterdaghe
iemen den (/. die) strijt ons anejage, daer up
houden wi ghene wet, Rijmb. 18921 var. In den
tekst: anl^he. Zie Arnleggen.
Onz. Komen aanrijden, voortrijden, jj Ende alsoe
jaghde hy vastelijc an sonder ommesien, Cron. v.
Finend. 2, 141.
AENCAEP, -cape, znw. m. Van Capen, kijken;
mnd. kapen. Zie Gapen. Ook het mhd. kende,
nevens kapfen, het ww. ankapfen^ aankijken (Ben.
1, 786, n». 4). Bekijk, schouwspel, in schertsenden
zin. Te aencape, tot bekijk. \\ Dat hi dat teyken
des cruices van sijn voorhooft wilde verdriven ,
opdat hi den volc geen ancaep ende spot en soude
werden , Pass. S. 159rf (in de uitgave verkeerdelijk :
anclap). Daer hinc die eersaem hoefsche knape
alle der werelt te aencape , MLoep 1 , 2593. —
^Ben aencaep van de lien^^ leest men nog in den
Zeeitschen Nachtegael I, 30. — Vgl. A EN GA EP.
AENCALLEN, zw. ww. bedr. Mnd. ankallen.
Iet — , iem. iets mededeelen , vertellen. || Nu besiet ,
wildi iet van mi, sciere calt mi ane, Limb. YIII,
560.
AENKEREN, zw. ww. onz. bedr. en wederk.
mnd. ankéren.
Onz. — 1) Keeren (naar een bepaald doet), zich
ergens heen keeren. || Hondert ende meer der heren
deed hy weder aenekeren , sy drevcnse aver rugghe
daertoe , Trogen ƒ. 86«.
2) Met den 3den nv. Enen — , zich tot iemand
keeren, hem aanhangen. \\ Onse here wonde pine
sware ghedoegen omme die hem keeren an, Sp.
II*, 57, 42.
Bedr. — 1) Enen iet — , iemand iets toe-
voegen, het hem op den hals schuiven. \\ Ende om
voer te comen die onbehoerlicke belastinge die
danleggers den verweerders dageiicx ankiren int
aenspreecken mit slichter clagen, Overijss. Recht,
I * , 209. — Enen enen ban anekeren, Aan
een der schepenen het uitbrengen van het schepen-
vonnis opdragen, jj Dairtenden sullen die van den
rechte voir gaen inder vierscharen ende dieghene,
die (d. i. dien) die ban anghekeert was, sal seg-
ghen aldus totten rechter: Heer rechter, wildi
horen tot wat ban scepenen staen willen? Matth.
131. Vgl. BAN.
2) Enen iet — gevolgd door het voorz. te of
voor, iemand iets aanrekenen voor of tot; hem
iet — te, zich iets aanrekenen tot, iets uitleggen
of duiden als. \\ Doet eere den onwerden man,
hi keert hem te lachtre an, Sp. I» , 41, 33. Be-
holtlicken voer schuit angekierde schaden ende
lofftenissen, salmen sich selven mit ede vrijen,
Overijss. Recht, I», 206.
Wederk. — Met den 2den nv. der zaak. Hem
eenre dinc — , zich met iets bemoeien , zich iets aan-
trekken, zich aan iets storen, er aandeel in hebben, jj
Dat hi der zaken der gheenredie de werringhe maken...
niet licht gheloove en wille gheven, noch gheen
Oijrodelijc onderwijs hooren en wille in ghecnre wijs.
noch hem ooc aenkeeren des , Brab. Y. VII, 3533 —
39. Item sal die goede stat van Lovene gheloven ,
dat si hare des raeds van Cortenberge niet aen-
keeren noch onderwinden en sal, Br. Y. Dl. 2, bl.
579, verg. bl. 595. Ware dat sake, dat si hier
namails wisten of vernamen , dat hem ieman aenkeert
ocht onderwonden hadde van der vorscreven ondaet
ende opsette , . . dat si die oec mogen doen bannen
ute allen onsen landen , ald. 608. (Dat) alle die ghene,
die hen der goede van der vorscreven stede onder-
winden ocht aenkeeren,' goede wettige rekeninge
doen selen van jare te jare, ald. 612.
AENKERRE. Zie Akerre.
AENCLEDEN, zw. ww. bedr. Aantrekken, van
kleederen of wapenrusting gezegd. || Wat hi
hadde anegecleet, beide wapine ende ander waden
was gescort ter meneger staden, Lanc. 11,44820.
AENCLEET, — clede, mv. cleder, znw. onz.
Een kleed dat men boven de andere kleederen aan-
heeft, opperkleed. || Alse die priester die misse
reet, tierst dat hi dan aneveet, dats dat hi sine
hande dweet ende trect ute sijn anecleet. Bed, d.
M. 153.
AENCLEVEN, st. {claf an) en zw. ww. onz.
Met den 3den nv.
1) Grenzende aan de tegenwoordige beteekenis.
Iemand of iets aankleven, nauw verbonden zijn
met, eigen zijn. \\ Dit dinke mi dat ons anclevet,
Sp. I», 70, 27. Den stoet der inglen sal haeraen-
cleven, Blisc. v. M. 1764. Want als de ziel zo
vast ancleift Natueren, O VI. Lied. en Ged. 418,
126. Zoo ook Wap. Rog. 816; Amand II, 2734;
Ruusbr. 2, 31, 38; Ned. Froza 44. — Om die
doecht , die hem claf an , Met hi die goede coninc
Jan, Br. Y. VI, 713.
2) Iemand aangaan, betreffen, toebehooren, be-
hooren tot. \\ Dat si den hertoghe van Brabant...
oft den drien staten slants voorscreven oft iement
anders dient mocht aencleven, aenspreken en sou-
den nemmermeere, Br. Y. VII, 13542 — 47. Dat
de heere ente wet dat annemen zouden omme danof
te ghesciene, also verre als ter wettelichede van
der stede ancleven mochte, ZFl. Bij dr. 5, 160
(a. 1380). Dat gheen persoon . . , die vry visch-
coopere . . es int vors. ambocht, ma«h hebben
mangheltucht of veynootschip , copende of ver-
copende penewaerden, anclevende der maerct van
den vorn. ambochte , ald. 165. Bevelende . . allen
onsen anderen rechteren , dieneren ende ondersaten ,
wiet ancleven mach , Priv. v. Brielle 2 , 77 {a. 1476).
Alsoe vele alst hem anclaf ende hy . . intrest
daer toe mochte hebben , Gends Chtb. 195 («. 1416).
Alle de ghuene die elcx stake meer ancleven , Cont.
V. Gent 627. Dat het selve stellen van den Bail-
lius . . der heerlicheit van onsen heere den seer
gheduchten heere . . ancleefde , Diericx , Mém. 1 ,
133 {a. 1455). De ghebueren van der burchstrae-
ten . . , mitsgaeders de ghene dier meer ancleven,
2 , 662 (a. 1442). Zaken , anclevende der makelaer-
dien, ZVl. Bijdr. 5, 159. Vgl. O. R. v. Dorflr,
290. — Als onz. znw. , in de uitdrukking : I n
een — , eigenlijk, in één verbonden zijn, d. i.
in één verband, achtereen. \\ Na minen besten
hebbe ie gevisiteert diversen chroniken, in een
aencleven , daer ie den text bi hebbe beseven , Vad.
Mus. 4, 420, 52. Elf jaer grave in een aencle-
ven, IV, 430, 289.
3) Enen — , iemand aanhangen, aan hem ver-
kleefd zijn. II Den enen sal hi haten ende den
anderen minnen, of den enen ancleven ende den
anderen veronwerden, Hs. v. 1348, 172^. Een
113
AENC,
AENC.
114
oetmoedicli minlic aencleven mii minnen aen onsen
lieven heren God, Devoet B, (30) 16r.
AENCLEVENESSE,-znw. vr. Aankleving, \\
Sondic doen snlc een onreinigheyt , my zonde ghe-
scien der scanden aencleyenesse , Belg. Mm. 6 , 65.
AENCLEVER, znw. m. Hij die met een ander
nauta verbonden f#, met hem gemeene zaak maakt. \\
Synen medeplegeren oft aenklevers , Handv. v. Enkh.
39a {a. 1482).
AENCLEVICH (aenclevech) , -ige of -ege^
bnw. Iemand aanklevend^ aanhangend. || Te weder-
staen die van Utrecht, Montfoort, ende henre
anclevighe partijen, Enq. 120.
AENCLIMMEN {cl-am , clommen , geelommen) , st.
WW. onz. Met den 3den nv. Naar iets toe- of op-
klimmen. II Ende clam alleene den swerke ane,
Bijmh, 4706. Lat. y^ascendit ad caliginem.^"* Elders,
in gelijken zin, dimmen aen, als: Daer hi clam
an die cmce twaren, Rijmb. 13107.
AENCLOPPEN, zw. ww. bedr. Iemand aantik-
ken, aanroepen, jj Ist saec dat si minlic van n
angecloppet wert ende angheroepen, si sel n niet
ontbreken in nwer noet, Devoet B. (36) 77r.
AENCNIBBELEN, zw. ww. bedr. Enen iet
— , Aem iets uit achraapzucht aansmeren , b. v. werk
tegen gering loon, hem afschepen met. yg\. afknib-
belen {Ned. Wdb. en Freq. 1, 283). || Die haren
dienres ende horen arbeyders qnaet loen aenknib-
belen willen of si connen ende gheven hem min ; .
dan si verdient hebben, Con. Som. 21b.
AENCNOPEN (cnochte, gecnocht), onreg. zw.
WW. bedr. Verg. Cnopen. Enen iet — , aan
iemand iets vastknoopen, er hem mede binden. ||
Reinaert stont ende sweech al stille ende sach
sine viande lopen , die hem dat strec an waen-
den cnopen, Rein. I, 2020. Vgl. aengecnocht.
AENCOMEN (quam, quamen, gecomen of comen),
onreg. st. ww. onz. Mnd. ankomen.
I) Met een persoon als onderwerp.
1) -
Aankomen, naderbij komen, naderen. \\ Die
ghene qnam noch bat an, ende gaf hem noch enen
slach , Belg. Mus. 1 , 31 , 166. Dinghelsche qnamen
vaste ane, 8, 256, 68. (Als daer) die van den
Bossche met haer ghewelt ende Meierien aencomen
waren, Brab. Y. VII, 15064. Comt an, ende sit
op minen waghen beide, Limb>. I, 488. — Ook in
den zin van opkomen, verschijnen, t. w. door een
opontbod. II Daer waren si hondert comen an
jegen enen shertogen man, Velth. II, 48, 51. Wat
meenteman omme alsnlcke nytbodinghe aencompt,
dat zal men hem beteren ende gelden, Schwartz.
1 , 580 4 {a. 1466).
2) Gevolgd door het voorz. te of den 2den nv.
a) Eigenlijk. Tot iets komen, ergens aankomen,
iets bereiken. \\ Hi es vroe ter salen comen an,
RiJmb. 18268. Doe si quamen der rootsen ane,
9606. Doe hi der stat qnam an, logierde hi daer
met sinen here, Velth. V, 13, 10.
b) Fignurlijk. Tot iets komen, tot iets geraken. \\
Daer bi die XX versiegene man ten live quamen
weder an, 8p. III*, 70, 57. Daer qnamen si ere
voorworden an, RiJmb. 9861 (Lat. convenit inter
eos). Dns quamen si des soendinx an , Stoke II ,
344. Ende metten soudieren soudi dan siere stucken
comen te bat an , Velth. VI, 14, 29. — Ook zon-
der de bepaling met te of den 2den nv., maar
gevolgd door een afhankelijken bijzin. || Hoe hi
sonde comen an, dat hi sénte Martine kinne, Sp.
III*, 49, 10 (O/'hire te leien?).
S) Met den 3den nv.
a) Enen — , iemand otitmoeten, hem tegenkomen.
II Deerste die ons comen an, . . . soe wye dat sy ,
die sel ons scheyden desen twy, Hild. 54, 110.
b) Enen — , tot of bij iemand komen, zich tot
hem wenden, bij hem voegen. \\ Q,}i9.m. hem een pro-
phete ane , RiJmb. 14090. Judas die stoute quam hem
ane, 19016. Menech sieke quam hem ane, 23336. Hem
quam an een aerminc . . ende hi bat hem omme een
cleet, Sp. III*, 39, 6. Naer dese bede, na desen
rouwe quam hem snachts an onse Vrouwe, III',
36, 27. Eene weduwe quam hem an, III*, 29,7.
Aerme quamen hem eens ane, III*, 44, 71. Die
duvel quam (hare) ane, III*, 50, 83. Doch es hi
ontlopen dane, ende quam den Grave van Gelre
ane, daer hi seker onthout vant, Stoke II, 1281.
Wane quam u dese man ane? Limb. I, 482.
e) Enen — , zich aan iemands zijde scharen, zijne
partij kiezen, zich als bondgenoot bij hem voegen. \\
Twee dusent kerstine hem ancomen, Sp. IV', 14,
89. Dor hem quam Jhesuse volc ane , RiJmb. 24948.
Daer quam hem ane menech man, Velth. II, 48,
71. Daer quamen hem an . . van allen landen . .
liede, V, 3, 52. Daer hem anequamen gesellen,
Sp. nv, 32, 39.
d) Enen — , op iemand afkomen met vijandige
bedoeling, hem op V lijf komen, aanvallen, over-
vallen, aangrijpen. Verg. Aengaen onz. 7, a,
a, 2»., en het aangemerkte bij Aenwassen II,
2). II Maer die Romeine, alst wel sceen, quamen
hem so swaerlike ane , dat sise alle jageden dane ,
Sp. III*, 2, 30. Te Dockinghen daer quamen hem
aen die onbekende wilde Vriesen, Stoke I, 194.
Die grote diere . . die selen den deinen dieren
dan fld hemelike comen an, Velth. VII, 13, 19.
Sine spaerden peert noch man, wien si consten
komen an , Grimb. 1 , 5052. Hi ware hare oec wel
comen ane , maer die sonne verginc entie mane , Limb.
XII, 423. — Enen met rechte — , iemand in
rechten aanspreken, een eisch tegen hem instellen.
II (Hi) quame den anderen mit recht an om sijn
smaj*te, Malth. 212.
e) Enen — , iemand in den bloede bestaan, met
hem verwant zijn. \\ Wat . . wesekinderen gegoet
zijn tot 200 ffi HoUants of daer omtrent, sullen
hebben twie voichden, die een voicht van der
doder zgde hem aencomende, ende die ander van
der levender zijde aengaende. Leid. Keurb. 175,65.
II) Met eene zaak als onderwerp.
1) Van kleederen of WA^enen. Aan het lij f komen,
gedragen worden. || Goede wapene sijn ju ghereet : . . .
sine quamen in neghen jaren ane, fTal. 5905^8.
2) Toekomen, gebeuren, geschieden. \\ Dus hiet
hem God, dus quaemt ane, dat si namen een ram
lam , RiJmb. 4070. Oec seget mede sente Jan , dat
cortelike sal comen an , Velth. VII , 21 , 73. Doch
so quamt hem also an, als hem riet van Renesse
her Jan , dat si voeren toter Goude , Stoke VIII, 1253.
3) Aanvangen, beginnen, opkomen. || DatGriecse
rike coemt hier an, RiJmb. 18469. Daerbi en
soudemen niet eten dan vor dat die hongher quame
an, Doctr. III, 1055. Tonghemac quam ane van
dranke, Fersl. en Ber. IV, 11, 135. Ghi hebbet
selden vernomen , die geluckech waren int anecomen,
dat si lange geduren conden, Velth. I, 3, 45.
4) Met den 3den nv. Enen — , tot iemand
komen, hem bereiken. || Benette dijn ansichte,
ende dan en sal di dit vier niet comen an. Vod.
Mt$s. 4, 321, 287.
5) Met den 3den nv. Met allerlei aandoeningen,
ervaringen enz., als onderwerp.
a) Enen — , iemand overkomen, overvallen, bij
iemand plaats hebben, in goede opvatting. || Wane
115
AENC.
AENL.
116
qnaemt een heidinen ane , dat hi Gods none nomen
sonde eer hi mensche werden wonde? Rijmh.
16430. Haer sonde meer bliscepe comen an , 24032.
Doe qnam den rovers stoutheid ane, 28062. In
die dageraet qnam haer an een vaec , dat si slapen
began, Sp. I^, 65, 181 var. Meerre hope qnam
mi noit an dan np hare diene wan, JHtp. 423.
Een bekeren qnam mi doe ane, so dat ie began
te verstane , dat ie genesen sonde wel , Velth. VIII,
33, 21. Snachts na syn bidden ende loven soe
qnam hem an een visioen, Lucid. 4794. Doe him
meerjaren qnamen aen, MLoep I, 1985. So groet
gepens qnam mi doe an, Rote 1427. Entie nacht
comt mi ane , Limb, 1 , 135. Doe qnam hem an een
roepen zwaer, Sp. 17», 77, 89.
h) Enen — , iemand overkomen^ overvallen ^ aan-
grijpen^ in ongnnstige opvatting. || Comt di qnaet an ,
Hê, V, 1423 , 23Sc. Doe qnam hem een groot dorst an ,
Rijmb. 8132. Dies qnam hem an gramscep groot,
18070. Qnam hem andiejnchtso groot, 19693. Doe
qnam hem an een hoest so groot, 21729. Daer qnam
hem ane een wint so Bwaer , jSJp. IV" , 61 , 33. — een
mist, Rijmb. 29088. — een vaer, 9678. Hem qnam an
een groot zweet, Sp. IV» , 48, 104; een evel, I», 10,
38. Eer hem de scade cornet an, Stoke V , 1010. Ie ne
mmet doer ghene noet, de mi anecomen mach, IX,
494. Qnam hem an een groot siecte in syn lede , Brab.
r. VI, 11524. Maer al evel ende blentheid moet den
valschen oghen comen an, Esop. LVII, 26. Omsiec-
heit die hem aneqnam , Velth. 1 , 1 , 16 ; verg. 1 , 35 ,
9. Alse hem die noet comt ane, VII, 23, 10. Te
Fonteneel so qnam heta, an die doot, i^. III* , 48,
104. Of hem die doet qnam an sinen licluïem.
Wrake III, 1363. Quame u enegerande ane mes-
qname in vremden lande, lAmb. XI, 1163. Heme
qnam snlc dinc an, Ferg. 2144. Voirt so en sall
onse . . . here sine stede, slote noch lande ver-
copen , versetten noch veranderen bnyten noit {nood) ,
ende off hem noit anqueem , dat Got verhuede, so sall
he sine ridderschap ... dat doin verknndigen,
Ngh. 3, 372 {a. 1419). Waert dat ons strQt aen-
quaem, D. B. Exod. 1, 10. — Met een bgw. van
wijze. II (Een) dranc, . . . soer ende bitter, die
hem herdelike aneqnam. Vod. Mut. 1 , 338,12.
Dattet hem zwairliken anecomt. Leid. Keurb. 14, 9.
6) Met den 3den nv. Enen — , iemand aan-
of toekomen^ alt aandeel; toegevoegd toorden^ te
beurt vallen. || Ende at alsulc als hem qnam an
cruut dat an den velde wies, Flandr. I, 703.
Entie een deel des gewan , also alst hare qnam an,
hilt over een cleenoet diere, Sp. III*, 44, 137.
Grote gichte, de heren Wolfaerde herde lichte an
waren comen van den kinde, Stoke VI, 1205.
Moerder , ribande , hoeren mede, men weet wel dat
die rychede desen drien decke aencomen, OVl.
Oed. 3, 119, 533. — Inzonderheid van land en
vaste bezittingen. || Lodewike qnam Aelmaengen
an, Stoke I, 811. Amout wordt grave van Hollant,
als de gone dient van rechter gheboerten anqnam,
1 , 862 , vgl. 1037. Den ontsten Florens . . qnam dat
graefscap met rechte ane, II, 454. Dien de crone
van den rike van Romen bi der kneren anqnam,
III , 728. Dat si den ghenen tlant opgaf, . . . dient
niet mochte comen an, III, 1259. Dat hi een
conincrike wonde vercopen dat hem was comen an,
IV, 804. Dat hem na den heiligen man Gregoriuse
dbisscopdoem qnam an, Sp. II', 30, 68. Dat hem
tlant al qnam an, Brab. T. IV, 1250. Dontste
hiet Heinrijc; mer hi werd lam, dat (zoodat) hem
thertochdoem niet aneqnam , Velth. 1 , 36 , 25. Een
deel van tslijck, dat hemaencoemt, Mieris 2, 140a
(a. 1314). syn lant dattem aneqnam in te predekene,
Sp. 1% 48, 22. Zoo ook I», 10, 50. — Ook ge-
volgd door het voorz. op^ in plaats van den 3den
nv. Op enen — , iemand ten deel vallen, \\ Op so
wie dat dese thiende verstorve ofte aenqname , Mieris
2, 1536 {a. 1315). Waer dat hi storve zonder
wittachtighen sone, so soud {dat ambocht) weder
anecomen op Heere Dierike, 264a {a. 1321).
7) Met üen 3den nv. Van een bericht gezegd.
Enen — , iemand ter oore komen ^ bekend worden.
Verg. ons aanbrengen. \\ Alset qnam der werelt
an, dat soe kint drouch sonder man, Sp. I*, 41,
9; verg. Amand I, 829. Ende (want) ons daeren-
boven ancoemt van zynen vrienden, dat m<., Mieris
3, 1003 (a. 1359).
8) In ae ruimere opvatting van het ww. comen ^
voor zich uitstrekken tot zeker punt^ geldt Jen-
comen in de byzondere beteekenis van Aanliggen,
aangrenzen. \\ Terde Indien . . . daer comt ane
sekerlike die wilde see Oceane, ende banderside
comter ane groet geberchte ende wilt lant, Yst,
BI. 2240. (Doch men kan ook ane met daer ver-
binden.)
AENCOPPELEN, zw. ww. bedr. FaêtAeekten,
verbinden, vereenigen. || Gheanneziert , anghehecht
ende anghecoppelt ant scependom vander vorseider
stede vander Sluus, ZFl. Bijdr. 4, 66.
AENCRIGEN, st. ww. bedr. Enen iet — ,
iete voor iemand winnen. || Die heer heeft my ghe-
sent . . tot deser provinciën, daer ie hem gheen
cleyn volc anghecreghen en hebbe , Bern. W. 2d.
AENCRISCEN, st. (creesc) ww. bedr. Vgl. hd.
ankreiechen , ndl. aankrijten, mnd. ankrejeren. Enen
iet — hem iett toeachreeuwen , toeroepen, doch zon-
der de onaangename gewaarwording te wekken,
die by ons krijschen onvermiideiyk is. || Si
krijschen hem an mit mildeliker troesteliker
stemmen : „weert n nu , mine stoute knechten , ghi
vrome ridderlike heelden!^* Con. Som. 74 b. Dus
kryschen si hem an alle tyt, 75a.
AENLACHEN {loech, loegen, gelachen), st ww.
onz. Met den 3den nv. Enen — , iemand toelachen,
hem vriendelijk bejegenen, vleien. || Dat menich op
hem sonde grimmen . . . , die sinen vader na haer
vermoghen aenloeghen ende haer knien boghen,
Brab. r. VII, 6611.
AENLAET, „Aen-laet, vetus, j. oorsaecke.'*
Kil. Ook by Plantyn. Hd. anlatz.
AENLAME. Zie ALLAME.
AENLAGE , znw. vr. ; mhd. hd. anlage (= drin-
gende bede), mnd. Anlage {hinderlaag).
1) Kwelling, aanranding.Ngl. KE}iL\QGE^la\ \\
Den ghenen die persecutie Uden, dat es verdriet
oft anelaghe der liede, Hs. v. 1348, 2^bc. Dat si
bereet souden siin om sinen wille {te dragen) al
dat men hem doen mochte met versprekene in
ieghenwordecheit oft in anelaghen hemelrike of in
achterspraken oft in ere te benemene (1. injegen-
wordecheit oft hemelike, oft in anelaghen, of in
achterspr.) ald. 246a.
2) Kil. vetus : impemae , tumptu* , onkosten. Vgl.
te koste leggen aan iets, en hd. anlage met ons
aanleg.
AENLANGEN, zw. ww. bedr. Van Langen,
reiken. Enen aenlangen is alzoo, naar iemand
reiken, hem zoeken te benaderen, by uitbreiding,
aantasten , aanvallen , in vyandelgken zin. Hd. ,
mnd. anlangen. \\ Ditmarssen is noch vry; maer
het is vaeke angelanget ende aengesocht van
heeren en fursten, en meest van den coninck
vau Denemarken, en den Hertoch van Holstein,
H7
AENL.
AENL.
118
met grooten oorloge, Matth. Anal. 1, 68. Dese
landen sijn menich werven aengelanget en aengesort
Tan groote heeren en fursten met oorlocli ende
met groot gewelt te becrachtigen , ald. 69.
AENLATEN (liet^ lieten^ gelaten), 8t.ww. bedr.
Elliptische uitdrukking: sie Ned, Wdb, op Aan-
laten.
1) Enen iet — , iemand iete laien behouden,
het aan gijn zorg toevertrouwen, \\ Die coninc dede
nu gewes der worde die hi hem behiet, doe hi
bQu here an hem anliet, Lanc, III , 21680. Dariuse
liet hi ane tlant van Meden, j^. I* , 2, 64.
2) Enen — , iemand in gijne betrekking doen
bUJven, II Wanneer dat mense {die raetslude) yer-
nuwen sel, soe selmer een van den ouden anla-
ten . . , ende die selt bliyen dat ander jair al uut ,
Zeid. Keurb. 10, 1.
AENLECH, 'legge, znw. m.
1) Tan Aenleggen. Een haak of kram , waaraan
men iete vastlegt. Hd. anleg, „an einigen orten
eine angelegte klammer" (Grimm 1, 896^ || Van
4 gaspen ende 2 anlegghen, daer men aie valle-
brugghe mede opslnut, Bek, d. Graf, 1, 438.
2) „Aen-legghe, vetus. Aetio, aceueatio"
Kil. Zie Aenleooen 5, /, fi). De yorm aenlegghe
by Kil. is onsuiyer; het is de verbogen naamval,
de nom. moet aenleeh geluid hebben, gel^k thans
nog aanleg in de benaming rechtbank van eersten
aanleg,
AENLEGGEN (leget, leeeht of leit; leide ook
leekte, lachte; geleget, geleecht, geleit of gelach^,
onreg. ew. ww. bedr. Mnd. anleggen.
1) Yan een schip. Het doen landen, het aan den
wal vastleggen om lading in te nemen. De heden-
daagsche beteekenis. || Si . . leyden haer scip aen
mit haesten ende namen ende bilden al ghesont
daer in , Fass W, 1170.
2) Yan gebouwen. Ze beginnen te maken, te
bouwen. II Oec was tier tijt anegeleit die tome
(die) aen de visschemart stelt, Edew, 1127. —
Ook met den Sden nv. Iet — ere dinc, iets
beginnen te maken aan eene zaak, het er aan bouwen.
II Hier om leyden si enen groten tempel dat fon-
dament aen al ront. Pass. W. M.
3) Yan geld. Tot een bepaald doel aanwenden,
besteden. \\ Dyt geit hevet hi vast tot nntticheit
der Busteren angelacht, ende tymmerden in den
iersten een coecken, D. Var. 7, 34. — Ook uit-
schieten, voorschieten. || Ist dat men enich werck
vindt, dat hem niemant en beljet, dat salmen be-
steeden ende des heeren geit anleggen ende weder
inhaelen als recht, O. K. v. Delft I, 30, 11.
Wiene (de haring) coopt, die sal offslach {korting)
hebben, wes hy hem bynnen dyer teelt angeleit
heeft, sonder verbuemesse, K. v. Briel 115, 9.
Noch daerenboven te betalene alle de ghene, die
de voors. stierluyden aengeleyt Eelen hebben van
dier reysen, 162, 21. Zoo ook 153, 24.
4) Iet — tot ere dinc, iets bij iets anders
leggen, het er bij voegen, er bij optellen. \\ Twee
hondertwarf dusent milen, ende 88 hondertdusentech
milen, ende daertoe lech 42 dusent milen an, so
hevestu die hoecheit dan tusschen der erden ende
Jupiterre, Natuurk. 478 (verg. 488, 502). Milen
20 dusentech ende vier hondert, daer toe lech 29
milen der an, dien ommeffanc hevestu dan, 1681.
6) Met den 3den nv. des persoons. Enen iet
— , eigenlek iets bij of tot iemand brengen, maken
dat het aan hem is, in verschillende opvattingen.
d) Iemand iets aanleggen, opleggen, op het hoofd
leggen, van de handen, by zegening, enz. || So
wien ie die bande anlegghe, dat hi den heilighen
gheest ontfanghe, Hs. 76 f. lAOc.
b) Iemand iets voorleggen, het hem voorzetten,
van spgs enz. || Men der mageden lichamen ont-
tede, ende vnlletse met gersten dan, ende leidse
so den swinen an, Sp. Il', 29, 22.
c) Met den 4den nv. der zaak of het obj. in
een afh. b^zin. Iemand iets voorleggen, voorstellen,
hetz^ een aanbod, hetzg een verzoek; meest Aan-
zoek doen om iets. Yerg. Aenliooen 6). || Ende
leide hem ane, .... dat sine geme name nu,
maer Torec ne wilde haers niet, Lane, III, 25220
{Torec 2096). Ende leiden hem dat ane, dat
sine wonden . . aenbeden als enen god , Lsp. II ,
15, 61. Ende ofte hi machtich is dan te doene dat
Si hem legt an, III, 3, 413 f verg. 409). Eenrid-
ere die leide haer an minne , aat si hadde onwaert ,
Torec 1095. Wildi ene dinc bestaen, die ie u sal
leggen aen , Fragm. Carl. 81. {Die duvel) quam vor
hfu*e in mans gedane, omme quaetheit haer te
lecghene ane, Sp. II*, 14, 101, vgl. 26. U sone leit
mi spade ende vroe ane om sine vriendinne te sine ,
lAmb. 1 , 1234. Hi begonde haer an te leggen ende
van s^nre liefte te seggen, MLoep II, 4057. Doen
leide men daer den Hertoge an, oft hi wilt sijn
conincs man, Yelth. YI, 14, 47. Dies hen bad
ende an dede lecgen, YI, 18, 55. Want sijt den
vrouwen tierst aenleggen , zij doen bij haar het eerst
aanzoek, zij beginnen er van. Vod. Mus. 1, 63,
191. Ende leyde vast den coninc an . . off hi . .
hem leren mochte,Hild. 18, 165. Als heer Henrick
dyt den gueden Inden anlechte , soe hebben si sich
willich bewgst, D. War. 7, 33. Overmits aen-
legghen, op voorstel, initiatief, der vrouwen leefden
sy menich jaer daema in een reyn leven, Hs.
88, ƒ 49rf.
fiQ Iemand iets, t. w. een gebod of bevel, op-
leggen, voorschrijven , gelasten. Yerg. Aensetten. ||
Dit gebot leidi hem ane, Sp. 111% 7, 46. Enten
leeken anegeleit, dat niemen tharen dienste gaet,
lY*, 70, 8. Daer na leidemen hem ane dat, . . .
dat men ongelt name omtrent, Yelth. lY, 8,44.
Den Hertoge van Brabant haddi ontboden in sijn
lant, ende leide hem ane dat hi ware sgn man,
YI, 13, 21.
e) Iemand iets , t. w. eene bejegening met daden
of woorden, aandoen, doen ondervinden. Hetzij in
goeden zin: || Die vrouwe dede hem groten vrede ,
grote liefde leyde sy hem an, MLoep I, 2143.
Datmen hem gene ere ne leide an als enen
geesteliken man. Franc. 2887; hetzQ in kwaden zin
(de gewone opvatting), en dus zooveel als: Doen
verduren, aandoen. \\ Die hem alle dagen aneleiden
vele swaerre plagen, III ^, 37, 61. Hem leiden
die quade Arriane vele torments ende pine ane,
III», 55, 81 (vgl. n», 51, 20). Dien vinc Cosdroe
ende leidem au kaerker ende menech sware bant,
III* , 9 , 30. Ende hi engheene scade en leide ane
den kerstenen kerken noch sameningen, II*, 66,
90. Het is die menige op eertrijc so duldich, so
wes men hem anleyt , het dunct hem goet , al waert
een leyt, MLoep II , 1250. Daer hem DenQs, een
quaet tyran , vele onwerden leide an , ^. I ' , 34, 13.
Enen passie aneleggen, II*, 29,1. Diehemselven
onwerde leide an, II* , 46,44. Tormente . . leide hi
den salegen kerstenen an, II*, 6, 24. Dat hi hem
rouwe te grot aneleit, 11^, 4, 48. Doch en lech
mi cracht niet ane, den rechten salegen wech te
gane, II', 27, 25 (Yinc. me ne prohibeas). Wat
pinen men hem leide ane, Brab. Y. II, 3483.
Nochtan sal iet haer leggen ane , Limb. YI , 1268.
119
AENL.
AENL.
120
Belastingen ende zwaernesse, die hem angeleyt
mocht werden, V. d. Wall 442 (a. 1417). Ende
worde hem enige last hier om angeleyt van yemant,
Aid. — ËYonzoo in toepassing op eene mondelinge
bejegening. || Die duvel heyet hem ouseget ende
dorpre worde angeleget, Sp. III* , 37, 43. So dat
hijt sineri here seide, die hem dese antworde
anleide, I', 67, 63. — Enen ene maledixie
(enen vloec) aenleggen, iemand veroloeken.\\
Doe vloecti, als ie scriven sal, want hys ant
serpent began, ende leide hem drie vloeke an,
Rijmè. 702 var. Dat hi gereit ten muere ga ende
hi anleit die maledixie ten vianden, 5jd. II*,44, 30.
Aanm. Kwalijk leest men Rijmb. 18922: lemen
die ons strijd anloffe, voor anl^tde. Doch de lezing
is zeer twijfelachtig, blijkens de varianten. Wel-
licht te verbeteren: daer ons strijt an lage,
f) Iemand ieU^ t. w. een voorwerp, aU eigen-
dom toeleggen y toekennen, \\ Der kerken vate
dede hi dicken smelten ende breken in sticken,
ende loestere mede die ghevane , oft hi leit aermen
lieden ane, Sp, III*, 30, 73. Wien dat sijt oec
altesamen vercopen willen of aneleggen, Stoke I,
434 (Lat. „vendere vel manciparè*''),
g) Iemand iett^ t. w. een titel, eene hoedanig-
heid, handeling enz., toekennen, toeschrijven. \\
Maer hem die meneghe, alsmen seghet, lettel
virtuut anleghet, Nat BI. XII, 1018. Augustus
name leide hi hem ane, Sp. 11^, 2, 14. Die hem
keysers name anleide, III*, 1, 18. Dat si onsen
goden niet an en leget godheit, maer dat sise
du vele seget, II», 3, 115. Si leggen ane oec god-
heid groet Marcurinse, die was een dief, II ',20,
54. Anthiocus in allen doene was ene figure van
Antekerste , bedie mach men sonder verste die
anelecgen Antkerste , Velth. VII, 8, 31. Die
u noynt smette leyde an, Amand I, 823. —
Naarmate de hoedanigheid enz., die men iemand
toekent, eene goede of kwade is, doet zich deze
beteekenis in twee verschillende opvattingen voor :
a) In goeden zin, in de gewone uitdrukking:
— Enen prijs (lof) aenleggen, iemand lof
toekennen, hem prijzen, \\ Men mach hem niet so
vele prjjs anleggen, noch so grote doget spreken
noch ere, daer en esser in tweewerf mere, Lanc.
II , 14172. Dat men aldus goeden man met logene
prijs leget an, Sp. lY', 29, 39. Die Fransoys
vortmeer albloet sente Maximine lof anleide, II",
6, 91. Dat men hem prijs aneleget, I", 68, 5.
Dat hem Eusebius prijs aneleget, II*, 4, 36. Dat
wi den vordren prijs leggen ane, 7V^*^. 239. (Men)
leget hem ane enegen prijs, 249.
I?) In kwaden zin. Enen iet — , iemand eene
handeling toekennen of toeschrijven, dus ze hem
aantijgen, te laste leggen, hem er van beschuldigen,
II Men teech desen ende leide an, dat hi hadde
enz., Sp. III*, 32, 48. Ten leste leide men hare
an, dat soe geplogen hadde onwet, IV*, 43, 30.
Si leiden hem ane , dat hi gheseit hadde dat men
den keyser enghenen chens eu soude gheven , Hs. v.
1348, SOla. Dien hi verdebrake leide an, Fl.
Rijmkr, 3140. Dat men hare onrecht aueleide, Sp,
III", 72, 42. Die ondaet, die hy hem aenleit,
Matth. 198. Alsser twist ghebuert es , zo vermach
de scoutheeten den delincquant te ontbieden ter
vierschaere ende hem anlegghen zulck faict als
hy maintineert ghebuert zijnde, Cout, v, Brugge
1 , 323. Gracie . . van dat hemlieden . . by den
zelven burchtmeester . . gheheescht ende annegeleyt
was 2, 174. Van den mesusen ende offencien hem by
mynen heeren scoutheeten . . by eerlicken dinghe-
dach annegheleyt, 175. Hiertoe behoort mede,
wederom in gewijzigde opvatting, het zeggen: ||
Ie bidde . . dattu ons dese sonde niet an en legges,
die wi sottelic gedaen hebben, D, B, Num, 12,
11, d. i. ydat gij ze ons niet toerekent?'*
6) Uit de uitdrukking Enen iet aenleggen,
iemand van iets beschuldigen, ontwikkelde zich die
van Enen aenleggen (van iet), iemand aan-
klagen , waarin de persoon in den 4den nv. , en de
zaak, welke iemand te laste wordt gelegd, werd
uitgedrukt door eene bepaling met van of wel geheel
weggelaten. || Ende daden met enen subtilen kere
den Joden oec in Blrabant pine: si leiden hen ane
van fenine , Brab. Y, V , 5040. Ie wille weten wat
du segs , ende waer bi du mi anelegs , Mask, 252.
Waers enech loy of recht dat seyt, den ghenen
diemen aneleyt , van wat condicien dat hi si , hine
mach hem ontsculdeghen ? segt mi, 407. Alst
comt datmen den ghenen roeft diemen eigst (1. eisgt,
eischf) of aneleyt, hen es van den aenlegghere niet
gheseyt, 520. Desen wech ende dit anelegghen en
can met rechte niemen ontsegghen, 825. Dat si
altoes den schamelen man mit quaiden woerden
legghen an, MLoep IV, 921 (verg. 927).
Aanm. Als men elders in den D. ^. leest : nWaer
om hebstuut mg anegeleitV* I Sam. 28 , 12 , ter ver-
taling van : „ Quare imposuisti mihi ?" (Vuig.) , dan
geeft ons dit geen recht , aan aenleggen ook de
beteekenis van bedriegen toe te kennen. De ver-
taler heeft het lat. imponere niet verstaan en het
letterlijk — maar geheel onjuist en onhandig — -
door aenleggen vertaald. — Over Aenleggen, ver-
keerdeiyk gebruikt voor Aenliggen-. zie de Aanm.
bij Aanliggen.
AENLEGGERE (aenlegoï^r), znw. m. Mnd.
(aenlegger), zuw. Mnd. anlegger.
1) Geldschieter, Vgl. Aen LEGGEN 3) || Welke
boeten de heer ende aenlegghers verhalen zelen
aenden reeder oft an den stierman, K, v, Briel
153, 24.
2) Degeen die eerst aanzoek doet, de eerste be-
ginner. Verg. Aenleggen 5, e). Kil. Aenleggher,
auctor, primus motor. \\ Dat woert Gods is die
aenleggher ende beghinnet die woerde alreëerst,
ende nodet ende vermaent die siel mit hem te
spreken , Stemmen 163.
3) De uitdager tot een tweekamp ; de beschuldiger
die een ander iets te laste legt en aanbiedt zijn goed
recht met de wapenen staande te houden. Verg.
Aenleggen 5 , g |9) , Aenlech en Aenlegginge. jj
Nu sijn te crite die kimpen comen. Karel, diese
heeft ver nomen , dagde eerst Gyote , want hi
aneleggere was, Lorr, II, 3678. Elegast quam
ierst int crijt , om datti aenlegger was , Eleg. 1284.
Si camen voer ten crite gevaren, om dat si ane-
leggers waren optie joncfrouwe van der moort,
Flandr. V, 90. Her Winter, om dat gi aenlegger
sijt, so doet ooc na der campen gise. Wint. en
S, 398.
4) Uit de beteekenis van uitdager, beschuldiger
ontwikkelde zich de tweeledige opvatting van:
d) In de middeleeuwsche rechtstaal. Degeen
die een rechtsgeding begint, de Eischer, Zie
Oudenh. Z. Holl. 489, 495 {passim). Verg. ons
rechtbank van eersten aanleg , d. i. waar de
eisch het eerst ingesteld wordt. || Telken gbe-
diiighe, so wetti wale, horen emmer drie per-
sone. Nu eest recht dat ie die tone: dene es
die juge, dander daenlegghere , die derde es die
wedersegghere. Den juge sie ie openbaer; dat ie
aenleggher ben, dats waer, want men in mine
d2i
AENL.
AENL.
122
citacie siet; maer den sculdi^hen en sie ie niet,
Mask. 366 ; zie nog ald. 522. Den selven Willemme
als eesschere ende aenlegghere, Gout. o. Brugge
1, 675.
b) Degeen die een strijd hepjii ^ üq Aanvaller. \\
Qnest hy den aenlegger, om hem te verweren,
Matth. 193. Vgl. aenvechter.
AENLEGGINGE, znw. vr.
1) JaTtzoei, verzoeking. Verg. Aenlegoen 5, c). \\
Si wert bi hem overmits sijn subtile aenlegghinge
bedroghen f ende hi ghecreech haer maechdom,
Oesta Rom. ISd. Overmits die bedrieghelike aen-
legghinge .... des duvels, Idc.
2) Aantijging, beschuldiging, klacht. Zie Aen-
LEGGEN b,g,^), Aenleggere 3, a) en Aenlech. |l
Yan munÜicken oft scri£ftlicken baetschappen {bood-
schappen) off anlegginge, Nijh. 6, 75 {a. 1477).
AENLEIDEN, zw. ww. bedr. Vgl. ons aanleiding.
1) Enen — , iemand geleiden, brengen, voeren
naar een persoon of een plaats, die wordt aan-
gewezen door het voorz. aen. || Dien die ver-
maledide honden mit banden ongenadelic bonden,
ende leyden eerst tot Annas an , Keiler , Mnl. Oed. 14.
2) Enen — , iemand aanvoeren ten stryde. ||
De Lndikers dreychden hem doot te slaen , om dat
hise niet geringe aenleyden en wilde, Exc. Cron.
156 b. — In denz$lfden zin: Enen anegeleit
b r i n g e n. || Doen qaamen beide die scaren voort.
Dene brachte geleid ane selve die grave van Yiane,
Orimb. I, 4286. Zie verder by bringen.
AENLEIDERE (aen leider) , znw. m. Verg.
Aenleiden 2). Leider, aanvoerder, hoofddader. ||
Die aneleider verboerde tien pont ende die vol-
ghere tien scellinghe, Handv. v. Kennem. , a. 12d2 ,
in Oorkb. 2, 376b, en Handv. v. Westfriesl., a.
1299, ald, 507 a\ verg. Mieris 2, 91 i. Ende
yemant de dacrmede ware an vare of an velde , an
rade of an dade, daer willen wijt mede an rechten
ghelike of hi handadich of aenleyder daer of ware,
U. V. Utr. 63, 117. Dat een eerste lit wel wraeck
doen mach , opdat een aftersusterkynt een anleyder
is. Dingt. v. Delft 45. Soo wie dat vermaende zijne
vrinden met voorrade ende met hen vgven of daer
booven zijne vyanden sochte ende daer mede
vochten . . , die aenleyder verboerde tien pont ende
die volgers tien schellingen. Lams, Kennem. 4.
Hoe nae maech hg wesen sal, die anleider wesen
sal np C ende D, te vaen ende te slaen. Dingt.
V. Amst. 24.
AENLENEN , zw. ww. onz. Hd. anlehnen. Leunen,
eene leunende houding aannemen, zonder bepaling
der zaak , op welke men leunt , die naar het heden-
daagsch spraakgebruik by aanleunen vermeld moet
worden. || Tot alle onser Liever Vrouwen getijden
sullen alle die susteren recht opstaen sonder aenlenen
. . . . ; mer tot alle ons Heren getijden so mogen
die susteren anlenen, Hs. bij Steenwinkel op Sp.
HisL, Aantt. bl. 118.
AENLEVEREN, zw. ww. bedr. In iemands
handen leveren, voldoen. || Die een helffte van
der jaerrenthe yerst an te leveren ende te betalen
op sente Remeyss dach, Nijh. 4, 259 (a. 1452).
AENLIDEN (leet, leden, geleden), st. ww. bedr.
Zie LiDEN. Enen wech — , een weg beginnen ie
gaan, inslaan. || Enen woesten wech leden si ane
drie dachvaerd doer die woestine, Rijmb. 19172.
AENLIËN {liede, lijde of lijede , geliet oi gelijt),
zw. WW. onz. Zie Liën. Met den 2den nv. Be-
lijdenis doen van, bekennen te behoor en tot. |( Wive,
kindere ende man, die der kerken lijeden an, Sp.
JUS 38, 86.
AENLIGGEX {leget, leecht of leit; lach, lagen
gelegen) , st. ww. onz. Mnd. anliggen.
1) Aan of op eene zekere plaats (die hetzy
genoemd wordt of uit het verband moet opgemaakt
worden) neder liggen, daar liggen, ook gelegerd zijn.
Nog heden is aanliggen in gebruik, bepaaldelyk
voor aan tafel liggen, lat. accumhere. Verg. ook
aanzitten, waarbij dezelfde ellips plaats heeft, en
boven bij Aenlenen. \\ Vor sine porte lach hi ane,
Sp. III», 79, 47. Eer si dat iet wisten , waren die
somer sine gereden , daer die coninc Loth lach an,
Merl. 28164.
2) Met den 3den nv. Van eene landstreek gezegd.
Zóó lig g gen dat zij aan een andere grenst of paalt,
dus gretizen aan, \\ Tlant van Yrcane . . es hem
anegheleghen west, Sp. I*, 21, 54. Desen lande
leget ant zuden (1. an tzuden d. i. te zuden)
lant van wonderliken Inden, I*, 28, 15. Ende
leget Grieken oec ane, I*, 34, 58. Ende dcde
begripen op een myl na Grueningen een stede , die
hem angelegen was, ende dede die begraven,
Matth. Anal. 3, 315.
3) Met den 3den nv. Van hoedanigheden, eigen-
schappen , of wel van kwade of onaangename dingen,
enz. gezegd. Enen of iet — , iemand of iets
aankleven , eigen zijn , er aan of in zijn ; ook liggen
aen luidende, d. i. aan o f in iemand of iets gelegen
zijn. Zie Liggen en verg. Aen (voorz. I, 1, b)
en Aenhebben. || Soet roder es in sijn ghedane,
so hem meer prijs leghet ane, Nat. Bl. XIII, 23.
Wie so hem niet en versaghet, . . ende ghene
ghiericheit anleghet, Sp. I" , 53, 20. Groete begerte
leit ons ane , te sieue onsen brueder vrome , II * ,
46, 26. So wien dat quaetheit groot anlach, II*, 27,
30. Slaepstu als die (=: dien) ongeloeve anleget,
II*, 68, 12. Gelyc oft ware ene plage, die der
werelt anelage, III' , 39, 21. Ende hem die soet-
heit lage ane van den erdschen paradise, III*,56,
38. Dat hi omme die nutscap sage, die den kerstijn-
heide anelage, III*, 14, 13. Die wijsheid, die
hem lach an, Rijmb. 21956. Valentiniane . ., dien
noch lach ane kintscheit, Sp. II*, 79, 12.
4) Met den 3den nv. Van verschillende zaken.
Enen of iet — , aan of bij iemand of iets gelegen
zijn, en daardoor last veroorzaken; met een byw.,
als b. V. lastich , verbonden (vgl. 7a) , iemand of iets
drukken. || Want dese saken hem seer lastich an-
lagen, Matth. Anal. 3, 377.
5) Met den 3den nv. Van verschillende zaken.
Enen of iet — , aan of in iemand of iets gelegen
zijn, er betrekking op hebben, iemand of iets be-
treffen. II Ende liet hem horen , al datten gelove
lach ane, Sp. I' , 42, 10.
6) Met een persoon in den 3den nv. Enen — ,
iemand (inzonderheid met eene vraag ofbede)^^»'
klampen , aan boord komen , en wel bij aanhouding,
dus: bij iemand aanzoek doen, aanhouden, aan-
dringen, een voortdurend Aengaen: zie ald. onz.
7, a, rt, lo.) en verg. Aenleggen 5, c). \\ Dus
sciet Lanceloet van sinen magen , die[n] baden sere
ende anelagen, dat hi nine lite in gere manieren
hine quame te Karmeloet tomieren, Lanc, IV,
3241. Des began si hem vragen . . Soe lange lach
si hem daer an , dat hi haer seggen began , Eleg. 893.
Sin gheselle hadde z waren rauwe ende lach hem
vriendelike an, Denkm. 3, 166, 52. Sy seyde dat hi
hoer aenlach van minne altoes nacht ende dach, MLoep
II, 483. Dus lach hem Bavo so vele an met
beden, Amand. II, 1387. Ende lach hem an met
temptacien groot, I, 5769. Met beden neerenstelic
hi Gode anlach, IX Best. 314. Du ligs mi met
123
AENL.
AENL.
12^
vragene an, IV Mart. 621. Si lagen hem so vaste
ane , dat hi beten moeste ende eten , Lajic. II ,
11730. Om dat hi hem nacht ende dach vandesen
so vaste anlach, IV, 7517. Al leget n yemen van
minnen an , Vod, Mum, 1 , 400 , 98. Si lagen hem
an ende baden, i^. III', 42, 38. Die duvel lach
hem an, vtrzocht hem^ III*, 35, 26, 111% ^)
68. Gode anliggen. Bed, d, M, 8. Die provoesten
van den wercken laghen hem an ende seiden , 2>. B.
Exod. 6, 13 (Vnlg. mttabant), Doe sy hem niet
mit gemake en liet, ende si hem veel dagen een-
paerliken anlach, Bicht 16, 16 (Vuig. jugiter
adhaereret). Doe hi hoer aenlach mit tranen , Pats.
W. 12 b. Verg. Lanc. III , 14948 , IV , 630 , Bijmb.
11008, Sp. II», 21, 22, Pats. W. 60 c, «w. —
Aanm. Beeds vroeg vindt men in denselfden zin
ook iienleggen gebesigd, door de reeds oudtyds
gewone verwisseling van liggen en leggen. Ook kan
Uit (3de praes.) zoowel van liggen (= legef) als van
Ugg^ (= leggef) komen. Vgl. b. v. Limb. 1, 1234. ||
Hi leyde horen vader an , deed aanzoek bij Aem, MLoep
IV, 1133. Die anleide noch heden mi van minnen,
Vergi 226. Dat gi haer gisteren anleit van minnen ,
257. Met sconen worden leide hi hem an , Sp. III* ,
35 , 47. Soe leidem emmer ane , omme kerstyndoem
tontfane, III*, 5, 51. Om haer aenleggen {aan-
dringen) soe riep Sibilla een prophetisse , Patt. W,
131 d. Doe began de rechter hem mit veel smekende
woorden an te leggen, Pats. S, 254 c. Waert dat
dan eneghe van ons heeren kinderen of haren
mannen ons . . aenspreken wouden oft aenlegghen
als hem tontfane voor onsen heere , Brab. Y. Dl. 2,
bl. 474 {a. 1354). Dat het es die swaerste slach,
dien (/. Die) lanshere anlegghen mach, dat hi
hemselven al (/. an) te wel ende den sinen es vree
ende fel , Heim. 49 (naar de lezing bQ Clarisse. In
den tekst bjj Kausler leest men: „Die landsheere
hebben mach"). Op al deze plaatsen had in zuiver
mnl. aenliggen behooren gebruikt te zQn.
7) Met een persoon in den 3den nv. Enen ^,
ievMnd {feitelijk) aan boord komen , tot hem komen ,
dus hem overvallen. || Alse Walewein dat gesach,
dat hem die nacht dus anelach, Lane. III, 19280.
— Meest van v^andelyk overvallen of aanvallen ge-
zegd (verg. ohd. anaügan^ Graff 2, 86). Wederom
een voortdurend Aengaen: zie ald. onz. 7, a, a,
2). Derhalve: a) Van personen. Aanranden ^ be-
stoken, teit teren, || Aldus hi hem sere anlach so
dat hi hem lettel ocht niet van sinen scilde geheel
liet, Lanc. II, 1184. £lc van hen trac synswaert,
ende hebben elc andren angelegen , II , 7096. Soene
die coninc meer moeden sach, soe hi hem meer
anelach, ende ginc soe sere op hem slaen, II,
35173. Hi lach hem aen met omminnen, ende
dreefse achter wart met crachte, Parth. 5351. Fhil-
lip , die dit wel sach , der eere na der andere
anlach, onthier ende hise onderdode, Sp. I*, 9,
21. Dattem die heidine so swaer anlagen, III*,
88, 10. Die Tuerken, die hem anelagen zware,
IV*, 12, 48. Verg. nog Lanc. II, 18678, 29045,
III, 6784, IV, 9380, 9388, Sp. II*, 10, 94, enz.
b) Van aandoeningen, ervaringen, kwade of
onaangename dingen, enz. Overvallen, overkomen,
aangrijpen, t w. by aanhouding, en dus kwellen,
deren. In vele gevallen vloeien de beteekenissen 3)
en Ib) ineen. || Als den hont siecheit anleghet,
so eet hi gras of ander cruut. Nat. Bl. II, 746.
Elc part datmer mede gorde, genas ter vaert,
lach hem enege siecheit an, i^. II*, 59, 47. Alse
(alt zé) die here bedroevet sach , vragedi wat
jiem anelach, IW, 29, 7. Dese drie plagen lagen
hem an, I^, 80, 15. Dat mi dese lac anelage ,
I^, 19, 79. Twee jaer lach hem ellende so ane , II*,
9, 16. Alse hem gramscap anelach, IV', 2, 31,
Brab. T. II, 1793. Want hem orlo^ anelach, Sp.
IV*, 63, 27. Hi hen seit, wat quader gepeisehen
anleit {^anleget), II*, 60, 35. Grote vreese hem
anelach, Bijmb. 28962. Dat den Romeynen vrese
anlach, 27990. Te grote meltheit, die den lieden
te swaer aneleit, Bote 5520. Om groten noet ende
commer, die ons ende onsen gemeinen lande . .
aenghelegen heeft ende noch aneleghet, Brab. T.
Dl. 2, bl. 567 {a. 1358). Omme den groten noet,
die ons op dese tiit aeneleghet van oerloghe, V. d.
Wall 185 {a. 1340). Om noets wille, die onsen
lande ende Inden aenlach, 312 {a. 1376). Alre-
hande treflike noitsaken, die hem kenliken aen-
gelegen hebben ende eensdeels noch anliggen ,
N|jh. 3, 286 (a. 1409).
AENLOOP, znw. st m. Van Jenlopen.
1) Loop, koert, van geld. || Dat die voirs.
sullen aenloop ende curss hebben geiyc die andere
gevalueerde gulden, Belg. Mat. 3, 92.
2) Aanval. || Den aenloop der kerstenen was so
snel dat geen van hem allen en mochte boge
spannen noch hem ter weer stellen, JSxc. Oron.
los e. Waer bi dat die landen . . van allen aenlopen
ende oorlogen beschermt ende in goeden rusten . .
ghehouden mochten werden, 234«. Hy dede tym-
meren dat casteel van Vredelant . . tiegens die
anloop der Heeren van Amstel, Matth. Anal. 3,
164. Herman wert swaerlic gewont in den eersten
aenloop, 180. Die Vriezen . . besaten dat casteel
te Vollenho, dat si anstormden mit menighen
herden anloop, 2, 204.
AENLOPEN {liep, liepen, gelopen), st. ww. onz.
Veelal met den 3den nv. of het voorz. te. Mnd.
anlopen,
1) Enen -~-, op iemand aanloopen, hem te
gemoet loopen, \\ Drie man comen in enen pat:..
Abraham die liep hem ane, Bijmb. 1778. — Ook
zonder bepaling , in den zin van toeloopen , altyd even-
wel met het by denkbeeld, dat dit op iemand geschiedt.
II Ter stont an die ander side so coemt hem een
ridder te gbemoet. . . Die paerden lopen an ende
altyd die een of die ander wert afgesteken, Oetta
Bom. 200a.
2) Te eenre st]at — , ergent heen loopen, er
naar toe loopen. || Tfolc van Israël sloecht al, sonder
die hadden tgheval dat si ten vesten liepen an, Bijmb.
6853 var. Vgl. Clerc 152: Als tvolc dese vreemde
mare hoirden, liep een ygelic ter zeewaert an.
3) Enen — , op iemand aanloopen of aanrijden
met vijandige bedoeling, hem aanvallen. || Hector
wert erre daer hy staet, metten swerde liep hy
hem an, Troyen f. 87a. Ende die van Duay liepen
hem an ende versloegen wel seven hondert man,
Velth. rV, 48, 85. Mettien hi toeloepen liet dors,
ende liep Ecbites ane lAmb. IV, 1456. Het riep
al: Loeps(?) an, loep ane! slawi doet onseviande,
Stoke VIII, 1204.
4) Aantatten, aanvallen, overvallen, jj Weet oec
geselle, die huweiyc maken, dat si aneverden
zorghelike zaken . . , In weet bi wat zotter uren
ofte verwoetheden anelopen (voor anegelopen, als
onscheidb. ww. ?) Bote C. 8113.
5) Aankomen, aangroeien (aan lyf of leden). ||
Oec geviel in een lant, dat men enen afsloucn de
hant . . , ende hem na den eersten jare ene ander
hant weder anliep, Sjp. IV*, 8, 53.
6) Toekomen, jj Jacob Ravens wyfs erve, dat ene
van horen 3 erfhamen myn here opdroech ende
125
AENL
AE^N.
426
him dat derde deel anloopt van den erve, Bek. d,
Oraf. 1, 324.
AENLOYEN, zw. ww. bedr. ; bd. anhben. Met
den Sden ny. v. d. pers. en den 2den der saak.
Aanprijxên. Een de men enre waerbeit anlo-
Ten macb, iemand^ aan men men eenondenoeki^)
kan toevertrouwen y een in rechten geloofwaardig per-
soon. Zie Waerheit. || Qneme yenicb onser scepene
ofte raet oft enicb burger, de men enre waerneyt
anloTen mocbte, dar dat onse burgere vechten , B.
V. Zutf, 6, 6.
AENLÜKEN {iooe, loken, geloken), si ww.
bedr. Ene dore — , eene deur toesluiten^ dicht-
doen. II Becht aen des paleis beghin stont ene
dner , daer ghingben wi in. Kila loocse weder an ,
on. Ued. en Oed. 258, 758.
AENMAKEN, sw. ww. bedr.
1) Enen iet — , maken dat iemand iets heeft,
het hem bezorgen. \\ Sine djaken, die dat sagen,
begonden hen een deel versagen; maer 8abyn,die
heilege man , maecte hen met troeste cracht weder
an, Sp. 11% 22, 60. Ende si maken die (/. den)
hersinen ane nienwe wonde oftescnere. Jan Yp. 62.
2) Doen ontvlammen, in vlam tetten (vgl. vuur
aanmaken), overdrachtelgk. . || Daerom wert hoer
herte also van hem ontfoncrt ende aengemaect.
Stemmen 22.
AENMERKEN, rw. ww. bedr. Verg. Merken.
Mnd. ainmerken. Opmerken, opletten, opmerkzaam
zijn op iets. Met een obj. in den 4den nv. of een
afh. bQzin. Scheidbaar en onscheidbaar gebezigd. ||
Nu merc mi ane. Kendstn mi? Sp. lY*, 87, 20.
Hi merctese ane met slnne, Serv. II, 991. Hier
bi mogedi merken an, Natuwrk. 1381. Aenmerket
mQn ewe {mijne wet), Hs. Fs. 77. Aenmerck, o
mensche, dattn bist slijm der aerden, Bern. W.
333. Die menschen aenmerken die werken, mer
God aensiet die meyninge. Kal. 7, 164. Als si
aenghemerct hadden hoe dat si seer vermoyt was,
Pass. W. 2403. Hi aenmercte dat seer neerstelic,
Exe. Oron. lAa. Mercwel an, wat si nu s^n ende
wat si gheweest hebben, Devoet S. (36) II89.
De hertoge aenmercte die stadt ende die borch
also bewaert, datse met f heen assaute te winnen
en waren , Exe. Oron. 126a. — Minder juist dient
aenmerken te enen, ter vertaling van het lat.
attendere ad, D. B. Zaeh. 1, 4.
AENMERKINGE, euw. vr. Opmerkzaamheid,
oplettendheid, het schenken van zijn aandacht aan
iets. I) In den boec overlas ie met groter aen-
merkinge dat cappittel van den bjen, Ned. Proza
282. Aenmerckingne der voerledender goeder werc-
ken maect onachtsaemheit oft vermetenheit, mer
aenmerckinghe des eynden maect vreese, Boeck
9. d. L. /., 95a.
AENMETEN, st. ww. bedr. Enen iet — ,
Iemand iets (land b. v.) toemeten. \\ Dat men dat
land . . , dat wi nu meister Thielman . . vercoft
hebben, dat men hem dat anemeten sal van den
eersten te lande (?), dat is te verstane, daer die
eerste avelinghe van den dyke stond , Zwijnd. W. 35.
AENMINNICH (aneminnech) , bnw. Met een
innemend uiterlijk, zóó dat men iemand moet
liefhebben, iemand liefelijk aanziende en daardoor
liefde wekkende (Ned. Wdb. 1, 247). || Tenandren
male so was hi {Jezus) ooc so aneminnech, dat ie
(Maria) hoopte, dat si (de Joden) sQns ontfaermen
sonde (1. souden), Hs. v. 1348, 800c.
AENxlAKEN, ew. ww. oue. Met den 3den nv.
Enen — , iemand naken, te wachten staan. || Wie
dat in sonden heeft mesdaen, ende dat niet be-
kennen en can, dat hem pine naket an ten uter.
sten , Amand 1 , 5452.
AÉNNAME, bnw.; mnd. Anname, in H mnd.
seer gewoon. Aangenaam. || Ons moet den soen
senden anname ghaven des heilighen gheistes ,
G. Groote 102.
AENNAMEN , sw. ww. bedr. Mnd. annamen.
Aannemen. \\ Dat dese coepe van desen voirghen.
ambochte ende goede . . voir ons ghesciet es
ende anenamet an beden siden, Oorkb. 2, 1726
(a. 1280).
AENNEMELIJCHEIT (aennemelicheit) , en
-HEDE, znw. vr. Yan Aennemelije , ona tot dusverre
niet voorgekomen, afgeleid van Aennemen in de
bet. bedr. II , 9). Geneigdheid of geschiktheid om
aan te nemen, om zich iets aan te trekken, dus
vatbaarheid voor indrukken van buiten. Eene uit-
drukking van latere ascetische schrijvers. || Ende
hier mede wort gi soo gevesticht in mi ende wort
dijns selfs so ledich ende alre uutwendiger aen-
nemelicheyt, ende dan wort gy een instrument dair
ie ongehindert mede wercken mach wat mi belieft,
Hofk. V. Dev. 64 v.
AENNEMEN (nam, namen, genomen), st. ww.
bedr. en ons. Scheidbaar, doch vooral in lateren
tgd ook onscheidbaar gebezigd. Mnd. annemen.
I. Bedrijvend.
I) Met een persoon als object
1) Enen — , iemand ontvangen, welkom heeten.\\
Daer stont die paues Adriaan ter kerken dore,
daer hi quam, diene lievelike anenam, Sp. III*,
84, 18, Èrab. 7. II, 878. Ende al es hi uviant,
si hoepte wel nochtan dat hi hem sonde nemen
an, Edew. 1736.
2) Enen — , iemand tot zich nemen, opnemen,
of wel, kiezen (tot zekere betrekking). || Geiyc
die aeme die sQn jongeren voert roept om te
vUegen, ende boven hem vllecht, so ondede hi
sQn vloghelen ende aennam hem, ende droechen
in sgn scouderen, D. B. Deuter. 32, 11 (Yulg.
asswmpsU enm). Aenmerckende die Fransoysen dat
haer coninc Karel noch een kint was , so aennamen
si Odone, Exe. Cron. 90<^ (verg. 91<r).
3) Hem enen — , iemand tot zich nemen, t. ^«
in zekere betrekking , zich toevoegen , by zich nemeti^
kiezen. \\ Daer bi sal hi hem nemen an vrome
liede ende wise, Lsp. III, 13, 28. Yan Avenes
mQn heer Jan die hadde hem ghenomen an vrou
Aleiden van Hollant . . te wive, Stoke III, 1223.
' II) Met eene zaak alsobject,waarby in sommige
opvattingen de drie segswQ zen iet — ,hemiet — >
en hem des in gelQke beteekenis afwisselen.
1) Yan kleederen enz. Aannemen, aandoen^
aantrekken, zich kleeden of wapenen met, \\
Sine clederen gaf hi hem dan ende nam sine
doerselen (des armen vodden) an. Franc. 513. Een
dieren mantel nam hy an, ghemaect van goude
ende van syden, Troyen f. 92 c. Doe tfolc niet
was van den wonden ghenesen, ghincsire ende
namen hernasch an, Bijmb. 2694. Alsosulke sier-
heid nam soe ane als hare gaf die camerlinc,
18122. Want si en hebben dat' brulochtcleet niet
aneghenomen, Rnusbr. 5, 269. Na desen namen
aen een groot getal der kersten . . dat cruus,
Clerc 60.
2) Yan een naam , titel of wapen. Beginnen ze te
dragen of te voeren, || Die wapen van Yrancrfjke
aennemende , dat sint al dEngelsche coningen hebben
gedaen, Exe, Cron. 133a. — Hem — , in geleken
127
AENK.
AENN.
1Ö8
zin. II Ende neemt hem titel ende wapen an, eer
ti er borch of stat in wan, Edew, 101.
3) Van uiterlijk waarneembare verschijnselen.
Janneme». Yeelal vergezeld van den 3den nv. (lat.
sièi). II Hi aennam die Griecscbe manieren, Exc.
Cron. SSb. Die viant . . nam hem teenen tiden an
die vorme van enen man, Lsp. II , 61 , 3. (Die wijf)
nemen hem boven nature ane andre vorme ende
andre ghedane, V, d. wiven 23. Seder die edele
liede gheerden scat ende weelde ende ghemac
aennamen , Lsp. III , 26 , 184.
4) Van verschillende zaken. Ze nemen tot een
bepaald doel^ ze ergens toe aanwenden^ of wel,
gebruiken. \\ Ende stelden in de vocien haren moed ,
80 dat si alle vriendagbe annamen ende mede np
den berch daer quamen, Amand I, 6992. Nu laet
ons exemple nemen anne, wat ons Christus beteekent
hier bi, II, 6253. Den cost dair of, ende van
anderen lasten , die om des dootslagen wil angeno-
men hebben geweest , Matth. 223. — Hiertoe behoort
ook de uitdrukking: — Den name des Heren
— , d^n naam des Heeren gebruiken. \\ Du en sulste
niet annemen ydelijc den name des Heren dgns
Gods; want die Here en sal hem niet hebben on-
nosel, die te vergheefs annemet den name des
Heren, J), B. Exod. 20, 7. Hi en sal niet onghe-
castijt wesen die op een ydel dinc sinen name
anneemt, Deuter. ö, 11.
5) Van handelingen. Aanvatten ^ aanvangen^ be-
ginnen^ ondernemen^ op zich nemen. \\ Dat al wel
quam, wat dat Lanceloet anenam te doene, Lanc.
II, 269. Dat si selc doen niet an en namen, als
den dage soude betamen, non adeo solenniter cele-
brare diem dominicum^ Sp. II», 69, 19. Dat bidden
hi annam, II*, 73, 89. Ganc ende dit doen annem ,
II*, 78, 84. Een consilie annemen, het (eigenmach-
tig) gaan houden^ Sp. II*, 4, 66. Als die salmten
enae quam , dat menech Pater Noster annam , Sp.
IP, 11, 40. (Hi) endde dit leven ende nam an
dieven, daer ewelijc bliscap wert gedreven, II*,
70, 113. Nu merct voert hoe dat tfolc quam in
die woestine ende anenam dattet afgode beedde
an, Wrake I, 104. Dat hi vortane om ghene zake
wedere dat goet an hem en trake , no sulke neringhe
meer anuame, N. Doctr. 2392. Ende so hi meer,
si u becant, duechden annam in dit leven , so hem
God meer heeft ghegheven gracien, Amand II,
184. Updat gi wilt annemen des, so gelove ie u
enz., MLoep I, 645 var. Hoe menich jammer ende
miswende sijn gevallen in der minne, die sonder
mate ende wise sinne mekelois wort angenomen,
1 , 2120. Die vrouwen sijn listich van vonde ,
ivanneer si willen gaen ten gronde ende sijt mit
naersten nemen ane, II, 3637. Veel menschen sijn,
die ghenen arbeit aennemen en willen, mer liever
hebben in haer groote armoeden te wesen , Dial.
Creat. 4Qd. Omdat die rentemeister . . desen cost
anenemen wouden , Rek. v. Zeel. 1 , 122. Voort soo
en sullen onse heeren geen oorloch aenneemen,
ten sy by haren rade, Nijh. 2, 106 {a. 1358).
Ie sel tegen den tyran, die u bedrogen heeft stryt
annemen ende u lant weder omme winnen, Qesta
Ram. c. 66. Waer om hebstu soe groten wech
anghenomen? Pass. W. 54^. Elc man nam an
dat gheween, ende die in hilicbedde saten weenden,
J). B. I Maccab. 1 , 28. Gods dienst annemen , God
beginnen te dienen, Amand II, 6257. Die messe
annemen , de mis beginnen, Sp. IV' , 18, 37. Prediken
haddi genomen an, Velth. I, 31, 9. Nem vastene
an van seven dagen, Sp. II*, 22, 153. Den sloep
{innemen, gaan slapen, Sp. III', 39, 21. Hoe si
annamen haer leven ende hare aventure, III*, 92
82. Beter leven anenemen , I' , 67, 140. Dat geestelec
leven, dat ie annomen hadde, Lu^, II, 446.
Enen aerbeit anenemen, Sp. IV*, 4, 18. Want
menech dese dinc annam, Fersl. en Ber. V, 26,
417. Sine dinghe anenemen, Brab. T. II, 5700.
Die zake aennemen , VII , 2292. Sotheit an-
nemen, een dwaas stuk beginnen. Base (C) 3109.
Berou annemen , berouw krijgen , Lsp. II , 48,
612. Penitencie annemen van sinen souden, Hild.
44, 110; Amand II, 2917. Dat si annamen hare
bedinghe , 3925. Ene bede aennemen , beginnen ,
Sp. W , 13, 92. Die de vaert sciere nam an,
ri. Rijmkr. 9741; verg. Brab. T. VI, 11374.
Alsi tkeren namen an, Velth. VI, 16, 37. Si
hebben den stryt so annomen, Lanc. IV, 11829.
Oorloghe aennemen, V. d. Wall 201 , ^rad. 7. VII ,
17150, Exc. Cron. dbd. Aldair Alanus by hem
sel ven ende sonder onthiet die woirden by hem
annam ende wort disputerende mitten Juede , Matth.
73. Die wort annemen, het woord opvatten, Sp.
III*, 27, 71, verg. II», 23, 215, 227.Daticdu8
annam die tale, Sp. II», 8, 108, verg. II», 23,
227; II*, 74, 60; IV, 1, 64; Amand 1, 2153.
De sprake annemen, Amand II, 110. Alse hi
spreken eerst annam, I', 51, 22. Des en willic
niet anenemen te doene, Brab. T. VII, 18135;
Fortse ende ghewout annemen , bedrijven , Brab. T.
VII, 8540. Laster anenemen teghen sinen even-
mensche, Hs. Ps. 13r, enz. — Min of meer pleonastisch
klinkt Sp. Dl. I , bl. 461 , vs. 277 : Hoe die Terters
quamen ende hoe si haer beghin annamen, voor
hun begin namen. — Hem — en hem des — ,
in gelijken zin. || Een begheven man. De hem
de boetscap doe nam an, Stoke IX, 671. En es
geen cleyn werc, dat hi van nuwes hem nu heft
aennomen, Lutg. II, 1242. Daer bi hebbic mi
f henomen ane , dat ie die waerheit wille ontdecken ,
^rab. Y. 1, 4. Die hem overmoedecheit nemt ane ,
Rincl. 1047. Den vierden graet en sal geen man
mit bescheyde hem nemen an, MLoep II, 1591.
Degene die sig sonderliker saken anenemen ende
willen luttel eten ende drencken ende noch men
slapen ende en willen nemmer erwarmen op haren
bedde , Limb. Serm. 45c. 'Die hem annam die saken,
Sp. II*, 26, 12. Dat sy hem des beladen ende
aennemen, Nijh. 2, 103 {a. 1358). Want Jan v. d.
W. , Jan V. F. enz. hem aneghenomen hebben Heren
Jacobs scout van Moerdrecht te ghelden, Mieri.s
2, 303tf {a. 1323). Zie ook Brab. Y. II, 4701.
— De laatstgenoemde uitdrukking, hem des — ,
gold vooral in de sterkere opvatting van: Onder-
nemen, bestaan, onderstaan, zich vermeten. WD^idX
dese groote heeren quamen , ende hen des anenamen,
dat sine met overmoede wouden verdriven van den
goede, Heelu 1681. Al hadde hem des aenghe-
nomen, dat hi jeghen ware comen, die coninc
selve van Vranckerike, 3283. Die hen des ane-
namen, dat si met crachte ten hertoge quamen,
7087. Want hem menich des annam, ende somich
noit weder en quam. Ver si. en Ber. V, 22, 311
(verg. 23, 321; 25, 393). Die hen vromelike ane-
namen des strijts, Heelu 6959. En sal hem des
nieman aennemen, Buusbr. 3, 115 (verg. Ned.
Proza 48).
6) Van werkingen, inzonderheid van lijden,
ongemakken, den dood enz. Ze ontvangen, lijden,
ondergaan, zoowel vrijwillig als onvrijwillig. || Die
passie , die onse here annam , Franc. 456. Daer dat
edele vleesch ave quam, dat onse sterven anenam,
Rijmb, 2173. Dat jammer was ende scade groot,
129
AENN.
AENN.
d3Ó
dat bi zo yroe nam aendendoot, CAz^A^ 248. (Die)
bi den boome, dats te verstane, sonderlingbe be-
seffelicbeit nam ane, Avumd II, 3556. Ende men-
scelike doot anenam, Sp. I*, 20, 98. Ende die
bittere doot annam, Amand I, 6628. Twi wy
doopsel nemen ane, II, 2464. Die den slaepe des
dodes willicblike aennam, Bern. W, 110a. Eer bi
anenam sgn ongbemac, "Bijmh. 26770.
7) Van waardigbeden , betrekkineen, ambten,
enz. óf 0p sieh neme», aanvaarden óf in besit ne-
men, stek toeèigenen, \\ Alse Earel te Bomeqnam,
ende bi dat gerecbte anenam, alse patricins ran
der stede, Sp, III*, 92, 13. Hi dus annam allene
al dat kejserike , want sQn yiant starf cortellke ,
^, II*, 8, 4. Gideon nam des bisscops dienst an,
daer bi an misdede jegen God, B, v, 1367, 84^.
En wildl niet scbier uwen dienst weder annemen
in dien als gbi plegbet te doen? SóAaaitp, 49d.
Ende bi tmwaerUcap ende bewent aengbenomen
badde ende tregement, Brab. T, YII, 12663. Die
thertogbedom weder anenam, Corte Cron. v. Brab.
280 {Br. T. Dl. 3. Inl.) Marcns, die tgberecbte
annam , het rechterMombt aanvaardde , Bijmb. 14040.
Dat bisscopdoem anenemen, i^. III*, 93, 16.
Dat keyserrike anenemen, III*, 86, 66. Eynen
anderen rentmeyster . . , die . . dat rentmeyster-
ampt annemen ende regiren sall, Nijb. 4, 68
{a. 1430). — Hem —, in gelgken zin. || Dat
bem van Brabant annam dat monberscap bere
Bertont, Yeltb. I, 41, 2. Die ben aennemen den
staet van penytencien, Lutg. II, 1789.
8) Van bezittingen, reebten enz. gezegd. Tot
ziek nemen, in bezit nemen, aanvaarden, ziek toe-
eigenen, te recbt of te onrecht. || Daer bi den
jongen Bondene an wan , die naer bem nam Ylaen-
dren an, i^. lY*, 19, 23. So dat vreemde liede
3 namen, die de stat anenamen, ende bleven sitten
aer binnen. Lep. I, 34, 63. Si deden jegen die
geboden Gods, want si namen an dat gnet dat
vermaledyt was, B. v. 1367, 84d. Maximus . .
nam dat rike ane met gewelt, S^. III*, 28, 19.
Dat lantscap annemen, III*, 89, 72. (Die keyser)
anenam die castele, Yeltb. Y, 30, 3. Dat alle
die gbene die bofsteden aennemen op dien dam,
. . dat si dien dgc verwaren op hoer vreze ende
op boer scade, after dien dat sise aengbenomen
hebben, Oorkb. 2, 261b {a. 1286). Wat bnys ofif
erve so zeer becommert zQn mit renten off mit
anderen voerwaerden, so dat die jongbeste daer
op staende die buyse ende erve niet annemen en
willen ende voldoen alle die voer bem sprekende
z)|n, so zullen dan die outste brieven off voer-
werden die bnse ende erve zelve annemen ende
honden voer eyghen, O. K. v. Roti. 34, 100.
Dn en suis niet annemen noch oversetten d^ns
naesten terminen, die die vroetste hebben ghe-
paelt in d^nre possessien, D. B. Leuter. 19, 14.
Doe sQn soen . . bem weder gheven wonde ter
heydenre wet, soe nam bi weder sfjn conincrgck
aen. Pats. W. 79a. — Hem — en hem des — ,
in geigken zin. || Tote dattie Romeine qnamen
ende hem weder anenamen die keysercrone ende
behilden. Lep. II, 49, 69. Dat hi met lieden int
lant van Limborch quame ende bem des anename :
en soude niemen weren mogen, Heelu 1644. Nie-
ment en neme hem selven die eer an, mer die
van Gode geroepen wert als Aaron, Ht. Pt. 197p.
9) Yan voorvallen, ervaringen of handelingen,
in tweeledige opvatting.
a) {Op dese of gene icijge) ze opnemen, ze ziek
aantrekken , er over gettemd zijn. \\ Dit nam
die graeve zwaerlgc an, ^. III*, 80, 11,
Brab. Y. II, 636. Alse Godevaert dit vernam,
swaerlike bijt anenam, Brab. T. lY, 179. Waiït
u andre saken quellen, die gi te swaer hebt ane-
genomen. Rosé 6664. — Hem — en hem des — ,
in geleken zin. || Dit nam hem so swaerlic an
Augustus, dat bire omme daer naer maecte dat
alremeeste mesbaer, Sp. I*, 34, 62. Sulkenament
bem so ane, dat si hem betren niet en wouden,
lY* , 16, 16. Ie wilt mi meer en quame vore,
ende ix mi nemmer oec anename, Yeltb. Y, 1,
60. Si ware hen alsoe na belanc, dat sys haer
aennemen sonde, Vad. Mus. 1, 60, 89.
b) Ze ziek aantrekken , er ziek aan gelegen laten
liggen , er ziek mede bemoeien of inlaten , er ziek
moeite voor geven. Alleen in de uitdrukking : H e m
des (iet) aennemen. || Ende want dat leen seere
mids desen des hertogen soude vermindert wesen ,
soe nam hem des ane emstelijc van Brabant die
tweeste Heinryc, Brab. T. YI, 2881. Want waert
dat die keiser quame, ende hem des orloochs
anename , Edew. 601. Daer die veede af wert soe
groot, dats hen vele liede aennamen, Heelu 3834.
Diet hem oec annemen moet, sal hi te keeme
hebben spoet, Yeltb. II, 9, 67. Daer groote veede
ave quam, dies hem sint menich annam, II, 64,
49. Die hertoge Jan was te perlemente , daer men
handelde dese atente, maer hine wils hem niet
sere nemen ane, in genen kere, III, 38, 16. Du
wils onderwinnen dies, dies niemen en can over-
comen, wie sere hns hem heeft anegenomen, OVl.
Oed. 1, 76, 231.
10) Van eene meening. Ze vaststellen, voorwaar
erkennen. \\ Doutste biet Lothargs , ende die badde
bi hem selven aneghenomen dat hi keiser was van
Romen, Brab. T. II, 4606.
II. Onzijdig.
Het gebruik van aennemen als onz. ww., hoewel
uit zijnen aard bedrgvend, is door verzwijging
van het object {kraakt, sterkte of iets dergelijks)
te verklaren. Yerg. Ned. Wdb. op Aannemen onz.
In tweeledige opvatting:
1) Een begin nemen, een aanvang nemen. \\
Tverlies van hier beneden, dat bi Yeven al toe-
quam, doe die zonde eerste annam, OVl. Lied. en
Oed. 47, 216. Dat men den staet van den hertoghe
Jan, alsoe hi was ghenomen an, niet en soude
moghen vuechlgc continueren, Brab. 7. YII, 7031.
2) Toenemen, aangroeien, het tegenovergestelde
van Afnemen. \\ Dat den volke sere mesquam;
ende dat roepen so sere annam, dat de baeliu
wert in vare, i^. II* , 46, 66. Ende hi p^nde in
kerkelike leringhe, ende daer in nam hi an ,
Pass. W. 199rf.
— Afl. Aenneminge. || Doe die daghe sijnre
annemenghe vervuUet waren, Hs. Evang., Ltte. 9,
61, lat. assumptio.
AENNIPEN {neep, nepen, genepen), st. ww.
bedr. Knijpend of nijpend aantasten, berispen. ||
Als men iemene begrijpt in coventen, men annijpt
den genen, dien iet mestaet, ende also betert hi
teer sine daet, S^. II*, 74, 163.
AENNOPEN, zw. ww. bedr. Yan Nopen, in de
oorspr. beteekenis van raken.
1) Enen — , iemand aanraken. || Ene jonc-
vrouwe wel gedaen, daer hi up syn bedde lach, . .
die noeptene ter ziden ane, S^. III', 60, 12 — 16.
2) Enen — , iemand raken, aangaan, betreffen.
Yerg. ons nopens, d. i. rakende, betreffende. Ge-
6
i3d
AENN.
AENR.
132
woonlijk iu de vereenigde aitdrnkking Aengaen
of aennopen. || Allen . . richteren enz, diet
aengaen of aennopen mach, Nijh. 5, 156 (a. 1481).
Dat hem angaen off annopen sal mogen, 163 {a. 1483).
Allen anderen dient aengaen oft aennopen mach,
V. d. Wall 679 («. 1478, in de uitgave verkeer-
delijk aenropen). Allen anderen onsen jnsticieren
ende officieren wient aengaen oft annopen sal, 717.
Onsen . . ondersaten, dien dit aengaen ofl aen-
noepen sal, Handv. v. Enkh. 486 (a. 1494). Zoo
ook Handv. v. Jlkm. 28a.
3) Iet — , ieis aanvatten, ter hand nemen. \\
Maer beter es dat men vercoope dan men wonker
yet annope , Denhn, 3,9, 201 {S. Bern. Ep. : melius
est partem vendere, quam se usuris subiicere).
AENNOPENDE, voorz. Eigenlyk het tegw. deelw.
van Aennopen in den zin van raken , betreffen (zie
ald. 2). Met den 3den (ook 4den) nv. Jangaanfk^
voor zoover betreft. \\ In allen saken crimineel ende
civil, annopende den vorseiden officiers ter causen
van hneren officyen, Cron v. Vinend. 2,202. Twee
sommelliers . ., daer af dat een alle daghe es
gerekent , die levert rekeninghe van den costen . .
ende annopende den lyftocht van de wynen, Matth.
Anal. 1, 273. (Eene) nieuwe ordonnancie, anno-
pende den regemente van deser stede, Invent. v.
Brugge 5, 443. Aennopende de materye, 512.
AENP ACHTEN, zw. ww. bedr. Met den 3den
nv. 1) Enen iet aenpachten, iemand ge-
rechtelijk in het bezit stellen van iets ah pand
(de eerste phase der executie). || Indien dat die
ghene , dien die pande angepacht worde(n) , ver-
sekere die pande in der ghemeen pandinghe te
brenghen, datter een yegelijk sijn recht aen spreken
mach, die ghebreck an den sculdenair heeft of an
den gepachten gueden, O, K. v. Delft, I, 15, 6.
Wairt sake , dat yemant binnen der stede van Delf
enyghe huysinghe, erve of hofstede cofte, die
anghepacht of angheeyghent worde, I, 20, 30.
Soe wi voirt an eenich roerende guedt mit recht
angepacht of angheeygent wordt, die en sal dat
gnet niet langher laten staeu in den huysen, diet
ofgepacht is, dan ses weeken. Wairt datmen die
gueden dair langher liet staen ende andere scepenen
kennisse, dan voirsz. staen , dair rechts up begeerde,
die soudtmen recht dair an doen, ende die de
gueden te voren angepacht of gheeygent waren,
en souden dair an gheen recht meer hebben van
die kennisse, dairse hem mede angepacht waren,
I, 25, 39.
2) Gerechtelijk rente doen vestigen op een onroerend
goed (eveneens als eerste phase van eijecutie). Vgl.
PACHTEN en K, e. O, v. Delft 42, 10. 1| Voert of
yemandt enyghe bellede sculde , verwonnen sculde,
bekende sculde, willicoir sculde of renten up yemants
huys of erve sprekende hadde ende hem dochte ,
dattet huys of erve meer belast wair , dant wairdich
wair, die en sal niet an pachten, of hy en wil,
mer den burghemeesteren andinghen . . dat huys
ofte erve te vercoopen, ald. 23, 34.
AENPANDEN, zw. ww. bedr. Zie Panden.
Iet — , iets als gerechtelijk pand in beslag nemen. \\
Ende waer oock geen goet ane te panden, men
soude panden aen 't lyf, ende dien man oft wyf
te leveren in mynen gerichte, dair die clager
wonde, Matth. Anal. 3, 698 {a, 1318). Vgl. aen-
WEDDEN.
AENPANDIN6E, znw. vr. Beslaglegging , inbe-
slagneming. II Om te beletten den twist dagelicx ge-
burende om tvoergaen in saecken daer twee parthien
offt meer om een guet arrest, beslach off anpandinge
hebben gedaen, soe sullen die dieners nae desen
dage voertan , wanneer sij van yemande geit hebben
ontfangen, om arrest, beslach oft anpandinge an
enich guet te doen, komen by den Secretarium
ende doen oeren gicht in wiens name, op wat
dach, hure ende tyt sy alsnlcken arrest, beslach
oft anpandinge hebben gedaen, ende doen tselve
op kosten des gheens zy inder saecken gedient
hebben formelick te boeck stellen, Overijs. Jteekt
I ' , 210. Op anderen termijnen na advenant na dat
de yrste anpandinge geschiet is , I % 236.
AENP ART, znw. o. Hybridisch woord, uit het
fr. part gevormd naar het voorbeeld van aandeel.
Zie Ned. IFdb. 1, 261. Aandeel. || Die voorscr.
quote ende aenpart (in alle beden) van onsen lande
van Hollandt, Enq. 316.
AENPENSEN , zw. ww. bedr. Verg. Aendenken.
Over iets peinzen, oplettend aan iets denken, be-
denken, bepeinzen. \\ Ende alsic dit dan pense
ane, wat ie daer dan soude ontfaen, so treckic
weder achter saen, Velth. I, 22, 32.
AENPORRE , bij w. Lanc. II , 4481 . Rijmb. 14989,
e. e. Zie Porre.
AENPREKELEN, zw. ww. bedr. ZIcPrekelen,
de oudere vorm van hetgeen thans prikkelen he«t.
Met een prikkel of scherp werktuig steken, aan-
prikkelen. || (Hi) schyet sine venijnde schutte ende
aenvechtet ons herdelike. . . Worden wij anghe-
prekelt, dat wjj doch onghequetset bleven! Bern.
W. ^Id.
AENPRINDEN {prant, pronden, gepronden), st.
WW. bedr. Zie Prinden. Aanvatten, aangrijpen. \\
Die coene entie starke Roelant noepte sgn ors te
bant . . ende ghemoete saen Ritsaert. Bi den togle
hine aneprant. Ren. 1471.
AENRADEN (riet, rieden, geraden), bedr. st.
WW. Absoluut, zonder persoonsbepaling in den
Sden nv. Aanraden, raad geven tot iets. || Die
coninc seide : „Nu raet an hoe sine ons best leveren
mogen," Limb. II, 1416.
AENRANSEN, zw. ww. bedr. Aanranden, aan-
vallen, aantasten. In de 17de eeuw nog zeer ge-
woon. Zie Ned. Wdb. \\ Waer yemant die hem
misdede in enigher maniere mit woorden off mit
werken, off mit stoten off mit doppen an hareu
husinghen, off mit anransen opter straten, die
verbuerde III ^, O. K. p; Balt. 49, 165.
AENRECHTEN, zw. ww. bedr. Voordienen. Yg\.
Ndl. Wdb. 1 , 276. || Voer die vate daer di in
aengerecht wert, en wil niet versmaden te nemen
dat di voergeset wert, Bern. W, 39rf.
AENRECHTEN, zw. ww. bedr. Verg. Rechten.
Recht overeind stellen, (Richten. \\ Nochtan heb
ie nu ende echt starke lederen angherecht, die
seer hoech van stappen syn. Vrouw. e. M. IV,
88; verg. Limb. XI, 232. Dies rechten wi een
tekin ane, Rijmb. 7028.
AENREIKEN, zw. ww. bedr. Reiken tot. Vgl.
Ned. Wdb. 1, 277. || Hoe conste onse gote . .
aenreyken aen die alderhoechste fonteyne, Bern.
S. 127c.
AENREISEN. Zie Aenresen.
AENREKENEN, zw. ww. bedr. Met den 3den nv.
Enen iet aenrekenen, berekenen dat iemand
iets schuldig is. \\ Waer yemant van den scepenen
die binnen viertien daghen na sancte Pouwels
dach niet en betaelde dat hem angherekent were,
van der stad weghen, dat hi betalen solde ende
gheboert hadde, Stadr. v. Zwolle 115, 183.
AENRESEN (aenreesen, aenreisen), zw.
ww. bedr. Zie Resen en verg. ohd. anartsan ,
d33
AENtt.
AENR.
134
irruere (Graff 2 , 637) , den sterken grondvorm ,
waarvan aenresen de aifgeleide zwakke vorm is.
Aanvallen, iumranden, bestoken, By Kil. n-^^^'
reesen, invadere cum impetuj'^ WKi voer voert al
omtrent ende anereisde de Yriesen, Stoke lY , 248.
Ende begonste een assaut up die stede . . Josephns
wart geware das, dat si anereesden die stede,
Bijmb. hs. E, aang. bij Huyd. op Stoke t. a. pi.
(In de uitg. van den lUjmb, komen die verzen niet
voor). Doe bi mi wilde aneresen up dat bedde an
minen danc, Wal, 5546.
= In dien sin nog by Zevecote, bl. 314.
AENBIDEN {reet, reden, gereden), st. ww. onz.
Mnd. anriden,
1) Voortrijden {naar een bepaald doel), er op
aan rijden, \\ Doe reden si allegader an, Ferg.
4156. Ecbt 80 reet Tyberins ane uptie moylike
Germane, Sp, I*, 34, 29. Metten worden reet hi
ane, ende begonste opten wagen te slane, Yelth.
I, 52, 55. Ritsier noepte dors ende reet coeniyc
an ende veriajntfde dat goede paert, Flovent 97.
Segbeiyn reet vaste an na den hert met Glorifiere ,
Segk. 2502. Terstont reet die hertoge aen ende
begreep die poorte van der stede , £xc, Cran,
182 c,
2) Met den 3den nv. Enen — , op iemand aan-
rijden , met vyandige oogmerken , zoowel van enkele
raiters als van gebeele legerbenden. || Een spere
gbegreep bi, stare ende groot, ende reet den
stonten nertoghe an , JTal. 10554. Doe reet hi den
genen ane ende begonde yreselike te slane, Lanc,
III, 24172. Herman van Woerden reet bem ane,
als dene wille badde te vane, Stoke lY, 1469.
Ende reden hem ane doe mettien, ende beringhedense
an beden siden, YII, 904. Met XX* man reet bi
den kerstenen an, Flovent 372. Dns werd daerdat
aneriden so vreseiyc ende dat striden, dat nieman
des geiycs en sacb, Yelth. III, 6, 43. Menighen
viant reden si an, Orimb. I, 3590. Ende reet der
vorste scare ane, I, 4241. Her Segherman, die
hem met tome reet an, II, 4308. Metten worden
reden si hem aen, Fragm, Carl. 50. Oliviere reet
hi an, ende stacken ten mgge in. Boel. 163,
226. Ende reden hem met perssen an, Sp. lY' ,
24 , 92. Ooc 80 reden si hem ane , dien van Judas
ende van Benjamin, zij bestookten ze, Bijmb, 7814.
Zie ook ^. I«, 34, 24; lY' ,2^,%S\Brab, T.U,
3690; Heelu 1894; Orimb, II, 2574; Jfaleg. 229;
Limb, XII, 399; enz,
3) Enen — , op iemand aanrijden, met vrien-
deiyke oogmerken. || Si riden hem ane ende
vraghen mettien, waer hi wille ende wie hi si,
Sp, IV , 16, 18. Mettien hi hem anereet ende
groeten vriendelike, JAmb, lY, 844. — Ook van
een voetganger, in den zin van aanklampen, op
iemand afgaan, || Hets seker een moerdenaer , ofte
mi bedriecht myn waen; nochtan salUc hem riden
an, Lansl. 634.
4) Enen — , bij iemand aanrijden, vriend-
scbappeiyk, om een bezoek te brengen. Yerg.
Aenrinnen 2). II Doe zeide de ruter, ryt mi an,
Sehaaksp, f. 210, aang, bij De Yries 83.
AENRINNEN {ran, ronnen, geronnen), st. ww.
onz. Met den 3den (ook 4den) nv. Yerg. Rinnen.
1) Enen — , op imnand aanloopen, hem aan-
vallen. Il Sinen waerd hi doe aneran, endesloech
den vreseliken man op syn hoeft metten swaerde,
Lanc, III , 19282. Want doet oft gevaen int anerinnen
waenden si den hertoge gewinnen, Yelth. III, 5,
49, — Ere port e — , eene stad beloopen, be-
stormen, II Die doen Tielle aenronnen soe coenlike ,
dat syt wonnen , met scilde ende met spere , Heelu
3027. Diere van buten anerinnen . . dat si dor
noot moesten keren, 2032. Want doen si verna-
men . . . . , dat hi tKeysers warde had gewonnen ,
entie ander stede occ aneronnen, maectense mede
vrienscap saen, Yelth. (Hs.) aangek, bij Oudem. 1,
190. Soe dat die Ludekeren voorscreven daer bi
den storm moesten begheven ende laten Bovines
onghewonnen; . nochtan syt vreseHjc aenronnen,
Brab, T, YII , 17581.
2) Aanloopen {bij iemand) , vriendschappeHjk , om
een bezoek te brengen. Yerg. Aenriden 4). ||
Moenken heimelike met nonnen, clerken diere
gerne aneronnen, Sp. III ^, 27, 65.
AENRISEN {rees, resen, geresen), st. ww. onz.
Zie RiSEN. Mnd. anrisen. Bijzen, opkomen, ont-
staan. II , Aensiende die grote verderflijcheit ,
manslacht ende sterflycheit, die van brande syn
aengheresen, Brab. T. YI, 1703. — Metden3den
nv. a) Enen — , bij iemand opkomen. || Als hem
een twist riset an , Merl. 2634. — b) Iemand over-
komen, overvallen. \\ Niet langhe daer na, dat
hi in Brabant hadde gewesen, es hem een siecheit
angfaeresen, Brab, Y. YI, 404.
AENROBPEN, aenropen {riep, riepen, ge-
roepen), st. WW. bedr. Mnd. anropen. Scheidbaar
en onscheidbaar gebruikt, doch in verschillende
opvatting.
1) Ons aanroepen', maar in dezen zin werd in
\ mnl. het voorv. gewoonUjk niet van het ww.
gescheiden. || In den eersten aneroep ie Gode,
Melib. Prol, 1. Ende aneroepe u in minen rouwe,
Sp. III" , 36 , 38. Ende anriep Gods genadechede ,
II * , 23 , 550. Ende anriep ons Heren name, Bijmb.
1040. Ende aneriep onsen here daer, 2298. So
aneriep hi sinen God , Parth. 6613. Cristus aenriep
zinen vader, Lsp, II, 41, 30. Si aneriepen die
Gods cracht, Limb. I, 314. Ende aneriep sinte
Fransoisen cracht, JVanr. 9882. Sekerlike aneroupic
di, O Intern. 25. Wies hulpe ie oemoedelike ane-
roupe , Vad, Mus. 4 , 369 {a, 1372). Ende hi aenriep
in sinen hulpe sinte Elyzabeth , Pass, W, 34^^. Zie
nog Bijmb, 8688, 34872, Lsp, II, 41, 37, Limb.
I, 172, IX Best, 301; «m;. — Men vindt echter
het voorz. ook gescheiden, als b. v. || Nu sal ie
Gode ooc ropen an , Bijmb. 8836. Yecht ende roept
Gode ane, 19677. Ende di nerenstelike roept ane,
Sp, II», 13, 65.
2) Waar het voorv. van het ww. gescheiden
werd, gold anders aenroepen in de beteekenis van
toeroepen , {iets) roepen aan of tot iemand. Yerg. de
uitdrukking : JFat roepstu ane mi ? in Bijmb. 4215 ,
waarin de beide deelen nog afzonderlek staan.
Het samengestelde aenroepen stond dan tot roepen ,
als aanspreken tot spreken. Yerg. ook Aenbiddrn.
Aenroepen werd in dien zin zoowel met den 3den
als met den 4den nv. gebezigd. || Eer di dyn
broeder riep an, Philips, so kendic di al dan,
Bijmb. 22333. Si riepen alle Pylatus an: „Laet
ons crucen desen man!" Bed, d, M. 229. Ende riep
sinen dyaken an . ., ende hietene lopen darewaert,
Sp, III ■ , 10, 75. Sinen tween knapen riep hi an, . .
ende seide: „Yoert mi ute desen landen ," ^ra^. T.
II, 437, Sp. ni«,79,ll,vgl.I»,74,17.Entievan
der tafelronden riepen hem an: aldus en suldl ons
niet ontriden, Merl, 31996. Soe dattene soe vele
versochte die grave, ende riep hem an, dat hi
ware een bloede man, VI, Bijmkr. 1948. Doen si
sinte Janne ter vaert sach, riep si hem ane:
„Here!" enz., Yst Bl. 1010. Die liede riepen hem
alle an, „Wi bidden di" enz,, ,J^, P, 32,71.Ende
435
AENR.
AENS.
136
riep den abt Hugen au, ende seide, IV», 69, 31.
Sijn wijf riep Heliseuse an: „Here" enz.^ Rijmb.
13173. Ende riep sus ane den greve Lodewike,
CArist. 1413. — De inhond van hetgeen men roept
kan ook als object in den 4den nv. met het ww.
verbonden worden. || Ende riep hem genaden an
omme haer dochter, Rijmb, 23720.
3) Roepen tot iet*, oproepen. Mede scheidbaar
gebezigd. || Die helich ware ende vercoren dan,
Ende ter blyscip gheroupen an, daer ie nte ben
ghesteken, Amand I, 1268. Daer to solen die
rittere, knechte ende stede . . , dient verknndicht
ende daeromb angeropen warden, terstont den
anderen gevolgich sljn, dien hulpe ende bystant
the doen, Nijh. 4, 134 {a. 1436).
AENROEREN (aenrueren, aknruren, aen-
roren), zw. WW. bedr. en onz. Verg. Roeren.
Mnd. anroren.
Bedr. — 1) Aanraken. \\ Aldus en machmen,
dit verstaet, sonder sunde ende mesdaet niet aen-
rueren een vreemt wijf. Wie met begherten aen-
ruert haer lijf, die en mach niet reyne bliven
X Plag, 1460. Maer roert men de clocke weder
an, so moetze weder luden dan, OFl. Lied. en
Qed. 525, 209. En baet niet: de heer es verbol-
gen, dat ie hem, vrouwe, in desen saken en der
aenrueren noch genaken, Bliic. v. Af. 967. Doen
si Christus roerden aen, die sonden waren daer
genesen, OFl. Ged. 3, 138, 620.
2) Raken ^ treffen^ beroeren , in beweging brengen. \\
Wie(n) yet der lost aenruert dat hem ten quaden
wille vuert, dat hi verwervet Gods hat, X Tl^g.
1448. Dien dese minne rueret an, dat sullen wesen
wijflf ende man, MLoep I, 267.
Onz. Met den 3den nv. — 1) Roeren^ raken ^
betre f en. \\ Nu wilwy voert van saken dichten,
die onser materien roeren ü.n,3ILoep II, 110. Ende
alle, dien dat sal betamen of in enegher w^s
aenrueren, Brab. Y. II, 1194. Uutgenomen of
yemant gebannen waer van verraderie, van moert
of van verghiffenissen , dat ons of onsen kiinder
live anruerden, die en zullen binnen dese vors.
heerlicheit niet vri of onthouden wesen, Ovrkb. 2,
211tf (a. 1283). Alle haer erfgenamen, dient bi
crochte der vorseider letteren aenruert, of namels
anrueren mach, Brab. Y. Dl. 2, bl. 533 (a. 1356).
Dat de hackers ende bruwers alle gadere sullen
moeten honden ende doen de coren die haren am-
bachte anemeren, Cor. v. Antta. 57, 198. In . . allen
saken, der selver bailiuscap anrurende, Mieris 4,
663« (a. 1421). Van zaken die onsen borgheren
anruren , Stadr. v. Zwolle 167, 324. Welcke maninge
ons geenre wys an en ruert, Matth. Anal. 3,644.
Neghien man den de nederslach anrorende ware,
Overijs. Recht, p, 50. Zie nog Mieris 4, 6013;
921 b', Nijh. 3, 303; Matth. 75; 216; Handv.
V. Alkm. 21a, 22«, b\ 243; O. R. v. Dordr.
115, enz.
2) Ere stat — , eene plaats aanraken , er aan
grenzen. \\ Want ie . . van u ontfaen hebbe een
leen, minen goede anemerende, Brab. Y. Dl. 2, bl.
510 (fl. 1357). Twee leene anemerende minen goede
van der Brugghen, Dl. 2, bl. 512 {a. 1357).
AENRUEREN, Aenruren. Zie Aenroeren.
AENRÜKEN (rooc, roken , geroken) y st. ww.
bedr. Ruiken aan iets, het beruiken. \\ Ende int
dat wy hierin neerstig sijn ende beboet, so sal
onse goede cruut ghenienichvoldighet worden . .,
also dattet onsen gheminden Instelic sy an te sien
ende aen te ruken. Stemmen 86.
AENSATEN, zw. ww. bedr. Zie Saten. 1) Bij
schikking regelen (eene zaak in geschil), tot een
vergelijk brengen , vereffenen. \\ Omme te rade te
warden , hoe men die saken aensaten suele , die ter
tyt gevallen syn Nyh. 2, 119 {a. 1359).
AENSCATTEN, zw. ww. bedr. Zie Scatten.
1) Enen — , iemand dwingen schatting te betalen,
tot voldoening van oorlogskosten. || En worden
voort angeschattet alle de Schyringen partyes
luiden . ., en gaven veel duisent olde Fransche
schilden , Matth. Anal. 1 , 82.
2) Iet — , iets gerechtelijk bij executie toewijzen ,
tot voldoening van schuld. || Huis of erve of ander
goet aen te scatten, Matth. 122. Ten ware oft de
gene, die de huysen ende erve toebehoren, haer-
lieder handen van den zelven huysen ende erve
deden , alsdan zo zal tgerechte der stede van den
Briel den eygendom terstont anscatten mitten rechte
den rentenier, behoudelic altijts huns ende erve
haer recht, K. v. Briel Ie 13, 16 aant. Die rent-
brieven . ., die voor sommen van pennyngen ofte
voor sculden mitten rechte angescat zgn in huys
ende erve, 144, 1.
AENSCIETEN (scoot, scoten, gescoten), st. ww.
onz. en bedr.
Onz. — Met den 3den nv. Enen — ^ op iemand
aanschieten, snel op hem e^ komen, veelal met
vijandige oogmerken. || Mettien scoot hi den
ridder an ende trac hem of, alsic lye, bede den
helm ende die cufie. Wal. 9994. Anderwerf scoet
hi hem an, ende sloech op hem, Lanc. II, 46571.
Daer scoet hi hem an metter spoet, ende heeftene
ghe worpen onder voet, Amand I, 1238. In groten
misbair dat hi ontran; ander honden schoten hem
an, ende vraechden zeer wat hem daerde, Hild.
40, 44. Doe waren sy blyde allegader, ende schoten
an dien ridder te gader, ende bieten willecoom al
ghemien, 147, 373.
Bedr. — Van kleederen of wapenrusting gezegd,
in de nog heden gewone beteekenis van schielijk
aantrekken. \\ Twee cousen ende den halsberch groet
wel dapperlike hine anescoet, Ferg. 461 e. e. Vgl.
aenscudden.
AENSCIJN (antscijn, Lorr.fr. l,l^l),-seine,
znw. onz. Uit Aen en Seinen, ohd. sctnan, d. 1.
schijnen, schitteren, hij uitbreiding blijken, zicht-
baar zijn-, met het voorz. sdnan ana, d. i. blijken
of gezien worden aan (iets); ook in samenst. ana-
sdnan, als onz. ww. gezien worden aan (iets), lat.
apparere. Zie Graff 6, 499—504, en verg. Scinen
en SciJN en Ndl. Wdh. op aanschijn. Aenscijn,
mnd. anschin, passief en concreet opgevat, is dus
eigenlijk :
1) Hetgeen aan iemand of iets gezien wordt , dus
het uiterlijk voorkomen, het uiterlijk, den schijn^
hd. anschein. \\ Wilt niet ordeelen na dat anscijn,
maer ordeelt gherecht oordeel, Hs. v. 1348, 91r.
— Bepaaldelijk in de opvatting.
2) Het aangezicht oi gelaat, als datgene, waaruit
blijkt wat er in het binnenste omgaat, en wel
a) Aangezicht, gelaat, als lichaamsdeel. || Ty deus
sone hadde ene wonde int anscyn by synen monde ,
Troyen 2679. Des ridders en wart hi niet geware,
bedi dat op sjjn anscijn lach een orcussijn, dat
hine niet ne sach , Lanc. II , 7886. Si rechte haer
op ende stac haer anscyn over tbeddeboom, Eleg.
916 en 1222. (Si) bevinc in hare handekine syn
anscijn, Farth. 8248. Ane syn hovet lach haer
aenscyn, 8265. Sijn hovet ane hare anscyn, 8282.
Si droghede hem syn aenscijn, 8304. Oghen, oren
ende anschijn recht als eens menschen mochte syn.
Nat. Bl. II, 2747; verg. Sp. III», 41, 83. Siet hiue
137
AENS.
AENS.
138
int anscijn , Nat. BL II, 2387. Tanscyn hebbense na
den man, III, 256. (Als) si slet dat si heeft gedoet
van anscine haer ghenoet {van tuingezieht haar ge-
lijke\ word si droevende lanc so meer, III , 269. Int
anscbyn als die maghet ghedaen , VI , 410 , verg. 419.
Stellio verdronken in wine, ende ghedwaghen daer-
mede tanscine , doet die lelike sproeten ofgaen , YI ,
643. Borax met honeghe ^heminct, dats waer , maect
des menschen anscli^n claer, IX, 97; verg. YII*
249, IX, 489. Sijn anschgn was eens voets breet,
Sp, iy>, 2, 19. Sgn ansc|jn lanc ende gerecht,
I', 12, 45. Doe warp hi tanscgn ter aerde, III*,
36, 86. Doe wart sQn anscijn also claer, alse oft
die sonne ware , III*, 36, 86. Hi sette s^n anscQn alse
hi in Jhemsalem sonde gaen, Rt. v, 1348,55(7. De
mont entie lierwange . . in den anscine , Franc. 837.
Te hemele waert . . helden b1 tansc^n, 935. Dat
hire int anscQn cnme kende ene, 2450. Spegelt u
in myn clare anscijn, Eote 5593. Gri seles hebben
blau danscgn, 8077. Zie nog L. v. J. c. 126
{patsim) enz.
b) Aangezicht^ gelaat^ als oitdnikking van het
inwendig gevoel. || Datmen niet en can ghesconwen
in sgn anschgn teiken van rouwen. Nat. BI. YI,
333. In den onnoselen anscine ne vernamen si
gene pine. Franc. 9387. Die bi hem stont ende
hilt een swaert, met eenen onsienliken anscine, ^.
III*, 26, 102. Met bliden anschine, daermeninne
alle bliscap mochte scouwen, I*, 65, 186. Die
ander sprac met bliden anscine, 11^, 9, 89. Hoe
menich ronwich anscyn dat daer om her Evaz was,
JAmb. YI, 268. Hi waert gmwelic int aenschijn,
Bein. II , 3620. Alse ons Christus vertoent dat aen-
8chi|n sijns Yader in volre glorien , Buusbr. 2 , 97.
3} Overdrachteiyk. De uitdrukking van het ge-
laat^ bij uitbreiding opgevat als de toeitandyftasm
men verkeert, het gevoel dat men ondervindt, en
waarvan het gelaat de spiegel is. || Tytus ende
daertoe die sine ghedoogdent met leeden anschine,
Bijmb, 29615. jUs si nut dier dwange sQn, so
leven si in blyden aenschijn, MLoep II, 2821. Si
was in zeer bedructen aensch^n, II, 4096.
4) Bij verdere uitbreiding: het gezien worden ,
de aanblik^ dus het bijzijn, die tegenwoordigheid. \\
Die abt die sonde altoes sijn in sQnre moncke
aenschijn , ten dormtre , ten reeftre ende ten chore,
Teest. 3287. Ygl. voor het aangezicht Gods.
5)lndeuitdrukkinglnaen8cine(intaenscyn)
heeft aenscijn de oorspronkel^ke beteekenis van
zichtbaarheid j blijkbaarheid. In aenscine (int
aenscijn) is zooveel als zichtbaar, blijkbaar,
duidelijk. Yerg. het volgende art. || Ie bem dulre
in aneschine dan die gene die den vlanden ombe-
dwongen gaen in handen , Bijmb. 29344. Want veel
te trueren int aenschijn is onghenoechlgc bj te
sijn, Hild. 223, 67. — Yandaar de zegswijze: In
aenscine doen, hetzelfde als Aenscine doen,
in welke laatste uitdrukking aenscine echter een
byw. is. Zie Aenscine, d). || Hi sout hemdoen
in aenscine, Stoke X, 970, var. B. (het teksths.
heeft in eeine, de var. U ameinen: zie Huyd. Dl.
2 , bl. 168).
6) Oneigenlgk. Oelaat, gecSaante, stand, van de
planeten, als vertaling van lat aspectus. || Als
yement siecheit comt to, in Satumus quade an-
schyn, sijn onghemac dat moet zQn van flenmen,
Fersl. en Ber, lY, 16, 270. Comt Maers in een
quaet anschgn, hem sal die maghe worden on-
reine, 284.
AEKSCIJN, bijw. Zie Aenscine.
A£NSCIN£ , of, met weglating der e , Aenscijn ,
bijwoordelijke uitdrukking. Uit het voorz. Aen en
den 3den nv. van seijn, hetzelfde als in scine,
in Hcijn, doch meest als eene eenheid opgevat en
daarom aaneengeschreven. Ygl. aenscouwe, 2de
Art. Sdnen (zie ald.) beteekende eertijds niet
videri , maar appnerere , zichtbaar zijn , blaken ,
en evenzoo was scijn ons blijkbaarheid. De uit-
drukking aen seine , aen- scijn, allengs tot aen-
scine, aenscijn verbonden, beteekent dus in blijk-
baarheid, d. i. blijkbaar, klaarblijkelijk, duidelijk,
kennelijk. Ook het mhd. kende in dien zin het
bijw. anschin, dat echter ten onrechte als een
znw. wordt opgevat (Ben. 2* , 146, Lexer 1, 76).
Oec eist van naturen anscine vroet boven alle
medicine , Nat. Bl. II , 2895. En es gheen recht an-
schine, Disp. 122. Die vermaledide kerstine, die
hier Gode deden onwerde anscine, Lucid. 5857.
Die wapen . . die die beste sgn anscine, die ie
in seven Jaren sach, C. en El. 310. Dat toioe an-
schyn aldus maken beestelike vorme aen haren
lichame, Teest. 2697 (vgl. Bloeml.2*, bl. 226).—
Yooral gebruikelijk was aenscine, aenscijn, in de
uitdrukkingen :
a) Aenscine (aenscgn) werden, blijkbaar
worden, blijken. || Sün macht wordt u anscijn
mids den doopsele goed ende fijn, Amand 1,1728.
Wie vader ende moeder eert, die wert oec van den
kinderen sijn vervroudt, dats dicke worden aenscyn,
Tien Plagh. 678. Dat een vreselic vonnesse sal sijn
op den mensch, dat wert anscQn, Lucid. 5563.
Dat es dicke worden anscgn , Bein. 1 , 1775. Alstem
wel wart anschine, Sp. III*, 8, 14. Ende deder
toe alsulke pine, datte veste wort anscine, zicht-
baar werd, Stoke X, 479.
b) Aenscine (aenscijn) s^n, blijkbaar zijn,
gebleken zijn, soms nog door oyw. versterkt. ||
Nu es mi die quaetheit anscine, here, ende nu
hebbics rouwe, ff^al 3994. Dus es haer ghelove
anscine, Nat. Bl, I, 224. Dats aenscine, dats
aenscijn, dat is blijkbaar, duidelijk (gewone be-
vestigingsformule), ff^ap. Mart. I, 291, Awtandll,
3112, Bose {€) 1899, V. d. Zielen 1^9, Belg. Mus.
5, 76 , 7 , Lucid. 2615, Hild. 176 , 161. Dits anscine,
Wap. Bog. 1547. Dit is openbaer aenschyn, Hild.
16, 201; 104, 91. Hets anscine, Sp. III* , 27, 51.
Dus eist anscine, I', 67, 12, III», 20, 12. Alst
es anscine (anscyn), Nat. Bl. I, 197, II, 3754,
Franc. 5030, Amand 1, 1593. Als es aenschijn,
Mask. 977. Alst was anscijn, JFVofk;. 9178. Alst was
anscine, Amand I, 2760. Als wel was anscine,
Bijmb. 19044 var. Alst (den onsen) was anscine,
Stoke YIU, 150, X, 519. Also het was anschine,
Amand II, 3364. Alst openbaer is anscine, Stoke
X, 811. Als alle der werelt is Muachijn, MLoep I,
14. Dats alder werlt wel aenscbyn, Hild. 253,31.
Dats nu ter weerelt wel anscine, Belg. Mus. 8,
448, 7. Dus eist openbare anscine, Bijmb. 2041,
Sp. I*, 42, 51. Het es anschijne openbare, Belg.
Mus. 6, 195, 305. Dits claer genoech anscine,
ÏTap. Bog. 1533. Alsoot voor oogen es ende an-
schine, Amand U, 2548; enz. — Met het voorz.
aen, of wel met den 3den nv., ter aanduiding van
de zaak of den persoon, waaraan, waartfiï of waer-
door iets blijkt. || Dat ghi ons lief hebt, dat is
aenschün aent conijn ende aen Corbout, Bein. II,
4352. Dats noch aenscQn an menegen , Wap. Mart.
1, 505. Hi adde . . gheweset in herde groter pine ,
dats sinen wapinen wel anschine , die so ghescuert
s^n ende ghetrect, Wal. 828. God heeflse lief,
dats hom aenscine, Parth, 2580 (bij Maszmann
36, 23; bij Bormans wel a).
439
AENS,
AENS.
140
c) Aenscine (aenscijii) sijn, zich voordoen^
zich vertooneHy zich laten aanzien^ ook in de ge-
wijzigde opvatting van Aantoezig zijn, te vinden
zijn. II Ons is een ewich licht anschgn, Uild. 82 ,
2. Hoe hem die reyse daer behaechde, die zorche-
liken was aenschijn, 147, 328. Ne gene weelde
was daer aenschiuef Belff, Mtit. 3, 280, 6. Waer-
waert men den anderen keerde, daer wysheit ane
was anschine, dat was al verlorne pine, Heim. (6*)
1643.
^ Aenscine comen, zich vertoonen \ya,n wind,
opzetten. \\ Doe quam een vreselijc wint anschine,
die hem verdreef entie zine. Brand. 1151.
e) Aenscine (aenscyn) doen, blijkbaar ma-
ken ^ doen blijken^ bewijzen, betoonen. \\ Die waerheid
sal hi doen anscine of mijn kint ghenesen can,
Rijmb. 12250. Alse Matheus doet anschine , 23350.
In alre t|jt doedi aenscine . . , Vrouwe, uwe ghe-
nadichede, Clam. 293. Mindi mi iet, nu doet
aenschijn, Troyen f. 113rf. Dat (hi) sine macht doe
anscine, Sp. lY^ 55, 20. Doe hi sgn leeren daer
dede anschyn, II*, 29, 8. Hi woude voert ende
deet anscine, Stoke III, 1435. Dat deedi wel te
passé auschijn, Salad, 273. £en gedachte quaet . .
doet quade werke aenschijn, X Flagh. 1223. Ende
doet met uwen werken aenscijn, soe blijfdi van
der hellen vri, X Gheb. 11. Dat dede die meester
wel aenschyn, Hild. 165, 63. DAvontuer die doet
aensch^n, dat si te liever mit hem sj, 184, 95.
Alsoe sy deden wael aenschyn, MLoep II , 138. — Ook
met den 3den nv. of oen. Enen aenscine (aen-
scijn) doen, iemand iets toonen , het hevi laten
zien, II Doet an desen Joden anschine dyns selves
eere ende mine, Heim.{C) 2043. Ende leedden
tfolc in die woestine om hem teken te doene
anscine, Rijmb. 27383 var. Na dat gi mi doet
anscine , Roêe(C) 2560. Dat dede hi ons wel
anscine, doe hi leet die zware pine, Lucid. 4237.
Alsoe Ysayas ons doet aenscijn, X Plagh. 1762.
Si daden hem oec alle dinc anschine van sconincs
sone, hoe daer was gevaren, Sp. 11^, 25, 46.
Dede hoop my hulp aenschyn, Hild. 92, 4. —
Enen iet aenscine doen, het hem toonen of
laten zien, euphemistisch voor: het hem betaald
zetten, het hem leeren, zooals wij thans zeggen. Ygl.
Rein. 1 , 424 : het sal hem seinen , het zal hem op-
breken. II Dat dedi hem also anscine, dat hire IIII**
vinc, Sp. III*, 87, 18. Hi sout hem doen anscine , hi
soude hem nemen lyf ende goet, Stoke X, 970
(var. U). Het hs. heeft eigenlijk anscinen (rijmend
op sinen) , doch ten onrechte. Het teksths. in scine ,
de var. B. in aenscine. Zie Huyd. Dl. 2, bl. 168,
en verg. boven by Aenscijn, 5).
/) Aenscine, als versterkend bijwoord, in de
zegswijze: 6el|jc aenscine, blijkbaar gelijk,
volkomen hetzelfde. \\ In distorie van MeerUne
vinden wi tgelijc anscine, Stoke Y, 437. Dies
gelike recht anscine gesciede te Sinte Severine,
Franc. 8919 (Lat. : simiU qttiddam). — In bij-
zondere opvatting, elliptisch voor ge lij c aen-
scine, leest men in Vad. Mus. 2, 410, 47: Dat
water wert den sioete anschine, die wijn wert ons
Heren bloet, d. i. aan het zweet gelijk, in zweet
veranderd.
AENSCINEN {sceen, scenen, gescenen), st. ww.
bedr. Beschijnen. \\ Alse die mane comt in Leo,
ende si anschijnt Satumus daer to van sinen vier-
den anschyn, van fleumen dat e vel sal sijn, Cracht
d. M. 151. Es die mane in Libra , . . anscyntse
Mars, 80 sterft hi emmer; beschyntse Jupiter,
sone sterft hi nemmer, 209 — 216. — Ook flg. || Ie
peise, dat hem vroude anescynt, voor hem opdaagt,
aanlicht, Hadew. 1, 178, 76.
AENSCOT, -scote, znw onz. Mnd. anschot. Yan
Aenseieten (by Kil. ad^ieere). Aangeschoten of aan-
geslibde grond, aanwas. Ook Aenval en Aenwerp
genoemd : zie ald. || Lange tyt twydrachtich ge-
west . . van eenen werdt . . ende oeck van aen-
scoete hoers cloesters erffenis {erf, land) . . Dat
malUck syn aenscot hebben sall teghen syn oude
erve . . Yan aenscot hoere erffenysse, Nyh. 2,
220, 222 (o. 1368). Yerg. Noordewier 49, 235 en
De Yries , Mnl. Wdb. 88.
AENSCOU (aenscau, aenscouw), scomoe, znw.
m. Yerg. mha. scou, st. m. (Lexer 2, 775). By
Kil. Aenschouw. Yerg. Achterscouw, m. Het aan-
schouwen, in actieve opvatting.
1) Het aanschouwen, het aanzien, de aanblik. \\
Die so helich es ende so goet , dat so hemele ende
eerde voet mids haren aenscouwe, Wap. Rog. 927.
2) Het schouwen, de schouw, het toezicht. \\ De
buerchmeesters ende scepenen . . zullen altyds
regard ende anschau hebben op tvors. hof, ZVl.
Bijdr. 1 , 325.
3) Het aanschouwen, de aandacht. \\ De meeste
last hebben zy geleden by de 300 knechten van
den lande, die daer lagen 15 weecken lanck, tot
grooten verdriete, cost ende laste van denselven
dorpen, daerup zy begeren anschouw te hebben,
Inform. 290. — Aenscouw nemen, acht sloom,
in aanmerking nemen. \\ Nemende anschouw up
die felheid van wapene, enz. K. en O. v. Del/t
63 , 4. Sonder anscouw te nemen van waen de selve
goeden gecommen zy n ,131, 7. — Sonder anscon,
hetzelfde als sonder anscou te nemen. \\ Sonder
anschouw van hoerl. staete, 67, 2.
AENSCOUWE, znw. vr. Mhd. anschouwe,%i.YT.
By Kil. Aenschouw. Het aanschouwen, in passieve
opvatting, en dus: de wijze waarop iets gezien
wordt of zich voordoet, het aanzien, het uiterlijk,
uiterlijk voorkomen. \\ Oec docht hare syn in ane-
scouwe een stare riddere ende wel ontploken , Lome.
III, 13390.
AENSCOUWE, byw. uitdr. in denzelfden zin
als aenscine (zie ald.) Aenscouwe syn, duide-
lijk zijn, blijken. \\ Dan wy leven in den rouwe die
ons dagelikes es anscouwe, Merl. 22248.
AENSCOUWELIJC , -like, bnw.
1) Aenscouweiyc syn, omschryving voor
aanschouwen. Mar. v. Nijm. 8, 165.
2) Aanzienlijk, vertaling van lat. spectabilis. ||
Ende hebt my gemaect aenscouwelic boven allen
menschen, D. B. I Chron. 17, 17.
AENSCOUWEN (aenscauwen, aenscuwen),
zw. WW. bedr. Scheidbaar eu onscheidbaar gebruikt.
1) Aanschouwen, aanzien, || Want men hevet
dicke ghescouwet an dat die mindren den meren
verwan, Doctr. III, 811. Die desen draghet, M
scan wen ane tileke bi sonne opgane , Nat. Bl. XII,
943. Entie duvel hi voer dane, alse een rooc te
scouwene ane, ^. V, 66, 217. Droeve wast te
scouwene an, Stoke II, 1410. Om dat wonder te
scouwen an, Yelth. III, 23, 20. Ghenoughelyc te
scouwen ane, Heim: 1800. Dat wonder was te
scuwen an, Edew, 1242. Doe dese siele dese tor-
menten gheanscout hadde , Tondal. 41a. Dits emmer
een scone anscouwen , X»»id. III, 1179. Dyeewelike
pine . . dat is Goods aenscuwen te derven, Fass,
W. 234<r. — Ook als znw. gebruikt, in de bet.
aangezicht, in de uitdr. — In, voor iemens
aenscouwen, d. i. voor zijn aangezicht. || Men
leide broot voert in syn aenscouwen, D. B. Gen.
141
AENS.
AENS.
142
24 f 33 (Yttlg. in conapecfu eins). Die here, in
wies aensüouwen ie wander, ald. 40. Hem ge-
noghedet al wel , dat die coninc dede in des toIcs
aenscouwen, II Kon, (Sam.) 3, 36 (Ynlg. „in
contpectu totins popnli"; St.-B. ^in de oogen^''),
Hi sende boden vor sgn ansconwen, Ha, v. 1348,
55<r. — Ook als znw. gebezigd, in passieve op-
vatting. Dat — , de toijze waarop iets gezien wordt
of zich voordoet y het uitzicht j het voorkomen, Yerg,
Aenscouwe en Aenoescou. || Syn aensconwen,
zonder waen, was alB een blixeme gedaen. Lep.
II, 36, 879. Het hadde een liefleecs wifs ane-
sconwen, Roee 1204. Al s^n si behagel int aen-
scauwen, Roee (6*) 8341. Wes gheslachte hogher
is, . . syn aensconwen scoenre, Paee, W, 182(?.
— Ook van zaken. || Die daer sat, was ghelijc
den ansconne jaspidis ende sardinis , Re, v, 1348 ,
165» (Openb, 4, 3).
2) Iemand of iete aanschouwen j er op letten^
zijne opmerkzaamheid er op vestigen, || Ie sal n
aensconwen ende doen' wassen, J). B, Levit. 26, 9.
Ën aenscouwe baer sacrificie niet, Num, 16, 15.
AENSCREIEN, zw. ww. bedr. Schreiend ^ onder
tranen aanroepen. Vgl. Ned. Wdb. 1, 303. || Aen-
screyen die ontfermherticheit Goeds, Hs, v, 1423,
80 a.
AENSCRIVEN {screef^ screven^ gescreven), st.
WW. bedr. Met den 3den nv. des persoons of met
eene bepaling, ingeleid door een voorz.
1) Enen iet — , iets aan iemand schrijven.
Verg. Aenspreken bedr. 1). || Entie panes Gre-
g^rins screef hem ane, ende riet hem dies af te
stane, Sp, III*, 63, 27. Ay hoort dese valsche
treken, ende dat grote onghelimpe, die dit wij ff
in bosen schimpe den edelen vorst heeft anghe-
screven, MLoep I, 2818 (t. w. in haren brief),
Seggic waer, volcht mi der leren, maeghden enoe
goede wiven, want ie n allen dit anescrive. Vod,
Mus. 1 , 371 , 34.
2) Enen iet — , iets aan iemand toeschrijven^
toekennen, \\ Wat duechden dat de mensche doet
dat hi Gode de eere an sal scriven, Belg, Mus,
6 , 361 , 79. Die derde wise , die wi onsen hemelscen
Vader anescriven, Rnusbr. 4, 105. — Hem iet
aenscriven, aan zich zelven toeschrijven^ meenen
dat iets hem toekomt, \\ Een sondaer sal hem selven
aenscriven die gueden woorden eens belovers ende
een ondanckelgc van sinne sal laten den ghenen
die hem verlost, D. B, Jes Sgr, 29.
3) Enen in iet — , iemand in een register aan-
teekenen en daardoor tot zekere klasse krengen, ||
Die daer aengescreven waren int boeck des levens
metten heere , syn nn gecondampneert , Blisc, v. M,
78. Uwer waerdicheit brengen wi desen untvercoren
jongelinc, . . np dat hi in onsen ridderliken
geselscip waerliken mach angescreven werden,
Clerc 90.
AENSCUDDEN, zw. ww. bedr. Van kleederen
en wapenen; mnd. aneschiUen , vgl. schüten bg Ben.
2*, 229. Aandoen^ aantrekken, || Sine coisen hi
doe bant, sinen halsberch scnddi ane, Lane, III,
22906.
♦AENSCUREN. Verkeerde lezing voor aenstaren^
Lett, N, W, 6», 100, 11. „Die edel aren, die
hoech aenscnert (1. aenstaert) der zonnen licht."
Belg, Mus. 5, 360, 42 heeft aenstaret en in een
anderen tekst, l)enkm,Z^ 122, 42, leest men anscauwet,
AENSEGELEN, zw. ww. bedr. Van een vaartuig
of de opvarenden. Het aanzeilen^ aanvaren, er
zeilende tegen stooten en het beschadigen. Hd. an-
segeln, || Waert sake dat eenich onser borgher den
andem anseghelde om reden de te voren gheschiet
waren wilmoeds oft van hovart in der zee, dat is
bi eene pene van lyve ende van guede, Overijs.
Recht, I», 24, verg. 128. — Vgl. Segh. 11259,
waar aenseilen gebruikt wordt in den zin van
ergens heen zeilen. Doch beter verbindt men daar
daer met aen en vat men daeraen op in den zin
van derwaarts.
AENSEGELEN, zw. ww. bedr., hd. ansiegeln.
In de uitdr. Enen iet an- of afsegelen. Eene
akte onder zijn zegel opmaken, krachtens welke
iemand iets verkrijgt of moet afstaan. || Eyn leen-
heer off eyn scholte en mach nyemant an- off aff-
zegelen, dat stantafftich is, buyten mannen offt
gerichtsluyden, R, v, Zutf 98, 21.
AENSEÖGEN {seide, geseget, geseecht oï geseit),
zw. WW. bedr. Mnd. anseggen. Veelal met den 3den nv.
des persoons, aan of van wien iets gezegd wordt.
1) Enen iet — , iemand iets bekendmaken, aan-
kondigen, melden, \\ Daer na seide hi hem an
waeromme men hemelrike sal minnen, Tst, BI.
2410. Voirt zo sal de greve van Vlaenderen hem
gheloven te houden ghepayt ende vemoncht met
alznlcken segghen, alse hem dese vorseide acht
persone anesegghen zuelen, Brab, Y. Dl. 2, bl.
478 {a. 1356). — Hem aensegghen, zich aan-
melden, zich aankondigen. \\ Alse die woekenere
leeght, ende hem die doot aneseecht, soe wert al
tsine . . in drien ghedeilt optie stat, XPlagh. 2062.
2) Enen iet — , iemand door zeggen of spreken
tot iets opwekken of bewegen, het hem aanraden.
Verg. ons {iemand iets) aanpraten en aanpreeken,
in de 17de eeuw ook aanspreken. Zie Ned. Wdb. ||
Omme dat soe hare seide an, na sine doot te nemene
man, Sp. I*, 55, 59 (Vinc. suadebaf).
3) Enen iet — , iemand iets aantijgen, aan-
wrijven, te laste leggen. Bij Kil. imputare. Verg.
Aenspreken bedr. 2) en Aentien (1ste art). ||
Sulc hietene verradere, sulc bloot, ende seiden
hem an lachter groot, Rijmb, 29527. Dat hi on-
sculdich was ende daer van al dat men hem seide
an, Sp. in*, 92, 20. Datti hem enich wort an-
seggen sonde ende bringen vort, daer die prgs bi
worde testoort. Franc, 2832. Gi seit mi dieft an,
soect onder myn gesin, B. v. 1357, 19(;. Dien men
die sake aenseit, de beschuldigde, MLoep 11, 3216.
Men en sal niemant dieft anseggen, men sallem
dief maken, of die gene diet hem aenseyt, moet
selver een dief blyven , Mieris 2 , SOb {a. 1303) ,
V. d. Wall 119. Heeft die rechter eenen poirter
gevangen, dien hy moirt enz, aenseit, Matth. 325
8>ij Alkemade; in de nieuwe uitgave 108 aenleit).
f wii dan siin rekeninge kalengieren of enich
gebreck of broeken him aenseggen wouden, Nijh.
3, 344 (a. 1418). Van eniger boosheit, die hem
yemant anseggen mocht, Matth. Anal, 3, 344.
— Ook met een persoon als object. || Dat hi
(Petrus) en wilt no hi en geert niet te wetene van
desen man, dien hem die Joden seiden an, L, o,
H. 2271, d. i. met wien de Joden hem aanwreven
in betrekking te staan.
4) Met een persoon als object. Enen — , iemand
in rechten aanspreken. || Worde een beclaghet ende
angezeyt voer tgerecht, dat hy gheen verjaert
poerter en waer. Dingt, v. Delft 5.
5) Aenseggen wordt ook absoluut gebezigd , zon-
der vermelding van het object, voor Aankejfen of
beginnen te zeggen. Verg. Aenspreken onz. 1) en
Aensinoen. II Pylatns sprac: rt^^S^ ^^ {'^9 ^)'
Xychodemus sprac: „Ic segt u dan", Lsp, 11,
36 , 435,
ud
AENS.
AENS.
144
AENSENDEN, aensinden (sendde^sindde, tandde,
of sende^ sind^, sande; gesenty getint , getant), zw.
WW. bedr. In de 15de eeuw begint het als st. ww.
te gelden {tont of tont^ tonden, getonden). Zie
Sënden en verg. ohd. anatantjan (Graff 6 , 237).
1) Met een persoon als object en een ander
persoon in den 3den nv. Enen enen — , iemand
aan of naar iemand zenden, || Ende sendde boden
ende man den coninc van Borgoenyen an , ^. III*,
3, 61. Te siene den nienwen man van Gode gesent
der werelt an, Franc. 6641.
2) Met een zakelijk object (t. w. eene stoffelijke
of onstoffelijke zaak) en den pers. in den Sdennv.
Enen iet — , iemand iett toezenden, doen ge-
worden. II Hi was een rike man , ende sendde hem
een goet cleet an, Sp. III^, 61, 56. Tallen tiden,
die Here vri soe confermeert zielen hi van son-
derlingen gedane, ende sentse den mensche ane,
Lucid. 2915. God hevetse {de itrijdert) my ange-
sant dor siner doget wille, Merl, 17844.
3) Met een zakelijk object (t. w. eene ervaring , toe-
stand of handeling) en den persoon in den 3den nv.
Enen iet — iemand iett toezenden , doen geworden,
verleenen, hetzij goed of kwaad; bijzonder van de
Godheid gezega. || Entie goede man wart blent:
dit heeft hem God aneghesent, Rijmb. 15303.
Tongheval maketse blent dat hem ane was ghesent,
32877. Ter doot gerede hi hem echt, so hi best
mochte, als die tontfane welctijt datse hem God
sende ane , Franc. 5884. Sine gesel e hi (Ood)
hem anesende , Sp. I * , 16 , 44. Gods hant quam
np hare mettien, die hare een evel anesinde, lY',
76, 50. Onse Here hare anesende een zwaer evel,
ni* , 28, 2. Een wint, dien God den vianden
ansint , III * , 22 , 64. Een wint is hem crechtich
aenghesent , Troyen f. 63d. Dien God desen droem
anesint, Sp. lY', 6, 10. Als tleven ent, wert die lanc
slaep angesent , I* , 52 , 58. Dien God den slaep sende
an, Eleg. 1068. Di mi sendes vele scone ane die
macht van hemelrike, L. o. E. 1983. God onse
Here heeft dicke gescint de werelt, ende hare
anegesint loen van haren treken , Fierde Mart. 444.
Dien hi ene hemelsche crone anesent, Rincl. 625.
Als wy Goede te verre ontgaen, soe sent hi ons
een lyden aen, Hild. 50, 185. Ende alle dene
hebben leet . . God onse Here sende hem an dat
ie den pape her Florens an, Stoke X, 1125. — Is
het object niet eene ervaring , maer eene handeling,
dan wordt aentenden gevolgd door dat met een
zelfstandigen bijzin, waerin die handeling is uit-
gedrukt. II Nu hevet hem God anegesent dat hi
sdleene hilt dat rike, Sp. III», 1, 14. So sindde
God enen sceper aen, dat hi sijn scape op dvelt
liet staen, Lutg. II, 882.
4) Met een zakelijk object (t. w. eene boodschap ,
een bericht) en den persoon in den 3den nv. Enen
iet — , iett aan iemand (door het zenden van een
bode) laten weten , boodtchappen , berichten , bekend-
maken. II Wat wondre hem God anesinde, Rijmb.
8514 (I Sam. 3, 17). Maer hi sende haer an met
beden ende met letteren ghescreven sinen staed,
Amand 1 , 4729. — Ook gevolgd door een zelfstan-
digen bijzin met dat. \\ Pylatus wijf die sendem
an, dat hi hem niet en bewonde van dien rechten
man tier stonde , -§?. I ' , 28 , 22. — Is de inhoud
der boodschap een verzoek, dan staat aentenden
gelijk met aanzoek doen {bij iemand), gevolgd door
eene bepaling met om, ter aanduiding van het
verlangde voorwerp. || Ende sende den Fransoysen
ane om de dochter coninx Segebrecht, Sp. III*,
62, 6.
AENSETTEN (verl. deelw. getet of getat) , zw.
WW. bedr. Mnd. antetten.
1) In de tegenwoordige beteekenis van am^^/^^
vattmaken, vatthechien (aan iets). || Men bantsyn
hendeken mit sletten, die die sterre anesetten,
doe hi den hemel wrachte, Van der Moeder Oodt,
in Buddingh, fTettl. 364. Onse here nam die ore
van den knecht . . ende settese hem ane al gesont,
L. o. E. 2209. Doe nam Jhesus dat selve oer ende set-
tet an, alst stont te voer, O. E. Pattie 14, 296.
2) Enen — , iemand ergent plaatten , of wel in
flguuriyke toepassing , hem aanttellen (tot eene be-
trekking). II Yan den volke dat hi brochte sette
hi ten tween porten an telker porten viertich man,
Wal. 7658. Ende in plaatse dergeenre die afgestelt
sgn sesse andere dergelyker, by ons oft onsen
scoutiten met rade der voorseider scepenen , sollen
aengesat werden , alsoe dat deerste jaer deser af-
settingen ¥ry busscop twee van den leechluyden
ende eenen van den ambachtslnyden sullen aen-
setten; ende dander dry daer ghebrekende ¥ry abt,
Oew. V. St. Truyen § 16. — Yooral verbonden
met het tegengestelde Afsetten , in de vereenlgde
uitdrukking: Af- ende aensetten. || Dese
heemraden . . sullen sy off ende an mogen setten,
Y. d. Wall 466 {a. 1421). Die officiers van den
closter of ende aen te setten, Dial. Creat. 63a.
Den bosen prior af te setten ende enen anderen
. . weder an te setten, ald. Dycgrave ende hyem-
raden af ende aen te setten , Zwijndr. W. 98.
3) Iet — , iett ttijf drukken , het vatt zetten
tegen iett , vattklemmen. \\ Mettien sette hi sjn spere
an, Lanc. II, 41196. Doen si die crucke setten ane,
omme also tontfliene dane , iSJp. lY * , 67 , 23. Als
men se {de bhedzuigert) an wil setten, dansalmen
de stede vaste wriven, so dattet roed werde, . .
ende dan sal men ansetten de lieken, Lanfr. 75p.
Ygl. AENSTELLEN.
4) Enen iet anesetten, iemand iett op het
gemoed drukken, gelat ten, aanbevelen. \\ (Hi)heTet
den lieden anegeset, dat si souden houden die wet,
die dapostelen setten hem, Sp. I*, 19, 17. — Ook
met eene zaak &\a ondw., tot noodzakelijkheid maken^
opleggen. || Off di dijn vader aldaer lettet om
enige saken die hem ansettet {leet: diet hem an-
settet, d. i. die het hem tot een plicht maakt, hem
die noodzakelijkheid oplegt, vgl. De Yries, Mnl.
Wdb. 90), MLoep II, 247. — Ook met een stof-
felüke zaïüc als obj., die de verplichting van het
onderhoud vertegenwoordigt. || Dat ghenen d^ck
op eenighen poorter aengebrocht of aengeset sal
mogen worden, nee eidem imponi, Y. d. Wall 38
{a. 1270) , en de aant. ald. (= Mieris 1 , 445a).
5) Enen finBeiien,ie7nandin het nauw brengen^
drukken. || (Si) streden tegen hem gemeenlike
ende namen hem vele van sinen rike ende zetten
hem an met alder cracht, Merl. 4723.
6) Iet — , iett aanleggen. \\ Hier en binnen
ginc si mit horen rade te rade, hoe dat si hoer
oirloge best ansetten sonde , Clerc 101. Daer onse
heren raeds begheerde van den steden, hoe h|jt
ansetten soude mitter Yriesker reise , Oorl. v. Albr.
425. Dat hyt nu voertaen wat gadeliker of wat
safter aen wil setten, Bern. S. 99d. Ende nam
raet met hem, hoe hi sinen wech ansetten soude,
Patt. W. 102a.
7) Een pant — , {den tchuldeitcher) in handen
of ter betchikking ttellen. Yerg. mhd. tetzen, te
pand geven (Ben. 2*, 349 vlg.), en ons verzetten. \\
Yierscatte pande wysen ende aensetten. Mieris 4,
765a, 766* {a. 1425).
145
AENS.
AENS.
146
8) Iet — tot ere dinc, ieü op eene zaai
setten^ het er op stellen, || Tot allen gheboden ons
Heren hair horen des herts willichltjken an te
setten, Pau. W, 238a.
9) Yan eene geijkte maat. Tot de geteekende
maat vullen, || Ende so wat Tlesschen der poirte
teyken hebben ende om wQn comen, zal men an-
zetten ende yol meten, op XY se, O. K, v. Bott
39, 110. Dat een ygelick tapper, het sQ yan w^n
of yan bier die Injden haer yoUe mate te huys
senden in haer gheycte mate of stoope, ende die
sullen sy den Inyden ansetten , by XXX p. , O. JT.
V, Delft II, 40, 2.
AENSBTTINGE, mw. yr. Zie Aensetten.
1) Aanetellvng ^ benoeming tot een ambt of eene
bediening. || Ten anderen nae volgende jare ¥ry
abt twee van den leechluyden ende eenen van den
ambachslnyden snllen aenstellen , ende wy bnsscop
dander dry; ende alsoe hiemae versceiden onder-
lingen naer der manieren voerseit, ende dat byn-
nen XX dagen van Dertyendach eens yeghelijcks
jaers, anders sal alsnlcke aensettinghe ton voer-
seiden scepenen gevallen sgn, Oeio. t;. St. Truyen
§ 16.
2) Oplegging^ plaatsing aan of op iets. || Dat die
heiUghe gheest overmits der ansettinghe der apos-
telen hande ghegheven wort, Es. 76 f. 140<;.
AENSICHTE (aensight) , znw. onz. Yan aensien.
Ohd. anasikti , anasikt ; mhd. anesihte ; mnd. ansiehte.
Eigenigk, in actieve en abstracte opvatting, het
aansnen^ de aanblik \ maar vervolgens, passief en
concreet genomen, datgene wat (aan)gezien wordt y
of de toijze waarop iets zich aan het oog vertoont ^
het voorkomen y de gedaante \ in toepassing op het
menscheiyk lichaam , het aangezicht of gelaat. Bij
Xil. „ Aen-ghesicht, aen-sicht, aspectus^
conspeetus , et facies , m."
1) Gezicht y aanblik , het aanschouwen. || Die
hemelen en sgn niet reyn in sinen aensichte.
Stemmen 92. Alse de meyere doet de gebode in
dat ansichto van der kerken, Gends Chtb. 34
(a. 1230). Qt>de tansichte , voor het aangezicht Gods^
Torec 3414.
2) Aanblik t uitzicht ^ voorkomen. || Daer sal hi
oec toghen . . tonsen verwite , sine wonden , die hi
ontfinc voer onse sonden, metten vreesliken aen-
sichte (d. i. „die er zoo vreeselgk uitzien^'') ^ Teest.
3840.
3) Aangezicht y gelaat. \\ Al met bloede soe was
sQn ansichte bevaen, Ferg. 3991. Een man, dien
soe in daensichte niet en can bekinnen van sinen
langhen hare, Farth. 2671. Een droeve aensichte,
Sp. I*, 34, 66. Syn aensichte, daer die god-
licheit nut lichte, I^, 22, 53. Ute sinen an-
sichte een schyn ginc , Vod. Mus. 1 , 52 , 88.
Ende warpen hem int ansichte water, Wal. 8208.
Ende vaget van tranen u ansichte, Éose 6966. Oei
en selt mQn ansicht niet sien. Stemmen 74. Sijn
aensicht wort rimpich, JHal. Creat. %id. Die den
Heer sach van aensicht tot aensicht, Bern. W.
dOd?. Die ypocriten onteetton haer aensicht, 113^.
Toech hem een r^pe aensicht, Sp. d. M, \^ 106a.
— Meerv. || Aensichte ende nuesen, VI. Bijmkr.
8051. Die ansichten wit alse een blat. Par M. 8041.
— Ook in de uitdr. dat aensichte togen
ende bieden, m persoon verschijnen. \\ Yoort
dat de voorseiae Symoen taenzichte teghen ende
bieden zal, ende waert dat hy taenzichte niet en
bode, zo zullen de borghen betalen, Invent. v.
Brugge 5, 227 vgl.
4) By uitbreiding, hoi gezien worden , de aanblik^
dus het bijzijn y de tegenwoordigheid. Ygl. aen-
SGUN. II Over hare pine dat sy wachten hem
tween die saten in den stee, ende die sluetele
in hare aenzichte gheset waren, Rek. v. Gent
1, 454.
— Aanm. — Belg. Mus. 6, 307 in een ouden
almanak leest men op 3 Januari: „Te ansichten
syn de liede milde." De zin dezer woorden is niet
helder en het woord ansichten is onverklaarbaar.
Misschien schuilt er eene corruptie in het vers.
AENSIEN {sachy sagen , gesien; gebied, wys,
enk. sichy mv. sie^^ onreg. st. ww. onz. en bedr.
Yeelal onscheidbaar gebezigd.
Onz. — 1) Met het voorz. te ^ tot. Zien op^
letten op , aanzien (iemand of iets). — Ende die
Heer aensach tet Abel ende tet synre giften, mer
tot Cayn ende tot synen giften en sach hi niet,
D. B. Gen. 4, 4. Also dat ie niet en sal aensien
voertmeer tot u sacrificie, D. B. Malach. 2, 13.
Aensich te deser uren ten werke van mynen handen,
B. B. Judith 13, 6. Letteriyke vertaling van
respicere ad. — Elders gevolgd door op, waar de
Yulg. respexisti super heeft. || Wie bin ie, dyn
knecht, dattu aensien hebste op enen doden hont,
myns geiyc? 2>. B. II Sam. 9, 8.
2) Met het voorz. te^ tot. Overdrachteiyk , by
plaatebepalingen. Het uitzicht hebben of gericht zijn
(naar deze of gene zyde) ; weder eene te letterHjke
vertsding van respicere in de Yulg. || In allen
lantscapen die ansien totten oosten Galaad, B. B.
I Chron. 5, 10. — In dezen zin ook een enkele
maal als bedr. gebezigd. || Tot die speluncke
{Aldus f Yulg. ad speeulam^ Stetenb. tot den wacht-
toren) die ansiet die woestenie, D. B. II Chron. 20, 24.
Bedr. — 1) Aanzien , aanschouwen y de heden-
daagsche opvatting. || Dat eyselic was taensiene,
Rijmb. 32889. Aensiet dat wilde vogelkiin, Rosé
fr. bl. 250, 92. Ende anesach die scone maghet,
Idmb. I, 233. Scone te ansiene, III, 1177. Al
aertrike sal beven dan om die vrese die men sal
sien an, Lucid. 5667. Alle den ghenen die desen
brief anesien, Ned. Proza 3. Syn doeghen es son-
derlinghe groene ende gracioes te anesiene, Ruusbr.
I, 244. Sich my ane fdsoe ie dl sie,Y, 21; verg.
23 , 29. Aensich den hemel ende tellet die sterren,
2). B. Gen. 15, 5 (Yulg. suspice). — Zoo ook
RiJmb. 11446, Franc. 474, Melib. 97, 365, Stoke
II, 480, Y, 1308, Limb. I, 63, YI, 1846, XI,
1196, Brab. Y. I, 1585, YI, 6375, 9987, enz.
— Ook: Als toeschouwer of ooggetuige bijwonen. \\
Also alsict bescreven las van Josephuse diet anesach,
Bijmb. 34386. Alst Josephus scryft, diet anesach,
33604. Also de heiige man broeder Monaldus sach an,
Franc. 7359. Nu vare woch, ghedinc van dien
dattu heves aneghesien , Sp. I^ , 82 , 76. — A e n -
siender ogen, genit abs., zegswyze by latere
schryvers. Terwijl men het met de oogen ziet; voor
de oogen der aanwezigen. \\ Ende terstont aensiender
ogen is hi verdorret, Boeck v. d. L. J. 209a. —
Zoo ook Aensiens hare alre, terwijl zij allen
het zagen, omnibus conspicientibus , Limb. Serm. 78a.
— Aensien, als znw., in passieve opvatting,
het gezicht, de aanblik, het uitzicht, voorkomen. \\
Soe overscone was danesien, JAmb. III, 1237.
Dite een scone anesien, Y, 2021. Ende alsoe es
Gods anesien, Yelth. YIII, 31, 41. Hi hadde een
vreesselic aensien welken tyt hi wart erre, Brab.
T. Y , 140. Ende ie sach : ende sich , die gelikenesse
als dat aensien van vyere. Yan den aensien synre
lendenen ende beneden wort een vyer; ende van
synen lendenen opwaert als een aensien eenre
447
AENS.
AENS.
148
claerheit , als dat aensien van electere , D. B. Ezech.
8, 2 (Valg. tupeciut en vitio eleciri),
2) Aanzie»^ sien op, letten op, in V oog kot^den,
inzien, bedenken, overwegen. \\ Ie bem onschuldech,
ghi giet an, des bloets van desen rechten man,
Sp. V , 28, 27. Anesiet redene ende doet wale,
Lorr. \, 1984. Hier bi so sie ie an, dat hi ware
een doet man, II, 3912. Als hi ansach so Ener-
ghelike sQn lant ende zine macht vergliden, VL
Rijmkr. 9736. Nu meret wel ende anesiet, Velth.
Prol. 24. Ie aensie die wile dat mijn lijf int, L.
o. H. 3221. Ende aensaghen vele meer uwen wille
dan u eere, Melib. 2096. Anesich dit , dore ! üm^/.
243; verg. 490. O rike, anesich dienen armen
fijn! 544. Sich ane die enecheit, Ruusbr. 1, 167.
Als die mensche dan aensien wil die groetheid
Gods ,3,3. Verveert di die arbeit , sich aen dat
loen. Stemmen 80. Ie ansie dat dit vole van
harder necken is, B. B. Exod. 32 , 9 (Vuig. <rw»ö).
Dat wi aensien hebben den menechfuldegen dienst ,
Brab. Y. Dl. 1, bl. 747 («. 1311). Ten waer dat
die gene also arm waer dat hys niet vergelden
en mocht, dat zelmen anzien, O. K. v. Bott. 10,
3. Ende wairt dat die misdadighe zinen wedersake
also veel bode, datten gerechte redelge dochte,
dat zei men anzien in den coste, 11, 6. (Si) an-
sagen des voirscr. Florfjs manlfjchede , Clerc 49. —
Zoo ook Dranc. 6021, Melib. 1443, Teett. 1227,
Hild. 68, 59; Belg. Mus. 1, 113, 3; enz.
3) Enen — , letten op iemand, acht op hem
elaan. \\ Enen peis maken daer, sonder weten der
Brabantren van dien, ocht sonder hen des aen te
sien, Brab. Y, VI, 10516. Ende dede eenen yege-
lyeken recht ende josticie rycke ende arme, ende
sach niemant aen {gebruikte geen aanzien des
persoons), want hi een rechtveerdich justicier was,
Exc. Cron. 2184.
AENSIENRE (aensienkr), znw. m. Van Aen-
sien. Iemand die aanziet, aanschouwer, besehouwer,
II Soe wat ie doe, Hi staet der mede bi, als een
ewich aensienre al mijnre ghedachten , mjjnre mey-
ninge ende m\|nre werken, Stemmen 32 (Geest, L,
31 r).
AENSINGEN (sanc, songen, gesongen), st. ww.
bedr. Zingend aanheffen, beginnen te zingen. Verg.
Aenskgoen 4) en Aenspreken onz. 1). || Nu
sinet hi ane dat ierste wort, dat ter heileger
missen hort. Bed. d. M. 251.
AENSINNEN (son, sonnen, gesonnen), st. ww.
bedr. Hetzelfde als Aenoesinnen (zie ald.) Mnd. an-
sinnen, In de uitdrukking: Iet aensinnen van
enen, iets van iemand verzoeken , hem tot iets
uitnoodigen, \\ Wairt saeeke, dat onse richter,
scepen oft ennich guet knaep eyschede ofte aen-
sunue van ennige man , die nyet te huys en waerre ,
unde wie den vreede breecke, die weer op lij ff
ende guedt , Np. 1 , 239 (a. 1328).
AENSITTEN {sat, saten, geseten), st. ww. onz.
Met den 3den nv.
1) Enen — , nevens of nabij iemand gezeten zijn
of wonen, aangrenzen. \\ Die Samaritane die den
Joeden sitten ane , Bijmb, 27294. Een here sat den
Vriesen ane, dien men hiet Heinric de Crane,
Stoke II, 1133.
2) Enen — , aan iemand zitten, hem aankleven.
II Heer, ghi selt van alre smette reyne ende wit
sgn als een zwane, dat u gheen archeit aen en
sitte, Salad. 119. (In de variant: „Ende dat hi
gheen aercheit besit,^^ Denkm. 3, 88, 127). Dat
engheen borgher uter stad varen en solde in dier
noet die der stad anzat, Stadr. v, Zwolle 175,
AENSLACH, znw. m. Van Aenslaen, in de bet
bedr. 3) Mnd. anslach, In de uitdrukking: Aen-
slach doen aen enen, iemand aantasten, in
hechtenis nemen. \\ Dat sheeren dienaers anslach
doende an huerlieden ghevanghene, schuldich zyn
te verclaersene ende jeghen wie, ende dat anders
tvanghen quaet es, Cout. v. Brugge 2, 169 (a,
1445).
AENSLACHT (aenslachte, ook aensclacht),
b(jw. uitdr. Uit het byw. Aen en het znw. Slaehte ,
slacht, geslacht, ohd. slakta, slaht (Oraff 6, 799). Met
den 3den nv. Door geslacht of door a/komst aan-
geboren, door a/komst kenmerkend eigen. \\ Dat si
vroet es, here, syt seker des, dat es hare wel
anslachte nu. Hare vader was , 4at seggie u , die
vroetste die hier was int lant, Lanc. II, 7388 (in
den tekst verkeerdeljjk onslachte). Hy (Achilles)
is die goen, die (d. i. dien) grote daet wel is aen-
slacht , Trogen f. 35<?.
AENSLAEN {slaet of sleet; sloech , sloegen;
geslagen of gestegen), st. ww. bedr. en onz. Mnd.
ansldn.
Bedr. — 1) Enen — , iemand slaan , op iemand
toeslaan, hem a/rossen. || Doe . . quam daer een
aem ende sloechse met sinen vlogelen aen ende
wecse ende sloechse, Dial. Creat. 12a. Mittien
sloech hi den onsalighen an mit enen stock om
s^n lijff, MLoep II, 3722. Daer sloegen hem dese
heren an ende staken menegen Senne doet,'if(pr/.
30737. Si sloegen hem an in eiker stede ende
doden syn ors, 29172.
2) Iet — , op iets slaan. Van den Calcaphams,
een kostbaren steen , heet het || Alsmene met yser
anslaet, soete gheluut van hem gaet, Nai. Bl.
XII, 351; vgl. Huge v. Bord. 28: Hi sloech aen
dat een beckln, datmen den clanck boven hoorde
op dat slodt.
3) Enen of iet — , de hand sletan aan iemand
o/ iets, dus Aantasten, aangrijpen. Kil. invadere^
occupare , manus injicere. || Entie duvel slouch
hem an, diene doodde cortelike, l^. III*, 18, 12
var. (in den tekst: trac hem an). Vele riepen: „Ten
pauwelioenen ! laet ons die aneslaen ," Heelu 5309.
Ende oec heeft hi hem ondergaen die zee in deerste
aneslaen, ende haer scepe doen verberren, Velth.
II, 24, 33. Somegen <Uen dat anslaet, ende dat
bi humoren quaet, J^. IV, 4, 71.
4) (Die) hant an iet — , de hand aan ieU
slaan, er beslag op Z^^^^i». || Ende hoe comen waren
na dien tijt Mordrets soenen ende slogen an die
hant, sonder enegen wederstoet, ant lant, Lanc.
IV, 12376. Die slouch hant an met gewelt andat
lant van Over Schelt, Sp. IV», 56, 75. Ende van
(/. an?) desen voerschreven goede ende renten sal
Willaem voersz. anslaen syn hant, joff doen an-
slaen van sinen wegen, ende innemen toter wile
dat Willaem voersehr. syn geit vol ende al inheeft ,
Mieris 2, 178a (a. 1316).
5) Van kleederen, boeien enz.
a) Een cleet — , aandoen, aantrekken: verg.
ons otnslaan. || Dat hi dye zeepye (zee-pij) of roe
ansloech ende om hem dede, Gesta Bom. c. 153.
b) Enen die i se re — , iemand de boeien aam-
klinken. II Daer dedene Bave, die felle man , wech
leeden ende hem slaen an vele ysers, Amamd I,
3793.
6) Laken — , laken aan het raam slaan oj
spijkeren. Verg. Aen slag ER. || Van der hoechster
cuer selmen gheven te duechtghelde van den helen
laken 4 gr. Ende hiervoir sullen die knapen mitten
meester tot alre tijt bereet wesen . . an te slaen
449
AENS.
AENS.
150
ende of te nemen, Leid, Keurb, 78, 40. Wat laken
hl reedt, die sel hi aenslaen upten eersten streec
ende dat kenlic mit syn teyken gheteykent,
618, 2.
7) Van iets dat geeongen of (hardop) gelesen
wordt, vooral van kerkelijke gesangen ongetijden.
Aanheffen , aanvangen , beginnen (met gingen of lezen) .
Kil. ineipere, Vgl. onze uitdr. een toon aanslaan en
Ndl, Wdb, Doe mochtemen horen aneslaen ende
beginnen, harde ho, dat „Flaeebo Domino j"*^ Hein,
I, 442. Die pape slonch an sinen zanc, Sp. iy>,
38, 59. Die sequentie slonch men echt ane, lY' ,
47, 56. — Inzonderheid gezegd van het aan-
heffen der Mis. \\ Het ware wel gevoege, dat men
die messe anesloege, Sp, III ^, 39, 33. Doe hiet
hem die bisscop gaen in de kerke de misse an-
slaen, II*, 74, 50. Alse die wile gelach dat men
messe sonde anslaen, III ^, 7, S. Eermen die
messe aneslaet, — Alse die priester dan ane sal
slaen die messe, — Alsmen aewangelie aneslaet,
Lsp. II, 52, 1, 9, 78. Zoo ook ^, I», 68, 4ee.e.
— Ook, in ruimere opvatting : Beginnen te spreken
(van iets), iets aanroeren, || Hier latic van den
here staen, ende wille u vort aneslaen van den
goeden man van Ardenen, lamb, II, 1747. Hier
latic van EcMtes staen, ende willen vort aneslaen,
hoe em.<i lY, 1855. Hier naer begonste men an
te slane, hoe men torloghe sonde beleeden, VI,
Rijmir. 6742.
8) Beginnen , t. w. iets te doen , aanvangen in
't algemeen. || Alse vrouwen haer crijch aenslaen,
dat moet emmer voerwaert gaen, Segh, 4619. Wat
hy anslaet, tis al mit hem achter die hant,
S^preuken 33.
9) Enen iet — , iemand iets opleggen^ op-
dragen, II Dat een ygelic die buert te waken ende
die die waec angeslagen wordt, dat die savonts
selve voir sün wake comen sall bynnen der tilt
datmen die wake set, K, v. Brielle 51, 23. So
wye die wake angeslagen wort, die niet selve
ter wake en quame, ald, 24.
Onz. — 1) Beginnen te slaan, \\ Ende die
metalen mannen sloeghen doen weder aen als si
te voren hadden ghedaen, Huge v. Bord, 28.
2) Jifet snelheid op iets a/komen. Ook verbonden
met het ww. comen, Aengeslagen comen, in
denzelfden zin. || Die kerstine sloegen coenlijc
an ende soccorsden den goeden man, Flovent 88.
Entie coninc Ban sal comen dan met groten ge-
ruchte slaende an ende uwe viande zullen . . sere
werden vervaert, Merl, 14115. Maer doe quam
ghesleghen ane die coninc van Egypten wert met
meneghen Torc onververt, lAmb, Vil, 780. — Sp,
I* , 51, 24; „üptien oevere ginc hi staen daerdie
zee an ginc slaen" behoort an (d. i. tegen) bij
daer (d. i. oever),
3) Beginnen te zijn^ een aanvang nemen, aan-
vangen, Yerg. Bedr. 8). || Alse die nacht anslouch,
Sp, lY*, 74, 91. Yinc. prima noctis hora,
AENSLAGrEBE (aenslager), znw. m. Zie
Aenslaen bedr. 6). In de lakenweverg. De hand-
werkman belast met het aanslaan of spükeren van
het laken aan de ramen. || Tyelman van den Werve,
Peter van den Slike, sceres ende aenslaghers van
Antwerpen, Brab, T, Dl. 2, bl. 566 («.1358). Die
ghemeine guldebrueders voirsc. ende daenslagers
(suelen hebben) enen gesworen, die wevers mit
haren guldebrueders enen gesworen , . . die cleder-
makere ende daenslaeger mit haren guldbruederen
enen gesworen, Dl. 2, bl. 571 (a. 1360).
AENSLECHTEN , zw. ww. onz. Met den 3den
nv. Uit het bijw. Aen en het znw. Slachte y slacht ,
geslacht. Yerg. Aenslacut en Aenaerdën, van
aerty aard. Aenslechten, op dezelfde wij ze gevormd,
is dus: genere vel origine insitum esse. Door geslacht
of door afkomst aangeboren zijn, || En aneslecht
hem niet qualike, es hi goet ridder, sgt seker
das, want sijn vader een van den besten was,
Lanc, II, 26171.
AENSNIDEN {sneet, sneden, gesneden), st. ww.
bedr.
1) Yan laken. Knippen. \\ Dat die scout den bur-
germeesteren ende den scepenen sulck laken, als
hem ghegheven wort van der stede totter stede
cledinghe , datsy van dat selve laken enen tabbairt
sullen doen ansnyden ende draghen. Leid, Keurb,
165 , 10. Men geeft exch^'s van laicken , . . . . dat
binnen der stede aengesneden wert, Inform, 179.
Yan Westvaels, Donck of anders dat men ansnyt
tot zeylen, ald, Gheen puycken te reden dan een
des jaers dat hy selver ansnyden wil, Handv, v.
Weesp 446.
2) Uitsnijden, beeldhouwen. || Daer waren aen-
ghesceden cherubinnen ende palmen, D, B,Ezech.
41, 25.
AENSOEKEN, aensouken, aensoken (sochte,
gesocht), onreg. zw. ww. bedr. Mnd. ansoken,
1) Iet — , iets zoeken te verkrijgen. \\ Ende
anesochte die blyscip groot van daer boven van
hemelryke, Amand I, 1355.
2) Iet — , iets {van iemand) zoeken te verkrijgen ,
dus verzoeken, bidden; waarvoor thans noff aan-
zoeken om iets of aanzoek doen gezegd wordt. Hd.
ansuchen. || (Ie) anesoeke dat ghi gaet voert na
dese woorde die ghi hier hooit, Mask. 731. En
doedi niet dat ie aensoeke, soe plaent mi uut des
levens boecke, 757.
3) Enen iet — , iemand iets verzoeken, om iets
aanzoek bij hem doen, || Ine rade niet dat so lange een
man beide , dat hem een w\jf soket an sine vrient-
scap ende sine minne, Bose 7129. Dat hi gistren
margen quam tot hare , ende sochte hare ane orlof
al dien pat te gane, 10046. Die vrouwe die mi
souct ane te ontbiedene haren sone vri , lAmb. I Y ,
222. Ghi souct hem onrecht ane, II, 953. Die
vrouwe en waer niet wjjs, die u dat ansochte . .,
dat tegen u ere sonde wesen , here ; dat en soekic
an u nu noch nembermere, Merl, 29588. Die
u ansoeket, een verzoek {om hulp) tot u richt,
ombe enege noet van enegen onrechte, dat men hem
doet, 28571. De bescermenesse ons heerlics hoe-
ren . . sbisscops van Doemike, wies hulpe ie
oemoedelike aneroupe ende anesouke in* allen desen
vorseiden dingen, Vod, Mus, 4, 359 {a, 1372).
Ende datte tallen tiden, dies ansocht synde, te
doen versilveren tsynen coste , Diericx , Mem,
2, 339.
4) Iet — , iets zoeken te volbrengen, dus be-
proeven, ondernemen, Yerg. Be soe ken. || Die
davonture hebben anesocht, die hebbic allen tlyf
genomen, Ferg. 2844.
5) Yan een persoon, een land enz. Aanzoeken oï
bezoeken met slechte of vgandige oogmerken, dus
belagen, bestoken, aantasten, aanvallen, \\ Segt
here, wat soucti mi an? Ie hebbe minen goeden
man lief, mochti an iemen el comen . . , dat ware
mi vele bat bequame, lAmb, YI, 1317. Dede
gadren mage ende man ende wonde Zeelant soeken
an, Stoke III, 999 var. (in het teksths.: stoken
an). Die gene, die in zijn eygen woninge wort
aenghesocht of angestreden, Meylink , Dtf//f. Bijl,
bl. 52, n». 24 (a. 1246). Soo verre iemant een
151
AENS.
AENS.
152
ander binnen zyn hnys alleen of met meer anderen
aensochte ende hem versloeffh , ^üeris 1 , 600Ó (a.
1298). — Verg. het volgende art.
6) Enen lande recht aensoeken, reehUn
op een land doen gelden, \\ Dat Lotharis enwelike
verswoere Lorreine ende Lottrike an te soukene
enech recht, Sp. IV», 26, 71.
Aanm. — Behoort tot ditww. ook angesocht,
dat men leest Ht. Yp. 28Ó: „Orine boyen ylie-
tende een cleine rincsk^n angesocht betekent lange
siecheit^^? Het woord is dnister en de beteekenis
twijfelachtig.
AENSOEKEBE (aensoeker), znw. m. Zie
Aensoeken 6). Aanvaller^ aanrander, \\ Den aen-
soecker . . met alle sgn medehnlpers. Mieris 1,
600Ó. — Elders : „ den anvichter ende alle sine
helpers," Meylink, t a. p. Vgl. ook aenleider.
AENSPANNEN (tfien^ spienen ^ gespannen), st.
WW. onz. Met enen — , met iemand samenspannen ,
zich met iemand verbinden, || Soe dat die heeren
te dien tide hertoghe Jan ter eender zide metter
stat van Mechele spien an, ende hertoghe Antho-
nys , dedel man , met die van Antwerpen , Brab.
Y. VII, 2231. Grave Dirc . . OTerviel die gene
die mitten Vriesen angespannen waren tegens
hem, Clerc 48. Dat here Reynont heimelic van
daer meende te trecken om metten coninc aen te
spannen , Exe. Oron. 126d.
AENSPRAKE, znw. st. vr. Zie Aenspreken
bedr. 2) en 3). Mnd. ansprake.
n Gerechtelijke eisch. \\ Des Martijn Toirsz. mit
Snellaert Dnyc . . boven den oerdele ende sententie
voirgenoemt weder vervolch ende aensprake ge-
daen heeft op Gheryt voemoemt van den scroed-
ambocht, V. d. Wall 488 («. 1424}. Ende waert
dat om deser koeren yemandt wye hy waer, scout,
borgemeester, scepenen of raedt . . eenige last,
cost, scade, aenspraeck of eenige hinder aen wor-
den gedaen van yemanden . . , dien last, cost,
scade, hinder ende aenspraeck snllen wy gesaem-
lyck . . met malcanderen helpen honden, weder-
staen ende nntdragen, 623 (a. 1434). Dat onse
lieve broeder van Cleve . . vele heyschen ende
aenspraken maect, Nj|h. 4, 162 [a. 1437). (Dat si)
om eneghe zaken . . die hen te Bruessele ghe-
sciet waren, aensprake en souden doen enegber-
leiden, Brab. Y. VII, 13683. Ende verliet hen
alle voorledene dinghen , . . . aenspraken , tichten ,
calaengien, VII, 14166—68. — Inzonderheid in
tegenstelling van antwoorde: Aensprake ende
antwoorde, eiscA en anttooord op een eisek, eisch
en verdediging, || Waert dat enich of meer van
onsen ondersaeten .. tot onsen lieven neve voirscr.
. . enich rechtlike aensprake hed, des selen wy
mechtich wesen dat hoen wedervare , na aensprake
ende andwerde , Nijh. 3, 171 (a. 1390); verg. 216.
Nae aenspraiken, antwerden ende wairheit te bey-
den syden, 3, 301 (a. 1409). Na welke aensprake
ende antwoirde, also by ons ende onsen raide
oversien, gehoirt ende wael verstaen, 4, 162 (a,
1437). ^
2) Aanklacht, beschuldiging. || Waent die gene
. . dair aensprake of lyden van den heer, Matth.
210. Datter sommighe waren die besculdichden een
ridder . . Si daden die aensprake aldus, Oesta
Bom. 169Ó.
AENSPBAKEBE (aenspraker), znw. m.
1) Van Aenspreken bedr. 3). Eischer, Hetzelfde
als aenspreker. Vgl. mnl. achterspraker en achter-
spreker en ons aansprakelijk, Ned, Wdb, 1, 342. ||
Ist saeck , dat die voorhouder sgn wed daer tegens
den aenspraker overgeeft, soe is een vul seeven-
taych. Dingt, v. Water l. 20. In alle saeken, daer
dye anspraker myt orkenschip spreekt, nae ayt-
wysinghe der punten, die daer van roeren, dat
zall nyemant met sgns selfs eedt ontgaen, Schwartz.
1, 666Ó, 29 («. 1466).
2) Aanspraak, troost, trooster , vgl. aenspreken
bedr. 1). || Hi sal wesen een aenspraker mgns
ghepeyns ende myns verdriets, Hs. v. 1423, 213a
{Boec der W, 8: locntio cogitationis et taedii).
AENSPREKELIJC, -like, bnw. Ytai Aenspreken
bedr. 3). Vgl. Ndl. Wdb. op Aansprakelg k.
Aansprakelijk, in rechten vervolgbaar wegens onrecht-
matig aangebrachte schade, \\ Dat de bezitteghe aen-
sprekelic es voor tg^ent dat zoe in de wettelicke
deelroUen den aldinghers van hueren man over-
ghegheven heift, Cout, v. Brugge l, 668.
AENSPREKEN {sprac, spraken, gesproken), st.
WW. onz. en bedr. Mnd. anspreken,
Onz. — 1) Aanheffen oi beginnen te spreken. Verg.
Aenseggen 4) en Aensinoen. |) Nu spreect hier
an {var. nu spreket an), Rijmb, 8036. Die vrien-
delic te hem sprac an, iSp, IV*, 41, 42. Maunis
van Moriane en dorste niet spreken ane, JUmb, XII,
1040.
2) Met den 3den nv. Enen — , iemand aam-
spreken, het woord tot hem richten, de hedendaag-
sche beteekenis. II Onse Here Abrahamme anesprac,
Rijmb. 1981. Van Mes die stoute Jan sprac aldus
Ogiere an , Lorr, 1 , 423. Sprac hi sinen gesellen
an , IV , 102. Die hertoghe sprac der maghet ane ,
Limb, I, 649. Hi sprac hare weder in Walsce
ane, 767. — Zie ook Stoke V, 160, Umb. XII,
108, 1226, Segh, 9696, Bose fr. bl. 267, 293,
Sp, V, 41, 29; — Ook met den 2den nv. der
zaak , waaroptfr men iemand aanspreekt. || Wj
woudens u geme spreken ane, Orimb,\, 1439 var.
Bedr. — 1) Enen iet — , van woorden of
gezegden die men tot iemand richt, iets aan of
tot iemand spreken , hem daarmede aanspreken, Yerg.
Aenscriven 1). II Si aensprac haer lieve kint:
sone, ie weet wel, enz, Mask. 672. Die heleg'e
man . . sprac hem an dustane wort. Franc, 6602.
Ende sprac hem an dusdane tale, Sp. III*, 16,
46. Sprac hi hem an vriendelike tale, III*, 2,42.
Ende sprac hem an grote overtale, III*, 34, 36.
Hi seide hine daets niet, sonder waen, ende sprac
hem an groot overmoet, III ^, 18, 64. DeshiGode
genaden groot in siere bedingen sprac ane, I**,
86, 80, d. i. waarvoor hij tot God sprak van de
groote {hem bewezene) genade , m. a. w. ^voor welke
genade hij God dankte'\ Aldoot spraken si hem
{Titus) lof an, de Romeinen kenden hem lof toe ^
spraken met lof van hem, Sp. II*, 6, 37. Zie ook
II*, 77, 46.
2) Enen iet — , van een misdrijf gezegd,
iemand iets aantijgen, te laste leggen. Verg. Aen-
seggen 3) en Aentien (1ste art.), die beide
dezelfde gedachte op volkomen gelüke w^ze uit-
drukken. II Ende anehoren al dat dies men hem
anespreken woude, Lorr, I, 1612. Dat hi onscol-
dich is van dien stucken, die men hem heeft
aengesproken, Belg. Mus, 6, 302 {a, 1284). Waer
op wij eendrechtich gewgst hebben na der aen-
sprake ende na der tichten voerscr. , die die richter
voerscr. van des heren weghen aengespraken ende
geteghen heeft heren Brusten, Njjh. 3, 122 (o.
1386).
3) Aanspreken in rechten, een eisch instellen. Bg
Kil. actionem intendere. Verg. Aentalen 2). Als
znw. in den zin van gerechtelij ken eisch, \\ Van
153
AENS.
AENS.
154
allen gescille , orloge , heisch of aenspreken , ochte
enegerhande gebreken, die si gehaat hebben tot
deser stont, Brab. Y. VI, 8304. — Enen te
campe aenspreken, iemand lot een tweekamp
mtdoffen, Rein. II, 7216.
a) Enen — , iemand in rechten aanspreken , Aem
aanklagen , Kil. aceutare. \\ Dat soese (Maria haar)
moeste beyrien vanden viant diese anespreect, Sp,
P, 66, 176. Die broeder ne zullen niet wildelike
noch ombillike noch verdachtelike niemen moeyen
noch beclaghen noch aenspreken. End van wen si
beclaghet of aensproken werden, enz,^ D. Orde
216. Wie den anderen an lyf ansprect ende OTer
ghewelt ende ghebroken yrede claghet, Overijt.
Reehtj I', 21. Ende die anspreker hem aenspreket
mit eenre slichter claghe, ende neet en vermet te
betnghen, Stadr. v, Zwolle 85, 110. Als yemant
zynen yiant mitten hoechsten recht beclaghen ende
aenspreken wille, Dingt, v. Delft 82.
b) Enen — van iet, iemand in rechten be-
trekken wegens iets^ hem aanklagen van iets, \\
Brieve an dieghene, die die van Borselen . . an-
spreken als helpers , dat si comen souden . . , haer
onscoude te doene. Rek, v. Zeel. 2, 217. Die
hebben gevanghen dien simplen man, ende van
dieften gesproken an, Brab. Y. YI, 4469. God,
die ons noch van dien anspreken sal, Rincl. 669.
Dien men anesprake van misdade, Belg. Mus. 6,
301 (a. 1284). Enich man of vrouwe die anghesproken
wort van schulde de roert van enen doden, Stadr.
V. Zwolle 85, 110.
é) Iet — , aanspraak maken op iets^ eischen. \\
Dattie Ylaminghe spraken an de Westérzide , entie
man soude de grave daer of wesen, Stoke IX,
1340. II Al hebben sijt (dat recht) weder aneghe-
sproken, dat is somwile op hem ghewroken, lY,
27. Yan den tienden, die aie voorseyde Inde ane-
spreken, Mieris 2, 356 (a. 1303). Enich onse
burgher die des anders erve anspreket binnen onser
vriheit, als men die ansprake doet, so sal elcsinen
koer besetten, Stadr. v. Zwolle 119, 199. Waerdat
sake , dat eenich man landt aenspraecke , soe soude
uyt elcken weer lants zeven wesen die daer meest
in geland waer, Eando. v. Weesp 4a. Als yemant
eenich huys of erve mitter gadinghe aenspreken
wil, D'mgt. v. Delft 23.
i) Enen iet — , bij iemand aanspraak maken op
iets^ het in rechten van hem eischen. \\ Ende een
poerter, die zQn erve aldus aenghesproken worde ,
die mach hem verantwoerden , Dingt. v. Delft
23. Alsmen yemant zijn huys of zyn erve aen-
spreect, 24.
4) Enen — , iemand aanspreken , lastig vallen. \\
Si sloten mit een ghemeen raet, dat hi voirtan
van hoir niet an en soude ghesproken werden,
mer hi soude trecken daer hi woude, Ned. Proza
242.
AENSPREKEBE (aenspreker), znw. m. Yan
Aenspreken bedr. 3). Eischer in rechten. Yerg.
Aensprakerk. II Soe wi den aenspreecker weder-
seyde in pandinghe ende hem dat scepenen an-
wijsden, verbuerdeYI |9., O. K. v. Delft I, 10,
15. Enich man of vrouwe die anghesproken wort
van schulde de roert van enen doden, ende die
anspreker hem aenspreket mit eenre slichter claghe,
ende neet en vermet te betughen, Stadr. v. Zwolle
85, 110. Soe bedinghet die talman den anspreker
sijn verhal. Dingt. v. Delft 42.
AENSPREKINQE , znw. vr. Aanspraak. || Alle
recht, voorwaerden ende aensprekinge , die wy
op de heerlichede . . gehadt hebben, Schwartz.
1, 223a, b. Geenrehande recht, voorwaerde noch
ansprekinge .... om die landen .... hebben,
ald. b.
AENSPBINGEN (sprane, sprongen, gesprongen),
st. WW. bedr. Bespringen. Kil. „Aenspringhen,
assilire.'*'' || Die portier sprongense ane ende mes-
handeldense met slane, Merl. 3375. Ende sien si
yet voerbi hem trecken, ist dier, ist voghel of
oec man, die springhen si met crachten an, Nat.
BI. II, 3200 (van Pardus). Hi salse willen ane-
vaerden ende anespringen ende assaelgieren , Rosé
((J) 12680 (van een hengst, die eene merrie
ontmoet).
AENSPBONC, -spronge, znw. m. Aanval, overval.
Kil. „Aen-spronck, assultus.** Mnd. ansprunk.
Yan Aenspringen (zie ald.) || So is die stercheit
een doecht, die den aenspronc alre becoringen
gedoget, Sp. d. Vole. f. 222.
AENSTADEN, zw. ww. bedr. Yan Staden, be-
vestigen, verzekeren. Zie Staden en Opstaden.
Enen des — , van eene beschuldiging gezegd,
ze tegen iemand staande houden, volhouden, des-
noods met de wapenen. || Maer om dat gi een
morder s^'t, gine moget ontseggen camp no strijt
ter werelt negenen man, dies u wille staden an,
EUg. 1261.
AENSTAEN (stoet, stoeden, of stont, stonden,
gestaen), st. ww. onz. By Kil. instare, imminere.
Yerg. Instaen en Bestaen. Mnd. anstdn.
1) Yan personen. Met een dden nv. Enen — ,
bij iemand aandringen, sterk aanhouden. || Doe hi
dese dinghen . . seide , begonden die Phariseen . .
hem swaerlic aen te staen ende sinen mont te
stoppen , Hs. 71 , Lue. 11 , 53. ^In Hs. Evang. zonder
den 3den nv. absoluut gebruikt: Doe . . begonnen
die Phariseen . . swaerlike an te staen).
Aanm. — D. B. Esdra 3, 9: Dat si aenstaen
souden op die geen die twerc deden in den tempel
Gods, d. i. dat zij zouden opzicht of toezicht over
hem houden, is niets dan eene letterlgke vertaling
van lat. instarent super eos.
3) Yan den tyd, of van gebeurtenissen die in
den tyd voorvallen. Ophanden zijn, zóózóó zullen
gebeuren, naken. Yandaar ons bnw. aanstaande. ||
Om hoer groot hoechtyt die anestont, O. ff.
Passie 30, 861. Doe die tyt synre passien ende
vechtinge anstont, Gesta Rom. e. 155. Des eersten
dages dat der Joden feestdach anstont, aangeh. bij De
Yries , Mnl. JTdb. 95. Dat in den lesten daghen an
stillen staen vreeslike tiden , Es. 75 /. 89^. Judas
omsiende sach den stryt aenstaende van voer ende
achter rugre , D. B. II Chron. 13, 14 (Yulg. instare).
Die toom des gramscaps sHeren aenstaet op Israhel ,
II Chron. 28, 13 (Yulg. imminef). — Ook met den
3den nv. des persoons. || Grote toem des Heren
u anstaet, D. B. U Chron. 28, 11. Off ons of
onsen vrienden enige noet aenstoinde, NSh. 4, 72.
(a. 1431). Wat den genen anstaet te liden, die
God hier verwerpet, Boeck v. d, L. J. l^Od. Aen
alle siden staen mi striden an , staan mij te wachten,
aen allen siden so bin ie in sorgen groot, Bern.
r. llld.
Aanm. — Stoke III, 1063: „Oec waren daer
coene man van buten lants die hem an in staden
stonden van alre dinc" schynt aenstaen in plaats
van het simpl. staen te staui. Doch men zal wel
moeten lezen „die hem an j staden stonden*'; vgl.
stade.
AENSTAL, -stale, znw. m. Yerg. mhd. anstal
(Lexer 1 , 78) ; nhd. anstall, statio , induciae.
Even als uit stal, ohd. stal, statio, zich de be-
155
Aens.
AENS.
i5Ö
teekenis ontwikkelde van atiUtantl van wapenen , kon
aan den anderen kant die van rtutpunt ontstaan ,
dos : AanUgpUuUt. \\ In andere wateren nemen wy
onse recht in sluysen ende anstalen , die onse zijn ,
Mieris 1, 537a (a. 1291), Lams 4. In anderen
wateren sullen wy onse recht nemen in sluysen
ende anstalen, die onse syn, Lams 46. In het
Oor kb. 2, 3766 leest men evenwel: an stalen, in
twee woorden geschreven, hetwelk misschien de
ware lezing is. De zin is : „op plaatsen door houten
staken ter vischvangst afgezonderd". Zie Stael.
Bevestigt zich dit, dan vervalt hiermede het
woord aerutal.
AENSTEKEN {ttac, ttaken, getteken), st. ww.
bedr. en onz. Mnd. anateken en atuticken,
Bedr. — 1) Een cleet — , aantrekken, aan-
tehiêten. \\ Si stac ane haer hemde sidgn ende ene
pelse hermeryn, ¥erg. 1437. — Enen een cleet
— , iemand een kleed aandoen, doen aantrekken. ||
Hi stac hem goede clederen an, Sp. V , 11, 38.
2) Van personen. Enen — , iemand beleedigen,
tlecAt bejegenen. Verg. Aenstoten 2). || Alse hem
die Joden te sere anstaken ende verweten hem
dat hi sot ware oft beset«n, Doctr. II, 616 var.
(teksths. anttieten).
3) Enen brant — , brandstichten. \\ Als de
Vriesen hadden verloren . . , ghinc men doe an-
Hteken brant ende verbernden altehant dat dorp te
Vronen, Stoke V, 1016.
4) Van een land. Bestoken , aanranden , aanvallen.
Verg. Aenstoken 3). || Wart dat die Grave van
Vlaendre jof sine kinderen . . onse lant erghent
anesteken jof versoeken wilden, zo soude Rey-
nottd . . ons te helpe comen om onse land helpen
te verwaren, Mieris 2, 278^ {a. 1322).
6) Ook fig. met eene ondeugd, een zedelijk
kwaad als ondw. Aantasten , in beroering brengen ,
lat. tentare. \\ Coringe . . sinen (Jezus'*) zin niet an
en stac, Sp. V , 6, 12. Eist dat donder der ho*
varden di roert of ghierechede of achtersprake of
nidecheit of ander ghebreke , die di anesteken , Hs.
V. 1348, 17*.
Onz. — 1) Opsteken, opkomen, van het weder
en den wind. || Daer stack een groet onweder an.
Pass W. 11 4d. Dye wint stac daer na weder an,
17öa.
2) Van vuur of brandbare stoffen. Ontsteken,
beginnen te branden, vlam vatten, gelijk aansteken
nog heden als bedr. ww. voor doen branden gezegd
wordt. II Dat midden in dat vier een vese van een
linen cleet lage , soe en ware die vese niet alsoe
bereet te aensteken , als enx. , Ruusbr. 3 , 104.
AENSTELLEN, zw. ww. bedr. Iet — , iets
aanleggen. Kil. Aen-stellen, instituere. Mnd.
anst/llen. Verg. Ned. Wdb. op Aanstellen bedr. B).
1) Iet — , Iets vast tegen iets drukken, aanleg-
gen. II Si (de bhedzuigers) wonen in gueden watere ,
daer velen pudden siin ende men sal se doen vasten ,
eer mense anstellet, Lanfr. Ibv. — 2) Aanleggen,
ordenen, regelen. \\ Om te ramen, hoe men die
saken mit die van Utrecht soude anstellen, Bel,
V. Leid. 189.
AENSTERKEN, zw. ww. bedr.
1) Enen — , iemand sterken, kracAtig maken,
hem kracht geven. \\ En daet hare welgheraectheit ,
die mi altoes vore oegen lelt ende anesterot soe
hovesschelike , Limb. VII, 7.
2) Met den 3den nv. des persoons. Enen iet
— , iemand iets bevestigen, hem iets plechtig beloven,
zich plechtig verbinden tot. || Voert een man die eenre
joncfrouwen of eenre weduwe trouwe anesterkede.
B. V. Vtf. 47. Desgelijx sel wesen van ene vrouwc-
naem, die enen man trouwe aensterkede, dat si
bloethoefts comen sel ter clocke ende gheven vyf-
tich pont of tien jaer uter stat wezen, aXd. Een
man, die eenre joncfrouwen of eenre weduwen
mit eniger famen ofte geruchte trouwe aenstarkede,
ende . . die trouwe nyet bewysen en mocht als
recht is, 158, 6.
3) Iet — , klem op iets leggen, met nadruk op
iets wijzen. \\ Die jongheren mochten vraghen :
Here, wat meenstu hiermede, dattu aldus dicke
dine minne anesterkes, mestrouwestn ons? Hs. v.
1348, 232^.
AENSTERVEN {starf, staerf of sterf-, storven ,
gestorven) , st. ww. onz. Mnd. ansterven. Met den
3den nv. Van goederen of rechten. Enen — , in
iemands eigendom overgaan door den dood van een
ander, door versterf aan iemand ten deel vallen;
thans aanbesteroen. Verg. Aenbesterven en Aen-
VERSTERVEN. || Want Scotland was hem ange-
storven, Stoke IV, 795 var. B. (A. anverstorven ,
U. anbestorven). Sjjn steden . ., die min no mee
sinen kindren aneghestorven weeren bi dode des
edelen heeren sgraven van Saintpol , haers ouderva-
der , Brak. Y. VII , 4704. Ende dat men van renten
met allen, die verscenen waren ende ghevallen op
enen anderen bi siinre doot, engheene clein ofl
groot sluten en soude, wats mocht ghescien, sonder
consent ende bevel van dien, dien si aenghestorven
waren, VII, 17805. Hoir leen . ., dat hoir van
hunne liever suster der grevinnen van Vlaenderen
wilen was . . aengestorven ende vervallen is, Brab,
Y. Dl. 2 bl. 65:^ («. 1383). Van alsulken guede
ende erfnys alze Pelgrims kinderen . . anghestorven
ende gheervet is van Katherinen van Zinderen ,
Nyh. 3, 212 {a. 1399). Die verbanden sterven hem
aen, Matth. 125. Alle die gene, dien poirterrecht
aengestorven is, 126. Goeden, die niement ange-
storven sijn, 176. Storve hem enich goet an , /S/SocdTr.
V. Zwolle 155, 282. Dat die graefscip van Hollant
na joncher Jans doot, grave Florys zoon, den rgck
angestorven waer, Clerc 150. Coninc Karel syn
broeder gaf hem thertochdom van Bourgondien,
dat der cronen was aengestorven, want die her-
toge van Bourgondien sonder manlic oor was
ghestorven, Exc. Cron. 136rf. — Zie nog NJh.
4, 9, Rek. V. Zeel. 2, 113, Cont. v. AsUw. 1,
322 enz.
AENSTICHTEN, zw. ww. bedr. Hd. ansHften.
Veroorzaken, teweegbrengen, stichten, t. w. van
roof, brand enz. Verg. Ned. Wdb. op Aanstichten,
II Dat elc soude, jeghen sinen cant, anestichten
roef ende brant, al omme ende omme, tenen male ,
Brab. Y. V, 2721.
AENSTIX, byw. Hetzelfde als ontwee en fe
sticken (z. a.) Aan stukken, stuk, kapot. \\ Als die
jonghe aat sach, nam hi sinen boghe endestacken
teghen der aerden anstickx, Matth. 52.
AENSTOKEN , zw. ww. bedr. Verg. Stoken en
mnd. anstoker.
1) In de tegenwoordige beteek enis. Aanstoken^
aanleggen. \\ Ënde dede vier anestoken, Heelu
2550.
2) Bestoken, aanranden, aanvallen. \\ Niemene
en quets, hoe soet vare, noch en stoke ane met
twiste, Sp. !• , 35, 32. Dede gadren mage ende
man, ende woude Zeelant stoken an, Stoke III,
999 (var. soeken an). Die [stede] ghinc hi vaste
anestoken daer die Dunouwe vore vliet, ende wanse
op dat Honghersche diet, Brab Y. III, 356 (In
den tekst ontbreekt: stede; doch in den Sp. IV*,
157
AENS.
AËNS.
158
2, 68) leest men op de gelijkluidende plaats: „Die
ttedê 80 ginc hi stoken'*). — Een huus metten
brande anstoken, eigenlek met brandatichHng
bêttoken^ dns bij een vijandeUjken aanval in brand
iteken, \\ Dies men zindert zach anstoken menech
huns al metten brande , ende menegen doeden bin-
nen den lande, Tl. Rijmtr. 9320. — MLoep IV,
623 wordt yan de mannen gesproken, die in
't geheim „doen by tijden dat hoir wiven niet
gaeme en lijden. " En de dichter laat er op yolgen :
„Trouwen , in sulck aenstoken en wort die ech^cap
niet gebroken". Aenttoken schijnt hier de beteekenis
te hebben van aanslag^ tlechte behandeling^ nage-
noeg dezelfde opvatting als der yar. aenttoten. Zit
Aenstoten 2).
Afl. Aenstokinge, aanprikkeling ^ het in
beweging brengen der hartstochten. || Als hy tot-
ter begheerlicheyt des yleysches met brandighen
aenstokinghe ontsteken wort, Devoet B. (30)
1419.
AENSTONDEN, bfiw. Verkorte uitdrukking,
gelijk staande met aen deten ttonden, te dezer
tijd. Aanstonds f terstond. Verg. Aen yoorz. I, 8.
I) Die heren gingen aenstonden daer sy mijn
heer Wouter yonden, Orimb. I, 1116. — Aen
corte stonden, binnen kort. leest men ald. vs.
2603.
AENSTOOT (aenstoet), -stote, znw. st. m.
Zie Aenstoten 3). Aanval, aanranding , Kil. aggres-
sio. Mnd. anstót] ygl. Ned. Wdb. op Aanstoot. ||
Dat haer lieden sulck eenen str^t ende aenstoot
hadden gheleden, Grimb, II, 6683 yar. Dat si
Israhels aenstoet niet en souden mogen gedogen,
2>. B. Ntm. 22, 3. In tflde yan orloghen altoos
den eersten aenstoot hebben . . yanden yianden,
Handv. v. Weesp 13a. Alle die anstoet des strides
wart gekeert tegen Jherusalem , D. B. II Chron. 86 ,
2. (Vuig. iinpetus). Daer na also si uut Spanghen
dagelix veel anstoots hadden, CUre 9. Om dat
si yeel anstoets leden yan den Noormannen ende
Denen, die yeel lande wonnen, 23. Na desen . .
deden die Westyriesen HoUant menigen anstoot,
48. So dat hi yoir der Vlamingen anstoet niet
yersaecht en was, 181. Dye stede was seer yast
ende starck . ., wel yoorsien ende bescermt yan
allen aenstoot, Exe. Cron. 204d. Soe wye an
yemandes huysen, doer, yeynstere ofte glaeze
geweldelicken ende uyt arrenmoede anstoot doet,
K, en O. V. Bel/t 68, 6. — Ook yan de aanvech-
ting der zonde gezegd. || Die aenstoot der ondoechde ,
Ruusbr. 8, 82. Die aenstoot ende die beweginge
der ondoecht, 3, 86. Neyginee ende aenstoot der
souden, ald. Die sal sinen luden yerlossen quader
anstote, Fass. W. 168a.
AENSTORMEN, zw. ww. bedr. Verg. Stormen
en Clerc 76: Daer quamen si totter burch tot Leyden,
. . daer die bisscop mit sinen yolke an stormde.
Bestormen, stormenderhand aantasten. j| Ditcasteel
wert, met crachte, door broec ende door diepe
grachte, aenstormet ende toegheronnen , Heelu
1647. Dat casteel . . wert al yan bloten knechten . .
anegestormt. ende bestaen, 6173. Dat si anders
mergens betide die stat mogen stormen an, Velth.
11,13, 66. Ende stoermden an die stede, ^.IV*,
6, 46, yerg. Brah. Y. III, 681. Daerom besat
die coninc dat casteel ende stormdet an mit meniger-
hande instrumenten, 97. Als onse borgers dat
huys solden anstormen, Matth. Anal. 1, 76. Dat
heel bisdom mit dagelix anstormen te bedroeyen,
3, 160. Als die Graye yan Qelre . . mit desen
yoerseideu Princen . . al gemeen dat Bisdom yan
Utrecht hadden angestormt, 164 (ygl. 83). Ende
dit aldus ghedaen wesende wert die stede nacht
ende dach aenghestormt met me&igerley geschutte,
Exe, Cron. 210c. So wie een huys aenstormt by
dage, die waers op yijff pont Holl.; by nachte,op
thien pont, Jlandv. v. Weesp 16. Zoo nog Belg.
Mus. 4, 204. — Ook fig. yan de aanvechtingen,
de lagen des duiyels. || Tot yfjf poerten , dat zQn die
yyf sinnen, soe stormt hi mi aen, Bern. S. 94r.
AENSTOTEN (stiet, stieten, gestoten), st. ww.
bedr. Scheidbaar en onscheidbaar gebezigd. Verg.
Aenstoot. Mnd. anstoten.
1) In den hedendaagschen zin, ook onscheidbaar
gebezigd. Aanstooten, aanpakken. || Hi anstietse
ende yerwrectese , Oesta Eom. c. 81. Die borstkyns
machmen wel anstoten, sijn sy niet te yast be-
sloten, MLoep II, 1313. Als my noch wel ghe-
dencket, soe aenstiet die g^ede heer myn hert,
Bern. S. 93<?. — In sterkere opyatting:
2) Beleedigen, slecht bejegenen. Kil. offendere,
offensare. Verg. ons aanstoot geven en aanstootelijk.
Zie Stoten en yerg. Aensteken bedr. 2), Aen-
STRiDEN, Aenvechten euz. || Alse hem die
Joden te sere anstieten ende hem yerweten dat hi
sot waer oft beseten, Doctr. II, 616. Om der
nyderen anestoten, MLoep I, 1812. — In de uit-
drukking sulc aenstot,en, zulk eene beleedigende
handeling of aanstootelijke bejegening , MLoep IV ,
623 yar. Zie de plaats by Aenstoken. — In ver-
sterkte, maar gewyzigde opyatting, waarin het
met aenvechten en aenstoken geiykstaat:
3) Bestoken, aanranden, aanvallen, met daden
of woorden. Kil. ineurrere. || Al woud hy met
eenighen oyermoede ons yet aenstooten, dat wy
mogen met eeren weeren ongheloghen, Orimb. I,
2266 yar. Ie versta dat hier voor u anstoten es,
ende seer tonrechte, al dat menschelike gheslechte ,
Meuk. 328. Hoe seer dese arme oerden anghestoten
sellen worden, ie selse altoes staende houden,
Hs. 88 f. 86a. Die . . mallec den anderen mit also
groter vromicheit ende eeren bistonden , . . dat se
te vergeefs niet en werden aenstoten noch aen-
vochten, Brab. Y. Dl. 2, bl. 707 {a. 1408). Dat
die gravinne van Vlaenderen Walcheren anstoten
woude , Clerc 101. Jegen allen den genen , die hair
fortsen of overlast doen wilden, hoir ende hoiren
lande anstoten off beschadigen. Mieris 4, 1016a
{a. 1433). Soe wie een huys van buyten aenstoet,
aats huysstootinge. Balen, Beschr. v. Bordr.W. 11
en 422 (By V. d. Wall 114 voor aenstoet-. anestnjd,
en bL 26: Soe wie eens anders huus anevecht*^).
— Ook van de aanvechting der zonde. || In den
eersten haerder bekeringhen wert si aenghestoten
mitten alreswaersten becoringhen der duvelen,
Bienb. 96Ó. Die ene si alsoe, dat hem gheen
ghebrec aen en stote of luttel; mer die ander si
alsoe , dat hem aenstoten die ghebreke eng., Ruusbr.
3, 82. Ende ist dat ons die ydel glori in enighen
goeden werken anstoet, so en sellen wy haer niet
consentieren, Stemmen 76. Dat een sterc schoen
man, die edel ende ryc is, vander schiemen der
ydelre glorien aengestoten wert, S^. d. M. 1,119c.
— Afl. Aenstotinge, aenvechting. || Ane-
stotinghen selker passieu , die si wederstaen mach,
Hs. V. 1848, 286e.
AENSTRECKEN, zw. ww. onz. Met den 8den
nv. Toekomen, toebehooren {als wettig aandeel). ||
De helft van den erve die si gemeynlic samen
gewonnen hebben, die den levenden aenstrect,
mach die levende vrylic vercopen, Brab. Y. Dl. 1,
bl. 783 (a. 1880). Vgl. De Vries , Mnl. Wdb. 98.
459
AENS.
AENT.
160
AENSTRIDEN {street^ ttretUn, gettreden), st.
WW. Oorapr. onz. en met den 3deii iit. gebezigd,
als b.v. „Hoe si den rike an gingen striden van
Rome," Sp. III», 8, 50. Doch gewoonlyk wordt
het met den 4den ny. en das als bedr. gebruikt.
Verg. Aenvechten.
1) Eigenlijk. Met itrijd aanvallen, hettrijden,
bevechten, \\ Die Qriecken streden (d. 1. stredene,
streden hem) seer an , mer hy weerden hem als een
man, Troyen f, 76tf. In corten tiden sal Alexander
hem anestriden, Sp, 1% 11 , 29. Dat sise dicken ane-
streden . . met mogendheden, III' , 4, 37. Omdat
hi sonde striden an yan Ponten coninc Mitridaet,
I*, 68, 44. Dus streden si ane yromelike nu
Almaengen, nu Vrankerike, IV*, 40, 19. Ende
hebben Nantes angestreden , IV > , 41 , 86. Wat soet
gemoet stridet an, Nat. BI, II, 2729. Want hi
wilde hem striden an, Rijmb. 9688. Wonde men
doe oec anestriden Brabant mede in allen siden,
Velth. 1 , 41 , 48. Ende dan met behendichede haer
striden an, IV, 66, 62. Waert dat een heeste
mede ene andre beest anestrede, Doctr, II, 3187.
Ende streetse doe met crachte an, Stoke IV,
1016. Een deel lieden . ., de men anestreet met
crachte, V, 672. Si stredense an met groter cracht,
VI, 978. Daer mense anestreet met nide, VII,
896. Dat Jan . . had angestreden dat huns met
genendicheden , VII, 609. Ende streden ane thuus,
VII, 738. Den tempel streden si an daema,
Rijmb, 33266. Voor Lonsies, dat si asselgeren
daden seere ende anestriden met evenhogen ende
met bliden, Heelu 3168. Dat huus anestredense met
machte , ende wonnent doen met crachte , Brab. Y.
IV, 263. So wie een huns van buten anestrjd,
dat es huustotinghe, V. d. Wall 114 (a. 1303).
Viende ane te stridene, JD, Orde 229. So wie eerst
anstrijt die yan Amon , die sal onse hertoge wesen,
B, V. 1367, %ld. Ie bem Jhesus, dien dn strgts
an, i^. I», 46, 48 {verg, vt, 46). Zoo ook Merl,
23436, 26374. — Ook van het bestrijden met
woorden, dus: Beleedigen , uittehelden, || Alse hem
die Joden te sere anestreden ende verweten dathi
sot waer oft beseten, Doctr, II, 616 var. In het
teksths. anetieten, in een andere variant anstaken.
Verg. Aenstoten 2) en Aensteken bedr. 2).
2) Overdrachtelijk. Enen met beden — ,
iemand met dringende beden bestormen. \\ Nochtanne
sal ie te hare tiden ende hare met beden anestriden,
dat soe ml in staden sta, Sp, III», 36, 19.
AENSTRIKEN (ttreec, streken, gestreken), st.
WW. onz. Ook verbonden met comen. Verg. Striken.
1) Recht op iemand of iets afgaan, \\ Het streec
an ten selven male die ammirael met eenre galei-
den, Stoke IX, 1274 (var. Hem streec an). De
heydenen comen anghestreken ; siet dat ghy groote
slaghe slaet, Saer. 620.
2) Met den 3den nv. Enen — , op iemand aan-
komen, recht op hem afgaan, hem op 't lijf komen,
II Hem quam die grave Diederic ane van Trieren
entie sine gestreken, Sp, IV* , 68, 6. — Later ook
met het voorz. tegen, \\ Die Hollanders streken
stoutelic tegen den Heere van Arkel an om met
hom te striden, Matth. Jnal. 3, 318.
3) Iet — , Platstrijken, gladstrijken, aanstrijken.
II Dan nemet {de zalf) in die palme ende legget
opten steert vander ogen ende men saelt oec aen-
striken metter palmen duwende toten slape van
den hoofde, Hs. Yp. 36i.
AENSWIPPEN, zw. ww. onz. Een Duitsch ge-
kleurde vorm, overeenkomende met ags. svipjan,
citp agere, agitare, volvi (Ettm. 764), een afge-
leiden zwakken vorm van ags. svipan , ohd. svifan ,
mhd. sweifen, nhd. schweifen. Met een zwaai aan-
komen, aansnellen, \\ Men siet oec uut dorren
struken wel bloemen gaen, die soetelic raken.
Die somer comt hier angheswipt, Vrouw, en M.
VU, 27.
AENT (haent), aende, znw. vr. Verg. Aent-
VOOEL. Lat. anas {anat-is)', ohd. anut, anit; mhd.
ant; nhd. ante, ente\ mnd. dnt; mv. dnde. Eend.
II Anas .. es in onse Dietsch een aent, Hat. BI.
III, 400. Wilde aende, III, 407. Tvleesch van
der wilder aent, III, 410. Swart gevoet alae
aende, III, 727. Ganzen no aenden, Livr. d, Mkst.
8. Wat zieke dien houdt ganssen of haenden , Cout.
V, Brugge, 1, 376. Men salt ondertusschen salven
met heeten smoutte van binnen ende haenden ver-
gadert, Jan Yp. 160. Ie verbeet haenden ende
hoener ende gansen , Rein. 1 , 2094. — In de varr.
op de Nat. BI. : haent , haende , en zelfs haside.
AEXTALE, znw. vr. Zie Tale, Aentalen en
verg. Aensprrken bedr. 4) en Aenticht. Aan-
spretak in rechten , eisch of beschuldiging. Kil. A e n-
taele hetzelfde als Aenspraecke „jdoj/m/W/m ,
juridica aetio, diea, aceusatio,^^ || Up dit goed heb
icse {ver Hadewyen) ghebrocht vri ende quite sonder
aentaie van allen mannen, Oorkb, 2 , 347^ {a, 1290).
Te vrien van allen aentale, 880^ {a, 1292). Daer
of si an beyde ziden voer ons verteghen van allen
letteren, previlegien ende antalen, die elc van
anderen hadden ende scoudense quite, 4105 (a.
1296). Dat voersz. goet . . quite ende vry van alre
antale of calenfie, ald. Soe willecoren wi hen
ende geloven, dat wi niemanre en selen moghen
van desen gelde , van desen dienste bewisen , noch
bestaden aen onse stat, tot dier tgt dat ons ghe-
vallen es, uteghenomen den greeve van Berghe,
also verre alse hare aentale strect, Brab. Y.Sï. 1,
bl. 776 {a, 1327). Dat hem na dier tyt gheenre-
hande antale noch gheenrehande calaingie deeren
en sal an suilken goede , V. d. Wall 143 {a, 1316).
Dat sullen die rechte erfhaemen behouden sonder
aentaele van ons, Mieris 4, 66a {a, 1407). Sonder
alrehand aentale des guets van onsentwegen, Ngh.
1 , 237 {a. 1328). Van allen veeden , scelinge ende
aentale , die . . (si) . . onderlinge hebben gehadt , 2 ,
274 {a, 1371). 4u|jt scelt van alre aentale die hy op
hem hebben mochte ; — Van allen twyste ende aen-
tale, Oorkonden {a. 1330 en 1329), aang, bij Nyh.
1 , 309. Alzulke trouwe ende aentale , alse ie Joncfrou
Hevlwighe . . anegheteghen hebbe , alse dat libelle
ende dat eysche begrijpt , en can ie noch en mach
niet toebrenghen noch proeven, R, v, Utr. 76, 8.
Went ie niet gheeme en zaghe dat die Joncftt>a
van dusdanigher aentale ende van mi arghent ver-
aftert worde, dat ghi mit uwer sentencye die
Joncfrou . . qwyt scelt ende absolveert van zulker
trouwe ende aentale, ald. Also dat wi der aentale
des duvels moeten ontgaen ende ons selven also
oerdelen , dat wi dat grote oerdel ontgaen moeten,
Oeest. Leer, 82p. Zie nog Mieris 2, 113^ enz.
AENTALEN, zw. ww. bedr. en onz. Mnd.
antalen. Verg. Aentale en talen.
Bedr. — l) Aanspreken (in eigeniyken zin),
het woord riekten tot iemand. \\ Die scone . . , die
gi niet dorst talen ane. Rosé {C) 2339. Ghi hebt
mi soe vriendeiyc anegetaelt met hoveschen woor-
den ende met sconen , Lansl. 476.
2) Aanspreken in rechten. Aentaelen, by Kil.
hetzelfde als Aen -spreken, y,aecusare, aetioneies.
intendere^\ Verg. Aenspreken bedr. 4). In twee-
ledige opvatting, naar gelang van het object.
i64
AENT.
AEt^T.
16^
a) Van personen. Enen — , iemand m rêektên
betrekken^ een eiach tegen hem instellen of Aem be-
eehuldigen, \\ Ende gelaven in fneden trouwen . .
dat nnmmer an oen te wreken, noch oen daer om
ane te spreken, noch te anetalen, Nyh. 2, 281
{a. 1371). Dair nnsse here yan Gelre uns yan
antaelt off bescnldigt heeft, Oork. van 1329, «mm^.
bij Nyh. 1, 309. Wy gheloyen . . der stede yan
Leyden ende haren poorteren . . nymmermeer . .
daer af aen te talen of toe te spreken , mit gheenen
recht, geestelgck of waerlic, Bel, v. Leid, 472 (a,
1421). — Het yerl. deelw. luidde oorspr. aengetaelty
doch men schreef ook geaentaelt^ door inyloed yan
aentale. || So sal dieghene, die aenghetaelt is,
des sine unscnlt doen mit sinre enre hant allene,
i2. V. Zutf. 16, 46. Her worde yemant angetaelt
yan ondaden , de men nyet certeyn en weet , Racer
6 , 87. Worde een porter geaentaelt in die gedinge ,
Srab, T. Dl. 1 , bl. 783 («. 1330). Die besitter . .
en sal niement na dien tiden , al worde hi oic geaen-
taelt, dair af sculdich s^n tantworden, ald. 786.
b) Van saken. Iet — , aanspraak maken op iets,
eiseken. || Dat lant dat die Hertoghe ende siin
yoersaters altoes aenghetaelt hebben opten Graye
ende siin yoersaters, Y. d. Wall 16 (a. 1200).
Wi . . yerthien Nardingherlant met al sire behorte ,
die wi daer an hadden, dat onse here yanHoUant
ghecoft heyet . ., dat nemmermeer aen te talen,
Oorkb. 2, 249^ (a, 1286). Yan goede dat hy aen-
taelde. Mieris 2, 36a {a. 1303); yerg. 3, 774a.
Die mochte . . sulc goet aentalen ende recht daer
of yordren, Y. d. Wall 143 (a. 1316). Dat miin
here yan Beyeren des Stichts palen, die sii mit
horen stolen (/. sloten) gehouden hadden, aen-
taelde ende ontname, £el, v. Leid. 367. Eenstuck
lants . ., dat Gerard yan Sweten Hermans yader
yoerseyt yercofte Hughen yeren Bertruden soon . .,
ende Herman yoerseyt noch anetaelde, dat syne
eygen wesen soude, Oork. van 1326, in Matth.
Jnal, 3, 212 Aant.
II) Onz. — Aentalen aen ene dinc, aan-
epraak maken op ieti, Ygl. ons : niet naar iett talen,
II Alt goed, . . daer die Here yan Arcle an ane-
talende was, Mieris 2, 266a (a. 1321).
AENTALINGE, znw. yr. Zie Aentalen. Jan-
spraak in rechten^ eisek, in tweeledige opyatting.
a) Tegen personen gericht. Aanklacht^ beschuldi-
ging, II Yan allen anthalyngen ende yan allen
brueken . . , de wy tegen se te seggen hadden,
Np. 1, 309 (a. 1333).
b^ Op saken toegepast. Aanspraak^ eiseh^ vor-
dering, II Ende hiermede es alle anetalinghe yan
den Here yan Yoirne . . . quite yan gheloyenessen ,
yan brieyen ende yan scouden, Mieris 2, 206^
(a. 1319). Yoirt zegghen wi . . elc mananbeyden
siden op sQn goed, . . ende des yriliken ghebru-
ken sonder enigherande si jof anetalinghe , 273d
(a. 1321). Alle recht ende antaellinge , die ick ende
myne yoeryaeders daerin yoortQts plagen te hebben ,
Meylink, Delfi, Bijl, 14 (a. 1369). Heeft eerste
dairaf jair ende dach int besit gheweest ende dat
mstelic ende sonder aentalinghe ghebruket, O, W,
V, Amst. 21, 22.
AENTAME, bnw. Yan het vrw. aaifMim, dat
weliswaar mnl. niet yoorkomt, doch in het mhd. be-
kend is : anezëmen , anstehen , geziemen (Lexer 1, 66).
Ygl. yoor de yorming aewtame. Betamelijk, gepast,
voegzaam, \\ Dese {tor) wasscoenrealstanthame(C.an-
tame) der scoenre coninghinnen was, Rijmb. 31342. Als
umet rechte es antame,^Ma«i0/iaéi^(;^^, 83882. Ygl.
BETAME.
AENTANGIEEEN, zw. ww. onz. Met den 3den
ny. Enen — , iemand van rechtswege toekomen ; eig.
aangaan, raken. \\ Alle deel ende recht, dat ons,
als Ropmsch ende Beemsch ooninc, . . behooren
mochte oft aentangieren , Brab. T, YII,lö69 — 78.
AENTAST, znw. m. Yan Aentasten 4 en 6).
Mnd. antast. Aanval of inhechtenisneming, \\ Dat
oick . . yan den here, noch yan sijnen amptlnden,
geen antast, wille noch gewalt gedaen en werde
an den ondersaten des lands yan Gelre, NQh. 4,
132 (a. 1436); in andere teksten antastinge en
aentastingé). Die dat yeryolcht off antast deden off
doen wolden, 261 (a. 1460).
AENTASTEN, zw. ww. bedr. Mnd. antasten.
1) Enen of iet — , iemand of iets aanraken, \\
Datten een besondecht wQf antast, Bijmb, 23213.
Enen jongelinc , . . die mi lieyelyc ontboot yrede,
ende taste mi ane ter steden, S^. lY' , 6, 34;
yerg. Brab. T, II , 1917. Den crucifize hi anetaste,
lY', 23, 33. Die mitten slechten antasten, de een-
voudige aanraking, zijnder handen die lazarie yer-
jagede, Bern, W, 6e. Christus heyet hem laten
antasten yan enen gebrekeliken wiye, Bern, S.
103^. — Ook had het aanraken met de band plaats
als symbolische handeling bij leenhulde. || Soe
hebben die stede, groot ende smfd yan Brabant
alle samentlike, den keiser yan den Boemschen
rike». . bi trouwen geloeft, als goede mannen, bi
der hulden die si hadden gedaen ende sculdich
waren, ende tasten aen des keisers hant, met
ripen sinne , . . dat si dese yorseide pointen al ,
ende elc yan hen houden sal, Brab, T, YI,
1182—92.
2) Iet — , iets ter hand nemen (om er aan te
beginnen) , ondernemen , beproeven. \\ Maer nu proeft
ende tast ane of ghi mi yerwinnen moget, Limb,
YII, 760.
3) Yan goederen of rechten. De hand aan iets
slaan, iets in bezit nemen, het aanvaarden, of
het in beslag nemen, zich toeëigenen, || Si dede haer
Igf ende haer goet aentasten, cort daer nare, als
si iet bruecten jegen hare, Brab, T, YI, 11810.
Ende en sullen oec w^ noch onse nacomelingen
yoirtmeer onss nyet onderwynden noch antasten
der tienden des hoyes, Np. 1, 407 (a. 1339).
Weder die ghene, dien dat goet te pande ghe-
geyen is , sgn scult op die pande wair maken ende
houden sal, ende aentasten, Matth. 133. Ende dat
si dat die dan leyeden yerborgen sullen weder uut
toe eryen tendes des yoirss. persoens doede mit
gueden wairliken borgen eeir sie antasten, Overijs,
Becht, V, 100. Ende wanneer dat enich persoen
geestlic habp draeget ende niet professijt en is,
die sal dat oic yerborgen eeir hie antastet, weert
sake dat hie dair nae professye dede, dat guet
weder uut toe eryen , ald, Zoedat zy niet en wilden
haer goet mitten lasten aentasten, al gaye men
hem 200 Rh. gl., In/orm, 61.
4) YjMi personen en hunne goederen. De hand
aan hen slaan, ze in verzekerde bewaring, hechtenis,
nemen. || Die coninc liet hem aentasten ende mit
Sroter ninen uutpersede hi die sake, Bienb, 128r.
f hi die {C en D) antasten ende yanghen mocht
sonder yerbueren, Dingt. v. Amst, 24. Dat Jan yan
der Maelstede . . ende anderen, die in syn lieyer
moyen . . scade geweest hebben, sullen mit horen
liye ende goede aengetast worden, Brab. Y, Dl.2,
bl. 683 (a. 1394). Dat men as dan die gheyne,
die dat aede, ende oer guet, in wat hornick of
steden men die of oer guet betreden kan , antasten
ende halden sal, Ngh. 4, 134 (a, 1436). Ende
6
463
AENT.
AENT.
i64
dat nyemant die selve oick en huyse, en hove,
en herberghe, noch sterken in enigher wijs . . ,
ende dat een yegeliken van onsen ondersaten, op
sgn lijff ende goet, waer hy die bekomen kan,
vervolghe ende antast ende lever die in uwen
handen tot onser behoeff, 250 (a. 1450). Zie nog
ald. en 251.
5) Aanvallen, bettoken. \\ Ende taste syn heer-
licheyt aen hooch ende laech , Matth. Anal. 3 , 246.
6) Van bezittingen. Vrijelijk of m ruime mate
gebruiken, aanspreken. Ygl. ons toe toeten, \\ Raet hi
sinen heere dan, dat hi syns selves goed taste
an ende sine rente versette, so eist een raet dan
van onwette, Heim, (C) 1716.
AENTASTINGE, znw. vr. Van Aentatten 4).
Inhecktenieneming , het nemen in verzekerde betoa'
ring. Verg. Aentast. || Off in der vervolghingc
off antastinghe . . enighe broken ghevyelen, het
si van u off enighe onsen ondersaten , . . dair en
snllen si noch ghi, die dat vervolcht off antast
deden off doen wolden, van onser weghen alsdan
teghen ons . . nyet ghebroict hebben noch broken,
Nijh. 4, 250 (a. 1450).
AENTELLEN, zw.ww. bedr. Niet mhd. of mnd. ,
doch in de ogerm. talen moet een ww. bestaan heb-
ben, waarvan het ndl. en mnd. aantal, hd. amahl,
is afgeleid. Vgl. Grimm Wtb. 1, 522. Tellen,
eene som opmaken. Het deelw. aengetellet staat in
beteekenis met de bjjw. nitdr. in aantal, mnl. bi
getale, gelijk. || Vier legyoene, alse elc hadde
getellet an 6666 man, i^. I*, 32, 4.
AENTERDEN {tart, torden , getorden) , si, ww.
onz. Zie Terden.
1) Absolnut. Aantreden, aanvallen. \\ Ende dandre,
die syns begheren, si torden an metter vaert,
Wal. 7302.
2) Met den 3den nv. of met het voorz. o;?. E n e n
(op enen) — , op iemand aantreden, hem aan-
vallen, aantasten. \\ Maer hi haeste hem ende trac
sijn swaert, ende tert hem bet an ter vaert, Wal.
331. Si vinghen ten swerden ende ten cniven
ende torden hem an metter vaert, 6184. Si sei-
den, si souden mi ontliven, ende trocken swerde
ende cnive ende torden mi an met omminne , 6269
(verg. 6301). Doe torden si an metter vaert up
Waleweine met groter crachte, 7322. Ende nam
sijn sweert in sijn hant binnen, ende tart den
heere van Ytterne ane, Qrimb. II, 3443.
3) Enen — , iemand aangaan , raken, betreffen. \\
Wetbrekere, dese redene terdt di aen, want ghi
syt als vee ghedaen , X Tlag. 2360.
AENTICHT (aentichte) , znw. vr. Zie Aentien
(l8t« art.) en Ticht. Aanspraak in rechten, aan-
tijging, betichting, beschuldiging. \\ Hier bi segghen
wi hem luden voerscr. also van diere aentichte
onderlanghe versoend. Mieris 2, 298<ï {a. 1322).
— Veelal in vereeniging met andere synonieme
woorden. || Ende hi mi gheeft syne hulde, ende
al mine broken ende sculde ende alle aenticht wil
vergheven, Rein. 11,2533. Van allen broicken ende
misdaden ende aentichten, die sy tegens hem ge-
broict off misdaen mogen hebben , off die sy hem
thyende mochten wesen, Oed£nkst.\,2^0{a.\i\^).
Van alsulker aenticht ende heysche, alse heer
Wenselaus . . aentyende of heyschende is heren
Edewarde, Nijh. 2, 225 {a. 1368). (Wi) vergeven
ende quijtscbelden met desen brief alle alsulcke
brueken , misdaden , overhoericheit ende aentichten,
als . . onse stede van Dordrecht ende hoer in-
gesetenen . . misdaen mogen hebben, Mieris 4,
ïOOfl {a. 1414). Van snlcken breucken ende aen-
tichten, als sy teghens ons ghebroeckt mochten
hebben , ald. h. Van allen zaken ende aentichten ,
roerende den dijcrechte , 141a (a. 1410). Om enige
aentichte of breuke, 471a {a. 1418^. Waerom heeft
Moyses dan bevolen dat die gene aie van syn wyf
wilt sceyden, dat hi een boecxken, dat is sgn
aentichte op haer, in een gescrifte van afsceydin-
gen overgeven sid? Boeck v. d. L. JAesu 11 Sd.
Item sullen de vorseyde butenborgeren quiit vry
ende los wesen van alre aenticht ende ansprake
ende van allen brueken, R. v. ütr. 239, 2.
AENTIËN, AENTYEN (tiet, tyet oi tijt, teech,
tegen , gelegen) , st. ww. bedr. Hd. onzeiAen , ons
aantijgen. Zie TiËN (1ste art.), Taalk. Bijdr. 2,
159 y^g. en Aenticht, en verg. Aenseggen,
Aenspreken en Aentalen, die geheel dezelfde
beteekenis hebben, daar tien, hd. 2^tA^ii,lat. dfc-o,
Or. Sslx'PVfii' , eigenlyk zeggen beteekent Al deze
vier WW. beteekenen dus: iets, door het te zeg-
gen, aan een ander toeschrijven of aanwrijven. —
Enen iet — , eigenlyk in *t algemeen: Iets van
iemand zeggen, wordt soms in een goeden, maar
doorgaans in een kwaden zin toegepast, en wel
in drie verschillend gewyzigde opvattingen.
1) Iets van iemand zeggen of verhalen, het hem
toeschrijven. \\ Dat si hem willen tyen ane, dat
die ridder metten zwane siere moeder vader was,
i^. IV*, 6, 7. Int boecskün . . dat ewangelista
sente Jan screef, als men hem tiet an, Lsp. II,
57, 5. Doe began sijt haer antien, ende bat haer
dat sijt sonde lien, of si kint droech. Flor. 219.
2) In goeden zin. Toeschrijven, toekennen. \\
Eenre vrouwen wert doch anegetegen, dat si Gk>d8
toren, met oetmoet, met hare dueget sachten doet ,
Vad. Mm. 1, 318, 34. Als men mi enege vroescap
aentyt, 337, 26. Wint een lanthere metter hant
enen andren af sijn lant , men thyet sire vroemheyt
an. Wrake II, 126. — Enen ere — , iemand lof
toekennen, toezwaaien. \\ Ende tyen snlken ere an,
dies noit scout en gewan, Lsp, III, 15, 97.
3) In kwaden zin. Aantijgen, te kiste leggen,
wijten, verwijten. \\ Alein segt node quaet, ende
sonde yement node anetien dies hi niet en hadde
gesien, Lorr. I, 52. Want si ducht dat die coninc
haer tyen sal an dat si ontginc, I, 473. Nu comt
Otte ende sal dit ons anetien, II, 2631. Ende tiet
minen vader an, . . dat hi hier logene dede
verstaen, II, 3192. (Die mort), die hi . . aneteech
Yoene den coninc, II, 3689. In wiste noit van
suiker daet, alse gi mi hier tietan, Lanc. III,
22866. Want hüt Keyen antyt, III, 20425. Dan
si namaels eneghen man mine overdaet teghen an ,
Rein. I, 2057. Of hi wonde die (/. dien) verranesse
tien an, I, 2234. Dat mi myn vrouwe tyet ane.
Wal. 5583. Den lachter dien gi hem tyet ane,
5813. Ghi tiet mi aen dat ie falgiere, ParM.6991.
Men soude der moeder tien an, dat soet an enen
vremden man ghewonnen hadde , Nai. BI. I, 409
var. Als of hi Gode sine mesdaet wilde antyen
ende sijn quaet, Rijmb. 671. Ende teghen hem
vaste ane dat hi tote Vaspasyane boden sendde,
30331. Daden of ne daden, men teecht hem an,
32407. Verraetnesse teechmen hem ane, 32483.
Dese zake, jonfrouwe, die si u antien, Limb. I,
1855. Die qnaetheit entie ontrouwe, die hi anetyt
der conincghinne, III, 856. Ende hebben hem
gheteghen an dies si herde onsculdich waren ,
VIII, 360. Want men hem anteechdemort, ^. I»,
55 , 29. So hadde men haer angheteghen overspel ,
Es V. 1348, 14(7. Om dinc die men hem teech an,
Lsp. II, 49, 31 var. Die paues purgeerde hem dan
d65
AENT.
AENT.
466
van dat men hem teech an, II, 49, 31 var. Men
hadde haer gelegen an, dat sijt in overspele wan,
II, 8, 68. Dit ende ander vele werren tegensiane
deser sterren, Velth. II, 2, 61. Ende tiet hem
ane oec syn leet, II, 11, 48. Ënde tiet mi verraet-
nesse an, II, 13, 36. Ie heb vernomen dat mgn
volc al es versiegen, ende het syn liede diet n
antegen, lY, 42, 6. So tydt men hem tferwoede
an, zoo legt men hem het ongerijmdste te laste ^
Teett. 3456. So tbyen si malcander an . . dobbelen,
drincken, overspel, Hild. 233, 161. Die mi dat wil
tien an, Etmor. 981. War omme tyddi {voor tijdi)
mi ane dat ie blasphemie spreke, L. v. /. c. 182.
— Ook met een pers. als obj. ter uitdrukking van
dengene, met wien men overspel gedaan heeft.
II Wat hebdi hem mesdaen? Here, hi teech mi
sgn wyf an, Torec 684. Beghindi mi anderen man
ane te tien? lApp. 169. — Ook met weglating van
het object der zaak, welke men iemand te laste
legt. II Wive, die dickent den man antien, syn
selden selve sonder vrien, Belg, Mm. 10, 119,
31. Die valschelike tiet enen anderen an, XP/a;^^.
1716 (in den tekst verkeerdelijk tiet).
4) Met een persoon als object, als wederk. vrw.
gebruikt. Hem enen — , zich aan iemand toe-
zeggen^ toewijden, overgeven, lat. addicere. In deze
opvatting is aentiën bet tegengestelde van vertiën,
afstand doen. || Wildi u desen goden antien, oft
weder wildi hem ontflien? .^. 1% 32, 67.
= In de 14de eeuw begon aentiën , eyen&lB tien ,
ook zwak vervoegd te worden, zoodat naast de
sterke vormen ook tide , tyede , getyet ontstonden.
II Wiet hem aentide, Belg, Mui, 3, 111, 108.
Weer dat zake , dat wi . . yemant . . enegerhande
broeke aentyeden , Nijh. 1 , 216 («. 1327). — Door
invloed der verbogen vormen teech , tegen , getegen,
waerin de keelletter bewaard was gebleven, werd
tien, eigeniyk tihen (verg. hd. zeihen), allengs
door tigen, tijgen vervangen. Nevens aentiên komt
dan ook in *t Mnd. aeniigen reeds voor. Zie
Aentiokn.
AENTIEN, AENTYEN (tiet of tget; toech of
tooch, togen, getogen), st. ww. bedr. Mnd. anten;
hd. amiehen. Zie Tien (2de art.).
1) Aantreicken, van kleederen of wapenrusting
gezegd. II Hemde ende broec hi anetiet, Ferg,
2264. Twee cousen toech si ane ende twee scoen
cordewane, Beatr, 277. Een sneewit hemdeken
tooch si an. Hor, Belg. 2, 106, 12; O VI, Ided,
266. Een haren hemde so tooch si aen seer scharp
al naest haer lijf, Hor, Belg, 10, 89, 2. — Ook
tig, van hetgeen met kleederen wordt vergeleken. ||
In dei* dopen hadden wij onsen ouden rock uut-
ghedaen, mer . . wg hebben mit onsen quaden
sunden veel quader weder aenghetoghen , Bern, W,
86r. — Spreekw. || Wan men een soch een galden
stuck antoege, soe lecht si sich doch midden in
den dreck. Spreuken 34.
2) Hem iet — , zich iets aantrekken, het niet
van zich kunnen zetten, \\ Door al dat hi was so
suver een man van souden , so moghen wy dan
ons so lettel vreesen antien, Amand II, 5792. Dat
ander luden bescaemt worden, dat toech si (Maria)
haer an, kon zij niet verdragen, Bern, S, 84c.
Dat hij hem die versmadinghe , verwitinghe ende
tertinghe van Godes weghen antoech ende soe daer
van beruert wert, 87c.
3) Hem iet — , iets tot zich trekken, tot zich
nemen, zich /ö^^«i«». Verg. Aentrecken bedr. ||
Ende sulke goeden en sal hem niement bewinden
dan die Heerlicheit alleen; want wair hemyement
anders dier bewonde, hy misdede der Heerlicheit ,
ende toghe die hem aen onbevolen, Matth. 176*
4) Ook van personen , strijders , bondgenooten enz.
Hem enen — , tot zich trekken, lokken, aan zich
toevoegen, lat. sibi conciliare. \\ Doe Artur . .
sine liede getogen hem hadde an in allen steden . .
met sinen groten gichten, Jtf<?r/. 11370.
AENTIGEN (tiget, tijcht, teech, tegen , getegen),
st. WW. bedr. Jongere vorm van Aentiën (Iste art.),
door invloed der verbogen vormen ontstaan, evenals
ons dijgen , rijgen , zijgen (ziften) uit dien , riên , siën.
Enen iet — , iemand iets aantijgen , te laste leggen,
verwijten. Verg. Aentién. || Tleecke volc, wijf
ende man, willen elc andren tyghen an haers
selves ghebreken, Vap, Rog, 108. Men tycht mi
ane die daet, Esm. 389.
AENTORSEN. Zie Aentrossen.
AENTREDEN (trat, iraden, getreden), st. ww.
onz. Hetzelfde als Aenterden: zie ald. Mnd.
antreden.
1) Voorttreden, toetreden, \\ Innocentius die
paeus trat an ende nam den brief saftelic uut syn
hant, Oesta Bom. f. 19«. Doen trat die Engels
capitein an ende geboot den Ghenteners te volgen
om die stede te pionderen, Exc, Cron. 188c.
2) Ook met den 3den nv. Enen — , op iemand
aantreden, hem aanvallen, \\ Treet aen , ghi heren ,
ende slaet sere: laet ons bejaghen heden ere,
Orimb, I, 4993. Om dat hi met machticheden
Philipse wonde anetreden, Brab, Y, V, 3941.
AENTR EFFEN (de verbogen vormen traf, ge-
troffen komen niet voor), st. ww. bedr. Verg.
Aendrepen bedr. Betreffen, raken, aangaan. \\
Wat sich dair van vergangen heeft ende dat antreft,
Nijh. 3 , 333 (a. 1416). Alle punten dis vurgen.
verbontz, so wie ons die aentreffen mogen, 352
{a. 1418). Dese hilichs voirwerden . ., soe woe
die . . hem antreffende moegen werden, 4, 12
(a. 1423). Also dat ich . . mynen lieven gnedigen
here, sine erven ende nakomelinge, ende wen dat
antreffen mach, dair van gentzliken loss, ledich
ende quijt gescholden hebbe, 17 (a. 1423). Mitte
hantveste, die voorsz. goeden antreffende, Mieris
4, 1058a (a, 1434). In allen saecken aencleevende
ende aentreffende de voersz. officien, Oudenh.
Heusden 274 (a, 1447). Zie nog Nyh. 3, 362;
4, 29, 96, 322, 323, 378, 422, enz.
AENTRECKEL , bnw. Aantrekkelijk, aanlokkelijk.
Zie Aentrecken bedr. 2, a). \\ Antreckel es der
zonden rei, OFl. Lied. en Ged. 39, 283 (= J),
War. 11, 656, 283).
AENTRECKELIJC (aentreclijc) bnw. Zóó dat
men iemand aantrekt, aanlokt; welwillend, voor-
komend, aangenaam, || Hi (Jesits) is antreclike
ende suete gheweest van woerden, claer inder unt-
sprake ende crachtich inder wijsheit , Brugm. 2 , 321.
AENTRECKEN, ook aentreken (trac , traken,
getreken , of trocken , getrocken ; en trecte , getrect) ,
st. en zw. ww. onz. en bedr. Zie Trecken.
I. Onzijdig.
1) Optrekken, aanrukken, van eene legermacht
gezegd. II Daer naer so traken si an voer eene
stat staerc ende fijn, Sp. III», 22, 10. Eer men
den stryt began entie scaren traken an, IV», 67,
27. Hier na quam Peter die heremite aneghetrect
met groten vlite, IV^ 2, 59; Brab, T, III, 347.
Ende trac te Rome waert an , IX Bett, 214. Ende
elke partye trac stoutelic an, VI. Rijmkr. 9534.
2) Met een persoon in den .Sden nv. Enen — ,
167
AENt.
AENT.
168
naar iemand optrekken ^ hetzij aU vriend en bond-
genoot ^ hetzij aU vijand. Verg. Aen wassen II, 2).
a) Zich bij iemand aansluiten ^ zich aan zijne zijde
scharen als bondgenoot ^ partij voor hem trekken. ||
Tfolc , dat woende orer die Jordane , dat trac meest
Davite ane ende dadem ere, Rijmb. 10501. Ende
traken hem ooc mede daerane, 16110. Die Hollan-
ders trocken den coninc ane , Yelth. 1 , 38 , 36. Alse
die coninc dit gesiet, so trac die gemeente hem
ane, II, 14, 40. Waest banroets, oft ridder, of
gersoen, dat hem ginder so trac an, al ontfinct
die edelman, Y, 3, 62.
b) Op iemand aantrekken , tegen hem aanrukken. ||
Hier naer saen so traken hem ane met groter
macht die Acqnitane, Sp. I*, 3, 9. Die Fransoyse
traken hem ane, III*, 16, 36. Deen trac den
anderen ane, Orimb. II, 4383. — Zoo ook Ere
stat — , in denzelfden zin. || Judas beval in
theer te ropen, dat elc der stat an sonde trecken
in dier stede daer hy stonde, D. £. I Machab.
6, 61 (49).
3) Met eene zaak indenSdenny. Ere dinc — ,
naar iets trekken , er toe overhellen. Van een kind ,
dat reeds bg de geboorte tot iets is voorbeschikt,
heet het: || Dat eer der dieften trect ane, indien
dat het hadde stade , dan het anders dingen dade ,
Natuurk. 1334.
4) Met een persoon of eene zaak in den 3den ny.
Enen of ere dinc, iemand of iets aangaan^ be-
treffen^ in betrekking staan tot iemand of iets. ||
Dese prophecie , . . . Propheteerde Merl^jn in
Ingelant, . . . ende noemt daerna der heren
teken: nu siet, wien iet ane mach treken, Yelth.
YII, 11, 69. Nu sal ie vord die prophecien van
Daniele een deel lien, die opscuer sijn te verstane
wien dat si u (nu ?) trecken ane , YII , 1 , 15. Dat
laten wy staen, ende voirt van desen dat onser
materien anetrecket, MLoep I, 2706.
II. Bedrijvend.
1) Aantrekken^ van kleederen of wapenrusting
gezegd: de hedendaagsche beteekenis. || Nieuwe
maniere trac soe an van cleden, Sp. I*, 42, 23.
Si traect an haestelike, Beatr. 809. Hi treckede
dierbaer cleder an, Bloemt. 3, 26, 136; Belg.
Mus. 3, 112. Die vrouwe . . trecte oetmoedighe
clederen an, Ned. Proza 89. Priesterlij ck e orna-
menten, ghelijc men die bisscoppen aentrecket,
Pass. V. 263*.
2) Met een persoon als object. Tot zich trekken^
tot zich nemen ^ zoowel met goede als met kwade
oogmerken. Derhalve in tweeledige opvatting:
a) Enen — , iemand met vriendschappelijke be-
doeling tot zich trekken^ aanhalen of wel, aan zich
verbinden. \\ Ende ginc liggen bi Lanceloets side
ende trecken hem bet an, ende begonsten cussen
dan, als die waende dat sijn wijf ware, Lanc. II,
14012. Dien hy niene conde bekeren met gevechte,
die trac hi an met worden ende met gichten dan,
Yelth. I, 2, 64. Entie hi staerc ende dapper vant ,
of scalc van zinne, die trac hi an, Sp. III", 16,
66. Dat gi die goede trecket aen ende gont hem
uwer minnen croen, MLoep II, 2182. Of my sulc
een ruter wilde antrecken, Ned. Kluchtsp. 94, 16.
Die manier onser verlossinghe was . . seer werckende
om dat menschelike gheslachte an te trecken,
Pass. W, 268<?. Die Heer en sal nyemcnts persoen
aentrecken, die here is van alle, noch hi en sel
nyements groetheit ontsien, Hs. v. 1423, 210^.
— In denzelfden zin als het enkele Aentrecke ,
zeide men ook, met toevoeging van den 3den
pers. van het wederk. vnw. Hem aentrecken,
zich aantrekken y d. i. tot zich trekken. \\ Omdat
soe sach haren man tander wjjf hem trecken an,
Sp. I^, 72, 11. Die S waven entie Allane entie
Borgenyoene trac hi hem ane, III*, 1, 48. Die
Lottrikers trac hi hem ane, om grave Robbrechte
te bestane, lY», 4, 29; Brab. Y. II, 6474. Daer
hi mede sijn volc hem wilde trecken an, 11^,
7, 26.
d) Enen — , iemand met vijandige bedoeling tot
zich trekken^ zieh van hem meester maken. || Entie
duvel trac hem an, diene doodde cortelike, S^.
m*, 18, 12 (De var. heeft slouch hem an: verg.
Aenslaen 2).
3) Met eene zaak als object. Iet — , iets tot
zich trekken^ tot zich nemen. \\ Ende eist dat ie
verheven si van der erden, ie sal te mi alle die
saken trecken an, Rijmb. 25216 (LtA. omnia traham
ad meipsum). Ochte daer iemen comen sonde, die
de bande so verre stake , dat hi die rosen anetrake,
Rosé 2890. Die nachte so lanc bleven, datmenech
man seide met monde , dat si van des dages stonde
harde vele traken an, Sp. I*, 66, 28. Doe trac ane
die gewelt een, hiet Maximus, III*, 10, 68. Sine
sonen namen in dele syn lant; elc trac tsine
an, III», 66, 3. — Ook met toevoeging van den
3den nv. van het wederk. vnw. (sibi) als bg 2 , «) :
— Hem iet — , iets tot zich trekken , in drieledige
opvatting, t. w.:
a) Iets tot zich nemen , er zich meester van maken ^
het zich toeeigenen. Yerg. Aentien (2de art, 2). ||
Dat hem niemen sonde antrecken anders lof no
anders prfls, Alex. YI, 114 (verg. 96). Ende hem
daertoe trecken ane dbeste van Gallen tonser
onneren, Sp. III', 10, 12. GhaleriuS . . trac hem
Orienten an, 11^, 66, 16. Al den roof traken si
hem ane, lY*, 4, 82. Leo . . trac hem an . . dat
keyserrike, III», 59, 2 (verg. II», 1,24; 23, 18).
Bonden trac hem de stat ane, lY*, 11, 62. Earel
trac hem die crone an, Vod. Mus. 3, 442, 120.
Die rike vrecke trecken hem ane van den gemeinen
goede, meer dan hem behoirt, Ruusbr. 6, 130.
Hy en trecket hem niet an dat hem niet toe en
hoert , Hs. 80 /. 66r. Dat wy des vermetens van
zoute noch der corenmaten nemmermeer an hem
begaren sullen te hebben, noch dat wy ons dies
niet sullen anetrecken noch onderwinden, Y. d. Wall
81 {a. 1290).
b) Iets tot of op zich nemen ^ aannemen^ onder-
nemen^ veelal in ongunstigen zin, zich aanmatigen^
zich vermeten^ onderstaan. \\ Gelyc dat si mesdoen
dan, die hem tgerechte trecken an ende niet daer
toe sijn geset, Melib. 2903. In bem van roeme
niet so stout, dat ie mi trac an die ghewout uwes
kints moeder tsine, Diep. 123. Wat tekene doestu
dan, dattu di dit dus trecst an? Rijmb. 26129.
Omme dat een wyf hare trac an keyser te sine
als een man, Sp. III», 92, 39; Brab. T. 11,1645.
Die patriaerc Jan wildem met crachte trecken an ,
dat hi ware in sine tale patriaerc universale, III',
12, 13. So wien dat'quaetheit groot anlach ende
hem des duvels doen trac an, tot duivelsche werken
in staat was, S^. II», 27, 30. Ende trecken
an, dies niet bestaet, hem meer cracht ende
overdaet , Stoke X , 146. Al was dat hi hem
trac ane te glorieme boven allen goede int
previlegie der armoede. Franc. 3696. Om dat
gi u oec antrecken soudt die paepscap,D. ^. i^^f»/v.
16, 10 (Yulg. vendicetis). — Hem kerstine
wort aentrecken, de Christelijke belijdenie aan-
469
AENT.
AENV.
170
neme». || Die kerstine wort hem traken ane, S^.
I^ 46, 40.
e) Met eene zaak als ondw. Ontvangen ,
krijgen, \\ In wies tiden Ylaendren began eerst
hem grave trecken an, Sp. Dl. 1, bl. 460,ts. 201.
4) Hem lemen (lemen s) of ene (ere)
dinc — , zicA met iemand of iele afgeven^ zich er
mede bemoeien. \\ Soe sullen wy . . in geenre
wijs onss onderwjnden noch aentrecken deryeten,
Nijh. 4, 46 (a. 1426). Hy en is niet vrQ yan
sonden die ander Inden ambocht hem antrecket.
Ofln een monic biste, wat doestu dan onder dat
volc? Hs. 80/. 38tf.
6) Hem ene of ere dinc — , seieh iets aan-
trekken, in de hedendaagsche beteekenis, doch
zoowel yan aangename, tia onaangename gewaar-
wordingen. II Mi ware leet dats hem andronghe
eenich knecht, of des antrake, Denkm.3, 100, 174.
Om een goet woert datmen him gaf, dat sy him
billicz niet en sonden aentrecken noch aen honden,
MLoep I, 812. Trecti n deser talen an, OFl. Lied.
en Oed. 360, 1334.
AENTEOSSEN, (aentorssen), zw. ww. bedr.
Eig. opladen (ygl. TROSSEN), en yeryolgens yan
alles wat als een pak, een yracht, een last wordt
beschouwd, dien opnemen. \\ Hi {Het lichaam) is
wel sculdich zQn last mede daer of te dragen,
want hi sal ant goet wel willen deelen. Dus wilten
weeder antorssen. . . Ter stont als Reden dat ge-
selt hadde, so keerde ie weder ende troste myn
lichaem weder an. Pelgrim 38e.
AENTRECEENT, -de, bnw. Eigenlijk tegenw.
deelw. yan Aentrecken bedr. 3). Naar zich toe-
trekkend, inhalig. \\ Cromme naghele ende ghe-
boghen plegen ons de liede te toghen antreckende ,
on. Oed. 2, 62, 169.
AENTYOGEL, znw. m. Eendvogel. Zie Aent.
Mnd. dntvogel. \\ Hoenre , duyen , aentyoghelen
ende alrehande wiltbraet, Coren v. Jntw. 25, 80.
Aendyoghels no butoers, Livre d. Meet. 8. Einen
aentyoghel. Hor. Belg. 9, 78, 562.
AENTRÜCKEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als
aentrecken, zie ald. en ygl. Trucken. Aantrekken,
aandoen. \\ Tpellen, dat die ridderen ende haer
ghesellen deden onse (1. onsen) Here anetrucken,
£ed. d. M. 221.
AENV AEN (uaet of veet] vine, vingen, gevaen),
st. WW. bedr. Zie Yaen en yerg. Aenvanoen.
1) Met de hand aanvatten, aangrijpen , aantasten,
aanraken; de oorspronkelyke beteekenis, doch ook
als een intr. ww. met sijn yeryoegd. || Mettien hi dat
yel aneyinc dattem uptie scoudere hinc, J^. III*,
37, 27. Ende yinc an die dochter doot. Franc.
8479. Dus lietse Moyses daer staen , hine dorstese
niet aneyaen , F. d, Houte 335 yar. (in het teksths. :
„Hine dorste niet ane vaen'''). Si sgn den bisscop
anegeyaen, Sp. II", 51 , 5. Die ter yaert geyaen
sijn an Eusebius, ende woerpenne met steenen
doot, ald. 49. — In ruimere opyatting behoort hiertoe
ook de uitdrukking: — Gods name idelike
aneyaen, in den mond nemen , gebruiken. || Dijns
Gods name ende dijns Heren ne saltu niet te spotte
keren noch aneyaen idelike, Rijmb. 4583.
2) Iet — , yan goederen of rechten gezegd.
De hand aan iett slaan, dus iets in bezit nemen,
aanvaarden, gelijk, yolgens het oud-Germaansche
rechtsgebruik , men door handtasting of aanraking
zich sds eigenaar deed gelden {manum injicere).
Zie Grimm R. A. 589 ylg. en yerg. AsNyANC 2). ||
Hi heeft Amoude te doet geslegen, Boudins, sijns
broeder sone ende mede angeyaen sine eryachtichede,
VI. Rijmkr. 1816. Julius Cesar . . die met ge welt
aneyinc ende nam den (1. der) Romeinen mogenthei t
ende ere, i^. I*, 1 , 54. Vele manne siin nuweloep , . .
ende anyaen den nuwen coep, ende laten doude.
Vrouw. e. M. I, 425. Daer elc dat sine aneyaet,
Yelth. II, 4, 84. Soo wanneer eenigh mensche
sterft . ., soo sullen sgn erfgenamen s^jn goet
aenyaen, Mieris 2, 271ó {a. 1322). — Een rik e
(rijc), lant of lantscap — , in bezit nemen,
aanvaarden. \\ Dat conincrike yinc soe ane , 22(;md.
20425. Ooc so hebdi dorperlike met crachte ane-
gheyaen dat rike, 21813. Die tonrechte, ende
anders niet el, haren here hadden yerdaen ende
trike wilden aneyaen, Sp. III*,20,30. Hiyerdreef
den broeder Yrcane, ende yinc dat lantscap ane,
ende wilde s^n coninc met gewelt, I*, 75, 23.
Si wilden hem in staden staen, opdat hi tlant
wilde aneyaen, Stoke III, 19. Merct nu an dit
conincrike , daer menich om wonderlike geyaren es
diere quam ane, het es altoes yan irst taneyane,
ende metten swerde te houden, Yelth. lY , 1, 9.
Darius, die na Sogdiane tlant yan Persen yinc
ane, Sp. Dl. I, bl. 4, ys. 29. Seleucus, die eerst
Babyionen yinc an, Sp. 1*, 10, 2. Ende yingen
tlant yan Spaengen ane, III', 17, 66. Die yinc
ane beede die lande, III*, 89, 207. Omme meer
lants taneyane, lY', 12, 18. Ende aneyingen dlant
al omme ende omme, Lanc, lY, 12356. — Yan
een rechtsgebied of rechterlijk ambt Het aan- .
vaarden. \\ Ende dit (Seout-ambochf) sel Tideman
yoirsz. aneyaen den yersten na den tween naesten
jaren, die Heer Jan yan der Poel yan ons nu daer
of heeft beseghelt , mitten BaUiuscap yan Aemster-
lant , of dat Her Jan yoirsz. hierenbinnen yan den
Bailiuscap quame, . . so sonde hijt rechteyoert
aenyaen , ende ten eersten dat Tideman desen yoirsz.
dienst aenyaet, so sel hi ons . . betalen neghen
hondert pont. Mieris 3, 488a {a. 1388). ~ Als
rechtsterm gold Aenyaen inzonderheid yoor:
Aantasten, zich toeeigenen, in bezit of in beslag nemen,
II Ende goet ende rente, die hi yant . ., heeft hi
al anegeyaen, Brab. Y. lY, 174. Wie dat kerkelQc
goet yinge an also, dat hl ware in den ban, Sp.
lY*, 80, 29. Wesekindre goet niemene ane te yane,
hine hebd beset alse recht es, Y. d. Wall 114
{a. 1303). Dat onse lyeye here, her Edwart, . .
sal mogen aenyaen ende aengripen alle onse goet,
merende ende onruerende, Nyh. 2, 90 {a. 1356).
So wie enighe ketelen off emmers, . . daer men
mede te brande quame, . . in de brant aenyinghe
off thuys droghe, O. K. v. Rott. 40, 117. Soe
wye der stede goet anyaet onghewaert yan den
poirtmeesters , yerbuerde 3 f6, tetd. Keurb, 157, 14.
3) Met een persoon als object. Enen — , iemand
in verzekerde bewaring nemen , aanhouden , gevangen-
nemen. Yerg. Aenvangen 3). || Dat sy die aenfaen
ende aentasten ende houden by oeren liye ende by
oeren guede, Ngh. 2, 57 (a. 1352).
4) Enen — , iemand aanklampen, aanspreken.
Yerg. Aenoaen onz. 7, a. a, 1«. || Bayen so eerst
aneyinc ; boyen den anderen al te yoren yraeghdeso
hem, als ghi sult hooren enz., Amand I, 5167.
5) Enen — , iemand tot zich nemen, opnemen,
in yriendschap, g^nst enz. || SQn wgf die yinc
hi weder an, i^. lY', 47, 36. Karel die Simpel
desen aneyinc ende gaf hem Bloys, lY', 66, 4.
6) Iet — eene zaak in zich opnemen, aannemen.
II Onthier ent rode yaerwe yaet an , iV«A ^/. YIII ,
788 yar. (tekst neemt an).
7) Yan eene handeling, een besluit enz. Ter
hand nemen, aanvatten, aanpakken, ondernemen^
17i
AENV.
AENV.
172
annneMen^ aanvanyen. \\ Die boeme die gehloyt
8Uen en doen mi dit gedichte niet anevaen te toI-
makene , Limh. V , 3. Ie hebbe snlke dinc nu angaen ,
die ie node hadde anevaen, Larr. I, 836. Die lie-
den si en wisten wat anevaen , si en rnnmden tsat
(sUt?) II, 173. Dat hi orioge anevaen sal , 11,2780.
An hem heefti versocht den raet, hoe hi dat best
anevaet, Franc, 1077. Maer die Lnmbaert en wilde
niet aneyaen dat Karel riet, Sp. III*, 82, 81.
Dien ract so ringen si ane, IV", 30, 75. Wat
selen dan anevaen arme sondaren, Teeat. 3853.
Das pensede de jonghe man, ende vinc de saken
scerper an , Stoke VII , 689. Wat gi anegaet, aneva-
wi alle, Velth. II, 4, 53. Amand hevet dit wel
verstaen te sinen VII jaren ende aneghevaen,
Amand I, 179. Grote dinc anevaen, Franc. 230.
Quaet anevaen, Ltp. III, 27, 30. Dat belof anevaen.
Wal. 110. Hi vinc an dat bidden, Sp. II», 74, 98
(op deze plaats is ook het ww. vaen oen mogelijk).
Jonc vinc hi dat leeren an, II •, 77, 6. — Ook
van stoffelijke zaken, die eene handeling vertegen-
woordigen. II Want wapene en betamen di niet;
du heefse, alse die rovere pliet, kindNcelike ane-
ghevaen, Sp. I*, 17, 21. Den selven wech hi ane-
vinc, Amand 1^ 5846. — Een getal — , bjj eene
berekening, nemen ^ in rekening brengen. \\ XXX
sal men laten gaen ende dat ander daer boven
anevaen, Natuurk. 209.
8) Van een godsdienst en zijn plechtigheden,
een leefregel, een beroep enz. Ter hand nemen ^
aannemen^ op zich nemen. \\ Dat si Gods wet
anevingen, Sp. P, 8, 65. Ende vingen kerstijn-
doem daer an, I', 41, 47. Dat hi dat heilege
doepsel vinc an, Lanc. II, 24188. Vaet doepsel an,
ende ontfaet den Heilegen Geest.' Sp. P, 41, 42.
Wie syn vrihede wil ontfken die moet dat dopsel
anevaen, Lucid, 1726. Soe ne willen (l.wille) niemant
ontfaen die gene doepsel anevaen, 4233. Die dat
heylige sacrament vaet an, Velth. I, 24,38. Oftie
on werd am bocht vingen ane, Rijmb. 5392. Up datti
bleve in svaders woenste, hine sonde de hoocheit
anevaen moeten , ende ten dienste staen der weerelt
fel ende loos, Amand I, 303. Of die hordom
anevaen, Lucid. 3539. Als mense (de ;7/è») geckelic
aenvact sonder voerdacht ende beraet , MLoep I ,
3215. Int anevaen van goeder minnen zoet gewelt,
II, 766. Besniden es swaer anevaen, ^S^. I", 13, 58.
— Sp. IP, 2,25, komt, zeker door eene slordig-
heid van den dichter of afschrijver, de uitdrnkking
aenvaen aen iet voor, en wel: „So sal hi an
treligioen, dattu di nu pijns onderdoen, anevaen^
dat es kerstenheit." Men zeide een religioen
aenvaen of vaen an een religioen, doch
door den tnsschenzin ontsnapte het hem wellicht,
dat hij het voorz. an reeds gebmikt had , en zoo
schreef hy aenvaen in plaats van vaen.
9) Van moeite, ontberingen, lasten enz. Op zich
nemen of wel ondergaan^ lijden. \\ Du ne souts
niet allene dese grote pine dus anevaen , Rijmb.
4468. Hets recht, der (1. die) pinen anevaet , dat hi die
bate daer af ontfaet, Lucid. 5751. Die passie, die
hi aneviuc, 1681. In der vorhoede selense dan so
grote abstinencie vaen an, Velth. VII, 32, 25.
Met rechte souden wi sgn ghereder omoedichede
an te vane, Belg. Muê. 8, 449, 61. Ende selen in
Gode geloven dan , ende om hem die doet vaen an,
Velth. VIII, 8, 29. Vele kerstinen moesten dat
selve {den dood) anevaen , i^. III * , 5 , 68.
10) Van vergiffenis, verzoening enz. Aannemen^
aanvaarden. \\ Want die Roraeyne . . vergheven u
datter es mesdaen, eist so dat ghijt wilt anevaen,
Rijmb. 32094. Dat men die soene sonde anevaen ,
Velth. III, 2, 14.
11) Aanvangen (in de hedendaagsche beteekenis),
beginnen. \\ Ende om datter goede mede waren
ghevaen, dies moeten wi na anevaen, ende sullen
der goeder ghewaghen , Rijmb. 16233. Nu eist tyt
dat men aneva den strijt, 28725. Niemen ne durst
eerst anevaen, want wie soot dade, storve saen,
32951. Nu latewi die tale staen van Lancelote,
ende anevaen van Bohorde te hondene tale, Lanc.
IV, 3533. Nu latic van desen Graven bliven; ie
saelt wel weder anevaen , Stoke 1 , 800. Ende wille
de redene anevaen te segghen wat de coninc dede,
III, 958. Van haren geesten laet ie staen: daer
om heb les niet anevaen te telne, VII, 1069. Met
spreken heefti dit anevaen , so dat hi een andwerde
gewan, Velth. V, 8, 34. Ende dit laet ons eer
anevaen, dat wi niet vervaren saen, VII, 21, 49.
Alse die priester die misse reet, tierst dat hidan
aneveet , dats dat hi sine hande dweet , Bed. d. Jf.
153. Ende hier met modijs mi wale, here, verlaten
tesen male, ende vawi een ander an, VII, 1749.
= Blijkens de aangehaalde voorbeelden staat a^i»-
vaen in vele opzichten gelijk met aengaen (zie ald.) ,
waarmede het in verschillende opvattingen overeen-
komt en niet zelden als variant afwisselt , als b. t.
Lip. III, 27, 30, enz. In de boven aangehaalde
plaats van Velth., III, 2, 14, leest men: „die soene
anevaen ^^^ overgenomen uit Heelu 3980, waar
anegaen staat.
AENVAERDEN , aenverden , aenveerden
(verl. deelw. aenvaer(eiïgeaenvaert;(yokaengevaert)y
zw. WW. bedr. Ohd. anafartón. Of van Vaerde ^ vaert ^
gang, tocht, reis, en dus zooveel als aengaen (zie
ald.), waarmede het in verschillende opvattingen
nagenoeg overeenkomt, öf van een mul. niet voor-
komend WW. vaerden. Verg. JVrf/. Wdb. op Aan-
vaarden en hier Aenvaerdigen.
1) Met eene plaatsbepaling als object. J>e vaart
of den tocht er gene heen oiulernemen^ zich £>p weg
begeven naar; de oorspronkelijke beteekenis. || Si
daden hem alle up die vaert: Ermeline ende here
Reinaert, ende hare jonge welpkine, dese anevaerden
die woestine. Rein. I, 3333.
2) Met een persoon als object. Enen — , tot
iemand komen y hem naderen., zich tot hem wenden ^
met toespraak, verzoek of bede, of ook op on-
vriendelijke wijze ; fr. aborder. \\ In wat manieren
hi mi aenvaerde , als ie hem bi was comen ,
Pelgrim 31c. Die hem ansprake met onwerden, 8i
soudense vriendelijc aneverden, Rote (C) 8141.
Doe ickene horde dus antworden en dorsticne meer
aneverden, 3491 (verg. C. 3449). Alse God, so
wilt God sijn gewerdt; alse Vader, met minnen
aneverdt; alse Here, ontsien, dat wel betaemt ,
Rincl. 879. Die gecken sijn lichtelic aen te vaerden,
mer quijt machmense qualic waerden, MLoep I,
815. Omb dat die vurscr. renthen all gemeynlick . .
versett ende verpant weren an diverse voill per-
soenen, soe anferden ende antasten elck besonder
die selve , dair die renthen an verschenen weren ,
d. i. zoo spraken zij ^^wo/im, Nijh. 5, 193 (a. 1486).
3) Enen — , met vijandige bedoeling , op iemanei
af kamen , hem te lijf gaan , aantasten , aanvallen ,
aanranden. Kil. arripere^ aggredi. || Ende doen dat
dier ward sijns geware, quanit gevlogen in dier
gebare oft die duvel hadde gewesen , ende aneverde
Lancelote binnen desen, Lanc. II, 46551. Want
als men slaet dat een doet , tander heeft den rouwe
so groet, dat et navolghet den mordenare: hine
stonde nemmer in suiker scare, en sallen willen
473
AENV.
AENV.
174
anevaerden, Nat. BI, VI, 117. Sarrasine, . . diese
fellike aneyaerden, Franc, 5129. Soe wort hi op
den wech aonvert van den baillin met wreet-
hede, Brab, T. VI, 9120. Soe wert hi haestelic
aenveert van Janne den Jode, VII, 4092. Dat si
OToreendroegen daer naer den bisscop taneverden
aldaer, so dat hi vlien moeste doe, Velth. VI,
26, 14. Qualic mochtene iemenne aneverden, Bjote
13228. Dns dorsten sine qualic aneverden, lAmh,
III, 383. Doen si sach dat si en can niet comen
van den jongen man, die hare altoesanevert, sette
si vore therte tswert, XII, 407. So wie bi hem
selven ocht bi ander liede yement binnen sijnre
woningen aenveerdt ende Men doot sleet, 5r«l J.
Dl. 1 , bl. 782 (a. 1330). Die ieniant met eenige
wapens anders als met blooten handen naejaegt of
aenvaert, Oork, aang, bij V. Hasselt op Kil. Ware
dat onsede ghesciede, ende tsheren cnapen . . die
ghene aneverden die onsede daden, CAart. v. Waelhem
12. Hi gincse daer vaste anvaorden, Merl. 29290.
Soo wie den anderen stoot ofte slaet of aenvaert
in toome, Hando. v. Alkm. 15b. — Ook van het
aanvallen of bettormen van vestingen of kasteelen. ||
Met pieken , met hantaezen , met swerden , gingense
tgravensteen anverden, ende optie porten slaen
ende houwen, Velth. IV, 9, 11.
4) Aantasten, te lijf paan, in erotische toe-
passing. II {Een henx^ loept te blassen ende te
lierde , ende salse alle willen aneverden , ende ane-
springen ende assellieren, Base 12861. Mettien
toech hise te hem wert, entie ridder onververt
aneverde die maget scone: dat haddi van hare te
lone, Umb, III, 669.
5) Enen — , iemand vriendelijk aanvatten, om" \
helzen. \\ Daer elc anderen aneverde met meerre
vronden, met meerre lieve, dan men gescriven
sonde in brieve, Sp. II», 46, 36 (Vinc: seinvieem
eomplexi sunt). Dat soe noit was geanevaert van
genen ridder, daer iet awih, Jltd.Blatter 1,206.
— In den zin van (gastvrij opnemen, besehennen,
van een asyl of vrypUiats gezegd, sch^nt aen-
vaerden voor te komen Handv. v. Alkm. 936: |j
Onser ondersaten huysen binnen Hoorn bv nachte
bestoken . . , ende dat gedaen z^nde , weder opten
Kerckhove gaen , niet anders wetende dan dat him
luyden die vryheit der Heyligher kercken wederom
schuldig is aen te vaerden ende sy daer inne vry
te wesen ende te berusten {a. 1469).
6) Enen of iet — , de hand. slaan aan iemand
of iets, aanvatten, aanpakken, aanraken. \\ Ende
lietenen alsoe liggen daer int velt met dier qnetsueren
swaer, bloedende seere over doot; ende niement,
clein noch groot, . . en dorstens aenverden niet,
mUlus audebat contingere, Brab. T. VI, 9129—35.
Tsacrament begost zere jammerlick te bloen , doent
Jan Bautoen metter hant aenverde, Sacr. bl.
77, 16. Gaet weder tot den vissche ende aenveert
hem met der caken, ende trecten opt droghe,
Exc. Cron. 16a. Dat een (m den hof) te plucken
ende te aenveerden, ende dat ander verbi te gaen.
Fase. Temp., Frol. Iv. Der weerelt temptacie es
al niet, dan elke dinc hare biet ten meinsche
onderdaen, weder hise anevaert so vliet, Wap.
Bog. 1780.
7) Met eene zaak als object Iet — , iets onder-
nemen, aanvajtgen, beginnen, van handelingen ge-
zegd. II Eer ie aneverde enege sake, daer ie u
mede doe tongemake , Bose 3279. Weet oec, gheselle,
die huwelijc maken, dat si aneverden zorghelike
zaken, Bose {(f) 8113. Ene die mi lichte ene
grote pine aneverden doet, Limb. III, 8. Nu en
weet die grave Gaidoen , wat aneverden no wat
doen , Belg. Mus. 7 , 445 , 147. Ie vinde ene grote
(aventure), ende die ie oec sal aneverden, Torec
1122. Noch vragic oft hier enich man dit ane-
verden der oft can, Velth. in, 28, 21. Dies gi
hadt bi uwen aneverden geeocht die dinc boven
haerre warde, Bose 7721 = C. 7617. (De beide
hss. hebben aneverde, ter herstelling van het rijm.
Doch kenneiyk is de infinitief bedoeld (als in bi
uwen doene), en niet een znw. anevaert, dat dan
ook vr. zou moeten zijn). — Een boec — , een
boek beginnen, ondernemen het te schrijven. \\ Maer
op u, Vroawe, ben ie gereet taneverdene dese
boeke nu, Velth. VI, 31, 64.
8) Van goederen gezegd. Iet — , iets aanvaar-
den, in beslag nemen, in bezit nemen, zich toeëige-
nen. || Sone willic langer beiden niet tanevaerden
dinc , die behort te u , Bose fr. bl. 255 , 120. Dien
scat dien oec die here aenveert, hemelrike hire
omme ontbeert, X Flagh. 2074. Ende slouch met
crachte an tlant sine hant, ende aneverdet al te
hant , VI. Bijmkr. 1062. Ende (hi) den appel opt doode
rijs niene hadde aneveerdt int paradijs , i2tf»r/. 135.
Hertoghe Reinout . . als hertoghe Willem aflivich
waert, sijn brueder, hadde gheaenvaert stat ende
slot, Brab. Y. VII, 411. Sonder taenverdene enege
S ronden, Heelu 5988. Die behaeht guet aneveert,
at metten rechte es behaeht, Willems, Meng.
444. Als die vier schouwen van desen voirge-
noemden amboehten op die Goude comen met hoiren
geswoiren den waterkeer te deelen, eer men ane-
vairt voor elcken rechter tsgn ontfange mergen mor-
gens gelijeke, Oorkb. 2, 2326 (a. 1284^. Soe hebben
wi anevaert de stat van Heehelne , ende dat daertoe
behoert, in onse handen te sine den tyt dat die
orlogh duren sal , Brab. Y. , Dl. 1 , bl. 820 {a. 1840).
Alle hoir goeden laten anvairden ende gebruken,
V. d. Wall 387 {a. 1404). Dat sii . . hore coep-
lude lyve ende goede . . sullen mogen berden ende
aenvaerden, 496 {a. 1425). Waert dat (hi) enech
hout daer in vonde ende ligghende bleve boven
den derden dach, dat selen deghene die hiertoe
gheordeneert sijn aneverden, wechdoen ende be-
houden moghen , Coren v. Antw. 40 , 137. Dat zoe . .
tgoed van haren voorseyden man gheanneveert
heeft, Cout. v. Brugge 2, 42 («. 1461). Van wol-
len, die zine vriende upten vlaemsehen stroom
anevaerden, Bek. v. Zeel. 2, 208. Dat Boudin Jansz.
dat goet van mijns heren weghen gheanevaert hadde,
210. Clais Willems, die een scaep gheanevaerd
hadde, dat Aeghten was, 345. — Ook van het
innemen eener plaats, in de uitdrukking: Eens
rechter hant — , aan iemands rechterhand plaats
nemen. \\ Daerna so is die aertsche biscop van
Mense, Cancellarius van Germanien, ende aenvaert
stjn reehterhant, Ned. Proza 112. — Soms wordt
het WW. ook scheidbaar gebezigd: aen te vaer-
den, aengevaert', \\ Dat goet waert al aengevert
van tsheeren wegen van Breda, Mieris 2, 3586
{a. 1325). Macht , dese voorseide Graeffelykheden ,
heerlijkheden, ende alle hare toebehooren . . aen
te vaerden, Pnv. v. Brielle 40 (a. 1366). Doe
heere Jan van Boesendael . . die roede van de
schoudambacht angevaert hadde, V. d. Wall 427
{a. 1411). In wat manieren dattu dat lant geeoft
hebste, dattu, oft u waer, aengevaert hebste,
Oesta Bom. c. 128. Dat Huge tonrechte die Eran-
sche crone aengeveert hadde , Exc. Cron, 93<^. Lude ,
die den dijc van Mannee aneghevaert hadden , Bek.
d. Gr. 2, 208.
9) Van onaangename gewaarwordingen , rampen
175
AENV.
AENV.
176
enE. f ze aa»Hemen , droffen , er zich in tchikken,
II Maer hi seide hi ware gereet dor hem tanver-
dene lief ende leet, Lorr, II, 2226. Dat hi ane-
verden aal dat qnade ende sine mage orlogenf II,
2565.
AENVAEBDIGEN (aenveerdioen, aenver-
DiGEN, aenvierdigen), ew. WW. bcdr. Jongere
verlengde vorm van Aenvaerden (zie ald.) , vooral
in Gelderland en Overjjsel gebruikelijk. Mnd. an-
verdigen.
1) Aantatten^ aanvallen^ aanranden. Zie Aen-
vaerden 3). II Wy sullen voirt alle coeplude , die
onse ondersaeten sijn , veyligen ende gheleyen na all
onser macht; ende weert dat sy (= ze) ymant bekum-
merden off met ghewelltliken saken aenvaerdichde ,
dair sullen wy mit all onser macht samentliken
over vallen, Njjh. 3, 74 {a. 1378). Worde hi an-
gheverdighet die verdecket ware, Overijs. Recht.
I > , 19, vgl. 199. We daer boven in dat hnus
stormede oft dat huus anvierdeghede mit verboden
wapen, alse manech man, also manighe XL pont
sal hi gheven ter stat behoef , I ^ , 42 , verg.
146. Weert sake dat de wachter noetwere dade op
den die oene anvierdeghede, dat ware brokeloes
tghighens de stat, I*, 62. Waert sake dat twen
partien een vrede gheboeden woerde, ende daer
nae de eene partie de anderen aenvierdegheden
ende de anghevierdeghet woerde noetwere daede,
I>, 64. Wat were dat die gheno weder dede die
angheverdighet worde, Stadr, v. Zwolle 70, 68.
Soe wie den anderen mit eenige wapen dan myt blo-
ten handen jaghet ofte aenveerdiget, Schwartz.
1, 578^. Zie nog Racer 3, 200; 6, 67.
2) Aantasten^ in bezit nemen ^ zich toeeigenen.
Zie Aenvaerden 8). || Want ouders, voirvaders
ende brueders Heeren Sweders voirsz. . . aller
wegen hem geset hebben, so sy hem noch setten
tegen der kercken voirsz. , derselver kercken rechten
ende heerschappyen geweldelic an te veerdigen
ende te becommeren, Matth. Anal. 3, 634. Bat
gene dat iement hadde aengetastet oft aengevier-
diget , dat nyemant anders in sijn beholt en hadde ,
Racer 3, 189. Aentasten noch aenvierdighen , B.
V. Zutf, 113, 10.
AENVAERTEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als aen-
vaerden 8) , waarvoor het wel eene verkeerde schrgf-
wijze zal zijn. jj Die guede souden die heilighe-
geestmeesters totter armer behuef eyghentlic an-
vairten ende antasten. Leid. Keurb. 493, 19.
AENVAL, 'Valle, znw. m. Van Aanvallen. HLndi.
anval.
1) De wijze van naar iemand toe te komen of
zich bij hem te vervoegen^ de manier of toon bij het
aanspreken. Verg. Aenvallen I, 2). — Spreekw.
II Soeten aenval maect soete antwoorde , Spreuken 81.
2) Aanloop y bezoek van gasten^ toeloop. Verg.
Aenvallen I, 2) en Toeval. Vooral in de Gra-
felijke en Stedelijke Rekeningen wordt herhaaldelijk
melding gemaakt van onkosten, aan lands of stads
afgevaardigden vergoed wegens den aanval of het
bezoek van personen, die zij als gasten ontvingen.
II Doe Symon ende Hughe . . dese voerscr. \V^ hoet
tarwen coften, waren si uut vijf daghe , verteert
mit horen knechten ende mit aenval van alrehande
Inde . . VII ffl II d., Oorl. v. Albr. 102. Verteert
mit horen knechten ende mit alrehande anval van
luden, 103, 104, 105, enz. Mids anval van veel
goeder luden, Bel. v. Leid. 405, 406, 407, 430,
431 , 444. Mit anderen anval van goeden luden ,
405. Mids anval van veel goeder luden, die si ten
eteQ laadden {of die dair mede aten), 402, 403,
411. Mids anval van . . (jenoemde pereonen)^ die
over maeltyt quamen {of die hem over quaneo) ,
402, 403. Verteert in den Hage mit veel anvals,
201. Van cost, mit anval, enz.^ 235. Boven sgnre
leveringe, overmits sgns aenvals dat (/. diei) hi
hadde, 347. Ende bi wilen anval hadden van den
Capiteyns ende van anderen goeden luden , 438.
Somty t laten sij die steden . . , om een beter itede
of om meer anvals van den volke , Ht. 88 /. 75^.
3) Aanval^ vijandelijke aantatting , de hedendaag-
sche beteekenis , die ook reeds in 't mnl. geToon
was. Verg. het aangemerkte bg Aenvallen 1,4).
4) Van goederen of rechten gezegd. Het toe-
vallen^ ten deel vallen^ aankomen (aan iemand),
de aankomt t^ de eigendomeovergang. Verg. Aen-
vallen II, 1). II Vermits anvalle in eygendoms
rechte. Racer 4, 199.
5) Uit de vorige beteekenis ontwikkelde zich de
concrete opvatting van het woord, dus: Hetgeen
iemand ten deel ie gevallen^ inzonderheid bg erfe-
nis; erfdeel: „Hereditatie portionem, quae vulgo
an ual dicitur ," Oork. van 1292 , aangeh. by Lubben
1, 112. Verg. Koseg. 1, 417; Ben. 3, 222;
Lexer 1, 84. || Voirt sall jonffh)uwe Kathr^n . .
witlike vertichnisse doen op alle medegaven ind
op allen anvalle ind versterffhisse , die hoir . .
ansterven moegen, Nyh. 4, 9 {a. 1423).
6) Een recht aan eene zaak verknocht^ dat ale
bijkomend voordeel met die zaak overgedragen wordt
of aan iemand ten deel valt. || Dat cleyne weer-
deken . . mit alsulken sanden, die tusschen den
Voeren ende den weert, geheiten die Ontrouwe,
gelegen sgn, ende dair tusschen namaels vallen
mogen, mit hoeren toebehoeren ende anvalle erftike
te besitten, Ngh. 3, 155 {a. 1393). Onze land Tan
der Scellinge . . mit allen renten, profiten, aen-
valle, ende mit anders allen sinen toebehoeren.
Mieris 4, 413a {a. 1417). Renten ende alle aenvall ,
die die vleyschouwer hadden, R. v. CT/r. 1 , 306 , 1.
7) Aanwas van grond door aanslibbing. Verg.
Aenvallen II, 3) en Aenscot. || Oock soe veer
als die aenvalle van opcommender erffenis neder-
waert ginck, verby die maelscap van Aefferden,
Nyh. 2, 223 {a. 1368). Men zal in deze woorden
6f aenval 6f gingen moeten lezen.
AENVALLEN {viel^ vil of vel-, vielen^ gevallen)^
st. WW. onz. Mnd. anvallen.
Vï Met een persoon als onderwerp.
1) Met den 3den nv. Enen — , voor iemand
nedérvallen^ t. w. als smeekeling. || Ende viel
hem te voeten ane, Sp. II*, 37, 158.
2) Met den 3den nv. Enen — , eigenUjk, ziek
bij iemand vervoegen^ naar hem toekomen, kern
bezoeken. Verg. Aenval 1) en 2). || Ende quamen
alle them gelopen, want si kenden den horen wel,
so datter hem anevel omtrent C ende meer, i^.
rV', 25, 36. In een cleene husekyn, daer hem
heilech geselscap fijn ane viel, sinen leven volgende
naer, II*, 82, 5. Dair him onderwegen aen vielen
heren Jan van Heemstede ende here Jan die
bastart van Bloys mit anders myn heren gesinde,
Oorl. V. Albr. 196. — Uit deze algemeene be-
teekenis ontwikkelde zich eene tweeledige op-
vatting, naar gelang het komen tot iemand met
vriendschappeiyke of vyandige oogmerken ge-
schiedt; t. w.
3) Enen — , iemand bijvallen, toevallen, ale
vriend of bondgenoot tot hem komen, zijne zijde of
partij kiezen. Verg. Vallen (an enen). \\ Oec so
viel hem groet volc ane, Vl. Rijmkr. 9428. Des
derden dages, eer leet noene, hadde hi wel drie
in
AENV.
AENV.
178
dnsent man, die hem alle vielen an, Stoke Y,
544. So datter hem so vele vielen an ende hem
manscap daeden, Lane, II, 4696. Hoe groet hem
anviel die meysniede, Yelth. Y, 4, 34. Want al
tfolc gemeenlek dan aal hem met herten vallen
an, Z«{9. lY, 3, 9. Doe in der tijt . . was veel
twydrachten binnen Utrecht, dattie geen . . seer
toegebracht hebben mitten ghenen die hem an-
vellen , Matth. Jnal. 3 , 342. Doe vielen hem die
Joden an, dat hi wel X** man hadde, B. v.
1357, 284^. — Ook zieA wijden aan den dienst
eener godheid, \\ Ende nochtan so vielen si afgoden
an, Sp, 11^, 21, 5. — Ook met het voorz. met.
Met enen — , ienutnde zijde kiezen. || Yele prencen,
die te voren metten keyser hadden gesworen, sijn
metten panes ange vallen, Sp, lY', 73, 41. Die
gnede Joden , die daer int lant waren , die vielen
mit Judas an, £. v, 1357, 2Mc,
4) Aenvallen gold echter evenzeer in den tegen-
overgestelden zin van al* vijand tot iemand komen^
hem aanvallen, aantasten^ de thans gewone be-
teekenis. Zoo b. v. Heeln 6222, enz. Yerg. het
aangemerkte by Aen wassen II, 2). Evenzoo had
Aenval zoowel de beteekenis van vriendschappelijk
bezoek als van vijandelijke aantasting,
II) Met eene zaak als onderwerp.
1) Met den 3den nv. Enen — , van goederen,
rechten of verplichtingen gezegd, aan iemand ten
deel vallen, \\ Tote dien dat elc apostel nam
sgn lant, dattem aneqnam in te predekene, nam
Jan Ephesnm, want het viel hem an, j^. I^,
48, 22. Dus es hem heerscap angevallen, II*,
22, 34. So war ons dat goit vri ende leydich
onsen wille mede t« doene, ende also vort van
dien anderen , dien dit goit anevallen mach ,
Oorkh, 2, 4266 {a, 1296). Dat . . allen anderen
hout ende bate, van den voirscr. bossche dair en
boven comende, sal aenvallen ende toebehoiren
sinen genedigen here, Brab. T, Dl. 2, bl. 631
(a, 1376). De stad van Antwerpen , met allen haeren
toebehoirten , van ons in leene merende , ende hem
aenghevallen ende toecomen nae doode . . sQnre
moeder, bl. 731 {a. 1404).
2) Met den 3den nv. Enen — , overvallen^ over-
komen ^ van niteriyke omstandigheden of inwen-
dige aandoeningen. || Een storm viel hem doe
an. Brand, 425 (Brand, (H.) 408: „Een storm hem
anviel"). Of geene temptacie viele an den mensche ,
H^ap, Bog, 1704. Scaemte viel hemlieden an, 690.
Eest dat hem gheen ongheval aen en valt, Stadr.
V, Zwolle 141, 239. Dat hem alsnlc ongheval anghe-
vallen waer, ald,
3) Yan den grond aan den oever der rivieren.
Aanwassen door aanslibbing ^ aanspoelen. \\ Opcom-
mende erffenis {grond) nnt ryvieren aengevallen,
sonder enych dyep tusschen te gaen, neempt een
yegelick myt recht, die daer neven geërfft is, nae
breyden syns erffs np die ryvieren schijtende (/.
schietende). Dat dese gront van desen kQff-
weerdt hoere erffenis is eyrst aengevallen , Nijh. 2 ,
223 (a. 1368). Ende so wes van ennigen sanden
anviele an mgns ghenedigen heren voirscr. weerdt , . .
dat sal minen genedigen here voirscr. bliven, 3,
186 (a, 1393).
AENYAN6EN (vinc^ vingen^ gevangen)^ st. ww.
bedr. Mnd. anvangen. Byvorm van Aenvaen
(ogerm. ^fanhon en fdhan)\ zie ald.
1) Aanvatten^ aangrijpen^ aantasten, de hand
slaan aan, zoowel in vflandelijken als vriendschap-
peigken zin. Yerg. Aenvaen 1). || Die sijn mes
vnystede of eenige ander dlnge . . in toemigen
moede anvenge, Racer 5, 368. Een man sal aen-
vangen die hant syns naesten, D, B, Zaeh. 14,
13 (Ynlg. apprehendeé), — Ook met eene zaak als
ondw. II Dese bescamenisse en sal ons niet aen-
vangen, D. B, Mich, 2, 6 (Ynlg. eomprehendet),
2) Yan goederen of rechten. Aantasten, en dns:
in bezit nemen, aanvaarden, zich toeeigenen ^ of
zich als eigenaar er van doen gelden, Yerg. Aen-
vaen 2) en Aen VAN c 2). || Ende wilde die crone
vangen an, Sp, III', 7, 42. Entie Roemsce crone
te vangen ane, lY* , 19, 60. Zo moegen wi onsen
tolle tot Huessen weder aenvangen ende gebmken ,
Nyh. 3, 49 (a. 1377). Dat gnet of ghelt en sal
hi niet an vanghen, hy en doe dat bi den scepen,
Stadr, V, Zwolle 139, 232. Yan den erve . . dat
hy aenvangen wil, ende slaen sQn handt daer met
recht an. So wanneer den aenvanck geschiet
is, soo sal een yegelQck ten gelycken kost daer
tegens mogen aenvangen, dien dat belieft.
Daer sal den eersten aenvanger wesen den eersten
aenlegger der saken, ende den lesten aenvanger
verweerder. Soo wient belieft . . goeden niet
aen te vangen , die sal dat aenvangen by den heer
ende by den gerechte enz,, Ondenh. Z, Holl. 495
(a. 1433). Want si qnamen om aen te vangen hoer
besittinge, D. B, I Chron, 7, 21 (Ynlg. ut invaderent),
3) Met een persoon als object. Enen — , iemand
in verzekerde bewaring nemen, aanhouden, gevan-
gen nemen, Yerg. Aenvaen 3). || Wair datyemant
den anderen over dief anevenghe binnen sinen
hnse, Privil. v, Brielle 17 (a. 1330). Die sonde
die rechter aenvangen ende in hechtenis honden.
Mieris 3, 2016 (a. 1366). Solcken openbaren mis-
dadiger sonder vervolch van recht aenvangen nnd
te hove brengen, nmb by den heer gestraft te
worden, Landr, v. Vel, 6. De openbare misdedi-
fers . . op des heeren kosten aen te vangen nnd
en drost ofte richter te leveren, ald. 8.
4^ Met een persoon als object, die eene waardig-
heid of een ambt vertegenwoordigt, als: graven
aenvangen, graven krijgen, ze als bestuurders
ontvangen, \\ Dns begon Hollant grave te vanghene
an, Stoke I, 445; verg. 395: „dattet grave ont-
finc."
5) Yan eene handeling, een besluit, een leefregel
enz. gezegd. Ter hand nemen, aanvatten, aanpakken,
ondernemen, aannemen, Yerg. Aenvaen 6), 7) en
8). II Des radic minen vrienden dan, dat si de
waerheit vangen an ende laten de boerden varen.
Franc, 45. Ende welke strate gi mi wilt sinden,
ie derse anevangen wel, al waer so noch also fel,
Lane, II, 43721. Doe moesti enen raet vangen
ane, Fl, Bijmkr. 6988. Wat rade selen wy vangen
an, daer wy dese overdaet mede keeren? Grimb,
II, 76 var. (in den iékBligaen an). Alse aenvinghen
een deel der liede kersten ghelove met niede,
Teest. 538. Ende vangen dat doopsel ane, ^.11',
16, 105.
6) Aanvangen, beginnen, ergens toe overgaan, on-
geveer de hedendaagsche beteekenis. Yerg. 5^ en
Aenvaen 10). || Dat die goede man die dinge
wilde vangen an, Sp, II*, 33, 74. Ende om dat dit
rike hanget an u, ende es sonder berechtere nu,
hets wel noet dat vanget an te nemene enen
weerden man, Lane. TV, 7975. — Yandaar, in
bgzondere toepassing op de bebouwing van den
grond, de afgeleide beteekenis:
7) Ontginnen, d. i. aanvangen of beginnen te be-
bouwen. II Dat werdeken (de kleine waard), dat
gelegen is in den Wael tusschen Daemic ende
Haelderen . . dat her Jacob van Ambe aengevangen
179
AENV.
AENV.
180
hadde, Nijh. 2 , 36 (a. 1348). — Verg. de aant. ald. :
„Zoo komt dit woord, ia de registers der han-
delingen Tan de Yoormalige Rekenkamer van Gelder-
land, nog in veel lateren tijd, dikwyls voor.**
AENVANGERE (aenvanger), znw. m.
1) Hij die ieU in bezit neemt of zich alt eigenaar
doet gelden. Zie de aanhaling by Aenvangen 2).
2) Hij die iett in heelag neemt of oenAaalt^ als
verboden waar of wegens onwettig vervoer enz. ||
Geen torff uuten Overstichte gcvuert te werden
op die verbnerte van scep ende torff, die twee
deelen tot proffyte van den keyser ende tderdendeel
tot proffyte van den anvanger, Racer 2, 294. De
oorkonde is van 1527, doch het woord in deze
beteekenis blijkbaar van oude dagteekening.
AENV ANC, -vange^ znw. m. Yan ^^poéw. Mnd.
at¥Hmk^
1) Het aanvatten^ aangrijpen^ aantasten; de aan-
val. Zie Aenvaen 1) en Aenvangen 1). || Als
die coninc meende sinen meesten aenvanck te doen ,
80 qnam hi mit sijn volc in haer gheschnt, Exe.
Cron. 294a.
2) Het aanvaarden of in bezit nemen (van goederen
of rechten), ook de hand leggen op eene zaak (alt
Aandeltng waarmede een geding begint)^ en in verband
hiermede Aet proces, met die handeling begonnen. Zie
Aenvaen 2) en Aenvangen 2). || Als twye
mannen twisten omme anevanc van erven. Oor kb.
2, 375Ó {a. 1292). Yan een onrechten anevanc
van turve .... Yan een onrechten anevanc an
zoden, B£k. d. Graf. 1, 278. Van aenvangen van
erven. — Alle aenvangen van erven snllen gedaen
werden . . elck in synen ambacht, met schoat
ende ten minsten vier heemraden, Oudenh. Z. Holl.
495 (a. 1433). Zo zal men alle zeventnghe binnen
der stede honden ten eersten dage np dat erve,
dair men dien anevanc eerste bestaet ende anevaet,
O. W, V. Amst. 17, 15. Yan allen zeventnghe zo
zullen die houders ende die aenclaghers comen te
aenvanghe binnen vlertien daghen, ald. Waert
datter eenen aenvangh viel van tilbare goederen,
Handv. v. Enkh. Aa. Die den aenvangh verliest,
die verbeurt 10 schellingen, ald. (a. 1346). —
Aenvanc doen aen iet, iets in bezit nemen,
zich toeëigenen , de hand er aan slaan. \\ Die anevanc
doet an een pard, an ene coe, ofte diergelijcke, die
verboert twee schellinghe. Oor**. 2, 282* (a. 1289).
Die onrechten aenvanc dede aen eens anders beest^ ,
Mieris 1, 6176 (a. 1299). Yan allen goeden daer men
onrechten anevanc ane doen mach, Y. d. Wall 119
{a. 1303); Mieris 2, 30*. So wie een aenvanc doet
teghens yemande, O. K. v. Kott. a. 59. Waert
dat eenigh een onrecht aenvangh dede aen eens
anders beest, Handv. v. Enkh. 2a. — Ookvereenigd
met andere woorden van soortgelijke beteekenis. j|
Hier op begheert hy selfs vaers aenfanx, toeganx
ende oiganx , ende al dat hy mit een eyghen recht
sculdich is te begheren , Westfr. Dingt. 9. — In de
onde keuren vindt men herhaaldelijk artikelen,
handelende Van aenvanc of Van onrechten aenvanc ,
in welke de woorden Aenvanc , Aenvaen , Aenvangen
en Aenvanger telkens voorkomen. Zie b. v. Mieris
t. a. pi., Oudenh. Z. Holl. 468, 471, 476, 495
vlg.. Racer 3, 188 enz.
3) Uit deze beteekenis ontwikkelde zich, in con-
crete opvatting, die van het in bezit genomene, de
bezitting, het goed. \\ (Hi sal) zweren an den
heilghen , dat hi anders enghenen anevang en heeft
daer hi mede betalen moeghe dan sijn erve, Stadr.
V. Zwolle 95 , 135. So wie dient om der minnen
danc, hope es sijn hoochste aenvanc, O VI. Lied
en Ged. 303, 2061. — In figuurlijke toepassing
op een persoon in den zin van schat. \\ In dgn
bedwanc . . . so moe tic bliven , . . . mjjn hoochste
aenvanc, mijn hoogste goed, vor alle wiven, O VI.
Lied en Ged. 181, 11. Al waert ooc al der werelt
leit sonder di, myn hoochste aenvanc, 191, 31.
4) Het aanhouden of gevangennemen (van per-
sonen). Zie Aenvaen 3) en Aenvangen 3). ||
Wert saeke dat die richter ofte die schepenen
solden doen een aenevanck . . . soe dat sie yemande
woendeden, Racer 5, 296. Zie ook 5, 76.
5) Aanvang, begin; de hedendaagsche betee-
kenis. II Yan Juliane die ierste anvanc was dat
hi ter scolen ghinc, Sp. II*, 22, 28. Een haestich
anevanc ter minnen, MLoep I, 727. Een haestich
anevanc van liefden, I, 1077, enz.
AENYAREN (voer, voeren (voren), gevaren), st.
WW. onz. Zie Yaren. Mnd. anvaren.
1) Aanrijden, voortrijden (naar een bepaald doel).
Hetzij absoluut, hetzij vergezeld van eene bepa-
ling met te. \\ Ie wille vergadrep die vrienden
mijn,.... ende varen te Bajoene an, Lorr. II,
264. Die van binnen voeren an, Ferg. 5363. Jonc-
here Willem, dat jonghe kint, voer al mede ter
hoefsteden an, Stoke YII, 1124. — Inzonderheid
aanrijden met een vijandig doel, aanvallen. \\ Die
lieden, die dat versaghen, voeren vromeliic ane,
lAmb. II, 1565. Onder alle die Gryffoen en was
so stout no so coen, die yerst aen dorst varen,
Trogen f. 234*. Hi voer an al sonder raet, Stoke
YII, 61. — Comen aenvaren, komen aanrijden. ||
Ooc quam daer gevaren ane die grave Diederic
van Yiane, Grimb. II, 3131.
2) Met den 3den nv. Énen — , op iemand <um-
komen, aanrijden of aanvaren, hetzg met vriend-
schappelijke of met vQandige oogmerken, en dus
in tweeledige opvatting:
a) Zich bij iemand aansluiten als bondgenoot. \\ Dese
voeren den anderen ane , ende die Turken worden ghe-
scofflert , Brab. Y. III , 1544 (verg. Sp. lY», 18 , 32).
*) Op iemand afkomen, als vijand, hem aanvallen
of bestoken (te paard ofte scheep, ook te voet). ||
Si worden der andere geware ende voer hen ane
met haerre scare , Lanc. II , 46970. Nu vart hem
ane gereet, II, 34068. Dus voren si den coninc
an van Yrlant, dise wederstoet, III, 17709. Alse
mense dan verjagede yet, ofte met scepen hem
voren an, Yelth. III, 22, 18. Dandre, die den
ridder vri valsceliic voeren an, lAmb. III, 402.
Ende voeren heer Aernoult ane , Grimb. II , 3561 ,
verg. 5008. Ende voeren den ridder ane, Iaw^.
II, 1549. Swaerliic voeren si hem ane, Y, llö.
Ende voer heren Heinriic ane, YII, 1341. Mettesen
voer hi hem an, ende gaf hem enen slach op
thoeft, XII, 720. Ende voer der conincginnen an ,
XII , 307. Daer dese C voemoemt B zgnen broeder
aenvoer, hy vachten daer an, hij stieten daer,
hij bloetwonden daer. Dingt. v. Amst. 17. Yerg.
het aengemerkte bij Aenwassen.
3) Varende naderen, landen. || Met enen sconen
gheselscepe voer hi bi Westcappel an. Daer ont-
scepede menich man, Stoke III, 1086.
4) Nu en dan vindt men anevaren in de bei.
van anevaerden, b. v. Rek. v. Zeel. 1, 144: Unt-
gegheven om die Meeneweyde te diken, die soo
zere ghewalet was dat se die Inde niet anevaren
en wilden; ald. 242: Yan 8 spade lants te dike-
ne . . , die waren laten varen ende niemant ane-
varen wilde, niemand wilde er aan, ende Jan
Heyurix s. anevarde ende dede diken van mijns
heren weghen.
181
AENV.
AENV.
182
AENVATEN, zw. ww. bedr. Zie Vaten.
1) Aanvatten^ opvatten. Weder — , weder op-
vatten, hervatten (een onderwerp). || Nu wil ie
dese materie laten ende weer die texte aneyaten,
O, E. Patne 29, 821.
2) Iet — , van goederen of rechten gezegd. Be
hand aan iets slaan, dus iets in bezit nemen, aan-
vaarden. Verg. Aenvaen 2). || Als een brant
gelescht is, so sal elc man sijns selfs reescip
anvaten ende niements anders, Leid. Keurb. 469,
3, 1. So waer dat si twe quamen ende een goet
beyde anevaten, V. d. Wall 117 {a. 1308). —Ook
in den zin van cuinvaarden, overnemen, van een
gemaaJtt werk. || Soe wye sijn bruggben tot
tgberechts besceydenheyt also wel gemaect ople-
vert , die sel die stede anvaten ende houden staende ,
Leid. Keurb. 139, 30.
3) Enen — , iemand in verzekerde bewaring ne-
men , aanhouden , gevangennemen. Verg. Aenvaen 3).
jl Voert soe sal die scout den sculdenaer aenvaten
ende leggen in den ouden steen , Dingt. v. Delft 8.
AENVECHTEN (vacht, vochten, gevochten),
st. WW. bedr., scheidbaar en onscheidbaar gebe-
zigd.
Bedr. — Hetzelfde als Aenstriden: zie ald.
en verg. Aenbevechten en Aengevecht. Mnd.
anvechten. Thans alleen overdrachtelijk van den
strijd der zonde gebruikt; vroeger in deeigenlQke
en algemeene beteekenis van: Met strijd aanvallen,
bestrijden, bevechten, aanranden. \\ God sal met u
plechten ende selve u viande aenvechten, Melib.
3172. Die u huus anevochten ende met lederen
besochten, 2539. Daer vochten hem anne met
grooter cracht die Almanne, Sp. 11^, 2, 25. Dlant
van Daelheem wert aenvochten van lieden, die te
Heme lagen, Heelu 2072. Die dese stat selen
zwaer . . bezitten ende vechten an , Wrake I ,
1836. Rome sal met scarpen swerden aenvochten
ende ghewonnen werden, I, 1946. Die in Brabant
sere van haren wedersaken aenvochten waren, Lutg.
II , 408. Die hometen ende wespen vervolghen oec
die bien, ende si aenvechtense uut natuerliken
hate, Bienb. 168^. Die Romeine, verre endewide,
vochten hem an, Sp. I*, 73, 27. Waer sise moch-
ten anevechten , Heelu 1152. Si waren so aenvochten,
Brab. Y. VI , 6034. Engiene . . , om die stat daer
met te aenvechten, VI, 9384. Ende die heylighe
kerke anevechten. Wrake I, 483. Soe wye eens
anders huys anvecht, Oorkb. 2, 125a (o. 1275).
Voert ghelovewi haren Willaem . . te helpene
jeghens eiken man, diene anevechten of soeken
wille, 458* {a. 1297). Waert dat een poorter van
Leydeu buyten Leyden aengevochten worde ende
hem verweerde , Leid. Keurb. 222 , 36. Dat si . .
mit heerkracht aenvechten ende destrueren alle
tWalschelant, Clerc 6. Veel goeder mannen , die
den storm ende dat anvechten manlic wederston-
den , 57. Sinen broeder . . die van menigen Grieck
aengevochten was, Troyen Vb. 19<r. Hi omleidese ende
anvachtse ende wanse in enen dage, D. B. Jos.
10, 35. Hoe mochten wi striden, of men ons niet
aen en vochte? Ruusbr. 3, 83. Geen wilt beest
en mach hem aenvechten, Ned. Frosa254. Doe die
stat van Riemen van hem luden met groter craft
in allen siden aengevochten wort, Pass. W. 265a.
Zie nog N. Doet. 811; Wrake III, 924; Brab. Y.
VII, 8885; Matth. Anal. 3, 41, 70, 102, 147;
Bxc. Cron. 134rf, 181*, 183*; enz. — Ook met
weglating van H object, en dus schijnbaar onz. j|
Die Gallen sijn die niet en spareu, sine vechten
ane nacht ende dach, Sp. I", 5, 30. Worden oec
vriende anvechtende in eenre vryer taverne, dien
verboerden niet meer dan off sy op eenen vryen
velde vochten, Mieris 2, 90tf {a. 1310). — Ook
reeds overdrachteiyk gezegd van de wereld, het
vleesch, de zonde, den duivel enz. || Van den
viant, die tallen stonden mi anevacht met feilen
souden, Amand II, 3842. Van Sinte Stevens een
clusennersse had groet aenvechten ende grote persse
van sware coringen diese aenvacht, Lutg. 11, 1632.
Die alle aenvechten conste wederstaen, met rechte
droughe hi dat palmerfjs, Belg. Mus. 5, 360, 35.
Saken, die mi self anvechten. Rein. 11,7734. Den
viant . . , want hise aenvacht ende quelde gereed,
Littg. II, 615. Als mi die viant aenvecht met sijnre
behendicheyt , soe bescermt hi mi mit sijnre oet-
moedicheit. Als mi die werlt anvecht met hare
ghiricheyt, soe bescermt hi mi mit s^nre armoede.
Als mi m^n vleisch anvecht mit sgnre boser lust,
soe bescermt hi mi mit sijnre bittere pinen ,
Stemmen 135. Dat dye vyant die heyligen anvecht
overmits die wyven, Ptus. W. bba. Vecht u ane
onkuscheit, die verdrift met arbeide . . , vecht u
ane toren, die verdrift met gutheide, vecht u ane
ongedout , die verdrift met gedout. Wat ondogeden
u anevicht , die verdrift met dogeden, Xtm*. Serm. 86c.
AENVECHTERE {aenvechter, ook aenoichter),
znw. m. Mhd. anevêhtare. Zie Aenvechten. Aan-
valler, aanrander, bepaaldelijk van den persoon,
die een gevecht begint ofer aanleiding toe geeft. ||
Den anvichter ende alle sine helpers, Handv.
V. Delft, bij MeyUnk, Delfl. Bijl. 52, 24 («.
1246). Worde yemant angevochten ende dair niet
verby en mochte , hy en moste hem verweeren , soe
sonde dat weezen sonder enyghe bueten te ver-
bueren, al waret dat hy int verweeren den an-
vechter quetste, O. K. v. Delft II, 10,7. H^rtoe
zei die aenvechter voer zijn brueken onser stat
te beterlnge geven V™ steens , B. v. Utr. 1 , 323 ,
2. Soe wie vecht tusschen den tween brucgen . . ,
so sel die aenvechter des selven dages byder son-
nen opt vleyshuis gaen ende daeropbliven,a^. 4.
Soe wie den aenvechter aenbrengt . . . , die zeil
daer of hebben dat v^ftedeel van den koeren,
ald. 324, 5. Diesel ve aenvechter oft quaetdaeder
met synen helper die sullen wesen in onsen ghe-
welt, Handv. v. Water l. 7 a. Van den anvechters
die tegen mi oprisen, verlosse mi, Heer, Dial.
Creat. 32rf. Den aenvechter ofte geweldenaer,
Handv. v. Enkh. 10 *, vgl. Handv. v. Alkm. 7 *.
Die voirs. smerte, by aen voirs. anevechter ge-
daen , sal gebetert worden , den verwerrer ....
vierscatte; ende die verwerrer voirscreve van der
smerten, die hy doen sal, den aenvechtere sal dat
beteren eenscatte, Priv. van Brielle 88, 21 {a.
1477). Die alle anvechtere can wederstaen, met
rechten dracht hy palmen rijs, Lett. N. W. 6* ,
99. In de variant (Belg. Mus. 5, 360, aangeh. op
Aenvechten) staat: aenvechten. — Ook van den
duivel. II Doe quam die temptiere of die aenvechter
tot hem, Hs. Evang. Matth, 4, 3.
AENVECHTINGE , znw. st.vr. Zie Aenvechten.
Aanval , bestrijding. Mnd. anvechiinge. jj Omme
te weren ende te wederstane alle crot, crgch,
viantscap ende aenvechtinge , Brab. Y. Dl. 2,
bl. 707 (a. 1403). Sy hebben groote anvechtinge
gehad van grooten oorloge tegen dat Sticht van
Utrecht, Matth. Anal. 1 , 67. Een onvervaert Prince ,
die syn lant merclic bescermde tiegens der Denen
aenvechtinge , 3 , 58. Dat hi mi voert alle broeken ,
sculden , beclaech ende anvechtinge vergeven wille ,
Prosa-Rein. 33 v.
183
AENV.
AENV.
184
AENYëëRDEN, Aenveerdigen. Zie Aenvaer-
DEN, AeNVAERDIGEN.
AENVERDEN, AENVEBDIGEN. Zie Aenvaer-
DEN, AeNVAERDIOEN.
AENYEBEBYEN, ew. ww. onz. Met den Sden
DT. Van goederen of rechten gezegd. Enen — ,
iemands eiffendom worden door erfenit^ op iemand
bij erfenis overgaan. Hetzelfde als Aen erven onz.
(zie ald.). |j Mit allen anderen erffenissen ende
gneden , . . . fl;elijck hoen die ainyererfft ende ver-
storven moghen sQn, Nijh. 4, 352 (a. 1464).
Welc gheestelic mensche .... dien enich erve ,
hnsinghe, rente of erftins anverervet wort binnen
onser stad vriheit, Stadr. v. Zwolle 153, 276.
AENVERSIEN {versacht versagen^ vertien)^%i. ww.
bedr. Janxien, \\ Als hi dien anversach , die ziele ,
die in hem lach , versmalt van jammere alte male ,
Franc, 447.
AENVERSOEBLEN {vertochte, vertocht), onreg.
z w. WW. bedr. Enen iet — , iett van iemand Moeken
te verkrijgen. Verg. Aensoeken. || Daerom sal
dieghene , diet gheleide anversocht wordt , loftocht
van sinen vrienden hebben, Matth. 217. — Enen
lande recht aneversoeken, rechten er op
doen gelden. \\ Dat Lothar^s ewelikeverswoerLoreine
ende Lothrike ane te versoekene enich recht, ^ra^.
F. II, 5682 (var. ane te soekene).
AENVERSTERVEN {verstarf, verstaerf of ver-
sterf'^ verstorven \ verstorven)^ st. ww. onz. Met
den 3den nv. des persoons. Enen — , iemands
eigendom worden door het sterven van een ander ^
door versterf op iemand overgaen\ ook Aensterven
(zie ald.), en Aenbesterven ^ welk laatste nog in
gebroik is, vooral in het deelw. aanbestorven. Zie
Ned, Wdb. \\ Ende al dat mi verstaerf oec an ,
gavic minen broederen dan, Sp. I', 32, 17. Of
jemene erfnisse anvorstirft ende vnrvelt, iZ. v. Zutf.
17, 56. Want Scotlant was hem anverstorven , Stoke
IV, 796 (varr. angestorven en anbestorven).
AENVESTEN, zw. ww. bedr. Zie Vesten. Hd.
anfesten,
1) Eigenlijk. Vastmaken^ vasthechten ^aanhechten.
il Die vloere . . waren aengevestet . ., dat die
ene plancke an den anderen ^clQi^^Ned.Froza 105. Als
die doeme aengevest wart, Hs. Ps. 3bv. Die armen
(van Chriitiu) nutgerect . . die handen doerboert . . ,
aie side geopent . . , dat aenvesten der voeten enz.
Boeck V. d. L. J. 287^.
2) By uitbreiding. Iet — , iets euin zich verbin-
den^ het zich aanhechten , dns zich toekennen, zich
toeschrijven, aannemen. \\ Die meesters name ane
hevet gevest, Sp. II «, 87, 60. — Met den 3den
nv. Enen aengevest sijn, aan iemand verbon-
den zijn, hem aankleven. \\ Want di hier onlanghe
staet te levene, du die stervelic best, ende dates
ons allen anghevest, Amandl, 4323. Wanttn ster-
velijc best dat ons allen es anegevest, Sp. W ,
23, 45. (God) Die altoes dien in hulpen best, die
di bi minnen ane sijn gevest, II', 35, 75.
AEN VESTIGEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als
AENVESTEN. Ferbinden, Met den 3den nv. en vooral
in 't pass., dus: Verbonden sijn met. \\ Om grote
perikels wil datter in verholen is, ende mede om
grote difficulteit, die hem aengevesticht is. Fase.
Temp, Iv. Dat die plant is der aerde aengevesticht ,
Barthol. 516a.
AENVIERDIGEN. Zie Aenvaerdigen.
AEN VLECHTEN, st. en zw. ww. bedr. Slechts
in het pass. ingebruik. Iet is eenre dinc ane-
gevlochten (of -gevlecht), iets is om iets heen
gevlochten; in fig. opvatting: het is nauw met iets
verbonden. \\ Der sielen eist (tfleesch) anghevlecht ,
Wap. Bog. 771.
AENVILTE, znw. m. Limburgsche dialectvorm
voor aenbilt (zie ald.). Aanbeeld. || Danvilte dar
dese crone op gesmeet wart, lAw^b. Serm. 199a.
Danvilte des smets, ald.
AENVLEYEN, zw. ww. onz. Hd. anfehen, doch
in gewyzigde beteekenis. Met den 3den nv. des
persoons. Enen — , iemand vleiend naderen, met
vleierij bejegenen. \\ Alse di die aventure es hout,
80 vleyt di an weilde ende gout, Sp. I*, 56, 23
var. (in het hs. verkeerdelijk : die an). In het teksths.
luidt het tweede vers aldus: „so wast die ane
selver ende gout." Geen der beide lezingen is in
orde, want noch de ééne noch de andere geeft de
woorden terug van Ovidius: ^Indelibatas euneta
sequuntur opes^ De Vries {Mnl. Wdb.) verbetert
dan ook de lezing der variant aldus: „So vleit
di an jone ende out,*^ waardoor de woorden van
het origineel worden weergegeven. Hoe het ook
zQn moge, de variant bewijst het bestaan van
aenvleien, omtrent welks beteekenis geen twgfel
kan bestaan.
AENVLIEN {vlo of vlce, vloen, gevloen), st.
WW. onz. Zie Vlien en verg. Aencomen 3), Aen-
RiDEN 3) en 4), enz. Met den 3den nv. des per-
soons. Enen — , tot iemand vlieden , zijne toevlucht
nemen. \\ Paeus Leo hevet versien, dat menne ver-
raden wille mettien, ende vlo den kevser an, Sp,
IV», 20, 39. Vinc. y,ad imperatorem fugU.''
AENVOEREN (aenvueren^, zw. ww. bedr.
1) Iet — , van kleederen of wapenen (ook wa-
pens), met zich voeren, dragen aan het lijf, aam^
hebben. \\ Alse hy thuys weert gaen wil, die te
voet gaet, hi sal sijn wapene op sinen hals dragen ,
sonder aendoen, tot buyten der vryheit Ende die
rijdt thuysweert, hy machse aenvoeren rgdende.
Keur van 1342, in Belg. Mus. 1, 250 {Keur v.
1361, ald. 7, 296: aenvueren). Een ridder . . die
Lanceloet^ wapene vorde an , Lanc. II , 1667. Oec
voerde die ander man des conincs Arturs teken
an, Mor. 1025.
2) Met den 3dennv. Enen ere stat — ,ieaumd
naar eene plaats voeren, hem ergens heenbrengen. \\
Om dat huerden si desen verman , dat hise voerde
Bertangen an, Lanc. III, 18037.
3) Iet — , het beheer over iets voeren, het be-
heeren. \\ Dat die stat van den Grave den toU
mitten renthen ende thienden . . nu ter stont voirtaen
aenvueren , heffen , boeren ende truwelich verwaeren
sullen, Nljh. 5, 77 (a. 1477).
4) Wederk. Hem — , zich brengen tot, sicJk
stemmen, zich opwekken. \\ (De haan) slaet sgn
vedren dan, als die hem te sanghe vort an, iVio/.
BI. III, 1967 var. (andere var. weet an).
AEN VOLGEN, zw. ww. onz. Van Volgen, oud-
tijds verbonden met het voorz. aen (vgl. nog ons
daaraanvolgende), gelijk thans met op : ziebg Volgen.
1) Absoluut, zonder vermelding van den persoon
of de zaak, waarop iemand of iets volgt. Volgen^
achtemakomen. \\ Alst hier volget an, Sp, lY' ,
50 , 5. Gedeon leet die Jordane , ende volgde met
CCC ane, Rijmb. 7619. Maer doe si dat sonden
beghinnen, quam dat volc van Chanaan ende van
Amalech, ende volgden an, ende sloeghense ende
daden hem pine, 5738. Trecter enech achterwaert
. . so roept hi dan ende troestse datsi volghen
an. Nat. BI. III, 1906. Daer quamen met gevolget
an die graven, die laatsheren tsamen, Grimb. II,
1371. Doe ghingcn vliegheu die heydine, entie
inghelen volgheden an, Segh. 10522. — Gewoonl^k
485
AENV.
AËNW.
186
echter ging Aenvolgen vergezeld van den 3den nv.
des persoons, en wel in verschillende opvattingen,
naar gelang van het oogmerk, waarmede men
iemand volgt; t. w.
2) Enen — , iemand volgen^ acktemagaan. Lat.
tequi^ insequi. \\ Vaert voren dan, ende ie sal n
volgen an, Lanc. II, 200. Volgt hem an, ende of
hys noet hevet, helpt hem dan, II, 265. Niet
lange daer na volgedic hem an, daer hi eens ter
kerken ginc, Sn. III ^, 39, 4. Ende es te scepe
waert gegaen , daer hare anevolgeden saen broedere,
swagre ende mage ende kinder met groter clage,
III*, 26, 86. Onse Here die ginc dane, ende
Pieter volgedem ane , Bijmb. 27029. Sinen hanghe-
man , de hem altoes volghede an , Stoke Y 1, 1060.
Daer toe volchde hem menich man van sgraven
LodewQcs lieden an, VI. Rijmkr. 9688. Dat hi hem
anvolghen sonde, Lane. II, 28556. So volghet hem
dat dier dan an, Nal. BI. lY, 112. Dits Amijs,die
mi volget an, mün geselle, i^. III*, 80, 64. Die
van Israël volgden hem ane, Bijmb. 7276. Wel
XXX" man . . , die hem volgden an , 27393. Menech
ander volchdem an , 29645. Een sgn onecht volgedem
an, Yelth. II, 41, 4. Dapperlike volget mi an,
lY, 30, 31. Mgn heer Jan volgde hem ane, Orimb.
I, 3666. Ende volgede den riddre an, lAmb, YI,
1967. Meer dan dertich hondert man volgheden
Segheline an, Segh. 7196. S^n gheselschip volghde
hem vromelic an, Cron. v. Flaend. 2, 2. Denman,
die(n) dit ghewerke volghet an, Amand I, 1089.
— Ook van het volgen met vijandige oogmerken,
b. V. II Daer volgeden hem die Goten ane . . ende
hebbense echt danen geslegen, Sp. III', 17, 63.
Ie neme best XII>' man, ende volghe dinen vader
an: hi es moede, ie salne ontliven, Bijmb. 10466
var. Alse hem die heeste volghen an , werpen sise
in den weghe ghint. Nat. BI. II, 3630. Yandaar
de overgang tot de gewijzigde beteekeuis, t. w.
3) Enen — , iemand 9^90^^}», soms met wegla-
ting van het obj. Lat. persequi. || Nochtan di^en
hem tien tiden swaerre torment die Arriane, die
hem met vlite volgeden ane, !^. III*, 40, 60.
Donaet, spare! twi volgestn mi an so sware? II*,
33, 38. Ende volgeden met here ane, I*, 60, 19.
Vloe hi ende ie volgede an, I*, 27, 18. Dattem
die Fransoyse volgeden ane, III*, 83, 29. Yaren wi
jegen die ons volgen an, II*, 27, 61.
4) Enen — , iemand navolgen. Lat. imiiari. ||
Dese sant hadde so groten gare om te sine martelare,
dat hi den martelars volgede ane, Sp. II*, 48,
129. Edesins, die heilege man, wert pape ende
volgede an Frnmentinse, II*, 61, 95.
6) Enen — , iemand opvolgen. Lat. sueeedere.\\
Hyrcanus die volgede hare an, haer sone, S^-l*,
62, 30.
6) Enen — , iemand volgen^ acAtemalocpen ^ sAa
aanhanger of gnnstbejager. Lat. atteetari. \\ Dan
selen alle die Joden nn an desen geloven, secgic
n, ende selen hem volgen ane, Yelth. YIII, 6,9.
Bie dus den riken volgen an, meenen den roof
ende niet den man, Sp. I*, 48, 13.
7) Des — , het met iett een* gijn^ zijne goed-
keuring schenken aan iett^ gijne instemming met iet*
betuigen. Lat. obtequi^ obteeundare. \\ Minne moer
den rechten man dan eenen dies al volget an , Sp,
I«, 36, 71.
8) Met eene zaak als ondw. en eene zaak in den
3den nv., volgen op^ een gevolg y uitvloeisel zijn van.
II Als der dnechden ende qnaetheyt gheen loen an
en volcht, Sehaakep. 69a.
9) Met eene zaak als ondw. en een pers. inden
3ennv., in eigendom toebehooren^ iemand* deel zijn ^ ook
ten deel vallen. || Alse hi die gelike (quaet «/.)
verstaet of argere in anderen, hem dnnct dan,
dat hem die doget volget an, Sp, II*, 74, 144.
Den prQs , die den helighen man met redenen ende
met rechte volghet an, Amand II, 6997.
AENWAYEN, aenweyen {vagde^ vegde^ ge-
wayt, geweyf), zw. ww. bedr. Met den 3den nv.
des persoons : Enen wint — , iemand een ioeltfe
aanbrengen. Ygl. Ndl, ^(E^. op aanwaaien. || (Si)
ontletste den helm saen, ende heeftene hem van
den hovede ghedaen om dat soe hem den wint
an wilde wayen, JTal. 9839. Dander vloeghele in
dander syde weyder (l. weyde) heme den wyntan,
Serv. I, 1913. — Ook in fignurl^ke toepassing.
Enen iet — , iemand tot iet* brengen, hem onver-
wacht* doen komen tot. \\ Als hoverde ende hare
partie den mensche anwayen snlke sticke, dat hi
vergheet de ziele viye, Praet 627.
AENW ASSEN (une* ^ wiesen, gewassen), st.
WW. onz.
I) Met eene zaak als onderwerp.
1)
Aangroeien , toenemen ; de hedendaagsche be-
teekenis. Ook met den 3den nv. || Dat vier wasset
emmer ane, Sp. III ^, 43, 4. Ie sal d^n volc doen
wassen ane , Bijmb. 3216. Die boem die groyt ende
wasset an, Yelth. YIII, 3, 40. Dievmcnten wast
nemmer an, Natuurk. 1102. Oorloghe wies hem
aen, Brab. T. I, 1066. Alse hem sgn rike an
was gewassen, Sp. III', 66, 81. Die storm wies
hem ommer an, Troyen f. 253<^. Zie nog Sp, 1*,
33, 67 vgl., Bijmb. 29630, Doet, II, 2927.
2) Met den 3den nv. Enen — , iemand aan-
groeien, in drieledige opvatting, naar gelang van
het subject.
a) Yan vleesch, vet, uitwassen enz. Iemand aan
het lijf groeien. \\ Al dat vette dat onsen live
anewast overmids voetsel van buten, Ruusbr. 2,
28. Hi verdrivet oec die wanne , die den menschen
wassen anne, Nat, BI. XII, 416.
b) Yan hoedanigheden, gewoonten enz. Iemand
aangroeien, en dus aankomen, eigen worden. || Yan
den Deenen es hem angewassen , dat si drinken
sonder gront, i^. lY*, 17, 60. Die suverhéit fijn
sal mi menechfout wassen ane, II*, 2, 96. Amand,
dese(n) vercoorne man , was van joncs ghewassen
an, dat hi plach eene costume goet, Amand 1,
3604. Ende die overmoede wies hem an , Parth, 23.
Dat hem anewies der vroeiscap name, ^.11*, 32,
10. Wie(n) alle duechden wiesen an,.i0ia9u^ 1,717;
vgl. n, 4276. Die(n) in lanc so moer gracien wiesen
an, I, 3736.
c) Yan goede of kwade voorvallen, ervaringen
enz. Iemand aankomen , ten deel vallen , overkomen. \\
Ende sine helpe wies hem an, Stoke X, 1001. Hem
wies ane commer ende sorghe. Van ghevene 40.
Maer emmer wies hem soccors an, lAmb. IX,
647. Dien altoes wies helpe an, IX, 712. Mer
want Eaerlen alt^t swaer orloge aenwies, Exc,
Oron, 62c.
II) Met personen als onderwerp; t. w. uitslui-
tend van eenige personen gezegd, die te samen
een min of meer aanmerkel^k aantal uitmaken.
Enen — , zich om of nabij iemand scharen, hem
omringen, hetzn met vriendschappeiyke, hetzg met
v^andelijke bedoeling, en dus in tweeledige op-
vatting, evenals by Aenyallen. Yerg. Aenco-
HEN, Aentrecken onz. en Aenvaren.
1) Zich bij iemand aansluiten, zich aan zijne
zijde scharen , zijne partij kiezen , en hem daardoor
aangroei van macht bezorgen, Yerg. on% aanhangen ^
187
AENW.
A.ENW.
188
aankleven, enx. || Mordreit, syD neye, meiten Sas-
sen, die hem an waren gewassen, Sp. III", 29,
71 (verg. Ts. 16 ylg.)- Hem wiesen an dies dages
Yh man, I*, 41, 79. Dus wiesen Fransojsen kindre
an, 80 datter hem ses yolchden mede, franc. 1112.
2) Ziek aoMluiten tegen iemand, ziek tegen kern
oper sekaren, gezamenlijk op kern afkomen. Verg.
Aenstriden , AcNVECiiTEN enz. II Die ander baden
genade met trouwen, maer dat besloet niet een
pere: si hadden verloren al die were, want dat
volc hem anewies, daerom dochtense te mere ver-
lies , Velth. I V , 9 , 14. Oft sake were , dat ennige
heren . . mit veden of mit belege , Wilhem vnrscr. ,
sgn slot, stat ende ondersaten vurscr., anwy essen
off ayerryelen, Ngh. 4, 73 (a. 1431).
= I>e geheel tegenstqjdige opvatting in beide
beteekenissen is het natnuriyke uitvloeisel der
oorspronkeiyke mediale kracht van in grooten getale
oflinii^^;», evenals dit by Aenvallen {lai. aggredi) plaats
had, dat zoowel van vrienden als vganden gezegd
wordt, naarmate de handeling met vriendschappelijke
of vijandige bedoelingen geschiedt.
AENWËDDE, znw. Het geslacht, dat reeds
twQfelachtig is by het g^ndwoord toedde, big kt
niet. Verg. Wedde. Pand, onderpand. Te aen-
wedde, te pand, Vgl. het volg. art. || Is dat zake ,
dat een burgher goet, dat hem taenwedde gezet
is, besidt sonder wederroepen jair ende dach, K.
en O, V. Delft 256, 63 (Meylink, Delfi. Bijl,
69, 61; Mieris 1, 236). In het Latgn (t. a. pi.
240; Mieris 1, 286, 40): „bona sibi titulo;D^M<?rtf
obligata"; in de onde vertaling der Alkmaarsche
handvest van 1264: te pande (ald. 1, 289a).
AENWEDDEN, zw. ww. bedr. Mnd. anwedden
en antoeddinge. Hetzelfde als aenpanden (zie ald.).
Beslag leggen op {onroerende) goederen voor tckuld.
II Die eerve ofte ander dinghe aneweddet, hi moet
hebben twee ervachteghe man te orconden, * Sta-
tuten van Oent (Hs.).
AENWEGEN {tooock , loogen, gewogen), st. ww.
onz. Met den 3den nv. Enen — ,op iemand vegen,
kern drukken, kem zwaar vallen. \\ Dat cmys ons
Heren dat was swaer ende seer verdrietelgcken te
draghen . . , gheiyc een haer, niet meer en salt
ons oeck aenweghen, Oesta Rom. f. h6a.
AENWEYEN. Zie Aenwayen.
AENWECKEN {wackede, wecte , gewecf) , zw. ww.
bedr. Hem — , ziek opwekken, ziek aanzetten tot
hetgeen in de bepaling is uitgedrukt. || Wilen (^
wen) bi nachte ende bi daghe wiset hi (die kane)
met sanghe, ende slaet sine vedren dan, alse die
hem ten sanghe weet an , Nat. BI, III , 1968 (uitg.
Bormans). Vgl. aenvoeren 4.
AENWELVEN (walf, wolven, gewo hen), si. ww.
onz. Zie Welven, st, doch dat ook reeds zwak
werd gebezigd. In een kring ten aanval aanrijden.
II Der heydenen macht is ons te groot, zy commen
met hoopen aenghewolven , Sacr. 642.
AENWENSCEN, zw. ww. bedr. Iet — , ieti
voor ziek wetueken. Verg. hd. anwünschen. \\ Nu
willic anewenschen, sprac die coninc Gontier, ie
wildic in enen sconen woude moeste wesen em-
mermeer. Vier Heren Wenteken 37. Zie nog ald. 66,
89, 141 {Ori, Qed. 2, 114—116).
AENWERDEN, aenworden [wart , worden , ge-
worden) , st. WW. bedr. Mnd. anwerden. Enen — ,
op iemand afkomen, iemand aantasten , aanvallen. \\
Waert dat yemant , die woent buten der poerte
van Leyden , . . . . enen poerter van der stede . . .
aneworde of anevochte met ghewelde, . . . Soe
yerleene wi onzen ghemeenen poerters . . . dat si
dien poertier, die aneghevochten es of aneghe-
worden is, sullen moghen bistaen. Mieris 2, 56«
(a. 1306) ; verg. 149a. — Ook waar niet bepaald
een openlijke aanval plaats heeft, maar slinksche
middelen gebezigd worden. || Doe worden si hem
ane met venine, <^. I*, 70, 26.
Aanh. Nat. BI. III, 1968: „Als die hem ten
sanghe wort an" is eene verkeerde lezing. Men
leze met de Var. vort, d. i. voert, voeret an. De
ware lezing zal wel voeret zijn, om de maat.
AENWERC, -werke, znw. onz. Ags. andpeore en
anveore beide, „matter, material, eause" (Bosw.
23, Ettm. 94). Bouwstof, inzonderheid voorhereide
bouwstof tot den arbeid, voorwerk. \\ Ende sult
weten dat dit boeck niet gemaect en is uut wgs-
heid des geens diet te samen geset heeft, want hi
daerioe niet gedaen en heeft dan hi getymmert
heeft mit vreemden aenwerke, Spiegel der Leken,
in Lsp. Bijl. D., Dl. 3 , bl. 343.
AENWERP (aenworp) , -werpe {worpe) , inw. m.
1) Aangeworpen of aangeslibd land, aanwtu, aan-
spoeling. Kil. „Aen-worp, alluvio." Verg. Aenscot
en Aenval 7). || Anders al vujrtdgc , anewerp , see-
drift , tolne oft geleede op die Honte jof op die Schelte ,
Mieris 2, 128a (a. 1312). Heynkensant, Ovesant,
Amemuidesant mit allen aenwerp, die daer aen
vallen moghen , 3 , 636Ó (a. 1396). Behaudelick onse
here den hertoge . . . alre anderre weerde , sande ,
aenworp ende visceryen, die dair nu sgn, offnai-
maels comen off werden moegen, Ngh. 1, 438 (a.
1342). Een cleyn weertken . . . mit alle hoeren
toebehoren , anwurpe , zegenworp ende vysscherien ,
die daer aen vallen mogen, 3, 111 (a. 1383). Een
uutgors . . . mit allen den hillen die daer toe be-
horen, ende mit allen den aenworpen, die tossen
den gorsen voorn, ende den hillen voors. comen
mach, Deljt. Bijl. 396 (a. 1421).
2) Aangeworpen land, dam, krib. || Omme dies-
wille dat diversche persoonen . . . hemlieden . . .
vervoordert hebben in de zelve riviere thneren
voordeele te nemene ende ooc te makene anwoor-
pen , weerven , pylinghen , platinghen, overspronghen
van huusen . . . ende andere gnerieven ter benan-
winghe ende verminderthede van den rechten
stroome, Cont. v. Oent 680 (a. 1492); verg. ald.
„ zulke anwerpen", en 681: „eeneghe anwerpen.**
3) Van personen: zij die de gildebroeders aanstek
toevoegen, zg die niet tot het eigenlgke gild be-
hooren of nog geen leden er van zyn, die er ais
het ware het aenworp (Kil. aenworp = appendix),
aankangsel van vormen. || Alle brouwere die buten
woenen . . . , die sellen anworpe {adiecti) wesen ,
B. V, Utr, 1 , 306 , 2. Item zeilen in desen gilde
mede anworpen wesen alle der brouwer knapen,
die te brouwen plegen ende gehilict syn , 307 , 3.
Dat eyn ygelic onderman in zgnen ghilde . . . den
raide van der stat by brengen zeilen alle hoer aen-
worpen, die zy in hoeren gilde hebben, om die
borgere te werden, 317, 1. Enige andere manne-
personen, die in onser stat woenaftich zyn ende
engheen borgere noch anworpen in enigen gilde en
zgn, ald. 3 (vgl. 2).
AEN WEBPEN, aenworpen, (warp, waerp of
werp; worpen, geworpen), st. ww. bedr. en ons. Mnd.
anwerpen.
Bedr. — 1) (Enen ofhem)eencleet — ,
iemand of ziek zelven inderhaast een kleed aan V lijf
werpen, omwerpen. Eene jonkvrouw en een knecht
waren beide „van allen clederen bloet:** || Metten
selven datse Cefalus sach, ende warp hare sine
cappe an, Lane. III, 16160. Alse Symon Petrus
189
AENW.
AENW.
190
dat hoerde, so warp lii eoen rocane, want lii bloei
was, Lev. v. J. e. 241.
2) Enen iet — , van verschillende zaken megd,
het zóó werpen , dat het aan iemand blyft kleven ;
Aet op iemand toerpen, hem aantorijüen^ of wel,
het iemand aandoen^ het hem bezorgen, \\ Dat ie bi
der lust, die ie can, den coninc warp enen wille
an , dat hi voer jaghen in Ardenoys , Farth, 837.
Dijn verwgt ende dine schame hevet hi gesien
ende dine mesqname, die men di tonrechte warp
anne, -Sj?. !•, 29, 16.
3) Enen let — , iemand plotseling tot iets
brengen^ er hem toe drijven. \\ Doe die in love
syn aenropen verhief, soe warp hi Oorglas ridderen
die vlucht an, D, B. II Maeeab. 12, 37.
4) Enen — ^ iemand aanzoeken^ eigenlek aan-
klampen^ aan boord komen. Verg. hd. anwerfen
(Grimm, D. Wtb. 1, 620, en vooral Diez, ïfdb.
op Luther 1, 107). ü Had ie woert in mighehat,
ie hadda dicke in alre stat di aengheworpen ende
ghebeden, . . dattu mi hads vergheven sonde,
OVL Oed. 3, 134, 299.
0N2. — Aanslibben^ aanwasten., van land. Zie
Aenwerp. II Die erfnesse, ghediket ende onghe-
diket, die daer nu es of emmermeer aneworpen
mach buten den ouden Zwene, Oor kb. 2, 206tf
{a. 1282\ Alle dat ambacht, dat wy hebben in
Westbarfant, . . met alder schonnesse, die hem
toecommen magh, of commen is, of aen werpen
mach. Mieris 2, 124a (a. 1312).
6) Van iemands land of erf. Ook met den 3den
nv. des persoons. Enen lant (erve, huse)
aenwerpen. jffy gemeensehappelijken eigendom
iemand noodzaken tot overneming tegen taxatie van
het hem niet toebehoorende gedeelte. Zie aenbrin-
OEN 11) en de daar genoemde plaatsen. || Soo
wie by den anderen gelant is mit meere lande,
die mach den anderen offrnden oft an werpen
ander halve hondert lants off daer beneden . .;
maer weduwen ende weesen machmen geen lant
anwerpen of offryden. . . Soo wie aen een huys
off an een hoffstede heeft een vierendeel off daer
beneden, soo wie dat begeert, die mach ofl^den
tot des rechters seggen, off oock mach hy an-
werpen tot des rechtes seggen , uytgeseyt weduwen
ende wesen; desgeiyx en sullen weduwen ende
weesen oock niemants huyse off erve ofry den noch
anwerpen, O, K, v, Enkh, 20, 98 en 99.
* AENWERVEN , verkeerde lezing by Ngh. 1 ,
113 voor antwerden (zie ald.).
AENWETEN, onreg. st. ww. bedr. Slechts in de
uitdr. Enen ondanc an weten, iem, iets kwalijk
nemen f hetzelfde als ondanc weten (z. weten.) ||
Ie ne does niet, bi mire waerheide; gi souts mi
ondanc weten an, Lane, II, 6664.
AENWEVEN, st. ww. bedr. {waf, geweven).
Inweven, nl. in een doek , eene stof , \\ Ander beesten
ende ander worme van so wonderliker vorme stonden
ghinder angheweven, Alex, V, 998.
AENWIJS (annewijs), znw. vr. Y&n Jenwisen,
De bet. is niet duidelgk en ook het vr. geslacht
baart verwondering, doch vermoedeiyk zal de be-
doeling zün: eene geldsom (yg\. bewijs en be-
wisen) of althans de aanwijzing eener geldswaarde ,
uit welks renten eene bepaalde uitkeering geschie-
den kan, zooals in het hier beschreven geval door
erfgenamen in de zyiinie schynt te moeten ge-
schieden. Ygl. AENWisEN 3). II Waert dat deene
broeder storve zonder wetachtighe gheborte, soe
soude dandere naer syns broeders doot die tiende
yersoeken met eenre annewys, die hi met eren
gheven mochte binnen twee maanden daer naestco-
meude aen ons selven. Mieris 2, 124<k {a. 1312).
AENWILLEN (wil of wilt, woude, getoilhf),
onreg. ww. onz. Met den 3den nv.
1) Enen — , iemand te lijf willen. \\ Allen
dieren wil si {de vlieg) bh, ende alre bontste byt
si den man. Nat. BI, Vil, 740.
2) Ere dine — , iets begeeren, er mede te maken
willen hebben. \\ Een die mensch is ende man ende
emmer wil der lieften an, MLoep II, 2336.
AEN WINDEN {want, wonden, gewonden), st.
WW. bedr. Verg. Bewinden en zich onderwinden,
Mnd. anwittden,
1) Opwinden, een dak b. v., met een windas
omhoog brengen. \\ Van dat hy mit hem anderen
die loedze aenwant, die van der mner gesegen
was mit bussen (?), Rek. d. Buurk. 72.
2) Hem iet — , eig. iets aan of om zich winden ,
d. i. ^ zich in wikkelen, insteken, derhalve er zich
mede inlaten, bemoeien. \\ Maer van soenen noch
van vrede en wonde hi hem niet (d. i. niets) ane-
winden, Heelu 2667.
3) Hem ere dine — , iets aannemen, || Soltwy
van beyden partyen macht hebben , datse to samene
gaen und loven in trouwen . . , datse sich aennemen
und anewinden der breve van eersten compro-
misse, Mieris 2, 366a {a, 1326).
AEN WINNEN {wan, wonnen, gewonnen), st.
WW. bedr. Mnd. anwinnen.
1) Winnen, verwekken, van kinderen. || Cen-
tauroen syn ghewonnen ter werelt an van den
beesten ende van den man. Nat, BI. I, 124.
2) Enen iet — , van iemand iets voor zich
zelven winnen in den strijd, het op hem toinnen,
veroveren, het hem af winnen. \\ Daer beghincse
op een velt de Keyser, ende wan hem an haer
scepe ende menighen man, Stoke I, 66. Daema
wan hi borch ende grachte heeren Janne van
Blaesvelt aen met machte, Brab. T, YI, 7819.
Ende hadde hem die porte wel nare al vechtende
aengewonnen dare, YI, 8193. Die coninc van
Oest . . wint hem an van sinen volke, ende ver-
slaan vele sal hys ende oec vaen, Yelth. YII, 9,
62 (vere. Vaniel 11, 11 — 12). Daer om besat die
coninc dat casteel ende stormdet an . ., so dat
hi den casteleyn die voirpoirte anwan, Clerc 97.
— Uit enkele der voorbeelden biykt ten duideiykste
dat de 3de nv. niet den persoon aanwgst die iets
voor zich zelven wint, maar den persoon euin of
op welken men iets wint, wien men iets o/wint.
Even als men zeide iet toinnen aen enen , gebruikte
men ook in denzelfden zin: enen iet aentoinnen,
3) Enen iet — , iets van iemand winnen of
verkrijgen, t. w. eene bekentenis, dus zooveel als:
het hem doen bekennen, afdwingen. \\ Alsoeenlasic
niet van minnen, alse gi mi nu ane wilt winnen,
datmen iemenne sonde haten, Eose 6633 (var. C.
wilt doen bekinnen),
AENWINNINOE, znw. vr. Hetzelfde als saem-
winninge (zie ald.) Boedelgemeenschap, \\ Alsoo man
ende wyff te saemen in echte gaen sitten, soo is
de vrouwe uytter aenwinninge van vader ende
moeder ende broeder ende suster ende gaet met
den man syn vrenden in aenwinninge, nochtans sal
sy eens uytgeboelt syn van haer olders goet by
vrende raet. Racer 4, 232. So nemen de kinder
elck syns moeders goet ende blyven mitten vader
in an winninge, 234.
AENWISEN {wisede,gewiset, of wijsde , gewijst)^
zw. WW. bedr. Zie Wisen. Mnu. anwisen,
1) Aanwijzen, verkondigen, voorspellen. \\ Dat
191
AENW.
AER.
d92
gradael , dat ie noemede eer , dat betekent ons noch
meer, hoe dat die goede sente Jan mede wijsde
Cristum an, Bed, d. M. 408.
2) Ondenoijzen, \\ Ie sal hem also binnen ses
jaren leren ende aenwisen, dat hi also veel con-
nen sal als ie ende alle m|jn ghesellen , Seven W. 2r.
3) £nen iet — , ieU atM iemand hij rechterlijke
tiiUpraak toewijzen. Van Wisen als reehtsterm,
waarvan ons gewijsde. \\ Saeu daer na staerf conine
Edwi, ende om sine mesdaet wart hi den vianden
fhewiset ane, Sp. IV*, 14, 43. Voert soe wie
en aenspreecker wederseyde in pandinghe ende
hem dat scepenen anwysden, verbuerde VI j^,,
O. K. V. Delft, I, 10, 16.
4) Aanwijzing van betaling doen, fondsen aan-
wijzen , waaruit de betaling geschieden kan , ygl. Kil.
aenwisen, Assignare. Vgl. assignatie d. i. order-
briefje. II Als ¥ry . . volle bewisinghe hebben . .
van den X** flor. sjaers, die ons onse neve van
Heneganwe aenwijsde, Brab. Y. Dl. 2, bl. 660
{a. 1368).
AENWISPELSTAERTEN (aenwispelsteer-
ten), zw. WW. onz. Met den 3den nv. Enen — ,
iemand aankwispelen , kwispelstaartende aanhalen. \\
Als op mijn schouder clopt een heer, . .ende my een
non biet naren mont , ende my aenwispelsteert een
hont, so heb ick noch gewonnen noch verloren,
maer blijf ak ick was te voren, Matth. Anal. 3,
664.
AENWORP, AENWORPE, AENWORPEN. Zie
Aenwerp, Aenwerpen.
AEP, znw. m.; vr. Ajnnne\ mhd. aj^e\ mud. ape,
hd. af e ; vgl. verder Grimm , Wtb. 1 , 182 ; Ndl. Wdb.
op AAP, enhier AKFE. De gewone bet., \tX.simuis,
simia. Daar naast komt mnl. voor s{c)imminkel ,
(z. ald.), verbasterd uit «{inü(»«</a, oi^s scharminkel. \\
Mertnn die aep. Rein. II, 4411. Een groot aep
(onz. ?) 6612. Vrou Rukenau . . . , Reinaerts moeie ,
die apinne, 4726. Zoo ook 6779 e. e.
AER, znw. m., oorspronkelijk van de zwakke
verbuiging, doch mnl. gewoonlijk sterk verbogen
{des aers, den are, mv. die are). Aan de zwakke
verbuiging herinnert de jongere afgeleide vorm
Aren of Aern (zie ald. en verg. Aerne), waar-
uit het hedendaagsche Arend. 6oth. ara] ohd. aro;
mhd. ar\ alle zwak verbogen. Het woord leeft nog
voort in adelaar, d. i. adel-aar. || Want hi vloech
hem allen boven den ewangelistisn daer, rechte
alse doet die aer boven andere vogele, Tst. Bl.
748. Hier up sal vlieghen de edel aer, die hoeghe
anstaret der sonnen licht, Belg. Mm. 6, 360, 41.
Mijn herte dat vlieght gheiyc den are boven alle
yronwenminne, Glor. 178 (en 418). Noit men van
gheenen so stouten en sprac, hine wart ghevelt
ghelyc den are, O VI. Lied. en Oed. 447, 185.
Die aer, den aer, erande aer. Nat. Bl. III, 240,
118, 227 (uitg. Bormans). Een leu ende een aer,
Hein. Naber, 384, 2. Biden aer, ald. 21. Van
der locht quam eyn aer, Serv. I, 1903. Doe von-
den sy den aer over Sinte Servaesswevende, 1930.
Den are danne dryren, 1937. Des aers, Ruusbr.
2, 128. Die are {meerv.), L. v. J. e. 199. Sente
Jan de ewangeliste, die. . . sonderlinge geiyc es
den vliegende are, ald. c. 1. Wie dat har sinte
Jan Ewangelista oppebarde in eens ars gelike,
Lutg. I , c. 16 Tit. Hi gelfjct den edelen mt, adelaar,
die sonder wiken scouwet ende staert in die claerheit
der sonnen, Ruusbr. 6, 141. — Bg Heelu 7073 on-
juist in H enkelv. die witte are. Het moet öf aer
öf aren wezen. — Ook in de wapenkunde en als
yeldteeken was Aer in gebruik. || Want hi den
aer in sinen scilt dragen soude, Velth. Y, 22,
38. In den schildeken boven in den voors. hoec
sal staen eenen aer, ende in elc van anderen schil-
dekens eenen leeuw, Brab. Munt-Ordonn. bij V. d.
Chy» 1 , 134 (zie Plaat XIII, bij Jan IV, n». 1).
Die standart van Rome . . . . , dar een guldgn aer
boven stont, Lanc. II, 34162. Ende den a«r ge-
velt int sant, IV, 10036.
AER (met de Vlaamsche aspiratie haer), snw.
vr. Mnd. dr, are. Korenaar. \\ Want dat coren
stont in sine are, Alex. I, 778. Daema aaghic
VII aer vul van coorne, Rijmb. 2997 var. (tekst
haer). Entie VII idele haer bedieden andre VII
jaer also hongerich, 3009. Hem hongherde, ende
si wreven die haer, ende aten van den coome al
daer, 23297. Si plocten haer ende wrevense ende
atense, Hs, v. 1348, 169r.
AER, voor haer, haer. Niet een — ,voUtrekt
niet, Rijmb. 1892 var., 34637 var.
AER, samentrekking van Ander (zie ald.). \\
Die een die sloech hem an sgn wang, die aer
bespoechen, O. H. Passie 17, 396.
AER, voor eer. || So soude dat land . . an ons
comen in alsulker manieren, alst te voren was.
aerd tland ghedget was, Mieris 2, 229Ó {a. 1319).
AERBEIDEN,AERBEIT.Zie Arbeiden, Arbeit.
AERCH, AERCHEIT. Zie Arch, Archeit.
AERD. Zie Aert.
AERDBEVE. Zie Erdbeve.
AERDDIJC. Zie Erddijc.
AERDE. Zie Erde.
AERDEN , ter aarde bestellen , begraven. Zie E rden.
AERDEN (arden), zw. ww. onz. Zie Aert
(2de art.) en verg. Aenaerden. Mnd. arden. Thans
geaard zijn, den aard hebben, vroeger in mimere
opvatting, voor eene zekere gesteldheid , manier of
wijze hebben. \\ Wie thaer na overmoet doet arden,
het haar op weelderige wijze draagt, Rinel. 1122.
AERDELIJC. Zie Erdelijc.
AERDERIKE. Zie Erderike.
AERDERSC, AERDICH, AERDICHEIT, AER-
DIJN, AERDSC. Zie Erdsc, Erdich,Erdicheit,
Erdijn, ërtsc.
AëRDINGë, (ardinoe), znw. vr. Verg. Aert
(Ie art.). Mnd. ardinge, hetgeen op het land ge-
bouwd is. Lubben 1, 124: ^^ ardinge eder saet"),
van ohd. artén, colere; mhd. arten. In concrete
opvatting, datgene waarmede het land bebouwd is,
veldvruchten , en by uitbreiding bestaan, voedsel
in 't algemeen, vooral van dieren. Lettel meerre
danne musscheu es die voghel ende broet in bns*
schen; maer syn aerdinghe ende syn leven es hem
ane vissche ghegheven. Nat. Bl. III, 781 (var.
ardinghe). Talre stont neemt hi syn aerdinghe op
den grout, V, 306 (van den karper). Haer aer-
dinghe leght onder die stene, V, 332. Ende alsi
omme aerdinghe beten, III, 1862.
AERFGENOOT, Aerfcoren, Aerfname. Zie
Erfgenoot, Erfcoren, Erfname.
AERGELIEUS , bnw. , trotsch , van ïx.orgeuilUnjr,
De eerste lettergreep luidde oudtyds ar in verschil-
lende Romaansche talen en tongvallen. Zie Dies 1,
297. II Van moede soe aerghelyoes, Ohr. 202.
AERGEN. Zie Aroen.
AERGER. Zie Arch, bnw.
AERGEREN, erger worden of maken. Zie
Argeren.
AERGEREN. Zie hergeren.
AERM, znw. Zie Arm, znw.
AERKEN, AERKET. Zie Arken, arket.
AERM, bnw. Zie Arm, bnw.
193
AERM.
AERT.
194
AEBMAN. Zie Arm, bnw.
AERMBORST. Zie Arhborst.
AERMELIKE. Zie op armelike.
AERMINC. Zie Arhinc.
AERMOEDE. Zie Armoede.
AERN, arend. Zie Aren.
AERNASC. Zie Harnasc.
AERNBORST. Zie Armborst.
AERNE (arne), snw. m. Mnd. ame. Latere
vorm Toor Aern, m., arend ^ adel^uvr. Zie Aren
en verg. Aer. || Dye aerne vlieghet hogher dan
alle voghelen, IPa»», W. 140*. Een aerne plach
daer te comen ende nemen . . een van die hennen,
189^. Als een aerne, die daer verwecket sine
jongen te vliegen, fl>. P*. 177. Dat solde een
aerne syn jonghen niet gheven, Spreuken 11.
Dair Jnlius eenen aerne schoot al vliedende , iS'ire;.
Cron, 4Ö<?. Als een aerne die wert gedwongen
door den honger sgnre jongeren een roof te halen,
99c. Enten aerne gevelt int zant, Sp. III», 63, 93
(var. Ende den aer). Dat hi met sinen zinne
vloech boven allen bergen hooch, geiyc alse die
ame doet, Sp. UI», 49, 73. Godt den aerne daertoe
vercoren heift te vlieghene boven alle vueghelen
hooghe, Zri. Bijdr. 6, 324, 321.
AERNEN. Zie Arnen.
AERNST, znw. en bnw., Aernstachtich ,
Aernstelijk, Aernstich, Aernsticheit. Zie
Ernst ens.
AERNT, arend. \\ Des conincs wapen . ., dair
een aemt van swarter verwen in gemaect was,
Matth. Anal. 3, 170.
AERPE, voor harpe, harp. Rosé (O) 14009.
AERPOEN, voor harpoen. Nat. BI. IV, 984;
V, 1036.
AERSATRE. Zie Arsatre:
AERSBILLE. Zie Ersbille.
AERSC. Zie Ertsc.
AERSEDIE. Zie Arsedie.
AERSELEN. Zie Erselen.
AÈRSELMAENT. Zie Erselmaent.
AERSOEN. Zie Artsoen.
AERST, voor harst, hartt, braadstui, Heim.
1173. Zie Harst.
AERT (aerd, art, ard), aerde, znw. m. Mhd.
art , akkerbouw , land ; osaks. ard in. , woonplaats ,
verblyf; mnd. art vr., akkerbouw, bouwland; ags.
eard vr. , fnndus arabilis , terra culta , regio , patria
(Ettm. 29); verg. nhd. artbar, artaeker, artfeld,
artland. Van aran, arare, mhd. aren.^ mnl. aren
(zie ald.) werd het znw. art gevormd, uit welks
grondbeteekenis aratio (Graff 1 ,• 403 vgl.) zich bj
uitbreiding de afgeleide van terra aratn ontwik-
kelde, dus ploegland, bouwland, bebouwde of be-
woonde grond, en verder in * 't algemeen grond,
woonplaats enz. Over de afleiding, zie verder Ned.
Wdb, op Aard (2de art.).
1) Beploegde of bebouwde grond, bouwland. Verg.
Aertgatte , Aertoracht , Aertlant , Aert-
wiNRE. II Alle den art ende alle die wildert, die
men vroente heet, Oori, van 1311, in Belg, Mue.
2, 417. Dat si van desen (l.deser)selver vroenten ende
arde alsoe vele vercopen moghen, ald. Item eenen
aerd tAdighem, die men van den meyere houdt,
Oork, van 1366 by Diericx , Oende Cktb, 38.
2) Land (in 't algemeen), grond, vaste grond, in
tegenstelling van het water, Fr. terre, Hi deedt
zeilen an den aert. Ferguut maecte hem uut ter
vaert, Ferg. 3273. (Vgl. 4)
3) Land, landstreek, Fr. j»ay*. Verg. Aertwklp.
II Daer regneerdi in den aert overeen sestien jaer.
1^. III", 10, 102. Dat gelove, dat nie en waert
ghepredect in haren aert, III^, 10, 27. Dat een
kemel levet C jaer, eist dat hi in sinen aert bli-
vet. Nat. BI. II, 602. Dat den coninc volchde al
neder in den Vlaemsche aerde, VI, Bijmkr. 9977.
In Grieken, den zoeten aert, daer ie in geboren
waert, Limb. VI, 41. Si lieten indien aert Marce-
sica, Sp. I' , 38, 74. Sente Jan quam daer inden
aert. II*, 24, 20. Doet mi verstaien watditbediet
in desen aert, Denkm. 3, 87, 102. In desen
aert, Teest, 806. Daermen vaet in sinen Mrt, Nat.
BI. V , 762 ; verg. V , 763. Quamen te Poperinghen
in den aert, Fl. Bijmkr, 9378. Dan selen si comen
in den aert, Binel. 709. Die magerste aert, on-
vruchtbaarste landstreek, Limb, X, 73. In den
aert keren, VI, 406. Dat hem oncondich was de
aert, Serv, II, 1606. In vreemden aert, liXoep
ni, 1008. In desen wilden woesten aert, Sacr.
966. — Sinen aert of den aert rumen, het
land ruimen, zijn land verlaten; bi) uitbreiding,
ziek verwijderen in 't algemeen. || Noch doe sone
was gene bedevart, ende niemene en ruemde sinen
art, die enich ander lant besochte, Bose 8941.
Cortelike ruumdi den aert. Wal, 10861.— Figuurlijk.
II Die fierlike dorevaert al der minnen aerd , Hadew.
I, 138, 49. — Ook vrouwelijk gebruikt, als in
het Mhd. en Mnd. |i Ende voer mit him in synre
aert, MLoep I, 2169. Medea doolde in vreemder
aert, IV, 630.
— Aanm. By Maerlant leest men , dat Elizabeth
tot Maria, die haar in een visioen verscheen, de
vraag richtte: || Hoe lange soe was in desen aert
na haer soens Jhesus upvaert, Sp, V, 63, 18,
ter vertaling van „super terram," bg Vinc. Is
hier aert m., voor aerde vr. bedoeld, dan is dit
niet goed te keuren; doch het kan ook worden op-
gevat als in dit land»
4) Uit Aert, land, grond (zie 2) laat zich ge-
reedeiyk het Vlaamsche aerd, aert verklaren, de
gewone benaming van een plein of werf, waar
men goederen lost (De Bo 12), by uitbreiding,
eene markt aan of by een water gelegen, en dus
eigeniyk de vaste grond of wal, de kade. Verg.
nog Belg. Mus. 8, 414, 426, enz. || Ter steen-
brucghen an den art. Bek. v. Gent 1, 100. Van
48 roeden wercs, die hi wrochte an den art der
steenbrucghen, 101. Meester Boidine gheleent up
syn werc an den art ter niewerbrucghen 40
fR, 102. Meester Boidine van den arde te ma-
kene, ald. De garsoen die ten arde ter steen-
bricghen versiet, 42. Saeden die men levert
binnen der selver stede also wel ten aerde als in
den huusen van den insetenen , Diericx , Mém. 1 ,
679. Een huus ende stede ghestaen ende gheleghen
up den reep by de houtuie bruggho jegen den
wyden aert over , 2 , 326. Een stuc land gheleghen
buyten de petercelle-poorte an den witten aert,
366. — In 't algemeen voor plein, stuk grond, ||
Ende quam gereden op eenen aert buten den woude
in enen dale, Lane, UI, 18828.
AERT (aerd, art, ard), znw. m. Door Dirc-
Potter en anderen, vooral in lateren tyd , wordt het
veelal vr. gebruikt. Ook in 't mhd. loopen der art
en diu art dooreen: zie Ben. 1, 60*. Hoogstwaar-
schyniyk van denzelfden oorsprong als het vorige
aert, solum. Orond en herkomst, geslacht, soort
zyn verwante begrippen , geiyk o. a. duideiyk biykt
uit de vergeiyking met mnl. gront (zie ald.), dat
volkomen dezelfde overgangen van beteekenis ver-
toont. Zie verder over de afleiding Ned. JFdb. op
Aard (2de art).
495
AERT.
AERT.
196
1) Afkomst^ get lacht. || Gi wart vao den goeden
arde van den coninc Gadiflere , Lorr. fr. III,
354. Heren g^oet, edel ende van groeten aerde,
Edeto. 1538. Ende soe sy beter is van aerde, so
sy snoder is van waerde, MLoep I, 3127. Comen
van goeden aerde, Teeat. 1004. Brabantre van
aerde, Heelu 5935. Van edelen arde ende ghe-
slachte, MLoep IV, 2043 {hetgeen in vs. 2040
van hogher boort heette). Den bogen aert, 1,2089.
Van rechten arde uut dien van Troyen, Orimb. I,
61. Vai^ ridders arde, I, 1544. Wy en soelen
ghenen manne dat ampte ingeven, hi en sy
eyn gnet man van aerde ende van geruchte, Nijh.
4, 10 («. 1423). — Elders, vooral door Potter
vr. gebruikt. || Si was van edelre rycker aert ^
ende hi was van slechter coonute^ MLoep II,
2628. Van slechter burgh^r aert gheboren,
MLoep I, 1181. Van slechter ridder aert gheboren,
I, 2772. Een man van goeder aert, 11,3528. Een
wijf van hoger aert, IV, 1190. Edele vrouwen van
hoger aerde, IV, 1292 (waar het in vs. 1289 af-
wisselt met coomsty afkomst). Den jonghelinc van
hogher aert, Esm. 112; verg. 472, 612. Hi heeft
een dochter van hoger aert, 766. Sijn vorders van
goeder aert, Glor. 75. — Den aert hebben in
een lant, uit een land afkonutig^ er inheemsch
zijn. Nat. BI. VIII, 852, wordt van de wilg
gezegd: || Een nuttelec boem van groter vrame
int lant daer hi den aert in hevet.
2) Geslacht^ soort. || O edel reyne wijflic aert!
MLoep II, 4125. Ende men biet Kerstijn onsen
aert, de menschen aU wij, de Christenen, Sp. V,
95, 62. Wi sijn van der Joden aert, wi en eten
vander heyden spisen niet, B. v. 1357, 206*. Om
dat sy sijn van wives aerde, II, 3501. Lucht des
edels wivelics aert , als ie di zie , ie hem verclaert,
O VI. Lied en Oed. 89, 1. Nyemant in mijnre
aert, van mijne soort, van mijn slag, MLoep IV,
879. — Ook toegepast op zaken, in de algemeene
beteekenis van soort. \\ Dese cappen van grauwen
aerde, Rosé {€) 10898 (var. arden). Daer wast
peper ooc te waren. Het es wit van rechten aerde,
Afer. VII, 928. Steene van meneghen aerde, Sp.
IP, 5, 38.
3) Aard, geaardheid, natuur, wezen, inborst,
karakter, van levende wezens en van bezielde
voorwerpen, geheel de hedendaagsche beteekenis,
doch in toepassing soms verschillende. || Al es
Gelloen valsch van arde, Lorr. II, 3520. Die van
aerde geme scelden, van nature, Lsp. 1X1,3,151.
Welke dichters sijn van aerde, III, 15, 324. Van
arde quaet, IlI, 9, 76. Van dorpers aerde , ^^a/r.
352. Man van soe goeden aerde, Limb. II, 762.
Een Vriese ruut van aerde, Hild. 3, 181. Een
dief van aerde, 9, 352. Gieren van aerde, MLoep
III, 110. Van getruwer aerde, IV, 1572. Van
quaden aerde , II , 3050. Wijf van hogher aerden ,
Vroitw. e. M. VI, 29. Den valke van hogher aert,
Glor. 617. Al dat u edel herte begheert in reinen
aerde, 671. Want die erde es haren {der beesten)
^ert, htmne natuur, Amand II, 720. Oftu wils
volghen sijnre aert {van het vleesch), X. Plagh.
2455. — By uitbreiding ook : || Die ridder was van
ouden aerde, een oud man (Vinc. senes), Sp. IV*,
6 , 61 , Brab. Y. II , 1933. Dat hi {de mensch) des
vleesch overdaet niet alleene ne boude over quaet,
maer dat bijt hebbe ouwaert, so wat dat smaect
naden aert (nl. des vléesches-, Vinc: luxurienonadvecsus
tantum, sed etiam infestns) , iSjp. I» , 61 , 51. Hi heft
u wel sinen art getoent. Rosé 3013 {C. 2973:
aert). Si connen wel haren aert bedecken, Rein.
II, 6921. Want sijt van arde heeft, het behoort
tot hare natuur, Rincl. 1093. Sinen aert doen,
naar zijne natuur handelen , Vad. Mus. 1,1b, dO.
Dat clergie van den arde es , dat si den mensche
boven al zalegher ende beter maken sal, Doet.
II, 3328. Zie nog Glor. 69; Belg. Mus. 10, 56,
160; Nat. BI. II, 804, VI, 476. — Sinen aert
laten, zijne natuur, geaardheid, verloochenen. ||
Maer dies {des wijns) te vele wilt nemen inue,
hine can sinen aert ghelaten , Vad. Mus. 2, 175,
166.
Aanh. — Sp. II», 27, 68: „Maer die sone W Gods
aerd antwerdde hem te poente wale," bet. dixfr
Gods wezen , dat in hem was. De variant heeft : die Gods
aerd, dat ook een goeden zin oplevert, t. w. in
overdrachtelijke toepassing voor een persoon van
zekere geaardheid. — Spreekw. || Aert es ecu
vast cleet, Limb. XI, 364. — In bijzondere toe-
passing op het kenmerkend en erfelijk karakter
van edele geslachten. || Dat Brabant nataerlike
es die coenste aert ende die getrouste die ye waert ,
Heelu 6226. Den hogen aert van Limborch laten ,
6734, en: Uten (hogen) aerde van Limborch
keren, 6894 {verg. 6903 vlgg.), Velth. III, 10,
48 , den edelen aard van het gesUxht van L. ver-
hochenen.
4) Aard, hoedanigheid, eigenschap, yan onbe-
zielde voorwerpen. || Dats den aert van Reinaerts
speel. Rein. Il, 3901. Hen es in al die werelt
steen van so harden aerde engheen , Parth. 7444 (vgl.
boven by 2). Die sin mijns dichtens es selc van arde ,
Rijicl. 127. Lucht van also zoeter aert, OVl. Lied.
en Oed. 304, 2095. Dat toocht wel harer naturen
aert, Praet 1449. Die naturen . . ende oec al den
art van minnen. Rosé 2008 {C 1999). Na const
ende ooc na werkens aert, OVl. Lied. en Ged.
469, 89. Omdat ene maghet pure Gode droech
sonder blame in haren edelen lichame boven der
naturen aert, Teest. 2239, d. i. tegen den aard,
den loop der natuur.
5) Wijze of manier van handelen. Yerg.hd. art. \\
Wildi u keren ane die minne, ie wille u leren
den art van minnen altemale. Rosé 11973 (ver^.
11978 — 82). Dat hi dien aert entie crachte leeren
mochte, die Philip dede, Sp. V, 45, 34. Want hi
visierde eenen aert, daer hi bi ghevlogelt waert,
IV*, 61, 65. Want sy soeken die den aert, hoe
si u tot hem trecken mogen, MLoep IV, 446.
Doe visierdi nieuwen aert, Sp. I>, 9, 56. Gier-
beert conste menegen aert, IV*, 29, 30. Ënde
vant den aert, daer die stat bi verwonnen waert,
IV*, 14, 47. Ie hebbe vonden selken aert, daer
slJn sin bi sal ter vaert verkeeren, IP, 25, 15.
Waert dat si den aert wel conden , Rein. II , 3890.
Eer hi vernemen coude den aert , hoe ment weder-
keren dede, II, 6622. Van palleeme den art »\
vint, Rincl. 1201. Sy bliven al opten ouden aert,
MLoep I, 2447. Dat soude qualijc sijn mijn aert,
want ie des ambachtes twint en can, Cass. Inl.
XVIII, la. (Si) willen leren haren Wachters sul-
ken aert, datsi niet en doghen ter vaert, Nat. Bi.
UI, 1919 (zie de Aant.).
AERT (aerd, art, ard), znw. m. Verg.
Aerdinge. Datgene, waarmede het land be^
bouwd is, veldvruchten , en bij uitbreiding voedsel
in H algemeen, vooral van dieren. || Karabo
neemt au die moder sinen aert. Nat. BI. IV, 677.
Op den grond neemt hi sijn aert, V, 163 (var.
sinen ard). Het hevet selke maniere , dat het neemt
sijn aert int vier, Parth. 662. In daerde neemt si
haren aei-t , die si nochtan so nauwe spaert , dat
IQ?
AERT.
AEftV.
198
siere nemmeer te live en doet sdaghes dan si
beluuct onder den voet , omme dat si vrnchtet al ,
dat haer aerden ghebreken sal, Nat. BI. Vil, 293.
Aanh. — Wanneer Aert in dezen zin van eene
behendige, slimme of listige wijze van handelen
gezegd wordt, treft de beteekenis samen met die
van het gelijkluidende Aert voor Aerte , Arte , kunst ,
kunstgreep (zie Arte), zoodat het soms moeiiyk
uit te maken is, welk van beide woorden bedoeld
is. Het onderscheidend kenmerk is dan het ge-
slacht: Aert^ wijze, m., Aert voor Aerte ^ kunst,
vr. Doch het kan ons niet bevreemden, dat men
wel eens de beide woorden, die elkander in vorm
en beteekenis zoo gelijk waren , dooreen gebruikte,
zoodat men b. v. somtyds dien ctert vindt, waar
niet anders dan die aerte bedoeld kan z^n. Zie
rerder bij Arte en vgl. Ndl. Wdb. op aardig.
AERT, voor aerte, ktmêt. Zie Arte.
AERTACHTICH, aardich. Zie Erdachticii.
AERTE. Zie Arte.
AERTGATTE (aertgat), znw. vr. Van Aert,
bouwland , en Gatte , Gate , straat , weg ; got.
gatvo, ohd. gaza^ mhd. gaste y nhd. gaase. Zie Aert
(1ste art., 1) en Gatte. Een weg over een bouwland. ||
Een aerdgat ofte een coutergat moet oepen staen
over tyt, wynter ende zomer, Belg. Mus. 10,
100 {a. 1368). — Aerdgat en coutergat zijn ver-
schillende benamingen voor dezelfde zaak. Yerg.
Couter, Coutergat.
AERTGRACHT, znw. vr. Zie Aert (1ste art., 1).
Eene gracht of sloot tusschen twee bouwlanden ,
sc/teisloot. II Al oost over den aertgracht, ZFl.
Bijdr. 1 , 222 (verg. 232). De n van den staat om
de volgende vocaal, doch het woord is vr.
AERTHUÜS , znw. onz. Zie Aert (1ste art., 4).
Het huis , waarin de boeren het onverkochte graan in
bewaring gaven. Zie Diericx, Mém. 1, 580; 2,
126 enz.
AERTITIKE. Zie Artitike.
AERTLANT (Artlant) -lande, znw. onz. Zie
Aert (1ste art., 1). Mnd. artlant; nhd. artlant.
Bouwland. || 93 morgen aertlants. Mieris 4, 406^
{a. 1417). Mit busschen , mit broeken , mit artlande,
mit beemde enz., Nnh. 3, 267 {a. 1405). Mit
artlande , water , visscheryen , holt ende weyde , 4,
111 {a. 1434). Mit busschen, mit bruecken, mit
artlande, mit beemden, mit visscherijen , 3, 322.
Mit holte, mit artlande, beemde, enz., 3, 269.
AERTRIJC, AERTRIKE. Zie Erderike.
AERTSC. Zie Ertsc.
AERTSIER. Zie Archier.
AERTSOEN. Zie Artsoen.
AERTVAST. Zie Erdvast.
AERTVEST. Zie Erdvest.
AERTWELP, znw. onz. Uit Aert, land, en
fTelpi eig. het long van een dier, blj uitbreiding
ook van menschenkinderen gezegd. Verg. Aert
(late art. , 3) en Welp. Landskind, inboorling.
Rechte aertwelpe, rechte lands inboorlingen;
uitdrukking in Overjselsche rechtsoorkonden. ||
Ejn schotbaer man, mit twen sinen buren, de
rechte artwelpen weren, Landbrief van Twente
van 1365, bij Racer 3, 73. Ygl. Wimhof 451.
AERTVOGEL, znw. m. zie Aert (Ie Art., 2)
Landvogel, het tegenovergestelde van watervogel.
II Als dit die aert vogelen hoerden die om hoer
gnlsicheit die waterspisen hebben wouden, Dial.
Cteat. 56tf.
AERTWINRE, znw. m. Zie Aert (1ste art.,
1) en Winnen, en vgl. Lantwinre. Landbouwer.
II Dattet lant niet woeste en worde, ist dat die
aerdwinre verderve, J). B. Gen. 47, 19 (Vuig.
pereunte cultore). Vgl. Navorscher 20, 106. —
Elders in hetzelfde werk staat Aertwinre ter
vertaling van cohnus , waar de Statenb. vreemdeUngh
heeft. De beteekenis blijft evenwel dezelfde : colonus
is door den vertaler al te letterlyk opgevat in
den oorspronkeiyken zin van cultor. \\ Ende hi
was vele dagen een aertwinre van der Philisteën
landen , B. B. Gen. 21 , 34. Beide ingeboren ende aert-
winre die woent onder u luden, Levit. 18, 26. —
In de Ghss. Trevir. in Hor. Belg. 7, 8 leest men:
Artwlnneman, colonus.
AERVACHTICH, AERVE, AERVEN. Zie Er-
VACHTiCH , Erve , Erven.
AERWETE. Zie Erwete.
AES {des ases of des aes , den ase), znw. onz.
Ohd. ds; mhd. ds; mnd. ds. Over de afleiding zie
Ned. Wdb. op Aas (1ste art.). Verg. Asen.
1) Spijs, voedsel, vooral van dieren (visschen ,
vogels enz.). Nat. BI. III, 1255, 1374, 1532,
1562, 1568, 1587, 1600, 1640, 1655, 1704,
2901 , enz. — Figuurlijk. || Ghi zondaricghen , ghe-
voedt met zondeliken aze, OVl. Lied. en Ged.^9,
244. — Inzonderheid gezegd van een dooden romp of
dood vleesch, aan dieren tot spijs verstrekkende;
nog heden de gewone beteekenis. || Die welpkine
liepen ten ase. Rein. I, 3136. Ghinder leit een
doot aes vol maden, II, 4487. — Ook met spot
of minachting van menschelijk voedsel , van levens-
middelen gezegd; vgl. ook het Overijselsche
uaoenaes. II Of enich a^s in soccorse van den
Vr&nken sonde comen, Velth. IV, 43, 66.
2) Frooi of buit (van dieren). || Dus sach die
liebaert om sgn aes, Velth. I V , 51 , 43. Ghy laeght
my liever in de Mase, soo diep als dit huys
hooch is, teenen ase van alle de visschen dier
inne vlieten. Mar. v. Nijm. 5, 110.
3) Lokaas, eigenlyk en overdrachtelijk. || Geeft
mi aes , ie salne (den sperwer) vaen , Lane. III ,
25243. Dits taes daermen bi mach verdoeren die
viande min no me , dan als die vische in die zee ,
Nat. BI. VII, 1033. So ie meer nam dat solaes,
80 mine herte meer viel op daes ende vaster in
den strecke van minnen. Rosé 3457 (C 3415). Sine
volghen anders niet dese blasé, en doet die soetheit
van den ase , OFl. Ged. 1, 79, 438. Van aze . .,
dair die viskers van Sceveninghe mede viskeden,
Rek. d. Graf. 2, 172. — Overdrachtelijk voor ge-
win. II Ende ghierlic hebben veel verswolghen, miede
ende aes , om recht te mencken , Hild. 96 , 92. Ende
sulc, om dat si mede lecken van den ase, so
helpen syt decken, ende ontsculdighen haer bose
dade. Rein. II, 7511. — Een quaet aes, een
verachtelijk lokaas, een vuig gewin. || Judas, die
Gode verriet om een quaet aes van dertich penningen,
Tst. BI. 4210. Ruddren moeten varen reysen, te
veine alle onrechte peysen, gheeiis quaets aes
selve roucken, fTap. Rog. 1239.
AES (des ases of des aes , den ase) , znw.
onz.; verkl. aesken. Van lat. as, de benaming der
eenheid bQ getallen, gewichten enz. Fr. Af(Littré
1, 209); verg. Ned. Wdb. op Aas (2de art.).
1) J)e eenheid of het laagste getal in onderschei-
dene spelen , als dobbelspel , verkeerspel enz., zooals
nog heden in het domino- en kaartspel. || An die
yerste side (van den dobbelsteen) suldy setten een
punt, datmen heyten sal een aes, Versl. en Ber.'Y ,
37 ; Ned. Froza 217. Ie wedde cinc contre sijs , nochtan
eysch ie toe twee aes, Boerd. IX, 30. — Veelal
in tegenstellinc met sijs (zes oogen) , den hoogsten
worp. IjDiet ghevroedt, ende willens werpt voor
i9Ö
AES.
AESS.
200
isijs een aes , hels recht dat hi de canse boedt , OVl.
lAed. en Oed. 412 , 282. Op twee tarninghen van deu8
aes 8oe loopt wel menichwerf een s^s , Hild. 179, C8.
Want dAventnre , die spelen can , zoe worpt wel een
aes voor een sUs , Praet 1324 (Lat. dat varia* Farttma
vicet). Den selken gevet si al aes van sisen , selcken
maecse van aes al sys, Hadew. 1, 149 {van de Min-
ne). — Syn aes verdoen, sijne kans vertpelen^
verliezen. \\ Hets enech dorpere cume so dwaes,
hine weet wel wanneer hi sal winnen 8|jn goet
ocht verdoen sQn aes, Hadew. I, 104,52. — Dens
aes met cysase, schijnt in waarde /im, blijkens
een „ tweespraecke *\ waarin Aemont de cijfers
telt „met teerlingen." || Meett. Aernont, spelt mjj
tien — Aem. Het ware al te sot om sien. Acht blinden
aen eenen dis, die voor hen hadden eenen vis,
tot eent blinden mans taveeren; sy sonden won-
derlick ghebeeren eer sy die graten uutghelasen:
ick spel n dexur aes met cysase , Ned. Kluehtsp. 48 ,
60. Of is de plaats misschien bedorven, en moet
men lezen: IcR spel II deuxaes met cysatey d. i.
twee tweeën met zes = 10. Men behoeft dan slechts
voor u (u) te lezen: ii. — Li ede van dens aes,
geringe Zieden ^ lieden van geringe zedelijke toaarde.
II Ghi ionfranwen van deus(h)ase, in n vindic
gheene auecht, Denkm. 3, llö, 50. Volcxkin van
deus aes, van cleender weerden, moeten by hu
ooc somtijts ghevuet zijn, ZVl. Bijdr. 6,334,212.
Het syn luiden van dues aes. Spreuk. 43. Het
was een pelgrijn van deus ase, BAn. II, 3030.
een pelgrim van ^tjaar nul. Zoo ook Froza - Rein.
40. Vgl. Ned. Wdb. op Aas (2de Art.).
2) Do eenheid in gewichten , het laagste of kleinste
geioicAt, het 328te van een engels. || Behoudelijck
dat sy (die gouden penninghen) sullen moigen weesen
twee aeskens lichter dan hoir rechte gewichte,
Belg. Mus. 3, 89. — Vooral gebruikelijk in
de figuurlijke spreekwijze: — Niet een aes,
niet het allerminste^ volstrekt niets. \\ £nde en
prijsde niet een aes sijn gewin, Stoke VIII, 1026.
£nde om mi niet geven een aes, Melib. 3064.
Daer gi niet of en hout een aes , 3718. Soe dwaes
dat hi niet en dochte {deitgde) een aes ^ anders dan
hi dranc ende at, Brab. Y. I, 732. Een dwaes,
die den here nien doech {niet deug f) een aes.
Boet. III , 714. Algader dese dinc en bescoet daer
niet van enen ase, Velth. II, 47, 29.
AESAGE. Zie Asage.
AESAC. Zie Aessac.
AESDOM, AESDOMICH, AESDOMSC. Zie
ASICHDOM.
AESEN. Zie Asen.
AESGELT, -gelde, znw. onz. Zie Ae.s (Iste
art.). Het geld voor het aas of voedsel van dieren.
II Item . . twee valkenairs . . voir hoir aesgelt voir
horen- vogelen, 6 se. 8 gr., Bel. v. Leid. 168. Heyn-
ric uter muyte . . om aesghelt 12 se. , Bek. d. Graf.
2, 192..
AESGBAVE, znw. m. Zie Aes (1ste art.)
en Grave. Stedelijk ambtenaar, belast met ds
rechtspraak in zake van verseh vischaas voor de
kabeljauuwangst. \\ Van eenrehande dienres, die
heeten aesgrave , tolnair , scriver inder havenen ,
etc. Matth. 7. Alrehande onderdienres , dien by
consente des rechters, ende principale ghezworen
diemres, gheordineert sijn den luden recht te doen
ende te bescheiden van sonderlinghen dinghen,
elcs na den eesch sijns dienst, als sijn aesgrave,
biertolnaer ende desgheljjcs, Matth. 249 (uitg.
Alkemade). Dat zweer ie, aesgrave te wesen in
der steden van den Briele ende in den lande van
Voren, ende ygelic, dies geert, recht te doen van
verschen aze, 120 (uitg. der Verccniging). Zie
verder t. a. pi. over den aard der bediening van
den Aesgrave.
AESSAC (Aesac) -sacke, znw. m. Zie ^ES
(Iste art.). Spijszak, knapzak {Hor. B. 7, 11,
£seale\ Kil. pera), en by uitbreiding, tascA, hu-
del. II In den aessack heeft hi gesteken beide
broet ende capoen, SegA. 3156 var. David nam
vijf berde stenen ende hi stacse in sinen aesac,
B. V. 1357, 120a. Tobias nam uut sinen aeaac
een stuc van der lever, ald. 202a. Altoes hadde
hy ghegort eenen aeszac , om te ghevene den armen
die tot hem quamen , Cron. v. Vlaend. 1 , 48. An
sinen hals hanghende sinen rieme met eenen baes-
sacke , vul cleender penninghen , ald. 55. Aessacken
van siden ende van ledere , lAvre d. Mest. 15. Eenen
haessac met eenen zelverin ringhe , Cmtt. v. Brugge
1, 569. Twee aessacken, O. R. v. Dordr. 2,86(11. 1441).
AESSEM (asem), znw. m. Adem. || Hi cnste
mi heden voor minen mont, sinen aessem is 90
soet, Huge v. Bord. 37. Sinen sueten aseme heeft
mi myn herte doorwont, 45.
AEST, znw. Waarschijnlijk een eigennaam, en
wel van de stad Asti in Noord-I talie. || Die Lom-
barde van aest (/. Aest) die wonen of wonen sullen
toter Ameyde, Oor kb. 2, 432» {a. 12%).
AESTEB. Zie AEXTER, Nat. BI. m, 78 var.,
3129, 3139, 3141.
AESVAT. Zie OOSVAT.
AET (haet), des aets, den aie, znw. m. De
echte vorm des woords , waarnaast men echter ook
At E vr. vindt: zie ald. — Ohd. mhd. dz, onz.;
nhd. aasz onz.; mnd. dt\ ags. at m. (Ettm. 33);
van den stam van got. itan, ons eten.Yerg. Over-
AET. Eten, spijs, voedsel. || Als een swyn dat
altoos gaet in den slike zoeken sinen aet , i«i«;fD. III,
26, 97. Daer hadde die visch sinen haet ghenomen
wel menich jaer , Brand. 302. Hi {de draak) moet op
eiken dach hebben enen mensce tsincn ate, lAsmb.
X, 1020. Zuvel ende ooft was al haer aet, Lsp.
1 , 31 , 9. Een swijn , dat . . al den dach socket
syn aet, Melib. 1284. Vuile mate van haren aelte,
Praet 3312. Zijn aet die zij mitten beesten, Hs. f.
1423, 96é? {van Nebiicadnezar). — Vooral gewoon
was do samenvoeging Aet ende dranc. j|
OvertoUech aet ende dranc maect sin ende lichame
cranc, Doet. III, 1067 (in den tekst verkeerdelijk
ate). Mit ghetemperde ate ende drancke (mv.), Lanfr.
72r. Men diende daer so wel te danke beide van ate
ende van dranke, Cass. Inl. XVI , 2a. Beide in dranke
ende oec in ate. Nat. BI. VI, 777. Dat hem ge-
brac aet no dranc , Amand 1 , 407. Aet ende dranc
sal bliven saen, L. o. H. 1000. OvertoUechede van
ate ende van dranke, JJoct. II, 164 var. Gemate
van dranke ende van ate , Teest. 3779 ; M. en Fr. Heim.
1106. Dienen . . van ate, van dranke, PartA. S60.
Dat hem niemen en sonde beraden noch van dranke
och van ate, S^. II*, 47, 42. In ate, in dranke, in
cleederen, II«, 74, 177. Ongemate beide van dranke
ende van ate, M. en Vr. Heim. 1202; Heim. 485. (Die)
daerboven sinen lieven lechame hem lieden ^i in
ate ende siin ghebeuedide bloet in dranke, Hs. r.
1348,270a. Aet, dranck, clederen ende schoen, O. IL r.
Dordr. 2, 28 (a. 439). Genuechte van dranke ende van
ate, Limb. X, 383. Van ate ende dranke als gewoat ,
Amand II, 464. Bede van ate ende van dranke
waersi gefesteert te danke, tVal. 8799. Altoes sat
van dranke, van ate, Velth. VII, 32, 9. Daer waren
si dien nacht lanc sonder aet ende sonder dranc,
Brab. Y. V, 3606; verg. 3632. In beden soudcr
201
AET.
AEXT.
202
aet ende dranc, Sp. II % 32 , 56. Zie nog Jft^r. 3676.
— De 2de nv. wa8 aeta (ohd. en mhd. dzes^ ags.
ates). II Dat hi nonbeet no aeU no drancs , X. o, H,
984. In het li8. leest men at* en ne èeei, dooreen
afschryyer verknoeid nit nobeet Zie Vermenlenbl.
195. Dat hi en onbeet aets no dranx, Ferff, 2468
(in het hs. verkeerdelgk aet). Yan vele aets ende
dranc daer word af een masse bloeds gemanc, M,
en Vr. Heim 141S, — In eens ate ende drank e
8 ij n , bij iemand in den kost zijn, \\ By horen wifen . .
oft denghenen die in horen ate ende drancke sgn,
Coren. v. Antw, § 93. Dat gheen portere oft die
binnen Antwerpen bnycvast sitten, rocke, wam-
beyse . . gheven en mach noch nemen dan den-
ghenen die in sinen ate oft dranke sijn , § 192.
Die met yemen in sinen huyse buycvast wonen ende
in sinen ate ende dranke sijn, Oesch. v. Jntw. 2,
485. Zyn vadere in wiens aet ende dranc hy was,
Couf. p. Gent 663. Verg. V. Hasselt op Kil. in Aet.
AETSCARE, znw. tf. Eetwaar, Kil. „Aet-
schaere, vetus. Edulia, ret'edulety Zie Aet en
ScARE. II So wie die Tercoopt aetscare tusscen sente
Marien kerchove ende Willem V erdebrechts , hine
vercooptse in huse of in kelnaers , hi verbaert twee
SC, word hys begrepen. Boek met den Knoop ^ in
Taalgids 8, 229.
AETSEMANT , AETSEMEBEN. Zie Achemant ,
ACHEHEREN.
AETTE. Zie Ate m.
AEX (AECS , AECSE , AX , HAEX , HAECS , HAECSE),
znw. vr. Oorspronkelijk samengetrokken nit akee^
onl. acue {Ps. 73 , 6) ; Got. aqizi ; ohd. acAiu ; mnd.
ackes , oje; uhd. ajrt\ ags. aeas^ ax^ eax (Ettm. 2); mnd.
exe ; zie verder Ned. Wdb. op Aaks , en Kluge , Etym,
Wtb.oy axt. Bijl, zoowel timmerbijl als strijdbijl,
ook heden nog wel aaks of aks geheeten. || An die
wortele van den boom so es die aex geset al nu,
Rijmb. 22034, Amandl, 1685. Ende sloech tserpent
met ere aex , Bsop. XXXIY , 5. Een scaerpe aex , ene
baerde. Rein, I, 701. Met ere scaerper aex , 1 , 735.
Slach van hamere, van aexse, Rijmb, 11284. Alle
meynewercken myt scnppen, axen, houwen ende
anders des ghelijcx, Overijs. Recht, II', 19. Het
gesciede, doe die een hout hieuwe, dat tyser van
der aex int water viel, J), B. II Kon. 6, 5. Zoo
ook ald. DetU, 19, 6; 20, 19, Riekt,9,^^\l Sam.
13, 20; I Kon, 6, 7, enz, — Vooral gewoon van
de strijdbijl, meermalen te zamen genoemd met
andere benamingen van wapenen verbonden, als
tjysarme, glaye (glavie), baerde e. a. || Mettier
gysaermen sloech hi haerde ; alse nu vachthi metten
gescotte, nu metter aex, gelijc den Scotte, Alex.
III, 178. Hi was geslagen mettier aex, 185.
Noch tan verhief hi sine aex , 204. Daer hi die aex uut-
trecken soude , 213. Die aex voer in den scilt , 209. Si
riepen om aexen ende baerden , IX , 483. Met aexen
ende met zwerden , Lane. II , 932. Ene aex nam hi
daer naer , 962. Hi nam die aex in die hant, 964. Diere
COC . . met ere aecs liede versloech , Rijmb, 10679.
Beide met aexen ende met swerden sloegen sine
daer ter erden, Velth. III, 12, 23. Een aecse
bruun stalijn, Segk. 8553 e. e. Doe begonste hi
zeere te roupene, ende riep omme sQn wicx,OFl,
Ged. 2 , 32*. (Wie) . . een aecxe . . ten twiste brochte ,
die verbuerde III pont, O. K. v. i>(w<^. 19,31. —
Zeer gewoon was de schrijfw^ze haex , haees , haecse ,
die telkens als variant met a^.r afwisselt, en waerbp
gemeeniyk de zwakke verbuiging wordt aangetrof-
fen. II Die haex hief hi metter spoet, Lett. N.
R. 7', 148, 142. Een swaert, een haex ende een
fauchoen hadde an hem de Sarrasiju, Flandr, V,
120. Ende hinc an syn archoen ene haecse, Zanc,
II, 17228. Met ere haecsen, 7643. Metter haecsen,
7648. Met haecsen ende met swerden, Heelu
6193. Met glayen, met haecsen, met swerden baer ,
Brab, T, VI, 5890. Als men wout eenen mensch
. . metten becke van eenen haexcs. Jan Yp. 61,
enz, — Niet alleen de gewone vervoeging der aspi-
ratie was hier in 't spel , maar ook de verwarring
met fr. haehe, dat ook zelf in de vormen kaehe
en haetsee voorkomt. Zie Hache.
AEXTER (aester , ecster) , znw. vr. Aak-
ster , thans Ekster geheeten, corvus pica. ||
Pica dats der aestren name, van plumen scone
ende bequame es si ende die vele scalcheit can.
Nat. BI, III, 3129. Van verre soe sach Reynaert
staen een aexter op een hoghen boom , Hild. 33 ,
25. Die aexter die sach nederwaert, daer si sach
staen den vos Beynaert, ald, 39. Craeyen,
aexteren ofte wuwen, 31, 87. Cray oif aexter,
ald, 110. — Spreekw. |l Die aexter can haer
huppen niet laten. Spreuken 9. Hy solde wel een
doocle aexter verschalcken , 43. Visch vanghen voor
svisschers deure; der extere een ey nemen, 87.
— Der exter is een ei ghestolen, de bedrieger
wordt bedrogen. Hor Belg. 9, 13, 185. Die altoes
sgn scalcheit toent, wert hi een werf ghehoent,
hi seyt dies hem nye en wart bevolen: Der aexter
is hair ey ontstolen, Vrouw, e, M. III, 19, 4.
Een -^t pilaer recht van albaestre; diene maecte
en was geen aestre, O VI Lied, e. Ged. 252, 569.
De bedoeling is biykbaan *t was geen stumper
die zoo iets maakte; hij kon meer dan snappen
als een ekster, of wel, hij kon meer dan nadoen
alleen.
AEXGBAU, minder goede lezing yoor ascgraeu,
aschgrauw, Rosé 8570.
AF (ave, of, later ook aff, off gespeld),
bijw. Gk)t. a/; ohd. aba, ab; mhd. abe, ab; mnd.
*/» *^- o/'i e^- OLitó, lat ab en op (in apage).
De oudste mnl. vorm was ave, over in avereckten
aefgunsticA (zie ald); daarnevens was af het
meest algemeen in gebruik , of vooral in Holland
gewoon. Doch de drie vormen ave, af, of worden
ook bij denzelfden schrgver in hetzelfde werk,
geheel onverschillig door elkander' gebezigd. Af
komt in H mnl. in tegenstelling met de verwante
oude talen niet als voorz. voor, daarvoor gold
van, dat ook een enkele maal in samenstellingen
voorkomt.
Aanm. Men wachte zich met dit.biiw. af(of)
te verwarren het voorz. of (ob), dat slechts voor-
komt in de uitdr. of {ob) eene side, en of (ob)
ander side en een geheel ander woord is. Zie
Taalk. Bijdr. 1, 201 vgl.; Tijdschr. 2, 11—18,
75—77.
l)Ave, af, of was oudtyds vooral gewoon in
verbinding met de vnw. bfjw. kier, daer, er,waer,
ter vorming der aanw., betr., en vrag. uitdr., die
thans kiervan, daarvan enz. luiden; zoo nml. ook
met iewer, iewerinc, iegerinc, ergens, en niewer,
enz., nergens. || Den camp die hier ave es ghe-
nomen, Parth. 7179. Die rike grave was herde
blide hier ave, Umb. IV, 2038. Ende sal die
poort hier ave reynen, Rijmb. 33148. Gi hebt u wel
gequQt hier af, Lanc. II, 9591. Dine salgedinken
hier of, 9240. Ende nam hier ave raet, StokcYI,
108. Daer ave sceden. Rein. II, 5305. Daer ave
clagen, Lanc. II, 7762. Daer ie wel seker ave
bem , Rijmb. 1072. Daer ne was weenen no screyen
ave, 32670. Segt mi uwen wille daer ave, JAmb,
XIX, 1135. Dair ghi beide schande had ave, Hild,
203
AEXG.
AEXG.
204
97, 60. Werdech daer ave, Teest. 1367. Die soet-
heit daer of, Rtjmb. 60. Onvroet daer of, Lanc. II,
16709. Daer af spreken, MLoep I, 2446. So wat
daer of gesciet, Stoke IV, 1298. Daer al die werelt
ave dranc, Lsp. I, 23, 128. Daer 8i niet meer af
en weten. Rein. I, 21. Daer men af leest, Rijmb.
746. Diegene . . daert Arrius ende Ënsebius af
wilden, Sp. II*, 2, 13. Daer si of natten die
bederve , Stoke 1 , 22. Daer si yet en twint bemert
mocht wesen ave, Lutg. I, 694. Zjjn siele, daer
derde den lichame had beloken af, II, 198. Alsi
3uamen daer af verre , II , 1360. Dine diere, aldaer
n af waers geleet, Sp. II*, 23,616. £1 en wondire
niet ave, Parth. 6826. God gevere mi af al goet,
Rein. I, 1042. Bedi ben icker af in vare, Ferg.
2033. Niewer een . . diere af conste , Rijmb. 9662.
Diere node soude liegen ave, Lorr. I, 40. Diere
ave condich was ende wijs, L. o. H. 4060 (in den
tekst: ané). Waert sijn, hy deelter zeker of , Hild.
89, 43. Daer hi toechde Gods wet ende wasser af
gevaen, Sp. II*, 29, 29. Offer af plie ghemac te
comen, Overzee 141. (Hi) verhogheder af, Parth.
7203. De moster emmer vallen ave, Stoke Vil,
919. Waer af die pais sal comen, Parth. 7992.
Yegerincs af, Lorr. II, 3993. Niegerincs ave, II,
104. Niewerinc af, Lane. II, 14648; enz. — Meer-
malen vindt men, vooral in Zeeawsche stukken,
bij dit of het vnw. by w. daer verzwegen , althans
schijnbaar, immers het ende ^ waarmede steeds de
zin begint, moet als daer worden opgevat. Zie
Taalk. Bijdr. 1 , 132. || Ende die dach of was
ad Martini, Rek. v. Zeel. 2, 48; 310. Ende die
daghe of waren, waarvan de termijnen waren ^ 49
driemaal, vgl. 311: daer die daghe of waren,
terwQl op dezelfde blz. driemalen ende voor daer
wordt gebruikt. Zoo ook 401 , waar men beide uit-
drukkingen vindt, e. e. — Ook gewoon in ver-
binding met de bijwoorden van plaats : doen en waen,
in de uitdrukkingen danof, daarvan , en wanof, waar-
van. Il Volghende den ouden wettelicheden , die zy
danof hebben , Belg. Mtu. 7 , 26. Van allen andren
sticken danof dat scepenen sullen syn ghesworen,
Cout, V. Bnigge 1 , 249. Ende danof van mijns
gheduchten Heeren weghe den register te hondene ,
Diericx , Mém. 1 , 280. Van persoenen die in van-
ghenessen sgn danof es de Clerc schuldich te
hebbene vier groeten, 281. Ende danof hemlieden
ghegeven brieve, ZVl. Bijdr. 3, 276 (a. 1379).
Danof zullen betalen cooper ende vercooper elc
deen helt, 3, 278. Danof te gheldeue deene helt-
Hcheede tOnser Vrauwen daghe, 4, 322 {a. 1410).
65 ffi 14 s. 6 d. gr., waen af hemlieden betaelt
was.. 36 ffi 4 s. 6 d. gr., Rek. v. Gent 1, 467.
Van 32 wagheuen, waen af de twee, die scepenen
kisten voerden, adden 8 gr. sdaghes, 1, 473. 81
sergante , waen af dat waren . . 3 banieredraghers ,
480. Van der claghe, wanof dat hie sal sijn ghe-
vanghen, Cout. v. Brugge 1, 262. Wanof het leste
als nu geschiet is te kersavont , Belg. Mm. 1 ,
42. — Zie verder bij Da en en Waen en Danof
als bijw. van plaats. — Overtollig wordt af na
van gebruikt in Grimb. I, 4060: „ Fan der ierste
was leitsman ave van Vianen die stoute grave,"
en in Jjiitg. 1 , 393 : „ Dat van de cleerheit , die
hi gaf, de werelt al verderen mocht a/". Vgl. ons
van ' aj\ ook in de uitdr. ergens niets van af weten.
2) In de volgende uitdrukkingen: — Af ende
a n e (a e n , an) , nu en dan , van tijd tot tijd. \\ Ende
men af ende an bi rade heren core bi den senaturen ,
Sp. I«, 1, 8. (1«, 18, 16 en36 behoort a/eytafe a» bij
doen). Dits wonder, dat af ende ane dus doet tweerhandc
ghedane, nu op twater, nu op tlant, Na/. Bl.lV ,
33. — Of toe of of (af), nuofdan,biJdeeeneof
andere gelegenheid. Vgl. onze uitdr. af en toe. ||
Niemen en houdem an dat belof, daermen es oft
toe ofl of anecomende . . met looshede of met be-
dwange, Sp. I", 8, 6. — Af no an (toe), de
ontkenning der vorige uitdrukkingen, dus : noch nm
noch dan , d. i. volstrekt niet , in 7 geheel niet. ||
Melioer , diere af no toe gheen woort niet ne seide
doe, Parth. 4633. (Dat) sire niet in en driven
woert no lettere, af no an, Wap. Mart. III, 6.
3) Af drukt ook den grond uit voor de eeiie
of andere handeling. || Waer af, op welken ^ond^
uit welken hoofde , sal ie u dit geven? Limh. V,
86. Ui diende sinen here niewaer af el, maer
datti hem gaderde scat, Parth. 140. Sine weten
noch niet . . , waer ave dat si syn gespard , Velth.
V, 48, 18 (in den tekst verkeerdelyk ane).
4) Jf op zich zelf genomen of in verbinding
met WW., die eene beweging uitdrukken, ge«ft
eene verwijdering te kennen en staat dan in betee-
kenis met ons byw. weg geiyk. Zoo in Afgmen^
Af comen ^ Afriden enz. || Tors maectem dapperl^c
daer of, ¥erg. 606 {verg. 2769). Dat tekgn noit
af en quam, ging nooit weg, verdween nooit, Sp.
III», 80, 83. — Ook expletief by een ww. , dat
reeds eene beweging naar beneden uitdrukt. || (Hi)
stacken weder dat hi ave van sinen orsse neder-
vel , Grimb. II , 3170. — Vooral gewoon was de uit-
drukking: — Bat af, bet af^ verder af, op
eenigen afstand, Ferg. 967; Maget van Gent 171;
Sp. III', 26, 76; 38, 66; 49, 22; IV», 10, 23;
24 , 66 ; enz. Zie verder Bet. — Vandaar , in verbiB-
ding met de ww. sijn, wesen oï werden, de uitdrukkin-
gen : — Afsyn, wesen, of werden, van dat-
gene gezegd, wat verwijderd of weggedaan is, Tooral in
tweeledige opvatting, naar gelang het van aaken
of van personen gebezigd wordt Verg. Afdoen.
a) Van zaken. — a) Van lichaamsdeelen. Van
het lichaam gescheiden zijn, afgeslagen zijn. \\ Die
een coc is ghelopen ter saten, dien die arme
waren of, Segh. 987. Mine arme, des hebic^rief,
si waren af eer iet besief, 1003. — Ook met
ellips van het ww. sijn. \\ Alsoo van Ytterne die
heere sach synen arm af, Grimb. II, 3462.
^ Van vlekken , smetten , in eigenlyken ain en fi-
guurlijke toepassing. Verdwenen zijn. Ook met den
3den nv. des persoons: Enen af }i\]Vi,vaniewumd
weggenomen zijn, iemand niet aankleven. \\ Sone
waren haer niet de souden af, OVl. Lied. en Ged.
498, 216.
y) Van instellingen , wetten , verordeningen ,
vorderingen, aanspraken enz. Af gedaan , af gesteld ,
afgesc/taft, ingeti'okken , vervallen zijn. || Dat dat
regiment van den negenen of wesen soude, V. d.
Wall 667, aant. 17 {a. 1430). Alsulck recht . .
dat sal oflF wesen , Mieris 4 , 6644 {a. 1420). Alle
rechtvorderingeu . . sullen aen beyden syden claer-
lijck af wesen, 4, 6864 (a. 1423). Hiermede sel
die oude kuer . . dan of ende te niet wesen , Lei^.
Keurb. 153 , 6. Dat alsulcken yrste verbodingen . .
afT sijn soelen, Nijh. 4, 130 {a. 1436). Aff ende
quijt weseu, afgesteld en vervallen, 320 {a. 1461).
Aflf ende te niete wesen, O. R. v. Dordr. 2, 106. — Ook
met ellips w&nYiei'W'w. sijn. || Dat men heeren Eduwart
. . tolle ende tolhuys te Lobede . . weder sal leveren ,
ende alle onrechte tollen af, Nijh. 2, 106 (a. 1358).
d) Van zaken, die niet meer bruikbaar agn,
ons op. II Mits dat de oude orane met allen af
was ende versleten, Invent. v. Brugge 6, 319.
ó) Van personen. Afgezet, ontslagen zijn (uit
205
AEXG.
AFBE.
206
een ambt). || Soe selen si af sijn ende nimmermeer
riclitere werden daer na, Willems, Meng. 464,
455. — Met den 2den nv. Des af sfjn, des af
wesen, van ieta af sijn, van iets oniêlagen of
beroofd zijn, \\ Alse gi des al ave sijt, Lorr, I,
909. Sijns scoenheits ware hiere met ave, Limb.
I, 904. Na es die maget dies ronwen ave, I,
2221. Ine wane niet hine waers na ave, y,648.
Nu es Heinriic . . siere pinen af, XII, 1389.
Want hi des riken was al af, Sp. III», 52, 58.
Die coninc van Ynghelant es alles af, Parth. 5939.
Sekerlijc so es hi of eere goeder hulpen, Belg,
Mus. 7, 447, 212. Dat ie deser werelt mach wesen
af. Hor. Belg. 10, 249, 9. Dat sie van oirre eren
wegen des nyet aff wesen en moiohten, Nijh. 4,
206 (a. 1445). — Later werd, in Holland althans ,
de genit. verwaarloosd en door den ace. vervan-
gen. II Wye siin poirterscip na dyen drye jairen
off wesen wille, O. K. v. Brielle 8. Hadde hijt
mogen of wesen, Aet hmnen ontgaan, Matth.
217. Als hy begeert sijn poirterrecht ofte wesen,
127. — Des af werden, van iets afkomen, van
iets ontslagen of beroofd worden. \\ Hoe werdic dus
mijns levens ave! Belg. Mus. 7, 445, 134.
AFBERNEN (afberenen, afberrenen), zw.
WW. bedr. Zie Bernen. Mnd. afbernen.
1) Door branden wegnemen, afbranden. \\ Dat si
hem in haerre kintschede die rechter borst af-
bernden mede, Sp. I*, 38, 60. Ie dede hem
bemen af dat haer, B>ein. I, 1506. Den 16 Juni
was hy up pellorin ghestelt, aldaer hem sijn haer
afgheberrent was , Cannaert 51. Ghi sult dat vleisk
of bernen mit een scerp bernende wapen, Lanfr.
123p. Dan suldi of bernen datter vervuult is van
den bene, ald.
2) Door branden verwoesten, afbranden, tot den
grond toe verbranden, platbranden. Ook met den
3den nv. van den persoon, ten wiens nadeele het
geschiedt. || XXX scepe noch myn noch mee
werden hem af bernt in die zee , Troyen f. 233*.
Die grave Boudin, die heelt coene, berende af
des keysers palays, VI. lUjmkr. 635. So dat hem
Florens ter stonde of bernde sine veste Lexmonde ,
Stoke II, 303. Ende bernden torp al ave, Heelu
2095. Ende bernde Lomelle een dorp ave, Velth.
II, 47, 58. Ende bernede hem zijn palais ave,
VI. Rijmkr. 362. Hi bernt hem of die woenstede
sine, Lucid. 5013. Die . . bisscop . . tooch in
den gestichte van Munster, daer Jan van Raesfelt
geseten was , ende bernde hem of al dat hy buten
slants hadde, Matth. Anal. 3, 294. Van den torre
van Westcappelle , die bi den Ingelschen afgeber-
rent heeft gezijn, ZVl. Bijdr. 4, 317. — In de-
zelfde beteekenis gold ook het grondwoord:
AFBERREN {bar, borren, geborren), st. ww.
bedr. Zie Berren en verg. het vorige art. Af-
branden, platbranden. \\ Ende salre u toe met
crachte . . dwingen ende dat lant af berren, Grimb.
I , 619. Dat men on.s in corter stont af sal berren
in den gront, opdat wy den strijt verliesen, I,
4975, óf de personen {ons) op te vatten als
hunne bezittingen, óf voor af te lezen al (var.
Ende men ons bernen sal in den gront). Ende
wilt hijs niet doen in tide, ende hy ondergaet in
den stride, men sal hem sijn goet af berren saen,
II, 1176. Ende maken wi vore die porte een vier,
dat vreeseliic si ende onghier, ende berren wi
dene porte ave, Limb. V, 345.
AFBETEN (afbekten), zw. ww. onz. Zie
Beten. Afstijgen, vooral van paard of wagen. ||
Doe beti of mettesen dinghen ende vergorde vaste
sijn paert, Wal. 4970. Daerwaert reet hi sinen draf ;
voor den palayse beetti af, Parth. 536. Hine wiste
waer beten ave noch waer sine paerde doen, Limb.
y, 264. Ende mit tien so qnam .die heer inghereden,
ende hi beet af. Vrouw. e. M. VIII, 128. ïiersten
dat geënt part was mat, het sprac ten man, die
op hem sat: soete vrient, beet of, ie ben moede,
gef mi orlof, Esop. XX , 19. Dies es hi vroet , eist
wyf of man, die hier te tijt of beeten. can, Praet
1493. Betet af ende cornet naer, Ferg. 4422. De
jonckers van der jonckerie behooren te stellene
den steghereep in den voet van den Prince, ende
hem helpen omme op te sittene ende af te beetene
van synen peerde, Matth. Anal. 1, 291. De doot
es . . taf beeten van eenen verwoeden peerde,
tuytcommen van eenen vallenden huse, Vert. v.
Boet. f. 2, aang. bij Huyd. op Stoke 2, bl. 587.
AFBEUREN (afbueren, afbüren, afboeren),
zw. WW. bedr.
1) Af beuren, afiichten, af tillen, de hedendaag-
sche beteekenis. || Si sach den steen ofgheboert
van den grave , Es. 71 , Joh. 20 , 1. Jhesus seide :
Buert of den steen; doe buerden si den steen of,
Hs. Evang., Joh. 11, 39 en 41.
2) Van geld, als pacht, schatting enz. Beuren,
in afbetaling ontvangen. \\ Soe wie dattet lant , dat
gelegen is in den nyebrueck voors., van dien
daegen dat wy onsen ersten pacht affgebeurt heb-
ben, coept oft vercoopt, Ngh. 1, 237 {a. 1328).
Dat zy die eyne schattinghe, die in den lande
van Zutphen avergegeven is ind deels verwesen,
voirtan sullen off mogen doin boeren, 5, 144* (a.
1481).
3) Korten, inhouden. \\ Na Sente Pieters
daghe . . zalmen zine knape betalen sonder yement
daer of af te buren, voer dat hem die drie hon»
dert pont alvol betaelt sijn , Mieris 2 , 191* {a. 1317).
AFBITEN {beet, beten, gebeten), si. ww. bedr.
Mnd. afbiten.
1) De hedendaagsche beteekenis: Enen sijn
hooft, die oren — , Nat. Bl. VI, 828; Bijmb.
20763, enz.
2) Figuurlijk. Die logene — , de leugen af-
snijden, verre verwijderd houden. || Dat ie na alle
mijn vermogen die rechte waerheit hebbe vertogen ,
ende die logene afghebeten, Brab. Y. VI, 11951.
AFBLIVEN {bleef, bleven, gebleven), st. ww.
onz. Bij Kil. abesse, deesse.
1) Wegblijven. \\ Dat si, mit dicke totten heilighen
sacrament te gaen, niet meer verblindet en werden
alset dicwyl geschiet. Ende het soude hem beter
geweest hebben dat si daer ofgebleven hadden.
Stemmen 113.
2) Achterwege blijven, onvermeld blijven. W^fdxen
die Inden niet bekent, ie sette horen name int
perkement; mer tis beter affghebleven, Mloep IV,
(var. af tergeb leven).
3) Met den 2den nv. Des — , er verwijderd en
verre van blijven, dus er van beroofd of verstoken
blijven. \\ Gi blivet van Henegouwen grave, ende
mijn soen sals bliven ave, Stoke III, 1379. Ie ben
onder die Sarrasine! wat sal seggen die moeder
mine ende miin vader die grave? vortmeer bliven
si miins ave, Limb. V, 1681 (Men kan ave hier
ook als onafhankelijk bijw. opvatten , vgl. af 4 b).
4) Met den 2den nv. Des ^ — , zich er niet mede
inlaten, zich er van onthouden. \\ Ende siedi eenich
quade teekine, soe blift af der curen, op dat ghi
moght, ofte en ware dat jou de vrienden baden.
Jan Yp. 88.
AFBORGEN, zw. ww. bedr. Met den 3den nv.
207
AFBR.
AFBR.
208
(les persoons. Enen iet — , ietê van iemand borgen ,
iemand ieti afieenen. || Overmits dat veel van den
burgers hnere portie inhilden tegens de sculden,
die de knechten hem afgeborcht hadden, Inform.
414. Wat si den lieden of borgen of ontbonden
connen, dat denct (1. dnnct) hem al ghewonnen
wesen, Con. Som. 270.
AFBRANDEN, zw. ww. bedr. Verg. Afbernen
en Afberren. Met den 3den nv. Door branden
verwoesten, ten nadeele van iemand platbranden. ||
Ënde die hertoge . . brande hem af derghelike
haer lant tot Grimbergen toe , Orimb. 1 , 2719. Dat si
hem ofbranden beyde winterhuns ende somerhuys ,
Matth. Anal. 3 , 102. Molens , die hem ofgebrant
waeren, Enq. 667.
AFBBEC (afbreec) -breke, znw. onz. (en ml.).
1) Afbrokkeling , aftlag van land door water. Zie
Afbreken onz. 2). || Dat heer Daniel . . den nieuwen
dijck niet langer honden en wonde, overmits noot
ende afbreek, die daer geschien mochte , Miens2,
744^ (a. 1347). (Die polder) heeft groete last van
dijckaege overmits tofifbreeck van hnere gorssingen,
Enq. 291. 12 haertsteden . . zyn vergaen overmits
den ofbreck van den lande by de meeren , Inform. 66.
2) Afbreuk, tekortdoening, schatting, korting,
door iemand meer te laten betalen dan het ver-
schuldigde. Zie afbreken bedr. 3) en verg. Af-
BREKiNGE en ons afbreuk. \\ Hier mede sullen
hoir burgers veylich varen ende keeren over al
in onse landen mit hoirren gueden . . sonder
anders enich afbreeck, of * enich ander rechtop
hen oft hoirre goeden te leggen, Mieris 3, 683^
{a. 1398). Sonder eenige tollen of ofbreck te geven
of te betalen van horen scepen, 726« (a. 1400).
Van de marcktoUen . . vrye varen ende keeren
sonder eenig afbreeck, ende sonder jet daer af te
geven, 4, 211a {a. 1412). Sonder eenich afbreek
of lette, 3, 209«ra. 1367.) Enen penninc vrfles gelts . .
zonder enighernande afbrec, O. W. v. Amst. 21,'
19. Vrij wesen . . van te mogen koopen, sonder
eenigh ofbrec, Handv. v. Alkm. 26*.
3) Aftrek, het gedeeltelijk onvoldaan of onvervuld
laten y van eene schuld of verplichting. || Alle ons
liefs vaders scult . . te betalen ende te houden . .
sonder enigerhande ofbreck, Mieris, 4, 343a (a. 1416).
Alle dese voirsz. punten . . volcomelic te houden . .
sonder enich afbreek, ald. b. var. Dat alle die
ghene die exciseners siin , van enen ygeliken vollen
excijs nemen sullen, sonder offbreck van eiken
vollen vate, O. K- v. Brielle 73, 3.
AFBREKEN {brac, braken, gebroken), st. ww. onz.,
bedr. en wederk. Verg. Aftebreken. iind. afbreken.
Onz. — 1) Met een persoon als onderwerp en
een ander persoon in den 3den nv. Enen — , van
iemand afvallen, zich afscheiden, iemand ontgaan.
Kil. desdscere, deficere. \\ Dat den keyser sine
liede vele afgingen ende afbraken, Sp. IV», 11,
• 48, Dat hen die joncvrouwen afbraken, daer si
ane hadden gewaent genaken, II', 44,163. — Ook
met weglating van den 3den pers. Hier bi waest
dat Home brac af, ende bi hem enen keyser coos,
Sp. IV', 1, 8 (d. i. y^zich (van het Grieksche rijk)
afscheidde'*''). Dat onse vorderen af-braken tier tijt
dat tlant gaf die keyser van den Roomschen rike
enen Godevaerde van Lothrike, Grimb. I, 6347.
2) Met eene zaak als onderwerp. Losbreken,
zich afscheiden van datgene, waaraan het verbonden
was. II Bi des heren jegenwordichede braken of
al daer ter stede sine boeien, Franc. 9329. Weert
dat enich stoer {steur) ghemeex't weer ende aff brake ,
Ooerijs. Becht. I', 224,
3) Met eene zaak als onderwerp, t. w. eene
v/arking. Plotseling ophouden, jj Men begrijpt lachier
(/. lachen) alsemen spreect, dat kintscelyc es oft
cort afbreect, Sp. !•, 36, 77.
4) Opbreken. \\ Dat die Turckx Keyser . . af-
gebroken was van Ween, omdat . . die stadt
hem tribuyt hadt gelooft te geven, Ere. Cran.
SOSc,
6) Met den 2den nv. der zaak: iels staden,
uitrusten van. || Vort salie u doen verstaen van
den bonken die hier na gacn, cortelike waer si
af spreken, eer ie der pinen wille afbreken, Sp.
Dl. 1, bl. 467, VS. 1. Vgl. bedr. 1.
Bedr. — 1) Van werkingen en toestanden gezegd.
Iet — , iets afbreken, staken, doen ophouden, de
hedendaagsche beteekenis. j| Een heer hadde bem
gegheven ene heerlycheit, die tzens galt sinte
Servaes, ende mit ghewalt wolde hy dat breken
aff, alsoe dat hjjs nyet en gaff, Serv. Il, 2012.
Dien dienst brac hi ai daer na, Rijmb. lA22S;en£.
— Sonder afbreken, zonder zijn voornemen te
laten varen , zonder van zijn besluit terug te kom^m,
dus met vastbesloten plan. Kil. verklaart Af-
breken o. a. door abstinere, eontinere se. Het zal
wel als bedr. ww. te beschouwen zyn , als elliptiachc
uitdrukking, b. v. voor sinen raet afbreken. \\ Dathi
sonder afbreken dat emmer wonde wreken, Melik.
3344. Ende hi dat sonder afbreken ende sonder
beraden wilde wreken , 3774. Doe in Christus minne
ontsteken therte myn sonder afbreken, Bel^. Mns.
3, 462, 28.
2) Van verbintenissen, beloften enz. let — ,
iets verbreken. \\ (Giericheit) brectal of vorwaerde,
segelinghe ende ghelof, Grimb. II, 6464. Soc
pijuden si hem af te breken alle manscap, hnlde
ende eet van trouwen , Brab. T. VI , 2426. — Ook
met den 3den nv. des persoons. || Want doen die
heren hier ave die waerheyt wisten ende sijn
mesval , brakense hem af groot ende smal manscap
ende sekerheide, Orimb. I, 330.
3) Met den 3den nv. des persoons. Enen iet
— , iemand iets {met geweld of list) afnemen , ont-
rooven, of wel ontstelen. Verg. Afbrec en ons
afbreuk doen. \\ Die hem , sonder waen , swaerlikere
afbreect siin geit met siere dorperliker gewelt , dan
hem noit die Goten daden, ^. III", 40,83. Wanen
comt di 80 dul die wille te comene in tRoemsche
rike stille, mine ridders mi afbreken? II*, 17, 3.
Die verteren nacht ende dach so wat mendencon-
vente afbreken mach , Teest. 3309. Doe brae hy hem
die croen af, Troyen f. 45c. Wilde men hem sd hare
coustumen teersten afbreken ende ontscumen, Sp.
I*, 25, 30. Marteel . . . brac hem af haer doen,
ende alle die steden daer int lant, III", 65, 44.
Ende hem trike avebrac, III",66, 56. Daer hi hem
dat rike af brac, IV «, 38, 12. Al eist dat si ter
noot afbreken haren ondersaten me dan recht ,
Heim. 616 {var. meer dan r.). Om andren of te
breken sjjn lant ofte sine pale, Lsp. III, 26, 96.
Die wapene , die de felle gebure ser Wouters lieden
eer af broken {voor afbraken), Brab. Y. III ,
364. Den grave, die men tsine wonde breken
ave , V , 674. Wie so hem was viant , dien brac hi
of huns ende veste, Stoke III, 468. Ende die hem
dat wilt afbreken , dien willense sien ende op hem
wreken, Velth. IV, 10, 77. Nyemene af en brick
sijn goet met valschen listen, X Plagh. 1656. Den
lieden breken ave beyde haer goet ende haer have ,
1626. Die hem den loeu , dien si hem souden gheven ,
afbreken, 1661. (God) sine claerheit hem daer af brac^
Rtncl. 10G3. Voert verbieden wi, dat nochBaeliii,
209
AFBR.
AFBR.
210
noch Rentemeister . . yemand enich goed afdrieghe
of ofbreke, MierU 2, 2126 (a. 1319). Alsoe en
moghen vi niemant tsine onthouden noch afbreken ,
Ned. Proza 62. Ende al diere ghelike breken zijt
hemlieden af alt jaer dore , Be^. Mw, 7 , 86. Die
den armen wichteren dat hoir of breken mit onrechte
scattinghe, mit mergengelt of riemgelt, Ctm,
Som, 21a, Maendghelt . ., 1 welke hemlieden eenen
zekeren tijt afghebreken heeft ghesjn, ingehouden
üf Invent v. Brugge ^^ 113. — Ook met weglating
van den Sden ny. des persoons. || Doet der kerken
recht, ende en brect niet haer goet ave, XPlagh.
749. Dat 8V tonrecht syn beschoren, off hoir goe-
dekyn offghebroken, Hild. 18, 182.
4) Met een persoon als voorwerp. Enen — ,
iemand afbreuk doen^ hem te kort doen, bettelen. ||
En steelt nyemant sijn have met valscher list, en
brect nyemen ave , X Plagh. 1570.
Wederk. — Hem afbreken van ere dinc,
zich van iete losmaken , er van scheiden, a/stand
doen, II Om dat hoor dye voerspoet deser werelt
niet te seer boenen en sonde, soe brack si hoor
selven een luttel of van den dryen ghenoochliche-
den, Pass. W, 21b, Een pelgrim pQnt hem . . of
te breken ende van hem te ontslaen die menigher-
hande dinghen die hem alle daghen . . hinderen,
Bern, W, 12bc.
AFBEEKEBE (afbrekre, afbreker), znw.
m. Zie Afbreken bedr. 3. Afzetter, iemand die
een ander afbreuk doet. || Afbrekeren, persemeers
ende dieve, alle in des duvels dienste si leven,
X Plagh. 1660.
AFBREEIN6E , znw. vr. Hetzelfde als Afbrec :
zie ald. Afbreuk, tekortdoening, korting , schatting ,
bijzonder afpersing, door iemand meer te laten
betalen dan het verschuldigde. || Bi den vergelden
van den vorseiden penningen zeilen zi vri bliven
van alre bede, ende van alre ofbrekinge bi bede,
Meylink, Delfl. Bijl, 67, 62 {a. 1246). Veylich
te varen, te reysen enz. . . sonder enich afbre-
kinge. Mieris 4, 7836 {a. 1425). Dat dese voirsz.
poirt^rs . . vrg sallen wesen van tolle ende van
allen of brekinghen van tolle, K. en O. v. Delft
245, 1. Vrij bliven van alre bede ende van alre
ofbrekinghe bg bede, 256, 63.
AFBRINGEN, afbrengen {brachte, gebracht,
of broehte , gebrocht), onreg. zw. ww. bedr. Mnd.
afbringen,
1) Van personen. Iemand brengen in den toe-
stajid, waarin hjj van iets af, d. i. van iets ver-
wijderd of beroofd is.
eC) Enen — , iemand van zijne partij afbrengen ,
er kern, ontrouw aan doen worden. \\ Doe maecti
an Dietsce vort, dat si waren an s^n accort, ende
geloefdem mede ende gaf; ende aldus bracht hise
af al heymelike ende met liste, dats die coninc
niet en wiste, Velth. I, 47, 43.
b) Enen des levens — of des lijfs — ,
iemand om het leven brengen, ombrengen. Terg.
Afdoen. || Ende hadde mettem enen grave, die
hem broehte des levens ave, Sp. III', 19, 9
(v8. 16: vermort). Diederic, de vjjfte grave, wart
gebrocht des levens ave, IV*, 65, 56 (Stoke I,
1040 : vermoorf), Ende brochten slflfs af, IV», 39, 63.
Beter wellicht beschouwt men a/ op deze plaatsen als
een afzonderlijk woord met de beteekenis r(m</^. Vgl.
des af werden, kol. 205.
2) Van zaken. Iets brengen in den toestand dat
het af, d. i. verwijderd of afgesteld \&,a) — Enen
iet — , iemand iets afdoen, uittrekken, er hem van
ontdoen. \\ Den roe, die die heilege manmenigen
dach gedregen hadde an, . . heeft hem Anthonijs
afgebracht, Sp, II», 32, Vlh,^b)\^\, — ,ieU af-
schaffen, doen ophouden, in onbruik brengen, het
tegengestelde van Opbrengen. Zie ald. en verg.
Af (Af sijn) en Afdoen. || Men mach met lichten
dingen die quade gewoente niet weder afbringen,
N. Voet. 635. Dat ie nu noch zey, was goet opset.
Ie zal haer quaetheit nu afbrynghen, NunochlTÓ,
II Nog in de 17e eeuw, b. v. V. Heiten , Bemagie 38 :
dat die vuile gewoonte af werd gebragt,
AFBROEYEN, zw. ww. bedr. Zie Broeyen.
Met den 3den nv. Enen iet — , van iemand iets
door schroeien wegnemen , het hem af schroeien, \\ Drie
ysere hadde hi ghegloeit, daer hi tvleesch hem mede
afbroeit, Segh. 11723.
AFDALEN, zw. ww. onz. Afstammen, Verg.
Ned. Wdb. 'op Afdalen 2, b), \\ Van sinte
Bertrada des groeten Karels moeder, epdevanden
selven Kaerle, ende van meer ander heylighendie
hertogen van Brabant afghedaelt sQn , Exc. Cron. 4c.
Dye hertoge van Lothrgc was als affghedaelt van
den grave van Ardennen, 106c.
AFDEELACHTICH, -ech, -tige of- tege, bnw.
Zie Afdelen, 2). Met den 2den nv. Des —
maken, vervallen van iets, || Soe wat joncvrou-
wen . . ontloept mit eenen man beneden haren
vijftien (zie het voorbeeld bg afdelicii) jaren , . .
die maken wy affdeelachtich alre erven ende alles
goeds , dat haer van rechte ancomen mach , Mieris
2, 169a {a, 1315).
AFDELEN (afdeelen , afdeilen), zw. ww,
bedr. Mnd. afdelen»
1) Iet — , iets afscheiden, iets afnemen vaneen
geheel, waaraan het verbonden is. || Ghiseltheilech
maken ... die scoudere die ghi van dien wedere
avedeilet, Ruusbr. 1, 262.
2) Van goederen, scheiden, verdeden. \\ Alsoo
verde, als sy (de goederen) voort recht van hoeren
ouderen niet ghescheyden ende ofghedeylt zyn.
Mieris 4, 200a {a. 1412).
3) Enen — , iemand afscheiden, hem ver-
vallen verklaren van iets, || Die hier in bliven, si
werden ghesceiden ende afghedeilt van den rike des
ewichs scouwens, ghelikerwijs dat Saul was van
den rike van Israël, Ruusbr. 6, 242.
4) Hem — , zich afscheiden. \\ Alle die ghene
die hem selven afdeylen, ende in enighen punten
contrarie sijn der heyligher kerken, Ruusbr. 3,
244. Alle afghedeilde menschen ende verdorvene
lede, die niet en leven in enicheit der heyligher
kerken, 246.
AFDELICH (afdelech) -ige of -ege, bnw.Van
Afdelen, in den zin van (iemand) het deelgenoot-
schap (aan iets) ontzeggen; zie Afdelen 2) en verg.
mnd. afdelen. In de uitdrukking :Enen — maken
ere dinc, ietnand het deelgenootschap aan iets
ontzeggen, van het aandeel van iets berooven. \\
So wUke jonckvrouwe of joncw^f ontloept beneden
haren v^nien jaren, die hoert tot deser vriheyt,
die maken wi ofdelich alre erven ende alles goets
dat haer aen mach comen mit rechte , Oorkb. 1 ,
246* (a. 1248). Vgl. afdeelachticu.
AFDELVEN (dal f, dolven, gedolven), st. ww.
bedr. Afgraven. \\ Alle erve sal men meten ter halver
dilven opten doelpitte, ende ofghedolven weghe
daer yement over weghet, die salmen gelden half
lant weghinghen; die niet ofghedolven eu siin,
die salmen gelden half lant eenre roeden breet,
Oorkb. 2, 'S40a (a. 1290). Datter omtrent geheel
lants es 100 mergen , ende tander es al ofgeuolven
landt , ende alsoe snoode dattet niet en dooch , Injorm.
211
AFDI.
AFDO.
212
486. Tland. . ., tvrelke de stede of dede delven ter
niewer veste bonf, Invent. v. Brugge 3, 407.
AFDIKEN, ïw. WW. bedr. Van een land. HeC
door middel van een dijk afsluiten^ af dij ken. Zie
Ned, Wdb. op Afduken. || Wair dat zake dat dat
lant becontede ende ment diickede te cellande,
dat sal men him lichten van horen syse also groet
alsment ofdiicte, Oorkb. 2, 36U (a. 1291).
AFDINGEN, zw. ww. bedr., mn^. af dingen. Het
tegenovergestelde van aendingen 2), dat niet jnist
verklaard is. Het aendingen aldaar bet. hetzelfde
als aenwerpen of aenbrengen^ en afdingen is dus
hetzelfde als afriden. Zie die woorden, en twee
voorbeelden van afdingen op Akndingen 2).
AFDINKEN {doekte, gedocht), onpers. ww. Met
den 3den nv. des persoons en den 2den der zaak.
Van Dinken, danken (videri). Mishagen, grieven,
deren. Ags. ofthyncan , displicere , taedere (Grein ,
Gloii. 2, 321), het tegenovergestelde van goet
dinken (goed dunken), placere. Verg. hd. abdenken
(über etwat), afkeurend oordeelen, en gr. dnodoxsl,
dat minder sterk is van beteekenis, doch op de-
zelfde wjze gevormd. Zie ook Verdinken. — Mi
dinct des af, het griejt, het deert mij, in sterke
opvatting, van iets ontzettends gezegd: het ver-
wekt mij afichrik (over de daad) en deemi* of
medelijden (met het slachtoffer). || Ende dedem
sonder genaden afsniden alle sine lede : nese , lippen
ende oren mede , so dats eiken man afdochte , aiene
anescouwen mochte, Sp. I*, 36, 12. Daer men
snlc torment an wrochte, dats menighen hedinen
afdochte, II», 14, 183. Hi swoer dat bi siere wet,
tote Tituse , dies ofdochte , dat men te siere poorten
brochte dode C dnsent man, Rijmb. 32848. Dats
dien Romeynen afdochte, miserati tunt, 32873.
Dats enen afdinken mochte, ut miseranda esset
(tanta mutatio), 34043. — Elders wordt Af dinken ,
in zwakkere opvatting, blooteiyk van een gevoel
van deernis, medelijden of ontferming gezegd,
zonder bijdenkbeeld van afschrik. || Ende bat
hertelike onsen Here, so dats Gode van hemel-
rike afdochte, ende brachtene in siin rike, Rijmb.
14508. Mettien quamen daer vele del fine , die snchte-
den sere ende mesbaerden , als of si ghenade begaer-
den , 80 dats die {d. i. dien) coninc ofdochte , ende
hiet datmen dat dier ontknochte, iVaA J?/. IV,390.
Sodatssinen vrienden ofdochte, Rijmb. 18823 var. Die
(datieO ofdochte der aventure , 20781 var. 8o dats
Gode onsen Here afdochte, ende hevet sinen
inghele ghesent, Amand I, 929. Hiet hi dat men
sonder afdinken in die see soude verdrinken Cesa-
reus, Sp. II», 37, 69. Een hedijn man zachse te
bant, dien ofdochte hare armoede (rf. i. haerre
armoede), Franc. 1834. — Ook vereenigd met het
WW. ontfermen. || Mamet! deser mort moet u af-
dinken ende ontfermen! W'ittek. v. Sass. 70. Want
en mochte niet gescien, dat soes hare onthouden
mochte, hare nontfaermde ende afdochte, die hare
lijf dor hare niet en sparen, Sp. I', 78, 70. Vinc.
„ Neqne enim continere se potest . . quin compatiatur
eis in suis laboribns**.
Aanm. Sp. I», 9, 36, waar het hs. heeft: „Te
bant verkendijt, ende hem dochte dat so vele
gedogen mochte" , moet voor hem dochte gelezen
worden: hem afdochte, of hem verdoekte. Vinc.
„ quem recognoscens et miserans'\ Ook Rijmb. 29652
var. 6', staat verkeerdelijk inheths.: „Men sloecht
al dat men geslaen mochte, onthier dat Titus
ofcochte." Men leze: Tituse ofdochte: verg. den
tekst: Tt/tnse verd^ychte.
AFDOCHT, znw. vr. Van Afdinken: verg. ons
Achterdocht voor achterdocht^ van Aehlerdemkeu.
Deernis, medelijden, ontferming. || Haerre tweer
hebben si afdocht ende hebbense haren coninc
brocht, Sp. II», 61, 29. Vinc. «paemli . . barbt-
romm miseraüone servati".
AFDOEN {dode of dede, gedaen, geb. wgs doe
en doek af), onreg. ww. bedr. en wederk. Verg.
Afgedoen. Mnd. afdSn.
Bedr. — I) Met eene zaak als voorwerp.
1) Van kleederen en wapenen. Uitdoen, uittrek-
ken, afleggen, de hedendaagsche beteekenis. || Eade
dede hem af alle sine cledere , Lanc, UI , 5926. Been-
harnas ende coppen mede dede sj af daer ter
stede, Troyen f. 82Ó. Doe af dine scoen, Rijmb.
3677. Ende hevet haer handscoen afgedaen, Sp.
V, 65, 205. Doe dine diere cleedere ave, II',
3, 63. (Hi) ginc afdoen cleedre, conseii ende
scoen , Boerden \\ , 126. Doch of dat ghescoejte djnie
voeten , Hs 76 /. 138tf. — In byzondere opvatting :
— Sine wapine afdoen, de wapenen neder-
leggen, den strijd staken. \\ Hare wapenen hebben
si afgedaen, ende maecten pays jegen die stede,
Sp. V, 67, 40. — Den caproen afdoen, de
muts afnemen, uit eerbied of beleefdheid. || Om
die reverentie daer af doetmen den caproen af,
Lsp. II, 62, 70. Ghi sult ooc n wen caproen jeghea
den betren ofdoen, III, 4, 101.— Sine toveringe
afdoen, zijne toovenarij afleggen, met zijn toover-
kunsten ophouden. \\ Si sal avedoen hare qnade
toveringhe, Limb. I, 2046.
2) Iet afdoen, iets wegdoen , verwijderen^ weg-
nemen. Hetzij absoluut, hetzij vergezeld van eene
bepaling met het voorz. van, ter aanwyzing vaa
het voorwerp, waarvan men iets wegneemt. Ook
met den 3den nv. des persoons , ter aanwijzing van
den persoon , van wien men iets verwijdert.
a) Van stoffelijke zaken , in eigenlyken zin en fi-
guurlijke toepassing. || Wie sal ons den steen doen
ave van der dore van den grave, Rijmb. 26723.
Peper ofghedaen die buut. Nat. BI. IX, 511. Als
al ofghedaen es tfel, IX, 614. Oec ghingen si alle
ten grave ende daden die erde ave, Limb. Y\,
2165. Herman! doet u bant af ende laet minen
vogel staen, Velth. III, 44, 46. Alse die vrowen
totin grave auamen, so saghen si din steen af-
fhedaen van den grave , Lev. v. J. e. 234. Avicenne
ie wyst ons een experment dicke ghepronft om
warten {wratten) of te doene , Jan Yp. 146. Si Terbant
al heymelic een steecswaert, dat tot des conincs hoefde
hinc, so datment niet nuttrecken en mochte noch
ofdoen. Pass. /T. Tld. Doch af die roestheit ran
den sulver, Hs. v. 1423, 184* (Proverb. 25, 4). Ende
bat sinen vader met groter droefheden , dïat hi hem
den bitteren kelc af dede, Fad. Mus. 2 , 418 , 102. Doe
verkeerdi die dine, ende dede die mort af alle-
male, Sp. IV*, 45, 106 (d. i. „nam alles weg w^
er in den brief over den moord was geschreven*").
— Enen sijn hooft afdoen, iemands Aoofd
van het lichaam scheiden, hem onthoofden. \\ Die
coninc dijn hoeft ofdoen sal, D. B. Gen. 40, 19
(vuig.: „aujeret Pharao caput tuum"). — £nen
doden man die hant afdoen, eenen dooeU
de hand af houwen, ten einde met de doode Mmmd
te klagen. Verg. Afwinnen 1, b, ^). Zie Grimm ,
R. A. 627 en 880. |i Voort vraecht die rechter ,
wat hy daer met recht is schnldich mede te
doen, ende dan soo wijset vonnis, dat men hem
sijn hant met recht ofdoen sal. Voort soo vraecht
die rechter an eenen vonnis, welcke hant dat men
hem ofdoen sal , ende dan zoo wyset vonnis ,
zyn rechter handt, Mieris 2, 29a (a. 1308). —
213
AFDO.
AFDO.
214
Sine hant des afdoen, de Aand van ieU
aftrekken. \\ Maer hi es nu al versmord, ende
ie does mine hant nu ave, Velth. VI, 3, 62. —
Die hande afdoen van ere dinc, de han-
den van ieiê aftrekken^ het laten varen. || Ende
wien 80 ghesciet den ramp , hi sal afdoen die hande
▼an Ingelant te siere scande, J^. lY*, 66, 108.
— Enen eens onrechte hant afdoen, van
iemand eens anders onrechte hand wegnemen , iemand
onttrekken aan eens anders onrechtmatige macht. \\
Behondelic datmen ons ofdoen sal die onrechte
hant Tan den Here van Sevenberghen , Mieris 3,
426; V. d. Wall 331 U. 1385). Dat wi dien van
Dordrecht die onrechte nant van den moeren (over
de veenen) ofdoen sullen van den Here van Seven-
berghen, Mieris 3,428; V. d.Wall 382 — Fruut
afdoen, vruchten afplukken. || Lambrecht ende
syn sone . . bevalen haren cnapen, dat men al dat
fruyt affdoen sonde, Cron. v. Vlaend. 1, 61. —
Eens lichame tLfdoen , iemands lichaam af nevten,
i. w. van kruis of galg. Yerg. II , 1). || Ie ben Jhesus,
dien ghi hier ziet, wies lichame ghi daet af, Lsp.
II, 36, 1168. Te vespertyde was afghedaen Jhesus
lichame, Amand II, 915. Josef, die syn jonger
was, an Pilatus dat hi bat, dat hi den lichame
mochte doen af, Fad. Mus. 5, 321. — Iet af-
doen, iets afnemen, t. w. van het vuur. || Die
olie sal men setten op dat vier metten wasse, . .
ende alst ghesmolten is, dan doet of , Jan Tp. 176.
Dit minghet al over een ende siedet in een luttel
wgns altoes roerende, ende dan doet of, 191. Dit
salmen sieden in III stoepe waters eene langhe
wile ende dan doent of, 192.
b) Yan onstoffelgke saken. || So dat God al
vergaf, ende sine verbolghentheit dede af van al
den ghenen, die enz., Lsp. I, 29, 29. Ende wert
dat hi sine hoede afdade also langhe alse een
ogheopslaen, het soude al te nieute gaen, Teest.
1530. Waer dat zake, dat hem . . enighen last of
binder quame , . . om des willen datsi . . Frederic
▼an Blanckenheim ontfanghen hebben tot enen bisscop
tUtrecht, dat wi hem . . dat willen ofdoen, Nyh.
3, 184 (a. 1393). — Die souden afdoen, de
zonden wegnemen, uitdelgen. \\ Dat geen oefeninge
hebbeliker en is die souden mede of te doen,
Ruusbr. 3, 107. Nae den anderen Pater Noster
ofdede hi alle sunden. Stemmen 26. Nochtans so
mochten si wel al soe groten rouwe hebben, dat
sy al horen sonden daer mede ofdoen souden.
Pass. ïf. 86. Dat vulcomenheit der minnen een af-
doen der sunden is , Sp. d. M. \, 99f . Doe hi sijn
sonden ghebyecht hadde ende ofghedaen, Pass. W. 81tf.
'- — Inzonderheid gezegd van \l^ uitdelgen der zonden
door Christus of de Heiligen. || Cristus ne ware
niet noch en woude comen in der werelt oude,
dan om zonden af te doene, <^. III*, 55, 65. Ende
om die zelve zonden , twaren , so most al ter helle
varen, en dadet ons dat doopsel niet af, dat ons
Christus passie gaf, Lsp. I, 23, 93. De minste
sonde, sonder waen, en hadde alle werelt niet
ofgedaen , sonder Jhesus Kerst alleine , Lucid. 1268.
Ende stortes dynre herten medicine, om af te doene
de sonden mine, Inst. 2de kl. Ferh. YI", 17 (var.
of te dwane, OFl. Lied. en Oed. 2, 42). Doe of al
mine quaethede , OVl. Lied. en Ged. 2 , 30. Dyn soeten
name, die ons die werre van Adams sonden al
offdede , Hild. 92 , 48. Quame hi ten doemsdage om
of te doene tsmenschen plage, Litcid. 1541. Na de
menechte dynre ontfarmecheit soe doech af (voor
doch rt/)mine quaetheit, doech af alle mine ongherech-
ticheiden , Vad. Mus. 2 , 440. Dese sonde . . heeft seute
Jacop afgedaen, Sp. lY», 50, 67 (verg. vs. 55).
Here, doet af goedertierlic haer vlecken ende
geweerdicht haer sielen te verlossen , Exc. Cron. 83a.
— Eens vriheit (ere) — , iemands vrijheid
(eer) wegnemen, te niet doen. \\ Ende daerom alle
vriheit saen ende u ere werd afgedaen, Yelth.
YII, 31, 56.
c) Iet afdoen, iets verre van zich afzetten,
afwijzen, versmaden. \\ Soude ie tgoet vercopen
dan, dat mi aventure gaf? Neen ie, twaren, dat
doe ie af, Alex. lY, 2^. — Inzonderheid in den
imperat. : dat doet al af, d. i. dat zij verre. \\
Die rike waent datmen priset, alsemenne metten
vingre wiset, dat dat si eere ende lof: neentniet,
dat doet al of, Sp. III», 5, 99. Zoo ook Sp, III«,
27, 63, enz.
^ Iet afdoen, iets verbieden, \\ Zoeystdatwi
ofdoen ende verbieden, dat men nemmermeer enz.
Invent. v. Brugge 4, 299.
3) Iets brengen in den toestand , dat het af, d. i.
afgedaan is; dus Afschaffen, doen ophouden, in-
trekken, van instellingen, wetten, gebruiken enz.
gezegd. Yerg. Af (Af sijn , 1) en Afbrengen, 2).
„Afddn, aholere,'' glosse by Graff, JHut. 2,196.
II Dat hi de kore niet soude doen af, de hem de
coninc Willem gaf, Stoke X, 181. Dien ban, die
een bisscop gaf, en mach een ander niet doen af,
Sp. II', 27, 61. Ende doe af die costume daer,
Lanc. III, 2163. Alle biddende oerdenen werden
afgedaen, Vad. Mus. 3, 427, 4. Wetten afdoen,
!^. III», 26, 36. Scattinge — , lU*, 49, 78.
Onrecht — , Heim. 571. Dat men ofdoe alle ghiften . . ,
die men langhe gheploghen heeft te ghevene,
ZVl, Bijdr. 4, 6. Nochtan zolden sie dat verbont
afdoen , also veer als dat scepen ende raet wolden ,
StAdsr. V. Zwolle 113, 179. Ene verbodinge (dagvaar-
ding) afdoen ende machteloos maken, Nüh. 4,130
(a. 1436). Ende doe die was (/. was die) ordenan-
tie afghedaen, dat men nemmer alsoe commen en
soude ghewapent om ghelt, Eek. v. Gent 1, 219.
— Ook van personen, als de instelling vertegen-
woordigende. [| Doe begonden die van Rome hare
coninge te doene of, ende hadden raetgevers int
hof, Rijmb. 17888. Tien tiden so daden af mede
hare raetgevers die Romeine , ende maecter af tri-
bune al reyne, 18362. (Hist. Schol. : „tribuni milita-
res pro consulibus esse coeperunt.)" Dat men vort
die keysers afdade, 1^, I', 1, 7. (Dat) hi alle daf-
gode afdede, I*, 10, 18.
4) Uit den weg ruimen, doen ophouden, een einde
maken aan, van schulden, moeilykheden, twisten
enz. Ygl. eene schuld afdoen en Flor, 186i0: „Doe
si haren tol hadden afgedaen. || So wie poirter
ontfanghen worde te Leyden, die sel ofdoen alle
dat hi upheeft (alle schuldren, waarmede hij belast
is) tot aien daghe toe, Leid. Keurb. 16, 15.
Hl oft yemant van sire weghen, daer der stat
last of swaernesse of comen mochte, de sel
der stat dat ofdoen buten der stat cost , of hi sel
uut der stat wesen . . out der tijt toe dat hi der
stat dat ofghedaen heeft, R. v. Utr. , 27. So wie
binnen Antwerpen gheseten es ende van yemene
ghequetst wordt, die sal selve sine ersaterie af-
doen ende sine meester loenen , Cout. v. Antw.
I, 72, 194. Wat hi teghen sinte Martijn misdaen
hadde , dede hi of mit peniteneie , Pass. W. 26 c.
Waer dat zake, dat hem . . enighen last of hin-
der quame, . . dat wi hem . . dat willen ofdoen,
Nijh. 3 , 184 (a. 1393). Die eire scove gave dan
den genen die hier genoemt zyn, hi hadde ver-
boert XX SC, ende diese eyscht XX se, nochtan
215
AFDO.
AFDO.
216
moet hi hem avedoen, bovendien moet kij ken
tekadeloo* stellen voor het verlies van de eens ont-
vangen sehooven (?), Belg. Mits. 6, 300 (a. 1284);
Ned. Proza 14. I>Eit hi hem pijnde metten Graye de
grote Yeete te doen ave , Stoke IV , 185. Dns worden
. . alle die vede afghedaen, W^rake III, 1951.
En hadden die veede afghedaen , Srab. Y.
VII, 13646. Dat wi onsen bnider heren Edwart
(datief) yan Gelren af doen schadeloos stellen (?)
soelen ende (nl. doen) weder hebben die stat van
Embric ende alle guet, dat enz., Nyh. 2, 79 {a.
1365).
5) Afbreken^ opbreken^ t. w. huisen, tenten,
brnggen, belegeringswerktnigen ens. || Diebrac-
gen, die tier tyt yan yresen af waren gedaen,
iMnc. III, 15985. Met een hnsekinne, . . dat de
yoorseyde weduwe af heeft doen doen, Diericx,
Mém. 2, 261 (a. 1447). Soe wie dat ghequetst
worde . . yan hnsen, dair mense op ochteafdade,
(Jout. V. Waelhem 18. Van den selyen springalen
ende pawellioenen af te doene ende te scepe te
yoeren, Bek. v. Gent 1, 349. Van den tenten en-
de pauwelioenen . . te yoeme met scepen, ende
springalen af te doene, in de scepe te doene ende
weder nte te doene, 475 Aani. 7 daghen die sij
piinden . . an de engiene ende pawelioene af te
doene ende te ladene, 496.
6) Vertooesten^ vernielen^ verdelgen^ t. w. eene
vgandeiyke stad, plaats, landstreek, legermacht
enz. II Dat si t Akers qoamen gereet, ende
dat ofdaden in den gront, Sp. IV», 37, 22.
Dede yan HenegonWe die graye sente Amants
ende OrsQs aye met brande ende mitten swaerde,
Edew 1555. Dat hi yergaderde mogendelike groet
yolc, om met machte af te doene die yier Am-
bachte, Vl. Rijmkr. 10127 (zoo ook 10184). Hi
brac beelde te hand aldare, ende dede af dat in
den temple gheyen mochte qnade exemple , Amand
1, 3549. Der onghenadigher huys sel werden af-
ghedaen, B. v. 1423, 174c {Proverb. 14, 11). Ende
verbranden ende daden of yan Walecoert myns
heren Diederics hof, Brab. T. V, 3041. Doen voren
dander tot Witham . . ende wilden dat afdoen
tsamen, Velth. II, 51, 58. Dattie grave van Gelre
Tielne wilde doen ave, II, 50, 47. Wat dat bin-
nen mure stont dede men af tote in den gront,
V, 41, 63. Vilvorden sal . . al afgedaen werden
clein ende groot, Orimb. I, 5452. Dat sy . . met
ons derwaert varen, ende afdoen dat wy vinden
daer, I, 5463. Offer vijf men is dan vijftich ghe-
rechtighe, salstn alle die poerten ofdoen om die
vijf ende veertich? Ende die Here seide: Ie en
salse niet ofdoen, D. B. Oen. 18, 28. Die onse
lant hevet afgedaen ende veel Inden versiegen,
Bicht. 16 , 24. — Ook van een op steen gehouwen
geschrift. || Doen zwoer hi, hi sout doen ave,
y'an ghevene 44.
II) Met een persoon als voorwerp.
1) Afnemen^ t. w. van kruis of galg. Verg. I,
2, cl). II Bi der crucen waest in een hof, daer
sine hadden gedaen of, Sp. I\ 33, 13. Laet ons
afdoen dese dieve ende desen man, soe doedi ous
lieve, L. o. E. 3743. Men lyeten . . hanghen an
die galghe. Ende die rechter gaf sinen vader ende
moeder oerlof, dat si hem ofdeden ende groeven,
Pass. W. 34 d. Ende deden daerna an enenbalcke
hanghen . . ende daer na dede hi hem ofdoen en-
de onthoefden, 50 b. Doe sinte Andreas sach dat
hem dat volck ofdoen wonde, soe dede hi ant
cruce dese bedinghe, 92 d. Ten seveuden daghe
. . . deden die vroede sonder sparen hangen bi
sinen langhen hare . . ; hi deden of ende deedt hem
mee. Om te tormenten den kejtijf dedine of, Segh.
11740—48.
2) Afzetten^ ontslaan (uit een ambt of ecne be-
trekking). Verg. Af (Af sijn 2). jj Hierna wart hi
afgedaen, ende wart bedwongen tiere dinc, dat hi
clergie daer ontfinc, i^. III', 22, 102. Dat hi
siere moeder afdede van des rikes mogenthede,
III", 89, 33. Ander dages woudi ontien mire
manscap ende syn afgedaen, uit den dienst der
minne ontslagen word-en^ Bose 9714 (Var. afgegaen).
So wart paues Gregoriua afgedaen, Sp. IV' ,
32, 37. Hi {de Paus) wart saen yan den stoele
afgedaen, II", 74, 48. Componius wart afgedaen
van der baillien, I", 51, 16. Baliuwen , jugen Wet
hi te dien, die kersten waren, datmense afdoe,
II", 27, 24. Sident so dede Anthyoous Jaaon of
{amovit Jasonem), Bijmb. 18747. {Een hoofdman
werd gekozen)^ maer curt wart hi afgedaen, Fl.
Bijmkr. 10105. Die gheene die meer genomen had-
den dan hier voirszeid is, die soude onse bailju
. . ofdoen van dien ambocht eeuwelgcke te blyven ,
Oorkb. 2, 191 b {a. 1281). Es yement van den
scepenen der poerte onnutte int scependoem , dien sal
men ofdoen sonder wedersegghen , ende enen ande-
ren weder setten in sine stede. Mieris 2, 56«
(a. 1306). Svridages . . waren ghemaect . . 2 ont-
fangers van renten, . . ende doe waren afghedaen
Jacob Deinoet ende Cl. de Keyser, diet gheweest
adden tote doe. Bek. v. Gent 1, 108. Worde
yement . . scepen ghecoren , . . die . . anders am-
bocht hadde van der poirte, die sel ofghedmen
worden bi den gherecht ende een ander in syn
stede gheset, I^. Keurb. 12, 2. Afdoen yan
sinen dienste, Willems, Meng. 448. Dese mogewi
avedoen alse wi willen ; ende alse wise ave hebben
gedaen, die si dan selve kiesen, die selewi hen
geven , 454 vlg. Hier om so wort hi valschelic ghe-
wroeghet over den keyser ende wort ofghedaen, Pius.
W. 72a. Theophilus die bisscop van Alexandrien
wonde Johannem ofdoen , ende hi pynde hem daer in
te steken een pape dye Ysidorus hyet , 197rf. — Dat
aweit afdoen, de wacht afdanken^ ontslaan. \\
Doe was dat aweit afghedaen, Bek. v. Gent 1,^19,
7 cnecht die ommeliepen . . 4 nacht, . . 3 S, 6 s,
8 d, ende doe was dat aweit afghedaen, 220. —
Ook in de vereenigde gelykluidende uitdrukking:
Enen verlaten ende afdoen, iemand o»/-
sUan en afzetten. Zie by Verlaten. || Daer was
eene inquisicie ghedaen op spaus Jans onnutte
bestier ende onreynen levene, als waeromme dat
hi wart verlaten ende afghedaen , Cron. v. Vlaend. 2 ,
22. Waert so dat scepenen . . alle verlaten ende
afghedaen worden, so soude bi den yoeght yoraeit
de een scepene van den eersten drien ghemaecht
moeten wesen, Gendsch Chtb. 23 {a. 1361). — Ook
in de vereenigde uitdrukking Af- ende aan-
doen, afzetten en aanstellen. Zie bg Aendoen 4).
3) Voldoen^ betalen. \\ Item Clais Brawen van
den zeevont te verwaren in die Wike, omdat hi
ofghedaen es van sinen lone 1 scilt. Bek. d. Graf.
2, 474.
4) Verjagen^ verdrijven ^ afslaan ^ en in sterkere
opvatting uitroeien^ verdelgen^ vooral in den i). J?.,
altyd ter vertaling van delere in de Vuig. (Verg*. 1,
6). II Qaam hi met machte harewart om af fe doene
in sine vart , die hem wederseiden syn lant , Lome.
II, 33699. De porters dedense of met cracbte,
ende deden hem dicke scade groet, Stoke IX, 170.
Die grave, die occ die rovere wonde doen ave,
Heelu 4112. Ie sal ofdoen alle dat ie gemaectbeb
217
AFDO.
AFDR.
218
boven der aerden, D. S. Oen. 7, 4. Wi sijn luttel,
ende si snllen hem vergaren ende slaen mi, ende
ie sal worden ofghedaen ende mgn hnys, 34, 30.
Om dat hi ons leveren sonde in des Amorrens
hant ende afdoen, DeuL 1, 27. Ende Moyses
sloechse ende deedse af, Jos. 13, 12. So zwere
mi, . . dattn minen saet niet afdoen en snltste na
mi, I Sam. 24, 22. — Evenzoo Ge». 6, 7; 7,23;
Richt. 21, 17; II Kon. 10, 28; SsfAer S, 11; enz.
6) Met den 2den nv. Enen des — , iemand van
iets afhelpen , dns hetzij ontslaan , bevrijden , hetzg
berooven. \\ Den dnllen hope, dien hi draghet,
dies doet hem af, eer hi verdoort, Parth. 7733.
— Enen des Igfs afdoen, iemand van het
leven berooven. \\ Up dat ghi mi gheeft die macht,
ie doe hem tslgfs af sonder yser ende sonderstaf,
mjmb, 17080.
Wederk. — 1) Hem afdoen, zich zelven
ontslaan, t. w. uit een ambt of eene betrekking;
sijn ontslag nemen, zijn ambt nederleggen. Yerg.
bedr. II, 2). || Daer nae soe bekende hy sinen
misdaet enoe bi des keysers rade dede hi hem
selven of, Pass, W. 81a.
2) Met den 2den nv. of met het voorz. van.
Hem des (of van ere dinc) afdoen, zich er
van afmaken, er aan onttrekken, er van ont-
slaan. II Metten minsten wilt Gelloen hem des
camps avedoen, Lorr, II , 39%. Ist dat ghi dinghen
mint, daer ghi nwen orbaer niet in en kint, . .
dies doet n of metter spoet, Lsp. III, 3, 203.
Hoe dat de gheheele wet ende de notabele van
der Slnns hem gheexcnseert hadden ende afghedaen
van dies, Invent. v, Brugge 4, 359. Vorcoeps,
persemens doet u ave , X Plagh. 1984. Ende mi
Janne niet {in den tekst: met) af te doene van der
manborscepe toter tyt dat Niclans kinder mondich
worden, Oor kb. 2, 134* {a. 1276). — Hem
lemen 8 afdoen, zich van iemand afmaken, ont-
slaan-, hetzy door hem van kant te helpen, als:
Wi moeten ons derre pnten doen ave, Idmb. I,
1708. Des anders dages wonde die grave hem des
kints doen ave, IV, 1604 (verg. vs. 1631); hetzg
door zich aan hem te onttrekken, als: Hi hadde
hem daer der coninginnen avegedaen ende harre
minnen, Lanc. lY, 327 (naar de lezing van den
corrector).
AFDOENINÖE, znw.yr. Het afdoen, afleggen. ||
Die ofdoeninghe der vnlnisse des vleisches, Hs.
76 /. 116rf (I Petr. 3, 21, in de Staten-overz. :
„een aflegginge").
AFDOM(?) OFDOM, znw. m? o? ITinst. \\ Dat
zy elc anderen belooft hadden te ofdomme ende
te verliese|, Invent. v. Brugge 3, 380. Ende mids
desen so siülen de vorseide G. ende J. ghemeene
bliven te ofdomme ende te verliese, 381.
AFDRAGEN (droeeh , droegen , gedragen of ge-
dregen), st. ww. bedr. Mnd. afdragen,
I) Met eene zaak als voorwerp.
1) Wegdragen, wegvoeren, met zich voeren. \\ Dat
die ghene , die dair dan np ziin , afdraghen moghen
hoir cleder ende hemasch, dat tot horen live be-
hoirt, Nijh. 2, 275 («. 1371). Alle die dair op
waren souden haer lijf behouden, ende alle dat
sy opten huse hadden ofdraghen, Matth. Anal,
3, 273. Sij hebben genomen die steden ende afge-
dragen grooten roof, D. B. II Chron. 14, 14
(Vuig. asportaverunt).
2) Wegnemen , ontnemen , afnemen , benemen. Ook
met den 3den nv. des persoons. || Dorpers worde
connen afdraghen scamelheit ende goede seden,
Doet, 1 , 275 • var. Tfolc was blide ende vro om
heren Lodewyc haren grave , maer één dinc drouch
hem den zanc ave , d. i. ^benam hun den lust tot
zingen;' Stoke III , 302. Du biste gelike der Eufrate ,
want du droges (d. i. droeges) ons af die bate ,
daer ons die nacht helt in den ban, O. H, W. 88.
(1. dwoeges? y^\. vs. 66). Verlichte der menschenherte
ofdrugende (1. ofdragende) des ghepeins onreinicheit,
Hs. Ps. 143 r. Alsoe vele alst in di is , soe hevestu
. . die bedinghe ofghedraghen voir den heer, Hs.
V, 1423, 138c {Job 15, 4). — Sonder afdra-
gen, zonder er ief4 aj te nemen, zonder mankeer en,
Bloote bevestigingsformule. || Ghelovende alle en-
de elc van hem , . . ghestentich van weerden , son-
der afdraghen te hondene tot eeweliken daghen ,
wes die vijf segghers . . nntspreken ende segghen
souden, Brab. Y. VII, 13514—29.
3) Afslaan, af houtoen, vooral van ledematen of
deelen der wapenrusting, die in den stryd door
het zwaard worden weggenomen. || Dien hevet
Hector so ghesleghen, dat hy hem af hevet ghe-
dregen sijn hovet van den halse aldare, Troyen
2619. Want hi enen syn hoeft afdroech ende enen
anderen dire bi was half den hals, Lanc. II,
38986. Ende sloech den libart thoeft af met
enen slage, die hi hem gaf: die vorste vote
hi met afdroech, II, 39703. Met sinen swerde hi
afdroech half den helm ende tbeckineel, Perg,
2396. Metten swerde hi hare afdroech van den
buke die rechterhaut, 3404. Dat hi hem dbeen
boven den knie metten slaghe dien hi slonch oec
mede avedrouch, lAmb. III, 370. Die slach ghinc
neder ende droeeh hem den scinkel af, Merl,
18268.
II) Met een persoon als voorwerp. Enen — ,
afwerpen, van 't paard stooten, nedervellen. Ge-
wooniyk afsteken genoemd: zie ald. 2. || Daer
was gesteken ende geslegen ende afgedregen
menech stout degen, Lanc. IV, 2303.
AFDRAGENDE, Afdraoent, bnw.
1) Eig. deelwoord van het ww. afdragen, als
vertaling van het Lat. detrahere, afnemen van anderer
roem, knagen aan anderer goeden naam en ver-
diensten. Door nijd en afgunst ingegeven, kwaad-
willig, boosaardig, || Van vuylen ende van afdra-
ghenden loghenachtighen oft ydelen woerden , Boeck
V, d. L. J. 30*. Die mün vrienden syn, moeten
verdraghen meneghe afdraghende worden vander
werelt ende meneghe mnrmuracie achter hem
Hofk. V, Dev. 23 r.
Afl. het by* Kil. vermelde afd rag entheid,
obtrectatio, detractatio, contemptus, ignominia.
2) Schuin afloopende, hellend. || Heur wallen
declyff ende affdraghende te maecken, Reg. d.
Plac, Ib.
AFDRAGER znw. m. Van afdragen (z. ald. 1).
Hij, die wegdraagt, verplaatst. Als benaming voor
die leden van het lichaam, welke de levenssappen
door het lichaam verspreiden. || Dese instrumenten
bewisen den anderen leden haer spise, die ander
leden sgn afdraghers, als sgn die zeenen diesieli-
ken gheest ontfang^n vander herssen ende voerent
voert tot alle den leden om die beroeringe ende
sin te maken, Barth, 92a.
AFDRAYEN, zw. ww. onz. Zich ter zijde draaien ,
zich zijwaarts verwijderen, || Werp ommeendezay,
niet of en dray, bljjf bi der plouch, OVl. Lied,
en Oed. 381 , 41.
AFDREIGEN (afdregen), zw. ww. bedr. Met
een persoon in den 3den nv. £ n e n iet — , iemand
iets door bedreiging afpersen, afzetten. Verg. Af-
DRIEOEN. II Heeft een gewelt gedaen aen een , dien
249
AFDR.
AFDR.
220
hy sijn geit of ander dinck ofgedreecht heeft,
Matth. 209. Die biscop . . dede een reyse in Aemster-
lant , om daer in te bernen , ende heer Ghgsbrecht
tvoers. huys also of te dreygen , Clerc 123. Den gtMS-
den lieden thuer afdreygen , Vod. Mut. 3 , 24. Dat-
men armen Ineden thoer ofdwinghet of drey-
ghet, Con. Som. Slb. — Het woord verdiende te
herleven.
Afl. Afdreiginge, afpertvng met bedreiging.
II Exceptien van valscheijt, vreese, affdaeginghe
(1. ajfdreginge) . . ende diergeiyckef Cout. v. Anho.
4, 366. In een ander hs. affdringinghe, met
dezelfde beteekenis.
AFDRINÖEN (dranc, drongen ^ gedrongen)^ st.
WW. bedr. Mnd. a/dringen.
1) Met een persoon als voorwerp. Wegdringen,
tenig dringen y aehteruitdringen. Verg. het volgende
art. II Drongen met crachte ave van Luthsenborch
den coene grave ; ende doen hi wert achtergedrongen ,
riep . . een Brabantsoen, ens.^ Heeln 5533. Hy
wolder toe tyde mede by wesen , hy mocht anders
afgedrongen hebben worden, Spreuken 22.
2) Enen — van ere dinc, iemand taegdringen
van iets j hem er van scheiden. || Op dat dat voorseyde
keyserijc niet ofgedrongen en werde van der dant-
scher nacie, Exe. Oron. 94b.
3) Met eene zaak als voorwerp en een persoon
in den 3den nv. Enen iet — , Aem met geweld
van iets berooven^ het hem afpersen. \\ Den vader
wert sgn gereide afgedrongen in die porsse , Heeln
7912. Die hertoge van Loreine hi doet dien van
der stad grote pine, want hi dronghe hem af
gherne tsine , Limb. II , 430. Alle goed , dat . . den
laden ofghedronghen es, Mieris 2, 208d (a.
1319). Dat sommigen persoenen onsen onderseten
ende poirteren van Leyden scatten ende hem thoir
afdringen, Bel. v. Leid. 468 {a. 1420).
4) Iemand iets afpersen ^ met geweld van hem
gedaan krijgen y het hem afdwingen. \\ Want hi . .
Johan Krolle . . een oervede mit bedwange afge-
drongen heeft, Nyh. 3, 121 {a. 1386). Enich man
of vronwe die enen anderen hyelde ende lofuis
ofdronghe sfjns ondankes, die verloer teghen die
stad hondert scillinghe, Stadr. v. Zwolle 65, 55
(2 maal).
— Afl. Afdringinge. Zie Afdreioen.
AFDRINKEN {dranc, dronken ^ gedronken) ^ st.
WW. bedr. en onz.
Bedr. — Van een drank. Dien afdrinken van
de drinkschaaly opdrinken. || Alexander die deg«n
fijn nam eiken nap, dien hi hem gaf, . . . ende
dranc den w\jn af, ende staken in sinen boesem
dan, Jlex. IV, 1332 Hs.^ doch beter in de nitg.
van Franck: „ende dranc den wijn daer af.'*
Onz. — Met den 3den nv. des persoons. Enen
— , verdrinken tot schade van iemand ^ voor iemand
door verdrinken verloren gaan. \\ Als de Venechianen
den groten scade hadden gehadt, ende dat hem
afghedroncken waren XL schepen van oorloge met
groot volc door storm ende onweder op die zee,
JSxc. Cron. S02d.
AFDRIVEN {dreef y dreven ^ gedreven) ^ st. ww.
onz. en bedr. Mnd. afdriven.
I) Onz. — Wegdrijven y door den stroom mede-
gevoerd worden. \\ Haer cleder waren ofghedreven;
si seide: Om Gode die syn leven liet voer ons
sondighe keitijf, dect mi, here, ie bin een wgf,
Segh. 11261.
II) Bedr. — 1) Met eene zaak als voorwerp.
Doen wegdrijven y met den stroom medevoeren. \\ Op
een tijt soe wies die Tyber also seer dat hi vloeyde
op die mneren van Roemen , ende dat si veel htuen
ofdreef, Pass. W. 230rf.
2) Met een persoon als voorwerp. Wegdrijven , te-
rugdrijven ^ verdrijven. Verg. Afdrinoen 1). IjDaer
laghen dan np de were sHertoghen man : daer ghin-
ghense toe enae drevense ave, Stoke VIII, 1 157. Doen
ute W|jc her Waelrave «ade sgn heer weder ave
worden gedreven met gewont , Haela 2045. — Over-
drachtelijk gebmikt. || An horen raet, in horen
banc , is ghiericheit ghedreven off, Hild. 41 , 92. Dat
wyf mach wel sachte leden, die allen anxt heeft
afghedreven, Fad. Mus. 1, 71, 13.
3) Met den 3den nv. des persoons. Enen iet
of enen — , iemand met geweld van iets ofiemtaiè
berooven. Verg. Afdrinoen 2). || Maer Castor
ende Pollnx hebbense {Helenen) hem weder afge-
dreven, ende hebbense Menelanse gegeven, Sp.
I», 13, 46.
AFDRUCKEN, zw. ww. bedr. Met een persoon
in den 3den nv. Enen iet — , iemand iets met
geweld afpersen ^ hem met geweld er van berooven.
Verg. Afdreigen, Afdringen 2), en Afdriven
bedr. 2). || Dat nyemant den anderen en scatte noch
hem tsyn af en dmcke , Bel. v. Leid. 469 (a. 1420).
Hy meende . . dat casteel mit dreygen ende mit
vervaren Gisebrecht of te dmcken , Matth. jinal. 3 ,
180. Dair toe dat hy des Bisscops Inden afgedmet
hadde , most hy allen den Inden weder geyen , 3 ,
282. Daer na heeft hy . . den selven dair in der
kercken doen leggen , ende hem een groote somme
gelts ofgedmct , 3 , 641. Die ons onse goet afdmcken
ende benemen, Hs. v. 1423, 37d.
AFDUWEN, zw. ww. bedr. Van een boog. Af-
drukken ^ overhalen. \\ Maximiliaen spande den boghe
ende wilde schieten na den vogel , ende int afduwea
so brack den . . boghe, Exc. Cron. 29Sd.
AFDWAEN {dwoeeh , dwoegen , gedwagen of ^e-
dwegenj later ook gedwogen\ imper. dwach) , st. ww.
bedr. Verg. mnd. afdwagen en zie Dwaen. Afwasseh^n,
II Dattet alle smetten afdwaet , die een wnlign cleet
ontfaet, Ifat. BI. III, 2059. Men secht dat water
is so claer, dat avedwaet alle onreinicheit , Vrouw,
e. M. V, 14. Hy goet wat water in een becken,
om dat hi woud ofdwaen die vlecken , O. H. Psu-
sie 9, 126. Ende ofdwaen sine vnnlnesse, Lep.
1 , 23 , 90. „ Ganc ter beken van Syloa ende dwmch
dit ave"; ende ie ginc ende dwoegt ave, L. v. J.
c. 179. Dese . . keyser . . ginc in een rivier sjn
sweet af te dwaen , Matth. Anal, 3 , 108. — Veelal
overdrachtelijk gezegd van het afwasschen van
zedelijke onreinheden, het zuiveren van den door
zonden besmetten mensch. || Die bliscap , daer men
wilen in lach , sal men afdwaen met langen wene ,
Sp. III*, 27, 50. Ende met synre doet ofdwaen
dat Adaem hadde misdaen, Lsp. IV, 1, 35. Dal
doepsel, . . daer men ons mede afdwaet die
abolghe al tenen gader, die verdiende onae
yrste vader, Teest. 1866. Die sonden afgedweg^n
waren in den bloede der martelaren , Vl. Bij-mJcr.
3726. Weenen dwaet of alle zonden, Hs. v. 1348,
241a. Die sonden afdwaen, ÜEi/md. 22198, ^.I^, 5,
36; 11% 56, 45; Theoph. 252; Lueid. 3471; Hild.,
194 , 155 enz. Die erfsonde afdwaen , Lsp. II, 16 , 52 ;
Teest. 1878. Die sonden die en werden niet afj^e>
dwegen, Sp. IV>, 24, 98. Hi, diet al afdwaet , der
werelt sonde ende mesdaet , Rijmb. 22295. die vonte
die onse sonde afdwaet. Nat. BI. III, 1314. Om
af te dwane onse scout, Amand II, 6426. Tselve
bloet dat afdwaet . . . alle onse misdaet, Lucid,
3451. Die bcke, die die dorpcrhede ons afdwoech ,
O. H. W. 66 (vgl. 90). Bedevaert . . die dwaet
221
AFDW.
AFFE.
222
zonden ende ziecheit af, Hild. 21, 28. Christus in
der Jordanen hoer sonden ofged wogen heeft, Rs.
80 ƒ. Ö6e^. — Ook van het afwasschen, het uit-
wisschen, het van zich doen van andere zaken ge-
zegd, di« iemand aankleven of hem eigen z^n. ||
So mach hl pr^js ende ere ontfaen ende den andeten
name ofdwaen , Stoke X, 125. Die edelhieit machmen
afdwaen, Wap. Mart, I, 579. Ghi sijt so vaste in
sine latsnre, al hat gezworen die scrifture, ghine
soudet niet af mogen dwaen , Maleg, 1066. Maer als
mi mp goet afgaet , . . soe en vindic niement die
mi befltaüst: die maechscap es al afghed weghen ,
on. Ged. 3, 147, 26.
Afl. Afdwaïnge, afiooMehing. \\ Een af-
dwainge, een segheninghe, enz. Bi, Pi, 2009.
AFDWINGEN (dwanc , dwongen, gedwongen
en -dwongen)^ st. ww. bedr. Mnd. afdwingen.
Met den 3den nv. van den persoon. Enen iet
— , iemand ieti ontrukken^ ontweldigen, met ge^
weid afnemen. \\ Lottrike heefti hem afgedwon-
gen, Sp, lY', 28, 20. Comt een die sturker es
over hem , deghene . . dwingt hem af al dat hi
heft, L, V. J, e. 78. Ende hoe dat hy spelen
sonde metten wreden lybaerts jonghen, die hy
den dieren had afdwonghen, Trayen f. 1 e, —
Ook met een afhankelhken b^zin. Iemand dwin-
gen ieti t£ doen, || Ende dwanc hem met ghe-
welde af, dat Almaengen tsens gaf, Sp, III*,
63, 67.
AFEIGENEN zw. ww. bedr. In rechten den
eigendom van ieti aan iemand ontnemen, Ygl. EIGENEN
en AENEiGENEN. || Waert dat yemant gheey-
ghent worde indes anders ghoet . . , zo mach die
ghene, diet ofgheeyghent wort, dat ghoet binnen
jaers ende binnen daghe weder losenen mitten
derden penninc, B, v, XJtr, 1 , 99 , 7. Ende waer
lat sake dat dit ghoet niet ghelosent en worde
binnen jare ende dach, . . zo blevet verloren den
ghenen diet of gheeyghent ware, ald. (Zoo nog
iriermaal bl. 177, 49). So wanneer een mensch
in eenich lant gheeygent of ghepant heeft, noch-
;ans so kent die rechter mitten hemeraders den
nensch , diet lant ofghepant is ende ofgheeyghent ,
nden leggenden eygheaom, ende dat also lange
lis hi daer niet uutghevroont en is, O. K v.
Oordr. 1 , 221 , 40. Vgl. afpanden.
AFETEN {eet of et, at, aten; geëten of geten),
t. WW. bedr. Af eten, van ieti wegnemen door
\et op te eten, Be Nijd spreekt: || Mjjn ma-
^er vel, dat ie dus na heb liggen verbiten,
s - nu soe vrolic, het waent spliten om dies,
lat ie den mensce verheven met (ïode dus heb
gebracht int sneven, hadde hi de vroude beseten
o soete, ie hadde afgheeten hande ende voete,
IJiic, V, M, 435.Desen visch heb ie afgheten,
leiever k, ,v. Joann. de Hese, in Venl. en Ber,
I, 4.
AFFAL. Zie Afval.
AFFALGIEREN. Zie op Affelgieren.
AFFARE (afpere), znw. vr. enonz. Ofi, af aire
1. en vr. (La Cnme 1 , 172) ; nfr. affaire, van h faire.
1) Zatde, aangelegenheid. \\ Hi . . mercte wel
.arer alder affare, Amand I, 3199. Al die affare,
y 3428. Uwe (sine, hare) affare of affere, uwe
zijne, hunne) zaken, hetgeen u {hem, hen) betreft,
rrake I, 1289, Roee 667, 8363, 10311, 13610,
dmb. IX, 309. Daffere, Vad. Mm. 4, 82, 646;
DSfi. — Elders onz. gebruikt. || Al taffere van haren
one, Roie (C) 13424. Gi wert verboet van dinen
ffere, Limb. X, 764; ens„
2) fTiJse van doen. In de uitdrukking: Affare
driven na enen, iemande manier van handelen
nadoen, \\ Daema ghel^c den esel hi dede, doe
grong^erde hi alst een soghe ware, so dat hi na
alle beesten affare dreef. Amand, II, 1282.
3) Karakter, inhorit. In de uitdrukking: van
goeden affere. Verg. fr. étre de bon affakre
(La Cume t. a. pi.) |i Gi dinct mi van goeden
affere , lEUae 11623 ; 'B^e', „vous semblés bone gent."
AFFE, znn. m. Dwaee naaper, onnoozele zot.
Blijkens den vorm uit het Hoogd. overgenomen.
Yan ohd. affo, mhd. en nhd. ajfe, aap. Ook in het
mnd. is de vorm afe bekend, verg. Teuth. y,Aff,
doir, gheck, iot^"* en „Af f en, lehympen, ipotten,^*
Zie ook Lubben 1, 23; Koseg. 1, 146, en verg.
Affenheit, Veraffen. II Dies simpele geloven ,
dat sijn affen, Sp. III', 44, 42. Die sulken oirbair
moghen scaffen, ende des niet en doen als affen,
si moghen billics bieten dwaes, Hild. 249, 177.
AFFECTIOES , bnw. van fr. ajeetiteux, lat. afec-
ttwiui, zie verder Littré 1, 67. Vatbaar voor
indrukken, ontvankelijk, \\ Alsoe langhe als die
mensche es onder sine 40 jaer, soe is hi sere
neyghelic, affexioes ende onghestadich in der na-
turen, Ruusbr. 4, 286.
AFFELGIEREN, AFFALGIEREN, zw. ww.
bedr. V. h. fr. afflire, d. i. affHger, lat. affligere.
Het woord affUger is volgens de fr. taalgeleer-
den (Littré 1, 71) van jonger dagteekening , maar
zou het mnl. affelgieren niet een bewgs zijn voor
den hoogeren ouderdom van het fr. woord ? Weliswaar
komt affalgieren als var. voor van affoleren (z. ald.) ,
b. V. Parth, (Massm.) 77, 28, en zoo zou Merl.
23466 geaffelleert ook als geaffolleert kunnen wor-
den opgevat, doch dan biyft altgd nog Lane, IV,
6061 over, waarop deze verklaring volstrekt niet
van toepassing is.
1) Kwellen, in het nauw brengen. \\ Baar was
die Koninck Rioen . . seer geaffelleert (tekst ge-
affelgiert), eer bi bescut was, Merl. 234)54.
2) Temeerilaan, ontmoedigen. \\ Latewi ons dus
lange sinten ende wi niet en varen buten . ., si
selen ons houden nu gerede over gealfiügiert ende
quaet, Lanc. IV, 6047.
AFFEN, zw. WW. Schimpen , ipotten. VLel^. affen;
nhd. affen, In de samenst. Veraffen: zie ald. en
verg. Affe, Affenheit.
AFFENHEIT, ook EFFENHEIT, en -hede.
znw. vr. Zie Affe. Mhd. en mnd. affenheit. Aperij,
dwaaiheid, zotheid. \\ Oec eest al loghene ende
ghedwas van Pont-Mantribele mede , van bere Wise-
lauwe die affenhede, Brab. T. II, 1710-12 var.
Hets ene grote affenheit, dat die mensche sinen
troest leit, ende al sinen hope set ane selverende
aen gout, Doetr. II, 2479, waar de var. C.
en E. iotheit hebben , en H, effenheid, hetzelfde
als affenheit, evenals m\iA.effenlichiitimsafenlich
(Ben. 1, 10.)
AFFERE. Zie Affare.
AFFLEEREN, zw. ww. onz. V. h. fr. afflner
(Littré 1, 71). Overvloeien, overvloed hebben, || Die
conincghinne van Saba . . . afflcerde in rueken,
si gaf hem {Salomo) al, Hadew. 1, 99, 24.
AFFOLEREN (affolieren, affolleren), zw.
WW. bedr. Mlat. affolare; prov. afolar; ofr. afoler
(La Cume 1 , 209, op Affouler) ; verg. Diez, Etgm,
Wtb, 1, 183. Vaneen lat. ww. fullare, dat nevens
/fi/^ mag aangenomen worden, mlat. ook f olere (Duc.
3, 338), d. i. vollen, trappen, treden, vanwaar fï*.
fouter en foule, gedrang. BQ uitbreiding ging de
beteekenis over tot ver&appen, kneuzen en knotten ,
miihandelen, beichadigen, verderven. Y erg. Foleren,
223
AFFO.
AFGA.
224
\i- 1) Van meiutchen of dieren gezegd. Aa» /ij/ of
leden betehadigen^ twetsen, verwonden. || Daer viel
menech ter eerde, die geaffoleert waren tier stont
ende som toter doet gewont, Lane. II , 34560. Per-
chevael sloech op die ketene doe , dat 8i brac neven
den halsberch, soe dat die ridder na bi desen ge-
affolleert hadde gewesen, Il , 36155. Lanceloet sloech
hem af den scilt ende die hant daer hine mede
hUt. Tierst dattie gene gevoelde das , dat hi alsoe
geaffolleert was . . IV, 12559. Doe ghise beide
asselgieret, dat ghise niet en affolieret beide, dat
was n wel leet, Parth. 7047 {in de uitg. van Mass-
mann 77, 28: afalgiteC). LX man.., diere lieten
dieven, ocht diere gheaffoleert bleven, Lanc.
II, 27439. Rndders die af gesteken lagen ende
geaffoleert met groten slagen, II, 34579. {Zulk
een ilag) dat hem deerde in den rechten arm
ende affoleerde, II, 8136. Menegen afoleren ende
dringen onder voet, Brah, Y. VI, 5902. Menigen
man affolleren, YII, 3232 var. \tekit', ooc fael-
geren). Die in sgn here waren geaffoleert, Sp,
1*, 3, 44. Dat hi den sinen affoUeerde, D. Wear.
9, 145, 127. So wie yemene affolert, es schnl-
dech den heere Y pont, ende den geaffolerden
mensche V pont; ware de affoleringe buten mae-
ten groet, dat zoude hi beteren den gequeUten
bi raede van scepenen, Diericx, Oend» ChÜt. 149;
Cannaert 71. Die mans quic sloege ende affoleerde ,
hi gelde den man sine scade, Heeln bl. 544
(a. 1292); Willems Meng. 446; enz. Des waren
si jammerlike vertreden daer by ende geslagen
ende geaffoleert, Merl. 12709.
2) Yan zaken gezerd. Vertreden^ verderven^ ver-
woeiten. \\ Sone sal daer bliven staende geel (ge-
heel) eruit, noch rosé, noch praiel, ine salt al
doen affoleren, Bate 14043 (C 13857 verkeerdelgk
atsaelgieren),
AFFOLERINGE, znw. vr. Kwetsuur ^ verwonding.
Zie Affoleren , en met name de aldaar aang. plaats
uit Dieric?, Chtb. 149.
AFGADEREN, zw, ww. bedr. Met den 3den nv.
van den persoon. Enen iet — , iemand iets door
gaderen afhalen^ het van hem innen. \\ Want die
stede in corten jaren groten cost ende onraet ghe-
leden heeft overmids dienste, die wi onsen here
ghedaen hebben, twelke men vervallen heeft mit
scote, die den poirteren ofghegadert sijn. Leid.
Keurb. 14 , 9. Wairt sake dat enich man of wyf . .
eenigherhande overdrachten maecten , tsi mit cueren
of mit verbanden of mit enighen omghesetten ghelde
{hoofdelijken omêlag) yement of te gaderen, 60,28.
AFGAEN (ffinc^ gingen^ gegaen)^ Mnd. afgdn\
verg. Afgangen.
V) Absoluut, zonder beheersching.
1) Met een persoon als onderwerp.
a) Weggaan^ heengaan^ vertrekken^ zich verwij-
deren. II Waar so die coninc hilt hof, wie so wil-
de ginc in ende of, Lanc. II, 42585. Die drossate
ginc af, III, 19560. Castor bat hem dat hi ont-
finge van hem z^n ghelt , eer hi ofginghe , Bijmb.
31849 var. Hi hiet den borchsaten gaen of, 34566.
Want mün vrienden ende oec m^n maghen, die
mi te recnte bi souden staen , sie ie van mi schei-
den ende afgaen, Lett. N. W. 5», 201, 42. —
Wanneer een scoute . . een oordeel vraghet den
scepene, ende hem de scepene daer op beraden
willen, 80 en sel der de scoute nyet toe segghen
tot horen beraden, of hi sel ofgaen out deer tyd
dat hem de scepene beraden hebben, B. v. Utr.
1, 30. Enich scoute . ., alse hi ene bootscappe te
doen heeft voer die scepene . ., soe sel hi sine
bootscappe doen, ende alse hi sine bootscappe
ghedaen heeft, so sel hi rechtevoert afgaen, aU.
Wanneer die raet affghaet, soe soelen die scepei
samentlic bi den borgermeisteren bliyen ter t|t
toe dat die leste antworde ghegeven ia, Cherifs.
Becht. I', 172. Wie affghenge eer der tgt, aU.
— Ook in den zin van uit het leven seJketden^ ster-
ven. II Offt sake were dat wjj van doids wegea
affgingen, dat Got lange versten wille, NgK 4,
10 (a. 1423). — Ook van iemands partij weggaan ,
afvallig worden. \\ Dus es valschelgc ghegaea
ave van Almaengen die coninc, VI. Bijmkr. 6718
(verg. 6542).
b) Aftreden^ een ambt of bediétiitêg nederleggem^
hetzy tydeiyk, hetzg voorgoed. || Soe wanneer
dat de sevene geswome af selen gaen, Willems,
Meng. 461 (a. 1303). Item alle kercmeeaters . .
te ynnen alle scult, die men hem sculdich is,
eer zQ affgaen, O. K.v.Bott.A6^ 151. Ende sullei
de dekin ende de geswoemen vorseit thaerlieder
afgane (1. afganc?) gehauden wesen rekeninge t€
doene van haerlieder beleet, Vad, Mua. 5, 227
{a. 1462). Waren der stat knapen in den banne
die sellen ofgaen ende nyet in den raet comei,
si en syn eerst absolviert, 36.
c) Uitscheiden^ ophouden met eene handeling,
een werk. || So wie . . dit voirseyde ambacht
doen of hantiren sal, die sal metter clocken te
wercke gaen ende afgaen, Belg. Mus. 4, 70 (c
1388). Met den welken oerconden ghehoert, Hoste
voemoemt . . afging van meer oercontscepen te
doen hoeme, Qendsch Chtb. 21 {a. 1361). Vanhier
ook de uitdrukking: — Sonder afgaen , zonder
ophouden^ in de bepaalde opvatting ytJivoor eUUjdy
voor eeuwig. Yerg. sonder afkeren , sonder afeceéem.
en sonder af staen. \\ Dat gi den lieden daedt Ter-
staen, dat gise minnet sonder afgaen, Bose 5158.
rf) Naar beneden gaan, komen ; van iets afgaam, afko-
men , t. w. van een berg , huis , kasteel , boom enz. ||
Doen hi dus hadde gheseten tot dat sjjn cmut wa.s
gheten , ghinc hi af in den woude , Wrake III , 2085.
Sie dattu gheene dinc andraghes,diedu gheleestea
niet en maghes , daer du met sorgen in souts staea
ende met groter hoeden afgaen, ^. I", 34, 163;
Yinc. „m qua tibi stanti tremifndum, descendenli
eavendum sit.^^ Dus stilde Moyses onsen Here,
ende ghinc af bedroevet sere (van Sinai)y Bijmk.
5053. Die keiserinne quam ofghegaen , Parth, 5593.
Ende ghinghen af ter cameren waert, 8024. Alse
Jhesus bi dire stat quam, daer Zacheus op dea
boem stont , so sach hi opwert ende . . seide aldus :
Zachee, ganc vollec af, L. v. J. e. 166. Die op
har hus sitten , dat si nit af en gaen , omme it
ut haren hus te dragene, <;. 196. Boude wiin Tan
Naeldwijck . . van node den Yriesen thuys npgaf ,
mit voirwaerden dat hi ende alle dier up waren
behouden hoirs lyfs ofgaen souden ende in Hol-
lant trecken, Clerc 143. — Ook in den «in van
afkomen, t. w. van het kruis. || Bestu coninc van
Israël, so verlosse di selven wel: ganc af, wi
gheloven an di, Bijmb. 26483. Ende wilden dat hi
af ware ghegaen, 26492; Hist Schol. „«/ deeeem-
deret de cruce.^^
2) Met eene zaak als onderwerp.
a) JTeggaan, verdwijnen. || Stellio verdronken in
wine . . doet die lelike sproeten ofgaen , Jfaf, Bl.
YI , 645.
b) Weggaan, afnemen, verminderen. || Dat dan
die liefte beghint te dinnen ende die zueticlieit
gaet aff, MLoep II , 1618. Mine daghen a^n
afghegaen als ene scaduwe, ende ie ben droghe
225
AFGA.
AFGA.
226
worden als hoye, Vad. Mus, 2, 443. Datter zgn
260 commanicanten , die oock alle daghen yermin-
deren, wantet dorp afgaende es zoe langes zoe
meer, Inform, 532. — Ook met by voeging van
een persoon in den 3den nv., die echter niet recht-
streeks door het ww. beheerscht wordt || Migaet
sere mijn leven af: ine can gegaen niet sonder
staf, Rosé 11764. Dat doen die dage die mi ave-
gaên {klacht van een ottd man), Limb, Y, 1202
{verg. 987). Mi sonde afgaen mün Igf, droechicse
{die hare) enen halven dach, Vod, Mus. 1,53, 108.
— Het tgw. deelw. afgaende als bnw. Zwak,
afnemend in krachten. || Dat hi oudt, traech ende
afgaende is, O. R. v. Dordr. 2, 77.
c) Ophouden, eindigen, zijne grenzen hebben. ||
Daer die van Scager ambocht afgaen , Mieris 2 ,
614 a. Daer Hontwouder ambocht of gaet, ald. b.
Daer die van Gheestman ambocht ofgaen, ald. a.
Daer die van Niedorp ofgaen, tote halver Wisende
toe , ald. b. — Het tegenovergestelde is aengaen , be-
ginnen. II Daer die van Oterleke anegaen , ald. b. —
Ook in de vereenigde uitdrukking: af- ende
aengaen, ophoitden en beginnen. \\ Een leen . .
twelke hem zo verdonkert ware, dat hi niet en
wiste al dat er toe behoerde ende waert af- ende
anginghe, Oendsch Chtb. 20 {a. 1361).
d) Zich afscheiden van, afvallen, t. w. van het
lichaam. || Soe wie vingher ochte tee afsloeghe ,
ochte also verre dat afgaen moeste, Cout v.
Waelhem 12. Dat hi gheraecte, dat ghinc af, er
af. Wal. 7072.
e) Naar den grond gaan, verwoest worden. ||Het
ginc al af sekerlike toter kerken, die daer stont,
Velth. IV, 64, 32.
II) Met den 2den nv. en een persoon als onderwerp.
1) Des — , van iets af gaan, er van afstappen,
er een einde aan maken. \\ Eer wi des boucs avegaen ,
Sp. III-, 92, 86.
2) Des — , van iets afstand doen, het laten
varen, prijsgeven. || Ie wille wel . . dore uwen raet
dies mijns afgaen, Parth. 7966. Ie ga uwer ghe-
selscap af, ende die willic altoes scnwen, Lsp.
III, 3, 918. Hi werpt wech scarpe ende staf,
des gelts gaet hi algader af. Franc. 1013. Dus
soe sijn si ... al haers goets afghegaen , Srab,
r. IV, 117. Die greve van Saint Pol (es) afghe-
gaen srewaertscaps ende heeft overghegheven ,
VII, 13156. — Inzonderheid van het prijsgeven
of verloochenen van het kerkgeloof, of van het
laten varen der zonde gezegd. || Doe ghinc hi
siere wet af daer naer, ende dedem doopen ende
kerstijn doen, Parth. 5733. Hets beter die doet
ontfaen, dan des geloefs avegegaen, Doet. II,
3215 (in de var. D minder juist tgelove in den
4den nv.). Waert dat ie doepsel ontfinghe ende
mijnre wet dan afghinghe. Brand. 218 (zie ook
227). Rechts geloves afgaen, Melib. 3540. Der
wet — , /J5p. ni«, 17, 12. Der waerheit — , CAm^.
187. Uwer kerken — , Theoph. 456.— Ook, als
rechtsterm, van het afstand doen van goederen en
rechten. || Dat wi comen soelen voer den gerichte ,
daert goet gelegen is ende des af soelen gaen
ende vertien . . alle dies wi met den rechte afgaen
soelen ende vertien , sonder argelist, Njjh. 1 , 242 {a.
1328). Of mjjn wgf daer aen enighe lyftochte
heeft, dierre vertijt si, ende heeft vertegen ende
afgegaen, 1, 256 {a. 1331). So hebbic ofghegaen
ende renonchiert, ga of ende renonchiere , (?«£^^#^.
1 , 246 (tf. 1355). — De 2de nv. wordt ook ver-
rangen door eene bepaling met het voorz. van . || Af-
gaen van den huwelike, Invent. v, Brugge 4, 487.
Dat Jnstaes ende vrauwe Alise . . zijn afghegaen . . van
alt goet dat ter hoeftmeyerien . . toebehoerde, Oendsch
Chtb. 108 {a. 1296). Wi gaen of ende scheeden van
allen den rechten enz . . ende renuntieren te dien
ende wederroupense , ZVl. Bijdr.^, 74 {a. 1389). —
Ook van hem selven afgaen, afstand doen
van zich zelven, zich verloochenen. \\ Uwe inwen-
dicheit en ruste niet, hent ghi altemael in my
verwandelt syt ende temael van u selven afghegaen
sijt, Qerl. Peters 235. — Soms werd de 2de nv.
verwaarloosd en door den accus. vervangen. ||
Sine sonden afgaen, Theoph. 1546. Ende ginghe
af hare wet, Sp.YV, 34, 20. Endehi thertogerike
ginc af, Velth. I, 43, 47. Dat ie mit mynen vryen
eyghen wille mynen gheuadighen Heer voorschre-
ven . . die burchgrafschap van Leyden . . mit handen
ende mit monde afgheghanghen , quijtgheschonden
ende overghegheven hebbe, ende mit desen brieve
ooc afga, quijtschelde ende overgheve , Mieris 4, 556
{a. 1420). Dat hy renunciere, affgae ende quite-
schelde Sent Omars . . ende dlandt van Ghyzen,
Cron. V. Vlaend'. 1, 98. — In den gedrukten
tekst, Lanc. IV, 327: „Hi hadde hem daer der
coninginnen avegegaen ende harre minnen ," schijnt
hem afgaen als wederk. ww. te staan, met het
hnlpw. hebben verbonden, en in gelijken zin als
het enkele afgaen. Doch de ware lezing is avegedaen ,
zooals de corrector aanwijst. Zie Afdoen.
3) Des — , iets (eene belofte , een verbond , enz.)
laten varen, prijsgeven, breken, er ontrouw aan wor-
den. II Want die coninc met vorerade niet en wilt
breken no gaen af, datti den ridder te voren gaf,
Limb. X , 1208. Dien vrede dien ie u gaf, dies ne gaet
men u niet af, VIII , 149. Hoe wi dit best bestaen ,
of si ons des gheloves afgaen , VI , 985. Wildi uwes
lieves sekersijn, ende soe u houden soude ju belof,
ende nemmermeer dies gaen of. Vrouw. e. M. III ,
52. Ende hout mi vort mjjn belof, enties ne moeti
niet ofgaen. Wal. 3402. Si ghinghen haers woords af,
om dat wi hem gaven ghichte , Lsp. II , 36, 1028. —
Ook met weglating van den 2den nv. , die evenwel
uit het zinsverband blijkt. || Uwen wille sekerlike
dien willic doen euwelike, ende nemmermeer ave-
gaen, d. i.: d^s avegaen, daaraan ontrouw worden,
Limb. X, 605.
4) Des (eens) — , van iets of iemand afstand
doen, hem {heC) verlaten , begeven. \\ Ende nemmer-
mere uus dienst af te gane, OVl. Lied. 436. Wi ..
sijn des viants afghegaen, Ruusbr. 1, 9.
III) Met den 3deu nv.
1) Met eene zaak als ondw. en den datief v. d. pers.
a) Van stoffen , die zich in het lichaam bevinden.
Enen — , bij hem weggaan, zich bij hem ontlasten.
Vgl. ons afgang. \\ Alse den wiven menstruum
afgeet, so comt een ander dat hem doet menich
leet , ende dat es gheverwet al wit . . Vrouwen ,
die dit witte ghedoeghen , dats die waerheit onge-
loghen, dat hem dit witte noede afgeet. Vrouw.
Eeim. 215 — 223. Met spekelen die hem afgaet,
M. en Vr. Eeim. 1165.
b) Van zaken , die zich aan het lichaam bevinden.
Enen — , hem ontgaan, ontvallen, begeven. Mi
gaet af, mij ontvalt, mij begeeft, staat gelgk met
ik verlies, ik raak kwijt, evenals nog heden in het
Hoogd.: es geht mir ab. || Want heme sijn vleesc
al aveghinc. Flor. 545. Ende dat gheswel ghinc
hem af, Brab. Y. III, 94. Dat hem sijn haer offghinc
mit allen, Hild. 91, 113. Dat serpent heeft eene
manier dat hem het vel ofgaet, ende alst out es
dan wasset hem weder , ende eist soe dat hem sijn
l^f ofgaet ende magher genouch is, Jan Tp. 150.
8
227
AFGA.
AFGA.
228
e) Iemand geen dientt meer kunnen doen, in het
by zonder van paarden , onbruikbaar voor ievuind wor-
den , fr. étre fourbu , doch ook de alg. bet. van verlie-
zen, kwijtraken, kan hier gelden. Vgl.^) || Van eenen
grawen henxte, die hem afghenc in mijns heren graven
dienste f Rek. v. Zeel. 2, 802. Van eenen paerde
dat hem bedaerf ende ofghinc, als hi ghesendt
was in enz. Invent. v. Brugge 3, 216. Van eenen
valnwen perde , dat hem ofginc ende bedaerf int here ,
4, 102. Item ghaven sij meester Janne aten Hove
80 6i Qver sine parde, die hem af sijn ghegaen
binnen desen jare, Bek. v. Qent 1,83. Van eènen
Saerde , dat den her Janne den Costere afghinc daer
ijt reet inder stede orbore , 1 , 336. Zoo ouk Bek.
d. Gr. S, 123 en 167.
d) Van al wat ophoudt in iemands bezit te zijn.
Enen — , Aem ontgaan, ontvallen, begeven, voor
hem verloren gaan, ophouden zijn eigendom te zijn.
Mi ga et af staat geheel gelijk zoowel met ik
verlies, als met mij ontbreekt. || Ënde hem gaenof,
te sire onbate, die herten van sinen ondersaten;
ende die sire lieder herten verlieset, dats een
lantshere die rieset, Heim. 1501. Ënde noyt sint
van der stont . . so ne voer die man wel van
goede , ende ginc hem af met groten spoede , ende
werd arm, Velth. IV, 56, 68. Drie gichten . .
die mi nu syn al afgegaeu , Bate 4094 {verg. 4097).
Alse n die joeget afgeet, so seldi hebben groten
toren, 4538. Als mi mijn goet avegaet, vindic
niemen die mi bestaet, Belg. Mue. 6, 195, 309.
So gaen hem cracht ende zinne af, Ltp. 1, 16, 53
var. Waert dat yemant sine breve verloere of
mit ongevalle ofghenghen, Stader. v. Zwolle
126, 211. Ofte di dit afgaet, dattu mitü bracht
heefste, D. B. Judith 12, 8 (Vuig. deficiaf).
Menech man dicke ghescent es om dat hem dat
ghinc ave, ontbrak, Tofl?. ifw. 1, 357, 11. Qhinghe
hem daer na tot enighen tiden onse munte ave
ende zi niet te wercken en hadden, V. d. Wall
286 {a. 1367), d. i. hield de munt op, hun werk te
geven. Maer den vrede, die hem gaf mijn vader,
die geet hem niet af tote dien tide dat wi sceden ,
Lorr. II, 1471, d. i. „die zal hem niet begeven,
die zal in stand blijven.'''* — En hieruit is te ver-
klaren het vers, dat eenigszins duister schijnt:
Wat ginc u der saken ave ? Lanc. III , 26664, d. i.
„wat verloort gij daarbij , wat deerde het u ?"
2) Met een persoon als onderwerp en een ander
persoon in den 3den nv. Enen — , iemand verhten
begeven, vooral tegen recht en plicht, en dus,
van hem afvallen , hem ontrouw worden , hem verzaken ,
verloochenen. \\ Sterven moetic quader doet, sprac
Maurus, oftic u af sal gaen, in sal u hier in staden staen ,
Lanc. III, 12126. Altoes is hi gereet wieue mint met
herten heet hem te helpen ende bi te stane , ende hem
niet af te gane, Lucid. 239. Nu heeft Clytemnestra
verstaen, dat hoir hoir man is afghegaen, ende
brinct een ander wijf te huns, ifXo^y IV, 319.
Die om lief no om leet sinen vrient af en geet,
Doet. II, 1445. Die goedertierenheit van onsen
Here, die den sinen niet af en gaet, Brab. Y.
IV, 130. Die hem waren onderdaen, die sijn hem
nu afgegaen, Bijmb. 13489. Het sal mi nu al af-
gaen dat mi te voren stont in staden, Umb. VII,
368. Die anderen ter noot afgaet, die vrienscap
die ne es niet groot, Denkm. 3, 137, 199. Ende
dien hi meest scoenheden gaf, ghinc Gode alder yrst
af, Teest. 284. Si ghinghen Gode dicwile af, Lsp.
I, 48, 35. Die Cristum ende sire moeder ginc af,
II, 48, 609. Dat si Gode onsen Here afghinghen
ende aenbeden andre dinghen, 334. Dat hi sinen
rechten here afginc in desen doene, Stoke X,
252. Enen afgaen in der noot, Lorr. II, 4632;
Limb. VII, 1539; Doet. I, 566; Beatr. 680,908.
In ga u of in gere noet, Velth. II, 20, 52. Vader
ende moeder ofgaen, Lsp. l, 28, 19. Malcanderea
afgaen , Orimb. II , 4945. Hi en sal u niet avegaen,
Ruusbr. 3, 131. Om dat die Fransojse groot
worden mitter Walscher nacie, also si den Vranckea
afgingen daer si of gecomen waren, Clere lO.
Ie en sal di niet laten noch ofgaen, D. B.
Jos. 1, 5. — Zie verder Lorr. H, 82, 4665;
Bijmb. 14667, 19743, 19995; Sp. I», 23, 29;i^.
II, 36, 6; 38, 46; 39, 2; Limb. III, 598; V,
1798; VI, 2064; VII, 374; VIII, 383; Stoke X,
290; Melib. 2672; fTrake III, 2072; ChrUt. 179;
MLoep IV, 956; enz. — Deze beteekenia was in de
17de eeuw nog zeer gewoon: zie Ned. Wdk. op
Afgaan, 942. — Somtijds wordt aan afgaen in
deze beteekenis de pronominale genitief e {des)
toegevoegd , doch zonder verandering in den zin. ||
Stillicoen, die valsche grave gines den keyaer
Honorius ave, Sp. III*, 1, 11. Daer hijs Gode
driewaerf ginc of, V , 27, 20. Daer hijz onsen
Here ginc af, II-, 7, 42. Sullen sijs Antekerst
ofgaen ende vlien ende scuwen sire leren , Lep.
IV, 8, 20. Om Wassenberghe ginc hijs hem
af, dat men hem over geit gaf, Velth. II, 44,
53. Ende hi ghincs den Vriese of, dat hi hem niet
te staden wilde staen, VI. Bijmkr. 1518. Vrient
ende mage gaens mi ave , Belg. Mus. 1 , 295. fflldijs
mi ter noet afgaen , Vad. Mus. 1 , 391 , 72. Na
biddic u, dat ghijs mi niet af en gaet, Eemor.
861. Niement gaet so verre van huns, roupt hi up
u, vrouwe, dat tuus hem ofgaes jeghen tsriand^
slach, on. Oed. 2, 58, 112.
3) Met een persoon als onderwerp, een ander
persoon in den 3den nv. en eene zaak in den 2den
nv. of met het voorz. van. Enen des afg'aen,
iemand iets ontzeggen, weigeren, of wel, van eene
belofte enz., iemand iets verbreken, het niet honden
ten opzichte van hem. Yerg. de mhd. uitdmkkiug
abegdn einem eines dinges, iemand iets weigeren
(Lexer 1,3; Grimm , Gramm. 4 , 677). Si gaen mi
af al mire dingen, die si mi geloefden ere, Velth.
I, 30, 38. Vrouwe, wat radi,.. hoe wi dit best
bestaen , of si ons des gheloves afgaen ? Idmb, VI ,
983. Dien vrede dien ie a gaf dies ne gaet men
u niet af, VIII, 149. Gevet mi ene gichte nu,
die ie n eischen sal, des biddic u, ende gi mi
niet afgaet van desen, Lanc. IV, 7381.
Aanm. „Gheet u nu al folende af", Belg. Mms.
10, 55, 131, is eene verkeerde lezing voor M» w<.
Zie Tijdechr. 1, 141.
AFGANGEN (ginc, gingen , gegangen), st. ww. ons-
Oude bijvorm van Afgaen. Zie ald.cn verg. Gangen.
1) Weggaan, heengaan, vertrekken. Verg. Af-
gai!:n, 1, a). II So sal die ghene van ons beiden,
dien dat geboert, terstont . . eenen of also mennigen
alst noet were gelijke goede manne ende mit g'el^ke
vele perden ende luden yn des afgegangens of der
afgegangere stat ynseynden yn dier voirscr. stat,
Nyh. 3, 302 {a. 1409).
2) Aftreden. Verg. Afoaen, I, 1, *). || Weert
dat ennich van den ghesworen scheitsluden eng^hen
stoet of sceel onderlinghe ereghen, soe soelen die
ghesworen, die dien sceel onderlinghe hadden,
afghanghen, ende die ghesworen sceytslnde, die
daer dan bliven . . , die soelen van dier saec ^he>
swoeren seeytslnde, in der geenre stat die daer
afgheganghen weeren, weder setten ende kyesen,
ald. 35 {a. 1377).
229
AFGA.
AFGE.
230
3) Des — , van iets afstappen. Verg. Afoaen,
I, 1). II Bedi willix aldus afganghen , TAeopA. 122.
4) Des — , van iets afstand doen; later ook
net den 4den nv. Iet af ga en. Verg. Afoaen,
I, 2). (I Soe wanneer die burchgreve voirss. die
)urchgreef8cap afgegangcn ende OYergegeven sal
lebben, £el, v. Leid. 392 (a. 1420).
5) Enen — , iemand ontvallen, ophouden zijn
igendom te wezen. Verg. Afoaen, III, 1, d). \\
Lrlem is my affghegangen al segen mynen danck,
^ad. Mm. 4, 187, 7.
6) Enen — , iemand verlaten , begeven , van kern
if vallen, hem ontrouto voorden. Verg. Afoaen,
II, 2). II Can ie enighe valscheit verstaen, dat
li ons willen ofganghen , so sallic doen haer kindre
langhen, Segh. 10052.
AFGANG, -gange, znw. m. Mnd. afgank. Zie
Lfgaen.
1) Het heengaan, tegenover toeganc; toeganc
inde afganc, het recht om ergens te gaan en te
romen naar welgevallen. || Hier op begheert hy selfs
^aers aenfanx, toeganx ende ofganx, Westfr. Dingt. 9.
2) Aftreding. || Die homans vanden huzen die
lellen hoer rekeninghen brenghen voer den raet
>innen vier daghen na horen afganc, B,. v. Vtr.
. , 83 , 23. Zoe zeilen zij die nacomenden libelmeys-
eren overgeven terstont na hoeren affganck die
ibellen voerseyt, 312, 183. Dat gy engenen tap-
>er . . meer oirloff gegeven en hebt . . in den
loppensijs . . the wanen off op te steken, meer
lan van eiken bier . . eiken tapper een tonne,
lair die tap in steken sell in den offganck mijns
lijs voirscreven, 288, 7, d. i. bij het neerleggen
fan mijne betrekking.
3) Dood, overlijden. Zie Afoaen I, 1, a). ||
^ae affganck ind doede onss zeligen lieven heeren ,
^ijh. 5, 103 {a. 1479).
4) Het tegenovergestelde van Aenganc in den
;in van begin (zie ald.) , en dus zooveel als einde ,
liteinde. Zie Afoaen I, 2, e). || Alsoe den af-
^nck van der haven ende den lande van Arckel
eer hoocht ende verdroocht voor in den montvan
Ier haven, Inform. 410. — Inzonderheid in het
Üjkswezen in de vereenigde nitdmkking: Aen-
ganc ende afganc of Opganc ende afganc,
ie gebrnikelgke term voor het begin en einde van
len dijk of van eiken hoefslag. || Dat si sheren
IQc van Egmonde besien hadden, den aenganc
nde den afganc, ende dat si dair geen gebrec in
:evonden en hadden, Hondsb. a. 1392. Om elc am-
tocht op sinen dike te brengen, ende in eiken
mbochte eiken kerspel sinen opganc ende sinen
fganc tewisen. Mieris 2, 2116 (a. 1319). Zoo ook
beuren v. Delfland, art. 9.
6) Afstand, hd. abtretung. Zie Afoaen II, 2).
I Dese voorschreven overgevinge, afgangh, qnijt-
cheldinghe ende gelofte, ald. 4, 5566 {a. 1420).
AFGEBIDDEN Qebat , gebaden , gebeden), st. ww.
•edr. Met den 3den nv. van den persoon. Hetzelf-
e als Afbidden. Enen iet — , iemand iets af-
idden, het door bidden van hem krijgen. \\ T welke
lijn Heere . . met weenenden ooghen, noch sQn
aet, haer te voeten vallende tien stonden, gheens-
ins afghebidden en conden, Brab. T. YII, 6275.
AFGEBIEDEN {geboot, geboden), st. ww. bedr.;yf-
ieden ietj weg te doen of te veranderen. \\ So wie mit
iede of mit weecdac decte . . , dat sonde die goede
uden terstont affghebieden , ende hy sonde dan mit
ard dack moeten decken , O. R. v. Dordr. 1 , 310 , 1.
ille dieghene , die hair riede . . daken offgeboden
gn off die affgebroken hebben, ald. 2, vgl. 311 , 3.
AFGEDOEN (gedade oi gedede, gedaen), onreg.
WW. bedr. Hetzelfde als afdoen: zie ald. Wegdoen,
uit den weg ruimen. || Ware dat saeke, datter
enege calange af qname . . , dit geloveden si af
te doene; ende ne mochten sise niet afgedoen,
enz.. Vod. Mus. 5, 293 (a. 1289). Of gi den nagel
niet en moget afgedoen hier met, so doeten af
aldus, Hs. Yp. 126 a,
AFGEDWAEN (gedwoech , gedwoegen , gedwagen
of gedwegen) , st. ww. bedr. Hetzelfde als Afdwaen ,
zie ald. Afwastchen. \\ Daer sal die snlcke sijn
bedretst: hine saelt niet connen ofghedwaen, O VI.
Lied. en Qed. 181, 14.
AFGEKEKEN, zw. ww. bedr. Hem af ge-
keren, zich afkeeren. jj Bij hoers selfs cracht en
konnen sy hem niet afghekeeren van horen qnaden
begheerten , Boeck v. d. L. J. 223 b.
AFGECNOCHT. Zie bij Afcnopen.
AFGELDEN {jgout, gouden, gegouden), st. ww.
bedr. Mnd. afgelden. Met den 3den nv. van den
persoon. Enen iet — , iemand iets afkoopen. \\
Enich onse burgher die enen oelden graven heeft
die sijn all ene is, dien sal hem syn nabuer of-
ghelden elke roede voer enen pacht groten , Stadr.
V. Zwolle 80 , 97. Die sal den anderen s\jn erve en-
de sine mare ofghelden ter scepene zeggen, 144,
243. Wanneer dat hi die mare mede becostet, of
hem die mure afgheldet, ald. 245. So wie dat ene
mare allene leghet heeft, ende hem sijn nabaer
die afghelden wil , 147 , 255. Waert oec dat yen
den anderen sine mare ende sine druppe ofgulde
ofte ofgolden hadde ende tymmerde hi ghelike
hoge den stienhais of hoger , so sal elkerlyck van
hom twiën syn water leyden up syns zelves , R. v.
Zutf. 65 , 62. Afgilt hoem dygene sine mare , dy sien
erve bi hoem geleegen is , 66 , 63. Zoo ook 74 , 90.
AFGELEGGEN (geleget, gehecht of geleit; ge-
leide', geleget, geleecht, geleght of geleit), onreg.
zw. WW. bedr. Hetzelfde als Afleggen : zie ald. Van
een strijd of geschil enz. Uit den weg ruimen, bijleggen.
II Daer sijn die heren te rade gegaen om dese dinc,
of men conde afgeleggen metten monde, dat men den
campe en vochte niet, Belg. Mus. 1 , 29 , 108 ;
Yelth. 1 , 30 , 8. Ende dier om spreken menigerhandc,
hoe ment mochte geleegen af, Yelth. Yl, 22, 24.
AFGERAKEN, zw. ww. onz. Hetzelfde als af-
raken. Met den 2den nv. der zaak. Des — , van
iets afkomen, er van bevrijd worden. || Eer ghi
van den haren ghecrijcht een pennewaert, selc die
nu swijcht sal daer omme die doet smaken, en
mach sijs anders niet afgeraken, Limb. IX, 499.
AFGESCEDELIJC (afgesceidelijc), bijw. Af-
zonderlijk, op zich zelf. \\ Als die siel die simpele
eenvoldighe inrelike verstaudenisse der sinliker
teykene ofghesceydelic verstaet ende die sinlicheit
dier inreliker kennisse dan toeghevoeghet wart.
Stemmen 159.
AFGESCEDEN (afoesceiden), hnw. Afgeschei-
den, afgezonderd, eenzaam. \\ Ie sal ghevriet war-
den van allen beelden, die my nedertrecken van
Gode ende sel ofghesceyden bliven ende verbeiden
denghenen in enicheit, die enz.. Stemmen 171. So
wye dat minne heeft dicke totten sacrament te gaen ,
die moet hem setten tot enen afghescheydenen
leven, 115. Soe wie een afghesceiden leven hebben
wil, hi moet wonen in die stat van Jherusalem,
Ruasbr. 3, 62. Want afgesceiden leven en is niet
allene van baten, mer van binnen, ald.
AFGESCEDENHEIT (afoesceidenheit), en
-HEDE, znw. vr. Zie Afoesceden. Toestund van
afscheiding, afzondering, eenzaamheid, \\ Boven al so«
231
AFGE.
AFGE.
233
hoet u onweerdicheit te hebben op nwen even-
kersten , want dat is een groet hinder tot afghe-
sceydenheden , Runsbr. 3, 66. God Mas yeghen-
woirdich te hebben, en mach die mensche niet
leeren met vlien, dat hi die dinc vliet van baten,
ende een afgesceidenheit der menschen maect in
eenvondicheden , 75. Willighe armoede ende afghe-
sceydenheit, Bnigm. 1, 278; Bevoel B. (30) 70 r.
AFGESCEET, -scede^ of afoesceit, sceide,
znw. onz. Verg. Gesceet. üitkeering van goed bij
erfenissen , aldus genoemd als strekkende tot schei-
ding of afrekening met de medegerechtigden tot
den boedel. || Weert sake, dat Derich Turscr. afli-
vich warde, ende geen manlich gebuerte after en
lyet, soe sall dat slot ter Barch . . erven up
Steven vorser . . ende die solde dan Derichs
vurscr. dochter gaeden ende hem eyn afgescheit
doen, Nijh. 3,294 (a. 1409). Die solde die w|jf-
like gebuerte . . eyn afgescheit doen ende voert
gaeden, ald. Van die rest sal hy s\jn andere broe-
ders ende susters . . eea afgescheyt doen met an-
der lant, geit, of eenige belydonge van jaerlixe
rente ^ Har d^rw. 2,3, laaar het woord nog een paar
malen voorkomt. Verstervet eyn leen van synen al-
deren, soe is hie (die oldste soen) synen susteren
ind broiders sculdich eyn affgescheyt to doin, ind
van anderen verstarff nyet, R, v. Zutf. 98, 22
Verg. Afgoedinoe.
AFGëSëT, eig. deelw. van Afzetten, doch met
een znw. verbonden gebruikt als absolute nv., in
de bet. uitgezonderd , behalve. Vgl. UUTGESET en
UUTGESEIT. II Allen anderen oncost offgheset van
eten, van drincken ende van lijfcoop, O. R. v.
Dordr. 49, 1, 149.
AFGESETTEN, bw. ww. bedr. Hetzelfde als
Afsetten: zie ald. Enen — , iemand van een
plan^ een voornemen doen afzien, afbrengen. || Met
al wat hi daer toe sede, soe en const hi Petren
daermede niet bewegen noch afgesetten, noch syn
opset oec beletten, Brab. Y. VI, 4635.
AFGESTAEN, onreg. st. ww. onz. Met den 2den
nv. Hetzelfde als Afstaen: zie ald. Des — , af-
stand doen van iets , het laten varen , er med-e ophou-
den, uitscheiden. \\ Nochtan condier niet afghestaen ,
der wandelinghe , noch begheven , Belg. Mus. 7 ,
319, 28.
AFGESTEKEN i^estac , gestaken , gesteken) , st.
WW. bedr. Hetzelfde als Afsteken : zie ald. Enen
— , t. w. eenen ridder in den strijd, afstooten,
uit den zadel lichten en ter aarde werpen. \\ Nu
vart hem ane gereet: dine nu af mach gesteken,
ie ne late hem niet gebreken, ie ne makene rike
man, Lanc. II, 34068. Ende magicken afge-
steken, II, 10441. Conde hise alle gesteken ave,
III, 26237. Ende magicse afgesteken, 111,26259.
AFGESUVEREN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als
Afsuveren , waarvan tot heden geen voorbeeld in een
mnl. geschrift gevonden is. Zuiveren, reinigen, verzoe-
nen. II Op di sal vallen ellendicheit, die du nieten
sultste moghen ofgesu veren, D. B. Jesaia 47, 11.
AFGKTRECKEN {getrae, getraken, getreken),
st. WW. onz. en bedr. Hetzelfde als Aftrecken.
Onz. Aftrekken, wegtrekken, zich onttrekken {aan
iets). II Menech die mint daer, daer men een haer
om hem niet en gave, ende en kan niet . . ghe-
trecken ave, Belg. Mus. 1, 124, 17.
Bedr. — 1) Enen — , iemand aftrekken {van
iets), er aan ontrukken. \\ Alsoe wert die vrecke
mensche . . verbonden tote ertschen goede alsoe
vaste, datten niemen dan God allene aveghetrecken
en mach, Ruusbr. 2, 6.
2) Iet — , iet4 uittrekken, wegtrekken^ L w.
van iets, waaraan het vastzit |[ Hiiie mochte niet
hebben gereet syn zwert, dat in den scilde cUf,
dat h|jt conde getrecken af, Lane. III , 1132. Dat si
haer voeten ontbonden ende afgetrecken kan van
den steenen, Hofk. r. Dev. 4 r. Mettien hi vor
den monster quam , daer die steen lach ende tswaert
daerin . .; hi dachte, mochtict getrecken ave, dat
hy t den broeder geme gave , Merl. 10012. Die homo-
ren hebben so belemmert die zenewen daer wi bi
horen , dat mense niet en mach afgetrecken no bi
medicinen die men geeft eist ten mont no bi dat
men giet in die oren, Hs. Tp. 135 e.
AFGEWASSCEN {^ewiesc, gewatseen), st. ww.
bedr. Hetzelfde als Afwasseen. AfweuseJken ii
eigeniyken zin en figuuriyke toepassing. || Dmt ie
myn souden met penitencien niet lichteliken ei
sonde connen afgewasschen, Exe. Oron. S2d,
AFGE WINNEN (gewan , gewonnen , gewmmen) , st
WW. bedr. Hd. abgewinnen. Hetzelfde als afwinnex :
zie ald.
1) Winnen in de oudere en sterkere opTmtüng
van in den strijd winnen, veroveren. Met eene aak
als voorwerp en een persoon in den Sden nv.
Enen iet — , iets op iemand in den strijd winnen
of veroveren. || Bartaengen was meest sgn algmder,
souder dats hem afgewonnen dingelsche, S^. III*,
34, 50. Die hem afgewinnen conde dat lantac^
IV', 40, 30-, Brab. T. II, 4734. Sine moga
afgewinnen onse mure, Rijmb. 30078. In X jarea
en soude men henlieden dat casteel niet afgewin-
nen, Huge V. Bord. 71. Si sullen in n lant af-
gewinnen, Merl. 6825.
2) Winnen in de jongere opvatting van per krijgen,
gedaan krijgen. Iets afkrijgen, losmaken, t w. vaa
datgene waaraan het was vastgehecht || Sgn hela
was soe vaste gebonden , datten nyman af ne mochti
gewinnen , Lanc. II, 28745.
AFGLIDEN {gleet, gleden, gegleden) , xw. ww.
onz. Afwijken, den rechten weg verlaten. \\ Dn ei
suis in des armen menschen vonnisse niet ofglideiL,
D. B. Exod. 23 , 6 (vuig. non declinabi*.)
AFGODIE (afgoddie) znw. vr. Afgoderij. \\
Ghiericheyt is dienst der afgodien (/. afgoden?),
Bienb. 72 d. Gheen waersagherie en is in Jacob , noch
afgodie in Israhel, D. B. Num. 23, 23. Ie sal ofhalei
die afgodien van dynre haut, Mich. 5, 11. Yerhardet ..
in ouder ghewoente der afgodyen. Pms. W. 16e.
Hoeveel hoverdien, giericheden, onsuver afjgodiea,
sweeringe enz.. Fase. M. 10 v. Overmits alre
menscen afgodie ende ongherech tichelt , Hs. 75, 3i.
Valssche ghyericheyt welc dat afgodie is , Berm. W.
101 c. Der afgodyen, ald. DoePaulus . . sacli, dat
alle die stat tot afgoddien ghegheven was , Hm, N. f.
42r {Hand. 17, 16).
AFGODIËR, znw. m. Afgodendienaar, keiden.
Die sotte afgodyers mit wonderlike verblintliejt
missaken dat hi {Satumus) mensch geweest is,
Fase. Temp. 16r. Die rasende dwaling der afgo-
dyers, 33r.
AFGODINGE , znw. vr. Afgoderij. \\ Omdat fi
vreemt is ende verre is van aenbeden der afgo-
dinge ende van der heyden erve, Pass. W, 96 s.
AFGODINNE, znw. vr. Mnd. afgodinne. Vrou-
welijke afgod. II Dat Venus die afgodinne was
een overspeelinne , Pass. W. 62a. Al dat volc vaa
Arabien oefenden Venerem met Machnmeth Toer
hoor afgodinne» 743. Die afgodinne, gehieten Veans,
Fase. Temp. 18r.
AFGOEDËN (afgueden^, zw. ww. bedr. Mnd.
afguden. Iemand voldoen aoor üitkeering vam foed
233
AFGO.
AFGR.
234
.. w. aan medeërfgenamen bij boedelscheiding, 6f
lan voorkinderen by een tweede huwelgk. Een af-
^egoet kint, ee» Hnd^ waaraan uitkeering {uit
len boedel) gedaan it, || Van affghegaeden kyn-
leren die nae vader off moder doet mede te
leele ghaen willen, Overijs, Hecht y I*, 96.
AFGOEDINGE, znw. vr. Van Afgoeden, zie
dd. Uitkeering van goed. || {Leengoederen) die snc-
cederen op den outsten, mits dat hy daer van
ijne andere broeders ende susters afgoedinge doen
noet van de derde voet, Hard^rw. 2, 2. Zie ald.
L, 30 en verg. Afgesceet.
AFGRAVEN {groef y groeven , gegraven), st. ww.
i>edr. Met den 3den nv. Enen iet — , iets af-
fraven ten nadeele van iemand, het door graven
Jan zijn goed wegnemen, || Int jair van LXII wort
lie grafte gewQdet van Swanen poirte thent aen
lie weteringe, . . dair worden den borgem af-
gegraven van haern haeven , dair die wal of gemaket
8. Ende den hielen graven tusschen den haven
mde der weteringen hoirt der stat toe ; dair is den
}orgeren afgegraven van haern haeven 11^ ende
SILIX roeden ende XI Toei,OveriJ*,Reeht.V,211.
AFGRIJS, znw. ons. Afgrijzen, hevige schrik. \\
tlisquaem haer iet door eenich afgr^s, ie storve
londer hope of troost, want dat mejsken is al
nyn toeverlaet. Mar. v. Nijm. 14, 330.
AFGRISEN {grees, gegresen), onpers. en wederk.
^w. Zie Grisen, en verg. Afgrijzen in Ned.
Wdb. 1, 996.
Onpers. Mi griset af, ik heb af schuw of
if grijzen, \\ Hl wert also houde ghefengnt van
ienen diere qnaet, so dat die knecht. . . swaL
10 groot, dat eiken man ofgrees, diene daer
MCh an, Amand I, 124. Bedi mach ons wel of-
^isen, als ons toecomen sal de doot, Praet 3943.
tfi wondert dat di niet ofgrijst, . . wat dat dl
laer sal ghebnren, 4727. Dat uwer eere es contrare,
veidt {wee£) dat mi daerof seere afgrgst, OVl.
Lied. e. Oed. 413, 309.
Wederk. Hem afgrisen van iet, afschuw
ïeèben van iets. {\ Want lichtelike dat si bjsen,
lie hem van zonden niet afgrysen, Benkm. 3, 203, 77.
AFGRONDE. Zie Afgront.
AFGRONDICH (afgrondech), -dige oï -dege,
mw. Mnd afgrundieh. Grondeloos, onpeilbaar, peil-
'oos, eigeniyk en overdrachteiyk. || Die afgrondighe
>at vol vuers, Devoet B. (30) 153p. Die dgrondige
bnteyne van allen goeden, die men niet en mach
rersceppen, Es. Fs. 214r. O afgrondighe wijsheit,
rol caritaten, T Maagd. 483. Ghedachten ende spre-
Len ende werken, daer een ewich afgranaich
Inboet mede versmaet is, G. Groote 57. Die
mgemetene wgsheit ende die afgrondige diepheit
goalies wesens , Ned. Proza 49*. Die fiolen der af-
grond iger oetmoedicheit. Stemmen 150. Met af-
prondepr rgcheit, Ruusbr. 1, 126. Verdolen in
kfgrondeger onbekinder dnusternessen , 1, 133.
Doergaen met afgrondigher minnen, 4, 128. Maer
rant si alle beghinnen ende inden . . in een af-
prondich wesen, 243. Die afgrondighe claerheit,
S64. Dat hi , na sijnre godheit , onghemeten is ende
>nbegripeiyc , ende ontoeganclifc , ende afgrondich ,
\, 50. Ontoeganclike hoecheit ende afgrondighe
llepheit, 107. In uwer atoondigher oetmoedicheit,
^eest. L. 53p. Zoo ook Knusbr. 3, 250; 4, 127,
!23, 225, 235; Ned. Proza 40; enz.
AFGRONDICHEIT , en -uede, znw. vr. Zie
Lforondich. Grondeloosheid, peillooze diepte. \\
Sne ontvlotene verlorenheit in dies voerworps af-
prondicheit, Rnosbr. 4, 134. Endes^n hem selven
ontsonken in die afgrondicheit , 227. Dat si {die
minne) ons verteere ende verslinde in hare afgron-
dicheit, 285. De gheest . . wilt . . dorevaren alle
die afgrondicheit, 6, 160. Dat wesen is een afgron-
dicheyt, daer alle die ander namen, die men Gode
geven mach , in besloten s^n , Stemman 160. Ie gae
totti als . . een beanxt mensche tot die afgrondicheit
des betrouwens. Gulden Troen He. Dat hy die af-
grondicheit der heiligher scriftueren mit wonderlike
scarpheit des verstants placht te soeken ende te
vinden , Rs. 88 ƒ. 47c. Die afgrondicheit der god-
liker ordinancien , Sp. d. M. 1, HSd. Dan sellen si
eten nutter dieper afgrondicheit Gods, 100b.
AFGRONT, znw. m. en onz. ; ook Afgronde, vr.
en onz., mhd. abgrunt {m) , mnd. abgrund-e , abgrunt
(o., soms m.), ohd. abgrunti (o). Afgrond, diepte,
eigenlijk en overdrachtelgk. {| Int afgront der
hellen, Sienb. Qb. Dat afgront van der hellen,
ald. c. Dat afgront inroept dat afgronde inder
stemme dijnre cataracten, G. Groote 62 {Ps. 42,
8). In desen oetmodeghen gronde so inropt de
afgront den afgronde . . Ende dat afgront der
nederheit inroepet dat afgront der hoocheit, ald.
63 {Bern. W, 121 b). Een afgront is in verdiepene
ende een afgront is in verhogene, ald. So inroept
dat afgront den afgront, a/^. In dit diepe afgronde.
Brand. 663. O afgront des onbegripeliken ordel
Gods, Sp. d. M. 1, 125rf. Dat afgront der ver-
borgenheit Gods , Bern. W. ZOb. In al desen (d. i.
bovendien) so es ene grote afgronde ghevest tusscen
a ende ons, Hs. v. 1348, 158^ {Luc. 16, 26).
AFHALEN, zw. ww. bedr.
1) In ruimere opvatting dan de hedendaagsche ,
voor wegnemen, weghalen, lat. auferre. Zoowel
onscheidbaar als scheidbaar gebruikt. || Eerst
waren bedreghen . . Henderick Coels . . ende Jan
de Smet, van dat zy costnmelick der lieder haudt
afhaelden, Gendsch Chtb. 127 {a. 1489). Tribu-
lacie is een voetster der oetmoedicheit . . ; si
ofhaelt den roest der sonden, Devoet B. (36), llv.
Hi is of halende alle vervaerlicheit , Barthol. 12a.
Hi is suver in hem selven ende is van den anderen
of halende die smettinge, ald. Mer ymmer haelt
si af haesteliken den sin ende dat beroeren, 76^.
Een droge leepicheit van den ogen, want haer
voedende vuchticheit is hem afgehaelt, 250^.
Overmits den bloede des onbesmetten Lams, die
af haelt die sonden der werelt, 3713. Ie sal of halen
dyn paerden van dijn middel , 2). ^. ifü?A. 5, 10. Ie
sal of halen die afgodien van dijnre hant, 11. Si en
bat nie, dat hoer God die becoring soude of halen,
Devoet B. (36) 24r. Gi haelt die sonden ende
qnaetheit of ende gi spaert die onnoselen, B. v.
1357, 49e. Ofhaelt mi van der aerden, 199r. Dine
oerdelen warden ofghehaelt van sinen aensichte,
Hs. Ps. lOr. Confuust ende onneert moten si
warden te samen die sneken mgn ziel om se of
te halen, 48r. (God) die daer ofhaelt die striden
totten einde der aerden, 54r. Die here sel of halen
die vangenisse Sjjns volcs , 629. Si sellen ofgehaelt
worden als dat was datter vloyt, 64p. Hent die
mane ofgehaelt wart, 77?. Hi haelde of sgn volc
als scapen, 85r. Du selste of halen hoer geest ende
si sullen ontbreken, 109r. Mijn barmherticheit en
sal ie niet 'afhalen van hem, als icse heb afghe-
haelt van dien die voer dy was, D. B. 1 Chron.
17, 13. Een juck sal hem te samen opgheleit
worden, dat niet ofghehaelt sal worden, Èosea 11,
4. Afhael dat decsel, reynighe dat ghesichte , Gerl.
Peters 234.
2) Van boeten. Invorderen, \\ Ende die boeten
235
AFHA.
AFHO.
236
rechtevoirt of te halen, oft van swairttrecken wair ,
O. K, V, Delft I, 30, 13. By nachte dubbelde
boeten, rechtevoirt of te halen, 12. Voirt soe en
moet niemandt gheen pairden . . wateren in der
vesten , . . by X ^. , rechtevoirt af te halen , oft
van swairt trecken wair , 1 , 31 , 15. Zoo ook O, "R, v.
Dordr, 1. 336, 162.
AFHANDICH bnw. , mnd afhendich , abhanden ,
nicht vorhandcn, verloren. Vooral, als thans, met
het WW. maken verbonden. Vgl. Ndl. Wdb. op
AFHANDIG. || Van die gouwen kelc, die die stat
ons kerc ofhandic makede , Rek. d. Buurk. 214. —
Meer gewoon in den vorm afhendich, zie ald.
AFHANGENDE, tegenw. deelw. van Afhangen,
als znw. onz. gebezigd. Dat afhangende, d-e
helling (van een berg). Verg. hd. der abhang. Ook
dat hangende^ dat heldend^ en dat sigende genoemd..
Zie bij Hangen, Helden en Sigen. || Ant af-
hangende van den berghe was noch een kerchof,
Rijmb. 11603. Tytus ende ooc somech baroen bleven
up taf hangende staende , 30966 (Lat. acclivitat).
AFHANG , znw. m. Van Afhangen. Het afhangen ,
de afhankelijkheid. Genen afhanc hebben
(van), niet af h ankelij k zijn {van). \\ Dese engelike
natuer en heeft genen afhanc van der materien,
Barthol. 13Ó (Lat. „nullam habet dependentiam
a materia").
AFHEFFEN {hief, hieven, gehaven of geheven) ^
st. WW. bedr.
1) Iemand of iets wegnemen door op te heffen ,
dus Af tillen, aflichten, afnemen. Hd. abheben. \\
Daer na niet lanc, doe hi was doet, wert hi ghe-
heven af, ende gheleit in een graf. Bed. d. M.
968. Ende dede tkint af heffen weder metter wiegen
gemackelike, Grimb. II, 1305 (t. w. van de ros-
baar, verg. VS. 1289 vlg.). De Panetier doet open
ende heft af tdexele van den gerechten , Matth. Anal.
1,260. — Die tafle — , de taf el af nemen , naden
maaltijd de overgeschoten spijzen wegnemen. \\ Dat
hi sine tafle afhief, ende hi hare gaf sijn relief,
Sp. III*, 30, 13. — Enen die wapen e — ,
iemand van ds wapenen ontdoen. \\ Daer mocht
men menghe smeete sien , daer men hem die wapen
afhief, Troyen f. 99a.
2) Enen — , iemand van het paard af tillen,
aflichten. \\ Si waren ingelaten daer, ende Lioneel
afgehaven dar naer soetelike, Lanc. II, 24461
(verg. 24168). Die riddre beete alsoe houde, ende
hief die vrouwe af, Limb. VI, 349. Hi hiefse
af met bliden moede, Flandr. I, 194. (Hi) hief
die vrouwe van den paerde; . . die camerieren
hief hi af mede, Segh. 8797.
AFHELDICH (afheldech), 'digeo{-dsge,hnw.
Zie Afbelden. Af hellend, steil. Mnd. afheldich.
II Ende riidt te desen watre waert, daer dbortes
afheldich sere, Limb. VI, 1630.
AFHELPEN (halp, holpen, geholpen), zw. ww. bedr.
1) Enen — , iemand van het paard helpen, hem
helpen afstijgen. || Na dien zede neghen si hem,
ende holpen hem of, Sp. I', 48, 28. Doe riep die
dwerch aie joncfrou daer, dat sine afholpe, Merl.
35458. (Si) wonden hare afhelpen thant, Lanc.
II, 14621.
2) Met eene zaak in den 2den nv. E n e n des — ,
iemand van iets afhelpen , er hem van bevrijden , ont-
slaan. II Nu moets hare God helpen ave, Limb.
III, 185.
AFHENDICH (afhendech), -dige of -d^ge ,
bnw. Afhandig, d. i. uit iemands hand of macht
geraakt. Mnd. afhendich , en nog bij Kil. afhendigh,
evenals nog heden behendig van hand. Vgl. af-
handigh. — In de uitdrukkingen: — Enea
afhendich werden, voor iemand verloren gun,
hem ontnomen worden. \\ Onse stat van Amen-
foirt, omme die te bezorgen, dat sy niet affheo-
dich en werde, Nyh. 4, 44 («. 1426.) Want
onse stat van Amersfoirt onsen neve van (rchc
affhendich geworden ende hem ontweldiget is,
4, 50 (a. 1427). Mit vorwerden, dat hy ons die
stat 80 sulde doen verwaren ende versorgen, dit
sy ons niet affhendich en worde. . . Welke stat
hy 80 niet en heeft doen verwaren, zy en ii
hem ende ons verloren ende affhendich geworden,
4, 61 {a. 1429). Eyn verduncken . . sijns rechtea
apenynge ind vurwcrden dairby verechtert off af-
hendich to werden, 396 (a. 1467). — Iet afhendich
maken, iets van de hand doen, vervreemden. \\ Dat
onse geuedlge here geynrehande lande , . . guede nock
^Ide, die hy had of verkregen heeft, nyet en
versette, verpande, vercope, enwech gheve, noch
anders in geynre wys afhendich en make, ald. 4,
132 (a. 1436). Ten weer zake, dat here Johtn...
dat voirgen. slot mitten leengueden in synen lerea
verandersaetten, vercofft off afhendich meckten,
240 (a. 1449). — Hem ere dinck afhendicli
maken, zich van iets ontdoen. \\ Dat ick mj..
desz slaets ende herlicheit van Hymmen njet
affhendich maken off yet dair aff vercopen, ?«•
setten, verpanden, versollen, aff brengen . . en sal,
296 (a. 1454). — Hem afhendich houden,
zich weg houden, niet voor den dag komen. \\ Die
by tyden twist ende vechtelic maken bynnen der
stede, ende hem offhendich houden ende bajiea
bliven, O. R. v. Dordr. 2, 118, 156. — - Enei
iet afhendich maken, iemand van iets 6eroo9e%.
II Syus vaders vader, die... geweltlicker hait
ind buyten veden affhendich gemacht wart tu
wilnere dem alden Derick heren to Wisch, Ngb.
4, 400 (o. 1467).
AFHORTEN (afhurten), zw. ww. bedr.
Afrukken, afslaan, afstooten. || Maer haer telghea
. . comen van berghen ghevallen, . . also abe
ofhurt die wint, liat. BI. IX, 47. Zie de aant. ald.
AFHOUDEN, st. ww. bedr., mnd. afhoUe%.
Het tegenovergestelde van ophouden (nl. de ha»tv
Wegnemen, weghouden, terugtrekken. || Heer reek-
ter , heeft hy dan oerloff op te houden ? -Ja. -Soe
staeft hem die rechter een eedt, — Heer rechter,
heeft hy nu oerlof sijn hant of te houden ? -Ja,
Westfr. Dingt. 7.
AÉ'HOUDEN, onjuiste vorm voor afhoüwek
Zie houden (2de art.) || Armen, voeten ende
andere leden aff te houden, V. d. Wall 566 (<•
1444). So sellen wi desen boem of houden, Pm*-
W. 22c. Item soe sullen die vinders . . van des
visschers drie salmen nioghen nemen . . ende boa-
den den staert af, K. v. Brielle 38, 20. Die voete
afhouden, B. v. 1357, lS2c. Daer een steen ras
den berch afgehouden sonde werden, Sp, d, M. l^
Sld. Si sullen of houden dynen .. cederboem, D.B.
Jerem. 22, 7.
AFHOU WEN {hieu , hieitwen, gehouwen) , st wv
bedr. In de nog heden gewone beteekenis, Rij^^-
24202; Lev. v. J. c. 141; D. B. Exod. 34, IS;
Deut. 7, 5; Richt. 6, 25; enz. — Ook fig. ||
Hou of myn laster, üs. Ps. 131 v. — Op eigenaardige
wijze gebezigd met den 3den nv., in den zin van v«>
iets af houwen, er in uithouwen. \\ Een nieuwe graf, dat
der roedsen gehouwen was af, S^. I» , 33, 11.
AFHOF. Slechts in de uitdr. ten opkove etM
ten afhove. Zie OPHOF.
AFHURTEN. Zie afhorten.
237
AFJA.
AFKE.
238
AFJAGEN, zw. ww. bedr. Mnd. afjagen.
1) Ia de tegenwoordige beteekenis.
fl) Eigeniyk. Enen — , iemand — menaeh of
dier — wegjagen ^ wegdrijven^ verdrijven. \\ Recht
als wy de vlieghen mit enen wayer oQaghen , Stem-
men 67 {Devoet B. (SO) llOr).
b) Figuurlijk. Iet — , iete verdrijven , verwijd-eren
{van iete andere), t) Men sal emmer daer toezien,
datmen scuwen sal ende vlien ende .ofjagen talre
stonde van den lachame dongesonde, Sp. I', 13,
1. Sye dattu tfuule afjaghes , Denkm. 3, 24, 286.
2) Enen iet — , het hem afhandig maten, ont-
rooven. \\ Serianten senddi metter spoet , die Yenuse
tfingerlyn aflagen, S^. IV« , 58, 139.
3) Een paert — , het door hard rijden af-
matten, af jakkeren. \\ Al had een man een willich
paert , . . wordet sonder hoede reden , men jaghet
of in corten tyden, Hild. 197,10.'
AFJOCKEBEN (afjockieren), zw. ww. bedr.
Zie JOCKEREN. I>oor den ichok, door het samen-
treffen van twee ridder e wegnemen, afetooten. \\
Daer na quamen si te samen beide met hoeden
ende met lichamen , dat si tvel aQockierden , Orimb.
II , 5127.
AFJONNEN (tegw. tfld hijan, H jonnen; verl.
tijd jonste), onreg. ww. bedr. Zie Jonnen en verg.
Afjonste. Enen iet — , iemand iets misgunnen,
benijden. \\ Want hi {die duvel) den mensce oflan
altoesdie salicheit die ni Terloe8,iSJp. II* , 14, 115.
AFJONSTE (Afjonst), znw. vr. Zie Af jonnen
en verg. Jonste. Afgunst, wangunst, vijandschap,
In afyonsten ende in envie, Sp. IV', 50, 64.
Op Oressuse , oft hi yonde were , te danckene sine
grote oQonst , Sp.V , 1 , Z% var. Het tekst-hs. heeft
ten onrechte sinen groten.
AFCAERDEN , zw. ww. bedr. Eigenigk : met de
kaerde of wolkam af kammen, af hekelen \ overdach-
telijk afschrapen, af hal-en, ontrooven (door laster-
lijke of hekelende taal). || Quade tonge , met sconen
waerden gaet si mi mine eere afcaerden, Rincl.
1359.
AFKEER, -kere, znw. m. — 1) Afkeer, de
tegenwoordige beteekenis || Ende daghen onse
ontrouwe . . met gherechten avekere der sonden,
Buusbr. 1 , 10.
2) Afval, afwijking, af dwaling, mei my. \\ Sos-
thenes was die den apostel die bootscap brochte
van haren ofkeer, Hs. ƒ75, 21a. Dit sgn afkere
van Gode ende principale wortelen van allen son-
den , Buusbr. 4 , 35. Nader menichvondicheit boers
ofkeers, Hs. Fs. 6r {Hs. Souter 4a: ofkerens). Ie
scame mi uwer . . van uwen ofkeer , Hs. Epist. 7Se.
AFKEBEN , zw. ww. onz. en bedr. Ook onscheid-
baar gebezigd. Zie Keren. Mnd. afkeren.
onz. — 1) Zich afwenden, keeren, terugkeeren,
teruggaan, a/trekken. \\ Want die joncfrouwe van
Salestroet es afgekert met haren here, Lane. III,
L2458. Hier met keerden die heren of van den rade,
ande s^n comen daer si den hertoghe hebben verno-
men, Orimb. II, 6433. Doe die helle was ghestoort,
.keerde die ziele wederaftenlichamein dat graf,
Lsp. II, 39, 35. Doe keerdi af . . bi den coninc,
r/. Rijmkr. 6656. Doe keerde hi af: des dede hem
loet, D. War. 7, 384, 29. Doe keerde hi af al
mghevaen-, ende vloech op eenen boem staen,
\ld. 43. Int afkeeren van Luke in Tuscanen, daer
ly ghetrocken was , omme te visiteme zine vriende ,
lout. V. Brugge 1, 464. — Inzonderheid van
lene legermacht gezegd. Doe keerde hi weder
if ende voer te lande als hiwoude,StokeIII,886.
rar. B , 26. Die Hertoge onboet den Marcgrave,
dat hi die sine dede keren ave, Yelth. II, 8, 5.
Nochtan en keerde die Hertoge niet of, n, 51,
10. Dat die coninc es afgekeert, VI, 20, 21. Int
af kieren verbarden sy sonder wederstant te hebbene
van yemande Frave . . ende meer andre plaetsen,
Cron. V. Flaend. 2, 172. Dat partien voerschreven
voertane in faiten van orloghe alleene sullen uut-
trecken ende weder afkeeren met hunne banieren,
Dicricx, Mém. 1, 65 {a. 1405). — Als rechtsterm,
van schepenen en raden gezegd. Zich uit de schepen-
bank verwijderen, als in de saak betrokken, of als
bloedverwanten, en dus niet mede het vonnis uit-
spreken. II Wanner . . vor ons comet een clagher
mit zinen vrienden , ende enich van ons scepen dan
staet of sittet by den clagher oft bi de weder-
partie, ende keret daermede af, soe sal hi irst
seggen vor ons s|jn guetduncken van den sak en,
Overijs. Jtecht. V , 64. Wye van scepenen ende raede
sijnre vriende wordt holden in zwoene off in dedingen,
daer scepenen to ghesat sijn , dat die afkeren zoelen ,
wanneer men in den Baede daer van spreken sal,
sonder argelist. Ende wat der stat aengheet, dat
z^j koer off anders enige punten, daer en sal noch
scepen noch raet van affkeeren dan die ghene den
die saken selven aenghaen, I', 170. Dat achter-
susterkynderen sullen aff kieren ende niet vorderen
van malkandems saken, I', 171. Van scepen af te
keeren, ald. Beholtliken oiek aff to keren diehoir
vremde dagen holden, ald. Vader, k^nt ende
broeder sullen oic afkeren, ald.
2) Zich afwenden, ter tijde keeren, afwijken. \\
Wi en sullen niet afkeren in den ackers noch in
den wijngaerden, 2>. B. Num. 21, 22 (Vuig. „non
declinabimus*^). Die afkeerden tote hem selven, in
behaghene hare natuerliker edelheit, die sijn on-
salich, Buusbr. 4, 128.
3) Afwijken , den rechten weg verlaten, afdwalen. \\
Waerheit niet of keren en sal nemmermeer: dus
blijft si naer; die afkeeren sijn loghenaer, OVl.
Oed. 3, 137, 562. Alle die persone die gheboren
werden in mensceliker naturen, dien gheeft God
ghelijc edelheit ende vriheit, dat si met vrien wille
moghen afkeeren ofte toekeeren, Buusbr. 5, 146.
Die afghekeerde , die anebeden ende eren stoc ende
steen, . . die sgn verdoemt in ewicheit, 255. Si
moghen noch afkeren ende in sonden vallen, 6,
218. U afkeren vergrammet hem sere, Hor. Belg,
10, 42, 4.
4) Met den 2den nv. Des — , zich van iets af-
wenden, er van afwijken, en dus het nalaten of er
mede ophouden. Verg. Afcomen en Afsceden onz.).
II Dese en wonde gevens niet of keren , maer milde
sijn met groter eren, Lsp. III , 23, 47. Of si mi mint,
of si mi haet, ie sal wonen in hare herte, ine keers
niet af dor en^heen smerte, ParM. 6425. Dat cruus
Christi is . . den lichaem een af keren alles quaets
ende een toekeren alre doechden. Stemmen 20.
— Ook reeds met eene bepaling met het voorz.
van. II Sine wilden niet afkeren van dat si geloeft
hadden den coninc, Velth. II, 23, 60. Nu ben ie
afgekeert van desen {t. w. van der werelt ge-
nuechde), N. Doet. 22. Nochtan en sel men bi
caritaten niet of keren van der minne Goods, Ned.
Proza 134. Een aveghekeert moet van alre ver-
gankeleker ghelost, Buusbr. 1, 250. Vandaar de
zegswQze: — Sonder afkeren, zonder c^houden,
voortdurend. Verg. sonder afsceden en sonder af-
staen. — Die Denen daden hem grote ere altoes
sonder afkeren, VI. Rijmkr. 1887.
5) Met een persoon in den 3den nv. Enen — ,
zieh van iemand afkeeren , van hem afvallig worden, \ \
239
AFKE.
AFCN.
240
Aen enen andren pans te vallen , ende dien te
latene ende af te keeren dien si oyt plaghen te
obedieren, Brab. Y. VII, 968.
Be DR. — 1) Met een persoon als voorwerp.
Enen — , iemand af keeren ^afweren. || Wasser een
ander op mi ghestelt, ghi soudt hem met uw
swaert afkeren, Hor. Belg, 2, 19, 7.
2) Met eene zaak als voorwerp. Iet — , iet4
af keeren^ afwenden. \\ Afkeer dijn aensichte van
minen sonden, Fs. 50, in Anzeiger 6, 209.Vervolle niet
die begheerlieheit dijns herten ende ofkeer dinen
wille, dat du niet en vervolste, Con. Som. 190a.
3) Ook wederk. gebraikt. Hem — an enen,
zich af keeren , afwenden tot iemand , t. w. door zich
eerst af te wenden van een persoon , en zich daarna
te wenden tot een anderen. || Als si sullen ghe-
gheten hebben ende ghesadet sijn , . . soe sullen si
hem of keren an vreemde goden , 1). B. Deut. 31, 20,
vertaling van Vuig. ^avertentur ad deos alienos".
AFKëRëR, znw. m. Hij die een ingeslagen
goeden weg verlaat ^ afvallige. || Alle dese sijn
princen van afkerers, loeslyc wandelende, D. B.
Jerem. 6, 28.
AFKERINGE, znw. vr. Het verlaten van den
goeden weg y afdwaling. || Wort bekeert . . ende
ie sal genesen uwe afkeringhe, i>. B. Jerem. 3,
22. Haer afkeringhe sijn ghestarct, 5, 6. Zoo
ook 8, 6.
AFKERVEN {carf^ corven, gecorven)^ zw. ww.
bedr. Zie Kerven. Afsnijden ^ doch in ruimere toe-
passing, afleggen y wegdoen. || Wy willen nu allen
druck afkerven, Belg. Mus. 9, 156, 90 («. 1497).
AFCLAREN, zw. ww. bed!r. Zie Claren. Met
een persoon in den 3den nv. Enen een ordeel
— , iemand een vonnis door de klaring ^ de hoogere
rechtbank doen verliezen ^ het hem doen verliezen
in hooger beroep. \\ Wie dat een ordel ghevraghet
wart vor schuiten o£f vor scepen, die sal dat wisen
also vere als hy dat weet, ende weert enich van
den partyen die des ordels niet en volgede ende
hem dan dat ofgheclaert worde, die verlore een
pond, Stadr. v. Zwolle 72, 77.
AFCLIMMEN {clam^ elommen, geclommen)^ st.
WW. bedr. Enen ene poort (eenhuus enz.) — .
eene poort {een huis) door beklimming der muren —
dus stormenderhand — op iemand veroveren of aan
hem ontweldigen. \\ Al is Trouwe uu verdreven en-
de Reden hoer poert ofgheclommen , noch soe radio
ons arme dommen , dat wy noch onsen toem sinten,
Hild. 207, 277 (var. ofbeclommen). Weert sake
dat onser liever geminder zuster ende moyen . .
dat . . tolhuys tot Lobede afgeclommen wurde,
of afgewonnen , of ontweldicht in enyger wys , Nijh.
3, 69 {a. 1379).
AFCLOVEN, zw. ww. bedr. Zie Cloven. Door
klooven verwijderen van iets, afsnijden ^ in figuur-
l^ke toepassing, evenals afsnijden ^ als onwaardig
lid verwerpen. Yerg. Ndl. Wdb.1, 1463 op Afsnj-
den, Bedr. I, 1, ^, ^). || Deen munt boven, en-
de dander onder, daer ie niet over hem gheloofk;
al omme bem ie ofghecloofl: in mach nieuwer
mede gaen, OVl. Lied en Ged. 273, 1180.
AFCNAGEN {cnoech^ cnoegen^ geknagen)^ st.
ww. bedr. Zie Csxqeü. Af knagen ^ knagend afbijten.
II Die levende kinder . . zogen der doder moeder
borsten , ende hadden hem die spenen ofgeknagen ,
Clere 163. — Enen iet — , iemand langzaam iets
afnemen, allengs ontrooven, bg vergelijking met
knagend gedierte. || Verre mi van verraders pla-
ghen, die enen sün welvaert afcnaghen, Fad, Mus.
2, 404, 40.
AFCNAVEN st ww. bedr. {enoefr) g,
verwant met cnagen en enauwen, zie Tijdsckr. 1 , 19.
Afbijten, af knagen. \\ Die levende kynder . .soe-
ken hoere doder moeder borsten, ende haddei
haer die spenen afgeknaven, Matth. Anal. 3, 20&
AFCNOPEN (cnochte, gecnocht), onreg. «w. ww.
bedr. Zie Cnopen.
1) Afbinden. \\ Snlke meesters gebieden datmeiiae
(de spenen d. z. de aderen) afcnope met gewastoi
araden , Hs. Yp. 144^. Waert dat mense aTecnochte,
eer die lichame gepurgiert ware, ald.
2) Enen — , iemand ontknoopen, ontbindem ^ los-
maken . II Dat hi haren vader sonde doopen ea-
do van der quader wet afcnoopen , Avumd 1 , 4422.
3) Iet — , iets ontknoopen , ontbinden , lonmmken,
II Wat hi raet datmen metten perden doe; ki
antwerdde: Gi sult afcnopen die breidele ende
laetse lopen, Lanc. II, 28127. Wilt dese qnade
wet afcnopen , ende laet die afgoden vallen , Awssnd
II, 3122. — Het verl. deelw. Afgecnockt
gold vooral in den overdrachtelgken zin yukafgedooM,
uitgemaakt, boven alle bedenking verheven. \\ Al
waert dat alle die ingle qnamen, sine consten die
godheit gehamen: dits al afgecnocht, Wap. Mart.
III , 59. Hier om isset offghecnocht , dat men beghe-
ren niet en moet nyemants beddenoet ofte gnei,
Hild. 11 , 550. Al saghen die joden vrouch ende
spade teyken, myrakel, die hi dade, twar in hen
al offgheknocht: sy hebben totter doot ghebrocht,
67, 117. — In het gedicht Van den vagkevi^r dei
sente Patricius vertoghet was (Fersl. en Ber, V,
12 vlgg.) lezen wij vs. 156 vlgg: || „Seide boer
pine, torment ende arbeit der hellen, ende des
paradys vroude maecte hi hem wijs, of hi met
anxt of met hopen hem die qnaetheit of mocht
copen.^^ Hoewel enen iet afcopen in debeUvaa
door zeker loon iemand van iets losmaken , hier door
bedreiging met de hellestraf of toezegging Tan de
hemelvreugde, geen verkeerden zin opleTert, Ter-
dient de lezing cfiopen de voorkeur. De sin is: of
hij hen van de boosheid mocht losmaken. In de
Poésies de Marie de France, II, 409, Y8. 403,
vindt men voor deze verzen: Lur bestial cors non
estables Voleit faire k Den covenables.
AFCOMEN (quam, quamen, gecomen of camsefC),
onreg. st. ww. onz. Mud. afkomen.
1) Van eene hoogere streek naar eene letgere ko-
men, komen. In dezen zin is Afkowien nog in
Vlaamsch-België in gebruik.* Zie Ifed. Wdb. op
afkomen, 1,^,1, *,y). II DatconincEobbrecht..
van Heylsberge {Heidelberg) . . afquam met g^ter
moghenthede , om hertoghe Anthonise . . te Tei^
drivene altehant, Brab. Y. VII, 391. Dat Hnge
noch leefde ende dat hi in kerstenrgcke waer ende
afquame, Huge v. Bord. 74.
2) Met eene bepaling met het voorz. van. — «) Yaa
personen. Afkomen van ere dinc, van iet» te-
rugkomen. II Binnen desen so was comen of die
keyser van siere besichede, *§?. II* , 4, 76. — b) Vaa
eene som gelds. Afcomen van ere dinc, mm
iets komen, als opbrengst. || Van den exch^ns
van den drancke . . es afgecommen . . 2918 £,,
Inform. 470.
3) Wegkomen, weggaan, verdwijnen, van aakea
gezegd. Verg. bij af. || Omme haer halskgn so
lach een tekyn, alst een root draet ware, dies
wart hi . . in vare , want dat tekyn noit af ea
quam, Sp. III", 80, 80.
4) Met den 2den nv. of wel met het Toora.
van.
a) Met een persoon in den 2den nv. Eens — ,
241
AFCO.
AFCO.
242
pan iemand afkomen , Aem laten varen^ verzaken.
II Dane comst haers {der afgodé) af, ie segdi
dan , dattn selt in der helle gront wesen, Tst BI.
1976.
b) Des — , van iete afkomen^ er van onttlageny
bevrijd worden. \\ Ja, dade men goede gheloeitef
men mochti wel comen of, opdat jeghen redene
ware, Melib. 545. (Dat) men der plaghen avecome,
des orloghens ende der elinden , des torments ende
diere seinden, Troyen f. 216 a. Ie wille der minnen
comen of, Ferg. 1532. Dat sgs {der minne) niet
mach comen ave , 4515. Dus quam hi des orloghen
af, Stoke II , 922. Hi waers herde ghemeofcomen
met eren ende tsinen yromen, III, 1048. Daer met
quam hi der yeeten aye, Brab. T. II, 7850. Dus
qnam des orloges af ten lesten met eren die Graye
here Öi, Yelth. I, 45, 82. Goeden tQt soe comie
EiYe mijn (/. mijns? miere?) ghevanckenes , Limb.
[I, 850. Eist dat ie come dies met yreden ave,
711, 1734. Sine mochtens anders comen af, Stoke
[X, 111.
e) Des — , van iete terugkomen, er van afzien, \\
k.j soete Walewein, lieve here, hlivet hier ende
bedinct u! . . kj lieye Walewein, comet des af,
Lanc. m, 18788^93.
d) Des — , van iete afkomen, het kwijtraken,
verliezen. \\ Die ridder, die so grote have ende
rycheit hadde, hi quams so ave ende wards so
luite allinschelinge , Im^. II, 1253. Noehtan so
loet hem {den vogele) so onsochte , dat sire yriheit
SS comen af, Eote, fir. bl. 250, 101. Tander toIc
rercochte hi al: . . . dus qnam hfjs af, B4jmb,
29683. Hoe bistn dus ofcomen yandesenP^SIp. lY',
)3, 48.
é) Des — , van iete afkomen, er een einde aan
naken, er mede ophouden, er mede uitscheiden
Terg. Afkeren,, onz.). „Afcomen, deeinere,^*
glosse by Grair, JHut. 11,211. || Salomon wrochte
bouwde) XX jaer, eer hi sgns makens afqnam,
ïijmb. 1 1878. Nn comt uwes smekens af: in werde
)i smekene niet u vrient. Rein. 1 , 1804. Dat hi bi
ïode swerens afquame, ende swoere alleene bi
iere name, Sp. III*, 46, 63. Twee dage stont hi
inde twee nacht ^ dat hi dies niet af en qnam,
n*, 32, 22. Hondi met mi juwe ghile? cornets
tf ter quader wile, oft jn naket droufheit vele,
Val. 8572. Sidermere dat u es jeghen therte soe
lere, soe sal ics, vrouwe, gherne afcomen, Idmb.
n, 223. Al wenende quamics ave, Farth. 2971.
line ware des niet afcomen, ne haddent niet de
)arone benomen , Lane. II , 34707. Ghine comes af
esen male, u magher quaet af comen wale, 7i^. ^/.
»67. Comen wi des sceldens ave, Idmb. II, 1022.
}od en does mi avecomen, Y, 1436. Daer om me
addic u, jonchere, dat ghQs afcomt vortmere.
Tl, 2521. Gomt ave dies ende laet onsejoufrouwe
^en, I, 2462. Ghi heren, comes ave, III, 913.
Snde segghen hen dat sijs avequamen , Teett. 728.
loe hi ende Lodewgc die grave beide haers
crivens quamen ave, Brab. 7*. Dl. 2, bl. 424,
'S. 183. Ende vielt dat . . dies clage quame voer
•ns hertog^, soe mochten wi hem twee van onsen
ade oft vrinde daer toe scicken, ende bi dien so
ouds die greve . . of moten comen , Brab. T. Dl.
!, bl. 460 {a. 1348). — Des met men — , met
tinder ophouden, het bij minder laten. || Want
ladde hi vervart gewesen, hi en hadse beide niet
genomen: hi waers met men avecomen, Lorr. II,
1983.
f) Des — , van iete afkomen, er mede aan een
inde komen, klaarkomen, het gedaan maken. || Ghi
geeft Silvestere lof, als oft h^s al ware comen of,
Sp. II*, 23, 339. Nu neemt raet die n mach
vromen, ende des ghy moghet avecomen tuwen
vromen ende tuwer eeren, Troyen f. 26ó (in het
hs. avereomen). Wildi beginnen te josteeme jegen
mi, so comets af, laet sien wat si: het gaet sere
ten avonde waert, LatM:. III, 19800. Varen wi
wech, comen wQs ave, Limb. II, 922. Nu comes
ave soeghi ierst moget, YI, 1372. Nu segghetmi
ende comes af, 3 Dag. Jïirr^ 319. Maect u bereescap
en {l. ende) comes af, Blitc. v. M. 667. Si voeren
wech , en (1. ende) qnamens ave , Yet. Bl. 1558. —
Ook met betrekking tot een verhaal dat men doet:
des — , er mede ten einde komen. || Soudic u
al der stucken gewagen, die gescieden wide ende
side, in quaenis niet af in lange tide, Yelth. 1,
42, 78. Soudic tellen, hoe menich baenrots, hoe
menich grave bi hem hilt, in quaems uiet ave,
Heelu 4356. Daer was menegherande tale, die ie
qualec vertrecken soude, al waert oec dat ie wonde,
ie souts qualec comen af, Limb. IX, 536.
AFCOMEN , eig. verl. deelw. van Afcomen in den
sin van afstammen, als znw. gebruikt, vooral in
het mv., in de uitdrukking sine afcomene,
zijne afstammelingen, zijne nakomelingen. \\ Hem
selven ende hare afcomene (Vinc. „se et posteros
suos''), Sp. III», 46, 65. Alle hare afcomene, IV»,
80, 104. Sinen afcomen, Bijmb. 1682 var. — Ook
in het enkelv. als onz. znw., in collectieven zin.
SQn afcomen, zijne nakomelingschap. \\ Ende
haer afcomen ende haer geslachte soude oec emmer-
meer daer bi wesen voerwaertmecr vri, i^. lY',
19, 24. Zoe gheve ie desen selven Wolfarde ende
sinen erfnamen, in rechteft erfleene van mi te
hondene ende van minen ofcomene, Oorkb, 2, 2063
(fl. 1282). — Verg. ook het volgende art.
AFCOMENDE , tegw. deelw. van Afcomen in
den zin van afstammen, als znw. m. gebruikt
Afstammeling. Verg. het vorige art || Over Sems
gheslachte was hooftman een snn afcomende,
Bijmb. 1411. Abram scied uten lande niet dat
God sinen afcommenden behiet, 1581 var. Sgn
afcomende verloost echt, 8586. Si ende hare
ofcomende, Vod. Mus. 3, 63.
AFCOMER, znw. m. Afstammeling. Verg. de
twee vorige art. || Die van Ghistele met huer-
lieder . . afcommers, die ghecommen zQn van die
van Moerkercke, Fad. Mus. 5, 307. Die van
Halewijn met huerlieder . . afcommers, 308.
AFCOPEN {cochte, gecoch£), onreg. zw. ww.
bedr. Verg. Copen. Mnd. afkopen. Met een persoon
in den 3den nv. Enen iet — , iets door koopen
van iemand verkrijgen. \\ Manahem cochte hem af
te hant met scatte, dat hi keren soude, Bijmb,
13998. Hi cochte af trecht van miere ouden,
Bijmb. 2395. Als coninc Eduwaert wel een jare
ghebeyt hadt na die hulpe van den keyser, die
niet en quam noch en seynde , want coninc Philippus
hem meer gelts gegeven hadt, somen seyde, ende
hadt hem afgecocht, Exc. Cron. 1323.
AFCOREN (Afcueren) zw. ww. bedr. 1) Af-
keuren. II Van der brug, dat seit mjn heer te
niete overmids datse trecht afghecoert heeft ende
dat doen moghen mit rechte, V. d. Wall 389.
2) Bij eene keur onteigenen. Verg. Ned. iFdb,
op Afkeuren, XVIIde E. || Van yements erve
of te cueren. Item wat den rechter ende den
seepenen goet dochte bi hoire zielen , dat si wouden
hebben eens mans huys ende erve, steghen, straten
of hallen of anders yet of te maken totter stede
oirbair of behoef, ende dat te ghelden bi der
243
AFCO.
AFLA.
244
scepene eede ende bi hoire zielen , wie dat w^eder-
seide verbeurde 10 ff, nochtans sel der scepene
settin^he voirti^n, Leid. Keurb. 3, 8.
AFCORTEN (afcurten), iw. ww. bcdr. Mnd.
afkorten.
1) let — , ieU koii'ter maken door er eenifttkaf
te nemen. De hedendaagsche beteekenis. |l Als men
die mate heeft, so rort men den draet of, also
lang als hy rontom die smarte gcleit ende gemeten
wort, Matth. 97. Doe dedi elke tee daernaer . .
afcorten met eenre bile, Segh. 12694.
2) Verkorten^ minder maken van dunr. || Die
meester cort of die corte quale, //#. p. 1423, 235rf.
3) Enen — , iemand aftnijden^ t. w. uit het
midden van zijn volk; hem uitroeien^ verdelgen. \\
Ie sal mijn aensichte jeghen dien setten , ende ie
sallen ofcortten van midden synen volke, D. B.
Levit. 20, 3 (Vuig. tuecidamqne eitm). Ie sallen
ofcorten ende alle die ghene die mit hem hielden,
ald. 6. Sich, ie sal opti qnaet brengen ende ie
sal afcorten dijn achterste, I Kon. 21, 21 (Vuig.
demetam posteriora tua ; Statenb. „uwe nakomelingen
wechdoen").
4) Aftrekken^ afhouden^ van een gedeelte eener
schuld. De hedendaagsche beteekenis. || So soud
men dairvoir een yegelijck een scoff ofTcorten, O.
R, V. Dordr. 1, 319, 114. Zoo ook Brab. Y. VII,
13304; Brab. Y. Dl. 2, bl. 484; Nijh. 4, 49;
Leid. Keitrb. 105; Exc. Cron. 146rf; Inform. 241;
Bek. V. Zeel. 2, 391.
Afl. Afcortinge, korting^ mindering^ Handv.
V. Alkm. 29fl. Rek. d. Buurk. 62; 64. O. R. v.
Dordr. 2, 63, 81; Nijh. 2, 139.
AFCRAUWELEN, zw. ww. bedr. Zie Crauwel
en Grauwen. Met ijzeren krauweU of haken
afkrabben. \\ Doe hebben die vleyschouders
alsoe langhe haeren vleysche ofghecrauwelt ende
ghevilt, tot dat si tot dve beenen qnamen, Poit.
W. 179a.
AFCRÏGEN {creech y cregen^ geeregen) ^ st. ww.
bedr. Met een persoon in den 3den nv. Enen
iet — , iett van iemand door geweld verkrijgen ^
het hem ontnemen ^ hem er van berooven. \\ Soe een
lange tijt her onse lande ende ondersaeten . . hoere
geit ende guet affgekregen is geweest, Nijh. 4,
326 (a. 1461).
AFLAET, -latCy znw. , veelal onz. , doch ook
m. gebruikt. Het woord dobberde oudtijds tusschen
de beide geslachten. Got. aflét onz.; onr. afldt
onz. ; ohd. abldz m., nevens abidzi onz. ; mhd. abldz
m.; mnd. afldt onz. Luther nam het onz. [das ablasz).
Later is het m. geslacht heersehende geworden ;
dit is thans zoowel in het Hoogd., het Deensch
en Zweedsch, als in onze taal aangenomen. Zie
Ned. Wdb. op Aflaat.
1) Nalatigheid,, verzuim, In de uitdr. sonder
aflaet, hetzelfde als ionder aflaten (zie ald. 7).
Onafgebroken y voortdurend. \\ Vier manieren van
souden . . . , die voirden aenschijn Gods sonder
aflaet altoes ropen om wrake, Matth. 190.
2) Kwijtschelding ^ ontslag ^ t. w. van eene straf
of zekere verplichting die men op zich heeft ge-
nomen. Zie Aflaten 8). || Maer teerst dat si
werden gheware , dat die vaert een deel wert
sware, eischen si aflaet ende willen keren, Nat.
Bl. III, 1917. Heefstu die cruse ontfaen. God
heescht sijn ghelof voldaen: en soeker of negheen
aflaet, III, 1957. Doet hys niet, so en sal hy
binnen enre maent niet tappen bi vgf punden,
uytgesat jaermerkede ende ons oflat, R. v, Zntf.
. 8 , 13.
3) Kwijtschelding of vergijfenu pmm somden. ZU
Aflaten 9). In H algemeen. FergiJ^eni* vom xaudem,
van schuld y lat. aèsoltitio. \\ Aflaet groet van harea
Bonden es hem altoes ghereit, ffap. Mart. III,
38H. Com te hem . . ende bit an hem omme aflaet,
Sp. I* , 3 , 53. Dn snit dan van Gode ontOaeii val
aflaet, I*, 4, 67. Ende bat aflaet van allen acoi-
den, II', 37, 108. Hem aflaet bejagen rmn haerre
mesdaet, Rijmb. 5169. Maria, die ona Tan Teven
misdade bejaghede aflaet ende ghenade, Lap. I,
23, 107. Maria.., die ons sent ten cmce, willea
wi winnen aflaet van sire minne, Disp. 466. Dese
vinden voer Gode oflaet, Lucid. 3918 (w»/^. ofelaetV
Predeken in sinen name penitentie ende aflaet vaa
den sunden, L. v. J. c. 240. In haere hulde..
80 sochtic aan hare trouwe afflaet, Hadew. I.
134, 37. Want smenschen grote misdaet moeste
hebben vleeschelike aflaet van des Gods sone doot ,
vergiffenis door den dood van den tot vleesek ge-
worden zoon GodSy Lucid. 1481. — Enen aflaet
doen, hem vergiffenis schenken. \\ Die Here . .
doe n van souden vul aflaet , Rein. 1 , 2769. Hea
doe ie aflaet van sinen souden, van siere mesdaet,
L. o. H. 4722.
b) In *t bijzonder. Kwijtschelding van kerkelijke
straffen y door de kerkelijke overheid den zondaren,
na de vergetnng hunner zonden ^ verleend'^ lat. t»-
dnlifentia. Met rav. Dikwijls verbonden met Pardoen.
Zie M.oH, Kerkgesch. v. Ned. 2*, 184 vlgg. || Die papa
oec . . priHen den volke dat aflaet, maermen sietse
selden lopen yegherinc om aflaet te copen , g-helijc dit
die leke liede dat aflaet halen ende gheven miede ,
Teext. 3638. So dat si {de pausen) aflate ende paerdoeoe
mede hebben ghclaten te menigher stede ; maer ea
aflaet boven algadcr gaf een paeus, een helich vader,
Jmnnd I, 1476. Ie gheve hem jaer ende dach vml
pardoen ende aflaet van al re sondeliker daet, Bern.
I, 834. Ghi sult an hoghen aflate delen, ende ai
alt pardoen , lieve moie , dat ie in n scoen sal
bejaghen over se, I, 2916. Gheeft mi aflaet,
dat biddic u, I, 1670. Morghin . . . willic t«
Rome om aflaet, 1 , 2723. Eer hi heeft vul afliet
van alre sondeliker daet, I, 2801. Dat hi gheene
ter keerken gaet oft ten pardoene om aflaet , Amtamd
II, 144. Groote aflate ende pardoene, I, 3578. —
Enen aflaet doen, iemand aflaat scAenken, \\
Ende hi hem ooc up genade oflaet ende bedinge
dade. Franc. 4241. Doen dede hi hem aflaet daer,
Yêt. Bl. 1066. — Lettere van aflate, a/Uat-
brief. II Ende noch en quam hem niet te bate Tas
Rome letteren van aflate. Nat. Bl. III, 1945 Var.
— In aflaet eens sielo, ter verkrijging m»
spoediger ontheffing van de pijnen van het vagevtnr
voor de ziel eens afgestorvenen. Zie Moll , KerkgescJk. r.
Ned. 2*, 69, 189. || In den sel ven jaer .. stichte
joncfrou Rijchaert . . een nonnecloester in oflaet
haers broeder siele, Clerc 114. — Ook in toepas-
sing op den vollen grooten aflaat y door de Pansei
verleend of „uitgezonden" voor een kruistocht
tegen de ongeloovigen. Zie Moll, Kerkgesch. 2*,
189. II Overmids den paues Urbane, die te Cleer-
mont.. utesendde dat aflaet, Sp. IV', 2, 25.
Dander Urbaen . . , die onsen here dat aflaet gaf
van over niere, IV', 29, 78. Doen men untsende
dien aflaet, Brab. Y. III, 315. Ende voor u gaea
ten heilighen grave, ende werven u groot oflaet
daer, II , 7180. Dat hy int lant van AllMuiea woode
strijden in den dienst van der kercken omt oflaet
dat daer toe stont. Pass. W. 12c.
4) By uitbreiding.
a) Be plaats waar de aflaat verleend werdL Ver;g.
245
AFLA.
AFLA.
246
Moll, Kerkgêich, 2\ 189, aant. 6). || Men siet
tfolc bat gaen ter kerken . . ende ten aflaet wert
lopen» Teest. 471 — 74, vgl. Amand II, 145.
b) Groot oflaet, kruittaart^ kruUtoeht^ waar-
voor de YoUe aflaat werd gegeven. Ook Pardoen
genoemd. Zie MoU, Kerkgetch, 2\ 33. || Yrederic,
de in de vaert verdranc tAntiochen waert, hadde
drie sonen, ende deene bleef doot voor Akers in
den oflate groot, Stoke II, 1209.
Samenst. — Aflaetskist, de kist waarin de
aflaatspenningen bewaard worden. \\ 4 sloet an die
nywe oflaetskisten , Itek, d. JBuurk. 142; datbeelt,
dat svridages op die aflaetkist staet , 156 ; a f 1 a e t s-
stoel, biechtstoel (immers door de biecht ontving
men absolutie). || Yan die 2 oflaetsstoelen , die in
der kercken aen elcke sideldoer een of staet, ald.
156.
AFLATEN {liet^ lieten, gelaten), st. ww. bedr.
en onz. Ook in samengetrokken jongeren vorm,
AVELAEN: zie by laen. Mnd. aflaten.
Bedr. — 1) Enen — , iemand laten gaan, weg-
zenden, aftchaffen, ontslaan. \\ Yoirt bebben wy
hem Yorder ontmymt om den cost van onsen lande
te minderen, dat men die twee hoech waerslude
oflaten sal , ende die zeven heemraders sallen enen
onder bem kiezen, Y. d. Wall 373 (a. 1400).
2) Enen — , iemand laten varen, laten gaan,
hem toelaten. \\ Sibelie die scone ghedane werde
hare sere ntermaten ; sine heeft hem niet aveghe-
laten, sine scoret hem al uat altoter bloter hunt,
Umb. YI, 2724 (Of te lezen anegelaten?).
3) Wijn — , wijn a/tappen. Yerg. verlaten.
II Yoord mach elc coopman . . . bi zijns scives
mesnieden zine wine oflaten ende zine wgn-
vaten weder binden laten, ZFl. Bijdr. 5, 152
(a. 1360).
4) Iet — , iets laten varen, ver Uien. || Waert
dat eenich van desen dienres voorsz. haren dienst
oflieten , ende in den gherechte quamen . . , die en
zullen daer na in der stede dienst niet comen,
O. K. V. Dordr. 58, 194.
5) Iet — , iets laten varen, het nalaten, staken.
II Hets een swaer dinc ntermaten, oude ghewoen-
ten aflaten, Doctr. III, 343. Dat hl de dinc wil
laten ave , ende hi haer recht late behouden , Stoke
YI, 588. Harde goet waert ofTghelaten, dat men
besuyrt buten baten , Hild 93 , 97. Laet ofif vrecheit
ende n^t, 89, 71. Mer sinen ghecken dommen
waen woude hi daer om niet laten aff, MLoepl,
914. Dat men tpruefsel aff sal laten, II, 1809.
Wilstn dijn souden niet laten af, die helle die is
d^n eighen. Har. Belg. 10, 247. Nu wilwi treuren
avelaen, Ovl. lAed. en Oed. 76, 7, verg. 61, 7.
Laet of d^ spel, dn hebstes geuoech gespeelt,
Clerc 29. Daerom laet of uwe dwase luntsheit,
B. r. 1357, 226Ó. In dat sevende jaer selgi dat of-
laten ende rusten, 45a. Doe liet hi s\jn timmeren
ende sijn mueren of ende toech in Ysrahel , 165^.
Sy sullen . . so hem informeren , dat hijt (het on-
recht) oflate , Matth. 31. Laet of dit qnade opset ,
Oesta Bom. c. 9. Doe hi dat spreken afliet, seide
hi tot Symon, Hs. 71, Litc. 5,4 (Statenvert. „af-
liet van spreken"). Also dat sommighe van den
Yriesen begonsten of te laten haer ongelovicheit,
Matth. Jnal. 3 , 25. Ofte laten des duvels maniere ,
ald. — Het object wordt ook uitgedrukt door een
afhankelfjken bQzin, in welk geval Aflaten dege-
wgzigde beteekenis van r^zffim^i» aanneemt. || Dat
hi niet woude laten ave , hine woude wreken sinen
vader, Stoke lY, 190 var.
6) Iets laten varen , laten loopen , ergens geen
ï
werk van maken. |l Die eyscher mach thnys blyven
ende dat recht oflaeten sonder verboeren. Dingt. v.
Delft 2.
7) Met weglating van het object en dus schijn-
baar onz. gebezigd, staat Aflaten in den zin
van Ophouden, uitscheiden, t. w. met datgene dat
uit den zin vanzelf bljjkt. || Wij hebben averge-
vloeit in die genuechte der werlt ende wg heb-
ben afgelaten ende hebben ons bekiert totpeniten-
cien, Brugm. 1, 238. Si volchden talre tijt ende
en lieten nimmermeer af, MLoep 1 , 810. Bevint
men dat het (het verbond) jegen gaet mijns heeren
rechten in eneger mate , soe selen die stede
aflaten , d. t. er mede ophouden , er een einde aan
maken, Brab. T. YI, 6700. Om al dit en selen
si niet avelaten (Lat. desistere) , noch haer ambacht
opgeven, Ruusbr. 3, 191. — Sonder aflaten,
zonder inhouden, onophoudelijk, voortdurend; verg.
sonder afkeren, sondeer afsceden, sonder afUiet, en
het volgende art. || Yervolgheden si zeere langhen
tyt den hertoghe sonder avelaen, Brab. T. YII,
4240. Die andere, sonder aflaen, die souden hel-
pen wederstaen , YII , 5640. Dat si . . hier bi
souden moeten bliven sonder sceiden , sonder aflaten ,
YII , 5659. Dat hi hier bi bliven sonde moeten
sonder aflaten , JSra*. T. Dl. 2, bl. 474 (a. 1354). (Hi)
bat den . . grave Florijs vriendelijc sonder oflaten ,
dat hi hem te hulpe quame, Clerc bl. Als her
Wouter den lof . . . van den herauden hoerde roe-
pen sonder oflaten, 82. Seer vierich sonder aflaten
was si in haer ghebet, Exc. Cron. 24<?. So dat hy
daghelijcz anstormde sonder aflaten, Belg. Mm,
4, 204. Hem te dienen sonder oflaten, Barthol.
2ib. Ende waren nacht ende dach in die weer sonder
aflaten, Matth. Jnal. 3, 358. (Si) roepen toe di
sonder oflaten, incessabili voce. Gr. Groote 84.
8) Met een persoon als object en ecne zaak in
den 2den nv. Enen des — , iemand van iets vrij-
laten, er hem van ontslaan, vrijstellen. || Quaemt
op ende hadt sinen tijt, so soudic altoes hebben
strijt tusschen heme enten grave: daer bi so lates
mi ave, Lorr. II, 1715.
9) Iet — , iets laten varen, vrijlaten, en dus
kwijtschelden , vergeven , welke beteekenis reeds aan
got. aflétan eigen was. Yerg. Aflaet en Yer-
laten. II Ende maecten pays jegen den grave,
diet algader doe liet ave, Stoke lY, 775. Den
sielen heipet oec oflaten van der kercke. Pass. W,
12b. Ende dreffen in der hellen schoot sonder
euich avelaen, zonder genade, Hild. 174, 212. In
den eersten so zullen alle die ban ofghelaten wezen ,
Y. d. Wall 368 (a. 1400). — Ook zonder obj. ||
Selich sijn die vredsamige ende die afgelaten hebben,
want sg sullen kynder Godes geheiten werden,
Brugm. 1, 238. Misschien is ook hier de bet 6)
bedoeld, doch bij vreedsamich past beter de bet.
vergeven, kwijtschelden.
UO) Enen — , iemand neder laten, laten zakken,
nog heden gewone beteekenis. || Daer henck die
eersaem hoefsche knape, . . ten lesten wart hi
affghelaten, MLoep l, 2593—97. — Ook Hem
aflaten || Bestu die Gods zone, so laet di of
ter neder, Hs. v. 1348, 6Sd.
11) Uitlaten, van kleederen. || Sine cleedere hi
afliet, want hi hinc ant crucenaect,i^.I', 29,22.
Aanm. Onfi^ewoon en met den aard van het woord
in strijd is de beteekenis van toelaten, lat sinere^
die er door den vertaler van Bartholomeus den
Ingelsman aan wordt toegekend. || Die lufterhant
hiet men smistra, dairom dat si gehengdt ende
goet laet wesen so wat die rechterhant doet, a
247
AFLA.
AFLE.
248
imOf n$nt , sinere , dat is aflaten of gehengen ,
Barthol. 133a.
Onz. — Uit de beteekenis bedr. 7) ontwikkelde
sich het gebruik van Aflaten als ons. ww. Eerst
werd het object weggelaten en was het schnnbaar
onx.f yeryolgens werd het object door een 2(ten nv.
verrangenf waardoor het ww. werkelijk onz. werd.
1) Met een persoon in den 2den nv. Eens — ,
van iemand aflaten , kem laten varen , xich van hem
verwijderen, \\ Ie wil dat ghi sult laten alle
blyschap ende gemack, der creataren aflaten ende
ylien der werelt wrack, Belg. Mm. 6, 444.
2) Met eene saak in den 2den nv. Des — , van
ieti aflaten^ het laten varen ^ nalaten^ er mede op-
houden. II In wil , in caens niet avelaen , al mochtic
leren dusent jaer, ie moet di bliven onderdaen,
on. Ued. en Oed. 188, 27. Hoe mochtic das
avelaen, OVl. Lied. en Oed. 60, 19. Wi willen
tmerens avelaen, 231, 22. Als hi sach . . die
Hollanders hoirs stormens an den casteel niet of
en lieten, Clerc 46. — Ook sonder den2dennv. ||
Ie begeer dattn noch niet af en laetste. P. AVilstn
hoeren , enz. , Sp. d. M. 1 , 77^.
AFLATENEN, zw. ww. bedr. Frequentatieve
vorm van Aflaten. Iet — , iets laten varen , nalaten,
II Binnen corten tiden herwaerts so heeit onse voirscr.
geminde brueder den voirscr. eerweerdigen vader
in Gode ongebmyck , stoernisse ende letsel gedaen
. . in sijnre voirscr. possessien, versnekende dat
onse voirscr. geminde brneder tot sijnen behoefif by
ons worde gedoémpt ende gewast die af te latenen
ende hem des voirtaen te verdragen, Np. 4, 147
(tf. 1437).
AFLATINGE, znw. vr. Zie Aflaten 7). Mnd.
aflaOnge. Sonder aflatinge, zonder ophouden^
onophoudelijk^ voortdurend. \\ Ende leert oec sonder
oflatinge, Barthol. 20a (Lat „docet etiam in-
eettabile^^). Dye gedenckeuisse der passien ons
Heeren droech hy sonder aflatinge in sijnre herten,
Exe. Cron. 38f.
AFLEDEN, zw. ww. bedr. Van Let, lid. Mnd.
aJUden. Met een persoon in den 3deu nv. , en een
lichaamsdeel als object. Enen een let (die
hant enz.) — , iemand een lid (de hand enz.) van
het lichaam scheiden. \\ Mer Capis die wel-
gheraecte . . stac daer Mesapus al dner die
Bcoaderen, dat hy ter nyer hem aflede die rechter
hant, Troyen f. 211b.
AFLEDEN, AFLEDINGE. Zie afleiden, Af-
LEIOINOE.
AFLEGGEN {leget, leecht of leit\ leide, lede\
gelegety geleecht^ geleght of geleif)^ onreg. zw. ww.
bedr. Mnd. afleggen.
1) Van zaken, die op iets anders liggen. Ze
daarvan afnemen en eldert nederleggen. \\ Hi hiet
ontdecken tgraf ende den serc legghen af, daer
dat graf mede was bevaen , Bed. d. M. 724. Als
die steen is offgheleecht, soe moechdi rysen ende
verclaren, Hild. 133, 90.
2) Tan zaken, die men bQ zich draagt of met
zich voert. Ze van zich afnemen en nederleggen^
zich er van ontdoen. \\ Willen sij haere wine af
doen legghen in Antwerpen, in hnyse ocht in
kelre , dat moghen sy doen sonder mesboren , Coren
V, Antw. 14, 40. Als die coventbroedere die voer-
ghenoemde penninghe aldus ontfaen, die en zolen
niet over nacht behouden, zi en zolen zi weder
gheven , of zise niet en hebben aveghelecht , D.
Orde 246. Die sonden afleggen, ze laten varen ^
Hild. 106, 147 , vgl. P«#, W. 13«. — Ook met wegla-
ting van het object. || Die nederste stat dat is niet
eyghens te behouden . .; ende want wi altoes af
te legghen hebben, alsoe langhe ala wi sterfelic
sgn, soe sgn wi altoes staende na die nederste
stat , Buusbr. 3 , 22. Ende want wi altoes af ie
legghen hebben alsoe langhe als wi leven, ende
niet hebben af te legghen is die nederste stat,
ald. — Ook met weglating van het object , en das
schijnbaar onz., in de bijzondere opvatting' vaa:
de wapenen nederleggen. Verg. mnd. aJUfffe» ea
nhd. ablegen (Grimm, Wtb. 1, 71). 1| Hadde a
quartiermeyster voor u geleyde begeert, ie hadt
u gegheven , mar ghy moet nu afleggen ende g'hevea
n gevangen , Matth. Anal. 1 , 477.
3) Iet — , iete wegbrengen ^ ter zijde legden. ||
Item Enghel van hoyen ende van oflegghen, vaa
der morgen 2 se. , Rek. d. Oraf. 2 , 68. Zo en aell
geen vleyschouwer mit enigen vleysch meer daa
drie male houden ende dan selment offleg^n, JL
V. Utr. 1 , 310 , 9. Dat vleysch , dat alzo offgelejt is,
dat selmen thuys dragen ende niet weder int
vleyschuys brengen, 311, 10.
4) Yan landerijen zoowel als water gezegd. Af-
bakenen , eene bepaalde richting door bakena oéutfeven,
fr. ' traeer y jalonner ^ in welken zin tegenwoordig
afzetten in gebruik is. Zie Ndl. Wdb. 1 , 1970. |1
Over de moynesse die hi hadde . . , de chingelea
of te legghene ende te metene, Invent. v. J^rwfft
3, 203. Van dat hi mat ende afleyde de place
vander voorseider bane, 4, 616. Tan dat hy of-
gheleyt ende ghemeten heift 4067 ghemeten lands ,
6, 461.
6) Van muren, gebouwen enz. Ze afbreken^
tlechten. || Hi beleyde Pampilonien ende wanse
met groten arbejrt ende dede haer mueren afleggen,
Exe. Cron. 683. So wert daer besproken, dat dye
mueren ende poorten van Yalckenburch afgeleyt
sal werden, 1263.
6) In het dgkswezen. Enen dgc afleggen,
de verplichting tot onderhoud van een dijk opAejfem.
Zie G. De Vries, Het dijke- en molenbeeiumr in
Holland"* Noorderkwartier 212. || Dat her Diederie
van Breedderode onse bayliu van Kenemerlant . .
van onsen weghen heeit ofgheleyt den d^c Ont-
gotskoghe ende Limmen bi der heemrader ejt ende
met al den recht dat recht es, Oorkb. 2, 279«
{a. 1288). Aelbrecht enz. doen kond allen Inydea
ende ondersaten van Waterland, overmidts onsen
bevele ende gebede overgedgckt hebben die Pnrmer-
Ye, ende daer mede afgeleyd veele swaren d^cx
van onsen lande van Waterlandt, die in groote
vreese placht te staen , soo hebben wy onsen ondex^
saten gemeenelijck, dien die ouden dgck, die af-
geleydt is, toe te hooren placht, gratie gedaen.
Mieris 3, 745a (a. 1401); verg. 787a (a. 1403).
7) Doen ophouden^ doen eindigen^ in verschillend
gewijzigde opvattingen naar gelang der verschillende
objecten Ygl. afdoen, a) Yan een stryd of geschil,
een oorlog, eene veete, gramschap enz. Doen ifp-
houden^ bijleggen^ te niet doen. \\ Ende mids desen
. . wort die sake afgeleit van den geschille vore vex^
claert, Brab. T. YI, 11667. Dat een bestant goet
ware, oft afgeleit tgeschille van der saken Torseit,
YI, 10166. Daer mede die twist, die tnsscentlnnt
hinc ende den elect vorseit, ghesaet wert ende
afghelcit, Brab. T. Dl. 3, W. 697, va. 192,
Zwert ende oorloghe hevet hi ofgheleghet, fl«. v.
1348, 244^. So dat al den onvrede vriendelike
waert afgheleyt, Vl, Rijmkr. 6393. Doe wildi nf-
leg^hen dat stryden ende maken tusachen hem
beeden zoene, Denkm. 3, 119, 24. Om dit oriogc
af te leggen, Brab. T. YI, 9689. Op dat tglie-
24d
AFLE,
AFLE.
250
Rchille worde afgheleit, YI, 10840. Om af te
legghene die gheschille, YII, 3638, 13866. Dus
was afgheleeght gheheelljc datjammerlikescisma,
YII, 7874. In den payse ende afleggen tnsschen
de hertoghe ende hertoginne, Brab, T. Dl. 2, bl.
422, YS. 115. Die grote vete te leggen ave , Stoke,
wUg. van Donxa, ƒ. 316 (bg Huyd. lY, 186: te
doen ave). Du salt breken den bant Adaems , ende
Belt avelegghen den abolge dyns vaders, Ès. bij
Bormans op Chritt, bl. 439. Hi leyde oic of mit
grave Jan van Ayennes die vede ende die kijf,
Clere 121. Dat tusschen onse capitel ende scolaster,
ende tnsschen onse poorters hier na alle onminne
blive afgeleit, Belg. Mm. 1, 22 (a. 1320).
b) Yan eene schuld, eene boete. J/doen, ver-
efenen, betalen. || Dat ghl . . mi (wilt) helpen
ende versien Tan eenen deel ^ereeds gelts, dairic
myn schout eens deels mede betalen ende afleggen
mach, Brab, T. Dl. 2, bl. 649 {a. 1382). Ende
ware enich man de dit verharden wilde , so sal de
olderman tho hem ghaen . . ende hem beden bi
eene pene van XX schell, dat hi synen broke
aflegge, Overijt. Bêcht. I', 28. Wanneer . . dat
geviele, des willen wy ons an sQn IQf ende an
sijn guet gehalden heboen, thent ther tnt dat hg
dat affleyt ende ons gebetert hefft, Nyh. 3, 156
{a. 1389). Om dese vorsz. commer ende scalde
bet te vervallen ende metter minster scade af te
leggen, Y. d. Wall 306 (a. 1371). — Ene mort
afleggen, een moord zoenen door betaling der
geeteUle boete. || En si dat si {die mort) . . met
ghelde af si gheleghet, Brab. Y. lY, 783. —Ook
met weglating van het object en das schgnbaar
onz. II Tot wi . . aen hem hebben afgheleit metter
selver somme van ghelde, Brab. T. YII, 2532.
= Afleggen komt in dezen zin nog in de 17de en
18de eeuw en thans nog bg Ylaamsche schryvers
voor: zie Ned. Wdb. 1, 1131.
è) Yan eene gewoonte, een gebruik , eene handel-
wQze enz. Aftehaffen , in onbruik brengen , een einde
maken {aan iéiê) , te niet doen. In H Mnl. niet alleen in
betrekking tot den persoon zelven , maar ook tot de
gewoonten, gebruiken enz. vanafM^^. || Somaecten
si daer toe enen voocht, die spade ende vroe cracht
ende fortse soude leggen ave , so dat elc andren tsine
gave, Ltp, I, 35, 37. Danse, spele, sanc, al ri veel
wart afgheleeght in desen daghen, Brab. T. Y,
834. (Of ghi) qnade tale van hem hoort segghen,
dat ghi die sult aflegghen ende alle quaetheit
beteren na uwe macht, Amand II, 5208. Die
wiste hoe node ie hore quaet seegen van minen
lieve, hi soudt afleggen, Belg. mus. 1, 103, 15.
Hem waer beter . . , dat hi dese poente aflede ,
Wrake I, 1216. Die hertoge hadde corten raetom
af te leggene ondaet, Heelu 4151. Den brief daer
mede die scoepen ende ander cledere van geselscappe
afgeleit sgn, Belg. Mm. 5, 93 {a. 1375). Dat alle
dinghen ende sticken die ghesciet ende ghedaen
sin in dit orloghe . ., dat die van nu al te niete
xin ende ofgheleit, Cout. v, Brugge, 1 , 364. — Het
yerl. deelw. Afgeleit of Afgeleecht stond
gelijk met het tegenwoordige a/gescAaft, te niet
gedaan of ti» onbrmk geraakt. \\ So sijn die afgode
afgeleit over al in aertrike, Ltp. II, 19, 130.
AUelke wgsheit . . es nu sere afgeleit, Boet. in,
685. Eendrachtecheit . . dits afgeleght sere, III,
992. Ere ende gherechticheyt ende Gods vresen
8)1 n afgheleyt, Wrake II, 393. Gestadecheit . . es
nu afgeleecht ende al geworpen onder voet, Fad,
Mus. 1, 859, 5. — Zie verder 1, 318, 212; Ztp.
m , 14 , 241 ; 26 , 185 , enz. — Haer eer , haer croen,
haer rgcheit, haer edelhei t was nu afgheleit,
te niet gedaan , Troyen f. 33^.
ét) Yan wetten, instellingen, belastingen, tollen
enz. Aftehaffen, \\ Die oude beestsiis is ofgeleyt
om des nywen beestsys wylle , E. v. Zutf. 272 , 8.
Yoorts hebben wy hen gegeven, dat sy haer
ezcysen af mogen leggen ende aendoen, als sy
willen , Mieris 2, 3056 {a. 1323). Yan allen onghelde
dat men heesch ten porten van der stede halven,
dat men dat oflegghe sonder van rechter calsiede,
Cout. V. Brugge 1, 386. Welke costume es ende
sal zgn te nieute ghedaen ende afgheleghen , Cr on,
V. Vlaend, 2, 204 (/. afgeleit, welke vorm hier
de ware is ; doch , zooals uit deze plaats blgkt , ver-
warde men toen reeds Afleggen en Affliggen', zie
Aenleooen). — Met een persoon in den 3dennv.
Enen iet — , ten behoeve van iemand iets af-
schaffen, er hem van ontheffen. \\ Yoert sullen wir
huen alle onrechte toUe affleggen, Nyh. 3, 7
{a. 1372). Dat wy oen alle tollen ende unrecht aff
sullen doen leggen, 10. — Ook met eene nadere
bepaling met het voorz. van. \\ Yoert sullen wy
oen affleggen , ind afleggen oen als nu , den tol tot
Moudgck . . van den opslaege , alsoe dat zy aldaer . .
nummermeer hier naemaels in geenre tgt tolle
geven en sullen van geenen haeren goede, 2,
277 (tf. 1371).
e) Yan overheidspersonen , enz. Aftetten, || In
Brabant worden bi desen valle die meentncht gheleet
af alle, soe dat meneghen coste sgn leven, die
overdaet hadde ghedreven, Brab. «T. Y, 495 (var.
afgheleghen^
f) Yan eene verbintenis, een koop enz. Te niet
doen, verbreken, \\ Nochtan solde hi dat verbont
afleggen tot alsulker tgt als des scepen ende raet
avercb*ogen, Stadr, v. Zwolle 113 , 178. Soe wanneer
hi soude afleggen dien coep , dien hi hadde ghedaen
ons vorseiden neve , soude hi ontfaen sesentachtich
dusent v^f hondert ryale , Brab. T. Yl , 1846.
g) Yan een verzoek of eene bede. Afslaan, van
de hand wijzen, zich er afmaken. \\ Wildgt hem
ooc ontseggen, dat wilt so hovescheiyc ofleggen
ende so bedectelgc, dat hire hem niet omme en
sconfire, Lsp. III , 4 , 135. — Afleggen was in desen
zin nog in de 17de eeuw in gebruik: zie Ned,
Wdb, 1, 1137, 3).
AFLEGGINGE, znw. vr. Afschaffing (vgl. Af-
leggen Qd), bepaaldeigk afschaffing van tollen,
accynsen, beUstingen enz. || So sidl ende mach
sg {de stad) die (^de zes stuivers) noch nemen in
affslach der driehóndert riinsche gulden die wQ
hoer om der afflegginge wille der sess stuyvers
. . geven solden , Y. d. Wall 550. Zoo ook 553, 554.
JJPLEIDEN (afleden), zw. ww. bedr. Zie
LEIDEN.
1) Enen — , iemand wegleiden, wegvoeren^
wegbrengen. \\ Leed af tfolc dattu heves begrepen ,
B4jmb. 5104. Al waerdy ofgheleit tot die uterste
des hemels , D. B. Nehem. 1,9. — Soe wat poorter
van den baelyu of van yemant belast wort, of te
rechte geset, ende die de colfdraghers plaghen
of te leyden , dat voertan dese twee boden . . die
ofleydinghe sullen doen, ende niet die colfdragers ,
O. R. V, JDordr. 2, 33, 46. — Ook met weglating
van het object || Mer hi verstaet afleyden ende
toeleyden, Buusbr. 4, 259; by Surius: „Ba quaea
Deo vel abducant , vel ad Beum addueant. **
2) Enen — , iemand afleiden, aftrekken, t w.
van iets dat hem bezig houdt, tevredeMtellen. ||
Ie hope ghi wert ghestilt ende met redenen afge-
leyt, Amand II, 2358. — Doch beter misschien
251
AFLE.
AFLE.
252
leidt men afgeleit hier af van afleggen in de bet. ver-
toenen (ald. 6a), toegepast op een persoon : iemand met
eene meening', een gevoelen verzoenen, m. a. w. overtui-
gen. Evenzoo weet men soms niet te kiezen tasschen
beleiden en beUggen (z. ald.) — Ook met weglating
van het object. || Dies worden die clercke in
vare, ende ondersochtem wat hem ware, maer
Amand, die gbeerne afleide, sprac vriendelike al-
dus ende seide: enz.^ Amand I, 216.
3) Met den 3den nv. des persoons en eene zaak
als object. £nen iet — , ieU van iemand afleiden ^
er hem van berooven. \\ Een man die hem wel be-
dochte, die mochte node bringhen voert daer hl
mede in liden brochte een wijfleec wgf, daer
doghet toe hoert, so wie haer afleit dat edel wort,
bi lode ! hi jagbet een evel jachte , Fad. Mits. 1 ,
79 , 41 , d. i. loie Jüiar van haren goeden naam berooft.
— Ook hier kan afleit gebracht worden tot afleggen.
4) In jnr. zin. Iemand renvogeeren naar een andere
rechtbank^ dan waar hij op dit oogenbiit te recht
ttaat. II So wanneer een poorter aengheHproken
wort binnens bans ende hi hem dan laet of-
leyden met eenen borghemeestersbrief, so sal
dan die ander man zeggen : ghi heren , also ghi
gescreven hebt om nwen poorter, hadde daer ye-
ment op te spreken, men zonde hem goet recht
doen, ende also icker nu op te spreken heb, so
beghere ie een onvertoghen recht , want hi hem
heeft of laten leiden, O. R. v. Dordr. 1, 219, 33.
Om onsen poorter van desen recht off te leden,
ende bynnen onser stede te recht te Htaen, 2, 116,
162. Dair nochtans Willem voirsz. hem by Willem
syn soen heeit laten offleyden van boven tot be-
neden in der cameren by den bnrghemeester, 1,
316, 111.
AFLEIDINGE (afledinoe), raw. vr.
1) Van Afleiden^ 1). Het wegbrengen van het ge-
recht. Zie een voorbeeld bij Afleiden 1).
2) Van Afleiden y 4). In jar. zin: Het zcTuien of
brengen of renvoyeeren van iemand naar zijn eigen
rechter ; het betoog , dat iemand niet behoort gevon-
nist te worden daar waar hij t^echtstaat. || Seeckere
pertinente exceptien , als van ofleidinghe , voirgaende
gewysde, enz. K. en O. v. Delft 28, 9. Exceptie
van renvoy ofte ofleidinge, omme voir hoere
rechtere gerenvoyeert te wordene, zoe verre hem
de selve competeert, 30, 3.
AFLENDEN , zw. ww. bedr. Vgl. mnd. lenden ,
eindigen (Lubben 2 , 663) , dat ook als trans, voor-
komt. Het woord lenden zal wel een afgeleide vorm
zijn van denzelfden stam als het ogerm. linnan^
eindigen, waarmede ook samenhangt het bnw.
lens^ leeg (Vgl. belenden 2de Art.). Aflenden\i9X.
dus een einde maken aan^ doen ophouden, krach-
teloos maken en is een synon. van vernietigen. \\
Alle sijn bewijs, schyn and bescbeyt daer mede
hy vermejmt des aenleggers aenspraeck aff te lenden
und te vernietigen , Landt. v. Vel. 42. — Het woord
zal in \ mnl. wel tot de oostelijke dialecten be-
perkt zijn geweest.
AFLENEN, zw. ww. bedr. Met een persoon in
den 3den nv. Enen iet — , iets van iemand
leenen. Vgl. afborgen. || Penninghen die zy hem
ofgeleent hebben, Inform. 378. — Ook met een
persoon als object. Enen — , van iemand leenen.
II Ende zijn daeren boven noch schnldich diversche
persoonen, die zij afgeleent hebben, Inform. 344.
AFLENGHEN, zw. ww. bedr. De lengte van
iets inkorten door er iets af te snijden^ afkorten.
Vj^l. de opmerkingen over af bij derg. ww. Ndl.
op AFZOETEN. || Om te tormenten den
vgl.
fdb.
keytijf dede hyen aflengheo sijn Igf; doe dede M
hem villen af sQn vel, Segh. 11747 Var. Het Hi.
heeft eene betere lezing, nl: Dedine of ende
lan^hedem tiyf.
AFLESEN {las^ lasen, gelesen)^ at. ww. bedr.
Aflfzen^ afplukken en bijeenverxamelen. || Ende
aise die vracht was afgelesen , j)». I* , 47 , &3.
AFLIDEN (leet^ leden, geleden), st. ww. btdr.
Zie Liden. Ten einde toe doorgaan , geheel doorheen
gaan. \\ Alse dat swert den hals afleet, voert
in den bouc vort ende sneet metten slage vele
blade, Sp. III ^, 6, 19. In de onde uitgave staat
verkeerdelük afseet gedrukt , waarvoor Halbertsma
{Aantt. 11) afsceet giste; doch de xin eischt een
imperf.
AFLIGGEN {leget, leecht of leit; larh, lagen,
gelegen), st. ww. onz. Afzitten, van het pamri
stijgen, bepaaldelyk met het doel om M^dln* te liggea
en te rusten, of om aan te liggen en te eten. ||
Om dat van Lusenborch die grave heeftse alle
doen liggen ave, ende heeftsedoen eten met heme,
Limb. II, 645.
AFLIJF, -live, znw. onz. Van Lijf^ leven, en
Af. Verg. Aflijven in Ned. Wdb, 1, 1158. Hootf,
ove f lijden. || In orber sgns here des heitoge
ende vrouwe der hertoginne vurscr., ende naer
hnere beider aflijve der rechten erven ende naco-
melingen sijns heren, BraJb. T. Dl. 2, bl. 633
{a, 1378). Ende ter doot so moet men ghevea
dobbel ghelt . . . ende waert so dat yement süa
afliif coopen wilde binnen sinen levenden live, m
sal hy ooc gheven XII s. par., ten profite vaa
der Gulde, Belg. Mus. 4, 420 (a. 1482).
AFLIVICH (aflivech), -ige ot -eg e, hiïw. Vaa
Lijf^ leven, en Af met het achterv. -ieh. Mnd.
afl'ivich. Verg. Ned. Wdb. op AFLiJVio. VU het
leven gescheiden, gestorven, dood, \\ Als vron Jo-
hanne aflivich waer, Brab. T. VI, 11391; verg.
11448. Als hertoghe Willem aflivich waert, VII,
413. Dat vrou Jacop syn ghesellinne aflivich
worde . . . sonder wetteghe gheboorte te laten,
VII, 1.5878. Die nu aflivich worden ware, VII,
17870. Bynnen 6 weken nadat die vader of moeder
oflivich geworden is. Leid. Keurb. 158, 20. £nde
die binnen der vrijhede van Leyden oflivich wort
ende erfnisse afterlaet, 169, 65. Ende die raetslnde
sullen raetslnde bliven dat jaer lang nnt, ten
waer dat hore enich afly vich , bruekich , untlandich
of Hcout worde, Oorl. v. Albr. 612 {a. 1399).
Wanrt sake dat enich man . . eenen onsen borg-her
aflivich ghemaect heeft oft aflivich make<ie, den
leg^ewi uyt onser stat, O verijs. Recht. V , 36. Al^e
dese Bisscop Rixfridus oflivich was, Matth. An^L
3, 34. Ende begeerde van hem, of hy oflivich
worde, dat sy dan siinre dochter behulpich ende
bystandich wezen wouden, 354. Als.. Pippijn haer
vader aflivich geworden was, so bleef dit heilich
kint bi sijnder moeder, Exc. Oron. 6rf. Daer si
voort bleef wonende ende een heylich leven leydende,
tot dat si wert aflivich, 16b.
A FL. A f l i V i c h e i t , dood , overlijden. Kil. 14 e. e.
AFLODEN, zw. ww. bedr. Met het pHl lood de
projectie afmeten. Vgl. Ned. Wdb. op AFLOODEN. ||
Noch eens afgheloot ende ghenomen de juiste mate
van toverhangen vanden torre van der haJle , Inv^nt,
V. Brugge, Int. 67.
AFLOPEN {liep, liepen, gelopen), st. ww. onm. en
bedr. Mnd. aflopen.
Onz. — 1) Van iemand of iets ajloopen^ 9Pe^
hopen, op de vlucht gaen. \\ Ende toghen Toirt
voir Muden, daer si meer van den selven laden
553
AFLO.
AFLO.
254
ip gevonden waenden hebben; mar si waren ofge-
open, Clere 141.
2) Met een persoon in den 3den nv. Enen — ,
etnand afvallen, ontrouw worden^ hem verlaten \
igenlgk van hem wegloopen. Ongeveer hetzelfde als
Lfgaen enAFRiDEN^z.ald. || Waer zijn mijn vrienden
inde groet ghezinden? . . zg zijn my nu al af-
^heloopen, V Maegd. 646. Waer sijn sijnjoncheren
mde mesnieden , die hem navolgeden met groten
lopen? sy s^n hem nn allen afifgelopen, Vertl. en
BêT, V, 39.
3) In de uitdrukking Af comen gelopen,
bomen aanloopen, naar iemand toe hopen. Hoewel
%f en aan lijnrecht tegen elkander over stuenf
Eomen aanloopen en ajloopen toch in dit geval op
letzelfde uit, daar het eerste ziet op de plaats
iraarheen men loopt; ajloopen daarentegen op het punt
Fan uitgang. || Yredegont die quam te hant jegen
len coninc gelopen of, Sp. III', 44, 80.
4) Met eene zaak als subject. Nedervloeien. || Dat
A by)et te vüf steden liep af, Sacr. 727.
Beor. — Met eene zaak als voorwerp en een
persoon in den 3den nv. Enen iet — , iemand
Iets afnemen^ het op hem veroveren^ t. w. door er
ttorm tegen te loopen of door een aanval te voet.
Verg, Afridkn. || Dattem (den Romeinen) vele
&f wart gelopen hare macht oec in Europen ende
eerst oec van den Yranken , die dat rike begon-
sten cranken, Sp. III', 4, 7. Omtrent den mid-
dach so hebben die knechten van Yselstejm dat
huys te Gheyn . . den ghenen ofgelopen, die daer
op waren , Matth. Jnal. 1 , 467. Mittien quamen
die Hollanders toe, ende liepen hem datvoirborch
af, 3 , 307. Ende hadde hem vele landen , steden
ende sloten afghelopen ende gewonnen, Ejtc. Cron.
181a. Die hem grote schade dede in den lande van
Oostenr^ck, hem aflopende die steden van Ween
ende Nyeustat, 186^.
AFLOSEN , zw. ww. bedr. Zie Losen. Mnd. af-
laten.
1) Yan goed, dat voor eene schuld verbonden of
verpand is. Afloteen^ van dien band losmaken^ door
het afbetalen der schuld. || So wie die min danne
XII deniers heeft an ene hofstede, datse die be-
zittere moghe oflozen bi taxatien van deelmannen ,
Cout. V. Brugge 1 , 343. Beholtlick der landtschap
vurscr. der vrgenbanck in der walfaert, tor tyt
men on de myt dusent olden schilden weder aff-
geloset hevet, Nyh. 6, 110 {a. 1479).
2) Yan een persoon. Enen — , iemand af ioopen ^
iemand losmaken van een bezit door hem eene som
gelds'te betalen. )| Daer ne wilde men hem gheene
redene doen, noch yet gheven van sire versterf-
nesse, dat waert was daernaer te hoorne; maer
boot hem ghelt om hem of te losene, ende sine
erve sins ondanx te doen vercopene, Brab. Y. Dl.
2 , bl. 416.
AFLOSSEN, zw. ww. bedr. Zie Lossen.
1) Qeheel lossen, afladen, nl. eene vracht. || Dat
waghenen, geladen mit boy, cooren ofte cruyt in
den ougst ende oick die afgelost sullen hebben,
wel sullen moegen draeven , K.enO. v. Delft 206, 2.
2) Hem — , gich losmaken, losgaan, loslaten,
t. w. van iets daar het aan vast zit. || Wonder g^oot!
int eerste belof loste hem de vinger of, ten andren
belove noch een, Franc. 10027, t. w. van de
Qzeren vork, waaraan de hand vastzat.
AFL08ENEN (aflossenen), zw. ww. bedr.
Frequentatieve vorm van J/hsen {aflossen)-, zieald.
1) Yan eene schuld. Aflossen, afbetalen. Zie
Aflosen, 1). llWairdat sake dat enich mensch
gheestelike renten besprake up erven, . . so moghen
des doden erfnamen, so welc tijt si willen, die
renten ofiossenen. Leid. Kenrb. 30, 23. Item in
Noirtigherhout bi Boudijn Voet van Clare Diedwijs
doyt, van hare dochter, omdatse verdict wa8,diet
oflossende , 40 se, B^k. d. Graf, 2, 115.
2) Yan een persoon. Enen — , iemand afkoopen,
iemand losmaken van eene zaak, die hij bezit, door hem
eene som gelds te betalen. Zie Aflosmn 2). || Yoert
zo moegen wi onsen neve den here van Genp
voerscr. afloesenen van onsen huze ende uut onsen
ampte tot Huessen mit vierhondert auden scilden,
Nijh. 3, 49 (a. 1377).
AFLÜKEN, st. WW. bedr. Afscheiden , afsluiten,
II Met welken dike de vaert . . . ofgheloken ende
verscheden es van . . ., enz. Invent. v. Brugge 4,
213.
AFMATEN, zw. ww. bedr. Met een persoon in
den 3den nv. Enen iet — , eigenlijk, het door
maaien afsnijden, doch figuurlijk, ieinand van iets
berooven door het als af te maaien. \\ Dus clene te
samen ende soetelike mayede hi den man sijn goet
af, Sp. III', 62, 14.
AFMAKEN, zw. ww. bedr. Met den 2den nv.
der zaak. Iemand van iets berooven, maken dat hij
het niet meer bezit. \\ Soudic u bringhen in suiker
noot , ende maken ave beede mi ende u der bliscap
die wi hebben nu? Parth. 1876.
AFMETSEN, zw. ww. bedr. Zie Metsen. Af-
metselen. || In eenen viercanten steenen put die
nu afghemets es, Diericz, Mém. 2, 549.
AFMIEDEN, zw. ww. bedr. Zie Mieden. /^ma»<^
afkoopen door loon of geschenken. || Die vrouwe
sach oec te desen, ende miedene af met ghelde,
Brab. Y. lY, 1154.
AFMINNEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als ont-
minnen, zie ald. Ontvrijen. \\ Dat eerste is dat hy
zinen leenheer zijn wyf afminde , O. K. v. Dordr,
218, 30 var. (in den tekst ontminde).
AFMOORDEN, zw. ww. bedr. Met een persoon
in den 3den nv. Enen sijn volc (sinen here
enz.) — , iemand zijn volk (zijnen heer enz.) doen
verliezen door ze te vermoorden. \\ Ende gaven den
coninc te kennen clageliken, hoe dat hem hoir
lantsheer mit groter verraderie ofgemoort waer,
Clerc 144. Hoe dat hem zijn neve . . moordelingen
ofghemoort is , B. v. Dordr. 1 , 360.
AFNEIGEN, zw. ww. bedr. Mnd. abnegen; hd.
abnetgen.
Onz. — Afwijken, zich afwenden. || Oucuyscheit . .
is een ghebrukelic aveneyghen des gheests van
Gode, Ruusbr. 6, 40. Afncyghe van den quade
ende doe dat goede, Bmgm. 1, 290, Devoet B,
(30) 59r. Die afneigen . ., die seltu bringen mit
dien die boosheit werken , Hs. Ps. 140r (Ps. 125, 5).
Mijn dagen sijn ofgheneygh et als een scheme, Bern.
W, 30rf.
Bedr. — Afwenden. \\ Neyghe af dijn oren van
uutwendighen dinghen, Brugm. 1, 290; DevoetB.
^30) 88r. Du hebste ofgheneighet ons toepade van
ainen wege, Hs. Ps. 52v. Ofneighetnietmynherte
tot bosen woerden my te ontschuldighen in minen
sunden , Bern. W. 48^. — Ten onrechte leest men
Rs. V. 1348, 86^: Si nijchden ave haer oghen , dat
si niet ne saghen den hemel. Men leze neichden.
AFNEMEN (nam, namen, genomen), st. ww.
bedr., wederk. en onz. Bij latere schrgvers ook
onscheidbaar gebruikt (vgl. Sp. I», 27, 12). Mnd.
afnemen»
Bedr. — 1) Afnemen, ontnemen, de tegen-
woordige beteekenis. || EnJe als hi uut Sittert
AFNE.
glietrocken wts , so ^Ten die tu binnen die stadt
op den kinderen Tin Vakken borch , ende daer na
afnaemt bem dye grafe Tan Qélre^Exe. Cron. 130<f.
Het en es geen dinc, dat der mensce gelofl, men
neme beme dat wale ave ende sette beme een ander
daer Tore sonder die knscbeit , lAmb. Serm. 1 \d. So
dat bi afnam den man der Jneden lant, Sp. I*,
27, 12. Zie nog R. v. Vtr, 383, 5 (tweemaal).
2) Ifefnewun^ afwiueken. \\ Die Heer nam of
alle tranen Tan baren ogben. Stemmen 12.
3) Van ieta, dat iemand bezwaart. Wegnemen^
ophef en ^ en daardoor den persoon dien bet dmkt
er Tan Terlossen. || Waerd dat die acbte scepenen . .
omme recht ofte om ordeel , dat zy te recbte gewijst
badden , jegbens yemende qnamen in Tiantscepen , . .
wi . . amllense in deser saken tronwelike bescermen
ende dat ofnemen, Mieris 2, 149a (a. 1315).
4) Met een persoon in den Sden nT. Enen
iet , iewtand iet* verhinderen , het hem beletten. ||
Voert waer enicb man de bem enigberbande stucken
onderdade, de dien Raed Tan der stat bestaen te
berecbten , dien selment also ofnemen, dats bem een
ander boet, R. v. Utr. 1, 24. Waer enicb onser borgher
de broekich ende misdadich worde nnt der stat
ende bem de stat dat ofnemen wonde, in wat
manyeren dat dat ware, 27.
6) Van land. £r een deel afnemen , het doen ver-
minderen, II Om tperijckel Tan de meeren, die
tlant alle jaeren wel 26 mergen ofnemen, Inform.
67.' Dat de zee baer landen dagelycz affneemt by
storm ende anders, Enq. 6.
6) In de nitdmkldngen. Scade, last af-
nemen, en dgl., schade vergoeden tviz,\\^9i last
die bode off die rechts begbeerde . . daer ofquaeme,
dien last sonde bem die beer entie stede affnemen ,
O, K, V. Rott. 24, 63. Weert saec, dat yement . .
engbe brieTe Tan gbelde bedde, . . ende by die
brieTe yement binnen den palen des Terbonts
gbeseten oTerghegbeTen bedde of OTergbeve, die
en sal gbenen scade weder afnemen noch laten
nemen, dan Tan der scout, die bier bescreven
steet, Ngb. 3, 42 («. 1377).
7) Van eene boete. Innen ^ invorderen. || Dese
boete sullen hebben half mgn beer ende baiff die
stede , rechteToirt off te nemen , sonder meer rechts,
K. V. Brielle 36, 11. So wye siin Tisch . . Tan
der marct gewiist wort, die sal Terbueren een
boete Tan S^ se. bollans, recbtevoort off te nemen,
sonder meer rechts, totter Tynders bebouif, 37,
16. Item so wye TOgelen te Toren cofle, dat wair
op een boete Tan X se. bollantse, rechteToirt ofT
te nemen Tan den bailiu, scout off boir dyeners
off der stede boden, 42, 12.
Wederk. — Met eene zaak in den 2den ny.
In den rechtsterm: Hem des — , zich van eene
beêchnldiging losmaken door een eed te doen, zich
door een reinigingteed zuiveren, zijne onschuld be-
wezen door een eed. In denzelfden zin als Hem
des onseuldich maken. \\ Voort soe sal baer Flo-
rens ende baer Boidin hem des afnemen, dat zy
baren Claysse Tan Cats niet en laegbeden, noch
laegben en daeden binnen zoene, Oorkb. 2, 190a
(a. 1281). Off wolden wy ons des mit onsen ede
affnemen, soe solden wy ende onse erTen dair aff
qngt wesen, Nyb. 4, 114 (o. 1434). Mochtmens
bem niet Terwinnen, elc die soldes bem ofnemen
met sgnre eenre bant, Stadr. v. ZufolleiQ, l.Ende
lyede onse burgber des, so solde bi den Trede
beteren, of bi solde bem des ofnemen met bem
tweleften, 48, 6. Also manichwerTe als bi dat
dede, so Terloer bi elkea daghes twintich pond;
AFNE.
256
mochtmens hem niet Terwinnen, hi soldea beia
afnemen met hem Tgften, 60, 10. Ende die oa-
scbult mach hi daer doen met sgnre eenre haat;
mer die gbene die den anderen gbescsTen beTet,
die sal den koer gbelden; machmens bem niet
Terwinnen, bi sals bem ofnemen met sjnre eenre
band , 52, 16. Mochtmens niet Terwinnen , elc aoldes
bem ofnemen met hem Tjjften, 67, 31 (éy A:
hem onseuldich wtaken). Sloeghe bi oerre enick, so
Terloer hi teghen die stad twintich pond, eiide
wonde bi oerre enicb, so Terloer hi teghen die stad
Tiertich pond; mochtens niet Terwinnen, bi solde
hem der woerde of des buers ofnemen mit «gan
eenre bant, ende der wonden met bem tweleftca,
100, 146 (Tar. em onseuldich wtaken). Die woerde
sal hii seggen . . off bii zals bem affnemen, dat
biis niet gedoen en kan , R. v. Zutf. 140 , 9. Eade
wart sake dat men si niet Terwynnen en mocbte,
soe mochten si hem des afnemen mit oem rechte,
Over ijs. Recht. I ' , 28. Ende wel ( Wie) dies onachnldick
wesen wil dat hi ghedobbelt oft gbespelt hebbe,
des zal bi hem afnemen myt zgre bant ende nit
tween Tolghers, I', 63. Ende wolde bj bem dei
onschnldich seeghen dat by gbien geit ghewonnea
en hadde, des sal by hem sfnemen mit ains aelli
bant ende mit drien Tolghers, I*, 70. — Zie no^
Stadr. V. Zwolle § 1, 2, 3, 7, 13, 16, 18, 19.
20, 21, 23, 32, 33, 38 Tar., 42, 46; Overijs. BethL
1\ 28, 29 passim, 162.
Onz. — 1) J/nemen, in krachten verwtimdlerrÊ,
Met hebben TerToegd. || Si (Gods alwtaeAf) a
ofnemet noch en toenemet, GuUen JVoen 30c. Mmb
die Trome jonghe man hadde aTegbenomen sec
sere , dats outfarmde menegen here , Limè. YI , 6^
(verg. 120 Tigg.).
2) A/nemen, in prijs verminderen. || Dat eens qua
te Loven binnen een mudde corens op een dack,
XV sol. nam af den slach ; int leste bleeft al over
niet , Velth. IV , 64 , 94.
AFNEMENTHEIT, znw. Tr. Een term tii
latere ascetische schryvers. Het afnewsen^ ver-
minderen, verslappen in iets, || Ofnementheyt ii
doechden, Con. Som. 22a. Verslappinghe of afne-
menheyt in doechden , ald. 23a.
AFNIPEN {neep, nepen, genepen), st. ww. bedr.
1) Af nijpen, afknijpen, met een schaar, mijptmÊf
of snuiter van iets wegnemen, afsmtUen, \\ Ma
sal oec maken . . vier schaerkens daermen in blas-
schen sal datmen ofnypen sal, D. B. Exod. 25,
38. Ses licbtvaten mit haren tangeskens ende Tatei,
daermen in binsschede datmen afgbenepen bad,
27 , 23. Die gbene die cleene ende scarp sijn . .
dalende op de tonghe, die soe nipt men of met..
eener tanghe. Jan Yp. 110.
2) Met een persoon in den 3den nv. Enen iet
— , iemand iets af nijpen of -knijpen, \\ Een eggke
Tan stale claer. ende snidende alse een schen,
ware een man daer tusscen begrepen , tdecsel bad-
de hem afgbenepen sijn hoeft ende hadde rerlorea
tlijf, Segh. 6228. — Figuurlijk. Iemand iete afkmk-
belen, afpersen, hem op onrechtvaardige wijze er vm
berooven.W Dat sine weten, hier no gbinder, bes
weder te gbeven , dien sijt afnepen, N. Doet. 2601
AFONNEN (tegw. tijd hi on, si ommem; Teri
tijd. onste) , onreg. ww. onz. Zie Onnen en reif.
Afjonnen. Enen — , op iemand afgunaü^ sijn,
hem benijden. || Van den orloge dat wonderiike
die gbene van den conincrike Tan Logres , die oe
afonnen, alst wel scynt, hebben begonnen, Lane.
II, 33641. — Sonder afonnen, zonder deU kei
mij misgund werd. \\ Ie waende hebben soe Tck
2r.7
AFOR.
AFPL.
258
for nu dor uwen vader gedaen ende dor u, divtic
1 wel hadde gewonnea tenen wive sonder afonnen
bi dien wille van uwen vader, II, 24521.
AFORDINEREN, zw. ww. bedr. Door een order
)f bevel afstellen^ afkommandeeren. \\ Item was
^heordinert daweite af, ende men sette liede ten
porten, die daer staen souden dach ende nacht,
nek. V. Oent 1 , 221 , aant. 3).
AFPACHTEN, zw. ww. bedr. Zie Pachten en
A.KNPACHTEN. Met een persoon in den 3den uv.
Ëuen iet — , van iemand iets Inngt gerechtelij ken
veg voortehuldin bezit nemen. \\ Soe wie vuirt an eenich
'oerende gnedt mit recht angepacht of angheeygent
w^ordt, die en sal dat guet niet langher laten staen
n den huysen, diet ofgepacht is, dan ses weken,
0. K. V. Delft 1 , 25 , 39.
AFPANDEN, zw. ww. bedr. Zie Panden. Mnd.
ifpand-en. Met den 3den nv. des persoon.
1) Enen iet — , op iemand* eigendom door ge-
rechtelijke pandneming beslag leggen. \\ Maer hy
nach zijn erve verliesen in dijckaetgien, ende men
nacht hem ofpanden met schepenen brieven of met
;rilcoeren. Mieris 2, 29* {a. 1303) ; V. d. Wall 117.
Snde dat sal die scout mltten scepenen mit recht
len burgermeesteren, die der stede sculde niet in
sn maenden noch in en haelden , . . mogen ofpanden,
Leid. Keurb. 162, 34. Tot wat tijden die scout
^emant pant an sijn ymboel of beesten ofpande,
lie men driven ende dreghen mach, dair sel die
icout sekerheit of nemen, 198, 24. Diet lant of-
^hepant ende ofgheeyghent is, O. R, v. Dordr,
L, 221, 40. Van den lande in Hoekenesse, dat Pouwels
?an Striene of was gepand 20 se, Èek. d. Oraf.
L, 123. Ende en wolden hem onse burghere dan
niet borghen, so mochten si dat goet daervoer
bolden , ende dat en mocht men hem niet ofpanden
>f bezetten, Stadsr. v. Zwolle 99, 142. Item enich
^t . ., die onsen borgher enich dinc to makene
srochte, die mochte dat hoelden voer sijn verdiende
oen, ende dat en mocht men hem niet ofpanden
)f besetten, hi en hadde te voren sün verdiende
oen daer of, ald. 144. Item so en sal gheen onse
jurgher enen anderen burgher haernasch of wapen
)fpanden, 100, 147. Wair enich poorter, die sijn
icot niet en gave binnen ses weeken, nae datter
^egaert is, noch en bewijsde dairment hem of mach
janden, die verbuert sijn poortrecht, O. K, v. Delft
[, 6, 17.
2) Enen geit — , van iemand geld door ge-
'echtelijke pandneming innen ^ zich zelf betalen uit
len verkoop van in beslag genomen panden. \\ Ende
;geldt daer af gaderen , dat sy den onwilligen afpan-
len sullen uyt haren gereedsten goeden. Mieris 4,
Jötf ; JJandv. v. Medembl. 58fl {a. 1406). Die en soude
^an synen magen . . niet meer maechgelts nemen , of
lun luden dair om mogen ofpanden , Mieris 3 , 643«
'a. 1396 ; verg. 637«). Weert sake , dat sij des niet en
ïeden , soe sal men hom dat ghelt afpanden, Nijh. 3,
12 {a. 1377). Een pene van drie ponden, die men
lioen affpeynden sal (Oeldersch dialect voor hem
ifpanden), 2, 66 («. 1353). Dies andern daeghs
lar nae soldemen hem afpanden twivolde bote,
Overijt. Recht. I ' , 80. — Figuurlyk. Enen iet — ,
7an iemand iets vorderen^ verlangen. \\ Soe wye dat
recht) wel in eren hout, hemelryc mit rechter
«chout moghen zy Gode dan panden ave, Hild.
126, 245.
AFPEKEN, zw. ww. bedr. Zie Pekkn. Af bikken,
tit hakken. \\ (Iloittoeelen , waar zij) den muer met
«ouden breken ende houwen ende afpeken, Orimb.
[, 3108.
AFPLAMEN, zw. ww. bedr. Zie Plamen. Uit-
vegen, nitwisschen. Hetzelfde als Afplanen. || Ende
plaem af, Here, mijn quaethede dor dine grote
oetmudechede , Boetps. 51 , 39. Ie salae ofplamen
van haren volke , delebo eam de populo suo , D. B.
Levit. 23, 30.
AFPLANEN, zw. ww. bedr. Zie Planen. Uit-
vegen, uUwisfchen, en bij uitbreiding, uitroeien.
li Dijn gheschrift . . soe affgeplaent dattuut nyet en
salt moegen vergaderen (1. lesen , lat. legere ?) Vaderb.
228<r. Wil ie die oghen mijn bedouwen mids dijnre
ghenaden zo met tranen, dat ie mijn quaetheit of
wil planen, OVl. Lied. en Ged. 3, 60 (Var.: „mijn
souden af mach planen," Inst. 2de KI. Verh.
6» , 18). Grheft mi rechte boete van souden te
reinen mi met tranen , dat mine sonden of moge
planen , Vad. Mus. 5 , 335 , 44. Rouct onser ,
so dat onse nacie in hac lacrimarum valle spacie
crighe de zonden of te planen, OVl. Lied. en Oed.
35, 165. Dus laet haer minne afplanen, t, w. bij
wufte minnaars , Wap. Mart. 1 , 442. Om dat si niet
en volstaen tot in die doot, so werden haer namen
verdeluwet ende afgheplaent uten boeke des levens ,
Ruusbr. 6, 215. Ende bad hem, dat hi die sonde
woude doen vergeven ende ofplanen , Fass. S. 1 13rf.
AFPLECKEN, zw. ww. bedr. Van PUcken,
intens, van Pieken (zie ald.) Afnemen, wegnemen,
t. w. datgene wat iets anders dekt, en daardoor
het gedekte om/*/o(7/^;(. || Daer hevet hi die weege
ontect , entie taflen afgeplect , die waren van latoene
fijn, Sp. III", 38, 101. Vinc. „basilicam.. tegulis
discoopennt.^^
AFPLUCKEN , zw. ww. bedr. Afnemen, af kapen,
wegrooven. Verg. ons plukken voor berooven. || Die
u versmaden ofte verdrucken, ende u goedeken
hier afplucken, Teest. 3475.
AFPÜREN, zw. WW. bedr. Zie Puren. Van
vloeistofifen. Af gieten, afscheppen. Nog in West-
Vlaanderen Af peuren (De Bo 32). || Nemt doderen
van eyeren enz. Dit sal men wel cleen stampen ende
sieden in water, dan pueren dat water of, ende
siedense met een lettel olie van rosen. Jan Yp. 198.
AFQUITEN, zw. en st. ww. bedr. Zie Quiten.
1) Iet — , iets te niet doen, vernietigen. || Dit
wert ghevorwaert ende besereven, ende soe vaste
ondercnocht , . . dat niemen en mochte afquiten,
hine woude den hertoge onrecht witen , Heelu 1494
(Velth. II, 44, 27).
2) Ene scout — r, eene schuld te niet dven
door ze te betalen, afbetalen, aflossen. || Dat die
voirgen. stede ende ondersete van den lande van
Gelre tenen mael afquiten ende solen loesen die
lijftocht voir verclaert, Nijh. 3, 236 («. 1401).
Desgelijxs sal men mogen affquyten alle renten
ten lyve ende erfelijcke . . met sulckene gelde als
in der constitucien van den selven renten gegeven ,
Belg. Mus, 3, 87; verg. 86. Renten afquiten,
Cout. V. Antw. 1 , 248. Metten affgequetenen rent-
brieven, ald-. Worden eenighe renten afgequeten,
300. Afghequeten oft gelost . . Die afgequeten com-
meren, 322. Zoo ook 320, 866 {driemaat) enz.
3) Enen iet — , iemand iets afkoopen. \\ Waer
dat sake, dat een man hnerde een erve jegen
eenen anderen , ende hijt dan binnen zynen termpte
cochte, soe waer die hueringe uyte, ende worde
hem dan zijn erve afquyt van naerscepe, die gene
die derve ontquijt, soude behouden al dat hy op
derve vonde, (Jout. v. Uccle § 127.
Afl. Afquitere, hij die aflost. \\ De afquitere
blijft . . soe vele renten op syns mede portionaris
deel heffende, Cout. v. Antw. 1, 248.
9
259
AFRA.
AFRI.
260
AFRADEN (riety ribden, geraden)^ st. ww. bedr.
Met een persoon in den 8den nv. In den rechU-
term Enen sgn goet — , iemandê goed in rade^
d. i. bij rechterlijk vonnit, doen verbettrdver klaren,
II Dat ki tgoed aresteerde met onrechte, ende
dat hi den baillin s^n goed of wilde raden boTen
rechte, ZVl, Bijdr. 6, 201.
AFRADICH (afradech), -dige of -dege^ bnw.
Het tegenovergestelde yan Okradich: zie ald.
Van Af en Roet in de beteekenis van gezindheid^
zie by Raet. Met een persoon in den 3den nv.
Enen — , kwalijk gezind jegens iemand , vijandig ,
besloten om hem in ridderlijke veete (aan lijf eer
en goed) te deren. \\ Ware iemen die hare mesdade ,
sgt seker dat hi ware jegen mi soe mesdadich,
dat ie hem sonde sgn afradich van live , van eren ,
van goede, lAmb. I, 1297.
AFRECHENEN, zie Afrekenen.
AFREIKEN , zw. ww. bedr. Mnd. afreken. Van
eene mimte. Met uitgestrekten arm bereiken , zóóver
reiken^ dat men iets raakt ^ peilen. \\ Men solde
sgn grondt mit ghien spietse afreycken, Spreuken
61.
AFREKENEN, in gewestelyke taal ook afre-
CHENEN, ZW. WW. bedr. Enen iet — ^ Afbetalen^
vereffenen. Ofgherekent haren Costin van Renisse
ende Janne ende Costine van Renesse in die jaer-
beden van 20, 24 ende 28 1 mare sjaers, die hem
mUn here bekennede , i2tf^. v. Zeel. 1 , 601. Wat scade
joi wat coste die Heer Gheraerd voemoemd daer
omme dede, dien beloven wi hem of te rechenen
{in den tekst: recheken) met den hoeftghelde , Mieris
2, 181 b (a. 1317).
AFRESEN, zw. ww. bedr. Zie Rese. Afristen,
van de rist afstroopen. \\ Oondic enyoen of looc
ofresen , ie wonne mijn broet doch alle dage , D.
War. 8, 86, 60.
AFRIDEN {reet^ reden ^ gereden)^ st. ww. onz.
en bedr. Ook onscheidbaar gebruikt ^Hnïi.afriden.
Onz. — 1) Afrijden , wegrijden , de tegenwoordige
beteekenis. || Dat comt bi dien dat si afreden, D.
War. 9, 147, 194.
2) Met een persoon in den 3den nv. Enen — ,
iemand afvall^^ ontrouw worden^ zijne partij ver-
laten. Ongeveer hetzelfde als Afgaen. || Die Ara-
biene ende van Surien , Armenië met anderen landen ,
afreden den Romeinen met scanden, Sp. III", 26,
60.
Bedr. — 1) Met een paard als voorwerp , de
tegenw. bet. Uet door rijden onbruikbaar maken.
Vgl. lied. Wdb. op Afriden. jj Van eenen heynste
die hi ofreet in mijns heren dienste. Rek. v. Zeel.
2, 294. Van eenen paerde dat hi ofreet in mijns
heren graven dienste, 392. — Van het paard zelf
heet het afgaen (zie ald.).
2) Met een persoon als voorwerp. Enen — ,
t. w. eenen ridder in den strijd, hem nederrijden^
op hem aanrijdende hem uit den zadel lichten en
ter aarde werpen. Hetzelfde als Afsteken 2). ||
Laet onse daregerden ontwee sniden, so mach hi
ons lichte afriden, Lanc. III, 26417 (verg. 26423).
Deus ! wat wartere afgereden ende geworpen onder
voet, Lorr. fr. I, 667. Ducke hebn sy van den
heelden afghereden van den velde, Troyen f. lOOÓ.
3) Met een persoon als voorwerp. Enen — van
enen anderen, iemand van een ander verwijderen
door op hem aan te rijden. || Die ter vaert metter
porssen den grave van Gelre reden af van den
riddere , die menne gaf, om dat hine van den vel-
de soude leiden, Heeiu 6634.
4) Met eene zaak als voorwerp. Een lant — ,
een land rijdend doorkruisen om oversl te room
en te plunderen. || Eer si keren te desen tiden vil-
len si woesten, afriden tlant van Grimbergen, ode
roven , Grimb. 1 , 3996.
6) Met eene zaak als voorwerp en een penooi
in den 3den nv. Enen iet — , iewtand iets tfv-
men^ het op hem veroveren, t. w. bij vijmtdelijtn
aanval te paard. \\ Die grave volgeden au dea staat,
ende reet hem vele af sijns carinen , Sp. IV', ^i
102. Nu siet hier dit goede pert , het nl o vd
in staden staen; mer die van binnen, tonder vm,
ghy en huet u, sy sullent n afryden, 7Vwj«/
127r.
6) In jur. zin. Zie de verklaring en voorbeelda
op Aenbrengen 11) en Aen werpen 5).
AFRINNEN (ran, ronnen, geronnen), st w.
onz. Verg. Rinnen. Met den 3den nv. despff-i
soons. Enen — , van iemand afstroome%y tj'
vloeien. \\ Hem allen drien ran af dat bloet, Tnf*
f 91f.
AFRITEN, zw. ww. bedr.; mud. a/ritên,^
abreiszen. Afrukken , met geweld van iets s»itn,
waaraan het bevestigd is , verwijderen. || Via dtf
stillecameren an die norder camere, die tib iff
cameren ofghegaen ende ghereten (d. i, ofgkercta
was met den winde. Bek. v. Zeel. 2, 361.
AFROVEN, zw. ww. bedr. ; mnd. a/Vow»». Ei«i
iet — , het hem door roof ontnemen , het kern «/;
handig maken. \\ Dat goet datmen eerst voer ai
gaf, het was geroeft den aermen af, Sp. I"V»,W,
36. Dat gordel aen synre syde, dat hy P»Um*
af had gheroeft , Trogen f. 283*.
AFRÜMEN, zw. WW. bedr.; mnd. afmmen. ÏÏtr
ruimen , opruimen door iets weg te nemen. \\ Item ^
men alle messien, die te straten ligghen, ifraaa
sal, Cont. V. Antw. 1, 60, 168.
AFSAET, 'Sate, znw. m. Hd. absatz. Kil. 4^^
sa et, af-hanck, over-spronck , podium, proj^-
antes.^^ Term in de bonwknnde.
1) Lijstwerk met hellend bovenvlak. In eene Ai»
werpsche rekening van 1404, waar gesproken worfc
van eene afsluiting door paalwerk , leest men t»
de „nagelen , daer de spangen , de drayboem «^
de afsaten mede genageld sijn", Geseh. r. i*/»-
2, 621. In eene andere rekening van hetieU^
jaar: „den pntstijl ende putroede metten afuten'j
624. Elders : „8 houten omme de lenen , 12 ofsatea;
Invent. v. Brugge 6, 624 {bij het bouwen vsn tft*
brug). Vgl. het by Oudem. 1 , 72 uit den SUtflh
Byb. (Ezech. 43, 14) vermelde afsetsel voer
uitstekend lijstwerk, en Ned. Wdb. 1, 1965.
2) Doorloopend voetstuk voor suilen. || Dese ttl'
en hadde ghene hele wande, mer hi was oreril
gbesticht op calumpnen ende afsaten ala een bbob)-
kencloester, Ned. Proza 98 (in den tekst verke«^
delijk: aflaten).
AFSCADEN, zw. ww. bedr. Zie Scadkx. M«^
een persoon in den 3den nv. Enen iet — ,^
hem tot zijne schade ontnemen , hem voor eene zekf»
waarde benadeelen. \\ Dat Fillips claghet, dat «
hem ofghescaet hebben IX^ oude scilde van d»
Hcoutambocht, want si hem ballinc maecten, ^•
d. Wall 338 {a. 1389).
AFSCAMPELEN, zw. ww. onz. Zie scampeies.
Van een zwaard. Bij het raken af glippen en t*^
zijde uitschieten; thans afschampen. || Tsweeit
scampelde af haestelike in den scilt, dien hi voor
hem droech , dat hi wel die belicht afsloech ; tsweei^
op de plate ontscoet, Grimb. II, 2283. Ende hifi
tswert ende gaf enen clop her Fromonde optel
helm boven, dat hi hem hadde thoelt geclovea,
2Gi
AFSC.
AFSC.
262
m waert niet ghescampelt af, Limb. III, 365. |
[>emophoii , die coninc Tri , sloech den stonten Ber-
)eryn optenhelm; en hadde gesyndatafscampelde»
li ware bleven, YIII, 1610.
AFSCATTEN, sw.ww.bedr. Zie ScATTEN.Mnd.
t/scAatie».
1) Met een persoon in den 3den nv. Enen iet
— , iemand ieü bij wijze van ichatting of rantêoen
ioen beialen of geven , af vorderen, || Dat hi dien
ran Harderwgc gheven sal zeven hondert pond
Tomoys payments . . , die hi hem ane reden ghelde
lam ende ofscatte, Mieris 2, 208 a (a. 1319). Dat
lem afgescat sonde zijn twee honaert schilde,
\,100 b (a.1359). Alle onbetaelt geit, dat hoerre
snnich afgeschat mach wesen , Nijh. 3 , 300 {a, 1409).
Oat zalmen mit eenen bode terstont ofscatten ende
int der hnjse halen van den reetsten goede , K. v.
Brielle 166, 41. Daertoe zonde hi den ghenen
»ine wedergheven, dien hijt ofghescat ofte ofghe-
lomen hadde, R. v. TJtr. 216, 79. Had oecyemant
n ZuuthoUand den goeden Inden aldair thare
Lffgeschadt, Y. d. Wall 442 (a. 1417); verg. 466.
Snde heeft him betaelt alsnlc geit, als horen
rarger ofgescat was ende genomen, Bel, v. Leid,
168. Ende seyden, of sy den Bisscop gevangen
hadden, ende sy hem dese punten (vredesvoorwaarden)
ïfscatten, et waer genoech, ICatth. Jnak 1, 495.
Dat hem afgeschat es meer dan eenige dorpen,
Inform. 281.
2) Iet — , de door gerechtelijken verkoop verkre-
^en torn geheel en al besteden oi gebruiken , ten einde
de tehuldeieehert te voldoen, \\ Wat huys ende
erve , datter aldns vercoft worde . . , die sel men
>fscatten na den ontsten brieven, ende en mocht
men sgn scnlde niet betalen mit sgn huys of sgn
goede, so sal hy terstont die stede rnymen ende
»ntpoirtert wesen. Leid, Keurb, 199, 26.
AFSCATTIGEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als
A.FSCATTEN 1), sio ald. II Die baelyn qnam daer
$n vencken selve en schattichde hem of tot m^ns
leren behoef 300 pont , Nijh. JBijdr. voor Vad. Oeseh,
N, R, Dl. 2, bl. 198.
AFSOEDEN, afsceiden (teiet, eeieden, ge-
teeden of getcetden)^ st. ww. ons. en bedr. Mnd.
zfteheden,
Onz. — 1) Zijn aficheid nemen, scheiden y heen-
foan, vertrekken. || Ane den vader nam hi orlof
inde es henen gesceden of, Lorr. II, 1811. Ende
lier met scieden ave beede de partien, Fl,
fiijmkr, 6772. Mettesen sciet Fromont ave, Lorr,
'r. I, 287. Hoe gi van mi sciet ave, Limb, lY,
L610. Dat den tijt haers afscheydens van deser werlt
lakende was, Sjre. Cron. la, Nae den affscheyden
ran den belegge van Montfoerde, Sontendam, Arch,
f. Delft 98 (fl. 1490). So seer veel bleven daer
Ier Tnrcken doot int afscheyden, Exc, Cron. 308a.
ESnde dat salmen teykenen eer scepenen ende borge-
neisters affscheiden, Overijs, Recht. I*, \1% Za
irie tgeselschip wil verlaten , . . zal geven tzynder
ifscheedene XYI se, Vad. Mus. 6, 228 (a. 1462).
donder letten. . . . sonden hem haestelike doen
>f8ceden die twee graven sonder beden, VI,
Hijmk. 6530 (In den tekst staat of steden , doch
He Taal- en Ltbode 6, 293).
2) Met den 2den nv. Dezelfde beteekenis in ver-
ichillende opvattingen gewijzigd. — a) Heengaan
»f vertrekken van, verlaten (eene plaats). || Het
ras der joncvronwen sede, alsoe sciet der kerken
if, dat soe gerne dner Gode gaf, ^. III*, 4, 18.
Sen man sciet 8ijn^(/. sgns) hnns af, Rijmb. 25679
Ynlg. j,reliquit domnm snam"). Maer sonder oerlof
sciet hijs ave, Stoke III, 8 (t. w. van zyns broeders
graf). — Des lives (des levens) — , uit het
leven scheiden , verscheiden , sterven, jj Daer hi sciet
des lives ave, Sp, lY', 26, 87; Brab. T. II, 3912.
Des selfs daechs . . so schleden des levens ave . .
Digna, Emenia, Euprepia, Sp. 11^, 69, 28. —
Ook werd hierbij de genitivns wel onjnist door
den datief vervangen. || Ende schiet ave den
lyve, Vad. Mus. 3, 443, 156 (nit een stuk van
omstreeks 1430, doch het hs. is „wel mim 150
jaar jonger:*' zie bl. 437). — b) Van iets afstand
doen, het laten varen (eene bezitting, een recht enz.)
II Maer Mechelen en creech men noch den Grave,
noch dlant van Cnyck: des schiet men ave, hoe
wel ment voortij ts hadde ghecreghen , Brab. Y. YI ,
11505. — Der werelt — , van de wereld afstand
doen, een geestelijk leven gaan leiden, || Daer hi
deser weerelt sciet of, Amand II, 5985. — r)
Van iets afgaan, het laten varen (eene handeling,
eene levenswijze, eene meening, een plan enz.).
Ygl. Stoke lY, 1211: De verradenisse van den
grave , daer si niet wouden sceden ave ; en Grimb. I ,
1865 : Wy houden ons ane de yerste tale , . . daer en
sceden wys niet ave, d. i. daar gaan wij niet van
af, daar blijven wij bij,'''' (De .pronominale ge-
nitief-« in wijs is hier expletief, evenals in vs.
1880. Yerg. by Afga en , en zie ook straks by Bedr.
de aanhaling uit den JVap, Mart,), || Dat si altoos
dor gene noot . . des aermoeden ne scieden of,
f^ane, 1528. Nochtan en sceden si niet af der wet,
die hem Moyses gaf,^/i. I", 24, 31. Doe hi hadde
XII jaer, wildi hermiten leven leden, ende hine
waers niet afgesceden , maer dat hi was te cranc van
jaren ,111*, 28, 18. — ^ Van iets afstappen , het laten
varen (een onderwerp). || Ie sceide des af, hetdunct
mi best , Brab, T. YI , 77. Hier met wiUics avesche-
den, YI, 11519. Dus sceidics af te desen stonden,
YII , 6437. — e) Uitscheiden , ophouden met iets (eene
handeling enz.). || Ende alse hi schiet der be-
dingen ave, so es hi in slape comen, Sp. II ', 37,
4. Ende hi sciets af sonder eere, IY% 59, 41,
d. i. y^hij gaf het op, hij scheidde er mede uit.''^
3) Uitscheiden, ophouden, zonder bepaling in den
2den nv. || Doch al hadde soe enen man, ne
sciet soe niet af nochtan, soene droech naest der
hnut ene hare, Sp, III*, 37, 71. Die moenc was
ende afsciet, ende hem keyser noemen dede, III*,
10 , 50. — Yanhier ook de uitdrukking : — Sonder
afsceden, zonder ophouden, in de bepaalde op-
vatting van voor altijd, voor eeuwig. Yerg. sonder
afkeren en sonder afstaen. || Om te bliven in
ewicheiden aen Brabant, sonder afscheider;, Brab. T,
YI, 11503. Ende dedem manscap sonder afsceden,
Sp. lY*, 28, 55 (Yinc. jPtfr/^^^Mf m homaginm). Dat
ghi . . Marien . . volstandich bibliven selt emmer-
meere sonder afsceiden , Blise, v, M, 2087. Zie nog
Belg, Mus, 10, 88, 146, enz.
Bedr. — 1) Met eep persoon of eene zaak in
den 3den nv. Enen of ere dinc iet — , iets
van iets anders scheiden, het er van losmaken. \\
Yier qnam van den hemele snel, dat neven der
borst dat heelde sciet hoeft ende hals af, ^. II*,
25, 45.
2) Yan personen oï taiken. Af scheiden {van iemand
of iets), afzonderen, verwijderen. \\ Maer ander
vriende sciet hi of, Belg, Mus, 10, 77, 27. Dat
onse gheduchte heere meende de palen van sinen
lande te hondene, ende dat hy meende de stede
van Grevelinghe . . te hondene , . . ende negheensins
te ghedoeghene , dat men die afscheeden ende ver-
mindren sonde, 1, 93 {a. 1405).
ÖG3
AFSC.
AFSC.
AFSCEDINGE (aksceidinok), znw. vr. Zie
Afsckdkn, betlr. 1). Uifkferinff van goed. y^\.
AKdFscEKT. II De oeltsle van hem dreen, de dan
in der tijt levede, . . de solde dan horen .suHteren
een ofscheidinghe doen by den maghen ende
vrenden, Nijh. 3, 214 (a. 1399).
AFSC E ET (afsceit), -seede^ -sceidé'^ snw. onz.
Verg. Ge SC E FT.
1 ) Het vaarwel zeggen , het afttand doen van iett. \\
Dat ongetemperde minne der werelt een afscheit
ende een doit is Tan den oversten dingen, Sp.
d. M. 1, 76*.
2) Betlitif, betlUsing ^ uitwijzing ^ waardoor eene
zaak geëindigd of afgedaan wordt. || Nae den af-
Kcheyde van uwer genaden, Nijh. 4 , 433 («. 1470).
— Nog in de 17de eeuw was afscheid in deze
beteekenis in gebruik: zie Ned. /fa^A. op Afsciieii»,
XVIIde E., 2).
AFSCEPEN (afsceipfn), zw. ww. bedr. Zie
Sc F PEN.
1) Van goederen. Inschepen en wegzenden. \\ Off
dat hem dair off enige wine overbleven, so sall
hy die weder mogen affscepen ende wechvoeren,
V. d. Wall 648 {a. 1444). Wat zelzout datmen
(en Brielle brengen zal, dair zal die panneman af
«weeren ten heylegen voor die stad, daer dat zout
gezoden is, hoe veel zouts hy afgesceipt heift,
ende in wat scepe, K. v. Brielle lö8, B. Ten wair
dat men enich guet up- of afscepede, O. W. v. Amst.
20, 17. Ende en sal die voersz. brouwer tselve
bier niet moegen afsceepen, voerende aleer dat die
voersz. excynaer (1. excysenaer) die weete daer van
gehadt sal hebben, K. en O. v. Delft 164, 7.
2) Van schepen. Uitreed^n. \\ Dat zij voortijts
machtioh waren wel 16 coggeschepen ofdaerontrent
ter maendt te zenden met petk , terre . . . ende
andere waren, ende nu ter tijt niet machtich en
zijn twee schepen ofte schepen, Enq. 13.
AFSCEREN st. ww. bedr. {afscoer en afscar^
afgescoren)^ in onze bet. || Dalida . . ., die hem
alscoer {var. ofscar) sijn haer, Sp. I*, 21, 39.
Siju hoell wert hem gheschoren mit een scheermes
thayr off, Matth. 8ö.
AFSCIETEN {scoot ^ scoten^ gescoten)^ st. ww.
bedr.
1) Van kleederen, wapenrusting, wapenen enz.
Ze schielijk uittrekken , er zich haastig van ontdoen^
ze van zich af gooien. \\ Alexanders name . .
maecte so blode mencghen man , . . dat si waenden
sijn verwonnen. Si scoten hare wapen of, ende
vloen al dor dat ghestof, Alex. VII, 35ö.
2) Neerschieten , wonden , door schieten onlrrnikbaar
maken. \\ Also dat die van Yselsteyn die van
Utrecht vijf reyssegers peerde ofwonnen, ende scoten
oock omtrent XVI peerde of, die gewont binnen
Utrecht quamen, Matth. Anal. 1, 480.
3) Met een persoon in den 3den nv. Enen s ij n
volc — , iemand door schieten zijn volk doen ver-
liezen. II Oec wert Hertoge Jan menige man of-
gescoten, die mit hem dair waren, ald. 3, 383.
4) Door schieten verwoesten^ platschieten. \\ Ende
namen die groote bus ende scermen mede, ende
quamen voer der Eem, ende scoten den sael heel
af ende meer anders ontwee, also dat die ghcen,
die daer op laghen, dat huys opgaven, Matth.
Anal. 1, 408. Een groot constenaer, die daer
eugienen stelde ende schoot den toren af, Kwc.
Cron. 288^. Si schoten ten III plaetnen die mueren
soe slecht af ghelijc der straten, 289/i.
AFSCIFELEN, zw. ww. onz. Van Seifelen, in
Voc. {llor. Belg. 7, 65;: „S.hifelen, vallen,
s c h r a n k e 1 e n , dilabi." Bij het raken afglippen n
ter zijde uitschieten ^ afschampen. jj M. Daer rakict
met der griflle ten beginne. Esser gotheit esde
menscheit inne, het salem baren sonder twjfekL
J. B. Dats myn ghelove. M. Al maecht affscifelei,
Sacr. 507.
AFSCOREN (Afscueren), zw. ww. bedr. Zk
Scoren. Mnd. afschoren. Ook met een persooi
in den 3den nv. Afscheuren^ met geweld afnkkn.
II Ende scorde hem sinen halsberch af , ende sWb
hem met gewilde grote sticken van sinen scildc,
ÏAinc. IV , 9390. Doet Esechias hadde verstaen,
scuerde hi af sijn ghegare, ende dede an enen m
openbare, Rijmb. 14272. Ende men gel him («/«n
takene) sijn lijst ende haecgaern offschoren, ini.
Keiirb. 521 , 9. Doe quam daer die duvel . . emif
scoerde haer die bant of, Devoet B. (30) 42r.
AFSCRAIJ13EN, zw. ww.bedr., ook in den freq.
vorm AFscRAliBELEN. Zie De Jager, Freq. X/sn^
vlg. Afkrabben met de nageU. || Soe begonde . .
dat was of te scrabben ende die verborghen he3^u^
like letteren begonden sich te openbaren , Gtst. i-
c. 21 (ƒ. 36a). Als si noch meer {was) ofgescrabbelt
heeft, hoe hem dat scrift meer openbaenie, «M. i
AFSCRAPPEN, zw. ww. bedr.
1) In onze hei. ^ af schrappen. \\ Op datdieonm-
nicheyt mitten scarpen messe ofghescrappet soaüt
worden, Bern. W. 159«.
2) Uitschrappen^ wegdoen. \\ Scrappen wine if
vander levender lant, D. B. Jerem. 11, 19.
AFSCREPEN [scrap^ scrapen^ gescrepen)yS\..yf^
bedr. ; doch ook de zwakke vormen screepte^ gescrt^
komen voor. Zie Screpen. Nog in West-Vlaandem
in gebruik (De Bo 35).
1) Iet — ^het afschrapen^ afschrappen. || Ed^
cleefter yet ane van den vleesche, dat screjiet of,
Jan Yp. 104. Dan mach den fistele niet gheneiei.
die verrotte beenen ne werden erst uteghedan,
ofgescrepet ende ghesuvert van den gansen beae
met instrumenten, 167. Daer met sal men (Ut
3uade been ofscrepen van den goeden, ald. IW
uer boven ant vat hanget, salmen afscrepen esüf
dat pulveren ende dan in doge werpen, Hs. ÏF
36rf. Des conincs dochter Leonidesscrapofdatwis,
Sp. I', 19, 40 var. (tekst-hs. screepte af).
2) Iet — , iets uitschrappen ^ uitwitschen. \\ Siw
alemoesenen, die hi gaf, ne laet niet syn gbeiU'T^
pen af, Rijmb. 16061. Andere hss., waaronder krt
tekst-hs., hebben min juist gescreven.
3) Enen — , iemand uitzchrappen , schrappen sh
lid o{ deelgenoot^ afsnijden. || Die mine wet niet iK
houden, salie ofscrepen, Rijmb. 5102.
AFSCRODEN, zw. ww. bedr. Zie Scrodf.v
Afsnijden. || Hi souden dan sciere doden, mette»
engiene thoeft afscroden, Segh. 6246. Nu hout dat.
heer Sarrasijn, ie scrode di tonneffen of, 8586. — War»
dat het kennelicke ware, dat hij (de munter) d,\soi
varde niet ghegaen en conde tot inder munte, so*
sal hij alle daghe eens oorlof doeu bidden de«
morghens goedtstijts eer hy offghescroot is end'
dat altoos sonder sinen stock te verbueren, V. d.
Wall 788 (de juiste bet. blijkt niet op deze pl^uittl
AFSCROEMEN, zw. ww. bedr., wel vergaat
met den. #XT<r»iw/', zw. *Xr/>wf<r, verschrikken, weg-
jagen, vooral van vogels, en met ons schroom,
schromen. Onr. bet. afskrame ontsieren, hatelgk
maken, deformare. Ook dat geelt hier een goedes
zin , doch het natuurlijkst is hier de opvattin|:
wegjagen^ verjagen. \\ (ihierecheit hevet haer b^
roemt; trouwe ende ere es afghescroeiut, scaeinte
ende ere mede, 1'ad. Mus. 2, 185, 2Gy.
265
AFSC.
AFSE.
266
AFSCÜVEN {scoofy acoven^ gescoven)^ st. ww.
bedr. Mnd. afschuven. Van schepen. Met d^n sckeeps-
boom vooriituwen langs een waterweg^ hoornen. ||
Ënde es sculdich den wech noordt over twater
en de grachten voorseyt alzo groot ende alzo breedt
dat men mach soufflssantelic gaen omme de scepen
t« treckene ende dien selven wech of te schuven ten
Bcependomme van Brugghe , Cou,t. v, Bnufge 1 , 205.
AFSEGELEN. Zie aensegelen.
AFSEGGEN {seget^ seeckt of 9eit\ teide-^ geseget^
geseecht of geseif)^ onreg. zw. ww. bedr. Mnd.
afseggen,
1) Iet — , zeggen dat iets a/zal zijn , d. i. dat het
afgeschaft ^ higetrokken ^ vervallen zal wezen; van
instellingen, wetten, verordeningen enz. gezegd,
dus : Bij sckeuUrechterlijke uitsprauk vervallen ver-
klaren^ afschaffen ^ intrekken. Verg. Af (Af sijn),
Afbrenoen, Afdoen en Seggen (uitspraak doen).
II Ende seggen die gulde, die wy der gemeinten
van onser stad van Bruessele gegeven, ave ende
te nieute , ende datse te nieute selen bliven emmer-
meer, Brab. Y. Dl. 1, bl. 725 («.1306). Item alle
gemene vake an dike ende an wegen zeggen wi of,
ende mallic sijn hoefslach daer of te hebben,
Mieris 2, 215« {a. 1319).
2) Met een persoon in den 3den nv. Enen
iet — , iemand bij scheidarechtm'lijke uitspraak iets
ontzeggen^ er hem vervallen van verklaren ^ of ook
van eene geldsom, hem veroardeelen tot betaling.
Il Ende heeft Mechelen ghegeven dïe twee raercten
vorscreven , ende Antwerpen der stat afgheseght,
dwelke dat si van over langhe tiden hadden ghe-
houden, Brab. Y. VI, 4391. Soe bleef hijs met
hertoghe Janne in segghers ende middelaers, die
welcke hem de stat ende tlant van Huesden geheel
affseydeu ende toeseyden den hertoge van Brabant,
Ejcc. Cron. 125b. Dander drie blevens aent gerecht
ende hem wart afgeseit 30 gulden , den heren
ende der stede elck sijn andeel , O. R. v. Bordr. 1, 103.
AFSENDEN (afseinden), zw. ww. bedr. Af-
zenden^ toezenden j wegzenden. \\ Men seint de ant-
woorde van den grave met enen bode den keyser
ave, Grimb. 1, 1923. — Ook absoluut, met weglating
van het object, jj Ogier die stoute borchgrave
heeft weder gesent ave ende heeft den coninc ontboden
dat , e>iz. Lorr. 1 , 607 , t. w. d^n bode; verg. vs. 571.
AFSETEN , bnw., eig. deelw. van het onscheidb.
WW. afsitteti (zie ald. 3). Elders gezeten of vooon-
achtig. \\ Alle die vervallen ende rechten , die
vallen ofte comen van den opzetenen ende afzetenen
laten van der meyericn, Gendsch Chtb. 123 {a. 1402).
— Ook als znw. jj Soowel op afsetene als insetene
ofte poorters, Cout. v. Gent 262.
AFSETTEN, zw. ww. bedr. Mnd. afsetten,
1) Enen — , iemand uit den zadel lichten en
hef onderspit doen delven. Verg. Afsitten, 1). ||
„ïorec, nu weert u: Ie sal u afsetten nu." Ende
Torec weerdem dat hi can , maer daer ne was geen
weren an, die coninc settene van den perde al
gcraackelijc saen ter erde, Torec 3665 (verg. de
volgende verzen). Al waren si metter hant vromich
ende van herten stout, si worden nochtan met
gewont al sciere afgeset, Heelu 1308 (Velth. I,
46, 73).
2) Enen — , iemand wegzetten^ verwijderen, jj
Set af van mi de vianden mijn, Boetps. 25,
48. Ende dat rechte bloet van Vrancrijck is
ter zyden afgeset, ende Puppijn ende sijn geslacht
sijn coningen gebleven, Matth. Anal. 1, 604.
3) Enen — , iemand verwijderen uit eene be-
trekking^ een ambt enz., hem doen aftreden^ ont-
slaan^ ook zonder de ongunstige beteekenis, die
thans aan Afzetten gehecht wordt, jj Datmen den
hoge heemraet alle jair verwisselt ende afset,
V. d. Wall 372 {a. 1400). Item soe sullen voirtan
alle die goidshuysmeesteren . . alle jair hoir
rekeninghe doen bynnen 12 weken, nadat öy of-
gheset sijn. Leid. Keurb. 155, 6. Ende suspen-
deerde of ofsettede hem selven van sine officien,
Pass. W. 143«. Dair om laet ons raet soecken om
den man te doden , want comt hi bi onser princessen,
wi worden al afgesette sancten, Exc. Cron, 244r.
4) Enen — , iemand gewelddadig aanranden en
berooven; de hedendaagsche opvatting. || Twe
pilgerijms die syn verdreven ende van den rovers
afgeset, Esinor. 872.
5) Iet — , iets verwijderen, ter zijde zetten,
afschaffen, jj Ende by desen soe sullen geset
ende ofgesct weesen alle rechten ende alle materien
van den geschill, die tusschen den parthien voor-
screven roerende geweest heeft, V. d. Wall 34
{a. 1252). Nadat die eendrachticheit tusschen him
lude gemaict was doe troedergelt ofgeset wordt,
184 (a. 1339). Van den cleedingen van den burger-
meester , scepenen , tresoriers, pensionaris oft anders,
die hebben tselve ofgeset, zoedat nyemant van
hemluyden yet daerof heeft, Inform. 472. Die
vleysbancken plegen te gelden 8 of 10 oC sjaers ,
zijn ofgeset by de nyeuwe reformatie, 428.
6) Geit — j de waarde er van verminderen , den
koers er van verlagen, jj Soe wairt die voirs.
valuacie verandert, als dat die halve stnvers,
Philippus ende Karolus, weder afgeset worden
op i stuver, 9 mijten, Belg. Mus. 3, 85. Ende want die
munten . . allencxkens so hoge clommen was dat
een gonden gulden dede IX schellinc vlaems oft
meer, so was grote armoede onder dierenticrs. So
wert bi den heren van hove . . daerop raet ge-
houden om af te setten. Ende al wast so dat veel
wise lieden goet dochte, datmen dye munte ten
tween malen afsetten sonde om tvolc niet te seer
te quetsen , Exc. Cron, 2603. Tgelt wert tot eenen
male afgeset int aldemederste , te weten, de
gouden gulden op drie scellingen vlaems, ald.
7) Met den 3den nv. van den persoon. Enen
iet — , ten behoeve van iemand iets afslaan,
minderen, jj Van der gruyte aldaer Wiggher Dirx
s. 64 ^. Dair of gaen, die him ofgheset worden
bi mijns heren luden, omdat men ghien bier uyt-
voeren en moste, 16 ®, soe blijfts ontfaen 48 H,*,
Bek. d. Graf. 2, 30. — Zoo ook met het voorw.
dijc. Iemand minder dijk te ond-ei'houden geven,
Zie G. De Vries, Bijk- en Molenbestuur 147.
8) Iet — , iets met verschillende kleuren be-
schilderen, kleuren, nog afzetten genoemd. Zie
Ned. Wdb. op Afzetten, IV, 3, a en*). iJ Alle
beede de enghelen , die de waepenen houden ghelijc
eenen witten guldinen lakine, . . ende thaer van
fynen gaude, ende afghesedt van verwen alsoet
behoert, Diericx, Mém. 2, 256 {a. 1434).
9) Iet — , iets uitzonderen. Zie afgeset.
AFSETTINGE, znw. vr. Zie Afsetten, 6).
Verlaging van koers, waardevermindering. \\ Dese
afsettinge van den ghelde so seer neder dede den
lande groter scade dan die voorgaende oorloge,
Exc. Cron. 260*.
AFSIEDEN {soot , soden, gesoden), st. ww.
bedr. Zie Sieden. Van laken. Afkoken, in kokend
water afwasschen. Verg. Scouwen. jj Item so en
moet ghien meesterverwer of verwersknaep binnen
Leyden ghien laken ofsieden of doen ofsieden,
Leid. Keurb. 532, 43; verg. 529, 32 § 1 en 2.
267
AFSI.
AFSL.
268
AFSIEN {»acA, togen ^ gesien; gebied. wij8 enk.
sieAy mr, sUt), onreg. st. ww. bedr.
1) UU de verte zien, beipeuren, || Men moet
bem scbnwen, soe veer als men een wit peert
afsiet, Spreuken 48.
2) Met een persoon in den 3den dt. Enen
iet — , iemand iet* door zien afhandig vutken, ||
Ghy snit my langhe snyr ansien , eer ghy my eenen
stnyrer sult nut den bnydel afsien, Spreuken 20.
AFSIÊN, AFSYEN (seecA, tegen, getegen), st.
WW. bedr. Van Siën (2de art.), obd. tiAan, mbd.
itAen , nbd. seiAen , waarvan later ons zijgen (colare).
Verg. ook het snw. Sie, aeef. J/zijgen, af zeven,
t. w. de dikkere bestanddeelen van een vocht af-
scheiden door middel van doorzyging. || Wiesyn
si, die daer tvette afsyen? Overzee 160 (Ook
kan men af met daer verbinden en zyen als het
WW. beschouwen). Nog heden in H Ylaamsch in
gebmik (De Bo 40).
AFSIT, znw. m. Verg. Besit. Waarscbijnljlk
goed dat men niet in eigendom bezit, maar dat aU
leengoed iemand afgestaan is, leengoed. || lek rade
u dat ghi die selve vorsten kieset nnt den ghenen
dye int rijck geseten sgn, ende die van den r(jc
beveel , ampten ende afsit hebben ende honden ,
£jrc. Cron, 276a. — Heeft men hier met eene ver-
keerde vertaling te doen, b. v. van pottestio, of
gelden hier voor af de opmerkingen, gemaakt
Taalk. Bijdr, 1 , 201 en TiJdtcAr. 2,11 rgg. en 76 ?
AFSITTEN (sat, taten, geteten), st. ww. onr.
1) Af Hijgen van Aet paard, a/rt/^m. || Walewein
sat af ende hi bant sgn part an ene side thant,
Lanc. II, 3649. Hi sat af ende heeft sijn part
gebonden, II, 12642. Si jaechden so lanc, tpeert
wart mat, ende sprac toten man die op hem sat:
„Ie wil mi rusten nn: sit of," Rein, II, 6671.
Gheraert sat ave, Stoke Y, 60. Als hi af was
gheseten, Brab, Y. VU, 16679.
2) Met den 3den nv. E n e n — , Iemand niet bijblij-
ven, zicA van iemand verwijderen, t. w. door van hem
af te gaan zitten, en by uitbreiding: iemand
ontrouw worden. || Soe wenschene ie u bi te sine
in suverliken state, al dat leven mine, ende ie
u niet af en saté, OFl, Ged. 2, 111, 62.
3) Ergens af gezeten zijn, eldert gaan wonen,
eldert woonacAtig zijn. || So waer dat een twist
gbescied . .■ . van lieden van diversen wetten , eist
portre jeghen vrylaet, of jeghen eiken andren of-
sittende laet, Cout. v. Brugge 1, 389.
AFSLACH, -tlage, znw. m. en onz., mnd. aftlag ,
hd. abtcAlag.
1) Het wegslaan van land door den golfslag.
Ygl. AFSLAEN 2). II 600 mergen lants, daerof dat
wel 60 of 70 morgen gemindert zyn by den off-
slach van den Schermer- ende Beemstermeeren ,
Inform, 139.
2) Verkoop, vooral van viseA, vgl. Afslaen ^).
By uitbreiding Aet geld dat de verkooper aan den
af roeper of afslager scAuldig is. || Van den afslach
van den visch ende vischbancken is innegecomen
binnen 6 jaeren 261 ^, Inform. 168. Men geeft
van den afslach van den visch , te weten , van eleke
coopmanscip van den visch geeft de ofslaeger
1 deuyt, 176. Dien afslach ofte exchys van den
visch heeft gegouden binnen 6 jaeren 2932 cC t
373. Zoo ook 324.
3) Mindering, korting. Vgl. Afsla EN 10). || In
afslage van der sommen vorseit, Brab. Y. VI,
1916. Daer mede Elizabeth . . . ghelost, ghequyt
hebben sal sonder afslach groot of smal der
vruchten, renten ende vervallen, VII, 1381. Totcr
sommen prineinael , sonder minderBease ofte aüilack,
1471. In betalinghen . . . der sdbout . . . toidcr
mindemesse oft afslach voloomel|c betalci ea^
gheven , 1497. In afslaghe van der voora. soumi,
Exc. Cron. lA2b, In afslage ende mynriBghe iLralkcr
schout, Nyh. 2, 136 (a. 1369). Sonder eaick a&lack
ende afcortinghe synre alinger somnen, 139. Soidcr
ennige rekenschap ons te doen ende soader if-
slach, 4, 44 («. 1426). Zoo ook Bek. r. leeLi,
77, 118 e. e.
AFSLAEN (slaet of sleet; sl4>ecA, sloegen; ft-
slagen of gestegen , geb. wys enkv. slacA , mv. tUei\,
st. WW. bedr. en onz. Mnd. afsUtn.
Bedr. — 1) Afslaan, met een slag van iets ter-
wijderen, met een mk afscAeuren. \\ Kindre, die
in haren monde eten hadden, nmttraken sgd du,
daersi dan hingen daer an so acudden siM if
onwerde ende sloeghense af jeghen derde, Bijmi
82464. Al soudmen hen haer hoed afslia,
Christ, 138. Ofte een boem daer buten steet,eide
een wint sine vrocht afsleet, O VI, (r^. 1,80,6%
Die scilde waren afgeslagen, Lanc. III, 18391.-
Dan afslaen, eig. den dauw van Aet gras ë/ik^
en by uitbreiding, als ons dauwtrappen tninfro-
duinen gaan, Rinkelrooien , bij nacAt en ontiji mi-
zwalken. II Dat si dese gebude yrouwen leid»
met hem . . achter bossche den dan tCilia,
Bose 8609.
2) Lant — , Uitvreten, doen wegslaan, ioe%*j-
brokkelen, van het water gezegd. || Ende hebba
groote meeren an elcke zyde vanheurlnyderlioda
leggende , ende slaen die meeren dat laat leer if,
Inform. 206 {bl. 51 wardtditdoorotnemtnmtgedmkfi
3) Afslaan , afAouwen, || Wat hi binnen sli^
bevart sloechi ave met ge wout, waest stael, Jiff
ot\e hout , Lorr. II , 4316. Eist datti diin Ttiet
scent, slachene of, Hs. v. 1348, 170c. Menscloacka
af arm ende bene , Wittek. v. S. 27. Hande fsk
voete — , Bijmb. 7116 vg. Lede — , Sp. nP,ll.
112; Cannaert 33, 34. Dat hooft — , ^. P,i
92; III*, 11, 111; Stoke VI, 563; Edew.m\
enz. Daaruit is te verklaren de verkorte uitdnkkiif ^
^Ënen afslaen, elliptisch voor tAovei aftUt^
en dns geHjkstaande met ontAoofden, \\ Siworpa
tlot. Men sloech af hem deent daventnre gaf, Stoke
VI, 269, hetgeen in vs. 274 herhaald wordt Kt
onthovede. Het is dat hooft van uwen dienaer . .
dyen heb ie afgheslaghen , Huge v. Bord. 44
4) Afslaan, omAouwen, vellen. || Hi sloeclidk
beelden ontween ende die busschen af, ü- ^
2 Kon. 23 , 14 (Vuig. snccidU lucos). Slachene of
(den vijgenboom), wat bedmet hi die erde, Ht.t.
1348, 191rf [Ltic. 13, 7).
5) Afslaan, afnemen, t. w. een voorwerp to
datgene, waaraan het met nagels vastgehecht win
b. v. den lichame van den cruee — , enz. Yindtf
Afslaen alleen , elliptisch voor afnemen van ketkrm
van de galg. || Doen quam St. Marcellus, een ^
jongde, biet aldus, snachts, ende deden tfo)«B
ende groefne met eren, Yst. Bl. 339 (van Fetrti^-^
Dats te verlatene op sele gheniet , alse die hta^
beide dat menne afsla, Hadew. I, 168, 30.
6) Met een persooniyk object. Enen — ,iens»
afslaan , terugslaan , verslaan. Verg. ags. o/*^'
occidere (Ettm. 699) ; os. oslaAan (Eeyne , Hél, SW^
II Want si vochten binnen so seer, dat si dieea
den anderen mit groten hopen ofsloeghea, ^'''-
S. 2Sd. Si sloegense af ende overredense nier 9f^
horen paerden, Merl, 29230.
7) Met een persooniyk object en een m^^
persoon in den 3den nv.
269
AFSL.
AFSL.
270
a) Met een collectief object. Enen sijn volc — ,
iemand (een veldheer , een leger) zijne manschappen
doen verliezen door ze te venlaan, || Men sloech
sijn Tolc hèm of so sere , dat Segheline den groeten
here cume tweehondert man en bleef, SeffA. 10397 var.
Ende sloech hem af up enen dach een legyoen alte-
male, iS^. I", 6, 6. Hi sal den keyser afslaen drie
coninge van tien saen , Rijmb, 16666. Hi salne vaen
ende sine liede hem al afslaen , Lanc, III , 21623. Hi
sloech dies dages den Grieken af menegen ridder,
Troyen 4469. Dat volc dat daer quam te voet sloeg
hen af so menighen man , Grimh, 1 , 5100. Pippijn
sloech hen haer volc ave , Brab. T. 1 , 1442. Ende
slouch hem af in enen strijt tien man, Sp, I',33,
8. Si slougen af met gewelt dien Romeinen Y » man,
I», 40, 10. Sijn volc wart hemgeslegenof, I',22,
13. Ende sloech hem hare ridders of, Bijmb. 2798.
Hoe dat hem die van Bmgghe sQn heere zeere
afghesleghen hadden ende ghemindert, Cron, v.
Vlaend. 1, 184. Den grave van Namen waren af-
^hesleghen meest alle sijn eedele, ald. — Zie ook
Stoke II, 441; Lorr. II, 8Ö3; Lmr. fr. III, 322;
Grimb, II, 5347; Sp, I«, 3, 8, IH», 11, 63;
Rijmb, 7893, 8543, 28065; Umb, IX, 754; enz.
b) Met een enkelvoudig object. Enen sinen
naech (broeder, man enz.) — , iemand zijn
naag {broeder^ man enz.) doen verliezen door hem
'e verslaan. || Et waren hem met moghentheden hare
nanne al ofgesleghen. Nat. BI. I, 210. Als men
lem ghesleghen af hadde sinen broeder Alexander,
^ijmb. 20730. 6i sloecht mi minen broder af,
Lano. III, 16022. Ende sloech den here enen
>roder of, III, 16955. Ende sloegen hem oic daer
Lve.. sinen maech, Edew. 854. Slongemenafsine
nage, Sp. IV', 41, 87. Dat grote verlies van
«ninc Willem sinen vader, die hem die Vriesen
fgeslaghen hadden , Clerc 125. — Ook zonder het
lijdenkoeeld van geweld. Enen sinen maech — ,
rmand door den dood van zijn maag berooven^ in
iet passief. || Dat haerlieder . . . vader hemlieden
fghesleghen was langhe eer tvoorseide Maertine-
:ene gheboren, CotU. v. Brugge 1, 432.
e) In toepassing op vee. Enen sfln vee — ,
tmand van zijn vee berooven en het laten slachten. ||
Toert soe en sal die greve voirs. in Twente
lyement coyen, verken oflf enige vaerende have
lemen off affslaen, noch holte aff doen houwen,
lacer 2, 219 (a. 1433).
8) Bij a/slag verkoopen. \\ Gheen of val daer of
n quam van smeer noch van huiden , dat Floerkijn
;elve behelt ende ofsloech bi den meesters. Rek.
f. Gr. 2, 111. Alle de visch slaet men of, Inform.
181. Van alle visch, die aldaer ter merct comt
inde ofgeslegen wert, 624. Waert dat die gheen . .
ign zout gelijc den anderen affsloige, R. v. ütr.
L, 336, 12.
9) Met eene zaak als object. Afnemen, weglaten,
verkorten, verkleinen, vooral een gedeelte van iets,
»m daardoor het geheel te verminderen of te be-
korten. II Ie slaes af vele meer dan die helt, om
lats n vemoyen mochte, Rijmb. 31524. Sulc volc
10 dom gedaen, dat u ontherven waende, Here
Tod , ende uwe macht afslaen, Flandr. II, 110.
— Vandaar de gewone beteekenis van
10) J/trekken, in mindering brengen, korten, t, w.
ran het totale bedrag van iets, inzonderheid van
{ene rekening. Verg. Afslach, alsmede afslaen
onz. 2) voor verminderen van prijs , en a/slag voor
oaardevermindering. || Daer soude hi in ligghen alse
anghe vrile dat men heme elkes daghes afsloeghe XII
Irs. hollausche toter wile dat die voerseide tien pont
quite waren , V. d. Wall 84 (a. 1291). Dese . . .
twie hondert pont, die sullen wi ofslaen in uwer
eerste rekeninge, Mieris 2, 265a (a. 1321). Dat
soude men hem ofslaen van desen 580 fi^ tor-
noys , 3096 {a. 1323). Zes dusentich pond . . , die
wy onser stad voirs. geloeft hebben af te slaene
van den assijsen van der stad, Braè. T. Dl. 1,
bl. 821 {a. 1340). Dat zy afslaen . . de vers.
vichtich ponden groten . . van den ■ pachten van
haren assise, ZVl. Bijdr. 2, 346 p^. (a. 1.341).
Gerebateirt ende afgeslegen . . van dies dland . .
vorseit hem sculdich mach zijn , 4 , 70 (a. 1389).
Dat vleesch mach de clager halen . . ende slaent
of van der scult, 6, 174 {a. 1441). Ende affge-
slagen ende gecort te werden van den ophoeren
van den voirscr. rentmeester, Nijh. 5, 22 (a. 1473).
Wat butter men . . vercoopt by helen vaten . . ,
dair of selmen ofslaen ende van tgewechte corten
van elc vat 32 ®, Leid. Keurb. 247, 70. Ende
sal dat ter lester doot corten ende afslaen van den
goeden , dies des eersten oflivigen erfnamen . . dan
sculdich sullen wesen te nemen, 186, 80. Dit is
dat bier, dat Symon ende Hughe voerg. ghecoft
hebben, betaelt ende ofgheslegen mit mijns liefs «
heren quitancye op den steden, Oorl. v. Albr. 106.
— Zie ook Ngh. 2 , 182 ; Rek. d. Graf. 1 , 141 ,
266, 454; Oorl. v. Albr. 324, 825; K. en O. v.
Delft 100, 12, Rek. v. Zeel. 2, 68, 60, 92, 93;
1, 147, 177, 179 enz.
9) Overwegen , als vertaling van ft. débattre. Verg.
ons Verslag. || Ie hebbe wel vergadert ende af-
geslagen te wat somma van penninghen mach
comen ende clemmen sjaers den grooten cost,
Matth. Anal. 1, 320 („que i'ay bien calculé et
debatu " , 01. de la Marche , Vestat du duc Charles
Ie Har dg).
Onz. — 1) Van den weg afslaan, in eene andere
richting gaan, zich verwijderen. \\ Doen sloech hi
vore hen af besiden tote in sproefst battaelge van
Aken, Heelu 6792. Maer elck man schuwet si (/.
se) in den dans ende seit: „Slaet off, si en is niet
gans," d. i. maak u weg, bemoei u niet met haar,
MLoep I, 2429.
2) In prijs verminderen, afslaan. \\ De cleyne
visschen doen de grooten afslaen, Spreuken 98.
AFSLITEN, st. ww. bedr.; mnd. afsliten. Enen
iet (bepaaldelijk eene geldsom) — , iemand door de
beslissing van een rechtsprekend lichaam {een von-
nis, vgl. SLITEN.) tot het betalen eener geldsom
veroordeelen. || Van dat hem die raet afgesleten
heeft totter tymmeringe 9 gul.. Rek. d. Buurk.
75. Aemt van der Meer wert ofgesleten ter tymme-
ringe . . 18 gul., ald. Dat hem ofgesleten wert van
den raet van die zake die hy had tegen Willam
van Oestrum , 18 gul. , ald. Acht ryns gul. van dat
geit, dat hem de raet afsleet, 103. Die twedeel
van 100 postulaetsgul. , die de raet hem ofsleet
ter kerken behoef, 111.
AFSMITEN {smeet, smeten, gesmeten), st. ww.
bedr. Zie Smiten.
1) Afslaan, af houwen. \\ Fergunt heeft echt
tswert verheven , die luchter hant hi hem afsmeet ,
Ferg. 3600. Als dit vernam die bewaerre des
tuyns . . , soe smeet hi den beer sijn lufter oer of,
Gest. Rom. f. 106b. So heeft hi hem sinen start
ofghesmeten, ald. Den rechter voet des knechts
smeet hi of, 1596. Ten derden slach so smeet
Gwyde des tyrans arme of, 226a.
2) Terugwerpen, afslaan, een aanvallend vgand.
II Die Turcken hebben weder op die plaetsen.. de
stadt bestormt, mer si werden cloeckelgc wederom
271
AFSN.
AFST.
272
af^hesmeten , Ejcc, Cron. 308</ (Eenige regels lager
wordt in denzell'den sin afghesl^hen gebruikt).
AFSNIDEN, {sneef ^ tneden, ffetned^m; ook on-
scheidbaar: afêfiêet). Aftnijden^ aj knippen^ de
hedendaagsche beteekenis, eigenlijk en overdrach-
telijk gebruikt. Zie o. a. Rosé 5830; Lev. v. J. e.
04. II Toe desen seven lampten hiet onse Hare
maken VII guldene scaren, den brant mede ave
te snidene , Ruusbr. 1 , 176. Onse guldene scaren ,
daer wi den brant mede avesniden, 177. £nde
het en sy dat wyse {f/ie gebreken) binnen onsen
leven ofsniden ende ofwerpen , Stemmen 51 (in den
tekst: ofsinden). Of te snyden die hovaerdicheyt
van den oghen, Bern. W. 4%d. Si nam een scare
ende afsneet haer hare, Ëxc. Cron. üd. Omdat hy
den luden hair budels mit gelde atfgesneden had,
O. R. ü. Dordr, 1, 312, 1(»6 (Vandaar ons henr-
zensnijder).
Aanm. — Grimb. I, 4608: „ Sijn tornekeel . .
was van den selven afgesneden " zal men wel
moeten lezen al gesneden (var. wel gesneden).
AFSNIDINGE, znw. vr. In fig. zin. Verzaking.
II Den enghen wech aal dij wijsen . . versmaet-
heit, belachinge, bespottinghe , ofsnidinghe dijns
eygen willen, Ms. tü)/. 10b.
AFSOENEN, zw. ww. onz. Mnd. afsonen. Vgl.
Akswoenen. Tevredens f ellen door ititkeenng ,
ttilkoopen. || Of daer een arve verstor ve tot eiueu
vryen anval, dat sal by den oldesten blyven und
die anderen broederen und susteren afsoenen na
vrende raeth, Pro Exc. 4», 194.
AFSPANNEN (spien^ spienen ^ gespannen)^ st.
ww. bedr. Mnd. af spannen. Zie Spannen.
1) Van zwaard of sporen. Aflnnden^ losmaken
en afdoen. \\ Eer hi swaert of sporen afspien
ghinc hi te sijnre camere inne, Segh. 11896.
i) Van ledematen. Afbinden^ door afbinding
doen versterven en afvallen^ doodbinden. || Voor
sine smerte ende leemte , dat him zyne bene afge-
spannen zijn, Mieris 3, 100* (a. 1359).
AFSPLITEN {spleet, spleten, gespleten), st. ww.
bedr. Zie Spliten. Mnd. af spitten. Afscheiden,
verwijderen. Ook met den 3den nv. Enen iet — ,
iets van iemand verwijderen. || Wat hem aen sijn
ere mesquame , dat waer beter afghespleteu , Salad.
218. In de andere lezing naar het Comb. Hs.
{iJenkm. 3, 91) vs. 224: Want dat hem an sijn
ecre quame, ware hem beter afghespleten.
AFSPLIÏTEN (AKSPLETTEN), zw. WW. bedr.
Zie Splitten. Iet (van) ere dinc — , iets van
eene zaak afnemen, het er van scheiden. || So
onse ondersaten van Apeldoeren van der heiden,
by broder Steven Doys molen naist gelegen, aff-
gespleit ende uden voirscr. gegeven hebben twelif
morgen heiden, Nijh. 4, 165 {a. 1438). Die camp,
die autikeu (?) afsplit is, Rek. d. Graf. 1, 386.
AFSPOTTEN, zw. ww. bedr. Met een persoon
in den 3den nv. Enen iet — , iemand van iets
door spot berooven. \\ Du moetst myner al lange
spotten , eer du my een ore afspottest , Spreuken 22.
AFSPREKEN {sprac, spraken, gesprokeii) , st.
WW. bedr.
1) Ten einde toe bespreken, af praten, afhande-
len. II Doe dat conincspel was leden, daermen van
der minnen seden hadde afgesproken menich wart,
Cass. 1667.
2) Afzeggen, ontzeggen, verbieden. \\ Dese epis-
tel die totten Romeynen ghescreven is, is daer
omme eerst gheset, want si alle vermetelheit of-
spreket ende nederleit, Ms. 75 /. 2<r; Hs. Epist.
U.
AFST AEN (stoet, staeden, of stonf , ilanée»,
gestaen), onreg. st. ww. onz. en bedr. Mnd. «/1/411.
Bij Kil.: absistere, desistere, abstinere, supersedere,
cessare , desinere.
Onz. — 1) Zich verwijderen, weggaan, rijke*.
II So dat alle die dieve thant afstaen moestca
ende rumen tUnt , i^. I ^ , 66 , 83. Dat sg soidei
afstaen en hua vechten laten, Heemsk. 175. Dit
de goeder liede kindre, die nayen leeren, Toor
huer meestersen nayen . . mogheu , aUe si vao der
scolen ghesceden selen sijn oh afgeataen , Brab. Y.
Dl. 2, bl. 647 {a. 1381). Die metten swaerde
gaeme slaen, metten swaerde wert hi verslaghcB;
die niet en wil in tijts afstaen, die noot sal hem
doen venlraghen , Spieg. d. Jong. 107. — Spreekw.
Vrouwen hert« en is gheen steen , niet afstien b
mannelick. Spreuken 104.
2) Afstaen, zoowel absoluut als verhield
van de bepaling van denpaerde. AfstiJ^n,
afstappen. \\ Ende dat hi op die greve (gracht) af-
Hioni, Brab. Y. Vil , 15212 (verg. 15233: stout ..m
siueu peerde). Item 17 dage in Augusto, ils
Leyden upgegeven was , ende miin . . heere ii
der kerken afstont, aldair . . te offergelde geg.
1 holl. SC. , Bel. V. Leid. 352. Als si quamen tor
den oven,., stonden si of van den paerden, Ssl.
en Mare. 52. Dit al ghedaen , saten weder np
hare perden de nieuwe Grave van Vlaenderen end;
sijn eedele ende reden ter Vrindachmarct ; dier
stout af mijn . . heere van sinen perde , Cf&*. '•
Vlaend. 2, 258. Siet daer staet een hertc, wildi
dat hebben, so staet af van uwen peerde, Kk.
Cron. 238^. Als die K. M. quam an die . . trappei.
so is hi afghestaen van den peerde, 309r.
3) Met den 2den nv. Eens — , zich vanieuuai
afmaken, van hem scheiden, zich niet meer met ha
inlaten. \\ Beide vremde ende vriende, dien ie i<
voren diende, ben ie afghestaen, Hadew. I, 92, 51.
Doe hem hare cleeder dwaen enter wivc 00c
avestaeu, Rijmb. 4503.
4) Met den 2den nv. Des — , zich van U('
afmaken, zich aan iets onttrekken. || Dochenwillii
niet afstaen, in wille dine bede ontfaen, fff
Mart. 1 , 46. Ende (ghi) doet mi dan een groet bclof;
daer na stadijs varinghe of, als ie a hebbe uwen
wille ghedaen, Theoph. 559. Si stondens mettei
scoensten ave, maakten zich er zoo goed mo^Hj^
af, Stoke V, 690.
5) Met den 2den nv. en het hulpww. zijn. Des — ,
afstand doen van iets, het laten varen, naUte».
opgeven, er mede ophouden, uitscheiden. \\ CarmilU
die vercoes der ene, dat was om syu rycke gbe*
gare , mer ie waen , haer beter ware , dat sj des
waer afghestaen, Troyen f. 2774. Vele qaiedi
hadden wi gedaen, in dinde moest«wijs afstirt,
Ferg. 4909. Hoe mochti met goeden moede ghedon
dat hijs avestoede ende ontoghe hem der minncB.
Limb. XI , 793. So hadden si des afgestaen ende
beyde peniteucie gedaen, MLoep III, 429. D"*
heb ie mede te danse gegaeu , mer onheyl doets
my avestaen, I, 173 (hs. rfo<?/). Menech wil wiedca
eens anders hof, dies met redenen bet stonde of,
Lett. N. /T. 6, 150. Quaetheit hevet gheen deughet
in: bedi staets of, het sal di vromen, Praet 85T.
Dus es mens sculdech af te stane. Nat. BI-
UI, 746. Hi saels lichte dan avestaen, Flor.fM-
Ende doens hem sekerlike afstaen, Bloetul. 3,
27, 166. Ende heves die joncfrouwe niet verdienl,
staets af, La?tc. II, 43964. Des willic avesUci;
ie wils avestaen, Vad. Mus. 1, 61, 137; 64, *53.
Dies hi namaels stout al af, Velth. IV, 1,^^
273
AFST.
AFST.
274
(Hi) moets met scanden afstaen, Doet. I, 61. Soe
eest best dat ics avesta, OVl. Ged. 3, 128, 46.
Ende riet hem dies af te stane, Sp. III*, 63, 28.
Want die weldoet ende dies afstaet , III» , 41 ,
117. Stont hys af ende sochte raet, L, o, H. 1046.
— De handeling, die men opgeeft of nalaat^ of
de zaak waarmede men opAoudt «ch in te laten,
wordt veelal uitgedrukt door een abstract znw.
II Die myns gebods dus staet af, Rfjmb. 9040.
Dat hi sijns orlogens stont af, 18677. Dus es hi
ridderscaps afgestaen, Sp. III*, 30, 1. Dat si
des vechtens stonden ave , IV * , 66 , 60. Verraets
ende mort stont ie ave, £leff. 1247. Gi staet bat
af derre sotheit, Lanc. III, 26206. Dat hiafstoede
derre dine , III, 26828. End« stont strijds ave
jegen den broeder, Stoke K, 1130. Dat hi der
dinc wilde staen ave, III, 1284. Nochtan en
stonden si niet of haers vastens, JSraó. T. II,
776. Ende stoeden haers rovsus af, IV, 95. Dattu
afstaes haerre gebode, Sp. II', 27, 64. Nu willic
der complexien avestaen, OVl. Qed. 2, 63, 261.
Der sonden afstaen, Tarth. 2022; Doet. III, 1566;
iMtg. II, 1605; Chr'ut. 271; L. o. H. 1442; verg.
Rijmb. 24086. Sire quaeth«it afstaen, Lsp. III, 3,
1138; Wal. 4307, 4343. Rcgnerens afstaen, ^.
II», 1, 22. Dese conim . . was siere dompheit
afgestaen, IV» , 29, 24. Dat. . hi des heidynscaps
stont af, IV* , 65, 70. —Der werelt afstaen,
van de wereld afstand dten , zicA aan een geestelijk
leven wijden. || Ende rtont derre werelt af ende
alder quaetheit , Sp. P , 31 , 80. Dat soe hare
nonne begaf ende stont deser werelt af, III*, 30,
7. — Ook van een onderwerp van gesprek of
geschrift, waarvan msn afstapt. \\ Daer omme
willics nu avestaen, Velth. VI, 25, 100. Amen!
Ie staes af mettesei, Rijmb. 27102. — In de
woorden van Stoke. bij het opnoemen der zeven
keurvorsten (I, 98i): „Die derde diene staets
niet ave, dats vap Brandenborch die marcgrave,
dats des riken canerlinc," is de uitdrukking niet
veel meer dan e<n stopwoord. „Hij hotidt niet op
die betrekking \i bekleeden; hij pleegt ze te be-
kleeden. " Verg. pkget in vs. 979. — Bij latere
schrijvers wordt :1e 2de nv. reeds vervangen door
eene bepaling me het voorz. van. \\ Die roevers
ende die moerdediren , die van roevene afghestaen
waren, VI. Rijmk. 3840. Een staerc belofte staene
wel van dieften <", Praet 4692. Bedi waert beter
ofgestaen tilikcn van quader daet, 4695. — De
2de nv. wordt inlateren tijd ook reeds vervangen
door den 4den. || Ende elck sel anderen sincn
last helpen draden totter doot, entat om weelde
noch om noot :ymmermeer te staen ave, Hild.
108, 68.
6) Ook absoliit gebezigd , zonder bepaling in
den 2den nv., f gevolgd door eene onbep. wijs
met te. Ophotien^ uitscheiden, jj Enen man
dravende ene Hb ende afstaende als van der pine,
5jp.'ll*, 12, 62 Die kerstene te pinene afsta, II»,
49, 87. Ende ia dat si daer afstonden, worden
hare opten rug^ gebonden de hande, II*, 62,61.
— Sonder t^staen, zonder ophouden^ voort-
durend^ aanhouend^ met volharding. Verg. sonder
afkeren en soner afsceden. jj Eenpaerlike waren
si daer ter stde sonder ofstaen in haer gebede.
Franc. 1561. Ik sonder afstaen minne groot leget
an dit erdsch» goet, Sp. I», 69, 68. Al de scade
ende alle de scande, die hi den Vresen hadde
gedaen, wrac li op hem sonder ofstaen, Stoke I,
1140.
BeüR. — klet een persoon in den 3den nv.
Enen iet afstaen, viaken dat iemand afstand
van iets doet^ er hèm van berooven. \\ Ander die
met onrechten vonden haer ghebueren haer goet
afstonden, N. Doet. 2597.
AFSTAL, -stale, znw. m. Hetzelfde als fl/>/rt»rf,
het afstaan (van iets). Afstal en afstand beide
hebben hunnen grond in ogerm. stdn , staan. Evenzoo
wisselen ook Aenstal en Aenstand'. zie Aenstal.
— Afstal doen, afstand doen (van iets), jj Ende
dese ofstal ende oirvede sellcn thans doen alle
die gene, die hier tegenwoirdich zijn van beyden
syden, Mieris 2, 105Ï (a. 1310). Dat J. Duuc enz.
ofstal gedaen hebben van G. van Kuuvre ende
W. Baernts soens doot , d. i. afstand gedaan van
de veete wegens den dood der genoemde personen ,
V. d. Wall 407 (a. 1408). Renuntiereu ende offstal
te doen van den selven processe, 653 (a. 1475).
Oick en sal heere Jan van Arkel . . nymmernieer
uut onser vangenisse comen hy onsen wille , hi en
sal erst . . afstal ende quijtsceldinge doen van den
lande ende goeden voirscreven. Mieris 4, 413*
{a. 1417). Ende hi ofstal dairof gedaen ende ons
die overgegeven heeft, 356 (a. 1415). Overgegeven
ende gewilcoert mit sulken ofstal, als die brieve
dairaf begripen , 537a {a. 1419). Si most eerst
een ofstal doen van den lande van Henegouwen, . .
ende dat grave Jan van Avenues . . overgeven mit
horen bezegelden brieven, Clerc 108. — Der
werelt afstal doen, hetzelfde als der wereld
afstaen, dus de wereld verzaken, zich aan een.
geestelijk leven wijden , zich in een klooster begeven.
II Verzuymt hy lijf of Ut, hy is sculdich der
warelt ofstal te doen, ende verbonden tot ewigher
penitencien, Matth. 101; verg. 106. — Ook met
een ontkennenden bijzin. Plechtig en ond^r eede ver^
klaren, dat men niet, enz. || Dat hi mit zinen ede
ofstal dade van Sanders zinen broeder , dat hi hem
niet helpen, raden, huzen, hoven noch niet toe-
spreken .... en zei, iZ. v. JJtr. 1, 88, 29.
AFSTALLINGE, znw. vr. J/jr^a»Mf. Hetzelfde als
Afstal'. zie het vorig art. — A f s t a 1 1 i n g e doen,
afstand doen (van iets). || Dat alle deze handadige
kiuder, broeder ende magen ofstallinge doen sullen
van den hantdadigen. Mieris 2, 105« {a. 1310).
Voort sullen sy ofstallinge doen den van Everdingen,
die onversoent zijn, ald.
AFSTEECSTER. Zie Afstkker.
AFSTEKEN {stae, staken, gesteken), st. ww.
bedr. Mnd. afsteken. Zie Steken en verg. Afge-
STEKEN.
1) Met een persoon als voorwerp. Enen — ,
iemand afstooten, nederstooten , naar beneden doen
vallen. || Ende sijn broeder her Walraven stac
daer van den berge ave selken, dat hem die hals
brac, Velth. V, 12, 29. Een kint, dat dat delfijn
dicke reet , so dat et ofstac een stoerm groet ende
dat kint bleef dus doet. Nat. BI. IV, 437. Nu
maact u henen, ende gaet neder den graet van
vrienscepen ende van minnen, of ie roepe hier
sulken binnen die u hoefdelike af sal steken. Rosé
fr. bl. 256, 257. Dat die weech niet en brac, of
dat si u niet af en stac {van de ladder), Belg. Mus.
3, 113, 195 {Bloemt. 3, 28, 195). Datmen
sculdich wair dat levende kint opter brigghen te
bringen op die selve stede, dair dat ander kint
ofi'ghesteken wort, ende die vader vanden doden
kinde soude dat levende kint ofsteken, dattet viel
in den Tiber, Matth. 28.
2) In 't bijzonder, in riddertaal. Van 7 paard
s toot en, uit den zadel lichten en ter aarde werpen,
nedervellen , zoowel in het tornooi als in den strijd.
275
AFST.
AFST.
276
II Si jo8t«rden daer tier stonden , soe dat hi afstac
den swerten Belyas, Lanc. II , 27005. Sijn daregarde
was ontwe gesneden ende al der andere die quamen
daer: dies stac hise lichte af daer naer, III, 26Ö04.
Dattie meesterscinke ware afgesteken ende sijn ors
verloren, lil, 21441. Meneghen hebben sire af-
ghesteken , die daer doot bleef ofte mat , Troyen
6239 Yar. Wel hondert Griecken staken sy ave,
6110. Rudders die afgesteken lagen ende geaffoleert
met groten slagen, Lanc, II, 34579. Ënde stac
enen knape ave, (7ni»3. 1 , 3630. Om te hermonteren
weder van Loen den stouten grave, die dair lach
gesteken ave, II, 2787. Donde grave reet ende
stac den coninc ave, Umh, IX, 691. So vreeselic
dat hine avestac, ende viel dat hem sijn been
brac, XII, 183. — Zie nog Lanc, II, 131, 151,
165, 162, 1640, 1643, 1647, 3214, 7731, 19950,
19994, 20061, 25746, III, 16526, 23771, 26486,
26503, '17, '60, '54; Grimh. I, 4413; Tarth,
5532, enz. — Ook met eene saak als subject. ||
Als hi dat neert metten thoom weder oprechten
wilde , so vernief hem dat peert rechtop ende viel
achter rugge over metten coninc, so dat hem dat
hamasch afsteek ende viel in dat maras, Exc.
CroH. 294Ó, d. i. ^ zwaarte van het harnas deed
hem van het paard vallen,
3) Met eene saak als voorwerp. Iet — , iets
afstooten^ toegstooten^ nederstooten. \\ Den saerc
stac hi boven of metten voeten, Sp. IV», 54, 96.
Also reet hi daer tien tiden op genen scilt die
daer hinc, ende staken ave na dese dinc, Yelth.
III, 28, 52.
4) Verstoofen^ verdrijven^ verwijderen^ verjagen,
II Alse hem Fokas dat tempel gaf, stac hi met
heiligen worden af alle die dnvele van dier stede ,
üp. III', 69, 69. Entie baillia wanedse vervaren
ende oec afsteken van den haren, ende hiet dat
mense sonde vaen, III', 46, 41. Maer Damaes
hadde die meeste pertie , die den anderen afstaken,
II*, 46, 9. De beste gheboerne van den lande . .
de stac hi of al ghemene, ende wilde wesen raet
allene, Stoke VI, 879-84. Van quaet achterspraken
in der stat ende van afsteken des volcs, tts. v.
1423, 270* {Jes. Sgr. 42). — Ook met eene bep.
met van. || Die ghespeent is vander melc ende afghe-
steken vanden borsten, D. B. Jeaaia 28, 9. Elc
pijnt den andren te steken of van sijnre ere ende
stemmen , Rein. II , 7686. — I e t — , m'/'* wegstooten,
van zich doen. \\ Dat eiken bisscop betamen mochte
helich te sine, simpel ende vroet,.. al afgheste-
ken die weerlichede, Amand II, 6067.
5) Met een persoon in den 3den nv. Enen
iet — , iets van iemand wegnemen^ het hem ontne-
men^ afnemen. \\ Oec maect si menigen makelare,
die beide heren ende vrouwen hare goet afsteken
met ontrouwen. Rosé 192. Dese eere ende desen
lof stac mi uwe aermoede of, Sp. IV» , 51 , 29.
6) Afnemen^ afzetten^ fl/ofo^fn , van hoofddeksels ,
inzonderheid uit beleefdheid of eerbied. || Mijn
here Walewein stac af daer sinen helm ende alle
dandre naer, ende ondercust«ïn hen int sceden,
Lanc. II, 2911. Ende hi stac sinen helm af ende
ginc met hen sitten ter vart, II, 3556. Si sta-
ken alle hare helme of ende namen elc an an-
dren orlof, II, 29014. Den helm — , Lanc. II,
10135, IFal. 2369, 10115. Sinen caproen — ,
de muts afnemen, Wap. Mart. II, 46, OVl. Lied.
e. Ged. 272, 1146; 352, 1098; 360, 1330. Du
moets caproen ende hoet afsteken, Bouc v. Sed.
264. — Enen orse den breide] — , afdf)en^
Wal. 513G. — Sijn broec — , zijn broek af strij-
ken. II Marcel f us . . hadde sijn broeck ofghestekea ,
so datmen al sijn lelicheit sien mocht«, Sal. e%
Mare. 52. Dat deselve Jacob ziin brouc afstac eode
toeghde . . Joose Scevael sinen een , Cannaert 99
{a. 1435).
7) Met een persoon in den 3den nv. en eei
lichaamsdeel als voorwerp. Enen die kele (die
storte, thersenbecken) — , iemand de keel^
de strot, de hersenpan afsteken, hem dooden door
het doorsteken of afsteken dier lichaamsdeelen. \\
Ende stac hem . . . . , thersenbecken af, Ysi. BI.
3741. So sal ie my selven de kele afsteken mat
spijt. Mar. v. Nijm. 18, 416. Hy veldeae met
sinen stave ende stac hemlieden de stortte af, Crom.
V. Vlaend. 1 , 162. Van dien van der Slans was
hy doot ghesleghet ende stortte afgesteeken, 2,
89. Vgl. Akstkcke>.
8) Van schepen. Afsteken, van den wal verwij-
deren, doen afvaren. \ Tierst dat mens hem oerlof
gaf staken sy haer scepe af, Troyen f. 231^.
9) Van wijn of b'er. Aftappen. — Spreek v.
Die vele kennesse het ft , dooght veel afetekens ^
moet veel tappen, Sprmken 109. Verg. Ned. Wdh.
op Aksteken, bedr. I, A, 2, *).
10) Van wol. Afschepen, scheren. \\ Wie binnen
Leyden Enghelsche wole ofsteken of reeden wil.
Leid. Keurb. 67, 5. Dal hi ander wolle ofjgheste-
ken of ghereet hadde, >8, 7. Alle dieghene, die
binnen Leyden drapeniiren jof ofsteken wolle,
die totten Enghelschen stapel behoirt, 68, 8.
Wair dat sake, dat enich drapeniere enichjoncwff
wonne in dachhuyeren tsy) of te steken, wolle te
verscieten of te noppen, 102, 128. — Met ver-
wisseling van object, van de huiden of Tellen.
Van de wol ontdoen, scheien. || Item so sel die
rechter., anspreken alle dü ghene, die Scotsche
veile . . ofsteken, ende seg^hen hem an, dat si
hoir wolle vercoft hebben lide, die Enghelsche
wolle drapenieren. Leid. Ketrb. 69, 10. Item ca
moet niement binnen Leyden brenghen noch off-
steken Scotse veile, 521, 11. Vie binnen Lfejdea
eenighe Enghelsche veile offsttjct, dair hi Toir-
woUe off vercopen wil, 522, 11, 2. Zie nog 623,
14; 524, 15; K. en O. v. Delft204, 3.
AFSTEKERE (aksteker), znr. m.; vr. aksteec-
STEll. De arbeider of arbeidster wier werk kei is
de wol te scheren. Verg. Afsteien 10). || Item so
en sel niement, die in dachhieren werken, als
ofsteecsters ende verwersknapei noch kemsters
drapenieren. Leid. Keurb. 82, 5i. Item so en sel
gheen joncwijf, die in dachhu^ren werct, laken
moeten reyden , tsye stic of hei laken , die kem-
ster is of nopster of ofsteecsterende wolverscict-
ster, 102, 128. Noch ghien offÉeker en sal pnic
laken reeden, 522, 11. Wair dt sake dat enick
ofstecster pnic worpe jof maect om loen of om
gunst, die verboerde een jair de stede, ssld. 3.
Drapenyere noch ofsteker noch ymant anders , IL
V. Utr. 1,241, 133. Enich wyeste off ofsteker , die
hem besceden (/. besteden) te weken daer sy njct
en quamen, 242, 11.
AFSÏECKEN (AFSTICKEN) , zw. ww. bedr.
Intensief van afsteken, met dezcfde bett. || Toi
kanten vanden ryvieren salmen hoy afstecken ,
Hs. V. 1423, 268r. Dat men enetman afstiet die
kele int wout of mort om syn jhelt , ü. Boei.
1817. (Ui) dede hem afsticken . . dtdicke Tleesch,
tes hi sach dat calu been, Segh. 1708.
AFSTEL, -stelle, znw. onz. Blemwterin^^ ver-
hindering, waardoor eene htmdeMn^ afgesteld .^d.i.
belet of onmogelijk gemaakt wolt. Verg. onze
in
AFST.
AFST.
278
legswijze Van uitstel komt a/stel. || Waert dat
lenich poorter . . . eenigen vrijlaet ... in zine
-oopmanscepe , ambacht of neeringe . . eenich belet
if ofstel dade, ZFl. Bijdr, 4, 72 («.1389). Verg.
iet volgende art.
AFSTELLEN (verL deelw. gettelt of gestalt) ,
;w. WW. bedr. Mnd. afstellen,
1) Met eene zaak als voorwerp.
a) Iet — , iets van zich afzetten , het als V ware
'an zich verwijderen, \\ Affstellende van onsen herten
ille achterdencken ind onwille, Nijh. 5, 147 (n.
481).
b) Van handelingen , overeenkomsten, instellingen,
metten, gebmiken enz. Afschaffen^ doen ophouden ,,
e niet doen, \\ Yoirt soelen alle voirverbontenisse ,
. dragende tegen ons, onse lant off tegen dit
erbont, genslich affgestalt, doet ende van egeenre
rerden sijn, Nfjh. 4, 181 (a. 1441). Met desen
s die vergaderinge der menschen afghestelt ghe-
reest, Exc, Cron. ISlb. Dat si snlke qnade abasen
nde gewoonten afstellen wilden, 201c. Int op-
tellen van denselven exchijs is de gemeene poor-
eren toegeseyt . . , dat men die mitten eersten
reder afstellen sonde, Inform. 168. Andere ex-
hijsen . . , die zy afgestelt hebben , 237. Zie nog
ld. 323, 460.
c) Iets afdoen^ doen eindigen^ doen ophouden^ meestal
gezegd van gepleegd onrecht of wettige redenen
an beklag, waaraan een einde wordt gemaakt door
;oed recht te doen. || Also verre alst nytter selver
tat vervolgh van stonden an nyet affgestalt en
vurde. — Ter tgt toe snllix affgestalt ind den
ileger verricht sy. — Off hierin tot enniger tijt
^breck geviele . . ind syne gnaden dat terstont
. nyet aff en dede stellen . . dat wy asdan sijnre
piaden in g^nen dienste . . to willen wesen en
uilen, syne gnaden en hedde dat yrst affgestalt,
nd den kleger van synen schade verricht, Njjh. 4.
t48 vlg. (a, 1471). Affgestalt ende verricht (van
en onrecht), d. i, afgedaan en hersteld, 6, lhhis\
}ewelt afstellen en straffen, Oedenkst. 2, 236.
Xvergrepen af te stellen ende te repareren, 236, enz.
2) Met een persoon als voorwerp. Iemand (uit
en ambt, eene betrekking of bediening) ontslaan.
Terg, Afdoen II, 1). || Datallejare,indiefee8te
an Dertyendach, sesse van deil voerseiden raets-
nyden , die by twee jaren dat officie der raetslnyden
^hehalden hebben , sullen werden afgesteld , te
reten : dry van den ledigen borgeren ende dry van
[en anderen ambachslnyden , ende in die plaetse
Ier geenre die afgestelt sijn sesse andere derge-
yker, by ons oft onsen scoutiten . . sullen aenge-
at werden , Oew. v. St. Trugen § 16. Dat hi binnen
enen jare daemaer geenen leercnape nemen en zal,
ip de boete van 3 fB p&i*., ende die leercnape
fgestelt, ZVl, Bijdr. 6, 162 («. 1441). — Ook in
.e nitdr. af- ende aenstellen (Ygl. aendoen
:). II Dat men die voorseide vier personen verma-
len ende vernieuwen, of ende aenstellen sal,
landv. V. Enkh, AAa.
3) Af zetten, berooven, plunder en. || Quaden bonven
. . , die den goeden lieden (dat.) berooven ende
fstisUen, Invent. r. Brugge 6, 351.
AFSTELLINGE , znw. vr. Het doen ophouden of
indigen. Verg. Afstellen 1). || Nyet te willen
:ehengen . . dat yemant voir by den Tolhuyse to
iObede vnrscr. enich guet vuer off doe vuren, . .
is tot affstellinge sulcker ongenaden , Nijh. 5,
16 {a, 1479).
AFSTERVEN {star f, staerf of sterf, stierf \
torven] gestorven). Mnd. afsterven.
1) Met den 3den nv. des persoons. Enen — ,
heat door den dood ontnomen worden , hem afsterven ,
de hedendaagsche beteek enis. || Weert dat enen
manne sijn wij ff afstorve, Overijs, Recht 1*, 102.
So dat hem in corter wile vele volx afstierf, Matth.
Anal, 3, 351. Hem storven of doe ter tyt veel
goeder heerlicker mannen, 403. Of hem altemael
dat hem aengaet ofghestorven waer, Con,Som.2^b.
Enen goeden prelaet . . , die ons afstervet , Bienb.
31r. — Ook met een zakelijk subj. Boor den dood
ophottden iemands bezit of ook negatief bezit (schuld)
te zijn. II So wanneer een bed gheschoert is ende
man of wijf daerof te live blijft , ende dan tot haren
onwil blijft zitten int gheheel goet ende dan die
schuldenaers (=.schuldeischers) . . , willen die gheheel
schuit an haer winnen . . . , so mach dat wijf zeggen ,
datsi schiftinge ende deilinge altoes doen wil, als
ment begheert, ende daermede sal si quijt wezen ^
want haer die een helft offghestorven is, O. R. v^
Dordr. 1 , 224, 51.
2) Met den 3den nv. der zaak. Sire menscheit — ,
ophouden te leven naar den mensch, || Ten heilighen
grave, dair God sijn menscheit starf ave, C'/io^A^ 48.
AFSTERVINGE , znw. vr. Het afsterven , versterf
dood. II 300 Rh. gl. tsjaers losrenten . . die alsnu
gecommen z^jn npte 224} £, voors. by ofstervinge
van den pensionarissen, Inform. 145.
AFSTICKEN. Zie afstecken.
AFSTORMEN, zw. ww. bedr. Door stormloopen
winnen, machtig worden, door bestorming overmees-
teren. II Heer Gysbrecht (quam) . . voer Snoyen
toem te Geyne , die also vast was , datmen sonder
werck niet ofstormen en mochte , Matth. Anal, 3, 249.
AFSTORTEN (afsturten), zw. ww. bedr. en
onz. In de hedendaagsche beteekenis, maar in
ruimere toepassing.
Bedr. Afwerpen, nederleggen, van eene wapen-
rusting. II David, die snel was ende rasch, enten
wapenen niene conde, sturtese af al daer ter stonde,
lUjmb, 9226 (in den tekst; Sturte hise, in de var.
sturtedse af),
Onz. Afstorten, afvallen, || Ende sach doen
dat sijn heere . . van den orsse storie ave, Heelu 5620.
AFSTRIKEN (streec , streken , gestreken) , st. ww.
onz. en bedr.
Onz. — Met den 3den nv. en een persoonlijk
subject. Van iemand van daan gaan, zich heimelijk
van hem verwijderen , hem in V geheim verlaten.
Vgl. STRIKEN. II Mits . . alle zyn knechten hem
afgegaen zyn . . ende daegelix afstrycken by ge-
breke van betalingen, Qedenkst, 3, 30.
Bedr. — 1) Af strijken, door strijken wegnemen,
II Dan nemt die scorsse ute ende strijct dat water
of, ende op dat ghi der ofstrQct, daer mede be-
striket dat seer, Jan Yp. 174. Strijct of dat vette
met uwe vingeren, ald.
2) Den hoet of den caproen — , den hoed
of de muts afnemen, uit eerbied of beleefdheid.
(Verg. Afsteken 5). || Ende wille striken af
minen caproen , Wap. Mart. Il , 46. Miltheit doet
haren man wiken^ hoet ende caproen ofstriken',
Up, III, 23, 179.
AFSTUVEN (stoof, stoven, gestoven), st. ww.
onz. Met eene snelle beweging van iets afgescheiden
worden , af vliegen ; van een hoofd gezegd , dat
door een z waren slag van den romp af vliegt. Verg.
Afvaren. || Ende sloech enen anderen doe rechte
ten scouderen boven, dat hem thooft af quam
gestoven, Grimb. II, 2205.
AFSWEREN (swoer , swoeren , gesworen) , oureg.
st. WW. bedr. Mnd. afsweren.
279
AFSW.
AFTE.
280
1) Iet — , het ajzwei'eyty onder e ede er afstand
van dven^ bij aitbreiding , afschaffen. \\ Al galt
zoe lettel hier te voren , de coMtame es ofghezwo-
ren, Praet 2112.
2) Hemselven — , ond^r aflefjtjing van den
gevorderden eed zijn ambt neder leggen ^ zijn ontslag
nemen. \\ Wanneer dattet gevallet datter eenich
hieniraet van Schielant aflyvich wort ofhimselven
offsweert , soo sullen onse hiemraet voors. enen
anderen kiesen by hoeren eede ; . . ende wie hem sel-
ven offsweeren sal , dat sal hy doen voor vier hiera-
raden van Schielant, Mieris 3, 509^ {a. 1390).
AFSWOEN, znw. m. Uit keering van goed ^ schade-
loosstelling ^ van afswoenen^ vgl. afsoknkn. || Neme
de ene van den tweyn liiftucht van den godc tot of-
swone, so wisewi dat voereyn recht, R. v. Zutf. 72, H2.
AFSWOENEN, zw. ww. onz. Van Swoene{z\Q ald.),
hetzelfde als Soene, zoen, verzoening. Verg. aksok-
^'KN en mnd. afswoeninge. Eenen zoen aangaan^ zich
verzoenen^ om daarmede de zaak af te maken. \\ Dat
ich niet aflfzwoenen norh vreden en sall , der wile dat
desen vurgen. vede duerd, Nijh. 4, 122 (a. 1435).
Die een van ons en sall buten den anderen nyet
bestanden, vreden noch affzwoenen, 6, 83 [a, 1477).
AFT, ACHT, -/<?, buw., Friesche (ook We.stfriesche)
vorm van Echt (zie ald.), d. i. wettig^ rechtmatig.
Oud-friesch aft (Richth. 589) , nfri. aft (Hal-
berstma 13), hd. ücht .^ echt., mhd. êhaft^ rand.
echt^ ons echt\ vgl. ook os. eft (bijw.) = mnl.
echt. Aft komt voor in Westfriesche oorkonden
in de bet. rechtmatig ^ wettig^ lat. legitiinns. \\
Waert dat ie woerden voer hem sprake, die hem
nut ende goet waren ende hij daeran lijde, ende
die (d. i. dat die) afte ende stade bleven. Dingt.
V. Amst. 9. — Vooral in de uitdrukkingen Afte
dach; Afte stoel, ook Aftendach en Aften-
stoel geschreven, en Afte clage. — Afte
dach, Aftendach, wettige rechtsdag , de wettige
dag , de dag bij de wet bepaald of door de gewoonte
vastgesteld , hetzij voor de rechtspraak , hetzij
voor elke andere gerechtelijke of wettelijke han-
deling, als b. V. de dijkschonw. Friesch ajte-
thing y placita legitima. || Alsoo verre als hy niet
mit aften dagen gedaegt heeft, Mieris 2, 723a
{a. 1346) , in de uitg. verkeerdelijk asten. — Indien
hi verwonnen wort mit aften dagen, soe sel men
panden aen sijn lijff, ^Keuren van Hoorn ^ van 1429,
§ 81. Heer rechter, ghy waert Evert Oudcrsz.
een aftedach van recht, Westfr. Dingt. 12, vgl. 3.
Voirt van enighe scoude die yement den anderen
verliet of dair hi of verwonnen wort mit aften
daghe up die dinghdach voirscr. , die sel men
betalen binnen 14 daghe dair nae , Leid. Kenrb.
83 , 6. Die niet voirt en quame tot sineu derden
aften daghe na dien dat hi anghesproken worde
van den rechter, 95, 83. Ende als die zevenen
op horen rechten aften dach, als him die rechter
mit rechte geleit hedde, horen tuuch doen zouden,
so en quam Symon van Zaenden niet te werve,
ende versumede sinen aften dach, Mieris 3, 389ó
(a. 1382). Item, soe en sullen die schouten geen
tuych leggen op dijeken noch op dammen of op
wegen , si en sullen eerst kennen mit twe schepenen
of mit meer, dat si mit rechte opten eersten dach
onder banne gecomen sijn op hoeren afften dach,
4, 5643 {a. 1421). Als die schout op die dijck
compt daer hy schouwen wil, soo sal die schout
een vonnis vragen, ofte het synen rechten dag
is ende synen aften dag is , dat hy daer op schou-
wen mach , dan en mach. — Soo wysen schepenen ,
dattet synen rechten ende aften dag is, dat hy
daer wel op schouwen mach, Wvidc. v. WeU*^rUuki ,
lïs. f.V2(} r. {Dingt. v. l^aterl.'S^,, vgl. 16). fleer
Schout, ghy waert mijn, dat ghy nign een dack
van eygeainge geleyt hebt, eude dattet boydea
mijn aften dach is , Dingt. v. Wai€ri. 16. —
Afte clage, wettige aanklacht. \\ (Of) hj mit
dier kennisse van rechter ende van scepenen cU-
ghen mach een stade claghe ende een afte
claghe. Dingt. v. Amst. 6 (2 maal) en 22 (2 maal;.
Waert ghij desen A, dattet huden is xgn afte
dach eude zijn gheleide dach te daghen u zgnea
doden broeder? Dingt. v. Amst. 10. Up sijn rechte
afte daghen , ald. 23. — De bnw. aft en reckt werda
ook reeds in 't Oudfriesch verbonden ; „ alle aft€
thing and alle riuchte thing," Richth. t. a. pi.;
zoo ook echt en recht in 't mnd. ; vgl. Lubben 1 , 6üL
— Afte stoel, Aftenstoel, de wettige reckter-
stoel. II Heer rechter . . , ghy sijt sculdich morgen . .
den dinghen . . te bannen , den aftenstoel te besitta
ende hem daer te rechten, Westfr. Ding f. 7. Dil
ick den dinghen bannen mach, die aftenstoel be-
sitten mach, houder ende clagher rechten raack
ende mijn Heer sijn boeten winnen mach , sild. 8,
zoo ook 5. — Nog gebezigd door Lams, bl. 451
AFTEBREKEN {.tebrac, tebraken, /ebroJtei») , »i.
WW. bedr. HetzellUe als Afbrkken (bedr.): xie
ald. en verg. Tkhrkkkn en Uuttebrkken. De
samenstelling aftebreken luidt alsof men in 't
lloogd. abzerbrechen zeide.
1) Af breken y in den gewonen zin. || Bi wette..
so waren hem die cuien aftebroken, Sp. II*, 55,
23. Entie brucge was aftebroken, Velth. II, 51
69 (Heelu 3535). Daer plach een capella te staea.
mer si is oftebroken, Mandev. 16a. Ker twe oA
drye hueren daer naer sone stontter niet eenci
steen, want het was al aftebroken ende weck,
('ron. V. Vlaend. 2, 157.
2) Afbreken (in 't schrijven), ophouden^ stabe%.
II Hier dinct mi best aftebroken, Sp. I* , 10,33.
3) Doen ophouden ^ opheffen. \\ Dat eigijndoea
was hem gequijt ende aftebroken, Sp. !•, 51 , 7.
4) Met den 3den nv. des persoons. Enen iet
— , iemand iets {niet geweld of Ust) afnetmen^ oni-
rooven. \\ Die steden, die met genende hem die
Tuerken af hadden tebroken, ^. IV», 8, 6<X
Dat hi sint e Petere wedergave, dat hi hem hadde
tebroken ave, Brab. Y. II, 713 en 738 {Sp. III-,
82, 60). Steden ende lant, die hare aftebroken
waren, Sp. III*, 84, 25. Alse hem af worden te-
broken hare ceptren, I*, 20, 44. Al sijn recht..,
dat hem was tebroken af, Lsp. II, 48, 1155. llaor
lant voeren si verherghen, so dat hem al of wc«t
tebroken , Stoke II , 232. Dat hi den Romeinei
wedergaf dat hi hen hadde tebroken af, 3rak. 7.
1 , 1392. Dijn steert {nasleep , gevolg) es u aftebro-
ken. Ziele en L. 21.
AFTELLEN, zw. ww. bedr. Zie Tellen. Mhd.
abezellen. Door tellen van iets toegnemen^ bij uit-
breiding uitsluiten y buiten rekening laten. \\ Mi
dunct dat alle herten vellen edelheit ende aTetellen.
ende en volgen niet der eren, Vierde Mevrt. 387.
AFTENDACH, Aftenstoel. Zie bij Aft.
AFTER, voorz. en bijw. , met de samenstellingen.
Zie Achter enz. ') — Bij Achter, bijw. 1). || Dat
•) Enkele toevoegselen aan Achter en zijne
samenstellingen, geput uit boeken en hss. , eerst
na het afdrukken der eerste vellen gelezen, aS.
gevonden in de collectie van De Vries , znllen hier
eene l)etere plaats vinden dan in het supplement
281
AFTE.
AFTE.
282
ichter dat vooren, het achterste voren ^ in den
sin van het onderste boven ^ waarvoor in *t innl.
B^ebmikeiyk is de op dezelfde ¥rijze gevormde uit-
Irnkking dat up dat neder. Zie neder. ||
stelde ie niet Jobs huns dat vooren dat achtere,
laer zyn kynders in bleven? ZVl. Bijdr. 5, 319,
L59. — Bij Achter, bijw.3). (| Tafter sijn, van
tchuldeischers : nog gelden te vorderen hebben. (Wij
souden deze nitdr. eer van de schaldenaars
gebruiken). || Nochtans worden die luden, die
laeran taffter sijn vander hayshaeren off anderen
ichulden, sommels gewaer, . . . dat sy op hacr
•eyse ende vlucht leggen , O, R. v. Dordr. 1 ,
120. Daer mach een man, die daeraen tafter is,
recht aen gheren aen huse, aen erve, 215, 22.
— Tafter (tachter) rekenen, te weinig be-
'uilen^ tafter (tachter) bliven, nog schuldig
blijven. II So rekende Pieter up minen here Florens
tachter van den selven 3 se. van den mete . .
[tem soe blivet Pieter tachter voer tfoerseyde
imbocht van 108 m. , ... 16 ©, Rek. v. Zeel.
2, 29. — Bij Achter, bijw. 5). || Dat deel van
lesen dage dat noch after is, ende een deel des
;oecomenden nachtes, Bern. W. 46(7 (niet 37). Wij
noeten oec mede wat seggen daer van datter oec
loch achter (= over^ is, 94i. — Eerende(no)after
achter) en after ende voren, voor en {noch)
Mj altijd y bij alle gelegenheden^ en nooit. || Bewerd
tiaren lachter daer gi moget eer ende achter , Lanc.
II , 43473. Dat rumoer datter ludet after ende voir,
MLoep III , 647 (of plaatselijk op te vatten in den
sin van aan alle kanten ? Beide verklaringen geven
ien gezonden zin). Dat toende hi achter ende voren
n swaren verwoedden seden, Sp. II*, 66, 44. Vgl.
Segh. 3119.
AFTERBILLEN (achterbillen) , hetzelfde als
nllen, Graff, IHutUea 2, 224.
AFTERDORE,zw. vr., Achterdeur. \\ Diejongelinc
^inc des morgens vro wech die afterdore uut,
^even W. 25r.
AF-TEREN, zw. ww. bedr. Zie Teren. Hd.
ibzehren. Afleren^ afeten^wegvreten. \\ Quaetsprekers,
lie in haren done afteren ende verbiten tgrone,
^at. BI. VII, 377 var. Dat de ghezellen van
>orloghen . . den zelven vele rudicheden ghedaen
lebben ende afgheteert . . . alle huerlieder vitaille
lis dat zy lettel of niet behouden en connen,
Invent. v. Bntgge 6, 369.
AFTERHALEN (achterhalen). Bij 2). || Dat
ly dair off achterhaelt es tfait doende , Wiel. Instr.
)6, 102. Achterhaelt van valschen eede, 104,204.
Tan moorde, van straetroove, van vele dieften,
mz. Zie ald. h\. 206.
AFTERHEIT , (tachterheit), Fad. Mus. 3 ,
J69 in den zin van achterstand. \\ Voor bruecken
mde andere tachterheyt, die hy der gulden sculdich
AFTERHOUDEN (achterhouden) alsintr. Vgl.
Limb. XII, 508 Var. Halt achter ind siet tzü,
irar man strijt ind wie.
AFTERHOÜW (achterhouw), znw. m. £en
7an achteren toegebrachte houw. \\ Menesthus . .
iette hem daer tegens ende sloech hem doe met
ïenen achterhouwe, dat hi neder storte, Troyen
Vb. '11b.
AFTERJAGEN (achterjaoen), ook iS/>.Il«,8,
51. Deen jagede achter, dander jagede "^ovi ^ f ugabat
ilius et alius fugabatur.
AFTERLIGGEN (Achterligcen), st. ww. bedr.
V^an schepen gezegd : de achterhoede doen , achteraf
liggen y om den toegang ofdoortocht af te snijden. ||
Van den galeyden quam dese bate, de somme
achterlagen doe, Stoke X, 58.
AFTERNA (Achterna), ook als voorz. in den.
zin van achten' , lat. pone. || Sathanas , ganc achterna
mi, Hs. Evang.^ Mare. 8, 33.
AFTERNAER (Achternaer) , bijw. Later,
daarna. \\ So wie . . yet ontfaet of neemt om te
bewarene , [ende hyt achternaer loochent. Wiel. Instr.
150, 614.
AFTERSETTEN (Achtersetten). Bij 2). Ook in
den zin van terugsluan, t^erugdrijven. \\ Doe quam
ene grote batalie derwaert van der brucgen, die
se ter vaert achtersette, Merl. 28873.
AFTERSOEKEN (Achtersoeken) ,onr. zw. ww.
bedr. Eene verkeerde vertaling der lat. woorden
I>. B. Jes. Sgr. 4, 6: „et non relinquas ^Ma^^»^ó?<«
tibi retro maledicere." Ook Hs. v. 1423, 229<r.
Achter moet als bijw. worden opgevat in den zin
van achter den rug.
AFTERSPRAKER (Achterspraker). Ook Hs,
V. 1423, 183r, d. Il Een quaet afterspraker is den
menschen te veronwaerden ; mitten quaden after-
sprakers en menghe di niet.
AFTERST (achterst). Bij 1). || Die te vorst
was, hin(e) beide segterstes nit, Limb. Serm, IbSa.
Vgl. de uit Velth. aangeh. plaats. — Aen den
aftersten sijn, het tegenovergestelde van an
den voren sijn (Zie Leid. Kettrb. Gloss. op voren).
de lijdende {passieve) partij zijn bij eene rechts-
handeling, de tegenpartij zijn {van wien niet d-e
rechtshandeling uitgaaf). \\ So mach dan die ander
brueder seggen, die aen den aftersten is, dat hi
bliven wil aen alle goeden, daer hi in bestorven
is, O. R. V. Dordr. 1, 215, 23 Var.
AFTERSUSTER (Achtersuster), znw. vr. ,
schijnt nergens voor te komen, doch zooveel te
meer aftersusterkint, dat men behalve op de
bij Achtersüsterskint aangeh. plaatsen nog leest
Óverijs. R. I', 11; 104; 171; V. d. Wall 118, 521,
542, 593, 617 e. e.
AFTERTRECKEN (Achtertrecken). By Bedr.
1). II Treek aft«r dijn voete van dijus naesteu
huyse, Hs. v. 1423, lS4d {Proverb. 25, 17).
AFTERVERTRECKEN (Achtervertrecken) ,
st. WW. onz. Achteruittrekken j terugtrekken. \\ De
Pickarde siende tfolc te hem waert comen, ver-
trocken achter ende staken tfier in eenen molene,
Cron. V. Flaend. 2, 155.
AFTERWAERT (Achterwaert). In de uitdr.
Acht er waert denken (vgl. Kol. 49 onderaan).
II Sijn vader reet altoes vorwaert ende en dachte
niet achterwaert, denken om hetgeen achter is.
Merl. 30133.
AFTERWENTELEN (achterwentelen), zw.
WW. bedr. Hetzelfde als achterke^ren (zie ald. bedr.
1). Na^ir achteren keeren of wenden, afwentelen. \\
Die ingel ons heren daelde vanden hemel e ende
hi quam ende wentelde achter den steen ende
satter op, Hs. v. 1348, 129a; vgl. 129(r: si sagheu
den steen ofghewentelt.
AFTICHT , znw. vr. ; mnd afücht (ook af-
tichten en aftichtinge). Van af tien , dat niet
voorkomt. || Afstand, hd. verzicht. \\ Reyuier
van Tetwijc sel ofticht doen vanden genen die.
daer uut siin geset ende voirseyt staen , R. v. XJtr.
1, 270, 2.
AFTIEN, ten onrechte ook aftven, (^i^/ [/"y*?/] ;
tooch of toech, togen, getogen), st. ww. onz. en
bedr. Mnd. aften. Zie Tien.
Onz. — 1) Aftrekken, wegtrekken, weggaan,
inzonderheid van eene legermacht gezegd. || Die
283
AFTI.
AFTO.
284
Torseide heere van Gaesbeke was afgheioghen in
dien daghe, om troest te sneken aen sUn niage,
Brah. T. Vl , 9280. Ende voer wech sonder letten
ten Louwen wert ende toech ave, Limb. V, 456.
Ende van daer togen si af te Gyronville, Lorr.
fr. II, 234. Doen togen die gene saen af ende
achterwerd in hare veste, Yelth. Y, 12, 40. Om
dit 80 es hi getogen af, lY, 65, 57. Ende toech
ave met haesten herde groet, Heeln 2776. Twi
si avetogen, dies en wisti niet te waren, Lorr.
I, 1148. Diere wille moet emmer ghesciea, ende
anders gheens sens avetien, Limb. II, 1293.
2) Met eene laak in den 2den nv., of met het
voorz. van. Ere dinc — , zich aan iett onttrek-
ken^ ziek er niet mede inlaten^ het laten varen ^ er
afkeerig van zijn. Yerg. AcilTERTlEN, onc.) en
ACHTERTRECKEN, onz). |( Die der afgode willen
aftien ende geloeven in Jhesum Christe, Sp. II*,
57, 81. Dor haren wille., ben ie miere wet ave-
getoghen, Limb. XII, 909. Of dyn herte yet meer
ofghetoghen is van al dien dat God niet en is,
Ned. Proza 191. — Ook met weglating van den
2den nv., die den schrgver in de pen bleef, waar-
Hchijniyk wegens het aanw. vnw. in den vorigen
regel. II Ende die sal men scuwen altoes, ende af-
tien met goeden staden, Doet. II, 2138. — Ere
dinc afge togen sijn, van iet* afkeerig zijn^ er
mede in strijd zijn. || Ende dese versameninge der
scriften, die der waerheit niet afgetogen en siin,
wil hi . . sinen gednchten here te love scenken,
Clere 2.
Bedr. — 1) J/trekken, uittrekken ^ a/doen, van
kleederen of wapenrusting gezegd ; hetzij aan zich
zelven, hetzij aan een ander persoon, die in den
3den nv. wordt uitgedrukt. || Dander (leeuw) gegre-
pene mettien tanden , ende togene Hoe mettien scilde ,
dat hine aftoech, wildi oft ne wilde, Lane. II,
25179. Ende vingene, ende toegen hem den helm
af saen, II, 17420, verg. 18702. Hi sloech an
dien helm die hant, ende togene hem af, II,
22002. Doen gingen si aftien wapenroc ende bra-
chieren, Heelu 7286. Mijn gewant wonde hy mich
avetyen, Serv. II, 1952; enz.
2) A/trekken, a/rukken, inzonderheid van de
huid of van lichaamsdeelen gezegd. Met een per-
soon in den 3den nv. || In dien slinken arm hi
vloech , dien hi hem al avetoech , Belg. Mm. 7 ,
445, 131. Es hem sijn vel afghetoghen ende an
ene want ghesleghen, Nat. iBl. III, 2322. Doe si
den vale in die handen had , soe toech si den hals
voer sijn oghen of, Oesta Éam. f. lOQd.
3) Met eene zaak als voorwerp en een persoon
in den 3den nv.
a) Enen iet — , iemand iets af trekken ^ ontruk'
ken^ afhandig maken ^ ontrooven. || Ende ginc alte-
male in hant watter was, borge, lant, ende hevet
heme avegetogen, Lorr. I, 1511. Dat dat heilige
rijck altoes eeregiert sonde wesen van den Duut-
Hchen . . . zeder dat dat ryck der (/. den) Grieken
ofgetogen wort bi gemenen rade der heyliger
kerken ende des heyligen rycx, Clerc 10.
b) Enen iet — , iemand iets onttrekken, wei-
geren, opzeggen. || (Twi) die drie staten des lants
sinen lieven Heere ende broeder allen
dienst ende ghehoorsaemheit afghetoghen hadden
ende wederseit, Brab. Y. YII, 12557. Al is dat
sommige coningen ende vorsten mit onbekentheit
ende mit wille den heylighen ryck hoir onder-
danicheit afgetogen hebben, Clrrc 3.
4) Iet — , iets aftrekken, afnemen van eene
hoeveelheid. \\ Ende dat zy niet meer dan 14 schot-
ponden eerst geseyt en hebben , dat hebbei n
gedaen omdat zy aftoegen de reiteu , Jm/orm. 68.
De wedden van den gaerders afgetogen, 168.
5) Als reflexief gebuikt Hem aftiei ere
dinc (dat.), ziek aan iets onttrekken, ziek erwt
mede inlaten. Hetzelfde als de bet onz. 2). || Die
hem aftien den souden clein no groet, Belg. Mn.
1, 183, 4.
AFTOGELIJC (aftogelic), -like, biw. Yn
Aftien, aftrekken: zie ald. Afgetrokken, t w. i)s
grammatische term , letterlgke vertaling vai ektrui
in tegenstelling van concreet, tn van woorden goegé.
die een begrip in het afgetrokkene uitdnkkei
II Dese nomina, al ist dat si abstractiva sga, dii
is aftogelic, si dienen onderwilen voer dei ^-
sonen, Barthol. 6«.
APTORNEN, zw. ww. bedr. In onze bet Tfl.
Ifed. Wdb. op Aftornen. Naden laswuken, êftf-
nen. \\ (Hi) began een sticke daer onder liiarK
ghevoedert was, of te tornen, Ms. 88/. 81^
AFTREDEN (trat , traden , getreden) , st wv. flit
Mnd. aftreden.
1) Weggaan, heengaan , verdwijnen; overdnclitel|L
van gewoonten of hoedanigheden gezegd, voor»
onbruik raken. || Tusschen der see ende dei R|i
es trouwe al afgetreden, Fad. Mus. 4 , 86, 749.
2) Met eene zaak in den 2den nv. Des — ,^
afstand van doen. Verg. hd. abtreten (D. ÏÏtk. L
143). II Souden si ons thertoghedom Toorscreveini
Lutzenborch weder overgheven, . . entie voogtö
van Elzaten . ., ende des vertien ende aftnda,
Brab. Y. YII, 2559— C4. — Ook reeds met e»
zaak in den 4den en een persoon in ^
3den nv. Enen iet — , aan ieaumd iets afitt»,
verg. hd. einem etwas abtreten. Hier staat h^ vocrJ
reeds op de grens tusschen intransitief en trüfi-
tief. II {Si) en selen die selve voorscrevcn dn*
slote niement innegheven noch aftreden in gbeeyi
keere, Brab. Y. VII, 2887.
AFTRECKEN {trae, traken, getreken, of trodn-
getrocken ; en trert€ , getrect) , st. en zw. ww. flit
en bedr. Mnd. aftrecken. Zie Trecken.
Onz. — 1) Aftrekken, wegtrekken, ziek «r-
wijderen. \\ Dus ghevielt so, dattie grave wedr
achterwaert trac ave, Stoke VII,. 1089. D»
heren syn afgetrect doe in hare paweiioer,
mttek. v. Sass. 142. — Als znw. || Soe heeft fci
haers goet onberen ende sijn aftrecken ten be*t«t
Limb. I, 1642.
2) Zich onttrekken (aan iets) , zich er niet ntk
inlaten, er afkeerig van zijn. Met eene bepaling n^
het voorz. van. Yerg. Achtertien, onz. 2),Ach-
tertrecken, onz. 3) en Aftien, onz. 2). || AÜa
dengenen die tallen stonden aftrecken van boefi-
zonden, Lanc. III, 6351. Ofgetrocken van ^
souden seden, Amand II, 6063.
Bedr. — 1) Aftrekken, uittrekken, afdcen,^-
doen, van kleederen of wapenrusting gezegd; betq
aan zich zelven, hetzy aan een ander persoon, d»
in den 3den nv. wordt uitgedrukt Verg. Aftiex,
bedr. V\. \\ Want 'alsemense te bedde leet, a»
trecket nem altegader af so wat men hem teerst»
angaf, Sp. I«, 71, 39. Ende trac af sine 8C0«<"
Sp. III», 28, 38. Die sine scoen te hant tnc «•
III', 50, 15. Doe trac hem Bohort den helm «,
Lanc. II, 17688; verg. 6969. Trac hi sinen helm of
ter stede, Wal. 6547. — Ook in den zin wi
afdoen, wegdoen, wegnemen. \\ Dattu mine «^^
niet afdoen en snltste na mi , noch dat gi mi"**
uaem niet of en trect van mijns vader hny», **•
B. I Sam. 24, 22.
!85
AFTR.
AFTU.
286
2) Aftrekken^ afrukken \ van saken die aan iets
aders bevestigd syn ; inzonderheid lichaamsdeelen.
I Ende trac hem dien helm af so fellike, dat hi
em hadde wel nalike sinen nese afgetrect daer
lede , Lanc. II , 2621 . Ende trac hen (d£n tlangen)
lioft af thanden , II , 18763. Doen quam een nevel,
iene {den vnjnêtok) stac ende dat bloysel avetrac ,
'elth. VI, 7, 41. Soe dede hij haer borsten of-
recken, Pats. W. 48^. — Ook met een pers. obj.
I Want het ware onschone dinghe, dat iemene
in die galghe hinge, baden die Jueden dat men
den gekruisigden) brake hare been ende mense
ftrake, Sp. l\ 31, 63. — Figuurlijk ook van
igenschappen , die iemand aankleven. || Aftrec-
;ende die wreethejt sijns moedes, Pass. W. 162^.
3) Met eene zaak als voorwerp, t. w. eene
»ezitting, die aan iemand toebehoort of aan iets
erbonden is. Ook met een persoon of eene zaak
Q den 3den nv. Enen of ere dinc iet — ,
iemand) iets ontrukken , afhandig maken , ontrooven ;
\et van eene zaak losmaken ^ er van scheiden^ weg-
xemen. \\ Want hi die den voorspoet gaf, machen,
ril hi, weder trecken af, Lsp. I, 31, 57. Dat die
lertoghe Anthonys tlant van Lutzemborch trac
len hem, ende den rike van Behem aftrecken
v^oude, Brab. Y. VII, 3448. Die scouwende
nensche die syns selfs ende alle dinghen verteghen
leeft, ende gheen aftrecken en ghevoelt, om dat
u ne gheene dinc met eyghenscape en besit,
iuusbr. 6, 199. — Ook met weglating van het
»bject. II Jeghen gulsicheit selen wi minnen ende
rerkiesen mate ende soberheit, ende altoes ons
iel ven avetrecken, ende min nemen dan ons ghelust,
ftuusbr. 6 , 1 (by Sur. nobis semper subtrahendo).
— Als znw., in den zin van afleiding, aftrekking,
II Het is een vlien..alre dinghe die onsindesen
leven een oftrecken of een wederwerc maken mo-
fhen van der naester volcomenheit , Stemmen 96.
4) Reflexief gebruikt: Hem aftrecken, in
lenzelfden zin als het onz. Zich verwijderen, zich
terugtrekken {van iemand). Verg. Achtertrecken,
t>edr. 4). || Some traken si hem bet af in die
«rilde foreesten bet uut, J^. III» , 41 , 14. Maer
ammer trecke di bet of van sconinx dochter telker
stede, III», 77, 8.
Aanm. Bg Ruusbr. 6, 209 vinden wy het
tegen w. deelw. avetreckende, naar het schijnt,
idverbialiter gebezigd: || Ende dese salicheit vreest
hi te verliesene; want hi mint hem selven meer
dan Gode ; ende hi mint die salicheit avetreckende
om syns selfs wille; by Sur. blootelyk: sua
duntaxat causa. Waarschynlyk bedoelt Ruusbr.,
dat hij de zaligheid, ze op zich zei f beschouwende,
in het afgetrokkene , om zijns zelfs wil bemint,
m. a. w. uitsluitend om zich zelven.
AFTRECKERE, znw. m. Beroover, roover. Zie
Aftrecken , bedr. 3). De Bedelmonniken worden by
Velth. VII, 20, 63, aldus aangesproken: || Pre-
dicaren der behaechiyehede , ende avetreckere der
rychede, ende wechwerpers die (1. der^arme goet
AFTRECKINGrE, znw. vr. Verg. Aftrecken.
Onz. l).Het aftrekken, verwijderen, verdwijnen , h^
uitbreiding, vermindering, afneming, ten aanzien
van kracht en bloei. || Want natuere faelgieren
begonste met oftreckinghen harer woenste, ende
die oude hem anequam, die hem siereci^ht benam,
Jmand II , 5385.
AFTRONC. „Af-tronck, vetus Flandr., j.
basterd. Nothus , spnrius. " Kil. Verg. Avont-
TRONC.
AFTUGEN, zw. ww. bedr. Mnd. aftngen. Met
een persoon in den 3den nv. Enen iet — , iemand
door getuigenis voor den rechter zijn goed ontnemen.
II Wie met liste den armen sijn goet afwint, seker
dat es des duvels kint, omdat sijt ghewinnen met
haren valschen sinnen, ende tughen hen ave haer
goet, X Plagh. 1888.
AFTÜUSCEN (aftuyscen), zw. ww. bedr. Mnd.
aftuschen. Zie TuuscEN. Met een persoon in den
3den nv. Enen iet — , iemand iets op bedrieglijke
wijze afhandig maken, afzetten. Verg. AfdriEOEN.
II Dat si tfolc aldus bedriegen, haer geit aftuyschen
ende ontliegen, N. Doet. 413.
AFVAGEN, zw. ww. bedr. Zie Vagen.
1) De tegenwoordige beteekenis Afvegen. \\ Vaecht
uwe nueze al', Han. H. 66. Dan vaghet of met
stoppen ofte met eenen cleenen cleede , Jan Yp. 60.
2) Wegvagen, uitvegen, uitwissehen, en bij uit-
breiding uitroeien, || Die ghevet ende hem na be-
claecht, den danc siere gichte hi afvaeght, Vod.
Mus. 2, 176, 20. Saulus, die met z waren plagen
kerstin gelove waende afvagen, Wap. Rog. 1037.
O Maria, weerde maecht, hoe es edelheit dus af-
gevaecht! Vierde Mart. 321.
AFVAL (affal), znw. onz. Toevallige of bij-
komende bate, tegenover rente of vaste inkom-
sten; thans emolumenten geheeten. || Sine rente
ende syn affal, Heim, 119 var, In het Comb.
hs. (vs. 125) afval, het tekst-hs. by Clarisse
ttpval. Zie Opval. — Afval tan vee. Vgl. Ndl.
Wdb. 1,' 1714. II Mense van smere van desen
5 rindren . . 16 se. Item Floirkyn van offalle,
van den stic 12 d.. Rek. d. Graf. 2, 4. Van scapen
ende van den of- valle van den scapen. Rek. v.
Zeel. 2, 50. Van ofvalle van 24 scapen, ald,
AFVALLEN {viel, vil of vel; vielen, gevallen),
st. WW. onz. Mnd. afvallen. In de hedendaagsche
beteekenis, doch in gewyzigde opvattingen.
1^ Nedervallen, naar beneden vallen,
a) Eigenlyk. — a) Met een persoon als onder-
werp. II Ende doe hi ghehangen was, . . te hant
brac syn seel ende hi viel of, nochtan soe en
quetste hi hem niet. Pass. W. Zbb. Doe al dat
ghesinne . . . vernomen hadden, dat de wachter
ofghevallen was, Hs, 87, f. 91 rf. — Inzonderheid
van V paard vallen. \\ Maboen viel af ende tpaert
stont stille. Letter k. N. W. 7', 133, 131. Miteres
die viel af te waren, Troyen 6077. Nu was Tumus
yerst ververt: hi viel af in die rjrvier, Troyen
f. 268r. Sijn ors snevede .... ende hi viel af
ende brac syn been, Velth. II, 33, 52.
^ Met eene zaak als onderwerp. || Namels soe
viel dit of {een sieraad) ende daer om bleef boven
opten tempel een open gat, Pass. W. 3r. Doe si
die paerle int midden een gulden cruus gheset
hadden, so vielen die ander stenen of die an dat
cruus stonden, lid,
b) Overdrachtelijk. Met een persoon als onder-
werp. Afstammen, voortspruiten, gelijk de vrucht,
die van den boom valt, uit dien boom is voort-
gesproten, II Geboren ute Gallen, van maten lieden
afgevallen, Sp. III», 19, 65.
2) Met eene zaak als onderwerp. Afgelegd worden ,
ophouden, van hartstochten of driften gezegd. ||
Alle die nide die vallen af, Rijmb. 9918 (Vuig. II
Som. 3, 13: j^faeiam tecum amicitias^^).
AF VANGEN {vi$$c, vingen, of vengen , gevangen) ,
st. WW. bedr. Met een persoon in den 3den nv.
Iemene enen — , iemand een ander ontrooven
door hem krijgsgevangen te maken, \\ Dat die ge-
vangene, die her Johan van Moersse an synre
hant heeft, niet as goet en weren alse die ghene,
287
AFVA.
AFVK.
288
die hem afgevangen sjjn, Nyh. 2, 187 (a. 13G3).
Van den gevangenen, die ons . . binnen deHen
lesten orioge afgevangen sijn, 3, 218 (a. 1399).
Alle gevangenen, die die eyn parthie den anderen
affgevangen hebn, 4, 391 (a. 1467). Alle ge-
vangenen, die onsen genedigen heren . . bynnen
de.ser veden . . affgevangen syn, 5, 134 (a. 1481).
Die Gelresche . . vengen hem by wylen of een
deel arme Inden, Matth. Jnal. 3, 399. Dieghene,
die die van Tartarien den Romeynen of hebben
ghevanghen, zijn jonghe . . inden, mer die van
Romen hebben die van Tartarien ofghevanghen . .
goede vroede princen, Sehaahp. Ma.
Aanh. — Hs.v. 1348, 264<?: „God 8alo/rfl;i^^<?»
alle tranen van haren oghen", leze men ofvayhen,
Vgl. Openb. 21 , 4.
AFVAREN {üoer^ voeren ^ gevaren)^ st. ww. onz.
en bedr.Mnd.ö/pör^;». Zie Varen en verg. Afvokukn.
Onz. — 1) Met een persoon als onderwerp.
Afrijden ^ wegrijden^ inzonderheid met vijandige
oogmerken. || Die ghene, die des namen goem ,
mochten sien, ende hi voer af. Tronen 4539.
2) Met eene zaak als onderwerp. Met eene tneUe
beweging {van iets) afgaen of afgescheiden word^fn ,
afvl%egen\ van lichaamsdeelen gezegd , die door een
zwaren slag van den romp afvliegen. || Ende verhief
enen slach so groet, dat avevoer dat hoet, Zwr. II ,
1995. {liet zwaard) dar hi hem met enen sloch gaf, dat
thoeft van den slage vor af, Lanc. Il, 18927.
Tgoede swert metten tween ringhen, dat het ghe-
rochte dat voer af. Wal. 6193, (vgl. 7072: Dat hi
gheraecte, dat ghinc af^. Enen slach dat hem her
Hector gaf, dat hem aie kraghe voer af, Troyen
6480 (var. die arm).
Bedr. — Afvoeren^ uitvoeren van waren. \\ Ende
wa.s aldaer verboden eiken upvarens , ofvarens ,
an varens, Invent. v. Bntgge 6, 50.
AF VECHTEN {vacht, vochten, gevochten) , st. ww.
wederk. Hem enen — , zich door vechten aan iemands
macht onttrekken, zich van hem vrij maken. || Si
vochten hem selven mltter hant den vianden af,
D. JTar. 9, 150, 304.
AFVEGEN, zw. ww. bedr. Wegvegen, bij uitbr.
ook b. V. van hettf/itajojD^n van boomtakken. || Die
derde joncfrowe besnit die boeme ende vegt af
dondragtege twige, Limb. Serm. llSc.
AFVELLEN , zw. ww. bedr. 1) Met een persoon
als voorwerp. Doen ned^rvallen, door een slag met
geweld van V paard doen valhn. Verg. Afvallen.
II Van Loen die stoute grave velde menigen man
dair ave met sinen sweerde, datseresneet, (7/nm3.
II, 2854 var.
2) Met eene zaak , t. w. eene stad enz. als voor-
werp. Nedervellen, omverhalen, verwoesten. || Ende
voer alsoe in haren lande, beide met rove ende
met brande , ende velde hen af vesten ende steden,
Brab. Y. I, 1424.
AFVERBRANDEN , zw. ww. bedr. Hetzelfde
als Afbranden. Geheel verbranden, door brand ver-
woesten. II Ende verbranden die stede in den
gronde toe af, met XVII dorpen daer omme
leggende , Exc. Cron. 1893.
AF VERMOORDEN, zw. ww. bedr. Enen enen
man — , hem door moord berooven van , hem doen
verliezen door moord. Vgl. Afmoorden. || Die
hem sijn waerlike scat stael of die hem die sijne
ofvermoerde, Con. Som. 460.
AF VERRADEN (verriet, verrieden, verraden),
st. WW. bedr. Met een persoon in den 3den nv.
Enen iet — , iemand iets door verraad ontiarldigen ,
op verraderlijke wijze ontnemen. \\ Of my ende
mijne erven dat selre mijn huyn mit gmntxer gewtll
affgewonnen off . . affverraden ende soe gnmoemaa
wnrdc, Nijh. 4, 254 (a. 145(»).
AFVERHCEIDËN, st. ww. bedr. Hetxelfde ab
Afscheiden. || Ist dat die splinter is ofTerseheidei
van dat ander been , dan salmen dat vleisk opUka
ende doent unt, Lanfr. 137 v.
AFVERSLAEN {verstoet of versleet', versU>erh.
versloegen ; verslagen , versiegen) , st. ww. bedr. Jlet
een persoon in den 3den nv. Enen sgn volc— .
iemand (een veldheer , een leger) zijne wusmscJk^fet
doen verliezen door ze te verslaan. Hetzelfde ib
Afslaen 3). II Daer worden hem afversle^s br
V« goeder liede, Belg. Mus. 4, 201. Ende lii
versloech den heydenen of twee coningen «^
ontallike veel volcx. Ere. Cron. 62c.
AFVERTEGEN (afvortegen),zw. ww. omx. Yu
vertieh (vortich), d. i. rot (z. ald.). Afroftm, tty
rotten. \\ En hevet niet so vele gehele sledes,
datter tfoetsel dore mach comen met den geesta.
so verderft dat stuc ende vertecht af, Hs. Yji.
118*.
AF VERVREEMDEN, zw. ww. onz. Eene niet
aan te bevelen samenstelling, die men leest D.I.
Jesaia 1 , 4 : Si blasphemeerden den heylighea w
Israël , si syn afvervreemt achterwaert , ter ver-
taling van lat. : abalienati sunt retrorsutm.
AFVILLEN, zw. ww. bedr. In onze bet, , doek
minder eigenlijk gebruikt van een baard: Met re'
en al afrukken. || So sal ie te dy ember kona
ende dinen baert nemen . . , want ie salne dv »i
doen villen dines ondankes, Merl. 34009. — V^
Afvlaen.
AFVLAEN {vloech, vloegen, doch de vcrl. ^
komt niet Yoor ; gevlegen of gevlogen) , si. w^w. bedr.
Zie Vlaen. Af villen, afschaven. || Dit sacht en^
ghenest alle verberrenteit ende gheneest daer è^
vel ofghevloghen es. Jan Tp. 174. Hi dede éf
slinkerhant afvlaen , Segh. 11669. Doe dede ki
ofvlaen sijn vel, 11749.
AFVLAGEN (vloech, vloegen, gevlogen offfevlege»:
vlaechde, gevlaecht), st. en zw. ww. bedr. Wis«l-
vorm van Vlakn : zie ald. Bij Kil. YlaeB.
vlaeden, vlaeghen, Flandr. villen. AfriIIe%.
Zie het vorige art. || Doe sy hem achter wd
bezaghen, hoe hem die swaerde wasoffghevlaeckt.
doe worden sy bloede ende versaecht, Hild. 91,
126 (var. afgeblaect).
AFVLIEGEN (vlooch, vlogen , gevlogen) ^ sLww
onz. Mnd. afvlegen). Met eene zaak als onderwer^^
Met eene snelle beweging (van iets) afgaan of afgf-
scheiden worden. Verg. Afvaren. || So dat hi hea
enen slach gaf, dat hem dat mnseel yloech at
Lanc. II, 4615. Dat hi hem thoofd dede vliegies
af, Grimb. I, 446.5, verg. 4519. Dat hemthoeflaf
vloech verre, II, 2819. Men sloech hem thoefl 01'
tien stonden. Doent afvloech, ten selve male Xove.
God in Ebreuscher tale, Yst. BI. 627.
AFVLOYEN , zw. ww. onz. Wegvloeien^ wef-
stroomen, door den stroom wegslaan. \\ Ende hebbêt
nu groote scade geleden by den stormen, esdf
hem zijn 2 huysen ofgevloyt, Inform. 631.
AFVOEREN, zw.ww. bedr. Met eene zaak al^
voorwerp.
1) Iets met eene krachtige of snelle he^egmg vmê
iets anders doen afgaan of afscheiden', aftlaam,
afstooten, doen afvliegen. Verg. Afvaren en Af-
dragen. II Maer Ritsart geraecten weder op dci
bokel van den scilde , weder hi wilde ocht es
wilde, hi voerden hem af altemale, £orr. II, 4227.
Ende slouchene opten scilt , dat hine tsiere
289
AFWA.
AFWE.
290
ongpewilt hem afvoerde altemale, Lhnè. II, 1201.
2) Ene bootscap — , eenen last overbrengen^
d. i. er mede afvaren of vertrekken. || Dat men
enen anderen bode name , die dcse bootscap voerde
ave, Qnmb. I, 1983. Vgl. De Vries, Mnl. Wdb, 157.
AFWAERTS,bijw., hd. abwartê. Weg, heen, af-
waart*. \\ So en sal gheen poorter afwaerts varen
noch gaen ... om wijn te drincken of bidden te
drincken of comenscap daer of te maken , buten der
vriheit, O. K. v, Bordr. 1 , 33, 99.
AFWA YEN, zw. ww. onz.
1) Wegwaaien, vervliegen. || Sulc prijs ende sulc
lof waeyt mitten winde of, 3Ialeg. 364.
2) Naar beneden waaien, omwaaien. || Als nu es
heurl. molen afgewaytende naer afgebrant, /M/orm.
146.
AFWASSCEN, st. ww. bedr. {afwiesc, af gewas-
teen), mnd. afwoichen. Afwassehen in eig. en fig.
sin. II Dat God ofwiesch de overmoede aldus met
Serstinen bloede, Stoke II, 823. Dat de here
)fwassce die onreinecheit der dochteren van Syon,
Re. V. 1348, 147a.
— Afl. Afwasscinge. || Die avewasscinghe
les vleesch onreinecheit, ald. 133c.
AFWEGES (afweeos, afweechs), bijw. Van
len weg af, op eene verborgene plaats, in ^t ver-
torgen. II Daer si misse zouden lesen, dat moeste
leymelike wesen in kelren ofte in crochten, ofte
►fweges in hagedochten. Lep. II, 46, 75 (var.
ifweges en afweegs). Lichameliken absent ende
fweechs, Hofk. v. Dev. 13r. /
AFWEIGÈRINGE , znw. vr. Waarschijnlijk ge-
'ormd in navolging van lat. denegatio. Ontkenning ,
et niet toekennen van iets. \\ Ommetelic beteykent
.at godlic wesen ende beteykent een ofweygeringe
er stedeliker maten, Bartkol. Qa,
AFWEKEN (Afweiken), zw. ww. bedr. Af wee-
ën , voorzichtig afscheiden door te bevochtigen en
wek te maken. \\ Ie nam laeu water ende ie suverde
'el van den bloede, ende ie wecte die plasteren
aer mede of, Jan Yp. 189. Als gijt af wilt doen ,
) suldyt afweiken, dat die huut niet en volge,
r*. Yp. 39tf.
AFWENDEN, zw. ww. ovlz. Aftrekken, wegtrek-
en, van eene legermacht gezegd. Verg. Aftien
az. 1). Il Hier naer zgn si afghewent ende quamen
I Ghend sonder letten, VI. Rijmkr. 6875.
AFWEREN, zw. ww. bedr. Van getuigen bij
m rechtsgeding. Weren, aU zoodanig niet toelaten,
raken. || Van die getuyghen en sal men nyemant
fweeren dan viande van dootslage oflf die ghyene
ie onwittachtich sijn off die onse mannen redelick
iinct dat men billick weeren sal , V. d. Wall 436
t. 1417).
AFWERPEN, afworpen {warp, waerp, werp of
orp ; worpen, geworpen^, st. ww. bedr. Mnd. afwerpen.
1) Iet — , iets van zich werpen, t. w. een last
e op iemand drukt. || Doe dat water uten vate
srteert was, so worp si dat kint of onder een
in den bomen die daer waren, D. B. Oen. 21,
>• — Figuurlijk van verplichtingen, zonden,
irkeerdheden, enz. die iemand aankleven. || Konden
i . . om Gods willen uutwendighen troest ende
shaechlicheit der menschen ofwerpen , Stemmen 59.
^erp of die wercken der donckerheden , Pass. W.
\c. Dese vrie wille . . . heeft afghe worpen
ide ontseghet dienst des viants, Ruusbr. 4, 197.
2) Iet — , iets verwerpen, versmaden. || En
erp minen raet niet off, Hs. v. 1423, 232a. Die
[jsheit of discipline ofwerpet, hy is onsalich,
)Sa. Die discipline ofwerpt, hi versmaet sine
ziele , B. B. Proverb. 15 , 32. Dat ander deel
wert geworpen af, als oft die sant dat onwert
heeft, Sp, !!•, 48, 36 (van eene ojferkcuirs).
3) Enen — , iemand met geweld van eene plaats
werpen, terugwerpen, afslaan. \\ Sy lieden comen
seylende voer Gayetten , wordden daer afgheworpen
ende gheschoffiert van den Jenevoysen, Cron. v.
Vlaend. 2, 35.
4) Enen of iet — , iemand of iets nederwerpen.
a) Met een persoon als voorwerp. Enen — ,
t. w. eenen ridder in den stryd, nederwerpen, uit
den zadel werpen. Verg. AFDRAGEN en Af-
steken. II Menegen ridder warp hi ave , Terg.
5265. Daer om moeten wi . . toesien dat dye prince
afgheworpen werde in enich van den passagien ,
die wi te bewaren hebben, Exc. Cron. 236b.
b. Met eene zaak als voorwerp.
«) In 't algemeen, van staande voorwerpen.
Nederwerpen, omverhalen. \\ Datmen die afgode
ofwerp , Lsp. II , 44 , 445. Men warp af also houde
den swarten libaert onder de voet, Stoke IX,
1306. Werpt of die afgoden die in midden uwen
luyden sijn, B. B. Oen. 35, 2.
^ In 't by zonder, van gebouwen enz. Neder-
werpen, omverhalen, gewelddadig afbreken. || Oec
hebben si af die borch geworpen te
Nettelaer, Grimb. I, 3875. Ferrant . . . werp de
brugghe bachten hem aff, om dat hem die van
Ghendt niet volghen en souden moghen, Cron, v.
Vlaend. 1, 125. Dat my mijn huyss tot Nyell . .
van den Brabanderen affgeworpen ende verwuyst
worden is, Nijh. 4, 17 {a. 1423). Die oude huysen
afwerpt ende nveuwedaer opmaeckt, CbwA p. u<»/w.
1 , 360. Item hebben de voimoemde van Dordrecht . .
voir Bommele ende elswaer meulnen afgeworpen,
V. d. Wall 569 («. 1444). Die porte van der stat,
die hi metten mueren van der vesten . . afwerpen
dede, Exc. Cron. 123&. Anno 1466 was tquelloot
huus afgheworpen , Diericx , Mém. 2 , 401. — Veelal
met de bepaling in den gront, toten gronde,
d. i. slechten. \\ Dat beide borch ende sale af was
geworpen in den gront, ende verberrent al daert
stont, Orimb. II, 38. Die hertoge dede, na dien
doene, die porten, die muere onghespaert . .
destruweren in corten stonde ende afworpen toten
gronde, Brab. Y. VI, 3045—50. Was Herkendeel
ghewonnen ende afgheworpen in den gront, Brab.
T. V, 4834. Die borch van Grimbergen . ., die
afgeworpen was in den gront , VI , 2727. Daerna . .
werp men tslot af in den gront, ende destrueeret
altemale, VI, 9319. Die hebben een sterc huus..
afgheworpen tot in den gront, VII, 13849. Meer
andere slote ghewonnen . . ende afgheworpen in
den gront, VII, 17560. Ende worpent . . algader
af tot in den gront, Grimb. I, 3929. Om dat noch
niemant hinder voortaen van der borch crigen en
sonde, so dede hise verderven ende in den gront
afwerpen, Exc. Cron. 126rf. Verg. ald. 109a, 136^;
enz. — Figuuriyk van iemands hoogheid. Neder-
werpen, vernederen, verlagen. \\ In desen tiden dat
dit es selen den Keyser oec nades sine machte
werden genomen, ende afgeworpen . . sine hoecheit
ende sal neder vallen, Velth. VII, 27, 1.
AFWESEN {was, waren, gewesen of geweest),
onreg. st. ww. onz. Met een meervoudig onderwerp.
Van elkander af zijn, afzonderlijk geplaatst zijn,
op verschillende plaatsen berusten. \\ Naer tverclaers
ende uutwisen van den drien cyrographien , van
den annemene ende leveme van den zelven sticke
wercx mentioen makende ende afwcsende , alle
deene uutcr andre ghesnedcn . . ; rustende deene
10
291
AFWE.
AFWI.
292
onder de neeringhe van den scilders,.. ende de
derde onder den zelven Inghelbert, Vod. Mm, 5,
365 (a. 1492).
AFWESEN, WW., Matth. 217, voor af wesen.
Zie by Af (aan H slot).
AFWESINGE, inw. Tr. Afwezen, afzijn, het
niet aanwezig zijn. Lat aètentia. || Als die enwech
gewazemt sgn, wortet (het lichaam) beswaert over-
mits hare afwcsinge wil, Barthol. 67a.
AFWESSCEN. Zie afwisscen.
♦AFWIEGEN, Chimè, I, 44G6Var. Verkeerde
lezing voor af vliegen (z. ald.).
AFWINDEN st. ww. bedr. Met een wimUu naar
beneden brengen, af winden Vgl. Ndl, Wdb. op.
Afwinden. II Boe hy die houtsagers den groten
balck opte scragen halp wynden ende weder of
te wynden, Kek. d. Buurk. 210.
AFWINNEN (wan, wonnen, gewonnen), st. ww.
bedr. Mnd. af winnen. Zie Winnen en verg. Af-
GEWINNEN.
1) Winnen in dé ondere en sterkere opvatting
van in den strijd winnen, veroveren,
a) In een werkelyken strijd of in een beleg.
a) Met eene zaak als voorwerp en een persoon
in den 3den nv. Enen iet — , iets op iemand in
den strijd winnen of veroveren. || Dus wan hi
dien coningen ave hare volc ende hare have,
Rijmb, 1643. Ende orlogede den goeden man , dien
hi som sijn goet afwan, Sp, IIP, 32, 59. Want
die es vele eren wert , die sinen viant afwint sijn
swert, II*, 23, 100. Ende wan hen af menich
velt, daer hise afsloech met ghewelt, Brab. V.
II, 651. Dat hi met gewelt den Saissen afwan
dat velt, S^, III*, 49, 68. Ende wonnen hem af
die stat, III*, 93, 129. Ende wan hem af die
veste, IV*, 4, 7. Die wan of den Philistinen ene
veste, Rijmb, 8861. Ende wonnen hem af met
spoede hare tenten metten goede, Sp. IV*, 4, 41.
{De tenten) worden daer hen afgewonnen, Heelu
6209. (Hi) Street jegen die kinder van Ysraël
ende wan hem een roef of, B, v, 1357 , 63r. Oec
hadden si hem na bi nachte tcapitool afgewonnen
met crachte, Sp, I*, 45, 20. Daer die brugge
hem enten sinen afgewonnen was met pinen, IV*,
26, 101. Ende wonnen den coninc af sijn lant,
Brab. F. II, 4728. Ende wint hem af borghe
ende lant. Wrake II, 1174. Dat ie hem al, sijn
goet, sijn lant, afwinnen sal, Lanc, II, 31747.
Ende wint den andren af sijn goet, Teest. 168.
Enen lant ende leven afwinnen, Sp, I*, 53, 44;
IV», 4, 88. Enen trike afwinnen, Uijmb, 20393,
20449. Ende wonnen hem of de were, Stoke V,
766. Weert sake dat onser liever geminder zuster . .
dat . . tolhuys tot Lobede afgeclommen wurd , of
afgewonnen, of ontweldicht, Nijh. 3, 69 {a. 1379).
Doe sy daer quamen, doe wonnen sy hem die
lantweer af, die te Barnevelt gemaect was, Matth.
Anal, 3, 400. — Enen den wijch — , op iemand
den strijd winnen, de zege behalen. || Maer dln-
gelsche wonnen den wych ave den Walloysen
enten Scotten, Sp, III*, 4, 18. Die hem den
wijch afwan, I*, 3, 7. — Ook met een persoon
— mensch of dier — als voorwerp, die dan als
eene zaak beschouwd wordt. || Want mi berouwet ere
zaken , dat ie Alexandre gaf miere dochter : ie winse
hem af, entu salse te wive ontfaen, Rijmb. 19856.
Dat die crevitse met groten sinne dien visch , dien
si hebben inne , hem ofwinnen ende verteren , Nat,
BI. V, 819 {van de oester), — In figuurlijke toe-
passing, Rijmb, 2186—2214, vcrgeiykt Maerlant de
Joden met Esau, die door Jacob van zijn eerslge-
boorterecht {sine ouderdoeme) was beroofd, ea de
Christenen bij Jacob. || Wi hebben bem met grot«i
roeme afghewonnen hare ouderdoeme , ende al han*
recht ende al haer ere, 2207.
P Met eene zaak als voorwerp, zonder b^ vo^ng
van den persoon in den 3den nv. Iet — , iets m
den strijd winnen of veroveren , overmeesteren. \\ 0«
wonnen si af in den nijdspele die sale, daer Jta
in lach, Rijmb, 30656. Al sinergcheid si afwinnei,
30660. Hoe vaste si in veste saten, si wonncffi«
af, Sp. IV*, 19, 41. Dat hi sijn lant afwinnei
sonde , Flandr, IV , 9. — Ook met een persoon al^
voorwerp , die als eene zaak , als de boit , beschouwd
wordt. II Die van Dordrecht . . . besaten ... dit
casteel . . . ende voerden Aloude hoeren baljn, dies
sy dair ofwonnen, ende sloegen doot, Mntth. ^««^.
3, 190. — Ook zonder bngevoegd object voor w-
nemen, overmeesteren, \\ uot die van binnen hrs
ontsagen jegen afwinnen, Sp. I*, 45, 4^. Daer
binnen sloot hi hem selven jegen afwinnen , I*,38,
70. Dat si hem ontsaghen der Joden afwinnen met
viere, zij vreesden dat de Joden de nieusce werke»
zonden overmeesteren en door vuur vernielen , Bijnk
32904.
b) In een gerechteljjken stryd.
a) Met eene zaak als voorwerp en een persooi
in den 3den nv. In den rechtstenn. Enen iet (of
des) — , een vonnis tegen iemand verkrijgen , w€tarhij
hij veroordeeld wordt tot verlies of betaling , L w.
van datgene dat in het object is uitgedrukt, || Sö
wie 80 andren syne erve afwinnen wille bi der wet
van Ghend, hy moeter jeghen setten dobbel crvf.
Cout, V, Gent 476. Niemene ne mach andren af-
winnen erve no huns, hyne moghe tog^ben éaU
hem toecommen es, 477. Ende bekennet die gbast
op dien dach onsen burgher wcs, of winnet hi bea
wes of met rechte , dat sal hem die borghe betalea
binnen viertien daghen ende dat breefghelt, ead«
en kennet hi hem niet, of en wint hi hem hwi
rechte niet af, so sal onse burgher ghelden dal
breefghelt, Stadr. v, Zwolle 92, 129. (Enen) sinei
kore afwynnen , gelikerwyss off hie daer antworde»
stonde, R. v. Zutf. 36, 125. Of ons dat selve goei
met vonnis ende met recht afgewijst weer end*
afgewonnen, Nijh. 2, 90 (a. 1356). Wes hun d»
rait rechte ofgewonnen wordt of datsii mit genoe§«
bedadingen, dair of sullen wii hebben die tweedeel ,
V. d. Wall 414 (a. 1409). So wie erve besit e<a
jair ende ses weken over eyghen of in poirtrecht.
die en mach mens niet ofwinnen. Leid. Kenrh.
1 , 1. Die rechter en mach hem geen boeten af-
winnen, Matth. 166. Als hem die schout ofgewoa-
nen wort, als bij vonnis wordt uitgemaakt dat hij
de schuld behoort te betalen, d, i. ah de tckmli
deugdelijk verklaard wordt, 151. Eer hy hem boetea
offwinnen mach. Dingt, v. Watert. 21. — Vandaar
de uitdrukkingen: Enen sine ere, sijn lijf,
sjjn hovet, lijf of lit — , iemand eer, lij f of
lid bij rechterlijk vonnis doen verliezen ; hem eerlvot
doen verklaren, ter dood — tot verlies van lijf of
lid — laten veroordeelen , laten brengen, \\ Hca
somen hi hare ere afwan, Sp. IV*, 37, 14. Of
wi hem dat lyf afwinnen, I*, 9, 81. Herodes,
die sente Jan Baptisten sgn hovet afwan, I^,
28, 5. Enen lijf of lit of te winnen, Matth. 64.
Daer sprac hy hem aen mit waerliken rechte ende
wan hem tlijf of, 85. Heeft hy geleide, men mach
hem lijf noch lit ofwinnen, 185. Als een angetast
wort van dieften, is hy poirter, .... lit noch
lijf ofwinnen, 208. Nu ghinct hier op een per-
lement; die dieren, die Reinaerl stonden omtrent,
>03
AFWI.
AFWI.
294
rillen hem sgn IQf ofwinnen, Rem, II, 1891. —
Snen doden man die hant — , van de oordeel-
njzers ten vonm* verkrijgen ^ bepalende dat den
loode de hand zal afgehouwen worden^ ten einde
net de doode hand te klagen. \\ Tan manslacht te
)erechten met des Graven mannen , dats te verstaen,
lat die Heer . . den dooden man sgn rechterhant
»fwinnen aal met recht ende met yonnis , Mieris 2 ,
J9« , V. d. Wall 116 , Oudenh. Z, Holl. 466 (a. 1303).
^aer die Schnlte enen doden man die ofwinnet,
ran dier hant sal hi hebben een pont, Stadr. v,
Zwolle 168, 326. Zie Noordewier, R. 0.277, 416.
fi) Met eene zaak, bep. een onroerend goed als
'oorwerp, zonder bg voeging^ van den persoon in
len 3den nr. Iet — , iets gerechtelijk voor schuld
n bezit nemen. \\ De welcke afghewonnen hadde
Ie looge . . orer de achterstellen van renten van
\ jaren, Invent. v, Brugge 6, 320. By fante ende
^hebreke yan betalinghe . . wettelyc afghewonnen . .
ie ven ghemete lands, 6, 646. De voorsejde Lanwers . .
leeft in den . . steen ghevanghen gheweest vier
)t yyf jaer, binnen welcken tyde zijn hnns daer
ly woonde ende zine catheylen ofghewonnen waren
inde vercocht , CmU. p. Brugge 2, 43. Van naerrenten
ip huusen die ofghewonnen zijn by de voorrentiers . .
Lenghesien dat de voorseide naerrentier hant an
voorseide hnns slaen en wilde, de voorrentiers
liet ofghewonnen hadden behouden zonden thnns
roorscreven bi der virtnnt van den voorseiden of-
irinninghen , 2 , 140 aant. Wat men onsse Patroon,
. off onsse Gasthnyse ghevet, dat en mach men niet
»ffwinnen, Schwartz. 1, 663, 109. Het ne ware
lat yemen spreken wilde te gronde van leene om
if te winnene , Oendsch Chtb. 88. Yan den lande dat
nen achterhaeldt ende afwindt by vonessen van
icepenen , 126. — Ook met weglating van het voor-
verp, en alleen met een persoon in den 3den of 4den
IV. Énen — , een vonnis tegen iemand verkrijgen^
üaarbij hij veroordeeld wordt iets te verliezen of te
'fetalen. Verg. 1, b, a). Ten sy in een sterf hnus,
lair sal die ghene , dies gheert , spreken ende winnen
len weezen af mit sinen eede, alst recht is, . .
en sy dat die heisscher behoerlike kennisse heeft,
ifatth. 104; verg. 164. Also dat Jan vanden Sande
liet offghewonnen en is voir zQn schnlt, O. B, v.
')ordr. 1, 107.
2) Winnen in de jongere en zwakkere opvatting
^an verkrijgen y gedaan krijgen.
a) Iemand of iets afkrijgen , afnemen , t. w. van
latgene waaraan de persoon of zaak was vast-
^hecht. Van de aftieming van het kmis wordt
gezegd: || Doe wonsi Jhesnm of ter stont, O. R.
?ass. 31, 898.
b) Iet — , iets wegnemen, weghalen, t. w. van
Ie plaats waar het ligt. || Item , wien dattet alsoe
gelegen is, dat hy mist voer zgn doer, dye sa.1
nissen op zün eyghen , ende salt ofFwinnen binnen
lerthien daghen , Schwartz. 1 , 663, 107 ; verg. 689a.
AFWINNINGE, znw. vr. Zie Afwinnen, 1, i,
T), Het door eene rechterlijke uitspraak wederver-
rijgen der goederen, waarop men recht heeft,
'eechtelijke inbezitneming , eigening ; ook het rechter-
ijk vonnis zelf, waarbij dit geschiedt-, de afwin-
i i ng e doen, den eisch daartoe instellen. \ \ Welcken
preffler zal gehouden wezen te hondene registre . •
^an allen verghiften landen ende van allen anderen
icten van justitie, als bezettynghen , npdrachten,
andtrumynghen , . . ofwinnynghen ende allen anderen
loedanich die zQn, Gout. v. Brugge 1, 225. In de
i'winninghe, die de vorseide Raessdoen sonde
'an den voirseiden goede, zouden uteghenomen
wesen uutlandsche liede ende onbejaerde kindere,
Ck>ut. V. Gent 696. Segghende voert dat de voir-
seide afwinninghe overleden zgnde, zgn voirseide
wyf nemmermeer ontfanghelic zoude zgn daer
jeghen te segghene te wette, 696. Dat hy als
vooght ende man de afwinninghe doen sonde uter
name van hare, 697. Waert so dat zy eeneghe
huusen oft erve voor principael of acnterstellen
afwonnen, . . dat zy in dat cas de zelve huusen
ende erve weder vercoopen weerlyke persoonen
binnen drie maenden naer de afwinninghe, 669.
Soo vermach partye voorts te procederen ten laste
van de selve hypoteque by eygendomme, afwinninghe
ende decrete , 270. Chaertre van ofwynninghe , acte
d'éviction, Invent. v. Brugge 6, 442. Wettelyc af-
ghewonnen . . zeven ghemete lands ende dat voor
eene somme van penninghen begrepen inde wettelyke
afwinninghe, 646.
AFWISEN (wisede, aewiset, of wijsde, gewijsf) ,
zw. WW. bedr. Mnd. afwisen. Zie Wisen.
1) Wisen in den zin van rürA/^,#^tfrA». Enen — ,
iemand afwijzen, terugwijzen, wegsturen. \\ Achter-
waerts ghedronghen ende verre ofghewï[)st, Hs.
87 /. 68tf.
2) Wisen in den zin van eene gerechtelijke uit-
maak doen, als rechtsterm, yfdATYva otïs gewijsde \
verg. Aen WISEN.
o) Enen iet — , iets aan iemand bij vonnis of
rechterlijke uitspraak ontzeggen. \\ Of ons dat zelve
goet met vonnis ende met recht afghewyst weer,
Ngh. 2, 90 (a. 1366). Op de selve submissie
hadden wy . . heuren medepleghers by onse sen-
tentie ende vonnisse verklaert ende afghewijst alle
hare rechten enz., teghen ons verbeurt te wesen,
Lams 69; Handv. v. Medembl. 42a. Van broken
wert hem miter ende staf ofghewgst, Matth. 84.
Daima wort hem ofghew^jst die casuffel , ald,
Doe worden hem slotel, boeck ende ampullen
offghew^'st . , ; doe wert hem dat choircleet
ofghewgst, ald. — Enen den hals, iemand bij
vonnis veroordeelen om den hals te verliezen, hem
veroordeelen om onthoofd te worden. \\ Daer wgsde
hem die rechter den hals of, Clerc 31 {Ned.
Proza 66).
b) Enen iet — , iets aanwijzen om het aan
iemand te geven of het hem vit te betalen. \\ Overmids
desen sal mgn genedige heer . . my betalen uut
sinen renten der stat ende meierien van den Bosch,
die hi my sal doen af?risen van sinen rentmeester,
Nijh. 3, 324 (o. 1412). Yoert en selmen gheen
recht doen van wetslegghen (van wedde, pand) of
van verspeelde ghelden. Ende wat sekerheden
dat men dair of maket en selmen niet offwijsen,
uutgheseit van geoirlofde spoelen, dair selmen of
rechten, O. K. v. Delft I, 14, 6.
3) Afwijzen, ontzeggen in ruimeren zin. Ygl.
Ndl. Wdb. op AFWIJZEN. II Ghebenedijt si God,
die niet ofghewiset en heeft mQn bedinge , ^«. P«.
70r. Dat men mit sonderheiden den eenen toeleit,
dat wort den menichten afgewist, i^. d.M.1, 7c.
AFWISSCEN (afwesscen), zw. ww. bedr.
Afwisschen, in dezelfde beteekenis als thans,
doch in eenigszins verschillende toepassingen.
a) Yan een glans gezegd. Vitdooven , verduisteren.
II bie claerheit wort zeer affgewesschet, MLoep
II , 1622.
b) Overdrachteiyk van menschen gezegd. Vit-
vagen uit de rij, verdelgen ^uitroeien. \\ Endedaerom
waren si afgewischt van den kinderen van Ysrahel ,
Barthol. 492 {fuerunt deleti).
AFWOEKEREN , zw. ww. bedr. Mnil. afwokern^
295
AFWO.
AGIN.
296
Met den 3den nv. van den persoon. Enen iet — ,
iemand iêt* door icoeker ontrooven. || Ende luidde
hi meer dat hi meer g^ve den i^henen, den hijt
ghewoekert heeft ave, N. Doet. 2^iH0.
AFWONINGE , niw. vr. Van a f w o n e n , d. i. ra»
tooonplaaU veranderen , elders tconen ^ vgl. Afsrtkn.
Verandering van domieilie. \\ Ten ware int ca«
Tan afwoninghe, latitatie, absentatie ende ylncht,
Cowf. V. Gent 24, 13.
AFWORPEN. zie Afwerpen.
AFWRINGEN (wranc, wrongen^ gedrongen) ^ Ht.
WW. bedr. Met aen 3den nv. van den pernoon
Enen iet — , iemand iets door wringen afrukken ,
met geweld van het lijf wringen. \\ Ende hiel tlat
men hare die borsten avewringe, Sp. II*, 5, 10.
AFWRIVEN (wreef ^ wreven^ gewreven)^ st. ww.
bedr. In de hedendaagsche beieekenis, doch in
gewijzigde opvattingen.
1) Af wrijven^ aj schuren. || Doe dese man was
in die molen, soe begreep met ongheval sijn hant
den molensteen ende ver{>ersteKe soe , dat hi daer
vel ende vlejsch ende senen in beyden siden of-
wreef totten been, P«#. W. '6hc.
2) Af wrijven y uitwisschen, overdrachtelijk gezegd
van eene smet of iets dat als eene smet of blaam
op iemand kleeft. || Dat een . . al sijn smitte
afwrive, daer syn ziele es mede belast, N. Doet.
2305. Doen syt oec, hem sal becliven myn ban,
ende sine salne afwriven mogen oec niet nochtan,
trap. Mart. III, 7.
3) Met een persoon in den 3den nv. Enen
iet — , iemand iets ontnemen of betwisten. \\ Rei-
naert die sel Reinaert bliven: dat en can hem
niemen ofwriven, Bein. II, 7555.
AGEDOCHTE. Zie Hagedochte.
AGEER, znw. m. Vermoedelijk eene verbastering
van atgeer ; ohd. aziger ; mhd. aziger^ atiger ; ags. atgdr
(Ettm. 435); ofri. etger. Volgens Grimm. Gr. 2,
717, nit Geer (zie ald.) en het voorz. az, got.
at ter versterking der beteekenis. Bij Kil. nog in
den vorm: „Xg gher, j. eggher, terebra.^^
Korte werpspies. || Mit sclingheren consten sy
werpen seer, elc man had twee agheer ende enen
scarpen harden steen , Troyen f. 261 ff.
AGËLEEN, Ageleer, znw. Benaming cener
kleine buitenlandsche munt. || Tc offeren 5 aghelenen,
enen dukaet voer 60 aghelenen gherekent, valent
1 gr. 4 miten. Rek. d. Gr. 3, 87. Negheu aghelenen
valent 2 gr. 3 miten, ald. Om een halten horen,
die mijn heer selve cochte 10 agheleren, 1 ducas
voer 60 agheleren, ald. 135.
AGELEN. Zie Achelem.
AGERSTE , omzetting voor Agester^ thans Ekster.
Zie Aexter. || Alsmen an dagherste siet wale.
Nat. BI. III, 78 var.
AGET , znw. m. of onz. Mnd. aget ; verg. ohd.
agistein ; mhd. agestein , agetstein. By Kil- „ A g h e t ,
j. ghet, gagates y gangitis. Swertghet, Thradus
lapis y gagatidis species nigri coloris]" eug.jet^ git,
zwar te barnsteen (Muller I* , 634) ; ofr. j'ayet (Littré
3, 166 op Jais). Barnsteen. || Wouter de pa-
trenostremakere vercochte ter kermissen alle sine
patrenostren van kerstalle , van ammere , van glase ,
van hoome, van aghette, Livr. d. Mest. 39.
AGGERE. Benaming van een oud ambacht op
Zuid-Beveland , dat na herhaalde overstroomingen
eindeiyk aan de kust van Noord-Brabantaangedijkt
werd en den polder van den „Grooten en Kleinen
Agger'' uitmaakte, Oorkb. 1, 204i ; Mieris 2, 128/i
(a. 1312) „buiten dycs den agghere. " Over den
vermoedelijken oorsprong der benaming zie Ndl.
Wdh. 1 , 2067 vg. en vgl. Tegenwooréife Stsat rci
Zeeland 1 , 319.
A(iINE (V. d. Wall 325). Zie Exgiene.
AGOëN, -ne, znw. m. Lat. agom {mÊortis} bf
Duc. 1, 147, van gr. a^iör, worst^lstr^d , vn-
waar ook fr. agonie. De doodstrijd, het sterftntr.
II Daer hi lach in sinen agoene, Sp. IV', 42:, 15.
AGOY. II Wine van agoyen ende Spaen^W
wyne, Invent. van Brugge 4, 159. — Wel dezelfde
wynsoort, welke gewoonlyk wgn van asov^
noemd wordt. Zie AsoY.
AGRESTE , znw. vr. Van denzelfden stjui als
het volgende woord. Wrangheid. \\ Die mu-nte..
verkeert die zuericheit ende die agresten in so»-
ticheit, alsmen sien mach in den vrachten ende
in den wyndruven, Barthol. 67Ó.
AGRET, -tte, znw. onz. Mlat agresf^ (Dnc 1,
150); ofr. (ügret (La Curne 1, 282); it. m^restv,
van lat. aeer , zuur (Diez 1 , 11). liet wramge smp , iéi
uit de onrijpe wijndruif geperst wordt, wrjvu,
II Jonghe gansse met eencn groenen looke, g^e
maect van surkele getempert met agrette , KeukemL
II, 14.
AGT, znw. vr. Verkorting van den eigeni
Agatha, ndl. Aagt, zie üdl. Wdb. \\ Mi (i
leest van Sente Agten , si hadde enen mmnentlikei
siccdach, Limb. Serm. 21a.
AGULGOUDE, znw. vr. |i Lelycn wit end*
eglentiere, aculeyen ende agulgouden , die dat plm
wael scone houden , Pgr. en Th. 232. Waarschgnlyk
is met het nergens elders voorkomende agulgcmii
bedoeld de aloé^ welke in H lat. agallockum heet.
en waarvan een der Arabische vormen laidt
lugen, zie Dodon. 1546Ó.
Al, of AY (welke laatste spelling in de hsa. de
gebruikelyke is) , tusschenw. Zeer gewone nitrocf,
ons hedendaagsche ei\ doch meestal in eenigsziis
verschillende opvatting als:
1) Van droefheid, ontroering of aandoeniaf-
Arhl helaasl Ay Blancefloer! seit hi, Blanceflofr!
rivr. 1136. Verg. ald. 1178, 2224; Reim. I, 142«,
1815; Ferg. 4435, 4502; enz. — Ay mi! r*.'.
9118; Flor. 1085, 1104; enz.— Somtijds eltel^ke
malen herhaald, als: || Ay mi! scget hi, aj mi!
ay mi! ay mil wel sondich man, tewi, ay mi! tvi
wordic ie geboren! Theoph. 707. Verg. ald. 725,
vg. , 759, 775. Ay mi lase! Tart. 8322. Aj
arme. Flor. 776, 1113. Ay deus! Ferg. 349?!^',
4849; enz.
2) Van bevreemding, verwondering of bewoa-
dering. Ei\ och] wel\ \\ Ay here! seit hi, lieve
here! mi wondert utermaten sere . ., Part. 6834.
Ay God , hoe scone te siene waest ! OVl. Ged. 2 , lu7,
160. Verg. Troyen 2608; -B^a^. 620; Flor. 1894; enx.
3) Van opwekking, aanmaning, verzoek ot ge-
bed. Ei\ och\ toe\ || Ay vrient! mochtine mi doea
scouwen , dat soudic di bidden geme , Ferg. 3296u
Verg. Rein. I, 2597, 2599; enz. — Vooral gewooï
zijn Ay God! Ay here! Ay vrouwe! ena., b§
ootmoedige bede, als b. v. Wal. 8296; Bemtr.
383; Lanc. II, 2045; Limb. I, 2146; X, 461,
679, 717. Ay, edel riddre! Lanc. II, 659; ent.
AYAMANT. Zie Adamant.
AYBOY. Zie AvoY.
AYEN, met de Vlaamsche weglating der aspi-
ratie, in OVl. Lied. e. Ged. 125, 19. Zie Haten.
AYEREN (aieren), zw. ww. bedr. Ofr. aier,
wisselvorm van aider (La Curne 1 , 277). Verf.
De Bo 42 op Ajieren. Helpen, ond^rrstemnen
II Welken tyt dat si den dach wonden settea,
hi ware diene soude hayeren ende bringhen datf
297
AILA.
AISE.
298
vroede persooneu van scriftueren waer , Amand
II, 1495. In te ayhierene ende te eeghene (d. i.
koesteren , hd. kegen ; t. w. sine ouders) , als
Valerius . . verhaelt van een dochtere, de welcke
henr moeder, nu verwesen wesende in den karcker
van hongher te stervene, met huer borsten onder-
houden heeft, C. van Dordrecht, ttang, bij De Bo.
AILACEN, AYLACEN. Zie Alaes.
AILAS, Aylas, Aylase. Zie Alaes.
AIMANT , AYMANT. Zie Adamant.
♦AINSTERINGHE, bedorven lezing, On. Lied,
e. Ged. 250, 498. Zie Avisieringiie.
AISE (ayse en eise, eyse en ookAEis), znw
(het geslacht blijkt niet). Fr. aise, over welks
afleiding zie Diez, W(6. 1, 10 op Agio; Gachet
13. In aise ontmoeten elkander de opvattingen van
ffemak^ rust en blijdschap^ evenals in mnl. gerruic
[te gemake) , dat volkomen hetzelfde beteekent.
Rtut^ kalmte. \\ Die mi wil minnen moet beghinnen
spreiken jeghen meenen, sal hi gewinnen daeis
ran zinnen, OVl. Lied. en Qed.l^by^. — -^«^komt
inzonderheid voor in de uitdrukkingen: — Taise
[te aise en teise) sijn of leven, hetzelfde als
(e gemake^ fr. h son aise^ dus welgemoed , blijde^
TToofijk zijn of leven. \\ Dat die hertoge metter
itede acorderen soude in payse , dies si sere waren
»yse, VI. Rijmkr. 10261. Waren blide ende wel
:ayse, 10331. In alle voye mach men wel byliden
in payse met soeten woorden ende leven tayse,
dmand II, 5771. Die coepman nes oec niet
tayse, no ne levet in genen payse, Kose^C) 4861
\A. 4907 : Die c. hine leeft met aise). — Qualike
;aise sijn, slecht op zijn gemak zijn^ droevig
resteld zijn, in groote verlegenheid verkeeren. \\
)ienich wasser qualic tayse, beede buten ende
)innen, VI. Rijmki: 10195. — Hem taise (te
)ise) houden, op zijn gemak zijn , vroolijk
:ijn. II Maer die meester en can niet el dan
lem te houden te eyse, want gheme levedi
net peyse, Limb. VII, 144. — Met aise sijn
»f leven, op sijn gemak zijn, zich verlustigen.
II Tote Aken in sinen palayse, daer hi geme
vas met ayse, Brab. T. II, 1842 var. Die
toepman hine leeft met aise, Rosé 4907. — Hem
net aise maken, zich vroolijk maken: zie in
iet volgende art. het aangemerkte op de plaats
lit Velthem.
AISE (ayse en eise, eyse), bnw. Fr. aise.
Velgemoed, blijde, vroolijk. Verg. het vorige art. ||
klsic om dat cussen pel se, dat wesen dede mi so
jyse, Rosé 3783. Tote Aken in sinen palayse, daer
li geme was ayse, Brab. T. II, 1841. Entie ridder
li doet hem te gemake ente peyse , ende was uter-
naten eyse, Limb. IV, 1598. Dan sijn dingele
lyse, ende nemen die ziele met feesten groot,
Lsp. I, 20, 42. Die in haer lant altoes syn ayse.
Rosé (C) 8828. — Hem aise maken, zich
froolijk maken, zich verlustigen. \\ In eten , in drinken
jnde in feesteren, in bruloften ende in hoveren,
snde om te stichtene grote palayse, daer si hem
n maken ayse , Lsp. IV , 5 , 17. — In de woorden van
iTelthem 1 , 19, 49: „Moeder, suster, dochter, alle,
nrelc dat hem best bevalle , die brnden si in haren
)alayHe, ende maken hem daer met ayse", is het
liet uit te maken , of aise als bnw. , dan wel als
snw. moet worden opgevat. In 't eerste geval is
iet: j^zij maken zich daar vroolijk mede-^"* in
iet tweede: zij maken zich d4iar met aise, d. i.
ry verlustigen zich daar. — Ook de comparatief
liser was in gebruik. || Want ie mi ligge ende
lisiere met groten rasteu bi den viere, ende bade
mine lede in warm water: dus bem ie ayser dan
een cater. Rosé 10971.
AISEMENT (aysement, ook asement, asiment
en asument) , -mente , znw. onz. Van Mlat.
aisamentum , aisiamentum , aiiamentum , aasamentum
(Duc. 1,3, 156 vlg., 431); ofr. aisement (Roquef.
1, 44, en Suppl. 13; La Curne 1, 303). Verg.
De Bo 41.
1) Gerief, gemak. || Den waterloep duer de
selve sinus orbueren ende useren, met scepe ende
andersins , tharen aysemente ende meesten prouffyte
Diericx, Mém. 1, 397. Om het waeter van de oude
Leye daer met te schuttene ende te leedene binnen
haren propressen , te haren ayse meuten ende orbore ,
398 (a. 1466). Elck mag sgn erfve binnen der
stede behnysen ten hemelwaert op, tsijnen besten
aisemente, Cost. v. AeUt IX, A,aangeh. bij De Bo.
Een bailliu die dinghet met den laten , ende leghet
zine vierschare te zinen aysemente up de plecken ,
daer men hem rente ghelt , Briev. v. Aertrike 1468,
aang. bij De Bo.
2) Recht van gebruik; gebruik, bezit. || Mids den
aysemente , ghebruucke , maintenanchen ende prouf-
fyte, die zv van der zelver sinus hebben zullen,
Diericx , Mem. 1 , 397. Hoewel de prochiepapen . .
van de voorseyde kerken . . hemlieden toegheseit
hadden ghelijcke, ende aysement ende prerogativen
van capellen te doen hebbene ende gebrukene ter
plaetsen daer sy een ander huys voer de neeringhe
coepen ende vercrieghen zouden, 2, 221 (a. 1502).
Dat jonckvrauwe Marie Corremans . . in de voer-
seyde cluse wesen ende commen mach, . . ende
tselve aysement van vryhede daer in hebben van
dake ende van weghen, 435 {a. 1404).
3) Huisraad, meubelen, al wat in een huis behoort.
II Een palays dede hi doe maken, dat scoenste
dat men conste visieren , van aysemente so meneger-
tieren , dat iet niet gescriven en conde , i^. II', 2 , 38.
4) Gerieflijkheid, gemak, in concrete opvatting,
in 't algemeen , al wat tot een erf of huis behoort ;
toebehooren-, veelal in 't mv. || Ende waert dat
Jan vornoemt eenighe aysemente ofte nieuwighede
dede maken, Diericx, Mém. 1, 409 {a. 1416). Met
allen den ghelaeghen ende aisementen den selven
hulaete toebehoerende , 2, 5 {a. 1463). Ende alle
andere aysementen, ende de steghers ende solders
zullen zy houden ende doen houden te ghereke,
244 {a. 1422). Deene heelt van eenen huns ende
stede . . met sulcken ghelaghen ende aysementen
alser toebehoeren, 237 {a. 1465). Sijn huns ende
woenste . . metten lochtinghe, plaetze, ghelage
ende aysemente dier toe behoeren, ald. 238. Deen
heeltschede van den vorseiden goede , huusen ende
steden , met allen den plaetsen , rechten , aysemente
ende ghelaghen dat toebehorende an allen zyden,
Cotit. V. Gent 629.
5) Huisvesting, herberg. Deze beteekenis komt
in het mlat. en ofr. niet voor, doch laat zich
gemakkelijk afleiden van aisieren , huisvesten , ver-
zorgen, herbergen, evenals logement van logeeren,
il Voert moet zoe doen repareren ende maken in
het vorseyde huns al sulcke wercke als haer be-
hoeven zal tharer woeninghe ende aysemente,
Diericx, Mém. 2, 224 {a. 1437). Dat de selve
behuusde stede van nu voertan eenwel ie duerende
schuldich es te syne ende blivene ten aysemente
van den susteren, 227 {a. 1411). Ende so wanneer
dat de voorseyde vinderen den solder voorseyt niet
en oirboiren, zo zullen J. ende C. den selven
solre moghen oirboiren mitsgaeders der cave , ende
haer aysement daer inne hebben, 237 {a. 1413).
299
AISE.
AlSl.
300
Doe si des Leviten stemme bekenden des jongelincs ,
ende si besichden sün asument, D. B. RicAt 18, 3
(Yalg. utentesque illius «Kr^jono). Ende macbscien
80 spreect bi mit yemande , of bi is in asimente , I
Kan. 18, 27 (Vnlg. ant in diversorio est).
6) Oeheim gemak^ bg Kil. Append. „Aeysement,
latrinay \\ Een conduit onder de straete loopende
tot in de riviere . . , dienende ten aysemente van
baren beeden basen , Diericx , Mém, 2 , 184 (a. 1432).
Bacbten der dnere yan den aysemente staende op
tleen van Jan de Meester , 549. Met eenen gbemeenen
aysement toebeborende desen yorseiden bunse ende
den bunse toebeborende den aeldingbers van den
Yors. Jan yan den Steene, Ckmt p. Brugge 2, 188.
Gbefondeert, gemaect ende gbeyanteert een nieu
aisement, Bek, van den Vrijen^ 1438, aang, bij
De Bo. Om de groote aysemente te rnmmeneende
te screpene, ald,
AISEMENTELIKE , byw. Van ofr. aitéement,
aitément (La Cnme 1 , 303). Op eene gemakkelijke
wijze, II Dat de yoorseide plaetse bemlieden . .
gbegbeyen was omme daer eenen steegbere te
stellene omme bemlieden also aysementelic ende
gbemackelic te waeter te gaene , Diericx , Mém. 2 ,
496 (a. 1464).
AISEMENTCAMERE (asementcamere), znw.
yr. Eene kamer ^ ingericht om zich rutt^ gemak of
uerkvikking ie bezorgen^ logeerkamer. \\ Daer waren
oec . . alte cyerlyke asementcameren ende slaep-
cameren , Hitt v, Alex, f. 32r.
AISIEBEN (aysieren, ayseren), «w. ww.
bedr. , wederk. en onz. Ofr. aiter^ aisier (Dnc.
1, 166; 7, 20; La Cumel, 304); proy. aisar ,
aizir (Bayn. 2, 42). Van AiSE, snw. en bnw. Zie
ald. en yerg. Aisement. De ecbte mnl. nitdmkking
was te gemake doen,
Bedr. — 1) Eigenlek: Iemand op zijn gemak
zetten^ docb in de bijzondere opyatting yan yo^/pn/
onthalen en verzorgen , te goed doen, Yerg. de glosse
bij GrafT, JHut. 2, 209: Geaisirt, copiosusy
II Walewein bleef den nacbt daer in, ende die
goede man dede sine macbt om bem taysieme dien
nacbt, Zane. II , 4252. Hi riep riddere ende seriante,
dat si aisierden Galarante ende leidene ter conin-
ginnen, Ferg, 4973. Dat men nam enen jongelinc,
die men aysierde yan alre dinc, die sijn berte
begberen mocbte, II*, 37, 11. In eene bayene,
daer bi sijn yolc aysieren dede, Sp. P, 37, 28.
Alle die manieren , daer men goeden man met macb
aysieren, Lanc. lY, 620. Si sal u ayseren met al
baerre macbt, lY, 1012. — Ook yerbonden met
de gelijkluidende uitdrukking :te gemake doen.
II Dies déde bi sijn yolc Ie gemake ende aysieredse
daer jegen, Bdjmb, 29974. — Ook met bet licbaam
als object. || Haer yleescb peystereu ende aysieren,
Wap. Bog, 1201. Sine derme ende sine mage
aisieren met brode ende met yleescbe, Belg. Mm,
7, 321, 99.
2) Iemand op zijn gemak zetten , in de ruimere
opyatting yan geruststellen, van alle vrees ont-
heffen, beveiligen, \\ Wel was die dorpere geaisiert,
die den torre gebatalgiert so wel badde op die
boge zee, Ferg. 279.
3) Iet — , iets , t. w. eene plaats van het noodige
voorzien. Yandaar bet deelw. Geaisiert, als bnw.
gebezigd, in den zin yan versterkt, van ver-
sterkingen voorzien. \\ Marocb, daer menege stede
wel geaisiert binnen es, Alex. YII, 1754.
Wederk. — Hem aisieren, in twee opvat-
tingen.
1) Zich gemak en genoegen verschaffen, uitrusten
en zich verkwikken, zich verlustigen of t€ goed
doen, II Nu bleef die coninc liegende daer, want bem
goet docbte .... dat si bem aysieren ginder,
Yeltb. II, 36, 1. (Die) yan bem selyen bont
te yele ende bem selven te zere aysiert, j^. III,
20, 60. Torec aysierdem sere met gerre sooenre
joncfrouwen, Lanc, UI, 26272. Heken, cnssen,
ben aisieren met quader genoecbte, Bose 4335.
Want ie mi ligge ende aisiere met groten rasten
bi den yiere, 10971. Dat ie wille maken ene nuwe
zale, om mi daer in taysieme wale, 10815.
2) Zich geruststellen, alle vrees laten varen. ||
Yrient, ie wille gi u aisiert dore sridders wille:
u si yergeyen, Ferg. 4924.
Onz. (afgeleid yan bet gebruik als wederk. ww.,
door weglating yan bet object hem (zich). YgL
onze op dezelfde wijze ontstane onz. ww. rusten^
vreezen , biechten , neigen , steigen , enz). Zich op
zijn gemak zetten, uitrusten, \\ Sy yoeren ter
berbergben om taysieren, ende om bare dinc te
yisieren. Trog en 3661. Si sacbse moede ende yerelent,
ende deedse ontcleeden saen, ende in baers selfs
bedde gaen, omme taysieme ende wel yercleeden,
Sp, H', 83, 84.
AISIGE, Aysige. Zie bij Asichdoem.
AISIJL (aysijl, ook aisel en eisel, eysel),
-sile, znw. onz. Oude bijyorm yan AisQn, a;aj%.
Ofr. aisil, aissil (Boquef. 1, 44; La Curne 1,
305); reeds in ^t ags. aisil, eisile (Bosw. 17 en
101); eng. eisel. Yerg. Diez, Wtb, 2, 201. ||
Doet onderwilen daer in doderen yan eyeren ende
onderwilen aisgl, Jiln Yp. 97. Mingbet dit pulver
yorseit met aisele, 113. Maer aisijlenisnietgoet,
114. Ende den aisijl doorelooptse {die tande) over-
mits sine groete subtileteit, 115. Nemt wijn een
deel, aisijl een deel, 116. Ende dan minghet met
puren wijn aisijl, 119. Tempert dat vorseit pulver
met aisyle, 123. Olie van rosen ende een lettel
eisels, 68. Eysel een deel, seem een alf deel,
ende siedet te gader, 110. Dese doet sieden in
twee deel water ende dat derdendeel eysel, 112.
Warme olie van rosen gbemengbet met h- deel
eisels, 117.
AISIJN (aysijn, aisin), -sine, znw. onz.Asijn,
edik, Yerg. AisUL en AisiNiCii. || Hem scincte-
men galle ende aysijn omme te mtü^ene onsen fijn,
Kerk. Cl. 11. Alle erdscbe dinge dinct bem zgn
bitter, zuur ende fel aysijn. Franc. 387. Galle
boden si bem ende aysyn, ^. III', 73, 17. Ge-
minget galle met aysine, Jmand II, 898; Bijmè.
26593 vlg. Men gaf bem aysin met gallen, Fad.
Mus. 5 , 320. Ysopen vul yan aysine , Btjmb. 26597.
Calf vlees met aysine, ^ini». 1115. Ghebemet loec..
met aisine, Nat, BI. YII, 926. Siede bofmente
in aisine, X , 377, enz. passim. Galle gbetempert
met aysine, Praet. 4246. Eenigbe mesters nemen
water ende aisyne ende si netten der in die
plasteren. Jan Yp. 44. e. e.
AISILICH (aysilich, aysilech), -lige oï -lege ,
bnw. Yan Aisijl, azyn: zie ald. Azijnachtig, suur.
Hetzelfde als Aisinich: zie bet volgende art ||
Dese corts comt van aysileger fleumen, van zure
slijm, die toget sine orine bleec ende middelike
dunne, Rs. Yp. bbb,
AISINICH (aysinich , aysinech),-»^^ oï-nege,
bnw. Yan Aisijn, azijn: zie ald. Azijnig , azijnach-
tig, zuur. Hetzelfde als Aisilich: zie bet yorlg art
II So es sine rupsinge aysinecb, zijne oprisping
is zuur, Hs. Yp. aangeb. bij De Vries , Mnl.
Wdb. 163.
AISUER (aysuer, asuer), -sure, znw. onz.
301
AISU.
AKEL
302
Eigenlijk lasuer, van het Perzische Idjoeward^
hlauw, de kleur van lazaursteen hebbende. Verg.
Dozy, Oost. 24. Azuur ^ hemeUblauto^ bijzonder als
term in de wapenkunde. |1 Mot tween libarden
van aysure gecroent, Lanc. IV, 1797. Den scilt
van aysuere ende van goude, Amand II, 1590.
Enen scilt . . ghevarwet met goude ende met asure ,
Wal. 4726. Letteren van sabel ende asuur, Rein.
II, 6326.
AYUEN (ayuun), znw. ouz. Ajuin. \\ Alrehande
provyancy, alse tarwe, rogge, bier, butter, case,
visch, loec, aynun, Oorl. v. Albr. 264.
ACAET, -cate^ znw. m. Gr. axótxijg^ )ié..achat\
thans agaat. \\ Den steen die heet acaet, Sp. I' ,
33, 26. Den Camachien ende den Akaet, Stoke
I, 619. — Nat. BI. XII, 46 e. e.: achaet-, bij
Runsbroec 1, 218: acAates; vgl. Troyen bl. 36.
ACARE (later accare), znw. vr. Jongere vorm
voor N AC ARE (zie ald.), h^i oir. nacaire^ naquaire,
mlat. naeara^ nacaria (Roquef. 2, 223 vlg. ; Burguy
260; Duc. 4, Ö96). Verg. de volgende artikels.
Pauk^ keteltrom^ een muziekinstrument door de
Westersche volken aan de Saracenen ontleend. ||
In herpen, in vedelen, in rebebien, in acaren, in
luten en in giteren. Hor. Belg. 6, bl. 2, vs. 28.
Enen menestrele met enen riethoern ende mit
eenre ackare. Bek, bij Jonckbl. Geêch. 649.
ACAREN, zw. WW. onz. Van Acare. Op de pauk
of keteltrom slaan, \\ Bonghen, akaren, vedelspel
gheuoucht den jonghen hertzen wel, O VI. Lied.
en Ged. 201 , 13. Akaren dat es wel also zoet, 202, 30.
ACARIJN (accarijn), -rine, znw. m. Zie Acare
en verg. Nacarijn. Fauk- of keteltrom-slager. \\
Twee pyperen ende enen ackarjjn , Bek. bij Jonckbl.
Gesch. 629.
ACARISE ^accarise), znw. vr. Afgeleide vorm
mn Acare (zie ald.), in dezelfde bet. Pauk^
keteltrom. \\ Eenen man die op die ackarise ge-
(peelt hadde. Rek. bij Jonckbl. Gesch. 622.
ACATOEN, 'toene, znw. onz. Eene soort van
kiardf bepaaldelijk een lastpaard. \\ So vele daden
li , dat si hare acatoen , daer up
ach haer venisoen, bonden an der porten rinc,
^agm. Carl. 364. Vgl. Invent. v. Brugge 2, 218
in Fragm. Carl. vs. 28 en 138, waar het last-
lier , waarop het wildbraad geladen was , somerptiert^
in VS. 118, waar het enkel somer genoemd wordt.
)e beteekenis kan dus niet tw^felachtig zyn, en
iet woord is kennelyk van Romaanschen oorsprong,
kl is het nergens in dien vorm vermeld. Denkelijk
8 het eene afleiding van sp. haca , een klein
)aard, ofr. Aagne, demin. haquet (Roquef. 1, 734,
f35, Diez Wtb. 1, 234), een woord dat men
tredervindt in eng. hack^ huurpaard, vanwaar
ackney (d. i. Aack-nag , Muller 1 •, 660) , fr. haquenée^
ms hakkenei. Uit haquet kon een afgeleide vorm
\aquet4m ontstaan (verg. mousquety mousqueton; valet,
aleton), en ons acatoen staat dan voor hacatoen^
erbasterde mnl. uitspraak van haqueton. In vs. 299
'an hetzelfde fragment , waar men leest : Hare sporen
lat si roerden in die lanken hare ... is een
v^oord weggevallen , dat paarden beteekenen moet
in rijmde op coene ^ waardoor het vermoeden ont-
taat, dat het vers moet aangevuld worden met
xatoene , hier evenwel niet in den zin van lastpaar-
len , maar van strijdrossen. Waarschijnlijk bezigde
Ie dichter het woord in den zin van pcuird in 't
Igemeen.
AKEL, znw. m. Leed^ onrecht^ schade. Verg.
gs. acan^ dolere (Ettm. 2), en acol^ agitatus,
lerterritus, miser, turpis; oudeng. aken^ p\jndoen;
nieuweng. ache (E. Muller 1*, 5); nnd. aeken
{Brem. Wtb. 1, 9), en ons bnw. akelig en znw.
hekel. Vgl. Ndl. Wdb, op Akelig. || Mer worde
hi quijt ghewijst, so heeft die clagher dese X
pont verbuert, ende daertoe zoude hi hem zijn
akel ende zijn amadenisse beteren rechtevoort, bi
den goeden luden van den gherecht , O. K. v.
Dordr. 61 (O. R. v. Dordr. 1, 60), 179. Die tot dier
tijt ghene veede van hem vermoedende en was,
daer hi hom confuse, akel ende lelicheide aen
dede, Nijh. 2, 226 {a. 1368). — Nghoff wU hier
cUcet lezen, doch de beteekenis van dat woord
(z. ald.) is hier minder gepas t , daar een sjmoniem
van confuus^ lelicheit^ smadenisse door den zin
vereischt wordt.
AKELEIE. Zie acoleie.
AKEN. Benaming van een water bij Beverwijk ,
waarnaar ook Akendam (aldaar) en Akersloot ge-
noemd zijn. De grondbet. zal wel water zijn, en
de k voor de oorspr. aspirata in de plaats staan
evenals in 't ww naken. \\ In Reidwijc diegheir,
dair die Kerke op staet, vindewi {vijzen wij toe) den
grave , nede den anderen gheyr , bi den Akene dair
toe, het en si, of yemandbetoghenmoghe met lette-
ren rechte dat syn si. Mieris 2, 63a( a. 1306).
AKEN. zie Akun.
AKER (Haker, ook eker), znw. m.; of van d
= water, en ker = got. kas , pot, vat, 6f van lat. aqua-
rium ; het laatste is het waarschijnlijkst. 7V»7, metalen
wateremmer^ waterval \ nog heden in verschillende
streken in gebruik. Zie Ndl, Wdb, op aker. Mud.
aker. \\ Beckine, hakers ende emers behoerende
ter selver stove, Diericx, Mém. 2, 6 {a. 1451).
4 groote houte beckene, ende drie eemerhaeckers ,
ald. 7 {a. 1464). Die stac hi in den aker, in die
pot of in die panne, D. B. I Sam. 2, 14 (Vuig.
„in lebetemf Staten-Vert. „i» de teyW% Also vele
the volleren beker schiepsi met haers herten eker
aen der rivyeren der godlecheit, Lutg. I, 427.
AKER, znw. m. Fikel. Onrd. akam (Jonsson
13); deensch agem\ ags. acem^ accom (Ettm. 2);
eng. acom; nhd. ackeran, ecker. De grond des
woords is got. akran, vrucht, later in bijzondere
toepassing op die des eikenbooms. Zie Diefenb. ,
Fergl. Wtb. 1, 31. B|j Kil. „Aecker, aker,
Holl. j. eeckel, glans.^^ Nog heden is aker de
gewone volksbenaming van den eikel. Zie Ndl.
Wdb. op Aker en Aardaker. || Van den koe-
kampe , van 4 morghen te eeme , dar men de akeren
poete. Rek. d. Graf. 1, 63. Soe wert hi gelycdie
beesten, die dat gras, akeren ofte vruchten uter
aerden nemen, Gesta Rom. f. 107a.
AKER (uitspr. akèr)^ b|jw. Zie Akerre.
AKERBOOM, -bome znw. m. Eikeboom ^ eik.
Zie Kil. Uit Aker (2de art.) en Boom. \\ Hoe
Absolon , sinen vader vervolgende , verwerrede met
sinen haer in enen akerboem , Gesta Rom. c. 18. Ende
groeven die gebeente onder een akerboom, D. B.
I Chron. 10 , 12. Onder den akerboom ende populier-
boom ende terpentij nboom , Hosea 4, 13. Hl was
stare als die sikerboeme, Amos 2, 9. Huylt, gi
akerbomen van Basan, Zach. 11, 2{yv\g,quercus\
Staten-Vert. eyckenboom, eycke). Si wort in Betel
begraven onder een akerboem, B. v. 1367, 21d,
(Hi) dede water in een pot ende sette dat onder
een akerboem, 94(7.
AKERICH, -rige, bnw. „Aeckerigh, vetus.
QiterceuSy quemus.** Kil. Blykens de beteekenis
niet van Aker, de vrucht, maar van Aek^ een
dialectvorm van eik, afgeleid. Verg. Ned, Wdb. op
Aak (2de art.) en hier Akun.
303
AKER.
ACKE.
'M
AKERRE (AKfcR, AENKERRK),bijw. Mnd. ^*-ttfr,
ekarre ; eng. ajar. Oorapr. enktrre , ekerre , in
Vlaanderen tot akerre geworden (De Bo 43) en
allengs in aenkerre overgegaan » dat sedert tot aem
ker^ tien keer of in keer ^ aenkieToXinkxer'Stx\\f.\t^
waaruit weder ons aan of op een kier ontstond ,
als ook het verklw. kiertje en het ww. kirren^
afgel. van het gewaande rnw. kier. De oudste
vorm enkerre is gevormd uit en of in , en kerre
(stridor) , van kerren (stridere), het kraken of
piepen eener deur. Zie kkrren. Enkerre »taen
beteekende dus eigenlijk »tare in stridore^ op het
kraken staan, op het punt staan van een piepend
geluid te geven, gelijk eene Aanstaande deur al
licht doet. Zie De Vries in De Jager's Archief
4, 187 — 201. — Akerre staen, van eene deur,
op een kier staan ^ aanstaan, een weinig openstaan.
Bij Kil. „Aen-staen, Aen-karre staen,
eonnivere, nonpiene c/ausutn esse , stare semiapertvmy
II (Si quamen) tenen stalle saen, ende vonden die
dore akerre staende. Wal. 9362. Nochtan croep hi
in den stal, ende liet die dore aker staen, Bflg.
Mus. 10, 63, '83. Alsic vore die dore bencomen,
hadsi van binnen mi ondaen, ende heeflse aenkerre
laten staen, Rosé fr. bl. 254, 41.
AKET (acket), mv. akette, znw. (het geslacht
blijkt niet). Slimme streek , listige vond, bedrieglijke
kunstgreep. „Acket, j. aket, aguet. Insidiae,
obsidiae." Kil. Append. 831 , 832. Van fr. aguet, ofr.
agnait, agait (Roquef. 1, 35, 38; La Cume 1,
225); prov. agach, aguait (Rayn. 3, 417); waar-
nevens fr. guetter {en guet-apens) bespieden, loeren;
alle woorden van Duitschen oorsprong, van ohd.
waAta, wacht. Zie Diez 1, 231, Duc. 6, 901,
Gachet 9, en verg. by Aweit. Uit de oorspr. be-
teekenis van insidiae, lagen, ontwikkelde zich die
van slimme streken, evenals in het ofr., waar agait
mede voorkomt in den sin van subtilité, surprise,
artifice, piége (zie Roquef. 1, 35 en Burguy 179).
II Die dan mochte horen die akette, die si daer
voertbringhen bi wette, ende diere den sin toe
woude keren, mochter reinaerdie ane leren. Rein.
Bijl. bl. 295 (in andere afschriften : okette en ockette).
Nuwe assisen ende scalke acketten op tfolc visieren
ende insetten , iV. Doet. 515 var. (tekst-hs. ocketten).
Cossedraghers ende zulcke cadetten,., die preken
om hebben met nauwen acketten, Vad. Mus. 5,
83. — Het woord oket staat wel in beteekenis met
aket gelijk, maar is in oorsprong daarvan onder-
scheiden. Zie Oket.
AKIJN (Aken), stoff. bnw. YüXiaak, bekend als
naam van een boom , die Spaansche aak , of Spaansche
eik genoemd wordt, een soort van eschdvorn of
ahorn. Doch daar aak waarschijnlijk een dialect-
vorm van eik is (zie Ndl. Wdb. 1, 47), zdXakijn
wel beteekenen Eikenhouten. \\ Van een akijn
pontkijn, dat men bezeghede int fondament, Rek.
V. Zeel. 2, 356.
ACCARE, ACCARIJN, ACCARISE. ZieAcARE,
ACARIJN, ACARISE.
ACKELEN. „AcKELEN, vetus, j. schroomen.
Horrere:' Kil.
ACKELIJC, -like, bnw. „Ackelick, vetus.
Ilorribilis:' Kil.
ACKELEIE. Zie acoleie.
ACKER, mv. ackere oïackre, znw. m. Akker, land,
lat. ager, in de hedendoagsche beteekenis. || Die
ackre, Rijmb. 13148, enz. Ten acker waerd, 29648.
ACKERBOÜWINGE , znw. vr. Uit Acker en
Bouwinge. Eigenlijk akkerbouw , landbouw, in con-
crete opvatting voor akker. || Wi siju Godes
hulpers, ghi sijt Gods wckcrhouwimghc , ghi s|t
Gods tymmeringhe, Hs. 75 f. 23m (I Car. 3.
9, in de Staten- Vert. aekerwerck).
ACKERKN', zw. ww. onz. en bedr. Tam Acker
Nog in West- Vlaanderen io gebruik: xie De Bo41
Onz. — Ploegen, den akker beploefem^ èehomwen
|l Si mo.sten den clooster laten staen , ende wekt-
ren ende roden gaen, Lsp. I, 25, 113 Tmr. Esea
cnecht, ackerende of weedeode oasen, Hs. w. 1348
159<f (Lue. 17, 7). Dmer wiessen np die reldea..
alle vruchten die moghen z^n, sonder ackera
ende graven. Brand. 1604-07. Een lattel tfts
voer Cristns geboerte . . , soe ackerden sonuügbe
Inden , Pass. W. 1323. Ackerea noch oe^^en , D.
B. Gen. 45, 6. Te ackeren ende te oochstei.
Exod. 34, 21. En haddi niet geackert, RieAi. 14,
18. Ackerende in twalef jocken van ossen, I EmL
19, 19. Die ossen ackerden. Joh 1 ^ 14 (Til|:.
ar ar e ; Hs. v. 1423 , 128a heeft hierroor U
onrechte: Die ossen atcorden).
Bedr. — Beploegen, bebouwen, l| Die heft eaa
knecht, die siju lant ackeft, ochte die sgn qau
huedt, L. V. J. e. 162. Dese cleine Inden a
ackeren noch en bouwen geen lant , Mandev. 50r.
Sonder yser mach men . . geen lant ackera.
Barthol. 549Ó. Men sal Syon ackeren als eaa
acker, D. B. Jer. 26, 18. Also veel als een paer
ossen plagen te ackeren in enen dage, I Smml. 14.
14 (Vuig. arare). Sommige wonnen koren en ak-
kerden tlant, Heemsk. 55.
ACKERMAX, mv. -manne en -lied'e ^ raw. ■.
Mnd. ackerman. Landman , landbouwer. || Die
ackermanne , Lucid. 5811. Ackerliede, Sp. 1V^
42 , 24. Ic ben die ghewareghe wgngart , ende m|x
vader es akkerman, diene wynt, L. v. J. e. 21i
ACKERMENTE, znw. vr. Akkermenf, velémewi,
veldmunt', Mentha arvensis L. Zie De Bo 43. Bof^
mente es beter . . dan die ackermente si , Nat. K.
X, 373. Calamentum of nepita of ackermente, &.
Yp. 96a. Jegen den huur in die kele salmea
ackermente sieden met rosen in asine, dit sal Ut
sieke honden . . in sinen mont, ald. b.
ACKERNERINGE, znw. vr. Uit AcJker en 3V
ringe. Alles wat tot de nering of het bedrijf vu
den landman behoort , landbouw , boerenbedrijf.
II Soe leerde hem vele ackemeringen {%de ns.
mv.), Rijmb. 2311.
ACKERNOOT, znw. vr. Okkernoot, wetlnooL
Westvlaamsche vorm, nog in gebruik (De Bo 43v
II Olie van oliven ofte van ackemoten 2 pont.
Jan Yp. 63. Alse eenige wormen sin in de oem,
soe stoet die groene scorse van den ackemotea:
daer of drupet in den oeren , 122.
ACKERSIEC, bnw. „Acker- sieck , veL
Flandr., j. veld-sieck ," en „Veld-sieck, Acker-
sieck, leprosus, elephanfiactis , qui seorswm »
campis extra castra et civitatem habitare debet ^
Kil. Zie Van Hasselt in deaant. , en verg*. Diexin,
Méin. 1 , 578. || Ter causen van dat de voerscyde
vocht, ten voemoemden ackersiecke behonf, ver-
sochte ende begheerde den voerseyden Gillis be
dwonghen te hebbeno, hemlieden te laeten gh^
brukene de woeninghe ende besit van den selvei
sieckhuuse, Diericx, Mém. 2, 475 (a. 1451). Ornne
de ackersiecken voorseit . . de voornoemde capelle . .
te hebbene ende paysibel te besittene, 509 («. 1459i.
Zoo ook Invent. v. Brugge 4, 319.
ACKERSIECTE, znw. vr. „Veld-sieckte .
Acker-sieckte, lepra , elephantia , elepkeuUiasis:'
Kil. Verg. het vorige art. || Tusschen Janne Viliw
als vocht iii desen tijt van den ackersiecten vu
}05
ACKE.
ACCO.
30(>
leser stede, Diericx, Mem. 2, 475 (a. 1461). Als
roecht van den ackersieckten ende lazaryen binnen
mde ontrent de stede van Gendt, Ö09 (a. 1459).
ACKET. Zie Aket.
ACKET, znw., mv. ackette, bij Diericx, Mém.
S, 105. Zie Arket.
ACCOORT. Zie AccoRT.
ACCORDEN (acoorden), ïw. ww. onz. Met
iet voorï. met Accorden met enen of
re dinc, met iemand of iet^ een verdrag maken ^
»ij uitbreiding, zich er mede afgeven^ zich er
tede bemoeien ^ er mede omgaan^ ze hanteer en
van eene zaak). || Want die met wapene
«oert, sal honden eendrachtechede , Vad, Mus.
, 353, 53.
ACCORDEREN (acorderen), zw. ww. bedr.
m onz.
Onz. — 1) Accorderen met enen, met
rmand eene overeenkomst ^ een verdrag maken. \\
)at die hertoghe metter stede acorderen sonde in
)ayse, Fl. Rijmk. 10261.
2) Accorderen tot iet, in iets toestemmen. \\
[)at hi daer toe geme wilde acorderen, Lane. II,
795. Hir toe acordeerde Claudas als hi hoerde
lat haer raet was , II , 33565. Hier toe accordeerden
1 geel Hestor ende mede Lyoneel, IV, 1921.
Bedr. — 1) Overeenkomen y bepalen. || Ditacor-
leerden al dare beede , die coninge ende die grave,
^/. Bijmkr. 6770. Ende accordeeiSen in haren sin,
e pilgieme de stede van Ghend, 6780.
2) Antwoorden , bij Kil. App. 831 o. dk.r esponder e. \\
c wedde om een zesken , ghy en ziet dat draeyken
tiet; eyst wit of zwart? Willet my accordeeren,
ïan. H. 96.
ACCORDICH (accoordich), bnw. Van Accort.
1) Eensgezind, || Kaerle, edele van gheeste,..
leifx ghehouden sün landen accoordich met wysen
aede ende voordachticheit , ZVl. Bijdr. 5, 323, 279.
2) Accordich sjn, het eens zijn, overeenge-
'omen zijn. || Ie , Jan Bautoen , hier teghenwordich ,
nde dese vrouwen s^n accordich, dat wijt sullen,
est u begheren, op thelich cruis ons Heeren
weren, Sacr. 472.
ACCORT (acort, accoort, accoert), -orde,
9orde of -oerde^ znw. onz., bij Hild. ook vr.
^r. accord; niet, als men veelal meent, van ad
n ehorda, maar met het ww. aceordare gevormd
aar de analogie van concordare en discordare,
n dus van cor (Diez, fTtb. 1, 6). Evenals vele
lastaardwoorden , waarvan men den juisten zin
iet begreep , een woord van zeer uitgebreide
n niet altyd nauwkeurig afgehaakte en bepaalde
»e teekenis.
1) Eensgezindheid, eenstemmigheid. || Daer es
igt ende groet onwerde, ende selden es daer
£ort, Doet. III, 404 var. Goede gunste ende
nete woerde, vriendelic sien, gelike accoerde,
louden die rechte minne staen, MLoep II, 715.
Sy) ghinghen deilen te samen tgoet dat sy wonnen
e Vilvoorde , blidelike met goeden accoorde , Orimb.
, 5624. Ende daden met vriendeleken woorden,
lat si ondercusten met acoorde, Amand II, 4639.
— In accorde b ringen, tot eensgezindheid
rengen, verzoenen. || Dat en was in gheere maniere
e doene, . . dat hise bringhen mochte in acorden,
Oenkm, 3, 119, 26 {Bloemt. 3, 29, 26). —
Te eens accorde bringen, met iemand m
ensgezindheid brengen, met hem verzoenen. || Ont-
érmicheit wilten (Adam) te minen acoerde bringen
inde sjjn geslachte gemeene, Blisc. v. M. 1310.
— Accort houden in iet, eensgezindheid be-
waren tn iets, van gelijke gezindheid er in blijven,
er in volharden. || Ontdaen so es hem die poort
(des hemels), die in weldoene houden accoort, fTap.
Bog. 1102. — Sonder accort, zonder een-
stemmigheid, dus, in verwarring, dooreen. \\ Tfolc
liep al sonder acort handen slaende, treckende
haer. Witte k. v. Sass. 160.
2) Samenstemming , instemming, overeenstemming.
II Te rechte voegen die woorde, elc na sinen scoonsten
accoorde, Lsp. III, 15, 17. Tsaed bi der ewangelien
acoorde beteekent der heligher scriftueren woorde,
Amand II , 5302. Dan so sal sekerlike ene vrienscap
sijn ende een accoort in al die werelt, Lsp. IV, 4,
68. Ende soe sal sijn voort onder die heren groot
accoort, IV, 4, 36. Ende die heilighe kerke sal
daer boven sgn versament al in éne glorie, inéén
accoort, II, 39, 245. Doch sel elck die sine
(kinder) minnen , dat doet ; het is ghemeen accoert,
Hild. 108, 124. Doe die inghel hadde dijnacoort,
doe seide hi: Benedicta, O VI. Ged. 2, 58, 95. —
Accort houden met enen, samenstemmen met
iemand. \\ Metten ouden hout alt^t accort, die
God ontsien waer hi verkeert, Spieg. d. Jong. 65.
— Haer accort sceden (van twee of meer
personen), hunne samenstemming verbreken, uiteen-
loopen. II Wildi weten wye si sien (d. i. sijn),
die dus scheiden hoer accoert? Hild. 196, 13. —
Van accorde s^n, samenstemmen, overeen-
stemmen (met iets anders). \\ Dies laet varen telker
tijt tghewerke, alst niet en es van acoorde, ende
achtervolghende den woorde, dat men van den
priester hoort, Amand II, 2750. — Van énen
acoorde sijn, samenstemmen, overeenstemmen met
elkander. \\ Dat sine herte ende sine worde bede
sijn van enen acorde, Heim. 1795. Dat die gewerke
entie worde altoes sijn van enen acorde, /^.I', 60,
41; Amand I, 1906. Zi moghen niet te gader
wandren ende wel van eenen accorde wesen,Praet
2882. — Accort doen te iet, instemmen met
iets, er medeplichtig , deelachtig tuin zijn. \\ Hoe
dat recht mach wesen, dat up ons daelde dat
zoort der eerster souden, want acoort daden wi
noint te desen, Wap. Bog. 159. — Sonder
accort, zonder overeenstemming ^ t. w. met iets
anders; dus, zonder weerga. \\ Want also ghi
vooren hebt ghehoort, so vaut hp hart sonder
acoort te Maestricht als hiere binnenquam , Amand
II, 1021. — Ook van de samenstemming der
verschillende deelen van een voorwerp, en dus
verband, samenhang. \\ Waermen gheselscap pleghen
sal, daer moet eendrachticheit wesen al, ghelyc
den boghe in sijn accoort, Hild. 229, 37.
3) Samenstemming van gevoelens en meeningen,
en bij uitbreiding, (overeenstemmend) gevoelen , mee-
ning. II Ten Joden sien wi nu vort, wat van
Gode es hare acort, Sp. 11^, 21, 1 (Vinc.
quid sentiant de Deo). Ende hadde met eenen
woorde al tfolc brocht te sinen accoorde, Amand
II, 2602.
4) Uit de vorige beteekenis ontwikkelde zich
die van vereeniging van personen, die dezelfde gevoe-
lens toegedaan zijn , en dus partij. In verschillende
zegswyzen: — Van eens accoorde sijn, tot
iemands partij behooren; enen van sinen ac-
corde hebben, iemand tot zijne partij rekenen ,
tot bondgenoot hebben. || Ik reettene doot van sinen
wrene ende tien die waren van sinen accorde ,
Flandr. 1 , 560. Om dat zi waren van zinen accorde
die daer met hem (Lucifer) vielen neder, so biense
God met zinen worde , Praet 2387. Ende hen gaf
grote coenhede , . . dat si dus hadden van haren
307
ACCO.
ACCO.
308
accorde mijn her Lancelote ende Bohorde, Lanc.
IV, 6079. — Aen eens accort vallen, tot
iemands partij overgaan, \\ Dat si vielen aen 8ijn
acort , ende hem swoeren trouwe ende hulde ,
Brab. Y. YI, 962. — Enen crigen (werven,
trecken) aen sijn accort, iemand tot zijne partij
overhalen^ voor zich vinnen, hij uitbreiding, tot
zich lokken, verlokken. || Als van Vlaendren Lode-
wijc Mechelen aldus suptyllijc ghecregen hadde
aen sgn acort, Brab. T. VI, 971. Ende heeft aldus
gheworven vort die ghemeinte aen syn accort,
VI , 4589. Alsmen noch vele wiven vint , die helsen ,
cusseu ende blecken ende met haren samblanten
trecken die mannen aen haer acoert, Sei/h. 182.
5) Bij verdere uitbreiding, gezelschap. || Diefft,
verraderi ende moort vintmen al in hoir accoert,
t. to. van de overspeligen , Hild. 11, 477. Waent u
heere so vele lieven alleen te houden te sinen
acoerde? Segh. 4040. Ie waende, hi soude mijn
man hebben gheweest, so heeft hi dan seven wive
te sinen acoerde, 7986. Hi mach wel sijn van
groten accoert, die so scone her berge hout,
Merl. 33272.
6) Vereeniging van overeenstemmende tonen, ak-
koord, bij uitbreiding, toon. \\ Daer es der belle-
kine gheclanc, daer jeghen te horne den soeteu
acort, H^al. 7807. Nu gcift mi vort, so mi behoort,
dat recht accort, OVl. Lied. en Ged. 96, 11. Hier
niet ghesonghen zi, joncheer Lust en werter bi,
want zijn acoort vulbringhet al, 260, 818. Ic wils
gheselle zQn , want daer ghebreict een derde accort ,
157, 31. Dus gaen wy met soeten acorden . . om
dit heilich sacrament te halen , Sacr. 188. — (G e e n)
accort dragen, {niet) overeenstemmen, {niet)
harmoniéeren. || Dat ic met enen esel songhe, ic
wane en droeghe gheen acort , Vad. Mm. 2 , 185 , 252.
— letvoegen aensjjn accort, iets met iemand
doen overeenstemmen, in figuurlijke toepassing. ||
Sonde hi niet sijnre herten staet voeghen aen mijn
acoert? Segh. 1366 (var. vesten aen m. a.) — In
concrete opvatting, speeltuig, dat accoordsn voort-
brengt. II Nemwi de harpe dat zoete acoort, daer
David Gods lof in brochte voort, OVl. Lied. en
Ged. 421, 212:
7) Overeenkomst , verdrag, akkoord, inzonderheid
tusschen vijandelijke partijen gesloten. || Bi accorde
ende oec bi rade , Rosé 10895. Ic rade te makene ac-
coort, eer dat meer tedesertijt verwerre, Grimb. I,
5370. Ende maecte daer een goet acoort, so dat
si bleven ghevrienden voort, Jmandl, 3726. Selc
acoort houdic wes ghi wilt raden mi , OFl. Lied.
en Ged. 405, 63. Dits goet accoort, op dat ic bet
na mijnre onschulde mocht verdienen vrouwen
hulde, Hild. 180, 136. Acoort ende pays, T/. Rijmkr.
10151. Pays noch acort, 6981. — T accorde
bringen (stellen), tot overeenkomst brengen ,
vereffenen. || Daer hi alle die discoorde . . brochte
tacoorde, VL Rijmkr. 9243. Dat ment bringhen
couste tacoorde, 10198. (Si) hebben . . tacorde
brocht die dissencie, Brab. Y. VI, 10350. — T ac-
corde (in accorde) stellen, vereffenen. \\ Dat
si den twist ende tdiscort tusschen den hertoge
ende sijn steden stelden tacorde ende tevreden,
Brab. Y. VI, 6640. Ompaeis stellen in acoorde,
OVl. Lied. en Ged. 289, 1645. — Van accorde
vallen, in tweeledige opvatting:
a) Van personen. Het eens worden. \\ Doe zy
hoorden van desen doene, si vielen stappans van
acorde, Denkm. 3, 119, 46.
b) Van zaken. Tot stand komen. \\ Dus viel de
sake van acoerde, VI. Rijmkr. 7985.
8) Aard, natuur. \\ Der linden telghcn, hoer
accoert, wil ic u wat onderscheiden, Hild- 215,
164. Hoer leven ig van dier accoerde, si hora
selden metten singhen , 173, 112. Troeren is fa
dier accoort : dies veel wil doen , die quct«t da
sin, 222, 26. — Na sijn accort, na4tr zijnaari,
naar den eisch , naar behooren. \\ HiUc is ea
salicheit, daer menich eer ende bate «» Icrt,
alsment regiert na sijnre accoerde, Hild. 108, <3
Op dat ghi dcse twee wilt houden elkcrlgc lae
sijn accoort,.. soe moechdi in eren comcn voert,
169, 65. — Bi accorde, naar den aard, mt
behooren. jj Dat elc exemple nemen mochte ra
allen die ter kerken behoorden an hem , ende bet
doen bi acoorde , Amand II , 1092. I>ie achtersj
sillebe van den woorde, daer minen »«»«"» «»
bi accoorde heeft in drie letteren, II, 6398.
9) Handeling, handelwijze, eigenlgk van persiOM
onderling, waaruit zekere betrekking on be^aUk
gevolgen ontstaan, bij uitbreiding, zaak. \\ ^oA
is eeu dom accort, Hild. 116,37. „Ducchtlrai
es goet avijs." Dit dochte den heere goet acoort,
Denkm. 3, 182, 21. ^.„ _
Aanm. 1) — Gelijk wy uit de verschiUendeTiW-
beelden zagen, paste men op het bastaard wowti,
waarvan men den rechten zin niet duidel^k begrwf.
vele zeer uiteenloopende beteekenisscn toe , en wet
de juiste zin van het woord hoe langer zoo oak^
paalder en weifelender. Segh. 4745 Var. komt te
ook voor in den zin van melding, fr. reeort: ,Vfi
minnen daden si acoerde'', doch daar is ket T«r-
wisseld met recoerde, gelijk de tekst heeft. Wur-
schijnlijk moet acoorde ook inreeoordey vermeldaf
veranderd worden Amand II, 5691: „Dat h«a
een bode was ghesand , welke hem hadde g'hoe'-
in woorden, bi den beveelne van Gods acoort
eene boodscip." , ^
Aanm. 2) — Ook wordt «rror/ als bnw. gebcii^,
in den zin van eenstemmig, overeenstemmend, wwr-
schijnlijk als vertaling van een in het Frawti
origineel voorkomende d^aecord, of wel, dat &
fransche uitdrukking étre d'accord bij ons algem»
luidde: accort sijn. Zoo OVl. lAed en Ged. 34r
938: „Die vrede gheven ende daer na hrek^^
men sal hem groten lachter spreken : woort esè
weere sal sijn accort." — Vgl. ook ons akkoet%
in de bet. ik stem met u in, ben het met u eem.
ACCOTOEN. Zie Acotoen.
ACOLEIE (ACOLIE, AKELEYE, ACULEIE , AGKE
LEIE), znw. vr. Lat. aquilegia, fr. ancolie, mnd. atelep^
thans Akelei , eene plant tot de familie der ranm^
culaceae behoorende, met blauwe of paarse bloe»ea
II No acoleie, no lelie, no rosé, no violc, TUs
2868. Van acoleien , van eglentieren , 2565. Acoleja
ende violetten, IVal. 5115. Violetten, leliën, n»ei
ende acoleyen, L. o. H. 55. Die acolye vokfe
hier, naer mijn leeren, die vijflfoudich es onder
slaghen, Denkm. 3, 124, 85, verg. Letterk.S.f
5», 102, 22. Acoleyen, lelyen , tidelosen , VI Verwt^
56, in N. Versch. 4, 86. Daer stonden d^
alrescboenste ackeleien, Brugm. 1, 236. Acnl^ei
ende agulgouden, Pgr. en Th. 233. — Ook in i<
geneeskunde gebruikt. |1 Si salfdene ende maedci
hem eeu bat : si waren vroet van eersatrien , worpö
in rosen ende acoleien ende ander cruut dat si dae
vonden , omme te sachtene sine wonden , fer^
4186. —Als benaming der H. Maagd. t| God groeti
u, acoleye fier. Moeder, scone ende welgheda^.
Vn Bloem. 3, in Inst. "Zde kl. Ferh.Q*, 65l -
Als zinnebeeld van den ootmoed komt de «00^
voor in Vad. Mus. 1, 385, 47—56. (j De»
309
ACOL.
ACQU.
310
naghet die es yrome, in exemple wel gheseit,
lat soe es acoleye blome om hare grote omoedicheit ,
?raet 257 ; vgl. 134. — Ook als bnw. gebezigd ,
is benaming der blauwe of paarse kleur. || Dat
ran nn voirtan gheen yerwer binnen der stede van
!)elf yemwen en sal scharlaken, roen, roeseven,
ikeleyen ofte taneeten , anders dan Jan Ysbrandsz. ,
7. K. p. Del/i I, 24, 38.
ACOLIJT (accolijt), -lite, znw. m., mhd.
icolUe, Yan Mlat. acolytus, van gr. axo'Xov^o;,
)egeleider. Zie Duc. 1, 57. Geestelijke van lagere
trde, in rang volgende op den subdiaken. \\ Diene
rjjede acolijt, i^. III', 30, 4. Tiene diakene . .
inde tiene subdiakene, ende tiene acolite, VI.
lijmkr. 395 vlgg. Dyakene ende subdiakene,
iccoliten ende costren, Livre d. Mest, 16. Dyaken,
inbdyaken, acoliten ende clercken, Matth. 84.
)oe sadt hy dair 9X9 etïidJC;zo]^i {en eindelijk^ nadat
ïem ook het attribuut daarvan , het koorkleed , was af-
gedaan) . . . doe sat hy aldair als een leeck, 85.
ACOLISSIEHOÜT. Zie Colissiehout.
ACONISCIEREN, zw. ww. wederk. Prov. aconoys-
er (Rayn. 4, 334), yan lat. aceognoscere. Hem
aet enen — , zich bij iemand bekend maken y
ich aan hem voorstellen. \\ Herde geme ie den conine
prake, ie wille mi met hem aconiscieren , ende
aren met hem in rivieren, Ferg. 636. Vgl. acquen-
'lEREN en BECONDEN.
ACOORT, AcoRT. Zie Accort.
ACOTOEN (acottoen, accotoen, aücotoen),
toene^ znw. onz. Prov. alcoto (Rayn. 2, 52); ofr.
mcoton^ auqueton, nfr. hoqueton^ eng. aeton.
Sen woord van Oosterschen oorsprong, met de
;aak zelve door de Westersche volken tydens de
kruistochten van de Saracenen overgenomen. Yan
krab. al-coton , al-cotn , katoen , boomwol. Zie Diez,
Vtb. I, 143, op co ton e; Engelmann 39; Dozy,
laster L 52. De Nederl. naam was Wambeis: zieald.
Sen wambuis , dat de ridders onder het harnas droe-
gen, veelal van zijde , met borduurwerk of gouddraad
'ersierd, en van binnen met katoen gevoerd. ||
li dede hem an een acottoen; daer boven hiet hi
lem andoen enen halsberch sambelijn, ende daer
laer een curiekgn van enen veile van serpente,
^erg, 4603. Wi wilden hebbeu groet ende clene,
>rs , halsberch ende acottoen , Ferg. 2958. Halsberch
inde acottoen , 3896. Ende reet hem int herte voren
lore halsberch, dore a^otoen, JUmb. XII, 412.
{cilt, halsberch no accotoen, Lorr, II, 321, 449.
>or halsberch ende aücotoen , Lelt. N. iS. 7 ' , 133,
.27. Aucotoene, halsberge, coucen, Mose fr. 248,
.7. Een acotoen dat wale sat, Troyen 4337 var.
ACOÜTER (ascouter), znw. m. Yan aseouter^
scouter (La Curne 2, 213, Burguy 140), van lat.
wscultare,})^ Kil, SSl: „Achauteren, achauten,
icouten, ac OU te ren, attscultare, prospicere^
mimadvertere y insidiari,^^ vanwaar „Acouter,
'xplorator , corgcaeusj** Verspieder, \\ De hoorn-
)lasers upte toornen ende poorten, ende van den
icouters die zy by nachte houden , dat . . draecht
(mtrent 100 <^, Inform. 331. Uteghesent als
iscouters bi nachte, Invent. v. Brtigge 2,417 e. e.
Iscouters ute ghesendt jeghen uutlopers van Ghent,
I, 38. Yan ascouten ute te sendene bi nachte,
5, 417.
ACQUENT, znw. m., mv. acquente. Ofr. acoint,
teeoint (Roquef. 1, 12), van lat. aceognittu. Yerg.
mg. acquainted. Zie Acquentieren. Bekende ^
temeensame vriend. \\ Dat ie woude sekerlike , dat
^i acquente waert, secgic u, des heren van den
gastele nu, Lanc. II, 27329.
ACQUENTANSE (aquitanse), znw. vr. Prov.
acoindansa (Rayn. 2, 466); ofr. acointancey accoin-
tanse (Roquef. 1, 12); eng. acquaintance. Zie
Acquentieren. Bekendheid ^ kennis (met of aan
iemand). Aquitanse maken ane enen, kennis
met iemand maken. || Ende wilt na den riddere
riden om hem sien , ende wille met sinen spraken
aquitanse ane hem maken, LaM. lY, 988.
ACQUENTIEREN (acquinteren, ook acqui-
tieren , ACQUiTEREN , aqüiteren) , ZW. WW. bedr.,
wederk. en onz. Prov. acoindar, ofr. acointer, ac-
cointer, acointiery van 't bnw. cointCy d. i.cognitttSy
dus lat. accognitare. Yerg. Diez 1, 137 op Conto.
De weglating der n in acquiteren en aquitanse ge-
schiedde naar het voorbeeld , reeds in de Romaansche
talen gegeven : ook bet oudere eng. kende acquittance
voor acquaintance (Halliwell 17). De echte mul.
uitdrukking was Beeondigen: zie ald.
Bedr. — Enen — , iemand gemeemaam leeren
kennen of kennen ^ vertrouwelijk mêt hem omgaan. ||
Ende hi ginc besien daer naer die gesellen van
der tafelronden, alse die haers blide was tier
stonden, ende diese woude in allen manieren sere
eren ende acquentieren, Lanc. II, 27717. Wine
hebben geen kinnesse te hem werd, wine mogen
in gere manieren soe groten here acquentieren,
het ne dade onse grote vromichede dat wine
acquentlerden daer mede, 27339. Ie salne wel
acquinteren mogen, 22536. Dat hi noit en acquiteerde
u, 15775, waarvoor 4 regels vroeger', kinnesse
jegen u maken.
Wederk. — Hem met of legen enen — ,
kennis met iemand maken. \\ Ghi selt u met ons
aqüiteren . . wel vriendelike , ende wi met n ,
Parth. 7345. Dat hi een die beste ridder si, daer
ie noit acquiteerde jegen mi, Lanc. lY, 8463.
Onz. (aiigeleid van het gebruik als wederk. ww. ,
door weglating van het object hem , zich). — Jegen
enen of met enen — , met iemand kennis maken
of bekend zijn, vooral van gemeenzame kennis of
vertrouwelij ken omgang gezegd. || Alsi die beelden
siet, die visieren Galeouts ende Lanceloets acquitiren
jegen Genoevren der coninginne . . {sprac hi) al
stillekine daer: „es dese betekenesse waer van
desen heelde , so heeft., sonder waen , Lanceloet mi
grote scande gedaen van minen wive : ie sie oppen-
bare dat hi acquiteert met bare," Lanc. lY, 2533 —
46. — Geacquentiert jegen enen, ^^m^^i»-
zaam met iemand bekend. \\ Waerdi geacquentiert
iet jegen hem , hine liete u niet , Lanc. II , 27334.
— Ook met den 3den nv. gebezigd. || Soe dat
hi acquiteerde daer binnen Galyoute den conine,
Lanc. lY, 2632.
ACQUITEREN, acquitieren. Zie Acquen-
tieren.
ACTROYEREN. Zie octroyeren.
AL (OL, Vod. Mus. 5, 293 tweemaal) vnw.,
zoowel byvoegiyk als zelfstandig gebruikt, deels
verbogen, deels onverbogeu.
L Als bijvoeglijk voornaamwoord.
In het enkelv. zoowel in de beteekenis van totus
(fireheel) als van omnis (elk), in het meerv. alleen
in die van omnes (alle).
Verbuiging. Enkelv. m. alle^ alles (als) , allen,
allen] vr. alle, alre, alre {aller y alder), allc\ onz.
al {alle), alles {als), allen, al {alle). Mv. alle,
alre {allmr, alder), allen, alle. — Yan het onz.
enkelv. was de oorspronkelijke vorm (1ste en 4de
uv.) allet, in Limburg alet (Uets al et openbare
311
AL
AL
312
*/ ^
vor Gots oegen, Limb. Serm. 26b); got. allata^
ohd. allaz; mhd. allez\ doch al spoedig verliep die
vorm door wegvalliug der t tot alle (zie straks bij
If 2f 6), en verder tot al, dat het meest gewoon is.
Waar allet nog na en dan in de hss. gespaard bleef,
werd het door de uitgevers vaak voor eene font aan-
gezien en in a//«f veranderd. || Allet, datysersond
wesen , was gnldijn , Troyen f. 56«. Allet dat bjnnen
Troyen was, ƒ. 176*. Van allet des sy hebben noot ,
lö8rf. Allet dat sjjn ors gelopen mochte, Troyen 1502.
Allet dat men op haer jaget. Nat. BI. III, 3396.
Allet dat hi wont ende bijt, IV, 321. Het moet
allet vor mi beven, Scalc e. Clere, c. 26. Allet
derve , Brab. T. Dl. 1 , bl. 477. Allet dat hi sculdich
es te hebben, bl, 478. Allet dat hem anegeseit
sel worden, ald. Alsoe dat na allet geboren van
rechtswegen sonde behooren, 5rai. Y. VII, 16373. —
Vooral in min of meer hoogdnitsch-geklenrde
stukken. || Ende hyt allet dwonge, ^/^jr. 11,4, (ui tg.
Snellaert) Allet dat men can, III, 472. Allet dat si
bediede, III , 1226. Allet dat hij sprack , Serv. 1, 670.
Allet dat ich ye gedede , II, 2766. Allet dat dair toe
behoert, Nijh. 3, ^31. Allet dat dar tuwe behort,
1, 112. Dat welke allet wy . . nyet lyden . . en
moegen, 4, 43. Allet sonder argelist, 4, 274.
Allet tgoet, Vad. Mus. 1, 378, 36. — Zie meer
voorbeelden van lateren tijd, in Geldersche oorkonden,
bij Nijh. 3, 76, 215, 220; 4, 222; Van Vloten,
Ned. Geschiede, 1, 87; enz. — Allel staat ook als
bgw. voor al {Serv. I, 93, 155), en vandaar in
Scalc e. Clerc, c. 37: „den scalken alleiyader"
welk woord niet is samengetrokken uit all€ tegader ,
maar geheel met algad^r geiykstaat — Hiertoe
behoort mede de vorm allenf, met ingeschoven n
vóór de l (verg. nakend voor naked, borendevol,
boekende gort; ochtend; hd. fitgend, tttgend),
die vooral in de 14de en 15de eeuw voorkomt. ||
AUent geblas dat daer was, Roel. I, 213. AUent
dat hy ye bescreeflf, Hild. 48, 293. AUent, dat ie
ye gedede, 51, 200. AUent dat hy ye besat, 73,
72. AUent dat my toebehoort, 92, 34. AUent dat
hem salich es, 159, 197. AUent dat hi ye gewan,
163, 173 (m het Briisê. h^. overal , behalve 48,
293, de oudere vorm allet). AUent dat ons toecomt,
Ruusbr. 3, 57. AUent dat wi begeren, 249. Dat
gi . . hem doet allent dat gi onse scout aldair
sculdich sijt te doen, V. d WaU 426 (a. 1411).
Allent dat hi van hem ontfangen heft, Ovei-ijs.
Recht. I', 4. Allent dat des schiepers geniet,
I', 69. Allent dattu moges willen, Spieg. d. Folc,
f. 223. AUent dat wi Uden mogen, /. 226. AUent
dat ie ummermeer vermach, Gerl. Peters 211.
I. ENKELVOUD.
1) In de beteekenis van omnia (elk) geldt al in
het enkelv. bij abstracte begripen. Het komt
echter ook voor bij woorden van concrete be-
^« teekenis , die dan , ondanks den vorm van het
i. enkelv. , in het meerv. gedacht worden. Al staat
onmiddellijk vóór het znw. of vóór het daarbij
behoorend bnw. , en wordt geregeld verbogen.
M. II Alle lof, Boet. I, 912. Alles troestes ,
Ruusbr. 3, 182, 259. AUes rouwen, Lanc. II,
11436; Terg. 3671. Als coeps, zie bij Coep. Uut
aUen rouwe. Wal. 4614. Boven allen man, Lanc.
II, 4777; Fergi 84. Boven allen manne, Lanc.
II, 6010. Van allen commere, Christ. 1866. AUen
waen, Sp. I", 21, 60. AUen roof. Rein. I, 1443.
Allen tijt, Lanc. IV, 7652. AUen eet, Sp. III*,
11,45. Allendien8t,Gr/OT*.I,1857. — Vr. || Alle
ere, Limb. II, 879. Alle aercheit, alle quaetheit,
alle wijsheit, alle doeght, aUe eertsche mo-
genthede. Boet. II, 2236, 2245; III, 1407,
1687, 1406. Alle smette. Nat. Bl. I, 82. Alle
smette ende alle blame, Claut. 321. Alre dinc.
Rein. I, 1341. Alre ere. Wal. 4554, 5629. Alre
weldaet, Heim. 432. Alre scanden, alle w^sheit,
al der archoit, alder doeght. Boet. III, 1126,
1290; II, 1389; III, 622. In alre wis« (wgg),
Lanc. II, 5125; Wal, 5762, 11003; Naf, Bl. D,
2011; Rijmb. 601. In alre maniere , Z««?. II , 5124,
Wal. 872. In alre stont, Heim. 837. Van alre pine,
Wal. 3548. Van alre sondeliker daet. Rein. I,
2802. Van alre tgt , Rijmb. 96. Talre tgt , Lsp.
III, 11, 62. Talre noot, Heim, 247. Alle dicfte,
Rein. 1 , 1443. Alle traecheit , Franc, 4605. Alle
mesdaet, alle ere. Wal. 4021, 4582. Alle tjt,
Rijmb, 8855; Ned. Proza 185; Stemmen 6. —Al,
in de beteekenis van elk, komt echter ook enkele
malen onverbogen voor. || Dien soude al ere
genaken, Bisp. 51. Al ander liefde, al ander
vrientschap. Hor. Belg. 10, 191. — Onz. || Al
leet , Limb. 1, 1915. Al goet, II, 879 ; Lanc, II, 46488;
III, 1066; Rijmb, 16113; Boet, II, 2570, 3079. Al
geselscap,2)o<r^.II, 1391. Al volc, Sp. m*,37,56.
Al woort , Stemmen 7. Al ongeluc , Teest. 2946. Al on-
gelijc , Wrake 1 , 696. Al dat , Lanc, U , 14723. AUcj
goets , Rein. 1 , 102 , Lanc. III, 18796. Alles gemakes,
Brand. (H) 582. Alles verUes , Ltp, II , 36, 1754. Al-
les levens, Ruusbr. 3, 208. Alles heiUchs levens, 5,
135. Alles des, Lsp. III, 26, 81; Teesi, 2807.
Allen twifelen {Sde nv. onbep, vnjs), Sp. I", 21,
60. In allen dinge, Christ, 927. In allen sere,
Wal. 8343. Van allen goede, lerg. 3557. Vin
allen geesteliken doene. Boet. I, 497. Tallen spelc.
Rein, I, 672; Lsp, I, 31, 66. Boven aUea wive,
V Vroud, 61. Met allen anderen leengoede, Oorkh.
2, 308«. Al hout, Rijmb. 471. Al goet. Wal. 4582;
Rein, I, 1042; Limb. V, 1900; Boet, II, 2590;
Melib. 1418; V. d. WaU 172. Al recht, Heim. 224.
Al argdoen. Boet. II, 2305. Al quaet, Rijmb.
5096. Al ongeval. Wrake III, 128. Al dit, Lanc
II, 4197.
2) In de beteekenis van totus (geheel), «opwel
bij abstracte als bij concreete begrippen, die indi-
vidueel gedacht worden.
a) Al wordt door het lidwoord van bepaaldheid
of door eenig ander determinatief van zijn znw.
gescheiden, en blijft onverbogen. || Al die werelt,
Sp. I«, 7, 10; Nat, Bl. V, 923. Al die wamme,
Nat. Bl. II, 1996. Al Aerturs rike. Wal, 62. Al
die soetheit, Rijmb. 42. Al dat gebet, Ruusbr. 6,
208. Al hare vyte, Teest, 2205. Al tfolc, Rijmk.
22012. Al een lantvolc, Lanc. III, 26543. Al dit,
Rein. II, 5885. Al sgns goets. Franc. 355. In als
{d. i, al des) volx jegenwerdecheit , Lsp, Il , 44 ,
300. Als volcs, Rijmb, 1939. Met al sinen sinne,
Flor, 385. Met al haerre macht, Lane. IV, 1012;
II, 22821. Van al der werelt, II, 28239. Van al
dien, Grimb. I, 2303. Bi al der bendecheden.
Flor. 2353. Met al minen volke, Lane, III, 12129.
Tal uwen live, III, 3012. Al den Rijn, Heelu
4220. Al de zee , Gnmb. 1,91 Al den dach , Lsf.
II, 11, 76. Al dien nacht. Rein. I, 1602. Al die
stede, Rijmb, 8397. Al die wile, Brab, F. VII,
2346; L. v. J. c. 201, c. 224. Al haer gedochte,
Ferg. 1198. Al sine mesquame, 3066. Al tselves,
Praet 818, 898, 1018, 1450; enz.
b) Nevens al vindt men ook alle, dat hier echte'
niet als verbogen vorm, bg het znw. behoorende,
moet beschouwd worden , daar het bij alle naam-
il 3
AL
AL
SU
rallen en geslachten gelijkeiyk past, en volkomen
net al gelijkstaat Verg. straks by II, I, Aanm. 2).
II Alle haer inwendige leven, Ruusbr. 6, 208.
Ule dat broet, 3, 154. Alle dat volc, Hitge v.
Bord. 73. Alle dat huys , Exc, Cron, 21b. Alle
lant, 686. Alle sQns rouwen, Lsp. I, ö, 64.
üle des ovels, Serv. I, 3155. Alle der werelt,
}fLoep I, 2594. Alle des goets, Bnnsbr. 3, 114.
Ule dies, 4, 180. In alle den rechte, Brab. T.
n, 8469. In alle sijn goede, VI, 8506. Over alle
iwen rike. Rein, I, 364 (As.) Bi alle dien, Sleg.
.194. Mit alle dien, Gerl. Peters 223. Om alle dat
roet, Httffe V. Bord. 37. Alle den sin, C^m^.1307.
Ule den raet, Brab. T. ¥1,11612. Alle den dach,
ïeeln 7585; Serv. II, 769. Alle dien nacht,
Srab. Y. VI, 11618. Alle die nacht, &rf^.II, 773.
Ule die wijsheit, Doet. III, 702. Alle de scande,
;toke II, 1140. Alle sine tale, QHmb. I, 847.
Ule onse leven, Lsp. I, 23, 66; enz. — In den
^Serv. vindt men enkele malen ook all^n^ een min
uisten vorm, waarsch^niyk een eigenaardigheid
ran het dialect. || Allen die selve gewalt, I,
S738. Baer dien dat volc toesach, I, 2744. Allen
lie nacht lange, II, 330.
c) Wanneer het hoofdwoord, waarby a/ behoort,
ien plaatsnaam is of een woord dat met een plaats-
laam gelgkgesteld wordt, staat al of alk onmid-
leliyk daarvoor, maar biyft evenzeer onverbogen.
II 1ste nv. Al Vranckerike, Heelu 7596. Al Hon-
dene . . ende al Bnlgerie , Flor. 3966 vl§f. — Sde
tv. Al Holland, Stoke II, 154. Van al Duutschen
ant , II , 378. Van al Grimbergen , Orimb. 1 , 52
rlg. In alle Ingelant, Heelu 938. — ^de nv. Al
aolland, Stoke II, 167. Al Zeelant, IV, 11. Al
?olsbroec doer, Oor kb. 2, 309a; enz. — Evenzoo
)g de woorden erderike en Aemelrike, diealseigen-
lamen besclionwd en dus zonder lidwoord gebruikt
vorden. || Al aertrike, Lsp. I, 8, 36. In al
Tderike, Wal. 8865. Al hemelrike, Lsp. I, 2,
17; ens.
d) Ook wanneer het hoofdwoord , waarby al
>ehoort, een tydsbenaming is, die als eigennaam
vordt beschouwd, als by maandnamen en derge-
yke, staat al onmiddellyk daarvoor, en blyft
ivenzeer onverbogen. || Al Tiertsetide, lieve Here,
raerdi ontcleet al moedemaect, OFl. JAed. en Ged,
t2, 76.
e) Waar al te staan komt achter het hoofdwoord ,
lat voorafgegaan wordt door een determinatief,
)iyft het mede onverbogen. jj Die waerheit al,
Hein. I, 2156. Die werelt al, Lanc. II, 11614.
[n die werelt al, II, 4139. Van sinen scatte al,
[V, 7566; enz.
3) Al in den zin van totiu wordt ook praedicatief
l^ebezigd , waarvoor thans alleen geheel in gebruik
8. II In yegewelken is hi al ende ongedeylt,
Eluusbr. 3, 160.
II. Meervoud.
1) Wanneer het onmiddellyk vóór het znw. of
róór het daarby behoorend bnw. staat, wordt al
j^eregeld verbogen. || Alle manne , lAmb. 1 , 2419.
Llle scriften, Doet. I, 31. Alle vogele, alle diere.
Nat. BI. II, 37, 38. Alle dinc, Xij». I, 32, 88.
Aille erdsche dinge, Franc. 387. Alre Heilegen
lach, ^. IV', 89, ol. Alre dinc. Rein. I, 1347.
iUen menscen, Doet. II, 1575. In allen saken,
Nat. BI. Prol. 99. In allen dagen, 2;ö«c. II , 5203.
Tallen dagen, Doet. II, 1628. Tallen saken, Wal.
r843. Van allen sonden, Doet. III, 1772. Tallen
staden ende tallen inden , Heelu 477. Allen dingen,
Lsp. I, 8, 30. In allen goeden dingen, Doet. III,
1753. Met allen ambachten, Lsp. III, 14, 133.
Boven allen dieren. Nat. BI. I, 5. Boven allen
bomen, I, 425. Alle dage, Limb. V, 984. Alle
jaer, Franc. 1779. Alle paerde, Wal. 139, 3637.
Alle wege, Ned. Proza 185; enz^
2) Wordt het van zyn znw. gescheiden door het
lidwoord van bepaaldheid of door eenig ander
determinatief, dan biyft al onverbogen. j| Al de
liede, Christ. 1693. Al die dinc, Lanc. IT, 26486.
Al die gene, Oorkb. 2, 96tf. Wine hebben al der
kinder meer dan hem , Flor. 1293 ; vgl. Vad. Mtts.
I, 66, 2: „Die alre kinder en hadde meer dan
enen sone." Al synre werken, OFl. Lied. en Oed.
539, 587. Al der gerre, Sp. III', 41, 41. Al den
andren, Ferg. 1062. Van al den broederen, Lanc.
II, 5188. Met al sinen slnnen. Rein. I, 2777.
Voor al u magen, II , 3814. Al sine lede, I, 2893; enz.
— Het onverbogene al wisselt ook hier met alle
af, dat even veelvuldig gebruikt wordt Verg. by
het enkel V. 2, b). \\ Alle die heren, Limb. XII,
1235. Alle de liede. Rosé 4989 var. Alle die goede
liede, Lanc. IV, 3547. Alle gene duvele, Limb.
1, 2668. Alle die prochiane, Rein. I, 764. Alle
ser Beiyns mage I, 3449. Alle die lande , iVa^. ^/.
I, 455. Alle die questien, Christ. 1308 (hs.) Alle
dorlogen, Doet, III, 93. Alle die diere. Rein. I,
49. Alle u ridders, Ferg. 4919. Alle mine sculde.
Rein. I, 2511. Alle sine mesdade, I, 1675. Alle
sine dage, I, 1682. Alle die grote sonden, I,
1714. Voor alle dandre, I, 1408. Door alle die
baroene, II, 4280. Alle die vriheden, Oorkb. 2,
307^. Alle die oude letteren , 311^, enz. — By deze
en dergeiyke voorbeelden, waar het znw. in den
Isten of 4den nv. staat, is het twyfelachtig of
alle de verbogen is, by het ww. behoorende, dan
wel als by woord te verklaren, als een bloote
wisselvorm van al. Dat alle op een aantal plaatsen,
waar het znw. in den 2den en 3den nv. staat, als
by woord moet verklaard worden, is ontwyfelbaar ;
doch daartegenover staat een misschien nog grooter
aantal plaatsen, waar de verborgen vorm allen
voor het determinatief in den 3den nv. voorkomt,
zonder dat men met De Vries (Mnd. Wdh. op Al,
als byv. vnw., Il, 2, Aanm.) behoeft te besluiten,
dat daar „de hand der afschryvers het oudere a//^
naar later taalgebruik door het verbogene allen
heeft vervangen, evenals nieuwere uitgevers in
onzen tyd maar al te vaak hetzelfde hebben gedaan."
Dit moge met de mnl. teksten hebben kunnen ge-
schieden, zeer zeker niet in de oorkonden, voor
zooverre deze geene kopieën zyn. In de door ons
aangehaalde oorkonden, alle uit de 13de eeuw,
komt de verbogen vorm allen op een grooter
aantal plaatsen voor dan alUy en het ligt dus
voor de hand te vermoeden, dat beide vormen,
het onverbogen alle als by woord, en het verbogen
allen nevens elkander in den 3den nv. werden
gebruikt. Opmerking verdient nog , dat de 2de nv.
alre nooit voor een determinatief voorkomt.
a) AlUy als by woord, vóór den 2den en 3den
nv. II Alle der lieden, Rijmb. 572 var. Alle diere
heren, Heelu 1698. Alle den heren, 1555. Alle
den lieden, Kat. BI. II, 2005; FUyr. 1043, 3585.
Alle den genen , Fkr. 949. Alle den moenken , Sp.
III*, 89, 15. Alle sinen magen, Fiein. I, 1024,
3457 {hs.). Van alle sinen sonden, I, 2007 (^*.).
Van alle sinen mesdaden, I, 2811 {hs.). Van alle
den dingen , Stemmen 155. Met alle dinen kindren,
L^. Il, 36, 1844. Met alle haer gebeden ende
nis
AL
AL
316
met alle haren goeden werken, Rausbr. 6, 208.
Boven alle desen , Nat BL Y , 432. In alle desen,
Exe. Cron. S\b. Alle sinen gezellen , LaTtc. II ,
1898. Alle uwen mannen, Flor. 3787. Alle dien
( joncfrouwen) , Fhr. 724; enz. — In het Oarib.
0. a. komt dit onverbogen alle vóór een deter-
minatief herhaalde malen voor aan het begin der
stukken by het ww. cont doen , en dus in den 3den
nv., als: Alle den genen of Alle dien
genen, II, 84, 127, 146, 168, 174, 198, 210,
216, 231, 270, 276, 278, 279, 282, 283, 284,
296, 300, 301, 303, 304, 307, 311, 324, enz.
(a. 1269—1290). Ook in den D. B. komt alle
tallooze malen voor.
b) Allen in den verbogen vorm vóór het deter-
minatief in den 3den nv. || Met allen sinen sin-
nen, Doet. II, 1576. Van allen den genen, Flw.
3414, 3803 (Af.) Van allen sinen broederen, Lane.
II, 6222. Tallen sinen dagen, II, 5242. Allen
synen vrienden, Orimb. II, 3487; enz. — In het
Oorkb. komt het tallooze malen voor aan het begin
der stukken bn het ww. cont doen, in Allen den
genen of Allen dien genen, als: II, 96,
100, 112, 116, 135, 138, 144, 162, 164, 166,
171, 172, 176, 189, 191, 204, 205, 216, 221,
234, 238, 246, 249, 263, 254, 266, 268, 260,
261, 263, 271, 272, 273, 274, 277, 278, 279,
287, 298, 299, 801, 303, 304, 806, 307, 308,
311, 313, 315, 323; enz. («. 1271—1290).
3) Achter het hoofdwoord, voorafgegaan door
een determinatief, blyft al onverbogen. || Die
kindere al, Lsp. II, 16, 67. Die andre al, Lane.
II, 12624. Hare peerde al, II, 4848. Die letteren
al , FartA. 7628. Dese woorde al , Ltp. II , 41 , 23.
Metten genoten al , Grimb. 1 , 389. Met sinen
lieden al, I, 618. Onder dandre al, Sp. I',
61, 6. Mine man al, Lanc. IV, 6680. Die ie
niet al en can genoemen, Grimb. I, 1636; enz.
— Doch ook hier is alle niet minder gewoon.
II Die manne alle, Bose 8287. Dander alle, Lfp.
1, 4, 23. Die gerechten alle. Flor. 2198. Sine
someren alle, 1 802. Die cameren alle, Lanc. II,
26800. Di e ie alle niet en can genoemen, Grimb.
I, 1545; enz.
4) Wanneer al niet met een znw., maar met
een persoonlijk of aanwijzend vnw. verbonden is,
wordt het op de gewone wijze verbogen. || Alle
dregen si, Ferg. 1723. Si alle, Lanc. II, 16966,
26796. God, onser aller here. Wal. 2696. Onser
aller wille {var. ons alre), Grimb. 1, 1925. Die is
onse alre gemeine, Rnusbr. 5, 116. Uwer aller
raet, Grimb. I* 1441. Bi uwen alder raet, I,
868. Harre alre vrouwe , Lanc. III , 15066.
Hare alre heer, Heelu 2483. Haer alre namen,
8647. Ons allen. Wal. Ibbl. Met u allen, Doet.
III, 1246. Hem allen, Bein. I, 844, 1388; Lanc.
II, 3662, 6189; Sp. l\ 101, 16; I", 2, 2.
Van hen (hem) allen, Lanc. II, 18696; Heelu
4169, 4962. Se alle, 6006; Sp. I*, 64, 5. Die
alle, Lanc. II, 11633; enz. — In den Isten
nv. komt al evenwel ook onverbogen voor. || Al
riepen si , Parth. 6250. Doese . . al van hem vlogen ,
Stemmen 26.
6) Over de uitdrukkingen Alre dage gel ik e,
alle dagelike, alle dages; Alle jaer ge-
like, allejaerlike. Alle nachtelike, alle
nacht es, zie bij Dach, Jaer, Nacht, en bfi
Dagelike, Jaerlike, Nachtelike, inzonderheid
by Gelïke, en vgl. Taalk. Bijdr. 2, 223 ygg.
6) De 2de nv. alre {aller, aldér) was vooral
gewoon tot versterking van den superlatief, als
nog heden. Zoo b. v. alrebett, alremeest, alrenaast ,
alrescoonst, alderstarest , alreerst (allereerst), enz.
n. Alfl zelfstandig voornaamwoord.
Als zelfst. vnw. wordt Al st. onz. gebroikt
Thans is het als zoodanig nagenoeg verouderd en
door alles vervangen, dat uit al des is samenge-
trokken , evenals iets en niets uit iet des en niet des.
I. VERBUIGING, ENZ.
Iste en 4de nv. al. \\ Al dat ye was, Lsp. I,
I, 56. Doe bijt al hadde gescapen, I, 1, 16. Al
des vaders quam hem niet ane, ^. I", 10, 50.
Al sloegen si dat was in die stede, Bijmb. 6637.
Geven sal hijt dinen knechte, maer niet al, 12016.
(Die) al weder ontmaken sal, Teest. 1458. Ende
vragede hem of hi hadde gedaen also als hi hem
beval. „Here," sprac hi, „ja ie, al, 2876. Hi
sloech al ende hinc, Brab. T. II, 2664; en:.
— De 2de nv. was alles of als, waarvoor wj
thans van alles zeggen, dat men vooral niet met
het mul. alles ver warre. Het mnl. At at alles b. v.
bet. niet hij at alles op , maar hij at van alles. \\ Die
jongelinc at ende dranc genoech alles, dies sQn herte
gedroech, Parth. 1194. Venisoen ende alles genoech,
2111. Die coninc van Yngelantes alles af, 6939. Si
aten alles dies si visieren mochten, Ferg. 3687.
Alles dies men conde geweten, Lane. III, 11330.
Alles dies ie behoeve, Brand. {H) 487. Bevelen
Gode, die als geweldech is, Limb. Serm. 136i.
Ane Gode die alles machtich es, Lsp. II, 36, 1636.
God allene alles machtich es, Teest. \^Ab\Bem.S.
^U. (God) es alles wgs, Vad, Mus. 1, 312, 163.
Dien hi erfgename geset hevet alles Hs. 75f.9ic.
Broet ende wijn ende als te vullen. Flor. 1628.
Daer was als genoech, wilt ende tam, 3902.
Die Here die als heeft macht, Christ. 581. Goet
berou mach als gewonden, Beatr. 648. Van ate
ende drancke als gewout, Amand II, 464. Ende
gaf hem dat hi verteerde als genoech , Brab. Y. Il,
624. Die Gode drouch ende als heeft macht, Sp.
I', 91, 16. Om te volcomene als van dien, Belg.
Mus. 9, 86, 731. God . . die alles mechtich ii,
Ruusbr. 6, 124. Si sfln alles ledich, III, 200;
^f^- — Verg. straks, bij de zegswijzen, onder 2)
en 4) , en zie ook Als (bijw.). — De 3de nv. was
oorspr. allen. || Van allen, Brab. T. II, 1685;
D. B. Gen. 39, 23. Van allen tal, zie straks bij
II, 9). Met allen dat hem anehanget, Oorkb. 2,
308«. Met allen, zie straks bij II, 6). Met orssen
met allen, met paarden en al, Grimb. I, 4229. —
Doch elders: „Met al met den gonfanone," I, 3662.
— Veelal werd ook hier de onverbogen vorm gebe-
zigd, als: II Van al, Lsp. U, 41, 38, III, 1, 169; lieim.
1960; Franc. 7677; Grimb. I,722,212S', Belg. Mus.
1 , 128, 12. In al, Sp. II», 36, 11; Hadew. I, 74, 11;
Stemmen 26. In al noch in deele, Brab. T. VI,
1966, verg. 1978. Vor al, Melib. 1140. Over ijs
ende over al, Stoke III, 1633; enz.
— Aanm. — 1) In latere teksten vindt men
ook van als en in als, nieuwerwetsche vormen,
die in zuiver mnl. zeker niet te rechtvaardigen
zgn, daar ze eene ongepaste vermenging zyn van
twee verschillende uitdrukkingen: van allen, in
allen en den 2den nv. alles of als. Doch bij het
verloop der taal kwam allengs als in de verbogen
vormen voor al in gebruik. || Van als .. genoech,
Rein. II, 6699. Van als gewonden, II, 7686. En
brengen ons water nut oestlant van als, Playeric.
M7
AL
AL
31 8
'4. Yan als moet God gebenedijt sijn, Saer, 290
}ode yan als dancken ende loven, 1215. Nu heb
c van als dat ons gebrac, Mar. v, Nijm. 3, 45.
>e menschen sullen haer betren van als, 34, 820.
Tan als genocb, Hitge v. Bord. 33. In als CCC
nde vijftich, Brab. T. III, 1362. Daer bleven
vel in als XXX dusent menschen, Exc. Cron.
35tf. In als 10 schotponden, Inform. 47. In als
1 haertsteden, 592. — Ook in den Isten nv.
chijnt als reeds in gebruik geweest te sijn , zooals
aen zon opmaken nit Eleff. 63: „Tlant es algader
aijn tote Coelne opten Rijn, ende tote Bomen vort ;
. 1 8 den keiser toebehort." (Doch de varianten lezen
oor aU: aUt qm geitje. Karel zal dus wel dit zeggen :
Al dat land hoort mij toe , ali keizer ,'* en voegt er
ater bij: „Nochtan hebbic goets mee: Galissien
nde Spaengieu lant , dat ie wan met miere kant ,^' en
at dus niet den keizer toebehoorde aU keizer,
laar aan hem als veroveraar.
2) Nevens al (1ste en 4de nv.) komt ook de
iidere vorm alle voor, waaruit al bij afkorting
iit8taan is. Verg. ook bij Al (bijw.), dat even-
eer met alle afwisselt. || Diet alle nemet ende
:evet, Nat. BI. XII, 1165. Onthier ent Fransoys
leeft verheest alle bi den heiegen geest. Franc.
1312. Dat willic alle anevaen, Sp. 111% 36, 21.
\o latent si alle staan, Lanfr. 80r. Alle dat die
iele te hebben pleget, Ludd. 4262. Alle dat des
ms zoude zijn te bat. Lap. I, 6, 11. Alle dat si
rigen conde, MLoep I, 704. Alle dat levet, IV,
»28. Alle dies dat hi om onsen wille geleden
leeft , Ned. Proza 78*. Een . . vruchtbarich maken
tl Ie dies dat in ertrike is, Ruusbr. 4, 196. Alle
lat si doen, VI, 208. Ende benam hair alle dat
li hair benemen mochte, Matth. Anal. 3, 326.
}o dede hi alle dat hi wilde, Exc. Cron. 144a.
LUe dat hi mach, l^bd. God sach alle dat hi
^emaect had, D. B. Gen. 1, 31. Ie sal ofdoen
die dat ie gemaect heb boven der aerden, 7, 4.
\o wat dat si geroeft hadden, alle bracht Bavid
ireder, I Sam. 30, 18. Van alle dat hem van
oden was, üitge v. Bord. 54. Met alle dat wi
^eleysten mogen, Ruusbr. 5, 130. Mit alle dat
aen mocht, Matth. Anal. 3, 326. Boven alle, dat
1 Gode kennen, dienen ende dancken sal, Ned.
^roza 84. Op alle dat manket (= (1.?) manlec)
reder den ander gedaen hadde, Nijh. 1, 180.
3) Al wordt gewoonlgk gevolgd door dat\ men
indt echter ook wat gebezigd, hetgeen door het
l^emeene en onbepaalde van het begrip evengoed
e rechtvaardigen is. || Diet n/ sage wel ter curen ,
mt ware in sinen creaturen, Heim. 2043. Alle
tatier was , Christ. 925. Alle wat hi gedaen hadde ,
>. B. Oen. 24, 66.
II. ZEGSWIJZEN.
Bij al verdienen opmerking de volgende zegs-
ryzen.
1) Niet dan al, gevolgd door een znw., in
len zin van niets dan, eene dubbele en versterkte
litdrukking, waarin al blijkbaar niet als bgw. ,
naar als zelfst. vnw. moet worden opgevat. i|
)oemen niewerincs an al sijn lijf niet sien en mochte
ïan al wonden, Alex. VIII, 762. Meer no min
lan al scade, Wap. Mart. II, 198. Ende daer
f en . mach men hebben niet dan al scande ,
cade ende verdriet, Lsp. III, 9, 87. Die hem
nders niet en dede dan alle doeght ende waerde,
^rah. r. V, 2058. En was in de stad niet
gedaen dan al goet ende alle ere, lAmb. II,
878. Ie ne doe meer no min anders dan alle goede
saken, Amand I, 1541. — Ook met een andere
ontkenning. || Dat niemen doet in hemelrike dan
al goed, Rijmb. 22735. Men sal u doen maer alle
ere, niets dan eer^ Limb. II, 723. Haer en sonde
maer al goet gescien, enz.
2) Alles te voren of Als te voren, waarin
als de 2de nv. is van al, afhangende van te voren,
en dus:
a) Vóór alles, fr. avant tettt. || Des morgens
vroech, alles te voren, selen lantsheren misse
horen, Teest. 1012.
b) Vooral, bovenal, fr. sur tont. || Ende dancte
Gode alles te voren, dat syn sone ye was geboren,
Sp, n*, 32, 29. Alles te voren om ene, die
Jhesum droech van Nazarene, Teest. 2100. Doe
groeten si altemale die si vonden in die zale,
ende Echites alles te voren, Limb. VII, 1521.
Here, dat gi coenlec alles te voren rgdt in uwer
viande scaere, Sakid. 149. Dat si bidden alles te
voren voor die hertogen, Brab. T. VII, 18150.
Urake si was utevercoren van alre scoenheit, als
te voren, van den genen die daer quamen, Parth.
8124. Clarette was blide als te voren, Lane. III,
17756. Die waerdste riddere als te voren van
alder werelt utevercoren, IV, 8687. Tbloet sal
hem lopen ten sporen, endeEcgerickeals te voren,
Eleg. 1099. Sonder keyen als te voren , /Vry. 2746.
Wildi met Gode sijn vercoren , soe viert den sondach
als te voren, X Plag. 570. Grote heren ende
mechtich, die in sinnen syn bedechtich, . . syn
te prisen als te voren, Belg. Mus. \0, 61, 1 — 5. —
Zoo ook Stoke IV, 817; Masi. 886; Lsp. I, 27,
27; II, 23, 39; Doei. I, 80; Vierde Mart.
104; enz.
3) Al te voren, ook Alte voren geschreven,
meae in den zin van vooral, bovenal, waarin a/ de
4de nv. is, afhangende van te voren. || Walewein
groetetse altemale, ende altevoren die coninginne ,
IVal. 2720. Dat gelovet mi altevoren, 4345. Het
ware lachter groot ons beden, ende mi altevoren
mere, 4648. Vader ende here mede van den
goden altevoren, Alex. IV, 128. Tetene ist een
soete dinc, maer die levere soetst al te voeren.
Nat. BI. V, 168. Want men moet lyen . . al
te voren in dit leven die gratie, die God heeft
gegeven, Sp. V, 32, 6. Die minde de keyser al
te voren, II*, 66, 74. Met desen nam hi orlof
daer an die abdesse al te voren, Amand I, 5644.
Lieden harde vele . ., die rouwe dreven ende
sericheide doer haer joncfrouwe , die was verloren ,
ende Justiniaen alte voeren, Flandr. I, 174 — 177.
Hi was behudere van den swerde van kerstenhede
al te voren, Belg. Mus. 10, 58, 24. Nu hevet die
coninc gezworen, bi siere crone al te voren , i/a/éf^.
413. Hine sout al te voren niet winnen, Limb.
VIII, 438. — Ook vindt men Boven al te
voren, bovenal, in welke uitdrukking boven
een pleonastisch toevoegsel is. || Maer boven
al te voren so verhoget, vroech ende spade, die
ziele van des goeds vrients rade, Melib, 1639.
God boven al te voren hadder af willen sijn
geboren, Teest. 2246. Ende boven al te voren soe
duchten die heeren enz , Brab. Y. VI, 9882.
4) Alles boven of Als te boven, bovenal,
hetzelfde als Als te voren. Verg. 2, b). || Dats
te dagene alles boven. Feest. 2362. So leget vele
verlies daer an sinen here als te boven, Vierde
Mart. 81.
5) Met allen (mit allen), eene uitdrukking
waarin allen te beschouwen is als de 3de nv.
319
AL.
AL.
320
enkeW. , dus met al^ d. i. m het geheel. Het mhd.
heeft mit alle, waarin alle de ohd. instmmentalis
allé is : zie Ben. l , 19 vlg. | Ook mnl. vindt men
met alle: zie voorbeelden bij Al met alle.
a) Geheel en al, te eenen male, volkomen, de
gewone beteekenis. |1 Ende si tellede hare met
allen also alse daer was gevallen , Lanc. II, 16636.
Hi lach in onmacht met allen, II, 20869. Hi ont-
wapendene met allen, III, 320. Gaudijn, die met
allen opgaf Parthonopeus sinen prijs, Farth. 6940.
Doataer sal scoren nu met allen, Bijmb. 12177.
Den scinkel ontwee met allen ende in den hals
gequetst sere, Heim. 2054. Den eersten stac hi
dat op derde met allen viel met sinen perde , Limb.
IV , 1449. Mamet geets mi af met allen , IX , 750.
Een gat, dat door aentrike ginge mit allen, Ltp.
I, 11, 33. ü schoon aensicht ware met allen
geschent ! Han.H. 70. Dat ingewant soude mit allen
uutvallen, B. War. 3, 84. Mit allen anders dan
die luyde van den lande zjn, Bienb. 78c. Dat hi
u . . mit allen onnutte make tot allen dingen,
Ned. Proza 289. Dat conincrijc van Vrancrijck te
verwoesten ende met allen te vernielen , Exc. Cron.
178a. — Zoo ook Lanc. II, 5948, 7093, 17266,
20890, 29292; Sp. 111% 1, 51; 9, 76; III«, 43,
49; 45, 107; Ltp. I, 7, 3; 18, 62; 36, 43; II,
36, 946; IV, 9, 36, 71; Teest. 3607; Amand I,
3536, 6818; II, 4806; Nat. BI. III, 1640; VI,
813; XII, 784; OVl. Lied. en Oed. 248, 446;
Lett. N. W. 6', 214, 18; Glor. 949, VroMO.e.M.
Vil, 79; Hadew. I, 15, 69; em. Later ook
Medallen en Met dallen geschreven. || Een
kint ... dat int dwater scheen verdroncken medallen,
Sacr. 584. Ie lach te bedde , in ie sey ie was met
dallen cranc, VUyeno. 215.
b) Bij uitbreiding ging met allen over tot
eene bloote verzekeringsformule: Voorzeker , inder-
daad. II Die Spaensce paerde entie van Gallen
leven onlange met allen, Nat. BI. II, 1605. Dus
verteert hise met allen, IV, 234. Die gene daer
met allen Gods lot op sal vallen. Lep. II, 6, 77.
Ende dertsche dyaken es doot gevallen, alse oft
hi tfenijn dronke met allen, Sp. III», 66, 27.
Ie eten met allen wel, V Maegd. 238. — Zoo
ook Nat. BI. VII, 760; IX, 131; XII, 831; ÏAp.
II, 36, 1069; Taal- en Ltb. 3, 74, 94; enz. Zie
verder talrijke voorbeelden in Bijmb. gloss. op
Met (allen), enz. — Met allen wel, geheel
en al, volkomen. \\ De ghesellen hebben dat be-
weerp wel ghevisiteert ende ghenoucht hemlieden
met allen wel, Belg. Mm. 7, 27. — Met de ont-
kenning: Met allen niet of Niet met allen
(later niet met al, in de volkstaal niemendal),
volstrekt niet of volstrekt niets. \\ In wille u met
allen niet verdriven, Limb. IV, 336. Ende en
comt hi mit allen niet, so verbuert hi 10 ffi.
Leid. Keitrb. 39, 21. Hi en conste in dier be-
derven met allen niet goets verwerven, Brab. Y.
VII, 663. Want mit allen niet dat groeyende was
bleef in thout, D. B. Exod. 10, 16. Mit allen niet
hebbende in sine hant, Bicht. 14 , 6. Hy en beterden
hem mit allen niet in ghenen dinghen , Bienb, 7Sb.
Daer en ghebreket mit allen niet, Gerl. Peters
226. Een lit dat van den lichaem gesneden is , dat
en voelt niet mid allen, Barthol. bSa. Daerof de
3 niet medallen en hebben dan zy en winnen mitter
handt, Inform. 663. — Geen met allen, vol-
strekt geen, geen enkel. || Mer van die (/. der)
kinder van Israhels beesten en starf der geen mit
allen, B. B. Exod. 9,6. — Met al of alle ver-
sterkt : Al met allen, geheel en al, te eenen male.
11 Dat zijt hoerden borlen ende wallen dien langen
dach al met allen, Brand. {(T) 366. Ende hi
heeftene in zine stede al met allen ooc geset,
Huge V. Bord. IV, 180. So dat hi doot al met
allen vor sine voete quam gevallen, Benont 690.
Doe moesti al met allen swigen , Flor. 1090. Metten
wachters al met allen, Btjmb. 29874. Datti mure
al met allen an die westzide waren gevallen,
34061. Voeren si woch al met allen, Sp. 1*, 45,
62. Al met allen in Almaengen ende in Gallen,
IV ' , 37 , 59. Daer na ten inde al met allen die
stat van Dordrecht bevallen, Brab. Y. VII, 8561.
— Ook in den vorm Al met alle of Alle met
alle, waarin alh de oude instrumentalis is. ||
Eer hijs iet weet, es hi al met alle onder die
voete geworpen neder. Flor. 3186. Ende nam dat
rike al met alle dien van Argos, Bijmb. 2248.
Ondoe den visch, ende al met alle hout hert«,
levre ende galle, 16573. Bestriker mede alle met
alle dijns vader ogen, 16772. Die verwonnen had-
den Galle ende Grieken al met alle , 27542. Die
ontseiden si alle met alle, 18799 var. Noch ei
wach {var. was) in ongevalle dese onwille al met
alle grave Willem niet swaer genoech, Stoke III,
241. — Vooral met de ontkenning: Al met allen
niet, of niet al met allen, in het geheel niet,
volstrekt niet of volstrekt niets; al metallei
geen, volstrekt geen. || Dat daer die loTer niet
en vallen van dien bomen al met allen, Alex.Yïl,
1765. Maer sine mochten al met allen den muur met
hem niet doen vallen , Bijmb. 31663. (Hi) sliep so
vaste ende so wel, dat hi van dien tween vallen niet
ontwiec al met allen , Franc. 8712. Gi en sult al met
allen niet eten , D. B. Levit. 3 , 17. Soe en Terwtrp
icse alle met allen niet, 26, 44. Ende dat men
ooc van siere gewelt al met allen niet en helt,
Brab. Y. VII, 8411. Ende hi en sal al mit allen
tot genen doden ingaen, D. B. Levit. 21, 11. Oi
en saget al met allen gene gelikenesse, DeuL 4,
12 (Vuig. omnino non, penitus non). Mit ghenen
vremden wiven en sit al mit allen niet, noch en
legge mit haer op een bedde niet , Hs. v. 1423 , 234^
Ich en hadde all mit allen hier negheen water,
raderb. 272».
6^ Albedalle, mnd. albedalle. Bedalle,
mha. betalle is de lustrum. allH, mhd. alle, met
het oude voorz. bet, bit, in beteekenis nagenoeg
met met overeenkomende: zie Grimm, Or. 1', 461;
3 , 268. De t van bet ging mnl. vóór den klinker
in d over, evenals niet met allen ook geschreven
werd niet mid allen. In beteekenis is Albedalle
niet volkomen gel^k aan Al met allen niet,
volstrekt niet. \\ Die bisscop en was niet gewone
van hem te wetene albedalle, Yst. BI. 1174. Des
en doewi niet albedalle , Farth. 6294. Dat allebedalle
daer ter stat alle die soetheit niene can die (/. den)
minsce geselen , Velth. VIII , 29 , 2. Dat si albedalle
niet doen en wouden, Sp. II >, 46, 47. Ende en
wiste albedalle niet wat dit bediede , I). B.1 Som.
20, 39. Anna sprac in haer herte, ende allene
ruerden haer lippen , ende men hoerde haer stemme
albedalle niet , al4. 1, 13. — Wordt niet substantive
en dus als niets opgevat, dan staat Albedalle
niet gelijk met: In het geheel niets, niets hoe-
genaaind. || Ende si en lieten albedalle niet in
Israhel , datter lyftochte toebehoerde , B. B. Bicht.
6, 4. Soe en verloren niet albedalle, I Som. 26,
16. Die arme man en hadde niet albedalle sonder
een cleyn scapelkijn, II Sam. 12, 3 (Vuig. nihil
omnino). — Desgelgks Niemant albedalle,
volstrekt niemand. || Ende niemant albedalle en
321
AL.
AL.
322
itac jegen hem, D. B. Richt. 18, 7 (Vuig. j^nullo
si penitus resistente"). — Over alle als wisselvorm
7an aly in alU met all^n en alUhedalle (zooals het
in enkele der boven aangehaalde voorbeelden luidt),
Eie boven, bg de verbuiging van Al^ en verg. bij
E, bijv. vnw., enkelv. 2, d). — Vóór bed all e
komt alle evenwel ook als mv. voor: Alle be-
dalle, d. i. penitus omnes, dus allen zonder
onderscheid^ allen te zamen. || Want hi ons alle
heeft gemaect, ende weder verlost van den valle,
dien wi vielen alle bedalle overmids die verboden
Rpise, Tst. BI. 3274.
7) Al gevolgd door het aanw. vnw. dat of dit,
in den zin van gedurende al dien tijd, onder tusschen.
II Comt al dat in, ie sal u wachten ende salse u
openen sonder wanc. Rosé fr. bl. 254, vs. 23. Al
dat so riepse te gader Fransoys haer helege vader,
Pranc, 1217 (Lat. tune). Die al dit was in groten
sere , L. o. H. 2316. — Ook gevolgd door het voegw.
dat: Al dat, gedurende al den tijd dat, zoolang
als. II Al dat men den tempel maken dede,
Jtijmö. 11286. Hoetse in den staet al dat gilevet,
daerse God in geroupen hevet. Franc. 3097. Al
dat hi was in die woestine, Sp. II*, 69, 4. Al
dat si uten lande vlien, sie ontraden al dat si
horen ende sien, L. o. É. 688. Al dat si op hem
riepen dan, hi stout als een seerich man; al dat si
.sloegen hi sweech stille, 2805. Cruce, du waers
tote nu gehaet, . . voert meer so saltu sijn gemint
al dat ie sal sijn bekint, 2991 — 94.
8) Van al, van overal , van alle kanten. \\ Doe
quamer tfolc toe van al, Sp. IV', 60, 84. De
raenichte quam groot ende sochte van al omtrent
hoer kerstinhede, Amand I, 3355.
9) Van allen tal of Van al tal, van al tot
al, d. i. van overal tot overal (verg. 8), en dus:
a) Aan alle kanten, over de gansehe uitgestrekt-
heid. II Ende dan vort swoeren si dat ouse lant
van Hosden, borch ende stat, desgelgc van allen
tal beset, versekert werden sal , ^rad. T. VI, 2193.
. h) Aan alle kanten , in ieder opzicht, geheel en al. ||
Dat ie wel cortelike sal ju telivereren van al tal,
Wal. 7883 {tiitg. al[len]tal). Als die coninc up ende
neder van al tal hadde sijn gevouch, VI. Rijmkr.
5719. Van allental tevreden, Brab. Y. VU, 1631.
Wij . . renoncheren ende gaen af, als in dit stic
geheel ende van al tal, Brab. Y. Dl. 2, bl. 504.
Overmids dat hi van sier orlogen . . van al tal
bleven es up ons , ald. bl. 538. Hiermede van al tal
wel verzoent , Cannaert 379. Verzoent ende van al
tal gepayt, 382. Ende elc by hem sonderlinge s(jn
bleven van al tal, 389. Dat hi hem ontpoorteren
sal van al tal, Cout. v. Gent 592. Ende bi also
datter kerken eenich grief quame, . . dat souden
zy der kerken uprechten ende restaureren van al
tal, Diericx, Mém. 2, 106.
c) In den gansehen omvang, van het begin tot
het einde, van A tot Z. \\ Daer verhaelden metter
spoede die bisscop, ende Jaquenaert vomomt,van
al tal in curter stont des paues sentencie voer
waerhede, VI. Rijmkr. 6902. Ende vertrac hem
van al tal, Amand I, 3867. Ie sal di leeren van
al tal hoe men den zonder minnen zal, O VI. Lied.
en Qed. 511, 525. — Ook in de uitdrukking Al
tal, alles in elk deel. \\ Dat hy heeft angenomen . .
te makene, te werckene ende leveme int gheele,
al tal vulwrocht sijnde, eene zelege -gheests scrine,
Diericx, Mém. 2, 217.
10) Over al, en in versterkten vorm, Al
over al.
a) Doorgaans in de nog heden gewone opvatting
van ubique, als: Lanc. II, 16192; Stoke V, 1053 ;
Rijmb. 2587; Sp. I«, 42 44; enz. — k\ over al,
Flor. 3636; Rijmb, 14558, 23043, 34328; Lsp. II,
36, 38; 541; IV, 9, 48; 56; Teest. 3677, 4158;
Doet. II, 533, 3183; Rosé fr. bl. 248, II, 29;
Brab. Y. VI, 6263; Amand I, 3156; II, 3127;
Belg. Mus. 10, 343, 19; enz. — Somtijds echter in
de gewijzigde opvattingen van
d) In elk deel, in ieder opzicht, geheel en al. \\
Van sinen live was hi overal die beste gescepene
jongelinc. Flor. 3595. Over die scouderen was si
smal ende wel gescepen overal, i'Vry. 1193. Hoort,
ende swiget over al, wat ie u voort seggen sal,
Grimb. I, 357 (var. „Nu hoort dan al over «/").
c) In het geheel, alles te zamen', eigenlijk „de
zaak over het geheel beschouwd." || In elke side
hi ridders scaerde, diere haddi M over al, Sp.
I«, 12, 22.
11) Dore al, gevolgd door het voegw. dat.
Eigenlijk: bij dit al, dus: Niettegenstaande, on-
danks dat, alhoewel, evenals wij nog heden met
dat al gebruiken voor desniettemin, des ondanks,
toch. II Also wale plegic noch te dienne hem dor
al dat ie geesteleec ben , Lanc, III , 10374. Dore al
dat hi sgns was in vare, daer hi sine scone amie
sach . . sette hi sgn lyf op aventure, Parth. 4812.
Den amirael jammerde selven so sere, dor al dat
hi was verbolgen so, Flor, 3713. Ende leiden int
palas, doer al datti kerstyn was, Flandr. I, 200.
Maer hi streec verre voren allene, dor al dat
men grote stene up hem warp, Rijmb. 32971. Dor
al dat hi dus heeft gewracht , behilt hi sine ierste
cracht, ^. II*, 55, 53. Nochtan mogedi leren van
mi, door al dat ie een kint zi, Lsp. II, 23, 49.
Dor al dat aldus was gedaen met vonnesse , en liet
hijs niet gaen, Brab, Y, VI, 4485. Nochtan haere
bedevard overwaer en wilden si achterlaten niet,
dor al dat si hadden verdriet, Velth. II, 3, 40.
Ende dor al datter tyser in stac, ne wrochte hi
niet, OVl. Lied. en Oed. 358, 1271. Door al dat
hy daer bet dan XL dage gelegen hadde , nochtan
roec den lichame oft een specerye geweest hadde ,
Cron. V. Vlaend. 1, 64. Philips van Elzaten hilt
Vlaenderen in groeter yeeren (d. i. eeren) ende payse ,
doer al dat hy drye warften over zee dat Heylige
landt hadde helpen beschudden, 109. Zo moet hij
zijns gevouchs doen vor siin bedde, dor al dat
dander zieke daer bi sitten, Belg. Mus. 7, 92. —
Zoo ook Lanc. II, 23916; Parth. 633; i^. III»,
11, 71; IIP, 5, 65; U\ 40, 104; Brab. Y. VI,
6270; GHmb. I, 2847; Amand l, 4725; II, 96,
3054, 3665, 5792; Troyen 1823, vgl. de Aant.
ald.; enz. — In denzelfden zin ook doer alle
dat. II Doer alle dat sy hem daden vryen alle
dander . . , hy toenden haer saen die mynne , Troyen
f. 41^. Nochtans doer alle dat so moesten die
Grieken wyken , Troyen Vb. 33c. ; doer alle
desen, Lanc. III, 26613; en tallen dien dat,
in welke uitdrukking echter al niet als zelfst. ,
maar als bijv. vnw. staat. || Ende tallen dien dat
si nochtan so mager was, sone hadsi an marenen
roe. Rosé 215.
12) Al noch half, heel noch half, dus in
H geheel niet. \\ Ende en bekendens al noch half,
Teest. 364.
13) Al vore al setten of wagen, ook Al
jegen al setten of aventuren, alles op het
spel zetten, het uiterste wagen, || Ende coenlike
setten al voer al, Velth. II, 6, 16 {initg. ver).
Dese setten al voer al, Edew. 907. Ie sonde al
vore al wagen, 1772. Hi outsach meer ongeval
11
323
AL.
AL.
324
ende sette al jegen al, Bein. 1, 737. Ie sal proven omme
geval ende avonturen al jegen al, Lanc, 11,42927.
14) Al omme al, alles om alles, ^txb geheel en
al, met lijf en ziek \\ Die hoger minnen dienen
sal, hi ne mach ontsien engene pine, hi sal hem
geven al omme al , omme hoeger minnen genoech
te sine, Hadew. I, 123, 17.
AL (alle), als by woord, eigenlijk de 4de nv.
enkelv. van het onz., jo nav^ omne, en dus
omnino, fr. du toiU. Mhd. a/, mnd. a/, alle. Geheel,
geheel en al (in welke laatste uitdmkking het oude
al in dezen zin nog voortleeft). || Alse die dinc
al was gedaen, Sp. I', 90, 45. Alse die vrouwe
al was genesen, I',.70, 22. Dicken, alsic al was
bi, hem te hebbene, ontginc hijs mi, I^, 73, 55.
Die sciuke vergat Josephs al, Rijmb. 2977. Diese
verteerden al, 2995. Was tfolc van Gabaa al
verslagen, 8394. Bespringet al met bloede, Clatis.
478. Een bedde dat al es hout, DocL II, 483. Alse
die al verwoede dor das, LaTtc. II, 26786. Al
gewapent, II, 8090. Al ontwapent, Wal. 4600.
Hi sal sire sericheit vergeten al. Flor. 1289. Al
gereet, 1498, 505 var. Al ro, geheel rauw, Heim.
993. Al ripe , Rijmb. 2946 ; enz. — Schijnbaar staat
het onverbogen al als bijvoeglijk vnw. vóór zelf-
standige naamwoorden, terwijl het werkelijk bij-
woord is in den zin van geheel en al, of wel van
niet dan, dat wij in de dagelijksche spreektaal
veelal door allemaal, heelemaal , allegadr uit-
drukken. II Dat es al sotheit, Melih. 215 var.
{in den tekst: algader). Die werelt te dienen is al
verlies. Hor. Belg. 10, 115, 3. Tote noch waest
sekerlike al een keiserike Constantinobele ende
Romen, Brab. Y. II, 1599. Al wit so haddi an,
niet dan wit, Amand II , 3917. Al die gelike
AmpetrQs, Parth. 5942. Dan gaen si derwaert al
den telt, Teest. 3221. Dat en es al maer een caf,
1491. Dit en sijn maer al dromen, Brdb. Y. II,
1560. God gevere mi af al goet. Rein. I, 1042.
Haer en soude maer al goet ghescien , enz. — Ook
in den vorm Alle. \\ Hi was alle den raet van vrou
Aleyt, Ezc. Cron. 111 d (d. i. geheel en al, in alle
opzichten). Hi sprac: tis alle volbracht. Hor. Belg.
10, 191, 8. Dus es u geloove alle twifelinge,
Amand- II, 2389. — In vereeniging met het bijw.
vol, in de uitdrukking Alle ende vol, vol
ende al, geheel en al, volledig. || Gelikerwys
of hij alle ende vol bezegelt ende nyet gebroken
en wair, Oorkb. 1, 271*. Dat hi XII jaer vol
ende al out waer , R. v. JJtr. 1 , 91 , 33. Vol ende
al betaelt hebben , Racer 2 , 209 ; zoo ook Racer 7 ,
2893 R. v.Utr. 2, 96; 119. Dat Meynolt den schade vol
en all beleget {vergoed) hevet, Warfsconstit. 2. —
Ook wel ende al, in denzelfden zin , V. d.Wall 222.
— Verbonden met de ontkenning niet: Al niet
of Niet al (alle), niet geheel, oï geheel niet,
volstrekt niet of niets. \\ Entrouwen, soe en
benic al niet blint, lApp. 124. Sonder dese so en
can die werelt al niet gestaen, Teest. 2281. Doe
dit kint niet al seven jaren olt en was, nog geen
volle 7 jaar, Bienb. 84a. Der werelt scoende es al
niet, X Plag. 2204. Dat lant hiet tien tiden Galle ,
dat goede voeren niet wist alle, Parth. 232. —
Niet anders al, volstrekt niets anders. \\ In
darke was niet anders al dan Aarons roede , Rijmb.
10094. — Vooral gebruikt
a) By bijvoeglijke naamwoorden. || Men salt
{ijzer) steken al heet {heet en /wel) , over een yseren
plate, Laufr. 112v. Al heel (geheel en al, heelendal)
gheuesen, 173». Al bleec, Lanc. II, 11480. Al
bleut, Rijmb. 24361. Albloetroot, 26072. Al naect.
1326, 26121; Parth. 2075. Al waer, Rijmb.2i3Si.
Al eigen, Parth. 7657. Algeheel, 7210. Al warm,
f erg. 3674. Al gesont, Sp. III*, 40, 53. Al bloot,
Rijmb. 1305. Al doot, Christ. 195. Al steendoot,
Rein. I, 1695 Al luttel, Lsp. III, 17, 102 vtr.
Al wit yserijn, Lanc. II, 17891. — Ook b§ het
vnw. afider en het telw. een. \\ AI ander, Rijmb.
4654. Al een, aleen (verg. Allene), Sp. I', 52,
30; 11% 10, 70; Rijmb. 3002, 33627; Doei. H,
487; Velth. Prol. 18. Al moederene, Ferg. 2791,
2957, 4951.
b) By verl. deelwoorden. || Al behouden , £»/«£.
29816. Al gecleet, 16410. Al verdinget, 1861. Al
verdreven, 10565. Ontgangen al, 7632. Al vcrwoet,
19265; Sp. II*, 53, 65. Al ongesocht, Lsp. U,
9, 87. Al onverbolgen , Heim. 1706. Al onvervaert,
Rijmb. 17. Al ongelogen, Grimb. I, 91; ens.
c) By tegenwoordige deelwoorden, bi) welke al
nog heden in gebruik is, om de geiyktydigheid
der handeling met eene andere uit t« drukken, jj
Al roepende, Christ. 1764. Al bedende endf
droevende, 1685. Al dukende vlien. Wal. 10586.
Al drivende wel groot mesbaer, 5065; ens.
d) By by woorden. j| Al dare, Heim. 1056. Al
ginder, Sp. III», 53, 33. Al nu, Bern. W. hU.
Lanc. n, 26603; Alex. II, 744; III, 227;^.P,
60, 55; Grimb. I, 2293, 2924, 3298, 5295. Al
noch, Stoke I, 575; II, 25; Sp. I«, 30,31;
I», 41, 45; Lsp. II, 48, 1088; Brab. T.W , 250.
Al doe, Lanc. U, 21740; Hs. v. 1348, 222a, lis.
Evang. Joh. 19, 33; Sp. I', 85, 8. Al dan, al
danne, Rijmb. 8892, 2162. Al voort, 2387; Lip.
I, 48, 65. Al saen, Chnst. 1188. Al dicst, 1538.
AI even dicke , Rijmb. 5582. Al slecht , Christ. U6.
Al omtrent , Lanc. II , 3855 , 24796 ; Nat. BI. VIII,
195; fTap. Mart. II, 171. Al dorentore, /Wy.
1806. Al harentare, Heim. 1841. Al bloot, 1328;
Sp. 1% 9, 20. Al openbare, 1663. Al heel, Dw/.
Oreat. 7b; Rijmb. 152, 9537; S^p. V, 52, 30. Al
plat, Rijmb. 32981. Al willens , 25255. AI geheellike,
Lorr. II, 2035. Al scoenkine, Wal. 6549. Al te
beter, Wrake I, 283. Al te mere. Rein. I, 1298.
Al hoe suer, hoe zuur ook. Kal. 3, 88. Al re,
alreeds, Sacr. 335. Al een like, Lorr. II, 3966;
Lanc. IV, 4205; Sp. IIP, 36, 119; III', 40,
29. Al enwech, Barthol. ö44a; enz.. — Alom,
al omme. Al over, Al toe, Al uut, zie bj
Om, Over, Toe en Uut; Al op, zie ald.
e) By adverbiale spreekwyzen. || Al over waer,
Rijmb. 6660; Christ. 1868. Al sonder beiden , Wel.
130. Al sonder sparen, Christ. 422; Stoke V,
667. Al ongespaert, Belg. Mus. 10, 59, 64. Al
sonder vaer. Al sonder waen, Lanc. II, 11382,
15999. Al (alle) uut ende uut, WaLS9^',Limb.X,
1935; -§?. III*, 8, 34. Al over luut. Wal. 3954.
Al uten spele Rein. I, 1882. Al bloter hnut, I,
1256. Al open doren, Rosé fr. bl. 252, vs. 240. AI
noch heden , Rijmb. 6557. Al omme ende omme , 414,
658, 14310. Al omtrent omme, 29845. Al wel
naer, 3551. Al vorwaert mere, Sp, III», 45, 12.
Al te maellen D. War. 5, 387; enz — Over al
ter versterking van het by woord te zie by Alte.
/) By voorzetsels. || Al in den brant, Christ,
415. Al omme there, Rijmb. 5583. Al omme des,
5728. Al sonder kint, 1705. Al sonder dese
martelaren, Sp. Il", 64, 13. Al omtrent hem,
Ferg. 4119. Al dore dat lant, Al dure dat here,
Lanc. II, 12528, 32889. Van den ruggebeen al to
den eersce, Lanfr. 52r. Al tote seven jaer, ^.
I' , 60, 79. Al opten Ryn, Fl^. 5 var., enz.
g) By voegis'oorden en voegw. uitdr. || Al dacr
$25
AL.
AL.
32G
li lach, Lanc. II, 5025; EUg, 11; i2«>»i*. 2992. Al
ochtan dat, ofschoon^ <^. 111^,43, 24. Altotedien
lat, totdat y Rijmb. 18520. Al hoe menich jaer, Grimb.
, 200, 214, verg. 130; enz. — Ook in den vorm alle.
I Hebt danc dat gi hier qnaemt, doe gi mijn bootscap
emaemt , alle dat ie u spreken wonde , Grimb. I ,
295 (var. dat). — Inzonderheid ter versterking
an het voegw. o/, in de uitdrukking Al of, ook
loor verwarring van o/, hd. ob, met ofte, hd.
deTy in den vorm Al o ft, al ofte, al ocht,
n de beteekenis van Alsof, eigenlijk geheel
f. Verg. Ned. Wdb. op Of (2de art.), Etym.
II Al of et wonde , datmene al daer vinden
oude. Nat. BI. II, 2003. Ende hi bode haer lief
nde ere, al of si niet en hadde mesvaren, Vad.
yfns. 1 , 59 , 55. Dat die mensche boven sit , al of
li opten oversten swingel van der molen saté,
Ved. Proza 154. Si siju gedaen al oft si biten
ouden die liede die si sien, Alex. VII, 857. Du
rebeers al oft ware dijn wille, L. o. II. 3122.
Hgn een ooge die is my, al oftse waer uutgesworen,
Har. V. Nijm. 8 , 150. Om welke dine loefstu Grode
:o hoechlike, al ofte hi di gemaect hadde rike,
sjp. II', 11, 24. Al ocht were in enen stride , ^/^jr.
T\l , 180. — Zoo nog Huygens bl. 263, reg. 1, e. e.
— Al wordt menigmaal als een bloote bevestiging,
m dus bijna expletief, aan het einde van eenen
:in geplaatst, vooral in het rijm. || Die monster
itaet op enen berch al, Lane. II, 11379. Here,
aet ons hem volgen, hi sal dese bataelge ver-
vinnen al, II, 33493. Dese V steden worden mat,
inde worden gesconfiert int dal, voor die IIII
(oninge al, Rijmb. 1614. Maer dit was verraetnes
londer waen, dat hi ende dander daden al, als ie
1 hier secgen sal, Velth. V, 8, 82.
— Al, als bijwoord, gevolgd door een stofnaam,
^eeft te kennen dat een voorwerp geheel het voor-
komen van die stof heeft , één en al er als die stof
litzict. II Doe hine sach liggen al een bloet,
^tein. I, 932. Si waren al een swel (eelf), ^.11», 8,
19. Ie sie u aenschyn al een bloet, Troyen f. 80r.
>oen sach si voer haer liggen neder den scoenen
aantel int gras, dien Tysbee ontfallen was. Si
etter op haren voet, ende maecten allen bloet,
Hehj. Mm. 10, 94, 178 (d. i. één en al bloed).
ïlnde als si hem naecte bi, sach si die sweerde
ill^fn bloet, dat hem ter herten utewoet, 96, 238
in den tekst verkeerdelijk', tsweert: de zin is: den
f rond één en al bloed). De andore redactie van
iet gedicht, Taalk. Bijdr. 1, 244 vlgg., heeft
)p de hier aangehaalde plaatsen eene geheel andere
ezing, en kan dus niet ter vergelijking dienen.
5e Vries, Mnl. Wdb. op Al, bijw., zegt: „Aan
tene verbastering uit al een bloet valt niet te
leuken," en verstaat de uitdrukking als al en
Moet, „waarin en het oude voorz. is, met in
relijkstaifinde , dat ook in enwege {enweeh) , entrouwen
snz. wordt aangetroffen." De eigenlijke beteekenis
sou dus zijn geheel in bloed, terwgl door misver-
itand van het verouderde en de uitdrukking al en
verliep tot allen. Doch plaatsen als Sp. II*, 8,
)9: al een swel, maken hot raadzaam als oorspron-
kelijke uitdr. al één aan te nemen, waarmede onze
litdrukking één en al geheel overeenkomt. Vgl. Ver-
lam op Troyen 4109. — Ook bij abstracte znw. ||
Dit maecten si vast onder hem tween , so dat al ene
menscap sceen, Stoke IV, 835. (Troyen 4109 leze
nen voor al een met Franck allen (dat. plur.).
Aanm. — Brab. Y. II, 1932: „Die helm . . sceen
;laer al een gout", zou kunnen beteekenen „de
belm sclieen volkomen één en al goud." Doch al
zal hier wel op te vatten zijn als voegw. , in den
zin van als (zie Al als voegw., 2, r), daar men
Sp. IV', 6, 50, waaraan het hoofdstuk is ontleend ,
leest: "Die sceen claer aU een gout."
— Al, als versterkend bgwoord, maakt deel
uit van een aantal samengestelde uitdrukkingen,
als: Aldore, Algemene, Allene, Alleenskine, Alna ,
Alop, Airene, Alte, Altehant, Altemet, Altenen, Altoe
enz. , die in do hss. nu eens aaneengeschreven
worden, dan weder in hare deelen gescheiden
big ven. Om de eenheid van begrip is het raad-
zaam, ze als één woord te schrijven. Men zie
derhalve de verklaring op de woorden zelve. —
Over Al in een, zie bij Een. .
AL, als voorzetsel, in zijne opvattingen ge-
makkelgk te verklaren uit de adverbiale beteekenis
van geheel, geheel en al. Doch ook het fr. h V
zal niet zonder invloed gebleven zijn op deze bet.
van aL Zie Franck in zgne Aantt. op den Akxander.
— Bij werkwoorden van beweging, zoowel onzijdige
als bedrijvende, wordt dikwijls eene bepaling van
plaats gevoegd in den 4den nv. , om den weg uit te
drukken , langs welken de beweging geschiedt , of de
ruimte , door welke zij plaats vindt. Dergelijke bepa-
ling van plaats werd in het mnl. veelal verstrekt
door het bijwoord al, om uit te drukken, dat de
beweging geschiedde hetzg l-angs de aangewezen
ruimte in al hare uitgestrektheid, hetzij door de
geheele ruimte in al haren omvang. Nog heden
is het gebruik van al als voorz. in Vlaanderen
gewoon, in den zin van langs, door, in de streek
van, als: „Geheele dagen al strate loopen, fr.
courir la rite. Al de strate loopen (zijne richting
nemen langs de straat, en niet door de akkers, enz.).
Al ons geweste , al onze kanten , fr. de nos cdtés , d^tns
nos parages. Hij is al Frankrijk weggegaan. Men
spreekt al Brugge anders dan al Kortrijk ," De Bo 46.
Vgl. Ndl. Wdb. op Al , voorz. — Al als voorzetsel
komt voor in do volgende opvattingen:
a) Langs. || Al die roetse neder, Merl. 27900.
Alst Alexander hadde verstaen , voerde hi there
al een ander strate, Alex. IV, 1658. Van bloede, neder-
lopende al sinen lechame , Hs. v. 1348 , 297d. Al die
Mase , Velth. 1 , 45 , 59. Quam Perchevael in hare ge-
moet al enen sijtwech die daer stoet, Lanc. II, 37752.
Ende keerde over die brucge weder ende rechtevort
alt water neder, II, 39277. Soe vard mi dan al desen
pat, II, 39295. Daer hi al die straten vaert, Limb. IV,
566. Mgn heer Melancolie cam neder al den wen-
telsteen, on. Lied. en Oed. 268, 1050. Dit voer-
seyde leen . . lieght zuudewest van der keereken
van Desselghem, also men vaert al de straete
ter muelnen waert streckende, Gendsch Chtb. 119.
Dyo coninghen dye keerden al enen anderen wech
in horen rgck. Pass. W. lAXa, Si keerden al een
anderen wech in hoer lantscap, 156<^. Gaet wech
in der wildernissen al den wech van der Roder
zee, B. B. Deut. 1, 40 (Vuig. per viam). Al enen
wech sullen si tot di comen , ende al seven wegen
sullen si vlyen van dinen aenscouwen , 28 , 7
(Vuig. per unam viam). Veel volcs quam al den
wech die butens weges lach, II Sam. 13, 34
(Vuig. per iter). Al welken wech snllen wi optrec-
ken ! II Kon. 3 , 8 (Vuig. per quam viam).
b) Door, over, in den omvang van. \\ Ende voer
al dlant van der Moreien, Sp. II', 6, 23. Diene
souden voeren sciere al die zee hemelike, Lorr.
II, 2098. Die ginc soe hi best can den rechten
wech te Limborch wert al die zee nederwert,
Limb. I, 2486. Alsoe maecte hi hem bekint alt
Dietsche laut , Hcelu 1281. Het es gesayt al
327
AL.
AL.
328
kerstinrikef Denkm. 3, 196, 15. Om dit trac in
Ylaendren mijn her Jan van Namen Uilen steden
. . . endo begarde tfolc gerede al Ylaendren ,
ffeheel Vlaanderen door, Velth. IV, 68, 47. Mijn
vader liep al dat lant, Rein. I, 2412 (//f. in al,
doch vgl. Tijdschr. v, Ned. Taal- en Lett. 1, 23,
en Rein, 1 , 2421 : Doe m^n vader . . hadde ghelopen
al dat lant).
AL (ook alle) , ala voegwoord. Mhd. al (Grimm,
Gr, 3, 286); mnd. al, alle, In verschillende
opvattingen :
1) Ofschoon, hoezeer, alhoewel, de nog heden
gewone beteekenis, reeds in *t Mnl. even gebrui-
kelijk. II Al was hi hier te voren fel, hi en es
nn niet, Rein. I, 2622. Al ware dijn beloven
swaer, hout emmer vaste, al gaet te naer, lleim.
687. Verg. Flor. 79, 496, 664, 919, 1225, 2091,
2173, 2345, 3742, 3746; L. o. JJ.2017, 2026;<w.r.
— Ook in den vorm alle. \\ Ende alle es dit
wonder groet, boven alle desen so draget privilegie
die scone maget. Nat, BI. V, 432.
2) Gelijkstaande met AUe, Alt, en daarmede
afwisselende. AUe, als («ie ald.) is een verzwakte
en verkorte vorm voor aUo, al so. Het gebruik
van het bloote al in gelijken zin is dus inderdaad
niets dan de weglating van so, die ook elders
niet zelden voorkomt. In 't Mnl. zQn de volgende
opvattingen in gebruik:
a) Toen. \\ Ende al die vrouwe was cranc ende
out, verloes si haer horen, LtUg. II, 1157. Ende
al sgt teken hadde verstaen, beweende si haer
doefheid, II, 1163. So dat, al wert bereet die
dinc,.. Cesareus heeft den volke geseit, ^. II',
37, 33. Ende al tfolc sach dat hi hem keerde te
suiker duecht, so volgden si naer , Amand II, 984.
Rouwe hadden wi . . , al moest comen tenen gescede ,
Vrowo. e, M. I, 865.
b) AU, indien, nog in Groningen gewoon
(Swaagman 49). In dezen zin wordt al terstond
door het werkwoord gevolgd , niet door het
.subject. II Al ginc ie achterwaert, ie wane ie
soude mine scène steken, Va/. 4998. Hens geen
wonder, al sgn wi in droefheden, Lan^, II, 1405.
Al was hem sQn herte swaer, die dus wa.s te
gereke daer, dan was wonder no vremthede, II,
45337. En was gheen wonder, al waerstu versaecht ,
Hs. Souier 189r. Wat wonder wae.st al dorste hem
sere , Ferg. 3045 {vffl. vs. 5300 : hets wonder, blivic
in den sinne, waar de voorwaardelijke />ar/i>^/, zooaU
vaak geschiedt , is weggelaten). Hen es niet wonder al
vruchtic des, al vruchtic mine passie sere, L. o. H.
1997. Wat wonder eest al suchtic sere? 3838. Al
hadde hi geweest een man, hine hadde niet bat
striden mogen, dier al sijn leven hadde geplogen
wapenen ten stride, Heelu8114. Al had si vaer, des
ne wondert mi oec niet, Segh. 8844. Al op een bedde-
ken soete ende sachte liggen ende slapen twee ge-
lieve, . . daer wert oec gespeelt der minnen aert. Wint.
e. S. 172. Eest wonder, vrouwe, al es si verbeent
van selken tormente ? Blisc. v. M. 1041 ; enz.
c) AU, gelijk, zooaU. \\ Al dien dochte in sinen
wane, dat hi die minste si, Sp. II« , 65, 26 (Var.
als). Mettien wert si in weene groot bevaen, dat
hi al devocie heeft verstaen, Sp. II', 49, 96.
Recht al vogel die gevaen sijn ende liggen onder
tnet, Fragm. Carl. 250. Si plach tontfane Gods lichame
alle sondage , al sint Austijn maent dat doen sal elc
goet kcrstijn, Dttg. II, 761. Daer leet si heite
menechvoude, al ieman van ons liden soude, Chris f.
407 {in de uitg. als; doch zie hl. \24 en 511). Om
kinder te crigene, al Geraert segt, Glar. 109.
3) Voor Al of, eigeniyk geheel (ƒ , ia dca ni
van alsof. Zie Al (bijw.), g). Al in deiei ci
wordt, geiyk ons aU in de beteekenis inatli^,
terstond door het werkwoord gevolgd , liet d^
het subject. || Si sochten met cleenre msekt, il
hadden si ongedeelde cracht, AUx. VII, 337. Die
snee viel op hem in den dale also breet . . il
haddent geweest vliese, X, 459 (Franck yeiaèr
al onnoodig in aUe). Datmer ter middeniackt iii
zach, al hadt gewezen scone dach, Fre^ Cr^
167. Alse dit die coninc verstoet, was hi bii^
in sinen moet, al haddet al geweest sgn ^
goet dat vloit opten Rijn , Eleg. 483. Dier i
songen moelne, al hadden si tongen, Brmi. \i
1708. {Hs. C 1783, of si hadden). Al hidde t
in therte rouwe, . . te weenne si doen be^, ^^
202. Hy en woude hoir niet verb«jden,al hiddfi^
angst voert bose wyf, MLoep I, 2334. Datwui»
claer . . al hadt gesy n int paradys , O Fl. Lied. n (k
243 , 223. Syn gelaet was so fier, al hadde geween
hem belanc al der werelt ombevanc, 241 , 246. E»*
houden leggende in voochdien, al waert eeo bc
van enen jare, 356, 1220. Menige quike wu^
gegeven over tafel, die hi wel ontfinc, il ij^
hyt over spel. Vrouw. e. M. VUI, 162. Van beifl
alsoe mat, al haddic se ven baken gegeten, U^
242. Ende keerde syn anschyn omme van mi.L
haddic geweest een stinckende hont, 334. Die^(-
natoren . . verdreven hem, ontkeyscrden hem,**
dat hi vlyen most al hadt een arm mensch gtf«&
Gesta Rom. c. 164. Zie ook Lipp. 165 ; Ruhè. 126; %f
V. Nijm. 6, 109; 8, 149; enz.— Het gebruik «
al voor alsof bleef nog tot de 17de eeuw in w«
zie Huyd. Proeve 1, 384, en De Vries op Warct
bl. 136 ; en zelfs nog heden te Kortrijk. Zie Sné^-
op Alex. Dl. 2, bl. 438.
4) Ook wordt Al gevolgd door het bjw.K^
dat van al door het ww. gescheiden is, ^
zulks vroeger ook het geval was met of-t^
(zie Ned. Wdb. op Ofschoon), en ook a*^
Middeleeuwen met aUchoon, in de beteekenis w
ofschoon, al'Ook, \\ Een ryck man moet vf
syn, al int schoen een sot, Spreuken 9.
ALABASTER (albakster), znw. oni. ^■
dla^aatQOVy thans albast. || Een graf . • ^
alabaster stene gehouwen, Lutg. Il, 1513. I*
ander van albaster was , Fragm. Carl. 178. Tta
vate dat alabaster was, Brab Y. II, 2172 ii«l
Sp. IV», 9, 3: alabastre). In enen tor . -^^
albaestre scone ende wit, O VI. Lied en Ged.-^
289. Men hout in een marberen vat, in aliba^
Nat. Bl. X , 201 var. B (var. V. A. W. alabaasffei
ALABASTRIJN (alabalstrijn, alabastw>
-ine, bnw., albasten, van albast. || Men ^
in een maerbarin vat jof alabastren. Nat. Bl-^
201. Hebbende enen alabaustrinen bnsse prede«f
salven, Hs. v. 1348, 105tf. Enen busse Ma»^
van zalven van naerdebladen , lllr.
ALABONDINE (alabandine) , inw. tt. ^
soort van edelgesteente, aldus genoemd naar-»^
banda, eene stad in Carië. Mlat. alabandt»»,^
alavandina , en veelal alamandina (Duc. 1 , ï^,
ofr. alamandine (La Cume 1 , 312). Verg. >'^ *'
XII, 181 vlgg. il Van brasinen, van sanli^
van carboncleu ende alabondinen waren die II***
al beset, Troyen 5432.
ALAEM. Zie Allame.
ALAEN (Allaen), zuw. m. Naam ecner g«a«^
krachtige plant Alant, Alanfsworiel , mnd. <^
hd. alant, lat. innla. \\ Wortele van bism*»^-
alaen niit wives melc, Lanfr. 125r. Dan »■'
129
ALAE.
ALDA.
330
at lit betten . . ende dan legter op allaen, 151r.
AliAES (allaes, en aylas, aylaes, aylase,
YLACE , AYLACKN, aylayse), tüsschenw. Eigenlijk
wee yerschillende vormen, uit de Tereenigde uit-
mkking'en Ak laes! of Ach laesl en Ay laes!
ntstaan, doch in geheel dezelfde beteekenis en
:oor elkander gebeiigd. Eng. ala»! thans kelacu!
Terg. Olas. || Alaes ! als hi hem dan bedinct , hoe
li sijn geldeken hevet verloren, Vod. Mtts. 1, 83,
»7. Allaes! wat hebbic n mesdaen? Esop. LIX,
l, &n evenzoo XL VIII, 36; LXI, öO. AylasI dat
aach luttel vromen , Rosé 7881. Maer suchte ende
eit: Aylas! L. o. IL 2140. Aylase! o wach!
tO02. Aylase! caitijf! 4009. Aylace! wat segdi?
Wal. 9421. Aylacen! wat sal mijns ghescien?
Seatr, 500. Aylacen! nu blivic onberaden! Limb.
iTII , 370. Aylayse ! sprac Lanceloet , Lanc. IV ,
t707. — Ook als znw. gebruikt, in eene woord-
;peling met solaet, \\ Die hier met vruechden
naect zQn nest, sijn solaes dat werdt ailaes!
IVl. Lied, en Ged, 412, 279.
ALAME. Zie Al lam E.
ALB, albe^ znw. m. Lat. albut (Dnc. 1, 172).
in ^t fr. ölanc, hier te lande ook Witpennmg of
Blank genoemd. Eene kleine zilveren munt, aan
len Rijn en by zonder te Keulen gebruikelijk ,
sijnde yV ^^^ c^n Rijnschen gulden ; in ons vader-
and vooral bekend in het hertogdom Gelre. ||
Anderhalve Rijnsche gulden ad 20 stuvers, off
24 alb to rekenen voir enen gulden, Nljh. 5, 79
'a. 1477). Rader alb, met het rad^ het wapen van
Mainz; kroenderalb, met de kroon; jontter Eatherynen
ilb, Nuysser alb, Zutphensche alb, enz.^ bij
Y. d. Chgs 2 , 423 vlg. , en verg. 3 , 81 , 93 en 97.
ALBAESTER. Zie Alabaster.
ALBE. Zie Alve.
ALBEDALLE. Zie Al als zelfst. vnw. , II > 4.
ALBEDI. Zie bedi en vgl. Aldaerom.
ALBERADERE (alberader), znw. m. Zie
Beraden. Alvenchaffer ^ albezorger ^ de bron van
tlles goeds, \\ Hier es geven alberader, geven es
j^od selve in loene. Van gevene 80.
ALBERËIT (albereits), bnw. en bijw.; mhd.
ilèereite; vgl. hd. bijw. allbereit{s).
Als bnw. — Geheel en al gereed. \\ Si weken
xldaer in twee starcke huisen . . ., daer si hoer
reetscap ende hore were vonden albereit, V. d.
Wall 395.
Als bgw. — Aireede y alreeds, \\ Beheltelick dat
die saecken die albereydts aenhengich gemaeckt,
and anders dan voorsz. bedingt zijn, oeren voort-
ganck genieten. Land/r. v. Vel. 43, 2.
ALBESTIERT, znw. m. Bestieral, besttmral ,
een die alles bestuurt. || Van zeden was soe
gerangiert, recht als een manheer Albestiert,
O VI, Lied. en Ged. 263, 883.
ALBLOOT. Zie Bloot.
ALBE, alt, bnw. Gewestelijke vorm voor out,
ottd, II Nae usantie, gewoente ende privilegie der sel-
vér stadt, goede, alde ende gepruefdo , ^^te^. 9. Sint-
Trugen § 6. Nae die alde ghewoente der stadt, § 7.
ALDAER, bgw. Behalve de vroeger evenzeer
gewone opvatting als bijw. van plaats, ook als
bepaling van tyd gebezigd, en dus gelijkstaande
met alêtoen , alsdan , evenals hd. da. Zoo b. v. Sp.
V, 41, 10; 111% 39, 29; IIP, 51, 63; III», 30,
28; SHZ, — Aldaer was ook, evenals daer^ zeer
gewoon als relatief, in den zin van het tegen-
woordige alwaar y waar, als b. v. aldaer hi lachy
aldaer Ai saty aldaer wi sijn, enz. Zoo b. v. „Ter
slinker siden aldaer sente Jacob leghet," i^. I*,
5, 69; vgl. Franc, 895, 1932, 2080, enz., waar het
min juist alder gespeld is. Misschien staat in
het hs. ald*.
ALDAEROM (aldaerombe), bijw. Bloote ver-
sterking van Daerom, daarom. Nog in sommige
streken in gebruik in antwoorden op vragen met
waarom. || Aldaerom soe antwoirde Jhesus den duvel,
Brugm. 2 , 279. Dat hebbic aldarombe gesproken ,
opdat gi wet, Idmb, Serm. 56d. Die duvel, die mi
castiet an die ene side, heb ie aldaerom, want ie
miin man heymelike plach te ontrecken die goeden ,
Ned, Proza 87. Aldaerom en halpt mi niet, 88.
ALDAN (aldanne), bijw. Bloote versterking
van Dan, en dus alsdan y toen. j| Heer Willem
van Rees, die aldan hem sekerde s|jn gevangen
man , Brab. T, VI , 5959. Daer maecte de keiser . .
coninc Eduwaerde vicarjjs des heilichs rijcs aldanne,
Edew. 393, e. e.
ALDANICH, -nige, bnw. Indien de lezing juist
is, hetzelfde als Alsdamch, Alsedanich, en dus
Zoodanig, dusdanig, evenals al ook in bet. van
also voorkomt. Zie Al, voegw. 3, <;). || Die soe
nipt men of met aldanigher eener tajighe, Jan
Yp. 110.
ALDEMAN. Zie Alehan (2de art.).
ALDER, znw. m. Gewestelflke vorm voor Ouder,
steeds in het mv. Alderen, voorouders, \\ Alle die
rechte, die onse alderen ende wij . . gehat hebben
an desen dach toe , Nijh. 1 , 260 (0. 1331).
ALDER, bgw. Zie Aldaer.
ALDER-, in samenstellingen, als aldernaest,
aldertiere enz. Zie die woorden op Alre-.
ALDERLÜDE, Alderhan. Zie Ouder—.
ALDERVOUDEN. Zie bfl VoüT.
ALDIEWTLE. Zie bij Wile.
ALDO. Zie Aldoe.
ALDOCH, voegw. Versterkte vorm voordoek,
^ch, echter. \\ Aldoch sijn si dinne, Wap, Mart,
I, 337 var.; enz,
ALDOE (aldo, aldoen), bijw., veelal in twee
woorden geschreven. Versterkte vorm voor doe,
toen, thans alstoen; doch somtüds in geheel ver-
zwakte beteekenis en bijna expletief gebruikt. ||
Hi was ongewapent aldoe , Zone. II , 4427. Moyses
sprac te Gode aldoe, Rijmb. 5117. Haer afgode
lieten si aldo, 10048. Hi dankets onsen Here aldo ,
10170. Die sjjn vicarijs was al doe. Franc, 7273.
Parthonopeus was aldoe buten comen, Parth,
7817. — Zoo ook Rijmb, 18025, 21441, 24920
var., 25996; Franc, 8344; -^p. I«, 1, 40; Grimb.
I, 884, II, 553; Stoke II, 554; Velth. VI, 10,
41; 23, 6; Amand II, 29; Fragm. Car. 289; enz.
— Aldoen, Brugm. 2, 366; O T/. 0*^.2, 112, 122;
Brab, Y. V, 614; VI, 1588; O VI, Lied, 12%; enz,
ALDORE (aldure, alduere, ook al dore,
AL DURE geschreven), bnw. Uit het b^jw. Al en
Dore, Dure, thans door; dus eigenlijk Geheel door,
door en door. Het werd gebruikt als bQw. van
plaats zoowel als van tyd, in verschillende op-
vattingen.
1) Van plaats,
a) Geheel door, door endoor, \\ Der slage hebbic ,
vrouwe, ontfaen, die mi sijn int herte gegaen,
ende daer in gemaect ene cure (/. scure?), maer
noch en eist niet aldure, Limb, XI, 203. Dat hijt
stac aldore, JVal. 407. Het ginc aldure ende ont-
fync die bittre doot datti gerechte, Maleg, 866.
b) Door, door heen. || Sijn halsberch hadde
menige scure, men sach sijn scone lijf aldure,
Wal, 759.
c) Immer door, recht door. \\ Hi voer aldorfl
331
AI.DO.
ALDU.
332
tote an die stat, Terg. 3938. Hi reet so verre
aldare, dat hi in een woeste velt qnam, Lanc,
III, 2654.
d) In alle richtingen door, overal heen, naar
alU kanten, of wel: Overal, aan alle kant. || Alse
gedient was int gemene van den irsten gerechte
aldnre, Lane. III, 272. Dat grael sciet uter zale,
alst aldore gedient hadde wale, III, 653. Alsi
qnamen al daer voren , si vernamen aldare staende
taflen gerecht, Wal. 8741. Tscaecbart dat was
lasure , ende van gonde gedeilt aldare , Ca»9. 1689.
Bi skeysers gebode oppenbare worden in tRoemsche
rike harentare der gode tempele besloten aldare,
5/7. II», 22, 381. — Ook voorafgegaan of gevolgd
door een znw. , de ruimte aanduidende, binnen
welke zich het subject beweegt. || Perchevael
reet die lande aldare, Lanc. II, 36263. Tpalais
aldare, III, 648. In den wonde aldure , III , 15832.
Int hof aldore, II, 13943. Die van dien castele
aldure , II , 2273. Ende dat lant aldure besochten ,
mjmh. 27383. Dat Roemsche rike aldure, ^.III»,
8, 90. In sijn rike aldore, UI», 20, 67; IV', 4,
5. Die port alduere, IV', 33, 41. Dbisscopdoem
aldure, III», 45, 51. Die stat aldore, II*, 44, 45.
Aldure in dlant, II«, 60, 7. Diese sochten aldore
in dlant, 11^, 49, 49. Hi ginc predicken ende
castien alduere int land, Amand II, 4172; enz.
t\ Van tijd.
a) Altijd door, aldoor, aanhoudend, steeds. ||Dat
hi met zwete ende met labore sijn droeve broot
winne aldore, Mask. 1087. Die heiligeest, die hier
opter. aerde uwen lichame heiligede aldure, Clavis.
242. 6i hebt tot deser ure quaet seriant geweest
aldure, Lane. III, 2510. Yan soe flerre nature
ende van soe hoger aldure, II, 24332. Dus lach
die coninc in groter clage aldore toten dage , lAmh.
VIII, 1665. Gevet ons God gesonde aldure, -SJd.
III*, 92, 84. Dat si hem te helpen geven twee
man alduere van der heven, Stoke V, 691. Ende
aldus eist te verstane alduere van vremden Inden ,
Tolbrief van Aardenb., in Lett. JV. IK S, 81. —
Ook voorafgegaen of gevolgd door een znw., de
tijdsruimte aanduidende , binnen welke de handeling
aanhoudend geschiedt, en dus gedurende, onafge-
broken door. II Die met Ingelbeerte den Zas sine
maent alduere was, Flandr. V, 61. Dien (den)
dach aldure, Sp. IV», 24, 95; Stoke IX, 417;
Amand II, 4305, 4322. Dien nacht ende den dach
aldure, LaTtc. IV, 5146. Achte dage aldure, II,
2692. Een jaer aldure, II, 35827. XXXIX jaer
alduere, %). I*, 1, 65. Aldore dien dach, Lanc.
III , 4503. Aldure drie dage , Rijmb. 10809. Aldure
een half jaer, 18109; etus.
b) Tot op het laatst toe door, ten einde toe. \\
Alse die van binnen die aventure van den sweerde
sagen aldure te hoefde bracht, Lanc. III, 10255.
ALDORENTORE. Zie Dorentore.
ALDOS , bijw. , voor het gewone Aldtis. L. v. J.
passim-, Limb. III, 1271, "VIU, 167, 981 (in het
rijm); Doet. II, 1638 (in 't rijm); enz. Verg.
Bormans op Christ. bl. 214.
ALDOSGEDAEN. Zie Aldusgedaen.
ALDOSTEN. Zie Aldusdaen.
ALDUERE. Zie Aldore.
ALDULC, -Ike, ook alduc, -cke, bnw. Samenge-
trokken vorm uit J/<^im/(;> : verg. Dusc en mnd. al-
dtisk, aldussik, alduslik. Zoodanig, dusdanig. \\ Ist,
dat yemant aldulcke luyden guet heymentlik ontholt,
Stad^b» V. Bolsward, bij Schwartz. 1 , 555a. Aldulken
recht sullen dye burgers . . weder hebben mogen,
1, 16Gb. Over alducke spill, 561«. Wie aldulcke
onreynicheit uutvoert, Stadb. v. Sneek, ald. 589*.
ALDUS (aldos), bijw. en voegw. Mnd. aldus.
Als bijw. in de gewone opvatting van ahoo, op
deze toijze {ita, sic), die oudtgds evenzeer de
meest gebruikelyke was; doch somtgds in geheel
verzwakte beteekenis en bijna expletief gebruikt,
als Natuurk. 561 , 1210 , 1222. Ook als redengevend
bgw. en voegw. gebezigd in den zin van itaqite,
ideo, propterea, waarvoor thans alleen dus als
voegw. gebruikt wordt Verg. de glosse in Grafs
Diut. 2, 220: Aldos, itaque." Dus, daarom^ nil
dien hoofde. || Heefse God aldus vercoren? KCL
117. Aldus slouch hi sijn getelt but«n Lengres
up dat velt, Sp. III», 53, 26. — Op aldus, op
die voorwaarde. Vgl. bi aho op ALSO. || Tc Cob-
stantinoble in de stede maecti sinen sone Archadim
keyser te sine up aldus, dat hijt bleve in Grient,
Sp. III», 20, 24. — Zie verder bg Op.
ALDUSDAEN (aldustaen, aldusten, al-
DOSTEN) , -dane {-tane , -tene) , bnw. Mnd. aldusdéiu
Hetzelfde als aldusgedaen*. zie ald. Dusdamig,
zoodanig. \\ Aldusdane wort sprac die coninc,
Lanc. IV, 11613. Aldusdaen leven lede \ii,Renofit
1969. Met aldusdare (=daenre) aventure, lUjmk.
31688 var. Met aldusdanen treken, 33338 var. ; enz. —
Veelal, met verscherping der rf door den invloed der
s, Aldustaen geschreven. || In aldustanen gebede,
'Rein. 1 , 862. Bi aldustanen dingen , Nat. BI. UI ,
1618. Met aldustaenre onwerden, Rijmb. 30320.
Aldustane moort, 33349. Met aldustaenre doget,
franc. 211. Aldustanen raet, D. B. II Sam. 17,
15. Aldustane eyschelike dingen, Jerem. 18, 13.—
Door verplaatsing van den klemtoon werd de laatste
lettergreep toonloos, en Aldustaen verliep tot
Aldus f en, Al-dosten. \\ Die., aldosten getnge g&f,
L. V. J. c. 21. Aldostene gewout, c. 229.| — Verg.
Alsosten.
ALDUSDANICH .(aldusdanech, en aldis-
TANICH, ALDUSTANECII, OOk ALDUSTENICH) , -wi^
of -nege , bnw. Mnd. aldusdamch. Zie bij het vorige
art. Dusdanig, zoodanig. \\ Aldusdanech {en aldus-
tanich) mesfal, Rijmb. 33342 var. Alle aldns-
tanige huysraet, D. B. Num. 3, 31. Aldustanige
letteren , Mandev. 38(7. Aldustanige reden callende,
Gesta Rom. c. 153. Aldustenige poirter, Ned.
Proza 265.
ALDUSGEDAEN (aldosgedaen), -dane, bnw.
Zie by Gedaen. Dusdanig, zoodanig. \\ Metaldas-
gedanen prise. Rein. I, 3054. Aldusgedane da«t,
Rijmb. 7120. Met aldusgedanen treken , 33338. Met
aldusgedaenre penslngen , Lanc. VI , 196. Bi aldns-
gedaenre dinc, Parth. 7703. Met aldusgedanen
teken , Wrake III , 1665. Aldusgedane liede , Runsbr.
2, 12. Aldosgedaen werc, L. v. J. e. 128. Aldos-
gedane werke, c. 179; enz.
ALDUSGEDANICH (-danech), -nige of -nege,
bnw. Zie Aldusdanich. Dusdanig, zoodanig. ||
Soe wie met aldusgedanegen wiltbraet omgaet,
Belg. Mus. 7, 314. Aldusgedanegen dienst ende
bede, Brab. Y. Dl. 2, bl. 593 [a. 1362).
ALDUSSULC, -Ike, bnw. Versterking van stik
door Aldus, evenals ook geschiedde door Also in
Al s os ui c: zie bij alselc. Dusdanig, zoodatüg.
II Dat een puer leec aldussulc leringe vyndcn
mocht, Ned. Proza 344.
ALDUSTAEN, ALDUSTANICH. Zie Ai.Di?-
DAEN, AlDUSDANICH.
ALE, bijw., bijvorm van al, waarover zie Ael,
3e Art. Behalve in de daar genoemde woorden , komt
deze bijvorm ook voor in de Limburgsche uitdr.
al e cort, d. i. geheel kort, zeer kort. \\ D«t
J33
ALE.
ALEM.
334
aeriHoen) sprect van vier vronden die di sele (flfe ziel)
mifeet alse dronken wert vander Gotheit ende es
ile cort, lAmb. Serm, Ir. Ende (dit sermoen) es
fat ende orberlic ende ale cort, 2r. Dit sprect
fa,n twerehande geesteliken levene ende es ale cort,
lid. — Het woord zal wel als eene samenstelling
»p te vatten zijn en alecort geschreven moeten
vorden.
ALE (ael, hale), znw. onz. Ags. ealu^
mlo (Ettm. 9); eng. ale\ deensch en zweedscb öl.
Verg. Ned. Wdi. op Aal (4de art.). Eene soort
ran moutdrank of bier , met minder hop dan in het
gewone bier, en dus zoeter van smaak. || Soe
vat man die ael brouwet binnen Dordrecht, V. d. Wall
lö2 («. 1322). Wair dat yemand . . bier of ael
ïrouwede , ald. Van hoppenbier. Item so wie binnen
Dordrecht hoppenbier of ael brouwen wil, O. K.
}. Dordr. 37, 116. Dat men also vele brouwede
iels binnen onser poirte van Dordrecht, Mieris 2,
J90tf (rt. 1322). Van ale, die jegens hem gecoft
vordt in den orloge vor Utrecht, Rek. d. Graf.
J, 641. Een tonne aels, II d. — Een vat of eene
)ipe aels, jof eene pipe biers, IIII d., ZVl.
Bijdr. 6, 32 {a. 1262). Inghels hale, mede ende
)ier, lAvre d. Mest. 11 (fr. goudale d'EngUierre).
iel unde bier, Hor. Belg. 9, 94 (fr. goudale et
^ervoite). Al hadde haer moeder . . ael oft bier
gebrouwen, Vad. Mus. 1, 77, 12. — Eene bg-
sonder goede soort heette goed ale, goedale
»f go dal e, welk woord in het Fransch werd
)vergenomen, waar het goudale of godale^ vr. ,
uidde (zie boven en verg. Gachet 243 vlg. en
Duc. 3, 636 op Qodala). \\ Hi verhoed alte-
nale te bruene bier ende goedale, Vl. Rijmkr,
mi. Wgn, godale ende oec bier, Velth. IV,
>3, 36. Ende Joes die sal de goedhale ofte bier
>etalen, Cannaert 103. — Brassatores potus ,
mi vulgo dicitur goudale, Oork. v. Kamerijk bij
DxLc. 4, 174tf (a. 1233). — Van dit in Vlaanderen
gebruikelijke godale is het nog heden bekende
'r. godaille , braspartij , en godailler , brassen , lastig
Irinken, dat onze vooronders in de 17de eenw,
net woordspeling tusschen Aal en den vrouwen-
laam Aaltje^ schertsend van Aaltje zingen noemdeiL
zie Ned. Wdb. op Aal , 2de art.). Deze etymologie
vordt ook aangehaald door Littré 1, 1890, die
jvenwel het woord „d'origine incertaine" noemt,
m is waarschgnlijker dan de door Diez, Wtb. 2,
124, gegeven verklaring. Ook de nog bekende
dgennaam Öoedeljee is daarvan afkomstig (fr.
^od€ullier).
Samenst. Alebronwer, znw. m. bierbrouwer^
^.Hvent. V. Brugge, Int. 292.
ALEEN. Zie allene.
*ALEENKINE, verkeerde lezing voor a//^»lt»^
z. a.), Sp. I», 41, 44.
ALEGEREN. Zie Allegeren.
ALEINDE. Zie Alende.
ALEINSKEN. Zie Allenkine.
ALECORT. Zie Ale , 1« art.
ALEMAN (aelman, aldeman), volksnaam, m.
5oowel voor Al^manniër als in ruimere opvatting
roor Duitscher. Mv. die Alemanne, later A 1 e -
nans, lat. Alemani, fr. les Allemande. \\ Deerste
teyser Aleman, Sp. IV*, 9, 3. Menegen Aleman
T*, 64, 14. Vranken ende Alemanne, IV» 4,67.
Jptie Aelmanne, IV», 9, 74. Den Aelmannen,
V*, 19 , 93. De Scotten ende die Alemans , Barthol.
M^b. — Bij laatstgenoemden schrijver ook de on-
:uiverde spelling Aldeman. \\ Een swarte verwe in
len volc dat men Moeriaens biet, ende een witte
verwe in den Aldemans , dat is in den Duytschen ,
Barthol. 816a. — Het land, door de Aelmanne
bewoond , heette Aelmaenge of Almaenge (verb. nv.
•maengen), fr. All^magne. Zie Nat. BI. XII, 421,
749; Sp. IV», 40, 20; 43, 8; 60, 42; 61, 61;
IV», 7, 46; 43, 28; ens. — Later Aelmangen. \\
Aelmangen , twelc strect totten broeken van Meothedi
(palus Maeotis), Barthol. 4996.
ALEMAN (aelman), mv. -manne, later -mans,
znw. m. Uit Ale en Man. Eene soort van plat-
boomde boot of schuit voor het vervoer van ale of
bier, dus bierschuit', doch by uitbreiding schuit
in H algemeen. Man voor schuit of schip is eene
bekende benaming: verg. ons beurtman, eng. man
of Kar en merchant-man. Zie V. Lennep, Zeemans-
Wdb. 136; De Jager, Versch. 317 vlgg. || NavU
dicta aleman , Oorkb. van Margareta van Vlaanderen^
1262, bij Sartorius, Vrk. Gesch. d.Hanse, herausg.
von Lappenberg, 2, 81. — Van altmannen. Elc
vremde man die coopt jof vercoopt eenen aleman ,
ess. II d.* Lidet duer die poort, elc aleman ess.
I d\ , Tolbrief van Aardenburg , in Lett. N. W. 6,
86. Drie gesellen . . die . . elcx mit enen aelman
bier haelden voir Poelgeest, also als men van
danen mit groete scepen niet vloten en mocht,
Bel. V. Leiden 388. Wagenen , aelmans ende schuvten,
439. Dat elc huys . . alle jair eens een aelman
vol baggers aten water np sel doen laken, Leid.
Keurb. 148, 60. Twalef aelmans baggers, 149.
Alle turf ende hout selmen vercopen bü geijcten
aelmans, ende so men veel turfs ende hout ver-
coopt bij scepe, die veel meerre sijn ende groter
dan geijcte aelmans , so hebben die scout ende achte
scepenen gekuert . ., dat so wie turf of hout
brengt binnen Levden in meerre scepen dan mit
geijcte aelmans, die sel geven van eiken scepe,
dat meerre is dan enen geijcten aelman, den
dubbelden exsgs, 224, 14. Dat alle aelmans, die
mit turf of mit bamincxhout binnen Leydencomen,
lanc wesen sullen 32| roede voet ende wijt beneden
in den boden binnen sceepsboort 4 roede voet ende
een quartier voets, ende sij sullen diep wesen 2
roede voet ende een quartier, 238,41. Desevoirscr.
aelmans . . sellen geteykent ende ge^ct wesen mit
der stede tevken, ald. Zoe wanneer parthyen . .
versoecken die bescreven goeden gesequestreert
ende van den boom gelicht te hebben, zoe sullen
die booden daertoe hnyeren cruyers ofte aelmans , . .
nae gesteltenisse van den goeden, K. en O. v.
Delft 66 , 16.
ALEMBIJT (iiALEMBic^, znw. o., eng. alembic^
l^mbic; fr. alambic (Littré 1, 101); van het arab.
al anbiq , afgeleid van het Gr. oifi^il^ , vaas.
Glazen klok , distilleerklok (Kil. 832 : A 1 e m b i c k ,
galea sive capitellum stillatorium). || Dit stamyt
al overeen ende dit sublimeert dore eenhalembic.
Jan Yp. 166. Doet boven den pot een alembijt
dat wel gemaect es na den mout van den potte
ende stopt wel tusscen den pot enten mont des
alembijts met bloemen ende met witte van den eye,
Hs. Yp. 6r. Doet dit water weder daer in ende
setten (1. setter) weder op dat alembijt, a/£^. Metten
alembite, ld. In een glasiin alembijt, 106a.
ALEMOESENE. Zie Aelmoesene.
ALENDE, ook aleinde , znw. vr. , voor Ellende:
zie ald. Sp. IV, 24, 11; 27, 8; K.Cl. 226;
Melib. 2664 ; Lsp. l, U, 41 {var. Bijl. A) ; enz. —
Aleinde, Etansbr. 6 , 180 (var. alende en elende).
Verg. Alende, Alendicheit.
ALENDE (Aleinde, alinth), znw. onz. Uit
het bijw. Al en Ende. Uiterst einde, uiteinde*
335
ALEN.
ffAel-eyndCf exiremus finis ^ extremita»y ELil. ||
Ter stede daer die flume began, was si soeiorbel
te scoawen an eude dicke alse goer; ne mare si
was in die middelt clare, ende int aleinde daer
naer was si vele claerre dan daer, Lane, III,
5367. Daer aldus bescreven staet int alende dese
daet, Sp. IV*, 36, 71 (Vinc. „in cujus scripti
fine''). Int alende ran Endi, Nat, BI. XII, 84
(„in ulHmit partibiu Indie"). — Te alinth,/^»
einde toe^ ten volle ^ geheel en al, eene uitdr. die
misschien ontstaan is door den invloed van bijw.
als alentliie (zie ald.) , waarmede het in bet. over-
eenstemt. II Wie alsotymmert, den sal de stadt den
decsteyn gheven half. Mer wie ejn steynhnns mit
twen stenen gevelen tymmert, den sal onse stad
den decsteyn te alinth gheven, R. v. Zutf. 31, 113.
= Ael-eynde, in dezen zin nog bij J. Harduyn ,
Qodd. Wenech. 469 : „Uyt 't aeleynde van de wereldt."
ALENDICH (alenükcii), -dige en -detje, bnw.,
voor Ellendick : zie ald. en verg. Alende (Iste art.).
3feli6. 1801; Rumb. Auondet. 25, 56; Runsbr. 3,
259 var.; enz. Vandaar
ALENDICHEIT, znw. vr., voor Ellendicheit ,
d. i. ellende', zie ald. Alex. VI, 523; enz.,
ALENE. Zie Allene.
ALENTLIKE (allentlike, allintleke, ook
-LiKEN, -leken en -lic, byw. Verg. Alinclike.
Van Al, op gelijke wijze gevormd als a//^nMa/r«i«,
allenthenen (Kil.). Geheel en al, gantchelijk, ten
volle, II Die gene die dair te lyve blijft, salse,
also lange als hi levet, alentlike besitten, Brab.
Y, Dl. 1 , bl. 783 {a, 1330). Die alle die renten
alentliken hebben , boeren ende ontfaen suelen , Dl.
2, bl. 484 (a. 1356). Van welken benieringen,
discort , wangonst ende hatien , beide de vorscreven
partien allintleken in ons bleven sijn. Dl. 2, bl.
596 {a, 1363). Die tienden . . alentliken ende all,
groot ende cleyn, Nijh. 2, 21. Op dat welke
lant . . die selve joncfr. Johanne van Euyck
alentlich vertegen heeft mit halme ende mit monde ,
3, 234. Die . . ganslic ende alentlick gebleven
sijn an . . onsen lieven broeder van Ludiek, 286.
Alintlick , voll ende all te mael , 265. Volkomentlich ,
alentlich ende wael betailt, 4, 53 {de vormen op
-lich zijn hoogd. gekleurd).
ALEBM, znw. onz., \oot Alarm. || Tot wapenen
oft alerm, Oeio. v. Sint-Truyen § 50.
ALEVENSTE. Zie Ellevenste.
ALEWEER. Zie aelwarich en alwaricii.
ALEXANDRIJN, -drine, bnw. Alexandrijnech ,
van Alexandriè, Bepaaldelgk van eene kostbare
purperen stof, aldaar vervaardigd. Zie Parzival
261 : „zAlexandrfe in heidenschaft was geworht ein
pfellel guot." II Gelu ende kersp hadden si dat
hoet , daer op stonden twee hoedekine , scone ende
claer Alexandrine, Bose 712. Cleder versch ende
nuwe van enen purpure Alexandrijn, 1108. Diere
pelne Alexandrine, Hor, Belg. 12, 32, 76.
ALF, bnw., voor Half. Wal. 3486; Natuur k.
1023, 1043; Rijmb. 32448 Var.; Zn.BiJdr.6,
368; enz. Vgl. Verdam, Teketcrii. 39.
ALF, znw. m. Mhd. alp, alf, mnd. alf. Ook
ü^// geheeten : zie ald. In de Germaansche mythologie
een soort van geesten, die later, onder den naam
van lichtalven en donkeralven , als goede en kwade
geesten werden onderscheiden. Zie BrüderGrimm,
IrUche Elfenmarchen, en Grimm, D. Myth. 411 —
440, V. d. Bergh, N. Myth. 1—9, enz. Hier te
lande bleven zij in het volksgeloof alleen bekend
in ongunstige voorstelling, als:
1) Booze geesten, duiveleche of heUche tcezeue,
A LF.
die den menteh door allerlei bedrieglijke hteUn
kwelden en verbijeterden. || Wat duvel! heeft Goj
die werelt geplaecht met alven ende met elTino^
Lippijn 104. Wat ! ben ie dronken van deo bicR.
ochte vliegen dalven achter straten? 146. Et^
seet dat mi een alf heeft bedrogen, 173. Ditfv
een alf oft Sathanas, Lane, III, 23520. Dit kih
alfs gelike es, III, 26322. Hi donket mi een dini
ocht een alf, Merl. 34685. Ofl hem alven wiléa
verleiden , Eleg, 879 (A. B. alven , JonckbL ife-
Dat het van quaden alven ware , Har. Belj. 11
31 , 62. Coubouten , alven , nickers , maren, AWwi
719. Ie ben hier comen metten alven , iTif^e r. ^
33. Hebdi geloef gehadt . . aen die mirn ^
nachtmerien , of aen alven , of aen die witte tItq?
Moll , Bijdr. tot het bijgeloof 2. — Later bef«
men de alven met de Incubi gelijk te stella a
hun de eigenschappen van dezen toe tekenoa.Zk
de laatst aangehaalde plaats hier boven , en tst.
Hor. Belg. 7, 39: „Half vel mare, luait»
Kil.: nAlf, alve, Incubtu , epkialtet, f urn.
êatyrui, tylvanus, daemon ineultor hominnmy \\ Ff-
loHi, als die glose bibrengt over Ysaya XIII \Ja.\y
21 plloai, Staten- Vert. duyvelen], agn wonderüif
dyeren ter gelikenis oft menschen waren, ende ■«
hietse wilde Inden, die men Fauni ende Sdf
hiet, ende sommige Latjjnsche lude hietensciiro.
want dese alven plegen seer gaeme mitten rcmn
te spelen , ya so vele dat si de vrouwen dodo.
Boven sijn si of si menschen waren, endebeneda
als dyeren. Item een glose seyt dattet een iep fc
of een simme, Barthol. 7886; in het Lat^nlLl^
c. 82) incubi. Een wjjf , dye . . wort onsnTcrt ni
een alf. . . Dese alf reetse se ven jaren ende besmrt*
met onghelovigher oncuuscheyt, Pats. S. 177«.-
Uit de oude en oorspr. opvatting ontstondeo ^
uitdrukkingen :
— Alfsgedroch, znw. onz., of AlfsfJ'
d r o c h t e , znw. onz. , voor Spookbedrog , bedritflip
schijn door de alven veroorzaakt. || Donre, blix»
mach hem niet scaden, toverie noch alfsgedroch, i'*
II, 5354. Eest alfsgedroch, dat mi quelt endei^'
grote wonder telt? Eleg. 51 (naar A. en B. — JonckR
gedrochte). Ie ben verraden na myn gedochte, ofte»
verleit nu alfsgedrochte, 777. In wane niet en si»!^
gedrochte oflie quade geest die mi sochtc, i«*
ill, 25046. En hoordegi noit seggen ytn ^
gedrochte, dat die liede pleget te bcdrieyw'
Lipp. 98. Maer talfsgedrochte es also groot, ^
den menegen maect so blint dat hi hem selres
niet en kint, 114. {Alfsgedrochte nog bij Coöt»-
hert I, 306, no. 62). — Alfsgedwas, b
denzelfden zin als Alfsgedroch. || Dcnsispw
hi , eest alfsgedwas dat ie hier ontmotende a?
Lanc. III, 24447.
2) Overdrachtelijk in den zin van een zotoiJ**'*'
die zich zelven bedriegt. Verg. Alfsc. || Eenfr«t
geck ende een versuinende alf, Ned. Proza 17(1
= Op het landjuweel te Antwerpen in 15*'
werd door de Redery kerskamer van 's-Herto^
boöch eeue klucht vertoond, waarin de ^^
personen waren de Patroon van den Alven, ke»
hoofd der zotten , en Alvinne , en waarin o. «. ^
de volgende zotten voorkomen : Coppen w« i^-
Moes van Keyendael, Heyn van Sotteghem., vi^
namen hun karakter genoegzaam aandnidt (oiU
door Hermans, Reder, in Noord^ab. 286— i^'^
Dat uit het lied aan het slot dezer klncht ^
woorden: ,^Ons patroon van den Alven''* \i^
spottende op den Hertog van Alva werden t^jegej*''
zooals De Vries, 3[nl. Wdb. op alf meent, bljkt
337
ALFA.
ALGA.
338
liet uit de plaateen van Bild. Gesch. 6 , 241 , en 7 ,
282 vlgg. — Nog beden bewaren de scbertsende
(¥oordspelingeu nommer elf ^ als bet gekkengetal,
3n zijn, hoed (pef) staat op half elf^ bij scbgnt
>nwijs, de berinnering aan alf^ in den zin van
sot of dwaas, of aan de alven, die iemand van
sijne bezinning konden berooven.
ALFAGIJNSPILLE, znw. vr. Vit Jlfagijn, mlat.
ilphachinut en alphoffuintts , sapiens, doctor, . .
ipud Turcas (Duc. 1 , 204) , en Pille. Eene soort
raxL pillen, waarscbynlijk naar een Arabiscb recept
gemaakt, en vandaar Arabiscbe-doctorspillen ge-
loemd. II Dat geen apteecker.. eenige medicine
axative . . vercoopen sal, . . njtgeseit alfagijns-
)ille, pestilentiepille ende senepuer, K. en O. v.
Delft 210, 3.
ALFIJN (alphijn), -fine, znw- m. J^e raadsheer
n bet schaakspel; anders gewoonlijk Oud-e ge-
loemd , zie ald. ; van mlat. alphinus (Duc. 1 , 204) ,
lA*. alfin , aujin (La Cume 1 , 330) , aldus genoemd
laar arab. al ftl, olifant, zooals dit stuk in bet
!)08ten beette; vanwaar de Franseben ook ƒ /zeiden,
lat later tot /o/, fou verbasterde (Littré 1 , 1745,
>p Fou, 2; HofFm. op Flor. bl. 121). || Die
inderde is die alpbijn, dat is dye ouwe, die loopt
»f springt opt derde velt, Gesta Rom. c. 167.
ALFMAENT, Naiuurk. 1121, 1127. Zie Half-
«AENT.
ALFONDER. Zie Halfonder.
ALFSC Ulfs), 'sce, bnw. Zot, dwaas. Van
Ilf znw. 2). II Dus alfs ende esels sgn si alle,
lie den edelen tgt doer bem benen laten gaen,
tonder boer ziels orber te doen, Ned, Proza 176.
ALFSGEDROCH, ALFSGEDROCHTE , ALFS-
5EDWAS. Zie by Alf znw. 1).
ALFVASTINE , VI, lUjmkr, 3890 (verg. Kausler ,
)1. 509). Zie Halfvastine.
ALGADER (alleoader, ook algadere, alle-
sadere), bijw. Mnd. algader. Uit bet bijw. Al,
l^ebeel, en Gader, Gadere; dus Geheel te zamen,
fsheel en al, ganschelijk , volstrekt. \\ Ende vergaf
ieinaerde algader die wanconst wn sinen vader,
ïWn. I, 2545. Nu prisic dat algader niet, Parth,
2213. Aen n kerics mi algader, 2471« Nietsonder
ouwe algader, Sp, I^, 34, 15. Algader om niet,
^^nc, II, 4669. Algader te niete gaen, Lsp, Prol.
.04. Algader onteerft, Lanc. III, 16371. Der
vaerbeit lien algader, Flor. 2318. Algader bisijns
lelves rade, Parth. 7119. Een dinc , daer die
nenscbe in algader van gepeinse brect, Frotw. e.
M. 1 , 141. Ie bidde u {enk.) met inneger bede
klgader, Vad. Mus. 5, 318, 4 ; zoo ook Lncid. 165, 172,
'ns. — Aan zelfst. naamwoorden of voornaamwoorden
vordt algader of allegader toegevoegd, om in bet
nv. allen te zamen , in bet enkelv. , bij een collectief
legrip , alUs te zamen , geheel , gansch uit te drukken,
^et staat dan zoowel vóór als na bet boofdwoord ,
8 altijd onverbuigbaar en als bijw. op te vatten.
ilhgader is een wisselvorm van algader, evenals
%lle van al, en mag niet als verbogen vorm
¥orden bescbouwd, ook al wordt bet door som-
nige scbrijvers by voorkeur by een meerv. gebruikt.
De verbogen vormen algaderen haren lieden in
Lanc. III , 1536 ; u allengader , Mor, 1761 en
illengaderen , 2038 , zjjn dan ook af te keuren.
a) By een enkelv. || Algader die offerande,
Hein, I, 1271. Algader tlant, Parth, 1255. Algader
line antwerde, 6952. Algader sine tale, i^. III*,
14, 8. Van allegader miere mesdaet, Èein, I,
1449 (bij Joncbl. algader). Van algader minen zere,
Franc. 7493. Van algader Oriënt, Sp. 11% 26, 22.
Van algader den Roomseben ryke, Amand I , 6«
Van algader Rome der stede, Zamr. 11,34164. Van
algader uwen geslacbte, IV, 5066. Van algader
derre dinc , III , 18712. Met algader barre maisni-
den, III, 4361. Over algader sgn abijt, III, 16482;
enz. — Ook door een tusscbenzin van bet boofd-
woord gescbeiden. || Dat bi algader niet bem
somen tvolc bevet verblent, Wap. Mart. III, 281.
— Acbter bet woord. || Mijn geslacbte alga-
der, Parth. 2161. Dit wonder algader, Lanc,
III , 12532. Hare gevamesse algader , II ,
15342. Dat lant algader, II, 9492. Die werelt
algader, BJjmb. 1937. Mine weelde algader, 3176.
Rome algader, 34373; enz- — Bij de aanwgzende
voornaamwoorden dat, dit, het gevoegd, beeft
algader bepaaldelijk de beteekenis van all^es te
zamen. Dat algader staat volkomen met dat
alles gelijk. || Dat moestese gedogen algader.
Flor. 152. Doe bi dat vernam allegader, MLoeplV ,
469. Dit algader, Lanc. II, 9470. Ie seit minen
swager algader, II, 8604. Dat boudet algader
staende stille, Lsp. I, 11, 9. Hi vermagbt algader,
Christ. 9; enz.
b) Bij een mv. || Algader den ridders, Lanc.
III, 18664. Van algader sinen leden, III, 52.
Van algader sinen mesdaden , III , 14964. Allegader
die voeren over twilde mere, Lett. N. R. 5, 299,
2. Allegader die Gods cnecbte, Litcid. 2452 (de
woorden die Gods zijn daar bij vergissing berbaald).
Sine mage algader, Parth. 1229. Amelants liede
allegadere, Lanc. III, 15830. Wi . . allegadere,
dein ende groet, IV , 5434. Sine broedre allegader ,
JUjmb. 2779. Metten patriaerken algader, <^. I',
39, 6. Dandre allegader, Flor. 1055. Oude en
jonge all egadre, Christ. 1335. Broeder, kint, moeder
ende vader . . algader, Lsp. I, 18, 85. Die met
bem qnamen algader, Lanc. III, 17771. Si waren
allegader daer ter stat, II, 4165. Si negen beme
allegader, Parth. 6373. Doe reden si allegader an,
Ferg. 4156. Hi salse allegadere doet slaen, Lanc.
IV, 4812. Die groef bi allegader, Rijmb. 2715;
gyts, — Men vindt ook alletgader, van allet, den
ouden grondvorm van al, en dus met algader
gelijkstaande. Zie bij Al als bgv. vnw. (in *t be-
gin). II Den scalken alletgader, Sealc e. Clerc, c.
37. — Met eene ontkenning verbonden : al 1 eg ad er
niet, volstrekt niets, niemendal. \\ Nocbtan is
dat allegader niet bi der claerbeyt, die men an
Gode siet, Lucid. 61. En deerde Josue niet alle-
gader, dat bi badde enen quaden vader, 3095.
— Somtijds staat bet woord algader zonder eenige
beteekenis , om een rijmwoord te bebben , op vader
b. V. Zie Z««rf.2919, 3080, enz.
ALGADER (allegader), zelfst. vnw., onz. en
onverbuigbaar. Uit Al , als zelfst. vnw. , en Gader.
Verg. bet vorige art. Alles te zamen, alUs zonder
uitzondering. \\ Algader wat bi badde gesien,
Sp. W, 28, 16. Algader dat bi pensde, RAJmb.
34699. Met algader dattu beefs, 4600. Wyf ende
kinder ende algader, Lanc, III, 3316. Ferguut
bem algader seide, Ferg, 176. Jalousie , die maecte
algader. Rosé fr. , bl. 253, 270. Die mi wel
copen macb algader wat sijn wille es dat ie drage ,
Bloemt. 3, 25, 90. Die bere van algader, Theoph.
(Bl.) 573. Algader dat ye in aertrike quam , Lucid.
5770. Dat ie mi van algader eer balmen soude.
Wal. 7813. Ie soude ju saen telivereren van al-
gader, 7878.
ALGAER, bijw. Uit Al en Gaer (zie ald.);
nhd. gar. Ten volle, geheel en al, ganschelijk, in
welke beteekenis gaer nog bij onze scbryvers in
339
ALGE.
ALGE.
340
de 17de eeuw bekend was, en waarran Algaer de
bloote Teraierking U. Zie lied, Wdb. op Gakr
II). II Pharao verdranc algaer met al sgnre com-
pagnien, Alec. lY, 633 (De nitgave heeft algader^
in stryd met het rijm : tonder vaer. Franck leest
aldaer). Yloen sy achterwaert algaer in de borch
te Nettelaer, Grimb, I, 2533. Énde stont viere
jaer tien stonden algaer woeste, Rijmb, 32229.
(De varianten hebben ook hier algeuier ^ dat wel
dezelfde beteekenis heeft, maar een geheel ander
woord is. Algaer toch is geene samentrekking
van algader-, die versmelting der d tusschen twee
vocalen was in Maerlant*s tijd nog onbekend.
ALGEBRA , «nw. vr. Het Arab. woord al djehr ,
d. i. het vereenigen van deelen tof een geheel (Dozy,
Oost, 8) , en dit toegepast op de ontleedkunde. \\ Dese
leringe siin beide van algebra, dats to seggen,
van brekinge der benen ende van ontledinge des
lichaems, Lanfr. 136p.
ALGEDAEDS (algedads), bijw. Uit Al en
Gedaedt (zie ald.). Gedurig^ aanhoudend, altijd, \\
Een wyf die twelef jaer siec hadde gewest van
den bloedevele, so dat dat bloet vloede van
hare algedads, L. v. J, c. Ib. Sone, dn best al-
gedads met mi, ende al dat ie hebbe dats dijn,
c, 13Ö (Vuig. Luc. 16 , 31 : temper).
ALGEEL, bnw. en bijw. Samentr. uit Algeheel
Zie ald. en verg. Geel.
Als bnw. — Geheel, gantch. \\ Daer van der
werelt algeel die bloeme van ridderscape es in,
Umb. IX, 766.
Als bijw. — Qeheellijk, geheel en al. \\ Den
casteel ende al datter toe hoerde algeel , Lanc. III ,
2368. Die viant . . voer algeel in di, III, 6053.
Ende ontecte hem daema algeel hoe si Torccke
minde sere, III, 24081. Ie ware algeel in haren
sinne, Ferg. 1180. Enter inglen een groot deel,
dies mett«m waren algeel, Sp. I', 3, 33. Dan
doet op snbtilic algeel. Jan Yp. 66; enz.
ALGEHEEL, bnw. en bijw. Gewone versterking
van Geheel, en nog heden in gebruik.
Als bnw. — Yeelal onverbogen achter het znw.
geplaatst. Geheel , gansch. \\ Dit erderike algeheel ,
iUjmb. 220. Hare helpe algeheel starf met eren,
19631. Tfolc algeheel, 21207. Men vant dat cleet
daer sinte Aelbrecht in gewonden was, algeheel
ende onverteert, Clerc 25.
Als bijw. — Geheellij k, geheel en al. \\ Algeheel
ende altemale, Wap, Mart. III, 300, verg. 303. Te
voren hadden sijt algeheel , Rijmb. 310. Eeu casteel ,
daer hi mede algeheel al West Vrieslant sider dwanc ,
Stoke I Y , 539. Algeheel gewapent, Parth. 7237. Dien
God gaf so groet voerdeel gingen hem dicke af
algeheel, Wrake I, 154. Te betalen . . die somme
van den voirgenoemden gelde algeheel upten eersten
dach, Zicijndr. W. 43. Yegewelcs sonderlinge ende
algeheel, Rnusbr. 5, 116 (Lat. ^singnlatim tota
uniuscifjuslibet^^). Alinge ende algeheel ontschuldich ,
O. R. v, Dordr, 2, 327. — Zoo ook Rijmb. 2288,
19918; Teest. 3791; Stoke I, 326, II, 176; enz.
ALGEHEELIKE, -luc bijw., hetzelfde als
algeheel (z. ald.) || Hy sal dat den gevangen all-
geheelick laten behouden, O. R. v. Dordr. 2, 129.
ALGELIJC, zelfst. vnw. Uit Al als zelfst. vnw.
en Gelijc (zie ald.) Al let gelijkelijk , allet te zamen,
allet zonder uitzondering. \\ Als hijt siet algelijc
met Earle wesen, gaf hi hem sijn lant metdesen,
Brab. Y. II , 1495. (De lezing geeft een goeden
zin, en Algelijc is ook in vorming volkomen juist, I
als overeenkomende met haergelijc , manlijc enz.
Doch het is zeker de ware lezing niet, daar de
plaats uit Sp. III", 91, 29, is OTerg«B0«a,
waar men aldus leest: „Alse hi siet al fftkewêi
Earle wesen.**
ALGELIJN, voor Lagelgn, lagelkïi,
fleschje, lat. laguncula, met metathesis der /. &
Lagelkijn. II Yan eschen bonte een algrifi.
Nat. BI. YIII, 390 {var. lagelkgn «» legelkfi
ALGELIKE (algelijc), bijw. Yan^/enfo&fc.
gelijc, dus geheel gelijk, en derhalve Gelijieliji.
evenzeer. \\ Des graven sunse {znllen zij) algelib
bycosten , Stadtr. v. Zwolle 79 , 94 var. Geiteeik.
golt, silver geslagen ende ongeslagen endeudfli
al eygelic goet sal men algelike deylen, 15,
214. Des mannes wapen ende cledere salmen dejla
algelijc, ald. Of si mede zijn of teghen zgs, ke
is hem alghelijcke wel, Bern. W. 126rf.
ALGEMEEN, ALGEMENE. Zie Geied.
Gemene.
ALGEMEENLANGE (algemeknlinge), bfi
van Al, als bloote versterking, en Gemet»lm
{-linge). Zie Gemeenlinge. In ket algemeen. !
Onse vorscrevene rechter , sccpenen ende algeawea-
lange onse porteren van Zyriie, OorkLty^^i
(a. 1297).
ALGEREET, bijw. Uit Al en Gereet: zie lÜ
Dadelijk, aanttonds. \\ Algereet viel hi in ghp.
Sp. II», 57, 87.
ALGERNE, byw. Uit Al en Geme\ rie iR
Zeer gaarne. \\ Yerdragic wel algeme in ^
mesval, Hadew. I, 57, 64.
ALGEWELDICH (algeweldech), -%<? of-i*
bnw. Almachtig. Zie Geweldich en verg. A^
WELDiCH. II So biddic u, here algeweldichll*
6, 79.
ALGINDER, bjjw. Gewone versterking w
Ginder (zie ald.) Gindt , daar. Rijmb. \%'ih\,WA:
Sp. III', 43, 91; enz.
ALHEEL, bnw. en bijw. Yeelal in twee woorto
geschreven. Verg. Algeel en Algeheel.
Als bnw. — Geheel, volkomen. \\ So vant men ie
heyligen Yaders cleet, daer dat lichaem in r^
wonden was, alheel ende onverteert, Matth. i««-
3, 52 (Clerc 25 heeft algeheel).
A\Hhiivr. — Geheellijk,geheelenal. \\ HijleytalW
vol, Ned. Proza 184. Ende keerde hem alhttln
dat lijden Christi, ald. Ende maket hem (J<«
alheel onderdanich, 185. Ende . . . wert bff
lichame vonden alheel ongequetst, Exc. CVw- -"
Alsoe zy (de duinen) alheel verstuyven, /»/<?^
157. Nu mach ie mijn leet wreken ende hen aUwt
te niet maken, JHal. Creat. Ib.
ALHEIT, -HEDE, znw. vr. Geheelheid, k^ir
heele wezen. Een philosophische term. || AUw^^
des minschen, dat es herte ende siele, RunsbrJ.
96 (Lat. ^totnm hominem''). God wilt te mile »
eygen sijn, met alheit sijns selfs; ende hi eysckt.
dat wi . . sijn eygen sijn, met alheit ons sdfe
5 , 188. Nochtan es die geest in elke enicheit geh»'
na alheit sijnre substancie, 6, 56 (Lat „wc*"^
tubttantiae titae integritatein").
ALHENT, voegw. Uit Al, als gewone versterkiif
en Uent: zie ald. Totdat. \\ Wül hy hwr »
boven in onsser stadt blyven , soe snllen d^
schepenen hem leggen in vangenisse, all hentkj
gebetert heeft syne misdaedt, Stadtb. v. Bokrf*
82, bij Schwartz. 1, 560*. Alhent hy alinge r
betert hebbe den egge ende den rechte, Steéi-^
Sneek , ald. 575*.
ALHIER, bjjw. Gewone versterking van i*^
nog heden evenzeer gebruikelijk. || Alhier foi^
gheheten een maeltijt ende aldaer een avontmif^"
341
ALTA.
ALIN.
342
^reg. Ham, 192r. — Opmerking verdient nog de
eigenaardige aanwending in de uitdrukking Alhier
;e voren, hiervoormaaU ^ voordezen ^ Hild. 154,
109; MLoep IV, 1690; enz.
ALIANSE, ALIANT8E, ALIÈREN. Zie Aliet.
ALICH (aelich), -lige^ bnw. Waarschijnlijk
iene latere verbastering van het oude en echte
nnl. Alinc (zie ald.), door verloop van den ver-
}Ogen vorm alinge tot alige , waardoor verder alich,
ilig werd uitgelokt. Hoewel in beteekenis volkomen
feigk , kan het toch niet de verbogen vorm van
ilijc rijn (zie Alijc), dat reeds van oude dag-
;eekening is, daar de overgang van ir tot ^ met
iet taaieigen str^dt; en evenmin afgeleid van Al
net het achterv. -ich (-^), daar bg nieuwere af-
eidingen het woord al niet meer volkomen a-klank
rerkreeg. Alig was nog in de 17de eeuw in gebruik,
JU daarnevens Aallijk. Zie Uitlegk. Wdb. op Hooft,
>p Aalig. Geheel^ volkomen, \\ Hi {God) alleen is
ijjns selfs bescouwer, want tot synre aeliger
)egripinge en mach geen , creatuer genaken ,
BarlAol. 9a,
ALIET (alieut), mv. -/*, znw. m. Bondgenoot.
3fr. alloiet, ahyet (bg Nflh. 1, 14 en 277, Heelu
)1. 467); nfr. allié (van ofr. alliier ^ allayer ^ aloyer
La Curne 1, 350); lat. aUigatM (zie Duc. op
illigarey AlUgare 2) en vooral op Alloiare. ||
^an den coninc Edewaerde voerseit endevansinen
ilieten mede, Fl, Rijmkr, 8340. Beede coninge
mde hare aliete, 8471. Gent, Brugge, Ypers . .
inde hare alieute, 9201; enz. — Aldaer ook het
vw. Aliêren , 8109 , en meermalen het znw. Alianêe,
iliantse, 1212, 8222, 8601, 8687, 9172, enz.
3'r. alliance, — Het deelw. gealiërt, voor ver-
\ond^n, i, w. van twee verschillende wapens op
ien grafsteen. || De wapene van Moerckercke
l^ealiërt met een wapene van farschen, van goudt
inde colenr gebroken met lambeaulx, Fad, Mm,
», 300.
ALIJC , 'like, bnw. Uit Ael, bijvorm van al, met
len volkomen a-klank , en -lijk. Verg. mhd. allich,
illich en Kil. „Allick, allicken , j. alghe-
i e e 1 9 c k , prortM , omnino. Zie ook Ned, Wdb,
>p Aalluk. In de 17de eeuw niet alleen als
)ijw., maar ook als bnw. gebruikt, als Hooft,
9m/. 628: „van aalhjke blussingh des Roomschen
^loofs." Geheel, volkomen, || Dat wi alle veethen
lederlechgen solen ende zoenen , ende afdoen
Dit aliker zoene van allen dingen, die gescieden
n den volcwige te Lounen, Oorkh. 2, 250a {a,
1285; Mieris 1, 460a staat „mit alcker soenen",
lat wel aliker zal moeten zijn).
ALINDICH, -dige, bnw., voor ir7/«i</t>A: zie ald.
m verg. Alendich. Ruusbr. 4, 1891; 5, 262;
ALINDICHEIT, -hede; znw. vr., voor Ellen-
Ucheit; zie ald. en verg. Alendicheit. || Creatu-
'en, die dolen in alindicheiden , Ruusbr. 4, 189,
AL IN EEN. Zie bij Ekn.
ALINGE (aelinge, aellinge, aling, later
K)k ai.linge), byw. Mnd. a/mi-. Zie Alinc. G^^^^/
w al, ganschelijk , volkomen, volstrekt. \\ Dat hi
lem alinge beteren wil, Devoet. B, (36) 74 r.
^ederleggende plat opten buuc alinge mit al sijn
ij f. Hm, Fs, 21 Or. Ende worter alinge mede
^eschent, MLoep I, 725. Daer wordi alinge mede
>nteert, IV, 2230. Al waert dat aellinge die zee
laer door ginge , Lsp. 1,13, 39. Onder hem waren
lomige van goeden sin, die alinge verboden, dat
lese dinge souden gescien, Ned. Proza 241. Aleer
de ziechede is alinge toeghecomen, Lanfr, 12r.
Dat hi des alinge onsculdich es, Mieris 2, 298a
(a. 1322). Die sullen alinge onsen here . . toe-
behoeren , Nijh. 1 , 434 (a. 1342). Des maken wise
aelinge machtich van onser wegen, Gedenktt, 1,
240 (a. 1351). Alinge . . verlijct ende versoent,
V. d. Wall 332 (a. 1385). Die hem die domproefst
alinge betailt heeft, Oorl, v. Albr. 39. Alinge
gescheiden , Over ij*. Recht, 1 * , 59. Dat hem
alinge gebroken wert, Matth. Anal. 'S, 381. Die
Heerlicheit van Abcoude . ., die alinge in den
Sticht . . gelegen is, 384. Dier sal hi aellingen
bliven, Nijh. 3, 36 (a. 1377V Dese tolle voerscr. . .
aling in sijn . . orbaer enae beste te keren, 2,
139 (a. 1359). Zoo ook Handv. v, Alkm, 92a. —
Ook met eene ontkenning : niet alinge, niet
geheel, j| Snlke spenen . . ne sgn niet soe quaet
allinge. Jan Yp. 196. Dattet niet en sj alinge
sonder sweringe, Lanfr. 22r. Dattu my niet alinghe
ghelaten en hebbeste, Gerl. Peters 211. — Alinge
ende al (alle), geheel en al, \\ Alinge ende al.,
quijt gescouden, Brah. Y, VII, 8305. Alinge ende alle
3uite ende te niete, O. R, v, Dordr. 2, 11. Ende hy . .
ie (/. dier) sake alinge ende al onsculdich is. Dingt.
V, Delft 51; verg. 52, 58. Aling ende alle wael
betaelt, Nijh. 4, 171 (a. 1440). Zoo ook Handv.
V. Alkm, 2\b', O, R, v, Dordr, 1, 90. — In denzelfden
zin Gans ende alinc. || Gans ende alinc be-
zegelt, Nijh. 2, 6 (a. 1348).
ALINC (aelinc, aellinc, later ook allinc),
'linge, bnw. Geheel, gansch, Ohd. alanc (Grimm,
Gr, 2, 707); mhd. alinc; mnd. alink. Van Al mei
den volkomen a-klank, evenals in Alentlike, Ael-
foerich, Alecort, Aeleigen^ en het nog heden bekende
aaloud. Verg. Ned, Wdb, op Aal (1ste art.). Inlateren
tijd werd alinc tot alling, — Vooral in oude oorkonden
is alinc een zeer gewoon woord. || Ist dat dijn
oghe . . eenvoldich is , so sal dijn alinghe lichaem
. . lustich wesen , Brugm. 1 , 302. (= Devoet B,
(30), 16r.) Die alinge somme, Matth. 223; Handv.
V, Medembl, 20b, Die helftsceidinge van den
alingen goeden, Matth. 205. Dat alinge gerecht,
173. Mer ie sal sijn alinge lant . . . hebben
ende behauden, om die alinge summe van den
pachte voergenoemt, van welker alinger summen
ie alle jaer in behauden sal twintich pont payments,
Nijh. 1, 299 (a. 1332). Alinge pacht, 355. Die
alinge gemeynte der stat van Arnhem, 2, 11. Ons
soens alinge goet , 12. Dat alinge broeck , 1 , 234.
Dit alinge orloch uut, 3, 17. Bliven in sijnre
alinger macht, 41. In der alinger Veluwen, 2,79.
Die alinge scepen van der Capellen, 1, 236. Die
alinge tolle, 2, 139. Dat alinge huys, 174. Eenen
brief . . gans ende, alyng, 221. Berichter sijns
alingen lands, 94. Van den alingen lande van
Gel ren, 3, 69. Ene alinge soene. Mieris 2, 286a.
Binnen onser alinger stede van Texel, 4, 324a.
Oer alinge loen, Överijs. Recht, I', 129. Mit den
alingen tinse, 1% 118. Mit sijnre alinge bailiuscip,
Oorl, V, Albr, 156. Tot onser gonsten ende aelinger
vrientschappe , V. d. Wall 430. Mit sijnre alinger
woenstat, 449; verg. Handv. v, Enkh, 20a; O, R,
V, Dordr. 1, 54, 164; Leid, Keurb, 171, 68; Clerc
66. Van desen alingen jaer. Rek, d, Buurk, 123.
Die poerteren ende alinge gemeynte van Leyden,
Bel. V. Leid, 392. Die alinge zoene , 296. Die alinge
scade, Stadtr, v, Zwolle 89, 118. Een alinge her-
naseh , Leid, Kettrb, 18 , 19. Die alinghe ghemeynte
van Broeck, Handv, v. Water l. 2\b, Dat alinge
lant van Drent, Matth. Anal, 3, 295. Mit sinen
alingen hoop, 364. Mitten alingen gerechte, K, v.
343
ALIN.
ALLA.
34i
Brielle 19 , 37. Op hannen allngen renten , Brab. Y.
Dl. 2 , bl. 483. Onsen allnge tiende ran Zwindrecht ,
Zwijndr. W. 72; enz, — In den lateren Tonn
alling. \\ Die allinge lande, MieriM 4, 537tf
(a. 1419). Allinge tgene dat sij mesdaen ende
gebruect mogen hebben , V. d. Wall 598 (a. 1466).
ALINCHEIT (naar jongere Hchrijfwgze alino-
HKIT, en -hedk), mw. vr. Van Mine-, zie ald.
Geheel heid. \\ Die alingheyt ende die volmaectheyt
der enicheyt, Barthol. 862*.
ALINCLIKE (alkncmkk, ook -ijken of -lic
en allingleke), bijw. Geheel en al^ ganMcheüjk^
ten volU. Zie Alinc en verg. Alentlike, dat,
by verschillende vorming, dezelfde beteekenis heeft.
II £nde hiermede sgn wi alenclike versoent met
onsen voirgenoemden here , Mieris 2 , 64rt {a. 1306).
Dat men alle die scout . . vergelde enae betale
alinclike ende onvertrect, Nijh. 1, 339 (a. 1335).
Van allen saken .. alinclike gesceiden ende verlijct,
364 {a. 1337). Van allen cost ende schaden . .
alinclike tontheffen ende schadeloys te halden, 2,
14 (a. 1344). (Want wi) alincliken rersnent zjn
mit . . den hertoge , 52. Gans , geheel ende alinclic
besegelt, 99. Aen wilken geswoemen hi occ sijnre
saken alinclike bliven sal, 113. Als . . ., den . .
heren Johan van Muerse . . alencliken genoech
geschiet is, 254. Ende schelden onsen lieven heer . .
alinclick los , ledich ende qnjj t , 3 , 95. Ende weert
dat he up enich jaer dat jaergelt alinclich {hoogd.
vorm) niet geboeren en konde, 146. Alinclike quite
gescouden, V. d. Wall 210. Wy geloeven allingleke
end altemale, Oarkb. 2, 477« {a, 1298). In din
reinen hert gevaget sich 6ot also sutellke ende
also alinclike in dir silen , Umb, Serm. 25*. Aling-
lichen ende te maele, Hardeno. 2, 20.
ALINSE. Zie Alleise.
ALINTH. Zie alende (2de Art)
ALIVUERE, ALIVURE, znw. (?) In R, v. Utr.
1 , 191 , 3 staat in eene ordonnancie op de goud-
smederg*. „Van ghegoten wercke, van metselrien,
van alivneren ende van pertseringhe en zeilen zi
nyet meer van lakinghe nemen dan vander mare
een loet," en zoo ook bl. 294,8 met bijna dezelfde
woorden. De lezing van het Hs. is zeker, maar
het woord van elders onbekend. Moet men ook lezen
aluvieren^ aluvieren^ d. i. beugelttuch^ waarop ver-
sierselen van edele metalen konden worden aan-
gebracht ?
ALLAEN. Zie Alaen.
ALLAES. Zie Alaes.
ALLAME (andlame, anlame, ai.ame, later
ook aenlame en hallame), znw. m. of onz.,
mv. alamen; en alaem (allaem , allam, allem
en alem), m., mv. alame. Ags. and/vma (m.),ook
Idma, geléma, hnisraad, werktuig fEttm. 156),
vanwaar eng. loom^ weefgetouw; vgl. ohd. lómi^
luomi^ luami, en ohd. kilómo^ ags. gele me ^ ge-
bruikelijk, gewoonlijk. Zie verder De Vries, Mnl.
Wdb, 180. De oorspronkelijke vorm van het woord
was andlame^ die op eene merkwaardige plaats in
de Rek. v. Zeel, 1 , 484 is bewaard : „Vau waghenen,
van ploeghen ende van anders antiamen (d. z.
werktuigen) te maken. Deze vorm komt volmaakt
overeen met ags. andlóma (m.). Ook de vorm anlaem
komt voor, nl. Invent, v. Brugge, Int. 187: „Van
yser ybesecht ten anlame {benoodigd heden) van
den fornoyse, daer men tselver bernet", als ook
aenUme, V. d. Wall 289. Uit anlame werd door
assimilatie allame of alame gevormd en dit was
in *t mnl. de gewone vorm.
a) Jlttisraad, alles wat tot de inrichting van hof,
huis of schip behoort; benoodigdheden, bg utbrddiif
ttuk huitraad, \\ Van eenen kelct endevaoaadera
allame datter outare behort, Invent, v. Brwfft.
Int. 96. Yser, ybesecht ten anlame vu den fer-
noyse , ald. 187. Monster , zalen altesamen , te doa
dingen die allamen, Sp. I*, 27, 35. Soylela,
nappe, stope, al te samen die vate vanderaUasa
waren goudin, lUjmb. 11875 (in plaats mm
der vermoedelijk te lezen: ende ander). Soec din
gode alle ghemene overal onder mine allame, S5M
{Gen, 31 , 32). Si roveden met groter scame scoaiio
scat ende sijn allame, Alex. 7, 179. Vrieit, kul
suverlyc ende cnus dine hallame binnen bn*.
Botte V. Sed. 603. Alle die alame van dien kort.
Jlex. II, 318. Die beste panne, roester, tredl.
crauwel, brandyser, hanghele, ende elcs tÜMm
een dat men pleght te beseghene, Coren t. Ml
51 , 186 {in het Hi. ontbr. elcs). Een TraBva
potstove met allen den hallamen, Dicricx, ifr*
2, 7. Als die celle volmaickt was, soc leTöi
hij se den broeder ghereyt mit alrehande alaae.
Faderb. 45a. Alsoe datter nyet en ghebrack m
alame ende van dien dat ter lijftocht toeho«rde,5f»t
— Samenst. Huusalame, AnMTflorf. Bg Ki
„Huys-alame, sttpellex,^^ \\ So wie bedden fff-
huert ocht enegherande huysalaem , (Utren v. JmIm.
41, 145. — In het Tolreglement voor de scheepmfi
op het Zwin, van 1252, komt te midden w
allerlei beddegoed een hutalame voor (ZVl. Bijè-
6, 40, verg. 68), waarschgnlgk een groot ftik
huisraad, en wel een ledekant, — Cokenalaae,
kettkengereedtchap. || Wagheneren, die voerden,
vitalle ende cokenallam. Rek, v. Gent 1, S4
Van huringhen van amelakenen, dwalen, potta.
croesen ende kuekenallame , 1, 499. — Sceepi-
alame, scheepetttig , allerlei benoodigdheden W
uitrusting van het schip. Onder het opschrift: T»
seeepg allame worden er eenige genoemd in k^
boven aangeh. Tolreglement van 1252 {ZVl, Bijéi-
5, 60).
b) Opschik, twntel, zaken tot dos of sieraad «•
hoorende. || In goude ende in silvere ende ii
clederen ende in preciosen stenen ende in al^
hande alame, 1). B. Jttdith 15, 14 (Volj^. ,«*
omni ettpeHectili''*). Scone gesteente , cledere diere,-
diere allame, grote ju weele, Sp, 1», 2, 29 (nr.
alame, alemé). Sine clederen ende sine allana
waren mate altesamen (Vinc. „ veetee ewt ei c^
ciamenta et lecttialia), III», 20, 49 (III», 11, SI
allame).
c) Krijgsvoorraad j ammunitie, benoodigdheden W
uitrusting in den oorlog. || Item gaven sy Philip»*
den scachtmakere van hneringhen van allame dil
men orbuerde in de selve hervaerd . . 36 f t
Rek. V. Gent 1, 357. CCC scepe . . ., diedij
voerden spise ende dranc, allune ende aarnaia
gemanc, Sp. I*, 20, 8.
d) Werktttigen , gereedtchappen , tuig in H algemeei
nog heden in Vlaanderen de gewone beteekenis. B
De instrumenten of halamen , daermede de ambtckts-
lieden weerken. Wiel. Inetr. 109, 232. Die ij»
allem ongereet heeft, die seit: ick sal hïatt^
bider tijt doen, Sal en M, 15. Den scipliedcn die-
der temmerliede allam voerden ende weder brocfcte»
te Ghent, JUk, v. Gent 1, 240. Dat elc poortere
vry . . zal om zijn theere moghen visschen in der
stede watre . . met zulcken alamen ende enp*e»«"
als hem ghelieven sal, Cout. v. Gent 615. Oi*
gruythuys ende die alamen, die ten gniytk««
horen . . dat huys ende die alamen, Kiens-
290« {a, 1322). Dat si oec tollenvry varen »og»
345
ALLA.
ALLE.
346
met horen aenlamen ende cattelen, Y. d. Wall
289 («. 1367); verg. ald. 377 en Mieris 3, 739ö
(«. 1401). Met wagene of met anderen alame,
VUuuueAe keur van 1242 , in Aantt. op Maerlant's
Sp. Eist (1ste uitg.) 3, bl. 44; vgl ook Rek. v.
lefl. 1 y 484 : antlame , boven aangehaald.
e) Overdrachtelijk. Werktuig of middel om iets
9it te verken. \\ Die allame, daer die siele mede
haer werc te doene pleget , Amand 1 , 787. Tmijne
(m^ geld) es uut: om nyeu te ghecrijghene willic
mgo haelaem gaen stellen te snede , Ned. Kluchiap.
82, 105. 8o vele dijns alaems, van uwe kunst-
grepen , listen , Bind. 167 (van den duivel gezegd).
ALLAN6ËS. Zie Langes.
ALLEEN. Zie Allene.
ALLEENKEL , bijw., Rijmb, 20379 var. In betee-
kenis gelijkstaande met Alleenskine (zie ald.), en
op soortgel^ke wijze gevormd, t. v. nit Al en Enkel ^
ODS enkel (bnw.) , got. ainakls , solns, met verdubbe-
ling der / naar het voorbeeld van alleens en allene.
ALLEENS (ALLEINS), h^w.^ud. alléns, LHhhen
1 , 55 , bg A 1 1 é n). Uit Al en Eens (met verdubbe-
ling der /, als in alleenskine en allene) ^ en dus
Gekeel eens. Verg. Allene bnw. 1) en byw. 1) en
Ned. Vdi, op aIleens.
1) Eveneens^ gelijk. || Alse men die brieven
las over een, waest alleens van den tween, Sp.
I', 39, 49. Minne, die dat wel besiet, en es
altoes alleens niet, Doet. I, 378. Waer de moet
in allen siden alleens , men mocht te sachter liden,
yad. Mus, 2, 184, 237. Dat Gent ende Rome niet
sien dan alleens die sonne op ene wile, Natuuri.
1588. Waer dat alleens . . coninc, grave, arme
ende rike Gode sal dienen van hemelrike, Lett.
N. W. 6, 208, 90. Die u alle alleens rieden,
Uelib. 2184. Het ware alleens (Franck; al eens)
daer van hen beiden, AUx. II, 610 (Lat. pares
illic odes ntriitsgue tyranni), Waerment Duutsch
te rechte spelt, daer staet die wil alleens genoemt ,
Hild. 153, 2. Alleens haer wille stoet, Sp. III*,
33, 24. Beedegader alleens, III*, 17, 14. Alleens
deed hi na dees maeltijt, O. H. Pms. 10, 155.
Alleens gecleet, Kal. 1, 182. Alleens hoge, Rnnsbr. 3,
22. Hit drie wittachtige poirters kennesse , die gelijc
ende alleens kennen, eveneens getuigen ^ Matth. 136.
Dese drie ommegangen brengen die scepenen alleens ,
161. Al hndder veel scaren van snlcken volcke
noch togecomen , soe plach hi hem allen ondertiden
alleens te doene , Pass. W. l%lb. Ende zyn de kerven
doe ende nu genouch alleens, nagenoeg gelijk^
Uform. 205. Alleens der kueren ende hantvesten , K.
V. Brielle 12, 12. — Ook in den oorspronkelijken
Tonn Al eens geschreven. || Dus wrachte hare
drier sin al eens, Yelth. Prol. 12. Maer al eens
il die screde. Natuurt. 540. Sgn wapenroc, sijn
coverture was al eens, Orimb. II, 3318 {var.
alleens). Al eens {eenerlet) wapen hadden sy ane,
II, 4146. Vgl. ANDERS en zie eens. Zoo ook
lüjmb. 11780; Gnmb. II, 2188; Vierde Mart.
449; Lsp. I, 36, 26; Vrouvf. e. M. I, 782; enx.
2) Eenerlei j onverschillig. Het es alleens,
iet is om het even , hetzelfde. \\ Die smeker seylt mit
allen winden : hoe hi weit, tis hem alleens, Hild. 82 ,
66. Alleens si sterven ochte leven, Hadew. I,
166, 94. Waer af dat si, dat is alleens, Runsbr.
3, 129. Het is mi alleens wat gi geeft, Easc. M.
ƒ. K^9. Die coninck ofte keyser dat is alleens,
^nt een keyser hiet mede een Roemsch coninck,
ÖmAi fioT», f. 97*.
ALLEENSKINE (allkensken, allinskene,
Itterook alleenskins, alleinsken, allensken),
bijw. Uit Al en Een met het deminutief-achterv.
-kine^ strekkende ter vorming van bg woorden in
verzwakte beteekenis. Zie Grimm, Gr. 3, 688. De
verdubbeling der / geschiedde evenals in alleens
en allene. Bij Kil. „Alleensken, Aleensken,
singulatim, unumquodque seorsum et per se" dus:
Een voor een^ elk afzonderlijk ^ stuk voor stuk, of
elk deel af zonderlijk, bij gedeelten. Verg. Alleenkel.
II Dat ie mijn bloet alleenskine niet offren moete,
maer altemale tere goete, Rijmb. 20379 (Lat. „non
pauUtim — sed totum simul" , d. i. : „niet bij ge-
deelten , drop voor drop , maar alles in eens"). Sint
onse liede allinskene dare, Lanc. II, 34113. Ende
dede allinskene nutvaren, alst hem noet dochte,
van sinen scaren , II , 34127 (d. i. ^bij gedeelten ,
troepsgetoijzé*\ mnl. tropmale). — Daar Alleenskine en
Allenckine elkander zoo gelijk in vorm, en in betee-
kenis gelijksoortig zyn , is het geen wonder, dat zij
vaak met elkander verward werden, en niet altijd met
juistheid is op te maken, welke der beide vormen
en beteekenissen werd bedoeld. Dit is vooral in
de 15de eeuw het geval, toen de verschillende
vormen van beide woorden dooreenliepen. De volgende
voorbeelden schenen evenwel bij Alleenskine, sin-
gulatim, te behooren. || Omme dat begonste te
winterene . . , soe dat veele serganten van couden . .
storven, . . soe dropen sy {dieenskins heimelic
aff , Cron. v. Vleiend. 1 , 197 (d. i. y^een voor een").
— Mnl, Spreekw. 9 , 6 (verg. voor het eerste Sprettken
99, waar men allinskens leest): Allensken lappen
leert die hont dat leer eten, Particulis discit
coreum canis esse quod id scit. Alleinsken haren
wort die man cael, nunc ruit hic, post hic
pilus et calvus sit homo sic, Alleinsken ene , vanct-
mense alle, Singula captentur, sic omnia fine
tenentur. Verg. verder het aangemerkte bij Al-
lenkine.
ALLEGADER. Zie Algader.
ALLEGEREN (allegieren, allyeren), zw.
WW. bedr. Lat. allegare, fr. alléguer. Aanhalen,
aanvoeren, bijbrengen, t. w. redenen, bewijzen,
aanspraken enz. || Yrstwerf dunct hi mi allegieren
trecht, datmen den geroefden sal tsine wederkeren
geheel ende al, Mask. 516. Daer jegen wort . .
van sconincs wegen gealegeert dat dat niet sculdich
te sine en waer, Brab. Y. YI, 3631. Indien
yemende dunct dat hij . . eenige prevelege of tytel
daerentegens allegieren wille, Zwijnér. fT. 108;
enz. — Ook Allyeren geschreven, waarschijnlijk
ten gevolge van het verwarren der twee ww.
alléguer en alleyer , lat. adlegiare (La Curne 1, 348 ;
Duc. 1, 81a), dat ook voorkomt in den zin van
onder eede verklaren. \\ Met meer redenen, die de
voors. partien an beeden zijden daertoe allverden
ende zeyden, ZFl. Bijdr, 6, 346 {a. 1441)."'
ALLEINDE. Zie Allende.
ALLEINKELIC. Zie Allenkelike.
ALLEINKEN, ALLEINCSKEN, ALLEINSCEN,
ALLEINSEN, ALLEINSKEN. Zie Allenkine.
ALLEISE, znw. vr. Ofr. alée, allee, gang, reis
(La Curne 1, 389; Duc. 1, 177c); in \ Mnl. in
overdrachtelgken zin voor reis, keer, maal qÏ werf,
om de herhaling derzelfde zaak uit te drukken. ||
Weert dat dat wijf starve, ende die man dander
of meer alleysen wittige wive name ende van eiken
kinderen wonne, Brab. T. Dl. 1, bl. 784 («. 1330).
— Oudere drukken derzelfde keur hebben allinsen
of alinsen: zie de Proeve van Du lees a. o, M. 2,
73. Die lezingen ziln echter waarschg ulij k onnauw-
keurig afgeschreven of afgedrukt. — De vorm
alleyse is min of meer vreemd, daar men allege
347
ALLE.
ALLE.
m
«OU verwachten , zonder s. Waarschynlijk werd het
woord allee, in dezen zin gewoonlijk in het mv.
gebezigd , ook in dien Torm overgenomen , en luidde
dan allees, alleU, waaruit zich een nieuwe meer-
voudsvorm ontwikkelde , t. w. alleuen. Als vrouw,
woord nam het misschien de e aan en werd dus
alleite. Op gelijke wijze werden b. v. uit een
Fransch mv. in H Mul. overgenomen amnns, van
émaux (zie Amaus), en abrikoot'. zie Ned. Wdh.
op dat woord.
ALLEISKINE. Zie Ali.enkink.
ALLELENE, bijw., verbasterd vXi Al-allene ytisi
Al, als bloote versterking, en ^//^n<? bij w., waarin
de eerste lettergreep door versnelde uitspraak
toonloos werd. Zie het volgende art. Keaiglijh ,
alleenlijk, gleehU. || Datter geenrehande exchijs
en is in heurluyder dorpen, dan alleleene nu
nyeuwelinge, Inform, 142.
ALLELEENS (allellekns), byw., verbasterd
uit Jl-alUens, van Al, als bloote versterking, en
Alleens (zie ald.). Al-alleen* was nog in de 17de eeuw*
in gebruik. Zie Vitlegk. Wdh. op Hooft 1, 47,
en verg. Taalk. Mag. 3, 54.
\) Op dezelfde laijze, op denzelfden f ijd, fe gelijk.
II Singdi alle in uwe kerke alleleens ende vast
ghi alle alleleens? Ende die monick seide hacr:
Wij synghen alle te gader, maer elck vost alsoe
hi wilt , Fad^rb. 279rf. — Alleleens sijn, gelijk
zijn. II Alre lude seden en sijn alleleyns nyet,
Vadrrb. 162c. Vgl. ANDERS en eens.
2) Het is (comt) mi alleleens, ^^/ w wi»;
eenerlei, onverschillig , hetzelfde. \\ Tquaet met goet ,
tes alleleens, Nu noch 26. Grod oft den duyvel,
het is my alleleens. Mar. v. Nijm. 8, 146. Tcomt
mv alleleens met wien ie ga, 9, 188. Dat het hem
alleleens was aen wat houte hi gehangen worde,
Sal. e. Mare. 62.
.3) Verbonden met gelijc en of: Alleleens
gelyc, evenals, Alleleens of, even alsof, en
dus als voegw. gebruikt. || Alleleens gelijc die
duyvel sijn moeder doet, Mar. v. NiJm. 6, 114.
Qecle edt in sulcken ge bare, alleleens oftnu Paesschen-
dach ware, Ned, Kluehtsp. 96, 112. Alsoe zy upte
frontieren sitteu , zoe moeten zy alle dage waecken
allcllecns ofte openbaer oorloge waere, Inform, 196.
ALLEM. Zie Alame.
ALLEMAN. Zie Alman.
ALLEMOESSENE, voor Aelmoesene: zie ald.,
Praet 2705.
ALLENDE, ook alleinde, voor Ellende: zie
ald. Doet. III, 120; Brand. ((?) 176, 404, 416,
910, 920, 2261; Amand I, 338, 1154, 3079;
Denkm. 3, 142, 30; O Tl. Lied. en Ged. 3, 63;
310, 2258; Vad. Miis. 1, 374, 47; V Maegd.
571; Ruusbr. 5, 273; enz. — Alleynde, Segh.
224 var.; Lett. N. W. 6», 93; Playerw. 216.
ALLENDELIC, bijw., voor Èllendelike: zie
ald. II Wy zyn allendelic hier buten gebleven,
V Maegd, 550. Allendelic versaeght 586. Mit
harden selen nydelic gebonden ende allendelic
geleet, Hs, Ps, 201 r.
ALLENDICH (-DECh) , -dige en dege, ook
AiJ.EiNDicii, voor Ellendich: zie ald. || OFl. Ged.
2, 31, Titel; Denkm. 3, 171, 183; 201, 39;
220, 21; on. Lied. en Ged. 5, 87; 438, 67;
Bag. V. Parijs 3, 60; F Maegd. 60; Fad. Mm.
2, 423; Ruusbr. 6, 269; Dingt. v. Delft 11; Exc.
(iron. Mc. — Alleyndich, Playerw. 2, 3.
ALLENDICHEIT (-iiede), voor Ellendicheit ,
ellende. Zie ald. en verg. Allende. || Uut deser
allendicheit, Denkm. 3, 194, 239. Die allendioheit
die ie doge, D. B. Job 6, 2. In die mUeadicketk
Auiand,U, 758; enz.
ALLENE (alene), eigennaam, tt. Volksti-
spraak voor Helena. \\ Ende biet die bertogiBe
Alene , Wal. 5720. Die keyscrinne sente Alleens, diit
cruce vant, Tst. BI. 4265. — Behalve de H. Heieu.
de moeder van Constantijn den Grooie, wat nf
eene andere Heilige vooral in Brabant geieH.
welke dien naam droeg, t. w. de Maagd a
Martelaresse Alena, dochter van koning LevoU.
van Dilbeke geboren, die in de 7de eenw lee£d<.
en wier overbljjfselen in de abdy Tan Vont bf
Brussel zfjn bijgezet. Zie Acta Sanct. d. 17 Jn.,
p. 388 — 398, en verg. De Busco's artikel ia do
Folks-Alm. voor Neder l. Kaihol., 1860, bL 6-3i
In de officiëele bisschoppelijke oorkonden, ia k
Acta Sanct. aangehaald, wordt ay SancU HfUm
genoemd , doch nog heden ten dage is zg in Bd^
onder den naam van Sainte Alh%e bekend. Tm
Reinsberg-Düringsfeld, Calendriêr Befye, 1, 404-
406. Waarschynlijk is het de laatate Hólir
welke men in 't mnl. als Sente AUna of Allene vii^.
aangeroepen. || Also helpe mi sente Alene! Fer*
8201. — Aan dien naam ontleende men descherUeid'
uitdrukking: — Enen sente Allenen b^
velen, iemand alleen Uten , hem ver luiten , e»
woordspeling met het bnw. allene, af leen .^ ea d«
naam der Heilige, welke, volgens de legende, i»
nachts door een woest bosch , dat door ^Ide beesta
bewoond werd, naar Vorst ging, om er de m»-
ten bij te wonen. Deze nachtelyke zwerftocktiü
konden haar al licht als patrones der eenimamkfti
doen gelden. || Doe beval hise sente Allean.
ende keerde weder ende lietse gaen, Fer^. 4dW.
Die ridder doe van hem sciet, ende beralne seitr
Allenen, 4838.
ALLENE (alleene, alleen, aleen, ook
ALLiEN, alien), buw. en byw. Uit Al en Een^wf^
verdubbeling der /, als in Alleens en AUeentbai
Allene, al ene is dus eene versterking van e%e.
een , en betcekent derhalve geheel een , en wel ii
twee verschillende opvattingen:
Als bnw. — 1) Van twee of meer personea rf
zaken in onderlinge betrekking. Geheel een, «r».
of volkomen gelijk (lat. unus). || Datti heiige Dri^
voudechede alleen es in die godlichede, Rijui.
24677. Want si drie aleen oyt waren ende bliT«
selen, Velth. Prol. 18. Wort ende sin ai dsi
(/. dat si?) alleene, Sp. V, 52, 10 (Vinc. mentea
verba sequantur.") Herte ende ziele was alleene.
I', 42, 6 (Vinc: „erat cor unum et anima wm"!
Wil ende macht is niet alleen , Hild. 92 , 50. Du
si allene werden , gelyc dat wi een syn , L. r. J.
c, 222.
2) Van personen of zaken, als op aich zelve
staande beschouwd. Geheel een , of eenig , onverzfU
(lat. soIm), hetzelfde als ons alleen, en ev«
algemeen in gebruik. In de eerste beteekenis , di*
van unus, wisselen alUen en allene met elkander
af; in de tweede, die van soIm, is allene de oor-
spronkelijke vorm: alleen komt echter voor in hft
rijm, en wordt bij latere schrijvers gebraikel^k.
Allene of alleen staat in dien zin veelal achter het
znw. of vnw. , waarvan het afhangt , en is volstrekt
onverbuigbaar. || Gedenck is een woert allioi,
Hild. 157, 109 (d. i. geheel eenig). Ie sal geloevn
dat God en geen anders en es dan hi aleen, Sp,
II*, 20, 75. Ende bleef doot staende alleeiw,
Rijmb. 1907. Tlant van Jesse allene, 3841. Di*
ene dochter heeft allene, 15607. Dese vier kindrv
allecne, 16284. Die joncste allene, 18858. Nochta»
49
ALLE.
ALLE.
350
IS dierre allene tgewerke dan tgond ende alle
B stene, 18677; enz. — Opmerking verdient de
tdrukking: Allene sterven, van beesten
Eegdf waarschijnlijk in den zin van een eigen
od sterven , zonder geslacht te worden , en die dus
i krengen op den openbaren weg blijven liggen. j|
it niemene geoorlooft si . . dode paerden , no
de honden , catten , gescrap van baken , no levere,
van eenigen beesten die allene sterven te viere
doene, Cotii. v, Brugge 1, 352.
Als bijw. — Verg. Alleens. Geheel eent of
nglijk, In verschillende opvattingen:
1) Geheel eens, d. i. op dezelfde wijze, plaats
tijd.
a) Op dezelfde wijze, eveneens, gelijkelijk. \\ Ende
it alleene onder die clerke temmerman ende
et also wale , Sp. V, 11 , 54 (t. w. in het Latijn ,
faber). Ende wanen dat ie allene die goede
itten quaden mene, Teest. 3092. Kerstine haer
derwarp voer den outaer, ende lach daeralseen
ï allene, Christ. 1564. Had die joncfrou alleen
swegen, soe mostn mede an onsen rinck, Hild.
7 , 360. Die meester dancten oeck allien , 172 , 50.
b) Op dezelfde plaats, bijeen, te zamen. || Alse
sijn goet vernam wederbrocht , groot ende clene,
r sente Nyclaus beelde allene, Sp. III*, 30, 40
nzij men airene moet lezen).
e) Op denzelfd^n tijd, te gelijk, gelijkelijk, tevens.
Want al tfolc, groot ende cleene, sal an hem
loven alleene, % I', 36, 47 (d. i. „omnes nww/",
it „in illnm solum^^ , zooals uit het verband blijkt),
t haer Sone, onse Here, mensche ende niet
d ware alleene, ^. III», 28, 20 (d. i. „niet
éms God"). Voirt so en sel nyement int vol-
bocht voirscr. wasschen noch vollen aleen,
'J. Ketirb. 538, 58.
2) Eeniglijk , alleenlijk, slechts (lat. solum, tantum) ;
nog heden gebmikeiyke en in *t mnl. evenzeer
HTone beteekenis. Zoo ook Niet allene, niet
fen. De gewone vorm was allene; in het rijm
bij latere schrijvers vindt men ook alleen. j|
i) droech crone . . allene VII dage, Rijmb.
110. Ende voerde met hem dan allene maer
man, 20013. Dat alleen niet en es tot afterdeel
i der stede, maer tot groote scade van den
de, Inform. 411; enx. — Ook met een telw.
bonden, b. v. all en e twee, slechts met hun
ien, met hun beiden zonder ander gezelschap. ||
) sachse (Walewein en Isabele) sitten allene
te tere scoeure tafel ende nemmee. Wal. 8043
;n kan op deze plaats allene ook als bnw.
atten: aüeen zijnde), — Uit deze beteekenis is
verklaren de eigenaardige opvatting van Niet
ene, voor niet eens, zelfs niet: verg. ir. pas
lement, hd. nicht einmal, verschillende wijzigingen
hetzelfde begrip. || Sonne ende mane, van
ter scame, sterre, ende oec diere steene, ne
ilden niet alleene van haerre cracht dat vijfte
1, Rijmó. 306.
lLLENEEN, bijw., latere vorm voor al in
i. Zie bij Een.
iLLENKELIKE (allevnkelic), bijw. Van
mken, jongeren en verzwakten vorm voor
mkine (zie het volgende art.), met het adverb.
terv. 'like, -lijc, -lic. Aüengsken* , ailengs. \\ So
ineer yemant uter doechden vallet, so en ist
. te vermoeden dat hy met enen onversienliken
e gevallen is, mer alleynkelic overmids langer
chtsamheyt sijns gemoets. Stemmen 92.
.LLKNKEN. Zie Allenkine.
.LLKNKINK (ALLENKIJN, ALLENKEN, ALLENCKE,
\LLEYNKEN, ook ALLENCSKINE, ALLENCSKEN , AL-
LÊYNCSKEN, ALLENSKENE, ALLENSKEN, ALLEYNS-
KEN, ALLEYNSCHEN, ALLEYNSEN, en ALLEISKINE ,
ALLEISKENE), bijw. Uit Al en Lanc, met het
deminutief-achterv. -kine, strekkende ter vorming
van by woorden in verzwakte beteekenis (Grimm,
Gr. 3, 688). De oorspr. vorm was Al-lenc-kine of,
met inlassching der s, Al-lenc-s-kine , nit welke
beide vormen al de overige ontsproten. Hetzelfde
als ons aUengskens, allengs (paulatim). In afleiding
en beteekenis was dit woord onderscheiden van
Aüeenskine (singulatim) : zie het aangemerkte ald.
Door gelijkheid in vorm en gelijksoortigheid van
beteekenis werden z^ evenwel licht met elkander
verward. Kil. onderscheidt beide woorden nog
nanwkeurig, maar geeft door de verschillende
spellingen, die hij op Alleens kens en AUengskens
vermeldt, duidelijk te kennen, dat de verwarring
in zgn tijd vry algemeen was, en voegt er zelfs
bij: „Varie a variis haec dictio scribitur, pronun-
tiatur et explicatnr." || Allenkine bi worden gaet
scaemte nnt, Sp. I', 41, 44 (aldns verbeterd naar
Vinc. „paulatim pudor per verba discutitur." Het
hs. heeft Al eenkine). Ende alsoe souden sy allencken
alle hoir genoechte vorderen mogen, MLoep III,
496. Veel kinder gingen aen die selen , ende togen
alle die bussen allenken uyt, Matth. Anal. 1,419.
Aldns worden die voetknechten allenken ingelaten,
1 , 477. Also deden daema allencken alle die landen,
3, 309. Dat licht ginc allencken wech. Pass. W,
159^. Dat si die met swaerden alleyncken of souden
slaen, 1086. Mar want die staet verwandelt die
(tekst: in) zeeden, so begonde hy alleynken onser
lieven vrouwen raet te vergeten, CÜrc 29. Dat
voirt allencke an die lantsyde te vervolgen, O.
R. V, Dordr. 1 , 311, 3. Also beginnet een mensche
allenken die souden te laten, Devoet B. (36) 40r.
Doe wert si noch allencken sieker, 42r. — Zoo
meermalen in den D. B. ter vertaling van /?af«/^A'»t
in de Vuig., als: || Ie sal allencken volgen syne
voetstappen. Gen. 33, 14. Dat geluyt van der
trompen wies alleincken meerre, Exod. 19, 9. Ie
salse alleneken verdriven van dynen aensiehte , 23,
30. Allencken ende bi delen , DetU. 7 , 22. — Evenzoo
Richt. 20, 33; II Chron. 21, 15; Job 14, 19; enz.
Elders Allencxken , als b. v. Gen, 40 , 10. Vgl. Surin-
gar, Gloss. op Proverbia Communia, bl. 49. || Hoer
ordenanchen ende seden . . gemaect allenskene, na
ende voren , Lsp. II , 50 , 119 — 123 {var. allencskinc).
Also men een kint . . allencskine smeken moet, II, 39,
85 (var. /. Al eenskene , H. Allenskene). — Ook in
den vorm Alleis kine, voor Alleinskine, met weg-
werping der n. \\ Maer an Constantien, diene
hadde waert, heeft hi alleiskine hem gebaert, Sp.
II*, 52, 11. Ende als alleiskene dat licht tegine,
onse Here die Heilege siele ontfinc, II», 48, 17.
— Bij Stoke vindt men al einsken, al enskijn,
kennelijk door verwarring met het bijna eensluidende
en in beteekenis zoo na verwante Alleenskine. j|
Ende alsi quamen recht an Scouden, voeren si al-
einsken vort, IX, 654 (andere hss. al enskijn).
Hi quam al eiusken XIIII dage , eer hi Beltenweerde
leet, IX, 704 (var. allenkijn en allencken, dat
juister is). — In de löde eeuw veelal Alleincken,
Allegncsken, Allegnsken, Alleynschen, ja zelfs
Alleynsen geschreven. || Alleincken als die hoernen
vast wassen , Barthol. 7536. Dit leste sal hi alleyncs-
ken doen ende sonder haest, 2910. Daema werpen
sise alleincsken uut ende niet tot enen mael , 726a.
Ende bliven dan stille staen, ende dan alleyncsken
so gaen si derwaert voer, 7646. Soe laettet zyn
351
ALLE.
ALLE.
V.
stamme alleynnken nat, ende vesticht zgn wortelen
stijf in die aerde, 676^. Na dat die deelen alleynschen
wassen, so werden si te 'samen gebonden, 572a.
Verscheyden valuacien op vcrscheyden munten ende
penningen, eertijds ende alleynsen gemaect ende
ordineert, Be/^. Mus. 3, 79. Verg. voorts Ai.-
LINSELINGE.
ALLENCSKEN, ALLENCSKINE, ALLENS-
KEN, ALLENSKENE. Zie Allenkine.
ALLENSELEN. Zie Allentelen.
ALLENSELIKE. Zie allentelike.
ALLENT. Zie Al als bljV. vnw. (in 't begin).
ALLENTELEN (allensselen), bgw. Mnd.
aüentelen ; in den Teuth. „Allentelen, allentzen,
alleynckede, êuccesuve^ gradatim^ ceisim^ . .
palatim^' eet. Vgl. Grimm, Gr. 3, 95 en 770. Een
Nederduitsche vorm uit Al en Entel^ met het adv.
achterv. -en (verg. gisier-en) , en met verdubbeling
der /, als bg Allene. In het nd. wisselen de vormen
entel en enkel (zie Grimm t. 1. a. pi.). De mnl.
vorm zou dan ook aHenkeUn luiden; doch daar ze
waarschijnlijk vooral in eenigszins nederduitsch
geklenrae stukken voorkomt, vindt men aUenteUn^
aUentselen, waaruit, met wegwerping der ^, al-
lensselen. Aüengty langzamerhand. \\ (Der) oversten
goede wanderinghe . . climmet allentelen in der
ondersaten herten, Bienb. 2b. Die dunsternisse
waert allentelen verstroy t , 53c. Van grooter droef-
heit verghinck allentelen sine gedaente, 70a e. e.
Die duvel waert groter allensselen ende waert ten
alrelaetsten soe lanc , dat hi roerde dat opperste . .
van den huse, 152c. Die byschop hevet die pre-
vilegie gegunt allensselen wat, Oork. van het
klooster Jernsalem , te Venrag in Limburg , in D. War.
7, 33. — Uit het woord Aüentelen is ook te ver-
klaren de vorm Allentelken ^ Jllentelkens ^ welks
be.staan door De Vries, Mnl. W^(!/A. op Allenkine,
ten onrechte werd ontkend. Het woord is niet uit
allen en telken(s)y maar uit Al en Entel met het
deminutief-achterv. -kine (in plaats van met het
achterv. -^»), en dus All-en tel- kine , later verzwakt
tot AU-entel-ken y met bijvoeging der «, All-en tel- kens.
II Doe die knecht Gods sach dattet getal der
broederen allcntelken began te wassen , Ned. Proza
194. Als die geest allentelken vercout, lis. 87 ƒ.
113(?. Allentelkens mit graden op te dimmen, /.
4</. Daer na soe werdt hi allentelken ghetoghen
mit genoecht des uutwendighen levens, Bienb. I6a.
Verg. voorts allinselinge en het volgende artikel.
ALLENTELIKE (allenselike), bijw. Lang-
zamer/iandj allengs (zie bij allentelen). || In
die ierste saken so sinken die darme allentelijc
myt zweringhe, Lanfr. 171r. Soe doet den siecken
zijn diëten allenselic meerren, Lanfr. Incun. 6r.
ALLENTOOS (allentoes), voor Altoos. MLoep
III, 18(5 var.
ALLER-, in samenstellingen. Zie Alre-.
ALLES, bijw., al te zamen. Zie Als bijw. Over
Alles als 2den nv. van ai^ zie Al als vnw.
ALLENTHALVEN , bijw., mhd. aüenthalben,
mnd. aüenthalven. Zie half. Van aüe kanten. \\
Doe dat die heidene becanden , dat si allenthalven
waren bestaen, Merl. 7036. — Ook in all en t-
halve. II Dassc in allenthalve overvloyen, Limb.
Serm. 74i.
ALLESCLACHTE. Zie bij Slaciite.
ALLESENS. Zie Allesins.
ALLESINS (ALLESENS), bijw. Eigenlijk alles
sins^ fr. en tont sens, in iedere richting. Zie Sin.
Overal of van overal ^ aan of van alle kanten. In
den D. B. meermalen ter vertaling van vbiqve en
undique uit de Vuig. || Ie heb allesins gtiiöl
figuren ende goede exempel, Hild. 81, & 1^
woerden ende wereken staen geclooft , so ist allab
contraer, 158, 74. God, . . doech {=JlocJk^ doe^ow.
dinen knechten ende dinen joncwiven, allesens vcréa
bescermt metter heilegher moeder Gods , Fsd. Ma
2, 450. Hollant . . is meest een broeclant, oéf
allesins mitten armen van der zee ende des Kysi
gesalicht, Clere 11 {bij Beka: cwreumfuU). E^
doom seerheit inbrengende allesins al omaie e>&
omme, J>. B. Ezech. 28, 24. Salke tgt sobene^
dat vyer int water allesins boven cracht, ihxri
Wijsh. 16, 19. Int aen vechten der viandei ö
allesins ommestonden, Jes. Sir. 46, 19. Hi Tcrta
allesins die viauden, 4, 8. Si ommegingea m
allesins, 51, 9; enz. — Van allesins. w
overal y van alle kanten. \\ Ie salse Tan alle»
vergaderen, 1). B. Ezeeh. 37, 21. Anit ts
allesins, Jerem. 20, 4. Si sijn op haer cms
van allesins , 51 , 2. Die mans qnamen vaa iL^
sins om dit wonder te sien, Ptus. S. (ed. 14§}
238r (bij Oudem. 1, 143). — Tot allesirr
vermaert, Pass.
ALLESLACHTE. Zie bg Slachte.
ALLET. Zie Al als bijv. vnvr. (in 't beci
ALLETENEN. Zie Altenen.
ALLETGADER. Zie Aloader (lst« art.).
ALLETTEL (alluttel), bnw., als znw. oe.
gebezigd. Ook in deminutieven vorm allettelkuü
alldttelkijn, -ken. Uit Al en LefUl {Uttd
zie ald. Een weinig, \\ Een arm cleet ende alktu
stroes, Rincl. 464. Dat allettel goets beter t
gewonnen met eren, . . dan een ong^etelt sf*
Doet. II, 2452. Den gherechten es beier ré
alluttel goets te sinen dele, II, 2515. Allitk<
blamen hadde si an haren ganc, Zamb. VUI
1148. Want die zinen vrient begeeft om alliCt
dat hi heeft gedaen jegen sgn gerief, en h«f
den vrient niet herde lief, Lsp. III, 17, 101 w
Van Janne Baptisten sal ie u alluttel zeg:geB n
II, 16, 103 var. Een . . . schaep . . ., dat b^
alluttel wollen behouden sal mogen, Ned. Pr&
2G7. Ende deets hem eten allettelkyn , Lome. X.
42663. Als si allettelken had gesmaect , CJkrist. 1(571
So dat si allutt^lken wgns daer nam, 771. X«st»
alluttel tijts te leven, Vad^rb. 36r. AUattel t««ö
te hebben, ^M.
ALLETTEL (alluttel), ook in deminutkrc
vorm ALLETTELKINE (aLLETTELKIJN , ALLETTO
KEN, alluttelkijn, -ken), bgw. Zie het voiif»
art. Een weinig ^ eenigermat^. \\ Si leidene aB^
tel vord mettien, Lanc. III, 11877. All<4^
ongesont, III, 17523. Hi arselde allettel {f^^
eindje) over voet tot enen berge , Il , 38971. Ife
een was tier tijt boven den andren allettel doe, IV
9210. Nu swijch alluttel {een oogenblik ^ een po^^
ende hore na mi, OVl. Ged. 1, 83,756. Nu Iwrf
alluttel, Belg. Mus. 2, 238, 42. Allettel ge^otf
van binnen, Ltitg. III, 524. Si was alluttel mav
lAmb. VIII, 1150. Doen wert die ma^et allatt^
gram, Belg. Mns. 8, 97, 54. Daer na niet laar-
alluttel voert ginc si ute, Christ. 1007. AJs kj
overmids voirtganc der tijt alluttel gewassen wi^
Ned. Proza 263. Dan selstu rusten allettelkfi
{een oogenblik) , allettel so selstu slapen ; maer s^J
aaer na so selstu weder opstaen, CJkritt. 16Si
Daer na so ruste si alluttelkijn, 1606. Doe d»
knecht Gods sach, dattet getal der broedem
allutelken (/. alluttelken) began te wassen, 3W
Proza 194 var. Here waert, hoert mi allettelkfi-
een oogenblik^ Ferg. 925.
J53
ALtË.
ALLY.
354
ALLETTELKEN, ALLETTELKIJN, ALLET-
CELKINE. Zie Allettel (1ste en 2(le art.).
ALLEYOT, bijw. Hetzelfde als allebot (zie
^dl. Wdb.). Eig. slag op ilag , telkem , gedurig , en
>g uitbreiding altijd door. Zie tal van Yoorbeelden
lit Despars aangeb. by De Bo 1466.
ALLEWEGE (later ook alweoe), b^w. Knd.
'Ilewegê , alwege ; nd. aüweg , alwegen ; ags. ealne veg ,
emper (Ettm. 90); eng. alioays,
1) Als byw. van ^d. Altijd , steeds ^ in twee
'erscbillende opvattingen :
a) Yan eene herhaling in alle voorkomende ge-
tallen, dus Altijd, bij alle gelegenheden, telkens,
edurig. || Die geven mach, geve allewege , ^tfim.
.. Diedesen (steen) hevet, men weet wel, dat hi in
rige allewege sonder waen winnet den zege, Naé, BI.
CII, 642. Die daer te voren allewege gelnckech
ras in sinen verwinnen , Jtijmb. 20486. Alstie waren
llewege gewone te hebbene sege, 31767. Ende
ach omme tkint allewege, 15778. Ende vacht zege
•p de heidine allewege , Stoke II , 936. Hets menich,
Ie hem sonderlinc saken bewint allewege, lY,
184. Allewege, hoet met mi gaet, come ie ter
finnen, Boss 4181. WyA^c list soect allewege
lat spillic ist, MLoep I, 932. Die des meest
Lebben , dat en sQn allewege die beste niet, Bnasbr.
I, 90. — Zoo ook Alex. IV, 1436, 1470; iVii/. JP/.
II, 2002; Rijmt. 16821, 28309, 29363, 30412;
^. II*, 30, 41; en*. — Alwege, jongereschryf-
rijze. II Yan synen erven alwege, Nyh. 4, 28
a. 1426).
b) Yan eene onafgebrokene voortduring, dus
iltijd, immer, aanhoudend. \\ Gi heet allewege
rys te sgn onder die gene die u kinnen, Hein.
I, 6940 (doch de ware lezing is die der var.
(/ toegewijs). Soe wie daer winnet den zege,
il blivet voeget allewege, NcU, BI. II, 369.
Men God daer gevet zege, blive here vort
llewege, Sp. III*, 61, 61. Allewege geduurt
gn striden, III*, 27, 78. Yorwaert meer alle-
rege, lY', 38, 76. Alst recht doe was ende alle-
ft^^ lY', 26, 104. Beide nu ende alleweghe,
^Amb. lY, 686. Ie geefs u orlof nn ter stede , ende
llewege vorward mede, Yelth. 1, 26, 49. Allewege
nde die tyt, Benkm. 2, 669, 66. Dat allewege
aeeret die begerlichelt, Rnnsbr. 4, 181. Daer
langen vele bernende lampen mit balsam, die
llewege des nachts daer bernende syn , Ned, Froxa
'1. Allewege, erflic ende ewelic, Nyh. 2, 66
a. 1363). — Zoo ook Lorr. Il, 4668; tAlex. lY,
.424, 1494, 1603; Boet. n, 976; Limb. XU,
J6; Yelth. YI, 1, 26; Ruusbr. 6, 138; enz. —
klwege, in jongeren vorm. || Dat sal ewelich
tnde alwege duren, Nyh. 3, 223 (a. 1400). Ge-
ivarich coninc , staet mi by alweege in mynre noot.
Kal. 6, 82.
2) Als byw. van plaats. Overal, de tegen*
iroordige beteekenis, die ook reeds in H Knl.
l>ekend was. De by 1, a) aangehaalde voorbeelden
loen duideiyk zien, hoe geleideiyk de overgang
was tot de beteekenis van overal. || Bi den wine
3S ons bediet syn helich bloet ende anders niet;
noch alle wege up den outaer dientmer mede al
>penbaer, Amand II, 2489. Waert dat die keiser
3uame, ende hem des orloochs anename, ende ons
ötod dan gave zege, soe sonde men hem allewege,
ui 80 lange alst volc sonde leven, dere van der
victorien geven, Edew. 601. Ie vorsach den here
in miere jeghenwordecheit alle weghe, Hs. v. 1348,
162a. Dat sy allewege tol vrij varen sullen te water
ende te lande, Nyh. 3, 7 (a. 1372).
3) Als byw. van omstandigheid. In elk opzicht,
in allen gevalle, jj Quade cnechte,.. die alleweghe
aerm waren ende keytyf, Alex. II, 749. Nochtan
weet ie wale alleweghe , dat wi sullen hebben den
seghe, II, 793. Men sal houden dat men swert den
vianden, so wien soet dert, ende dit niet alle-
weghe nochtan, Sp. I*, 8, 71. Alleweghe es ooc
te verstane als hier ombonden es, Hs. v. 1348,
244/f. AUeweee neemt dat zoete kint ende siere
moeder diet heeft gemint, vliet tEgypten ende
scuwet dit lant , L. o. H. 660. Die mach dat ingelt
to zamene losen , wil hi , of de ene helft vure ende
die andere na, alwege to Paschen ende to Zant
Ganchen, K v. Zutf. 68, 38. — In de hss. vindt
men doorgaans, in twee woorden, alle v>ege ge-
schreven. Doch om de eenheid van het begrip is
het noodig allewege te schryven en het als één
woord te beschouwen.
= Ook komt reeds al re w e g en voor. || Daer omme
werden aireweghen stricken ghelecht, Bienb. lid,
ALLYEREN. Zie Alleoieren.
ALLIKE ^ALLIKEN, ALLIJC), byw. "HLüd. alUke»
Yan Al en hke, lije, geiyk, dus geheel gelijk, en
derhalve Gelijkelijk, evenzeer, zonder verschil ; het
lat. perinde. || Want waart recht off onrecht sy,
brengdi ghelt, soe sidi vry, hoe zwaerlic dattist
is ghewonnen: al hadder tarme wyf voer ghespon-
nen, tis aUiken wel ghecomen, Hild. 113, 167.
Aliycke begheerlike smlen Noë, Daniël ende Job
daertoe lopen, Bern. W. 63a. Mer worde hi ghe-
boeden bi eenre ame wyns, soe verliest hi die
ame wyns, mer die mach syn dode bant allike
wal bezueken ende braken al synsrechtes, Stadsr.
V. Zwolle 89, 116. Dat alle maten allike grote
soelen wesen, Ouerijs. Hecht, I*, 10; verg. 196.
En woent hy daer oeck niet oppe, dat is aliyck,
aangeh. bij Y. Hasselt op Kil. bl. 19.
ALLIEJIGOET, byw. Hetzelfde als allikewel
(z. ald.). Evenwel, toch, || Doet Johan dat, so is he
qnyth, ende doet he dat niet, so heft Coep syn
clage allikegoet gewunuen. Etst. v, Br. 30.
ALLIKE YEEL, zelfst. vnw. Uit Allike (zie het
vorige art.) en Feel, en dus evenveel. || So solde
men nochtan die beleggen marck marcklike, elk
nae groetheit synre summen allikevoel te boeren,
Overijs. Becht. I», 184.
ALLIKEWEL (allijcwei., Allikewol), büw.
Uit Allike (zie ald.) en Wel. Mud. allikewol (zie
Lubben by Allike).
- 1) Even wel, evenzeer, insgelijks. \\ Ende off
dese brieff . . gebreke off hynder krege, aliyckewail
sall he in synre volre macht wesen, off dair an
egeen hynder off eebreke en were, Nyh. 4, 118
(tf. 1434). Oick of dese selve brief nat, gaterich. .
of vleckich were,.. dat en sal desen brief nyet
argeren, . . mer hy sal allikewael wesen ende
bliveu in al synre volcomenre macht, 136 fa. 1436).
Aliyckwel barbiers , surgienen behouvan aoucken ,
souden se pleesters maecken thuerlieder baeten,
ZFl. Bijdr. 6,229, 83.— Uit deze oorspronkeiyke
beteekenis ontwikkelde zich weldra de adversatieve
opvatting van
2) Evenwel, echter, hd. gleiehwohl, in de 17de
eeuw nog zeer gewoon. Zie Uitlegk. fTdb, op
Hooft. II Waert oec niet een plomp scaep, die
XL jaer of L over een lesse leerde, nacht ende
dach, ende en konnender doch allikewel niet,
Ned. Proza 177. Yrou Caritate is een wgs coepwyf ,
sy copet alle die goede penwaerdeop,endemaect8e
hoer eygen; allikewel criget si denselven penninc
weder, 179. Dat men den messagiers hair liggelt
12
355
AUA.
ALMA.
35«
geren sal als sie buten liggen, al wort hem hair
coat betaelt of anders geachenckt, allikewel aal
ment hem alhier geren, Overijs. Recht I\ 174.
Die niet en arbeide . . ende om die aelmiaaen oec
niet gaen en wonde, ende allikewel mede eten,
Hi. 88 f. 79^. Alament nyet en mach cnreren , so
machment allikewel decken ende verhnden, een
palliatief ^^M», Lanfr. 185r. Hy (y^rtf«) wonde
nochtans allgckewel ran hem ghedopet wesen,
Bern. W, l%a. Dat hi wel wist wat goet waer ende
aliyckewel niet en dade, IZM. Off he dan niet
komen wolde, so salmeu allikewol w^cen, Ettt
r. Dr. 110.
ALLINDE, Toor Ellende: sie ald. Bremd. {(")
633; BUse, v. M. 1018; Spiegel d. J. 11, 212;
Exe. Cnm. 28*.
ALLINGE, ALLINGLIKE. Zie Alinge, Al-
LINCLIKE.
ALLINC, snw. Yoor hallinc, hedve penning:
zie ald., Sp. III*, 42,64; T/. iZt/wir. 2930 , 2933;
III, 171, 191; Vod. Mus. 2, 366; Coul. r. Brvgge
1, 234; ens.
ALLINC, bnw. Zie Alinc.
ALLINSCHELINGE. Zie Allinselinoe.
ALLINSE. Zie Alleise.
ALLINSELINGE (allintselinoe, allinsciie-
LINOe) , by w. Allengikem^ Alleng». Van AUentelen^
JUintelen (zie ald.), met het adrerbiale achtery.
'Itnge^ thans -Hngs. De schryfwyze allinêelinge
wordt door Kil. op Allengêken* vermeld; doch de
sniTere vorm, met invoeging der # na de ^, komt
voor in de glosse: „Allintselingen,»imtf^^in"
(Graff, Biut. 2, 223). Uit AUenteelen, AUinttelen,
AUintelen. || (Hi wart) qnite allinschelinge syns
gelts, sier haven ende alre dinge, Lutg. II, 1265.
En ware datse allinselinge van minen sconwene verde
ende ginge, III, 276.
ALLINSKENE, ALLINSRENS. Zie Alleens-
KINE.
ALLINTLEKE. Zie Alentlike.
ALLINTSELINGE. Zie Allinselinoe.
ALLOY, znw. onz. Allodiaal goed^ zonneleen.
y an ofir. aUoy (La Cnme 1 , 346 , verg. 346 onder
de varianteg). || So behielt si nochtan ende hair
oor dat principaal van Brabant als eygen goet ende
alloy, Exc, Cron. 140r. Want Loven, Bruessel,
Shertogenbossche , Thienen ende Leeuwe , met veele
andere alloyplecken ende goeden in Brabant werden
gherekent voor des hertoghen alloj ende eygen
goet, 161c.
ALLOY. Zie Aloy.
ALLÜTTEL, ALLÜTTELKEN, ALLÜTTEL-
KIJN. Zie Allettel (Iste en 2de art).
ALMACHTE , bnw. Voor het gewone Almachtich.
II Cristns, die God almachte, i«fj9. 11,44, 168. —
Verg. Amechte voor Amechüch.
ALMAENGE, fr. AUemagne. Zie by Aleman
(2de art.).
ALMAN (alleman) , onverbnigbare woordvorm,
als zelfst. vnw. gebniikt. Iedereen^ een iegelijk.
Uit Al en Uan^ als eenheid opgevat, evenals
ieman en nieman. Verg. got. alamans^ meerv., het
geheele menschengeslacht; mnd. alleman. In de
17de eenw aüeman ; thans , met by voeging van den
meest gewonen eigennaam , Jan {en) Alleman. \\ Wat
alman secht, is ghemeenlick waer, l^euken 26.
Alman die niet en doet die wet dyns Gods , D. B.
Exra 7, 26. Alman zal ten menen werke conien
op den dyc. Mieris 2, 216a {a. 1319). Dat naekte
licham lach daer bloet, dattet alman zien mocht,
D. War. 7, 31. Hie omtuyndeu die ghehofften ,
dat alman niet by die snateren
36. Daert alman sach , Mmierie d. Stmdem f. %l
Ende en solde van üman niet dwaes eadc «-
aynnich geachtet werden, /. 67r. Als die tcct.
vermoede, dat alleman te bedde waer, MLaefl^
1986. — Schertsende spreekw. xegsw. || Tei »e-«
nieman dan allman, Spreuken 11.
ALMARIE, znw. vr., ook almarijs, vr., a
ALMOR (m. of onz.?). JEiw, keut. Bö KiL: Ai
maris, Ammaris en Ammare. Hd.
mhd. in deminutieven vorm mlmertm ; ofr.
aumaire (Roqnef. Suppl. 18, 30); ODd-«ag.
aimery (Halliwell 47); mlat. ai
naast armaria ^ armarium (Dnc. 1, 193; 397) ;«
lat. arwuirium^ thans fr. armoire. \\ Soe dat»
conincs almarie was vonden een boec m don
Lane. Il, 21228. Die maecte ter selver are ee
almarys in den mnre in sine saactuwarie na
Sp. III>, 13, 47. — Later in gelgken ain A1b«t
II Synen antaertafele metten dneren dier toe 'W'
hoeren, ende metten tween dneren Tan dea ^
morre, Diencx, Mém. 2, 266 («. 1434). De dea»
van den almore, 267.
ALMATIKE (aelmatike), znw. tt. Aphaere»
voor dalmatike (zie ald.) ; mlat. dalmaiiea ; fr. ia-
matique. Een opperkleed of pUchtgewMmd ^ wt
unjde mouwen. \\ Slepende cledere maecti rike . éa
roe, daerboven ene almatike, ^. IV*, 53,7(ViB.
dalmatica). — Inzonderheid van het gewnud, ^
de diaken en snbdiaken dragen bg de bediesm
der MiH. || Een goudyn cmce van scoenre maaifti
ende oec ene kasufle diere, ende almatike ofr
een missael, Stoke I, 676 (met de rmrianten; kr
tekst-hs. heeft aelmatike). Dat sine almatike ga»
enen die beseten was, Sp. IIP, 46, 29.
ALME, ALMEN, Tkeoph. 763, 1096, «e. &
Halme, Halmen.
ALMECHTICH (aelmechtich, -tech), -ft?
of 'tege, bnw. Almachtich. Sp. Il», 6, 110; £
608; II«, 62, 12; Kerk. Cl. 27; rad. Mus. t
406 9* 419' enz.
ALMECHTICHEIT (-hede), znw. vr. AlmatM
Ruusbr. 2, 7.
ALMEEST, byw. Veelal in twee woordea ft^
schreven : Al meest. Versterking van Meest d«r
by voeging van ^/. Foor het grootste gedeelte ^meert^
deels ^ inzonderheid. Mhd. almeist. \\ Want al es dü
ongeval in dordenen bina overal, dat ai a&eaa
ende slappen almeest, Lutg. I, 968. Si tonea i&
tnten ende ander saken . . ende almeest den va^
iegen , Teest, 3168. Ende almeest tfolc vaa 4a
lande ontfinc doopsel van Jans hande , RijwU. 23^'^
Hild almeest tjnedsce volc een bant, 29691 n:
Het regende seere almeest den tyt, JSrak. T. TI
10111. Almeest die genote van Vrancrike a^ie
hem jegen desen Lodewike, II, 6666. Die voffi»
ende wat daer qnam, almeest het die doot èae
nam, X Plag. 2148 (m den tekst: al meeste). &^
almeest hebben si een zwaer wesen Tan bata.
Ruusbr. 4, 278. Almeest alle die te samen, &
waren van Kerstynre namen, Sp. I" , 27, 3; «t
ALMELNIER, A.LMENIERE. Zie Aelmoet
NIERE.
ALMET. Zie Altemet.
ALMINIER. Zie Aelmoesniere.
ALMISSE (aelmisse), znw. vr. Bg Kil. Al
mutse, amutse, amiculum pellieeuwt.^ van ^
almuce j aumuce (La Curne 3, 319); nCr. ammurv
ital. almussa; mlat. almutia (Dnc. 1, 183, iSó^
Uit dit almusse, almuise^ ontstond later, met wtf-
werping van a/-, hei hedendaagsche muts. Een V
357
ALMd.
ALPÜ.
3è8
iêtchoudenafhamgendhoofddehielykap^ inzonder-
lieid Tan geestelyken. Zie nog Diez, Wth. I, 17;
Weigind op Mütze. || Hl hadde . . sghelijcx ooc
alsoe een.c^pe ap sijn hooft, een almisse, dobbel
ipghesleghen , ghevoedert met ermijuen seer rijcke-
lic, Vertl, en Ber, IV, 62. Up sijn hooft haddy
een aelmisse, ghevoedert met erm^nen, npghe-
ileghen, ald.
ALMOESNIERE, ALMONIERE. Zie Aelmoes-
MERE. Almonier komt nog voor Merl, 33369 en
a4628.
ALMOR. Zie Almarie.
ALMUEGENT, -de, bnw., voor Almogent,
Mhermogend^ almachtig. \\ Gi sijt almnegende in
alder tijt, Amand II, 4900.
ALNEEN , samentrekking yan Alleneen , Al in
een. Zie bg Een.
ALNOCH. Zie Noch.
ALNOOHTOE. Zie Nochtoe.
ALNÜ. Zie Nu.
ALOÊS, anw. yr. Aloé. || Wijn gesoden met
aloës segtmen dat al desen goet es, Nat. BI. IX, 67.
ALOMBE, ALOMME. Zie Omme.
ALOMMEGAKC (alombeganc), bflw , ver-
gezeld van eene bepaling van tijd. Eigenlijk al in
den ommegane^ in den duur, t. w. van zeker tijds-
verloop, en dns {tUen tijd) voluit, van het begin
tot het einde. \\ Haddewi seven jaer alombeganc
onsergelijc messen sanc , wi sonden comen te hemel-
rike, Latie. UI, 17628. — Zie bij Omme en Om-
MEGANC.
ALOP (Alup) , bijw. Uit Al bgw.ien op. Ten einde
toe, geheel en al. \\ Ie sal al np ontsinnen , JD^n^i.
3, 168, 91. Dies worden si al np verscroven,
Amamd II , 1488. Of hi al np es ghenesen , Franc.
8290. Soe "eraren wi alop genesen, Pgr. en Th.
127. So oneerdi hem al op, Orimb. I, 1335. Daer
quamen die ndder vander tafelronden alop gewapent,
Merl. 17448. Doe telde hise (die auenture) . . alop ,
Theoph. 1434. So haddi mi al op ontbeert, Bote
fr. 256, 218. So is hi alop verdoemt, Segh. 2992.
Dat hi Rome al np verdoemt, Sht. I», 76, 48. Wij
en mogense (dese rechtvaerdicheit) nimmermeer
betalen noch alop volbrengen, Can. Som. VóSb.
Si slonghent al np clene ende groet, i^. I*, 30, 39.
ALORE (aloere), znw. m. Ofr. aléoir (Gachet,
(Hou. op aléoiri). Dnc. alatoria, alorium, lat.
tmbnlacmm. Gang, corridor. || Van een hondert
btrde, die ghebesicht waren ten nienwen alorenp
tghiselhnns, Invent. v. Brugge 1, 435. Yan enen
tloere te enen aysemente te gane int weghehnse,
0id. Int. 447.
ALOÜT (?). In de R. v. Utr.1, 311, 11 leest
Ben: „Yoirt en sel men geen gaerdatich vleysch
loch gogen noch alouts vleysch int vleyschnys
vercopen." Er kan in het Hs alonte staali, maar
dtt maakt het woord niet dnidelijker. Er schgnt een
^er bedoeld te zgn , doch oorsprong en beteekenis
▼u het woord zijn duister. — Als mansnaam
komt Aloud voor Bek. v. Zeel. 1 , 464 tweemaal, e e.
ALOWIERB. Zie Aluwiere.
ALOY (Allot), znw. o. Allooi, de Tnengingvan
^^indere metalen met goud en zilver. Zie Kil. 802
« OTcr de afleiding Littré 1, 118; Scheler 17. i|
Emb penninck van gonde, geheiten enen schilt,
^e bonden sal inden aloye vijftien karaet ende
«« balff fijns gonts op die toidse , O. B. v. Dor dr.
2, ^. Zoo nog driemaal ald.
ALPE , (Alp) , znw. vr. Kil. : a 1 p e , ala tympani
■oiae aqnariae. — Yooral in de nitdr. Een wiel
▼*D ilpen of een alpwiel, een scheprad aan
een watermolen, \\ Yan alpwiele ende van banden,
Bek. V. Zeel. 1 , 146. Yan ere asse ende alpwiele
ende dat daer toe hort te timmeren, 147. Yan enen
wiele van alpen , van staerten ende van allen
dinghen, die ten alpwiele behoreden, 157.
ALPHIJN. Zie Alfijn.
ALRANDE, voor Alrehande. Zie bg Hant.
ALRANDESINS, voor Alrehandesins. Zie
bij Hant.
ALREDE (alrEede), bijw. Thans alreedt en
aireede, ahreë. MLoep lY, 271; ZFl. Bijdr. 6,
818; enz.
ALREERST (alrerst, alrierst), bnw. Samentr.
uit Alre-eerst, thans allereerst. || Dalreerste dach,
Bijmb. 163; enz. — Yerg. het volgende art.
ALREERST (alrerst, alrierst, alreierst,
ook ALREERSTEN enz.) , bijw. Yerg. het vorige
art. Allereerst, in verschillende gewijzigde op-
vattingen, als:
1) Allereerst, het eerst van allen; de oorspronke-
lijke en meest gewone zin. || Men diende hem
rijclic alrerst, want hi van hem allen was geherst.
Flor. 1864. Alreerst, Bijmb. 14669, 26011. Alre
eerst, 19996. Aireersten, 1634, 8306; enz.
2) Foor het eerst, eerst. \\ Noweder sider no
daer voren ne qnam Walewein in suiker noot. Nu
alreerst waendi bliven doot , iFal. 524. Dan alreerst
so moetet belgen, ende gevet een vreselgc Inut,
Nat. BI. II, 920.
3) Berst, eertijds, vroeger; gebezigd bij de
herinnering aan iets, dat de eerste oorsprong is
van hetgeen later is geschied. || Dat hi moeste sgn
vermaledijt, doe hi alrerst hare moeder vant,
lïor. 1407. In groten rouwen ende in clage om
enen Floris, dien si minde, daer mense alrerst
omme versinde ende vercoChte in vremden lande,
2279. — Yandaar de tantologische uitdrukking: —
Sint (dat) . . alreerst, sinds . . het eerst, d.i.
sedert, van den tijd af dat. || Sint gise alreerst
saget, so dinct mi dat gi sijt verhoget, Flor.
3067. Sint dat sgs alreierst begonsten, 1790.
4) Ten eersten, aanstonds, terstond. \\ In de
flume van Joerdane hine leide alrerst, Z. o. iT. 958.
— Alreerst dat, terstond dat, zoo haast als,
zoodra als. \\ Dat hine ant lant sette, alrerst dat
hi in die stat van Babylonien mocht comen. Flor.
1771. — Elders, in denzelfden zin : — Talreerst
(= dat alreerst) oftalre eerst, talre eerste,
en talreersten of talre eersten (dat), als:
il Talreerst dat die tornoy es leden, Parth. 4173.
Talreerst dat hise heeft versien, Bijmb. 17581.
Talreerst dat si inquamen, 31047. Talre eerst dat
was dach, 31754 (verg. 2812, 20824). Talre eerste
dat soe es doot, 15438. Taljeersten dat hi was
doot, Sp. III*, 48, 24. Talre eersten dat hire
inquam, III*, 9, 21; enz.
ALREHANDE. Zie bij Hant.
ALREHOOCHSTE , bnw., als znw. onz. Dat
alrehoochste, het hoogste, de top. || Die ree
(ra), daer men zeil aen slaet, ende boven int
alrehoechste gaet aen den mast in cruse gewise,
Aug. Sceepk. 137.
ALREIERST. Zie Alreerst.
ALREINE. Zie Alrene.
ALRECONNE , ALREKÜNNE. Zie by Conne.
ALRELEIDE. Zie bij Leide.
ALREMALC, ALREMALLIJC. Zie Mallijc.
ALREMEEST. Zie Meest.
ALRENAEST (alreneest), bnw. All^naast.
Sp. III», 10, 35; Wap. Mart. IIl, 243; 426; enz.
ALRENAEST (alreneest), bijw. en voorz. met
359
ALRE.
ALS.
360
den Sden ny. AUenuuut, in denzelfden sin als thanSf
Rein. I, 2585 e. e. — Opmerkelgk is de nitdmkking
Alrenaest sire hunt, vlai op het bloote lijf.
Verg. Naest. || Ene bare droecn hi an sine lede
ende oec aldernaest siere huut, Yelth. I, 32, 30.
ALRENË (alreene , alreine ; in de hss. veelal
in twee woorden geschreven), bjjw. Uit Al en
Rene (zie ald.), en dus eene versterking vanr<?^,
mn, d. i. prortut, OTunino^ plane.
1) OeAeely volkomen. \\ Wat dat hi van ons hout
in lene , in dienste , dat wjjt hem airene in gerechter
erven gaven, Stoke 1, 723. Si, die om een sien
allene al haer herte geven airene, Ro9e 2175. Dat
si alle gepeyns airene mocht verdriven, Lutg. Il,
860. Dyn gont, d^n selver algemene, daer dn
Gode omme vergaets airene, Belg. Mut. 2, 62,
50. Dat gi mi dit geeft airene, Lorr. II, 4605.
Doe so volget nut iSrene, Sp. IIP, 40, 50. Dat
si doen alreene van danen der martelaren beene,
II*, 28, 13. Te nemene die spise airene, IX, 758.
Geslegen . . bina alreine, Sp. I«, 2, 46. Tegaen
alreene, II*, 27, 50. Alreine verwinnen , Sp. Dl. 1,
bl. 9, VS. 14; Rijmb. 18400. (Stat ende mnre, die
stede, den tempel) vellen alreine, Sp. I', 44, 28;
Rijmb. 16935, 17176. Alreine den vrede breken;
Sp. Iir, 22, 13. Mgn kint dat geneset alreene,
Rdjmb. 22818. Ontgoet airene, Stoke I, 1208.
Onteert airene, Wap. Mart 1, 321. Verdroogt alreene,
Rdjmb. 23360. Vulmaect airene, 31243; em. — In
het r^m vaak slechts een bloote versterking, en
niet veel meer dan een stopwoord, als Rijmb.
18364, 29572; enz.
2) Al te tarnen y gezamenlijk. || Doen rumden si
tfelt airene, Velth. IV, 37, 28. Si storven op
airene: van tien bleeffer cnme ene, Brab. Y. V,
1297. So deed hi nter kameren gaen tfolc airene,
CArist. 1437. Dat Lootrike nu heet airene, Stoke
1 , 288. Dat tnsscen der Elve woent enter Seine ,
ende van den berge haer neder airene toter Nortzee
algemene, I, 641.
ALRERST. Zie Alreerst.
ALRESLACHTE. Zie bij Slachte.
ALRETIERE. Zie bn Tiere.
ALREWEGEN. Zie bij Alleweoe.
ALRIERST. Zie Alreerst.
ALS, znw., voor hals, F l. Rijmkr. 2669] Limb.
VI, 1997; Vad. Mue. 5, 319; enz.
ALS (alles), bgw. Got. a/Zw, oiwff, Grimm, Gr. 3,
88^ ; ohd. en mhd. alles , omnino ; ags. eallet (Ettm.
22 K Adverbiale genitief van Al als zelfst. vnw. (zie
ala.) , en dns in beteekenis overeenkomende met fr.
du totit. De oudste en oorspronkelijke vorm was
allee , doch de meest gewone de samentrekking als.
1) In ^t geheel, al te zamen, geheel en al, te
eenenmale. \\ Ende regneerden nemmeer ginder alles
dan XXII jaer, Sp. I», 47, 20. Hine verloes ter
selver stont alles meer dan XX man, III*, 14, 54.
Dat hi alles verloren ware, Parth. 4001. Alles
enen broeder soe hadde hi , Belg. Mus. 10 , 77, 29.
Alles wasser seven ende dertich, D. B. II Sam.
23, 39. — Gewoonl^k in den samengetrokken
vorm als. || Want si ter maeltyt tharen live ne
hadden brode als maer vive, Sp. III ^, 29, 5. Dat
God den meinsche ne verboot als ware (= maar,
slechts) ééne vrucht, Wap. Rog. 145. Der scepe
hadden wy twewerf tiene, nu en hebben wy der
mer als XIII als , Trogen f. 256*. Dat (rike) hadde
als IX coningen, Sp. I», 24, 8. Alse (1. als) waer
een dach, nonnisi unus dies, V, 56, 70. Dat stont
als CCCC jaer, I*, 24, 41. Ie waenre cume M
waren als van der Roemschcr scaren, P, 44, 13.
HeidQnsche paerde . . waerre als CCXX^, IT*,16.S.
Ende was als coninc vier jaer, I*, 9, 40. EIldeR^
neerde als twee jaer, Rijmb. 14536. SeghereDierefiii-
gaf maectere sint toe dat proyeel, ende ili m
bataelge geel ,Sp.V, 14, 60. (vgL Trogen bl Sl.ils
te volgene datti riet, Franc. &90. ilsoeennlka
nyemant des annemen als na te volgen, ^edl Pm
48 {d. i. Runsbr. 8, 115, doch in de uU^ntitu
andere lezing) ; enz. — In 9k\s, in het gthel\ ii
als noch in deel», geheel noch gedeeUii^.l
Nimmermeer vervreemden noch verschejdea iiii»
noch in deels van der . . graeffellcheyt vu HoQtfL
Handv. v. fTeesp 7b. — Het West- Vlaamüche diikd
bezigde in denzelfden zin ols evenals ol im i
met gelUken overgang van « tot o, als in ofm
af. II Ols 31 «, — ols 869 ©., ZFl. B^.i
327. — Vaak vergezeld van eene ontkemii!
als: niet als, als niet (geen), volitrHi
niet of niets (^een). Verg. goth ni — tdUi, ck
nalles, fr. pas du tont. \\ In constn niet gese^
als , Beatr. 59. Die van clercgien als niet ea &
Sp. II*, 33, 22. Dat als geene redene ea^
11^, 22, 6. Hi sloech hem sinen helm in sti^
ende die wapene van synen lyve, maer ki s
quetsede hem als niet seere , Trogen Vh. S3J. l
(Lucifer) smaecte die glorie als niet, dser hi «
vannge ute sciet, Lucid. 562. — Ook ge'»^
door een telwoord of een bijw. van tijd, in das
van m V geheel maar, maar, slechts. \\ Hierpf
nnt van der D, ende volget als eneinE, 3ïii^£
III, 1236. In F esser als een te samen, T, ^
Daer s^n vrouwen . . die als enewarf kiiï^
dragen , 1 , 278. Want hi als eens te hare fis^
Sp. 1% 25, 17.
2^ Vooral gewoon was Als in dezen lin Q ^
veranbbelde en dns versterkte uitdrakkia; -
Als ende als, in de volgende gewjóg^f
vattingen :
a) In H geheel, aUes te zamen genomen. \\ ^
dan ghy sijt , als ende als , en hinck hodei d
aen den hals, Trogen f. Q6c. Dat men niet en stfT-
als ende als na mine jammerlike doot: Fki^
hi hads scande groot, Alex. VIII, 622. I^
waren vele meer baroene gevaen dan in dien ^
te waren als ende als dier Grieken warea, ^
454. Welc onser heeft meer ongevals, of ^
joghet, als ende als, of dijn onder (Fifl^
dine oude)? VIII, 725. Dese knape, als»*
als, pijnde hem te weerne, ende niementel,S^
IV, 1504.
b) Geheel en al, te eenen male. || EndesloBfb*
achter in den hals met eenen swerde als eadf^
Sp. \\ 101, 53. Dat hy hem afsloech alses^i^
thooft van den buycke herde verre, Örw^- ^
3474. Gi sijt die havene als ende als sJnsTtn^
ende syns gevals, Farth. 7612. Dat anders ««
en dede dan sine goedertierenhede , sonder ^
verdiente , als ende als , Lep. 1 , 4 , 53. Ende Tfff^
als ende als haers jammerlgcs ongevals, Wi^^
830. Die al in scalkheit sijn geboren, alsei^^^
van armen geslechte , B. War. 7 , 378 , 43. — Z»»
Nat. Bl. II, 3643; Sp. 111% 31, 84, U*. ^
100; Barth. 1111', Lanc. II, 11293, 44065;f«^
1680, 3862; Stoke I, 245; eng.
c) Volstrekt, stellig. \\ Ende beval hem ali ^
als, dat hi die lettren niet ne sonde bedes, J^
I, 2364. Dits te lach teren als ende als, ^»^^
XII, 901. Ens geen noet als ende als, dat «^
den sot ane den hals ene belle hange, dat vosti^
men kenten wel aen syn gelaet, Doet. Ui ^
(!) Stellig, ontwijfelbaar, vooi'seJtei", gewöi**^
Jöl
ALS.
ALSE.
362
restigingsformale. || £s si van rejnen gedochte ,
li Hal slapende als ende als haren man nemen om
len hals, Nat, BI. XII, 828. In Dietsche heetet
lie crevit als ende als, V, 252. Alsoe vindt men
ds ende als int lanc lijf vele ongevals , Doet. III,
1439. — Zoo ook ald. II, 3265; Rei». I, 3032;
Hijmb. 18793; 29382; Sp. I^ 100, 15; I«, 4, 87;
;il«, 36, 83; Nat. JBl. II, 2115, 2799 , 3418 ; Hl,
102 var., XII, 1393; Lanc. III, 1237; Brab. T.
[II , 80 ; Velth. VIII , 11 , 21 ; «•*.
Over de nitdr. altte in den zin van alte zie
>ij AL (h|jw.) en alste.
ALS , voegw. , gelijkstaande met Al als voegw. ,
n de beteekenis van alhoewel^ oftehoa»^ hoêxeer.
Sigenlgk de genitief van al als zelfst. vnw., terwnl
U er de accns. van is. Gelijk alt als bgw. ae
»eteekenis kreeg van geheel^ ontwikkelde zich bg
iet voegw. aU de concessieve beteekenis van
ofschoon ^ gelijk mede bij al plaats had, dat met
lU afwisselt. || Dat ben ie, als ben ie anders
leen, Sp. 11^, 9, 171 var. {in den tekst: al ben
c els). Als es dat sake dat ggs nien sgt nn wel
« gemake, Chriet. 813. Beatrijs was te doene
^ereet , als was hare haer siecheit leet , 1715. Dat
lare die ingele dienden daer, als en sachmense
liet oppenbaar, 1757. Die aeu den sundere toent
line genade, als bekeert hi dicwQl spade, Lutg.
lI, 734. (Si) moesten met har wenen, als hadden
li herten gehad van stenen, in, 281. — Zoo ook
Ikritt. 838. — Meermalen gevolgd door nochtan.
II Als was hi innech, . . hi was nochtan herd
}nde wreed, Lutg. II, 185. Als was dat sake —
lochtan, II, 454, 1805. ~ Zoo ook Christ. 331
ks., verg. Bormans, */. 124), 1018, 1089, 1301,
[424; enz. — Ook zonder het ww. zijn komt als
roer in den zin van al ware het. \\ Waervan dattet
>c sy, als van enen seer cleynen dinghe, Gerl.
?eter8 210.
Aanm. In Edeto. vindt men een paar malen in
tezen zin alsei \\ Alse waert dat hi viant ware,
682. Hi nien sonde mogen de stat ontsetten metten
inen , alse wonde hijs hem pinen , 1800. Alse ware
li viant, 1826. — Doch alse is hier eene font;
rant de dichter bedoelde niet het gewone voeg-
woord als^ alse^ uit a/#o, maar kennelQk het hier
tedoelde als, zijnde de genitief van a/, fr. tout:
f, fout ennemi quHl était^'').
ALS, bijw. en voegw., voor alse. Zie Alse.
ALS TE BOVEN, ALS TE VOREN. Zie Al
nw. II, II, 2).
ALSBERCH, voor halsbercii, Lorr. II, 321,
L49; FUmdr. I, 816, enz. Zie Halsberch.
ALSAEN, byw. Zeer spoedig, aldra, leeldra. jj
klijn geest sel worden gednnnet, mine dagesnllen
:orten ende alsaen is mi dair boven dat graf, Hs.
?e. 178p.
ALSDAN (asdan), bgw. As voor a/s komtmnl.
neermalen voor, en is in onze tegenw. spreektaal
sven gewoon als in de eng. schrijftaal. J)an, in
lat geval, in onze beteekenis. jj Alsdan en op
lien dach, O. R. v. Dordr. 2, 123. Die ghemeen
lekens, . . die alsdan daer wesen snllen, ald.
[>at men asdan die gheyne . . antasten ende halden
tal, Nijh. 4, 134 {a. 1436). Alsdan , a/t?. 250, enz.
ALSE (als, ook as), bijw. Mnd. alse^ als, as.
Verzwakte vorm van Also , ons alxoo , en daarmede
in beteekenis gelijkstaande. Hoewel de eigenlijke
Icracht van also in so ligt , werd door het verleggen
ean den klemtoon op al de laatste lettergreep
toonloos en verzwakt tot een stomme e, die ook
lUengs wegviel. Thans is als alleen nog maar als
voegw. in gebrnik; mnl. ook als bijw., naast het
oorspronkelijke Also, Alse is de ondste en meest
gewone mnl. vorm; later werd als meer algemeen.
— Men verwarre dit als niet met het boven be-
handelde bnw. als, dat geene samenstelling is,
maar als adverbiale genitief van Al is afgeleid.
Alzoo , zoo, evenzoo, evenzeer', veelal gevolgd door
alse of als, als voegw., by vergeiy kingen, jj Alse
lange als di behouds die hitte ende wacheit ge-
tempert in di, alse lange mogestn leven vri,i7W»i.
1194. Wine hebben onder ons genen man die alse
wel josteren can, noch die alse wel werdich si
lant te hondene alse hi, Lanc. IV, 8037. Elc
visch . . pleght te proien . . alse geme op sgn
geslachte als op andre. Nat. BI. V, 11. Appelen
als groet als mans hovet, VIII, 260. udf/«^ ongelijc
waren si van liven jegen hem . . als jegen ons
een crekel es, Rijmb. 5666. Alse verre als men
met enen stene werpen mochte, 26040. Alse hoge
te makene die tinne als Sjon, 12051. Niet als
Instech als Jan , 30553 var. Ende hi genas eer iet
lanc als gesont als hi was eer, Frane. 8272. Maer
met hare tvolc gemene riep np hem als wel als
twjf, 8620. Als ongemate alsmen seget, Parth.
5986. Alse mesdadech niet alsmen hier te voren
hiet, Lorr. I, 1953. Dat s^jn vader alse vele hadde
als de mgn, Lanc. II, 17517. Alse goet alsedese,
III, 24148. Alse vele alse hi wille, Sp. IV», 14,
16. Als vele als n voegen, Parth. 1138. No dat,
no geen als groot, 1319. Dat hi mi . . sonde . .
verwerpen alse honde ofte noch eer dan hi hare
dede, 7560. Alse willen come, Lsp. III, 5, 36.
Als arm — als, III, 6, 80. Alse wel — als, III,
12, 128; Rijmb. 24576. Als wel darme als de rike,
Lsp. DL 3, bl. 143, var. vs. 12. Als groet als dit
erderike, Rijmb. 220. Alse goeden t^t alse enz,,
11937. Alse goed was hi alse Joas, 18809. Alse
lange als leeMe Joiadas, 13666. Alse lange dat
het qname te jaregange, Renout 1890. SQn ingel
alse sere vervaert, Sp. Il*, 13, 22. Alse verre als,
Rijmb. 26040. Alse verre als recht gedragen mach,
Heim. 647. Als vele gevoelens, zooveel gevoel,
Rnnsbr. 3, 90. — Ook in den verbasterden vorm
as, evenals in H Eng. en in onze volksspraak,
vooral in vele oorkonden by Nijh. || As dncke
alse, II, 195, 263. As gneden. II, 238, 263. As
Snaet, II, 238. As vele, II, 188; enz. — Ook in
en vorm Asso, met assimilatie der / aan de s,
in den zin van voor zooverre, jj Asso veer alsmen
den waker niet verwinnen en conde, Stadsr. v.
Zwolle 71, 71. — Uit deze beteekenis van a/lr^, als,
zQn te verklaren de uitdrukkingen: — Alse
goet. Als goet, al zoo goed, wel zoo goed;
Alse wel, al zoo wel, beide in de versterkte op-
vatting van ruim zoo goed, ruim zoo wel, en dns
Beter, liever-, en Alse lief, ruim zoo lief, liever,
II Hem hadde geweest alse goet, haddine hem
gegeven niet, Lanc, III, 22546. Ende dat men
alse wel wreken mochte, Heim. 1496. Als lief
haddic in die helle te sine , Parth. 1845. — Noch
alse. Noch als, gevolgd door een bnw., nog
eens zoo , dubbel zoo ; eene uitdrukking sterker dan
de comparatief. Verg. by Also bijw. || Beter ende
noch als goet, Sp. UI^, 51, 61. Minder ende noch
als clene, IV', 29, 50. Dat rechter ware ende
noch als scone, IV*, 11, 11. — Evenzeer staat
alse, als, voor also, gevolgd door een conjunctief,
b\j verzekeringen onder aanroeping van God of
heilige personen, waar men thans zoo bezigt. ||
Alse helpe mi sente Amant! Renout 1147. Alse
helpe mi sente Simoen! 1095. Alse geve nu Oo4
3()3
ALSE.
ALSK.
n
pardoen! 1071. Alse behoadc mi God in eren!
1151. Vrouwe, seiti, als helpe mi God! Parth.
1106. — Gevolgd door dat^ in de uitdrukking
Alse dat, als dat, Toor also dat, zoodat.
II Dat si alle gereet waren, alie dat si met hem
mochten varen, Lanc. II, 40435. Dat si rolleden
harentare, aU dat si van groten vare in die huse
weken tien stonden, Rijmb. 29767. Leerende tfolc
met grooter minnen, aU dat die kerstindom ontfingen
begeerden voor alle dingen sjjn geselscip, Amand
I, 3039.
ALSE (als, ook as), voegwoord. Verg. Alse
als bijwoord, in het vorige art. In dezelfde be-
teekenis van ahoOy doch als conjunctie opgevat,
in geiyke toepassing als gr. wg^ lat. t</, fr. coming,
1) AU^ zooaüj gelijk'^ in de hedendaagsche be-
teekenis van a/>, die oudtyds even gewoon was.
Ook in den vorm As, gelijk nog in de volksspraak
en in *t Eng. || Claer as die dach, Alex. Y , 33H
(Hs.). As een vogel, Flandr. I, 151. — Opmerking
verdienen de volgende spreekwijzen :
a)Alse, als, gevolgd door het lidw. die met
een bnw. als znw. gebruikt, als omschryvende
adverbiale uitdrukking. Zoo b. v. aUe die iciae ^
waarby volstrekt niet meer aan eene vergelijking
wordt gedacht, geljjk thans het geval zoude zijn;
maar blootelijk gelijkstaande met het bgw. wiselike^
dat uit unjs en (pe)Hjc gevormd is en dus in den
grond op hetzelfde uitkomt. || Alse (als) die wise ,
Rijmb. 24058; Sp, IV», 24, 23, II», 3, 87; />/). I,
42, 97; Eleff. 92. Alse (als) die (de) vroede, IFal.
2368, 9955; Lsp. I, 24, 63; Stoke 111,378; Vad,
Mm. 4, 147, 69. Alse die sotte, Lorr. II, 2657.
Alse de dore, Sp. I*, 46, 49. Als de domme,
Christ. 1892. Alse die coene, ^A?x. 111, 245; IX, 190;
Lsp. II, 61, 38; SegA. 6027. Als die boude, Rein.
I, 1260; II, 6506; Rijmb. 9740, 7520; Stoke III,
874; Grimb. II, 3803. Als donvervaerde , Rein. I,
1758; Grimb. I, 1084, 3693. Als die (de) blode,
Lsp. II, 61, 38; Sp. I», 45, 29; II», 3, 97;
Stoke I, 151. Alse die vrie, i^. 111', 43, 83
(vs. 103: vrilike). Alse die fiere, I', 48, 11. Alse
aie rasse, IV*, 45, 112. Als die vervaerde, IV»,
28, 47. Alse die keytive, III*, 4, 41. Alsdonwerde
{hetzelfde aU onwerdelike), met minachting ^ Belg.
Mus. 3, 111, 128. — In bijna gelijke opvatting
wordt alse, als, ook gebezigd met het niet
bepalend lidw., gevolgd door een znw., vooraf-
gegaan door een bnw. , of wel zonder lidw. , waarbij
echter eenigermate het denkbeeld der vergelijking
op den voorgrond treedt. || Die broeder seide als
een goet man, Bloeml. 3, 24, 43. Paulus seidem,
niet alse sot, ^. I", 21 , 21. — In dezen zin
wordt a 1 s e , al s , ook gebezigd met eene omschr^ ving
in den vorm van een afhankelijken bijzin, jj Als
een die es verloren, Parth. 2422. Alse een die
wanet bederven, 8202. Alse de gene die gelike
van slape doet, 8290. Als een die geme wonne
tswaert. Wal. 2847. Als die gone die niet ne
spaert {volkomen hetzelfde als sonder sparen), 211.
Enten adem (haddic) alse een die vliet ute minen
live, Sp. III*, 36, 47. Alse die gene die was met
vare. Vod. Mus. 2, 157, 18; enz.
b) Alse, als, gevolgd door het betrekk. vnw.
die met een praedicaat, in verklarende of reden-
gevende bijzinnen. Lat. utpote qui. jj Dat die
Fransoyse moesten keren, als die duchten dat
verseren van den schieten van den lode, Wittek.
V. Sass. 97. So lachi lange . . stille, alse die
hadde sinen onwille, Lorr. II, 1781. Sech mi, alse
diet gerue hoert, Wap. Mart. I, 596. Vro, alse
die hoepten sere, Sp, I^, 50, 15. Hi venUsi
alse die wonde leeren snlke dinc, 111*, 14, £
Doe sweech hi alse die droeve was, lII», 27.0
Aldaer hebben si hem gedaen als dierecktdi^
heeft ontfaen, II*, 36, 39. Den levendea ^irs
die lede , als die waenden saen die onnlege k
ontfaen, II», 10, 76. Die broeder es die lot »
rust, als die ydelre dneget lust, iV«tf . XU
Doen dor hem als die sgns rockte, 3^.£iè
versamende groot heer , alse de wilde ende yè
geer te wrekene sine grote scade, Stoke IQ, 1h
Nu was Lodew^c tUtrecht comen , ab de fio^
hebben genomen van Hollant de mogentkede, Dl
545. De Vlaminge . . sfjn op tlant getmt, ü
diere niet op hadden gemect, III, 1098. Xü»
Hollant een deel siene, alse de voort treckaits
genende, 111, 1106. lek ben nu alse dieiieife
na vrage. Mar. v. Nijm. 6, 123; en:.
c) Alse, als, gevolgd door te met een vds^
ter aanduiding van het doel of de strekkiof ««
handeling. Alse te staet dan gelijk metoi»«
te of ten einde te. jj Agulant bereit sinenöti»
te comene harewaert, Lorr. V, 299. Niet «■
hi comen uut als hier te halene enebmnt,?!!^
3731. Dus gereden si hem in beden siden..»
te stridene gemeenlike, Remmt 1752. Akte nni
met Renoude, 1393. Doe trac hi te Somb vtf'>.
alse dat te winne metter vaert, ^. 1%50. t:
Ende Bondene trac hem de stat ane,alsesii
broeder up te gevene, IV', 11, 62. Ter ^
gerede hi hem echt, so hi best mochte, aL<9
tontfane , Franc. 5884. Die mensche ttl ts^
slapen gaen, als te sterven sonder opstiet, i^
111, 1435. Sijn volc viel daer omtrent hes >
te stervene met haren here, Brai. F. y,36
DAvonture heeft dit begonnen , alse n te vi0
aue die galge. Rosé 6176. Si alle gereet b^
alse smorgens te bestormen de stad, UmI"
1374. — Zoo ook Rijmb. 26063, 28918, 2«^
32566; Sp. III*, 3, 49; III», 60, 31; IT'?
48; 53, 45; IP, 9, 13; 48, 64; 11», 41*
II', 16, 45; Franc. 5799, 8599, 9592;Stoke!r
1071; Doet. I, 134; Grimb. I, 3976, 4012 J
73, 729; Lsp. II, 58, 78; IV», 16, 78: f*
3938; Melib. 1966, 4066; fTrake III, 264; J^
257; Velth. I, 25, 14, 19; JSdew. 333 ;JW^*
1, 28, 75; Merl. 31572; enz,
d) De uitdrukking: Alse hi dede,
deed^ als bijzin aan het slot van een
toegevoegd, in de gewgzigde opvatting: ff*
deed hij ook inderdaad ; Lat. ut of qnod ei f^
II Ui sal in sente Remijs dage Vranchke ^
sonder sage , alse hi dede : hi quam int lant, S^^'
24, 47. Maer onse Here wilde wreken die mw<*
den quaden here up tRoemsche rike , alsi ieiif^
111», 30, 36. Ende datsise weder woud roepo^
mede te penitencien, als si dede^ Ckrist. 710:^'
1001. Dat si te Toreos tenten souden gia»**
oec daden ^ metter joncvrouwen, !ror«3406.— ï^
zoo het ontkennende: Als hi oec en dede.'
dat deed hij ook niet, Christ. 1744. — Op f#
wijze: Ende gelden dat ie hebbe geborcht,«&'
noch sal, in weet niet hoe, Fad. J'Sm. 1,345.*
e) Alse, als, aan het hoofd van een liü^
dat de verklaring of nadere bepaling van hetv^
inhoudt, en dus zooveel als namelijk, te t^
somtijds ook nagenoeg expletief gebruikt |) I^'
van wondre vant ende weet, tUs van mensche
figuren , Nat. BI. 1 , 486. Dat hine riede gs*
weldaet, maer zonde ende groot quset, i^ '
nemene vreimden scat, Franc 3607. End* ^
365
ALSE.
ALSE.
366
acaldegede hare mede, alsê van haerre roekeloes-
liede, S^, V, 68, 51. Hier end dystorie altemale
van den Spiegle Tstorialei alsff yan der eerster
paertie, I*, 31, 17. Des qnam hi talsulken lone,
a^e ter maertelaren crone, III*, 69, 91. Die neye
gereeddem mettien alse jegen den oem ter were,
IV', 52, 74. Ende wart aves geset np een paert,
aUe dat anschgn achterwaert, IV*, 33, 37.Henric
gereden te Hairlem . . ahe om dat dadinge, Bêt.
d. Oraf, 2, 407. Henric gereden te Hairlem . .
aUê om die wine van sente Jobans , ald, Aichte Cox
gegeven alse van mQns herens sgraven cost . . 2 se. 8
d., ald, Alairt gesent te Zwieten, aüe om heren Dieric
van Zwieten, alte om heren Dieric van Zwieten te
panden, alte van gelde dat hi minen here scnldich
es , ald. Dat hi coft tiegen den here van Moerse . .
ahe hondert twintich pont , Nijh. 1 , 35ö. — Zoo
ook Franc, 4893; Velth. V, 6, 3ö; Melib, 649;
Grimb, I, 2626; Praet 616; D,Cat 369; et%z. —
Later vindt men de woorden te weten als pleonas-
tisch verbonden. || Hoe droeve dat men daer af
s^n sal, te weten als vander doot, JBoeck v. d,
L, Jhesu 10%c. — Zoo goed als expletief staat a/^^
b. V. II Dien hi . . scnldich vant aUe in den raet,
^p, III*, 90, 60. Sendere alse van siere side,
IV*) 14, 16. £lc brachte na sinen state offerande
als om sine bate, II*, 3, 72. Die Felix . . als in
ellenden wesen daet, II*, 10, 39. — Ook in de
uitdrukkingen Alse van en Alse te die de be-
tuekenis hebben van wat betreft^ wat aangaat^
met betrekking tot \\ Die te deser werelt plien te gane
onzeker als van haren live, Praet 419. Dat hem de rg m
benemet tgroeyen als va» der vmcht al sine dracht ,
707. Uwe begeerte als van dien , lief kint, die sal u
wel geselen, Blisc. v, M, 1789. Tuwer beden
souden wi ons vnegen als van dien, 1261. Van
rechter geborten, alse van der moeder, dan des
vader, 1^, I*, 48, 20. Dat die miere es die naer-
riekenste heeste die sii in die weerelt, aU van
hare cleenhede, lAvre d. Mest. 42. Invrilkerzoene
ons . . onse lieve neve . . wel ende al voldaen
heeft alze van doden, van gewonden ende van alre
broke , V. d. Wall 222. Ende is een rnck lant ,
als van den goede, dat bi der zee ende bi den
rivieren raer is, Matth. Jnal. 3, 10. 'Ende als van
der stadt van Mechelen daer af en wilde coninc
Philippus sijn seggen noch niet nutspreken, JS^c.
Cron. 1'ólb. Nu als te desen wille ons de Here
verlenen spoet, Blise. v. M. 1886. — Evenzoo in
de uitdrukking Alse hoe, die in beteekenis
nauwelijks verschilt van het enkele hoe. Verg by
/". II In sie niet aise hoe dat dit mach sQn in
eneger manire, Lanc. III, 4078. Ënde vraegde
waeromme ende alse hoe dattie brief daer lage
alsoe, Sp. IV', 60, 59. Nu secht my alse hoe,
3ferl. 24333. Nu hoert, ie seggu alse hoe, Doet.
II, 3474. Ende telde sinen vader alse hoe, Velth.
]I, 27, 36. — Zoo mede in de vereenigde uit-
drukkingen Alse hoe ende wat en Alse wat
ende hoeveel. || Jlse hoe ende wat si daer
mede gedaen hebben, Nyh. 1, 340. Dat onse
testamentore . . alle jaer ene warf rekenen . .,
als wat ende hoeoele si van onsen renten opgebort
hebben, 346. — Mede expletief in de uitdrukking
Alse dat, geheel overeenkomende met het een-
voudige dat, in de spreektaal nog heden in gebruik. ||
Twelc een uutnemende grote gracie was, als dat dye
heylige maget so veel secreten, den gemeyuen men-
Hche verborgen , geweten conde , Exc, Cron. 34a. Als
dat hi int lant van Brabant was, 336. Hebben . .
geloeft . . as dat . , den lande van Gelren . . nummer-
meer scade geschyen en sal, Nijh. 2, 90. Doe dat sün
wapendragher sach, als dat Saul doot was, B, B,
I Chron, 10, 6. Ie moet ymmer van tween een
hebben, als dat ie ewelic verdoemt sal wesen of
ewelic behouden, Bevoet B. (36) 39r.
/) In verband met het onder é) vermelde exple-
tieve gebruik van alse, als staat de uitdrukking
Alse nu. Als nu, nagenoeg gelgk met het
enkele n u , evenals thans nog alsnu voor nu , alsdan,
alstoen en alsnog voor dan, toen en nog gebezigd
worden. || De {ds nu met sinen z warde Üant van
Wales heeft ondergedaen, Stoke II, 1330. Alse nu
was daer perlement, Limb. VIII, 780. Tes goet
te zlene, dat gj alsnu daertoe gestelt zijt, Ned.
Kluchtsp. 97, 133; enz. — Vooral gewoon was
deze vorm in de herhaling alse nu — alse nu,
voor hetgeen thans nu — nu, ot nu eens — dan
eens heet. || Jls nu sprongen si van weedome, als m*
crompen si te gader zome, JUjmb. 28969. Jlse nu
verwinnen, alse nu verliesen, alse nu welvaren,
alse nu riesen, alse nu qualec, alse nu wel, Alex,
V, 696. Jlse nu was hi hier, alse ni» daer, . .
alse nu was hi met enen here, alse nu setti hem
ten kere, Velth. VI, 16, 29—32. Jlse nu bleec
ende alse nu roet seldi wesen, Rosé 2240. Als nu
volgen, als nu vlien, Bose fr. bl. 246, VI.
Alse nu hier ende alse nu daer, Bdew. 26. Alse
nu blsscoppen, alse nu graven, 336. Alse nu
steeden, alse nu saten, 743. Alse nu loepen, alse
nu staen, OFl. Ged. 2, 61, 57. Als nu bestu
lelie , als nu bestu scone , Belg. Mus. 1 , 338 , 419.
Alse nu langes, alse nu dwers, Boerden IX, 93.
Alse nu den troest, alse nu de wonde gevet de
minne, Hadew. I, 14, 37. Alse nu coemt die
giericheit, alse nu coemt die vermetelheit, . .
alse nu coemt die hoverdie. Stemmen 36. Als nu
willen wy in een cloester gaen, als nu willen wy
alleen Troenen ; als nu willen wy ons aldus oefenen ,
als nu anders; als nu willen wy den enen biechten,
als nu den anderen, Bmgm. 1, 272 {Bevoet B.
(30) 62r). Dat hi als nu spreect van den rgc van
Juda, ende als nu van den rijc van Israhel , D. ^.
Jes. Frol. Verg. ook Bose 10360 vlgg., Jlex. VI,
219 — 226; em. Alse nu deene, als dander nu,
Grimb. I, 2742 var. — Somtgds wordt alse nu
alleen door nu gevolgd. || Jlse nti vacht hi metten
gescotte, nu metter ax, gelgk den Scotte, Jlex.
III , 177. Jlse nu appele , nu colen , nu - peren ,
Vrouw. Eeim. 1121. Jlse nu roet, nu blau, nu
grone, Velth. UI, 23, 73. — Ook gaat nu vooraf,
en wordt door alse nu gevolgd, jj Nu hem io
meester, alse nu scolier, Bose 10493. Nu bem ie
abt, alse nu abdesse, 10617. — Ook waar het
eerste der beide gevallen op eene andere wQze is
uitgedrukt, kan in het tweede alse nu volgen,
dat dan zooveel is als dan weder. \\ Alse hem pine
aneginc, slouch hem de puls sere, ende alse nu
sette hi hem ten kere, Sp. I*, 18, 30. Si doet
wenen den minnare, alse nu so doet sine singens
garen, Bose 2136. — In plaats van de herhaalde
uitdrukking Alse nu — alse nu wordt Alse
nu ook gevolgd door eene andere bepaling, als
so nu, daema, morgen, in de uitdrukkingen:
Alse nu — so, Alse nu — daerna, Alse
nu — morgen, enz. || Glorifier sgn ors vloech a2f
nu hier, soe nu daer, Segh. 7724 var. Jlse nu so
sal u suetheit die minne tonen, daema arbeit,
Bose 2236. Jlse nu willen si dicke ten Sacramente
gaen, ende daer na in corten tiden achten sQs
luttel, Buusbr. 6, 97. Jlse nu kiesen si ene
wisCf alse morgen ene andere; ende alse in des^a
307
ALSE.
ALSE.
368
tide willen si gwiren, enen anderen tyt willen
si spreken, 97; Ntd, Proza 35. AUe nu wolden
si di vanden berghe scnppen . . aUe éUm wolden
si di stenen f alse op een ander üjt senden si hoer
dienres nut di te vanghen, Bmgm. 2, 343.
g) Alse wordt mede expletief gebmikt by
sommige bepalingen, inEonderheid van tgd. i| -Te
hemele waert in grote mesbaren helden si tanscijn
aU metfien, d. i. terzelfder tijd^ Franc. 984. Dat
hi alt in allen stonden tvleesch met vastene hadde
gebonden, 4898. Aü heden raet hi wel daer toe;
ende eer dan cornet morgen vroe es hi andersins
bedacht, Stoke YIII, 905. AU huiden over 14
dagen, O. ü. v. Dordr, 2, 329 (tweemaal). Die
coninck . . eysschede borghen , . . dat si aU morghen
beyde ten cride sonden comen, Proxa-Rein. 94r.
Wi sceiden van n nu ale in desen^ d. i. hiermede^
Bliee. v. M. 1815.
2) AU, toen, b]j tydsbepalingen ; in de heden-
daagsche beteekenis, doch met dit onderscheid,
dat aUe, aU, niet alleen een geval in H algemeen
stelde of de t|idsaandnidingg^fvaneene^^i-ollM^tf
handeling, maar — gel\jk nog in 't Hoogd. —
evenzeer den tyd aanwees van eene verledene
handeling en ook van een tegenwoordige handeling
of toestand en dns aan ons aU, toen, en nu be-
antwoordt, il Alse hi vernam, Parth. 7760. Alse
hi bliscap sonde togen, 8138. Als die sonne op
was gegaan, 1154. Ende sprac in erren worde,
alse hi geen feeste horde, Sp. P, 50, 37. Sident,
alst cam te mans staet, hevet Fransoisen abüt
ontfaen, Franc, 9712. Als hi qnam, Stoke III,
1141. Als heer Kaerle dat gesach, III, 1418. Als
men screef ons Heren jaer enz., III, 1165. Nu,
alse ie ont bem , peinsic al , hoe dat ie wel sterven
sal, Sp. I», 68, 43; enz.
3) AU, by vergeiy kingen, sooals nog heden. Hierby
valt op te merken, dat indien op dit voegw. een
zin met óUit volgt, men de nitdr. aU dat kan ge-
bmiken, b. v. Mor. 1643, öf aU weglaten, b. v.
Mor. 1607, bï dat weglaten, b. v. Jfor. 2009, het-
geen o. a. ook na dan geschiedt. Ygl. by dan.
4) AUof, nog heden gebmikeiyke opvatting , doch
in den regel met dit verschil in de woordvoeging , dat
thans onmiddeliyk achter aU het ww. en in 't mnl. in
den regel eerst het ondw. volgt (b. v. thans : aU ware
hij , mnl. aU hi ware). Alleen in ons aU het ware is de
oude constructie bewaard gebleven. Verg. by Al als
voegw. 3). II Moriaen was in scine, aU hi uter
helle ware comen, Lanc. II, 44964. Si weenden
ende hadden rouwe also groet, aU hi vor hem
lage doet, Flor. 1588. Maer si voer in diere
maniere, aU si verwonnen ware sciere, Theoph,
1819. Te hant horde men in die lucht een luut
met wel groter vrucht , alst leuwen waren , wulven,
beren, Sp. lY', 13, 75. Soe hilt alst haer kint
ware, I^, 65, 108. Syn graf in diere gebare binnen,
alst verbemet ware, III", 65, 73. Ende dede
cleden alst een leec man ware, lY', 69, 18.
Gegerwet als hi gewapynt ware, lY*, 77, 29.
Geanscynt alst een mensche ware, lY*, 29, 16.
Si traken tere scaren, alst alle gebroedre waren,
Mijmb. 31631. (Poorten) alst moneke cloester ware,
11620. Die lantsheere es alst een herde ware,
Heim. 1514. Hi sliep alset ware een swyn, AUx,
lY , 1033. Wart hi . . als hi in den geest dronken
ware , Franc. 4795. De pile vlogen alst waer snee ,
Stoke IX, 988. Yerchiert alset bloemen waren,
Melib. 1212. Gi . . mochter over gebieden wale,
alst uwe ware al tenen male. Rosé fr. bl. 255,
110. Alse hi ware God, Sp. I«, 10, 20. —
In dezen zin komt ook o/aU voor. || Sine nifak..
dochten hem also sere scaden , of aUi ae btin
ffewont, ^. I * , 53 , 37. (AUe of, ^. 1- , 70 , 62 nl wl
font znn : of zal daar wel moeten worden gescknpti
— Ook versterkt door de bg voeging vaa gel|c«
recht en rechts, di.i.juist. \\ Recht alse (=dbne,
aUof gij) van ere vrouwen, die verdrogetwig,?»
geboren, Sp. I*, 29, 30. Steene so groot. . ^
als het berge waren , Bijmb. 16674. Gelgc ik
maer een man ware, 8812. 6«iyc alst (nr.:
gheiyc off) houdens hadde te doene, 11%
Gelgc alst waren vierstene. Franc. 4837. Gcl|<iij
(/. alst) staerke senewen waren , 7783. Eene stow
hordi in den trone, alst ware recht een lied^
scone, Sp. V, 68, 29. Rechts alst eene blo»
ware, lY», 33, 15. Een tekyn quam hem d«rte
steden, . . alset rechts een root draet wire, IT»
8, 61 {verg. III», 80, 81). Recht als hi lo b
no mee gebieden mochte wint ende zee, frac
9195. Recht als hem God leerde de zaken, 4K9
— Dezelfde kracht heeft Alse, als ellijitisè
uitdrukking gebezigd , om aan te dniden, watieaaJ
by het verrichten eener handeling by ziek i^
denkt of door die handeling wil te kennen ^m
De gewone uitdrukking was AUe quantifi m
QuANSiJS), doch men vindt ook AUe of JUtü^
gebezigd. || Eer hi began enige tale, maedrk
een gelaet so fier, ende sach daer ende hier>
„wie wat wil, die come haer!" Bein. II, 4290.
Aanm. 1) — De woorden uit den 2>. B. Exi
28 , 2 : ,fAU du een mensche sgtste ende w^
God," zyn een onhandige vertaling van ^rwff
homo" uit de Yulg. , en geven geen recht cm i
besluiten, dat aU ook ads redengevend Toegf
werd gebruikt, in den zin van ^oor oï dewijl.^
beteekenis, die het woord elders nergens beeft
Aanm. 2) — Over AUe onjuist gebruikt tw
AU, in den zin van al, alhoewel, zie de im^
by Als, voegw.
Aanm. 3) — Het gebruik van «/* na een c«
paratief, voor dan, dat in de tweede helft der 16^
eeuw in zwang kwam en nog in onze spreeba
gewoon is, was mnl. nog onbekend. Men befl|^
uitsluitend dan {groter dan enz.); verg. Hp^
Proeve I, 288 vlgg.
ALSEELS , by w. Uit aU heeU. Met eene wi
verbonden: VoU trekt niet. || Dit huwelick «
greyde alseels den hertoghe niet , Despai^ 1 , ^
Die de Leliaers alseels niet en mochte, 2, 67.
ALSEGEDAEN, -dane, bnw. Uit AUe, i^
zwakten vorm voor AUo (zie Alse bgw.), «
Oedaen. Hetzelfde als AUogedaen (zie ald.),^
Zoodanig, dusdanig. \\ Alsegedaen recht alse hiflK
volgt, Willems, Meng. 439 {a. 1292).
* ALSEGERS, verkeerde lezing voor aktfff^
Vierde Mart. 131. Ygl. Taalgids 7, 51.
ALSEL, voor Assel, schouder. Zie Assel I
Haer dat op esels alsele staet, Nat. Bl. XH, 379 nr.
ALSELIEREN, verkeerde schryfwgze voor As*
lieren , bestormen , evenals AUel voor JueJ, «
AUtronomiJn (zie ald.), voor Astronomijn. \\ ^
ons die stat alselieren, Ferg. 4202 {hs.).
ALSELC (alsulc, alsuilc, alswilc), ^
Alsesulc en Alsosulc (zie ald.), -lltt^ ^'
Yersterking van Selc of Sulc (suiU) door Al, *
dus Zulk, zoodanig. Mnd. aUulk, alsolk, «Z»^ '
Alsele was oic syn baniere, Orimb. II, 3269. ><?'
en was negeen {ridder) alsele geslagen, ^
1253. Noch es alsulc syn spreken, ff'rake i^j^
138. Wie es alsulc? Melib. lU. Die liede nn G«»
alsulc waren, Lanc. III, 3912. Ander criiut,iL<w
i60
ALSE.
ALSE.
370
kliii vonden daer nut, Jmand. I, 1049. Wrake
ilsolke als ghi snit horen, Bifmb. 18873. Alsuilc
ras Jalins paert, Nat. BI. II, 1660. Alselc pre-
aet, Bincl. 1226. Alselke ene maegt, Ctus. 898.
ilsnlcken mensch. Stemmen 163. Alselken pant,
Tast. 208. Alsnlken vader, Teest 2966. Alsnlken
«et, Stoke II, 766. Alsiüken sin, Melib. 1062.
üselke salye, Rnnsbr. 1, 243. Op alselke sake,
ïenaut 1023. In alselke ere, LivU. XI, 614. Al-
ndke voere, Stoke VI, 794. Al^nlke scande , ^^^.
1080. Alsnlke ere, Bipib. 17982. Alsnlke gelove
l^i|h. 2, 102. Alsnlke erfnisse, 3, 69. Alselc
Mïjach, Limb. XI, 2326. Alselc mesbaer, Moêk.
r72. Te gane talselken groten here , Yelth. 1 , 22 ,
[. Manscap van alselken lene, Éoie 4111. Met
ilselken rouwen, Limb. XI, 846. Met alsnlken
;ege, lUJmb. 28310. In alsnlken state, Amand II,
^4. In alswilken lene , Oorkb. 2 , 323^. In alselker
naniere, lAmb. IX, 864. In alsulker vise, Bijmb.
(1261. Te alsnlken coste, ZFl. Bijdr. 6, 367. Te
ilsnlcker cnere alst voorseyt es, ald. Bi alsnilker
K>ete, Oorkb, 2 , 431a. Der afgode anebeders alselke
ds de dine, Sp. II', 19, 46. Alselke woerde,
Haak, 1118. Men pliet hier alsulker dinge, Bijmb,
{609. Varen talselken spelen, lap. III, 10, 69.
Tan alzulken seden, Overzee 103. Mit alsokken
'oirwaerden, Nflh. 2, 66, 100, 101. —Het woord
rerd nog verder versterkt door de verdubbeling
ran een der beide deelen, waaruit tule (got.
valeika) is samengesteld, t. w. «o en {gé)lijk,
Vandaar de uitdrukkingen : Also snlc, ook al se
ulc en als sulc en Alsulc gelQc, ingelQke
^eteekenis als Alsulc. \\ Yan wondere also selke ,
^jtp. II, 9, 119. In dien dat die saken also selc
j|n dat die scepenen dair af w^s s^n, Chart. v,
Vaelkem 22. Also sulke dinc, Bijmb. 9498. Also
ulke sierbeid, 18122. Also sulke vliegen. Franc,
•687. Hi es iilsoe sulc . . alse riddere te rechte
resen sonde, Lane, III, 2408. Also sulc een spel,
'itp, I, 26, 6. Also sulcken cost, Oorkb. 2, 167a.
f et also sulken gelage alsoe gelegen es. Vod. Mue.
, 369. Also suilc recht als hi heesschende was ,
, 370. In also suilken paiemente, 2, 371. Alse
alken man alse ie ben, Parth. 7109 var. Ende
Ise snlc alse tonsen si, dat neemt, ^S^. III', 2,
O. Privilegiën . . alse sulc alse die kerken bega-
en, III*, 63, 67. Als sulke queste te done bestaen,
'tonc. II, 11076. Als suilke sake als der port
acomet, Oorkb. 2, 796. Tot alsnlken geluen
cade of kost, Nijh. 2, 40 vlg. — Zoo als uit de
oorbeelden bl^kt, wordt altelc meestal attrib.,
och soms ook praedicatief gebruikt; vgl. nog
jp. II', 33, 174: Alselc yn sjjn (zooalt unj zijn,
oor Alselc als wi sijn) onsen onaersaten, vinden
fi Gode jegen ons gelaten.
ALSELKERHANDE. Zie bQ Hant.
ALSELPE (alsulpe, alselp, alsu lp), gewone
amentrekking van de woorden AUe Aelpe, d. i.
Izoo helpe, bQ verzekeringen onder aanroeping van
k>d of heilige personen. Zie by Alse bijw., en verg.
ELPE. II Alselpe mi God ende onse Trouwe!
\eme. III, 16946; verg. 12641. Alselp mi God,
II, 12662. Alsulp mi God! III, 11630, IV,
708. Alsulp mi God onse Here! IV, 1686.
Llselpmi God! Coê». 1628.
ALSELX (alsulx), bijw. Op zoodanige taijze,
p dezelfde vfijze. \\ Datmen denselven sanderen
[aechs alsulcx leveringe, nae der coope voersE. ,
loch sal moegen doen, K, en O. v. Delft 197, 8.
ALSENE (alsine , alsen) , znw. vr. Het bittere
:raid, thans aleem geheeten, in HLat. abeintMum
genoemd. Ook bij KIL: Als s en, waarmede ohd.
aloAsan , zoowel als sp. alotna , ofr. aloiene (Boquef.
Suppl. 106a) overeenstemt, doch a/lr^m is de oorspr.
vorm, ohd. alahtémo, tempelcaad, heilig kruid.
Zie verder De Vries, Mnl. Wdb. 208 en Kuhn,
Zeiteehr. 9, 74; verg. Diez , Wtb. 2, 202 op
Aluin e. || Absinthium . . dats tcmut datmen
alsene heet. Nat. BI. VII, 798. Men sal alsen
in olie sleden, ende bestriker mede tfel sgn.
Alsene es der vlo venijn. Alsene blader geworpen
mede omtrent verdry itse uter stede, VII, 801.
Heeft hi Inse, so nem dan van alsene sap, III,
1719i Met alsine sape, X,'86, 213. Bivoet ende
alsene, M. en Vr, Heim. 2092, 2097. Sap van
alsenen, 1817. Neempt pappele ende alsene, Jan
Yp. 66. Ie salse doen eten bittere alsene, 1). B.
Jerem. 23 , 16. Ie sal dit volc spisen met bitteren
alsenen, 9, 16. Der alsenen ende der gallen,
Klaagl. v. Jer. 3, 19. Want gi verwandelt hebt
recht in bitterheit, ende die vrucht der rechtvaer-
dicheit in alsen , Amoe 6 , 13. Dat men alssen ende
ysop coke in wgn, Barthol. 6436. — Zoo ook
Nat. BI. VI, 660; IX, 263; X, 93.
ALSENE , znw. vr. , elt , priem, Bjj Kil. „Alsene,
iubula ;" ofr. aleene (La Cume 1 , 328) ; nfr. alène.
II Eist gescoten met eene pyle gecant gelijc der
alsenen. Jan Yp. 86.
ALSESÜLC , bnw. , hetzelfde als het meer gewone
Aleelc (zie ald.) || Dies ghelfjc eist alse sulc man ,
die nemmer gemsten en can, ^. I*, 66, 19.
ALSIJN, 'iney voor Aieijn, atijn. Verg. Alsel
en Alselieren. || Dan drinket met alsine, Nat.
BI. II, 626 var.
ALSINT. Zie Sint.
ALSMAER, bfjw. Uit aU moer. Zie Als (bgw.
1). Eig. In het geheel slechts \ met de ontkenning
verbonden, die kan worden weggelaten, #/!f<7A^M»tf/
geheel, d. i. bijna geheel, zoogoed als geheel. \\ De
speye . . , die zeere te meskieve stont ende alsmaer
met allen te nieuten ghegaen was , Invent, v. Brugge
Int. 391.
ALSO (alsoe), bgw., thans alzoo en oudtyds
even gebruikelijk. Mnd. alto. In de meeste gevallen
kan men in H mnl. also niet meer splitsen en zgne
deelen afzonderlijk verklaren, doch eene enkele
maal bl^kt de oorspronkel{|ke kracht der samen-
stellende deelen, b. v. Wal. 6734: „Constict also
quaet ghedinken , dies sone sondi missen niet" ,
waarin also voor ons de bet. heeft van ook nog
zoo ; de bet. is : ^het ergste dat ik uitdenken kan , zal
uw deel zQn", doch men kan dezen regel ook zoo
verklaren: „o/ kan ik iets nog «oo ergs uitdenken."
1) In de hedendaagsche oeteekenis, ofschoon
minder met ons alzoo, dan met het zwakkere zoo
overeenkomende. — Vooral gewoon was het gebruik
van also bij bgv. naamwooraen en bQ woorden, als:
Also groot ende also clene, Also dicke
als, Also verre als, voor zooverre, enz.; in-
zonderheid in de uitdrukkingen: Also houde,
Also saen, Also sciere, Also vollike
enz., zoo terstond, aanstonds] ook gevolgd door
het voegw. alse, als, en dus zoodra als. Zie
bij Houde, Saen, Sciere enz. Also wile als,
met dat, Christ. 1603, zie by WiLE. Ook in de
minder gebruikeiyke voegw. uitdrukkingen: —
Also sere als, hoewel, hoezeer. \\ Alsoe sere
alst (var. nochtan dat) es in den lenten, selden sal
men vinden die crude, die vergadren selen die hude ,
Limb. II, 282. — Also vele als, voor zooverre,
II Men vinter liede genouch gereet sonder alsoe
vele alst nu steet, om dat van Lusenborch die
371
ALSO.
graye heeflfle alle doen liggen ave , Limb. II , 643.
— Ook in de uitdr. In also vele als, voor
zooverre als, || In also veel alg bi yermach, in
also Teel als hi ontfaen heeft die gracie, dreg.
Hom. llr. Dat hy dus Gode bekent in alsoe veelen
als den menscbe moegbeiyck es te bekennen,
Vaderb. Sd. Deerste sonde was hoverde, in also
Tele als hi begaerde gheiyc Gode sinen scepper
tsine, Lucid. 1286; enz. — Also als iet, bg
een ww., met de ontkenning, in den zin van Zoo-
vetl aU niets y volstrekt niet, || Dat een here boven
n es, sonder wies hnlde gine moget niet staende
bliven also als yet. Wrake 1, 797. — Also wordt
ook elliptisch gebezigd, met verzw^ging van het
WW. gaen, als: Sp. III*, 28, 33; 30, 36; 47, 108;
II", 13, 46; 24, 32; II«, 66, 34; IP, 24, 63;
32, 99; 46, 19, enz. Zie verder bj So. — Over
de uitdrukking also dat^ hetzelfde als so dat, d.
i. en toen^ b. v. Sp. I', 66, 13, waardoor bij de
voortzetting van een verhaal een nieuw onderdeel
wordt aangekondigd, zie b|j So.
2) In gewijzigde opvatting, met sterkeren nadruk
op fl/, voor evenzoo y ook zoo^ insgelijks ^ eveneens ^
en dus byna gelijkstaande met eng. also. \\ Die
Dunouwe: niet, alsic bescreven scouwe,dieDunouwe,
die dor Nichen vliet, maer een andere, die also
hiet, Sp. III», 7, 39. Daer wart hi verdreven
tf/#o, I», 31, 16. Dachterste coninginne, ende
deerste also^ I», 66, 48. Also dewangelisten ons
leeren, dat gelgc loen wert gegeven, daer dwerc
al wert wel voldreven, II', 24, 14. Alsoalsegire
in quaemt, besiet dat gire ute coemt aUo^ Lanc.
II, 1636. Walewein sat op sijn paert doe, ende
Mathamas op ts\jn alsoe ^ II, 2666. Hi groetese,
ende si hem also^ II, 4826. Sagrimor seide . .,
ende Dodineel seide alsoe ^ II, 1660. Ende tconinc-
rike na sinen live, hets mi gelooft alsoe ^ Limb.
X, 1300. Onderhalf cubitus breet, ende alsoe
hoege, Ruusbr. 2, 123. Ook, met toevoeging van
Mfale, wely in geleken zin. — Also wal e of
also wel, insgelijks y eveneens ^ somtijds, vooral
om maat of rym, geheel overtollig gebruikt. || Bleef
iemenc in tomoyes spel, dat menne grouf daer
also wel, Sp. I', 74, 98. Des bisscops Ananyas
zale, ende Agrippen huus also wale, i2i;»ió. 27631.
Den hoofttor van Fanuel velde hi, ende sloech
tfolc also wel, 7643. Dalre eerste warf in Belleem,
daema in Ebron also wel, 9986. Die Moabyten
also wel nam hi hare macht ende haer lant,
10176. Menech monster . . ende menech afgod also
wel, 4134. Dat tien tiden een Hely rechtre was . .
ende pape was hi also wel, 8434. Des coninxsale
ende al die stat ooc also wale, 16019. Zoo ook
836, 7166, 12373,12602, 13816; enz. — Dezelfde
beteekenis heeft also in de uitdrukking: — Noch
also, gevolgd door een bnw. of bij w., eigenlijk
nogmaals zoo\ en dus Nog eens zoo, teel eens zoo,
dubbel zoo; eene uitdrukking sterker dan de com-
paratief. Verg. Noch alse bij Alse bijw. || Mi is
beter, ja noch also goet, Melib. 3197. Al ware
mijn oom noch also quaet, Rein. I, 1336. Waer
hi noch also quaet, II, 3705. Al waerdi noch
alsoe quaden wijf, Busk. 160. Dat hem die zeghe
ghegheven was om dat hi bilt ons Heren wet. Doe
hietse Asa houden bet al den sinen, noch also
wel, Rijmb. 12360. — Ook gevolgd door dan,
wegens het denkbeeld van den versterkten com-
Saratief. || Het waer nocA also scone, coninge
wingen ende jagen , dan selve de crone dragen ,
Stoke I, 214. Den grammen dunket altoes des,
dat hi noch alsoe maehtech es , dan hi mochte vol-
ALSO.
bringen , Doet. II , 796. Eeo menscbe die op i^
bedde leget in sine siecheit, in sine quk, b
kint hem selven noeh mlsoe waU , dam te strÜB
op water, op lant, OFl. Ged. 1, 76, 209. -5d
also icale komt in beteekenis overeen met nfn;
beter, en daardoor wordt dan gerechtnvAfi
Doch ook als wordt gebruikt, hetwelk tJZkpi
is , als men meer op den vorm , dan op de hdeAm
der zegswyze let || Want verborgen aijt o nei
alsoe swaer als np die men dnegt opeiktr.
Doet. 111, 683. Doch andere hss. hebbea kitr
dan , evenals bij de straks aangehaalde plnti ni
Stoke. Verg. verder Huyd. op Stoke, Dl. l.kL
169 vlg. — Zonder toevoeging van noch heeft <b
bjj een bnw. of by w. de beteekenis van — s) m,
nog wel zoo. \\ Ende die si mochten gecri|[B'
meshandelden si onsochte, ende slongense dootit
also quaet, Amand II, 41. Dits also qoaet,. ii>
dat ghi Roges hebt geghe ven , ^a/.6744 — l)»r
welke bet ook «o nebben kan. Zie So. |) Bsi
wet hilt soe also redelike , Flor. W. -
Evenzoo staat also, gevolgd door een coijuctxi
by eene verzekering, waar men thans segt. »
waarlijk. Verg. Alse bgw. || Lippgn, alioeiirt:
met eren leven, Lipp. 80; enz.
'S) Ook wordt also voorafgegaan door hetvon
bi in de elliptische uitdrukking Bi also, tf ^
voorwaarde , met dien verstande. Vgl. ook of «*
bij Aldus. || By alsoe nochtans dat myn geaaiiP
Her sal doen vernemen, ofte, «*»., Bacer 2,2*
By also dat hy synen eysch sal moegen lam^
ren , . . mer niet te vermeerderen , Ö. JL t . I^
2, 261. — Ook verbonden met een tüdvantón
sijn en gevolgd door een afhankel^Ken h^m.^
geval dat, hetzelfde als het mnl. waert {eatin^
dat. II Ende waert bi also, dat Manrissise gdi^
met den eersten jaere af te stane, datstaetisB*
wille, Oendsch Chtb. 69. Ende waert oec if
also , dat in ons ofte in onse naercommers eevi
gebrec bevonden ware van te betaelne, IHeia
Mém. 2, 138. Waert by alsoe, dat enige i*
de vleyschouders enige scapen ofte andere beef»
cochten, K. v. BrielU 149, 11. Of ist by il*'
dat hy dat niet en doet , syne versinaingt *
sal van geenre wairden wesen, O. K. »• ^7
I, 16. — Ook gevolgd door dat, enalsvoegw*
gebezigd, in twee verschillende opvattingen:
a) Foor het geval dat, bijaldien, indien. \\ ^
alsoe dat sy binnen eenre maent binnen den f oin^
landen niet en sullen comen, Gedenktt 1,^
{a. 1419). Ende so war dat dese stickea f
vallen, bi also dat die vrouwe portighc van Bnp
si , me salt berechten metter wet van der ö*
van Brughe, Cout. v. Brugge 1 , 230. Dat de yooW
kindren getrauwede kindren waren, ende d«M
also dat haerlieder voorseyde moeder geleift W*
zoe gedeelt zoude hebben van . . . Lysbetteki*
moeder, 1, 4%. Ende by alzo dat hy int *Jf
noemde godshuus ontfangen zynde , eenege teat
maecte, daer en zal tzelve godshuus niet *•
gehouden zyn, 2, 113. Ende by also dat the»«
jare de voorseide dochtere bleve in haer wopjjj
omme in religioene te zine, 207. Twelke ■*
geschien en zoude by also dat de vorseidej*^
frauwe Katheline . . geen consent gedrcg»''
hadde in de voirseide quy tsceldinge , Cw/.»-^
694. Ende by alzo dat in toecommenden ^
eenege donckerheit of geschil rese . . , zo ^^^
wy daerof an ons . . de kennesse, 619. Eaw'
also dat ter kerken eenich grief quame, DKn0
Jtém. 2, 106. Ende hi verbuert 3 £, bi «*
373
ALSO.
ALSO.
374
datter de burghmeester over claget, ZVl. Bijdr.
1, 240. Ende bi also datten dandre yaerwer te
wercke stelde, die zonde verbueren de gelike boete,
6, 170. — Ook met bijvoeging van het ww.^tyy». ||
Bjj alsoe ist, datstn . . desen wecb bestaes, het
en sal niet mogen zijn sonder seer gehaet te sijn ,
Felgrim Bd. — Ook zonder dai. \\ By also is die
?oirscreven stat mynen heere yet scnldich, sy dat
betalen sal, Oedenktt 1, 260.
b) In geval dat, op voorwaarde dat, mits. \\
Lande . ., by alzo dat die den zelven persoonen
toebehooren wien de {tekst te) steden toebehooren
iaer in zy wonen, Cout, v. Brugge 1, 689. Bi
ilsoo dat deelmannen die boete zelven innen, 1,
H9. Ende bleef in sabs van sente Baefs loyael
jeggen, bi alsoe dat hi nemen sonde te sinen
rade dien hi wilde, Gendsck Chtb. 12. Elc mach
Doeme planten voer zyn huns . . bi alzo dat de
trege breet genonch bliven , 166. Van desen wercke . .
sullen de vors. twee meesters . . hebben . . de
lomme van negen ponden . ., bi also dat zij den
¥isere maken staende in de kerke, ZVL Bijdr, 1,
L67. Maer up dat die meester wille, hi mach wel
^reden tscip . ., ^7 ^^o ^^^ alsulc es dat ment
gereden . . mach in corten tiden, 3, 48. Dat men
feenen coopman . . in vangenessen houden sal
>mme vechten iof omme striden, bi also dat hi
nach vinden goede . . borgen dat t« betren, 6,
160. — Ook gevolgd door of in de uitdr. ten
vare bi also of, behalve voor hêt geval dat,
9. B, V. Dordr, 2, 262.
4) Meermalen wordt aleo in plaats van een object
lan een trans. ww. toegevoegd , zoodat dit schQnbaar
ntr. is. Ygl. dus; Esop, Gloss op winnen en
Sng. uitdrukkingen als / hopeeo. \\ Ie ware onvroet ,
ie gheloofdic niet also. Rein. I, 2620. — Zoo ook
neerm. „4» dede also" enz. Ook thans nog is dit
gebruik bekend, waarmede men kan vergelyken
len bepalingszin met hoe, die de plaats van een
ibjectszin vervangt. Ygl. b.v. Theoph, 610: „hi
lach hoe si voer hem leden," enz.
ALSO (alsoe) , voegwoord. OorspronkelQke vorm
'an het voegw. AUe, ^/^ (zie ald.) , en in nagenoeg
iezelfder opvattingen gebezigd, doch met eenige
iryzigingen. Mnd. aUo.
1) AU, zooaU, gelijk, \\ Men salne drie waerve
lagen, also men doet een vrien man, Bein. I,
344. Also hi menichwerven dede, Wal. 36. Also
lOge liede plegen, 46. Alsoot hem best dochte,
Ujmb, 806. Also ons een wijs man seget. Wrake
, 1003. Wanneer dese heylige man quam bi
;t>ede religiosen , so smalt hi uut devocien . . , also
lat was smelt bi den viere , Exc, Cron. 2,Bd.
— Ook door het bgw. a/!fo voorafgegaan. || (Hi) sal
i alsoe bereiden , aleoe hi dede hem beiden , IMnb.
Tl, 2289. — Bg verzekeringen staat Aleo in den
in van zoo waar alt. Verg. Alse bijw. , aan het
inde. || Uwe boetscap en sal niet sgn verholen,
Isoe gi mi gewapent siet, Ferg. 4836. — Also,
an het hoofd van een zinslid, in den zin van
Mtnelijk, te weten. Verg. Alse voegw., 1, e). \\
fensche, en nem in dinen moet nie g^en valsch
gewonnen goet , alsoe woeker ende voorsat , X Plag,
044. — Expletief staat aUo in de uitdrukking
L 1 s o hoe, aie in beteekenis weinig verschilt van
iet enkele hoe. Verg. Alse voegw. 1). || Ende si
elden den pape also hoe si daer waren geasselgiert
oe, Lanc. III, 8979.
2) AU, wanneer, toen, zoodra, \\ Also die boden
Itesamen te sente Martjjns te Tours quamen, Sp.
II", 10, 63. Ende bejaeght ons pardoen, also wi
jegen Hem mesdoen, Teeet. 2264. Hi wart valu
geiyc der eerde, also hem dat venyn deerde, S^^A.
9049. Also du die vrucht van den olyven gaderen
sults, 1). B, Leut, 24, 20. Ook gevolgd door
dat, in denzelfden zin. || Also dattie moeder dede ,
onse Here ontseidse hare niet, Bijmb. 24866. Also
dattie dach es comen, 18119. Oft gevyele . . dat
onse lyeve here . . des vorgen. huys te doen hedde
ende behovede, also dat hyt hebben wonde, . . so heb-
bewi . . gesworen . . dat vorser, steenhnys te openen
ende te leveren, Nijh. 2 , 90 («. 1366). —Ook gevolgd
^ootaU, in gelüken zin. || Ende also als s^t vernam,
gevielt dat si daer over quam, Christ. 1377.
3) Gevolgd door dat, in de uitdrukking Also
dat, zoodat, \\ Ne g^nen raet hi vernam, also dat
hi te Rome quam, Sp, 1% 86,61. Also dat brueder
Mar^n wert gesent van den abt syn metterkerren
te someger stont, also dat hi wert namecont in
die her^rge daer ie af seide. Ende des weerds
dochter haer vermeyde met enen riddere, die si
minde, also dat si wert met kinde, iSJp. 11^,48, 46.
-^ Mede gevolgd door aU , in dezelfde beteekenis.
II Den enen heeft hi die hant gehouden , den andren
dreegde hi alse here , enten derden badt hi sere , also
als van suiker noot elc sonde sijn in vreesen
groot, Bijmb. 29364. — Ook zonder dat, in
denzelfden zin. || Ende noch vele ander heeren
aldaer in sgnre hulpen weeren, alsoe hi in deser
reesen drie dusent glayen stère mocht wesen,
Brab. T. VI, 9846.
ALSODAEN (alsoedaen), -dane, bnw. Zoo-
danig, dusdanig. Mnd. aUoddn. Verg. de twee
volgende artt. || Alsodaen als behoirlic is, MLoep
IV , 168 var. Alsoedaen goet, NJh. 1 , 340 («. 1336).
— Ook samengesteld met wjjs, wise: Also-
daenwgs, op zoodanig wijze. || Alsodaenwfls wast
beset, omdat varen soud te bet, Troyen f, 60c.
ALSODANICH(ook alsotanich; vgL alsusta-
NICH), -danige, bnw. Zoodanig, dusdanig, Mnd.
aUodanich. || So wanneer du an eens rgcs mans
tafel sitste, so sich nauwe toe hoesulke gerechten
di voergheset warden; want alsodanighe moetste
hem weder bereiden. Stemmen 21. Alsotanige worten
of gezoden wynen, O. B. v, Dordr. 1, 270, 3.
ALSOGEDAEN (alsoegedaen), -dane, bnw.
Zoodanig. Zie bg Geoaen en verg. Alseoedaen.
II Die . . wel conde genesen alsogedane wonde,
Lanc, IV, 1030. Alsogedanen name hadde hi,IV,
9284. Hi souden pays maken op alsoegedane zaken
dat si nemmer roeven en souden, Limb. V, 169.
Dat hiere tiene soude verslaen ridderen alsoegedaen, .
VI , 867. Alsoegedane rycheit als ten busscopdome
getam, Serv, I, 2894. Alsoghedaen als dese pu-
blicaen es, L. v. J. c. 161. Alsoegedaen recht als
hier na gevolgt ende bescreven is, Belg, Mus. 6,
293. Van alsogedanen gerichten, Ngh. 1, 381
(a. 1338). Alsoegedaen volc en heeft nye geweest,
B. B. Jes, 23, 13. Alsogedaen als die regeerre
van der stat is, alsulc sgn oec die gene dier in
wonen, Jes. Sir. 10, 2; enz.
AL80GELIJC (alsoeoelijc, alsogelike), bijw.
Uit AUo en Geitje , gelike. Veelal in twee woorden
geschreven AUo geitje, doch evenzeer als een
samenstelling te beschouwen als desgelike,
desgelijks, en ons insgelijks. Evenzoo, insgelijks,
desgelijks. || Alsoegelijc , dat verstaet, can minne
in hare ouden meeren ende menichfouden , Boet.
II , 260. Alsoegelike soe can vriends raet verbliden
den man, II, 1169. Elke tafele sal hebben in
midden twee ringe van goude, ende in dat overste
inde alsoegelike, Buusbr. 1, 118. Alsogelike so
375
AI^O.
schindi oc van buten gerecht vor de menschen,
L, V. J. e, 191. Alsogelike so bespottene oc een
van dengenen die beneven hem hingen, c, 230.
— Ook gevolgd door het voegw. a/*, in de nit-
dmkking Alsogelnc als, op gelijke wijze aU^
evenaU^ zooale, veelal vergezeld van een afhanke-
lyken byzin met Also aanvangende. || AUogelije
aU goede vroawen haer lyf setten met trouwen voer
haers mans salicbede, aUo settet qnaet wQf mede
haer l(jf met emste groet , om toe te brengen haers
mans doet, Melib. 779. AUoegeHjc als doeghet
ende goet van goeder minnen comen moet, alto
moet comen . . van qnader minnen al qnaet , Doet.
II, 295. Ahogelike alee de vader doet opherstaen
die doede ende maktse levende , aUo makt de sone
levende die hi welt, L. v. J. c. 118. Ahogelike
aUe ie u hebbe gemint , also motti u onderminnen ,
c. 208. Alsogelijc alse gi nn hebt horen seggen
mi, Melih, 3424. Dat gi dese wart . . hoert met
reverentien, alsoegelijc alse ten warden van der
heileger ewangelien behoerlec es, L. v. /., bl. 3.
Hoe menechwerf hebbic willen gedren dinekinder,
alsogelike alse ene hinne hare kikene onder hare
vlochgele, c. 192.
AL80GELIKERWIJS (alsoegelikerwijs) ,
bijw. Uit Also en Oelikenoijs y en dus: Op evenzoo
gelijke toijze^ d. i. Osiijkerunjs ^ desgelijks ^ evenzoo.
Veelal in twee woorden geschreven , Also gelikertoijs ,
doch evenzeer als een samenstelling te beschouwen
als Alsogeljjc: zie ald. || Alsoegelikerwijs es
een wgf, Teest. 4151. Alsoegelikerwijs soe moet die
werpte al onser dogede dobbel onnosel syn , Ruusbr.
1 , 63. Alsoegelikerwijs moten wi werken elke doget,
66. Also alse die geite scarp syn van gesichte,
. . . alsoegelikerwijs, boven alle dogede, scerpt
oetmoedecheit onse inwendege gesichte, 76. Alsoe-
gelikerwijs, selewi die heilecheit ontfaen, . . .
soe mote wi onse senne . . . Gode offeren, 2, 38.
— Zoo ook 1, 230; 5, 27; enz. — Ook gevolgd
door het voegw. als , in den zin van Evenals : verg.
Alsogeiyc als. || Alsoegelikerwijs alse vlamme
ende geensteren opgaen ute den viere, alsoe geet
verlangen op enz.^ Ruusbr. 1, 87.
ALSOLIJC , -like , bnw. Uit Al en solijc , d. i.
sulc. Hetzelfde als Alsulc (z. ald.). Zoodanig ^ dus-
danig. II Mit alsoliken recht als in der Oeverbetau
gelegen were, Nüh. 3, 110(tf. 1383). Mytalsoeliken
voerwendinge ende verscheide, dat dat selve mgn
slot van Ulite altyt wesen sall open huys mijns
voergen. genedigen heren, 317 (a. 1411).
ALSONDER, voorz. Versterking van Sonder.
Zie ald. en verg. Al biJw.
1) Zonder y lat. sii^; zeer gewone vorm. || Alsonder
sage, iSp. IV», 61, 46; enz.
2) Behalve^ lat. praeter. || Alsonder sgn kersten-
lijc leven . . . so was hi so wys nochtan, enz.^
Sp. III^, 27, 21. Alsonder die mertelaren vercoren ,
... 80 waren vele meer van dien pliene onder
Valeriane, II», 30, 69. Duswaerre XII.. alsonder
dat volc van Levi, Rijmb. 6966. Alsonder diere
ter waerscep waren, bleven doot daer in der
scaren omtrent 111**, 8217. 8y verbarrenden Bou-
weloe alsonder de kerke, Cron. v. Vleiend. 2,
163. — Zoo ook Rijmb. 30591; Stoke IV, 977;
Limb. IX, 663; enz.
ALSONDER, bgw. Zie het vorige art. en verg.
Al bgw.). Behalve dal, bovendien. || Gerechter
w^f haddi in sijn leven XV edele, . . ende twee
onnedele te siere minnen, ende alsonder, nacht
ende dach, van anderen amien sgn bejach, Sp.
III», 16, 72—78.
ALSO.
ALSOSTEN. Zie Alsustaen.
ALSOSULC, bnw. Hetzelfde als het meer pm*
Alselc. Zie voorbeelden ald. en : jj Wi sella ka
sien alsosulc als hi is , Sp. d.M.1, 100e. Alfonif
aermoede, dat no3rt creature en leet, És. r. 1348. 30k
ALSOTANICH Zie alsodanich.
ALSTE, hetzelfde als Alte (z. ald.). Kaf a
gebruik. || Dat onse bome alsf^ vro (= »f*f
willen bloyen , Bern. W. 128*. (Op dezelfle k
als si alU vro willen vrucht doen). Ie gtucnid
alste groten berouwe, Bienh, 146«.
ALSTER, voor halster, een korenmail b
Halster. || 3 alster corens, B£k. r. Gei^l
464. Vil alstere ende anderalve viertale eraa
Diericx, Mém. 2, 691.
ALSTRONOMIJN, -viine, «nw. m. Tcrterii
schryfwljze voor Astronomijn^ sterpcnwicheliir.
Dat scriven ons die alstronomine , Vr. Heim. &
ALSULC. Zie Alselc.
ALSULCDANIGH (alsulctanich, ALsrin
NiCH, ook alsulcoedanich, of -nech), -«ff^
•nege, bnw. Zoodanig ^ dttsdanig. Verg. SuLCDisfi
II Alsulkedanighe brieve ende al^cghediiis^
lofnesse, Oorkb. 2, 471a. Die hen alraldisi^
forche ende gewout aendoen, Brab. T.Uj^
Soe wie . . alsulcdanighe vogelen vingen, ld
Keitrb. 173, 61. Al Israhel hoerde alsuIcdiDS
nieumare, D. B. I Sam. 13, 4 (Vnlg. kujateem
famam). Dat daer alsulcdanigen werck in ghewr^
wert, Hs. 80 ƒ. 18^. Op alsulctanige bof8
Mieris 2, 212d. Alsultenich man, Matth. 14^
ALSULP, ALSULPE. Zie Alselpe.
ALSULTENICH. Zie Alsulcdanich.
ALSUS, bgw., b8 Kil. Al sus; verstak*
van Susy ons zus^ hetzelfde als xoo. Hnd. «^
Alzoo , aldus. Verg. de drie volgende irtt t
Grimm, Gr. 3, 169. jj Hi screef alsus, Cknil,i^
Ende sprac haer selve alsus toe, 797. Doea u^
werdde hi ende sprac alsus, Lutg. II, 341 Etf
sprac haer lieflec alsus toe, ÏI, 1122. Dst voci
sal men alsus verstaen , 1 , 718. Gode nemt hi sn
recht alsus, X Plagk. 1904. Alsus we bè^
onbevreest, Blisc. v. M. 1420. Doe alsus G«
gracie alles jns waert ghespreyt, Faderè. 1**
— Zoo ook CArisl. 1142, Lutg. I, 167, 474, TU
722, 864, lUnoui 1166, P^y«?rfp. 31 , 308; *
— Alsiu wisselde met alsos , evenals eldëi ^
aldos. Zie b^ Alsustaen.
ALSUSGEDAEN, -dane, bnw. Zie bj GEDAt^
Zoodanig y dusdanig. || In alsusgedainre minic^
Nijh. 1 , 208 (fl. 1327).
ALSUSTAEN, -iane , bnw. Mnd. ^Itmü»'
Zoodanig , dttsdanig. Door verscherping der ^ >
de *, voor Alsnsdaen^ van Alsus en doen, i'
gedaen. Verg. Aldustaen. Door verplaatsini ^
den klemtoon werd de laatste lettergreep tooBli>*
en verliep alsustaen tot alsusten, alsosten. \\ ^^
ie wale lye, dat ie alsosten were te volbreaj*
noch wijs noch goet genoech en ben, L. '•
Inl. bl. 3.
ALSUSTANICH (alsustenich , of -nech),
of -nege, bnw. Zoodanig, dusdanig. \\ AlsTtft
tale, Lutg. II', 203. Alsustenech dinge, 11,^'
ALTARIST, znw. m. Mlat. altarista (V^c-^
209). Onderpriester , die een altaar te hest^
heep. II Up Ile ar»» sejt heer Claes J»<»^»^
altarist van Rarop , dat hy verstaen heeft J» ^
pastoer aldaer, . . datter zjn 760 communicii^
Inform. 213. ^
ALTE, byw. Versterking van 2V door ni^
van Al, in twee verschillende opvattingen.
i77
ALTË.
ALTE.
378
1) In den nog heden gewonen Ein van te veel^
'e zêer^ lat. nmu^ nimium, tr. trop, eng. ioo. ||
llte scaerp, lUin, I, 784. Alte swaer, II, 6365.
üte ongeniere, Nat, BL lY, 50. Alte spade,
Ujmb. 80; enz. Alte dicke, £usk. 60.
2) Als bloote versterking yan een bnw. ofbijw.,
m dns in den zin van Zeer. Alte is samengesteld
lit Al en het voorz. te , hd. su , eng. to , zooals uit
Ie verwante talen biykt; mhd. ahe, alsu, nhd.
'Jleu , mnd. en nnd. alto , altgo , altze, eng. all-to ,
n den zin van entirefy (Halliwell 46, Nares,
?&«. 14). Vgl. De Jager, VerseA. 211—226; zoo
rordt nimie lat. gebruikt voor valde; ofr. trop
oor bien,/art (Bnrgnj Gr. 2, 331), en eng. too
3 slechts een andere vorm voor to, evenals mnl.
e ook zeer beteekende (zie te). Ygl. onze uitspraak
Itee. Ook thans nog heeft alte de bet. van ;:^^, als
ene ontkenning voorafgaat , vgl. Ned. Wdb. 2 , 65.
Iet is eene krachtiger nitdmklung dan harde of eere ,
lOch zonder eenig bij denkbeeld van overmaat of te
eel^ welk begrip thans aan te en al ie eigen is (naar
Ie bet 1). II Pennevare was alte goet, Ferg.
»936. Och heer, dats alte wel geseit! Rein. II,
1242. Een les, dat alte segesalich es, II, 6782.
ar. Als een alte wreet tyrant, Sp. 11% 10, 6.
finne wrachte . . in hem wonder alte groet,
^Amb. y, 1311. Die coninc . . hadde den rouwe
Ite groet, YI, 1687. In ene alte scone zale, X,
149. Dat gi alte emstlec bid voer mi, Lutg. II,
»95. Yan alte claren oliën, Chritt. 644. Een alte
proet vri edel man, 1347. Met alte groten tranen ,
[446. So dat si alte sueteleke lachte, 1610. Nu
)iddic u alte vriendelic, MLoep II, 3667. Daer
ilte groten gerucht of was, CUre 31. Een alte
tchone nutget, 1). B. Gen. 24, 16 (Yulg. „virgo
mlcAerriwiar*). Alte overgroot. Geest. L. 259. Zie
rerder Lep. U, 28, 47; Umb. II, 1243, 1248;
Y, 49; VIII, 80, 82, 1243, X, 166; XII,
M, 753; Chriet. 405, 550, 765, 1117; MLoep
, 955, 1822; II, 1203, 3179, 3674, 3860;
V, 324 var.; 1284; Glor. 1074; lUibb. 121;
!>. War. 3, 84; D. B. pattim; enz. Een aantal
ndere voorbeelden bn De Jager, Vertch. 225 vlg.
— Alte sere, in dubbel sterke opvatting. || U
;ebet dats alte sere ontfenclec ind anscyn voer
nsen Here, Lutg. II, 894. So waest hem dancleke
Ite sere, Chritt. 282. Ende mesliet hem alte zeere ,
(mand I, 518. Tot dat hi alte seer groot was
^worden, D. B. Gen. 26, 13 (Yulg. „magnus
ehementer*^). — Alte wale (wel), buitengewoon
7el. II Daer andwerdde Kerstine sonder twifel alte
vale, Latg. I, 880. Gi genoecht mi alte wale,
^jontl. 439. Dat ie u alte wel sonde genoegen,
Sutk. 169. Ie sout alte wel derven, Plageno.
.73. — Zoo ook Truw. 66; Plagerw. 153, enz.
— Alte gerne, bijzonder gaame. \\ Dese joeste
Isdic alte gerne, Ferg. 5443. Dat willic alte gerne
loen, on. Lied. en Ged. 468, 360; Etm. 723. Ie
fonts alte gerne proven, Flaigerv). 76. — Alte
lode, zeer ongaarne, hoogtt ongaarne, met veel
noeite. \\ Dat hi al te node neemt wrake, Chritt.
)31. Nochtan so deed syt alte noede, 1313. Dits
lat God alte noede anesiet, Bincl. 1019. Den potte
ilte noede ontsinct den gore, daer hi ierst af
Irinct , 1083. — Naast alte komt ook de vorm aUte
roor, welke nog heden in dial. voortleeft; zie
ff dl. Wdb. 2, 66 en hier Alste. Alt is als de
2de nv. van het vnw. al op te vatten, en al als
\% 4de; vgl. veel te en veelt te, got. filaut. — In
Ie 15de eeuw vindt men herhaaldelijk den vorm
tlien, die bepaaldelgk onjuist is, wanneer er een
lidw. aan voorafgaat. Alten is misschien verdedigbaar
als de samensmelting van alte een, hoewel de volg-
orde der woorden bevreemding wekt; Alten teone
maget kan zijn alte een teone maget. üit zoodanig ge-
bruik vloeide waarschynlijk verder de verkeerde toe-
passing voort, toen men gedachteloos a//m bezigde,
ook waar het werd voorafgegaan door het bepalend
of niet bepalend lidw. || Daer si alten groten
heer brachten , Clere 19. Al hebben dye martelaers
alten groten p^ne gedoget, Patt, Fl 9&. Si maecte
alten groten huys, 29^. In alten grgten blQscap,
31/^. Si sanck alten soeten melodye , 33a. Mit alten
stareken maecsel, 45c. — Deden si tymmeren
enen alten vasten casteel, Clerc 6. Enen alten
wonderliken oirdel , 28. Enen alten devoten priester,
Patt. W. 14^. Een alten sconen out man, 25^.
Meermalen ook in het Bienboec.
ALTEEN. Zie Altenen.
ALTEGADER (altegadere), byw. Uit Al en
te gader, en dus geheel te zamen, geheel en al,
Aan zelfst. naamwoorden of voornaamwoorden toe-
gevoegd, om in het mv. allen te zamen, allen, in
het enkel V. of b^ een collectief begrip allet te zamen ,
geheel, gontch uit te drukken. Yerg. bg Algader.
II Daema gingen here ende knapen altegader te
bedde slapen, Lane. II, 6395. Mi heeft verdreven
myn stiefvader van minen lande altegader, III,
15906. Ende was mettem altegadere ses maenden,
Sp. III', 45, 22. — Somtjjds als bloote bevesti-
gingsformule gebezigd, op gel^ksoortige wijze als
al. II Tote Philippen in die stede, die also hiet
altegader na Phillippe, Alexanders vader, Sp. I*,
19, 30.
ALTEHANT (altehande, altehanden, al-
TEHANTS, ALTEHANS, ALTHANTS , ALTHANT) ,
bgw. Yersterking van Te hant door middel van
Al. Zie by Hant. Mnd. altohandet, altohant.
Terttond, aanttondt, weldra. || Bi der tale, die
Brune heeft begonnen , bekenden altehant Reinaert,
Bein. I, 538. Ende sietse liede van verren gaen,
altehant heeft si verstaen oft jagers sgn , die si
siet dan , Nat. BI. II , 1035. Die brant verbernde
dat volc altehant, Bijmb. 16411. Altehant viel die
vogel op dat sant, Limb. X, 1089. Eer hoir die
heeste conde gesien, was si gelopen altehant in
een hol dat si daer vant, MLoep II, 1034. Ende
altehant so sendde hi sine knechte te Bethleem,
L. V. J. c. 18. Doe ontfarmde Jhesum hars, ende
leide sinen vinger op hare ogen, ende si worde
altehant siende, e. 157. Dat dgn . . leven ver-
ganclic is ende cort is . . ende altehant eynde
hebben sal. Stemmen 18. Item altehant daema bi
IJsebouts hant, 4 dukaet, Bek. d. Graf. 4,
174 {in de uUg. Altehant, en verkeerdelijk vooreen
eigennaam aangezien.). — Zoo ook Wal. 2617, 2920,
4892; Fhr. 193, 701; Nat. BI. II, 976, 1021,
lY, 218, 442, 458; Y, 220; YI, 714; Stoke II,
187, 1054, 1075; lY, 688, 990; Limb. IH, 77,
1018; X, 396, 1018, 1089; Hild. 165, 83, enz.
Altehant daer naer, Ltp. II, 9, 155. — Nevens
den gewonen vorm Altehant vindt men ver-
schillende bijvormen, als: || Altehande, Nat.
BI. II j 1521; Rijmb. 12552; Merl. 5142. Alte-
handen, Lanc. II, 27036; Bijmb. 11700; i^.
II*, 12, 20. Altehants, Ferg. 3616; Bote 862;
Ruusbr. 3, 125, 161, 200; Nijh. 1, 245, 302.
Altehans, Lanc. II, 44087; lY, 4673; Ruusbr.
1, 121, 123; 5, 99. Althant, ^^.4039; Hild.
183, 49; Np. 1, 173. Althants, Hild. 90. 90;
Devoet B. (36) Sv., 41»., 99r., lOOr.; i&.r.l348,
236a. — Altehant wordt ook versterkt door d^
379
ALTE.
toevoeging Tan andere gelijkbeteekende woorden,
als gereet en soruUr wurre. \\ Dien soe genaecte
of dien soe beet, hi staerf altehant gereet, Heim.
11b, Altehants sonder merre, Nijh. 1, 245.
2) Uit de beteekenis ran terstond^ oogenblikkelijk^
ontwikkelde zich geleidelyk die van Voor hêt oogen-
blik, thans, \\ Hoe men dat hier roortfj ts plach te doene
en weten sQ niet, mits datter altehants nyemant
int ambocht woent diet gedencken mach, Inform. 492.
3) Ook gebmikt yan een oogenblik, dat in het
verledene ligl Zoo even, nauwelijkê, WKtürde tileec
in enen der saterdaghen, doe die zonne althant
upgheresen was, Hs. v. 1348, 129c.
4) Ook van het tegenwoordige oogenblik. Nu,
reedt, thans, \kX. Jam. || Ie bin altehants ontende
ie en hebbe genen man, B. v. 1357, 106d.
ALTEMALE, later altemael en alletrmaf.l,
bgw. Versterking van Te male door middel van A/.
Zie bQ Mael. Mnd. aJtomale; hd. allzumal.
1) Te eenen male, geheel en al, volkomênlijk. \\
Somwyle vergit hgs altemale, Troyen f. 170Ó. Hi
doet die minne altemale ute sinen sinne, Parih,
8162. Van diere groter qnale waerstu genesen alte-
male, 8275. Dat niemen altemale verstaen mach,
Bijmb, 48. Van Ysmaëlle latic altemale, 1972. Die
gemeente achte niet altemale ... om dese tale,
28711. Der Joden mogenthede es vergaen so alte-
male, Teest, 1925. Eer gise altemale verdoet , Zimd.
I, 1743. Die dat conincrike na recht altemale sonde
hebben verwonnen. — In den D, B. meermalen ter
vertaling van omnino oï penitus.
2) Orootelijks, uitermate, zeer; met dezelfde
overdracht van beteekenis als in heel voor zeer. \\
Dat hi goet was altemael, MLoep II, 490. Die
mine danck ie altemael, IV, 1867.
3) Aan een znw. of zelfst. vnw. toegevoegd.
a) By een enkelv. , in de beteekenis van Geheel
en al, gansehelijk; nagenoeg gelgkstaande met een
bnw. in den zin van geheel, gansch, \\ Algeheel
ende altemale so mste in die maget smale die
Gods Sone, Wap. Mart. III, 300. Oite seide: „Gi
segt wale, dit willic doen altemale", ende heeft
ontboden ute thant met hem altemale sijn lant,
Lorr, I, 645. Dien dach altemale, I, 505. Onsen
lande altemale, I, 851. Altemale mijn gescien, I,
891. Van Lorein altemale , 1 , 1375. Altemale
tRoemsche rike, Bp, III*, 22, 34. Altemale Bor-
goenyen lant, IlI», 18, 26. Thovet van altemale
Persi, I*, 29, 2C. Ende slouch hem af . . een
legyoen altemale, I", 5, 7. Altemale hoe dat
verginc dede hi scriven, II* , 25, 6. Procureerre . .
van altemale der helscher scaren, Mask. 92. Dese
werelt altemale, Farth. 6658. Van altemale mine
minne, 7545 (in het hs. verkeerdelijk altemalen).
Dat conincrike van altemale Inghelant, VI. Rijmk.
1118. — In denzelfden zin ook Alletemael,
waarin alle de gewone wissel vorm van al is. ||
Ende dit alletemael ongedeelt sonder enige gelike-
nisse, T^raet. v, d, Car, f. 89r.
b) BQ een mv., in de beteekenis van Allen. \\
Die heren waren altemale gescofflert van derre
sage, Farth, 6781. Walewein groetetse altemale.
Wal. 2720. Die heren . . scieden altemale, Lorr.
I, 1400. Den coninc . . entie {uitg, enten) heren
altemale, I, 1601; enz.
ALTEMET, ook almet, bijw. Versterking van
Te met of Temet door middel van Al. Zie bij Met
en Temet. Eene uitdrukking, die te kennen geeft,
dat eene werking eelijktijdig en in gelijken voort-
gang met eene andere geschiedt.
1) Gevolgd door het voegw. dat. Altemet dat.
ALTE.
al naarmate, al naar gelang dat; vu werkiipii
gezegd, die in verschillende opeenvol^eade, ■»
gelgksoortige, momenten geschieden. || Inleito
gevangen daer, altemet dat si qnamei, totitf
mense had bi namen, Eleg. 1122. Altemet dit m
verwinnen, so seldise tnwen castele biiueivMni
in gevancnessen , Lane, III, 20001. Eode ah«t
dat sine ontfingen, cust hise, ^. II*,89,S4.Ede
altemet dat elc quam an , leide hine Tore Dna
voete dan, II*, 44, 301. Ende altemet dit igtlfè
80 wert haer dat licht gewgdt. Lip. 1,9.^
Want die vrecheit menichfout , altemet dit b
mensche wert out , III , 4 , 407 var. Tvelb ■
becam so wale, dat ics mine becomte dnc.
altemet dat overspranc , O VI. Lied. en Gd 3J
128. Ende altemet dat eenige wethovden i
officiers qnamen in de burch , men sloaclue it^-
Cron. V. Vlaend. 1, 55. — Almet dat, ii i»
zelfden zin. || Doe togen gene ridders iit tr
velde waert , met groten scaren , almet dit n f^
wapent waren, StokellI, 638.— Altemet difi
mede in denzelfden zin. || Ende altemet diffè
melc begint te roome , soo trect die matten icktBi
Keukenb. 1 , 26.
2) Zonder dat, en dus elliptisch gestelde
verzwijging der gelgktijdige werking. Id diiele^^
opvatting :
a) Allengs, achtereenvolgens, jj Op Mi»et^
si riepen, dat hise hulp uten diepen, dies si bifa
clein te bet, want si verdronken altemet, A^'I
426. Si worden daer in gescrifte geset ni kf
vertellen altemet, Lane. III, 11139.
b) Allengs, langzamerhand, gaandeweg. \\ ^
altemet passerden de dagen, ende de leeAo^
wart binnen diere, VI. Rijmkr. 6610. Ende ilta^
heeft hijt ontspaert, ende droucht tsiere !«*
vrouwen waert, Denkm, 3, 188, 65. Die'
Ghendt quamen altemet toe met groeten koQ»
Cron. V. Vlaend. 1, 197. Niet . . vroech ryk»
werden . . , mer dat si altemet ende ill«^
toenemen moghen , Dial. Creat. 67«. Ie en wil Ef
haestelijke werden die alrehoechste , mffif"
altemet ende alleyncken proficeren, tUd.
c) Somtijds , sommjlen , nu en dan , d. l il i*
gelang de omstandigheden het medebrengen, t<lk»
als er aanleiding toe bestaat. Nog heden de ge**
beteekenis. Vgl. De Vries , Mnl. Wdb. 214. S^
mach altemet den harync gekeert hebben, Hm^"
ALTENEN (alletenen, altene, later alteP
bijw. van tijd. Mnd. en nnd. altenen^ «^^
immerzu , stets. Samentrekking uit Jl t* f^
hetzelfde als Al in een: zie bj Een. Jatksdei
voortdurend , altijd door , steeds ; of wel , met gepiP
wgziging , Gedurig , gestadig , telkens , d. i *
voor^trende herhaling met geringe tus8chenpo«*
II Doenre Torec werd ge ware, bleef hi ih«*
siende op hare, ZtfiM?. III, 26183. Si sloegen ilw«
slach in slach, UI, 17298. Snn wert vjs*»
datti altenen vrouwen ende joncfrouwen ere ^
Ferg. 1218. Soe mesbaerde ende weende ilt**
fVal. 10149. Aldusdaen leven ledde hi »lt««!
Renout 1969. Dat hi sdages was alle tgt ii ^
keiserlec abgt . ., op sijn hoeft die croeneilteei*
Sp, II», 1, 13. Dat si luttel goet verteerde,»^
altenen den penninc geerde, Bose 210. Niea^^
en bilt si stille , maer reet altenen ten v#
waert, Umb. I, 138. A\ae hi was daerindie^
so quamen altenen liede na dat, met <^^'Jr
vieren, gewapent wele, Velth. II, 13, 17-^
ofte een beke diepe uut eenre fonteinen liepe,^
altenen vol ware, Lsp. II, 31, .Sö. Maer k ï»
384
ALTE.
ALTO.
382
Iroeyen ende wenen altenen, Lutg. Il, 218. Si
mogen wel vresen dat si alteenen bernen selen int
lelflcbe vier , D. War, 3 , 243 , 39. Ende mi God
noete yerleenen goede neeringe alteenen , Vod. Mut.
>, 334. Mi dnnct altenen dat ie ride , ^o^<2m IX ,
)2. Dat wi den wonsdach nemen, die daernacomt
ilteenen , Naiuurk. 49. Gtel^k dat gi mi raet altenen ,
Belg, Mu». 10, 66, 169. En spreect hy anders
liet' alteenen dan na noch? Nu noch 201, verg.
18. Aldns est metten genen die alteenen gadert
mde oplegt, ende die in Gode niet rike en es,
L. 0. J, e, 144. — Zoo ook Zoftü. III, 26365;
Lorr, II, 2649, 4324; Sp, II», 60, 39; 5a#tf 2602,
SG4d; Lmb, I, 316, 2092; II, 1614; V, 206;
VU, 686; X, 607, 721; XII, 737; Velth. I, 3,
)2; III, 16, 37; IV, 66, 33, 39; V, 6, 66; VI,
J6, 86; Brah, Y. VI, 4938; Ltp, II, 10, 67; III,
>, 722; Va» gevene 116; LeU. N. r. 6», 93, 7;
Vod. Mut. 1, 82, 13; Vap.Bog.^U] lf^/.36206;
*ftj». — Alletenen, in denzelfden zin (over alle
ds wisselyorm yan «/, zie bij Al). || Alletenen
)ereidde si hare, als ocbt si henen yaren soude
ran ertrike tehant, Lutg. III, 287. — Altene,
ten min jniste yorm. || Dat si bereet altene waren,
ila ocht si yan ertrike souden yaren , Ckritt. 1936.
Bnde yaert hi daer, dat comt altene bi uwen
BOonden, Belg, Mus, 10, 88, 131. — Alteen
was mede een min juiste yorm, die yooral in
't rijm yoorkomt. || In die persecncie swaer beliedic
GNmIs name alteen ( : negeen), Sp. II*, 68, 92.
Dns wies dit kint in dnechden lüteen ( : steen),
Amand 1 , 163.
ALTENENGADEB (alteneoader) , bQw. Van
Al en Tene» gader: zie by Gader. Oeheel eu al,
tén volle, te eeuen male. Hetzelfde ' als Algaderi
de ald. || Entie Sone , die den Vader eyengeweldich
3S altenengader, Sp, I*, 2, 6. Ende hilt alteenen-
j^er die goede nsagen z^ns yader. Lip, I, 29,
19. Tw^f dwinct den man altenengader, I, 32,
37. Om dat Cham bespotte den yader, so wert hi
ilteenengader om die zonden yermaled^t, I, 33,
L9. Viertich dage . . altenengader, II, 39, 61.
Ooe starf sine menscheit pure an den cruce altenen-
^er, n, 63, 67. — Zoo ook Rijmb. 29426 var.;
IfeUb, 707; Teest. 1868; Stoke IX , 261 ; Zimd. IV,
100; Jlex. V, 164; £dew, 1109 ;ifirr/. 28636; enx,
— Ook aan een znw. of zelfst. ynw. in het my.
oegeyoegd, in den zin yan Allen gezamenlijk. ||
loe God , die hemelsche Vader , den goeden altenen-
gader bistaet, mids s^jnre genaden, Lsp. I, 29,
)6. Dapr yielen si oetmoedeleke altenengader op
laer knien, Braè. T, VI, 11660. Sust. r, broeder,
noeder, yader, die machtu yerliesen altenegader,
OFl: Ged, 1, 83, 767. Altenegader sinutqupnien,
Brab. T. VI, 11870.
ALTENENMALB, b^w. Van Al fan Tenen male-,
sie bg Ma EL. Oeheel en al, ten volle. Hetzelfde
ils Altemale: zie ald. || In hebbe dinc en gene
lo goet, . . gine mochter oyer gebieden wale,
list uwe ware altenenmale, Boee fr. bl. 266,
ra. 108—111.
ALTEVOREN, bijw.. Wal, 2721, 4346, 4649,
sns., hetzelfde als Als te yoren: zie by Al als
selfst. ynw. II, 2, b).
ALTHOEVICH, ALTHUVICH. Zie Outhoevich.
ALTIJTS, by w., Han.ff. 42, 81 ; Fad, Mus, 6, 366,
ynz, Bgyorm yan Altijt, thans altijd (in de 17de eeuw
lOg altijde), met de adyerbiale #, die in eertijds,
ntdtijds, somtijde en p^tf//y<ffyoorgoed is aangenomen.
ALTOE, bijw. Uit Al en Toe, eng. too-, yerg.
ld. dogu. Zie Toe eu yerg. Intoe.
1) Ook, mede, insgelijks, nog daarenboven. \\ Ende
altoe sochti den roden riddre doe, Lanc. II, 1313.
Ende hi sette sgn swaert altoe ten hoefde yan den
bedde doe , II , 7906. Gaherets swert brac altoe , II ,
9638. Ende doersloech m||n gereide doe endemgn
part doer die scouderen altoe, II, 14721. Altoe
so moesti mi doen bate yan al der scade die gi
mi doet, Ferg, 4264. Hare ontrouwe brenctse altoe
in den rouwe, Lorr. IV, 112. Een sgn geselle
sachre altoe, Franc, 7274. 8oe heeft hi scande
ende scade altoe, Melib, 3366. Ie wane,mennoint
en yemam, dat een graye eenen keyser yerdreef,
ende altoe in dat scoenste bleef, VI, Bijmkr. 763.
Altoe gelikerwgs, alse een goet mensche steet op
sine cleinheit in dat nederste sgns selfs, . . soe
bekent hi s^jn armoede, Ruusbr. 6, 18. — Zoo
ook Lanc. II, 982, 2869, 26892, 32636, m,
3330, 10926; Franc, 6302; Orimb, I, 130; Velth.
IV, 31, 27; V, 39, 24; Hadew., I, 79, 49; eng,
— Altoe wordt nog yersterkt door ooc, in yol-
komen dezelfde opyatting. || Ende dat gi u oec
snit setten in des jagers genade altoe, Lanc, II,
610. Dat si heiden waren . . ende heidin bleyen
ooc altoe, Rijmb, 21441. Sinen sone . . ende sine
dochtren oec altoe, Sp. IV*, 2, 71.
2) Tot zoover, zoover (= al tote dien)
\\ (Hi) heft hare menlgen man genomen. Altoe
eist nu op hare comen, hi heftse beseten in haer
stade, Ferg. 4473.
Aanm. — Lanc. II, 664: „Daer gene riddre
sach altoe, ^^ is altoe ongepast: men leze al toe,
daar toe by sach behoort.
ALTOE, wel yerkeerd geschreyen yoor althaea,
het in de geneeskunde bekende kruid , wilde malva.
II Water, daer in ghesoden die wortele yan altoe,
radix althaeae, Lanfr. 98r.
ALTOEWAERT ^altoewaerd), bgw. Uit Al
en Toeieaert; ags. toveard, futurus, tóveardlice, in
fnturum (Ettm. 107); eng. toward, ophanden,
aanstaande. Zie Toewaert en yerg. Intoewakrt
en Itoewaert. In het vervolg, voortaan, van nu
af, II Daer Lanceloet lange hadde gewesen,
ende was een deel begonnen genesen, dat hi
wandelen mochte altoewaerd, Lanc. IV, 2383.
ALTOOS (ALTOES, later ook ALLETOOS, ALLEN-
TOES), b^w. Mnd. aüös, alletds; Vgl. mnd. alteges,
en adhier emmertoos. Samentrekking uit den
oorspr. yorm altoges (altohes) ; ohd. en mhd. alzoges
(Grimm , Or,^, 129) ; adyerbiale genitief yan al en
ohd. mhd. sog, zttg, mnl. tooeh, yan ogerm. ^vAaf» ,
nml. tien, trekken. Tooch, eigenlijk trek, in den
oyerdrachtel^ken zin yan keer of maal: yerg. ons
reis in denzelfden zin. Altoges, altoos, is dus
zooyeel als telkenmale, telkenreize, en het mnl. in
allen kere,
VS In de hedendaagsche opyatting yan altijd,
doch niet zoozeer „om den duur aan te duiden,"
maar yeelal „in den zin yan bij iedere gelegenheid ,
telkens, gestadig -^ yerg. Bormans op Christ, bl.
606. II Die heyden hadden wale XX man altoes
tegen eynen den synen, Serv, II, 681. Dat hi
altoes ende heden yoor ons allen moete beden.
Brand, (C) 2279. Want niemen bat yerraden mach
die borch altoes dan die yan binnen, Limb, VIII,
410. Onse amman, die nu es, ende altoes sijn sal
ten tyde , Brab, T. Dl. 1 , bl. 777. — Zie ook
Wal, 391; Lsp. I, 48, 42; Rein. II, 3933, 4262,
4268; Ruusbr. 3, 33; Rijmb. en 77or. (uitg. Hofftai.)
gloss., enz. — Alletoes, Lucid, 6398; Brab,
Y, Dl. 1, bl. 800, 802, enz. AUentoes, MLoep
III, 186 yar.
383
ALTO.
ALUU.
384
2) I» allen gevalle^ alleszins^ volstrekt \ somtyds,
als bloote beyestigiBgsfonnule , voorzeker^ stellig^
als behelzende de verzekering, dat het gezegde
in elk geval of alleszins waar zal worden bevonden.
Hetzelfde als emmer (z. ald.). || Keye doe ene rivire
sach , die wide was ende bodemloes , daer hi over
moeste altoes, Lanc. III, 22370. Een stare riddere, die
altoes den swerten riddere haettesere, III, 12218.
(Hi) nam enen hemenden brant sonder altoes iemens
geheet, Bijmb. 33646. Hi was oec die eerste altoos ,
die uten volke riddren coos, Sp. I*, 40, 29. Dathi
XII jongers coos, voer alle dandere lief altoos,
I', 5, 3. Hi was altoos sere in vare, als die hem
selven sculdich weet. Rein. 1, 3003. — Vooral gewoon
was dit gebmik van Altoos in de ontkennende
uitdrukking: — Altoos niet, in geen gevolg
volstrekt niety in het geheel niet. \\ Die hadde so
groten sin torloghen , dat hi altoes niet sine oghen
te lande en wilde keren weder, Alex.1^ 1107. Deen
wille altoes niet dragen meer dan hem wille behagen,
Nat. BI, II, 561. God antwoord mi altoos niet , Rijmb,
9693. Heren ne sullen altoos niet breken dat si belo-
ven ende spreken , Heim. 665. Want hi altoes niet en
wonde, dat die dyaken weten sonde, S^. III^, 39, 61.
Want hen reinde altoes niet, III*, 41, 7. Dienhi
altoes niet ne vant, Lanc. II, 4071. Dat en mach
altoes niet wesen, II, 39758. Dat h\jt altoes niet
en dade, Theoph. 282. — Zoo ook S^. 1% 13,13;
III*, 32, 43; IV», 76, 60; II», 23, SQO.Nat.Bl.
1 , 151 ; Franc. 6722 ; Heim. 716 ; Lanc. IV , 1572 ; enz.
— De ontkenning gaat ook vooraf: Niet altoos;
of wel worden de beide woorden door andere ge-
scheiden: Niet — altoos en Altoos — niet.
II In dEwangelie es niet altoos hoe God dandre
apostlen coos, Rijmb. 22597. Dat hi ten naesten
dage niet altoos te scepe vare ho ga, Sp. I*, 42,
62. Want hi en lette niet altoes, IV, 39, 20. Die
kennets niet altoes, Stoke IX, 822. Als hijs niet
en hadde altoes, Nat. BI. XII, 649. Dat si niet
bestaen de pine meerre broeders altoos te sine.
Franc. 3093. Datmen altoes in een vier groet sgn
herte verbemen niet en can. Nat. BI. XII, 964.
Hoe lange sal mi tquade diet «//"oo^ willen geloven
niet? Rijmb. 6697. Nochtan wildi altoos doen niet,
3785. Dat hi altoos daer niet quame, 5395. Sceed
altoos van Gode niet, 8846. Weent altoos om mi
niet nu, 26423. Die gene en es altoes ridder niet,
die gerne dangier ende pant doget, LaM. IV,
6762. In liete altoes mfln lief ni^^ sterven. Vrouw,
e. M. III, 49, 5; enz. — Ook wordt de uit-
drukking vergezeld van eene tweede ontkenning,
en dus dubbel negatief. |j AIsi dat in ^^m^h dingen
altoos niet conden vulbringen, Franc. 9081. Ende
men so ongetemde scaren altoes met genen lichten
dingen te wette niet mochte dwingen, Sp. III*,
15, 48. — Meermalen staat Altoos ook zonder
niet, maar hetzij blootelijk met en, of met andere
ontkenningen. || Maer altoes hi en woude crone
daer dragen van goude, Brab. T. III, 1737. Ie
en doere toe erom no recht van geesteliker dinc
altoos, Rein. I, 2946. Een here ne mach altoes,
min no mere, dinc berechten, Rijmb. 1842. Maer
altoes ne wisti waer hine verloes, ^. III*, 33,
59. Dat hi altoos in gere wijs Marten ooc n^seide
mesprijs, Rijmb. 23233. Want si altoos te geenen
stonden water daer gewinnen conden , 14489. Die^^
liet altoos in geenen dagen enz., S>p. IV', 31, 39.
— Inzonderheid Altoos ge en (engeen, negeen),
volstrekt geen, of volstrekt niet een. || So hoge,
dat altoes geen man sijn nest ge vinden can. Nat.
BI. III 447. Hoe hi mochte scueren doen deu finen
haerden maerbersteen sonder altoes iser engeent
VII, 963. So datse man altoes negeen bekinnenu/
can, Rijmb. 234. Noch altoos geen w^f name,
5396. No ne verloos noit tant negeenen aUoot,
6443. Sone hadde altoos Mycol geen kint, 10126.
Dat si . . altoos ne genen wuch namen, 19159.
Ne drach altoos metti geen geit, 22773. Nochtan
ne mochte hi na hare altoos hebben geen ander
wyf , 24154. Dat hem en dede altoes ne gene pgn-
lychede, Sjp. V, 40, 44. En moet ^««i» kerstjn wgf
weder deelen haer Ijjf altoes genen heidinen man,
III*, 4, 55. Dat altoes geen god en ware dan die
anebeden die kerstine, II', 29, 42. — Hiertoe
behooren ook ontkenningen als: || Nemmermter
altoos, volstrekt nooit meer, Rijmb. 3092; Sp.
m», 17, 40; IV», 77, 31. Altoes nemmeer
dan, volstrekt niet meer dan, Sjp. I"*, 84, 21.
Niemen altoos, volstrekt niemand , Rijmb. 13UB,
33629; S^. I«, 53, 32; en in denzelfden uu:
Altoos niemen (niemant), Nat. BI. VI, 771;
Sp. I», 41, 29; Stoke I, 211. Altoos niet,
volstrekt niets. Franc. 3373. Altoos niewer,
volstrekt nergens, Nat. BI. VI, 371. Altoos
maer, in het geheel maar. \\ Elc serpent m mach
verslaen altoes maer enen man te samen. Nel. Bi
VI , 34. Sine wilder altoes maer ene hebben onder
hem gemene , Rijmb. 34383. Dat altoos maer een
God ware, ^. I», 39, 52.
= De latere opvatting van altoos in den lii
van althans, immers, ten minste, die vooral in de
17de eeuw zeer gewoon was, bleef aan het Mnl
nog vreemd, hoewel de beteekenis 2) er niet
zelden zeer naby komt.
ALÜÜT. Zie Uut.
ALUUTENDE, znw. o. Het uiteinde, hetzelfde
9.18 Alende (zie ald.). In de uitdr. int alnutende,
in de allerlaatste plaats , bij slot van rekening. ||
Waert . . dat de voors. cooplieden int alhnntende
daermede niet te payene waren, Invent. v. Brugft
3, 211.
ALÜWIEBE (aluwire, alewiere, alowierk),
znw. vr. Tasch of buidel, die aan den gordel werd
gedragen. Ofr. alouière (Roquef. 1, 61); mltt
alloverium (Dnc. 1 , 192). || Doe Arac hi uut sire
aluwire een cruet, dat was also goet dattet stelpte
mans bloet, Lanc. II, 42658. Flandrgs den goeden
steen ontfync ende wierpene in sine alowiere,
Flandr. I, 689 (in het hs. goeten en alowerie). In
den alewiere heeft hi ghesteken beide broet ende
capoen, Segh. 3155, var. Aessack; (het wordt hier
ten onrechte ml. gebruikt). Zie ook Alivuere.
ALVE, ook ALBE, znw. vr. Lat alba, ft. eek-
Zie Duc. 1, 163. Het witte linnen kleed, dat ii
dienstdoende priester aanheeft. \\ Nu trect hi ane
een linen gewant, dat ene alve es gênant, Rf^-
d. M. 179. Dalve, dats dat lange cleet dat hem
tote op derde sleet, Lsp. II, 51, 103. Een cleet,
dat men noch ene alve heet, Sp. V, 94, 22. Dat
hi die alve oec andede, ald. vs. 37 (in de Prosa-
Vert. albe). Hi hadde een alve aen met eender
stoole, ghelijc een dyaken, Fersl. en Jffw. IV,52.
Ende deden desen valschen bisscop aUe priesterUcke
gewade an , daermen misse mede doet. Ende deden
hem eerst weder uyt die casufele, na die stole,
na die hantvane, na dat gordel, na die alve, na
die amicte, Matth. Anal.S, 287. Die vrouwe . ., die
te nacht sgn alve naeyde, B. War. 5, 399. Men dede
hem af alve, amicte ende al ghereetsel, Matth. 84.
ALVINNE. Zie Alf (2de art.).
ALVONDERTIJT. Zie halfondertijt en vgL
ONDEREN.
85
ALWA.
AMAL.
386
ALWAER8 in de nitdr. alwaers wanen, zie
p Waer.
ALWARICH (Alwerich), hetielfde als ael-
•TARiCH (aie ald.), doch met het bgw. al, en
iet ael samengesteld, hetgeen ook het geval is
iet de onder aelwarich genoemde voorbeelden.
)o«», onnoozel, hd. albem. \\ Ware een couinc
i heme .... ende wencde den coninc din
rmen mensce te heme ende var dan der gene also
Iwereg , dat hi bo blide ware van din wenckene ,
at hi ten coninc nit en qname, dat ware een
omp mensce, lAmb. Sertn. 96<7. Vgl. Etst. v. Dr,
08 : ^So alevjeer ende geck , dat de gheen tuichnisse
onne doen."
ALWEGE. Zie Allewege.
ALWELDICH (alweldech), -dige of -degey
uw. Almachtig. Mnd alweldieh. Verg. Algewel-
ICH. II De alweldete God, L. o. H. 650, 813. O
Jreoverste, want dn bist alweldigh ende goet,
toec der Minnen , f. 29.
AMACHTICH (aemachtich, amechtich) , of
TECH, -tige of -fege, bnw. Ohd. amacAtig, van het
nw. fli«fltfA^ (ohd., mhd.), onmacht , zwakte (Grimm,
?r. 2, 706), gevormd nit moAt en het voorv. «,,
at de ontkennende kracht heeft. Zie De Vries , Mnl.
Vdb. 6 en beneden op Awech. Later ook verbasterd
ot Aelmachtich (zie ald.), en tot Aenmachiieh: vgl.
Lmachticheit en De Vries in Taalg. 1, 247 vlgg.
\[achtelooê, afgemat, uitgeput, vertlagen, t. w. van
'ermoeienis naar lichaam en geest, jj Als hi den swar-
en in den stride amachtich sach , was hi blide , Wal,
►961 (verg. vs. 9944). Ende selen gaen amechtech
lan , dats enech cnme gespreken can , Velth. VIII,
11, 69. Dat herte van Egipten sal amachtich
vorden in midden hem (Vnlg. tabeteet) , J). B. Jet.
9, 1. 8i snllen wandelen ende niet amachtich
rorden {deficiënt), Jes. 40, 31. Doe hij dit hoerde,
o wort hi aemachtich van rouwen (eontternatut
mimo deficiebat) , I Machab. 4 , 27. Mijne ogen snn
imachtich geworden om die tranen {defeceruni) ,
riaagl. v. Jer. 2, 11. Ende sloech die Philistinen ,
ot dat sijn hant aemachtich wort {d-eficerei), II
^m. 23, 13. Zoo ook Jes. 44, 12; 47, 13; 13, 7;
9, 3; Jerem. 6,24;I &»f. 14, 29 ; II iSa»f. 16 , 2,
nz. Si liet haer amachtich hoeft vallen op haer
oncwijf , D. B. Esther 16, 7. Een dorstich ganger tot
lat hij amechtich wert, Hs, v. 1423, 252rf (223r:
imachtich). Doe sj dese wachters saghen voer die
Loere , soe woerden sj amechtich ende sonder sen ,
mde woerden stom ende vielen ter neder, Vaderb.
\Sa. lek worde amachtich ende verbarne al , Peas. W,
\2a, Ende vanten amachtich, soe dat hi tghebot
liet voldoen en mochte, 64c. Hy hadde soe groten
[ust van dien appelen, dat hi volna amachtich
weri, 227a. Amachtich van hongher, 184<?. Amach-
tich van moetheden, 2206.
AMACHTICHEIT(amechticheit), -hede, znw.
^r. Machteloosheid, afgematheid, uitputting, verslagen^
keid. II Ende worden verwandelt in amachticheit
ende in angst (Vnlg. in dissolutianem) , 1), B, II
Machab. 3, 24. Doe si . . van amachtichejt haer
hooft liet vallen in een joncwjjfs scoet. Pms. W,
31c. Ie lide stedeliken des morghens amechticheit
des herten , Bienb, 78Ó. — Zoo zal ook wel te lezen
EQn ald,'. Des morghens . . began dat ^iamtoch-
tich (1. amachticheit?) des herten te liden. — Later
ook in den verbasterden vorm Aenmachticheit. ||
Want hy (de sojfraen) is sonderlinge goet tegen
cranckichejt der magen ende tegens aenmachticheyt
(Lat. defectum eordis), Barthol. 604a.
AMALEEREN. Zie ameloieren.
AMA(E)LGIEREN. Zie Amelgieren.
AMANDELEIT , znw. onz. Van een mlat.
amandaUtum, ofr. amandelet, dat niet schgnt voor
te komen. Kooksel van amandelen, amandelpodding,
II Amandelejt: . . wrjvet wittebroot ende tempert
met amandelen melke , ende doet in eenen pot een
lettel soffraens ende snkers ghenonch daer toe,
ende doet zoo sieden, Keukenb, 4, 14. Een aman-
deleyt, bl. 9.
AMANDRE (amandere), znw. vr., mv. aman-
d{e)ren. De bekende vrucht, thans affioiM^/ genoemd.
II Om amanderen, AUx, VI, 620. Van amanderen
ende van allen dinghen die behoren te scortsen,
Tolbrief v. Aardenburg, in i^. W, Lett, 6, 89.
— Ook gebmikt van het ziekelijke gezwel in de keel.
II Van branken of amandren. Het wast onderwilen in
die kele ene swillinge ende dat achter an die tonge
alse twee amandren, Hs, Yp. 137c. Ziedi ten ende
vander tongen die 2 alse amadren (/. amandren).
*AMANS. Verkeerde, meermalen voorkomenae,
lezing voor Amaus (z. ald.).
AMAUS , -se , znw. onz. (en soms vr^ Verbasterde
volksuitspraak van fr. émaux, mv. van email, evenals
de gewone mnl. vorm voor emailUeren was amel-
gieren. Vgl. ALLEISE. Dat de term. amau^ voor émail
gewoon was , big kt uit Chomel (bl. 86 , verf. 626
vlgg.) , die Amausum verklaart door „al het zodanige
smeltglas , dat tot emailleeren gebruikt word" , en bg
het ail. Emailleeren telkens van amaus spreekt.
Geëmailleerde plaat, veelal met wapens, die er op
stonden afgebeeld ; inzonderheid die, welke herauten,
trompers van gilden enz. op de borst droegen;
wapenschild. Verg. La Cnme 6, 39, op Esmail;
Littré 1, 1332, alsmede Van Wijn, Avondst. 2,
160, Taal- en Ltb. 3, 148; 226. || Item. . .
ghegheven Scoenhoven miins heren hyeraut, tenen
amause te helpe, daer miins heren wapene an
stonden, dat hi voer him droech, 2 mare. Bek,
der Oraven v, Blogs, bg Jonckbloet , Ö«c^. rf. Jtfi»/.
JHehtk, 3, 628. Item , van 2 verhouden amausen
mit raechen, die miin here ende de here van
Herlaer an den hals dragen, 4 mare, ald, 629.
Item . . den hyraude, tot eenen amause, dat hi
voir hem droech van mgns heren ende sgnre
broeder wapene, 6 franke , a/of. 633 (by Jonckbloet
op al dese plaatsen verkeerdeiyk amanse), Janne
den Conckebackere den zilversmit, van dat bi laste
van den Beurchmeester hi vergoud heeft damausen
van den prijsscalen van den scietspele, . . betaelt
bi cedulen, 8 schell. 6 gr., Bek, van Sluis van
1443, in Taal- en Ltb, 3, 226; verg. ald. 149.
Elcke belle was gheamelgiert ende op elc amaus
stont gescreven also ghi horen snit, Pelgrim 23c.
Het braseren van fijnen goude op fijn silver nocb
gheen goudt te verwercken, overladen zijnde mei
sauduren ofte amanssen (1. amaussen), Beg, d, PI,
2a, Draetwerken ofte cleyne wercken op amansen
(1. amansen) geladen, ald. Dat deselve (gouden
werken) oock niet onbehooriyk en sullen mogen
gesondeert syn ofte met ammusen (1. amausen)
overladen, Handv. v, Enkh, 274a, Vgl. emaus, ald.
276a. Van twee amausen , die ghestelt waren in de
vorseide beckinen met scildekinen van sbisscops wa-
5 ene , Invent, v. Brugge 3 , 263. De amausen , die an
e waterstopen ghemaect waren, 4, 436. Van den
amausen metter wapene van der stede, 6, 76.
Zelverin scalen met eender amause in den bodem
van der wapene van der stede, 6, 484. Frocx
(fraks) diemen hiet quenen, voren ghecnopt met
amausen . ., oft som met peerlen knopen . . ende
scaerlakenen capproenen met gheamalgierde knopen
13
( il
387
AMBA.
yan selvere ende van tmaiueii, Ese. Oron. v,
Flaend, ƒ. 66, aangeh. Gloss. Invent. v, Bmgge%,
Vgl. De Vries, Mnl, Wdb. op amanse.
AMBACHT (ambocht, ambt, ampt, amt) ook
in den vorm ammett, ammet (lie ald.); snw.
m. , got. andbakta , ohd. ambaht , ags. ambtht^ mhd.
niet meer (Grimm, Wtb. 1 , 28, doch ygl. Lubben 1,
69) bekend; mnd. ambaeAt, ambeeht^ ammêckt^ ampt\
ygl. 08. ambahteo. Yoor de etymologie yan het
woord Eie De Vries , Mnl, Wdb. 220 vg. , doch ook
Klnge , Eitfvg, Wtb. 7 , alwaar tegen de afleiding nit
het Keltische a$nbactut gegrond bezwaar wordt in-
gebracht, en Leo Meyer, IHe Got. »praehe 47. Dienaar^
beéiende, trawant, beamte. \\lc(de hel) yerloos al mine
yirtnut, ende ooc al mine ambachte waren berooft
yan haerre machte, Ltp. II, 36, 1570. Die helle
gheboot haren ambachten datsi die poorten wel
wachten, ald, 1606. Segelaers, rentmeesters, bail-
linwen, rechters, scepene, tolnaers ende alrande
ambochte, die ons ende onsen lande nntte zijn, te
settene ende te ontsettene, OorH.2,(^b (a. 1299).
Des donredaechs . . bleef m^n here noch in
Middelborch . . 3 daghe, daer die sommeyanden
cost af beliep oyermids alle die ambachte zonder
Sroyanchie 177 0, Rek. d. Gr. 3, 305. Deszater-
aechs . . leverde men alle die ambachten mijnre
yronwen ghesinde , 290. Des dinxendaechs . . bleef
myn here noch tot sente Gheerdenborghe al den
dach . . ten eten , daer die somme af liep van den
cost yan allen ambachten 26 ^ , 298. — Nog heden
is in Göttingen en omstreken de amte de naam
yoor j^af»^ (Schambach 9).
AMBACHT (ambocht, anbocht, soms reeds
ambt) , znw. o. , got. andbakii , ohd. ambahi{x) , mhd.
ambakte, mnd. ambacht (en 17 min of meer af-
wekende vormen by Lubben 1 , 67^. Ndl. in twee
vormen: ambacht voor lagere bearyven, en amt
(hd. amt) voor hoogere bedieningen.
1) Bediening, beroep, werkkring, in het algemeen.
II Wi dienen (God) met ambachte ogfte sonder am-
bachte, lamb. Serm. Wat wi arbeit ende commers
hebben bit {met) ogte sonder ambachte, dats al
een dinst vor Gode, ald. (De eenheid met God)
vlojt . . in yeghe welken sonderlinghe na sijn
ambacht ende na sine weerde ende na sine wise
daer hi Gode in dient, Ruusb. 5, 190. Ghelijcdat
inden lichame s^n vele lede . . die alle diverse
werke werken, alsoe syn onder die menschen . .
diverse ambachte gheset, Doet. II, 3468. Van
allen ambochte so bem icke {van hoogere beleningen) ,
Rosé 104%. Set men tenen ambochte mede {een
eerambt (vgl. 3008 vg.) , hi hont zine omoedichede ,
Franc. 3019. Dese {de engelen) dienen dach ende
nacht haren scepper . ., elc van sinen ambachte,
daerse God selve eerst toe ach te, Lsp. I, 4, 7.
Sine wonden ghedoghen . ., dat men heerscap,
ambacht of ere hen of haren kinderen gave , Teest.
1364. So wie scont, scepen of raet te Leyden is,
die en sel niet ghecoren worden goodshuysberader,
gasthuysmeester , berader van den heylighen gheest
noch in gheenrehande ambocht datter poirte toe-
behoirt, Leid. Keurb. 11, 2. Si en setten nieman
tambocht«n daer hi toe niet en dochte, 1250. — Zoo
ook: „het ambacht der Apostelen ," Runsb. 3,162.
rMatthias) was ghelot in den lotte des ambochts.
Ut. V. 1348 , 212a. Die stat des ambochts ende der
apostolQcheit, 212*. — Vooral gewoon in de
volgende toepassingen:
2) De kerkelijke bediening. — a) De bediening,
het ambt van hoogere en lagere geestel^ken. || Ie
wille Q segghen, van wat ambachte si plach te
AMBA.
wesen langhen tyt int cloester, Beatr. S6. Dtik
{TheophUu») qname ende sgn ambacht (TUtf/bc^
wedemame, Theoph. 611, vgl. ^. Hl', 39,ü
Hare prelate ende die ghene die ambachteB béki
Runsb. 4, 39. Ist dat hi {de ordeinede] a
ambocht hevet, D. Orde 264. Die wiledtiia
die vorghenoemde lantcommendur an hore us^mi
liet , 288. Der broedere , die daer groeter labvk
pleghen , ald. Als men hont groet capetel. i>
sellen alle die ambochtslude die men iet ai&s
groten capetel hoer ambocht opgheveo ii ^
capetele , 284. Dat men n in enech cloesta . a
enech ambacht setten sal, Lutg. II, 20. Anqi
ambacht reyne, knyssche ende eemstacht, Sm
I, 746 {v. e. bitsehop). Zoo ook Bijwi. ISSil
20806, vgl. Sp. III», 15, 8; Ttt. Bl.^sm,^
ambocht dat generale , generale officium, FtêêcIS^
Tambocht nemen , de geestelijke bediening (ii i
Minderbroedersorde) aanvaarden , 1964. Met ka
ambachte, kerkelijke bediening, Velth. Til, S
40. Doe hi dns sgn ambochten bevolen hid^
soeven joncvrouwen, Verel. en Ber, V, 29. Vuè
zeven diakenen, Sp. V, 43, 52. Van eenibtj'
67, 146; enz. — *) Kerkdienst, bediening der kffi^
lij ke plechtigheden. || (Paus Leo) vemuwedeopïik
neder der kerken ambachte gewQt, Up. 11,^'
286. Op enen tyt, dat Zacharias . . sgnsamk^
soude plegen in den tempel, L. v. J. c tl
stont ghereet sQns ambachts te pleghene o»
toflfeme wiroc op den ontare na de ghewoeatesni
ambachts, ald. (Vnlph. //«/r. 1 , 23: dagot êndUHn
ie). Dat Moyses placn te doene met dencilTediti
vore sonden offerde, doe hi dat ambacht nsGtf
weghen dede, Ruusb. 2, 55. Eest datmei k«
ambachte beveelt ofte prelate kiest, 3, 191-^
die zalmen {psalmen) ende aen andren dingbeiö
ten ambocht behoren , D. Orde 220. Die tmboei»
der priesteren, D. B. II Chron.S,U.Ï)ittB^
der offranden, Hs. r. 1348, 191 d. Sjjn ambockt»
sinen priesterscepe, 214r {van Zacharias).Ttviïï^
des bisscops ambacht, /JywA. 13224. Dyeoffic»*
ambochte der kercken is gedeylt in psalmody»^
sanghe ende in lesen, Pass. W. 65a. Dtt laW
der wijnghe, 69r. Zoo ook 83^; Ruusb. 6,13-
D. Orde 251; enz. — Vooral van de bedienmjtf
mis. II Hi begonste dat ambacht onser ItoJ
te vespertide, Ruusb. 3, 153. Eer mendatimbedj
van der missen beghint. Leid. Keurb. 51^,^-*^
dat ambacht was ghedaen ende hi god« lic*J
hadde ghenomen, Serv. I, 1468, vgl. Ut^
Ten ambacht vaen, den dienst beginnen, 1*
Dat ambacht spreken, de mis bedienen, ^^
249. — c) Ook in de concreete bet. van ievc^
eener mis. \\ Mede so dichte hg een beel»
ambocht, datmen huden des daechssingetop^
Martij ns dach translatio, Matth. Anal. 3, 61
3) De rechterlijke bediening. — a) De *^
van den ambtenaar, wien de uitoefening der rec^
macht en de waarneming der rechten vii
landsvorst waren toevertrouwd. || «^^^^J
potestatem, in Alcmere, quae ambacht to^
Teotonice, Kluit, Rist. Crit. 2, 126 (*• l^"
Jurisdictionem quae ambacht dicitur, ^^^*i
206* {a. 1230). Dat elc rechtere sgn ambachtw»
van der Gods cracht, Doet. II, 3407. l^
rechtere hoert toe . . ende dat sinen m^^
toehoert, III, 716. Tes rechters «mbwliw^
hoert, dat hi dat recht altoes voertsteke o»
onrecht veile, Lsp. III, 11, 66. Den P^^
in voordele van ambachte setten , wtet een r^
ambt bekleeden, dat geldelijk voordeel opitt^'
\m
AMBA.
AMBA.
39Ó
II, 16, 142. Dat ie niene moeste doen enech
mbocht van advocasien, Masi, 441 vlgg- Die
age na sgns ambachtfl staet moeste selve beteren
lie mesdaet, 705. — Meestal van de lagere
eehtsmaeht gebruikt. || Yan den ambachte, daer
i af dienen, Heeln 4558 (v. e. amman^ schout
in meyer). Dat scontambocht aenvaen, Mieris
I, 488 vl^, pastim, 4d3a, 457a, e. e. — Soms
K>k van de Aooffe reekttmaeht of haUheerlijkheid.
II Doen was haer Molrepas, die drossate tevoren
v^as, van den ambachte gbedaen, Heeln 1517.
fQn ambacbt ontseggbic di te hant {God tot den
luivel), Matk, 774 (vgl. Kerl, 2616: Ie ontsegge
li te bant mine heerlicheii), — h) Yooral in Hol-
and, de benaming der heerlijkheid met la^en
echtedwang^ ambachtsheer lij kheid ^ zooals bet ook
genoemd werd , of ambochtsheerseip. Vgl. De Vries ,
ïfnl. Wdb. 223. || Alle dat goet, ambochten ende
^ericbten, die Willem van Herlem van ons belt
e lene, Meyl. Deljl. Bijl »•. 130 («. 1318). Van
»n8 te bonden te lene dat ambocbt van Zoeterwonde,
n znlker manieren, alse andere ambocbtsberen
imbocht in HoUant van ons honden, Mieris 2,
L6a {a. 1305). Dat vorseide lant leget binnen
nijns heren ambochte van Fraet in Watervliet,
^ad. Mus, 2, 370. Wil yemant vercopen siin
imbocht, siin sone of sün dochter . . . moghent
relden elc ghemet om een fii, Oorkb. 2, 331, 13
a. 1290). Elc ghemet ambochs salmen lossen om
richtien scellinghe ende elc ghemet leenlants om
Irie pont, ald, — Ambocbt heffen, eene
imbacAtsheerlijkheid of erfelijk sehoutambacht in
'een ontvangen. \\ So wat portre dat ambocbt hefd,
li mach dat ambocbt ende de liede dier in woenen
rervogheden, alsof hi zelve in tambooht woende,
Torkb. 1 , 3136 (a. 1254). Dat ie hebbe ghegheven
n rechter manghelinghe Bondine . . 80 mergen
^heëvens ambochts int oude lant van Dnvelant , 2,
\00a (a. 1282). Zie nog ald, en in de gelyksoortige
>orkonde n<». 465, bl. 205, waar de nitdr. nog
weemalen voorkomt. — c) Bechtsdistrict, hd. bezirk;
echtskring, door een afzonderlijken ambtenaar
»erecht. Vlaanderen en Vlaamsch-Zeeland telde een
;TOot aantal ambachte of districten; het Vr^e van
irngge met 90 dorpen was verdeeld in 35 ambachte,
in bekend zijn vooral de Fier ambachte in Zeeuwsch-
riaanderen. Zie Wftmkönig 1, 296; Fl. Rijmk.
.0129, 10184, enz. Vgl. verder Kluit, Hist. d.Holl.
^taatereg. 5, 272 vlgg., Oudenh. Z. Eoll. 449;
feylink, J>elfi. 86 vlgg., enz. || Mees die wever
ait brieven plackairt uter Hage gezent inZeelant
len allen steden, mannen, ambochten, heren ende
goeden Inden, Oarl. v. Albr. 50. Dat alle goeden,
eggende binnen die vryheyt der steede van Delft
laer gheen ander rechte ofte usancie van den
imbochte geuseert en wordt, erven ende besterven
lullen nae aesdomssche rechte, K. en O. v. Delft 130 ,
r. Onse ambogthe , de dar doer {de sluis te Bridorpe)
jleghen te wateren, Oorkb. 2, 258a. Syn ambocbt ,
lat hy nu ter wilen hevet in Cats, ende in
Smelisse enter Wellen, ende houdt jegens elf-
londert mete, Mieris 2, 253a (a. 1321). Dat si voir
lem voldoen alle dieghene, die in den twiste
v^aren , daer Jan Veren Beien soen doet bleef, ende
imbocht hadden in beyden siden, tot verschillende
'echtedisiricten behoorden (?), 2526 (a. 1321). — Vooral
jrewoon in Zeeuwsche stukken, oorkonden, rekenin-
a^en enz. Zie b.v. Bek. v. Zeel., waar het woord tallooze
malen voorkomt, ook in den zin van eigendom in land,
>orspronkeiyk onder leen verband aanvaard, ^^rr^f^-
lenriale. Vgl. ook oeambacht en ambachtsheer.
4) Ieder burgerlijk ambt, elke post of bedientng ,
door den landsheer of de overheid aan iemand
toevertrouwd of in leen opgedragen. Vooral in samen-
stellingen. II Dat scbrijfambacht tot Rotterdam,
Mieris 2, 575 a (bis). Dat clerckambocht , dat bode-
ambocht, die scbole, die costerye, 3, 613a, 620a.
Scroedambocht ende soutmate, 497a. Dat roupam-
bocht . ., dat brouambocht, Inform. 460. Clerc-
ambochte, costerye, boedambochte noch gienen
dienste van der stede weghen langher begheven
of verbuyren, O. W. v. Amst. 34, ^\ enz. — Zie
die woorden.
5) Ambacht in den nog heden gewonen zin.
— a) Handwerk, nering , broodwinning , dagelij ksch
bedrijf. De handwerkslieden waren oorspronkelijk
dienstlieden {ministeriales , vgl. fr. métier van minis-
terium). \\ Dat hi nemmermeer en gedijt ane s^n
ambacht diet node doet. Boet Hl, 256. Riec,
pike, vlegel, stocken, hake, sceppen, swingen,
rocken; wat dat si gegripen conden, also alsi in
haer ambacht stonden, Lanc. U, 38381. Leeft
een poertre up sine rente oft heeft een neeringhe
met ambachte, Benkm. 3, 214, 42. XVc bigetalle,
die van ambachte waren alle; sulke lieden wonnen
wgngaerde, mersche, bossce ende boomgaerde,
sulke wonnen coren ende lant , Ben. 768. Dambacht
van surgyen , Melib. 265. Den scinekere gaf hi
sQn ambocbt, Bijmb. 2973. Van een wever, Heim.
1632. Van een smid, 1655. Van een monnik,
MLoep II, 671; vgl. 4?. III», 38, 32. Zie ook Fl.
Bijmkr. 9198, 9205; Lsp. III, 14, 115 vlgg.; MLoep U,
665 vlgg.; Sp. H', 38, 28; Fad. Mus. 1,324, 2;
Hor. Belg. 9, 6, 52; Ned. Proza 163; Heelu
1872; Bouc. v. Sed. 558; Boerden 2, 17. Dat
bouweambocht van den come, Ned. Proza 124. —
Een ambacht, amt (ampt) doen, een bedrijf
uitoefenen, Stader. v. Zwolle 172, 340. Der
stad ampte trecken(tien), de bedrijven, ter
begeving der stad staande, pachten, Stadsr, v.
Zwolle 154, 279 (tweemaal). — b) Bg uitbr.^*^,
de personen, die hetzelfde bedrijf of beroep uit-
oefenden; vgl. Wamkönig 1, 295. || Het vleesch-
ambocbt, ZFl. Bijdr, 3, 275; Diericx, Mém. 2,
146. Deken van den ambachte van de fruteniers,
118. De goede liede van den tapgtambochte, ^^i^.
Mus. 4, 54. Die goede enapen van den wevers
ambachte, 70. Wy deken, die geswoeme knaepen
ende gemeene ambacht van den wollinwevers
ambochte in Middelburg, Mieris 2, 216a (a. 1319).
Jacop Deinot, beledre van den clenen ambachten.
Bek, V, Oent 1 , > 38. Vanden weve ambachte . . ,
vanden cleenen ambachten ende . . van den vol-
ambachte , B£k. v. Oent 1 , 479. Op de noene sy
ende haer enapen trocken eeten met haren am-
bochte in taverne, Oron. v, Flaend. 1, 228. Dambachte
van der stede worden onderlinffhe vechtende . .,
ende eeneghe ambochte tonder gnedaen , Fl. Rijmk,
9402. Dekene van ambachten, Cor, v. Antw. 54,
195, vgl. 27, 92; Sacr. 1285. — Meermalen met
het synouL hanse [ansé) verbonden , ZFl. Bijdr. 5 ,
163 vlgg.
6) Dienst, werk, bedrijf, taak, verrichting, in
't algemeen, blgvend of tijdel^k. || Al dambacht
dat ten keyserike stont ende horde . . , hebben
si altoes volbracht, Velth. V , 3 , 27. Den ambochten
sgns dienst. Pass. W, 122a. Dat ambocbt eenre
voesteren, Pass. S. 68^. Altemet dat wise ver-
winnen, 80 seldise tuwen castele binnen voeren in
gevancnessen . ., dit sal u ambacht wesen, Lanc.
III , 20001. Oi hebt geleert soe wel u ambacht . .
au dat clein bondeken, dat wel can dat ambacht
394
AMBA.
AMBA.
395
sjjn, yergi 848 {van een minneAandel). Ie des \
ambachtes twint en caiif Cass. Inl. XVIII, 2, 8
{van het ichaakepel). Ie hebbe leden die sorge Tan
minnen , ie lade tambacht ure herten binnen , Ca*i.
1334. In tambacht van are minnen , 1638. Menech
ambacht ea mi eont . . , ie {de ezel) drage , ie
hale, ie hebbe wee, Esop. XYII, 12. Dits
ten ambachte goet, voor het inbreken^ Eleg.
686. Ie sal n aelcs ambachts doen plegen , Lorr,
I, 167 (yan het bedrijf der ontucht)^ vgl. Roee
8637. Daerme broeder , die in de kerke . . geen
ambocht, roeping^ taak^ hevet te winnen kinder,
Franc. 4089. Syn acalkerlike ambacht, van een
houthakker y die den iabbat schond, 9997. Elc
▼an snnderlinghen (var. bevolenen) ambachte,
Troyen 3046, van riddert die aan tafel diertden.
Als tfole ter eerden was bracht ende Toldaen al
dat ambacht ende alle begrayen was ende verbrant,
rusten sy hem, Troyen /. 176c. Elc heeft be-
sceiden ambacht, van de bijen. Nat. BI. YII,
163. Scuwet dit ambocht ende bose spel van desen
dobbelsteen , Versl. en Ber. Y , 38. Het van rechte
ons ende anderen landsheeren toebehoert ende
onse ambocht es , onse land , onse goet te beteren ,
Mieris 2 , 166*. Zie nog Rote 3131 ; Nat. BI. VII , 661
(= functie), 686; Lanc. II, 38283; Boerden II,
94 ; Hadew. 1 , 36 , 31 ; e. e. — Ook van roof en
doodslag gebruikt, doch met bittere ironie. || Hare
ambacht dat is roef ende moert, N. Doet. 634
var. (bl. 161). — Der ontfaermicheit ambocht,
het werk der barmhartigheid , Franc. 4061 , 4296.
— In den sin van functie staat het woord Barthol.
6b.: dat ambocht der nominum concretorum (lat.
officium).
6) Bediendenkamer , (r. office. \\ Een gesate daarin
. . ambachte, paleerkamere ende kemenade, . .
tretsore , kokenen , al ambochte selc alse enen prince
dochte, Brab. Y. II, 2739 (vgl. Sp. IV*, 16, 76,
waar voor het eerste ambachte staat officien).
AMBACHTER(E), ambochter, znw. m. 1) Dientt-
man , ambtenaar , fr. officier , vooral (of uitsluitend)
in Brabantsche oorkonden gebruikelijk. || Onsen
ambachteren ende knechten, Willems, Meng. 353
vlgg. Bichteren , ambachteren ende anderen getruwen
des hertogen, Brab. T. Dl. 2, bl. 470. Richteren,
ambachteren of dien recht te doen bevolen waeren ,
ald. , vgl. 611 , 626 tweemaal ; 626 passim ; 655 ; 656
passim (o. a. : Soe wat rechtere oft ambachtere dien
gevanghen onder hem ofte binnen sinen ambachte . .
gedoechde te sculene ofte te blivene). Die grote
ambachteren (bij V. d. Berg, Gedenkst. 1, 258
{a. 1419) ambachters), de hooge ambtenaren, 712.
vlg. Drossate, rentmeistren , meyeren, ammannen,
scoutheten, marcg^ven, bailluwen . . ende alle
andere ambachteren, 711.
2) Lid van een gilde, Yg\. AMBACHT, 2<ie Art., 5*).
II So welke tyt dat een scepen steerft, dat scepenen
ghemeenlike macht hebben , enen andren te kiesen
. . es hie ambochtre, onder dambochters, es hie
poortre , onder die poorters , Cout. v. Brugge 1 ,
316; vgl. Warnkönig 2«, 142. Waert alzo, datse
andre lieden, warent ambochters, iof wie dat het
ware , arresteerden , die der stede toebehorden ,
ald. 386. Vgl. Te Winkel, Maerlant, bl. 251 vlg.
AMBACHTICH (ambochtich), bnw. Eig. dienst-
doende. Slechts in de uitdr. de ambochtige
leden, de dienstdoende leden van het lichaam en
in engeren zin de leden , die de functies der armere
leden mogelijk maken. \\ Werden de ambochtige
leden ofgeslegen, nemmermeer sullen si werden
restaureert , als benen , vellekinen , coerden , Lanfr.
209. Evele des lichaems , dat« to weien , der b-
bochtiger leden ende ziekten der coitsiiiiilrc le»
similium ?) leden , want alle dese mogen vu da
gheliken leden niet om die ambochtige ledeaesè
die ambochtige lede om die gellke, ald, 19v.
AMBACHTSBEWAERRE , -bewaerder, m
m. Ambaehtsbevaarder of -verzorger , benamiif tn
gegoede ingezetenen, meestal twee in getal. ^
de ambachtsgenooten gekozen , om met en tegeao*?
den Schout des ambochts oirlnur te doen (vgl Ia
20a : Als een heer beveelt sinen boden sjn ghenik
of syn ambocht te vervaren) , het ambacht bk
buiten te vertegenwoordigen; dgken, sIoImb, vi-
gen enz. te bezorgen , en vooral de zettiBges g
omslagen over de belastingschuldigen in m^e &
brengen en het bedrag te innen. Hun betzekkar
kan het best worden vergeleken met die der &e
gemeesters (vgl. Lams 740). In Holland slechts kic
de naam Ambachtsbewaerre voor, doch daaiBi£
ook Varen , Waersliede en Waerseappen ; naar bx
innen der belastingen heeten zg ook On.tfamgers\ bst
hun plicht om twistenden te verzoenen Vredemêin
(dus min of meer onze Kanton- of VredereckiertVi
Voome heetten zy Lanf meesters , in Brabant Laaik»-
ders en Bedesetters (z. ald.) , in Vlaanderen Pomin
en Ponters. Zie vooral Van Berckel in D. War. t
325 — 333. II Onsen dycgrave, heemrade ende b-
bachtsbewares , in Z. Holl. , Mieris 3 , 815« i
1375). Alle die ambochtsbewares ende schotTaafc?
overal binnen uwen bednve, in J>elfUmd f»
Schieland, 4, 202a {a. 1412). Allen waelgebesv
luyden , waerschippen ende ambochtsbewaerfkn
over al in den dorpen vanRijnlant, 747£ («. 14^
Bouwen Jacobsz. en Aert Joriszoon . . , bedegard»
Kers Jacobszoon (en?) . . ambochtsbewaerée?
(te Liere), Inform. 264. Gerrit Jansz. , amfaock-
bewaerder, Adriaen Cornelisz. , schotTanger ^
Monsterambocht mitterheyde) 267. Willem Aert*
ende Gerrit Hugezoon , ambochsbewaerders vaa ia
ambochte van Suyck , 274. Zie nog Meylink , 2i?'i
Bijl. no. 228.
AMBACHTSGEVOLCH, znw. o. V^l. gevolcl
Collectieve benaming van alle rechten en voordei^f:
die naar herkomst aan eene ambachtsbeerl^kkii
verbonden waren, behalve het eigenlijke amiae*^^
d. i. het ambachtsheeriyk gezag met de bofsc
en voordeden van het gerecht. Zie Ondenh. Z. &^~-
450. II Vroen, tyenden, ambocht ende ambock?-
gevolch. Mieris 3, 119a (a. 1360). Alle dat ambfffe:
met sinen gevolge . ., molen ende middeldgct^
hofsteden ende voirhoven , alle vronen ende rem
vogelden ende vischerien ende alle ambockt«-
gevolch, 422fl {a. 1385); e. e.
AMBACHTSHEER. Zie ambachtshere.
AMBACHTSHEERSCAP , -scip, snw. tt. cb«
1) Ambachtsheer lij kheid, welk woord reeds Gedenkst^
1, 251 (<z. 1419) voorkomt; zie Ambacht, 2de Art
2^). II Dat wy vercocht hebben ende Tercoopei ^
onsen geminden Willem van Couser . . onse ts-
bochtsheerschip ende dagelijcx gerechte van Heyk>.-
metten schoutambocht aldaer, Mieris 4, lOöi
{a. 1408). Die ambochtsheerschip ende dagel|<fs
gerechte van onsen dorpe van Uutg^eest, 41^'
{a. 1417). Zoo ook Oorl. v. Albr. 486, 487, 4ïi^
passim, e. e.
2) Ambachtsheer', vgl. ons heerschap in dea zit
van heer. \\ Dat sy Willem ontfaen ende hoa^
tot heuren ambochtsheere ende hem doen gelf^
dat andere onse ambochte in Kennemerland heaxs
ambochtsheerschepen doen , Mieris 2, lOOó («. 14061
AMBACHTSHERE (ambochtshere), -nEEt
J93
AMBA.
AMEC.
394
;nw. ra. Ambaehttheer, Zie Ambacht (2d6 Arl. 2,
>). II Wat koren die gemeene ambochtsberen
naken . ., die sullen wi gestade honden, Mieris
\ , bl%i (a, 1331). Zie ook Oorit. 2, 219a; 455a; 461».
AMBACHTSHUUS, znw. o., mnd. ambacAtAét,
thd. ambahthiu, WerkplttaU^ lat. officina. \\ Dat
nljthuafl ende alle die ambocbtshose , D. Or& 288.
AMBACHTSLUDE. Zie Ambochtsman.
AMBACHTSMAN (amboch(t)sman , Anbochts-
ian) , znw. m ; mv. Ambachtsliede , -lude , mnd.
imbacAtman, Over den samengetr. vorm ambtman ,
iie AHTMAN.
1) Ambtenaar , dienaar, in H alg. Vgl. Ambachter.
II Des bisscops ambochtslude , (lat. vilUci), Matth.
inal. 3 , 135. Die ambochtslieden yan den rike (lat.
>Meiales) , ald, 155. Doe qnamen ooc die ambachts-
lede ende daden ben doepen, L. v. J. e. 22, van
te tollenaren. Mijn here die nam sommicb van
inen ambacbtslnden met bem . ., om airebande
»roYancbie te bereiden. Bek, d. G^. 3, 248, vgl.
186. Ambocblnden ende knecbten, a/^. 361. Welke
mbocbtslnde men mitten groten capetel cetten
iole. . .: den groten comendeur, den marscalc ende
len spetelere, ende dien drapier enz, D.Orde^l^,
'gl. 228 ylg. Maria leerde dambacbtlnde (te
tand)^ wie si dun solden, lAmb, Serm. lOdc,
2) JSandwerksTnan , de bedendaagscbe bet. ||
rymmerluyden, molenaren . . ende anders vele
Ier anbochtsluden , MLoep II, 672. Zoo ook Ned.
Uuehtep, 82, 93 e. e.
AMBACHTSRËCHT, znw. o. Het recht, tot een
imbacht (eene ambachtsbeerl^kbeid) beboorende. ||
^t ambochte ende ambocbtsrecbte , Zwijndr, Oori.
;0 (tf. 1374).
AMBACHTSCAP, znw. o. Hetzelfde als am-
Soehttheerscap (z. ald.) jj Dat ambocbtscap ende
lagelicx gerechte van Eusamraga, Oorl. v. Albr. 487.
AMBACHTSWERCMAN , mv. -lude, znw. m.,
letzelfde als ambaehttman, tautologiscb met toere
lamengesteld. Zie ald. 1). Dienaar, bediende, \\
Uaven ende ambochtswerclude , D. Orde 288.
AMBACIAET (ambassiaet), mnd. ambatiaie, ab-
^esate, Yan mlat. ambateiatut. Ygl. Ambacht (1ste
Lrt.) ; Amb AS ATE ; Duc. 1 , 220 , en Diez , Wtb. 1 , 19.
l^ezanty afgevaardigde, jj Een ambaclaet der stat van
Lthenen , Dial, Creat. 66 (t. a. p. ook ambacialor ge-
Loemd). Als dit die aren sach, sende si boer ambacia-
en , 34c. Syn notabele ambassiaet , Rrc. Cron, 169d,
AMBASATE (ambasaet) , znw. Hetzelfde als bet
rong Art. II Daer na sgn totten kersten princen geco-
nen ambassaten des conincs oft sondaens van Babilo-
lien, Exc, Cron. 101c. Die ambassaten sijn weder na
Babilonien ghekeert, ald. d. Zie ook Seemsk. Qtloss.
AMBLANT , bnw. Fr. amblant, van amb Ier (aller
?amble), lat. ambulare. Zie La Cume 1, 382. Den
fel gaande, telganger, van een paard of muilezel
gezegd. II Men hiefse op enen munl amblant; hl hadde
3nen sachten ganc , lïovent 140. Up enen munl , fier
mde amblant, Sp. lY', 58, 111. Entier joffronwen
iraeliant brochtemen enen munl amblant, Aiol-fr, 244.
AMBOCHT en de samenstellingen. Zie Ambacht
;2de art.).
AMBOCHTERE. Zie Ambachtere.
AMBOCHTICH. Zie Ambachtich.
AMBT, znw. onz., samengetrokken uit Am-
bacht, kerkdienet, officie, Serv, I, 1562. Zie
Ambacht (2de art., 2).
AMBTMAN. Zie Amtman.
AM£, znw. vr., Aem, onz., mv. amen en ame,
Ohd. dma; mhd. ame en óme, vr. en m.; mnd.
%me, am, onz., maar ook vr. en m.; van gr.
afjtfj, mlat. ama (Duc. 1, 215). Voehtmaat, in-
zonderheid iw>»ïïkwi^, houdende vier ankers. || Yer-
gave God , dat mi nu ware also bereet een goet
gheval, also u dit honich wesen sal, al wildQs
hebben seven amen. Bain, I, 615. Dan hi dronke
een aem wnns, II, 6475. Sine gouden niet alsoe
vele van biere als menre amen wgns toe dede,
Binel, 1189. Yan eenen sticke wgns, . . dat bilt
3 amen ende 9 vierdel, van eiker ame 6 se. 9 d.
grote. Bek, d, Qraf, 1, 235. III Dordr. aem wiins,
die ame XII scilden, Oorl, v. Albr. 40. Y Dordr.
ame Riins wiins, . . coste die ame XIII scilden, 41.
AMECHTE, bnw. Hetzelfde als Ameehtich ,
AmackticA: zie bg dit laatste. || Den genen die
van groten rouwe amechte es worden altemale,
ende daer af lidet pine ende quale, Ckritt. 1628.
AMECHTICH, AMECHTlCHEIT. Zie Amach-
tich, -heit.
AMEIDE, Ameie. Zie Hameide.
AMELAKEN (ammelaken, amlaken), znw.
onz. Tafellaken. Waarschflnigk van Ame,OJiBaam,
de bekende wgnmaat, in den zin van vat, vaat-
werk, en dus het laken, waarop de amen of het
vaatwerk geplaatst werden. Zie nader De Yries,
Mnl. Wdb. 228. || Doe biet hi vouden dat amelaken
ende doen woch, Ferg. 2660. Dat over tafel wert
gesproken, sal blyven in tamela ken geloken, Spreuken
107. Maect der tafel unde brenc dlange ammelaken,
Hor. Belg, 9, 93 (ter vertaling van fr. „^orte Ie
longe napé*^). Ene tafle gherecht met den besten
ammelakene dat men pleght te beseghene , Cor. v.
Antw. bl. 51. Te Cnrterike van amelakenen ende
dwalen, 7 t? 10 s.. Bek. v. Gent, l, 486. Item
van XL ellen amlakens, van eiker ellen YIII st.,
Fad, Mus, 2, 295. So sach daer oock Aygolant
TTTTT arme menschen op een side ter aerden neder
sitten . . sonder tafel ende ammelaken ende sobere
spise ende dranck, Ejse. Oron. 77 b. — Dat ame-
laken opdoen of — o pi e s en, A*^ tafellaken
wegnemen, de tafel afnemen, \\ Als si der spisen
hare gevouch hadden geten ende genouch, hevet
men die amelaken upgedaen , Wal. 4631 (mv. voor
amelakene). Si aten ende men biet opdoen. Doe
quam gelopen een garsoen, ende dede op dat
ammelaken, Ferg. 1281. Men las op damlaken,
als ment biet. Flor. 2257. — Later ook in den-
zelfden zin: dat amelaken weren. Zie Weren
en verg. De Bo 1391: „Weren, verwflderen, fr.
écarter.^^ \\ De Hoofmeestere . . behoort oock op te
heffene tscip (tchotel in den vorm van een tchtp),
daer inne dat de aelmoessene is voor den Frince,
ende dan weeren tamelaken van der tafele, Matth.
Anal. 1 , 237. Ende tammelaken geweert synde de
Panetier ontwint de serviette, 262. — In den
Franschen tekst by Ollv. de la Marche , Mém. 658
en 672, luiden deze plaatsen aldus: „^^^moster
la nappe de la table,^^ en y,la nappe ostée."
*AMELECH. Yerkeerde lezing voor Ameehtieh (?)
He. V. 1423 , 242a. : Den ghenen die penitencie doen,
gaff hi den wech der gherechticheit, ende yer-
sterctse te doghen die ghene die amelech worden.
Ygl. Jet. Syr. 17, 18: conflrmavit defieientes
sustinere. Ygl. amachtich, dat meermalen met
tijn verbonden ter vertaling van lat. defieere dient.
AMELGIEREN (ammelgieren, amaelqieren,
ook AMALEEREN, en zelfs MALEEREN dooriuvlocd
van malen, schilderen. Zie SegA. Qloss. op
amaleeren), zw. ww. bedr., mnd. ambeleren,
mlat. ammaglare, fr. émailler\ van émail, ital.
emalto, smeltglas, afkomstig van ohd. emelzan,
ogerm. smaltjan, ons smelten. Zie Diez, Wtb,
1
395
AMEN.
AMER.
I, 384, en verg. Amal'S. Emailleerenj brand-
ichildereny kleuren op metaal tehilderen; in de
wapenkunde de gewone benaming voor kleuren. ||
Van flnen goude was die rinCf ende binnen, dat
tegben den vingber gbinc, stonden letteren in
gbeamelgbiert, van sabel ende asnnr visiert , J2^.
II, 5322. Die yelde sgn gbescakiert, van sabel,
van kele gbeamelgbiert, van sinoper ende van
asnre, II, 6497. Onder elc bistorie die woorde
gbegreven ende gbeamelgbiert, II, 6640. Yan
gonde, gbeamelgeert groen, MLoep lY, 794. Een
scale . . gbeamaelgiert metten teekene van den
ambocbte , Belff. Mue. 4 , 64. Die scale gbeammel-
giert metten teeken van den ambocbte, 65. Drie
silveren scbaelen . ., de boorden vergnlt ende in
den bodem gbeamelgeert metten wapenen van den
Yorseyden ambacbten., Diericx, Mém. 2, 111. Een
silvere scale . . gbeamelgiert in den bodem metter
wapenen van der selver neeringbe, 112. Elcke
belle was ebeamelgiert ende op elc amans stont
gescreven also gbi noren solt, P^/^rrtm 23c. Scalen
met yergnldene boorden endegbeamalgiert, /wvmf.
V. Brugge 6, 294. Yan amelgierene ende yergondene ,
ald. Ygl. SegA. 4998 en Maleeren.
AMEN, 2W. WW. bedr. bd. ahmen^ ohmen, mbd.
amen^ aemen^ mnd. amen. Eene inhoudemaat voor vloei-
ito ff en keuren , om te zien of zij aan de wettelijke voor-
ichriften voldoet. Hetzelfde als by maten voor droge
waren ijken beet , mnl. iken of branden. Zie Lubben 1,
76 en over de afleiding by Aminge. || Twinticb
olde vleemscbe Tander ame. Ende den wnnsijss
sal be betalen, wan de w^n nte is of wan
si dat vat tosteken ende de s^smeisters snllen
dat vat amen laten bynnen acbte dagben, Stadb,
V, Oron. Y, 6. Ende dit vat salmen amen als
Yoerscreven es, ald.. 47. De scbrader sal amen,
of men des van em begeert; de wijnvaten recbt
amen; alle Rbijnscbe vaten en brandewijns vaten
daer ben aen twQfelt wateramen mitter stad mate ,
aangeh. Pro Exc. 5», 104.
AMEN, snw. onz. Amen. Gr. dfiijv, bet slot
van een gebed , en bij uitbreiding eene onametoote-
lijke waarheid, als zijnde in de kerk gesproken.
Yerg. Duc. 1, 225: ^Jmen . . idem eet qtiod
Ferifoi. In de zegswijze to waer als amen, zoo waar
als bet in de kerk gesprokene. Zie Harrebomeé 1 ,
14. II Ander liede wonen daer, die kinder dragen
Y te samen. Dits al waer als amen , Jlex. YII, 975.
AMEB, znw. m. Een soort van tarwe of weit
(tritieum amyleum), na verwant aan de spelt
(triticum spelta). Obd. amar\ mbd. amer, amel\
tbans nog in Zwitserland ammer (Stalder 1, 101),
in Zwaben emer (Scbmeller-Frommann 1 , 73). Amer,
een oude wisselvorm van amel, is ontleend aan
gr. afivXov , lat. amylum, Bjj Eal. „A mei-koren,
olyra , /ar candidum ; tbans nog eng. amelcom, bd.
amelkom. || Datter veel geslacbten van coemzijn,
als weyte of tarwe, rog, gerst, amer, spelt, mylie
ende deser geleken , Barthol. 619a (lat.: ^triticum,
f ar , ordeum , siligo , panicum et milium'^). Yan een
boet baver , amer , spelet , barscb, saet ende wieken
3 st., Inform, 381. Teerv, rogge, gerst, spelte,
amer, boecweyt, enz., O. R. v. Dordr, 2,184,222.
AMERAEL. Zie Amirael.
AMERDIJN, znw. o. Heete ascA, mnd. emere,
amere, bd. ahmer (amer). Zie Lubben 1 , 76 en de daar
aangeb. scbrijvers en voor de andere verwante
germ. vormen Grimm, Wtb,l, 192. || Yan leeuwscb
{de Léau) steen ende van verslagen amerdijn,
Jnvent. v, Brugge 5 , 627. Ygl. bet öloss. o. b. woord.
AMERIE, znw. vr. sSuring of ijk van vaten
enz. , van amen , keuren , y ken ; betzelfde als Amingt
(zie ald.). In ZFl, Bijdr, 3, 129, onder de
stadsinkomsten van Middelburg genoemd.
AMERSADE, AMERSAET, AMERSATE, m
landmaat, mnd. amersdt. Zie Emmersade.
AMETE, znw. vr., obd. ameixa, mhd. amecey
bd. ameise, amse, emse, ndd. eempte, amete,emete,
ags. aemete, oeng. emete, ematte, amete, amtevni.
eng. emmet en ant. Zie Grimm, Wtb, 1, 277; E. Maller
1>, 386 en vooral Tijdsehr. 1, 302. De dav
genoemde emten zijn niet gebeel dezelfde dieren
als onze mieren, zij zQn grooter en bgten heri-
ger: in Gelderland is bet woord emte nog in
gebmik. Mier. \\ Crevelinge alse roeringe tu
ameten of mieren daer in cropen , Hs. Yp. 6U.
Alse die tranen comen aten adren , die siin bnta
den bene int vleescb , dan gevoelt die zieke veselinge
alse of ene amete liepe daer, 126/^. Ygl. eemt,
en Hnyd. Proeve 2, 358.
AMETENEI, znw. o., mnd. ametenei, emetenii.
Mierenei. \\ Men neme amete-eyeren , blade na
raten, enz., Hs. Yp. 135^.
AMETESTIS. Zie bet volgende art.
AMETISTE (ametist, amestis, am astis),zdv.
m. Gr. dfié&vGjog- Amethyst, violetkleorig edel-
gesteente ; aldus (naar men zegt) genoemd vu de
ontkennende a en fia&vsiv, dronken zgn, omdtt
men oadtgds aan dezen steen de kracbt toeschreei
van tegen dronkenscbap te behoeden. || Some
amestice sijn gbevaerwet na den roeden wijn ^ Nat.
BI, XII, 25 {var. ametisten). Die cracbt die hi
bevet in, dats dat bi dronkenscap verdrivet, XII,
34. Jaspen, crisoliten, diamanten, ametisten, topasei,
jocanten, Flor, 1030. Topaes, die beter es du
gout, crisoprassas ende ametiste , Troy en 6421. Dit
ametist beeft parpar varawe , geminget met violeite,
ende nte beme seinen gracileke blickende vlammea
alse roede rosen ; ende bi es sere licbte te gnyene,
ende bi wast in Indien, Raasbr. 1, 221. — b
Tondal. 14 vindt men ametestis gespeld, in iVci.
BI. XII, 25, bij E. amastice (mv.).
AMY, tasschenw. Uit^,ai, en i»i, Sdennv. enk.
van het pers. vnw. Ji mij, wee mij. \\ Amy, m^a
bant doet mij zo zeer. Nu noch 137. Amy, amj!
myne sasteren, en boort ghy niet dat vemrlic
trompet? V. Maagd. 383. Amy! amy! lacen! wat
ons ghesciet! 387.
AMIDOM (amidoen), znw. onz. Amelmeel, td-
meel , van mlat. amidum (Dac. 1 , 228) ; fr. amiden
ook mnd. amedom, verg. Eoseg. 316, 317. BgKil.
„Amel-donck, amel-bloeme, amel-meel,
s t ij f s e 1. Amylum ; farina sine mola facta , vulgo
amidum.'''* \\ Om te makene pertricen van deeghe. .
nemt salm ten bake waert al roa, wel gh^
wreven ende amidoms ghenouch, Keukenb. 8, SS.
— Aldas zal wel te lezen zün voor amyroen, sU.
14, 24: Amyroen (1. amidoen) in den pot gemaed
Wryft wel ende tempert met amandelmelke ende
doet zieden in eenen pot. Ygl. Littré 1 , 130.
AMIE (amte) , 'ien , znw. vr. Fr. amie , lat. ami»
van amare: verg. ons vrijster van vrijen, goi./rijo»,
beminnen. Ook mbd. en mnd. dm(e. Verg. Amus-
1) Geliefde, beminde, in goeden zin. || Al dies
gelike bilt Florijs een lilie vor sire amien, Fhr.
935. Es Blancefloer mine wel soete amie doet? 1065.
Yan sire amien, 1047, verg. 1058. Hels recht dit
niemen verwonnen lie, no bloetheit tog'e vore sine
amie , Ferg. 2423. U amie die joncfronwe , 2451. £^
ja saster jof awe amie? Fa/. 8779. Die joncfronve
badde gewesen sridders amie, Lanc, II, S81S;
eriz, — Ook in geestelijken zin van Maria, de
397
A MIG.
AMIR.
398
hemelBche geliefde. || Staet ons , Vrouwe , in staden ,
soete amie, ]}Up. 692.
2) Minnaret^ bijzit^ fr. maiiresse; ook bijmjf^
naar Oostersche opvatting. || Ie hadde liever in dese
noet met enen man te ^ne om broet, dien ie
hadde wettelike , dan sconinx amie van Yrankerike
tsine al mijn leven lanc , Lorr. 1 , 187. Ende hadde
kinder, wet vorwaer, C ende XY, . . . som van
amien, som van wiven, Sp. I*, 32, 10. Hi
hadde vele w^ f ende amien, I", 32, 7. Sine minne
lach an ene sine amie, in*, 43, 11. Sine amie,
dat scalke w^f (Yine. eoncubina)^ III*, 44, 6. Doe
sine amie {Éagar) hare heffen began boven haerre
vrouwen, Wap. Mart, II, 184. Hem moehte therte
bloeden die houden die amyen fiere! Overzee 161.
Abner . . bi Sauls amye laeh, lUjmb, 9907. Des
conincs amje, 17702, 17822. Sine wive ende sine
amyen, 16737. Om dat hi dorste castien Puppine
van zire amien, . . die hi hielt . . boven s^n
getroude wijf. Lip. II, 48, 943. Ere siere amien,
Fl&r. 680. Dat ie was sijns neven amie, Tarth,
3743. Hi peinsde noehtans ende hi hoepte, si
soude wesen sgn amye, Vrouv, e. M, YIII, 143.
Gehuwet man, die openbaerleke amie houd boven
siuen wive , Geick, v. Jntw. 2 , 481 ; enz. — Zelfs
in zeer verachteiyken zin. || Die sgn puten ende
amien ende vol van dorpernien, Mote 3895.
AMI6, znw. onz. Zaad van ammi of ameos, hd.
ammey, door sommigen ook cuminum Aethiopieum
genoemd, en als speeerQ gebruikt. Yerg. Dodon.
484a: „Ammi wast ghemejmlijck in Egyptenlandt,
ende wordt van Alezandrien in Italien ghebroght."
II Om te makene clareyt — nemt een vierdonc
caneels, | vierdonc gingebaers, ^ onsse naglen,
een lettel mastic, een lettel amig van Alexandre,
ende spQc ende pype, Keukenb. 8, 33.
AMIJS, 2de nv. amijs^ mv. amite^ znw. m.
Ofr. amic^ amis^ lat. amicut. Mhd. dmU. Yerg. Amie.
1) Geliefde^ beminde^ minnaar^ in goeden zin. ||
Die twee hadden amise, maer dat was in goder
wise : dat doe amise hieten sonderlinge , dat waren
getrouwe vrilinge. Die derde hadde geen lief ver-
coren, Lane. III, 232Ö3. Bi minen amise, II,
&386. Tan minen amgs, II, 5325. Ie rade u dat
gi henen ridet ende mins am^s niet ontbidet, III,
18881. Mi heeft verloren die scone Florijs, mgn
soete lief, mijn soete amgs. Flor. 750. Een rosé,
diese boet ende kilt vor dansichte haers amQs,
933. Daer soeken si ende soeken sullen emmermeer
ende niewer vinden haer amise, die si minden,
1263. Ende gewoech dicken eens haers amijs, dien
soe harde minde, 1686. Yrouwe,' seit hi, niet
broeder, maer amQs, 2301. Wel soete amijs,
3551, Ferg. 1361. H{j was hare amjjs getrouwe,
ende weder mindene sere die vrouwe, Soie 1047.
Haren lieven amys, Wal. 7847. Om Parthonopeus
uwen amgs, Farth. 2964. Die keiserinne quam
ofghegaen . . besorghet om haer amijs, 5593. —
Ook in geestelijken zin van Jezus , den hemelschen
geliefde. || Soete amijs, ons en helpe in alre wQs
n cmce, wi syn verraden, Ditp. 592.
2) Minnaar^ boel, in slechten zin. || Doet hi so
vele dat hise bevart met haren amise, JRose fr.
bl. 252, 261. Dese . . die haren amys tijt andre
amien, bl. 253, 276. En wrect oec in geenre wgs
u selven over uwes wQfs amQs, Lsp. III, 9, 117.
Dat syn moeder sinen vader hadde gemoert in
suiker w^s mit Egistus , horen am^s, MLoep lY, 470.
AMICT, AMICTE. Zie Amit.
AMINGE (aeminge, hamimoe), znw. vr. Yerg.
AmkRIE. De keuring of de ijk van vaten, tonnen
en andere maten. Ygl. Amen en hd. ahmer, de
keurmeester van vaten (Adelung 1, 85; Sanders
1, 17tf), zuidd. dmen, aemen (Schmeller-From-
manu 1 , 74). Waarschiinlgk onder invloed van aem ,
vat, afgeleid van ofr. aëemer, asmer, ctenur,
aumer en etmer , schatten , keuren , van lat.
aettimarej en esme zoowel voor eehatting, keuring,
als voor gewiekt. Zie Duc. 3, 94a, d en 7,
155*; Roquef. 1, 29, 517; La Cume 1, 170;
6, 40; Gachet 175, en vooral etme en a;gfnar by
Rayn. 3, 219. || Dat alle samencoop, vergieringe
(roeiing van vaten), aminge, ende alle maten der
stat s^n, Brab. Y. Dl. 1, bl. 697 («. 1301) ; verg.
ald. 756, waar de Latijnsche vertaling aldus luidt :
„ OMda, quae zamecoop, verteeringe (/. vergieringe)
et haminge Teuthoniee naminantur^\ — Die amynge
binnen onser stede van liiddelbureh . . welke
amynge voirscreven wy . . geven mit desen brieve . .
mit sulken nutscippen ende profiten als dair to
behoeren . . dat si . .die amynge voirsz. rustelike
ende vredeUke laten gebruken. Mieris 4, 433 (o.
1417). Die aeminge, die tonnegaederinge ende den
afslach van der vischmaret, 4 71 (a. 1418). Aldus zal
elc van sinen ampte hebben: . . wgnhem tot eiker
amynghe elc twe gulden, Overijt, BeeJkt, I*, 81.
AMIRAEL (aherael, ahmirael, ammerael),
znw. m. Yan arab. amlr,fOT^r, vorst, bevelhebber,
waaruit het mlat. amiratut, amiraldus, admralluê
en admraliue vormde. Over de afleiding zieDiez,
Wtb. 1, 16; Dozy, Oosterl. 5. De oorspronkeiyke
beteekenis is die van bevelhebber der Ongeloovigen,
emir', verg. Duc. 1, 229^: ,^Amrae ei Jimiralü
apud Saraeenos et Turcos, Satrapae nempe urbium
vel provinciarum praefecti, at^ue adeo Sultaniqui
Caliphae suberant*\ en: ^Jdmtralli, quisunt quasi
Comités et Capitanei exercituum." — In *t Mnl.
was de oorspronkeiyke beteekenis nog de gewone,
en wordt in den Flori* de vorst of emir van Ba^
bylon altyd de amvdrael genoemd. Zoo heeten de
bevelhebbers in het Saraceensche leger amirale,
ammirale, als b. v. Boel. I, 545, II, 23; Lorr.
II, 771, 813, 121 enz.; Umb. YI, 789, 823, 969
enz ; Flov. 212; Sp. lY», 14, vs. 35 , 57 , 74 , enz. ;
zoo leest men in Huge van Taberien, dat SaladQn
door 24(14) amerale werd opgewacht (Belg. Mus^
6, 102, 231; Denkm. 3, 92, 236); zoo wordt,
Oms. 1000, Casseel y^aTnerael van Sydone ende
van Cyopin" genoemd, en Qlor, 194 van
^amerael noch soudan" gesproken. Potter gebruikt
ammirael als titel van het hoofd der legerbenden
van Minos van Creta {MLoep I, 1448). Doch ook
de latere opvatting als vlootvoogd was reeds in 't
Mnl. bekend. Bg Stoke IX (115 en paeeim) heet de
Genueesche vlootvoogd Grimaldi ammirael; b^
Yellh. lY, 67, 64 vlg. „ammirael van der Zee'';
en Fl. Bijmkr. 8301, 8307 enz. wordt de Fransche
scheepsbevelhebber amirael genoemd. || Item voer
Hughe an den ammirael, omdat hi hem scepe
leveren soude, Oorl. v. Jlbr. 113. Item Clais
Heinricsz. met brieven gezent aen heren GherQt
van Egmonde , dat hi sonder vertrec in den Hage
quame overmits die scepinge wille ter reysen be-
hoif, dair hi ammerael of wesen soude, 149.
TEkelo, daer de bisscoppe ende sconinx amirael
waren. Bek. v. Oent 1, 178. Die eoninc . . sende
hem Y galeyen mit veel groter scepen, dair bi
him mede besende siin ammirael mit veel goeder
manne van wapen, Clere 158.
*AMIROEN. Zie Amidom.
AMIRAUDE. Zie emeraude.
AMIT (AMICT, AMMIT, amicte) , znw. VT. Lat.
399
AMLA.
AMMA.
400
amietttê. De taiéte doek^ waarmede de priester bg
de Mis de borst en schouders dekt. Verg. Duc. 1 ,
228. II Fan der Armeten. Soe nemt hi enen doec
wit, die geheten es amit, die hem om die side
strect ende sgn hoeft al omme bedect , Bed, d. M,
161. Die amitf die ie noemedeeer, 173. Die doec
scone ende wit, die men heet een ammit {var.
amict), bediedt die doec, alsict yant, dien men
Gode yore dogen bant, Lep. II, 51, 97. Ende
deden hem eerst weder ajt die casnfele, na die
stole, na die hantvane, na dat gordel, na die
alve, na die amicte, ende doe scoirmen of syn
hair van sinen hoefde, Matth. Anal. 3, 287.
Alve, amicte ende al ghereetsel, Hatth. 84.
AMLAEEN. Zie Amelaken.
AMMAN (ampman), znw. m., eig. één met
ambachtman en amtman (zie die woorden), doch
in bet. er van verschillende. Mnd. ambetman , amman ,
mnd. amptman , hd. amfmann. Eig. : hij die een amèi
in dienst yan z^n heer bekleedt , dienaar , ambtenaar
{pfficialiêy ministerialiê) ^ doch bepaaldel^k gezegd
van den landsheerlijken ambtenaar , wien de uitoefe-
ning der rechtsmacht en de waarneming der rechten
yan den yorst waren toevertrouwd. In Vlaanderen en
Brabant, waar het woord meer bnzonder gebruikt
werd, stond amman in bet. geneel ge^jk met
êcouthete; ook de schout bekleedde een ambacAt^ het
tchoutambachty en was dus inderdaad een ambachtman^
een amman. Elders wordt hQ meyer (ygl. fr. maire ,
eng. mayor) genoemd , dat eig. de benaming was van
den vilUcus, den opzichter eener villa of landelijke
bezitting; z. ald. In het Vrije van Brugge vindt
men vele onderschouten, die den naam van Amman
droegen. Zie verder over het onderscheid tusschen
den amman in Vlaanderen en dien in Brabant,
waar hij soms de attributen van den baljuw met
zQn ambt vereenigde. De Vries, Mnl. Wdb. 233
en de daar aangehaalde schrijvers. || Dit sonde de
meyer bringen vort ende ammanne, scoutheide
mede, in porten, in dorpen; eiken gerede daema
vonnesse doen ter stat, Velth. VI, 3, 12. Van
Bruessele die amman ende die daer sijn in sine
stede; van Antwerpen die scouthede ende die
meyer van Thienen, van den ambachte, daer si
af dienen , dede elc ene banier e binden , Heelu 4554.
Amman ende scepene {yan Gen f), Velth. IV, 43,
52. Meyere , ammanne ende scouthede , VI , 7 , 69.
Nog drossate, nog meyer, nog scoutheit, nog
bailliu, nog amman, Willems, Menff. 455. Allen
onsen richteren, meieren, ammannen, scoutheten,
baeliuwen ende allen anderen, die gerichte van
ons houden, Brab. 7. Dl. 2, bl. 607 {a. 1364).
Vgl. Brab. T. VI, 11553—11662, en Dl. 1, bl.
697; Dl. 2, bl. 657 passim. Ie {Joh. Bapt.) hem
amman, dieghene (Jezus) es juge; ie bem cnecht,
die ghene es here, Hs. 9.1348,41a. Eest drossate,
meyer oft amman , die vele te hove bringhen can ,
Doet. III , 707. HQ ga ten amman of ten meyer ,
ende beclage hem der dinc. Recht. v. XJccle 20,
116. Wat werde die in Antwerpen yemen ondflnghe
in sgn huys ende hilde die gewapent waren . .,
ende dat niet en liete te wetene den Scouthete of
den amman in jeghenworden van scepenen, Cor. v.
Antw. 4, 20. Wie vrede wederseyde te gevene
alsen die scouthete ochte die amman ochte enich
van den scepenen ocht enich van tsheren ghe-
swomen knapen hem eyschede orkondeleke, ald.
5, 21. Zoo nog Cout. v. Gent 440; Cout. v. Brugge
1 , 315. — Zie over den slechten naam , waarin vaak
de amtmanne stonden, Doet. III, 707 vlgg.,
^Quc V, Sed. 163; Couf. v. Antw. 1, 82 , 4 passim
en vgl. Belg. Mus. 1 , 248 vlgg. ; 7 , 294 vlgg. otct
de „gezworen knapen** van den amman. — S am-
man s komt dikwijls elliptisch voor, nl. in nitdr.
als: in sammans gaen, trecken enz., in iet
huis van den amman gaan, d. 1. in de gewmyefüt,
in gijzeling. \\ 8o wijsden scepenen Colaert Heecman
te ghevene een maeltgt van XX se. . . binnea
3 daghen oft dat hy trecke in sammans, Bel^.
Mus. 7 , 228. Dat hi beloeft heeft binnen de drie
daeghen daer na te gaene in sammans, Dieria,
Mém, 2, 135. Dit te volcomene binnen de maeDd
ofte te trecken in sammans, ald. Indien hj dit
huns niet en dede maken binnen den eersten jaere,
so sal hy trecken in sammans, ald. 621. So wie.,
bevonden zal werden in overspele, zullen ghewfst
werden in shammans ende daer vanghenesse
houden te watre ende te brode, Cout. v. Geni^U.
— Soms worden met ammanne mindere ami-
tenaars bedoeld; zy zgn soms aan ondersekwtn
geiyk (zie boven); ook eene glosse by Graff, Bint
2, 201 wyst hierop (amman t. Vorstre, app»-
ritor)] Bouc v. Sed. 163 zal amm4m wel rent-
meester beteekenen, en Utenbroeke gebruikt meer-
malen amman ter vertaling van lat. praeco. \\ Ie
sal den ammannen doen gebieden {omroepen), Sf.
Il", 44, 44. Dat des conincs amman roepen sonde
oppenbare, dat enz., II', 7, 34. Zoo ook II', 6,
50, 55, waar evenwel vs. 31 de rechtere toot
hetzelfde doel wordt gebezigd. — In Noordnederlaad
werd de amman Amtman genoemd (z. ald.).
AMMANIE (ammannie, ammenie), znw. tt.
Zie het vorige art.
1) Het rechtsgebied van den amman, ook Am-
manrie geheeten: zie ald. || Daer na quam
hi . . uut Mechelen der voorseider stat tot ii
dammannie . . van Bruessele , Brab. T. VII, 13835.
Een sterc huus . ., dat Jan de Meyer . . staende
hadde in der ammannien ter Cappellen opten bosdi^
13849. Dat men hen niet toe vueren en sonde door
dammannie, 13864. Die meyerije van Rode , gelegen
onder die ammenge van Bruessel , Exc. Cron. 149i
2) Het gebouw, dat onder beheer en tociicbt
van den amman tot gevangenis of gijzelhuis diende.
Zoo de ammanie van Gent, ook meyerie genoemd,
bg Diericz, Mém. 2, 119.
AMMANRIE , znw. vr. Hetzelfde als Ammanie 1):
zie ald. Het rechtsgebied van den amman, || Die
meyerie van Rode . . light onder dammanrie (s»
Bruêsel), Brab. T. VI, 9027.
AMMANSCAP (ammanscip), -scope, -scepe,vsf-
onz.; AMMANSCEPE, vr. De bediening van dea
amman, met alle daaraan verbondene rechten, ia-
zonderheid met betrekking tot het geüangenhonée»
of gijzelen; ook gezegd van hei grondgebied, "vzu-
over zich de macht van den amman uitstrekte. ||
Boven den eet, die ie saen van den ammanscape
hebbe ghedaen, Brab. T. VII, 10873. Dat hivel
ende redelic ghenomen heeft in pachte jegen Jacoppe
van Ertbuer dammanscip van Qend tusschen Schdde
ende Lye, Diericx, Mém. 1, 138 («. 1392). Met
der vorseide ammanscipe, ald. So soude Arend
voerseyt onghehouden zin ende bliven tvoerseyde
ammanscip voerder te regerene, ald. Dat hy ver-
huert heeft Janne van Coudenberghe . . d&mmansdp
van Gend an den coerenaert, ald. {a. 1415). Dit
hy ghenomen heeft in sekeren loyalen pachte . •
dammanscip van den Oudenburch, 451 {a. 1393).
Jan Sersymoens houd een leen van onsen gb^
duchten heere den Graeve van Vlaenderen, taa
synen casteele te Ghend: tselve leen ghelcjtfhea
binnen Ghend, ende es gheheeten dammanscip Tta
401
AMME.
AMOO.
402
den Oudenborch, weert wcsende tjaers vive pont
parasyse, by der avonture van den ghevanghenen
ende andersints, ald. Nostre maierie ke on apeile
Jmmameip en flameng, 562 (a. 1299).
AMME, znw. vr. Ohd. amma, mhd. en nhd.
amme. Foedster, zoogiter^ minne. \\ 1A.J en is ghe-
geyen amme, noyt en sacb ie Trouwen mamme,
Troyen /. ièc. Alsoe drie jaer hadde van ouden
ende men hare mocbte onthouden bi naturen hare
mammej so dedemense van der amme, S^. I*,
30, 7. Sine amme hiet Alexerine, I", 4, 23. Dat
sijn suster sine amme was, I*, 35, 30. Sine amme
was een quaet wijf, III ^ 32, 84. Sint dat horen
ende mamme die hertoge liet, daerne sijn amme
met opyoesterde ende hilt, Heelu 653. Also alst
amme te huedeue pleght dat kindeken, dat in de
wiege leght, Lu^g. I, 268. Die smekers . . dat
sQn des auTels ammen off yoesteren , die hem hoer
kynderen soyken ende voeden in sunden, Ned.
Froza 170. So wat knape, amme off maget hem
bestaede t te dyenen, die sal sijne Yurwoerde holden
volcomelic, Overijs. RecAt I', 188. Si vant daer
wonende Agnes, die wanneer {eertijds) haer amme
gheweest hadde , Bienb. 94ta. Bescheidenheit en es
uit allene ene docht, maer si es ene amme der
dogede, Limb. Serm. 147a. Zoo ook Merl, 9113,
9152, e. e. — Spreekw. zegsw. || Hy kust dat
kint om der amme willen, Spreuken 62.
AMMËLAKEN. Zie Amelaken.
AMMELGIEREN. Zie Ahelgieren.
AMMENIE. Zie Ammanie.
AMMER, znw. m. Mhd. amber en dmer, mnd.
ammer^ lat. ambra , ambar (Duc. 1 , 223) ; een woord
van Oosterschen oorsprong, van arab. andar (Dozy,
OosierL 12). Amber ^ eigenlijk een welriekende
harsachtige stof, uit de Oostersche zeeën afkomstig,
bepaaldelijk als grijze amber {ambre gris) bekend.
Doch in het Westen paste men den naam ook op
andere stoffen toe, t w. op het tperma ceti^ ook
vitte amber (ambre blanc) genoemd, en op het
êuceinum. of het barnsteen^ dat gele amber {ambre
jaune) geheeten wordt. Zie Koseg. 1, 315. In het
Mnl. was ammer de gewone benaming voor barnsteen.
II Ende loepter oec uut {uit den pijnboom) ere-
hande traen , dat claer es ende wel ghedaen , ende
weert hart ghel^c den stene, dat hetewi ammer
int ghemene. Nat. BI. VIII, 675. Men vinter
{in Oermania) ammer ende cristael gemene, Sp.
I*, 24, 31. Elke tonne bernsteens of ammer, Mieris
3 , 1460 (a. 1363). Van eiken vate brustens (/. bern-
steens) of ammer, gewracht of ongewracht, 5233
(«. 1389). Alle sine patrenostren van kerstalle,
Tan ammere, Litre d. Mest. 39. Patemostere van
witten ammer, die mijn here cochte, Rek.d.Oraf.
3, 366. Zoo ook Invent. v. Brugge 5, 232. — Ook
in de samenstelling Ammer steen. || Succinus
data dammersteen. Nat. BI. XII, 1091.
AMMEREN, bnw. Yim Ammer, barnsteen. ^ar»-
êteenen. \ | Een zei veren agnus Dei met een buersek^ n
g'hecoppelt an een ammeren paternoster, Invent.
van een Sluisch gilde, in Taal- en Ltb. 3, 150.
AMMET (ammeyt). Hetzelfde als am^or^/, mnd.
aminet , ammit, vooral in min of meer duitsch
gekleurde geschriften. Ambt, post, bediening. \\
K.iesei die gy wilt dat zg iu raet , ende iu ammet
na bestaet {op zich nemen) , gel\jk of gy een Koninck
waert, Merl. 10209. (Doe) wart daer Keye drossate
saen ; die ander ammete liet men staen tote Paeschen ,
10223. So hadde hi vorlaren siin scepen ammeyt,
(varr. ammet, ambocht), B. v. Zutf. 63, 17.
AMONDELYS, znw. vr. Amandel. In de Oorl.
V. Albr. 265, vindt men onder het „cokencruyt" :
„Item VI pont amondelys, tpont 4 gr.** Misscnien
is het een vreemd geschreven meervoudsvorm
van Amandel.
AMOORSE, znw. vr., lokaas, fr. amorce. \\ Dat
nyemant en jaeghe noch en partryssere by amoorse
ofte anderssins . . up de boete van 3 ID par.
ende verbuerte van thamasch, Cout. v. Brugge
1 , 220.
AMOROÜSELIKE (-leke), bgw., op de wijze
van verliefden. || Si saten amorouseleke bede te
gader. Wal. 9644.
AMOÜRS (amoers, amors), znw. onz., liefde,
inzonderheid mingenot. Van fr. amour met de -s
van den Isten naamv. enkelv. Zie Burguy, Oloss.
64 vlgg. II Hi hadder mede groot deljt, groot
amours ende groot spel, Parth. 1215. Dat grote
amoers, die melodie, die si onderlinghe dreven,
Wal. 7940. Der Walewein . . ende Ysenbele hadden
beide amors, jolöt ende grote jonste, 7965. Dat
amors ende die leeste, die soe dreef met bliden
gheeste, 7981. Dienst die levede bi amourse: hi
was knape ende getrouwe vrient sinen here , D. War,
9, 146, 136.
AMPT. Zie ambacht.
AMPTSÜSTER. Zie amtsuster.
AMPÜXLE (ampul, apulle), znyï.w.l) Eene
kruik , flesch of kan , met wijden buik , inzonderheid
in de Katholieke kerk bestemd voor de heilige
olie. Lat. ampulla; mhd. ampulle; mnd. apolle,
appulle; nhd. ampel; bij ons ampel of tot pul af-
gekort. II Mettien quam daer cortelike eene duve
van hemelrike, in haren bec eene ampulle, ende
daer in kersemen te vuile, Sp. III', 7, 81. Doe
sende die patriarke aldaer een ampulle mit kerseme
daer naer, IV», 41, 19. Om 1 cnius ende om
ampullen, 10 se. 8 d.. Bek. d. Graf 3, 120. Doe
worden hem slotel, boeck ende ampullen offghe-
wijst, doe sat hy daer als een clerck, Matth. 85.
Twee sel veren ampullen, ende daer es inne van
den watre ende van den bloede Gods , Ned. Proza 67.
Charlot wert daer coninc ghecroont ende gesalft
uter ampullen daer die coningen van Vrancryc
noch mede gesalft worden, Huge v. Bord. 6. Doe
hij totter fonteynen van den doopsel quam, ende
si daer gheen cresem en hadden, soe brochte een
duve in horen mont een ampulle met cresem.
Pass. W. 1583. Soe sal ie u senden een ampulle
van volmaecte gesontheit. Pass. S. (1489), 136<?.
Twee silverine ampullen, wegende een Troysche
maerc, Oendsch gildeboek, in Taelverbond, 1854,
bl. 62. Een schone ampulle oft fyole van wonder-
lijker verwen mit heyligher olyen, Exc. Cron. b*èb.
Myt een ampul wyns, Gest. Bom, c. 153. — In de
laatstgenoemde plaats worden de woorden ampul
uHjns later herhaald door myt haer wijn pullen ,
waaruit de oudheid van den nog gebruikelijken
vorm pul blijkt. De uitspraak apulle, die ook
telkens voorkomt, gaf aanleiding tot deze afkorting.
II In sine hant met ere apulle, daer in was fonteine
tfulle, Sp. III >, 47, 87. Twee silveren apullen,
Fad. Mus. 2 , 320. Bi heren Dieric , den cappelaen
van Ailbrechtsberghe , van 2 apullen in die cappelle
tot Ailbrechtsberghe , 23 d. , Rek. d. Graf 2 , 313.
Eene duve, dewelke brochte in eenen apulle dat
heylighe Crisma , . . ende uut dien selver (?) apullen
ende met den selven crisma soe heeft men tot den
daghevan heden ghesacreert alle de coningen van
Vrankeryke, Cron. v. Vlaend. 2, 264.
2) Het schuim op de urine, misschien naar de
gelijkvormigheid met eene avtpu//^ aldus genoemd (?).
403
AMSE.
ANBO.
404
II Ampnllen dat siin scnmen, die men boven den
ringe siet swemmen of cleven an den cirkel {pp
de urine) ^ Ss. Yp. 26e. Yan desen ampnllen of
scnmen en spreect die meester niet, ende bi haer
en nemt men genen merc, ald. — Yerkl w. ampnlle-
kijn. II Orine, die valt bi druppelen ende daer
boven swemmen alse ampullekine, betekent lange
ciecheitf Hs. Yp. 2Sè.
* AMSERf znw. Misschien verkeerde lezing
voor unser (Kil. 690), ons unster, nit unittatera.
Weegeehaal. \\ Amsers ende ghewichten, Invent,
V, Brugge 2, 142.
AMT. Zie ambacht.
AMTMAN , (ambtman , amptman, ampman); mv.
av^tlude , znw. m. £ig. één in oorsprong met
ambachtsman en amman (z. ald.) , en dus ambtenaar
in H alg., maar bepaaldeiyk gebezigd in Noord-
Nederland, vooral in Gelder (Nijmegen en Arnhem)
en Overyssel en Drenthe (Noordewier 341 , Racer 3 ,
83 vlgg.) als benaming van den landsheerlgken
ambtenaar, die elders seouthete of scout , in Ylaan-
deren en firabant ook meger of amman genoemd
wordt. In sommige grootere rechtsdistricten werd
ook de drost ambtman genoemd (b. v. in Twente).
Zie verder De Vries, Mnl. Wdb. 235. j| Wouter
van Over Rgn , die doen scoutheet of amtman was
des hertogen van Gelre, Brab. T. VI, 9731. Die
scouten in den steden ende die bailyuwen ende
andere amptlude in den landen (Henegouwen ,
Holland en Zeeland), Oedenkst. 1, 267 {a. 1419).
Onse amptman of diener {in Zeeland bewester
Schelde), Mieris 4, 471a {a. 1418). Upten achsten
dach hier na versamenden hem die amptlude
van den ryck ende waren te rade van des
conincx oirbair {de ambtenaren, de vaardigheid-
bekleeders), Clerc 96. Dat onse lyeve here, her
Edwart of sine amptman in siin behoef sal moghen
aenvaen ende aengripen alle onse goet merende
ende onruerende, Nijh. 2, 90 (a. 1356). (Wi) hebben
oec mede . . ghesat tot onsen drossaet, amptman
ende richter tot Gelren in onser stat ende in den
lande van Gelren , ald. 97 e. e. — De spelling am b t -
man vindt men Nijh. Bijdr. 1, 288 {a. 1414).
Enen anderen {bode) gesent an allen ampluden in
Rijnlant, in Aemsterlant ende Waterlant, Oorl.
V. Albr. 259.
AMTSÜSTER, znw. vr. Het vr. van ons ambts-
broeder, collega. || (Hi) helt zich van den susteren . . ,
sunderlijnge bp avende, ende alleen mit hem te
callen anders dan mit die mater off amptsusteren ,
D. War. 7 , 38.
AN, voegw. Hetzelfde als al. Vgl. De Bo 52:
„An, voegw., fr. si"; in andere streken van
Vlaanderen wordt hiervoor meer in gebruikt, zie
ald. 456; Ook elders komt in vaak in deze be-
teekenis voor, b. v. Brederoo, Moortje 124 en
2024. Het zullen wel de praep. an en m zgn,
die langzamerhand deze kracht hebben aangenomen ,
en dus eig. verkortingen der uitdr. ane dien dat
(dat werkeiyk in Limb. Serm. voorkomt (zie Ane ,
kol. 66) en indien dat, ona indien. \\ AnleetJhesus
die majrtele naturliker crancheit, sone leet hise
dog nit bit gedwange, mar bit guden wille, Limb.
Serm. 160b. Vgl. Jiol 113 en noot.
AN , voorz. en bijw. , en de met An samengestelde
woorden. Zie Aen.
AN, 1ste en 3de pers. enkelv. tegenw. tijd,
aant. wns, van Onnen. Zie ald.
ANACORIJT, -ite, znw. m. Van Gr. oyaj^cu^i^Tf/;,
lat. anachoreta. Kluizenaar. \\ Fan Janne den
Anacorite. In keyser Theodosius tijt was een heilech
anacorgt in Egypten ende hiet Jan. AnieoritM
bieten de man, die met covente niet en gingen
onder abten in wandelingen , maer in wildernisien
saten, ofte in clusen, Sp. UI*, 24, 1.
ANBOCHT. Zie Ambacht (2de art.)
ANCHEL. Ruusbr. 4, 36 lezen wg: || «Hier
omme hebben si vele suspicien , vele invalle ende
onunste van mismoghene, anchel ende inwendighe
onwerde op andere menschen, die hem niet en
ghenoeghen," en 5, 182: „Hoverde, ontronwe,
giericheit, onweerde, toren, aiurA^ /, haet ende n|l"
De bet. moet zQn wrok, haat, wrevel of een derg.
begrip. Surius heeft blikbaar het woord niet
verstaan , daar hij er het woord angel in liet en
het met aculeus vertaalt. David houdt het (ne
noot t. a. p.) voor één in oorsprong metofw^/TOor
antsel, en dus voor eene afleiding van anden (m
die woorden). Ook De Vries, Mnl. Jrdb.250,mm\
dat anchel eene andere schrgfwyze voor antel nl
zyn en dat de eh als sj moet worden uitgesproken.
Doch dan biyft het bezwaar, dat de afsckrjrer
op ééne plaats, nl. 4, 80 {ansel) het woord meti
zou hebben geschreven en op twee andere metcL
Bovendien is ansel {antsel) niet hetzelfde tlseuiel
(spr. ansj'el). Men zal anchel en ansel wel ahtvee
verschillende woorden hebben op te vatten, ei
anchel moeten verklaren als den genasaliseerden
vorm van ackel, eckel (Kil. = nausea, fastidiÊ»)
d. i. ons hekel. Zie akel en vooral Ndl. Wdb. op
AKELIG. De bet past volkomen, en de ek komt
enkele malen meer voor als de verscherpte nit-
spraak van k of g. Zie b. v. achelen = hejilt%,
haoech voor havek {Esop. IV, 15).
AND ACH, -dage, znw. m. De achtste dêif u
een kerkelijk feest, de laatste dag der octuf.
„Octava, die achte dach of andach van epigber
hoichtijt," Lat.-Nederd. deel van den 7VuM.,anng.
bg Koseg. 1 , 47. Ohd. anttago , anttag , dies octams,
mhd. antac, ags. andag, dies fixus, mnd. ondêA,
Waarschgnlijk van dach en het oude voorv. «i-,
tegen , zoodat anddach eigenlijk is de tegendê§ of
weder dag, de dag die in dezelfde octaaf als gelgke
weekdag tegen den oorspronkelijken f eestdag otö-
staat: het zou dan in vorming met etmael te rer-
gelyken zyn, dat ook de bet. van feest,feui^
aanneemt. Zie vooral admael 3). Verg. Alcninnj,
die den waren oorsprong des woords nog schijnt g^
voeld te hebben : ^Octavae . . celebrantur, quia primis
diebus concurrunt; sicuti unus dies dominicus«^llt^
rum" (Duc. op Octava 2). örimm helt over tot het g^
voelen van Willems (op Heelu, bl. 152), die het geljk
stelt met ohd. antOago , einddag , als zgnde de laatste
der octaaf: zie Wtb. 1 , 496. || Dies naestes andages,
die gelach na den selven Sinxendach, Heelu 4031
In die maent van Novembre , up dien andagh sent«
Martins, Oorkb. 2, 2073 {a. 1282). Tusschcn n
ende den andach van onser Vrouwe daghe in halten
oechste . . Ghegheven te Biervliet in ons Herei
jare dusentech twee hondert ende neghenteck,
des Manendaghes op den andach sente BonefaMi
Kluit, Hist. Crit. 2, 920; Oorkb. 2, 313 (in beide
uitgaven omdach; doch verbeterd naar de aan-
wijzing van Willems op Heelu, t a. pi.). Ds
Donredaigs na den andach van Derthiendage,
Brab. Y. Dl. 1, bl. 679 {a. 1292). Des andaghei
nae sunte Phylips ende Jacobs dagh, Ngh. «i
24 {a. 1346). Des manendages nae andages snnU
Peters ende sunte Pauwels, 55 (a. 1352). P^
dinsdaghes na andaghes Paesghen, 76 (o. 1355)-
Des manendages na andaghes sunte Martij ns dagke,
101 {a. 1357). Des naesten dinxdages nae andack
405
ANDE.
ANDE.
406
des heiligen Pinxtdages, 3, 89 {a. 1381). Op
andach van ons Heren Hemelvaertsdach , 176
U. 1391). Des dinzdages na andach sente Mertijns
dage, lés (a. 1392). Ten andage yan sinre gehort,
dne hi besneden wart na den anden wet, Limb,
Serm. Ibbc. Zie verder NQh. 1, 286 vlg., en
verg. Koseg. 1, 366.
ANDE (ook HANDE, en in H r^m aende ge-
schreven), znw. vr. Ohd. anadOj ando m., zelns,
mhd. ande m. en vr. , ags. anda , onda m. , zelns ,
invidia (Grein, Glost, 1, 4); onrd. önn, cura,
labor, studinm (Egilsson 624, Jonsson 768). Yan
got en ags. anan, spirare (verg. aysfiog, lat.
aiUmus), waaruit zich de beteekenis van zeltu^
studium zeer geleidelgk laat verklaren: verg. het
lat. animut {in aliquem) en ons znw. animo. De
grondbeteekenis van ande was ^n% gejnoedibeweging,
1) IJver ^ drift y oorspronkelQk ook in goede op-
vatting , inzonderheid in de onderwetsche kerktaal,
en düs voor ijverige gezindAeid^ hartstochtelijke
genegenheid, || De ande {elders minne, Hs. v,
1348, 90c) dQns hnses at mi. Psalm 69, 15,
in Lett, N, W", b^^ 214. Dijns hnses ande heft
mi geten, L. v, J, e, 169. Op beide plaatsen
Ps, 69, 10 en Joh. 2, 17, in de Vuig. zelus\ in
de Staten-Vert. ijver. Ook bij Notker (68, 10)
heet het „Mih peiz dtnes hüses ando", en in de
Onl. Psalmen: ^Jndo h^es thinis at mi." — In
dezen zin schynt het woord ook nog voor te komen
btj Praet 567: „Maer pooch dattuse brincs te lande,
daer soe den brudegomme mach vinden, die hem
liet slaen dor sine hande, om dat hize wilde ont-
binden," d. i. door z^n drift, zgn ijver.
2) liri/£ , ergernis , toom , gramschap , in de gewone
volkstaal, waar de kwade opvatting des woords
voor de goede in de plaats trad. Verg. nd. ande
TOOT entpfindung, sehmerz, zom (Koseg. 1 , 368). ||
Ende ontsach hem des ons Heren ande Ois. hande,
var. ande), dat hem die plage ware oi, Bijmb.
14596. — Bepaaldelijk in de volgende spreekwazen :
— Enen sine ande vergeven, zijn toom
{over iemands schuld) laten varen, hem de schuld
vergeven', evenals men zeide: sinen hat — ,
sine gramheit — , sinen evelen moet ver-
geven. Zie bij Yeroeven. || Ay God! nu bree
onse bande , ende vergef ons dine ande ende dinen
evelen moet, Wap. Mart. III, 371. — Hem ter
ande setten, zich tot toom zetten , zich vertoornen
en toraak begeeren. \\ Want ten sijn liede onder
der sonnen, die haren here bat onnen ende eer
wreken sine scande, opdat hi hem selven set ter
ande, Mrab. T. V, 1097. — Sine ande wreken
(evenals sine gramheit wreken enz.), zijnen
toorn wreken, d. i. wraak nemen over dengene, die
den toom verwekte. || Sijn broeder was een tornich
man . . ende gaderde here om sijn ande te wrekene,
want hyt geme wrake, dat hi dorste doen selke
sake, Brab. 7. II, 4826 (iJ^p. IV ',52,42). Verbeidt,
ende vrreect u ande! Éeelu 3571. Si waren die
viande , daer die Scavedriesche haer ande geme ane
hadden gewroken, 7189. Hoe sy mochten . . best
gewreken haere ande, Orimb. I, 6252 var. Willic
alle mijn ande wreken, soe comen m^n vriende
mi verspreken, D. War. 1, 134, 21. Een siet
dicke gescien, die hem aftien den sonden clein
no groet, groet onnere ende scande, ende wreken
Gode s^n ande an meneghen voer s^n doet, Belg.
Mus. 1 , 133, 3. — Eens anders ande wreken,
aan dien* toom voldoening verschaffen door hem te
wreken op zijnen vijand. \\ Dat hem die Gods zone
heeft gesant sine gracie, om dat si sine ande
gewroken hebben op sine viande, Lsp. IV, 3, 39
(in den tekst hare ande, dat hier minder past).
Als ie hier street op u viande, om te wrekene u
ande, JAmb. V, 1687. (Die) met hercrachte den
bisscop van Coelne sochte, daer hi op diere Lim-
borcheren ande wrac, Heelu89. — Een klassieke
term was: — Gods ande wreken, Ood wreken
op zijne vijanden , in den str^d tegen de Ongeloovigen
en de v^anden der Kerk. |) Ende gewroken Gods
ande op Saracenen, op Gods viande, Orimb. II,
5210. Dat wi wreken die Gods ande nu op dese
Gods viande, Sp. IV*, 35, 11. Dan gi u l^f te
pand[e set,! om Gods ande te wre[kene Mer],
Velth. II, 37, 42. Ende wilde Gods ande helpen
wreken, II, 38, 12. Wapen dragen met eren, om
te wrekene de ande ons Heren, Teest. 744. Dat
God in soe langen stonden geen vriende en hevet
vonden in alle sine kerstine lande, die wreken
wonde sine ande. Wrake III, 1867. Daer himede
wreken soude Gods ande, III, 1814. Wreken Gods
ande, Vod. Mus. 4, 83, 684. — Ook biJStokell,
1032: „Om te wrekene ons Heren scande ^^ zal
ande wel de ware lezing z^n.
3) Gevoel van ergernis, spijt of leed, hetzg om
geleden smaad, hoon of smartelQke bejegening,
hetzQ om daden of woorden , die verontwaardiging
wekken. || Dit was den coninc so grote ande, dat
hi den grave voor sine tande wel nalike hadde
geslegen doe, Parth. 6982. Dydo, die hare ver-
brande omme Enease van grotere ande, Sp.1*,
55, 49. — Des ande hebben, ergernis gevoelen,
zich ergeren (over iets). || Dat hi sier liede vele
miste , des was sQn herte in groten twiste ; . . hen
was geen wonder, al hadd|js ande, Stoke V,
845—^. Ie hebs ande, dat gi soe sere prgst dat
geit, Vad. Mus. 2, 169, 127.
4) BQ overdracht, door verwisseling van oorzaak
en gevolg, ook van datgene, wat ergernis of leed-
fevoel opwekt, en dus voor het leed, hei verdriet,
e ergernis, moeite oï pijn, door iemand eenander
aangedaan. || Die visch dede heme grote ande.
Brand. {B) 2072 {C 2142: hande). Ende die
om des conincs ande sinen lieven sone heefs
bracht in dolingen, Sp. II', 19, 6. Ittit groter
vreesen , mit groter ande quamen sy alle aen enen
lande, Troyen 9953. Met rechte maecht my sere
deren , dat gy my wilt doen sulke aende (: maende),
10512. Daer si scade ende grote aende allen
kerstinen lieden daden, ^. III*, 11 , 14 ^: maende).
Met Jeronimuse was ie VI maende, die menege
pine ende aende van den quaden volken gedogede,
III», 27, 73. So vele vemoys, so menege ande
daden hem daer die viande, III', 43, 19. Dat
men iu daerombe doet enige ande, Merl. 3239.
ANDE (anden), znw., voor hande, handen,
mv. van hant, Bose {Cf) 118, 196; enz.
ANDE, West-Friesche dialectvorm voor het
gewone Bnde, voegwoord, thans en. Ofri. anda,
ande, and (Richth, 604); eng. and. || Ie wille dat
dit vaste si ande gestade , Oorkb. 2 , 8O0; Soutendam,
Jrch. V. Delft 4 {te Haarlem, ^268).
ANDELEN, voor handelen, behandelen. VI,
Pijmkr. 493.
ANDEN, ook handen geschreven {hi andet of
ant, dw. geant), zw. ww. bedr. Ohd. anaddn,
andón-, mhd. anden', nhd. ahnden\ mnd. dnden',
ags. andian. Verg. ook Schmeller-Frommann , Baier.
Wtb. 1, 99, en zie verder bQ Ande, Geanden
en Ansel.
I) Met eene zaak als onderwerp eii een persoon
als voorwerp.
407
ANDE.
ANDE.
408
1) Enen — , iemand pijnlijk aandoen^ hem
grieven^ ergeren ^ verbitteren^ met de bijgedachte ,
dat hij daardoor tot wraak aangezet wordt. || „Gi
staect mi herde dorperlike van minen orsse , sonder
plecht." — „Oft u andet, so nemes recht!" Lanc.
III , 15357. Dat gi mi taent nu dus sere , dat ant
mi, bi onsen Here, III, 15386. Het ant mi so
dat ie verdoye, Parth. 7301. Qi sijt der scoenre
rosé botten ten naesten, dat gire nemmermere
comen snit bi enegen kere, hoe lettel of vele dat
u ande {he, hande), B4)se fr. bl. 255, vs. 159.
8o dat hi ter saleger leeren menegen mensche
daer brochte in dlant, so dat den dnvel hevet
geant, ende porrede daertoe qnade lieden, die dit
weldoen wilden verbieden, Sp, II', 39, 18. Dit
heeft den duvel sere geant, ende heeft op hem
gemaect viant, II*, 41, 9. — Dat mach mi
and en, dat doet mij onaangenaam aan^ daar
ben ik met reden verstoord over, \\ Mi dinct,
ie hebbe mijn cmut verloren; . . . bi miere
wet, dat mach mi anden! Eleg. 819 — 22. Bedy
gy en haet niemen el van uwen geslagen vianden ,
sonder my: dat mach my anden! Tragen 3850.
Dit mochte den grave sere anden, datten Geraert
wilde ontliven, Stoke IV, 1494.
2) Enen, — iemand benijden ^ ijverzuchtig op
hem zijn. Verg. ags. andian, in videre. || Doe dit
die flsisiene vernamen, want geen sieke te hen en
quamen, ende si hoerden van dien doene, anden
si sere Panthalioene , Sp. 11", 33, 69 (In den
tekst staat baden, dat geen zin geeft, en onge-
twijfeld in anden veranderd moet worden. Bij Yinc.
invtdebant).
II) Met een persoon als onderwerp en eene
zaak als voorwerp. Iet — , zich iets erg aantrekken ,
zich over iets verbitteren of boos maken.
1) Zich ergeren {over of aan iets) en die ergernis
doen blijken. \\ Ende gaf sinen wive enen slach,
daer sijt dorste anden , Eleg. 1218. Dus seide
Cursout den wille sgn, dat niemen ne ande sonder
Clarijn (Af. hande), Parth. 4703. Wat hi wil, mach
niement anden , Stoke Y , 1084. Doent Yenus sach,
fine si dat anden, Vad. Mus. 1, 312, 168. Beide
en voeten ende den handen mesquam , ende begon-
sten anden, dat si pijnden dat hi at die buuc,die
emmer leget sat, Esop. LXY, 1. Hem behoeft een
dicke scilt, die alle dinc anden wilt, Belg. Mus.
6, 185, 45 (uitg. Men b. enen dicken sc.)i
2) Zijne ergernis over iets feitelijk toonen, door
er wraak over te nemen. In deze opvatting geheel
gelijkstaande met wreken. \\ Ande ochte wille
Ritsart dese lachterlike wart! Lorr. II, 3394. Dat
iet althants niet en ande (hs. hande) , dies so wert
te meerre scande , II , 4084. Hi was so hovesc , . .
dat hine wilde in gere maniere dat anden (Af.
handen) , als menich sonde doen , Wal. 8545. Ende
weet oec wale dat iet ande ende anden sal, gine
latet bliven, Bcse 8056. Doet dat gi wilt, insaels
niet anden, want ie sta in uwen handen, Yelth.
III, 43, 57 (d. i. niets er van wreken, dus vol-
strekt niet). Al hadde men hem mesdaen zware . . ,
sine haddent dorren anden {hs. handen) niet, VI.
Rijmkr. 2880. Dat moet ie anden! Lutg. II, 1238.
Es God rechtich so sal hyt anden, dat zi onnozele
te rechte pauden van boeten die hen niet souden
geburen, Praet 2142. — Den lachter anden,
de schande wreken. || Du sout hemelrike panden
up Gode, wiltu dien lachter anden. Overzee 51.
Die wael dorsten haren lachter anden, if<fr/. 21299.
— Sijn leet anden, de hem aangedane beleedi-
ging wreken. \\ Och selc gelucke toequame sinen
vianden, dat si hare leet noch wonden uden,
Heelu 7470. — Wreken no anden, zijnewak'
lust noch met daden, noch in woorden of ylut
openbaren. Dubbele en daardoor versterkte uitdrok-
king , die de beide opvattingen 1) en 2) vereenigt l)
Hine dorste wreken no anden, het waren alle siae
vianden, Yelth. lY, 42, 51.
ANDEEN (andein), znw. onz. Mlat anim
(Duc. 1 , 250, 1); verg. ofr. andier (La Cnme 1,
436); nfr. landier, met voorgevoegde / (Littré 2,
246) ; eng. andiron (Wedg woord 1 , 61 ; Muller 1»,
20). Eene ijzer soort. \\ Oec vintmen in somechlint
erehande iser , als iet vaut , datmen andein heet
openbare. Men machet smelten alst coper ware , mier
et en es te smeden niet so goet, ensi datmer
conste toe doet , Nat. Bl. XIII , 141 (Lat vul^ariUr
andena dicitur. In den tekst naar het Leidsebe
Hs. anders, welke vorm misschien Miiot[.eniiei{i\
te verklaren is). Oec hadde die here mede enen spiet,
die hem up minne Talrestis gaf, die coninghuine,
ende enen knyf van andene, Alex. IX, 584 (Sael-
laert in de aantt.. Dl. 2 , bl. 409 , en Franck (bl. 490)
houden andene yoot een eigennaam, en wel Jndenmii
het graafschap Namen, dat de eerste vermoedt destfdi
beroemd geweest te z^n om zijne messenmakerjeii,
als later de stad Namen ; doch voor dit vermoedei
is geen grond. In de Alexandrei» ontbreekt dit
gedeelte van Maerlant^s gedicht).
ANDER, -dere of dre, bijv. vnw. Got aiUUr\
ohd. andar ; mhd. nhd. ander ; mnd. nnd. ander \ a^
ddher; eng. other. Ander staat dikwgls onverbo^
of als apocope van andere, als b. v. || Aoder
porte engeue, Heelu 355. Ene ander bede, Feril
1284. Ene ander werf, Terg. 1525. Een ander
smerte, Parth. 2227. An ander copinge. Her.
1633. Ter ander camer, 2915. Op dander aide,
Limb. YII, 860. In ander siden, in die ands
side, Heelu 2494, 5110 (verg. banderside). And»
scaep, Bein. II, 4270. Ander diere, Parth. 2210.
ü ander borge, 1252. Dander viere, Ferg. 3231
Ander vele, Heelu 3231. Ander heren, 7464.
Boven alle dander, Flor. 2971. Sonder tndff
treken, Doet. III, 1206. Met veel ander banroctsea,
Exc. Cron. 161b. Onder dander, 161*, 163tf ew.
— Yooral had dit plaats, tïis ander door een bexittel|l
vnw. van zijn znw. werd gescheiden, als: j| Ander
mine vrient, Christ. 53. Ander haer werke, 128.
Ander haer lede, 630; enz. Yerg. ANDEEi
— De 2de nv. , m. en onz. , der sterke verbnigisf
was anders, gelQkluidend met het byw. anden,
en daarmede niet te verwarren, (j Meest da
menschen dunct quaet anders leven ende sine staet,
Teest. 232. Sanders (w.), Lanc. II, 44969,45131
Tsanders (»f.), Bijmb. 14241 {var. des andersV
Alles Sanders {onz.), Lanc. III, 14324; enz.
1) Tweede, het gewone ranggetal (lat. wr»»i«).
in welken zin het woord ook in de verwante oade
talen (got., ohd., mhd., ags. enz.) in gebriik
was. II Deerste . . dander . . dat derde, Lsf.ly
13, VS. 37, 45, 53; III, 13, va. 43, 53, W.
Dierste . . dander (dandre) . . die derde , Lsp. II,
54, VS. 6, 13, 20; III, 19, vs. 4, 13, 21. Iki
andren ende den derden daer naer, Lane. Il,
3184. Opten irsten oft opten anderen dach, lü,
1240. In coninc Joas ander jaer, Bijmb, 138(&
Ins coninc Daris ander jaer, 17459. Tandertekfi
heet stier. Natuur k. 1307. Sixtus dander, Ltp.U,
44, 451. Johannes . ., dander die hiet alsoe, Ü,
48, 558. Dese ander Heinric, Braó. F. HI, 285i
Dese andre Jan hertoge, Y, 643. Dies dcerst'
lettere D. telt, ende dandere en heeft geen getil
409
ANDE.
ANDË.
410
JD, Jnand II, 6389. Die derde lettre van der
sillebe mede es dander vocael , t. v. 'Ë, U^ 6395.
Ende aldns hebdi dat ierste pant . . Hier na
Yolget dat ander pnnt, Ruusbr. 3, 226. Bat myn
here den anderen strijt gewonnen hadde, Oarl. v.
Albr. 67 ; enz. — Vooral gewoon was die (of dat)
ander boec, het tweede boekj in uitdrukkingen
als: II Hier begint dander boec; die ander boec
hier begint; den andren boec willic beginnen; dit
es die Me van den andren boeke ; die ander boec
heyet in; den andren boec latic hier bliyen; enz,
— Ten anderen male, ten tweeden male,
andermaal, 3£Zoep I, 2345; in de tweede plaats,
ten anderen, Brai, Y. VI, 8495; Ruusbr. 3, 36.
— Hem (baer) anderen, m^^Atm^^^?^, ook in
denzelfden zin met hem anderen. Zie De Jager,
Arch, 4, 249—251 en Tijdschr. 2, 192. || Dusquam
soe ten berge saen baer anderen, Sp. V, 59, 46
( Vinc. ^eum pi^ero ad litus venit"). Item Persemiere ,
die doe trompte hem andren , BeJk. v. Oent 1 , 1 64.
Van cost, die Jor^js Kippenberch mit him anderen
. . mit tween pairden tot sinen huze dede, Oorl,
V. Alhr, 139. Item socbtens verteert wii achte
ende die burgermeyster mit hem anderden, elcx
drie grote, 83. — Na de 14de eeuw kwam voor
het verbogene andere, in dezen zin, ook de vorm
anderde in gebruik (met ingeschoven <i na de r,
als in ons zuiverder voor xuiverer enz.), en zeide
men die (dat) anderde. jj Onse anderde boec,
MLoep I, 3271 var. Dat (int) anderde boeck, II,
Titel, 442 var.; IV, 158, 248 var. Die anderde
quellinge, Oeet, Bom. e. 30. Waert dat ie desen
anderden man liever had dan den eersten, e. 75.
Na dattie anderde cloc geluudt is. Leid. Keurb,
21. Laken van anderde wolle . . ende laken van
der derder wolle , 82 ; verg. 518 , 526 , 527. Jacop
die coster, van dat hii gewaect heeft up sinte
Peters toirn mit hem anderden 17 nachten, Bel.
V. Leiden 427. Dat eerste trapkyn . . , dat anderde
trapkgn, Ned. Proza 316. Die ander plage ende
dat anderde gebot, X Plag., titel vóór vs. 424.
Dn selste die anderde vrouwe werden geheten in
den palase nae die coninginne, Pats. Jr. 476. Als
Dideric gestorven was, die yerste grave van Hol-
iant, wert Dideric sijn enige soon die anderde
grave tot Hollant, Matth. Jnal. 3, 58. In die
anderde bat talie , ^jrr. Cron. 121b. Den Paus Pius
den anderden van dier namen, 2023. Ten anderden
g^nge . ., ten derden male, 2266; enz. — Mis-
schien is de vorm anster, dien men vindt Bek, d.
Gr, 1, 9: „in der prochie van Loenen . . bi
len slote dene side . ., bi der aneter side*^ als
sen dialectische vorm voor anderste (= anderde)
« beschouwen.
2) De tweede , van twee personen , van welke te
^oren de eerste genoemd is (lat. alter) : Die een —
Ue ander, of deen — dander, geheel overeen-
itemmende met het hedendaagsche gebruik. Doch
»pinerkin^ verdient, dat hier by ander het lidw.
eelal wordt weggelaten , wanneer de eene persoon
iet object is eener werking van den anderen. || Ie
rilde , hi hinge an enen boom . . alse een dief,
ie andren heeft gedaen meest rnet, .BW». 1,184.
Sntie meest andren heeft mesdaen, I, 191. Wie
'at daer anderen {den ander) conde met crachte
nderbringen , Heelu 866. Hi sal di alse na bestaen
Ise man mach anderen, Vad. Mm. 4, 319, 215.
— Deze weglating van het lidwooord is reegel,
'anneer elc, mallijc, haergelijc of haerlijc (d. i.
ïk vaft' Aen beiden) voorafgaat , en dus eene weder-
jdsche werking wordt uitgedrukt. De beide deelen,
elc enz. en ander, bleven afzonderlüke woorden,
veelal gescheiden door een voorzetsel of door het
werkwoord, dat altijd in het enkelvoud gebruikt
wordt, ten minste wanneer elc, mallijc enz. het
subject van den zin uitmaakt. Ander staat in deze
verbinding altijd in het manlijk geslacht, zonder
dat het werkeiyke geslacht der bedoelde personen
of zaken in aanmerking komt. || Dit geloefde elc
anderen, Beatr. 159. Elc en haette anderen niet
sere, Ferg. 5559. Elc hadde andren doet geslegen,
1881. Elc groete anderen, S^. UI", 26, 6. Elc
hevet anderen gegroet, III*, 16, 31. Elc bereidde
andren soe, Line. II, 9766. Elc droech andren
ter erden. II, 4499. Elc dede andren grote ere,
Limb. V, 2179. Elc sal bi andren teren comen,
V, 2095. Elc quam op andren thant, Lanc. II,
5719. Elc liep op andren met nide groet, elc
sloech met nide op andren, II, 5742 vlg. Elc
liep ten andren wart, II, 9760. Elc was anders
doe sere blide , zij waren zeer verAeitgd over elkander,
II, 9043. Elc was sanders (/. anders) blide, III,
2432, 5825. Elc was anders viant, ^. III*, 4,8.
Doe elc wiste anders name, Xtmd.V, 21 74. Mallijc
sloech op andren met sporen, Ferg. 5350. Haer-
gelijc andren an hem dwanc. Flor. 3049. Haergelijc in
anders arme lach , 3298. Haerl|jc ontfarmde anders
sere, 3529. Hoe tilic haerlijc andren minde, 3807.
Zie verder bij Mallijc en Haergelijc. — Een
enkele maal komt anderen met het lidw. voor,
doch alleen in lateren tijd. || Elck den anderen in
armen dructe, MLoep II, 1467. — Ook vindt men
de beide woorden; elc en ander, in omgekeerde
volgorde gebezigd. || Ooc ginc andren elc verslaen ,
Bijmb. 8924. — Wanneer een meervoudig vnw.
of znw., de aanduiding der beide personen (of
zaken) behelzende, als subject staat, en elc of
mallijc daeraan als bg stelling toegevoegd wórdt,
of wanneer de wederzijdsche werking aan meer dan
één paar te geiyk wordt toegeschreven, dan staat
natuuriyk het werkwoord in het meerv. || Doe
gingen si grote slage slaen elc op andren, Lanc.
II, 4506. Si staken elc anderen, II, 8874. Si
souden . . elc andren helpen, II, 8991. Nauwe si
hem ondersochten om elc anderen te verderven,
Bein. II , 7066. Alle die gene diese sagen, begonsten
mallijc anderen vragen, Ferg. 5037. — De laatst-
genoemde woordvoeging is sedert bij uitsluiting
in gebruik gekomen; elc anderen en male an-
deren begonnen zonder eenige afscheiding bgeen
te staan, en zoo ontstonden het hedendaagsche
elkander en malkander (dat men reeds vindt
MLoep II , 1466) als aaneengekoppelde woorden ,
by welke zelfs het voorzetsel niet meer tusschen
de beide deelen in , maar vooraan geplaatst
wordt (mnl. elc op andren, thans op elkander). —
Ook zonder elc vindt men ander gebruikt,
ter aanduiding eener wederzijdsche werking, by
een meervoudig subject. || Anderen daden si
gerief, Vergi 544. Dat man ende wyf van ander
keren hoir genoecht ende horen {haren) wil, Hild. 153,
44. In anders arem waersi bevaen, O VI. Lied. en
Oed. 11 , 4. Het lach een wijf van frisschen zinne
bi haren boel alleine , in anders arem vast gemeine,
83 , 3. — Later echter wordt in dit geval aan anderen
het lidwoord toegevoegd. || Ie ende gi wi s^n die
den anderen minnen mogen. Vrouw. e. M.
I, 158. Swagers synt nummermeer beter vrienden ,
dan veer van den anderen, Spreuken 22. Als twee
naelden tegen den anderen steecken , die en hechten
niet op malcanderen, 61.
3) Van tijdruimten gezegd. De naaste, naast-
Ui
ANDE.
aNde.
412
aanfffgnzende , hetzg van voren of van achteren , en
dns in tweeledige opvatting:
a) De naastvoorgaunde. \\ Den anderen dach voer
sente Marien Magdalenen (pridie), Brab. Y. YI,
428. Dat hire twee liden sach des ander dages
vor middach, Lartc, II, 43615. Hem gedochte . .
sferdriets van den anderen dage, i^. UI*, 16,
36. — Verg. Anderdages.
b) De naaitvolgende. \\ Int ander jaer hier na,
Brab. T. I, 1396. Des ander dages \pottridie) na
sente Jacobs dage, Oorkb, 2, 2703. Des anderen
dages na sente Jans dage middensomere , 3243.
Des anders dages na sinte Andries dach,
3483. Des anders dages na sente Berthelmens
dach, Mieris 2, 3233, 3243. Des ander daegs,
Brab. T. VI, 6757. Des anderen dages, VI, 2041.
Des andren daegs, VI, 5764, 5763. Des ander
dages daema, Exc. Cron. 1613. — Doch de hier
gebruikte zwakke verbuiging van ander, thans in
ons ^t anderen daags de gewone, was van lateren
tyd; de echte onde vorm was: Des anders
dages of sanders dages. Nat. BI. III, 1357;
lAmb. IX, 841; Flor. 1950; sanders daegs,
Bijmb. 5679, 6799; Flor. 2617, 2711; tsanders
daegs, 4372, 5843, 6046; sanders mer-
gens, Flor. 1946; enz. — Over andren
dach, thans om den anderen dag\ nog heden in
Noord-Brabant gebruikt , - eng. every other dag.
II Dat ommer, over andren dach, dies greven
ziele leed grote pine, die dies eens daegs voer
hem leed Eerstine, Chritf. 1492 (in de uitg. den
andren, doch dit is eene drnkfont. Zie Bormans
bl. 397).
4) Ander, lat. aliut, de hedendaagsche beteekenis,
ook in 't Mnl. zeer gewoon, doch in het gebruik
eenigszins van het onze afwijkende. || Felre wart noit
geboren ander, Rijmb. 20390. Archelause, syn
sone een ander, dien droech Mathaca, 20706. Dat
es God ende niemant ander, O VI. Ged. 3, 112,
546. Daer dandre sine vorders lagen , Rijmb. 19637.
Anderre wive onderwenden niet, Teesi. 2676. Van
goeder gewoentheden anderre geesteliker menscen ,
Ruusbr. 3 , 183. Anderre menscen scout ,196; enz. —
Zeer gebruikelijk is de 2de nv. enkelv. onz. bij iet ,
iets ; niet, niets ; vele en genoech, die dan steeds voorop
gaat, als: Anders iet, 9. 0^. Wiven 10 ; Stoke VIII,
743;andersniet, Parth. 1206 ; Heelu 1 123, 1336,
2187; anders niet een twint, Sp. IIP, 25,
98; anders niet el, Chriat. 58, eigenlijk van
andere dingen niets anders (verg. Bormans, bl.
33 — 36); anders genoech, ^. I», 8, 5. Alte
vele anders dincs, Ckrist. 1123; enz. — Ook
wordt anders gebruikt zonder toevoeging van iet,
vooral wanneer het gevolgd wordt door dam
Anders dan, iets anders dan; verg. fr. dautre
chose que. \\ Want ie anders hebbe te doene dan
van der Jueden sermoene te makene vele parlemente,
Sp. I*, 6, 43. Ie begeer noch in den hemel noch
in der eerden anders dan dl, Stemmen 82. Brant,
volc van wapene of anders dan goet, Invent. v.
Brugge 6, 334. — Niet alleen als manlijk, maar
ook als onzydig werd ander substantivé gebruikt,
evenals lat. aliud. \\ Dat hijt hem betren doe ende
ander dat behort hier toe, Sp. V, 80, 41. — Een
ander (onzijdig), een ander ding, iets anders, het-
zelfde als mnl. iet el. Vgl. Taalk. Bijdr. 1 , 60. Ook
mhd. ein ander, „etwas anderes" (Ben. 1 , 363). || Dit
seidi dor behendichede , om Èlegast te proevene
mede ; nochtan wasser een ander an : hi hadde gerne
geweest van dan, Eleg. 993. Alse te voren die
^ote Alexander up die van Rome eeschte een
ander dan Emulus hadde besproken, Sp. 1^5,5.
Of es hem een ander sochter, IV', 66, 100. Ie
waende een ander, I', 47, 26. Hoort hier een
ander, Rijmb. 20503. Want die heymelike sprect
ende ginder een ander ontdect , Meltb. 1896. Ginder
een ander bringen voert , 1894. Een ander dAt di
beter is. Kal. 6, 118. Onder den hoet een ander
scinken , Theoph. 108. — Evenzoo , met de ont-
kenning: Negeen ander, nietsanders. |Mi«^
ander hi en rochte dan dors dat hi van lande
brochte , Ferg. 977 (verg. 976 vlg.). — Ook in
den vorm anderde, doch in later tyd. Verg. b^l).
II In Mojses anderde boecken, MLoep III, 9 tv.
ANDERDAGES , bg w. Van de adverbiale uit-
drukking anders doges. Zie Ander 3, d).
1) Eigeniyk den vorigen dag. || Walewein dancte
alre ere Moriane, dat hi hem behelt sanderdages
diyf op tfelt. Mor. 3338.
2) Bü uitbreiding ^;r^ dagen, onlangs, kort geil-
den. Mhd. anders tages, „neulich", nnd. anderiofa
(Koseg. 1, 377) ; eng. tAe other dag ; friesch okkerdai\
fr. Pautre Jour. Nog heden is anderdaags toot
onlangs in Groningen bekend (Swaagman 49). Td
Grimm Oramm. 3, 129. || Here, anderdages, ui
was waer, daer ie lach in mgn pawelioen, feri.
2878. Die heydene die . . sanderdages waren gerloei,
lAmb. V, 1454. Alsoe die stadt van Amersfoert
anderdages ene nederlage gehadt heeft. Barman,
Vtr. Jaarb. 3, 527 {a. 1481).
ANDERDE, bnw., voor andere, ander. Se
Ander 1).
ANDEREN, zw. ww. bedr., veranderen, ^ki-
deren, vetus. Mutare.^^ Kil. Mhd. andem.lbi^
anderen schynt niet voor te komen.
ANDERHANDE. Zie by Hant.
ANDERHEIT, -hede, znw. vr.
1) Het anders zijn; ander wezen, verschil ^ oader-
scheid, in abstracte opvatting; het tegenovergesteld!
van eenheid. Lat. diversitas; mystieke term, TOonl
by Ruusbroek gewoon. || Dese selve eenheit . . •
verteert ... al dat daer geoppenbaert wert ii
anderheit, Runsbr. 1 , 47. Anderheit ochte ninvtefaeit
van gelove, 101. Soe syn wi een ander van Gode,
ende en mogen niet één werden , mer ewelic ii
anderheit bliven, 5, 41. Die sone . . siet bes
uutvloyende in persoenlike anderheit uut der sab-
stancien des Vaders , 77. Eenheit in minnen &■
mach anderheit niet werden , ende anderheit es
mach eenheit niet werden, 245. Eest dat hi hei
selven merct, hi vindt ondersceyt ende anderbfi^
tusschen hem ende Gode, 6, 200. Ondersceit eadc
anderheit, 3, 230, 240; 5, 73, 136; 6,227;
Ned. Proza 28. Inder ewangelien ia een edel pii«-
heit, die sober is van alre anderheit, ende eei
onbegripelike licht, een onvergancUc leven, Si-
JSpist. ld. — Verg. ook Runsbr. 6, 46, 72; 6,
183, 187; enz.
2) Het anders zijn, het buiten aieh zelven s^^
de vervreemding van zich zelven , verstrooiktg 9J
verbijstering van den geest; een term uit de mystiekf
godgeleerdheid. || In dien dat wi onderlinge casses
ende gerinen , soe gevoelen wi anderheit , die o*
niet gedueren en laet in ons selven , Rausbr. 3 , 3K.
Anderheit of benauwinge of ongelycheit of rtf-
warringe van binnen, Gerl. Peters 222.
3) Verschil, oneenigheid. || Hierom wert groö»
gescelt ende anderheit om te antwoerden ooder
desen tween heiligen, Boeck v. d. L. Jhesu 221i
Nochtan sullen si dusdanigen dmc des vleif
sches hebben, glosa, om menichvoudige anderheit
die in der echtscap vallet, Rs. 75, /. 28r (I Cor. 7, S?j
413
ANDE.
ANDE.
444
ANDEBLEIE. Zie by Leie.
ANDEBLINO , «nw. m. , aehtemeef^ neef in den
tweeden graad ^ kind van een vollen neef of een
volle nicht ^ fr. cousin eoue-germain. Uit Ander en
het achtenr. -line. Een in Vlaanderen gebmikelijke
term in denzelfden zin als Andersioeer'. zie ald.
Kil. Ander-linck j. Ander-sweer. || Yan
eiken C pont. parisis te soenen es scnldich sinen
maechzoene also hier na yolghet: Elc broeder es
scnldich sinen broeder die principael es . . XL s.
Elc ooms of moeyen kint . . XX s. Elc anderlinc . .
X s. Elc derdelinc . . V s., Cout, v, Oent 617.
ANDERS, b^'w. In den nog heden gewonen zin
van op eene andere wijze oi in een ander geval.
Mnl. anders werd echter in eenige opzichten op
eene wgze gebruikt, yan het hedendaagsch taal-
gebmik yerschillende.
1) Anders, van eene andere soort ^ yóór een znw. ge-
plaatst, in stede yan het yerbogenb|jy. ynw. a^e^^,
aindere\ als b. y. anders Auus, een ander hnis, anders
liede, andere lieden. || So scone een wgf, dat men
tien tiden anders lijf noit en sach hare gelike,
Alex, Yin, 77. Anders huns wi noit en sochten
dan hole ende hagedochten, i^. 1^,57,26. Tslant,
Sweden ende anders yort eylanden die liggen bet
nort, I', 88, 63. Anders pant ne mochti geyen,
I', 86, 27. in die lande en qnamen anders conin gen
dan y rouwen, I^, 46, 26. Die . . anders weldaet
en doet niet, lY*, 12, 89. Anders oec yeleliede,
Bijmb, 21788 y2it. (tekst: andere); yerg. 22741 yar. :
Yisscherie ende anders renten , Stokel, 626. Profijt
no anders ghewinne, Amand I, 3946. Anders wise
knapen, Hild. 208, 104. Anders yele qnader ghe-
werken daden si in Yrankerike, Fl. Bijmkr. Si 7.
Anders yronwen, Belg. Mus, 10, 66, 24. Eist in diefte,
eist in brande, eest in roye, in yergeyen yan
yennn oft in anders dootliker dingen , Brah. 7*. Dl.
1 , bL 783 («. 1330). Omme ghelt of om bede of
anders quade saken, Ned. Proza 162. Anders yele
goeder laden, liatth. Anal» 3, 269. Onze poirters
ende anders Inde, O. W, v, Amst. 11, 7. — In
dien sin kont anders ook yoor, door het ww.
yan het znw. gescheiden. || Daerwert reet die
ridder fier bi der claerheit yan den yiere, want
anders was hem claerheit diere , Limb. X , 78, d. i.
andere klaarheid was duur voor hem , m. a. w. buiten
tipt bereik. — Ook b|j de ontkenning ^«m , nog heden
niet ongewoon. II Anders gene haye, Sp. IY',8, 7.
Anders geen yolc, Alex. YIII, 1061 (b^ Franck
onnoodig in el geen y. yeranderd). — Yooral ge-
woon was dit gebruik yan anders zoowel bg
een znw. , yooraf gegaan door een bezitt. ynw. , als
bg een aanw^zend ynw., als znw. gebezigd, op
dezelfde wQze als ook het onyerbogen adyerbiale
al en a^tf/£r yóór determinatieye woorden geplaatst
werd. Zie Al als bgy. ynw. , kol. 312 , en Algader
(1ste art.) kol. 337. || Fossejdeu ende anders
haer ^|^i»voech hebben sy synt ghemaect ghenoech ,
Troy'en ƒ. 61a. Ons . . ende . . anders onsen
vrienden, N^h. 1, 340. Mit ons ende anders
onsen borgen, 2, 11. Anders onse stede, 263. By
weten . . onss lieyen ghemynden brueder . . ende
anders onser maghe ende yrynde, 3, 84. Die yan
Ziericsee , yan Middelborch ende anders onse porten
Tan onsen lande, Y. d. Wall 128. Mit hulpe des
coninx van Tngelant ende anders siin magen, Clerc
44. Mit sinen maghen yan Yianen, ende mit anders
sinen Trienden, Matth. Anal. 3, 201.Hy . .besette
dat bnns te Gorinchem ende anders sine steden
ende sloten daer by gelegen, 338. Yoir him selyen
, . ende anders die gene, die him hulpen, Mieris
4, 786tf (tf. 1426). — Ook bij een znw., yoorai-
gegaan door enich enmenick. \\ Anders enech quaet
lantshere. Wrake I, 1076. Die hertoghe en hoede
hem twent jeghen anders eneghe treken, ^ritd. Y,
lY, 1302. So dat hi cume indie kerke dede ander
(1. anders?) eenege gewerke, Sp. I', 68, 39
{Var. enich ander g.). Besiet of hier es anders
enich raet, lamb. X, 664. In beden of in waken
of in anders enighen heymeliken goeden dinghen ,
Ned. Proza 166. Anders menich man, Amand II,
1963. Ie ende anders menich dom, N. Doet. 1623.
— Ook bj een betrekkelijk ynw., geyolgd door
een afhankeiyken b^zin. || Nieman altemaïe , noch
yremde, nooh gebuer, noch ridder, noch anders
wie hi is, Brab. Y. Dl. 1, bl. 784 {a. 1330).
„Dwaet u, ende suyer weset," ende anders dat
daertoe hort, Sp. II*, 13, 60, d. i. het andere,
dat er bij behoort, of, zooals wy zeggen: hetgeen
er verder volgt, enzoovoorts.
2) Anders in den zin yan voor V overige, voorts,
verder, vervolgens. || Hiwas luxurieus, al was hi
anders wQs ende preus , ^. I*, 61 , 69. Oyer die scou-
deren entie borst wyt; anders toten yoeten neder
welghemaect, I^, 2, 2. Datmen nemmermee ghe-
menen oorbaer achter en late, wient anders scade
of bate, Lsp. I, 34, 84. Anders soe quam hi
twaren op ene grote woeste heyde, Zdmb. X, 48.
3) Tenminste, a/^Aofw , nog heden niet geheel bui-
ten gebruik, en ook in onze bg belvertaling meermalen
yoorkomende, synon. van mnl. ooc. Meermalen moet
dit anders onyertaald bl|jyen. || Men weet noch
niet wie daer sal winnen, vort anders daer mede
es yergaen , Wal. 2364. Smout van den reyghers es
specie diere, alsmen seghet, jeghent yledersijn, daert
anders nieuwe es ende fijn. Nat. BI. III, 320.
Sone waert daer af Keiser gheboren, hine worter
anders toe vercoren, Stoke I, 963. Soe wat dat
anders di gheschiet, en sechent u metten cruce
niet, Theoph. 601, enz. Ygl. Oudem. 1, 174.
4) Anders dan, geyolgd door een af hankelijken
byzin, tenzij, behalve dat, tenware dat, dan dat.
II Dat der moordenaren scaren gheme hadden in
hant ghegaen, anders dan si so yele mesdaen
hadden jeghen die yan der stede, Bijmb. 31972.
Bedi men doet hem gheene wet anders dan hi
wort ghesent daer wettelooshede nemmermeerent,
Praet 4701. Na der doot, als gheen solaes hem
mach gescien, no wel, no paes, anders dan hi
yaert in ylammen, 4712. Dan dunct mi geen ge-
rechtichede, en si mesdadich niet en sgn vonden
anders dan wise hebben gebonden in sonden bi
onyersienen rade, Blisc. v. M. 600. (De steen is)
ghedaen na dat carstal . . , anders dan {behalve
dat) hi donker es, Nat. Bl. XII, 160. Ygl. ook els. —
Ook zonder een afh. bgzin, in de bet. van het
voorz. behalve , met uitzondering van. \\ Hiversloech
al dat yolc anders dan 400 jongelingen, die
ontreden , B. v. 1367 , 128<? (I Sam. 30, 17). Daer om
en sellen si van den roef niet delen . ., ander
(1. anders?) dan haer wiven ende haer kinderen,
128i {ald. VS. 22). — Ook dan alleen komt in dezen
zin voor. Zie ald.
Aanm. In de 16de eeuw ook in den yorm
anderst: verg. mnd. onderst (Lubben 1, 82). jj
Ie en hebbe anderst genen yeerscat, mer hebbe
minen lichaem yoer die yeerscat, Pass. S. 8c. —
ANDERSENS. Zie Andersins.
ANDERSINS (andersens, ook in den oorspr
vorm anders sins (syns) geschreyen), bgw. van
de adyerbiale uitdrukking Anders sins, d. i. m
anderen zin. Zie SiN.
41 S
ANDE.
ANDË.
416
1) In een anderen sin, op eene andere wijze,
andere, \\ Hi wonde die dingen andersins verstaen
dan si hem syn vergaen, ^. lY*, 74, 6. Oec
canmense wel anders syns yaen , Nat. BI. YI , 394.
Wat mocht anderssins hedieden dan hi was be-
dwonghen sere? Stoke X, 210. Ende hebt sorghe
niewer om el dan om joesten ende tornieren , ende
anderssins in ghere manieren, Parth. 1376. Gri
moetes andersens beginnen, ^a/. 8170; verg. Ztm^.
YII, 141. Anders sins moetise oec dwingen dan
met nwer hogher tale, Limb. II, 974. Nu eisttijt
dat ie mi were ende tnwert andersins ghebere,
lY, 1467. En es niemen die nn leeft, dieanders-
syns snn leven heeft, OVl. Oed.X , 74, 71. Men
proeft aie hoveerde andersens, Hild. 166, 45. Als
een verdroncken , of gemoort was , of andersins
doot gebleven, Matth. 220. Eest bi brieven of
andersins, Mieris 2, 540d (a. 1333). — Ander-
sins bedacht sijn, andere gezind zijn, van eene
andere meening zijn. \\ Alse die heleghe waren brocht,
was hi andersins bedocht, ende ontfoer ons in
sine veste , Ttein. 1 , 83. Die heren waren anders sjns
bedacht, Belg. Mus. 10, 78, 83. — Ygl.: Ende hi
gheweten hadde te voren , dat sy enen anderen hadde
vercoren , soe hadde hij hem anders bedacht , MLoep
I, 301Ö var. (tekst: hij andersyns bedacht).
2) Aan den anderen kant, anderdeels, bij een
tweeledig geval. || Hi gaet serich ende hi gaet
blide; om Blancefloer serich ende erre dat soe es
gesent so verre, ende andersins blide dat soe
levet, Flor. 1373. Floris voer wech verdroevet
sere, om dat bede gader doet waren moeder ende
vader, ende andersins blide, dat Blancefloer met
hem weder te lande voer, 3949.
3) In eene andere richting, naat een anderen
kant, elders, of wel elders heen, naar elders. \\
Het es so comen, hine mochte vanderjoncfronwen
dus niet sceden, hine moestse andersins gheleden
daer soe te wesene begaerde , Wal. 4404. Nochtan
consi {die planeten) tfirmament ghehouden niet,
ten rent over andersins enen graet in C jaren,
Natuurk. 409. Si groettene, ende hine achte niet
das, ende keerde hem andersins mettien, als ofte
hise niet mochte zien , VI. Rijmkr. 48Ö. Die materie,
die die stede andersins wil laten weten mit haren
brieven , Matth. 74. Mits dat die cooplnyden haere
ware anderssins zoncken, Enq. 54.
ANDERST. Zie Anders, Aanm.
ANDERSTONT, bijw. Slechts in de uitdr. tot
anderstont dat, totdat {Invent v. Brugge 5,
387), en voor anderstont dat, voordat, ald.
6, 223. Wel uit an(e) der stont, samengesmolten
tot ééne uitdr. Ygl. aenstonden en ons aanstonds.
ANDERSWAER (anderwaer, later ook, min
juist, ANDERSWAERT, ANDERSWART (wert) ge-
schreven), byw. Uit Anders en Waer, bijw. van
plaats. Mhd. anderswd ; nhd. anderswo ; nnd. anders-
wdr, anderswdr (Koseg. 1, 386). Yerg. Elswaer,
eng. elsewhere.
1) Op eene andere plaats, elders. \\ Die hem
selven niet can verwinnen, hoe sal hij t anders waer
beghinnen, OVL Ged. 3, 126, 221. Sijn lijf es
vleesch al anderwaer. Nat. BI. II, 809 var. Soe
moechdi doecht ende eer ghewinnen in uwen lande
ende anderswaer mede, Hild. 133, 70. Mids dat
die coninghinne anderswair hadde gheleit hoir
minne, MLoep II, 1483. Dat hgt anderswaer setten,
Hermans, Gesch. d. Red. 100, 108. Ten si dat hi
een jaer ende dach anderswaer ghewoent hebbe,
0(yrkb. 1, 179a {a. 1229). En si van den hoghesten
eherechte . . , die zullen wi doen berechten onsen
Baeliu van ZuithoUant, gheliken datmen anders-
waer doet. Mieris 2, 138a (a. 1313).Inyiuicr§e,
in Ylaenderen, in Henegauw, in Brabant ende
anderswair, Brab. T. Dl. 2, bl. 649 (a. 1382).
Alle die gene, die anderswaer grayte bu>Uei
Nijh. 2, 100. Alle die ghene . ., die anderswiir
geseten siin in onsen lande of daer baten, 3,24.
Nymant bynnen den vurscr. kerspel geseten es
sall anderswaer op enghene molen malen, 156.
Wairt datter yement van der vroescip gédaget
worde . . ende van merkelike nootsaken anderswiir
te doen hadde. Leid. Ketirb. 174. Ende sellea
staen bij den wgncraen ende nergent anderswur,
227. Ende men en sel nergent anderswair sater-
dages coirn vercopen . . dan op sinte Cornelfs
brugge, 231. Ende snyde hem in sijn vinger «f
anderswair , Matth. 220. Yan anderen ghiflen binoQ
der kerken , of buten der kerken , in stocken i
anderswaer, Belg. Mus. 2, 168. Si vercopen ^t
beneflcien van der kerken ; also doetmen na anders-
waer mede, dat groot jammer es, Mandev. be. Ii
Egypten syn menigher bande talen ende leitoni
van andre manieren dan mense anderswaer heeft, *ll
— Ook als vnw. bijw., als ons ergens. || Gebraken8|t
dan anderswaer toe, Con, Som. 69d. — Ook in da
Duitschgekleurden vorm Anderstoa, als &rr. l
1079: Tongheren ende ouch anderswae. — Vu
anderswaer, van elders. \\ Yan den gevangen, dit
. . van Amsterdam ende anderswair geran^
worden uit HoUant, Matth. Anal. 3, 395. Ende
waert dat si daer van anderswaert qnamen, si
souden vluchs sterven, Barthol. 497b.
— Aanm. De spelling anderswaert had missdia
haren oorsprong daeraan te danken , dat men is
de bet. 2 (zie daar de voorbeelden uit Y. d. WiU)
aan het achterv. -waert, ons waarts, dacht
2) Naar eene andere plaats, naar elders, eUm
heen. \\ Omdat si wil doen volghen hare, eade
verre of leden anderswaer. Nat. BI. III, 309t
Als die mannen gaen anderswair , so volghen s
van verren nair , MLoep I Y , 1843. Als men reysit
of anderswaer vaert, D. Orde 287. Of dat w§ dia
tolle vorgen. anderswaer doen leggen, Ngh- 3,
16. Crayken om der sel ver saken wille aen alla
steden van Zeelant , ter Tolen , aen den here ni
Zevenbergen ende anderswair, Oorl. u. Albr. l^
Yoirt mit anderen brieven van gelove in Zeelant..
ende anderswaer, 259. Te varen te santé Jacof
oft tot onser vrouwen tAken {in de uitg. baka
oft anderswaer bedevaert, Overijs. Becht. I', 2^
Ende maecte sine reyse anderswaer, Matth. -W-
3, 159. Om datmen van den burch tAlcmaer soide
gaen ende anderswaer, waer men wonde, Ckre
128. Dat si .'. tote Gheervliet ende StrienemoadÉ
ende overal anderswaer in onse Graefscepe •
toUenvri varen zullen, Y. d. Wall 66 («. l^'
Dat sij alle goede . . sullen mogen . . die Utse
uutvoeren in Engelant off in Scotlant off anders-
wart overzee, 537 {a. 1441). Ende die . . anders^
wert voeren, 587 {a. 1447).
ANDERSWEER, znw. m. Uit Ander, tweede.
en Sweer. In Ylaanderen nog heden de gev<*
benaming voor Achterneef, kind van een voUa
neef of eene volle nicht (Ylaamsch Te€htz\tm\\
fr . cousin sous-germain. Kil. „Ander-sweer.
Fland. Consanguineus in secundo gradu?^ ZieDeBs
op Andersweir, 52. || Bi den welken hetblf^
dat de vorseide Maes Yerbeelen Lambrechts Ei»te,
Jan Yerbeelen fs. Heinricx , Jacop , Dammaert , J««
Maes, Margriete, Laurette, ende Janne, svorsa^
Jacops Yerbeelen Jacop zoons kinderen , rechteB<
M7
ANDË.
AndL
418
anderzweer zyn van den vorseiden Jacoppe Ballinx ,
Janne Weermout fs. Jans ende Aechten Weermouts ,
Gommende alle van vader ende moeder weghe , yan
den Yorseiden Jacoppe Yerbeelen douae ende
Lambrechte Yerbeelen donde, die twee broeders
waren ende twee ghesusteren ghetranwet hadden,
Cont V. Brugge 1 , 548 {a. 1440). Ter liefde yan
. . Willem, zander anderzweer, Despars 1, 260.
Dit verhorende Lodewgc coninc van Yrankeryke,
dat sgn neve Bonwin Hapkin ghestorven was , ende
dat sgn andersweer Karle de Kalnwe erfachtich
hoir ende landsheere van Ylaenderen was, Oron»
r. Vlaend. 1, 46. Men hilt al Ylaenderen dore
Willem van Loe als grave van Ylaenderen , want
hy was anderzweer van den goeden g^ve Karle,
1 , 57 ; verg. 58 : Willem . . heere van Loe regierde
Ylaenderen omtrent X weeken, Bouwen Hapkin
ende de goede Karle waren sine rechtzwiers , maer
Willem was een half let voerdere dan Karle.
ANDERTIERE bnw. Fa» eene andere toore,
b. V. Inveni. v. Brugge 2, 49: wnlle ende ander-
tiere goede. Zie verder by Tiere.
ANDERWERF (anderwaerf , -warf , -werve,
-WAERVE, -WARVE, -WERVEN, -WAERVEN, -WAR-
VEN), bijw. Mhd. ander vterbe , ander vfarf ((jtimm^
Or. 3, 232); mnd. en nnd. anderwerve, -werf. Zie
bg Werf.
1) Andermaal^ ten tweeden male. || Anderwaerf
ghebiedic hem vrede, ende derdewaerf mede, iS^n.
I, 2785. Anderwerf sal hijs hem vragen, Terg.
1666. Hoe dat si anderwerf opverstont ende derde-
werf starf, Ckrist,^ opeehrift na vt. 1738. Daer
gbinc dore doren eerstewerven uwe minne. Ander-
werf viel si daer inne dore die oghen, Parth.
7621. AnderweriT, MLoep II, 39. Anderwaerf,
Nat. BI. II, 3514; Vl. Rijmkr. 471. Geboren . .
anderwaerf, wedergeboren, Amand I, 4149, 4166.
Anderwarf , Nat. BI. II , 785 ; Bijmh. 6049 , 7437 ,
7973, 10963, 11699, 12589» enz. Doe antwerdde
hem Jhesus noch anderwerve, L. v. J. e. 24.
Anderwarve, Es. Evang. Joh. 10 (2 maal). Ander-
werve geboren , wedergeboren , e. 163 passim. Als
yement . . niet voirt en comt, so sal men dagen
anderwerve; ende ist dat hl anderwerve niet voirt
en comt, eng., Meylink, Deijl. Bijl. bl. 51. Ander-
werven, PartA. 7547; Brab. T. II, 1515; Clerc
36. Anderwaerven , Sp. I', 8, 1; I", 10, 33;
Amand I, 4160. Eenwaerven, anderwaerven, derde-
waerven, ZVl. Bijdr. 6, 372. Anderwarven , iSt^'m^.
6889; enz, — De niet samengestelde oorspr.
vorm ene ander werf was mede in gebruik,
als b. V. Perg. 1525. — Ook vindt men de
onjuist gevormde tantologische uitdrukking tan-
derwerftide. || Het en zy dat jonfren clocke
ffcluydt ware tanderwerftyde , Belg. Mus. 7, 310
(a. 1360).
2) Eene andere maal, op een anderen keer, bij
een^ andere gelegenheid, en dus zoowel vrceger,
noff eens, als /nerna, later. || Alse gi anderwerf
hebt gehort, Lane. II, 31337. Ende hi vel weder
in die sonde also saen als hi anderwerven hadde
^edaen, lY, 334. Hi eischede den camp ter ure,
alsi anderwaerven hadde gedaen , I Y , 3812. Ander-
w^aerven hebbic gewesen in haer begripen van
desen, Sp. I', Prol. 83. Ie hebbe u anderwerf
^he beden, ende noch soe salie u bidden heden,
Sloevsl. 3 , 27 , 177. Nochtanne bleven in Assirien
heren, . . alse gi sult horen anderwaerf, Sp. I*,
36, 7—10.
ANDERWOL, znw. vr. Eene soort wol van
mindere qualiteit. || Die neringhe te verkerven,
noch haeriemsche , horensche ofte andere voorwol ,
anderwol ofte nawol binnen dese stede te brenghen
by den (?) wol te verbeuren , Randv. v. Weesp 42a.
Yoorwol, anderwol ofte naewol, ende dier ghelijcke
quade snode arghe lakenen te maecken, 41a.
ANDLAMË (antlame). Zie Allame.
ANDOLIE (Andolihe), znw. vr. Yan het fr.
andouille , mlat. indmctilis , eene soort worst, beuling.
Zie Littré 1 , 143. || Ein andolihe van einen rinde ,
Aiol 104.
ANDRIES, -driese, znw. m. Yerkorte uitdrukking
voor Andriesgulden. Eene gouden munt, aldus
genaamd naar de afbeelding van den Apostel
Andreas met zijn kruis , ook Boergoensehe gulden
geheeten , als d oor de vorsten uit dat huis geslagen
(het eerst door Philips den Goede in 1466). Zie
Y. d. Chns 1, 154, 165 enz. || YI ffi gr. geldende,
toter vulder betalinge, in Andriesen, te Y s. gr.
tstic, rad. Mus 5, 365 {a. 1492).
ANDSIDE (andzide), samengetrokken schrijf-
wijze voor an de side, ter zijde, in OVl. Lied,
en Oed. 386, 170: || Dat menne bevride ende voerde
andzide.
ANDWAERD, ANDWERDE, ANDWERDEN,
ANDWOORDE, ANDWOORDEN enz. Zie Ant-
werde enz.
ANDWERP. Zie Antwerp.
ANE, voorz. en bijw., en de met Anê samen-
gestelde woorden. Zie Aen.
ANE, voorz. en bgw.. Racer 4, 910 e. e.
zonder. Zie Aen.
» ANELINQE , Priv. v. BrielU 2 , 98. Yerkeerde
lezing voor avelinge, zie ald.
ANGE , znw. m. , ohd. ango, mhd. ange, ags. onga
(Bosw. 265a), onr. angi, mnd. ang (Lubben 1, 88
op angel). Zie verder De Yries, Mnl. Jfdb. 246.
1) Angel, prikkel. |{ Alstu verwonnen haddes
den ange des doots, Hs. Ps. 180 (Ygl. Lubben
t. a. p. : du verwunnest den angel des dodes).
2) Inwendige prikkel, aandrift, aandrang, lat.
impetus. || Der Brabantre ange ende haer genen-
dicheit van dade . . drongen met crachte ave van
Luthsenborch den coenen grave, Heelu 5530. Soe
grote coenheit ende ange . . , beide met slagen ende
met steken , 6407. Her Daneel van Wanghe toende
vromicheit ende ange, 8501 (=Yelth. III, 19,27).
3) Aandrang, luim, opwelling. Teuth. anghe,
luyne. || By wilèn is si {de min) guet te vangen ,
als zij crijcht hoir guede angen, MLoep II, 2387 var.
ANGE , bnw. Got. aggvus, ohd. angi, mhd. aenge
bijw., ags. ange (Ettm. 12); nnd. ang (Koseg. 1
422). Eng, benattwd, 3^it/^i»fl^. In de uitdrukkingen
— Het es hem ange, het benauwt , beklemt Hem ,
bij uitbreiding, in toepassing op het gemoed, ^^^d^-
angstigt, verontrust hem ; het wert hem ange, het
begint hem te beangstigen, te verontrusten, bange ie
worden. \\ Sulken wiven duret langhe eert hem af-
gheet (dat menstruum), dats hem anghe, Vr.Heim.
108 (uitg. Sulke, eer en des h. a.). Hem was ange,
dat si merden alsoe lange , Heelu 6269. Doe wort
den grave ange , ende dorste sonder wint niet varen ,
Stoke IX, 34. — Als znw. in de uitdrukking:
het doet hem ange, het geeft hem benauwdheid,
het kwelt hem, het doet hem zeer. \\ Mi doet wel
wee ende ange, Hadew. 1, 10, 51. Dat doet mi
anghe , ende noch meer hem wee die vaste (h)anghen
ane minne in overswaren bedwanghe, 142, 124.
ANGEL, znw. m., voor het gewone Engel-, lat.
angelus, van gr. otYyslog. |) Die angelen,Xfk?irf.2887.
ANGELEN. Kil. „velus. Pungere ," eig. met een
angel steken.
14
419
ANGE.
ANGU.
420
ANGELICH, bnw. Mét angelt voorzien , stekelig,
II Daer z^n sommige (wormen) die angelich sgn
van lichaem , die geen zenen en hebben noch benen
noch ribben , Bartkol. 807^. Het Lat. heeft (L. 18 ,
e. 113): snnt quidam anuloei corporis." Misschien
heeft de vertaler aeuleoti gelezen, en dit als
aculeati opgeyat. Vgl. De Vries, Mnl, Wdb. 247.
ANGELOT, mv. lotten, lote, znw. m. Van fr.
angelot^ yerklw. Tan angel y engel. Eene gouden
munt, door Lodewyk IX het eerst geslagen en
aldus genaamd naar het beeld van den Aartsengel
Michaël, die den draak verslaat. Ook Engelsche
vorsten hebben angelotten geslagen , nl. Hendrik IV
en zQne opvolgers, en hier te lande zQn z|j door
de Heeren van Vianen , Batenburg en *s-Heerenberg
nagebootst. Zie Littré 1, 146, V. d. Chljs 3,
169 vlgg., bg wien in eene muntordonnantie van
1490 de vorm angeloyten in den 3den nv. voorkomt
(7, 200). II Mits dat hy den voorseiden Gode-
vaert betaelde in ghereeden penninghen, te wetene
62 angeloten, de somma van 34 CL* 2 se. groten,
Coitt. V. Brugge 1, 624. — De angelot heeft hier
eene waarde van 11 se. en staat dus ongeveer in
waarde gelgk met onzen vroegeren ducaton. — In
lateren tyd sprak men van angelotten.
ANGEN , voor hangen , Benout 1262 (fl*.). ; Belg.
Mus. 9, 24: „Dat men den pgnre angen soude;"
Hadew. 1 , 142 , 126 (zie de aanh. bg Anoe , 2de art.).
ANGER (angier), -gere of -gre^ znw. m. Ohd.
angar, mhd. anger, nhd. anger^ nnd. anger (Koseg. 1,
431). Een afgesloten stuk land, meestal met gras
begroeid, wetde, beemd. Verg. ons gewestelijk «i^,
onrd. engiy eng (Jonsson 111); zw. ang; deensch
eng\ ags. inge (Bosw. 203) en den naam Jngeren-
steinj een buitengoed by Arnhem. In den Teuth.:
„Anger, playn, ouwe, bleecke, pratum
amenuMy campus. \\ Da^r hi sijn here allene vant
. . in enen gruenen anf^r, MLoep I, 2934.Altoe8
si by den stier ginc, ii^ bosscher, in anger ende
in weyden , ende plach hem schoen gras te bereyden,
III, 180 {anger voor angere^ angre^ mv. , eigenlijk
in den 3den nv. angren , zooals grammaticaid juist
zoude zgn). Ie woude wel dat onse angier bloemen
wou bringen, Ned. Klucktsp. 49. Buten der stat
op een riviere an enen anger, . . die wonderlike
scone was, Merl. 10609.
ANGESOCHT {?). Zie Aensoeken , Aanm.
ANGEST. Zie Anxt.
ANGIEN. Zie Engien.
ANGIER. „Angier, vetus. Angttstia , periculum.
Gall. dangier:' Kil.
ANGIER. Zie Anger.
* ANGNISSE, ANGNISSEN. Verkeerde lezingen
voor anguisse en anguissen (z. ald.).
ANGOEN. Zie Enioen.
ANGUISSE (angwisse, anwisse), znw. vr.
Fr. angoisse^ ital. angoscia^ eng. anguish^ van lat.
angustia. Verg. Anxene en Anxt. Benauwdheid,
pijn, smart, kwelling, foltering. \\ Alse mijn her
Walewein die glavie trac ute sinen lichame, hi
gebrac van angwissen ende bleef doet, Lanc. III,
6099. Sine herte wart hem vlau ende cout dort
bloet dat hem uut sinen wonden gelopen was in
dien stonden. Nu sijn sine anwissen swaer. Wal.
8698. Daer was menich die mesbarde duer die
anwisse van der doot, 10712. Ende nu te stonden
fedogic dit om ene sonde, die ie ende min sone
aden, dese grote ongenaden ende dese anguisse,
Vad. Mus. 4, 320, 269. Die anguisse was so
groet, die si {de paerden) hadden jegen die doet,
dat s^jt al te neder sloegen, Velth. IV, 36, 61.
Daer hi vele anguissen te waren wilde hebbea
ende gedogen. Franc. 6084 (in de uitgave ver-
keerdelijk angvissen). Angwissen siin mi in allea
ziden, Hs. v. 1348, èOd.
ANGUISSEN, zw. ww. bedr. Afgeleid vu
Anguisse. Evenzoo prov. angoissar (Rayn. 2, 88);
ofr. angoisser , angoissier (Roqnef. 1 , 67 , La Cume
1, 462); ital. angosciare. Verg. Anxenen van
Anxene en Anxten van Anxt. Kwellen, benamsoen.W
Die viande sullen di beliggen te dire scande , ende
di anguissen utermaten, Rijmb. 25069 (Lat.
coangnstabunt te. In de uitgave verkocrdcljk
angiAissen). Datti dine vianden sullen ommeringeB
ende angwissen di, Hs. v. 1348, 173r.
ANGÜWISSE (angwisse), zhw. vr. Eene peer-
soort, aldus genoemd naar fr. poire éTangoisse (La
Cume 1 , 461 , Littré 1 , 147^). Volgens sommigei
aldus geheeten om den wrangen smaak, volgens
Ménage „la poire d^angoisse a été ainsi nommée
non de la sensation qu'elle fait éprouver, maisdt
lieu oii elle aurait été trouvée, dit en limonsis
Angoisse" (Littré, t. a. p.). || Compost. — Neent
worttelen van pedercelle, reene wel gezoden ia
watere ende vercoelt, hebt dan soffraen, caneele,
ghinghebare, naglen, al wel ghewreven, tempert
met goeden mostaerde, . . snijt die worttelen wel
cleene, kensenruwelen (/. kersen, scru welen? vgL
de volg. plaats) ofte angu wissen ende dadeleo,
den steen daer uut ghedaen, Keukenb.A:, 15. Spisc
diene vast maect in den lichame, alse wederea
vleesch , gebraden ende gesoden peren van scruweks
of van angwissen gelardeert met wasse, Bs. Tp.
143</.
ANGWISSE. Zie Anguisse.
ANYTHE. Zie Aenhete.
ANCAERT (?) Eene korenmaet. 1| 26 baelsta
drye frankart (of ancaert) onderschotene cvew,
Oendsch Chtb. 119.— Het is niet duideiyk, welke
van de beide vormen in het Hs. staat (of beide?),
en of de eene vorm ancaert ook eene toevoeginf
van den uitgever is.
ANREL. Zie anclief.
ANKER, znw. m., mhd. mnd. anker (m.), kd.
anker (m.). Van lat. anchora, fr. onere. Zie verder
Weigand 1, 66.
1) Scheepsanker. \\ Den ancker maecie hi sialfB,
Brand. 101. Den ancker worpen si ute , 2186. Die
ancker wart . ., onder ghevaen ende gbebondet,
2188. Een anker (o. ? gelijk in H ndl. , onr. , deensck
en zweedsch) goet van werden, O VI. Ged. 3,107.
208, vgl. 222. En hielde die anker met ^heeuc
bant, 224 (De lezing is bedorven, vgl. de Var.;
staat het woord hier in den 4den nv. , dan zou het hier
vrouw, zgn, in overeenstemming met het lat.). — Dei
anker se ie ten het anker uitwerpen, Sp. II1\
26, 66. Haren anker scoten si aldaer, Bramd. (Ft
2113. Vgl. mhd. anker ézsehiezen (Lexer 1 , 74).
— Afl. ankeren, landen, Lanc. lY, 10342.
— Samenst. ankerkabel, Brand. 2223; ai-
kercoerde. Brand. {H) 2123, 2U9] ankerreep,
Brand. 2196, ankertouw', ankervast, O. B. ».
Bordr. 1, 43, 129 var. (anckerte(?) )
2) Tzeren houvast in steenen muren , nog ii
gebruik.
— Afl. ankeren, zulke ankers sUum^ O, JLr.
Bordr. 2, 96 en 114.
— Samenst. ankernagel, een spijker »
den vorm van een anker of om zulke tzméers is
bevestigen (?) , Jnvent, v. Brugge 6, 317.
ANCLAU. Zie anclief.
ANCLIEF, mv. -ven, ook anclau, AifCi-trw,
421
ANCL.
Ansa.
422
AMKEL, ANCLUWEN, znw. m. en 0X12. JSniel. Ags.
anekov (Ettm. 12); bü Halliwell ancliff^ anchwè;
nmd. imcüno', bg Kil. „Aen-klauwe, Fland.
Holl. Sic. j. ene kei. Talvu-^'* in de 17de eenw
ook in den vorm enJtlaioe (Bekker, Bet. Wereld IV ,
30); in Vlaanderen nog over in enklautOy inklauw,
en in het b^w. enilauwde^ in de nitdmkking:
enklauvde gaan , den yoet zoo scheef zetten in het
gaan, dat men bijna op de enkels treedt (De Bo
306, 460). II Uwe anclieyen, nwe Toeten, JUvre
d, Meit 6 (in het Fr.: y,voe kevilei^). So doetem
laten onder tancluwen buten yoets , Jan Yp. , aang.
by De Jager, Freq, 2, 749. Een been dat men
heet navicula , dats been van den anclanwen , Lanfr,
64r. Tote onder de anclawen buten des yoets , ald, v.
Onder dat anclau binnen des yoets is een adere
ende heet sopkena, ald. Buten den yoet onder dat
anclau, ald. Onder dat anclau binnen yoetes;
onder die anclauwen binnen yoets, 106r. Den
rechten ankel binnens yoets. Et. Tp. 62a. Dade
men die yrouwe laten onder tancluwen binnen
yoets , 130r. Daer stont die graye yan Annyyers . .
tot oyer sQn anckelen in der kerstenen bloede,
Katth. Jnal. 3, 306.
ANGLIJC, -like^ bnw. Angtt- of zorgvenoekkend^
gevaarlijk. Ohd. ancUh^ mhd. anclicke. Rechtstreeks
afgeleid yan het bnw. ange^ ons eng (zie Ange,
2de art.), door middel yan het achtery. -l^c. In
beteekenis hetzelfde als het meer gewone a»Mr^/t;<;,
Tan an^et^ Welk laatste woord weder een afleiding
is van a$tge. \\ Tanclicste dinc dat wesen mach in
ene stat, dats quade tonge, Doet. II, 724 yar.
(het tekst'hs. en de andere yarianten hebben
dancsielikette ^ danxtteleecste en dat anxstelieste).
ANCLUW, ANCLUWEN. Zie Anclief.
ANGST, ANCSTELIJC. Zie Anxt, Anxte-
LUC.
ANCUN (?), znw. || So net uwe ogen met uwer
spekelen oyer ancun, ochte stoet ontwee enen
engaun, ende metten sape bestrijct u ogen, Bote
6968. (Het andere Hs. noch de fr. tekst geven
licht voor dit duistere, wellicht bedorven woord.
Vgl. de noot van Verwijs t. a. p.)
ANLAME. Zie Allame.
ANNE. Zie Aen (Iste art.).
ANNIN. Zie Hannen.
ANNUNCIESSE, znw. vr. Onzuivere vorm voor
lat. Annunciaiio. Aankondiging ^ boodschap , \\ Bi der
gedenkenesse , lieve Heere, van uwer heliger
geboomessen ende van der herden annunciessen ,
Amand II, 3814.
ANOO.T (anoet), znw. onz. Moeite^ last, ver-
driet. Van ofr. anoi, waarb\j de uitgang -oi in
'Oot overging, evenals conroot uit conroi. \\ Die
w^ch was daer stare ende groet, ende daertoe
menghertieren anoet, ende van perssen groet
^hestoet, Trogen 6369.
Aanm. De Vries (Mnl. Vdb. op Anoet) sloeg
Toor, noet, nood, te lezen, doch vgl. de noot op
Troyen 6370. De gewone vorm was vemoy, doch
Maerlant gebruikte in dit gedicht ook het meer
ongewone artog (zie volg. art.), en het is zeer
waarschijniyk, dat daarnaast een andere, zeldzamer
yorm anoot bestond.
ANOY, znw. onz. Van ofr. anoi (La Cume 1,
462). Moeite, last, in gelijken zin als vemog, dat
het Nederl. voorvoegsel ver- heeft aangenomen. ||
Wat sal, sprac hi, dit anoy, verliesen wy dus
den tomoy, Troyen f. 76r.
ANOYEREN, zw. ww. bedr. Van fr. annuir^
consentir, approuver (Roquef. 1, 69), \9>i. annuere;
vgl. annuitio, concessio, licentia (Duc. 1, 266).
Goedkeuren, konoreeren. \\ Soedat hy doende goede
coopmanscepe ende die luyden becoopende, sy die
souden mogen anoyeren, ende hy becoft sgnde,
sonde die coop te nyet willen gedaen hebben , O. B^
V. Dordr. 2, 218, 248.
ANSAENEENS, b)jw. Telkens, aanhoudend, ^of;
in Westvlaamschen tongval in verschillende vormen
gebruikelijk, als: Alsanne, alsans, altsanne, alt-
sans, assanne, assans, olsanne, olsans, ossanne,
ossans, ansanne, ansans, en met den deminutief-
uitgang alsannekes, alsanskes, ansannetjes. Zie
De Bo 48. Waarschynlijk eene verbastering van
het verkleinw. van altehant, dat oo\i alstehant'k.9Jk
geluid hebben. || Voir ons comen is Huge van der
Does, onse man, ende heeft ons getoent, als dat
ansaenkens Willem Branen zoens erfnamen hem
ongebruuc doen willen sonder reden . . au goede,
dat hi van ons ontfaen heeft, Oork, van 1346,
in 't Byks-Arch. te 's-Gravenhage, aang. hij De Vries,
Mnl. Wdb. 84 op Aensaenkens.
ANSE, ANSEBROEDER. Zie hanse, hanse-
BROEDER.
ANSEL. Zie Antsel.
ANSEL, znw.m. (?). || Umh. Serm. 102r: Ben-
jamin , Got rast onder dinen anselên , dats als vele
gesproken alse: Got rast op dine geduldicheit.
Het is hetzelfde als osseL \\ Daerombe woent God
onder sinen asselen. Bi din asselen es betekent
arbeit , ald. — Het woord zal wel verschreven zgn.
Doch vgl. T. en Lettb. 6, 226.
ANST. Zie Anxt.
ANTEKERST. Zie Antikerst.
ANTER (antwer, antweder), voegwoord of
disjunctieve partikel, gevolgd door ofte, of, in
de uitdrukking anter — ofte (of), bij het
stellen van twee verschillende gevallen, waarvoor
thans hetzij — of en bf — bf in gebruik zijn.
De gewone mnl. vorm was Weder (zie ald.); doch
Anter, ook Antwer en Antweder, zoowel 2X9 Enter,
Enther en Either (zie ald.), komen voor als Hol-
landsche dialectvormen. Antweder, mhd. eintweder
nhd. entweder , ainttoeder, is een verkorte vorm van
eindeweder, ein-deweder (Grimm. Wtb. 3, 647), een van
beide (alterater , alterutrum) , hetwelk weder verkort
werd tot antwer, mnd. antwer, dat eindelijk tot anter
verliep. Vgl. T. en Lettb. 2, 66 ylgg. Anter,
enter, is dus eigenlek een zelfst. vnw. in het
onz. enkel V., in den zin van een van beide
(alterutrum), en duidt dus aan, dat men een van
beide gevallen aannemen moet , t. w. het eerste dat
terstond genoemd wordt, bf het tweede dat straks
volgt. De vorm Anter is de meest gewone. || Die '
penitencie die geset es, anter si is meerre of
minre of gelijc, Pass. W. %d. Die sonne wert
verdonckert , anter om beroeringe hoers lichtes , . .
of om dat meerre licht van Cristus claerheyt te
wecken, 85^. Anter si soude meer of min wesen,
Gesta Bom. e. Ib. Anter om rijcdom, scoenheit,
mogentheyt ofte wijsheit, ald. ^»^.^ het is hovaer-
dicheit des levens . . of wellusticheyt des vleyschs,
ald. c. 109. Anter het iseen wesen 0/ een kenninge
of een persoen, Barthol. 3^. Anf-er het maect dat
godlic wesen condt, of het maket openbaer dat
wesen, 6a. Anter het is snbstantivum nomen, of
het is adjectivum nomen; ende ist snbstantivum,
anter het is nomen abstractum of concretum, of
tmiddel van beyden, ba. Anter heet o/cout,8172.
Dat elc huys ende erve sal staen ter gifte, anter
"^Tj of mit sulken last als dair op is, K. van
Brielle 7, 20. Anter 3 jaer honger in uwen lande
m
ANTE.
ANTK.
424
of 3 maenden wiken voer u vianden , B. v, 1367 ,
147r. Jnter an tgelde of an diensten o/ an anderen
dingen , Con, Som. 153a. — Antwer die Tiiendinne
gripende ende opvoerende of den vrient neder-
bringende, Ht. 80 /. 89rf. Alle die broedere . .
vliten hem des dat si den anderen broedere die
dinc die men hem geven zal, antweder geven oft
ontseggen goetlike, D. Orde 246. — Antweder
leest men Limb. Serm. 786 en 79a.
ANTEREN, ANTERINGE. Zie Hantieren,
Hantierinoe.
ANTHOOFT (anthoeft), -hoofde, znw. one.
Dam, waterkeering y ophooging van dtn grond, ook
stoep, drempel, dienende als een dam om het
instroomen van water te keeren. Verg. hd. tchwelle ,
drempel en Antwerp. Ofri. ondhdfd (Richth.
962): mnd. anthoved, aenthoeved (Richth. 264,
11; Fro Exc, 4», bl. 64, en Bijv, .bl. 21).
Uit het voorv. and-, ant-, ofr. OTut-, d. i.
tegen, zie De Vries, Mnl. fTdb. 2öO, en hovet,
hooft, ofr. hdved, hdfd, ons hoofd, dat reeds
vroeger , evenals thans , in de beteekenis van dam,
waterkeering , in gebmik was. || Desgelike sonde
hy oec verboeren die eenegerande vnlnesse op die
marct leide, och te op Onser Vrouwen kerchof,
ochte op die vischmarct , ochte vor yement anders
anthoeft, op der straten. Ende vor wyes anthoeft
dat ment vonde, die zonde den scnldigen daer af
wisen moeten , ocht zelve den core gelden moeten,
Coren v. Antv, 33 , 109. Alle anthovede van bonlandt
snllen vry wesen mit den ackeren by den hoochsten
broke . . nnd sgne wateringe vry, Landr. v.
Wedde 64, 66. Zie verder De Vries, Mnl. Wdb. 261.
ANTIEREN, ANTIERINGE. Zie Hantieren,
Hantierinoe.
ANTIFFENE (anteffene, later antiffen,
ANTIFENE en antifphone), znw. vr. Lat. anti-
phona, van gr. avxlqtmvat n. pi. (Dnc. 1, 304),
in *t Fr. verbasterd tot antienne. Oorspronkelijk
een kerkelijk beurtgezang, aan woorden nit de
H. Schrift ontleend en door twee koren gezongen.
Later gezegd van de schriftuurplaatsen , die vóór
en na de psalmen gezongen worden, alsmede van
sommige gebeden ter eere der H. Maagd en andere
Heiligen. || Van hare maecti gebede, response
ende antiifene mede, Sp. III', 16, 13. Ofsoedese
anteffene can van der maget Marien . . .: „Sahe
Regina der ontfaermichedé*^ seggen in hare eren
mede. Soe segt . . dat soe de anteffene can , Franc.
9661. Als zoet hadde gheënt, seide sodaemaeene
anteffene, heet Salve regina, Benkm. 3, 107.
171. In goeden Vridaghe na dien zontere, zo
salmen bliven ligghende in der venien, die wile
datmen spreect die antiffen ende die letanie,
Z>. Orde 304. Na der antifenen . . zo salmen liggen
in der venien. . . Nader antiffen: y^Cum accepisset
acetum," ald. Ende seide devotelQck al uut die
antiffen: „O rex glorie virtutum. Pass. W. 76b.
Hij begoste die antiffen van sinte Nycolaas te
singhen: „O pastor eterne^^ , Slb. Doe hi . . segghen
soude die antiffen: y,Quampulchraet,''^f. 123a. Ende
songhen alle dyen nacht ymnen ende antiffenen , 199a.
Tmnen ende antifphonen totter eren ende te love der
heyligen wonden , Hs. 88/. 60a. Ende die anthiffenen
ende collecte daer toe dienende, D. War. 6, 170 (a.
1402). Zoo ook G. Groote 81, 87, 89, 90 e. e.
ANTIFFENAER, znw. m. mlat. Antiphonanum.
Een boek , waarin antiphonen geschreven staan ; zie het
vorig art. || Van een antiffenair van scriven , bynden
mde verlichten {illustreeren) , Rek. d. Buurk. 176.
ANTIKERST (ANTEKERST, ANTKERST, ENTE-
KORST, entekerst) znw. m. Verg. Kerst. De
gewone benaming van den AnüeArist. || Dese
maken van enen kerstenmenscben entekorst, Betoet
B. (30) 47r. Dan sel hi mit Elyas untcomen ende
predicken tegens Entekerst, B. v. 1367, 4r. Zie
ook Sp. I', 12, 26 (vs. 24 leze men: ter werelt
ende (znw.) , in plaats van : ter werelt , ende (voegw.).
Vgl. I*, 30, 25 vlgg. Zoo ook IZtynd. 1065,13089,
16668 , 16941 , 22282 , 23855 ; K^k. Cl. 17 ;Lip.Vi,
6, VS. 3, 11, 21 ; c. 8, vs. 12, 20, 23 enz.; Veltk.
VII, c. 14, VS. 46;c. 8, 9en lOjBomm; Hild. 135,
90; enz. Antkorst leest men Lucid. 5428, 5552.
ANTKERST , ANTKORST. Zie Antikerst.
ANTLAME. Zie Allame.
ANTONIS, eigennaam, m. Sinte Antonis,
de bekende Heilige Antonins, wiens gedenkdt^
den 17den Januari wordt gevierd. Het Sinte Antoni»
gilde komt voor in het volgende spreekwoord:
„Hy is in Sint Antonis gilde, hy is in de belle,"
Spreuken 86. De uitdrukking Iemand m de belU
slaan, iemand onder curateele stellen, is nog ia
Vlaanderen bekend (De Bo 101); verg. Kil. ^B ellen
ie man den, Fland. j. stadt-kind maecken.^
De aankondiging hiervan geschiedde onder het
klinken eener 1^1. Zie verder bg Belle. Iemand
die in de belle was , werd gezegd tot Sint Antonins
gilde te behooren. De oorsprong dezer benamiag
laat zich niet met zekerheid bepalen. Zg kaa
ontleend zfjn aan de orde van den H. Anioaif,
welke, naar men zegt, door Hertog Albreclit van
Beieren in 1382 werd ingesteld. Zie Wagen., Fad.
Eist. 3, 373; Nal. 106 vlgg. ; d*Yvoy van Mydreckt
in de Ferh. Ildt KI. Ned. Inst. 4, 102 vl^- B«^
teeken dier orde was een keten , aan welks niteinèe
op de borst een Sint Antoniekruk met eene bd
bevestigd was, zooals te zien is op de plaat h|
Wagen. 3, Bijv. tegenover bl. 108. Spottenderw^s
kon men nu van iemand die in de belle was
zeggen dat hij een ridder der orde van Siste
Antonins was. Doch dan zoude het spreekwoord
eerder geluid hebben: „Hi is in Sint Antoaii
ordene.^"* Daarom is eene andere verklaring- waar'
schijnlgker. Gel^k bekend is wordt de H. Antoaiii
altijd met een varken en eene schel afgebeeld. De gil-
den, welke Sint Antonius tot beschermheilige haddea.
genoten het voorrecht, in de steden een Tarken te
mogen laten weiden, dat als herkenningsteek^
eene bel om den hals droeg en het Antonievarkca
werd genoemd. Dergel^ke varkens, die aan het
Sint-Antoniegilde behoorden , werden aan alle kuizei
gevoed en waren de voorwerpen der algemeeae
liefdadigheid (zie Reinsberg-Düringsfeld , Calendner
Beige, 1, 63 vlgg., Schmeller-Frommann 1, 115).
Niets was dus natuurlgker, dan dat de ^staülakiB-
deren*' ook gezegd werden tot het Sint-AntoniegiM
te behooren , te meer daar bg hunne onder-TOogdf-
stelling ook de bel eene voorname rol speelde.
ANTSCIJN. Zie aenscijn.
ANTSEL (Ansel), znw. o. Hetzelfde als amée.
als afgeleid van anden (zie ald.). WraaJs , wrek.
II En hebt geen ansel , non raneorem ullmn re^meex,
noch en wrect geen dinc, Ruusbr. 4, 80.
ANTWEDER, ANTWER. Zie Anter.
ANTWERDE (antworde, antwoirde, Ast-
WOORDE, znw. vr., got. andvairthi (o.), ohd. anim^rti
antwart, mhd. antwart, antwurt (vr.), ofii. oiulvwrde,
antwerde{o. ?), andert {mei uitstooting der tp, zie T. em
Lettb. 2 , 66 vlgg.) , mnd. antworde, antwart, antwerde.
antwert. Tegenwoordigheid. Het woord is eeneaflê-
ding van het bnw. andvairths, eene afleiding vn
worden {werden), evenals ons tegenwooréU^ en hi
425
ANTW.
ANTW.
426
gtgefUBwrüg y en heeft dufi niets met ons znw.
tmivoard te maken. Het was reeds in *t mnl. nij
seldsaam, en de eigenl^ke kracht werd niet meer
I^Toeld, ook doordat er aanleiding was om de
beide woorden met elkander te verwarren: men-
kon nl. de nitdr. U aniworde (antwerde) comen
eTengoed opvatten als ter veroMttooording komen
als (Voor het gerecht) tegenwoordig Mijn, \\ Ende
da rike , vol hoverden , du werts gescent in Gods
antwerde (nitg. Aoverden: antwerden), BineL 1023
(vgl. ohd. in gotet ontwart , Graff 1, 1002). Ter
scepenen antwoorde, R, v, Utr, 2, 43; 60; 62; 71.
Tot onser antwoorde(n) , 46 ; 136 , e. e. Hoe men
die wete {betrefende gijzeling aan de bedoelde personen)
scnldich is te doen ? . . in hairre antwoinle of tot
hairre maelstede, Matth. 173. — Vooral in de absolute
uitdr. goedes tuges antwerde (antwerdes)
M tegenwoordigheid van geloof toaaréUge getuigen ^ ygl.
ofiri. on ttoire noweliiera (suficientium) orkenda an-
dert (Bichth. 962), en mnd. to guder lude ant-
worde (Lubben 1,111)* 11 Enich onse burgher . .
die goet coften binnen onser vriheit goedes tnghes
antwerdes , Stadsr. v. Zwolle 149, 260. Goedes tughes
antwerdes, ald. 262. Die sal dat sinen nabuer te
voeren segghen . . goedes tughes antwerde, 141,
239. — Antwerdes (an.twordes) staen,^^»»-
woordig xijn^ voor het gerecht staan om gieh te
verantwoorden. \\ Comt die man niet over sine jsake
tho verantworden , . . soe mogen die richtere des
darden dages . . sine kore afwynnen gelikerwyss
off hie daer antwordes stonde, E, v, Zutf. 36.
ANTWERDE. Zie Antwoorde.
ANT WERDEN (Antwarden, Ant worden),
zw. WW, bedr., ohd. antwurtian^ ags. andvearé(jan
£ttm. 107), oéri. ondwardia, mhd. antwerten, ant-
wOrten , mnd. antworden, antwerden, antioarden. Leve-
ren, overleveren f terhandstellen, ygl, hd, Oberantwor'
ten. Van het bnw. andvairthe (zie Antwerde l«t«
Art.), dus volkomen hetzelfde als lat. praesen-
tare, fr. présenter, Vgl. ook verantwerden
(= vertegenwoordigen, représenter). || Woe men
goed end aelmoesen den treserier antwoorden zole,
JD. Orde 271 (vgL 284). Dat hem die beveelt die
hem tingheseghel antwoert te hondene, om het
te bewaren, 286. Jhesu Griste, soete here, du
words voer Pylatum den rechtere geantwerdet te
primetyt, Versch. Oed. (hs) ƒ. 62i?, aangeh. by De
Vries, Mnl. Wdb. 263. (Dat) Henric Spünter . .
bethalen sal ende andweerden op sinen cost . .
thien pont Hollans, Oorkb, 2, 2486. Nundusent
ponden des vurgenanten payements, die wir ant-
werden solen in die grayfscap van Gnlge, Nijh.
1 , 202 {a, 1327). De sulven brieve heft ons de . .
hertog^e van Gelren geantwordet, 3, 169 (a. 1389).
Renten . . te betalen, te antwerden ende te
leyeren . . tot tween terminen tsjaers, Brab, T,
I>1. 2 , bl. 484 (<f . 1366). Oren tolner , . . die die toUe
al^^ader kummerloes upbore ende antwarde unsen
steden , Nijh. 1 , 192 {a. 1320). Wederleveren, ant-
werden ende geven , 1 , 427. Gheven ende antwerden
2, 271, vgl. 272 ond.; 3, 3 en 86, enz. — Ook
met een land of landschap als voorwerp: iemand
if§. Jksê beeit stellen van, \\ Soo sal hQ . . die
£^eefs€hap van Chiny . . sonder versuick weder
antwoerden den grave van Loen oft sinen erven,
J^rab. T. Dl. 2, bl. 480. Onse grote Vrouwe
(Jilütncra) . . die Veluwe weder antwerden, NQh.
2 ^ 74:. — Ook van het overleveren van een burcht
of Juuteel, vooral bij een zoogenaamd feudum
ap^rfurae (vgl. open huus), en dus meermalen met
(fpen^n verbonden. || Dat wQ hem onse voirscr.
huys met zynen toebehoren, wanneer s^js te doen
hebben van orloge . . openen, andwerden ende
leveren sullen, Nüh. 2, 42. Dese vurgeseide burch
openen, mit werden (1. antwerden) ende leveren,
1, 113. Dit . . huys, voirborchte, traven enz.
openen, andworpen (1. andworden) ende leveren,
1 , 424 vlg. Thuus van Hoesdenne . . binnen achte
dagen daer na te ant werdene, JBrab. T. Dl. 2,
bl. 767. Zoo ook Ngh. 1, 426; 2, 86, 272 e. e.
— Ook van andere gebouwen. (| Als he (de
schoolmeester) de schole opghevet, so sal he se
antworden ende leveren den rade dicht ende gans ,
Stttdb. V, Oron, VII, 19. — Ook van een ambt:
het hem opdragen, toevertrouwen, \\ {De kommandeur)
zei hem daer voer alle den broederen dat ambocht
der meesterscap mitten vingherline ende mitten
inghesegele antworden ende bevelen , B, Orde 278.
ANTWERDEN. Zie Antwoorden.
ANTWERDES. Zie Antwerde, l«ie Art.
ANTWERP (andwerp), -werpe, znw. m. Uit
het voorv. and- , ant- , tegen (zie Ant- bQ De Vries
260 en verg. Anthooft), en Werp (verg. Aenwerp).
Het tegen het water opgeworpen land, dam. Hiervan
ook de naam der stad Jntwerpen, vgl. De Vries,
t. a. p. II Dat wy meerekende ende aenziende
dat groetelycke van noede es , omme de fortificatie,
ster^enesse ende bewaemesse van der selver
stede, . . dat gheleyt ende ghemaect worde eene
goede nieuwe siuus in de oude Leje voer Sente
Baefs brucghe, omme daermede van nu voertane
bevloyt te hondene ende ghewatert de andwerpe
ende meersche, alsoe verre, tallen tjden, ende
alsoe langhe als de voerseide stede omme haere
bewaemesse sal wesen van noode, Diericx, Mém.
1 , 396 (a. 1416).
ANTWIEN. Zie ontwee.
ANTWILEN, bfjw. Een zeldzaam woord. Van
and- in den zin van tegen en het bijw. wilen.
Wil en (en) antwilen bet. dus (^ tijden en
hunne weer%jden, d. i. te allen tijde, Vgl. ADMAEL en
AND ACH, en het zoo even genoemde weer tijd {=. tegen-
tijd). II Wüen antwilen wilt bewachten mijn leven ,
ende impetreirt mi voren an uwen eenichen Zone
vercoren vervulte van goede, O VI, Lied. en Ged.
463, 80 (tot Maria).
ANTWOORDE (Antwoirde , Antwerde , Ant-
woRDE, vr., Antwort, Antwaerd, vr. en onz.,
ook Andw. — ) , got. andavaurdi, ohd. antwwrti, ags.
andvyrde, ofri. ondwairde, andert, os. andwordi,
mhd. antwürte, antwurt, mnd. antworde, antwort,
antwerde, antwarde, antwert. Vgl. Grimm 1, 609.
Het geslacht dobberde tusschen onz. en vr. ; hd.
is antwort vr. gebleven, ons a»^o(>r(^ daarentegen onz.
1) Antwoord, in tegenstelling met tale of woort.
I) Sine antwoorde, Rymb. 33761. Deser antworden ,
Sp. III*, 68, 16. Engene antwerde, Lanc. IV,
6966. Mitter andwaerd, Oorl. v. Albr. 426 vlg.
— Antwoirde meermalen bij Matth. e. a. , enz. —
Antwerde doen , antwoorden, iSjp. Il'* 10, 23. — Ook
komen tale en antwoerde als synon. voor. || (Die af-
gode) gaven tale ende antwaerde eiken mensche na dat
hi beghaerde, Lsp. I, 48, 19. Die dode gingen uten
graven, die tale ende antworde gaven meneghe in
Jherusalem, Sp. V, 31, 63.
2) Toestemmend antwoord, plechtige belofte, ook
Jawoord. || Dat hi in gere maniren vanden campe
mochte falgiren , conde hi den coninc Bohorde daer af
gesetten borge ende antworde , eene plechtige door het
stellen van borgen bekrachtigde belofte doen, . . dat
Artur die coninc also houde te landewaerd keren
sonde , Zano, XV , 8626. m mochts een jaer te langer
427
ANTW.
ANTW.
428
leven , dien si antworde wilde geven , Terg, 6043.
3) Beantwoording van een groet ^ van eene toetpraak,
II So scone antwerde, so scone groete, JFY&r. 1163.
Soeten aenval maect soete vuiiwoovAt^ Spreuken %\.
4) Verantwoording^ rekenschap ^ ook verantwoording
voor het gerecht^ antwoord op eene aanklacht of
eenen eisch, verdediging. Tegenover aentprake of
eefc. II Entie gene eeschte antworde van dien gelde ,
van worde te worde, Sp. I*, 62, 26. Ten lesten
daghe, daer wi selen gheven antwerde, hoe wi
onse leven hebben hier volendet , Tien Plag. 1999.
Bu moets antwerde gheven alle der woorde, die
dijn mont onnutteliken sprect , 384. Redene gheven
ende antwoorde van al gherre groter moorde,
Rijmb. 27306. Daer si antwoerde {Theoph. 806:
redene) sullen geven van dat si hier hebben bedreven,
Bloemt. 3 , 30, 66. Na allen aenspraken ende andwer-
den van beyden zyden, Mieris 2, 162a {a. 1316).
Nae aensprake vander eener Egden ende antworde
vander ander zyden, Oetch. v. Antw. 2, 626.
In presenciën van ons scepenen . . so was hecsch
ende andworde met raede ende met taelmanne an
beede z|jden te wetten wettelike gegeven, ZVl.
Bijdr. 6, 372 (a. 1388). Dat ghi hem schnldich
zijt te eysschen ter rechter antwoorde , O. R. v.
Dordr. 1 , 366. Waerd dat enich . . van onsen onder-
saten . . tot onsen lieven neve . . enich rechtlike
aenspraeke hed, des selen w\j mechtich wesen dat
hoen wedervare na aensprake ende andwerde, dat
onssen lieven neven raide ende den onsen sal
dnnken dat reden ende beschevt zij , Niih. 3 , 171
(a. 1390). Na sijnre aenspraken die he an ons
heeft ende na onser antworden, ald. 172. Ter
antwoerde sijn, tegenwoordig zijn om zich te ver-
dedigen^ opkomen^ Matth. 163 en 186. Ter rechter
antwoirden eiseen , begeren , ald. en 187 , 189. Ter
antwoirden staen (eenre dinc),79. Ter antwoirde(n)
comen, 90, 99, 189; Mieris 4 , 664^ ; Matth. ^»a/.
3 , 344. Te antwoort comen , O. K. v. Delft 1 , 40 ,
vgl. O. K. V. Rott. 12, 7. Tantwoorden tiden,
Rijmb. 21636. — Woorde ende antwoorde,
tale ende antwoorde, het door beide partijen
aangevoerde, jj Dat Joncher Jan een dach honden
sonde tegens den hertoge van Brabant, . . daer
her Jan van Renesse woorde ende antwoirde of
overbrochte, Clerc 148 (vgl. Stoke V, 1118 vlgg.)
Angehoirt tale ende antworde binnen eenre maent
nadat beyde die heeren versoent snllen sijn, Ged-enkët.
1, 261 \a. 1419). — Antworde nemen ende
geven, eene schikking met iemand trejfen. || So
langhe sprac men ende dede, dat Willam in enen
vrede te Haerlem toten broeder quam te sinen
bedde ende hi nam van hem andworde ende gaf,
ende men stont des orloghen# af, Stoke II, 1111.
6) Bij nitbreiding ook de dach zelf^ rechte-
zitting y bijeenkomst ter beslechting van een geschil. \\
(Hi) vertrao den coninc saen, hoe de antworde
was vergaen binnen Ghent, VI. Rdjmk. 8671.
ANTWOORDE, Antwoirde. Zie Antwerde
l«te Art.
ANTWOORDEN (Antwoirden, Antworden,
Antwerden, Antwaerden, ook Andw. — ), zw.
WW. bedr., mhd. antwürten^ mnd. antworden ^ ant-
werden ^ antwarden. Zie verder Grimm 1, 608 vlg.
1) Antwoorden y in onze bet., tegenover vragen.
II Vragen ende antwerden, Pgr. en Th. 36. Ant-
woirden leest men meerm. bij Matth., antwaerden ^
Brab. Y. II, 1634; antwerden, Limb. III, 680,
Christ. 240, 277, L. v. J. passim , e. e. — (Dander)
ne and worde niet van enen worde, {met) geen enkel
woord, Wal. 3780. Sine antwerde niet van enen worde,
Lane. III , 4224. Tfolc antwoorde daer ane, ciurt^
Rijmb. 27664. Eer men antwoorden mochte daer ave,
dienaangaande, 27278. Onse hemelsche Yider
heeft ons ewelic gheroepen . . ende wi selen hsm
ewelic antwoerden, Ransb. 4, 40.
2) Rekenschap afleggen, verantwoording ioen^nfk
in rechten antwoorden op eene aanklaehl of eenn
eisch, zich verantwoorden. \\ Ie segge dat elc ut-
worden moet, waer wulle, vleesch ende bloetni
den scape helende , Disp. 378. Daer men in die
helle die blaect . . antworden moet hoe men telde
die scaep op minen velde, 361. Yoer tgherechte
daer soe stoet ende moeste antworden vor dat
goet, %>. V, 62, 23. Eist niet recht , dat tl|f
ant wordt van der dorperliker mort, III', 27, 75.
So willickene vor Oode dagen tantwordene Tia
deser clagen, lY', 38, 87. Want wi van tUei
ydelen woorden ten oordele sullen antwoordea,
Lsp. III, 16, 206 (ook 116). Die besitter . . ea
sal niement na dien tiden, al worde hi oic g^
aentaelt, dair af scnldich syn tantworden. Brak.
r. Dl. 1 , bl. 786 (a. 1330). Die mit recht dair
scnldich is voir te antwoirden, Matth. 88.Tegdic
die recht heyst off antwoirt an eenre vierschara,
143. Ontginge eenech gevangene nte smeyers vaa;-
nessen , so es de meyere schnldech den proofst te
vullen tantworden van dien gevangene , diere oat-
ginge, Halb. Aant., Inl. 126. — Ook eene verkkruf
afleggen. || Dat alle deelmannen . . sculdichzÜBte
termineerne . . alle ghedeelen die vor hem conunea
binnen XL daghen naer dien dat sg (partijen jii.)
gheandwoord hebben zullen te deelue , Cout. t.
Bntgge 1, 360.
3) Rechtsterm : de partij , de veranfwkoriing vosr
iemand op zich nemen, voor iemmnd pleiten, ooÏJi^
Christus, als patronus der menschheid. || IM
Jhesus . . in die eeuwelichede een salich priestendp
heeft ontfaen . . voor ons te antwoordene, Jami
II, 6041 (vgl. Hebr. 7, 26).
6) Met den 3den nv. aer zaak. Beantwoorin
aan, overeenstemmen met. \\ Dine wort ende diae
daet, sie dat beede overeengaet ende elc andem
antworde, Sp. I*, 64, 16. Alse die vorseide tekeae
niet en antwerden der orinen , Hs. Yp. 23i^. Dis
antworde de bedecte wonde der bedecter hertea
gronde, Franc. 8369. Antwoerde synre groter
minnen mit minnen, Sp. d. M. 1, 7Sd. Dat die
pine antwerden mogte der scout , Limb. Sem. 150c
De mate sire glorien antwert der maten sire graden,
Rnusb. 1 , 46. Yier gaven , antwerdende den iersta
vieren , 48. (Wanneer) dat die naturleke beroerii^
niet en andwert der beroeringen des hemels, 123. Ke
Sine, die der souden antwerd, 3, 264. Dier ongeoer
ender minnen antwert een ewich vier , ald. Groet-
heit der pinen sal antwoerden groetheit der geno^
ten, 268 Daer wi sinen gaven antwoeraen n^
doechden in sijnre eren, 4, 17. Op dat wQ antwoer-
den , daaraan beantwoorden, so ist recht, Pass. W.^.
Zoo nog Ruusb. 6^248 (= Ned.Proza 31) en 260: <«.
ANTWOORDER (Antwoirder, antwerder).
znw. m., mnd. antworder, antwerder, mhd. antwêrtff,
hd. antworter. De gedaagde, \aX.retis. || Trechttai
allen saken . . twisschen twier personen tilea,
als des eysschers ende antwoirders, mit vonoissea
wysen op haren eet, Matth. 34. So moet daer
wesen een rechter, te minsten III scepenen, eea
clagher ende een antwoirder, 46. Een eysscker,
een antwoirder ende wysers des rechts, dit
sijn scepenen, ende en can die besaeckte niet ant-
woirden, 80 moet hy een verantwoirder hebbei
om trecht te vorderen , 106. De Rechter en aat-
420
ANTW.
ANXS.
430
werder sallen daer wesen . . up dat raethais, Warft-
eontt, 18. De rechter by yerlees siins doems offroyes,
ende de antwerder by yerlees siinre sake, ald,
AKTWORDES. Zie Antwerde, 1ste Art.
ANXENE (anxen), anw. vr. In beteekenis
geljkstaande met Anguiêse en Anxt. Het woord
schynt in de yerwante talen niet yoor te komen;
doen is blijkbaar eene afleiding yan den stam
«Vi ons êng^ waaroyer sie bg anxt. Volgens
De Vries , Mnl. Wdè. 225 , is de oorspronkelijke yorm
yermoedeiyk anxeme geweest, waaruit, met den
niet ongewonen oyergang yan m tot » in achter-
yoegsels, anxme is ontstaan. Verg. ons bodem ^
boezem y met hd. boden, buee», mnl. blisene naast
bUxem (z. ald.) en zie Grimm, Or, 2, 150. Het
Ags. kende het bnw. anffeum, „angustns," yan-
waar angtumjan , „yesare'* (Ettm. 13) , dat bij ons
oMfftaem zon Iniden, en waarneyens zich een ohd.
angeoM, aneeam en een znw. ancsami denken laat,
eyenals arbeitMmi, gahoreami (nhd. gehoream), enz.
Verg. Graff 6, 32. Aneeami moest mnl. anctame
Iniden, of met toonloos geworden klinker anc-
eeme, anxeme. Eyenzoo scn^nt mnl. Hjcsene (zie
ald.), dat met ohd. ga-MAeam, nhd. g-leichêam, in
yerbond staat, op een ohd. znw. AArofli» te w^zen ,
en komen mnl. ontUJceeVen en ontUjeeeuen beide
yoor (zie ald.). Ook het geslacht yan anxene is
hiermede in oyereenstemming, daar de ohd. woorden
op -eeatU alle yr. waren.
1) Be ondere opyatting. Benauwdheid , hoelUng ,
pijnlijke of angs&ge toeetand, nood en gevaar. \\
Tserpent dreesc Inde, hem was wee, omme die
anxene yan der doot. Noch was Waleweins anxene
groot: hi lach onder tserpents yoet, WaL 546
(yerg. 420). Doe was hi bilde doe hi dat sach,
dat tserpent also doot lach, dat hem die anxene
hadde gedaen, 577. Ie bem der anxene ontgaen,
die mi tserpent heyet gedaen , 687. Die den andren
helpt nnt sire noot ende nter anxene yan der doot,
2653. Dat haer anxen groot was, ende lieyer
hadde doot te sine, Farth, 5894. Maer wordi in
groter noot begrepen ende in ancsenen groot, dan
es hi yan cranker were, 5971. Ende gedoochden
menich warf anxene, pine, swaer yerdriet, 'Bate
fr. bl. 250, ys. 77. Daer hi af was negen der
jare in anxenen ende in pinen sware, Sp, II*, 8,
32. Soe sprac, alsoot haer geboot hare anxene ende
hare noot, Belg. Mus. 2, 60, 13.
2) De jongere opyatting. Benauwdheid, vrees,
ons angst || Die Jode lach in anxene groot, Sp.
III ^, 90, 55. Ie ware onteert bi den keytyf, en
hadde gedaen, here, mijn joncwQf, die te mi met
haesten scoet, doe ie riep yan anxenen groet, II',
57, 204. Eerachtich men in anxenen leyet, als hi
bidden moet dat men hem geyet. So zeere dnchti
dat men sal sine bede hem ontseggen al, Bose
4631 yar. Menich meinsche gaet hier inne . . ende
sgn daer in anxenen swaer, 5805 yar. Ende oec
yan groten wee, ende yan groten anxenen mee,
Jf. en Vr. Heim. 1169. Mi doen in anxenen wesen
mine gepeinse menigertiere , ^ln^lfMl{ 1 , 5780. Sonne,
mane ende alle figneren yerkeerden alle in haer
natneren yan anxenen ten selyen tiden, die gi den tor-
ment moest liden , II , 4883. So wie datter neerenstelic
in wille lesen . . , hi sal yan anxenen hem wachten yan
sonden, OFl. Ged. 2, 31 &. Onmachtich in al haer
leden yan grooter yreesen ende anxenen, 37a.
ANXENEN, zw. ww. bedr. Van Anxene: zie
het yorige art. Eyenzoo Anxten yan Anxt en
Anguissen yan Anguisse. Verg. ags. angsuv^an,
„vexare" (Ettm. 13). In benauwdheid, in een pijn-
lijken toestand brengen, || Want, alst God wüde ,
die gygant wart geanxent altehant. Tkint wan den
zege, Sp. IV*, 43, 41 (Vinc. enervatus est). Si
sgn gheanxent ende ghecranct. Es. v. 1348, 253<;.
ANXSELIJC. Zie Anxtelijc.
ANXT (ancst, angest, ook min zuiver anst,
ANX, en HANCST ffeschreyen, ook anxte, yr.)
'te, znw. m. Voor aen 2den ny. des anxtes (anxts)
yindt men in 't rgm ook den onjuisten yorm des
ones (: danes). — Anxt, ons angst, is samenge-
trokken uit angest, dat men leest Merl. 33283,
34741, 35095. Verg. de glossen bij Graff, Biut.
2, 212: „Angest, discrimen'^'* en 201: Anxt,
anxietas.^^ Ohd. angust, mhd. angest, mnd. angest,
anxt. Van den stam ang, got. aggvtts, ons eng.
1) De oudere opyatting.
a) Benauwdheid, kwelling , pijnlijke of angstige
toestand, nood en gevaar, ongelegenheid. || Men
doetse hangen ende thooft ofslaen, ofte stenren
arger doot: hare anxt es dicke groot, Bleg. 210.
So moeti mi, here, heden jegen dit felle serpent
beyreden, dat mi desen anxt heyet fedaen, W'al.
497. Het es die dnyel uter helle, die hier comt
ende wille mi quellen, ende heyet mi desen anxt
gedaen, 553. Daer die wQch alrefelst was, ende
die meeste anst ende noet, Lane. IV, 6568. Hen
dogede man die anxte nie, die hi dogede , geloyets
mie, om dl te brengene ter hoechede, Overzee
134. Ende mi heeft yerloest nut menegen anxte
ende yertroest, Sp, 11^, 47, 101. De bliden, de
waren sgrayen, . . dede hi bringen yoer der borge,
ende deder hem mede anxt ende sorge, eer si
thuus op wilden geyen, Stoke V, 575—79. Dit
en was noit g^hoert, dat die yader heeft yermoert
sine kindere dus sijns ondancs ! O wi , lieye kindere,
des ancsl Brab. Y. II, 543. Want wy dwasen
daer op mickea ende dwalen mede in menigen
sticken, dat onser zielen is een anxt, Hild. 114,
223. Enich man die uyt onser stat were om anst
of yan broeken , dien en zoelen die scepen en genen
yrede geyen bynner der stat te comen, Stadsr. v.
Zwolle, 156, 284 yar. Zo zolen zi op die heilige
ewangelie sweren bi hore zielen, dat zi noch doer
minne , noch dor hat , noch dor anst des iet laten ,
zine kiesen mit lettere herten den , die hem . . die
beste dunke tot enen meestere, D. Orde 276.
b) In engere toepassing. G^^oar, waaraan iemand
of iets blootgesteld is. || In droge weyde leyen
si lanxt; gaen si in natten, dats een anxt, i\ra/.J3/.
II, 3173. Dese diefte es arger in yelen dan daer
men met anxte moete stelen, N. Doet, 505. Een
anxt eest sieken weder keren sine spise; daer
moet bi yerseeren siecheit ende daers de doot
tontsiene, Bind. 73. In dese stat (der mane) es
grote anxste daer an, oft men qnets eenegen man
met jser, want nat es die mane ende diser cout,
Fr. Heim. 542. Ane den steden daermen anx heyet,
daer en solen die broedere zonder yerlof horen
beesten die tome niet ayenemen, B. Orde 295.
Die meester dede ais een roekeloos man sonder
enich beraet yan den anderen meesteren den edelen
mogenden heer sQn been te sniden, dair hj die
sericheit hadde, ende meende twair sonder anxt,
Matth. Anal. 3, 356. üut allen anxte salie di
yerborgen, Sp. IV, 9, 96.
c) In nog engere toepassing. Gevaar van schade,
verantwoordelijkheid, risico, in oorkonden zeer ge-
woon, ygl. Burman, Utr. Jaarb. 1, 109. || Op
onses zelyes cost, ende op ons selyes anxt, ende
op ons selyes scade ende yerlies, Mieris 2, 53^.
Elcs jaers op onsen, of onser nacomelinge, daip
431
ANXT.
ANXT.
432
dat Yoirsegede op comen sal , coat, anst ende arbeyd ,
324«, ygl. 323a. Jaerliz te betalen . . op onsen cost,
anzt ende arbeit, Nr|h. 1, 405. Welck geit voirscr.
wy hem . . op onsen anzt ende cost, tot wille
ende in seker behalt . . commerrry leveren sullen ,
4, 171. (Welke renten) si haer geloeft hebben te
antwerden ende te leveren op haren anzt, cost
ende aerbeit , tot tween terminen tsjaers , Brab. Y,
Dl. 2, bl. 484. Cost, anst ende arbeit, Zwijndr, W,
7; 9 en Racer 6, 322, ygl. 317, waar ten onrechte
amt staat. Zoo ook of enet anxt ende cost^ Racer
2, 241. — Vgl. andere soortgelijke aitdr. : coit^
ichade ^ noch arheyt^ Nijh. 2, 66; Uutinge^ cotten
end^ tchade^ Y. d. Wall 369; kost^ arheyt ende
sollicitatie y in eene Zvrolsche Rek. v. 1488, bij
V. d. Chijs 4, 337. Vgl. voorbeelden van dezelfde
nitdr. bij Koseg. 1 , 437 en onze aitdr. „kens
baart angst J"* „en die kens heeft, heeft angst ^"^
waarin de bet. van gevaar nog voortleeft.
2) De jongere opvatting.
a) Benauwdheid^ vrees ^ verlegenheid, ons angst. \\
Anst voir sijn ende, Devoet B. (30) 539. Sta in
anst ende bereyde dijn siel in becoringhe, 185r.
Ie hebbe leden so menegen anzt. Rein. I, 3206.
Ie en wond noch snlken anzt niet dogen als ie
daer leet, om dasent merc, II, 3604. Reinaert
die was om dit spreken in groten anzt ende in
vaer, II, 4360. Met groten anzt ontspranc die
man nut sinen slaep, II, 4886. Wat groter anzt
dat hi leet, II, 5619. Wi waren in groten anzt
bevaen, doe wi n onder leggen sagen, II, 7418.
Die vrowe was in anste groet, Lanc. IV, 3346.
Want soe hadde geweent also . . van rouwe ende
van anzten mede, Flandr. IV, 141 {aiig.anxtene).
Sere in anzte was hi nu hier, hoe hi sal ierst
beginnen hare te sprekene ane van minnen, Limö,
I, 1058. I)ie levet in anzte, hi levet in eren,
want anzt doet al mesdaet keren, Fad. Mus. 1,
71, 1 (en ald. passim). Sonder twivel ende anzt,
Ruusbr. 3, 240 {var. sonder twifel ende sonder
vrese). — Zoo ook J2«Vi.II, 3815, 5727,5785; /;*ƒ.
I, 19, 49, 51; Brab. Y. V,8.S4; Christ.\b^^\em.
b) In bijzondere toepassing. Vrees , ontzag, eerbied,
II Een recht monc sal . . altoes den anzt Gods
in sijn herte dragen. Stemmen 63. Waer om en
wandert ghi niet in den anzte onses Gods, D. B.
Nehem. 5, 9. Zoo ook II Chron. 19, 9; Ezra 5,1.
c) Met eenige wijziging van beteekenis, angst-
vallige vrees, nauwlettende zorg, bezorgdheid, zorg-
vuldigheid. II Anzt, voerdacht ende heymelicheit ,
dat syn der wijsheit beste cleyt, MLoep II,
2129.
ANXTELIJC (ANXTELIJC, ANCXTELIJC, ANCSTE-
LIJC, ANSTELIJC, ANXELIJC, ANSELIJC, of-LEC),
-like of 'leke, bnw. 'HL\i^.angestlich,mïi^.angestlik,
anxtlik. Van Anxt in verschillende opvattingen.
i) Benauwdheid of kwelling verwekkend, benauwend,
pijnlijk, bezwaarlijk, moeilijk. Zie Anxt 1, «.) ||
Danzstelijcste dinc dat enech es . ., dat dunctmi
scependom wesen; want si en hebben geen recht
bescreven, ende si moeten vonnesse geven uut
haren hoefde, Teest. 1105. Dancstelikeste dinc dat
sijn mach in ene stat, dats quade tonge, Z>of/. II,
724. Want een onbescheiden heer die en werct
salicheit noch eer , die is oeck anztelic by te wesen,
Hild. 71, 39. Soe ist een anztelijc verbeiden van
der werlt hier te scheyden, 84, 133.
2) Benauwdheid gevend, nood en gevaar aanbren-
gend , gevaarlijk. Zie Anxt 1 , *). || Dat ware grote
sonde, lietmense sterven sonder sacramenten, ende
het ware haerre zielen anztelic , D. fTar. 5, 393. Dat
een anztelec dinc es , dat hem liede onderwinden loje
ende die rechte te venden, die in die scrgflure
sUn blint, ende van rechte en weten twint, Doet.
II, 3602 (var. S. anselijc; OFL Ged, 2, 67, 103:
anzelic). Dat anzstemc . . eens smenschen let
gequets es, alse de mane in teeken des ledes z§,
Fr. Heim. 614. Dan is hy sunderlinge verveerUc
ende anztelic allen vogelen, die vliegen boren der
eerden, Ned, Proza 849. Die gewoenlike logener
is seer anzteliken, dat hi cume sonder liegea
eenich dinck vertellen kan, 172. Ende om deser
tweer meren wil, daer men doer seylen moet te
schepe, ist sonderlinge anzteliken doer te Taru,
Fersl. en 'Ber, II, 21. {Het voorwerp) wcrt oec
also anztelike , dat mit {men hef) nit handelen ea
dar met bloter hant, Limb. Serm. 119 b.
3) Angstverwekkend, vreeselijk, vereekrikkel^k;
de meest gewone beteekenis. Zie Anxt 2, a). \\
Omdat die almachtighe Qod anztelic is den sondarea,
ende sacht den goeden, Greg. Hom. 70r. Die
swarte sloech opten here enen slach, ende sloech
so sere opten helm, dat hi booch, ende tswert
ontwee vlooch: so anztelec was die slach, Eley.
423. Dit was ene ancstelike snede, Lorr. U, 790.
Dus was ansteljjc dat gevichte, Lanc. JU, 18491
Dits een die anztelijcste man die ter werelt ie l|f
gewan, III, 19043. Dat anztelic oerdel, dat over
di sel gaen, Bern. S. 145a. Wat viant is swaerder
ende anzteliker dan een vals medicus? SeAaaksf.
346. Doe wart die tornoy anztelic, Merl. 29019.
Dat anzselicste brieschen, dat afgriselic tehoome
was, OFl. Ged. 2, 39a. Doen quam een anztelge
wint , Brand. (H) 10% ; D. B. Job 1 , 19. Die w^ch
was anztelijc seer, felre dan hy was eer, Troyeuf.
SSd. So anztelec was dit tempeest, Sp. 11^, 2, L
Na menech anztelec torment es si metten swerde
geendt, 11^, 18, 211. Een anzstelec ven^n, Doet.
II, 2226. Danzstelecste dinc dat es, Lsp. III, 12,
77. Dat anztelike oordel groot, IV, 9, 100. Ende
sullen so briesschen ende criten , dat dat anztelike
gescal toten hemele clincken sal, IV, 9, 20. lm
dat vreselike vier, dat anztelike es ende ongvbier.,
Lucid. 5054. Ende hadde gewonnen bij enen stier
een kint, dat was een anztelic dier, MLoep I,
1393. So moeste hi liden al de tormenten . . vaa
deser anzteliker beesten, OFL Ged. 2, 43a. Ende
ooc so slougen si anztelike donderslage , dat alle
creatueren gruwen mochte te hoome, so aoxtelikc
waren si ende so afgriselike, 45a. Ten is giea
dinc also anztelic, als dat wy in alsuicker staet
leven , dair wy niet in sterven en dorven , Siemw^e%
2. Van haren souden , die seer ancztelijc ende oi-
menschelijc waren. Mar. v. Nijm. bl. 42. Mit eeare
anzteliker stemme, Clerc 29. Doe dese anxtelike
strijt dus geschiet was tot g^ter scaden vaa
kerstenrijcke , Exc. Cron. %lb, Daer deden si die
uutvaert mit groten anzteliken gewene , D. B. Gen,
50, 10 (vuig. planctu magno atque vekemer^/i). See
leden wij doer een anztelike wildemisse , I>eut. 1 ^
19. Anztelijc honger was binnen Samarien y I Kom.
18, 2. — Zoo ook Lanc. III, 19035; Sp. II», 18,
236; Limb. X, 1095; Wrake II, 399; Velth. IV,
29, 29; Hild. 158, 80; 244, 53; JTZ^II. 1033;
Hadew. I, 18, 20; Stemmen 117, 110, Ifed. Proaa
87, 98, 296; Matth. Anal. 3, 94; «fiur.
ANXTELIJCHEIT (anxtelicheit), en -hede,
znw. vr. Zie Anxtelijc 1). Benauwdheid ^ ver-
schrikking. II Die dag es des torens dach, die
nyemen vorgaen en mach; het es die dmcK der
anxtelicheit, X F lag. 2408.
ANXTELIKE (anxstelike , anchstelike ,
433
ANXT,
ANXT.
434
A.NXTELIKEN, ANXTELIJC, ANXTELIC), bgw. Mhd.
tutgêttHehe, Zit Anxtelijc bnw.
1) Op eene unjge, eÜe gevaar dreigt^ gevaarlijk. (|
Die(t) daer na anxtelQche stont , dat waren die tien ,
die buten bleven, D. War. 9, 149, 272.
2) Op eene angttverwekkende toijze^ vreeeelijk^
vereehrikkelijk. || Hoe zeer anztel^c dat zy droegen
in der yoecht der zonden last, Hild. 244, 46.
Dien hl jegen menegen Sarrasijn sacb vechten
harde anxteÜke, Parth. 4846. IHe hem daer ter
were dede soe anxtelijc ende soe sere, dat hire
daer ten irsten kere XX ende meer dede ylien,
Jjone. II, 38980. Bat si doen qnamen te samen,
een en darf hem niet scamen, soe sere heeft
hine ontmoet, ende soe anxtelike gegroet, /. w.
w den etrijd^ lAmb. lY, 1446. Harde anxste-
lycke groote slagen, Qrimb. II, 5049 var. Eene
wonde anxtelike groot, II, 5170. Ie bem gebonden
anxtelike van den inged van hemelryke, Amandlj
3486. Doe gingen si mit sporen slaen als onge-
bottdene leuwe ten tiden: so anxtelike gingen si
riden, J). War. 9, 148, 218. Hi moet anxtelic
geboren die den dnvel sal veryeren , Ror. Belg. 9 ,
26 , 403. Die wateren vloeyden anxtelic , ende si
Terv oldent al boven der aerden , D. B. Oen. 7 , 18
S^uig. vehementer). Hier en binnen so dwanc die
onger al dat lant anxtelic , 43 , 1 (V nlg. vehementer).
Die Here wort anxtelike gram op Israhel , II Kon.
17 , 18 (Volg. vehementer). Anxtelike (anchstelike ,
anxteliken, anxtelijc) vechten, Lanc. II, 45064;
in, 19481; Sp. III', 52, 49; Belg. Mus. 4, 196;
Grime. H, 4091; Brab. T. VII, 15005; Pyr. en
TA. 266. Anxtelike (anxtelgc, anxtelic) striden,
Orimb. I, 4566, 4561; II, 2376, 4584, 61U\em.
I Ook als eene zeer krachtige versterking bij een
bnw. of WW., op dezelfde wgze als thans veel-
ynldig ontzettend, vreeeelijk enz. worden gebezigd.
II Tswert was anxtelike goet, Limb. V, 104. Ie
9al di alte anxteliken menichfoudigen , B. B. Oen.
17 , 2 (Vnlg. vehementer nimie; StaXen-Yeri. gantsch
teer). Jndas was anxteliken naerstich om die qnade
te verslaen, II Maeeh. 12, 23. Hoe anxtelike lelijc
sie ie di nn, He, v. 1348, 300^. Anxtelike sere
scone, D. B. Ezech. 16, 7. Anxtelike toomich,
Job. 32, 2.
ANXT£N, zw. WW. bedr. en onz. Yan Anxt
(zie ald.). Mhd., mnd. angetten. Ygl. beanxten.
Bedr. — Anget aanjagen, benauwen. || Mijn
Seest is geanxt in mi, He. Pe. 1987-. — Ook in
en verfranschten vorm anxtineren, Fad.Mut.
3, 24.
Onz. — Angetig zijn , zich angstvallig en zorgvuldig
gedragen, zich uitsloven. || Weest dan ghereet alse
de cnecht anxtende in ghehorsamheiden , Ss. v.
r» 1348, 2eOd.
ANXTEREN, zw. ww, bedr. Frequentatieve
TOrm van Anxten. Beangstigen, benauwen, kwellen.
II Die dage selen comen, dat di dine vlendeselen
beliggen ende ommeringen ende anxteren in allen
staden, L. v. J. c. 158. Huet u van diencacadnl,
want hi dien ghewapenden riddere anxterde in
flinen crite, Limb. Serm. 174c.
ANXTVALLICH, ANXTYALLICHEIT. Zie
Anxtvoudich.
ANXTYOLDELIKE , ANXTVOLDICH , -HEIT.
Zie Anxtvoudich, Anxtvoudicheit.
ANXTVOUDICH (anxtvoldich), -dech , -digeoï
'dege, bnw Mnd. angestvoUUch', in den Teuth.
^ Anxtfeldich, ontmoidt, versnft, ver-
Tsert, vruchtsam, sorchfeldich, versla-
gen. Timidus, pavidtts, anxius"*^ eet. Yan Anxt en
'Voudieh. Yerg. het op dezelfde w^ze gevormde
zorgvuldieh, mnl. sorchvoudich , en angstvallig, nd.
angstfaltig (door Koseg. 438 gebruikt), dat nit
anatvoldieh, anxtvaldich, verbasterd schijnt. Ook
anxtvallich komt mnl. voor, b. v. Bem. W. 160c:.
anxtvallich ende sorchvoudich; bbi eens anxtval-
lighen ridders ; zoo ook het znw. ansfvallieheit, o. a.
Ms. 75 /. 463; Bern. W. 121rf; Es. Epist. 583:
„In veel verduldicheden , in behoeflicheden , in
anxtvallicheden" d. i. angsten, gevaren.
Angstvallig, bevreesd, bang, angstig. \\ Ten lesten
wert hi van den vrienden daer toe gedwongen , hoe
anxctvoudich dathi was ende gaf nochtan al s^n goet
over, Ned. Proza 295 (Bienb. 43 d). Dengenen die
anxtvoldich sijn ende cleynmoedich , Stemmen
108. Die tortelduve, dat is die ootmoedige ende
die anxtvoldige, die hier suchten ende carmen om
haer sonden, 109. Totten anxtvoldigen ende be-
dmcten sprect onse Heer, ald. So wanneer dat
jemant mit sonden . . Oode oneer doet, dat maect
hem een bitter anxtvoudich wee, 70. Anxtvoldich
ende cleynmoedich. Brugman 1, 273; Bevoet B.
(30) 64r. Anxtvoldighe droef heit. Es. Ps. 152 v.
Anxtvoldich in oerdel te geven, Sp. d. M. 1, 11a.
Buw. — Anxtvoudelike, anxtvoldelic,
zorgvuldig, met zorg, inspanning. \\ Doe hi anxtvol-
delic dachte , waer de arme weert wat crighen mochte,
Bienb. 180c. Wie is soe sundich of soe onsinnich,
die God niet anxtvoldUck en lovet, 353.
ANXTYOUDICHEIT, -hede , znw. vr. Mnd.
angestvoldicheit (Koseg. 438). Zie Anxtvoudich.
Angstvalligheid, vrees, bezorgdheid. || Yan mijnre
eerster bekeeringe soe heb ie een bondekijn van
alle der anxtvoudicheit ende bitteren arbeit mgns
Heren vergadert ende tusschen mijn borsten geleit ,
Stemmen 22, Ned. Proza 78*. Als een mensche
hertelike anxtvoudichejt over sijnre evenmenschen
sielen heeft, opdat sy ymmer behouden mochten
worden. Stemmen 70, Ned. Proza 78*.
AP, znw. m., voor Nap, drinkschaal, beker,
met weglating der n in den aanvang, als in meer
andere woorden plaats had. Zie De Yries* aant. op
Hooft's Warenar, bl. 90 vlg. || Of men di ter
tafle biet den ap , ne wedersegghe niet : ontfankene
ende drinc lettelike, Boue. v. Sed. 594. Neem den
ap wjns, D. B. Jerem. 25, 15; vgl. ald. 17: Ie
ontfinc den nap van des heren hant.
APEEL (apel, appel), znw. onz. Appèl. Ofr.
appel (La Cnme 2, 49).
1) Oproeping voor het gerecht. \\ Mids welken
dat hi wederleide tapeel sonder langhor beide,
als die niet wilde ooedieren, VI. Rijmkr. 6208.
2) Eooger beroep. \\ Omme met dien van Brugghe
te helpen ordinerene een apeel up de sentencie.
Rek. V. Oent 1, 417. Omme sapels wille, 418. Ygl.
APOSTELÉ
3) Een sem tot oproeping (Ygl. Littré 1 , 1693) ,
in 't byzonder, sierwerk van eene klok. — Yerklw.
apeelkijn, klokje, bel, aangeh. Invent. v. Brugge
Gloss. 636 3 noot.
Samenst. — A p e 1 w i e 1 , in een uurwerk , het rad
waardoor het sktgwerk in beweging wordt gebracht,
ald. 431 a.
APEERT, bijw. Ofr. apert, dlshii'V.apertement,
van lat. apertus (Burguy 19). Openlijk, ten aan-
hooren van iedereen, en by uitbreiding, onbe-
schaamd. II Hebdi gheleert an uwen oom dus
lieghen apeert? Rein. I, 204.
APEL. Zie Appel.
APEL. Zie Apeel.
APENSTERT, znw. m., vgl. mhd. affenswanz.
435
APIN.
APOL.
436
Schertsende benaming voor gevangenit , ygl. onse
uitdr. in den aap gelogeerd sijn. De oorsprong is
my onbekend. || Weert sake dat hi nyet to peyn-
den en hadde , so solde hi yor elc ffi van den koere
8 daghe in den Apenstert wesen, B. v, Zutf, 83,
118 vlg. (Var. in den ttok). Eer hi wt dien Apenstert
qneme , ald. Een maent lang sitten in den Apenstert,
117, 24.
APINNE. Zie op Aep.
APEROOET (Aperouet) (?) || De bonis que
per mortem alicvjns in terra remanserint , qnod
vulgo dicitnr tterfiic guet^ et etiam de illo qnod
vulgo dicitnr aperguet binas partes habebimns et
Otto terciam, Oorkb, 2, 50a.
APERINGE , snw. vr. , voor haperinge. Ge-
twist ^ gekijf. Il Moeyte, mse ende aperinghe,
Despars 1, 225.
APERMENT. Hetzelfde als operment {auripig-
mentum) , BarthoL 5386, doch ook operment komt
iets verder tweemaal voor.
APERTICH, bnw., van ofr, apert, AA. behendig,
vlug (Roq. 1 , 76 ; Duc. 7 , 33) , vanwaar apertise (zie
ald.) en vgl. Invent. v. Brugge 5 , 86 : Eenen gheselle
die speilde van aperptise. Het woord komt niet
van apertut, maar van adperiius of adpertue, \\ Si
was sere abel ende apertich, Brah. Y, y,3869
var. Vgl. GEPERTICH.
APERTISE (Appertise), znw. vr., mfr. apertiete,
apertise, oeng. aperte (Halliwell 1, 70). Vgl.
APERTICH. Behendigheid, kunstgreep, fr. tour
cTadresse, van goochelaars en andere kunsten-
makers. Vooral in de uitdr. van apertisen
spelen, prachtige toeren doen , zoo Jonckbl. Gesch.
636; 641; 644; 650; Invent. v. Brugge 5, 86
(waar ten onrechte aperptise staat).
APIE, znw. onz. Lat. apium. Eppe , juffrouw-
merk, eene plant (Dodon. 1087). Nem dese wort ele ,
die ie telle: apie, venekei, petercelle, ende dat
salmen sieden daer na int sap van centanrea.
Nat. BI. X, 228. Nemt dat sop van adicke ende
sap van apien. Jan Tp. 52.
APKIJN. Zie hapkijn.
APLEIN, znw. onz. Ontleend aan de Fransche
bijwoordelijke uitdrukking: h plain, duidelijk, in
het openbaar, en als znw. opgevat in de uitdrukking :
Int aplein, duidelijk, met name. \\ Item ghaven
dontfangers diversen personen die der stede van
Ghent groete vriende ebben gheweest ende noch
sijn int hof van Vrankerike , . . de welke persoene
scepenen wel weten wie sy sijn, ende die niet
behooren ghenoemt te sine int aplein, 36 ü? gr. ,
Bek. V. Gent 1 , 50.
APLOMPE, znw. vr. Plompe, plompebloem,
waterlelie. Lat. nymphaea en nuphar luteum. Waar-
schijnlijk van Romaanschen oorsprong. || Nenufar
of calimbloemen of aplompen, dat siin tremeer-
bloemen ende staen in watere, Ss. Tp. lOld.
Daer inne selen wi setten die waterbloeme, ene
aplompe. . . In die aplompe merken wi vier dinge :
si hout hare altoes boven den watere, ende heeft
vier groene bl&dere tusschen hare ende dat water,
ende si es gestadecht in den gronde, ende es
boven ontploken der sonnen , Ruusbr. 1 , 68. Alsoe
als die aplompe gestadecht es in den gronde der
watere, 69.
APOINTEMENT, znw. o., {r.appointement.Ygl.
Duc. 1 , 133. Schikking of regeling , tot bijlegging
van een geschil, déuUng , VI. Bijmk. 5892 ; in den
tekst verkeerdelgk capoytement. Zoo ook Wiel.
Instr. art. 57, 80, 207, 253 enz. Vgl. Taalzuiv. 104.
APOINTEREN (apoynteren), zw. ww. bedr.
Ofr. appometer (La Cnme 2, 73). Een
vereffenen, bijleggen. \\ Soe mochte de grave hoideo
tretp metten coninc omme apoynteren , Vl.lUjmkr.
6946. Ende die grave al binnen den jaere dede
beede stille ende openbare versonc doen leeie
neerenstelike an den coninc van Vranckerike, om
tapoynteme binnen der tyt. Maer hine coDSte
.... pays ghecrighen noch acort, 6975. Dier
hi alle cue discoorde apoynteerde ende brochte
tacoorde, 9243. Zoo ook Wiel. /m^., art 58 en 215.
APOLLIJN (appollijn), znw. m., ofr. Apolïk
(La Curne 2, 26). Apollo, doch in *t algemeen
geldende als benaming van een afgod of vtlsclieii
god van heidenen en Sarracenen. || „Wat gode
meenstn?" sprae die Sarrasgn, „du weeU wd
dat maer vier gode en sijn, Mahomet, Terragua
ende ApoUgn ende Jupiter, dits waerheit fijn,"
Lanc. Il, 1997. Gebenedyt so moetti sgn Tai
Apolline, van Jupiterre ende van Jovine, Cm.
116. O Tervogant ende Apolijn! Esu. 406.
O Mamet ende Appolijn, Mahoen ende Terrogia,
594. Ie souts hem danken, bi Apoiyn!609.— Zoo
ook Maleg. 772, 776; Huge v. Bord, bl. 43,68,
59; enz.
APORTE, znw. m., mlat. apportus, ofr.«pporf.
Vgl. Roq. en Duc. i. v. Vrijwillig gescieü,
offerande aan geestelijke gestichten of personen. |i
Van den appoorte van S. Baselis , Invent. v. Brvgft
4, 419; 420; 1, 303. Alle tappoort ende inconutes
ende andre devote ghiften, aangeh. Gloss. Invent.
V. Brugge op Aporte.
APOSTAET, znw. m. Afvallige, renegaat. YgL
Wielant , Instr. Gloss. en de daar aangeh. schr$?en.
AP08TATEREN, zw. ww. onz. Ofr. aposteter
(La Cume 2, 29). Afvallig worden, het geloof
verzaken , of wel , het kloosterleven verlaten. || Snde
alsoe souden si beide apostateren ende dwasen,eide
hair slot ende hare celle verliesen, Ruusbr. 4, 89.
APOSTÉLE, znw. vr., hetzelfde als fr. «pw^Ufa,
van a en post illa , in *t mlat. verklaring , noot (vol-
gens Diez , Scheler, Littré ; volgens Mtlnchen vanGr.
anoaxok^)- Kantteekening , naschrift, ook eoHk-
veling aan eene petitie of eene memorie toegevoefi,
libellus dimissarius, schrjven over een appel door
den rechter in eersten aanleg gericht albi dien ia
hooger beroep (Vgl. N. Milnchen, Das Kaaei
Gerichtsverf. I, 534). Meermalen meiapeeliz.tll)
verbonden. || Orconden die over tapeel ende die
apostelen stonden, Invent. v. Brugge 2, 303; loo
ook 305, en 3, 239.
APOSTEME (apostome, apostume), nir.
vr. Lat. apostema, y9Jidnó<Ttrjfta. Gestoei. || Onder
tiden worden daer naer opblasinge in matrix daerende
apostemen van diverser manieren, M en Vr.Hnn^
1843. Ende es daposteme banderside , so es si ia
den rugge tien tide, 1861. Men heeft vondea,
een aposteme .... groot onder die
levere sgn, die hem die dood heeft ghegevea,
Brab. F. VII, 17723. Dander seide, hy hadeeaea
boom int lij ff; de derde, hy had een apostome ... .
des hy alle meesterien liet, Saer. 1282. Van m
aposteme , 1848. Welc de saken sgn der apostemea,
1866. Die aposteme, 1936. Morisses de surgiea
onderwint hem te ghenesene wonden ende apostomea
ende sweeren met sine salven , Livre d. Mest. 82. —
Ook, met wegwerping der «, posteme. || Es de
posteme van couder saken, M. en Vr. Heim. 190-
Es dat de posteme inwert ga, 1932. — Spreekw. ||
Twee moey selen maeeken een aposteme, twee ver-
drietelgkheden maken een gezwel, zgn «oo erg als
een gezwel, Spreuken 63.
437
APOS.
APPE.
438
APOSTEMEREN, zw. ww. oile. Ofr. apoteumer^
apottémer (La Game 2, 33). Een gezwel worden^
zweren. \\ Dese {dura mater) mach wel ghewont
8||d ende si mach wel apostemeren ende ghenesen
Bonder meskief van den live, Jan Tp. 38. Ende
dora mater wert ghewont ofte geapostemert, 39.
Ende eist sake datsi (die cullen^ s^n beede ghe-
apostemeert, soe sal men laten in de rechte side, 191.
APOTEKE , snw. m. Behalve in de bet. van apo-
theek^ winkel^ ook voor \ïet gewone apotecarijs. Apo-
tAeker, arteenijbereider (zie het volg. Art.). || Want
en es philosophe no prophete, noch ander meester
no apoteke, si en dichten alle ende scriven van
der wonderlicheit der wiven. Van den toipen 102.
Vgl. Apteke.
APOTECARIJS (apotecaris, apoticaer, apo-
TiCARis), -iee^ snw. m. Lat. apotheearitie. Apotheker^
artsenijbereider. || Die namen van cmde, diere in
sijn, sal ie ju nomen in Latyn. Die kennesse,
also alst waer es, sal kennen elc apotecaris, Nat.
BI. III, 1510. Apotecarise selen di wel dat rechte
wisen sonder fel, 1571 (var. apoticaren). Een
serpent, . . dat apotecarise vaen, ende hondent
in nare apoteken, VI, 586. Vgl. apteker.
APOTICARIE, znw. vr., mlat. apotAecaria (Dnc.
1, 525). Apotheek. \\ Hl sende ter apoticarien
omme dit navolgende pulver, Jan. Yp. 48.
APPATISSEMËNT, znw. o., mlat. appatissa-
mentiém , appatiamentum (Dnc), ofr. apatiseement
(Roquef.), vgl. apaticher^ eig. levensvuddelen op-
brengen. Schatüng^ geldheffing. \\ Eenighe appatisse-
menten , dat eenighe van den edelen vassalen hebben
ghepoint np de inwonende van haerlieden landen,
Invent. v. Brugge 6, 405.
APPEL (apel), znw. m. ; verkL appelkijn,
zie ald. ; ohd. aphul^ apfal, ^pfll\ mha. ap/el;
mnd. appel. Zie verder Kluge 9. Appel. 1) Appel,
de bekende vmcht. || Die dese apple droghe name ,
ende droghe leide sonder lacht, Iljaerso blevegoet
die vrucht. Nat. BI. VIII, 552. Si gheven hem
appel haerre som. Rein. II, 5118. Mit appelen,
peren , 5165. Enen appel , die fijn gouden was , 5502.
2) Appel van het zwaard , ronde knop boven aan
het gevest. Kil. caput manubrü, vulgo pomum
capuli, II Josep dede na dese dingen dat van den
swerde was bleven bringen , den appel ende hilte,
Lanc, II, 2255. Met enen slage, die hi hem
gaf metten apple van sinen swarde, dede
hine bloden harde, 17690, vgL 12013. Een swaerd,
• . ende die appel daer af was een dire, precieus
ende rike steen, UI, 185. Ende nam tswert bi
den orde in de hant, ende liet den appel neder
hangen, Parth. fr. 187. Die appel entie hilte
bede waren root goudijn. Wal. 3323. Name een
man , diet proeven begerde , tusschen appel ende
hilte II zwerde, NaL BI. I, 480. Sijn hilte was
Tan yvore, die appel beril; in den
appel stout also Ons Heren name Alpha ende O,
Sp. IV*, 26, 22. Die letteren . ., die an den
apel gescreven stonden, Lane. III, 254. Tnscen
appel ende hilte, III, 7965. Mettien heifti tswaert
gnenomen tusschen appel ende hilte wel, Wal.
4869. Een swert van stale , . . . van goude dien appel
ende scoe, Alex. X, 1151. Hi sette syn hant opten
appel van sinen swaerde, Ruge v. Bord. 33. Zie
nog Lane. II, 1917; Ned. Proza 127; Exc. Cron.
82«; Fyr. en Th. 322.
3) Appelvormig tieraad boven op tenten, bekers
enz. II Ende reet ten pawelgioene van sindale . .
opten appel sach hi staen een vliegende serpent ,
» • . . . wel ende subtiellike gewracht van
goude, £anc. Il, 5553. Ende hi den drake liegende
verstoet, die opten appel van der tenten stoet,
IV, 6206. Den appel van der tente boven mochte
men wel te rechte loven, Fragm. Car. 193. Boven
den appelen daer saten [diere] , lione , draken ,
voghelkine, Farth. 398. Niemene mochte deeren
venQu, waert in dranke, waert in ate, die dronke
utien dieren vate . . ;die appel was een carbonkel-
steen , 599 — 610. Eene tente . . met al . . datter
toegaen zei ter goeder trauwen , uutghedaen schilde,
vanen ende appelen, Diericx, Mém. 2, 147.
4) Appel boven een helm , kroon , spits van een toren ,
enz. II Die hoet moet een appel draghen , die de verwe
hevet ane na der lappen ghedane , Claghe 268 (Qelre,
Wapenb. 65). Daer boven moochdi grote meestrie an-
den appel {v. d. toren) sien, een diere werc , Flor. 2397.
APPELBLOESEME, bnw. Als appelbloesem,
vooral van eene aldus gekleurde fijne lakensche stof,
II Eene flaen appelbloeseme brngsche lakene , Invent,
V. Brugge 5, 133. Vgl. bloeseme.
APPBLDACHTICH, bnw. (eig. appelachtich?)
Met de natuttr van den appelboom, in H alg.
van den ooftboom, vrttchtdragend. \\ Appeldachtich
hout, draghende vrucht, Hs. v. 1348, 125^.
APPELGARNATE , -gernate , znw. m. , elders
PUMEGARNATE geheoteu (z. ald.), thans granaat-
appel. Lat. malum granatum of punieum. \\ Een
appelgamate, D. B. Exod. 38, 33; vgl. mY. appel-
garnaten, ald. Num. 20 , 5 , maar ook appelengamaten
en appelen van garnate , Exod. 39 , 22 vlgg. Oeiyc
enen appele gernate , Ruusb. 1 , 196.
APPELGRAÜ. Zie appelvaer.
APPELHAC. Kil. y eins, j. appelman, pomarius*
Zie Hac.
APPELKIJN, -kine, znw. onz., appeltje, in
den zin van kleinigheid. || Die scalc merct ende
jaghet talre stont om sijn voerdeel: mocht hire
an winnen gheheel een appelkijn, et ware verloren
al datmen hem dede te voeren , Nat. BI. III , 993.
APPELCOPER. Zie appelmangere.
APPELMANGERE, znw. m. Koopman in appelen,
Brab. T. Dl. 2, bl. 607. Zie Mange RE. — Elders
APPELCOPER geheeten, b. v. O. B. v. Dordr.2,1.
APPELTASSEYE, znw. vr. Uit Appel en
Tasseye, bij Kil. Tas-eye. Moretum: liium ex
lardo, pomis , pyris, her bis, superadditisqtte ovis
confectum. Appelkoek. \\ De eyers dienen bycans
tot alle spijze . .; men roerse metten engune en
metter pecele : dan maect men appeltasseyen metten
mostaerde, Han. H. 224.
APPELTERE. Kil. vetus , j. appelboom. Zie Tere.
APPELVAER , bnw., mhd. apfelvar. Van Appel en
Vaer. Appelklewrig. \\ Sine varuwe van den hare s waert
seghet men dat best ware , roet , ofte appelvaer ofte
wit , Ndt. Bl. II , 1647 var. (in den tekst appelgr au).
APPENDIJTSCAP, znw. onz., mv. -scepe, mlat.
appenditiae (Duc. 1, 330); ofr. appendices (La
Cume 2, 58). In het mv. die appendgtscepe,
de bijhoorigheden. || Voorts so mach Gherem . .
gaen eten ende drincken in mijns heeren herberghe
ten allen tyde als mQn geduchten heere te Ghend
es, ofte in de appendijtscepen , dats te wetene in
den cloestere tsente Pieters, tsente Baefs ofte inder
Byloke, Diericx, Mém. 1, 426.
APPERTISE. Zie apertise.
APPETIJT, znw. m. Van lat. appetitus, fr. ap-
petit. Vgl. ABETYT. Trek, /m*^ in H algemeen. || Die
appetyte der sinnen, Boeck v. d. L. Jhesu 134^;
elders ook in den zin van ons eetlust.
APTEKE , znw. vr. Hetzelfde als apoteke (z. ald.).
Bewaarplaats, schatkamer. \\ Costelike vaten enoe
439
APTE.
ARBE.
440
apteken des tarweg, ynjua ende olijs, J). B, II.
Chron, 32, 28.
APTEKER, ZQW. m. Hetselfde als apoteker
(e. ald.). Kruidemer ^ winkelier. || Ananlas was
eens aptekers soon, i>. B. NeAem. 3, 8.
AFÜLLE. Zie Ampulle.
AQUARIJS, 'ise, znw. m. Lat. aquariut. Water-
man^ een der teekenen yan den Dierenriem. ||
Daer dn ghemini in sies, jof aquarijse,
M es goet jeghen den vierden rede. Nat BI.
XII 1179.
AQÜITANCE, AQÜITEREN. Zie acquentanse
en ACQUENTEREN.
ARABI, bnw. Ofr. Arabi (La Curne 2, 96;
Burguy, Glos». 19). In de uitdrukking: ors
arabi, Arabiich paard; bn uitbreiding enel paard,
renpaard. || C orsse . . wei gemaect, groet arabi,
Lorr. y, 237. Ende hiet hem halen saen hare
goede ors arabi, Lorr. fr. I, 465.
ARABIJN, bnw. Arabisch. Verg. het vorig art.
II C orsse sere lofsam die cochtic in den wege
mijn, wale gedaegt, scone arabijn, Lorr. Y, 304.
Oii moet uwe Arabijn hier laten ende u goet,
Httffe V. Bord. 1 , 24. — Als znw.: die Arabiene,
de Arabieren y VI. Rijmk. 2296 e. e.
ARANCE (aryange), znw. vr. ; mlat. arangia ,
arancium (Duc. 1, 366); it. arancio; fr. orange.
Over de afleiding zie Diez , Mgm. Wtb. 1 , 28 ;
Dozy, O0«^. 71. Appel van arancen, arangen
oranjeappel \ bij Kil. aranie-appel. || Winandus
tot Campen gereden, om drie appel van garnaten
ende vier appel v^n arancen , oosten tsamen 10 guld.,
^ruin, Bijdr. N. B., 9, 43. Upten selven dach
gesent Reyster messagier . . om appelen van
garnaten ende van aryangen, Oorl. v. Albr. 189.
Zoo ook Barthol. 633a, 646^; ZVl. Bijdr. 6, 9.
ARASTOLOGIE (aristologie), znw. vr., mlat.
arietologia (Duc. 1, 393.). Ootterlucie , holtoortel ; aris-
folocMa. II Name een wyf arastologie, endeleidese
eenen nacht in haer poert , ende liete den nacht Uden
voert, ghevoelt zg des morghens soet smake in
haren mont, hets ware zake, dat si eenen sone
hadde ontfaen, Vrouio. Heim. 1207. Want aristo-
logie sekerlike doen menstrua voert loepen, 1217.
Een crnnt, heet aristologie, 1614.
ARAUT, znw. m. , voor het gewone Heraut]
mlat. aralduê, voor Aaraldiu (Duc. 1, 366). ||
Die coninc hadde een ghewoente, alsmen yemant
doden soude, dat hl voer sijn doer sende een
araut. Pass. W. 68c. Sy en hebben gheens arauts
te doene, dien ewelijck lof ghenoech is, Vaderb. 203^.
ARBEIDELIJC (arbedelijc), -like, bnw.Mnd.
arbeidelik. Moeilijk, moeitevol , kommervol, zwaar.
Zie Arbeit. || Dat dat leven ons Heren Jhesu
Christi . . alsoe seer strenghe ende arbeidelic
geweest heeft, Ruusbr. 3, 112. Nochtans bleef hl
uut gewoonten doende snode ende arbeydelijcke
wercken , als mist te dragen op berryen , te graven ,
Bxc. Cron. S7d. Na . . veel arbeydelike strijden
tegen den heydenen, 116c. Die . . alleen neder-
clam in der nacht van den arbedeliken berghe
met sincn bloten voeten, if*. 80,/. 87^. Wi hebben
arbeidelike wegen gewandert, D. B. Boec der W. 6, 7.
Dat ware onser crancheit al te arbeydelic te be-
wisen, Bern. S. 72c. Een arbeidelick ende een
pijnlic leven, 187*. Een wech die temael zeer
arbeidelic ende . . sorchgelijcken is, 1343. Die
gherechticheit schynt nu wat arbeidelic te wesen,
Bern. JT. 86*.
ARBEIDELIKE (arbedelike), bijw. Op eene
moeilijke wijze, met moeite. \\ Want hl meer gheloeut
wort die langhor ende arbeideliker ghestredeR
heeft, Hs, van 1476, aangeh. bij Oudem. 1, 237.
Wilt gedencken hoe arbeidelic gi mi gesocht hebt,
Rosarium Ms., aangeh. bij Y. Hasselt op Kil.
ARBEIDEN (aerbeiden , arbeden , aerbedek,
ARBIDEN, ARBEITEN, AERBEITEN), ZW. WV. OU.
en bedr.; in den verl. tyd: arbeidde en êrheiiit.
Mnd. arbeiden. In beteekenis geheel overeenstemmend
met lat. laborare.
1) Onz. — 1) Arbeiden, werken, in bjzonden
toepassing, veldarbeid verrichten. || Nn vantmen
vele kockinen, die arbeden noch pinen en wonden,
mer ledich gaen , Lsp. 1 , 36 , 7. Dat si tu
haers selfs moghen leven sonder pinen ende arbiden,
Lsp. III, 1, 20. Andre vor u arbeitten in dei
sayene, ende ghi sijt ghegaen in haren arbeit,
L. V. J. e. 116. Ghi selt nemen een calf van diei
beesten die pleghen te arbeitene , Ruusbr. 1 , 259.
Met dsn calve datmen nemen moet van den beesten
die arbeiten, 2, 26.
2) Moeite doen, zich moeite geven, sicAinspa^tm.
II Ende arbeitte in allen dingen om denRoemsoen
coninc te bringen ten naesten jare op Brabant,
Brab. T. YI, 11003. Maer hi arbeitte, Inde ende
stille, tsier kinder behoef, tot sinen wUle ^e
kinnesse te hebben. . . . van der rechter oirrien,
YI, 11406. Dar omme arbeitten wilen de heiligbea
... om dewangelien cler te makene , L. v. J. bl
2. Also dat ten lesten een bisscop . . . mit hulpe tu
mogende luden so nerstichliken daer in arbeide,...
dat hi ten lesten den ouden n^t in die liant kreeek,
Clerc 47. Grave Florüs,die des speels gewoen was,
arbeide veel moerende bet dan yemant ander, 8i
Hierom heeft die ram gearbeydt te stooten met fiiea
hoimen den leyder sijns volcs , ende heeft gearbejdt
hem te verwerpen, Ned. Proza 269. Ie wederstaese,
ie arbeide daer jeghens , Stemmen 36. Ghegeven dei
Tsoertruesinnen . . in aelmoesenen , omme dat ij
fhearbeit hadden met bedinghen over onsen ^
uchten heere, Invent. v. Brugge 4, 34. —
Arbeiden aen enen, zich moeite geven hi^
iemand, van hem trachten gedaan te krijgen. ||
Die alle met goeder trouwen fijn aerbeiten is
menegher wns aen den hertoghe Anthongs, die
te harer beden wort beraden, dat hi te graeia
ende te ghenaden nam van Diest den goeden heit,
Brab. T. YU, 4046. Als die baenrotsheeren du
gheware worden, . . . des hertoghen g^oede gW
neichtheit, aerbeitten si entie goede steden aa
den hertoghe, YII , 4320. — Met tusscen.
Arbeiden tusscen twee, moeite doen bij twet
personen of partijen, als bemiddelaar er tutsekei
optreden. || Die welke aerbeite zere emsteif^
tusschen beide die broederen rijc, soe dat, bi
middele van hem ende wille beide der ghebroeden,
van dien ghescille ende van meer andere ont-
quamen, Brab. T. YII, 3326. Enege arbeiten abt
seere tusscen beide, dat die dingen so verre qoaotf
enz., Brab. T. YI, 6608. Binnen desen sende kejaer
Yrederic den aertschbisscop van Colen om dit
oirlog te dadingen, dier so tusschen arbeide, dat
die bisscop van Utrecht hadde IIlc marck , C^erc 57.
3) Moeite hebben, last hebben, if» moeite of led
zijn, moede worden. In de Yulg. Uibormre. ||
Roepende hebbic gharbeit vele, so dat hiesck
es worden mine kele, Boetps. 27, 7. Gomt tt
my, ghi alle die arbeit ende gheladen sgt, tak
ie sal u hermaken , L. v. J. c. 84. Hine en sal liet
gebreken noch arbeiden , D. B., aangeh, bij Ondem.
1 , 237 , en zoo meermalen ald. ter Tertaling tu
\sX. laborare, 9Xs Jesaia 40, 28; 30; 31; /ifmk6,
üi
ARBE.
ARBE.
442
11; 45, 3; JoHa 4, 6; en». — Arbeiden in
arbeide van kinde, in banntnood tijn, \\ Doe
een w^jf lang in arbeide van kinde ghearbeit
hadde, Et. 88,/. ö6«.
II) Bedr. — 1) Enen arbeiden, iemand
pijniffen, folteren, kwellen. \\ Soe heeft men ..die
persene die van Bmessele ... te Lovene, t Ant-
werpen ghevoert waren in der ghevanghenessen ,
ende elswaer op die slote hier ende daer, besocht,
gheaerbeit, . . . swaerl^c ghepijnt, soe dat si ende
elc van hen bekinden daer, Brab. T. VU, 12271.
Metten dieneeren des heeren wert hi daer na cortê-
like ghepijnt, ghearbeit swaerlike, YII, 16162.
2) Enen arbeiden, iemand pijnigen, kwellen,
hem leed veroorzaken. \\ Spreke ie wort dat diarbeit,
ie wils hebben scame, Wap. Rog. .60.
ARBEIT (aerbeijt, arebeit), -^^i^, doch ook
'bette', ook arbeide , arbeoe , snw. m. (en soms vr.)
Ook in de verwante talen is het geslacht zoowel
m. als vr. en onz. ; got. arbaiths vr., ohd. arbeit
vr., mhd. arbeit vr. en onz., nhd. arbeit vr. ; osaks.
arabkéd, arbkéd vr. , arabkédi, arbhédi onz., ags.
earfódh vr. (Ettm. 30); mnd. arbeit m. en vr.,
onl. arbeit vr.; arbeithi, arbeidi onz., ofri. arbeid,
arbed. In beteekenis overeenstemmende met lat.
labor. Zie Grimm, Wtb. 1, 538 en Klnge 9.
1) Arbeid, werk, in bnzondere toepassing ook
ve laar beid. \\ In mstene of in aerbeide, ^«nm. 893.
Kindre die arbeits moeten plien , Denkm. 3,12,
271. Mer mi, die men ter arbeit dwinct, die
Backen te draghen, te lopen, te driven, hi en
sonde niet mit hem viven den arbeit doen in enen
jaer , Rein. II , 5700. Hier omme sgn selke menschen
. . hen selven te hart in Igfleken arbeite , Ruusbr.
1 , 245. Dat zj hem generen mit koyen ende
paerden , ende mitten arbeyt , Inform. 362. Nochtan
so offeres menech gebed voer den riddere ende
arbeit daer met Onsen Here te menigher stont,
Ckriei. 1041 (In den Lat. tekst: „Maltas tamen
preces , laboret et vota pro milite Domino obtulit").
— Enen in arbeit (arbeide) honden, aan
het werk houden, in beweging houden. || Dese hilt
met siere vromicheit de stad in selkenaerbeit,dat
niemen en conste nutghevaren , lAmb. YII , 45. (Die
minne) rust ende hout in arbeide die werelt al
Bonder verbliden, Parth. 7809.
2) Moeite, inepanning , ^it iemand zelf aanwendt.
11 Mettes minscen arbeide, Lanc. IV, 26. Dat was
arbeit verloren , Bein. II , 6364. Daer om so vloegh
si sonder arbeit met haren lichame doer de locht ,
Chritt.^Vi. Eenen man die eenen boom ter aerden wilde
vellen , houdende {houwende) met eender bilen so dede
hi groten arbeyt, Kuge u. Bord. 17. Si deden
gTOoten arbeyt om Astermant te verlossen, 72.
— Met (groten, groter) a r heide, met (groote)
moeite. Alse dus die vrouwe was ontfloen al heyme-
like , als ie seide , quam si doe met groten arbeide
tote Doevere, Yelth. 1 , 48 , 44. Al brochte Brune
dat hooft uut met aerbeide ende met pinen, Bein.
I, 742. Met groten aerbeide hi ontran, Sp. IV',
18, 36. Dat ie met arbeiden hadde gheleert,
dat es mi al bi u ontkeert, Parth, 2217. Soe
dat hi met ^ter arbeide te Scaveloen gereden
qnam, Lanc. Il, 41852. Die welcke ghewan eenen
-wagen met arbeide , Brab. T. VI , 9140. Sy voeren
mit arbeyde, Serv. II, 1405. Hi werp hem opsijn
paert met groten arbeyt, Huge v. Bord. 72. Daer
na hebben sy t met groeten erenste ende met groeten
arbeite gheleert, Ruusbr. 1, 230. Ende staert
sonder arbeit in die oppenbaringhe der ewegher
waerheit, 2, 127. — Ook in bijzondere toepassing
meestal met cott en anxt verbonden, inepanning,
die iemand moet aanwenden om aan eene verplichting
te voldoen. In de uitdr. op sinen (haren enz.)
anxt, cost ende arbeit, terwijl de risico, de
koeten en de moeite voor zijn rekening blijven. Ygl.
onze uitdr. moeite noch koeten sparen. || Zie voor-
beelden op Anxt 1^).
3) Moeite, overlast, die iemand van anderen
ondervindt. || Dat verraders tonehe seit brinct in
meneghen aerbeit dicke meneghen goeden man,
Limh. YIII , 357. Sine doen ons sulcke aerbeit ,
dat ons die vaert wert leit. Brand. 1801. Twi
daetstu mi desen arebeid, dattu mi weckets uter
doot? Rijmb. 9688. Al eist dat die weerelt staet
ende die onlede der dinghen gaet by arbeide onder
die aventure, Denkm. 3,1,11 („JAcet omnium rerum
mundanarum status, et exitus negociorum sub fortuna
laborent," Ep. Bern. in Benkm. 3, 400).
4) Moeite, leed, verdriet, smart, pijn, dïe\em9iSidi
lijdt. II Mocht ie versterven, so en soudic niet
bederven in dus meneghen aerbeit. Brand. 1395.
Hi doget swaren arbeit, Lanc. II , 43991. Sulc
waren sine arbeide van der smerten die hi ontfinc,
II, 45374. Ende hi ghedoogde arebeid, Rijmb.
26561. Ohi moet uwen aerbeit emmer ane den
cruce Uden, Yst. Bh 2086. Want saen sal inde
sijn van dinen arbeide, Christ. 1630. (Jalousie)
doet leven met arbeide, Rosé, fr. 253, 274.
Dat en wilse laten niet . . no dor gelof, no dor
arbijt, bl. 251, 126. In arbeide seldi spa ende
vroe dyn kinder baren , Blise. v. M. 324. In arbeide
seldi van haer gevoet sijn, 331. Ende oec en
heeft dit gevoelen gheen arbeit, mer grote vroude,
Ruusbr. 3 , 103. Sonder arbeit ende sonder utestorten
van tranen, Hs. v. 1348, 296(r. Die rike God moet
u geleden ende betren uwen aerbeit, Perg. 4400. —
Yaak verbonden met pine, rouwe, leet enders^.
woorden. || Mi stont te sine sonder aerbeit, enae
sonder sonde , ende sonder pleit , . . wel te levene
met ghemake, Theoph, 769. Dus claghden si haren
aerbeit, haren rouwe ende haer grote leit, Belg,
Mus. 10, 92, 91. Ende doget pine ende aerbeit,
Perg. 3852. Mijn grote leit ende minen groten
arbeit, Parth. 8314. Nu ghenaken mine arbeide (mv.)
ende mine rouwe, Wal. 7778. Die ghevet troest
ende ruste mede na aerbeyt ende siechede. Nat.
Bl. XII, 1245. Torment ende doghen, arbeit ende
pine, Christ. 1621. Van sinen groeten aerbeide
ende van ziere groeter pine, Benkm. 3, 103,
62. Tleven van penitencien ende in abstinencien ,
ende in pinen ende in arbeite, OFl. Ged. 2, 52a.
— Arbeit driven, rottw bedrijven, weeklagen,
jammeren. || Doe Judas dit hadde gheseit, began
hi driven g^ten aerbeit, Br/ind. 1459. Wanttw^f
drijft den aerbeit fel in haers kints voertdromen,
Wap. Rog. lil.
4) Barensnood, barenswee. \\ Want hare nature
es ghescort van groten arbeide, so dat ghestort
die matrice wert van den arbeide, Vrouw. Heim.
748. Doe si quam daer buter stede, doe quam
der vrouwen ar bede, Segh. 9541. Vrouwen die
in pinen gaen . . hi cort haren arebeyt, Nat. Bl.
XII, 513. Margriette ende haer kint beide sterven
in haren arbeide, Brab. T. IV, 1211. Het heeft
een vrouw in aerbeyt verlost, Sacr. 579 (zie ook
901). Als ghi den Hebreuschen wiven helpt in
den arbeide, ende dietgt van den dracht toecoemt,
D. B. Exod. 1,16. Als die tyt des arbevts gecomen
was, soe baerde si enen conen soen, ÓestaRom.f.
98a. — In denzelfden zin: arbeit van kinde.
II Claes Claessoons wjjf van Rotterdamme was
443
ARBE.
ARBE.
444
duer den arbejrt yan kinde vijftien maende cropel ,
&u;r. 881. Dese Margriet sterf in den arbeyt yan
kinde, Exe, Cron. 1186. Doe daer Rachel in arbeide
van kinde was , so beghonste si in yresen te worden
yan den groten arbeit van der drachten, D. B,
Gen. 35, 16. Ende dronghent (dat water) thnns
toter stont dat hem aerbeyt yan kinde was cont,
Amand I, 5691 (in den tekst: aerbeyt van pinen).
— In arbeide liggen, in barensnood verkeeren.
II Ene jodinne lach hier te yoren in arbeide,
Belg. Mm. 10, 340, 1. — In arbeit (arbeide)
gaen (yan kinde), in barensnood komen of zijn.
II Want sin wgf in arbeit ginc, Lanc. II, 40890.
Soe waer yronwe in arbeite geet, L. o. È. 4906.
Ende yant die yronwe . . gaende in g^ete arbeide,
Alex. I, 327 (ir*.).Vronwen die gaen in aerbeide. Nat.
BI. XII, 603. Vrouwen alsi in arebeide ghingen,
Rijmb. 3414. Een edel vrouwe , daer ie af vinde ,
dat si in arbeid ginc van kinde, Lutg. III, 935.
Dat si van pinen creet , als die van kinde in
arbeid geet, Chritt. 429. Als die in arbeit gaet
met kinde, 791. Ie can helpen vrouwen, die van
kinde in arbede gaen, Ltp. II, 9, 84. Dat si . .
sullen . . anxte hebben als vrouwen die in arbeide
gaen van kinde, B. B. Deut. 2, 25.
5) Pijniging^ foltering op de pijnbank. \\ Wert
Janne Chevalier voorseit onghebonden ende sonder
arbeit ghevraeght, oft hi bi dien woorde bleve
dat men hem segghen hoorde, Brab. Y. VII,
16779. Janne Chevalier, ghevraeght tier stonden,
sonder arbeit of pine, onghebonden, YII, 16729.
6) Hetgeen iemand door den arbeid toint^ arbeids-
loon. II Die vierde (sonde) is onthouden arbeit,
Matth. 190 (yymerces detenta laborum^^^ zie ald.
190 en vgl. 192).
ARBEITEN. Zie Arbeiden,
ABBIDEN. Zie Arbeiden.
AKBEITSAEM, bnw. Hetzelfde als arbeidelijc, zie
ald. en vgl. hd. müAéam. Moeilijk. \\ Dits een harde
arbeitsam leven, Limb. Serm. 196^. Dese wech es
jamerlike ende arbeitsam, 48^.
ABCEDIE, ARCENIE. Zie Arsedie, Arsenie.
ARCENTIKE , znw. vr. , voor het meer gewone
Artentike (waarvan het misschien eene verschrijviug
of verlezing is), artitike of arthritike. Vau lat.
artAriticM, gr. ÓQ&Qi'tixóg' Zie verder Arthri-
tike. JicAt. II Ene olie . ., die goet es jeghen
arcentike. Nat. BI. VIII, 469 var.
ARCETER. Zie Arsater.
ARCETRIE. Zie Arsatrie.
ARCH (aercii, arech, erch, eerch), -ge,
bnw. Mhd. arcAy mud. arcA, ohd. are, arg, ags.
earg, arg; comp. argere, arger, aerger,
erger; superl. archst, arechst). comp. De
compar. van dit bnw. schijnt veel gebruike-
lijker geweest te zyn, dan de positief, en soms
als positief dienst te hebben gedaan. Oorspron-
kelijk laf en vervolgens , daar lafheid bg de Ger-
manen onder de groote misdaden gerekend werd :
1) Van personen — menschen en dieren — a)
Kwaad, boos, slecAt , gemeen (van 9JBLrA)',»iecAter,
booser. II Trouwe scuwet alle zaken, die den mensche
arch maken , Lsp. III , 16 , 45. Is hi vroet oft voersie-
nich , soe segghen sij , dat hi erch oft loos is , Boeck v,
d. L. JhesH 129c. Dat die vos een moorder was ende
een verrader , ende argher niet wesen mochte noch
quader , Eein. II, 6916. Die meeste ridder van licha-
men , maer die archste ridder daer bi , Lanc. II , 5220
(verg. 5224). Arger puten soene, Lanc. III, 17782.
Lamfroit , ergher puten sone , Jtein. 1 , 919. Aerger
puten kint, Ren. 1098. Aerger pautenier, Aiol-fr,
164. Arger dan een dief, 74. Hoe menighen scalkea
quaden vintmen noch aergher dan een hont , Rjew. Il ,
7540. God en maecte noyt argeren hont, Floeeid
81. Hi ware erger dan een hont, diere af seide
el dan goet , Beatr. 606. Scame di , mensche,
in alre wijs, dat du aergher dan die heeste sgs, I
Nat. BI. V, 9. Valerius Maximgn, die lichte niet
argere en mochte sijn,^. II*, 9, 91. Die de beste
wanen sgn, sQn vele argher dan vengn, TA^opkib
(verg. 100 en 343). Die mensche es aergher dan
venijn, Praet 4144. So waerstu aergher dinae
quaet, soudstu mQns niet wel ghedinken, 4329.
Du en biste oec niet te argher dat men di laect,
Ned. Proza 246.
b) SlecAt, nietswaardig', compar. arger, slêckttr,
minder, leelijker in AoedanigAeid. \\ Ka is hier
Palamedes doot ende menich coninc ende ghenoot,
dat is groet scade , dat is ghewes , want alle
die werlt targher es, Troyen f. 1673. Siet dat
ghy targher niet en sp, als ghy coemt in dei
stryt, Trogen f. 167<r. Dat ie op hem moge
proven oft ie arger hem , Lanc. IV , 1^6. Met sporen
noepte hi sinen wreen , die niet vele arger en scheea,
Ferg. 2343. Maer si leliken emmer voert: so onder so
argher es haer boort. Nat. BI. II, 259 {Nat. X.
„qnanto turpiores ftiunt"). Ende es so sere ghe-
ventjnt, dat aergher engheen viscb en schfat,
V, 629. Wi syn aergher in die doot dan int
leven, Sp. I*, 61, 15. Ghiis de vischcopere ae
es (?) hem niet argher gheproeft, Livre d. Mest.^
(„ne c'est mie pis prouvés").
c) Gering van waarde-, compar. arger, münder
waard. \\ Here her keyser, sid^s nu vroet, dat
ghi enen penninc argher syt, dan hi, die al die
werelt w^t maecte met sgnre moghenthede, Bslf.
Mus. 10, 61, 112.
2) Van zaken. — a) Boos, slecAt ^ verteerd,
êcAandelijk; compar. arger, slecAter, ver keereer,
scAandelijker. \\ Dese scuwet der eren pat, wast
soe moet int helsce vat; Salomoen hevel bescrerea:
ennes niet aerghers bleven, Wap. Mart. I, 413
(Bukel. „m7 pejus memorare'''). Tarchste hebben sy
meest voer oghen, tbeste treetmen onder die voet,
comt een man in wederspoet, Hild. 151, 126-
Want niemens sin in dogeden pleget te keeme te
archsten wert , i^. II' , 22 , 354. Men doetse hangliea
ende thooft ofslaen , ofte sterven argher doot , Eïsf.
210. In pensde niet dat arch soude sgn , Cass. 1879l
Ie waen men selden heeft ghehoort qnader Terrmet
ende argher moort. Rein. II, 3511. Weder die
raet si arch of goet, Melib. 1378. Eest dal gii
spreken hoert van uwen vrient arghe woert , Doet
II , 1505. Goet doens es ierst vergheten , ende argt
doens men nien verghet, II, 2300. Weder dat hï
goet of arch si , Limb. IV , 600. U qaade verraet-
nesse, u arger list. Rosé ir. 256, 241. Dat
wi dbeste selen leven ende dat archste aelen vliea.
Wrake I, 10. Arge scame, kwade schande^ Vierde
Mart. 652. Dat ie tarchste myen te laken , op dat
ie dbeste can gheraken, Hild. 154, 135. Wierevi
heift hertze, zin ende moet, sal hem in aerghiea
scamen , O VI. Lied. en Ged. 58, 24. Sonder g-heTeerde
oft ergheren liste, Brab. T. VII, 3182. — Ii
tarchste leggen, ten kwaadste uitlegden ^ »
den slecAtsten zin opvatten. Evenzoo : op tarchste
keren. || Bi sonderlingere subtijlheit, diese dsa
in tarchste leit, dat hi dat bi nide doet, ^. II',
4, 107. Si mochtent licht op tarchste keren als
hem die reden viel te lanc, Hild. 243, 48.
b) SlecAt in zQn soort ; compar. arger, slecAier,
erger, minder. \\ Du best van argren gheloye daa
445
ARBE.
ARCH.
446
Jeroboam, Sifmb, 12360. Daer na coemt . . een
rike, dat sal argher syn, 16340. Maer si sQn
van argher smake dan dandre, Nat. BL III, 17.
Qoade tonghe es quaet vengn, ende argher,
mochte si argher sijn, Theoph. 337. Die hebben
tarchste lot ghecoren, HilcL 238, 61. -^ Den
argeren loon hebben, de meeste schade lijden,
va» de êUchttte vuarkt thuit komen. Zie LooN. ||
Dandre hadden den argheren loon , Stoke III , 603. —
Int arge overliden, eig. ten slechte overgaan^
d. L ernst worden. Wat uten spelegaet, .li d e t i n t
arge over. Vgl. spel. || Dit overleden («i/. «**.)
seere int erghe , reeden hem pcCttien in beeden siden
beede om vechten ende om striden, VI. Bijmkr.
6260. — Ten archsten vergaen, op het slechtst
uitkomen. \\ Hoet met Artnre nn es comen ende al
ten argesten na vergaen, Lanc. II, 45500. Ende
het saen met hem ten argesten sonde vergaen,
Parth. tr. 14. — Aen darger ende s^jn, aan
hêt slechtste eind zijn , het onderspit delven. \\ Ende die
hem noyt tontsiene plaghen ende om anxte te
vlietne, al waren si aen darger ende, Qrimb. II,
1648. — Aen darger boort sQn, aan lager val
gip^. Zie verder bg Boort. || Al schijn ie an darger
boort, ie wille emmer pleghen voort, dat mgn
voirders hebben geploghen, Orimb. £1, 1660. —
In tarchste keren, ten kwaadste keeren, de
êleeAtste uitkomst bezorgen. \\ Maer God heeft int
archste ghekeerd , want si wilden ontfaen Symoene
omme Janne daer mede tontdoene, Bijmb. 30664
(Flav. Jos. IV, 9, 11: „Deus profecto faciebat,
Qt . . remedinm ad salutem excogitarent , interitu
acerbins). — Ten archsten, op zijn slechtst, in
den deerlijksten toestand. || Die ten erchsten saghen
hare dinghen voeren thnnswert altemale, Limb.
II, 1882.
é) Slecht, gemeen, van weinig waarde, in zyn
soort; compar. arger, slechter, gemeener, van
minder waarde. || Niewer was prinche no bisscop,
hine mochte nemen in sijn hant den archsten cop
die hi vant, Parth. 452. Yan argher coppe men
dicke drinct beede van clareite ende van wine,
dan nten arghesten beckine, 563. Als si dronken
siin , set hi tghone {de wijn) dat Argher es , Es. v.
1348, 4:1 b. Dat argste corenlant dat men weet dat
es dat hete Libia, Alex. YII , 1784 (Hs).. Daer brochte
Oayn tarechste coren, Bijmb. 855. Haer vleesch es
argher dan der sciere (ui. reigers). Nat. BI. III,
319. Hi nam eenen arghen scoef onclaer om te offeren
opt OQtaer, N. Doet. 2647. Die haer proven permn-
teren om ander proven die arger syn , Frouw. e. M.
II , 68. Al saeytmen nut enen ar?hen korve , twaer
quaet dat dat saet bederve, Hild. 113 , 205. So wat
coren, dat bevonden worde anders ende arger te
iw'esen dan den monster is, dien coop en sel van
^heenre wairde wesen. Leid. Keurb, 240, 92.
d) Dat archste, als onz. znw. , in den zin van
Mckóde, nadeel. Verg. Lubben 1, 123. Het tegen-
overgestelde is dat beste (z. Best). || Haer beste
te doen mit rade ende mit dade , ende hoer archste
te waemen, O. B. v. Bordr. 1, 285, 68. Endesljn
scade ende achterdeel ende archste verhneden ende
wederstaen, Brab. T. YII, 10222. Syn archste,
scade ende sceemte weeren, 10240. Die houdende
ende verwarende te haren bouf ende haerarechste
-rerwerende, Brab. T. Dl. 2, bl. 425. Ende die
(staf) helpen verwaren te sinen behouf, wel ende
^betraawelike , . . ende sQn aerchste verweren met
a.1 minen vermoghen, bl. 426. Te bliven wonende
in onte stat vorseid , die houdende ende verwarende
tonsen bouf, ende onse arechste verwerende naer
haren vermoghene, bl. 429. — Op iemans
archste sgn, op iemands schade uit zijn, trachten
iemand nadeel te berokkenen, hem kwaad te doen. ||
En die gast breket der stat .... Ende desgeiyken
breken alle die gene die mit hem sint op onser
borger argeste, Bacer 5 , 327. Ende schiede daer een
doetslach, soe verlore de gene die dat dede ende
die mede in wege ende in velde weren op sgn
argeste hoer lyf den heren, 375. Ende alle die
ghene die daer mede weren an weghe oft an
velde of mit buere op sjn argheste, die ver-
loeren elc teghen die stad viertich pont, Stadsr.
r. Zwolle 47, 1. Alle dieghene die daer mede
teghen hem weren in buere of in vechlike op syn
argheste , die verloeren elc teghen die stad twintich
pont, 57, 32. Zie nog ald. 63, 48 vgl. — Dat
archste uten spele dragen, de schade uit
den strijd medenemen, het onderspit delven. \\ Ie
vruchte dat sy sullen wele dat archste draghen
uytten spele, Troyen f. llld. — Int archste
8 y n , in het nadeel z^fn , het onderspit delven. In
geiyken zin: tarchste hebben. )) Dat si int
begin int aerchste waren, Lanc. II, 33533. Datti
ridders van den castele hadden dargeste , III , 5656.
ARCH (A.ERCH, eRCH), -ge, znw. onz. Mhd. ore,
mud. arch.
1) Kwaad, subjectief als handeling opgevat, ^f-
heid, slechtheid, kwaad. || Snelle voete, om dat si
aerch belopen verre ende bi , voeten snel om het kwaad
op te zoeken, Boet. 1 , 243. Seker , hadde striden arch
gheweest, die goede liede in haren tiden en hadden niet
willen striden , Melib. 3119. Wie dat blide es om myn
sneven, ghevalt hem aerch {doet hij een misstap),
magie dan leven , ie saels achten vele te min , Belg.
Mus. 6, 186. Diegoedeyngle,die8eslaen,al8siyet
archs willen bestaen, Lsp. 1 , 7 , 73. Ende wroechden
Cristum alle te samen van vele archs, van vele
, blamen, II, 36,-23. Alsi soe verre syn comen
datsi goet ende arch begomen, III, 10, 261. Ende
van allen arghe behoedt. Boet. 1, 599. Men sal
arch met arghe lonen niet, II, 3346. Noch oec
arch met arghe ghelden. Wrake I, 266. Gheen
arch en biyft onghewroken, I, 1271. Doecht in
arch verkeren. Bind. 77. Hadde hi daer arch
in vonden iet, Melib. 598. Aerch connen hoert
toe den vroeden, omdat sire hem vore mogen
hoeden , 1243 var. Ende hadse als sgn kinder lief, die
doghet noch arch en verwerven , O VI. Ged. 3 , 135 ,
334. Tselve goet sel wederkeren daert gheen arch
en can beseren, 56, 251. Luttic archs plach si
te peynsen, 144, 132. Die goede reyne, die gheen
arch noch quaet en dacht, MLoep I, 845. Die
goede syn op aller vrist sonder arch off zwacke
list, 1 , 2467. Yrau Hope , daer noit aerch in sceen ,
O VI. Lied, en Ged. 254, 621. Nochtan dat si gheen
arch en meinden, Belg. Mus. 6, 426, 137. Yoer-
dachticheit es altoes goet, soe waer men arch
met arghe loent, Boerd. 1,1. Der werelde vroude
en mach niet duren , haer arch heeft menich mensche
bedroghen , Hor. Belg. 10 , 78 , 3. Yerlose ons van
arghe , L. v, J. c. 43. Ine bidde uit dat duse nems
uter werelt , mar dat duse behuds van arghe , c. 222.
Zie nog Edew. 1454 (waar argers staat, in plaats
van arges); Lsp. II, 36, 24; III, 3, 516. — Arch
ende list, zooveel als argelist \^z. a^.) , Hild. 86 ,
205 e. e. — Sonder arch ende list, zonder
booze oogmerken of list, te goeder trouw, veelal
aan het slot van oorkonden. || Alle dinghen sonder
arch ende list, Y. d. Wall 379 (a. 1401). Om
anxt van uwen live noch om gheenrehande saken
sonder enich arch of lyst, Over ijs. Becht, V^ 83,
447
ARCH.
ARCH.
448
Alle dingen sonder arch ende Hst, O, K. v.
Dordr, 25 , 60 e. e. — Spreek w. || Men mach weJ ghe-
nouchelick tijn tonder ercAj men kan wel vroolijk
zijn zonder kwaad te doen, Spreuken 87.
2) Kwaad ^ objectief opgevat, als bejegening. ||
Als die knechte worden gewaer, datsi ge wapent
syn . . , wistensi wael , datsi ombe arch waren , Merl.
28167. — Vooral in de uitdrukkingen: Enen arch
doen, iemand hoaad doen. \\ Men mach gedoden
niet den dwerch , noch oec gedoen engeen arch ,
Lanc. III, 24852. Anders hi hem geen arch en
dede, Grimb, II, 2407. Tspere op die plate brac,
soe dat hi hem geen aren en dede, II, 2594.
Noch die hem noit arch en dede , Lsp. 1 , 27 , 57. Heeft
u die viant arch ghedaen ? //&r. Belg. 10, 194. Sint dat
ie sach dat mgn Here Judas cusdeansinen mont, dien
vercoft hadde om dertich penninghe, . . so en be-
gheerde ie nie wrake van arch, dat men mi dede, Stem-
men 125 {GeeU. L. 14r). Ende hi op dien daghe
niement arch ghedaen en hadde, Nijh. 1 , 149 {a. 1313).
Bat si hem niet verweeren mochten , noch in geenre
wQs en mochten erch doen , Matth. ^»a/. 3 , 101. —
Arch seggen of — spreken, kwaadspreken. \\
Al seide hi voor u goet nu, hi seide licht arch
achter n, Ltp. III, 3, 251. Al vintmen nyders,
die . . arch van hem te seggen weten, Hild. 86,
182. Ende van niemant arch en sprake, MLoep I,
3179. Te spreken arch van goeden dinghen, II,
449. Ende spreken arch mitten onghelimpen, II,
700. — In ar ge, zoowel in de bet. mei eene
kwade ^ arglistige bedoeling^ als vooral in die van
in een kwaden zin. \\ Daer bi selen wi met reinen
sinnen onsen evenkersten minnen, ende niet in
arghe clein no groet, Doet. II , 97. Die sulck die heeft
so valschen gront, dat hijt vertelt in arghe voort,
Spieg, d. J. 11, 227. Ne verstaet in ghenen arghe
nu, Limb. XII, 1142. Gine selt int erge niet ver-
staen, Qrimb. II, 5402. — Iet in arge ver-
manen, van iets in een kwaden zin gewagen of
spreken^ iemand aan iets voor hem onaangenaams
herinneren. \\ Alse veete of discoort versoent es , en
sal niement vermanen des in arge, Lsp. III, 3,
1143. Dat hys in engenen sinnen nimmermeer der
coninginne en sal in arge noch in goede vermanen ,
sint dats blive hoede, Lorr. I, 1979. Ygl.inquade
vermanen, Theoph. (BI.) 536. — Iet in arge
keren, wenden, nemen, bevaen, ontfaen,
tien, trecken, iets in een kwaden zin opvatten
of uitleggen , kwalijk nemen , ergens kwaad in zoeken
of vinden , er kwaad van denken. |[ Hi slaet van monde
op dat hi mach , ende keeret al in arghe dan , Lsp. I ,
27 , 12. Alsmen des menschen weldaet in arghe keert
ende ontfaet, I, 27, 63. Qoede dinghen in arghe
keren , Teest. 2061. Ghi vindet selden selck gheschaff,
ten wort ghekeert in schande ende arch , MLoep I,
800. Dalre quaetste dinc datmen vint, dats datmen
doghet in arghe wint (d. i. wendt) , Melib. 3616. Si
custen dickent, daer toesagon alle die ten danse gin-
gen , diet in arge nine bevingen , Rosé 1214. Met haer
liggen spelen daert mi best af bequame , ende ons
niemen en sage diet in arge name, O VI. Ged. 2,
115, 121. Dat hi quame ende in ghenen arghe
name, Limb. Y, 533. So reine ende zo onnosel
van zinnen, dat s\js twint in arghe en toghen dat
si hoorden of saghen mit oghen, Lsp, I, 23, 12.
Alse ghi wel doet, en acht niet wie dat dat
in arghe tiet , III , 3, 687. Vele andre , diet in erghe
namen , VI. Rijmkr. 6738. Dwelc die hertoghe nam
in erghe, Brab. Y. VI, 6616. — In arge van
iet bevaen sQn, in het kwaad van iets verstrikt
eijn. II In grooten erghe van gheloove so was bevaen
al dat volc, .... roaer sente Amand heefUe
bekeert, Amand I, 3178.
8) Kwaad, als ieit gedacht , als gevolg van eeoe
handeling of eener geheuriemB. OnheiJ , leed , ieisei,
schade, ongemak. || (Si) verbranden die dorpe die
omtrent Aken stonden , daer menegen af ghesciede
erch, Brab. Y. VI, 10965. Daer waren in zwarea
erghe harde vele aermer zielen, die daer brandea
ende wielen, Brand. 638. Hem souder geen arck
af gescien, Lanc. III, 16726. Daer noch arch of
mochte becliven, Lsp. I, 29, 114. Die stad heeft
noch clein arch, Limb. VIII, 94. Vele arges eade
on vromen. Boet. II ^^ 291. ü ne wert geen archn
ter tijt, Ijanc. II, 24742. Voor alle erch behuedea
. . . syns selfs slote, Brab. Y. Vu, 2819. Dil
hem bi wilen arch gheschiet , die archeit gaem gke-
dien siet, Hild. 35, 211. Ende vroe te wesen tiülei
tiden, sonder bedwanc ende sonder aerch, Belj,
Mus. 7 , 321 , 84. Noch aen maeghden , no ia
vrouwen, die hem toehoert, gheen arcli begkia-
nen. Vod. Mtts. 1, 339, 75. Hout n gebaere
over u vrient, sine hadden arch an u verdieat,
ten zij zij u kwaad gedaan en dus leed mam m
verdiend hebben, Grimb. II, 5382.Want kepers het {ie
blirem) ontwee brac , ende gheen arch en hadde tic
(het dak); tswert oec in dien acoen heTet ki
ontsteken doen: nochtan gheen arg en hadde de
scede , Natuur k. 765 en varr. — Mv. arge, <mAeile^
II Van den argen, die van quader minnen comes.
Doet., titel op bl. 60. — Targe ge keert
worden, vergaen, tot onheil, schade, enz.
(voor iemand) worden, slecht afioopen, || Gi
vindet selden selck geschaff, ten wort gekeet
in schande ende arch, MLoep III, 800. Die on
enen andren bestaet dinc die hemselven targkc
vergaet, Lsp. III, 20, 7. Dat hem lieden Terghioc
te eerghe , VI. Rijmk. 9472. — In *t bijzonder in dea
zin vanjpyn, letsel, in de uitdr. arch hebbei.
wonden, kwetsuren bekomen hebben, meestal mt^
een ontkenning. || Als hi die wonde hadde besiei,
hi sprac , hine hadde geen aerch van dien {dst hei
zoo erg niet was), ende dat hi binnen acht wekei
wesen soude gesont ende genesen, LaM4:. II,817Sl
Lanceloet seide: „Vliet van mi, in hebbe gea
arch." Doen seidi : „Ay lieve here , gi donct m
doet, gine laet u beteren uwen noet, II, 36927.
Ende hine hadde geen arch tier stont van dat hi ia
die scoudre was gewont, Lanc. II, 4065. In hebbe
gheen aerch. Haelt mijn swaert, van nienve^
willic up hem striden. Wal. 8212. Daer of hadét
hi groet arch, Segh. 11671 (var.: Des ghewmn ki
groter arch, kreeg hij meer pijn), — Arch van
der doot hebben, doodelijke wcmden kehme%
hebben, in doodsgevaar verkeeren, eveneens meeistAl
met eene ontkenning. || Staetdesen gewonden ridder
in stade ; vander doot en heeft hi aerch twint , heeft ki
yemen die sijns onderwint, Wal. 10110. Si danctet
Oode an dien stonden , dat hi gheen arch en hadéf
van der doet, Ferg. 3998. — Zoo ook groot arck
ontfaen hebben. || Hets wonder hine had^
groot erch ontfaen, tserpent was so fel, WslI. 681
4) Kwaadheid, boosheid, gramscht^. \\ Als dit
die heere van Saffenberge vernam, soe wert k
met erghe beruert, Brab. Y. VI, 2301.
ARCHANQEL, znw. m. Lat. archangelsu, gr-
dlfX^YY^^os. Aartsengel. \\ Michiele . . den artk-
angel, Ltp. II, 36, 1909. e. e.
ARCHEBISSCOP (archibisscop), znw. in.L«t
archiepiscopus , gr. d^x^sniaxonog- Aarisbirteèef.
II Den archebisscop screef men te hant, dieoref^
bisscop was int lant, Theoph. 171. Als die mrehe-
449
ARCH.
ARCH.
450
bisscop Terstoetf 177. Archlbisscop van Toiletten,
R. V. TJtr. 2, 86.
ARCHEIT (aercheit, arecheit, aricheit,
ARGHEiT, ercheit), haercheit, en -iiEDE, znw.
vr. Zie Arch. Mnd. archeit,
1) Booêheid^ tlechtheid^ ondeuffd, zonde ^ kwaad.
II Want haer Yoersienighe hoede heeftse in suiker
doeght gheset, datse alle archeyt in hare belet,
Teett 3037. Ghemende onderlinghe tsamen selen
hem dorperheiden scamen ende oec alder archeit,
IheL II, 1387. Doet hi meer erchede, alle die
hem ten tienden lede sijn belanc, snllent becopen,
Rein. I, 2537. Want darcheyt waer sonder ghetal
in allen steden , vroech ende spade , waeret dat men
gheen wrake en dade, Melib, 2697. Wes sacht-
moedich np de arecheit diins volcs, Hs. v. 1348,
91a. Arecheit ende boosheit , 133^. Hare ongheloyec-
heit ende die aercheit haers herten , 143^. Daer es
utgesteken ontfennechede ende ingetrect alle arc-
hede, Zanc. III, 2181. Ie ne dedo noit jeghen ju
aerchede. Wal. 9428. Wildi aercheit al begheven,
Rein, 1 , 2962. Alle archeit es van hem gegaen , ende
heft alle duecht ontfaen, Cast. 611. Ende en peynsden
archeit enghene, Ltp. I, 23, 10. Dat van Adams
kindren voortsproot, tooch ter archeit , 1 , 29 , 60.
Ghewroeght . . van menigherhande archeiden , II ,
63 , 26. Archeit minnen voor doogt, III , 8 , 153. Ter
archeit tien , III , 3, 928. Dat ghi enighe mensche ver-
wit enighe blame ofte archede , III , 3 , 1123. In der
tonghen leit soe grote doeght ende archeit , Doet. I ,
368. Deen leeft in g^ter vreden , dandre in groeter
aercheden, Wap. Rog. 1471. Gherechte minne,
daer gheene aercheit en es inne, Rote C 7017.
Hoe es edelheit afgevaecht ! archeit es naemconder,
IV Mart. 321. Die valsche monden, die aercheit
secghen, O VI. Lied. en Ged. 397, 39. Sine ergheit
es sonder ghetal , 248 , 434. En wil niet te nauwe
belouken aercheit van wiven, Denim. 3, 6, 112.
Ende spreket archeit ende quaet, Stoke X, 771.
Te leeme dwoert ons Heren den volke, ende van
darcheit keren, Ttt. BI. 2396. Noetdorfticheyt
moeder van alder archeyt, Melib. 2916. Meneghe
grote archeyde, die van hem sonde comé, Wrake
II , 1095. Ten joncxten daghe , daer hy al duecht
ende archeyt doomen zal, O VI. Ged. 2, 66, 21.
Alle aercheit van hem weren, Belg. Mu*. 6, 206,
646. Hi en was nie van goeden gronde die daer
archeit in verstoet , Vod. Mm. 1 , 75 , 22. Vermomt
{in den tektt'. vermout) hi eneghe aerchede, hi
toentse in een ander stede, 2, 182, 179. Die
doget laten ende aercheit antieren, II, 189, 384.
Den heren die ter ercheit sneven , D. War. 4 , 46 ,
18. Tsvolcx haercheit en wlllic niet meer ver-
monden, bl. 119. Mids welken dien zieken de
dore upstac , daer hy ghene haerchede in en hadde ,
Belg. Mus. 7, 89. — Zie nog MeUb. 2366;
Zep. II, 22, 12; Praet 852; Denkm. 3, 216,
63; Rinel. 441; Amand I, 1870; Vad. Mui. 2,
161, 161; 172; 172, 32; MLoep U, 2197; Hild.
6, 64; 33, 1; 66, 276; 84, 162; 169, 13; 179,
16; 194, 12; 206, 84; 216, 262; 223,30;enz.—
Aldus (arecheit) ook te lezen Yelth. YII, 27,
63 voor treekeit; zie Tijdtchr. 1,294. — Het mv.
archeide, komt voor Lep. II, 63, 27; Teeat.
3602 e. e., in den zin van ondeugden^ zonden. —
In archeit verstaen, keren, in een kwaden
jein opnemen of uitleggen. \\ Ie bidde u dat gh^ t niet
in archeden verstaet , dat mi dorperhede ghevallet,
die ie u moet toghen, Segk. 7660. Eeneghe van
den commune keerden alle die woorden van den
0pel6 in archeden, Exc. Cron. v. Vlaend., aangeh.
Invent. v. Brugge, Gloss. 236. — Iet in archeit
spreken, iete zeggen met eene kwade bedoeling. ||
Jan , dits minlic geseit : dat ie dwoort in geenre aerc-
heit sprac , wille ie wel zweeren , Wap. Rog. 1340. —
Engene archeit bekinnen, peinsen, geen
kwaad kennen , aan geen kwaad denken , nog onschuldig
zijn. II Die zedich waer ende goederhande ende
geen archeyt en bekande, MLoep I, 3178 var.
Eersi tgebot braken, waren si van allen zaken
onnosel ende van herten rene ende en peynsden
archeit engene, Lep. I, 23, 7.
2) List, bedrog. \\ Allen exceptiën van archeden,
van bedrieghenessen, van bedwanghe, van ont-
sienessen, Invent. v. Brugge 4, 220. — Sonder
enige archeit, zonder eenige kwade trouw ,
geheel te goeder trouw, inzonderheid als belofte-
formule in oorkonden. || Oc hebben si ons geloovet
mit guden trowen alsit biscoepdoem van Utrecht
open wert ende ledich, dat sies sonder alrehande
aricheit mit ons bliven solen, Oorkb. 2, 158«
{a. 1278). Met witte ende met trouwen sonder alle-
sclachte arghede , 260 b (a. 1 285). Alle aercheit uut-
gheset, R. v. Utr. 2, 33 e. e. Sonder alrehande
aercheit, ald. 69 e. e.; enz.
3) Ergernis, gevoel van afkeer. \\ Op dees tnt
so hebbe ie hem dach geleit ende dan selgi mede
gaen ende ondervindent ende sient sonder ercheit ,
B. V. 1357 , 228c.
* ARCHERME. Bedorven lezing, Velth. I, 34,
70. II „Archerme (in één woord. Es.) en besciet
geen plardecken. Al waenstu heymelijc doen dine
dinge , Hi (God) anesiet al sonderlinge." Men leze :
Achermel en besciet geen plardecken (?), d. i. : ach]
verbergen , bedekken (?) baat niets, want God ziet toch
alles; over Acherme zie Arm, 1 d).
ARCHETECLIJN, znw. m. Een als eigennaam
opgevat gemeen znw., verbasterd uit lat. architri-
clinus, gr. oc()/i'r^frxil»yo;t hofmeester (Duc. 1,
377), en door het verkeerd verstaan van Joh. 2,
10 (Vuig. n^t autem gustavit architriclinus aquam
vinum factum") gebezigd als de naam van den
man, op wiens bruiloft door Jezus het water in
wijn werd veranderd: „Nostre seigneur fist miracle
en conversion d'eaue en vin es nopces ^ Architriclin ,"
en in een Leven van Jezus, mede aangehaald bij
Duc: „Archideclin ot un prinche en cele terre ou
Diex estoit, riches hom ert et moult avoit, . .
a ses noches Ten a mené, arcedeclin Ta apelé.
Verg. Duc. 3, 2öO,opFestum architriclini.
11 God groetu, die verblidet zeere, dat God ter
brulocht van Archetecl^n bi uwer bede ende tuwer
eere van watere wilde maken wyn, O VI. Lied. en
Ged. 636, 508.
ARCHYDYAEC (archidyaken), znw. m. Lat.
archidiaconuê (Duc. 1,370). Aartsdiaken. ZiQ lA.o)\ ,
Kerkgesch. 1, 301; 2', 286, 314. || Gregorius,
also iet las , die bisscop te Nazanchen was , wiedenne
te sinen archidyaken, Sp. II', 66, 3. Hi riep
sijn archydiake. Past. W. 26a. Dese archydyaec
mercte dyen dach , 26*. — Gewoonlijk choerbistchop
genaamd. Zie ald. en vgl. ardsdiaken.
ARCHIER (archir, artsier, aertsier,
erchier) , znw. m. Fr. archer (La Cume 2 , 128).
Boogschutter. \\ Dat hi trac in Ingelant, daer hi
vergaderde te hant liede van wapine in groeten
getale ende archiers alsoe wale , VI. Rijmkr. 8229.
Die Inghelsche ordineerden schiere voor hen alle
haer artsiere, Brab. T.Yll, 6127, vgl. 6168. Met lieden
van wapinen ende archiers met , Fl. Rijmkr. 9904.
Betailt van cost ende van legher, die achte Engelsche
archiers aldair in vier weken gedaen hadden,
16
M
ARCÖ.
AtifeS.
452
Oorl. V. Alhr, 13. Pieter Cornualge voir scepinge
Yoir 60 aertsiers ende 11 glayen, ende een glaye
ende 11 aertziers, die onversout varen, 141. AU
hi . . getogen was in Engelant om L erchiers,
224, Ygl. 231. Een archier hadde eens al s^n
ghelt verdobbelt ende liep nut ende nam een
strale, ende scoetse na Gode, Ned. Froza 176.
Die Yoerrechter ofte artsier h eft die overhant ghe-
honwen , Oett. Ram. e. 1. Twee artsiers wapenmannen
. . riep hi heymelic tot hem, c. 20. — Die
archiers yan den lichame en — van der
g a e r d e , ^ lijfwacht van de Bourgondiëche Heriogen.t
wier werk door Olivier de la Marche in het
Batvmarium aulae breedvoerig is omschreven. ||
Die Prince heeft 62 archiers onder (?) synen lichame
. . sj houden de wake deen na dandere voor den
Prince. Zy behoome te geleedene het sy te voet
ofte te peerde, Matth. Anal, 1, 302 (sie verder
ald. 301 — 306). Menich toerse op die reys dro-
ghen bemende die artsiren, Vertl. en Ber. IV,
64, 294.
ARCHIPKIESTER, znw. m. ör. agzingea-
pVTBQog, Lat. arcAipretbyter y later ook arcipret-
biter. Opperprietter. \\ Archjrpriestcr van Segobaten
(Segovia?), R. v, Vtr, 2, 83.
ARCHOEN. Zie Artsoen.
ABCHWANICH (archwenich , archwenech,
arowenech), -ege^ -ige, bnw. Verdacht Kil.
etupieioiuey êuepieax, JAnd. archwanich. || Anearch-
wenghen steden ende tiden zolen die broedere
vermiden die ghespreke des wivesnamen, D. Orde
236. Negeen broeder en zal brieve ontfaen te
voeme, die van waren saken argwenech zQn , 240.
Of een broeder iemans brieve die vremde is , ende
niet en weet wat daer ane steit, of van waren
zaken archwenech zgn, zonder orlof draghet of
voert, 262. Nit lichte archwenig, nit bedragende
ander lide, Limb, Serm. 27 d,
ABCHWILLIGBN, zw. ww. bedr. Mnd. arch-
vilUgen^ hd. argtoilligen ^ infestare (Haltans 62;
Grimm, D. Wtb. 1 , 660). Yan Archwille^ maliguitas
(Haltans t. a. pi.).
1) Enen — iemand hoalijk gezind zijn^ hem
vijandig behandelen , verontrusten, kwellen^ vijandelijk
aantasten, \\ Dat onse . . alregenedichste here
nyemant archwilligen noch te leder hebben en
sall, Nijh. 3, 371 {a. 1419). Ende so wie Stoffen
ende Henric . . dair ynne behulpelic sgn, dat
sall ons . . lieff ende to danck s\jn, ende wy en
sullen sy dair omme nyet archwilligen, 4, 371
(a. 1440). Off die van Nijmeghen . . an onss off
an onsen vrienden . . mit gewaldt ende mit on-
genaden yet archwilligende worden , 4, 226 (a. 1447).
Ygl. ald. mit arch te overvallen te moeticillen.
2) Ene stat — , eene plaatt vijandelijk aan-
tasten, overvallen. || Off ennige hoiftstat vurscr.
dairom gearchwilliget wnrde, dat soelen ende
willen die drie hoiftstede . . wederstaen ende helpen
weren, ald. 334 (a. 1463). Sijnre gnaden lant-
schappe van Gelre . . to veden, to archwilligen
mit roiff, name, brant, venckenschap ind anders,
6, 202 (a. 1490). Oec en sal hertoghe Anthonijs . .
die slote enichsins aentasten, archwilleghen ,
scadeghen of belasten, Brab. T. YII, 2814.
ARD. Zie Aert.
ARDE. Zie Harde.
ARDEN, ter aarde bestellen. Zie Erden.
ARDEN. Zie Aerden.
ARDEREN. Zie Harderen.
ARDS, ARDSCFi, ARTSCH, bnw., voor aerdsch
of erdschy aardsch, Franc. 1804, 6227.
ARDSBISSOOP (ardsche bissgop), znw. m.
Aartsbisschop, || Ardsbisscops doen , Sp, II*, 7 , 6.
Den ardschen bisscop, II*, 74, 16.
ARDSDIAKEN, znw. m. Aartsdiaken. Zie AaCHi-
diaken. II Oec beval hie tpanescap sinen aids-
diaken, Sp, II', 26, 10.
ARDUÜN, znw. onz. Arduinsteen. Gewoonlijk in
H mnl. orduun genoemd; z. ald. || Waer af twee
pilare sgn elc 7 voeten lanc in elcke syde ende
voeren 4 voeten breet: elcke laghe vmn eenn
sticke, ende van tween ghebant ghevende, ende
de ardone 7 dume gesteet voncht (/. gestootvoucht),
Diericx, Mem, 2, 213 (a, 1414).
AREBEDE, AREBEIT. Zie Arbeiden , Arbeit.
ARECH, Arechst, Arecheit. Zie ARCH,eiii.
AREM, bnw. Zie Arm.
AREMBORST. Zie Armborst.
AREMINC. Zie Arminc.
AREN (AERN , AEREN , ARN , HAREN) , EDW. m.
Mnd. om. Eig. de verbogen nv. van eter (e. ald.
en vgl. adel-tL&T)^ dat oorspr. zwak verbogei
werd, ofschoon in *t mnl. meestal sterk: ]£hd.ar,
gen. om. De verbogen nv. werd nom. aren^ ca
deze vormde weder een nieuw mv. a^me^ aretu,
aemen (nog bg Yondel, Foène 1, 127). Met de
paragogische a ontstond nit dezen vorm obs
woord arend (reeds Lsp. II, 36, 1660 k<»&t
har ent voor). Arend ^ adelaar. Zie Aerne en veig.
Aer. II Mi droemde dat een aren verwonnen hadde
twee sparewaren, Lane, III , 16666. Een g:iilden ares,
II, 26777; III, 30791. Een gouden aren stater ghe-
wrocht. Wal. 3660. Doe quam ghevloghen eei
aren, Troyen ƒ. 279^. Yoghele , die achter alse left-
wen waren, ende voren ghedaen alstiearen, Alez.
IX, 1206. Als die aren seer ouds^n. Nol. BI. UI,
146. Hi verhief hem als een aren, die sine Tloghdc
scuddet van den naten, Xfjp. II , 36 , 1660. Sweyrea
saghen sy daer den aren, Serv. I, 1920. Daer ap
sal vlieghen die edele haren, Denkm. 3, 122, 41.
Du heefste gemaket van den leewe een l&m, ende
den wilden aem tam, D. Var, 4, 619, 129. Als
valken beiten op een aeren, Hild. 4, 64. Aemes
no griffoenen, Livre d. Mest. 9. Die edele een
mach scouwen die claerheit der sonnen aonder
wiken , Ruusbr. 6 , 28. Opt huys daer die coninginae
des kints ghenas, vochten alle die nacht twee
aemen, Ned. Froza 361. Die aem des heyligei
Roomschen rjcx grote vloghelen heeft veel «deea
vogelkiin onder te besendden, Clere 10. Wat har
vertoond was van desen ara, Xattg. I, c. 15 TiL
Hoe ie n ghedraghen heb op die vloghelen der
aemen, 7>. B. Exod. 19, 4. — Zie nog Lanc. HL,
9124; Wal. 7808; 10320; Alex. I, 274, 363; II,
302; YII, 941; Nat. BI. IH, 89, 101, 153,
168, 188, 196, 1384; XII, 606, 1231, 1407;
Rijmb. 20884; Lsp. II, 60, 66; MLoep U , 836;
Rein, Nal, 384, 16, 30; Heim, 646; Franc. 5767.
— Ook de arend als veldteeken en in wspens. }1
Walewein versach den aren blikende in den Boemsca
standaert, Lane. lY, 10024 {Sp, m*, 63, 82), Ia
goude van sable een aren , Rijmb, 28410. Die indea
vr^ch drouch den aren, dat was die Roeaiaee
baniere, Sp. I«, 6, 10. Zoo ook Wal. 10321;
Belg. Mus. 6, 110, 66; 63. — Den aren af-
leggen, den adelaar als teeken van de riJJkamiacki
neerleggen. || Gi hebt hier lange genoech gerif»
om desen wijc: gi moet den aren afleggen, dat
secgic u, Yelth. II, 28, 36.
AREN, WW. bedr.; de verbogen t^den. koBia
niet voor; doch waarschgnmk was het 'ww. ia
dezen vorm sterk, evenals ohd. aran^
4è3
AfeEi^.
AkGÈ.
454
gunram (Graff 1, 402); mhd. on», ter ^ geam (JLei.&t
1 , 96) ; lat. orar^. Het sterke (eig. rednpliceerende)
«rm schijnt reeds yroeg door het zmr. eren ver-
drongen te zijn, gelijk ook in de andere Ger-
maansche talen plaats had, waar öf naast den
onderen yonn yeelynldig de zwakke voorkomt, 6f
waar de afgeleide zwakke vorm alleen is over-
gehleven. Zie verder bij Eren. Ploegen^ bebouwen^
bjj Kil. Aeren, eeren, eren, errien, Arare^
exarare , inarare , eolere agrum. || Ofte al tfolc worde
Jacobine , Minderbroeders ende Angustine , Sartroyse
ofte Clnsenaren, wie zonde tlant dan aren, coren
winnen of ander vrochte ? Lep. 1 , 26 , 103.
ARENBOBST. Zie Armborst.
AREN, WW. boeten voor iete. Zie de Aanm. by
Arnen.
ABENEN. Zie Arnen.
AREN8TACHTICH , AREN8TICH, ABENS-
nCHEIT. Zie Ernstachtich enz.
* ABEÜSTACHTECH, verkeerde lezing voor
arenetaekHch, OVL Qed. 2, 61 , 44.
ABEYEN, OVL Oed, 3, 136, 366, voor arpen^
erven (trans.). Zie Erven.
ABEST. Zie Arrest.
ABEWETE. Zie Erwete.
ABFHÜBE, ABFKINT, ABFNAMB. Zie Erf-
hu RE enz.
ABQELIJC, 'Uke^ bnw. Slecht. Mnd. argelik.\\
Hoe een hnys ende een celle argheliker was , hoe
hy daer liever in placht te wesen , He. 88 , /. l^b,
ABGELIST (arqelust , argenlist, ergelist ,
EROENLIST^, znw. vr. Booze toeleg^ bedrog^ hoade
trouw. II Over die ghene rechten , die in
onghelove waren, ofte die mit arghelist int ghelove
saeyden twist, Ltp. II, 48, 626. Al ergenlist
untghesceiden , £rab. T. YI, 8371. Al ergelist
nntghescreven , YI, 10370. Al ergenlist nntghe-
seit, YI, 10737. Wairt sake dat yement ..teghen
den Engelschen enich ghelt liende tot sijnre
comanscip, jof diergheiyc van scalkemien of arghelist
dede, dat den gherechte dochte scalke vonde wesen,
Leid. Keurb, 67, 4. — Sonder (aen) argelist,
zonder kwade trouw, te goeder trouw, als be-
Testigingsformnle in oorkonden. || Ende sonder
ergenlist te honwen vast ende ghestade, Srab. T.
VI, 1161. Sonder ergenlist of malengien, YI,
1199. Ie sal hem weder s^n ghetronwe ende
^hereet te sinen dienste met al miere macht,
sonder arghelnst in beden siden. Oor kb. 2, 1346
(a. 1276). Dat wise onsen vorseiden porteren
eeweliken honden willen zonder enegherande arghe-
list, 2216 (a. 1284). Sonder arghenlist. Mieris 2,
d42a (a. 1324). Soe gheloven wi, op ons ende op
onse goet, hem dat hnns bennen achte daghen
daer na te antwerdenne. . . sonder enegherande
arghelist, Brab. T. Dl. 1, bl. 767 {a. 1326). Ende
wanneir wj der vnrscr. stat daer toe nyetmeeren
dorren, dan sall Wilhem vnrscr. sQn stat onbelesticht
wederomme hebben, aen argelist, Ngh. 4, 72
(tf. 1431). Dat hem dair te scade ghedaen is, dat
«allen hem die rade ghelden van der stede weghe
sonder argheUst, Leid. Keurb. 8, 27. Poirters die
mit vuvsten slaen bi nachte, die verbneren twie-
scatte boete , die sel die bnrchgrave alleen hebben ,
ten wair binnen eenre vrger taverne sonder arghe-
list, 22, 34. Wairt dat yement dese cnere brake
sonder arghelist, 36, 12. Diegene die pairden
lionden of beesten npten stalle meesten , die snllen
sonder argelist, mit dat sQs behoeven, mitter tp
lioir behoefte van hoey mogen inhalen sonder ver-
baeren, 147, 67.
f AROEN (aergen, eroen), zw. ww. onz. en
bedr. Yan Arch. Mnd. argen,
1) Onz. — 1) Yan personen. Verergeren, erger,
minder, tlechter worden, zoowel lichameiyk als
zedelijk. || Ie bem siec sere, ende mi dinct ie
arge emmertoe, Lanc. ü, 12618. Elc man mochte
bin enen jare ende bi suiker spisen arghen sere,
Parth. 2461. Alle daghe so aerghet tvolc ghemeeue,
O VI. Lied en Oed. 436, 16. Wat doet die werlt
van jaer tot jaer? Si boset ende arghet, des
nemet waer, Hild. 266, 11. Si {de zieke) argede
van dage te dage, Lanfr. 96r.
2) Yan zaken. — d) Verminder en, mind^, slechter
worden. \\ Ende men seghet over waer, dat {het
lood) min aerghet ende slijt dan gheen metael in
langher tgt. Nat. Bl. XIII, 110. Ende merre
80 ware m|jn claghe, saghict niet aerghen alle
da^he, Rote C, 7786. Also dat die dgc arghede
onder hem, ende tland dair mede ghevreset worde ,
alse van der vloet te gane , Oorkb. 2 , 3933 (a. 1293).
Alsnlke bedden , deken ende slaeplaken . . die
zullen wi hem alsulc weder doen leveren, als men
van dane sceyden zal, ten ware dat si argheden
van ouden, Mieris 2, 2603 {a. 1321). Zi zullen ..
die vale . . also ghoet opleveren als sise ontfaen ,
si en arghen van ouden, 342a (a. 1324).
b) Bederven. \\ Donret, so es al in ene s^n visch
te hondene harde qnaet, want hi te hant aerghen
niet , Nat. Bl. Y , 994. Die alabastre was marbrijn,
daer gheen ungement in arghen mach, Bijmb.
24962. Yan dat zine paerde ghearecht waren (door
de vermoeienieten der reit), Invent. v. Brugge
2, 186.
c) Schade lijden, beschadigd worden. \\ Si voren
danen doe dure ene glasine venstre, die te dire
ure nine argede none brac, Lanc. 111,9136. Sonde
al onser poerten recht staen aen eens mans ghe-
vecht , so mocht onse recht wel arghen , Stoke YI,
606. Der mede (door het water) de vanten van der
-poorte beghonnen waren arghen te zomighen
placen, Invent. v. Brugge 6, 318. In die 40 jaren
en waren n cleder noch n scnenen niet gearcht,
B. V. 1367, 71b. Dat den bnsch bamt ende niet
en archt, 36c. (Die kerk) is seer ghearghet ende
gevallen mitter stat, Mandev. 18c.
II) Bedr. — 1) Van personen. — a) Enen — ,
iemand benadeelen, hem kwaad doen, schade, leed,
mideel berokkenen. || Dat niemen so cone si van
minen lieden, diene scaed meer ofte arget, Lanc.
II , 38604. — Enen — jegen enen, iemand
benadeelen bij iemand. || Gi, her Walewein, die
dus sere ons nn arget jegen minen here, Lanc.
IV, 7211.
b) Het arget enen van ere dinc, het
ergert iemand, maakt hem bezorgd over iets. Yerg.
mhd. ez arget mir (mich), Ben. 1, 66. || Ende ne
hadde Hestor gedaen, si haddense bat bescermt,
; mer (in den tekst: Met) dat Hestor
afstac soe fellike Esclamore, datse gemeinlike
aerghde van harre vromechede, Lanc. II, 33267.
2) Yan zaken. Iet — , iets beschadigen, be-
derven. \\ Her Walewein die dede gereden sine
wapine ende cleden, ende verscuren ende verclaren,
ende versachse daer si gearget waren , Lanc. II ,
46801. Dat hemde en es anders niet gearget
dan gijt vor n siet, Lanc. III, 4919. Dattie tor
in velen delen gearget was van den magnelen,
lY, 10299. Den heerwech salmen beteren mitter
aerden dier naest gheleghen es ; die daer jeghens
seide of dien arghet, hi sal den scontate gelden
een pont, Oorkb. 2, 340, 98 (a. 1290). Waer dat
]
455
ARGE.
ARGE.
456
sake dat water op dien weert geleyt worde, dair
die weert by gearget ware , 474a (a. 1298). Waeren
dat saecke, dat wyse {die boeven) groudelicker
hadden gearcht, soo souden wy synen pacht daer
of lichten, Mieris 2, 2976 (a. 1322). £nde want
onsen goeden Inden . . dese voernoemde hantveste
ghearcht was bi groten onghevalle van brande , . .
soe hebben wi hem . . dese Toerscr. hantveste
verniewet, V. d. Wall 177 {a. 1338). So wie die
daere aerghet van der speye, hi moet se weder
doen betren, JBoei met den knoop ^ in ZFl. Bijdr.
1 , 240. Dat men niet en behoort te arghen eenich
onderpant, Somme ruralis^ van Jan Bottelgier 157.
So wie van sinen evenkersten enich van desen
dinghen ontleent, ende het stervet of gheargct
wort, dair sijn here niet bi en is, men sal hem
dwingen dat te ghelden, D. B. Exod. 22, 14.
Altoes beterende ende niet aerghende {het huitï)^
Invent. v. Brugge 3, 306, vgl. 4, 471. Daerne
{uwen tchat) noch roestecheit noch motten moghen
arghen, lU. v. 1348, 278a.
ARGENESSE, znw. yr. Beschadiging. \\ Dat niet
tebroken ware dat swaerd bi eneger argenesse,
Lanc, III, 8209.
ARGEREN (aeugeren, ergeren), zw. ww.
onz. en bedr. Mnd. argeren. Zie akgen en vgl.
Ergeren.
1) Onz. — 1) Van personen. Verergeren^ erger ^
mind^^ tlechter worden^ zoowel lichamelijk als
zedelijk. || Mijn hof en beterde noit ere, Walewein,
bi u alsoe sere alst bi u sal argeren nu ende
nederen vort, Lanc. III, 925. Dat hi ember
argerde dach na dach, Lane. IV, 2642. Die werelt
began ergeren doch, Sp, I', 12, 18. Sy {die »tai)
moet ergherende sijn, Serv. I, 2724.
2) Van zaken. — a) V er erger eii^ «y^, minder^
tlechter worden. \\ Ende die wonde argherde nacht
ende dach, soe dat niet helpen mochte doe watter
die ersatren daden toe, VI. Rijmkr. 2768. Hine
gafse di niet bedi dat si souden argeren in di ,
ne mare dat si wassen souden , Lanc. III , 3059.
Daer na ergerde sijn gewerke, Sp. III» 47, 55.
Ie siet argeren alle dage. Rosé 7890.
b) Bederven. \\ Want hiere vant ghenoechjeghen
striden spisen van Herodes tiden, die was ghe-
arghert niet een haer, Rijmb. 34635. Dat hy
{die wijn) niet argheren en mach, Matth. Anal. 1 , 270.
c) Schade lijden^ van stoffelijke en onstoffelijke
zaken. || Van den molen te Reymerswale die zoe
seere ghearghert was. Rek. v. Zeel. 1, 146. Ende
gingicker mede in dit vier, het ne sonde niet
argeren dan, Lanc. III, 4908. Al sijn harnasch
was niet een haer ghearghert sent hijt brochte
daer, Farth. 2328. tJ doget en argeret nember-
mere, Lanc. III, 25094.
d) In waarde verminderen. || Aengaende den prijs
seggen de voors. hooftmans, . . dat de huysen
wel den derden penninck geargert zyn binnen thien
jaeren harwaerts, Inform. 12. Die huysen . . zijn
den derden penninck wel in den prise van den
coop geargert, 432. Dat desen brieflf nyt ergeren
en sall, Nijh. 4, 380 {a. 1466).
II) Bedr. — 1) Van personen. — a) Enen — ,
iemand slechter^ minder maken \ hem bederven. \\
Oec so viutmen someghen man, waert dat menne
wilde castijen , men soudene aergeren ende ontvrijen,
Sp. I», 62, 60. Eest dat wi Gode hier inne
wederstaen , ende sine gaven versmaden , soe werden
wi meer geargert, Ruusbr. 1, 173 (Sur. y^pejores
êjfieimur^^),
b) Enen — , iemand kwaad doen^ deren. || Mares
op Parthonopeos reet, als die gene die ergeren
wilde, Parth. fr. 64. Men zal moeten lezei:
„Als diene gerne ergeren wilde," of: „Als die gene
diene ergeren wilde."
c) Enen — , iemand ergeren, \&t.scandalisare.\\
Wi selen oec bidden dat hi ons gheve den gheest
der sciencien ende der const, . . alsoe datnieman
in ons ghearghert en werde, maer ghe betert ia
alre wgs, Ruusbr. 4, 22.
2) Van zaken. — «) Iet — , i^^ mind^ maken,
verergeren , bederven , benadeelen. || Eyn sinte SerraM
eyghen man, die doer stoutheit began dat hem
ergherde btjh leven, iets dat hem het levensgelni
bedierf, Serv. II, 2009. Der boser lude arghe-
ringhe, de dicke . . goeder lude goeden lumoftt
willen argeren, D. Orde 260. Dat sonde den
gewonden seer letten, ende het sonde de wonde
meer argheren dan si was te voren. Jan Yp. 85.
b) Iet — , iets beschadigen, bederven. \\ En
mochtense {die stede) binnen enen jaer ergheren
breet van enen hare, Alex. VI, 175. Legt uwen
schat in den hemel, daer noch rostegheit nock
motte din en moghe ergren, L. v. J» c. 46. So
wanneer na yemants doot een bed geschoert is in
deelen , alle die van hem bliven , en moghen mal-
canders goet . . niet argheren noch yerbneren in
gheenre manieren, O. K. v. Dordr. 25, 60. Zo
salmen die sadel decken , dat zi van denen , daUnen
daer voert, niet gheargert en worde , D. Orde 2V>a.
Dat goet en salmen niet verwinnen noch ergher»,
Nijh. 1, 218 {a. 1327). Dat de stanc delnchtmet
argeren en sonde. Pass. S. 129r. Weert ove\
saeke, dat de selve sloit . . van brande off anders
ennygerhande mysval van onser wegen geargert
worde, Nijh. 4, 29 {a. 1425). Endede erven neytu
bloeten oflTte te ergeren, Overijs. Recht. I*, 236.
Dat de wachters van der stede den torre van der
kerke grootelic argeren, quetsen ende grieven,
mits de groote vuullichede . ., die sy by nachte
ende daghe daer np doen, Diericx, Mém, 2, lö7
{a. 1429). Waert . . dat oic desen chartre oft hart
seghele met eenegen ongevallegequetst, gecasseert
oft geargert worden , Brab. Y. Dl. 2 , bl. 620 (a. 1370).
Al waert dat dese brief in enegen toecomendea
tyden worde gevioleert, geargeert (/. geaxgert) (rfte
gecasseert , waert in gescrefte , in segelen oft ander^
sins, bl. 658 {a. 1383). Ist dat yemant arghert enea
acker of enen wijngaert , D. B. Exod. 22 , 5. Verwaer-
losen of argeren , Mieris 2 , 3626. Waert dat dese . .
charte in eeniger tijt worde gestolen, gescbenit.
verbrant of geargert, 4, 68a {a. 1407). Axgera
noch krencken, Nijh. 2, 202 ; vgl. 44. Dat s
{de burg) . . van brande of van anders enigerhande
misval . . geargert wurde, 1, 380 («. 1338 1;
vgl. 4, 29. — Op enes argeren ende ver-
beteren, zoo dat vermindering of vermeerderms
der waarde voor zijne rekening komt. || (Dut zj dit
huisrenten) hebben ende gebruycken sullen U^
eeuwigen dagen op heuren argeren ende verbetera
als van heuren vrijen ende eygen goeden, S^ntét.
V. Alkm. 29a. — Van munten, ze van slechier
allooi maken, in gehalte vemwider en, \\ Niet licbtea
noch argeren , Willems , Meng. 341 ; 362. Geargeit
of gemindert, 349.
3) Iets erger maken, verergeren, erger voorstelle»
dan het is, \\ Die ongetrouwe boden. . . aergerdei
voert voer den prooft des graven woert, VL Sijmkr.
3479 (Lat. bl. 405: verba comitis depravamtes).
ARGERINGE (aeroeringe, erger iNOf:),'snw.
vr. Mnd. argeringe. Van Argeren,
1) Beschadiging, letsel, aanval, || Die kuoshtiS
457
ARGE.
ARKE.
458
des bej^evenen maas die mit mrgfsnamen mroenen,
of zi licht behouden wert, doch eu is zinietseker,
ende en mach oec die lengde niet zonder erghe-
ringhe bliven, D. Orde 236. Dat deser heiligher
orde ghesette die broeder moghen bewaren voer
der boser lude argheringhe, 260.
2) Ergernii^ aanstoot. || Die vridaghe van Paschen
ont alreheilighen daghe zo moghen die broeder te
tween malen vastelike spise eten, zine latent dan
voer werentlike lude ergeringe, 7>. Orde 227.
ARGERTIERE. Zie bij Tiere.
ABGHEIT. Zie Archeit.
ARGINGE ((H)AERaiNGE), znw. vr. Verlies van
zijn waarde^ het schade lijden^ bederf. \\ Van
arghinghen van houte dat ybesecht was, Invent.
V, Brugge 2, 434. Van aerghingen van sinen
paerden, 1, 296. Vander huere ende haerghinghe
van den houte, dat hi ghelevert heift, aangeh.
Gloss. ald. bl. 11.
ARGÜACIE (ARGUWACIE), znw. vr. Van Ar-
gtteren. Tegenwerping^ redetwist^ bij uitbreiding,
gekijf. II Ie sal u noch byblyven (wat dient te
helene?), al maectet ghy noch zo grote arguwacie ,
ZFl. Bijdr. 6, 328, 5.
ARGÜEREN (arou weren, erqeweren), zw.
WW. onz. en bedr. Ofr. urguer (La Cume 2 , 146) ;
nfr. argnety van lat. argutare.
1) Onz. — Redetwisten, redeneeren, bewijzen aan-
voeren. II Ende wil men jeghen haer arguweren,
soe es 80 wilt, so en slaets gheeu gade, OVl.
Lied. en Ged. 268, 1032. Gi en ergeweert niet,
Blisc. V. M. 1163. — Buten argueren staen,
geen punt van redetwisten zijn, overbodig zijn om
er over te redeneer en. \\ Mocht ie elck op tsijn
voeghen , soe stont al buten argueren , Hild. 70 , 274.
II) Bedr. — 1) Iet — , iets betwisten, weder-
leggen, afkeuren. || Al is ghenoechte een edel
weert, men macht nochtan argueren, Hild. 217,
64. Want elc moet pensen achterwaert, wye dat
dichtens wil hantieren , om die gheen diet argueren,
226, 14 (in den tekst: die). Zoo ook 164, 24.
2) Enen — , iemand terechtwijzen, berispen, be-
straffen. II Ons en dorste niemen wederstaen noch
argueren van onser daet, Velth. VII , 23 , 38. Dat
si hem selen moten ontgaen, ende argueren van
allen saken , daer hi sprake of sal maken , VIII , 8, 8.
ARYANGE. Zie Arance.
ARISMETIKE, znw. vr. Rekenkunst, lat. arith-
metica. \\ Arismetike, dat en is gheen spel, leert
u rekenen ende tellen wel , Lsp. III, 14 , 87 ; verg. 69.
ARISTOLOGIE. Zie Arastologie.
ARIVEREN. Zie Arriveren.
ARKE, znw. vr. Lat. arca (Duc. 1, 863); fr.
arche (La Curne 2, 125).
1) Het houten gewelf, de boog waaronder het rad
van een door water gedreven molen draait. Mnd. arke.
II Want die moelensleghers vonden hebben dat
die balke van der arken achter Sente Gertruden
hoeger leeght dan die balke van der Viermolen
omtrent seven dumen , ende oec voert vonden hebben
op den vorscreven balke, aen die drie gate van
der selver arken, alrehande hoechsel van plancken ,
Srab. Y. Dl. 2, bl. 616 («. 1369).
2) Gewelfde oven, eest. \\ Item salmen alle mee
droeghen in arcken bij colen ende houte, K, v,
JSrielle 90 , 6. Van een quareeloven te beterne . . ,
▼an arken, van deuren ende van loodsen, Invent.
V. Brugge, Int. 448. Van den teghel-ovene ende
van arken te vermakene, ald. 460.
3) Kist, offer kist. || Dat onse Here offeren sach
vele liode , . in eue arke hare ghelt , Rijmb. 25143.
ARKET (aerket) , znw. onz. Mlat. arquetus (Duc.
1 , 407). Gewelf boog. \\ Den roketiers van Fellin ghe-
leent up hare steene die sy leveren , dar men de gor-
gonen ende arkette of maect. Rek. v. Gent 1, 216.
Ende de arkette {in den tekst: achette) tusschen de
pilaren ghemaect naer tonde werc , . . ende alle de
voerseyde arkette . . sullen syn van goede hude
steenen van Dielbeke, Diericx, Mém. 2« 106 {a.
1405). Met eenen booghe, daer in dat ghemaect
zal zyn een arket, Invent. v. Brugge 6, 332. Zo
zullen de zalen buten ghecleet zyn al omtrent met
aerketten ende met eenen tafelmente der boven,
daer up dat men ordineeren zal de carteelen, 3,
479. Wendelsteene, gecleet met arketten ende car-
teelen, ald. — Ook van de bovenste, van boven
ronde ruiten in een geschilderd vensterraam. || Van
viere glazene arketten met viere inghelen, ald. 6, 312. . . .
ARCTER, znw.; het geslacht blijkt niet. Waar-^i CkaKU^
schijnlijk van een mlat. arctarium; verg. mhd.^ r f^ i.^^
arker; mnd. arkener, arkenel, erkener, erker', nhd. / /^ /*
erker {QcTÏmm, D. Wtb. 3,871); bij Kil. „Are kei, (f'^K Mjk
arckener, erckel. Podium, proiecta.^^ Boog- ^ g
vormig uitbouwsel in vestingmuren, wachttorentje ,
rondeel. \\ Dese bloedige rovers . . worpen die
poirten, toornen ende voerpoirten, arkteren ende
rondelen, ende mueren van der stadt ende van
den castele neder, Matth. Anal. 3, 41.
ARM (aerm, arem, erm), znw. m.; verkl.
armekijn {ermekijn), -kine; got. arms , Isi. armits.
Vgl. verder Grimm,2>. Wtb. 1, 662. Arm. \\ Dat
hi heme sinen aerm brac, Ferg. 2626. Die wigant
. . warp die lanse onder den arem, Fragm. Carl,
303. Daer na leit mense den papen op die erme,
Bed. d. M. 236. Die suete witte mouwekine wel
staende ane hare ermekine, Parth, 3961. — Arm
ende arm, arm in arm. Verg. twee ende twee^
en zie Ende , voegw. || Si leghet aerm ende aerm
bevaen, Olor. 736. — Ook in de bet. zeearm, fr.
bras de mer. \\ üp enen aerm van der zee, Ferg.
3179. De aerck was geworpen in een wonderlic arm
van der zee tusschen tween eylanden , ffist. v. Jason,
aangeh. bij Huyd. op Stoke,Dl. 1, bl. 650. — Vooral in
de uitdr. Sinte Joris arm (ofbraes), lat. bra-
chium S. Georgii, fr. bras de S. George, de Hellespont.
Vgl. Tijdschrift 1 , 31 en braes. || Keyser Vrederic
sette sine vaert ten arme Sente Joriis waert,
omdat de zee aldaer was inghe, Stoke II, 911.
Ten naesten lentine . . voer hi over Sente Joris
arm, 924. Zoo ook Sp. I», 20, 16; 21, 49; IV»,
3, 40; 7, 79; 8, 29; Mandev. 4c; enz. Zie vooral
Huyd. Dl. 1 , bl. 549 vlgg.
ARM (aerm , AREM , ARME , erm), bnw. Mnd. arm.
1) Van personen. — a) Arm, behoeftig, tegen-
stelling van rijc. \\ Doe moest! bliven in crancker
vite, arem, allendich ende onverduldich , Bloeml,
3, 13, 182. Nochtan bleef hi arme voert, Teest.
1329. Soe dat hi van . . den armen menscen al-
gader ghenuemt wert der armer vader, Brab. T.
VII, 17067 var. Bidt vor den ermen pape, Bed.
d. M. 1273. Die erme versaedde hi met goede,
Boetps. bl. 216, 16. Die derde partie van onser sub-
stantien die es der ermere, Ruusb. 6, 126.
b) Gering van stand, onaanzienlijk, tegenstelling
van rijc, machtig. || Ende gi dore dlant nu ten
tiden met armen geselscape sult riden, Lanc. IV,
3217. Een arem keytijf, een blode knecht uut
vremden lande , Ferg. 4618. Arem ridder van enen
scilde , Parth. 6726. Niemen . . so arem no van so
cranken maghen. Rein. I, 1754. Dese Joseph was
sijn vader, een arm cranc man, L.o. H. 1107. Hi
dede in sijn erme deerne macht , Boetps. bl. 216 ^11,
450
ARKE.
ARMA.
460
Tan mi, die ben ene arme dierne, Limb. I, 1617.
Tscaemel yolc, aerm van state, ZFl. Bijdr. 6,
334, 210. Hertoghen, coninghen ende amirael
3 namen daer op dien dach: der armer en was
aer gheen ghewach , Troyen f. 102<?. — Spreekw. ||
Arm man ne» geen grave ^ Rein. I, &64; JUmb. 1, 1664.
c) Ellendig^ ongelukkig^ rampzalig. || Ie bem een
arem wicht, een clene dier, Èein. I, 1027. Arem
man Reinaert es die blare, 2491. Tes een aerm
crijgher, die by den balghe an een galghe moet
verwoorghen, B. War. 1, 414, 238. — Ook als
znw. : een arm, een arm , gering , ongelukkig
menteh. \\ Ie ben een arm van cleinre machte,
Lanc. II , 7831. Baer ontfinc hi datti begaerde als
een arem ende een onwaerde. Franc. 805. Jhesus
quam te hem niet al te fier, alse een aerm met
langen hare, Sp. IV*, 78, 77. (Doe) stont een
aerm daer ter dore, IV», 79, 17. Wat een aerm
doet dats vrome , Belg. Mm. 1 , 122 , 15. Die waer
(waarlijk) arm van gheeste, Gerl. Peters 236.
d) Verbonden met de voorz. Ach , Och en Wach ,
en veelal in één woord geschreven: ach arm e,
achaerme, achermen, acherme, acharm,
en ocharme, ochaerme, wacharme; enz.,
hetzelfde als lat. vae (mihi) mitero^ een kreet
van smart, wdi.TL\iOOi^ oï hMAg'. ach ^ ik ongelukkige \
wee mij ongelukkige] helaas\\\ Achermen , wat mach
men des, dat mjnne das ongenadich es, Pgr. en Th.
327. Achermen , dat ie niet en mochte enssen doent
ons beiden dochte, 395. Hnlpe! acharme! ie moet
sterven , Lanc. III, 12056. Acherme , en besciet geen
plar (?) decken (aldus te lezen)^ Velth. 1 , 34 , 70. —
Nog in de 17de eeuw in gebruik, zie Wdb. op
Bredero i. V. a e h arme, achharm. — Ocharme
des ontfarmelijcx , o welk een treurig geval l (Dq 2de
nv. als bij andere tusschenwerpsels , b.v. ƒ), Velth.
V , 23 , 19 (in den tekst Ook arme). Wach arme dieser
groter noet, Aiol 399. Ochermen! Mijn wijf is
doot , ochermen ! Rein. II, 4486.— Nog Leeuwendalers
204 e. e. och arm. — Wach arm! MLoep I, 852;
wacharme! Owi, wacharme! Wal. 308; Hulpe,
wacharme ! Lanc. III , 19146 ; III , 15621 ; Ferg. 1446;
Alex. VIII, 773 ; Rosé 2456 ;wacharmen! Lanc. II ,
25632 ; III , 6832 ; och wacharmen ! Grimb. II , 4428 ;
Hadew. I, 73, 69; Nu noch 16; Ay lacen, owi
wachaermen! Rosé 8602; wachaermen! 2^1. e.
Lich.S^; wachermen! Cl. v. Plagerw. 10; Blisc.
V, M. 930; Sacr. 110; ^;»^. — Vandaar fr. vacarme. —
Ook verbonden met een znw. : Wachermen tijt! Mar.
V. Nijm. 75 , en zonder het tusschenw. : A r m e n ! wee \
ik ongelukkige] \\ Armen! waer es dit kint ? A{;in£.
2878. Aerme ! Ziel en L. 43. Ay aerme ! Belg. Mus. 10 ,
95, 219. — Overdrachtelijk BioAi wacharme ook als
znw. voor ellende^ ongeluk. \\ Daer was menich
die begaerde Waleweine te sinen wacharmen , Wal.
8964 (vgl. 8983 te sinen scanden).
2) Van zaken, a) Hetzelfde iX& ons pover (tr.pauvre)
en lat. miser. Armoedig^ slecht ^ armzalig^ schraal^
sober. || Het(/)<zar£0 hadde tere armer crebbeghestaen ,
daer hem coren dicke ghebrac , Wal. 1374. Daerme
lijfnere, daer si an legghen hare ghere. Nat. BI.
III, 2345. £nde deedse voeden met armer spise,
Sp. II*, 46, 33. Een arm cleet ende allettel stroes,
Rincl. 464. Hoe dat hy een kynt was ende ghe-
wonden in armen doeken, Stemmen 104. Si leyde
een arm hoeftcleet op haer hoeft, Pass. W. 2M.
In dat beghin sal die sieke eten arme spise,
schrale y niet machtige spijzen^ Lanfr. 138r. Int be-
ghin sal wesen die spise arm ende magere, 141p.
Daer hi ene quene vernam op een arm pert, Lanc. II ,
16532. Een cnape van sconen leden up een arm
paert, Wal. 1366. Si dede hem bring^hen s)i
rosside, magher ende arem ende onghedaen,
Parth. 2325. — Ook in den zin van mager , scAraal^
onvruchtbaar. || Een arm jaer, Tst. BI. 2219; tegen-
over een vol jaer.
b) Van onstoffeiyke zaken. Qering^sUehty elUnéig^
beklagenswaardig. \\ Oec seidic dat bat hadde geaetei
datment .,arme helpe^' hadde geheten die abdie,
dan dat si hiet der armer lieder hnlpe, Lanc. II,
24440. Sekerlike, wi sin van armer snbatanciei
gemact, Limh. Serm. lOSd. Dat dinct mi ene enne
daet, Stoke IX, 688. Dat men naer dieven doet, dat
heeft aermen (cranken) spoet te helpene, die
selve niet en geeft. Brand. 1456. Dese twee
daden armen fijn van haerre groter heerscapiea,
Sp. II', 45, 10. Die Gode ontsprinct, hi vindt,
o wach ! den armsten troest die wesen mach , BimeL
448. Playerwater te halen tes een arm bedr^f,
Cl. V. Plagerw. 178. — Ter armer tgt, ter
kwader ure. \\ Ter aermer tgt wert ie geborea,
Maleg. 972. Ghi sy t gevaen sonder liegen , ter armea
(/. armer) tyt so werdi vliegen, Fragwi. Carl. 53.
ARMAN (aerman), znw. m., samenkoppelinr
van arm man, en als één woord opgevat. Mhl
arman, armman. Arme, ongelukkige. \\ Een aemu
doet dat hi can, Belg. Mus. 1, 122, 13. Amiai
wetende ende vroet . . es beter dan die rikt
onvroet, y'ad. Mus. 2, 173, 33.
ARMBOGE (AREMBOOE) , znw. m. Armhand. Diat
3, 201: armilla, aremboge.
ARMBORST (aremborst, arenborst, airn-
BORST, ERMBORST), znw. m. en onz. Mhd., bd.
armbrusty mnd. ar»idór«/.Verba8terd van ofr. mrhalesU
arcbaleste (La Cume 2, 101); mlat. arcahahsU,
arbalista (Duc. 1, 359), aan welk vreemd woord
door de volksetymologie een Nederlandach kleed
werd gegeven , waarbij misschien aan arm en korst
werd gedacht; zie Andresen , Folksetym. 86. Oorlogs-
werktuig om pijlen (qnarele) te werpen', arèaleet.
Zie Hnyd. op Stoke 3, bl. 311;Hofdgk, Foer-
geslacht 3, 331.
1) Draagbare ar baleet, handboog, voetkoog. || Enes
slach verhordi, recht alsmen mach enen arenbont
horen slaen. Franc. 8345. Wie te vechtelic qnase
mit glavien , mit sticklen , mit pieken , mit
borsten, mit boghen, verbuerde 42 se,
Keurb. 32, 3. So wie mit boghen, mit enen
borst ofif mit enighen wapen , daer yaer off tp.
off loot . . an is, te vechtelic comt, verbaert
drie S. , O. K. v. Rott. 15, 19. Soe wie een 9im-
borst holt ende dair mede in der stat reysen dieat^
wes schade hy aen dat armborst lijt, sal hem dk
stat oprichten, Overijs. R. I', 185. Dat ghem
lekeknechte myt armborsten . . op kerchoren . .
noch an die kerke . . schieten en zoelen, I', 191.
Die marscalc mach nemen van den smitliase
stegerepen, armborst ende boghen den broedem
te lenen , D. Orde 288. Boven dat sal hi oraeamme,
stemmenijn, armbursten na der ghewoentheit dm.
broederen gheven, 292. Enen knecht . ., die re-
schoten was ende ziec in den Hage gelegen hadde,
dair hi siin aimborst voir geset hadde, geg. dit
weder mede te lossenen, Bel. v. Leid. 385. Twee
dusent man te voet met clnevers , armborsten eads
met andere strjjtbaer instrumenten wel toe^maect^
Esc. Cron. 228f. Zoo ook Bek. d. Or. S, 139 e. e.
2) Staande ar baleet, groote boog die wseC eem
windas in beweging werd gebracht. Verg. Baxc- ;
ARMBORST en WiNTARMBORST. || Ende sette T0« ;
die stede arenborste ende engyene, Rijmè. 19384 '.
Doe . . hen qnarele geborsten, ende si nemmer .
461
ARMB.
ARME.
462
mei arenborsten en conden gescieten, Lanc. lil^
19966. Coemt hire gBvaren . . met arenborste ende
met speren, Cass. 881. Men scoot met ermborsten
ende met bogen meneghen man vor thays te doot ,
Stoke lY, 494. Baer lagen scnttren tallen tinnen
met aremborsten harde goet, Ro*e 3844. Wi sollen
hem leveren hoestalle , bliden , armborsten , ghescot
ende alle were, dat den huzen toebehoert, Mieris
2, 261b (a. 1321). 4 ® gaerns, die men oerbaren
zonde te pesen an die armborste, Rek. d. Gra/j Ij
292. Die Grave van Gelre mitten burgers . .
deden den castelejrn yeel moeyenisse mit menighen
stormen, mit armborsten, mit slingeren, Matth.
Anal. 3, 102. Gespannen ant crnce alse ene pense
ane enen arenborste, JUmb. Serm. IIS^?.— Spreekw. ||
Een scoen gheciert wijf is een armborst des duvels ,
een wapen van den duivel, waarmede hij pijlen
tchiet in het hart van den man, Con. Som. S6a.
ARMBOBSTIERE (aremborstier , ermbors-
tier) , znw. m. Mhd. armbrttster, mnd. armbortterer.
Yan JrmbortL Hand- ot voetboogechutter. \\ Baer
Yoeren si metten ermborstieren , Stoke III, 75.
Meester Herman die armborstier , Tiek. d. Qraf. 1 ,
419. Meester Herman uter Haghediearmborstiere,
die wrochte op thuus te Yredielant, 422. Zie nog
1, 67; 2, 79; 3; 477; Bek. d. Buurk. 26; Rek.d.
Cam. 3, 17; 49; enz.
ARMBORSTSCOOT, znw. onz. Uit Armboree^n
Scoot. Boogtchot. \\ Ende te hant begrepen dat
water ende toech hem volnae een armborstscoet
weghes van den lande. Pats, W. 246^.
ARMBORSTSLACH, znw. m. Uit Armbortt en
Slaeh, tT. arbalestré of arehé (Duc. 1, 359^). Het-
zelfde. II Si voeren cume op enen daghe die langhe
van enen armborstslaghe , Stoke IX, 667.
ABMEYE (aermeye), znw. vr. Yan ofr. armee
(La Came 2, 155).
1^ Slag, gevecht, de oorspronkelijke beteekenis. ||
Enae behoortet {dat pingon) te sjne al dien dach
in 8i|n macht, waer dat de Prince comt of gaet,
bj den Prince, ende achter hem tpingon in de
hant ontvouden, omme elcken te gheven teecken
ende kennisse, waer den persoon van den Prince
is , ende van daer voort also verre als de armeye
dnurt, Matth. Anal. 1, 275.
2) Xeger. \\ Be maerscalc van der aermeyen,
Hatth. Anal. 1, 247. Omdat den conync ghe-
Tangen wiert onder huerlieder aermeye, clouc
ende rayliant, Zri. Bijdr. 6, 327, 449.
ABBiEELIJN (armkijn), znw. Zie Arm, znw.
ARMELIJO (aermelijc, ERMELiJc),-/t>t^,bnw.
Arm j ellendig , ongelukkig. Zie Arm, bnw. I| Segt mi
Bitter Ellinden bedrijf: esse niet ermelic? Blisc.
V, M, 1028. Hi lach onmachtich ende armelQc
(mueraHHs), B. B. Richt. 5, 27.
ARMELIKE (aermelike, ermelike), bgw.
Mnd. armlike. Op een armoedige, slechte, ellendige
tüiJTte : armoedig , tlecht, ellendig. \\ Joncfrouwen . . .
gecleet ende berect aermelike, Lanc. II, 29518.
JHe goede man seide: „Wat doedi?" — „Aerme-
like/' antwerde hi, III, 4631. O heilich sacra-
ment, hoe coemdy hier int moer liegende dus
ermeUjck? Sacr. 244. Die twee voorseyde broeders ,
die Vrancrycke armelic regeerden, niet wel con-
nende de selve Noortmannen wederstaen , £:pc. Oron,
90d. (Hi) quam te Jherusalem aermelike, Sjp. I*,
21 , 4. Aldaer hi met siere pine hem ende s^n
wQf ende sine kinder aermelike onthilt ginder, ^.
IV* 45 16.
ARMELINGE, bijw. Yan Arm, znw., met het
acbterv. *li$ige. Met de armen. In de uitdrukking:
armelinge vechten, t^ori^^/^. ||. Want daer ie
jeghen den roese vacht armelinghè, als hi begheerde,
werp hi mi onder hém ter eerden, Segh. 10978.
ARMEN (aermen), zw. ww. onz. en bedr. Yan
arm, bnw.
Onz. — ^rm worden, verarmen, achteruitgaan. \\
Dijn rike sal^ aermen ende cranken van ghewoude,
Alex. II, 1080. 6 persoenen, die deselve {die schot-
ponden) verhoogen ende verlaghen naedat elck r|jct
of armt,' Inform. 283. Die elck stellen te geven,
naedat zij bevinden dat zg gergct ofte gearmt zgn ,
273; zie nog 307.
Bedr. — Arm maken, verarmen. || Hi heeft
hem ghenedert ende ons ghehoecht , . hem ghearmt
ende ons gherijct, Ruusb. 3, 169.
Spreek w. || Aelmisse geven armet niet, Spreuken
18. Om Oode gheven en armt niet; watmen onthoudt
gaet al verloren, %^.
ARMERTIERE. Zie bij TiERE.
ARMESC£DE(aerhescede), znw. vr. ZiescEOE.
De dubbele armpijp of benedetutrm. || Hi nam sine
aermescede ende bracse ontwee, Sp, III*, 36, 35
(Yinc. „o* brachii ejus fregit").
ARMHARNASO (arhhaernasg), znw. onz.
IJzeren of stalen armstuk van het harnas, \\
Dezen man sel op ziin hoofd hebben een stalen
helme, aen ziin Ijjf een stalen pansier, . . boen-
ende armhaernasche na dat daer toe behoort , iViff?.
Froza 82.
ARMHEIT , -HEDE , znw. vr., ohd. armheit. Ar-
moede. II Men sal armheit blidelec draghen, Doet,
II, 2986. Welc beter es, soe rijcheit soe ere, ende
occ van armheiden, Lsp. III, 5, Titel. Niemenne
en laet te doen goet , en si dat hem armheit doet,
Rosé 6009. Yor salicheit coesdi nidecheit, ende
vor armheide rijcheit, Yelth. YII, 20, 37. Heer!
u armheyt is mijn vaderlic erve, uwe siecheyt is
mijn ghesontheyt, Stemmen 103.
ARMHERTICHEIT, znw. vr. Gebrek aan moed,
geestkracht, vertrouwen. \\ Eude hi troosten wilt
har armhertecheit ende starken har crancheit,2^md.
Serm. 189 d.
ARMILLE, znw. vr. Armband, armring. Yan
lat. armilla, armillttm (Duc. 1, 403); ofr. armille
(La Cume 2, 159). || So brochte die man voert
gouden inaures ende alsoe veel armillen, 2>. B.
Gen. 24, 22. Ie nam die crone die op sijn hoeft
was, ende die armille van sinen arme, II Sam.
1, 10. Daermen een armille leit, die dwinghet al
omme ende ommegaende, wat is dan beteikent
bider armillen? Greg. Hom. 91v.; enz.
ARMINC (aeruinc, erminc), znw. m. Arjne,
ongelukkige, ellendige, ellendeling. \\ Ie ben . . .
een arminc, Parth. 7078. Maer nu hopet die arminc ,
dat u sijns wenens ende sgns carmen bi ure ghe-
naden sal ontfarmen, 7441. Maer du, sondaen,
caytijf arminc, 8272. Hoe ie Reinaert aerminc eerst
an die boosheit vinc. Rein. 1 , 2069. Al bem ie een
aerminc, hoe mochtic sulke moort ghetemen? I,
2202. (Hi) stac den ouden erminc dore den hals
met sinen swaerde, Alex. Y, 196. Een keytQf ende
een arminc, YI, 1226. Hem quam an een aerminc
half naect, Sp. III ^, 39, 6. Els wert hi aremino,
Wap. Rog. 208. — In bijzondere toepassing op
een kruisvaarder. || Doe de goedertiere Florans
van Hollant dat cruus ontftnc, om te wordene
aerminc int lant, dat God met sinen bloede bene-
diede doer sine omoede , Stoke II , 698.
ARMLEDER, znw. onz. Waarschijnlük uit Arm
en Leder, corium; niet uit Let, lid, deksel, zooals
door Lubben 1, 127, op Armeleden, gezegd
463
ARMO.
ARNA.
464
wordt: zie Diefeob. Olou, op Bextrale, dat in
het Olost ex ^iioals Armleder wordt opgegeven.
Lederen armstuk ^ als deel der wapenrusting van
knechten , in tegenstelling van het ijzeren Armhar-
nasch (zie ald.) der ridders. || Symon Weyneus.
2 paer armleder 3 se; Dirc Wouter 1 collier ende
1 paer armleder 2 se. 6 d., Hek, d. Qraf. 2, 114.
Om hantscoen ende om armledere, 1 dukate, 3, 118.
ARMOEDE (aermoede, aremoede, ermoede,
ERMUEDE, ARMODE, ARMOET, ERMOE), Znw. vr.,
onz. en m. Mhd. armuot vr. , armnote onz. ; mnd.
armót en armode vr. en onz. Vgl. T, en Lettb. 1 ,
132 vlgg., vooral 137.
1) Armoede^ vr. || Ghi sloechten doet, daer ghi
mi in scanden ende ermoden settet bi, Lanc. II,
33641. (Mijn vader) es ondergegaen van gode ende
leget in sware ermode, II, 43986. Dat si niet
dore aermode en liten te kisene die goede, IV,
6603. Vele aermoeden . . ghedooghede die jonghe
man te Tours, Amand I, 615. Oec gaf hi hem . .
dheelt van zinen goede, om te blusschene zine
aermoede, Bloeml, 3, 17, 316. Zoo ook Sp. IV*,
21 , 30. — Als onz. of m. || Ghieriger man was
nie van goede dan hi om dit armoede. Franc.
3411. So was Jan Baptiste . . in die wostine int
aermoede, Sp. I', 5, 4. Een dach des armoets
ende verdriets, D. B. Zephanja 1, 15. Alsosulc
aermoede, dat noyt creature en leet, Hs. v. 1348,
304^. Die wise can int aermoede ende in die
weelde van goede altoos siere doghet pleghen ,
I*, 75, 33. Enen dien dat armoet dwinghet dat
hi quaet doet, Teest. 1653. Nu ben ie bloet van
goede ende ontsie dat armoede, Limb. X, 445.
Daer doghese groet ermoede ende leet, C^mA 321.
(Ie) sallen roven van sinen guede, ende sallen
bringhen tyen ermuede, Lufg. II, 1246.
2) Ellende,, ongeluk. \\ Dese dachvard, daer in
armoeden bi geset ward van Grote Bertangen dat
conincrike, Lanc. IV, 11947. Sint viel hi (Nero)
van dus hogen, . . dat hi doet in aremoeden
bleef, Bote 6130. Lichtelec es sceden van goede,
maer van minnen eist armoede, Limb. I, 2435.
Dies winters roede, die mi doet soe groten aer-
moede , fFint. e. Som. 605. Ie sal di onsoete ver-
menichfuldegen u ermoe, Bliec. v. M. 322. — Nog
hoort men in dezen zin: het is armoe{dé).
3) Ongeluk,, ellende,, ballingtchap ^ inzonderheid
in concrete opvatting: ballingsoord. Verg. den
overgang van ellende,, oorspr. ballingschap ^ tot de
beteekenis van ongeluk. \\ Dus wert die clercgie
goede in die jacht, in daermoede, Sp. II", 9, 43
(Vinc. „fuit persecnfio in clero"). Daer worden die
bisscoppe goede ghesonden in die aermoede, II*,
51 , 17. Die daelde uut des Vaders scoot hier
neder in onse aermoede groot, Amand I, 6289.
Si dede den Here omnipotent hier nederdalen in
die armoede, Vad. Mus. 1, 346, 11.
ARMOEDICHEIT (ermoedicheit), -hede , znw.
vr. Armoede,, ellende. \\ Hoese dAvonture onderleide
in wel groter ermoedicheide, Base 6333.
ARMOET. Zie Ermoet.
ARMONIE. Zie Harmonie.
♦ARMREBBE, miw. vr. Lange ribbe (?). || Men
▼ant daer die scinkele lanc wel vier voete , . . . ende
■elke armrebben mede vierdalven voet wel gerede ,
Velth. III , 34 , 67. — Men zal wel moeten lezen
armscenen^ als in vs. 60, waar de oorsprong der
fout te zoeken is in de woorden: „ormscenen,
rebben gemene". Zie het volg. Art. 1).
ARMSCENE, znw. vr. Uit Arm en Scène. 1) Kleine
armpiJp^ltA.. radius. Hd. armschiene. || Grote scinkele.
grote bene, armscenen, rebben gemene, Yeltk.
UI , 34 , 69.
2) Hetzelfde als armhamasch (z. ald.). || E«i
omgaende tuych armschenen ende rinckragen, Racer
3, 208. Een knechtsharnasch mit armschenen ende
een backeneel, Matth. Anal, 1, 228 (vgL tld.:
„ twee scheenhamasch ende schenen daer toe). Item
14 armschenen, 229. — Zie schene.
ARNASC. Zie Harnasc.
ARNEN (arenen, aernen), zw. vw. bedr.
Ohd. amdn, mhd. amenj ags. earnfan^ eng. Mm,
mnd. emen, verg. goth. asans znw., oogst; mhd.
«r», erne^ nhd. emte; by Kil. arne, erne, Ger.
Sax. Fris. Sic. messis. Oogsten, in het Mnl. alleea
in overdrachteiyken zin gebezigd. Vg. gearnek,
ONGEARENT en Toalk. Magasijn 3, 250 vlg.
1) Oogsten^ inzamelen^ in eigenlijke en fignurlgke
toepassing, verdienen. || Nu dunct mi in minea
sinnen , dat ie meer arnen sonde hatie dan ie dede
die minne nie, Bose 4564. Die ghedaen sgn nat
Gods vreden , die moeten amen 8\jnen toren, Serw. I,
1732. Uwe stat is nu verdeylet . . ende moet
arnen Gods toren, I, 2692. Datter {kij) evelijck weer
verloren, ende arnen moeste Gods toren, II, 265L
2) De {kwade) vruchten tijner daden imoogsfem,
er voor boeten. Du best sot dattu das sprecs tol
dinen God: Ie ontrade dattu wel sere dit araen
souts van onsen Here , L. o. H. 3133. Die rike es
sculdich onsen Here meer dan daenne lof ende
ere : en doetys niet, hi aemet sere, Ziele e. Lieh. 278.
Oec dor u groetheit . . . ., waer die emende veel
te cleene van hem gedaen, die tfeit selve wiuchte:
dus moet dan amen al tgeslachte, Blise. v. M.
613. Hoe sere arende hi onse mesdaet, L. o. E.
2367. Wet gi selet amen sere, 2760. Ie beet dea
appel stillekine, dat hebic gearent, data mi ii
scine, 4199. Dat ame ich hude in desen daghe,
Serv. II, 1928. Hi {de waard) soude sine ghe>
buere roepen ende bidden hem {den vredebreker)
voer hen dat hi syn huns rumede, soedat h|s
orcontscape hadde dat hijs hem maende; ofte
neen, die weert moest metten scoldegen amei,
Willems, V^erh. 1, 144. — Die s on den (^die
mesdaet) arnen, boeten voor zijne sandei%\\^T%.
mhd. die sünde amen (Lexer 1 , 96 ; Bartsch , Km-lwu
265). II Dat hi aeraen moeste ende qneÜen sine
sonden int vaghevier, ende niet in die helle fis,
Sp. IV*, 14, 48. Dat dat seker ware tfe^hTier,
daer si haer sunden in amden, die hier haer
penitencie nien voldeden, Christ. 241. Diea moet
hi aernen dan syn sonden ewelic geduerich , sond^
fijn, Blisc. V. M. 1186. Onse Heer die wiltse be-
sweeren , op dat sij dese mesdaet amen , Serv. I, 1726i.
Aanm. Op twee plaatsen komt de uitdrukking
voor: die sonden aren, in plaats van — arnei.
II Vele warenre in dien daghen, die rovers ende
mordenaers waren, die met hem bleven, ende
wilden aren die zonden, die si hadden ^daee,
ende worden in goeden ende ontfaen, Sp, III«, 9,
88. Maer die haer sonden aren, hebben seker wel
ghevaren, want si {die wrake) wert cort gheist,
maer die wrake diemen ghinder kint, die moA
dueren emmermere in groten rouwe, in lan^hen sere.
Wrake I, 676. — Op deze laatste plaats kan wel
niet aan eene corruptie gedacht worden , en is
het ontegenzeglyk , dat aren met die 9onden be-
hoort verbonden te worden. In weerwil van de
juiste opmerkingen in de noot op Sp. III *, 9, 9U,
zal men dus moeten aannemen, dat aren in dca
zin van amen kan voorkomen en de beteekeait
heeft van boete doen. Misschien werd het woord
465
ARNO.
ARRI.
466
oTM», in den zin yan ploegen reeds eenigermate
Teronderd en door eren of erièn vervangen, ge-
dachteloos en om het rgm in plaats van amen
gebezigd, evenals ook andere woorden, die op
weg znn van te veronderen, verkeerdelijk worden
gebmikt, als b. v. verwaten en f^rw^tfiM^, die lang-
zamerhand de beteekenis van verwaand aannamen.
ARNOUT, znw. m. Eigennaam, de patroon der
bedrogen echtgenooten ; Sinte Aernonts broe-
der se ap, het horendragersgild ^ Rosé 8551. Ygl.
Roquef. 1, 90 en 751: Arnould, Arnold,
Hernoux, mari dnpe et malheurenx, en: estre
logé k rhostel S. Hemonx. Ygl. 1, 89: Am and,
débauché, manvais sajet, en Dnc. 1, 404: Am al dn s,
ffaneo , ecortator. Welke Amont bedoeld is , is niet
zeker. Dat de H. Amulphns, bisschop van Trier
zou zijn, die ook in zijn huwelijk zijn „votum
virginitatis" hield, is niet waarschijnlijk.
AROMA (met den Griekschen meervoudsvorm
aramaten) , znw. o. Yan gr. a^tafjia. Yerg. ofr. aromas
(LaCume 2, 164). Welriekende plant. || Mirre ende
sinamona, galanga, cassea ende aroma, Alex. Y,
1029. Uut dat graf quam altoes soeten roeck, of
alle die cruden of alle die speciën van aromaten
daer versament hadden gheweest. Pass. W. 178c.
ARPIE (aerpie), znw. vr., met weglating der
aspiratie voor Har pi e. Harpij^ grijpvogel\ lat.
arpia. \\ In Strapides, in die woestine, pleghen
arpien te sine. Nat. BI, III, 249. Wien bediet bet
die arpie dan . . die wokerare, III, 267.
ARPOYS, znw. onz., voor Harpoys. Harpuis^
mengsel van zwavel en hars. \\ Een vat pees of
aschen jof arpoys. Letter k, N. W. &, 82. Een
waghe arpoys of speghelhars 1 d. , een rompe
arpoys o., een tonne arpoys of speghelhars 2 d.,
Zri. Bijdr. 5, 38.
ARRASPENNINC. Zie Arre, 2de Art.
ARRE, bnw. ARREN, ww. ARRINGE, znw.
Zie ËRRE, Erren, Errinoe.
ARRE (erre) znw. vr.; lat. «rr^ (Kil. 833:
Arre, Lat. arrha).Handgeld, handgift ^ onderpand.
II Geeft my daer guede erre op, tot dat gi my
sent dat gi mi geloeft hebt. Wat wilgi dat ie u
te erre geve? . . Ende Judas gaft haer te erre,
j5. V. 1357, 23rf. — Arraspenning ofte Godts-
penning {huurpenning)^ Handv. v. Assendelft bl.
250. Kil. 833: Arre, Arpenninck, lat. arrha.
— Ook als bij het sluiten van een contract getuigen
(solemmitatis causa) tegenwoordig waren, werd
Teelal aan dezen de arrha ter hand gesteld, als
drinkgeld (vgl. wijncoop, wijncoopsluden).
II Siet, hier sidi tugen van, dat dese ridder
dit self met mijn (/. sgn) eygen zegel ende hant
besegelt. Si antwoerden, het is waer, want wi
bebbeu den arraspenninck ontfangen,6r^«/. Bom. c. 128.
ARREST (arest), znw. onz. Ofr. arrest (La
Cume 2 , 182). — 1) Het steunpunt , veelal aan
*t harnas, waarop de lans gelegd werd^ die men
ten. aanval velde. In de uitdrukking: die lance
int arrest leggen, de lans vellen. || Terstont
lejde elck sijn lance int arest, seer fellijc tegen
malcanderen r|jdende, £j:c. Oron. 242^^.
2) JDe opgemaakte , a/gesloten rekening , het saldo ;
v^l. fr. arréter un compte^ en zie arresteeren. ||
Arrest van Ysebouts lester rekeninghe , Rek. d. Or.
3 j 261. Yan den arreste van sijnre lester rekeninghe ,
. . daer hi minen here den grave in sculdich
bleef . . ., ald. 262 (tweemaal).
ARRESTEREN, zw. ww. bedr. Mlat. arrestare
(X>iic. 1, 413, No. 3). Yan eene som gelds. Ooed-
/kessren^ dat ze in iemands credit worde gehoekt. \\
Aldus . . soe blijft Gheret voers. sculdich minen
here den grave . . 2299 ^ . ., die hi Jannes van
Nederhem rechtevoert in ghereden ghelde betaild
heeft ende up hem ghearresteert zijn. Rek. d.
Oraf. 2, 221. — In onze bet meer gebruikel^k
in den vorm rasteeren (z. ald.).
ARRIYEREN (ariveren, arrivieren), zw.
WW. onz. Mlat. arrivare , vroeger adripare (Duc. 1 ,
616), ofr. arriver'j verg. over de afleiding Diez,
Etym. Wtb. 1, 34. Aan den oever ^ aan land komen,
aanlanden j landen. \\ Ende sceepte in de haven
van der port, ende ari veerde aen Troyenport,
Parth. 822. Hare scip was harde wel ter vloghe , . .
so dat si vor der vespertij t ari veerden vor Raven-
stene. Wal. 9504. Hi reet toter zee thant, daer
hi een scip gearriviert vant, Lane. III, 7683.
Alse dit scep ant lant van Logres arriveerde , III,
8039. Dus voer hi soe verre henen , dat si savons
vore Athenen arriverden met ghemake, Lirrd^. I,
825. Daer bi plaghen sine cnapen altoes ten scepe
te comene dat arriveerde, I, 876. So dat si in
die havene arriveerden, Èuge v. Bord, 73. Zie
nog Lanc. III, 8901, 9633; Yelth. YI, 20, 51;
Sp. I», 17, 39; Merl. 13635; Flor. 97; enz.
ARSADIE. Zie Arsedie.
ARSATERE (arsatre, aersatre, ersatre,
arceter, ersatere, ersater, aertsater,
artzeter, arseter), znw. m. Yan mlat. ar-
chiater; gr. a.qxiaiqog, Yerg. ohd. arzat^ mhd.
arzdt^ ar zet ^ en arzetaere^ mnd. arste uit arzete^
hd. arzt ^ en Bormans op Christ. 171 — 175. Het
zuivere mnl. woord was meester. Arts, wond-
heeler, geneesheer. || Arsaters quamen so si eerst
mochten, diese (die gewonde) souden achterwaren,
Wal. 7502. Ie bem een ersatre van wonden, Lane.
II, 1988. Sornahan ontboet ersaters tien stonden
om te besiene sine wonden, II, 6067, vgl. 8178,
8376, 28108, 42631, 44827, 45067, 22820; lY,
4632, 9566. Eenighen aersater oft meester . . in
medicinen, Boeck v. d. L. Jhesu 112d. Een wijf . . ,
die in aersaters al haer goet hadde vertert, Hs,
V. 1348, 161*. Die ersatre es dicke fel, Alex.Yl,
959. Sijn ersatre Cristobolus . . sach sin en here
ghewont aldus, IX, 991. Nochtan sal ie u altemale
met minen swerde te stucken cappen , dat nemmer-
meer erscatre lappen an u en darf om ghenesen, Limb.
YIII, 572. Ie ben, seit hi, arsatre goet, Esop. XLIII,
5. Wilstu leren medicine ende vroet arsater te sine ,
2>. Cat. 171. Ende zi daer ane volcomelike na des
aersaters rade, ende des huses staden besueke, of men
den aertsater hebben mach met voghen, D. Orde 231.
Dien arcetere te hebben, 217. Ersetre, gansse di
selven , Leu. v. J. c. 98. Avermits dat gheen stedich
geswaeren artzeter int yrst van onser wegen by
den gewonden gehaelt wurdt, Nyh. 4, 116 {a. 1496).
Arseter, G. Groote 101 var.
Aanm. — Sp, I*, 42, 6, moet voor ffritf^r^ gelezen
worden ersatrie (zie ald. 3).
ARSATEREN (ersateren), zw. ww. bedr. Yan
Arsatre {ersatre). Door een heelmeester behandelen,
geneeskundig behandelen. \\ Die ghenen die daer
waren ghewont dede men ersateren terstont ende
verbinden haer diepe wonden, Qrimb. I, 5139.
ARSATERIE (arsatrie, ersaterie, ersatrie,
ook ARTSETRIE, ARTCETRIE, ARCETRIE, ERTSETRIE
{Limb. Serm. 20d, 21a, 33^, d, 9»be (driemaal) enz.)),
znw. vr. Yan Arsatre {ersatre).
1) Heelkunde, geneeskunde, \\ Bestu siec, kies
enen man, die best van arsatrien can, D. Cat.
225. Hout herte, levre ende galle: si sQn ter
ersatrien goed, Rijmb. 15574. Nayen ende arsatrie
467
ARSC.
ARSE.
468
dan, Ltf. III, 14, 117. Bese hadde al hare goet
ghegheven den mestren Tan ersetrien , Lev. v, J. e.
76. Ditfl ?an den onghemacken der tonghen , alsoe
ons medicine leert ende wijst in vele honcken van
ersaterien, Jan Tp. 111.
2) Geneesmiddel^ ook toouermiddel ^ als lat. r^/ttf-
dium. II Ie weet noch selke ersatrie, dat icse bi
der cracht, dier leghet ane, levende weder ghe-
winnen wane, Flor. 1271. Ie radi vor recht ersa-.
trie, dattn die moeder Gods Marie eers ende
an hare roeps genaden, Sp. I',66, 161.Daeromme
dat hem die leringhe rechts levens ende der
dinghe, die si schuldich zQn te hondene , iet moghen
comen te broke ende te valle, ende dat arsaterie
sonde zijn, te inucten niet en ghedie, D. Orde 263.
3) Seeliundiffe, genees kttndiff e behandeling. \\ So
wie . . van yemene gheqnetst wordt, die sal selve
sine ersaterie afdoen ende sinen meester selve
loeuen van dies hi aen hem verdient heeft, Cor,
V. Antw. 72, 194. Swaerre was in gere stonde
die ersatre (1. ertatrie, cnratio vnlneris) dan die
wonde, Sp. 1% 42, 6.
ARSCAP. Zie Erscap.
ARSEDIE (aersedie, arcedie, eersadie,
ERSADIE), znw. vr. Mhd. arxdÜe, arzddte, mnd. artte-
die , arzedie , artedie. Afgeleid van een in H Mnl. niet
voorkomend Artaet: zie verder bij Arsatere. Arl-
senij , geneetmiddel. || Sal ve dijn oghen mit arsadjen ,
die den oghen toehoert, Hs. 76, /. n5d{Hs. N. T.
ItOr : mit eersadien). Alle de ghene (sondighen doot-
liken) die venijn ofaobbelstenenvercopen,heten waer
datmen dat venQn om arsedie vercoften, Samempr.
f. dSc {aang. bij Huyd. op St. 2, bl. 187). Een
tronwe vrient is een arsedie des levens , Maürte der
tonden , /. %ld{aangeh. ald.). Si had daer veel ar^edy
toe gedaen , Patt, S. 168a. Entie menschen gesont
doet wesen sonder ienege arcedie , 3ierl. 488. Arsedie
tegens die sonde, G. Troen 36^. Een heyl ende
een arsedie, 46^. Yerwervet den siecken arsedie,
%2c. Si halen spise, si snecken arsedie als die
wedehoppen soe langhe hent totter tijt toe, dat
haer olders sterven ofte ghesont werden, Bienb,
4Ab (Ned. Proza 294). Hier omme sal men sneken
arsedie, ald. 26a. Dan en is daer gheen stede der
aersedien of der beteringhe, ald. 102^. Dat onse
crancheit overmits den aertsedier (/. aertsedien)
dynre ontfarmherticheit staende blive, Geüjdeb. S.
71 b. Zoo ook Patt. S. 168a, vgl. O. H. W. 76 en
Stroph. Ged. bl. 168. — Ook in den zin van toover-
middel, lat. remedium. || Ie sal dy leren . ., hoe
dn salste werden ghemint sonder aersedye , sonder
cmut ende sonder enich bespreken ofte sonder
enige toverye, Bienb. 693.
ARSEDIËN (ersadyen), zw. ww. bedr. Mhd.
arzdlien , arzeÜen^ mnd. arttedien , arzedien , artedien.
Geneetkundig behandelen^ heelen. || Zom dede men daer
ersadyen mit reyner salven, D. War. 9,152,374.
ARSEDIERE (Arseoier), znw. m. Artt^ heel-
meetter. Verg. Arsadie en Arsater. || Ic ben . .
een arsedier van woerden, want wert yemant ghe-
qnetst in woerden , soe can ick daer goede medicine
toe doen, Patt. W. bib. Dat hi een arsedyer van
woerden hadde, bic. Aldusdane doet hevet ghe-
leden , die arsedierre (var. aerteter) des levens is ,
G. Groote 101.
ARSELEN. Zie Erselen.
ARSELMAENT. Zie Erselmaent.
ARSENIE (Arcenie), znw. yt. Arttenij ^ geneet-
middel of genezing. || Al was si (Maria Magdalena)
sundich, si sochter boete teghen ende arcenie of
meysterie, Brngm. 2, 329.
ARSETE , znw. m. Ohd. arzai, mhd. arsdl^artei,
by Kil. „Arts e, artset, arste.^* Medieut. Over
de afleiding zie by Arsater. Arlt^ genettAeer. ||
Dat men in den oversten hnse, daer dat hoeft des
oerdens es , arseten hebben na der macht des kau
ende der ghetale der zieker, 7>. Orde 217.
ARSOEN. Zie Artsoen.
ARST, voor HARST, hartt, braadtiuk, Sp. III»,
16, 61; 66, 30.
ARST, voor harst. Aart. || Dan doeter toe wit
arst 1 pont, was een vierendeel ponts, dit smelt
overeen. Jan Yp. 61.
ARSTE (erste) , znw. vr. ; wisselvormen vu
ratte y rette^ d. i. rutt. Zit ERSTE en YgL Tkêiffk
bl. 30.
ARTE (aerte, ARTE, art), znw. vr. Van lat.
art\ tv. art (La Cnrne 2, 199).
1) Kuntt, kunttvaardigheid. \\ Al snlc als die tri
bescrivet, kat. Bl. XIII, 13. Men maket (^iSfc^ms)
bi der aert, maer dat nes nie also waeit als dsl
die natnre bringhet, XIII, 67. Dat dedene art eade
niet natnre, ende dedene vliegen die locM dxrt,
Bote 6046. Om te verledene dien mnsaert müt
haerre bedriegeliker aert, Bote fr. 253, ^0.
Een valsch prophete . . ., die met siere qnader
aert vergaderde liede te hem waert, Sp. I*, 30,3.
Doe sendde hi bi qnader aert enen duvel in Ood-
dent, Sp. II*, 36, 4. Ghelnckes weynich is n?
verbaert van lieften ende van minlicaert, JfLiN^I,
163. Aert ende const van desen sanghe dat is dk
Heylighe Gheest, Rnnsbr. 4, 41. — Bi artei,
door middel van kttntt, kunttmatig. jj Alsmease
{die doren) danne ondede, ghinghen np die aadre
mede bi arten ende sonder mans hant, Rijmb. 11467.
Als die wynt by groter aert onder die bloeoLa
vaert, Troyen 6626. — Ook gevolgd van eca
2den nv., ter nadere aanwyzing der kunst, als: der
wapiné aert, de kuntt van wapenen ^ vmm. i^
hanteeren er van^ wapentpel; der minnen aert,
het minnetpel. \\ Van den reinen wiven, die der
wapenen aert aensagen , Brab. F. YI , 1 1904. Dte
wert oec ghespeelt der minnen aert. Wint. e. S. 17%
2) Kuntt y laetentchap] inzonderheid in het mt.
Ygl. Eng. matter, bachelor of art*. \\ Tan sien
scnerssen , dat si in staden staen denghenen bova
alre aert, die met evele sijn vers waert, ^. I*,
47 , 132. Yirgilius . . . , die vroet was van meagher
aert , Troyen f. 269 b. Dest Nero van menegher aert,
daer hi jonc geleert in waert , /S^. II ■ , 6 , 1. Daer si tir
scolen souden gaen ende hem in arten doen verstaea,
Rijmb. 20829. Hi moet een gramargn wesen e^
te minsten connen sine parten: dat is tbeghin vu
allen arten, Ltp. III, 16, 46. Nochtan hi emmff
leerende was goede arten ende screef ende las, ^
II •, 1, 17. Van dezer leere hont soe soole; b^
so worder vele in dole die van haren aerten lesea.
Praet 1134. Die wel hare aerten daer can spellen,
1463. Yan sulken aerten can ic haer taerten ts
pointe baken, 3490. — Gevolgd van een 2<»« nv-,
ter aanwijzing der bepaalde kunst of wetenschap, g
In die arte der scriftnren machmen cnnoLe een \R
ruren, Ltp. III, 14, 137. Al hadde een meester
ghestudeert, ende hi der scriftueren aert heeft^
Denkm. 3, 213, 19. Meester van der sterren aert,
Sp. II', 16, 4. — Die seven arten, die
(seven) arten liberale, de zeven vrije kwntiet^:
lat. artet liberalet, t. w. het TVivi»»! , b<»tajuide aü
grammatica, dialectica en rhetorica, en het Qm^in-
vium, nl. de mnsica, arithmetica, g^eometoi
en astronomia. Zie Dnc. 1, 416; MoU, Kertgetek
1, 369 vlgg.; Cramer, Getch. der ~
469
ARSE.
ARTI.
470
in VnUrr. 4—18 , en verflr. Ltp. UI , 14 , 08—104. ||
Tan yn aerten es hi clerc, Partk, 6706. Ie bem
vtn YII aerten yroet, Alex, III, 356. Alquinns . . .
die wQs in zeven orten was, Ltp, II, 48, 1199.
Gramaria ende Lo^ike, daer na Geometrie ende
Maaike, Arismetrike ende Astronomie ende die
heyli^he Theologie . . . , dit sgn die aerten liberale,
ni, 14, 67—101, vgL 13 vlgff. en IV, 7, 20.
Ende ; verstonden hen oec wale In die arten libe-
rale, Sp. 11^, 32, 7. Bese Felix eerst studerende
sat . . . in die arten liberale, 11^, 47, 6. Diese
jonc dede leeren wale in (Ue aerten lyberale,
n*, 3, 83. — Meester der. (in) arten, meestsr
w de vrije kunsten; Maaier ar Hum (eng, vuuier of
arts, II Alsic dan weder thns come, so bem ie
meester van der (den?) arten, Boerd. IX, 34. Ie
wil noch te Parijs drie jaer bliven ende werden
meester in aerten, so wil ie dan vier jaren wonen
te Moopelier ende werden daer meester in medi-
einen, ende so wil ie dan vQf jaer wonen te
Benoniën (Bologna) ende werden daer meester in
éie wet, Devoet ^. (36) 42 p.
3) Kunety iunêtyreep. || So dat die pape met
deser aert nten wiele verlost waert, I^anc. 8765.
Desa mach men qnalike vaen met engiene, met
ghere aert, Nai. BI, II, 3266. Also haddi hem
bewaert met weldoene alsonder aert, Sp, I', 73, 23.
— In het byzonder van bovennatuurlijke kunsten ,
tooperkunetj toovenhiddel, || Eene flgnere gemaect
bi aerten ende bi congnre (door Medea), Troyen 703
(tekst contten). Hare aerten (aldus te lezen voor
nertten) ende hare conjuramente (ooi» Ovrce\ 9628.
Aanm. — By Aert (2<i« art.) werd reeds opge-
merkt, dat Aert^ in den zin van behendige , slimme
of listige wQze van handelen, en Aert ^ y oor Aerte^
Jrt^ kunst, kunstgreep, in beteekenis meermalen
samenvallen, zoodat het soms moeiiyk te beslissen
▼alt , welk van beide woorden bedoeld wordt. Hoewel
het geslacht het kenmerkend onderscheid is, wordt
dit ook wel eens verward , en Arte , aert^ art, m. ge-
bruikt, waar niet anders dan het vr. arte bedoeld
kan zi|n. Zoo leest men : „Bese es meester in den aert
(of 1. aerten?) in looye oft in theologjen , Amand II ,
1916; n^^s^ '^^^ toeverare verstaet, diet met #tf /it^i»
itrfe yaet," Nat, BI. YI, 109 (bQ B.: „met selker
aerd^^'); „Daer wrocht Yenns den rechten aert,"
MLoep n, 403. „Ie wil de tafel gaen decken nae
den aert," Cl, v, PU^erw. 238. „Bat hi dien
aert entie crachte leeren mochte, die Phillip
dede,*^ 1^, V, 45, 34. — utf^r^, kunst, kunstgreep,
sal ook bedoeld s^n in de bedorven plaats der
Jiaf, BI, ni, 1920, die verbeterd aldus luidt:
„£iide visieren ende willen leren haren biechten
«alken aert, dat si niet en doghen ter vaert."
— In het gedicht Van den IX besten, 136, leest
men : „Julius Cesar , den vromen , vroet van sterren
ende Tan aerde^^ Ook hier zal men aerde moeten
Torklaren als arte, kunst, hoezeer «^^ in verbogen
vorm oêrts zou moeten zijn. — Omgekeerd vindt
men JAmb, Serm,, 138a, het vr. art, waar men veeleer
het ni. aert sou verwachten. || Alse hi nagotliker
art der engele spise was in himelrike, also ishi
worden ene spise der menschen na menscheliker
art in ortrike.
ABTETT , znw. vr. , voor Hartheit, Hardheid, \\
Siin Tleesch hevet arteyt groet. Nat, BI II, 3160.
ABT£TIKE, ARTENTIKE. Zie Arthritike.
ARTHBITIKE (artitike, aertitike, arte-
TIKE« ARTENTIKB, ARTIKE, ARTILTIKE), znW. vr.
Ver^. ARCENTIKE eu mlat prov. arteOea gutta (Buc.
1 , 420; Bayn. 2,129),vangr. a^^^»T»xij vógo^.
Jicht, inzonderheid voeteuvel, podagra. || Honden
scoen sgn sekerlike goet jeghen die arthritike , Nat,
BI. II, 774 var. Bit salve rike es goet jegen die
artitjke , n , 2919. Oec sal hiere hem mede bestriken,
die siec es van artitiken, YIII, 440. Bese gheneset
daertitike, ZII, 934. Hande ende voete hadde hi te
desen al vol van artitike , i^. II ■ , 86 , 12. Bie geweest
hadde vore die stont van artiltike so onsochte,
11^, 6 , 68. So was die heilege martelare van artentike
besiect so sware , dat hi en mochte gaen no staen ,
II*, 18, 181. Es hi cropel, blent of stom of van
den (/. der) artentikencrom,III^, 6, 44. Lankevel,
ghicht ende tisike , fistel , kanker ende artike , Bein,
II, 6389. Sulck wort lévens lyfs verderft mitter
gvchte, mitter artjcke, Hild. 49, 48. Nu bin ie
gnecomen te rusten tieghen minen danc mids
tfiederzine ende mit die artike, die mi quelden,
Ned. Proza 266. Al leidde hi seer die artgke oft
flederciin, Exc, Oron, 249d. Mids tfiederzine ende
mit die artike, Ned. Proza 266. Bisscop Tredene
(wert) cranck van artyoke ende sterf , Matth. .ina/.
3, 211. ~ Artike van Napels, renusgiekte,\\
Tr. Scamel Ghemeinte leifde in oncuuscheyt, . . .
ende noch zonde , ten dede ... Se. Wat dynghe ?
Tr, Bartycke van Napels, ZVl, Bijdr. 6, 331,121.
ARTICH. Zie ortich.
ABTICULE, znw. onz. Tan lat. artieulus. Punt ,
zaak, II Bj desen ende meer ander articulen de
liefde smelten sonde ende vergaen, Sacr, 1202.
ARTIKE. Zie Arthritike.
ABTILLEBIE (artelrie), znw. vr. Tan ofir.
artillerie (La Cume 2, 206); mlat. arA7/!iirkt (Buc.
1, 422), afgeleid van lat. ars, evenals ofr. engin,
mnl. engien, van lat. ingenium, met denzelfden over-
gang van beteekenis: zie Blez, Etgm, Wtb, 1, 36.
Werpgeschut, zoowel pQlen, hand- en voetbogen,
als later ook vuurwapenen, en andere werktuigen
en benoodigdheden voor artillerie en genie. ||
Hi sal noch voeruut hebben alle die artillerie,
hamasch ende weere, die nu is in myn poerte te
Ploych, Test, van 1402, in D. War, 6, 172. Be
poederen, de carren, de smeden, de spitters, de
aelvers ende waghenaers, ende alle de wercken,
diemen doet ter cause van der artillerie. ... Be
Prince mach hebben drie hondert monden van artil-
lerie , daer mede dat hy hem behelpen ende vechten
mach, sonder de haegbussen ende colueverynen ,*
Matth. Anal. 1, 316. Be jeghenrolle van allen
den costen . . . der artillerie, gelQc van boghen,
schichten , voetbogen , gescutten , stocken in de hand
van coorden, ende allen anderen noodtsaeckelicken
dinghen, 317. Bie hertoge dede vergaderen . . .
alle haer artelrie op eene plaetse, Exc. Cron.
223 b.
ARTILLEUR, znw. m. Zie het vorig art. Ofr.ar^A
Her (La Cume 1 , 207); mlat. artillator (Buc. 1 , 422).
Krijgsman , belast met het toezicht op het geschut en
tevens met de werkzaamheden der hedendaagsehe Genie,
II Ende es de artillier gestoffiert ende gamiert van
allen dinghen in sulcker wf|s , dat de Prince niet en
sorge omme te lydene de rivieren in corten ty t van
dusent voeten lanc, op dats van noode sy. Ende
maectse sterc ende styf omme te passeeme de meeste
bombaerde van al derwerelt, Matth. Anal, 1,318.
ARTISTE , znw. m. Van mlat. arOsta (Buc. 1 ,
423). Beoefenaar der vrije kunsten, der Artes libe-
rales; geleerde, \\ Bes philosophen listen bevele ie
den constighen artisten, MLoep I, 69.
ARTITIKE. ffle Artiiitike.
ARTLANT. Zie Aertlant.
ARTSC. Zie Ertsch.
471
ARTS,
ASAU.
472
* ARTSCEPSCEPE , verkeerde lezing, Velth.
VII, 27, 44. Zie Ertsbisscop.
ARTSCEBISSCOP (aertsce bisscop), znw. m.
Naar eene volksetymologie , die de waerde vaa AaTt4
niet kende en in verband bracht met Aerde. Aarts-
bisschop. II Artscebiscope, biscope, Z/a»<r. IV, 5182.
Meestre ende aertscebiscop met, Velth. VII, 27, 59.
Om dat hl van hem een aertsche bisscop geconsa-
creert sonde worden, Pass. W. f. Ibd. e. e. — Zie
verder Ertsbisscop en ardsbisscop.
ARTSCOEN. Zie Artsoen.
ARTSCH, bnw., voor aerdsch of^^<?^, aardsch.
♦ ARTSENEREN, zw. ww. bedr. Bedorven lezing
voor aet se meren, Orimb. II, 6613 (tekst: ge-
artseneert^ Var. geasemeert.) Zie op ACHEMEREN.
ARTSETRIE (artcetrie). Zie Arsaterie.
ARTSOEN (artson , aertsoen , arsoen ,
AERSOEN , ARCHOEN , ARDSOEN , ARTSCOEN,
ERSOEN, hersoen), znw. onz. Van ofr. ar^n (La
Cnrne 2, 130). Zadelboom ^ zadelboog. A.9,n den zsAel
waren twee bogen: dat artsoen vore, entach-
terste artsoen. || Meneghen stac men dar den
buuc metten glavien, dat die ponjoene nteqaamen
ten achtersten artsoene, Wal. 10632. üpt archoen
van den ghereide, 3694. Alse die coninginne thoeft
heeft versien an thersoen hangen, Laru:. Il, 1355.
Ende vorde an sijn arsoen nochtan eens ridders
hoeft hangende al bloet, II, 1668. Agraveyn nam
dat hoeft daer nare ende hinct an tersoen bi den
hare, II, 5771. Hi sloech darchoen vore ende dat
part mede al dore, II, 13395. Hi sat op een stare
swart part, ende hinc an sijn archoen ene haecse,
II, 17227. Hem ontsanc soe sijn bloet te handen,
dat hem sjjn swert viel nten handen, ende hilt
hem an dat artsoen voren, II, 20218. Alsi an die
artsone dede die hant, ende sineu voet in den
stegebant, ende waende hem lichten in sijn gereide ,
braken die daregarden beide, II, 44741. Deen stac
den anderen so onsote, daer si quamen te gemote,
dat haer arsone beide craken, III, 21771. Om sijn
bijl hiet hi oec lopen: men halet heme, ende hi
ginct knopen ane daertsoen van sinen gereide , Ferg.
487. Hi waerp hem voUec in dartsoene, 1106. Elc
sloech andren metten s warde van haren helmen
grote stncken, dat si op hare aertsoene bucken,
1872. Dat aersoen hi begreep, ende spranc op sonder
stegreep, 3793. Stegereep, deregarde no artscoen,
Lorr. II, 450. Hi onthilt hem met allen met crachten
voren an tarscoen, II, 756. Ende maecte int hooft
een grote wonde, soe dat hy nicte op sijn artsoen,
Grimb. II , 2660. Die darme lagen den baroen boven
up dardsoen, Belg. Mus. 2, 337, 77. Hi hadden
ghesleghen neder, en hadt ghedaen sijn aertsoen,
Limb. VII, 1292. Ene coorde so haddi ghecnocht
an sijn aersoen, die hi ontbant, O VI. Lied. en Ged.
242, 264. — Zie nog Lanc. II, 17242, 28646; IV,
6236; GHmb. II, 2501, 3468; Limb. II, 699; enz.
ARTWELP. Zie Aertwelp.
ARVACHTIG, ARVE, ARVELIJC, ARVEN,
ARVENESSE. Zie Erkachtich, Erve, Erflijc,
Erven, Ervenesse.
ARWETE, znw. vr., erwt. Zie Erwete. || Vitsen ,
bonen, arweten, ZFl. Bijdr. 5, 56 {a. 1252). Pilulen
liic arweten, Lanfr. 116r. Zoo ook O. R. v. Dordr.
2, 184.
AS. Zie Alse (l«»e en 2de art.)
ASAGE (aesage), znw. vr. Van het voorv. a,
dat hier ontkennende kracht heeft, en Sage^ van
seggen. Het woord asage is uit de verwante germ.
talen niet bekend, doch naast ohd. kóson^ loqui
staat dchosunga^ delirameutum (Graff4, 506); Mhd.
dkóseny albemes schwatzen ; en zoo kent het mhd.
ook dsprdcke en dsprachen^ wahnwitzige rede ea
wahnwitzig sprechen (Lexer 1, 101). Asage YtrWt^
tot avesage (Kil. en vgl. awech) , evenals een tot
heden niet gevonden mnl. znw. asprake tot het 1^
Kil. vermelde avespraecke heeft kannen worden. ïkt
Taalgids 6, 30. Beuzelpraat y sprookje. \\ Soni«
dichters die sijn , die asaghen ende tnrelaren dichta
van der avonturen , Teest. 1617. Hoe hebdi n beset
dat ghi die X ghebode niet en wet, ende ghi m
vele aesaghen vertrecken cont ende ghewaghei?
2548. — Zoo is ook misschien te lezen voor vraft,
Sp. IV', 29, 38: || Dit es al erande rris^^, dat ma
aldus goeden man met loghene prgs leget an.
ASAUT. Zie Assaüt.
ASCAUDEN, voor Aenscowoen. || Ie en miek
nemmermeer ascauden dat zalich ende minlic anseyi
ons Heeren, V. Maegd. 598.
ASCH, znw. vr. Esch^ de bekende boom. || Dimt.^,
215: fraxinus , tuek.
ASCHE. Zie Assche.
ASCHSOUT, znw. o. Kil. aschsont, 9al ëd»l-
teratum^friabih.Veroalsehtytpeekzout. || Aschzomdt
of clijnzondt off zondt van zondt, O. È, v. Dorir.
1, 279, 56.
ASDOREN, znw. m. Eschdoom. \\ Alse die asdom
bem ie verhoocht biden watren in den straten , Bs.
V. 1348, 220* (Vgl. Jes. Sgr. 24, 15 ; Vuig. : uipUls-
mts exaltata sum juxta aqnam ^n plateis).
A8ELGIËREN. Zie Assaelgiercn.
ASEMENT. Zie Aisement.
ASE^IEREN, ASE&IURE. Zie Achemebe?;,
ACHEMURE.
ASE. Zie OSE (d. i. Aoos.) Vgl. aksvat.
ASELEEREN zw. ww. bedr.; fv.assoler. GtUjk,
glady vlak maken. Pongens , Archéol. froÊ^.:
a 8 s o 1 e r , rendre égal an sol , de niveau avec k
sol, raser, aplanir. || Stenen . . wel gheanvei
ende gheaseleert, Invent v, Brugge Int. 402.
ASEN. Zie osen.
AS EN, zw. WW. onz. en bedr. Ysm Aes , ToedsA.
Mnd. asen.
Onz. — 1) ZieA voeden , vreten , zichiego^d d»e%,
op voedsel uitgaan ^ vooral van dieren (visschei.
vogels , enz.) || So welctijt dat hanghen den voghele
sijn hoeft ende oec sine vlogele, . . . ende hi welu
aset niet. Nat. BI. III, 1611. Nachts aest (Ar
paeldine)y V , 70. Ende die goede pladlsen opla»ft.
daer ghi selve mede aset, Èein. II, 215. OokÜAi.
I, 212 zal men 6f moeten lezen : w «^/r^ ; cl^y*: Doegb
daer ane hadt gheaset (vgl. TiJdseA, 1 , 6) , of n^
juister u veraset (vgl. ald. 2, 208).
2) Met aas visschen, \\ Om deser teelt wiUa
heeftet van outs recht . . . geweest , dat alle stac»-
luden mosten den cabbeljauwer al dat vercopa
dat sy vinghen, ende hem oirbairlic was mede to
azen, totter tijt dat sj aes genoech hadden. . ■
Dairom so wast weder recht, als die cabbeljaover
gheaest hadden ende in der zee waren , Matth. ld).
Bedr. — 1) Enen — , iemand vaeeUn^ r««rv»,
voedsel geven ^ vooral van dieren (visschen , vog^
enz.). II Ute dien watre neghen waerf assene t^
hem bedaerf , Nat. BI. III , 1699 (var. ae9eme , a»€ni\
Die hi {het mannetje^ aset ende voet sine sie ^relc t|ts
broet, III, 2161. Oec 8^nrejonghe,di6 uteTÜegha
. . . ende hem selven alleene asen, III, 2989. Dit
asense weder ende voeden tote si geplnmet moghêo
wesen, III, 3521. So prent hi dat hem es naest.
daer hi hem selven mede aest, V, 915. Zwadlt-
wen , die hen zelven vlieghende azen , Praet *±\1^
Die grijp sinen arm geprant, . . ende alsde siae
473
ASEË.
AÖIC.
474
jongen daer mede, Belg, Mut. 7, 445, 163. Om
die vogelen te azen ende te voeden, Felgrim 2b.
— Ook van menschen. || Met valschen geloeve
connen sise asen , ende dats al om ane hen trecken ,
/S^. II', 8, 130. Men sonde een sot mit bonen azen ,
hl en can gheen wiltbraet wel hantieren, Hild.
73, 30.
2) Iet — , ie^ aU voedsel geven. || Roept
hi oec te vele int huns , so nem eene vledermnus ,
ende gkestampt peper daer inne : dat ase , hi swighet
ten beghinne, Nal. BI. III, 1547. Cost om die
tfline (/. sijn?) verdwaest, hets verloren wat men
oest, Benkm, 3, 3, 41 {ald. bl. 400: samptas pro
iuyando prodigo perditus est).
3) Iet — , iets als voedsel gebruiken^ inslikken^
zwelgen. YgL ons op iets azen. \\ Als si swelghen
moghen ende asen die vette morseel ende die goede
spise, Bein. Il, 5050.
4) Van lokaas voorzien ^ vooral tot het vangen
van visschen. || Met desen woerme es datmenaest
die yghinne (var. hinghene) ende vische verdwaest ,
JNat. BI. VII , 1028. Om cabbeljanwe , ghecoft ende
ghesonten te Sceveninghe bi Janne van Diest , dair
thondert of coste eerst coeps 3 ® , ende dair omme
soe sontse him selven azen. Bek. d. Graf. 2, 168
(verg. 172).
ASERE, znw. m. Hij die (dieren) voedt ^ onder-
houdt {pi lokt?) II Een vogelaer of een azere van
vogelen. Pelgrim 2b.
ASICHDOEM (Aesdoem), -doniy znw. m., ofri.
aesgadoem (Richth. 612a). De oudere rechtsbedeeling
in een gedeelte van ons land , vooral in de Eriesche
gewesten, en niet Zuidelijker dan Maas en IJsel,
het tegenovergestelde van schependom^ dat vooral
in de Frankische gewesten voorkomt. Asichdom of
aesdom is de rechtspraak door den Atage {Asige^
Asege , Asinge ; zie Asige), d. i. toets- of rechtszegger ,
hij die uitspraak doet. By beide rechtsbedeelingen
is een schout, als vertegenwoordiger van den
graaf of van dengene, op wien het grafelijke gezag
is overgegaan, £e de terechtzitting leidt; in het
Aesdomsrecht wijzen de Buren vonnis, aan wier
hoofd de Asige staat, die het vonnis voorstelt. Aller-
lei misbruiken leidden er toe dat men aan het
schepenrecht (d. i. de rechtbedeeling naar Zeeuwsch
of Frankisch recht) de voorkeur begon te geven,
en het aesdomrecht eindel^k geheel werd afgeschaft.
Onder Karel Y was er nog een Asega in Rijnland.
Zie Grimm, B. A. 781; Noordewier 360 vlg. ; Richth.
609 vlg.; De Groot, Inl. II § 28 ; Oudenh. Z. i/i?//.
^Iö8 vlgg., vooral 461; Lams 136—139 en Ndl.
Wdb. op Aasdom. Het onderscheid tusschen aasdom-
recht en schepenrecht komt vooral scherp uit by
het recht van successie: het eerste huldigde
den regel: „het naaste bloed beurt het goed",
het tweede: „het goed gaat daar het van daan
komt." II Welck kint mach betelen vaders arffenisse
alleen by twieer manne tale unde by azage doeme ,
IPro £xcol. 6, 703. Is voirts mede geordonneert ,
dat broeders ende susters van een halve bedden
fi^el^ckelicken succederen ende erven sullen mit
hoeren broeders ende susters van den vollen bedde
. . . in alle die roerende goederen, waer die oick
^eleeg^en zQu , ende oick in onroerende goeden , leg-
gende in aesdomme; maer onroerende goeden leg-
g^ende in scependomme sullen alleen besterven ander
Eijde vandaen de selve gecommen zQn, K. enO.v.
'JDelft 131 , 9. In alle goeden liggende in aesdomme ,
ald. 7. In alle die goeden . . , zoe wel liggende in
aesdomme en scependomme, 133, 14. Zie verder
art^. 7 — 14. — Aesdom en Asichdoem komen ook
evenals Schependom voor in den zin van het gebied ^
waar aasdomsreeht {of schependomsrecht) geldt. — Zoo
werd een deel van Amstelland, t. w. Ouderamstel en
Nieuweramstel Asichdoem geheeten (Mieris 3 , 473 a ,
d; 4, 254 a; 640 a) In Maart 1388 zijn daar de
asigen door schepenen vervangen {ald. 3, 486d.)
Doch de landstreek behield den naam naar de oude
instelling. Nog heden onderscheidt men Abcoude
Proostdij en Abcoude Aas dom.
ASICHDOMSC (Aesdomsc), bnw. — Vooral in
de uitdr. aesdomsc recht, recht^ zooaU de
asega toij*t\ recht, dat geldt in het gebied, waarde
asega bij de rechtspraak eene rol speelt. Zie het
vorige Art. || Dat alle goeden, leggende binnen
die vrjheit der stede van Delft . . erven ende
besterven sullen nae aesdomssche rechte ende
an den naesten vanden bloode, sonder anscouw te
nemen van waen de selve goeden gecommen zijn,
K. en O. V. Delft 131, 7. Aesdomsrecht, ook
Oudenh. Z. Holl. 458 vlgg. passim. Te landrecht
van Rijnland, dats te verstaen tote aesdomschen
recht. Mieris 2, 374 3 («. 1326). Vgl. ald. „tote
Aesdomich recht", dat dezelfde beteekenis heeft.
— Aesdomsce goederen, goederen, die volgens
asegarecht ver erven. || Dat gheen kintskinderen sullen
moegen . . eyschen van die aesdomssche goeden,
K. en O. V. Delft 131 , 10.
ASIEN (Aasien), misschien hetzelfde woord als
lat. Asianus, een Aziaat. || Malcus ginc op ende
neder in die port horen ende sien, onkint (1. ontkint
d. i. onkenbaar gtmaaki) als een aasien, Sp. II',
21, 28. In de uitgave is Aasien met een kapitale
A gedrukt in de veronderstelling , dat Utenbroeke
wilde zeggen: een bedelaar in Aziatisch gewaaS.
Yinc : „quotiens intrabat urbem , figura se et habitu
mendici vestiebat.^'
ASIGE (Asege , Asvge , Asinge), znw. m. ; ofri.
asega , asiga , asga ; os. éosago; ohd. éasagdri, éwgo ;
mnd. asige, asege, asge. Hij die in het aasdoms-
recht het vonnis wijst. Zie verder ASICHDOEM ende
daar aangeh. schrijvers en voor het ofri. tal van
voorbeelden b^j Richth. 609 vlgg. || Scepenenende
scouten, aysigen ende vronen. Mieris 2, 683a, b
{a. 1344). Wallgeboren mannen, scepenen, azigen
ende gezworen, 4, 644a {a. 1422; de spelling
asing komt reeds voor in 1388 ; (Mieris 3 , 4866).
Wy scout, azing, ende geburen, Oudenh. Z.Holl.
461. Yoert dat de azygen wyzen souden in Kenne-
merlandt, dat sullen die schepenen wvsen in al-
sulcken recht als die azygen wysen souden. Mieris
1, 5356 {a. 1292; Lams 2 en 42; Oorkb.2, 375a
(azeghe, azighen). Dat die azighe wysen souden in
Yrieslant , dat sullen die scepene wysen in alsulken
recht als die azige wysen souden , Mieris 2 , 90a (a.
1310). Yerwandelinge der azygen in schepenen (in
Kennemerland) , 4, 8316. (a. 1415). Ygl. de resolutie
der St. van Holland van 9 Oct. 1577 (bij Yan Loon,
Aloude Eeg. van Holland 4, 180): „De Staten van
HoUandt ende Zeelant hebben geresolveert ende
verclaert, dat voortaen binnen aUe dorpen in den
quartieren vau Rynlant gelegen den azingen sal
cesseren ende dat mitsdien binnen den selven dorpen
mit gene azingen , mer mit schepenen , als in
Kennemerland, gedongen . . sal worden. — De
samenst. asichboec, aesboec, sch^nt mnl.
niet voor te komen. Ygl. ofri. as e (k) bok en mul.
asige-, asing-, asge-, aesbdk, richterbuch,
gesetzbuch.
ASIMENT. Zie Aisement.
ASINGE. Zie Asige.
ASCOÜTEN, ASCOÜTER. Zie Acouten,
475
ASOY.
Assa:
476
ASOT (AZOYf azoet), snw., Auaois in het
liertogdom Bonrgondië. — Als benaming tan een
in de Middeleenwen geliefden wQn; mnd. tuoe,
Msoye, II Een deel proYiancy van wynen, Tan bier
ende asoj, Oorl, v. Albr, 137. Acoey, malTeseje,
221. Om wf|n van Axoey mede te copen , 219. Wtjn
yan azoej, ypocraa, 222. Soe wie petauwen tapt
of asoyen, en aal geen rinssche wQnen mogen
tappen, Wielant, Inttr. 177, 14. Wine van azoyen,
Invent. r. Brugge 4, 439. Ygl. AOOY en Lubben
1, 134 en de daar aangeb. acnryvers.
ASPIS, znw. m. Adder ^ lat. atpi9\ Nat, Bl.Tl,
97, 126, 447; XII, 696. — Ook Aspendier
feheeten, iasilisi, || Wi leien ooc yan den aspen-
iere , dat draecht so groot yergiffenisae in ijn hoyet,
dattet menicb dier des lives berovet, aangek,
Germmiia 2, 172,
ASSAELGIEKEN (assailoieren , assaloie-
REN, ASSELOIEREN, ASSALLIEREN , ASSELLIEREN,
ook ESSELOiEREN {Ltmc. II, 83916), zv. WW. bedr.
Mlat. adgalirey atMalke^ ofr, attaliry asêaillir, fr.
MuUllir. Ygl. ASSAUT. Bespringen, aanvailen.
d) Bespringen, bestormen, eene vesting; ook by
nitbr. een land. || Bns beeft Otte die coninc saen
Aken die goede stat bestaen ende assalgierde die
porte mede, Lorr, If 627. Dat die van Grimbergen
Nettelaer asselgierén wonden ende breken, Orimi,
I, 3293. Ene stat a., Orimb. II, 986; Ferg,
4202; Umö. VII, 196, 969; XII, 61; Larr. I,
022. Die porten «., limb, Y, 366, 1463; YII,
1023; XII, 66. Den casteel 0., Yeltb. Y, 31, 9;
Base 9691. Ene borch «., Grimb, I, 3181;
Heeln 7807. Dlant «., aantasten, Yeltb. Y , 39 , 24.
Dat conincrike a,, jUmb, YII, 1663. Asselgeren
ende anestriden, Heeln 3168. A. ende bestriden,
Idmb. Y, 360. A, ende besonken , YII , 166. ^. ende
winnen, YII, 108. Die litsen asselgierén, Orimb,
II, 494.
b) Aantasten, aanvallen, een persoon. || Den
swarten ghinc bi asselgierén bitterlike in snlker
maniere oft hine in die aerde sonde maetsen , Wal,
9901. Dat si op bem waren comen ende dat sine
asselgierden dan, Lane, II, 18691. Die badde
gesijn van den viant in die roetse geassalgirt sere,
III, 8190. Yan den engienen, £iermenne mede
assalgierde in meneger stede, lY, 10301. Die wi
dan selen met onminnen assaellieren in allen
sinnen, Cass. 627. Het schijnt si selen ons assail-
gieren hier in onse proper rike , Lsp. II , 36 , 1771. -^
Zie nog Lane, lY, 6710; Partk. 7046; Vl. Bijmk,
3224; eng, — Om een dat sire {de toolvin) hebben
wilt, sal siere {schapen) hondert op een velt lopen
np ende assallieren, Rosé 12471. Beinicheit die
vronwe vercoren wart dicke van onbescedenen
sotten geasselUert met pinen groet, 2912. — Ook
met eene saak als snbj. || Nn sal mi weder . .
beven ende snchten assaelgieren , 3793. Alse {haar,
de vrottw) ontheit assellieren sal, 12383.
e) Bespringen, een vronwelgk dier. || (De hengst)
salse alle {de merries) willen aneverden ende ane-
springen {Ès, C) ende assellieren, Bose 12862.
A88AYE (assat, asseye) , znw. vr. Yan ofr,assai
Hja Cnme 2 , 226) ; mlat assaia , verg. assagium (Dac.
1, 436). Keur, van goud, zilver, enz. Kog heden
als knstterm bg goudsmeden in gebmik. || Om een
assay te doene van den nieuwen corten {eene munt),
Invent. v, Brugge 6, 612. Ene mare sulvers, de
men doet werken, de en sel nyet meer laken dan
ses coninx enghelsche, te houden nader ouder assaye ,
B. V. TJtr, 1, 22, 40. Dat wQ soelen doen slaen twe
Jileine penninghe op dye selve asseye daer dye
voerscr. grote op staen sal, Ni|h. 3, 98. Die
voirscr. penninge in een busse werpen om aastje
ende proeve daerof te doen, O. B, ». Dordr.%,ifè.
Sonder enich ander assay of proeve, ald. Zie nog
Bek, V. Oent 2, 71 driemaal; enz,
ASSAYER, snw. m. Yan assay, zie ald. Ss-
sayeur. || Onse assayer onser munten ymnHollait,
Zwijndr. W. 84.
AS8AYEBBK, zw. ww. bedr. Oinsd en tihtr
(vooral geld) keuren. \\ Guldenen die gheaasiieit
waren, Invent, v. Brugge 6, 384.
ASSAÜT (asaut), znw. onz. Yan fr. assaui^ mlit
adsaltus , assaltus. Aanval , besiorwnng. \\ Ende dadei
op Roelande daer een assaut fel ende swaer. Boel.
1 , 227. Si trocken doe bat achterward , ende lietea
dassant staen metter vard, iMne. lY, 8307. Ene
hoge torre stont ane deen ende , hine ontsiet aasail
no meswende, Ferg. 277. Dat assaut was harde
groet, Ben, 1762. Dat asaut lieten si staen ende
togen te haren tenten wart, Cass. 1174. Ende dede
tfolc ten assaute varen, Alex. I, 971. En haddc
Yenus dasaut begonnen, die borch sine ware niet
gewonnen, Bose 3699. Daer wert ghenomen ende
gereven in dat assaut menich slach, Grime. TL,
668. In assaute versaghen. Vod, Mus. 1, 364, 9L
— Zie nog Zane, II, 32799; lY , 8296; «iv. — Dfti
assaut van minnen, Bose 12874, het venmogen em
conquétes te maken, — Oiguist is het mv. assmsdem^
Bose 10269 (:ribauden). — Enen assaut does,
iemand aanvallen, bestormen. || Grote serge ....
die hen dagelfjcs doet asaut, Bose 6080. — Dit
assaut roepen, het teeken tot den amsmdyedea,
t. w. door herauten. || Men dede roepen dat assait.
Ferg. 4211.
ASSCE (asche), inw. vr. ; ook in het kt.
ASSCHEN, als lat. cineres {Sp. III*, 43, 36; Altr.
Y, 991, enz.). Het oorspr. mv. assehen, dat sobs
ook als enkv. voorkomt (dat auehene\ g«n. pL
assehenen) is thans nog in Ylaanderen gewoon (Di
Bo 60) , vlg. eng. ashes. Zie verder b^ Asschelex-
WOENSDACH. Mnd. asche. Aseh; bg nitlireidiif
stof, II Daniel warp al omtrent conde asscha
up ghent paviment, Bijmi. 17037. Dgn lichan
es sterfelike ende sal al in assehen keren, Wreh
III, 2362. Entie asscen souden wi met om
voeren, Limb. YII, 1481. O mensee broesck, w
asscen comen, Yeltb. YII, 16, 11. Haer hoeft...
bestroyde soe met asscen, Sp, I', 49, 22. Bat sic
dasschen woch dade , ald. 37. (Dat lant) wart assecs.
I*, 17, 22. In asschene ende in hare bedect,ni*.
40, 74. Assehen, ghemul ende eene hare, III*, 7.
94. Asscen wart sfn eerste gerechte, III*, 43, 29.
Ander cockine, die in die assehen lig^gnm «aéi
braden. Wint, e. Som. 330. Ghi hebt mi d<w
sitten bi tfler in die assehen fhel^c dear hinscB.
334; verf. 339. Wat wiltstu oQ dan rerhoevBcr
dighen, die eerde ende assehen biste, JS^n». ^.
11b, Die vruchten . . zjjn binnen ynl asschenei,
Proza-Sjp. 19 b, —Ook met het lidw. ene^ g«lSktf
andere stofnamen, ter aanwgzing van een deeldiff
stof. Zie by Een. || Hi wart al vamloes saen e^
recht als ene asche gedaen , Lane. n, 30936. — Di<
assche ontfaen, het teeken des kruisam met ge-
zegende aseh en wijwater op het voorhoofd fmfrgwjm.
welke plechtigheid op den Aschdag, bg den aaaraif
der groote vasten plaats had , ter herinnering, èü
de mensch stof is en tot stof zal wederkeerea. £*
Duc. 2, 366, op Cinis; lioU , Kerkge9cJk, 2*,«ll
II Doe die Inde die assehen ontflngen, ende dir
vasten aenghinghen, Serv. I, 1627. — Iet ii
dassche slaen, iets tot niet doen
47^
ASSC.
ASSE.
478
ipUlen^ vergooien, \\ Die dwasen mitter hant ho«r
ghewin in dassche sloeghen, Hild. 162, 210. —
Tasschen ente stove maken, ^^ êtqf en
oteA maken ^ geheel vernietigen^ Sp, 1% 24, 49. —
Taschenvergaen, Chriet 418. — Tasschen
maken, in de atch leggen^ Sp. I', 44, 5 (aldus
te lezen). — Bij uitbreiding yoor vuilnis, vuiL \\
Ghel^'c dattu die siele gewasschen heefs van allen
vuelen asschen, Sp. 11% 22, 204. — Ook in den
zin van PoiaeeA: || .Een vat.asschen vercochtomme
ghelt II d. Neware yermanghelt men asschen om
ander goet', elc goet es sculdich sine ghesette
toolne, Zri. Bijdr. 6, 68, verg. 76.
ASSCHEL(EN)WOENSDACH (Asscheler-
WOENSDAG, ASSCEWOENSDACH (i&. P. 1348, 69c)),
snw. m. Verg. hd. atchermittwoche (Grimm Wtb. 1 ,
1686). Evenals in het Hd. naast atcAe de vorm ascher
bestaat, die reeds in het Mhd. in de samenstellingen
euekervm' en atehertnoche voorkomt, heeft het
Ylaamsch nog den vorm auchen naast aesche (lie As-
sche). UiiJsêeAene en IFoensdacA ontstond de samen- •
stelling aescAenenwoentdacA, en met wisseling van n
en /: attehelenwoensdaeh: yerg. vasielavond naast
vastenavond. Aschdag , mnd. ascAedag, de eerête
Woensdag in de Qroote Vasten vóór PaseAen, de
groote boetedag, waarop de geloovigen zich het
voorhoofd deden kruisen met gewijde asch , Lat. dies
emerum. Zie Beinsberg-Düringsfeld , Calendrier
Beige 1 , 133. || Upten Asschelenwoensdach Tromp-
kin gesent aen alle mgns heren rade ende steden,
Oorl, V. Albr. 394. Upten asscheler woensdach.
Rek. d. Qr. 3, 166. In den eersten als in den
asschel woensdach, hoerde die deerne Christi den
Boeten doctoer, Ned. Proza 316. Opten aschel-
woensdach , dat was die zestiende dach in Febmario
(1390), Niih. 3 , 162. Zoo ook Hêk. v. Zeel. 2 , 393 e. e.
ASSCEBADE (?) i| Rou linen garen gesteken
in ene warme asscerade ende dat geleit op die
pine also heet als hyt mach gedogen, Bs.Y^.^ld.
ASSCHEVIJSTERE , znw. m. Van AsscAe en
Wijstere y van vasten, blazen. Bg Kil. „Asch-
Tgster, ciniflo, cinerarius ,^^ en nog in Vlaanderen
gebmikeigk (De Bo 60). AsseAepoester , by uit-
breiding, iemand, met Aet geringste loerk belast. \\
Asscbevgstere ende ketelboetere si hebben di wel
gedaen. Pass. W. 645.
ASSCHICH, bnw. — 1) AscAileurig, ascAgrauw.
ygh AEXGRAU. II Galactides is een steen van as-
schig-er verwen ende zuet in den smake, BartAol. 666a.
2> AscAacAüg. \\ Si hevet ghenoechte in droegher
aerden, daert stejnich ende asschich is, ende si
-wil mitter asschen ghevoedet worden , want alsmen
die mte sayet, soe salmen daer asschen onder
men^hen, ald. 671a.
Afl.— Asschicheit. Z. dat woord. Ook As-
acbinffe in dezelfde beteekenis, ald. 89 5.
ASSCHICHEIT, -ede, znw. vr. Van AsseAe.
jiscAiuAtigAeid , Aet vergaan tot ascA door ver-
bretnding. \\ Die onnatuerlike melancolie en is niet
na der manieren van ypostasis of enige neder-
ninklnghe of sittinge der heffen, mer na der manieren
der Terbamtheit ende der a8Schicheit,^ar//lo/. 89^.
Si vrert slecht tot aschen, ende uut dier asschinge,
lie de natuerlike humoer ven^ndet die humoer
wort alre quaetste voertghebracht, 895.
AJ3SE, znw. vr. As van den toagen, waarop de
^us geplaatst werd. Vgl. Kil.; van lat. axis. \\ An
j0«r^rerc toten bossen, an bouten, assen ende
ïande, Oorl. v. Albr. 433.
A.SSEL (assele), znw. vr. Mnd. assel\ ohd.
; ags. eaxl (Ettm. b)\\9X.axilla\ois.aisselle.
„Asle out scAuldere, hnmerus*', Foe. JBng, Het
tegenwoordige Oksel, doch dit heeft de gew^zigde
opvatting van de Aolte onder den arm. Over de
afleiding zie Ned. Wdb. op oksel.
1) ScAouder. \\ Ende hief Mimminge alsoe heet,
dat te dien slaghe sneet ende geraecten op dassel
ter cure, lamb. IV, 1807. Haer dat op des esels
assele staet, Nat. BI. XII, 379. Bat de mensce
ziec begint te werdene omtrent den hals entie
asselen, Hs. Yp. 23c. Si gaen danne ocht si keren
dassel darwart ocht si antwerden iet anders , Limb.
Serm. 210d. Vgl. ook Ansel. — Nog heden heet
een gedeelte van een hemd by naaisters ^tf» assel*
doekje.
2) rieugelAolte bij Aet lijf, van vogels. || Onder
die vloghel saltu mede sgn assele salven ter selver
stede. Nat. BI. III, 1661.
ASSELGIEBEN, ASSELIEREN, ASSELLIE-
REN. Zie assaelgieren.
ASSENEBEN, zw. ww. bedr. Van ofr. assener
(La Curne 2, 261), mlat. assignare (Duc 1, 447).
Aanwijzing tot betaling geven; in het pass. ze ont'
vangen, \\ Van verliese van paimenten , dat de stede
verloes an payement dat ghedaen es minen here
Symoene van Hale, die der stede sQn geit leende
flprine te 13 gr. ende scilde te 18 gr., ende
weder ontflnc te 18| gr. van den pach^ren daer
hi ave geassenert was, 162 ü 13, s. 4 d., Eek.
V. Gent 1, 338. Van sinen pensioene yassenert
(= geassenert) up die tolne van den Damme , Inoent
V, Brugge, Int. 272.
ASSISE (assijs, assisse, aszijs, assijns,
ASIJNS), znw. vr. Van ofr. assise, accise (La Curne
1, 41); prov. asiza (Ravn. 6, 220); mlat. assisa ,
assisia (Duc 1, 448). Assise is eigenlek het verl.
deelw. van ofr. assire, lat. adsidere, enbeteekent
iets dat gesteld is, zoowel stand, toestand, ids
laag, en ook eene (in)gezette , vastgestelde zaak,
inzetting; by uitbreiding: lo een vastgestelde ge-
recAtsdag, tereeAtzitting ; 2^ het daar genomen be-
sluit', 3** bepaling of verordening omtrent de prijzen
enz. der levensmiddelen en de daarvan te heffen
belasting; 49 die belasting zelve. Zie Diez, Efym.
Wtb. 2, 208; Duc 1, 448; Littré 1, 218, doch
verg. 30.
1) ScAatüng, belasting, accijns ; inzonderheid op
verschillende levensmiddelen. De accgnzen werden
voorheen bg opbod verpacht of verkocht. Zie Kluit,
QeseA. d. Holl. Staatsr. 4, 160 ; Noordewier, Ned. JB. O.
107; Nijh. 1, 221; ZVl. Bijdr. 4, 10 vlgg. De
schrijfwyze accijns is ontstaan door dat men aan
het lat. census dacht ; men verklaarde dan onbewust
accijns als ontstaan uit een lat. aecensus of exeensus.
Accisia staat reeds hij Duc. 1, 46. Kil. schrift
, nog assijse. Vgl. VERASSISEN. jj Scepenen in eheen-
' der wisen en selen copen gheen assysen ende die
setten ende bestaden voert, Wrake I, 982. Nuwe
assisen ende scalke ocketten op tfolc viseren ende
insetten , N. Boet. 616. Hi verlicht tolle ende assisen,
Limb. X , 873. Openbaerlijc roepende in deser wisen :
„ Alle tolle af ende assisen ! " meinende hier met meer
ende men tonnoosel volc te treckene aan hen , ^ra5.
T. Vn, 12669. Hoe vinden wy dit ghelach, laets
peynsen, om dassysen te weirene, Ned. KlucAtsp,
90, 18. Voert soe dunket ons redelike wesen dat
die stat op hem zelven ende op haer goet asz^s
stellen moghen, Oorkb. 2, 407 5 (a. 1294). Voert
van comenscap die die goede lude van den lande
copen ofte overcopen, alse van paerden ofte van
vee, ofte van come . . . daer en zullen zy neghene
asziis af gheven, en si bi den bisscop, 408«,
479
ASSE.
ASSI.
480
Yoert 80 ne mach niemen wijn drincken binnen
sijn huns noch vercopen, hlne moet assise gheven ,
sonder wi ende die van Pitchenborch , die moghene
selve drinken sonder assise te gheven, ende niet
vercopen, sine moeten assisse gheven , ghelyc poer-
tren , Brab. T. Dl. 1 , bl. 698 (ö. 1301). Voert wilwi ,
dat ons schepen van Zautbomel zetten moghen assyse
ende koren tot horre stat behoef, Nijh. 1, 221 {a.
1327). Betalen ende ophoeren alsnlke assise ende geit
als hier nae . . . volget , 3 , 283. Metgaders allen den
oosten die zy omme dese zake ghedaen hebben van
den pachters van haren assisse, ZVl. Bijdr. 2,
346 \a 1341). Ter voordernesse van der stede,
want dassysen daermede beteren, mids dat omme
de . . . processie te ziene vele personen op dien
dach hier commen, Vad. Mm. 6, 26 (a. 1422).
Ende heeft gebrouwen dit jaer XIII bieren , daer
hi af sculdich was van assise van eiken biere II
gulden, 2, 323 {a. 1442). Vort betoghet die meente ,
dat noit ne was so swaer assise als nu es, CotU,
V. Bnigge 1 , 233. £lc vremd man , die wine wilt
tappen binnen Antwerpen, sal tappen moghen op
sine assise, Cout. v. Antw. 1, 18, 60. Van dat
hi dassise achterwaerde up de halle eerse vercocht
{verpacht) was , Invent v. Brugge 3 , 165. De wyn-
assise dede de stede gaderen, mits dat menseniet
wel vercoopen mochte ten oorbore ende proftte van
der stede, ald. 4, 42 {Zie de aant QuXosa. ald.).\)?X
in der selver stadt noch in eenyger plaetsen der
vriheit assyse oft gabellen genoemt op dy copen oft
vercopen by ons oft yemant onser in eenygher
manyeren voortaen ontfanghen noch doen heyschen ,
sonder volcomen macht . . . onser twee heren,
Geyf. V. St. Truyen I, 6. Alle ordinancien . . . van
der stede goeden ende asynsen te houden in alre
manieren als der stede kuerboeck ende tregister
van der stede goede , d^ir men uy t verhuyert , be-
grepen heeft, O. K. v. Batt, 14, 12. Ende men zal
gheven zulken assijnse alst register houdt, 36,
106. Vgl. nog V. d. Wall 304—308 en Lett.
W.^N.B.7, 161 — 169 en de daar aangeh. schrijvers.
— Clene of smale assisen, kleine accyruen^
in tegenstelling van de groote accijnsen op w^jn
en bier. Zie ZFl. Bijdr. 4, 8; 10; 13 vlgg. ||
Ander ontfanc van der vors. stede goede, dats te
weten van den smalen assizen, dewelke vercocht
hebben gheziin een jaer ghedurende .... van
den meelassize, . . . van der ysuwe, . . . van der
scroderye , . . . van den rechte van der maerct , . . .
van der cauchiede, . . . van den rechte van der
eire , . . . van der corenmate , /. a. pi. 13.
2) Waarschijnlijk komt Msi^e ook voor in den
zin van rechtsgebied, ban, waarin de assisen geldig
waren: verg. Assisia, Assiagium en Assisiatus {Duc.
1, 461 en 444), en in H algemeen in dien van
gebied, territoor. In het Prov. had asiza de alge-
meene beteekenis van stand, toestand, gesteldheid,
als fr. assiette (Rayn. 6, 220). In dien zin schijnt
het te moeten worden opgevat in de uitdrukking:
in iemans assise staen, op iemands gebied
staan , op zijn territoor komen , zijne plaats innemen,
in iemands rechten treden. In den Éinclus zegt de
verhaler Gielijs van Molhem, dat zijn naam bij dien
van den Franschen dichter, Ie Beelus de Moliens
voegt , en drukt zich aldus uit (vs. 9 vlgg.) : Bi
namen wi voegen in ene wise: Molhem, Molinens,
hiers geene were ; niet dat den goeden man gedere,
dat selc dwaes steet in sine assise, d. i. j^dnt een
dwaas op zijn territoor komt; zich zijne rechten
oanTnatigf^ (vgl. vs. 13 — 16).
3) Evenals fr. assise do beteekenis van laag
heeft, en laag een rij is van ' op ellbiiider volgende
voorwerpen of stoffen (bij Kil. „Laeghe, orit,
series, striga, digestio), zoo zal ook. mm. assise in
zin hebben van streep, stroqf^ op een kleed. || Hi
quam al bloot in deser wisen in enen roe met
assisen van twee gruenen, Brab. T. YII, 749,
d. i. in een rok van twee kleuren van groen, beurte-
lings een strook o/ baan licht- en donkergroen.
ASSISENARE (assysenere), znw. m. Tai
Assise. Be pachter der accijnsen , de persoon èelati
met het innen er van. Kil. „Assgsibeester,
assysener, publieanus , redemptor canomÊm , oil*-
tionum et tributorum. || Wie anders dade dat hj
tgoet verbuert hadde. Ende soe wat assysenm
hier af ieman verdroege, dat hgt selve gheldci
sonde. . . Ende hier af mach men der assyseneera
eedt nemen alsoe dicke als men wilt, Belg. Mwt.
7, 806 {a. 1360).
ASSOMMEREN, zw. ww. bedr. Hetzelfde ak
sommeeren. Oproepen , opeischen , zoowel een persoot
als eene zaak. || Omme te assomeime den herto^ke,
Invent. v. Brugge 3, 467. Omme te assommeine
ende te versoukene een overal restitutie, 526.
ASSUERE (AssuER), znw. m., verbasterde vont
voor essuerre of issuerre, hetzelfde als issuemeesiet.
de heffer en beheerder van het recht van exme d
issue (z. ald.), d. i. pontgeld. De atsuers wordes
vermeld Oesch. v. Antw. 2, 642.
♦ ASSÜVELEREN. Verkeerde lezing voor assi-
mileren, Velth. VII, 32, 41; v. lat m-
milare. Gelijk maken. || Aldus salie in dese lieée
mijn teken ende al mine bediede assuvelerea ii
assimileren), gelgc oft van Grode algader quaae
mine gebode; lat. „Sic in hominibus istis sigai
mea omnipotenti Deo assimilabo.^* Vgl. Tiiéscir,
1, 297.
AST, znw. m. Mhd. , hd. ast. Tai, dsearsbêH
van het kruis. || Wanneer ie mijn lief verliese . ..
so mach icken weder vinden al aen des cmses at
Die minne heeft hem ghebonden die heilig-he haade
sijn al aen des cruces aste mit plompen naghdk^
Hor. Belg. 10, 187, 16 en 17. Op des cmöesssit
daer bloeyet die rode wjjn, 204, 2.
AST, znw. m. Best, oven tot het drogen iw
mout, enz., droogoven. Bij Kil. „Ast, est,wfrHs.
concameratus fomax.^"* || Dat nimene meede dn)gto
ne moet in stoven no up asten, Cout. v. Brugge \,
361 , 34. Daste daermen mout op droeg'lit , die a
sal niet moghen staen op enen solre. £Dde ^^
salmen decken boven met enen solre van l^»e.
so dat hi broeder sy aen elc zide dan dieaatesa
voet. . . Ende wanneer dat vier in daste ocHte 'tl
den oven es , salmen setten ene cupe • . met watt
daer bl, Cout. v. Antw. 1, 22, 69. Aerbeiders £<
de twee vieren maecten up de maerct ende tbb èa.
tween asten te halene, Invent. v. Brugge 5> 57&
ASTROMIJN. Zie Astronomun.
ASTRONOMIE , znw. vr. Lat. astronomU, '
1) Sterrekunde. || Die lenten oec ende ij
astronomie gaen in daer, Natuurk. 1031.
2) Ook in den zin van ons astrologie:
wichelarij, tooverkunst. \\ Ende oec es dit wA
gokelien binnen, gemaect ende met astronoBÜei.
Lanc. II, 39693. Dattie coninc Nectanabns s^
meester daer af sonde wesen ende hem Tan a^rt-
nomien lesen , Alex. 1 , 374.
ASTRONIJM, ASTRONIMIJN, ASTRONO-
MIEN. Zie Astronomun.
ASTRONOMIJN (astronomien , astronihij5.
ASTROMIJN, ASTRONIJM), znw. m. Van ofr. m^rt-
nomien (La Cume 2, 287). Stgrreiundige , sierft»-
481
AÖTR.
Atma.
isi
wieJiélaar. \\ Een astronomien, die in die starren
conde sien, SeffA. 79-; vgl. 84, 89, 92, 163, 272.
Hl riep die wgste meester daer, (üemen hiet
astronomiene , Jleje.^UI, 1212. Die alre beste
astronomien , III, 1219. So groten astronomijn,
dat hi vele propheteerde ende den volke wijsheit
leerde, Lsp. lY, 1, 4. Dat waer voreseggen astro-
nomiene, comt wel bi des duvels pliene, Sp. II*,
20, 19. Consten van astronimgn, die dander Inden
alhier versnellen, Hild. 47, 240. Ie bin die beste
astronomien (Hs. astromijn), Jlex. III, 355. Als
ons die astrominen lesen , Wint. e. Som. 566. Eenen
clerc wfjs ende fijn, die philosophe was ende
astronomijn , Taal- en Ltb. 3 , 67 , 97. Soe vergaderde
hi oec tsestich astronimen, ende hi vraechde hem
naerstelijc wat sinen soen ghescien sonde, Past.
W. 66d. Wel te rechte seide die astronime in
dinen gheboerte, dattn werden soudes hoverdich,
6U. — Zie nog Lsp. III, 12, 130; Sp. II», 20,
4; II', 17, 7; Alex. I, 115 Ylgg. {astronomien, V8.
^76 ald., is natuurlek dat. van astronomie).
A8TRUEREN, zw. ww. bedr. Van waar? Het
lat. adstruere heeft eene geheel andere bet. Aan
eene corruptie is, daar het nagenoeg gelijk op
twee plaatsen voorkomt, wel niet te denken;
anders zon men kunnen vragen, of er ook moest
gelezen worden ast in eren, fr. astainer , attainer
(Roq. 1, 102; Dnc. 1, 463 en 7 ,U).Lastiff vallen,
kwellen, beswaren. \\ Ja en sidi der trouwen vrouwe,
hoe mogedi dan gerechte minneren soe langhe
astrueren? Xiw ^. V , 2056. — Aldus ook {oïadstru-
eren)\j& lezen voor anstrueren ? Matth. Anal. 1 , 53 : ||
Anno 1402 wert Henrick Van der Leek gejaecht
ende geanstrueert binnen ^s-Hertogenbosch van den
poorteren.
ASUER. Zie Aysuer.
ASÜMENT. Zie Aisement.
ATE, m., „Aette, Germ. vetus,^j. teyte.
Tata, pater*'* Kil. Vgl. bij aenhete.
ATE , znw. m. Zie de samenstelling Brootate.
ATE, znw. vr. Eten, spijs, voedsel. De gewone
▼orm des woords is Aet m. (zie ald.). || Maer
niet en diet hem die ate. Nat. BI. XII, 768. Dat
Hijn ment {van den kikvoi'sck) niet op en gaet noch om
ate noch om sanc, VII, 845. Broeders, hebt die
karitaite tenen exemple, ende niet die ate, Franc.
2554. Ate ende werscape , ende alrehande geselscape
na minen wille vindic in dese , Velth. VII , 31 , 45. —
Vooral gewoon in de samenvoeging Ate ende
d r a n c. |i Dat hi den dach lanc reet sonder ate ende
sonder dranc, Lanc. II, 5078. Noch doer dranc
noch doer ate. Nat. BI. III, 387. Overtollech ate
ende dranc maect sin ende lichame ci'anc , Doet. III ,
1067. Du hebst tilec werc gelaten: qualec hebstu
Terdient dijn aten (/. ate), Ferg, 381 (in het hs. haten).
ATEN, zw. WW, bedr.; nhd. asen. Afgeleid
Tan Aet (z. ald.), en vgl. Attinge. Eten geven,
ëpijxigen. \\ (Ie) ghebiede datten nvement en huse
ooch en hove, en ate noch en drancke, hy en
heeft des bans geboet, Matth. 140.
ATENT, ATENTE. Zie Attent, Attente.
ATEBMENT. Zie Atrament.
ATIE. Zie hatie.
ATLAS, znw.m. Oostersche z^den stof, atlas.
Met -woord is van Arabischen oorsprong; zieDozy
Oose. 22, en vgl. Hyde in D. Wtè.1, 594: „Atlas
arabice glaber et cinereus , sen ad nigrum colorem
rer^ens. Eodem nomine denotatur tramoserica vestis
propter glabritiem". || Seer rijckelgc gecleet . .
met -witten atlas, verchiert met peerlen, Exe.
I ATMADE, znw. vr. Van Atten, etten (zie ald.),
en Made (zie ald.). Mhd. etzematte {Gtrimm , Weisth.
I, 334; D. Wtb. 3, 1188); verg. mhd. etzweide
(Lexer 1 , 715); hd. etzunese (D. Wtb. 3, 1189);
mnd. etlant (Lubben 1, 749). Etweide; weide, uit-
sluitend gebruikt om er het vee in te laten grazen.
II Septem cojenvennen aggeri de Polgeest adjacen-
tium , nee non et trium mensuramm , que dicuntur
atmaden ultra paludem de Polgeest, Oor kb. 2, 28a
{a. 1258).
ATMAEL (natmael, 'Matth. 99). Zie Admael
en Etmael.
ATOER , znw. m. Van ofr. atour (La Cnrne 2, 297).
1) Toebereidsel , toerusting, uitrusting, ook in
den zin van uitrusting van troepen. \\ Nu hoort
hoe die heidine voeren, die up kerstinhede met
atoeren quamen ghevaren, als oft sy te voren alt
kerstinheit wisten verloren, Amand II, 4644.
2) Toebereidsel, schikking, maatregel. \\ Als de
paeus verstout de atoeren, dat de Vlaminge bilden
ghevaen haren prinche, Vl. Bijmkr. 7964.
3) Houding, wezen, voorkomen, aard. || Van
edelen state waren si algader na den atoere van
den vader, Amand II, 1654. In alle voye mach
men wel byliden in payse met soeten woorden
ende leven tayse , daer men met spraken van feilen
atoere ne sonde liden no heinen voeren, II, 5771.
ATRAMENT (atrement, aterment, atremint,
atriment), znw. onz. Van lat. atramentum; ofr.
atrament, atrement (La Cume 2, 298). Inkt. ||
Dat yerste boecsken is alte lelie ende onTeyn mit
zwarten atrament geschreven , Ned. Proza 35 *. Hoe
dierbaer is dit boec , niet met atrament gescreven,
mer gheteikent mitten bloede Christi, ald. 50.
Vele swarter . . ^ dan enig roet oft atrament , Lanc.
II , 46084. Een ridder swart als atrement , Wal.
9726. Sijn ors was swert alse aterment, Ferg.
1755. Si waren swert als aterment, iZotf/. IV , 195.
Si spuwen uut een aterment , ende makent so donker
al omtrent. Nat. BI. V, 1043, verg. 1046. Daer
hi was zwert als een atremint, Lsp. II, Prol. 31.
Dese quade gheesten waren also swart als een
atrament of colen, Tondal. 45^. Men salt {het
gezwel) wriven mitatrymente,Ztf»/r. 132r. Wrivent
(de materie) mit zeem ende mit atrimente, 1329.
Daerna so wrijft den mont binnen met zeme ende
met atremente, Hs. Tp. 132a. — Ook in den zin
van zwartsel, zwarte stof. \\ Mac vier ende doe
sieden dat inct ende doeter in meer atrements,
Livre d. Mest, 28.
ATSAMEREN, ATSEMEREN, ATSEMÜRE.
Zie Achemeren, Achemure.
ATTENTE (atente), znw. vr., ook in den
verkorten vorm Attent (atent) , znw. m. en onz.
Van fr. attente (La Cume 2, 303), van attendre,
lat. attendere, waaruit de verschillende beteekenissen
zich geleideiyk laten verklaren.
1) Subjectief opgevat. Het voor oogen houden
van iets, het aan iets indachtig zijn, en wel — a)
Verwachting, de hedendaagsche beteekenis van fr.
attente. || (Ie) comme hier jaerlicx met blyder
atenten , omdat ie mijn goet zoude mueghen venten ,
ZFl. Bijdr. 6, 235, 278.
b) Oplettendheid, aandacht. \\ In desen spiegel
sach tserpent , daer toe hadt al sijn atent , Flatuir.
I, 1040. (Hi was) meester in Aiexandrien naest
Panthenus ende Clemente , die hi horde met groter
attente, Sp.'ll*, 4, 38. — Attente geven,
acht geven. || Voort bat hy hem datsi atente wilden
gheven . . van dies si worden waren te rade,
Amand I, 5035. — In sine attente nemen,
I 16
m
ATtE.
ATTI.
484
tum iijne aandacht onderwerpen^ er op letten. ||
Bit exemple Tan castiemente neemt algader in
uwen atente, Jmand II, 171.
c) Luêt^ verlangen^ zin. \\ Al s^n ghere^alsine
atente was liede te doodene met tormente, ^. ir,
8, 67. In desen tiden . . bejageden an denkeyser
Valente die Arriane hare atente, II*, 47, 48. Al
si dat sake dat wast dgn goet, dine atente ende
dinen moet ne leechgre niet an te seere. Botte
V. Sed. 119. — Sine attente setten, leggen,
xijn zinnen zetten, zijne aandacht vestigen, zich toe-
leggen op iets. II Daer aen sette hy sgn attente,
hoe hy hebbe Tast gheleide, Troyenf.231b. Die al
setten jegen Gods gebot hare atente ende hore
sinne, Yelth. I, 34, 24. So salie setten mine
attente omme sonderlinge sware tormente, ^. 11^,
39, 13; Terg. 64, 13; 62, 13. Maer was tHathenen
gesent om leeren te settene sinen attent, II*, 23,
46. Dns sette hl al sijn attente om te vordeme
alle ondade, II*, 25, 94. Sette dine atente, dattu
afdoes de donkerheit, II', 17, 24. Si setten hare
atente tanebedene die elemente, II', 19, 59.
Ane my leidsy al hare atente , op mij had zij hare
zinnen gezet, zij deed haar uiterste best om mij in
te pakken, Troyen 9(321. — Sine attente setten
met — , zijne zinnen zetten op {iemand of iets) ,
zich er mede bemoeien. \\ Hine sette niet sinen
atent met anderen dnllen jongelingen , maer in die
kerke was al sijn mingen, i^. II*, 17, 14.
d) Oplettendheid, zorg, ijver. \\ Als Nnmeriaen
dit verstoet, dede hl leggen grote attente, dat
men Crisante noch tormente, Sp. IP, 44, 328.
Doe ghinc men met grooten attent» an hem, ende
met menegen tormente, 11^, 13, 75. — In concrete
opvatting, in den zin van Voorwerp van iemands op-
lettendheid, behartiging of zorg, behartenswaardige
zaak. II In deser manieren so ne mogedi niet fael-
gieren van den heyligen Sacramente, op dat gi
hout dese attente, Yelth. I, 24, 72. Die Hertoge
Jan was te perlemente, daer men handelde dese
atente, III, 38, 17. — Ook in den zin van Be
aan iemands zorg toevertrouwde personen , in kerke-
lyken zin, de kudde. || (Si^ selen aftrecken sonder
waen den gewarigen herae sine atente, Yelth.
YII, 19, 50.
2) Objectief opgevat, en wel Doel, bedoeling,
oogmerk. \\ Ane tbejach syn mine attenten. Rosé
10823. In Ylaendren te sine was sine atente,
VI. Rijmkr. 7794. Nu was des bisscops attente
dat hine roepen sonde te campe , Belg. Mus. 1 , 26,
18; verg. Yelth. I, 28, 44. — Ten attente,
met het doel, met het oogmerk. || Ende voer toten
hemel, toten vader, die hem die macht gaf algader
over tsmenschen gheslachte, ten atente dat hi
sonde ten jugemente sitten ende vonnessen gheven ,
Amand 1, 4890. Ende daer bij vraeghdi mede, te
welken atente men so eerde den sacramente, II,
2468. — Na sine attente, overeenkomstig het
doel, waartoe iemand of iets bestemd is, volgens
zijn bestemming. \\ Daer bi en antwerde niet den
serpente die menische slechts na sine attente , maer
twivelike ende op aventuere dat wi niene sterven ,
Mask. 969. Doe qnam een boe van occidenten , entie
hadde na sinen atenten tnsscen sijn ogen een horen
staende, Yelth. YII, 6, 17 (Wellicht moet gelezen
worden na minen atenten-, vgl. Daniël 8, 5: „ego
intelligebam." In dat geval behoort dese plaats bg
1). Doe hi die clemente elc dede staen na haer
atente, YIII, 27, 25.
ATTER, znw. m.; wisselvorm van Etter. Eng.
atter. Ygl. het opstel van De Yries oyer aterling.
Taalk. Bijdr. 2, 6—14. Etter, vervuiling. \\ Atter
moet in mgn gebeente ingaen, D. B.Habak.3,1^.
Ende ie sal sijn als een mot Ephraym ende als
atter den huys Jnda, Sosea 5, 12. Een soen . .
dye al scorft was . . , soe dat hg die atter niet
langher berghen en mochte. Pass. W. 248r. Drre
maenden lanc liep uut sinen vinger atter, 26ié.
In wonden is die atter wit ende licht ende effene
ende sonder stanc, Lanfr. 36p. Yele atters, 38r,
Yele dunne atters, 38r. Dat ene lit hevel vele
atters ende dat ander luttel ; die vele etters heret
behovet medicinen meest drogende , 24r. — Zoo ook
D. B. Jesaia 14, 6 (mit attere besmet), Ezeck.
32 , 6 ; Habak. 3,16. — Bg andere schrgvers is etter
de gewone vorm, b.v. Sp. lY», 1, 72, enz.
ATTINGE (attonge, attenge), xnw. vr. Mhd.
atzunge, hd. atzung. Yan Atten, nederd. vonnvafl
Aten, mhd. atzen, etzen. De zuivere mnl. vora
zou ettinge moeten luiden (vgl. Etten), doek
vgl. admael naest edmael, atter naast etter. Zie
ook Aten.
1) Voeding , onderhoud. \\ Tgelt van hoy, haver,
attinge der arbeidender ende gesehickter Inde,
Nijh. 5, 80 (a. 1477). Mit betaUnge van 9t4)ckgeh
ende attonge, 5, 199 (a. 1490). Dat sy h&ir cosiei
ende attinge redelic betalen sullen, Mieris 4, 207«
(«. 1412).
2) Het recht op vrij onthaal of vrije taftL
Ygl. Grimm, D. Wtb. 1, 697; R. A. 360. || Daer al
de schout ... voor sgn attinge hebben, voor elcke
maeltijdt eenen stuyver, O. R. v. Dor dr. 2, 250
{a 1433).
3) Bij uitbreiding, kosten van voeding en onder-
houd, kostgeld. Een in Geldersche oorkonden veel-
vuldig voorkomend woord. || Dat dy gevanghei
van beyden siden .... quiit ende leedich soela
ziin op oer oerveede ende reedelike attenghe , N§k.
1 , 182 {a. 1318). Wannere sy oer vangkgelt.
sluytgelt ende redelicke attinge betailt hebn, 4.
391 {a. 1467). Item sullen alle gevangen to beydfs
zijden vry , los , ledich ind quijt zyn . . . mit W
talinge oere attingen, vanckgeltz ind slu^tgelti.
118 \a. 1479). Also dat een ygelic syn vanckgeh,
sluijtgelt, attinge ende onrait betalen sal, IS4
(a. 1481). Dat zg yrst vanckgelt, stockgelt, slavt-
gelt ind gewontliche attinge betaelen sullen, 147
(fl. 1481).
AU , tusschenw. In het laatst der Middeleeuinüi
vaak voorkomende uitroep; ons hedendaa^ehe h*'.
heil hou\ veelal verwondering, opwekking, au-
maning uitdrukkende of gebruikt om de «andackt
te wekken. || Staet stille, a,u dfisnertl Ned. Klucht^
66, 7. Jae maer, au vrient! 68, 47. Fr. Au,seck.
au! K. Wye es daer? 72, 3. Cn. Au, au! W.Wn
es daer? 82, 122. W. Dus houdic mesdach ter
causen van dien. M. Wat, au! 87, 249. Cob^
herwaerts , au ! F Maegd. 765. Au ziet ! 2>. Wr.
1, 418, 337. Au! by der doot, data waer. I.
424, 630.
AUBEELIJN , bnw. Van abeelenkottt. Zie venlw
Ndl. JVdb. op Abeel. || Aubeeline plancken , InefL
V. Brugge 3, 44.
AUBERIOEN, znw. m. Yan ofr. A^ubei^^
hauberjon, auberjon (Duc. 7, 199); nfr. Aaub^rgt»
(Littré 1 , 1990) , verkleinwoord van kauheTrt^ dat aa
het germ. halsberch ontleend is (Diez , EUfvs. Wth. l.
437 , op U s b e r g o). Kolder , halsbedekking. \ \ Btls^
berge, coucen, auberioene, Rosé, fr. 248, IS.
AUCEROIS, znw. m., eigenlgk bnw. Wij» tm
Atueerre, een Bourgognewijn. || So wie vercoöss
petan voor rgnswijn, of garscoenge voor orleass
m
AUDt.
AÜTA.
m6
of aacerois Toor beane, ... die verbnert III £
Toor elc stick wgns, dat bQ also vercoopt, Wiel.
Insfy'. 155, 558.
AUDIENdE, znw. vr. Van fr. audienee (La
Cnrne 2, 313).
1) Gehoor. \\ Dat hi den volc gbebode silencie
ende Beinaert gave andiencie sine tale te spreken
al uut, Kein. II, 2233.
2) TereeAtgitünff, ook rtuid, reehttgeleerd lichaam ,
mlat. attdimüa (Dnc. 1, 481, 1). — Meester
?an der andiencien, raadsheer, rechtsgeleerde.
li Oog hebbe ie met wisen ouden meisters van der
aadiencien qnestie gbegbeyen ende sentencien,
Bein. n, 4040.
AÜDIENCIER , znw. m. Ofr. audiencier (La Cnrne
2, 313); mïaJt. oudienHarwt (Duc. 1, 482).
1) Óérechttbode, deurwaarder, || Meester Pietre
de Nusement, procnrere in der stede ghedinebe . . .,
Tan sinen pensione van den jare . . . 24 §. Item
den andiencier Tan sinen pensione, 8 ®, Bek. v.
Gent 1 , 166; Terg. 47.
2) Beambte aan bet Bonrgondiscbe Hof, belast
met het controleeren der geldzaken ; controleur der
ünanciekamer. || Daer is ae andiencier die tekent
alle manieren Tan ftnancbie ende geen andere,
Mattb. AnaL 1, 248.
AUEB (ouwer). WtI. dialectTorm voor iewer,
d. i. ergens. Ygl. De Bo 453 en nouwer. || Is
penitencie aner toe goet? Lttcid. 3832 (ygl. 4423:
Is p. iewer toe goet).
AÜÖURE, znw. vr.; fr. augure. FoorspelUng. ||
Ende wiste wel in waren dinghen bi anguren, bi
helsconwinghen, Farth, 2175.
AUGUSTIJN, znw. m. Monnik van de vierde der
bedelorden, ook Augustijner-heremiet genoemd. Zie
MoU, Kerkgesch. 2«, 110 vlg.; Romer, Kloosters
1, 232 Tlgg., 627 vlgg. II Ofte al tfolc worde
Jacobine, Minderbroeders ende Angnstine, Sar-
troyse ofte Clnsenaren, wie zonde tlant dan aren?
Lsp. I, 25, 103. Si sijn ghewyet op die bede,
Karmeliten ende Augastinen, Minnebroeders ende
Jacopinen , Hild. 153, 30. Minrebroeders , Jacopijn,
Tsairtroysers ende Angnst^n, 218, 133. — Ook
in den yorm Auwestijnen, Invent. v. Brugge,
Int. 400.
AUCOTOEN. Zie Acotoen.
AUCTOOR (auctoer), znw. m. Van lat. ffi«?^.
Schrijver ^ auteur. \\ Die anctore scriven te stride.
Nat. BI. VII, 866. Anctore hetense Ganges, XI,
23. Alse wi horen wel orconden enen auctoer, die
Ifacrobes biet, Eose 12. Ie sal seggen van dien
poëten al, wat sire toe seggen ende die anctore.
Case. 1661. ünt des auctoors woort ensalmenniet
gpoen een oort, Lsp. III, 15, 271.
AUS. Zie AVES.
AU STER, Toorz. (indien de lezing in orde is,
waarop in de uitgave van Yp. geen staat is te
maken) , Ylaamsche dlalectvorm voor Achter, evenals
aster-, zie De Bo 62 op aster en Jan. Tp. 43,
aangeh. ald., en asterwaert. Jan. Yp.90.
1) Na. II Dat witte van den eye gheleit in de
wonden anster dat bloeden, dat es seer goet of de
Hese Terhit es. Jan Yp. 66 {Hs. Yp. heeft „na
dat ai haer bloeden laten").
2) Naar. || Van dieren die men heet scronffelen
aast«r de soghe (t. w. lat. scropha), ende ghelijc
dat de soghe werpt vele verkine, alsoe doet dit
eyele vele gaetkine. Jan Yp. 162 {Hs. Yp. beeft
dit gedeelte niet). Vgl. Achter, voorz. 5) en
Jan. Yp. 163, waar in denzelfden zin achter ge-
bmilct wordt.
AUTAEE, znw. m.; lat. altare. Altaar. \\ (Hi)
ghinc ghereden sinen antare, ende began singhen
ende lesen, Bein. I, 2980.
AÜTENTIJC, -ike, bnw. Ofr. autenthicque (La
Cnrne 2, 325). Beroemd, aanzienlijk, vermaard. ||
O Retorica, antentijcke couste liefl^ck, Mar. v.
Nijm. 22, 515.
AUWEET. Zie Aweit.
AÜWESC. Zie Avesch.
AUWESTIJN. Zie Augustijn.
AVALOYS (AVELOis, aveloos, avoilois),
znw. m. Ofr. avalois (La Onme 2, 311), van het
bgw. aval, beneden, thans nog over in de nit-
dmkking a-vau-Veau, stroomafwaarts (Bnrguy 2,
270). In het Ofr. was Avalterre de benaming van
het land ad vallem, d. i. in valle, gelegen, m. a.
w. van de Nederlanden , les pags en aval du Bhin,
les Pays-Bas, en Avaloys zooveel als Nederlander
(Duc 1, 473). II Ingelsce, Vlaminge, Avelose,
Camerzine ende Artenoise, Lorr. II, 235. Menech
stout Avoilois, II, 925. Met Karlen, als iet ver-
nam , waren Dietsce ende Waloise , Inghelsche ende
Avaloise, Brab T. II, 790.— Zoo ook Sp. III», 83, 36.
— De in de fragmenten van den Ogier (Belg. Mus. 2 ,
337, 93) genoemde AvelcMse zijn zonder twijfel
ook Nederlanders. Daar de rijmregel ontbreekt, is
het onzeker of ook Aveloise moet worden gelezen,
dan wel of Avelans een gewQzigde vorm van Avelois
is. II Namels wapendem, ende die Franzoise entie van
Geneven, entie Vianoise, entie Dundsce entie Ave-
lanse.
AVANTPBI JS , znw. onz. Van een ofr. avantpris,
dat niet voorkomt, uit avant en pris (verg. prov.
presa, enceinte, circuit, Rayn. 4, 628), doch dat in
bet. moet overeenkomen met het gelijk gevormde
porpris, mnl. porprijs (z. ald.). Omheining , misBchien
ook eerste omgang van een toren, omloop. \\ Somme
van den werke dat ghewrocht es ant beelfort , mits
den steenen diere toe ghecocht sijn , ende mits den
taschwerke datter ghehouwen es omme np te set-
tene van den avantprijse gorgoelen, dat men heet
gotieren , ende manne diere staen ende staen sullen ,
2479 f^. Bek. v. Gent 1 , 248. üp te settene beede
avantpris, gorgonen ende manne, ald. aant. 2.
AVE, vr. Naam, waarmede in de dierensage de
ekster wordt aangeduid, b. v. in „Van Reinaert
ende van Ave*', bg Hild. 33, waarin de ekster
telkens Ver Ave heet. Misschien samenhangende
met het woord, waarvan ook ekster en u^^r^^zelf
afkomen, nl. agu, age.
AVE, vr. eigennaam, met de verkleinwoorden
Aveken, Avetien, Avetiaen, ons Aafje of Aafke.
Vgl. Ndl. Wdb. 1 , 13.
AVE, znw. vr. Omzetting van het woord Eva,
als naam gebezigd voor Maria, tevens met toe-
speling op de begroeting des Engels: Ave MariaX
Veelal worden Bva, de eerste vrouw die het mensch-
dom in ellende bracht, en Ave, de tweede vrouw,
die de menschheid redde, tegen elkander over-
gesteld. Zie Grimm in de Inleiding op Eonrad von
Würzbnrg's Goldene ^0Am»<?^,XLIII. || Evaleedde
ons int maras; Ave weder ons ghenas, OVl.JAed.
en Ged. 170, 21. Doe Eva slonch sbevelens swike ,
Ave beterde ons tverlies , doe soe opwies die werde
roze, 176, 30.
AVE, met de samenstellingen. Zie Af, en Ave-
recht, AVEOONST, AVEGONSTICH, en AEFOONSTICFÏ.
AVEDOCHT {Bek. d. Buurk. 29 en 92). Zie
Haqedochte.
AVEGONST, znw. vr. Hetzelfde als ons ix/]7m>m/.
Voor de vorming zie arfgunstio en averkcmt. ||
m
AVEG.
AVEL.
488
Dat man durch ayegonst bringet Toort, Gelre,
Wapenb. 47.
AYEGONSTICH. Hetzelfde als afgonttich en
aefgonstich (z. ald.). || Ayegonstighe luden, de der
Btat . . welvaert vergonden, Racer 6, 127.
AVECAET, znw. m. Naar de Tolksuitspraak
voor Adoocaet (zie ald.). Advocaat^ plAtbezorger ,
voortpraak. || Taelmanne ende avecaten , die om
hare horsen haten scalke vonde venden conen,
Boet in, 106. Om, vroowe, te nemen met u raet, ende
dat ghi dan wort haer ayecaet , Blüc. v. Mar, 1023.
AYELjZnw. m. Hetzelfde als navel; Yg\. adder,
aak, hd. natter, naeAen, mnl. aen voor naen en
ap Toor nap. \\ Beneden soorten si een linnen cleet
om hem , dat was lanc van den avel ter aerden toe,
Katth. Jnal. 3, 242.
AVELANE, znw. vr. Haulnoot. Fr. avellaine,
awelane, noisette; lat. nux abellana of auellana.
Hejer, Woordentchat : ayellana, hazelnoot. ||
Vier laden cruuts ghestoffeirt met dragien , festnken,
ayelanen, cytronaet, morseelen gheconfijt, Invent.
V, Brugge 4, 489.
AVELINQE, znw. vr., een woord uit het Mnl.
dgkwezen, in het. overeenkomende met ons berm,
de strook land* ter zijde van den dijk, die bij den
dijk bekoorde, en door de dijksloot van de aan-
grenzende akkerlanden was afgescheiden. Onr. efling,
versterking, steun, hulp; vgl. onr. <»/a , versterken,
bevestigen, onr. afl, ags. abal, afol, kracht,
sterkte. De avelinge was dus de strook grond , die
tot stevigheid van den dgk een vereischte was, en
die daarom ook niet mocht worden vergraven. Zie
over het woord en zjjne afleiding het uitvoerig
artikel van De Vries in Tijdsehr. 2, 132—143. |i
Dat ghi besiet alle ommetrent Zwindrecht van den
lande dat bi den dike gheleghen es, ende dan of
alse vele avelinghen (2de nv. enkv.? mv.?) afsteit
(/ afstect) als m denckt dat men niet omberen en
mach toit sdikes behoef, Zwijndr. W. 23 («. 1334).
Dat men hem dat anemeten sal van den eersten te
lande (? telande = teellande ?) , dat is te verstaene
dair die eerste (?) avelinghe van den dyke stout (?)
ald. 36 («. 1340). Dat die heere van Zevenberghen
ende zijne medecoopers avelinghe zullen laeten
legghen binnendijcx ende buijtendijcx , alzoo groot
ende alzoo clejoie als ons ghenoucht ende profyte-
lijck ende oorbaerlick is den lande voorscreven.
Ende die avelinghe en zei die heere van Zeven-
berghen niet ghelden , maer die voorscreve avelinghe
zullen blyven ligghende tot des dijcx oorbaer.
Mieris 3, 352 a (waar het woord nog een paar
malen voorkomt {a. 1379)). An den Nieuwen Hoorn-
schen droogen dijck, in die avelinghe van der
Ouder Goote, Friv. r. Brieïle 2, 98 («.1484). Van
dair neder noordwert an, ter plaetsen dair tlant
smaelste is , tusschen dat waterscip in die Nieuwer
Goote ende die voors. anelinge (/. avelinge) in die
Oude Goote by den dijcke, ald. Zie nog Mieris 2,
316 b («. 1376); 2, 499 {a. 1330); 3, 402 «
3 maal (a. 1383); 3, 334 {a. 1377); 4, 148 *
(«. 1410) en eenige andere voorbeelden uit reke-
ningen, berustende in het Ryksarchief, aangeh.
bij De Vries t. a. p. 137 ; vgl. 138. — De uit ZvyW.
W. aangeh. uitdr. de eerste avelinge levert ook
na de verklaring van De Vries eenige moeielijk-
heid op, die nog niet is uit den weg te ruimen.
Nog heden kent men den Polder de Dordtsche
Jvelingen, onder Hardinksveld en Gorkum, enden
Polder de Qorinchemsche Jvelingen, alsook het
Jvelingendiep en de zoogenaamde Hooi-avelingen.
Zie De Vries t. a. p. bl. 140.
— Samenst. Dgc-avelinge, Mieria3,SS4.
Zie De Vries, t a. pi. bl. 135.
AVELOIS. Zie Avalois.
AVEN, zw. WW. Kil. Aveu, vetus, abire,4ef-
cere ; van ave, af, dus afgaan, afnemen. Onpersoonllk
gebruikt in de uitdrukking mi avet, mijM
krachten nemen af, ik bezwijk. \\ Ay! ge8elle,aTet
u alsoe , sone werdic nemmermer Yro« , Vod, Mnt.
2, 57, 249 {Boel.- fr.) De zin is kennel^k: ^Neeut
gij zoo af? Bezwijkt gij aldus? ^^ Benecke getakt
(1, 3b),. dat de uitdrukking er abet, voor seiiu
kriifte nehmen ab, nog heden in Zwitserland ^
woon is; aben in geleken zin vermeldt GriniH,
D. Wtb. 1 , 23.
AVENANT, huw. Van fr. avenant. BevalUg,
lief, innemend (Littré 1 , 261). 1| Met ainen UI
dochteren avenant, Brab. Y. VI, 339. Daermn
wilen trouwe vant, daer eest nu alao bewant, aei
wilt daer niemen horen, hine bringegelt ofgóedei
pant, dan so es hi avenant siere stncken ab te
voren, IV Mart. 99. — Ook als znw. opgeval.
Dat wat voegt, past, betaamt. — a) in de bgw. uitdr.—
In avenant, te avenante, na avenaat,
f^. k r avenant. In evenredigheid, naar verhaudiag.
Vgl. Ndl. Wdb. op advenant. || Ende scnapci
kint mach om V sol. leren, ende die te ghevae
ende te gane in avenant ghel^c den ghude vu
andren leerlinghen, Vad. Mus. 2, 359 (a. 1280u
Vette botere doeter in smelten te avenante, Es.
Yp. 61a (fr. h Padvenant). Dat sal men mindoa
na avenant, V. d. Wall 224.
b) £ venmatig deel; aandeel', hetgeen iemand toe-
komt of door hem betaald moet worden; vgL fr.
avenant (Littré t. a. p.). || Des sullen sihaergkeh
heffen in betalinghen van maende te maende . .
elc siin avenant also groot als siin somme beloopt.
V. d. Wall 305. Ellic siin avenant, ald.
AVENT (klemt, op vent), znw. m. Van laL
adventus t. w. Domini (Duc. 1 , 98 , 2). Ker-
kelijke benaming van de Vier Zondagen rwr
Kerstmis, die de viering van de komst van CAriêtu
op aarde voorafgaan , adventtijt. Zie MoU , Kerk-
gesch. 2', 210 vlgg. || Die wille weten dienavett,
hore na mi, ie doet hem bekent. Sinte Audri^
besie ; die naeste Sonnendach dat is die after q(
voren, . . . daer die avent in sal gaen, Natstmrk,
79 (verg. bl. 197).
AVENT, AVENTLYC. Zie AvoNT.
AVENTRONC. Zie avetronc.
AVENTSTONDE. Zie avontstonde.
AVENTÜERLIJC (avontuerluc, aventurlic;
-like, bnw. Van Aventure. Van het lot, kei toef^
afhangende, in verschillende opvattineen. In dezelfde
opvattingen als het echt mnl. woord viiaselijc.
1) Gevaarlijk, hachelijk. || Camp te Techtcw
onderlinge dat es aventuerlyc herde sere^ La»c.
III, 18347. Gi hebt geladen die herte m^n met
laste, dat avonturlic es, Cass. 1336. Daer om etf
die avonturleecste sonde, die men noemen raack
met monde, Doet. III, 461 var. (tekst-hs. wrgie-
lecste). Enen aventurliken val, Sp. !•, 61 , 4.
2) Van het toeval afhangende, versckillènd^ ver-
scheiden. II Die wambeisen satyn, carmozgn, to-
dect mit getrocken gout ende silyeren webbe ti
doorsneden ende die bonetten waren aTontnerlfc,
£jtc. Cron. 281A.
3) Ondernemend, stout, waagziek. \\ Te wintff
miicher niement liden . . . , en si aventuerlgc set,
1^. IY% 35, 31.
AVENTUERLIKE (avonturlike, -lijc), biw-
BiJ geval, bij toeval, ioevalligencijs. \\ Kens an*-
J
489
AVEN.
AVEN.
490
tnrlyc dat so quam, dat des conincs sone vernam
enen lasersen, Sp. IV, 4, ö9.
AVENTIJRE (AvoNTURE, Aventuer, Avon-
tüer), «iw. Tr. ; fr. aveniure, it. awen^Hra, mlat.
adventura^ aventuray Tan lat. advenire in den zin
yan evemre, met gelijken overgang van bet. als
in ft*, arriver en mnl. tcecamen. Ook in *t mhd.,
▼aarin het omstreeks het einde der 12de eeuw
werd overgenomen , heeft deentiure eene groote rol
gespeeld. Zie Ben. 1 , 67—72. Zoowel in 't hd.
als bij ons werd het woord allengs onz. {cUu
abenteuefy het ewontuwr) door invloed vanhetNdd.
dialect, vgl. Grimm, Frau Avenüure, bl. 6. In het
Mhd. bleef het woord zonder uitzondering vr. De
spelling aw?»/«rtf komt reeds in de 13de eeuw op,
en was in de löde de heerschende. — De oorspr.
bet. van gebeurtenis ^ geachiedenuy liet twee hoofd-
opvattingen toe , naarmate men óf de gebeurde zaak
of Aet plaats hebben daarvan zelf, óf het bericht ,
het verhaal er van bedoelde.
I. Gebeurtenis y te onderscheiden in 1) het ge-
beurde 2) het gebeuren ^ het lot,
1) Eene gebeurtenis ^ een voorval ^ een geval of
loedervaren^ als feit gedacht. || Doe men vernam
die aventnre, hoet daer Lancelote was vergaen,
Lanc, ni, 14566. Mi)n avontnre ende mijn geval,
II, 4724. Hoe die aventnre gevel, Eleg. 1201.
Alse die coninc Artnr wiste daventure van den
twiste , Aet voorgevallene , den uitslag van het ge-
vecht ^ Sp, III», 62, 83. Na deser aventnren, na
dit wedervaren y Franc, 801. Hi . . behoeft wel
hoede op daventore, op al wat er gebeuren kan^
Hild. 198 , 56. Die spierres qnamen na drie daghen
ende seiden hare aventnre , lUjmb. 6509. Walewein
telde hem sine aventnre, gijn wedervaren ^ Val.
8473. So hoe dat daventnren comen sgn, emmer
sijn die sculden mgn, Rosé fr. 257, 301. — Vooral
van gebeurtenissen van bgzonderen aard, bepaaldelijk
van vreemde, hachelüke , merkwaardige , gelukkige
of ongelukkige toevallige omstandigheden.
a) Vreemd y wonderlijk geval , waarbQ een wonder ,
of tooverfj of iets geheimzinnigs in het spel is. ||
Daer viel ene vremde aventnre, een hase quam
enz, , iSJp. IV' , 68 , 7. Ie weet wel , het sijn avonturen
van een steen die opt water dreef, Lanc. 111^11^.
Dits ene wonderlike aventnre, 131. {Gij gaat niet
aanzitten ter maaltijd) eer voor u enae voruliede
enege aventnre gesciede , 161. — DergelQke vreemde
voorvallen gaven aanleiding tot stoute onder-
nemingen en waagstukken, en zoo verkreeg
aventnre de gewone beteekenis , die nog aan ons avon-
tuur eigen is. Vooral in de ridderromans komen der-
gelgke ondernemingen veelvuldig voor, in 't bii-
zonder in de Aj'turromans. || Van Waleweine ende
van Perchevale kent men die avonturen wale , Heelu
3929. Dat gi dit foreest dure ridet soeken aventnre,
Zanc. II, 1849. Elc trooste andren ter aventnre
ende liepen an die mure , lUjmb. 28847 , vgl. Wal.
622. Dat hi gene aventnre vaut die vertellens
werdech ware, III, 2380. Wine sceden .. tameer ,
wine sullen avontnre vinden eer, II, 3359. En
had u niet meer ere gewesen te stervene . . dan
te keme sonder aventnre, 18031. Lanceloet reet . .
sonder aventnre v|jftien dage , 22123. Hen waren . .
j^evallen scone avonturen, III, 398. Daventure en
hadde niet genomen inde, 1812. Die avonturen
van den conincrike van Logres , 1766. Die aventnre
(of aventnren) vanden heilegen grale, II, 3874;
III, 213, 311, 363 enz. Gawein, . . die menighe
avontnre ontstaen heeft, Ferg. 5469. Ie hebbe
hier te langhe alse een kint gheleghen sonder
aventnre, Limb. VIII, 1266. Selc telde andren
sine avontnre, Ferg. 19, vri. 346; Wal. 8478.
Si hadden groet wonder van der avontnre , Zanc. U ,
3378. Bidderscap ende avontnre, 5198. Een ridder
van aventnren, Glor. 609; Zanc. III, 17036.
Tpalais van avonturen, het wondervolle kasteel
CorbenyCy waar de heilige graal bewaard werd,
Zanc. II, 18024; IV, 5946 e. e. Int. lant van
avonturen, II, 41990. Tgewat van avonturen,
III, 24521. Op die aventnre leven, Fleg. 111;
leven bider avonturen, van roofridders gezegd , 20S.
— Zich uit een moeilijk avontuur redden heette mnl.
der aventuren genesen, Fl-eg. 293, doch de klas-
sieke term voor het volbrengen der zware taak , was
die aveyUure te hovede bringen , Zanc. II , 3367 , 3374 ;
III, 1639, 10177, 10252 -7, enz. , of die aventure
inden, Vod. Mus. 4, 315, 74. — Het tegenovergestelde
heette faelgieren. || Tote dien dat ie die avonture
sal te hoefde bringen of faelgieren al, Zanc. II,
3409, vgl. 3622. — Ook het avontuur zelf wordt
gezegd te faelgieren, te bezwijken, op te houden,
zoodra het door een ridder is te hoefde ge-
bracht. Het is een strQd tusschen den ridder en
het avontuur: een van beiden moet het opgeven.
Zoo Zanc. III, 1823, 1772; H, 18033. — Die
heren der aventuren, bQnaam der Bomeinen,
de koningen op het gebied der ridderiyke helden-
feiten, de helden bij uitnemendheid, Zanc. IV,
9997— 10004, vgl. Sp. III», 63 , 62 en noot, en Jonck-
bloet op Wal. Dl. 2, bl. 21. — Der aventuren
vader, eerenaam van Walewein (vgl. der eren
vader, naam, door Stoke IV, 270 aan Jan Ivan
Brabant gegeven, en zie bg Vader), Wal. 3170;
Zanc. II , &230, 42869, enz. , en verder vele malen
in Zanc. en Wal. — Daar elke moeil^ke onder-
neming , elk waagstuk inspanning en moeite vordert,
ontwikkelt zich geleidelyk uit deze bet. die van
moeite, inspanning. \\ So haert ghehuut, dat men
daer duere ne coemt met ghere aventure, Nat.Bl.
II, 3601. Sine moghen poorten no mure ghe winnen
met ghere aventure, Bijmb. 16727. Wat holpt dat
die phisisien omme medicine wille zien . . . , hets
verloren aventure, Sp. I", 76, 21.
b) Hachelijk geval, hachelijke of onzekere kans
of toestand, gevaarlijk spel, gevaar. \\ Te weder-
stane dese aventure, dit dreigend gevaar, Velth IV,
26, 63. In aventuren strijt, in den strijd met een
hachelijke kans, IV, 67, 36 (de 2de nv. heeft hier
dezelfde bet. als het bnw. aventuerlike , z. ald.).
Die minne staet op avontuer, is zeer wisselvallig,
MZoep II , 2381. Het ne mochte niet vor di ghe-
staen mijn goede halsberch van den aventuren,
Wal. 690. Si waren in aventuren serete verlisene
haer lant. Mor. 2888. Hi lach in suiker aventure,
. . . datmen van hem van enen worde nine mochte
hebben antworde , Zanc. IV , 6145. Bi dat hi hem
in aventuren sach van scanden tontfane op dien
dach, IV, 9431. Hi es van den live in avonturen,
in levensgevaar, Roel. IV, 134. Ende lieten allede
ghebure in sorghen ende in daventure, Stoke II,
497. Ende beydt haers tijts met vresen groet in
avonturen van der doet, TV^j^. 2800. Dat in grooter
avontueren de siele es, Jmand II, 4768. So es de
ziele in aventuren, dat soe den viant mach ghe-
bueren, Praet 1150. Mi wondert dat di niet ofgrjjst,
na dattu sijs in aventuren, wat dat di dair sal
ff heburen, 4727. Die mint hi doghet sware avon-
tnre Haie^w. I, 9, 30. Dat ghebod daticbekinne
. ^ijxnen nature, dat bringet mine zinne in
^^ ntute , 1^ ft'i, A.b. QrM lieU avontuer gheleden,
ftVO» -47 ^ aS2. 1w Mwert lijtmen avontuer, 191,
491
AVEN.
AVEN.
492
159. Die hem niet betren willen . . syn in aven turen
te bedervene , Livre d. Mett, 43. (Hi) maecte vrede
ende behelt die stat, die te voren in aventueren
was, U9. 88, /. 27r/. — Ook in de volgende uit-
drukkingen. — In aventure (op aventure,
ter aventuren, in daventure) setten, in
gevaar stellen^ in de waagschaal stellen^ op het
spel zetten^ vagen. \\ Hiheeft hem geset in avonturen
om u ende om mi, Lane, II, 7308. In den toren
daer si lach sette hi zjjn lyf op aventure, Parth.
4814. Wie es hier, die sijn oghe ofte syn lier
wille setten in avonture omme ene felle creature?
Rein. I, 1343. Ie wilt al setten ter aventuren, II,
7106, vgl. Bose C 8751. Man ende wyf hadden
haer leven in davonture dan gheset, Stoke IX,
1196. Hi es meer in davonture gheset dan die
over zee vaert striden, Teest. 2749. Die sijn ziele
ende sijn lyf in avonturen set om goet, Lsp. III,
10, 206. Ie sette liever ter aventueren lijf ende
goet in ere uren, Grimh. I, 1733. £en recht
schuldich woeckenaer die en set gheen goet in
avonture, Hild. 162, 44. (Si) vallen liever achter-
waert, . . dan si tlijf in davontuer setten of hoer
zonde (gezonde) lede , 181 , 230. Also dieke machment
nu ende echt setten so in avonturen , dattet comt tot
groten bezuren, 248, 112. Desghelijcs is yghelic
sculdich . . steden ende sloten te helpen houden , . .
ende hem selven dair 'voir in aventuren te setten,
Matth. 39. Sijn lijf stoutelic in aventueren te setten . .
voir dat kersten gelove, Clerc 91. — In aventuren
stellen, in daventure slaen, op het spel
zetten^ wagen. \\ Want si liever confessoren bleven
dan in aventueren stellen dieven, Amand II, 93.
Hets al verloren datmen in aventuren stelt, OVl.
Lied. en Ged. 364, 1446. Ja en slaet hi in
die aventure sijn lyf om ene clene hure , ^/^or. YI ,
1223. — In daventure gaen (lopen), zich in
het gevaar begeven^ zich wagen. \\ Die Joden
met stouten sinne . . liepen dicken in daventure
buten mure ende namen roof, Rijmb. 28620. Tytus
was, die voren ten muren eerst ghinc in die
aventure , 29077. Die in aventuren gaet met zonden
lime . . hi sal hem te tijt doen puren, Praet 1154.
— Ter aventuren staen, sijn; ook in
aventuren (daventure) staen, hachelijk, on-
zeker zijn. II Si hadden mi liever verloren dieven,
dant stonde ter avonture , Wittek. v. S. 120. Orloge
dat es een spel dat sere ter avonture staet, Cass.
818. Om dat u leet es van dien dat ie ten orloghe
wille' tien, ja om dat daer uut rueren dinghen die
staen ter avonturen, Melib. 3110. Hier es ter
aventueren dwinnen , de zege hachelijk , Heelu 3694.
Dan steet sere sijn lijf ter avonture. Rosé 8864.
Boosheit staet ter avonture, waerse God ter laster
ure wisen sal of bieten varen, Hild. 84, 129. Of
comense daermen zande vint , soe staet in avonturen
al, 245, 144; vgl. 247, 81. Dat es sere ter
avonturen, hoe hi dat sal beruren, Melib. 1606.
Staen in avonturen van sinen live, Wal. 611.
Staen in aventuren spele, Velth. III, 40, 59.
— Op die aventure, in twee opvattingen. —
a) Op gevaar af [van te missen , schade te lijden ,
enz^. II Opten ridder die om haren wille dade menige
cost op davontuer, Hild. 144, 132. Sulke (*r^ri;t;<?r*
zijn er), dies niet en wisten, die haer (der Angel-
Saksen) rike up aventure langhe begonsten voer
Arture, Sp. III», 16, 10. (Het is zekerde) dat
een man cope sijn recht dan hi uptie aventure
vecht, III*, 45, 61, Op aventure wat syns ghescie,
wat er ook met hem gebeiire, Parth. 4818. Op
avonture wats gesciet, ne dar ie an die hope
houden niet, Lanc. Il, 12161. — Ook ter avoi-
turen, in dezelfde bet || Om dat sise (de lichamen
van Petrus en Paulus) ter avonturen , wmU er ook
van komen mocht; op gevaar af, dat h*m plan mis-
lukken zou, int lant van Grieken wouden vurea,
Lsp. II, 40, 113. — Ook op sine aventnre,<i!p
zijn eigen verantwoordelijkheid^ risico, 1*1. sttoperi-
eulo. II Dien ghevanghenen es sculdich de meyere
te haudene up sine plegt ende avonture die eerste
drie daghe, Gendseh Chtb. 89 (a. 1371). Yu
den huse te scoeme up sine aventure, Inttnt.
V. Brugge , Int. 418.
^) Op aventure (ter aventure), gevolfd
door een zin met of. Misschien dat, omdat ie
kans bestaat dat , omdat het wel zijn kan dat , voor het
onzekere geval dat. \\ Ghi selten winden (den haai)
omtrent u hoeft ende voerten alsoe openbaer op
aventuere of iement waer, die u kinnen mochu
daeran, Esm. 586 , vgl. 638. Begrypse niet van htra
seden up aventure of si vergramen, Bouc v. Sed.
384. Dat ie harwaert comen soude, op aventire
opdat (/. of? dat?) men mi soude hier herbergim
desen nacht, Limb. X, 119. Si wachten al diennaekt
dure al gewapent, op aventure ochse die yan der stil
versochten , Lanc. II , 34233. Die den minsce dide
tier ure resten, op die aventure oft hi weder
mochte gewinnen sinen sin, 36755. Dies wilde ki
den moordenaren ruste gheven ende sparen, ip
aventure of si haer leven dor vaer, dor hongker
souden upgheven , Rijmb. 31953. Dus willic wn&lea
gaen temperen, op aventuere of zj qoame, F Maagi.
89. Ter aventure oft hine mochte nedenrellei,
Heelu 5493. Ter aventure oft reinde of meswederde,
Jnvent. v. Brugge 2, 430. — Ook op aventure
dat en in aventuren of, in denzelfden zii.
Voor het (onzekere) geval dat. || Op aventaere dil
wi niene sterven ter selver ure, Mask. 971. Yooft
houden wi alle ponten die in desen brieven siMs
voirsz. tonsen verclaersen, in avonturen ofter jet
in viel te verclaersen, Mieris 2, 209a (o. 1319).
— Ook zonder een afh. zin komen op aventure,
van aventuren, ter avontuere(n), bi avei-
ture en m^t aventure voor, in den zin vn
bij geval, misschien, wellicht, Ygl. sp. por
tura, lat. forte, eng. perhaps, fr. par
II So en sal men nyet daeran plasteren , dan op
aventure aen jonghe kinderen, Lanfr. 171 r. Dese
leste manire en mach men nyet cureren bj snidoe
. . off ten ware van aventuren in some kinderei,
ald. Die (= dien) ter avontueren niet een nock
gheen en ware ghesciet, hadde enz.,Braè. 71 VI.
6116. Ter aventuer het mach gheschyen dat iyk
wylen segghen neen, MLoepl, 1233. Ter aTentura
sie ie u nemmermeer met ogen ane, Playerw. 67,
vgl. 293. Op dat ghi licht ter aventuere niet gke-
vonden en wort vechten teghens Gt>de, He. Ib^f.
136r; vgl. Wal. 7769. Men daden ter avontam
sterven, Hs. Yp. 144^. „Omdat wi bi aTentera
die doot niene souden bezuren," ende als soe bi
aventuren seide , mercte hi wel hare crancheid«.
Rijmb, 625. Bi aventuren si sullen minen z«Be
ontzien, üs. v. 1348, 77a. Bi aventuren God ol
dijns ghenadech syn, Rijmb. 16504. Bi avonturen oase
Here sal vertoegen sinen ghere, Sp. 11^, 45 , Bk
Haddense gevloen, bi aventuren so hadden ^
ander daer ter uren hem gevolget, Velth. VI . 5.
31. Want dat ie doe, dats om weldoen: bi stcb-
turen het sal di baten, Praet 2369. Zoo ook SaL
BI. I, 162; III, 1367; Sp. III», 10, 43 (Vik-
forsitan)', Exc. Cron. 104^; Rijmb. 3503, 5826;
Franc. 5232, 5463. — Ook met aventnren.h
493
AVEN.
AVEN.
494
Daer wert om sine omnate die biscop Heinric
onUet van sinen bisdome, dat belet met aventuren
lichte waer bleven, Heelu 730.
é) Toevallige kans, toepal, || Wat avontare hem
brachte daer, Lanc. II, 9846, 15634, e. e. Waer
aventore ende geval ons sal leden, 8014. Also
als daventure cam, Franc. 7281. £lc ginc daerne
davontnre brochte , Amand 1 , 1642. — B i (b i der)
aventare, bij toeval^ toevallig. \\ Ene waerf
waert hi up de gracht bi avonturen daer belopen,
Rein. I, 348. Enich ander voghelijn . ., dat daer
bi avontare lidet, 2571. Bi aventuren hijt doe
nam ende deet an sine oghen mettien, Rijmb.
26664. (Doe) quamen si bi der aventuren daer si
den coninc Herodes spraken , Lip. II , 1 2 , 23. Dat
hi quame bi aventuren int lant, Lanc. II, 18065.
d) Ooed geval ^ geluk. || Dat ten groten grieve
hem beden sal comen . ., sine hebben meer dan
aventure , Wal. 8034. Grod gaf mi die aventure ,
dat lekene daer . . nedervelde, 8925. Waert dat
. . wi ontghinghen metten live , so en gheviel noit
man . . so sonderllnghe aventure, een zoo buiten-
gewoon geliik^ 9286. ll%i& ü'feniwit ^ het zou een geluk
zijn ; gij (ik , Aij) zoudt van geluk mogen spreken
ah (welk woord in H mnl. niet wordt uitgedrukt),
Lanc. II, 45962; Lorr. II, 4363. Gave ons God
aventure dat wi mochten vergadren daer, Lanc.
n, 22115. God heeft mi die aventure gegeven,
dat ie hier vinde daer ie om voer, Parth.
2783. God die gaf mi aventure, Glor. 1108. Dien
sulke aventure gevel dat si der vangnessen waren
ontgaen, Rijmb. 14654. Ooc hadde bi bina die
aventure, dat hi met hem in ware ghevaren,
30450. U es dicke op enen dach vremder avonture
ghevallen. Rein. I, 1392 (vgl. Tijdsehr. 1, 15
over deze plaats). Die ter zee om harinc voeren,
noyt aventuer en hadden te vangen, Exc. Cron.
1316. Ende hadden aventuer, dat si weder vingen
een deel ridderen, Clere 70. Zie nog Wal. 1473;
Sp. III», 49, 27; «w. — Bi aventuren, bij
geluk ^ door een gelukkig toeval. \\ Waer ie hem
niet té hulpe comen bi aventuren in dien stonden,
Rein. I, 160. Hier sijn noch betre bi aventuren,
die hem houden jeghen den derden dach , Farth.
4639.
e) Kwaad geval ^ ongeval ^ ongeluk, \\ Daer gheviel
mi quade avonture , Rein. 1 , 394. Alst hovet hevet
quade aventure, dat al die lede sijn tonghemake,
Alex. III, 444. Zoo ook Alex. VII, 242; IX, 854;
Rijmb, 27516. Sware aventure, Lanc. IX, 6014,
5473; Ro9e 265. Scherpe aventure. Rein. 11,5602.
By snoder aventuren, door een ongelukkig toeval^
Matth. 210 (tweemaal). Si gingen hem al omme-
ringen gelijc enen stenijn mure te wederstane dese
aventure, Velth. IV, 26, 61.
2) De beschikking van goed of kwaad geval ^ het
lot , het geluk ^ de fortuin. — a) Nog niet als persoons-
verbeelding, doch als beeld, gelgk ook wy van
het Irot en de fortuin spreken. || Dus was hem
daventure jegen, Stoke II, 786. Es mi daventure
goei, Fiein. I, 624. Die aventuer is menichfout,
II, 3944. Daventure dicke sneeft, Lsp. III, 3,
302. Als daventuir ten quaetsten went, MLoep I,
726. {Wie geld heeft) set daventure ende voeget,
regelt het geluk ^ Sp. III*, 45, 65. Die sine aven-
ture wel wachte, waer hi hem gheneren mochte,
Rijmb. 8260. Waer mijn aventure goet. Rein. II, 6154.
— Zoo ook beter aventuer, Hild. 125, 133;
174, 230. Doch salie nemen mine aventure, mijn
geluk iuingrijpen^ beproeven^ mijn slag slaan ^ Wal,
^265. In denzelfden zin , zijn slag slaan ^ staat
der aventuren genieten. || Doe bereiden hem
de payene om te ridene buten mure ende te genietene
der avonturen , Aipl- fr. 851. — Deze bet. is misschien
juister dan de in dè aant. opgegevene zijn lot
afwachten j in welken zin men de uitdr. vindt Xaw^r.
III, 15751: II Ie vare met u toten coninc . .,
ende geuite der aventure, weder hi mi doet oft sal
waen. — In de bet. deelen in iemands lot staat zij
Stoke V, 591: || De wilden met Diedrike bliven ende
ghenieten der avonturen , die Didrike mochte ghe-
bueren. — Daventure mochte vallen daer, het lot
mocht willen, dat icker selve bleve, Teest. 701,
Lodewike jonste de avonture das, Stoke I, 298.
Daventure heeft (/. heft, verhef f) menigen hoge,
III, 371. Den coenen helpt die avonture, fortes
fortuna juvat. Rein, II, 4296; Limb. I, 1063
(zonder dié). Den cloecken helpt altoos daventuere,
Troyen Vb. 29(?. (Dat) daventure op hem gave
die sware plage, hem de nederlaag deed lijden,
Sp. III*, 24, 53. Maer dattem daventure benam,
ald. 54, 67. Diere aventuren raet, de beschikking
van het lot, Heelu 1375. Zie nog Rijmb. 29089;
MLoep II, 1846; Boet. UI, 733; Lanc. TV,
843 ; Nat. Èl. V , 673. — Dus worden ook de g a v e n
der aventuren, als rijkdom, aanzien, eer,
gesteld tegenover die der gracien en der na-
turen, Ned, Froza 153 vlg.; Stemmen 60. — Ook
bij eene werkelQke loting , Rijmb. 29384, *88.
b) BQ persoonsverbeelding Fortuna, ds Oeluks-
godin. Opmerkelük is het echter , dat zQ meestal met
behoud van liet hdw. die Aventure of d Aventure h]^ft
heeten, een bewys, dat men zich bewust was,
hier met allegorie, niet met mythologie te doen
te hebben. II Ie ben geheten dA venture, ie geve dat
soete ende dat sure , Limb. X , 943 (waar ook het
paleis van vrouwe Aventure beschreven wordt);
vgl. I, 1063. Mgn viant was die Avontuyer, ic
sochtet soet, ie vant dat zuyer, MLoep II, 2401.
Lancelot begonste sculden die Aventure. Ay vrouwe
Aventure, seit hi, hoe valsch ende hoe wandel
sidi ende verradre ende ongetrouwe , Xaik;. II, 18837.
Dat ghi niet en sult wanhopen , al hevet u daventure
belopen, die alleweghe es onghestade, Alex. Y,
741. Die avontuer salt wail bewaren, MLoep 1, 104.
Die avontuyer gehenget vele , II, 415. Sint daventure
versach (zorgde), 1846, vgl. 4012. Dies moet
daventure wouden, Lijni. V, 1836. Die aventure
hout mi so tonder, Hexe 16. Als dl daventure
noepte met sporen, Sp. Til', 11, 85 (I», 61, 17
moet aventuren veranderd worden in naturen ;
Lat. nature vitium). — Zie nog Al^x. VII, 388;
Rijmb. 12655; 29391; Melib, 2668, 2699; Teest.
962; Heelu 1375; Rein. II, 5807, 7518; enz, —
Soms evenwel is het moeilijk te beslissen, of men
met het beeld of wel met de persoonsverbeelding der
Aventure te doen heeft. — Dat rat van
Aventuren, Rosé C 5574; Limb. I, 184; Ned.
Froza 154; enz. — De didactische dichters varen
meermalen tegen deze „blinde vrouwe Aventure"
uit; zie b. v. Wap, Mart. I, 142—146; Doet, UI,
733—772, Melib. Gap. 43, en vooral Teest, Gap.
18, VS. 1630 vlgg.
e) In concreeten zin, een fortuintje , verval, toe-
vallige bate, emolument, mlat. aventura. j| Oec be-
hoeren toe den vorseyden leene tderdendeel van
allen den vervallen ende avonturen, Gendsch Chtb.
89 (a, 1371). Dammanscip van den Oudenborch
weert wesende tjaers vive pont . . by der avonture
van den ghevanghenen ende andersints, Diericx,
Mem. 1, 451. Drie ponden parasyse tjaers eeuwe-
like rente, ende de aventure van den ghe-
405
AVEN.
AVEN.
406
Tanghenen alsoet ghevalt, 2, 512. — Die aven-
tnre, naam voor de gemeentelijke eigendommen
der stad Brugge , Invent. v. Brugge 2 , 24. De aven-
tnren Tan der onder kallen, inkonuten^ ald.
3, 159.
II. Bericht of vertlag van gebeurde zaken,
verhaal, getchiedenit, \\ Dat daTontnren Tan Rei-
naerde in Dietsche onghemaket bleTen, Bein I, 4.
Soe bat mi dat ie sonde maken dese aTontnre Tan
Reinaerde, I, 30. Ie sal beghinnen ene aTenture
tellen Tan minnen, Floris 1. Die kinder . . .,daer
ghi daTentnre af selt horen, 245, zoo ook ts. 10,
21, 64, 85, 2459. Van den coninc Arture es bleTen
menege aTontnre, Ifal. 1. — Inzonderheid in de
riddergedichten als naam Tan Aet opgefeekend ver-
haal, de geschiedenis die de dichter als bron ge-
bruikte en waarnaar Terwezen wordt. Zoo Tooral
in den Lanc. bg het begin Tan een nieuw hoofdstuk ,
ter Tertaling Tan het oorspronkeiyke : or dit li
contes. Zie Lanc. Dl. 1 , Inl. LVIII , aant. 147 ; Wal.
Dl. 2, bl. 338; Lachmann; Inl. op Wolfram X;
Benecke 1, 70. || Nu begint daTonture tellen,
Lanc II, 1835. Nu laet hier daTonture staen te
sprekene Tan hen allen gemene, II, 2924. Nu
doet daTentnre Terstaen, II, 2927. Nu swiget
daTentnre T^n hen Uden, II, 18132. DaTentnre
seget, II, 18136. Maer daTentnre sal u Tan Lance-
lote secgen nu. Dit sijn der aTenture worde, II,
29696. Dus seget der aTenturencracht, III, 10579.
Hi moeste daer , seghet daTentnre , emmer bÜTen,
Wal. 11031. Raab, die Tan haren Uto ghemeene
was, tellet die aTenture, Rijmb. 6480. — In dezen
zin wisselt aventure af met jeeste {Wal. 10313,
10751, 10885; Thr. 2459) en hystorie (^«7.9698,
9843, 9933, 10097, 10533), namen, die meer
bij de eigeniyke geschiedbeschriJTing passen, en
daar dan ook meer gewoon waren. Omgekeerd
ziet men de geschiedschryTers enkele malen het
woord aventure bezigen (Rijmb. 6481).
Aanm. — Bii de Tergelijking Tan het mul. en
mhd. aventiure blijkt een groot Terschil ; d&&r werd
de Aventiure in de onder II Termelde opTatting
gepersonifieerd en Fran ATentiure gold als de
,,toandernde spaherin", die „bisweilen auch dem
erzahlenden dichter erscheint, und ihm die zuver-
lassigsten aufschlüsse gibt über alles, was er zu
wissen Terlangt (Ben. 1, 72). Men Tgl. de mono-
graphie Tan J. Grimm, Frau Aventiure klopft an
Beneckes thür , waarin hij teTens wnst op den
samenhang Tan deze ATentiure met de Oudnoorsche
godin Saga.
AVENTURE (Avend-lre), Tetus Sax. Herainaria
Tenditio, minutaria negotiatio". Kil.; weldenkeiyk
hetzelfde woord als het TOrige Aventure, dat insge-
lijks by Kil. Aventure gespeld wordt. De handel
in het klein, op goed aventuur, werd dan zelf ar^T»-
tuur geheeten.
AVENTUREN (aventueren), zw. ww. bedr.,
onz. en onpers. Mhd. aventiuren. Van ofr. aventurer.
I) Bedr. — 1) Wagen, ondernemen. \\ Ware
enege dinc in haer macht, diese conde gedoen
dach ofte nacht, die soutsi dor hem aTen turen,
Lanc. II, 42461. Nochtan Tant hi raet daer af , . . .
ende heTet also gheaTentuurt, Rijmb. 29375. Laet
ons dat Torsorgen: men sel ons ontliTen morgen,
of wi moetent aTenturen, Sp. III', 4, 39. Had
my die wynt geUjc gestaen, ie had die reise ge-
aTontuert, Hild. 2, 166. Rijcheit maect dat herte
coen, ende coenheit doet wel aTenturen, 104,104.
Hi waer sot die aTontnerde enich leTen an te gaen,
sijn ziel en mochter in Tolstaen, 157, 16.
2) Wagen , op V spel zetten , in gevaar brengen. ||
Het ware sonde ende onnere, soudewi den castccl
opgeTen, wine souden eer aTenturen onse leTei,
Lanc. II, 46852. Ende ie aTontuurde wel ghereet
mijn lyf Tor jou , Wal. 2818. En sonde ooc niemea
wesen lief, dat ie jeghen enen Terbannen dief
minen hals sonde aTenturen, Eleg. 1237. Sowoude
hi aTenturen dore mi beide goet, Igf ende lede,
Lorr. I, 1277. Ollyn seide: „Twaren, here, m
moetyt aTenturen sere." Yoen seide: „In roake
wat ie aTenture om dat," II, 1827. Ende wilt
aTenturen al datter haer na comen sal , II , 1961.
Donze aTenturdent al, als die goene . ., die haer
kerchof daer wilden maken, Fragm. Carl. 29^.
Ende aTentuert s^nleTenghinder, om te behouden ,
sine kinder , Nat. Bl. III , 207. Mine maghe snllea
haer lyf met n daer binnen aTenturen, Rijmb.
32368, Tgl. Aiol-fr. 212. So dat hi te menegher
stonde Tan liTe dus wert geaTontnert , ^. II' , 7 , 16.
Daer hi sgn Igf om besuerde ende sijn ziele on
aTontuerde, Lsp. I, 28, 59. Sy hebben lie Ter «onder
biyf taTentnerne goet ende lyf, Orimb, II, 1270.
Dat si doer minne ende trouwe met hem ayontnert
haer ere , Vrouw. e. M. 1, 519. Soe eest beter , hoe
soet besuert, dat men der weldecheit ontbert dai
salecheit es geaTontuert, Rincl. 299. (Als) dii
groot storem daer in wast, dan wort datscipghe-
aTentuert, Praet 574. Die gheen, diea ro^en
heeft ghewout , die mach tscip best ayontarea, Hild.
135, 112. Verslet jon altoes wel de (/. dat) gki
niet ne aTentuert de siecken. Jan Yp. 136. — T aT ei-
tnerne staen, gevaagd moeten worden. \\ Onie
leTen dats altoes Tor hem gereet, waer dattayei-
tnurne steet, Lorr. Y, 346. — Ook als wedeik.
WW.: Hem aTenturen, zich wagen, ziek i» ge-
vaar brengen. || Alse lange alsic in desen pocnt
bem, sone aTenturie mi niet, here, Leme, UI,
1978. Ne ware dat ie mi aTenturde doe liare te
bescuddene Tan der doet , IV, 7010. Die hem wille
nemen thare , hi aTentuert hem alte sware , NaL BL
YII , 504. Jonathas es henen gheTaren , ende avea-
turde hem te waren , Rijmb. 19892. Wie hem meest
aTenturen dorste, om te zineTan groter ere, 31758.
Die tgoet Tan lande te lande Tuert ende hem
dicke daer omme aTOntuert, Lsp. III, 18,31.Die«
die Brabanters TerTeert worden , ende dorsten hen
niet Terder aTontueren yet, Orimb. I, 5064. Wit
hebbic al door u besuert ende mi gheaTentnert ,
Glor. 641. Ic moet mi Taren aTOnturen , &yA. 5327.
Ie sal mi selTen daer teghen aTontueren ende eenea
camp aeuTerden, Htige v. Bord. 10. Hem roawet dat
si so meneghe Trese ende so meneghe staerke rese dor
sinen wille hadden besuert ende hem so dicke ghe-
aTentuert, Alex. III, 1203. — Het vcrl. deelw.
ge aTen tuert, heeft den zin Tan in gevu^r. H
Syn here sach Yaspasiaen ... in scamen, dat si
haren here lieten gheaTentueerd so sere, Bijmb.
29817. Hoe die kinderen omme tserpent g'heaTai'
turt waren ende teblouwen, Sp. III*, 28, 60.
3) Iets op V spel zetten , in den zin Tan eedden, it
Ic aTenthueme Tan hem noch u en sal thaemeer
ghe wrocht zijn, Ned. Kluehtsp. 84, 148.
4) Te gemoetgaan, aanvaarden (Taneene onsekere
toekomst). || Met u willic aTenturen, lief, tsnete
metten suren, Beatr. 139.
II) Onz. — 1) Eene kans wagen. \\ Hets goet dat
wi hier binnen duren , ende laet ons nu hier aTentnrea
dor den coninc uwer alre here, Lanc. II, 46849.
2) Op aventuur uitgaan. \\ Die sgns heren goet
Tuert ende om winnen aTentuert, Lsp. III, 5, 69.
III) Onpers. — Mi aTentoert, mij gevU,
407
AVER.
AVER.
408
kit overkomt mij. || Maer hem aventaerde dat sijn
ore gheyelt wert sciere, Heeln 5682.
AYER, znw. m. Ags. ea/ora^a/ora, nakomeling,
woon (Ettm. 1, Grein 235); osaks. abharo (Heine,
Hil. 151) ; got. afar (Lue. 1,5); vgl. Bernhardt, ald.
Alleen Toorkomende in de vereenigde uitdrukking :
Tin aver te avere (tavere), en met de aspi-
ratie: Tan haver te haver, van ouder tot (mder,
9*n vader op zoo». Deze uitdrukking was in de
17de eeuw nog gebruikeiyk {JJUlegk. Wdb.\On'^0'
mans, Wdb, op Bredero), en is ook thans nog
in Tlaanderen in zwang , hoewel in gewijzigde op-
Titting (De Bo 65). Doch daar men den waren zin der
litdrakking reeds niet meer begreep, verbasterde
M tot van haver tot gort (garst) , in welken
Torm zij reeds bg Roemer Yisscher voorkomt (De
Jai^r , Taalk. Mag. 3 , 496). Van volkomen gelijke be-
teekeois is de mnl. uitdrukking: van ore te ore
(Tin oer e toe re), van erfgenaam op erfgenaam:
ue Oer. || Mgn heer Segerman van den Male , die
Ttn Grimbergen . . . van aver tavere geboren was,
Grimh. I, 3550 (var. van haver te haver),
ATER. Zie Au er.
ATERACHT. Zie Averecht (2de Art.).
AYERECHT, bnw. Uit Ave en Recht. Verkeerd,
omgekeerd, met de binnenzijde naar buiten gekeerd. ||
Of dus scone es de averecht zide , die hier tonswaert
es ghekeert, so moet soe scoonre sQn ende blide,
die rechte zide daer God reigneert, Praet 2551.
Soe wat manne gaet ontlixent , zy met slapelakenen ,
xy met averechten cleederen, . . hy es om vgf
icellinge, Belg. Mus. 7, 294 {a. 1360); verg. 1,
249. — Ook als znw. dat averecht, de ver-
keerde kant, de binnenzijde. \\ Den roe van sente
Janne een wit guldin lakin, . . thaeverecht scoen
groen, Diericx, Mém. 2, 256. Die mauwen ende
thaeverecht van sente Eateline mantel ghevoedert
gheljc bonten, ald.
AVERECHT (averrecht, averacht), bjiw.
Uit Ave, af, en Becht, waarb\| ave den ouden
vorm behield en niet tot af verkort werd; vgl.
AVE60NSTICH. Eigenlijk, in de richting tegen-
overgetteld aan de rechte, in eene andere richting
iem ie rechte, in verschillende toepassingen.
1) Bg WW., die het begrip van vallen of doen
9*llen te kennen geven. Omver, het onderste boven ,
kalt over kop. || Hi reet op Hestor metter vart,
ende stakene arerecht ter eerde, Lanc. II, 34602.
Ie sal u mettesen spere steken van uwen orsse
tverrecht, II, 43876. Ende stietenen achter rugghe
▼ta boven neder averecht, dat hi tumelde in de
ptcïki, Brab, T. VI, 8164. Dese wint dede groet
OBfevoech; hi wayde die wagen averecht, die opt
velt steeden slecht, Velth. IV, 57, 56.Pharaonis
• . heer warp hv averecht in die zee , B. B. Exod.
15, 4. Hi dodese ende hi warp sijn poorten
tverecht, Num. 21, 30. Werpt averecht haer
wtiren ende breec haer afgoden, Deut. 12, 3.
Oec wtrp hy den toren Phanuel averecht, Bicht.
8, 17; enz. Daniel wierpen {Bel) averecht uut
den tempel, Es. v. 1423, 126^. Den tempel averecht
ghcworpen . . ende ghedestrueert, Greg. Hom.
182». — Averecht vallen, tumen, omver-
flien, ondersteboven vallen. || Die ridder staken
•w, dit hi moeste vallen averacht uut sinen
f«wide in die gracht, Lanc. II, 15366. Ende
iloech Keyen optie scoudere daer, dat hi averecht
▼iel ter eerde, II, 40948. Ende maecte ene wonde
•o groet Gyngantione , dat hi met allen averrecht
■owte nedervallen, III, 13966. (Si) deden ons
▼*llen . . sulc tgt averecht, sulc tijt op die zide,
Mandev. 67tf. (Si) vielen averecht neder ter eerden ,
Ruusb. 5, 214. Dat hi tumede . . van den orse
averecht , Merl. 14438. Hi dade daer menich averecht
tumen, 21342. Averecht viel hi ter neder, Ferg.
3401. Mettien Jan die west (/. vuust) verdroech,
enten genen vor den mout sloech , dat hi averrecht
viel ter neder, Velth. I, 39, 31. Die ridder ghe-
raecten echt, soe dat hi averecht ter neder viel
van sinen perde, Limb. II, 1083. Dat hi averecht
viel int sant, IV, 1049. — Averecht liggen,
onderstboven liggen, ruggelings op den grond liggen.
II Hi leget soe lange averrecht, Lanc. II, 37523.
Dat hi neder ter erden lach averecht op sinen
scilt, Ferg. 2564. Ie sach dat si averecht lach,
ende hi raepter op haer slippen, Lipp. 94. Dat
die coninc . . averecht bleef liggende, Jf<?r/. 11151.
— Averecht ter neder lopen, hals over kop,
in aller ijl naar beneden loopen. || Selc quam int
huus gestoven ; selc liep averecht ter neder , Rein.,
Bijl. 289, 60.
2) Onderstboven, andersom, met de rechte zijde
naar binnen, naar onderen of naar achteren. ||
Ene scone joncfrouw , die anehadde , bi mire trouwe
haer cleder averrecht . . .: mantel, sorcoet, roe,
. . . al waest averrecht gedaen, Lanc. III,
13625. Doe sinde die coninc enen ridder daer, die
bloets hoets quam so naer, ende met sinen scilde
averrecht (dit was een teken van vrede echt) , III ,
18244.
3) Van onderen naar boven, van achteren naar
voren, omgekeerd, verkeerd, andersom , in oigtvX^leio
en figuurlijke toepassing. || Dit edel woort in sijn
beduden dat is al averecht gaen staen, Hild. 25,
38. Hier beghint den< AB. recht ende averecht,
O VI. Ged. 3, 143, Titel. Averecht was ghekeert
haer cansse, Brab. T. VI, 11761. Ie doe hem wel
horen paternoster averrecht lesen, Sacr. 1085. Ie
hadde averecht gheseyt, by uwen payse, bycans,
maer ie laet om al dit volc eerbaer, Ned.
Kluchtsp. 89, 320. Die heren ... sijn hem ge-
voleht met gewapende, mer twas te vergeefs,
want sijn paert was averecht beslagen, Exc. Cron.
128 e.
4) Van den rechten weg af; ook averechts, in
verbinding met keren. \\ Hi bekent haer averechts
keren, dat si scalck es, Hs. v. 1423, 243^. (l)e
gierigaard) keert zijn aenschijn averecht ende ver-
smaet zijn siele, D. B. Jes. Sgr. 14, 8.
AVERECHTEN, zw. ww. bedr. Van Averecht.
Eunstterm bij de lakenbereiding. Laken — , laken
scheren, nadat op het droge laken vooraf het haar
tegen den draad of averechts opgeborsteld is. Verg.
Kuyper, Technol. 2, 444 vlg. || Item wat laken
staen upten raèm buten 11 vierendel wijt, die
selmen doirgaans averechten mitter scair, Leid.
Keurb. 81, 48. Item alle laken die s(jn boven 10
ponden , die sel men averechten upten sceerdisch ,
108, 3, 8. Alle laken van sorten selmen doer-
gaens averechten mitter scaer, 115, 147 (zie nog
530 , 33). Van der hoefmanne cledinghen te wintere
van pannen ende colen daer de lakene bi ghestreken
waren , 13 s. 4 d. ; it. van strikene 33 s. 4 d. ; it.
16 gr.; it. van draghene, 20 d.; . . . it. van
karden te makene 5 s. 7 d. ; it van 5 lak. taver-
rechtene 37 s. 8 d.. Rek. v. Gent 1, 387 aant.
Zoo ook R. V. Utr.1, 245, 28; O. fV. v. Amst. 54 ,
11 ; 14; ook Handv. v. Weesp 436 (waar ten onrechte
Anerechten gedrukt is).
AVERECHTS. Zie een voorbeeld op Averecht 4).
AVEREN, zw. WW. bedr. HoizoÜ^t tXs achteren.
(Zie ald.). Bederven, achteruitbrengen , benadeelen.
499
AVER.
AVES.
500
II Die landen worden geavert, die ludengebystert,
gevanghen ende doot geslagen , Matth. Anal. 3 , 340.
AVERONE (averuy), znw. vr. Hetzelfde als
oef rui (z. ald.). Eene plant: artemisia abrota-
num, fr. aurone, wvl. aueroone (De Bo 66, vgl.
Kil.) il Abrotamum dats averone of jagerande, Hs.
Yp. 91 d. Coelne, mte, averone, mente, byroet,
enz. 30b. Averone, salvie, alsene, enz. 35 d.
AVERTALLINGE, wel verkeerde lezing, Sp. d. M.
1, 62 ^, voor overtollige. II Venijn, vyantscap,
strijdinge, kijvinge, avertallinghe etinge ende des
geiycs.
AVERWIJS, AVERWITTICH. Zie Awech.
AVES (in het rgm veelal aues, auwes, aeus,
Aus), later ook aefsc, bijw. Door toevoeging der
adverbiale s gevormd van een biJw., dat ohd.
abuhy aboh\ mhd. ebich\ nhd. abieh, aèicA; osaks.
abAuA luidde en afgekeerd^ verkeerd beteekende.
In het Mnl. moest dit ateh , avech , worden , waaruit
door toevoeging der adverbiale 9 en wefsmelting
der k de vorm avet ontstond. De grond van het
woord is aha^ abe, ons ave, af. Verg. Ned. Wdb.
op Aafsch.
1) Eigenlijk. In omgekeerde richting, andersom.
II Ende wart aves gheset up een paert, alse dat
anschgn achterwaert, Sp. IV',33,37. Endeghelijc
alst een wint ware, wart die boem gehuert van
dare ende aves gesteken over weder, III*, 32, 63
(Vinc: illa iurbinit modo retroaeta diversam in
partem ruit).
2) Figuariyk. Verkeerd, averechts. In verschillende
zegswijzen: — Aves gaen, verkeerd gaan, den
rechten weg verlaten, in de war gaan. || Hier na
so wert Julius paeus, diet geloeve sach gaen al
aeus, i^. II*, 49, 36. — Aves staen, ver-
keerd staan, slecht staan , in de war zijn. || Noch toe
stout die vriendscap aves tusscen den keyser enten
panes, Sp. III*, 24, 49. — Aves sijn, verkeerd
zijn , in de war zijn , zich op een dwaalweg bevinden.
11 Mi wondert, dat hi was dus aves, olso goet
clerke als hi was, dat hi dorste ghewaghen das,
datte liede onghelovich waren, Stoke VI, 34. —
Aves geloven of — spreken, op eene ver-
keerde wijze gelooven of spreken, d. i. in ketter schen
zin. II Want die keyser gelovede aves, Sip. III*,
16, 18. Bi wlen Liberius was die paeus, die an
Eusebius sprac al aeus, II*, 10, 13. — In aves,
op een verkeerde wijze, ten onrechte. || Want du
heves aldus mesdaen , ende du dit gebot uutgaves
sonder redene al in aves, Sp. III», 7 , 2. Die derde
Gregorius de paues, die den keyser sach in aves
dat kerstijn gelove minnen, III*, 65, 17. — In
aves verkeren, een verkeerden weg inslaan, op
een doolweg komen. \\ Maer, oft God wilt, dese
Paus en sal niet verkeren in aus, noch oec doen,
sijt seker des, datten kerstenheiden yet jegen es,
Velth. VI, 29, 53. — Iet in aves keren
(verkeren), iets op een verkeerden weg brengen,
in de war brengen, of wel er eene verkeerde uit-
legging aan geven, het verdraaien. \\ Dat quade
liede, valsch ende fel, . . die des welvarens hadden
toren van der kerken ende van den paues , keerden
alle diuge in aves, Sp. IV*, 38, 2. Dies wart hi
ghehaet te mere van den paepscape , die hem laghe
leiden bi nachte ende bi daghe, ende verkeerden
sijn doen in aves, III*, 32, 34. Ende wrougeden
Symachus den paues, ende keerden sine doget in
aves, III*, 1, 91. — In aves varen, verkeerd
loopen, in de war loopen. \\ Doch waser also toe
gesproken, dat dat orloghe wart tebrokeu tusscen
den keyser enten paues, al voert varinge in aves.
Sp. IV*, 73, 29. — In aves sijn, oneenig zijn,
geharrewar hebben. \\ Van Paschen te hondene waest
in aves, want men heefier af gehort te desentide
groet discort, Sp. II*, 59, 4.
AVESC ^AEFSC , AU wesc) , bnw. en bgw.Van Apa
met het achterv. -se. Verg. Ned. Fii6. op Aafsch.
Als bnw. — l) Eigeniyk. Jfwaarts gekeerd, ver-
keerd, zijdelingseh; (van wonden) van ter zi/ie
of van achteren toegebracht. || Wanneer hi hen
waende te slaen, is hi hem tusschen die beei
ontgaen onder sinen buuc, ende sloop so door. So
liep hi dan weder voor, ende gaf hem enen aefsckcE
hou, Bein. II, 7043. Hughe qu&m met eeaa
aefschen slach ende sloech Agapaert dat hooft if,
Huge V. Bord. 52. — Avescher hant, md
omgekeerde hand, lat. vmlhu inversa, d. Laverecki,
zoodat de slaf van onderen naar boven geschiedt.
II Ende verdrouch tswaert avescher haat, eade
clovedem helm ende nesebant, Wal. 2087. Hls
binnen laet hi gaen sijn swert onune hwtisehff
bande, ende slouch den enen onder die tudt.
dat hem thoeft viel van den buke, Limi. Tl, WL
2) Figuurlgk. Verkeerd, dwars. \\ Soc sp si
soe straf, stug und stuer, verkeert, aefsch,WT«ct
und suyer, Vrouw. e. M. VII, 96. — Avescs|i
met enen, met iemand op een verkeerden voet
staan, in onmin zijn. \\ Dit heeft herde goet gedsc^
Cornielise, den heilegen paeus, die metten kejxr
was al auwesch, Sp. II*, 23, 30.
Als bijw. — Hetzelfde als Aves (z. ald.). AMeredkti,
omgekeerd, andersom. || Dieconinc8loechen(d^itf/t
uut ende Apollonius keerden constelic weder ae^
in, Gest. R. c. 163.
AVESPRAKE. Zie Awech.
AVET. Geldersche dialectvorm voor ovet, o@ft,
R. V. Zutf. 13, 37 e. e.
AVETRONC (aventronc, ook haoetronc;,
znw. m. Verbastering van een vermoedeijk fst.
avoutron ; prov. avoutro (Rayn. 2 , 29) ; waaLxk
awatron (Grandgagnage 329) ; verg. oudeng. astif^
(Halliwell 1, 117), in de beteekenis zoowel m
overspeler als van een in overspel verteetf üd
Het ofr. avoltre, avoutre, en het ww. ««©«/rr,
it. avoltro, oudeng. avoutrer, avoutrye, zgn afgeléi
van lat. adulter, adulterium (Burgny 3, ^]. 0^
den vorm des woords was misschien van isTkei
het bijna gelijkluidende avonttronc, aventtrone{&
ald.), als ook de volksetymologie, die hel w&
tronc, stam, in verband bracht, en een «r^A-tmet.
af tronk, beschouwde als een kind dat niet ^
den echten stam behoort : bij Kil. „ATe-tronet
af-tronck, vetus Fland. Nothus, spurius.'*'* li è
17de eeuw komt het woord nog voor (Oademan»l.
269). Zie verder Verwijs in Tijdsckr. 2, 182Tl£r
Een in overspel verwekt kind, fr. enfant euUütérm^
lat. adulterinus. \\ Waert dat yemend in eve^
moede eenen anderen heyte bastaert of aventi^
of dief, of diere gelike , hy zoude verbneren ï k-
al waert ooc waer. Wiel., Jnsir. 135, 409. l^
dat hy niet dan eenen haghetronck achtcrlkt
Eaerle ghenaemt, die hy binnen zgnen fanw^s
ghehadt hadde by die schoone Alpiade, sga^
concubine , Despars , Cron. v. Vlaend. 1 , 76 («i
28). S. Ie crauwe mynen bol. B. Waer om , aventi^osci^
Sacr. 1033. (Hier kan het echter evengoed W
gelijkluidende avondtronc zijn, daar het bloot i^
scheldwoord wordt gebruikt).
AVIE, bijw. uitdr.; v. h. fr. ^ vie ; slechts in de mi^
rente avie, rente voor het leven , Ujfrentéf, \\ Hsf
des die syn oem was , die gaf hem in Tal>eTie af •
levene rente avie, Sp. I», 97, 68. Vgl. BiLEVisst
501
AVIJS.
AVIS.
502
AVIJS (ADViJs)f -wtf, znw. onz.; in de bet 1)
van fr. tans^ beantwoordende aan een lat éuhuum,
dus eigenlijk: hetgeen naar mijn zien ia\ Terg.
it fu vüo a me] in de bet. 2) van fr. avis , stam
van het ww. aviêer , lat. advisare (Scheler 34). Soms
twijfelt men, welk woord men voor zich heeft.
1) Zienewijze, gevoelen, meening, gedachte, denk-
beeld, il Want dnecht leeren es goet avüs , D^ibn. 3 ,
182 , 21. Ooc 80 kennic n avijs een deel, so ie mi can
beseffen, OVl, lAed. en Ged. 286, 1557. Elkerlijc
gaf hem prgs, diet ordeneerde in zjn avijs dat
fiet te maken so Jolijs, 292, 1727. „Was Adam
coninc van Gode ghecoren, ende dronch hi crone
int paradQs?*^ — „Jai, kint, maer verstant tavQs,
coninc was hi, maer niet ghecroont,^' 617, 688.
Ie en hoorde m^n daghen vremder advijse. Nu
noeh 148. lek en hebbe hart , sin noch advijs , ick
en moet weten hoet met haer staet, Mar. v. Nijm,
14, 328. — Na (in) mgn avQs, naar mijn
meening, volgene mijn gevoelen. \\ Tlicht, dat uter
straten vloyde, dat was zoo claer na mijn avgs,
al hadt ghesijn int paradijs, O VI. Lied. en Ged.
240, 222. Üochtic in eenicgher wijs beraden nna
mQn avijs , ie wil u helpen sonder verdrach , 477 ,
632. Men en mach tronwe niet volprisen, dnnct
mi seker in mijn avgs , Vod. Mus. 1 , 346 , 45.
2) Baad, raadgeving , beraad. || Vrome liede ende
wise, die van heren avise ghehoert hebben ende
ghesien. Lip, III, 13, 29. Ende lazen hem der
minnen prijs, daer die barchgrave sijn avijs toe
gaf, OFl. Lied. en Ged. 276, 1261. Ridderen van
goeden avise, Brab. Y. V, 3267. Een ander sterre
die contrarie es, die staet zudenwaert . ., daer
die sciplude k^% ^JdJinemtii, waarbij zij rtuidplegen,
weuaraan zij teaamemingen doen, Mandev. 436. —
Bi avise, met beraad , met overleg , welberaden. \ \
Bome ende broot dat was snn spise, ende dat
soberlic ende bi avise , Jmand 1 , 604. Üeerct bi
ay^B die doghet ende die voorsienechede . . van
Jhesnm Christnm , 1 , 3310. Hi besteldese bi avise
met goeden priesters van pryse, U, 11. In welker
wjse dat hi mochte helpen bi avise te beschermene
tgheloove goed, II, 71. Ende seide bi goeden
avise, II, 2144. Toter doot waren si hem troostelic
in 'diere wyse met voorsienecheden ende by avise,
II, 3670. Dese pilaer stont bi avise ghewrocht
uut eenre boorch so schoon, O VI. Lied. en Ged.
26&^ 605. — Met (goeden) avise, metoverleg,
wglheraden. \\ Dat mense niet uut mochte trecken ,
men mochter met avize up mecken, Fragm. Carl,
191. Bidt vol genaen den oversten here met goeden
avise, Bliec. v. Mar. 1747. — In sulken avise,
mei zoodanig beraad, op zoodanige wijze. \\ Ende
wert alsoo in mi te rade, dat ie mi sonde in
snlken avise nomen, dat hy in vroeder wyse
moeste verdocht sijn ende voortgaen, die minen
name sonde verstaen, Jmand II, 6357.
AVISEEEN (avisieren, aviseiren), zw. ww.
bedr. en onz. Fr. aviser.
BCDR. — 1) Enen — , iemand raden, waar-
te Au^aen. I) Ende heeft Hughen menichwerf ghe-
a viseert ende ghewaerschuwet dat hi sijn gebod t
niet en brake, Huge v. Bord, 64. — Ook als
wederk. ww. — Hem — , zich beraden , zich bedenken.
II X>aertoe moet hi hem avizeren om voortgaen,
(7F7. Lied. en Ged. 619, 23. — Het verl. deelw.
Kvisiert als bnw. , welberaden , verstandig , bij uit-
breiding: t9^/0p^tf9o^<^. Verg. prov. am^ , instruire
[Kayii- 6 , 636), en De Vries, Taalz. 3. || Si waren
kiovesch ende avisiert, Ferg. 3657.
2^ Bedenken, verzinnen, beramen, ontwerpen. ||
Na waerden en hadden zi noit loon , diese (die
boreh) 80 meesterlic ordineirden ende so fijnlijc
avizeirden, O VI, Lied. en Ged. 253, 607. Twerc,
dat ie hem sach avizeeren, 484, 164.
Onz. — Met hetvoorz. o^. Aviseren op iet,
op iets bedacht zijn, iets verzinnen, op iets letten.
II Ende om dat soe dit blameerde, rechtevoort ie
avizeerde up een ander vroilic liet, O VI. Lied.
en Ged. 280, 1389. Up dander beilde icavizeirde,
462, 175.
AVISERINGHE (.wisieringhe), znw. vr. Het
uitdenken, het vermogen om uit te denken of te ont-
werpen, vernuft in het uitdenken of ontwerpen. ||
Avisieringhe {in den tekst staat ten onrechte Ain-
steringhe) ende mate adden verchiert al de saté,
dat ie mi selven al verloos, O VI. Lied, en Ged.
260, 498.
AVOY (ayvoey, ayboy, jaboyr), tusschenw.
Ofr. avoi, avoy (Burguy 2, 397); mhd. avoy. Een
uitroep van verbazing enz., waaraan verschillende
verklaringen zijn gegeven, als door Diez (Gr. 2,
413), die meent dat ofr. avoy is samengesteld uit
ha voi, verg. it. eh via, hd. ei weg, eng. away;
door Génin (Ch. de Bol. 340), die het verklaart
door è voie, d. i. allonsl en r(w/tf !, terwijl Burguy
het houdt voor ha voi, sp. a/é, é.. i. ei ziel De
verklaring van Diez schijnt de aanneemlükste :
avoy staat dan geigk mei voort , komaan , alle , loop,
als uitroep van verbazing, terechtw^zing, op-
wekking enz. gebezigd. || Thoas die coninc riep:
Avoy! Her Achilles, ghy en segt niet wel, Troyen
f. 161b, Ay boy, nu es mi wel becant,.. dat die
meneghe met haesten doet, dat hem namaels sere
berout, Bubb. 1. Ay voey! haddic goede cleder
aen, soe soudic voert ghetrocken sgn. Wint. e. S.
382. Nu blaest in, dat Qodmoets wouden, jaboye!
nu sidi een man, Buskenbl. 80.
AVOY (avoye), bijw. In de vereenigde uit-
drukking Avoy varen, eig. weggaan, en bij uit-
breiding te niet gaan, verderven, waarschynl\jk
ontleend aan eene fr. uitdrukking aller è voie.
Verg. het vorig art. || Hoe Cayms gheslachte voer
avoy ende mitten water al bedarf, Hild. 134, 30.
AVOYT (?) II Want her Otte van Bylant
ende her Borre van Domik voer ons ende onse
manne geliet hebben, dat si enen vrede gaven tot
avoyt heren Woyter van Eeppel ende heren Jacob
van Mirlar, ende die vrede gewanct es , so zeggewi
dat her Otte ende her Borre . . den vrede op solen
richten ende beteren, Nijh. 3, 147. De bet. moet
waarschijnlijk zQn, voldoening, tevredenstelling of
gunst, nut of een derg. begrip. Zie de Aant. t. a. p.
AVONT (avent), -<fe,znw. m.;mhd. ifttffi^mnd.
avent; zie verder 6rimm«, B. Wib. 1, 22.
1) Avond, de hedendaagsche beteekenis. Bij t^ds-
bepalingen veelal zonder lidw. || Biden avonde, Lanc.
III, 19110. Eer avont quame, Lanc. II,7346;vgl.
10414. Jegen avont, Parth. 1301. Eer avont, Zan^.
III, 7082 (zie eer). In de uitdrukkingen: — Te
avonde gaen, neuvr den avond gaan, ten einde
loopen. II Daris levede sonder feeste, om dat hi wiste
... dat hi niet en mochte ontgaen , ende het ginge
te avende wert, Jlex. VII, 2. — Enen goeden
avont geven, iemand geluk geven , als wensch ge-
bruikt, vgl. bij DACH. II God die rike moete u goeden
avont gheven, Bein. I, 1068. — Quaden avont
hebben, ongeluk hebben, bij verwenschingen
gebezigd. || Quaden avent, pensdic doen, moet
ghi hebben, daer ghi staet, O VI. Lied. en Ged.
338, 666. — Avont eten, het avondeten ge-
bruiken. II Ende es ditte den staet van der gemeente
503
AVON.
AVON.
504
van alle daghe te doene als de Prince eet noene
ende avont, Matth. Anal. 1, 270. — Met het
voorz. te^ in de samengetrokken adverbiale uit-
drukking: tavont, va» avond , heden avond (nog
niet geheel buiten gebruik). || Ie wille dat ghi
tavont herberghe hebt met mi , Rein. 1 , 1081. Het
dinct mi bet ghedaen , dat wi noch tavont te hove
gaen, dan wi tote morghin beiden, I, 1095.
Herbirghet tavont met mi, I, 1107. Wistic dat,
ghi souter sijn noch tavont sat, I, 1143. Wine
moghen niet tavont sceiden, I, 1182. Hem wert
tavont haren dienst gheloont, Segh. 10200 Var.
Uwes levens es gheen sekerhede hedent, tavent
no morghen mede , Praet 1567. Snect ons ene reyne
sele {zaaf) , daer wi tavont ons in resten , L. o, H.
1781. Wi selen noch tavont met vrouden sijn,
Lipp, 46. Ie sal haer dit abuus noch tavont tongoede
maken, 58. Ie heb tavont en dachvaert van enen
pape , Plai/erw. 82. Hy moet tavent aent mes , Mar.
V. Nijm. 20, 457. Of hy thavent of moorghen
storve, Ned. Kluehttp. 92, 84. Wi sullen tavont
sijn verloest, Stoke V, 772. — Met het voorz. tf»,
in de vereenigde uitdrukking: gistern avont,
gieter en op den avond ^ gisteren avond. \\ Die ridders,
die ons beslopen soe gister navont , Lanc. II , 28067.
Ghi brochten ghister avont . . . hier int stroe,
JBelg. Mus. 10, 71 , 88. Hi wert ghister navont alsoe
bestaen, Lansl. 298. Dies benic nu vele vroeder
dan ie gister navont was, 324. Gister navont,
doen ie thuusweert quam , Rubb. 7. Ghister navont,
Sp. III', 21, 57. — Over de bijw. navonts en
tavontmere, zie die woorden. — Ook vooraf-
gegaan door de paragogische n. || Dus reden si
toten navonde toe, Leme. II, 9197.
2) Avond y en bij uitbreiding, dag vóór een
kerkelijk feest ^ fr. la veille, van lat. vigilia. Vgl.
Kerstavond en Sinterklaasavond. \\ Te Sinte Fran-
soysen avonde was dat, dat die gevangene nie
ne at, Franc. 9277. „Help, helieh vader, dat
ie te diere feeste mach sijn, also io behiet den
broeders' dyn." Nu waest sijn avont .... 9674.
Als hi was int qualijc varen, . . ende lange
in spn bedde lach, naecte Sinte Fransoisen dach.
In sinen avont hem begonde toeeomen some lichte
stonde, 10357—62. Op Sint« Jans Baptisten avont
vore der noenen, Brab. Y. Vil, 9690. Desen strijt
geschiede op sinte Jans avont in den somer, Exc.
Cron. ISSb. Hy vaste horen avont ende vierde den
hoghen dach hare passien. Pass. W. 115a. De
wynexchijs . . beginnende Katherine anno 1508,
ende eyndende Katherine avont 1513 , Inform. 386.
üp avende Simonis et Jude , Stadb. v. Gron. IX , 50.
— Hoge avont, avond of dag vóór een hoog
feest. II Want een hoghe avont was, was men vele
te blider das, Stoke IV, 1369. — Nieuwe
avont, avond of dag vóór Nieuwjaar , Oudejaars-
avond^ oudejaarsdag. Be nieuwjaarsdag zelf heette
nieuwe dach. Zie Dach. || Up den nieuwen avont
bactmen koueken, Belg. Mus. 6, 319. Jan van
Steenbeke voer in nieuwe avonde tYprewaert , Kek.
V. Gent 1 , 296. Een bode van Antworpen quam
in nieuwe avonde met letteren tote scepenen,
2, 57. Pieter Soetard voer in nieuwe avonde
tËrdenborch, 116; enz. — Verder in een aantal
samenstellingen als Dertienavont, Meye-
avont, Jaersavont, Paeschavont, Palm-
avo nt enz. Zie die woorden.
AVONTBEDINGE , znw. vr. Avondgebed. \\
Doen wy onse avontbedinghe ghedaen hadden ,
Vaderb. 250*.
A VONTETEN, znw. ouz. Avondmaal, ook in
kerkelyken zin. jj Voir dien dag dat hi stcrrei
wonde, doe stichte hi ene grote feeste , dat wac en
avonteten, Ruusbr. 3, 151. Ghelikerwys dat die
Apostelen met Christo in den avontetene alle te
gader ontfinghen dat heylighe Sacrament, 159.
AVONTGANGER, znw. m. Iemand dis'savondt
zijne geliefde bezoekt, als nog in sommige strekei,
vooral op het platteland, gebruikelijk is. Zie
Halbertsma, Nalezing 273 vlgg. Ook in geestcljket
zin op Jezus toegepast || Heer Jezus is een Avoat*
gangher, tot eenre jonferen was alle sgn ganc,
Hor. Belg. 10, 195.
AVONTLIKE (Aventlike), bnw. Lat vuper-
tinus. Avond-, jj In die avontlike offerhande bia k
opghestaen van mynre castiinghe , D. B. Esra 9, i
AVONTMAEL, znw. onz. Uit Awmt en Msel.
tijd, nog bekend in ons maal, als de eeretemoël,
etmaal enz. Avondtijd. jj Doe dat ayontmael vu
comeu, doe namen metter hant syn waerd eide
seide: „Gawi thuuswaerd," Zaïur. UI , 25727 ; doek
verg. 25741, waar het in de gewone beteekeais
van avondeten voorkomt zoo ook : || Wanneer di
doeste een ochtenmael of een aventmael , en wil diie
vriende niet noden, Hs. Evang. Lue. 14, 12. £a
mensche makede een groot aventmael , ald. , 16. Se
nog Stoke X, 982, en avontwerscap.
AVONTMAELCAMER (Aventm.) , raw. tt.
Eetzaal. \\ Hi sal in toghen ene grote aTentmael-
camere bereit ghemaeet, Ht. Evang. Lmc, 22, 11
AVONTSTERRE (avonsterre), znw. tt., awai-
ster. II Soe volghet die avonsterre der sonnei.
Ruusb. 4, 217. Dit hetet oec ene avonsterre , cü^
Zoo ook 5, 112 vlg.
A VONTSTONDE, znw. vr., mhd. ahenUimmk,
Avondstond, avonduur. || Doe gheschiede stilnese
in den hemel als eene avontstonde , Openè, Joh. 8, 1.
Zie ook AVENSTONDE.
AVONTTRONC (avondtronc), anw. m. £a
woord van duisteren oorsprong, niet te verwaipei
met Avetronc (zie ald.). V. d. Bergh, Jfjrrt*/,
9, geeft de gissende verklaring awmdecAinder ^
en meent er eene samenstelling in te xien vti
avond en tronc, van een ww. troncken^ bg KiL
truneare; een geest dus, die des avonds aUerki
kattekwaad doet om de menschen te pla^n of te
verschrikken. Willems wil avetronc lezen en vcr-
gelykt het met mhd. abetroc, phantasma, ou
droch {Belg. Mus. 2, 116). Grimm, Myth, 432,
noemt naast mul. alfsgedroch ook mhd. peiroc,
dgetroe, abegetroe, doch de laatste vorm is vbb
zyne vinding en niet te bewyzen; slechts é^tret
komt een enkele maal als scheldwoord voor (Bea.
3, 106; Lexer 1, 28). De oorsprong van krt
woord is dus niet met zekerheid bekend , doek de b^
teekenis is kaboutermannetje , alf , nikker ., kwsigelijb
pUuiggeest. \\ Ie wil u belezen ende besweeren eatdi
manen by al dat u mach deeren, bj nachtridden
ende by avondtroncken , die achter den ovea è»
belle cloneken, Nu noch 207.
AVONTWERSCAP (Aventw.) , znw. vr. Ammi-
feest, avondmaaltijd, ook in kerkelij ken zin, «a«K^
maal. \\ Uwe te zamenen cominghen in een ne «
niet omme tetene de aventwerscap des heren , wta
elc bestaet siin aventmael tetene, He. e. 134ê
120« (I Cor. 11, 20).
AVÓNTTIJDS, bgw. Bij avond, des avonds. |
Overmids . . sinen coste kersdaghe avondt^ds «si
sijns ghesinden cost morghens , B£k. v. Zeel. 1, IH.
AVONTURE. Zie Aventüre.
AVOT. Zie Havot.
AWARIJT, tusschenw., eigenlyk en scmerheür
505
AWAE.
AWAË.
Ö06
dat loowel tot ewaerheit als tot awarijt verliep. Verg.
EwAERHEiT. Bloote bevestigingsforinule , gelijk-
staande met ons waarachtig , toara^e , warempel en
dergeigke. || Awargt , ghi souwes mi vele ontmeten,
Lipp. 22. Awar^t, dats een dinc dat ie niet en
can gheloeven ran nwen wiye, 74. Awargt, mi
dochte dat iet sach, 162.
AWAET, AWEET. Zie Aweit.
AWE, £nw. yr. Gew^zigde spelling voor Ouwe^
Londattw, weiland (z. ald.).
AWECH, znw. m. Weg die van het pad voert ^
veekeerde weg^ onweg, \\ De nature die vri was,
es worden een kerkere ende een ghevankenisse
ende ene ellende ende een awech ende een verdolen
hen allen diere in gheboren sijn, Rnusb. 4, 129.
AA.NM. Awech is een der weinige woorden , waarin
de a privans in het mnl. bewaard is. Behalve
awech , d. i. onweg (Kil. locus avius , devins), komen
voor aaage (z. ald.), het afgeleide bnw. amachiieh
(ons a-mechiig) , later tot aehnachtig verbasterd en
awitieh (zie die woorden), waarnaast Kil. ook
aw^ê , absonus en amens , en awijse , dissonantia
amentia, jocns, opgeeft. Verder vermeldt hij
nog awegich van awech en aweerd, indignns. Bij
sommige dier woorden werd de a door den invloed
der volgende w tot au , b. v. auweerd, auwijs , ouwijs ,
auwijeiek (Kil.). Door misverstand werd a privans
met ave^ af verward, vandaar dat men vindt
aveMoeghe (en het daarvan afgeleide ww. avesaeghen) =
eaage (z. ald.) = aveepraeke (Kil.), absurdns sermo;
affoeeh naast awech (£^.); afwegieh wmaï awegich.
Bg sommige andere woorden verbasterde weder
dit ave tot aver ^ zooals bij averwys (Kil. vetttSj
desipiens) en averwittieh (Kil. vetue^ delirus, amens),
geiyk men ook auerreeht gespeld vindt voor ave-
reekt (Kil., Hooft). — Het eenige voorbeeld van
een a met versterkende beteekenis {a intensimtm)
in *t mnl. is abolge (z. ald.). Ygl. 7aai^. 6 , 23— 84 ;
Grimm , (?r. 2 , 704 vlgg. ; Lubben 1 , 136, waar w^
▼oor het mud. vinden awiae^ awieen, awieich^awi-
eicheit en awitie; Ben. 1, 2, waar het bestaan van
a jnriv€uu voor het mhd. ten onrechte wordt ontkend :
het mhd. kende amaht, awise, awisec^ awitse,
auntzec , welke ook in H mnl. en mnd. bestaan, e. a. m.
AWEEL , znw. m. Andere spelling voor houweel.
It Hoek-awelen in haer hant, daer si mede den
muer . . souden breken ende houwen ende afpeken ,
Orimb. I, 3166.
AWEGICH. Zie bij Awecm.
AWEIT (anweit, awet, aweet, aüweet,
awaet), aweiten^ awaten^ znw. onz. By Kil.
Aweyt, aweet, excubiae, vigiUae nociumae.
Praendium^ militare praeeidium. Certamen^ concer-
iatio^ velitatio. Insidiae. Yan Ofr. agait, agueit^
aweil^ eene afleiding van gatte^ gueite^ ytMit/^,dat
syn oorsproDg heeft uit wacht, wachten (LaCume
1, 225; Roquefort 1, 36, 38; Burguy 179 op
G ai tier; Duo. 7, l&x; 1, 137 op Agaitum; 1,
151 op Aguaitum en Aguayt). Hoewel het
fr. aguet bepaaldelijk den zin had van hinderlaag,
en ons woord wat den zin betreft meer overeenkomt
met fr. gaite, behoeft de overgang der beteekenis
in het Fransch geene nadere verklaring.
1) Abstract, zonder mv. Wacht. \\ (Sy) sloughen
den poortier doot ende de gheene , die daweit ter
Soorten daden, Cron. v. Vlaend. 2, 2. Den cnapen
ie aweet daden. Bek. v. Gent 1, 93. Hoe de
temmerlieden van Ghend sullen te alf-vastenen
waken ende auweet doen, Cannaert 397. Hoe (si)
alle jaer van nu voortane auweet doen sullen te
alfastene, ald. Ten awette, die daertoe vermaend
worde . . ende niet en quame, dat ware up de
boete van twintig scellingen, ZFl. Bijdr. 3, 277.
2) Concreet, met mv. Wacht, wachtpoet, tchild-
wacht. II Doen hi vore die stat quam ende dat
anweit vernam, vrageden si hem wat hi woude,
lAmb. Yl, 2092. üp eenen morgen voer huut,om
winnen, die grave van Yalkenberghe degenlike
met groeten moede ghenendelike ; want hi hadde
taweet doen spien, dat si waren onversien; want
die grave van den Foreeste ende Jan van Tsalons
met groeter feeste, midsgaders den grave van
Monbliaert, dese (/. die) souden hebben bewaert
metten heeren dat aweet, dese waren eldre in
haer retreet, VI. Bijtnkr. 6398—6408. Doen ver-
sekerde men gene awaten tallen porten, tallen
gaten, Yelth. lY, Ö4, 11. Die van den aweitte
van der markt coren CXX ghesellen, Cron. v.
Vlaend. 2, 55. Yan andren kersen die men nachts
orborde up scepenen huus ten aweiten , Bek. v. Gent
1 , 35. Item wart daweit verwandelt , 1 , 95. Acht
manne die tharen aweite niene quamen, 98. Den
kindren die pannen droughen bi nachte voert
aweit, 218. In scepenen huns alse daweit daer
lach, 219.
3) Dat donker aweit. De tijd, wanneer men
nachtdtenst deed, nachtwake. V Maagd. 274,
lezen wij: |i „Z. C. Heft ghy dan op na u ghe-
noechte, Ainsy que vou plaist. T. Nu hoert alle,
want tes tdoncker auweet." Wij hebben hier waar-
schijnlijk met een laffe aardigheid te doen , waarin
op het zintuig van 't gehoor dat van H gezicht
wordt toegepast: Hoort goed toe, want het it
donker, alsoi het te donker zou zijn om te hooren.
AWETTER, znw. m. Yan Aweit (z. ald.).
Wachter. \\ Den awetters die ter poorten waren,
aangeh. Invent. v. Brugge, Gloss. op awet.
AWIJS, absonus, en AwiJS, amens. Zie Avvecif.
AWISE. Zie Awech.
AWISICH, bnw. Yan wise in den zin van^ux»^-
wijge (z. ald.). Kil. awijtigh, auwijsigh, absonus,
dissonus; awijeighe stemme, absona vox. Onwel-
luidend, leelijk klinkend. \\ Mit eenre screyelicker
ende awisigher stemmen, Bienb. 125c.
AWISICH, onwijs. Zie Awech.
B.
D 9 de tweede letter van het mnl. alphabet. Zie
Lubben 1, 187; Grimm, 2>. ITtb. 1, 1049—1004.
BA, tnsschenw. Foei, b. t. Taf op 3 K: ba nee»,
— Als znw. gebruikt in de Eegswfjze Ba of bn, ba
no ba, bn of ban of boe nochbaii(banoclL
bau, bi no ba). Zie De Jager, Vertch, 135;
Lat. Verech. 140. In de segswgsen: — Ba of
(no, noch) bu segghen (spreken^ ant-
worden), of wel bn of (noch) ba segghen,
{geen) boe of ba zeggen , een (geen) enkel woord
zeggen, \\ Ende seide: „Wanen bestu?" Jhesus
ne antwoorde ba no bu, JUjmb, 26321. Hi en
conde spreken ba noch bo, so toomich was hi
in sfln hert, Hein, II, 7018. Ende ghi, Cursout,
twine sprecti niet? Ohine segter toe no bu noba,
Parth. 6103. Uwe redene gaet den viant so na,
hine candere jeghen segghen bu no ba, OVL Oed,
2, 68, 52. Lieve kint, dwinc dinen moet eer du
sprekes bu ofte ba, Vad, Mus. 2, 172, 25. Of
hi dan ghinc staen die wande aensien, ende en
spreect bu noch ban, lied. Proza 176. Bat hi dan
. . en spraec bu of bau, Con. Som. 59a. Dat hi
en wiste boe noch bau te spreken , Proza-Jtein. 98r.
— BJ uitbreiding: niet het geringste, niet het
minste. \\ Alse dat kint wordt gheboren, so en
cant zien noch horen, gaen noch staen, bu noch
ba, ende leit als een worm bina, Lep. I, 16, AA
(var. no bi no ba). Wine wetenre af bu no ba,
lAmb. III , 269. Mar als dat bier was wat gesonken ,
doe was hem haer moet ghesonken: doe en wisten
si noch ba noch boe, Vrouyt e. M. VII, 43.
BABBELEN, zw. ww. onz. Hd. bappeln\ eng.
babble-y fr. babilier, doch in de latere beteekenis
van snappen, By Kil. mandere praesepiolis sive acie
gingiuarum, edentulorum mare; verg. het znw.
„babbelen, barbelen, praesepiola, alveoU,
caviiates ossium in quibtts dentes firmantur ," en zie
verder De Jager, Freq. 1, 10. De kaken bewegen,
knabbelen , mummelen , inzonderheid van tandeloozen
gezegd, li Hi sidt en babbelt al waert een gans,
hi en heeft in alle sinen mont, och ! niet meer dan
eenen tant. Hor. Belg. {Jntw. JAedeb.) 11, 128.
BABELTE (babbilie), znw. vr. Verg. mlat.
babillio, bij Duc. 1, 621: „ Babugus, *^#/-
üu, ineptus, babillio, ^^ en verg. ald. Babeettla
op Baburrus. De beteekenis scheut te zijn mal-
loot, zottin, of in sterkere opvatting liehtekooi,
gelijk men denzelfden overgang van zot, dwaas
tot licht van leven ook vindt in fr. fole femme,
femme folie de son corps. || Ie darfsme vermeten
int gheduer so seldu my houden vroom ende vast
in swercx anthieren van Venus last, alzo wel als
eenighe (h)oude babelye zoude, Ned. Klmehisp. SI, 62.
Aanm. OVL Lied. en. Oed. 449, 255, sal mn
wel in plaats YanbabkiltenmoeimleEeRiiaHilieBx
het woord heeft daar, ook blgkenshet bggevoegde
bnw. oude, dezelfde beteekenis. || Ohi honde
babbilien, die niet en doocht, ende bljjft inzondei
noch zo versteent, dat ghi zondaers te makene
poocht, wanneer natuere in hu yerdroocht.
BACHELEER (baetseleer , baetceleei,
BAETSULEER, BATSELEER, BASELEBR), znw. m.
Ofr. bachelier, baeeler ; mlat. baecalarius ; verg. eif.
bachelor. De oorsprong is onzeker (zie Littré, 1 , 27a;
Diez op Baccalare). De eigenlnke beteekeiisis
die van bezitter van een goed, aai baccalarii
heette , uit welke beteekenis de andere zgn afgeleid.
1) Jong edelman, die de middelen niet bezat om eem
eigen banier te heffen, en onder die eens andere»
ridders diende ; Jong edelman , die nog niet tot ridder
geslagen was, in rang beneden den ridder, boftu
den knape; edelman in tegenstelling met ie»
baander heer. Verg. La Gume, Mém. 1 , 304; BuroaD,
Aanm. 2 , 236 vlgg. || Mettien dede . . . hem gemoet
een bacheleer met enen scachte, scone ende edei
van gheslachte, Alex. III, 156. Dat hi sieenim
baetseleer, ende ongebortich, lAmb. Y, 1321. Si
es mechtige ende rike , ende ie een arm baetseleer,
V, 1422. Ende si ghingen ridders onthouden eadc
baetseleers die met hem wouden, Y, 507. Eei
ridder van sinen conrote brac met hem dore, dit
daer groote dade dreef ende groote gheweer;«aBt
hi was een bacheleer vromich van den live ende
stout, Heelu 7721. Waer dat ie vare dat wetü
wel; want en es batseleer engeen, hine si dier,
die wert es II sleen, Perg. 5119. Een reyn baetaéleer
sonder blame, die van Jhemsalem qoame, Tent.
862. Voer 13 baetsuleers voeder tot horen cle^
deren, Bek. d. Or. 9, 361. Baseleren van hogkei
moede, Parth. 6472. Een bacheleer bleef dier
allene, Jlex. V, 319. Ridderen ende baetselere.
Orimb. I, 2455. Die vierde had getruut eeaen
maten baetselere, Velth. V, 26, 23. Een baetceleer
stare ende coene, Bose (A) 13377. — Zie nog
Merl, 17281, 19049, '59, 24184, '89.
2) Hij die in het kanonieke recht den rang vt»
candidaat had verkregen-, mlat. baecalarius cmrser
(zie Duc. 1 , 524 , 3). Meester Goerde van Sichenen ,..
in loyen ghelicencieert, . . ., ende bacheleer is
decreten, Brab. T. VII, 4442—46. Die met
oetmoede striden yeghen hoverdien, dat zgn baet-
seleere in theologien, Ruusbr. 5, 134. Meester
Pietren Groethalse te hulpen den coste van sinei
orlove daer hy wart te Parijs bacheler in thyologiea,
509
fiACH.
BACH.
510
60 ff , Rei. V. Gent 1, 336. Baetseliers in theologien,
Iwtnt. V. Bntgge 6, 103.
3) Bacheleer formaet, hij^ die na afloop
x^ner tkeologuehe studieén tot een hoogeren graad ^
^e% van lAeenciaai en Magister, kon bevorderd
KVfdIm; mlat. baccalariut formatut (zie Dnc. 1,
524, 3). II Meester Janne Knijst, bacheleer formact
in theologien, Brah. T. VII, 16406.
BACHT, Var yan barst, O. R. v, Dorrfr. 1 , 206,
3. II Scepe, die met appelen comen, die sullen de
KOut senden een barst (var. bacht) appelen of peren.
Noch het eene , noch het andere woord is duidelijk.
Er moet een bepaalde maat mede bedoeld zün , en
din is het het natuurlijkst , dat het woord de bet.
beeft Tan bai of mand.
BACHTEN (bachte met het lidw. bachter),
BACHT), Toorz. eu bijv. Uit het voorv. Be- en
JeAten (verg. binnen, buiten, boven). Nog in West-
Tlianderen in gebruik (De Bo 71 , 72).
I. Als voorzetsel.
Met den 3<l« of 4<l«n nv., naar gelang het eene
rust of beweging achter eene ruimte, öf wel eene
Uroegvag achter naar iets heen onderstelde, doch
later geraakte deze onderscheiding in onbruik en
werd bachten ook met den 4<i«n nv. verbonden,
waar vroeger de 3<^ nv. gebruikelyk was.
a) Van plaats. 1) Met den 3<ieD ^ later ook met
den 4^ nv. Achter, als het tegengestelde van
voor. II Tekeme ware hem onghereet, wanttwater
▼as bachten hem t« w^t, Wal. 2926. Twi louch
Sana daer soe staet bachter dore? lUjmb. 1796
▼ar. Een, die bachten dbeelde stoet, Sp. V , 67,
18. Sine handen bachten hem ghebonden laghen,
Amand II , 1410. Oftu met vorbaren mensche gaes,
bachten hem ganc tallen tiden , Boue. v. Sed. 678.
I>at gheene vrouwen scoffieringhe en sal seggen
deen der andre voer hare no bachten hare, achter
haar rug, Gesch. v. Antto, 2, 689. Onse mersch,
die wi hebben ende hadden thusschen bacht der
kerken ender hoyen van Oedonc, Vad. Mus. 3,
432 («. 1274). Die Coster die drouch bachten hem
sinen bonc ende sinen caproen, OVl. lAed. en Ged.
74, 17, 3. Ie sitte hier bachten een kiste , J?o^«^
VIII , 5. Soe woend bachten der frere muer , Livre d.
Mett. 34. Dat wi snn vrienden vor den oghen , ende
tlxo wel vrienden bachten rucghe, OFl. Lied. en G.
487, 261. Die niet ne draghen reine minne, die
moeten bacht«n danse staen , 76 , 10. Ferrant . . . vloe
met sinen volke uut Cortr|jke , ende werp de brugghe
bachten hem aff, Cron. v. Vlaend. 1 , 126. De Vlamin-
gbe , die bachter steede laghen , 226. Drie bundere
li^hende bachten walle, Gendsch Chtb. 119 (a
1402). Hi sach bachten ricghe, Hs. v. 1348, 146 a.
Bachter Byloke, 601. Den ghesellen van den gulde,
die bachter hallen schieten sullen , 2 , 88. Bachter be-
deckingen {achter het tweede voorhangsel , Hebr. 9 ,
3) wert dat ander tabernakel, Hs. v. 1348,191 b.
2) Met den 4^^ nv. Achter. \\ Der Walewein
entie waert ghingen te gader bachten haert , Wal.
3086. Ie leedese in dat groene bachten Daverloe ,
OFl. Lied. en Ged. 72, 17.(Z)tf ;1<wm?w) rieken elke
bacht andre bloet , Nat. BI. II , 738. De variant leest
terecht: Riect elc andrenh^chienihijw.: van achteren).
b) VdM tijd. — Achter, na. \\ Die weesen, die
si bachten hem moesten laten , Atnand. II , 47.
Zo wat vleeschauwere , die storve zonder . . . .
cnapelin kint bachten hem te latene, ZVl. Bijdr.
3, 276 (a. 1379). Aelding int goed dat bleven es
bachten Janne Colen, Cout. van Bntgge 1, 429.
II. Als bijwoord (van plaats).
1) Aan de achterzijde, van a/r^/!^«». || Si quamen
toe ende staken bachten op den rugge met haren
speren , Ferg. 668. Ende liet haer afdoen dat vel . . .
van beide haren voeten bachten, Eein. 1 , 2881. Hi
loech, dat hem bachten scorde ende hem crakede
die taverne, I, 1290. Bachten quam een garsoen
ghereden , Wal. 1877. Oza ghinc bachten ende
Ayoth voren , Bijmb. 10079 var. Datse bachten te
gadre cleven, coemt hem van heter luxuren, Nat.
BI. II, 718. Ene fauce pos terne es ane den torre
beneden bachten, Bose, fr. 264, 22. Haddi vor
tserpent ghestaen, also hi bachten hevet ghedaen,
hi ware verbemt altemale , Wal. 464. Cort voeren ,
lanc bachten die bene, Nat. BI. VII, 366. Om
dat ie heete Ghedinkenesse , houdic die rierewaerde
bachten, Fraet 1172. Overmoet dochte mi datter
bachten stoet, OVl. Lied. en Ged. 291, 17 16. Endt
braken in den dore bachten, Belg. Mus. 10, 76,
190. Bachten an hem lieden zo stond Aj*denbuerch
ambocht, Invent. v. Brugge 4, 281.
2) Achter den rug. \\ Twi sidi vor mine ogen
smeker, ende bachten valsch alse verrader ? JSt/md.
87 var. Sine hande bachten ghebonden, 33934 var.
Si prisen vor di dine daden , ende bachten mochten
sidi verraden , Bouc v. Sed. 857. — Ook in den zin
van het hd. rückwarts; Achteraf. \\ Si (Maria
Magdalena) stont bachten neffens sinen voeten,
Hs. V. 1348, 218 c. — Van bachten, van de
achterzijde, van achteren. || Maer die den stoc
van bachten droech , hadde toghe ter druven waert,
Rijmb. 5646. Si die buten mure stonden . . .
bestondense van bachten saen , 31094 var. Want
die van bachten die benamen dat weder wiken al
te samen, 33026 var. Ende die de lieden raden
van bachten , dies hem niemand en can gewachten ,
Lucid. 6141 (/. verraden voor raden). Wapen,
moort! ie splijt schier van bachten, Ned. Kluchtsp.
63, 92. Ghesteken van bachten in zine luchtre
scoudere, Invent. v. Brugge 6, 638. Entie crancste
quam van bachten, Sp. I*, 63, 29. Een joede
quam van bachten daer . . . an den sterd van den
Roomschen here , Rijmb. 27978. — Bachten ende
voren, aan de achter- en voorzijde, van voren en
van achteren', evenzoo van bachten ende van
voren. |j Het houtte bachten ende voren. Wal. 1370
{van een oud paard). Ende sloughen van bachten ende
van voren alle up den ridder uutvercoren, 9017.
Beyaert beet voren ende slouch bachten, Maleg. 518.
Hi es luxuriose uutvercoren, bachten starker dan
voren. Nat. BI. II, 260 var. {van den ezel). Een zwarte
jomeye met eenen rooden cruce , voren ende bachten
gheborduert, Belg. Mus. 3, 382. — Van voren
tote bachten, van voor tot achter, geheel en al.
II Tvorseide huus, land ende datter toe behord
van voren tote bachten, Invent v. Brugge 3, 371.
BACHTENBLIVEN {bleef, bleven, gebleven),
st. WW. onz. Achterblijven, terugblijven. \\ Die men
niet mach verdriven, mogen bi den doden bliven
bachten ende haer baniere opsteken , Velth. IV ,
39 , 63. Hets goet , dat blive tgoet bachten metten
wive , ende ons volget metten knapen zaen , Rijmb.
16768 var. — Deze lezing komt voor in Clignett
Bijdr, 376. In de uitgave van David staat: y^ Achter
ons tgoet metten wive."
BACHTER, voorz. met den 3<len nv. Uit be en
achter. Hetzelfde als bachten voorz. 1). Vgl. buten
en bttter. Achter. \\ Eenen meersch ligghen de bachter
der galghe, Diericx, Mém. 1, 567. Gheleghen
bachter der borchstraete, 621.
514
BACH.
BADl.
512
BACHUUS. Zie bac-huus.
BACHWAERDICH. Zie bacwaerdich.
BADDEREYf znw. vr. In een hnishond boekje
van 1407, ZVl. Bijdr. 4, 305, vindt men den vol-
genden post: II Item dien meyers van badderey . . .
III crone. Misschien z|jn hier bedoeld de oprichten
van het badhuis^ en moet men lezen van {der) baderejf
(baderyé). Het woord baderie komt in dezen zin ook
elders voor, b. v. Invent. v. Brugge 5,526: || An
den pit van der baderye voor myns heeren hof.
BADDERKEN (?), znw. onz. Een dnister woord,
dat voor zooverre ons bekend is , slechts eens voor-
komt, en nog wel als lievelings woordje , zooveel
als pofje. Men zonde geneigd zün Babberken te
lezen, en het te vergelijken met het by Kil. op-
genomen woord: „Babbaert, babbaerdeken,
pupwluê , pupu* , pupa : infaiu.^^ Verg. It bambino ;
fr. poupart; eng. baby, \\ D. H. Wij sollen noch
midts deser condicien haer alder liefste knechtkens
z|jn. /. H. Hner dreelincxkens. D. H. Huer badder-
kens sijn (/. fijn?), Sacr. 817.
BADEM (baden), znw. m. Bodem. Eene in
Geldersche oorkonden voorkomende vorm, voor
bodem , boden, als in gelaven yoot geloven , wanen voor
wonen, baven yooT boven enz. (verg. Nijh. 2, 231). ||
Dat is te verstaen tolbner gnet op hare schips
baden te leggen ende hare gnet weder op tolbner
baden te leggen, ald. 282.
BADEN (in jongeren vorm ook baykn, Jan
Yp. 166,172, 181; Exc. Cron. S5a\ zw. ww. onz.
en bedr. Onr. badha (Jonsson 40); ags. badhjan
(Ettm. 279);ohd. badón\ mhd. baden; mnd. baden.
Onz. — 1) Baden, een bad nemen , de hedendaagsche
beteekenis. || Wichte, ghi selt baden, JioAfr. 697.
Eest leec, eest clerc, siec ocht gesont, het baedt
al in haren bade , Rincl. 1171. — In figuurlijke
toepassing. || Hier wel te tijt so sal soe baden . . .
int helsche b|jt, Praet 3656 {van Hovaerdie).
2) Bad-en {in bloed), inzonderheid van het zwaard,
de speer enz. gezegd. || (Hi staken), dat hi dede
waden sijn spereyser ende baden in s|jn lijf enen
grooten voet, èrimb. 1, 3435. (Soe dat si) haer swerde
daden dore die helme in die herssenen baden , Lanc.
IV, 11103. In datbloet. . . dat dair lach gestort al
werm , daer laghen ende baden menich arm , 1 , 4580.
Tspere . . moest in sijn herte baden, Grimb. II, 1921.
T jwerd en moeste in die hersenen baden , Lanc. IV ,
1 1554. Soe moeste (/. moesti ?) in sine hersenen baden,
Limb. VII , 837. Die zwerden daden si dicke baden
den Sarasinen doer den tanden, Fragm. Carl. 210.
3) Baden in iet, in iets gelegen zijn, er in
tteken. \\ Proeft wat danke sal sijn gestaedt den
gruetene, daer selc arch in baedt, Bind. 861 , d. i.
Bedenkt welken dank do booswichten zullen in-
oogsten voor het smadelijk groeten van Jezus , eene
behandeling, waarin zooveel kwaad ttak, gelegen wat.
Bedr. — 1) Doen baden, een bad doen nemen. \\
Sonder enighe noet moeste soene soghen ende
baden, Wap. Mart. III, 295. Hare die mi maghet
dronch . . ende mi baedde ende dwouch, IHsp.
248. Ende salvedene ende bad ene daer, Sp. III',
34,28. Dese voestren boude , alsi hare kindre baden
ende dwaen , Bote 6478. Maria ende Elyzabeth ont-
deden dat kindeken Jhesum ende baydent, Exc. Cron.
30fl. — Spreek w. || Hy is te heet gebaedt, Spreuk. 47.
2) Doen baden {in bloed). \\ Ooc sachi wael wat
die Grieken daden : berch ende dal al over baden
metten bloede, Alex. 111,401 (Franck wil lezen
overbadenz^perfundere). Mfln erve, daer ie omme
was ghebaet int rode bloet , nut die mi haet ,
Diep. 295 {van Chrittut). Hi baet sijn swacrt
in herssenbloet. Wal. 10524. Hi b««dde sgn sveert
in haer bloet, Trogen 6397.
BADIMENT, znw. o. Andere, venninkte vora,
Toor etbatement, z. ald. en vgl. abatement. Folh-
epel. II Dese Priscus ordineerde die spelen eaèi
badimenten, Fatc. Temp. 37r. Schoen speeleaeade
badimenten, lOr.
BAECH, znw. vr. Samengetrokken nit Bekaeck,
als Bagel en Bogen uit Behagel en BeJka^en. TrotteU
ingenomenheid met iets, hoogmoed) jj Wat heeft ou
ghebaet ho verdie? of baech der rgcheide, wat heeft
ons die ghegeven , Mat. d. Sonden f. Zld en Ui.
Soe wie oetmoedich ende verworpen habfjt dneckt
om hoverdie of baech, . . soe ist sonde, ald. f.
98a (aangeh. door Hnyd. op Stoke Dl. l,bL570).
BAEFMESSE. Zie Bamesse.
BAEISCH (BAEYSCH), bnw., Van boef. KIL len-
densa, pannus vilis raro et tenui textu. Eene soort vn
grove wollen stof, welke nog heden bekend ii
Slechts in baeisch laken, baai. \\ Brockk
hier oec eenich man zarke, kerzey of bMyxbe
lakene te coope, O. R. v. Dordr. 1, 247.
BAEC (baeck). Zie Bake.
BAECTONNE (tonnebake), znw. vr. Een n
het water drijvende ton , die als baken (boMè) dteat,
boei (fr. bouée). \\ Van negen groote steenen aa de
kethenen van den thonnebaken ghehanghen , InveaL
V. Brugge 6, 237. Van V)} f nieuwe baecthonneo,4iZ^
BAELDADICH, bnw. tUcht, boos. — Yandnr
BAELDADICHEIT, of -hede , znw. vr., Wissd-
vorm van Baldadicheit. Vgl. balmonden en iael-
monden (Kil. 31). Booze behandeling, boosheid. || Eide
telde hem die baeldadichede die Tsenbele sy n dochter
dede, ende dat soene met valscer hone ontherrea
wilde van siere crone. Wal. 8079.
BAELDIE. Zie Baelqe.
BAELGE (BAILQE, BAELJE, BAELGIE, BALGIE.
BAILLIE, baille), en ook BAELDIE, beantwooTdeiid«
aan de oude Fransche uitspraak van ffe mis dft'.
verg. eroendie voor croengie, fr. eharogne; ^. Ó».
10, 73, aant. 3), znw. vr. Mlat. bailleimm,
ballium (Duc. 1, 537, 554); ofr. baile.bmlle {sU.
7, 53; Burguy, Glots. 31 op bail). Van mliL
bajulus, beschermer, bajulare, beschermen. Over
de afieiding zie verder bij baeliu.
1) Palissade, slagboom; Kil. repagultnm. || Itea
dat nyemant lenen, noch brugghen, noch baiUa
en weere noch ontween en hauwe ofte wech drsghevp
de boete van XX scellinghen par. , Cou/. vaM Bmgy
1 , 221. Twee knapen <Ue die bailgen ontslita
deden opt pas tusschen des marcgraven lant w
Brandenborch ende des hartoghen van Binuisv|<.
Rek. d. Or. '6, 387. Die die bailgen ontsloot, «M
Eene straete zoo breet datter eene meulekert
leyden (/. liden) mach, sonder daerop eenig^
craemen, bancken ofte baillen te moghen staa^
Diericx, Mém. 2, 151. Beginnende an de bailk
van der poorte ende streckende alzoo lancx da
muere van den selven casteele , 514. De baille ni
de poorte van den . . . casteele, 514, sooookSll
— In bepaalde opvatting : de slagboom ^ die id
publiek in eene gerechtszaal scheidt van de recJk/ers; it
balie. II Achtervolgende de forme van der andieatk*
so is de sale gesloten met enen grooten psjrr^v
al geberdert ende gesloten met bancken ende beo-
liën . . . Ende sijn ... ter luchter a^de Jontksm
snyders van der escurie, ende staen rechte €S#
lenen up de baillie. Ende voor de bailli syn banck«
rondsomme voor den paercke, daer si tien de ridderüt
camerlingen, enz., Matth. Jnal. 1, 242.
2) A/geschoten ruimte, door palen afgepe^
513
BAEL.
BAEL.
514
Untm^ en bepaaldelgk iMjdperk^ krijt Kil. Balie,
«mw, l4tau in quo pugrumt ^ladiatores. || Nye en
WM ick dns onsochte ghesteken , dat ie gheweten
Bochte, in baelgien noch in wighe , <SSfy^. 1599 yar.
(tekst h€taelgen),
3) Vinekmiuing ^ buitenwerk eener tterkte^ voor-
werk , Tooral yan palissaden. Kil. Balie, eotueptum,
valium f uptum. || Ende die op de baeldie laghen ,
worpen neder al in een op die yianden menighen
fteen, Orimb. Il, 634 (var. op die litse). Maer
leamelic in yromer weere deynsden si totevoerde
bielgen. Daer waert men vechtende als in betaelgen ,
n. BijwUtr. 6416. Torre, cartele ende baelgen,
die niet lichte mochten faelgen , Rijmb. 31327
(tekst baelfên ; Flav. Jos. : porticus . . . loricis et
propngnacnlis septa).
4) PUmis waar recht wordt gesproken^ rechtbank^
Me. II Dit was ghedaan bi wette ende bi vonnesse
ende bi wilcore van den here ende bi vonnessen
TUI den mannen in de baelge Tan sGravensteen
te Ghent, Vod. Mm, 4, 333 (a. 1308). — Ook in
de uitdrukking: In balgien doen, voor de balie
afleiden. || In des jonges Theodosins tiden . . .
wu bisscop tAutsure sente Gkrmaen , die eerst was
in balgien gedaen, Sp. III*, 43, 10 (Yinc. : tribu-
nalia préfecture professione advocationis omavit).
BAELGLE. Zie Baelge.
BAELGIE (bailoie, balgie, balie, en in on-
gemeener Torm balgide), znw. yr. Mlat. bailia
(Dnc. 1, 637); proT. bailia (Rayn. 2, 170); ofr.
imllie. Ygl. Halb. Aant. 195. Over de afleiding zie
bjj Baliu. Eigeniyk het rechtsgebied van den baïfuw^
viaiToor evenwel in het Mnl. gewoonlgk baliuecap
vordt gebezigd ; doch als vreemde rechtsterm meer
in de verschillende algemeener beteekenissen , die
bet voord in het mlat. en ofr. had.
1) Beehttgebied ^ grondgebied binnen hetwelk de
lemitheer dereehtepraakheeft. \\ Dan haddi, binnen
ia ^n baelgie, menich dorp dat goet was, ende
Benich hnjs, .... dat sgn lieden hielden
na heme, Grimb. I, 532. Siin lant ende sine
bilgie Street hier an, Aubry 304. Becht man
delfet onderspit; hine hevet te pointe niet ghehit
in aeriieer baelgjre, Wap. Mart. I, 22 (Bnkelare:
ia aallo dominatn).
2) By de Dnitsche orde. Balije, onderafdeeling
»« een Land^ rechtsgebied der Orde^ waarover een
Itondamwiandeur , Frovineiaal of Balger het bewind
voerde. Zie D. Orde 169. || Doch machmen enen
nekei broeder teenre balien, of tenen comendner
waden, daermen weent dat recht come den zieken
broedere, ald. 282. Dies meesters cost die en
afaaen niet eiBchen van dien balgien, zonder van
den treserire, 283. Wi setten oec, dat een ighelic
Itatcomendner moghe maken ene of twee prisnme
il ziere balie na der noetdorfte , ende die broedere
die laige aten orden gheweset hebben, end hem
oneerlic hebben ghehonden in der werelde , dat
zal eei ighelic lantcommendner zinen commendner
oader hem bevelen, dat men zi va, ende zende
n veder in de balie, daer zi zjn nntghevaren,
ead vat dat cost zal gelden die balie diu> hi eerst
Mtghevaren is, 310.
3) Seehtsmaehi^ macht om namens den landsheer
^ht u doen, en bg uitbreiding landvoogdij,
stadhouderschap in 't algemeen. Verg. Duc. 1,
^7 op Bailia 1); 545 op Balia: Justitiae,
renuBve onammvis administratio. || Hier omme
pi Ben hem de baelgie van den lande van Aer-
"waie, Sp. I», 50, 33. Daer Felix omme wert
wtitt daer naer van siere baelgien wel tweejaer.
ende men gaf Festusse die baelgie, II', 2, 24.
Kieromme sette Trayaen Lysien van Judea in der
baelgien, II*, 34, 18. De keyser Dyoclesiaen ende
syn geseUe Maximiaen ghaven de baelgye in hant
van algader Gallen lant den feilen man Rixionaren,
11% 48, 3. Alle die in baelgien state (/. saten),
heeft hi ontboden, ende hen beval, dat si allene
niet overal laten te pinene die kerstine, enz. , II*, 6,
100. Zie nog Sp. I", 51, 17; II», 2, 4; 23; 57;
22, 24; em.
4) Macht ^ heerschappij, in H algemeen. || Walewein,
hebdi in uwe baelgie enege vrindinne , enege amie,
dier gi getrouwet eneger dinge? Lane. 111,12849.
Joncfrouwe, hi dade grote dorpemie, hadde hi in
sine bailgie sine herte , ende hi mogenthede hadde
te doene sinen wille daer mede, ontseidi u sine
minne dan, lY, 2052. Maer die sonne, daer ie af
seide, . . si hout ende hevet in balgiden met
ghewelt man ende wijf ende al dat hevet sinne
ende Igf, Farth. 7811 {van de min). Yrient, ofku
hout heerscapie boven dinen ghenoot, of balgie,
na dire macht berechtse wel. Botte v. Sed, 808.
BAELIU. Zie baliu.
BAELJE. Zie Baelge.
BAELLEWEN. Zie Baluwen.
BAELMOND,BAELMONDICH (Kil.). Zie bal-
mond.
BAELSCÜLDICH. Zie de Aanm. bg Baer-
SCULDICH.
BAENMEESTER, znw. m. Opzichter over een
tornooi ; fr. maitre de liee. In een tekst over .het
houden van een tomooi leest men:|| {Betaald aan)
de baenmeesters over de houdchieringhe ende
cleedinghe van den acht stekers elc met zynder
joncvrauwe up den dach van der vespereye , /;»rm^
V. Brugge 6, 119.
BAENRIDER, znw. m. YerhoUandschte vorm
van Baenrits, baenrots (zie ald.). Baenderheer. \\
Als grave Dirc aldus doot gebleven was, versa-
menden die baenrideren, ridderen en knapen uut
HoUant, Clerc 40.
BAENRITS. Zie Baenrotse.
BAENRITSHERE (baenrotshere], znw. m.
Hetzelfde als Baenrits , baenrots (zie ald.). Baander-
heer. \\ Om dat somme steden ende baenritsheeren
van Brabant, ridders ende knechten verkoren
manscap , trouwe ende eet geswoeren hebben onsen
vorseiden neve, Brab. T. YI, 1800. Die baen-
rotshceren van den lande, Brab. T. YII, 4158,
verg. 4320.
BAENROTSE (baenroeds, baenroets, baen-
ROEDZE, BAENROIDSE, BAEROCHE, OOk BAENRITS,
en BAENRUTS, BAENRUS, BAENRUTSCH , of Wel
BAENRAETS, BAENRAETSCH, BAENRADSE, BAEN-
radsch), -rodse, -ridse, znw. m. 30at. ban-
neretns (Duc. 1, 566); fr. banneret; eng. banneret ,
welk woord op de vorming van baronet misschien
niet zonder invloed gebleven is. üit banneret,
banrety ontstond de vorm baenrits, die den Franschen
vorm het meest nabykomt, en waaruit allengs
de andere vormen verbasterden , van welke baenrots
en baenroets de meest gebruikelgke zijn. Ja zelfs
werd het woord tot haenrider verhaspeld (zie ald.).
By Kil. „Banderotse, banrotse, banrots-
heer, Fland. j. baner-heer". Benaming der
edelen, die het recht hadden „baniere te binden,"
d. i. onder hunne banier of vierkante vaan hunne
welgeboren mannen ten stryde te voeren , aldus
inzonderheid in Brabant en Ylaanderen genoemd,
terwyi elders de naam Baanderheer meer ge-
bruikeHjk was. Zie verder Huyd. op Stoke, Dl. 3, bl.
17
545
ËAEN.
BAER.
516
823; en Inzonderheid D. War. 5, 332, 348,350,
542. II Waelhem Waelcort, Rotselaer , dese hadden
alle banieren daer; daertoe si twee van Wesemale :
dit s^n die baenrotse altemale, die proefst van
Nivele was daer mede, die daer oec als baenrots
dede; want hi hilt leen ende lant, daer hi af
baniere bant alse heere ende alse yrie, Heeln
4643. Voert Lnevene, Bmesele, Nivele, Tienen
waren verbonden , dat si dienen moesten den grave
Lodewyke in orloghen sekerlike, elke stede met
eere baniere np haren cost, ende onder deseviere
moesten twee oaenraetsen s^n ende twee mdderen,
VI, Bijmkr. 8925. Ende die here van Bneren een
baenroodse ende een lantshere was, 12. r. Vtr. 2,
37. Doen trac Karle te samen sijn ridderscap van
groten namen , baenmtsche ende lantsheren, Brah. Y,
II, 723; Sp. III", 82, 69. Een grave met enen
erdschen bisscob si , een baenms licht onder bisscob
vri, O VI. Oed. 3, 122, 179. Bandersyde quam in
dat perc een baenroets, een scone diet, Grimb,
II, 3765. Eenen baenreche (/. baenroche) van
Ingheland, Invent. r. Brugge 2, 113. Baenruts,
noch grave, noch seriant, Heeln 4223. Baenrotse,
riddere ende cnapen, 2585. Baenmtse, ridderen,
Brab, T. IV, 434. Princen ofte hertoghen, baen-
roetsen ofte graven. Wrake I, 1084. Princhen,
baenraetsen ende ander heeren, VI. Rijmkr. 7147.
Ridderen, baenrotsen ende knapen, Orimb. II,
195. Niemene so ne was quite van deser pinen,
man no wnf, weerlic, religieus, prince no grave,
coninghe, banraetschen , mdders no knapen, O VI.
Oed. 2 , 40^. M^ns liefs heren baenroedzen , ridderen
ende knapen van Beyeren, Oorl. v. Albr. 42. Mit
brieven gezent . . aen allen den baenridzen , ridderen
ende knapen, 290. Met rade, wille ende consente
. . onser prelaten , baenrochen , ridderen ende stede,
Willems, Meng. 340 (a. 1393). So wanneer een
baenroeds of een goet man, die van hogheren
staet is dan een baenroeds , comt binnen der stede ,
so moghen si spelen in hoir herberghe. Leid.
Kewrb. 119. Meenich heere, baenradse, riddere
ende schiltcnape . . beloveden met den grave
Philips te treckene, Cron. v. Vlaend. 1, 79. De
edele baenradschen, ridderen ende schildcnapen
in Vrankeryke , 95. Off syne landen ind ondersaten
van eynigen heren avervallen . . wnrden, . . so
soellen baenritzen , ritterschap , stede ind ondersaten
der lande van Gelre . . onsen lieven neve . . hnlp
ind bystant doen, Nyh. 4, 473 (a. 1472). Met
edelen hertogen, graven, baenroedsen, ridderen
ende knechten, Ned. Proza 80. Zie nog Brab. T.
V, 776; Gnmb. I, 5220; II, 212; VI. Rijmkr.
7189; fVrake II, 1156; ZVl. Bijdr, 6,325; Oorl. v.
Albr. 416; Fass. W. 58*; Leid. JSTtfw*. Gloss. , enz.
BAENSCULDICH. Zie Baersculdich.
BAEB, znw. m., beer, nrsus; vr. barinne,
berin. Minder gewone vorm dan bere\ z. ald. Mnd.
bare, bar. \\ Ursus dats een vreselic dier, . . .
een baer hetet in Dietscer tale , Nat. BI. II , 3779.
Die baer eet . . . vrucht die daerde ende boeme
draghen, II, 3811. Mettien worden twee baren
camen nten wonde, diese verbeten, Rijmb. 13102
var. B. Daer men die witte baeren kent, Nat. BI.
II, 3816. Als die baer den buffel bestaet, 11,3841.
Wit vintmen someghe baren, II, 3851. Die baren,
die alle in Bruuns sonde (soldij) waren. Rein. I,
2443. Zie nog Roel, I, 479; £^, II-, 6, 41. —
Barinne, berin, || Als die barinne die jonghen
werpt , die si heeft inne , dat si dan sQn doerclene ,
Nat, BI, II, 3785. Daer die barinne worpt haer
jonghe, II, 3802.
BAER (bare), znw. vr. Mhd. bdr en baere.Ya
Baren (Iste art.): zie ald. De tnjze waarop ziek
iets vertoont of voordoet; wijze van doen, in ver-
schiUende opvattingen. Minder gebroikelgk daa
Oebaer: zie M.
1) Wijze, voorkomen. Verg. Baren , onz. 1). || Ea
die scoonste creatnre, die leut in al der wer^
breit; . . haer anschyn was eensinghels baer, On
Lied. e. Oed, 259, 785—90. — In suiker baer
(bare), op zoodanige wijze, imdiervoege. || Hoe die
zonne beghint te laghen ende mit hem dïaelt al ii
yen {een), soe willen si noch opwaert sien in harea
ghelaet, in suiker baer, of mit hem voir dk
middach waer, Hild. 231, 82.
2) Leven , drukte , lawaai. Verg. Baren , onz. 3). )|
Ghi maect groot bare, Baudoen! die soudaengave
om u niet een bottoen , Belg. Mus. 2 , 335.
BAER (bare) , znw. vr. Mhd. bar, bdr. Van b.
barre (Littré 1, 300; Diez 1, 56).
1) lAnkertehumbalk mi een wapenschild^ ook wel
al* teeken van battaardij gevoerd (Rietstap , Hamih.
110). II Sgn scilt was van zilver wit . . .; een bas
van lazner in bellonc, Troyen 2140. Bie seite
ridder drouch den scilt van silver . . .; vu
keel twee baren getinneert een maerle int hoeft
van den scilde van sabel droech die ridder milde,
Gelre, Wapenb. 8; Belg. Mus. 5, 107, 29 (wapn
van Asperen; verg. Kok, Vad. Wd&, 4, 13731
Hy droech van silver aldaer binnen van kcïel twee
baren al van tinnen, ald. 5, 111, 77. M^lg*™ a
een silveren baer in een root velt. Ende Dnuiei
is een silveren baer in een groen velt, al erei
eens over dwers opgaende, Matth. Jnal, 3, 59S.
2) Dwarsbalk, gewoonlgk vaeecke (fr. fattè)
genoemd (Rietstap, üandb. 104). Doch ook in de
Engelsche heraldiek wordt voor 't mT. Yan ƒ»
gebruikt bars. || Sgn baniere die van selvere wis.
. . ., drie baren van sable daerin, Grimk. U,
4808 (zie PI. VIII, wapen van Philips v»
Wavre). Dit teeken voerde hi algeheel : sgn broeds
daer op dat palesteel, ende die bare sgn oca
bastaert, Heeln 4489. — Ook HerkennimffeteekeB,
in den vorm van eene baar. || Doen makeden,vtt
witten doeken, alle die metten hertoge varea.
boven alle hare wapene baren, dat elc anderen
kinnen mochte bi dien tekene, als menne soekie.
Heeln 2438.
3) Een dwarsbalk in een ton of vat^ die als eei
middell^n de cirkelvormige opening er van Terbiiè
en steunt. Elders balc geheeten {K. en O. v. Delft
153, 4). II Bedraghen van die rynsche wiaa
ghetapt hebben die niet claer en was Xoter baif,
Invent. v. Brugge 6, 478. —Zie Littré 1, 3öör
(barre 3).
BAER, znw. onz. Van Baren, kinderen ter
wereld brengen. Baring, ver lossing. || £nde hoew&
dese gloriose maget Maria ende moeder hj dj&
baren van den ghebenediden Goods Soon nietgk^
broken noch niet ontreinicht en was, mer was ii
dit baer reyn ende maghet ghebleven, Jf. f. 3Sc
* BAER - groet , Stoke X , 459. Verkeerde leza^
voor boer. Zie op bore.
BAER, bnw. Ohd. bar; mhd. bar; nhd. ètimr; afi.
bar; eng. bare; mnd. bar, ndl. baar en iar. Os
de afleiding zie Grimm, D, Wtb, 1, 1065; Eli|e
13. Naakt, bloot,
1) Naakt, bloot, van het lichaam. || Bes w»
mgn anxte vreyssam, doen ich m^n siel« naitf
sach , ende m^n vleysche doot lach , ende ich sid
selven sach soe baer, Serv. II, 28d3. Naecter hart
hanghens haers ende bare voet (2de nv. mi .
547
BAEtl.
ÈAEÏl.
518
Dingt. v. Delft 17. Ygl. ook BAERVOET en baers-
BEENS. — Van een paard : ongezadeldy zonder tvig. \\
Die joncfrouwe hadde an pellen grone, . . si quam
op een rosside al baer, Lane, II, 43784.
2) Bloot ^ ontbloot^ uit de ichede getrokken^ van
het xwaard. || Tswert dronch hi baer, die ridder
Tri, Val, 9303. Te gader quamen si daer naer
elc op andren, swert al baer, Ferg. 2384. Mettien
ontspronghen si ende saghen staen Yoor hem den
vrucnteliken here, met enen baren swaerde yer-
bolghen sere, Flor, 3344. Dinghel dreefse met
baren swerde al bomende nnten paradise, Alex,
IT, 435. Doe dat Genclaen yemam, spranc hi
met baren swaerde, Sp, II*, 60, 65. Ende hadde
haerre bare swert ge[reet], Fartk, fr. 63. Tswert
al baer, Ferg. 1698; Qrimh, II, 4118, 4306. Doen
toghen si haer sweerden baer, ald, 518. SQn
sweert in s^n hant al baer, 2651 var. ; Terg. JTor.
3320, 3681. Hi Tinc te sinen sweerdebaer, Orimb,
II, 4277. Met swerden baer, Stoke VII, 60;
Drab. Y. VI, 5890. Met baren swaerde, Jlex.
IX, 945; Terg. VII, 153. Al baer getmct sjjn
cwerd, Maleg. 521.
3) Bloot ^ open, zonder bedekking. || Draecht hi
licht dat sal hi bare dragen. Delg. Mui. 1, 249.
4) Bloot, rein, louter. \\ Enen roeden mont , met
rosen baer, met witten wanghen ende met oghen
claer , droech een w^f van hoegher aert. Vod. Mus.
2, 151, 1. Ons naken Tan minnen Tare baer, Hadew.
1, 88, 80.
5) Openbaar. \\ Heren Heynrike Tan Eyeringhe,
die ute onsen lande ende yan ons ghesceyden was,
ende in Vlaendren ghoTaren was ter wone bnten
onsen orlof met onsen baren Tienden, daer hi ons
mede ghetoernt hadde. Mieris 2, 233a {a. 1320).
6) Ook met den 2<ien nT. Ontbloot van, beroofd
van, Vgl. Grimm, D. Wtb. 1, 1057. || Ende wat
den onghewederte oyer was bloTen , waest Trnchte
ofte gras, dat Terteerden si al Torwaer: die bome
worden loTes baer, X Flagh. 1704.
BAERACHTICH , -tige, bnw. Geschikt tot baren. \\
Die heylighe woninghe der godheit Gods gheba-
ringhe {Maria) wert gheboren Tan heylighen Tader
ende moeder als die alre edelste Tan heylighen
coninghen ende patriarchen, alsoe dye alre weer-
dichste Tan den drachtighen ende soe die alre
baerachtichste , Gulden Troon f. 46d.
BAEBBER, swn. m. Hetzelfde als barber (Zie
ald.)- Barbaar, Ei. v, 1348, 169^.
BAERBERIEN. Zie barberien.
BAERBIEB. Zie barbier.
BAERBLIKENT (barblikent), -de, bnw. Uit
Saer en Blikent. Bg Kil. Baer-bl^kende,
fnanifettui, evident. Vgl. ons baarblijkelijk.
1) Klaarblijkelijk, kennelijk, algemeen erkend.
Ook in den snperl., Tooral met oir Terbonden.
Vgl- Invent, v, Brugge 1, 70: „Son plns prochain
et aparissant hoyr ; 4, 226 : „ plns apparans hoirs.^^ ||
Onse bmeder ende snstre Tan Vlaendren, als onse
wettich ende baerblikenste hoir, Brab. F. Dl. 2,bl.
586. Dat die Trone Lisebetten Torseit ende Beinare ,
bare man, ende diere Trone Lisebetten barblikenste
oier, qnite souden scelden die kerke Tan Sente
Pieters Tan den Torseiden neghen sceleghen. Vod,
JtfiM. 2 , 367 ia. 1285). ZQnen naesten ende baerblyz-
sten hoyr , Invent, v, Brugge 2 , 322. Zware lasten die
onse ghednchte heere langhen tyd ghehad heift ende
noch baerblykende es te nebbene, 4, 227. Dewelke
Iteliben den coninc ingeblazen te conflskierene Ver-
in endoys, omme dat sylieden dat besitten sonden
tÜHOt dat nn baerblykende es , Cron. v. Vlaend, 1 , 103.
2) Voornaam, lat. praeeipuut. \\ Dat te innene
np de baerblixste Tan den personen of Tan den
lande, Invent. v. Brugge 4, 227.
BAEBDAEXE. Zie bardaex.
BAEBDE. Zie barde (l«te art.).
BAEBDGIE. Zie barde (2^ art).
BAEBDIKE, znw. Tr., Aaver, Oorsprong onbe-
kend. II De tali aTona que Teutonice baerdike dicitur,
Oorkb. 2, 31« {a. 1259).
BAEBDSE (baerdz, baertse, bairdse, bargie,
barse), znw. Tr. Mlat. barga, bargea, bargia
(Dnc. 1, 594); ofr. barge (Boquef. 1, 134); mnd.
barse, bardese ; bg Kil. B a r s i e , navis veetoria , navis
actuaria, Eene soort van oorlogschip, dat met riemen
geroeid loerd, veel zeil voerde en licht in evenredig-
heid vas. Zie V. Lennep, Zeemanswdb. 17; B.
War. 2, 531, aant. 3). jj Enen knecht Tan
Dordrecht, die een baerdz, die mijn here den
graTe Tan Namen gegoTen hadde ende aldair was
bliTen liggen, drie jaer lanc Terwaert hadde , Oorl.
V, Albr. 223. Claes Jan . . . , ende hi mede trecken
sonde om mgns heren baerdzen OTer al dair zy
lagen, ende die daen reyde ende brenfense tot
S^Teren, ald. Datsy hoir bairdzen deden bereyden
ende die senden sonder Tirtrec tot StaTeren , wanter
groit gebrec Tan roeyscepen ware, 455. Met eenre
baertse van twaelf dochten, Friv. v. Brielle 2,30.
De Scollantvarres , dewelke voeren in de barse
Tan Hertepoelle, ZVl. Bijdr, 4, 210. Doet bnten
dat bestant ginc . . . , dede hy leggen op der Znyder
zee tegen den lande Tan Gelre Teel baerdsen
ende ander roeyscepen daer by, wel gemannet te
harnesche, Matth. Anal. 3, 339; Terg. 392, 399.
Dye stadt Tan Antwerpen dede daer tegen maken
gheleyschepeu ende bargien, daer mede si dye
ander beschndden, Exc, Oron. 258 c. Zie nog
Eek. d. Graf 1, 339, 341; Mieris 2, 676; 4, 398,
484, 720, enz.
BAEBHUÜS, znw. o. Het hui^e, waar dedood-
baar, lijkbaar (zie bare) geborgen toordt. jj Jacob
heeft gedect ... de godscameren ende oyc dat
baerhnns. Eek. d, Buurk, 212.
BAEBEE. Zie Barke.
BAEBCLEET, -cleder, znw. onz. Kleed, waar-
mede de lijkbaar gedekt wordt, lijkkleed, jj
Ay lieTe vronwe, sone doet niet el dan ghi mi
dect metten baercleede , oftic van der erden schede.
Boerden IV, 46. Mettien si reiken began een
baercleet ende gincken decken, ende Lacargsginc
hem strecken onder dbaercleet op den vloer , 54. —
Vgl. de nitdr. swart als een cl e et, Ferg, 651.
BAEBLE, znw. vr. ; verklw. BaerlekQn, mv.
-kine; ital. barletto. Mlat. barile, barellus (Duel,
695, 593); it. barile; fr. baril (vgl. Diez 1, 56
op Bar ra). Vaatje, tonnetje. Het w^oord was in
't mnl. vooral voor het verzenden van visch in
gebruik, evenals ons in onbruik geraakte woord
kaak, \\ Item, dat alle de baerlen van haringhe
sculdich worden van nu voordtan also goed ouder
als boven te zine, up de boete van X ^ par. van
eiker baerle, ZVl. Bijdr. 6, 180. Eene cleeue
mande of een baerlek^n wQ tincs , spierinc of plat-
visch , 6 , 37. Van elcke baerle van Tlssche , Invent,
V, Brugge 6, 174. Van eender baerle ende 250
Tarsch harynx, 5, 500. Vgl. 5, 179 : „sur chacune
barle de poisson donze mites."
BAEBLIJC (barlijc), -like, bnw. Mhd. dófr/tc^.
Zie Baer. Bloot, echt, wezenlijk; bijna uitsluitend
Tan den duiTol gezegd, baar lijk, in eigen persoon, in
levenden lijve, Vgl. Oudem. 1 , 280. || In de cokene es
gegaen die duvel barlike , Bere fVisl. 435. Want ghi
549
BAER.
BAER.
5^
ontmoet hier sekerlike den duvel selve baerlike,
Limb. lY, 848. Dats emmer die duvel baerlic,
Nu noch 115. Ie en vrage na niemant, die nu
levende sy, al qnam die baerlycke Dnyveltotmy,
Mar. V. Nijm. 6 , 121.
BAERLIKE, bijw.J?/^o/, lottter, tlecAts.\\Yde\
syn hare magen , si en aten in drien dagen barelyc
maer een broet, Bere Witl. 256.
BAERM. Zie barm.
BAERNHUUS , cnw. o. Hetzelfde als harnhuut ,
bemhuit. Brandhuit^ de werkplaats^ waar iett gebrand
wordt. Van een lakenverver wordt Invent. v. Brttgge^
Int. 436 gezegd: || Dnere zinen kelnaere tot in zyn
baernhuus.
BAERS. Zie baes.
BAERSBEENS (barsbiens, berbiens), bijw.
Uit Baert en Beens^ eigenlijk genetivns absolutus.
Verg. mnd. barbende. Met b/oote beenen.\\ BarBhieus
ghinc die coninc groot ende in linnen clederen
bloot speelde hi voer dat heylichdoem, MLoeplV,
683 (var. berbiens). Doe hi al naect ghinc spelen
baersbiens ende met bloter kelen , 703. Zie ook
baerserbeen.
BAERSCÜLDICH (barsculdich), bnw. Uit
Baer en Sculdich. Bij Kil. B a^ rs eb n ld i c h , mani-
fette reus. Kennelijk schuldig , volkomen als schuldig
erkend. \\ Dat haer sone hiet vaderloes, ende si
niet en conde betogen noch gebringen vor ogen
dien rechten barsculdegen man, die mi an haren
live wan, Lanc. II , 46256. Aen den baerschuldighen
man,ö. R. v. Dor dr. 1, 208 , 8. Baersculdich si die
herte spelt, alse diese over voghet helt ende
vrouwe, bi haren ede, Wap. Mart. I, 735. Dat
es een groet wonder, doch eest dicke gesciet,
daermen den barsculdegen bi den doeden siet, soe
bloedt hi harde sere , Fad. Mus, 1 , 31 , 23. Recht-
vort soe wert geware das die keiser , dat hi ver-
geven was, ende gaeft hem te kennen clare dat
hi die baersculdige ware, Brab. Y. VI, 639.
Als baersculdich dersaken voorseit, Brab. 7". VII,
14000. Soe wanneer twist ghevalt in woerden oft
in werken , ende dat soe verre comt dadt in vreden
gheset wordt , dies en sal hem nienien ondervinden
alse partie te wesene , aen dene side oft aen dander
side, hi en ware soe na maegh dat hi den baer-
sculdeghen bevreden mochte, Cor. v. Antw. 53,
193. Ende doe dat volc sinen doot wreken wouden
ende den baersculdighen vanghen , soe vloeghen si
alle , Fass. S. 21 b. De bailliu van Aelst brochte
gheleet den oepenbaersten baerschuldegen van den
faite, Cannaert 361 (a. 1437). Vgl. Wiel. Instr.
Gloss. — Hem — maken, zijne blijkbare schuld
erkennen. \\ Ende ontfinc op sijn slot aldaer die
baersculdighe van der daet, uaer hi aen hadde
crancken raet, ende maecte hem der daet ghe-
wechtich, baersculdich ende plechtich, Brab. Y.
VI , 9246. Ende want Jan Taye . . . van Gaesbeke ,
ende van Yedeghem Jan tot haren verantwordene
met meer andre ingheroepen waren ende niet en
quamen, . . . hen selven alsoe van den opsette
baersculdich maecten, dat was claer em.^ VII,
12107.
Aanm. Nevens Baersculdich vinden wij de vormen
Baelscttldich en Baensculdich. Het laatste zoude
cene samenstelling kunnen zyn van Bane (2de art.)
en Sculdich^ evenals ofri. bon-dedoch^ moorddadig
(Richth. 6G0), en dus moordschuldig beteekenen.
Doch we vinden het slechts in één Hs. van den
Wap. Mart. I, 735: „Baensculdich so de herte
stelt," waar de andere Hss. Baersculdich hebben.
Daar er in het geding tusschen hart en oogen van
geen moord sprake is, zal de n wel eene sckr|f*
fout zün voor r. De vorm baelseuldick kont
tweemalen voor b|j Matth., nL 98: „DurtendeB
sal die rechter den gequetsten vragen voir scepeneii ,
op wien hy die smarte beleet, ende sal hem se^,
dat hy God aensie, ende en belaste sgn siele niet,
hy en beleedse opten baelsculdighennis^ire
weetscip ;" en 99 : „ Ygelike gequetste is wnldick
int beleeden synre smarten, mit wairachtieheda
den baelsculdighen te belasten, endeniemut
anders.*^ De baelsculdige is hier de dader ^ ffim
schuld de klager zich bewust is^ de baerscnldife.
Baelsculdich kan een wisselvorm zjjn van hstt-
sculdich. Doch ook eene andere afl. ligt foor de
hand. Door de vroegere uitgevers (ed. Alkemde
257) wordt het woord verklaard door. „JoZeWif»,
misdadigen, schuldig aan 7 kwaad " endnflopgent
als eene samenstelling van Bal en Sculdich: ver;.
baldaet by Kil., bal£idig, balmonden , baelmonie*,
baloorig^ enz. Dit is zeer waarschijniyk; vgl. ott.
baluddd en andere samenstellingen; ohd. ^«^i'^;
ags. bealudady en zie Hejme, Hél. 155; ofn. Wi
(Richth. 617).
BAERSEN (barsen), zw. ww. bedr. IntenoCTe
vorm van Baren. Vgl. verclaersen , meeru% eiL
Baren ^ kinderen voortbrengen. || Sinte Anna,¥erie
vrauwe, ghi barset eene dracht getrauwe,bi welker
dracht de werelt al bescermet es voer mes^
Fad. Mus. 5, 334, 41. Vry vranc so bleef dil
maegdelic foreest ; . . int baersen zo es taller tj:
ghebenedgt, OFl. Lied. 419. Si baersde enen mk.
Cron. V. riaend. 1 , 2. Hoe dat vrouwe Hermegier*
. . hem baersde ende ter weerelt brochte t««
haren tydt, ald. — Nog in de 16de enlTdeeeif
in gebruik: zie Oudem. 1, 280.
BAERSEN (Hem-), zw. ww. wederk. Int«Bsie«
vorm van Hem baren, zich vertoonen^ siek oft»-
baren. || Omme te verhoedene laser ie ende heate
dwinghene , datsi haer niet ne barse , Jan. Yp. la*-
BAERSERBEEN (barsserbeen), bijw. G«-
tivus absolutus in het mv., die zuiver gramnsö-
caal barerbeen (baerrebeen) zou moeten luiden, doè
die waarschijnlijk ontstaan is onder den invW
der uitdrukking baersbeens , waaraan men den metf-
voudvorm gaf door achtervoeging van dennitga|
van den 2<*«n nv. mv. -er , en weglating der * ni
been. Verg. Kil. Baer-voet, baerscher-beei
en Baerscher-voets. || Wonder like vore (voeit
sachmen daer onder die Gayloyse over wier: il
barsser been liep daer tgene ende met enen roda
rocke gemene, Velth. IV, 2, 15.
BAERSINGHE , znw. vr. Zie Baersen. Bêriag. i
Maria, moeder ende zuver maecht, . . maecht t^
de baersinghe, zuver, claer, maecht in de baring^-
ende maecnt daer naer, O VI. Lied. en Gei^^l
1—10.
BAERT, znw. m. Ohd. bart\ mhd. bart\wai
bart. Zie verder Grimm 1, 1141; Kluge 18.
1), Baard. \\ Hine hadde t« claghene o«r
Reinaerde, den feilen metten roden baerde, A»
1 , 59. Dat soe stonde bi Reinaerde ende «oa«
name bi den baerde, I, 1975. Ende alst u no<<i*
ende dunct tgt, so seict vol uwen ruwen stiert,
ende slaetse den wolf in sinen baert, II, 681^
Want men vint nu meer Reinaerde , al en hebba
si gheen rode baerde , II , 7676. Ende dat si «^
hare ende met baerde trecken souden onder k^
beiden, Belg. Mus. 10, 94. — Enen in sia?»
baert spreken, iemand iets in ^tgexichts^/^
brutaal toespreken , verg. hd. einem etwas » ^
bart sagen\ vgl. Grimm, t. a. p. {| Sebastiaen '
521
BAER.
BAER.
522
baroen sprac ten hertoghe in sinen baert, als die
clene was vervaert, Segh. 9312. — Gode enen
flassen baert maken; Onsen Heere
eenen vlassenen baerd aensetten, Ood
door tekijnheiHffheid zoeken te bedriegen {Spreuken
dl) ; Terg. fip. faire barbe depailleh Diw; hd. einem
einen ttröhemen^ flachêenen bart drehen (Grimm,
t. a. p.; verg. De Jager, Arch. 4, 36.) || Hoe scarp
si hoer logben hier Terstalen, ende maken Gode
een ylassen baert, si gaen den pat ter hellen
waert, Hild. 170, 24. Dese willen Gt)de enen
vlassen baert maken, ende maken hem wgs, dat
hi des niet en verstaet, Ned. Proza 169. Zie nog
N. Doet. 499. — Enen in sinen baert swin-
gen, iemand in den baard (in H haar) vliegen. \\
Dmt toe so swang mi in mijn baert een knnst en
kuer , een wilt vermaert. Vrouw. e. M. Vil , 14. Over
den bedorven tweeden regel zie de aant. 3) ald.
— Spreekw. II Gheene oude gbeyte sonder baert,
nocbte nonne sonder popelinghe, Spreuken 70.
— Tscheers qnalic ghewet, den baert qnalic ghenet,
en ruide handen, doen menigen man cryseltanden,
ald. — Weel (wie) een baert laet wassen, die heft
een schalchejt gedaen, oft heft eene in den wille,
ald. 11. — Ook van den tttiart eener komeet. || Die
comete, die hare baert van schine gaf te Zuden
waart, Sp. IV», 29, 97.
2) Wang. || Die nederste delen der ogen, daer
die baerden begonnen werden . . . , genos in griek
is baert in duytsche, Barth. 113*.
BAERTMAKEBE (bartmakere, baertmaker,
BAERDEMAKERE, B.ARDEMAKER), znw. m. Van
Baert en Makere. Verg. ft. faire la barbe h quel-
qu^un. Barbier^ baardseheerder ^ tevens aderlater en
heelmeester. || Ende want hi baerdmakere ontsach,
sinc dochtren hi sceren leren plach, Sp. I", 38,
69. Die bartmakere liede ooc mede, dat hi hem
goed bieden dede, als hi score des vader baerd,
dat hine doodde metter vaerd, Hijmb. 21621.
Dat en gheen baertmakere, noch bloetlatersse en
gheene verkene houden en mach, Belg. Mus. 1,
263 (a. 1841). Dat engheen baertmakere noch
bloetlaterse , noch ziekeliede, noch gansbradere,
noch die cambret honden , ne gheene verkene houden
en mogen, 7, 298 (a. 1360). Item, baerdmakere
die menschen bloed niet en gravet, verboerd Vs.
Ende vindt men bloed ierghen op der erden, alle
die baerdmakeren selent sculdecn s|jn, ochte den
Bculdeghen leveren. Oor. v. -i«Ap. 40 , 144. Nieman
en mach scove halen in der heren lant, sonder die
caster : hi mach sijn recht halen , ende ... die
baertmakere, Belg. Mus. 6, 300. Dat gheen baerde-
makere en scere up gheen van den III evangelist-
dag-hen, up de mesdaet van V se. pars., Cannaert
101. Der bardemakers salve , Jan Tp. 61. Jehan li
barhiere: Jehan die baerdmaker. Hor Belg. 9, 86,
834. Ysebrand die bardemaker. Bek. d. Graf. 2,
530. Jacob den bardemaker, 1, 143.
Aanm. Door Willems (Belg. Mus. 1 , 263; 6, 179,
300) wordt baertmakere telkens verklaard als „ een
maker van baerden (zekere handbijlen , waervan nog
Aelbaerden).''^Dtzemsiken van bglen, knfjven, messen
en andere snijdende werktuigen zouden dan tevens
baardscheerders en heelmeesters geweest zijn. Hij
ontkent nameiyk dat baertmaken geiyk zou staan met
faire la 3ar^, hoewel bQ Kil. Baerd-maecken ,
Fland. Tetus,j. baerd scheren, voorkomt. Zienog
Cannaert 100 , waar men een reglement der Baerde-
makers uit de 14de eeuw vindt. — Het verbod aan
de barbiers om varkens te houden was ongetwgfeld,
opdat se geen varkens met bloed zouden mesten.
BAERTSCEERRE (baertscere, baertscerre),
znw. m. Van Baert en Sceerre, scerer (zie ald.).
Baar dseheer der. \\ Dye baertschere seide dat hem
Alexander veel goets beloeft hadde, wonde hy
sinen vader die kele ofsnijden als hy sinen baert
ofscoere, Pass. W. f. 142 <z. Enen barbier of baert-
schere, Bienb. 128 b. Vgl. ald. „doe waert die
baertscheerder vervaert." Van des baertscherres
weghen. Bek. d. Cam. 3, 26; 66.
BAER VOET (barevoet, baerrevoet, bar-
voet , bervoet), bnw. , alleen praedicatief gebruikt.
Ags. barfót (Ettm. 283) ; mhd. barvuoz ; mud. barvót.
Uit Baer^ bloot (z. ald.) en Voet^ eig. baerre voet(e) ,
nudis pedibus , genetivus absolutus. Barrevoets , met
bloote voeten. \\ Hi sach in die tombe, dat geloeft, eneu
lichame liggen sonder hoeft, entie lichame was
baervoet, Lanc. II , 26232. Si begonste hare scamen
om dat si in enen pels stoet bloetshoeft ende bar-
voet, Beatr. 260. So dat hi voer hem comen dede
grave Dideric al barevoet, ende daer zoeken sinen
oetmoet, Stoke II, 368. Ende es al baerrevoet
gegaeu in den tempel al moederene, Cass. 376.
Men seit dat si bervoet neven thout overwoet,
V. d. Houte 631. Baervoet was hi ende sine
scare, Rijmb. 10411. Si ginc oec baervoet, Christ.
849. Baervoet ghinc ie al mijn leven, Praet 4166.
Op heete colen staen al baervoet, Sp. II*, 64,
7; verg. II*, 7, 93; IV», 32, 59; 67; Ruusbr.
4, 149; ^j;. — In de uitdrukking : W u 1 1 e n ende
baervoet, in een wollen kleed en barrevoets \ de
kleeding van boetelingen , pelgrims enz. Zie verder
bij WuLLEN, en vgl. Aiol-ir. 733: wuUen ende
sonder scoen. || Dat ie morgen vor primtiden uter
stede van Gaunes sal riden ende gaen in ellendichede,
wullen ende barevoet mede, Lanc. IV, 8879. Dies
willic wullen ende barevoet . . . dragen haren sadel
fetijs van Montmartres te Parijs, Lorr. II, 1436.
Al droghic alle daghe een hare ende croeper met
van lande te lande over voete ende over hande,
wullen, barvoet, sonder scoen, nochtan en constic
niet ghedoen dat ie van sonden worde vri, Beatr.
150. Doe trac hi .... ten temple met groeter
oemoet , wuUin ende baervoet , IX Best. 633. In
den iersten secghen wi dat men doen sal des
Clais maghen voetvalle met twee hondert mannen
wollen ende baervote, Oorkb. 2, 349» (a. 1290).
BAERVOETS (bervoets), bijw. Mnd. barvotes.
Barrevoets. \\ Och lieve here, wilt bljsmoets sijn ,
al muegdy blootshooft ende bervoets sgn , Sacr. 169.
BAES, znw. m. Nd. baas (Brem. Wtb. 1,
68; Stürenburg 8; Outzen, Oloss. d. Nordfri. Spr.
18). Bg Kil. „Baes, herus , paterf amilias.'^ Verg.
Taalzuiv. 31 en D. Wtb. 1, llAl . Baas ^ huisvader^
naar de oorspronkeiyke beteekenis. || Doe sprac
Reinaert: „Nu gaen wi eten desen goeden vetten
hase". Die welpkine liepen ten base ende ghinghen
eten al ghemene. Rein. (C) 3134. In de andere
Hss. ten asei zie Aes. — In het JS!f i. p. rf. Visscher
(Belg. Mus. 6, 61) komt het voor in den vorm
baers^ rijmende op waers. Daar in de Vlaamsche
uitspraak de r, vóór eene «, met deze werd ver-
smolten, en b.v. de visch baars wordt uitge-
sproken als baas (De Bo 968, op RS), zal ook
waers als waes hebben geklonken , en , om de beide
woorden zichtbaar op elkander te doen rijmen,
baers en waers geschreven z^n, terwijl men beide
als baas en waas uitsprak. || Ie weddic up mijn
hoede worde , zo ie best can , en hy my onghenouehte
wil doen, den baers, ie sal hem vry wel doen
waenen waers.
BAESSOHE. Zie Base.
523
BAET.
BAGE.
524
BAET. Zie Bate.
BAETCëLEER. Zie Baciieleer.
BAETSELAER, BAETSELEER. Zie Bacueleer.
BAFFEN , «w. WW. onz. Mhd. haf en ^ boffen ; nhd.
gewest, ba f en ^ ba f zen (Grimm, D. Wtb. 1, 1076;
Stalder 1, 125; SchmeUer 1, 213). BQ Kil.
B af f en f HoU. i. bassen, latrare. Eene, naar
het schgnt, aan het Hollandsch dialect eigene
uitdrukking. Blaffen. || Dat cleyn hondeken, dat
daer altyt baffet, alst dieven vernemet, is die
consciencie, Oesta Bom. e. 1 (2^). Ghelijc dat dye
hont met sfjn haffen den dief openbaert ende en
laet die scat noch dat goet syns meesters niet
nemen ofk wechdraghen, c. 12 (14^\ Si doen dat
verwoede honden doen; si . . weraen gram ende
haffen, Bats. W. f. 218c. — Figuurlgk ook van
menseden gezegd. || Die Inde en willen horen
vrede niet laten om der Inden haffen, MLoep III,
646. Al ist dat die nyders haffen, daer en hebt
niet mede te schaffen, III, 1193. — Spreekw. ||
Liet die dief syn stelen, die hont liet sijn haffen.
Spreuken 466.
BAFFÜUS, znw. vr. Verg. mlat. pafuttum
(Dnc. 6,8); ofr. paffu» (Duc. t. a. pi. ; Roquef. 2, 286 ;
Gachet 360 op paffnt). Over den oorsprong zie
op Paffuut. By Kil. Baffnsen, ghisarmen,
armorum veterum genera. Bene toort van bijl^ tot
de verboden wapenen behoorende. || Dit sjjn ver-
sechde wapenen: knive, pilen, cortoisen colve,
gepinde stave, alderhande gescut, hantaexen,
ghisermen, baffnse (in den tekst verkeerdelijk
da/u/;?) , Heeln hl. 643 (a. 1292); in den fr. tekst,
hl. 660: paffut).
BAGAERT (baggaert, elders ook bogaert) ,
znw. m. Beggaard^ lid eener vrQe geeste-
lijke vereeniging. Zie Begoaert. || Tsaertroysers,
Zweesteren ende Bagaerden, ende ander gheeste-
lijke harden , die ons leren ende wisen, Hild. 163,
23 (var. Bogaerden). Sdonredages dair na tot
Hairlem den haggairden om Gode gegeven . .
1 gulden, Oorl. v. Albr. 47. Een bogaert dedeere
baghine ene alte grote medicine. Boerden Y, 7.
BAGE , znw. m. ; fr. bague. Kostbare ring , vinger-
ring. Over de afl. zie Littré 1, 277. || Dat hy ter
cansen van der oorloghe . . meest alle zine domeine
beleent ende verset hadde, ende ooc alle zine
baghen ende juweelen, Invent. v. Brugge 6, 216.
Bagen, juweelen ende huiscateilen , 648. — Het is
ook mogelijk , dat het fr. bagues = paket bedoeld
is, vanwaar bagage^ en dat dit in den zin van
roerende goederen op te vatten is. Vgl. Carpentier,
Suppl. op Duc: „Baga, arca^ cofffre.^'* Zie verder
Gloss. Invent. v. Brugge op baghen.
BAGEL , bnw. Samengetrokken vorm van Bekogel^
van behagen y bagen. Zie verder bij Be ha gel.
1) Schoon. II Tors es hagel ende groot, Ben. 286
(of sterk?).
2) Stout ^ vermetel. Verg. Teuth. „Baigen, be-
roemen, vermeten, Jactare. \\ Te hant heeft
hi there ghescaert, ende quam up hem metter
vaert, daer vlo menech heidin hagel, Rijmb. 6801 var.
3) Sterk, \\ So sterc viel doe die haghel , dattere
niemen en was so hagel, hine lach ter erden
ghevelt, Sp. III", 21, 40. Alst avont was si
quamen doe tenen casteel haghel ende groot. Wal.
10172 (of schoon?). Satnmus es fel ende qnaet
gemoet, ende Jupiter hovesch ende goet, Mars
verloepen ende wreet, die Sonne hagel ende heet,
Umb.Xi, 700.
4) Pronkerig^ opgepronkt^ in het oog loopend. \\
Baghel cleedere anghedaen , daer mach men plompeit
bi vêrstaen ; cleedere moy bnten maten dat es dit
dine ghebuere haten , Denkm. 3,6, 129.
BAGELHEIT, znw. vr., en -hede. ZieBAGEL,
en verg. Behagelheit. Stoutheid^ vermeteUeii. ||
Al hebbic van der jeesten bataelgen gesprokea
aldns, van hare faelgen, ende oec van hare big-
bede, Velth. IV, 32, 30.
BAGELIKE, bijw. Op eene stoute , fiere t^.
Zie Baoel, en verg. Behagelike. UHeremo&tdit
coninc rike quam gereden bagelike op een stare on
hyart , Lorr. II , 739. (Dat si) tswert soe bageliki
droegen, Aiol.-fr. 873.
BAGEN, zw. WW. onz. Veelvuldie voorkomesde
samentrekking uit Behagen. Zie verder ald.
1) Enen (3de nv.) bagen, iemand behgn^it-
vallen , aanstaan. || Dat water began hem wel bt^,
hine hadde gedronken in XII dagen, Ferg. ^
Dat Gkirine qualec begonste bagen, Lorr. II.
2966. Ende nemmermeer sone moet hagen Gode,
dat ie soke hulpe ocht troest om te werdene tb
u verloest , Rosé 1822. Hys kinsch ende joDC na
dagen, datter mi ane best dunct bagen, 3541
Dit es die minne die mi baecht, 12o<ff 4651. Omdat
si Apinse baegt, 6378. Besiet, Yrient,hoenbM{:t
dA vonture , 6299. Die van doegden eiken bi^,
Lorr. I, 1036.
2) Ook gevolgd door een 2dennv. Qpst>^fli^i
gerust, in zijn schik zijn over iemand of ieft. 1)
Ende es te sire tenten weert weder metten steb
gekeert, daer hi wert op sün bedde gedn|ei,
syns selfs begonsten qualeec bagen, Xorr. II, 951
BAGGAERT. Zie bagaert.
BAGGAEET, znw. m. Bagger, slik. \\ Toert a
moet nyemant missche of baggaert legghenapdk
schyewech buten der ketelpooirt, O. K. v. M'
I, 36. Dat niemande missche ofte baggaert leg^
en moet uptie schiewech, K. en O. v. Delft lU^h^:
vgl. 112, 47. — De YOim bagger komt voor 115,51.
BAGGAERT, znw. m. Bedelaar, eng. ^
Vgl. E. Muller 1, 72. || Ie hebbe ghesien deo »
salighen baggaert den coninc, die zjn kogtóf
aenden hals hadde, Bienb. 1823.
BAGGAERTS VAT (baggaersv at) , znw. o. Hit-
zelfde als oosvat (aesvat) ; z. ald. Emmer on tteüe
te scheppen, hoosemmer. || Van ses besleghenei^
ysere baggaerdsvaten , Invent. v. Brugge ^.^^
BAGGAREN, zw. ww. onz. Baggeren. || &>
volle scuyte baggers . . nae dat zyinyden |^
baggaert sullen hebben, K. en O. v. Delft lib^Si
BAGGE, znw. vr. Hetzelfde als baggeUt^^
zie ald.) Big. \\ Si slachten der soeghen , ▼auBer
ie {zij) kuddekyns hevet of baggen, Con. Sm.^
Copen jonge baggen, Dial. Creat. 683.
BAGGELE, znw. vr. Big. Bg Kil. „BaggbeU,
Holl. j. vigghe, porcellus.'' \\ Ist dattet {i^
verken) hylict voer dat jaer, soe syn die haggli^
minre ter andere reyse , ende is die soch voer dti
eerste jaer mit jonghen, so brengt si jongheani
cleynen lichamen , ende dye bagghelen s^n b^
die in den winter geworpen werden dan dieii
den zomer geworpen werden, Bartk, 786«, ^•
BAGGELEN, zw. ww. onz. Biggen werpen ^h^
Van Baggele.B'^ Kil. Bagghelen, j. viggk«^
II Dattet verken springt na die achtende nitf^>
ende twyf baggelt na enen jaer, BarU. 7S(i
Wanneer dat die soch bagghelt soe gheeft si ds
eersten soen die voerste mamme, 7863. Ab 8i(^
soch) bagghelt ende die jongen soect (soof()y*
wast si ende wert magher, 794a.
BAGGER. Zie baggaert (2de Art.).
BAGINE (begine), znw. vr., Beg^n, ss^
^
525
BAGI.
BAYE.
526
tener vrije geettelijke orde, Zy stonden niet m den
renk van heiligheid en werden dikwijls om hare
losbandigheid ten toon gesteld. Zie verder Beqine. ||
Een moenc met eenre barhine, een pape ende een
gehniret wyf, si droncken yan den wine, rol
TTonden was hem diyf, OVL Ged. 2 , 111 , 9. LoUaerts
endfl baghinen, nonnen die oeck heilich schinen,
Hild. 163, 21. Ene b^hine sagic haer baren ende
op hare enen bogaert , Boerden Y, 13. Maer swesters ,
baghinen, loUaerde, si s^n alsoe loei yan aerde,
datoe qnaigc pinen moghen, maer si drollen wel
grote toghen , TrtÊW, 74. Maer ghy , sondich becoren ,
tempteert iemant die yele de kercke hanteert, een
nonne, een snster oft een baghynne met oncnys-
heden, Saer, 1080. So stichtede hy inder eeren
Sdes achte cloesteren yander oerdene Cisters,
halyen die yerffhaderinghe der baghinen, die hi
in menigherhande steden boyen yijfdnsent totten
dienste Cristi Jhesn yerghaderde, Bienb, 121 b.
In Baghinenstrate den baghinen in den convente
yan decstegne 6(?, Bek, d. Cam. 3, 34. Denselyen
baghinen yan XI» tyghelste^ns 16 §1, ald.
BAGINEREK, zw. ww. onz. Van fr. hadiner,
met yerwisseling yan d en ^, misschien eeneyolks-
etymologie, die het woord met bagine in yer-
band bracht. Schertten^ stoeien, \\ Maer si bliyen
onlanghe daer, sine maken hem saen elwaer daer
men drinct ende hoyeert, yronwen spreect ende
bagineert, Teest. 3222.
BAHÜUT (bahuyt, bachuut, bachüyt), «nw.
m. Van fr. bahni (Littré 1, 278); mlat. bahudum
(Dac. 1, 536). Oorsprong onzeker (yerg. Dies,
Etym. Wtb. op Ban Ie). Groot met leder overtrokken
kojferi Kil. 834: bahn, bahukiste, bahoele,
area eamerata^ citta, || Eer si binnen qnam , qnamen
Yoor haer wel twee hneren lanck dnerende mnylen ,
geladen met bahnyten, Exc. Cron. 304 d. Een
bachnnt, 2 foreel kaersen in te doene mf. , JZ^it. ^.
Gr. 3, 110. Een bachnnt mijns heren hamasch in te
Toeren , 116. Een male ende een nienwe bachnit, 130.
Yan enen maelzac ende een bahnt tot m^ns heren
8grayen behoif, ald, 2, 339.
B AY , bnw. Fr. bai (Littré 1 , 278) , yan mlat.
iofftUj baffiauj lat. badiut (Dnc. 1 ^ 51^), Roodbruin.
Kil.29:Baeye, baeyyerwe, baeyaert, badiiu
siva baiut eolor, epadieeue. \\ Ter stont ginc . . .
Mardrins onder dat heydensche yolck met eenen
bayen paerde, Sxe. Cron. 81 d. Een graen paerd,
... 1 zwart paerd . . ., 1 bay paerd . . ., 1
▼ael paerd. Bek, d. Gr, 3, 112. Een bay teldende
paera , 113. Een bmun bay paerd . . . ; 1 bay teldende
paerd, 131.
jBAYAEBT (betaert, byart), bnw., ook als
amw. m. Mlat bagardut (Bnc. 1, 630), yan
èa^usj boffuuy baius (zie het yorig art.). Roodbruin
peutrd^ vot. Als eigennaam yan het paard der yier
Heemskinderen „tors Beyaert** algemeen bekend.
II Ende liearde en sonde niet yieren, sine sonde
lopen te blassarde, ente morele ente beiarde,ende
den irsten dien si qnamen an, dien cosen si to
l&aren man .... ende dat ie segge yan baiarde,
ende yan bmnen ende yan blassajrde, dan seggic
niet bi hem allene, ie segt bi al den beesten ge-
mene: elc loept ten andren sonder sparen, Boae
12864 (yar. a, ys. 12871: beyaerde). Heremont
die coninc rike qnam gereden bageiike op een
stArc ors byart, Lorr, II, 739. In de nitg. yer-
iLeerdeUk Byart geschreyen en als eigennaam be-
selioawd; het niet bepalend lidw. toont dnidelgk
amn, dat het als bnw. moet worden opgeyat.
BAYE, znw. yr. Fr. baie (Littré 1, 279), yan
lat. baeea (baea). Bezie, -bei, inzonderheid /«iiritfr-
be*. Il Gewreyen mit olye yan bayen ist ghoet op
beten yan serpenten, Barth, 584a. Olye yan bayen,
dat is olenm lanrinnm, 6486 (ygl. Jan Yp. 91).
Droge bayen wel gepelt, Jan Yp. 54.
BAYE (batesout), znw. o. Zeezout^ ruw zout.
Kil. baeye-sont, eal aequoreuty vunrinuij thans
nog baaizout geheeten. || Baye, bronaedse ende
diergelfjke zont, K. v. Brielle 157, 37. En zal
nyemant mengen of doen mengen eenich zelsont
onder bayesont, noch baye onder zelsont, 158D.
Bayes zont, zelsont of ander zont , 12. v, Utr. 1 , 335 ,
7. Ymant die zelzont mengede mit bayes zont, ald. 9.
BAYEN. Zie Baden.
* BAILGE, Jan Yp. 139, 1. balge. Zie Balch.
BAILGIE. Zie baeloie.
BAILLE, BAILLIE. Zie baeloe.
BAYNAIS, ook ban ais, veinais, en misschien
ook nog sterker yerbastord binees, znw. onz.
Bene lakensoort, waarsch^nlijk aldns genoemd naar
de stad Bemaify in het departoment yan de Enre,
in de 13de en 14de eenw door hare laken-
fabrieken bekend. Zie ZVl. J?t;ir.5, 77;Gheldolf,
Eitt. de la Plandre 2, 503. || Voort een laken bi
hem of Ingels sarc es scnldich II d. . . een roUe
baynais II d. , ZVL J?t>V^. 5 , 35. Een rolle yeinays,
64. Moreide moet men wel naien op den hec
eyelijste, ende men moetse wel maken zonder l^ste ,
ende men moetse al in waerpe ghel^c bnnette
sonder binesen, d. i. uitgezonderd Berm^lakens (?),
Boek met den knoop y aang. t. a. pi. 77.
BAC (back), znw. m. Bak. Kif. back, troch,
linter, alyens , mactra. || (Een moele (baetroeh^ Kil.)
metten back ende mette ghereetscap, Geaeh, v.
Antw, 2, 649). — Back, beker, pocnlnm, yas
potorinm; back, schnyte, scapha, ponto (Kil.).
BAKE (baec), znw. m. en yr. Mlat. baeo
(Dnc. 1 , 528) ; ofr. bacon ^Bnrgny 29) ; eng. bacon ;
ohd. baeho\ mhd. bache-, nha. gewest, baehen (Grimm
1 , 1061 ; Schmeller 1 , 193) ; mnd. bake. Bg Kil.
Baecke, baecken-yleesch, baeck-yleesch,
Fland. earo porcina, caro tuilla, lardum, suecidia,
pema. Volgens Grimm, yan back, mg, datinags.
bac, eng. back, onrd. zw. bak, yoortleeft, en
yergeleken wordt met gr. naxvSi dik, yleezig,
waarnaar eerst het yette mgstnk yan het yarken,
yeryolgens het geslachte en opgehangen dier ge-
noemd werd, en eindelgk met yerandering yan
geslacht het leyende zwQn.
1) Zijde varkentvleeeeh , zijde tpek, yooral de
gerookte oftotrooken bestemde, m. || Sinthoondine
yan enen bake , die yet was ende yan goeder smake,
dien ghi leit in nwen mnseel. Rein. 1, 217. Die
wisse daer die bake an hinc, becnanse: soe es so
yet, 224. Die selye pape hadde enen spiker, daer
menich yet bake in lach, I, 1516. Daer yant
hi rentyleisch in cnpen ende baken hanghende
yele, 1522. Sanderjjn, ie ben nns nn sat ende yan
herten alsoe mat, al haddic VII baken gheten,
Lansl. 241. Men dede binden hnyse sciere mnt-
yleisch, baken ende spec, Stoke V, 810. XXII
kerren beede met brode ende met baken, Jubry
256. Coren, bonen ende baken, Hild. 166,
200. Item yan 23 zyden spex . . enen man yan
Medenblyc, die costeden oyer hoeft, bake oyer
zyde, tetnc II se. IX d. (d. i. de eene zijde tegen
de andere doorgeslagen), Oorl. v, Albr, 208. Item
een bake yleesch, ZVl, Bijdr, 5, 63. Die baken
moeten yiertiennacht lang ten minsten int zont
gheleghen hebben, ZVl. Bijdr. 3,27% (a.1379).--
Zoo zal men in het fragm. yan fhvent 61 5 ^ baken
527
BAKE.
BARE.
moeten lezen in plaats Tan baiene. || Int beckeneel
maecti oen soure , dat tswert ginc ten aadele dnre.
Ritsier riep metter spoet: yfieae sijn ie baken goei."
De twee helften van den door midden gekloofden
ridder, zegt Ritsier met bitteren spot, zi|n goed
Yoor z^den spek (ygl. het eerste yoorbeeld bij 2).
2) Oeslaeht varken , m. || Die here Tan Bmborch
lach gecloeft yan beneden tot ant hoeft, gel^c oft
een bake ware, Yelth. lY, 84, 81. £n sonde
niemant mogen gelooTen wat si dair al goets
wonnen, . . . erwiten, bonen, runderen, b&en,
dat sjr al te hemwaert traken, ende dadent op
wagens laden al. Oic Tonden si dair sonder getal,
peerden , orssen , scapen mede , ende menich yercken
tier stede, dat sy thnnswert dryren daden, Orimb.
1 , 5680. Eer die knaep mit nanwer liste den enen
baec aldus beroofde, ende die helft al daer off
cloefde, Hild. 60, 160. Ie hebbe noch drie-
hondert baken, J%»rtf»^ 247. Men scoudse in warmen
borne, ende laetse daerin soo dat die hnntafghaet
ende ontdoetse in mydden lanx ghelijc eenen bake,
Keukenb, 13 , 18. Yan eiken baken enen coelscen ,
Y. d. Wall 74 (a, 1285). Zie nog Belff. Mus. 10 ,
69—76, passim; Hild. 59, 48; 68; 78; Rek. d.
Graf, 2, 106; 489; «112.
3) Zevend var ken , rr, oTenals in H hd. bacAe
(Zie Grimm op Bache, 2de art.). || Alse wi een
grote proie lagheden, die ie ende mQn oom be-
jagheden, enen osse oft ene bake, Rein. I, 2125
(aldus Hs.; bij Jonckbl. Terkeerdel^k enen b.).
Baken, ossen, orssen, muien, niet en liet hiis hem
ontsculen, hi en besagt altemale, Limb, II , 385.
Een Tremde man die copet jof yercopet eene coe
jof I calf hoel^c ess . . . ende die copet I scaep
jof I zwQn jof eene bake, N. W, Lett.6ySé (Hier
sch^nt het bepaald toijfjesvarken te zyn in tegen-
stelling Tan het mannetjetvarken , zwijn). — Spreekw.
Als hoeren schelden, so kijckt den baeck ute,
Sprettken 79, d. i.: dan komt het yarken kijken,
dan komt het Tarken yoor den dag.
BAKELAER, znw.; het geslacht blijkt niet. Yan
baeca lauri, Diut. 2, 202: Bekelere (bake-
lare), bacca. Laurierbee^ nog in de 17de eeuw in
die beteekenis gebruikelijk. Zie Wdb. op Bredero;
De Yries, Var. 221. || Sijn pulTer (van eomijn) in
die nase gheblasen doet nyesen, .... ende mit
bakelaer dwincgt hy den conden reume, Barth.
598 b.
BAKEN (BAKIN), znw. onz. Osaks. bókan^ teeken;
ags. bedcen (Ettm. 299 ; Grein 1 , 104) ; ofri. beken ,
baken \ mnd. bake,
1) Seinteeken^ signaal^ strekkende om het Tolkte
Terzamelen , inzonderheid om het te wapen te roepen,
teinvuur. || Soe wie tsHeeren bakene niet en compt,
die salt beteren , als of hy beneden der heerschepe
woende, ende hy tsQns Heeren bakine niet en
qname. Mieris 2, 18a (a. 1300). Daer si haer
baken hoghe op haren tome traken , Stoke YIII, 710
(Tgl. 715 : syn teyken). (Si) ginghen op ter zelver
stonde biden bakene ande nortside {van Zierikeee),
312. Lieden , die weenden in sijn lant , die wonderlic
waren, an den zeecant, die bi costumen waren
ghewone te yechtene ende manslacht te doene,
ende te yergademe bi bakinen, als elc wilde
hebben den sinen, Fl. Rijmkr. 2977. — Staende
bakene(n), absolute uitdrukking, ale de bakene
of alarmteekens zijn opgericht^ d. i. in tijden van
oorlog. II So wie dat moerdadelike yement doot,
of met moertwapenen , . . . hi sal siin hooft yer-
liesen, ende siin hant yoer den leyende ghewont,
het ne si in ghemeenen stride of staende bakene,
Oarkb, 2, 332, 21 (o. 1290). StMHide Inkae
ende buten y rede en machmen geen lagkeolc|gki,
333, 26. So wie doot wort gheslaghen of ronflBct,
of ghewont in ghemeenen s&de of staende btkeaa,
... dat salmen eenscatte gelden, 333,30.~T^
336 , 49. So wanneer als die graye of die Iwtk-
graye of die baelin comt in Zeelant omdeslnti
orbare, daer hi bakene yint staende of btta
yrede.
2) Fakkel, \\ Dat die yrSe Yresinne koaet lu
des yrQea Yasenn were end maehtaldoiimytaei
waechhorens geschall, end mit buiren gesdill,
end myt bamende baecketten;endmit9oetafaBge,
alsoe lan^ all went men dïie maeltgdt doet eii
dath bmidtbedde thoemachet is, OmmeL Lnè.
by Richtb. 409, aant. 14). — Ook als symW
in het rechtswezen bjf het yeroordeelen tib ea
moordenaar gebruikt. || Als die rechter mtta
scependom ende clagher coemt yoir den stm,
dair yint hy ner ende stroe. So kosit ék
rechter een yonnes, wair mede men lealèd
is P. mede te woesten. Tyonnes w^st mit iw
ende mit baken, als recht is. Die recMs
yraechts yonnes, hoe dat wesen sal mit nekt
Tyonnes wQst: ^Dat die Bailin sal ontstekeieci
baken, ende heffen op boyen s^n hoefde, vA
seggen aldus: Hier woest ie ende legh baUiigk
slans . . . den moirdenair . . . Ende dat sal ^
doen tot drie werf toe. Die rechter heftet bk-
baken op, ende seit: enx.^ Matth. 187 ylg.
Aanh. — Is yan dit woord ook een friese
dialectyorm het O, W, v, Amt. 40, 7 tireeaila
yoorkomende beeken? || Nyemant en moet beoka
hamen binnen der yr^hede, bg x se HoQis;
noch en ghien poirter en moet beeken banei ip
eenre mile na der stede, hg der buete yoin.
BAKEN {boecy gebaken) , st. ww. bedr. ; de rerL ^
boee behoort oorspronkelijk slechts bg Aai», doel
werd later, toen dit in onbruik raakte. Teil. t^
yan het afgeleide ww. backen; yerg. mhd. h^
ags. baean, eng. bake. Bakken, || Men 8sl« a
broede mede bi&en , ende daema saïmense ontaabi
in watre, Nat. BI, X, 167 (yan de eiieKriiU).^»
snlken aerten can ie haer taerten te pointe laka
in minen oyen, Praet 3490. De brode, die sa
ghebaken hadde, He, v, 1348, 77 d. Hora^
oyen dat es de helle ; de taerten die men deer ii
baect, dat es torment dat ziele smaect, Bn^
3496. Zie backen.
BAEJSREN, zw. ww. he&r. Koesteren ^venorp^
yan pasgeboren kinderen. Oyer oorsprong eaw^
wante yormen, zie De Jager, IVeg. 2, 13. ii(Sb
yerwermde ende bakerde het {Aet kind), Bar%.l
67 a, — Eil. kent zoowel de nitdr. baeckerii
een kint ende ophouden bg *t yier, tl)
baeckeren in de sonne.
BAC-HUUS , znw. o. Bakkerij (Eü. 28: jwAwa-
II Twie knechtsen, diet loet drooghen uten bttlm
in der clerke camer. Rek. d. Qr. 2, 306.
BAC-HUÜS, znw. o. In onze opyattLngTiB<*-
gegiekt; ygl. baktanden, || Uut ooren, nutbackii'
blasé ie helsche sperken. Mar, v, N, 41 , 984. —T^
Eil. 28 , die beide opyattingen yan iac-kmut kot
BAKIJN (BAKIN, BAKEN), bnw. Van Bake.nAm
Fan een varken y varkene-, Bakgn yleeickt
varkenevleeeck, || Neen, Grrielkin, maer oeop bikv
yleesch ende gheetin , Livr. d. Keet, 7. De sckipfA
als zg hebben een hongher bgstere, so naro*
z^ yan eyers eenen y^stere inne baken yleeieL
ghebacken in de panne, Han. H. 226. Itea-
so ziin de zieke yors. schiildich te hebbese ^
529
BAC-I.
BAC-K.
530
den Sinxendach elc een vierendeel yan eere gans ,
elc een stic bakins yleeschs daer naer volgende ,
Belg, Mut. 7 , 86. Dat niement vleescli en sla . . .
omme voort té vercoopene, dan die bevryet sgn
binden ambochte vornoemt, het en ware baken-
vleesch, Keur van 1379, in ZFl. JBijdr. 3, 278.
Bentvleeach, bakins vleesch, wederen vleesch,
Jan Yp. 179.
BAC-ISEB, znw. onis. Yerg. mnd. bakieer.
Bakpan van ijzer, \\ De centum ferri qnod dicitnr
hacjfeer qnatnor den. Colon., Oorhh, 2, 117 a (a,
1274), y. d. Wall 131. Een hondert ysers... es
scnliüch I d., een hondert bacysers iof catteribben
es scnldich XII d., ZFl, Bijdr. 6, 33 (a. 1262);
verg. 76. Van enen hondert bacyser, Y. d. Wall
131 (a, 1307). Zoo ook Invent v, Britg^ 2, 191.
BACKATIJN (backaten) , benaming eener bui-
tenlandsche mnnt, Bek. d. Oraf, 3, 82; 84; 119.
BACKBLIC, znw. onz. Van Boeken met het
achtarv. -Uc^ als in veehtelie^ enz. Hetzelfde als
ttaete (z. ald.). Baksel, \\ Poirter, die een w||f
heeft, die te backen of te brouwen es ghewone,
die mach een backelic broots verliesen, ende also
een brouwelic biers, ende dair jegens en mach
hair man geen achtinge hebben, MeyUnk, Deljl,
Bijl. bl. 55, 45.
BACSIEN {boec^ boeken^ aanv. irïi%boeke^btieke\
doch veelvnldiger biek^ kieken^ gebacken\ enbaete,
{N. Doet 566 vindt men boekte^ met de inHOost-
vlaamsch gewone verscherping der k voor tU}ieh\
vgl. Bek, V, Geni, passim), gebaet)^ ai, en zw.ww,,
doch de sterke vormen behooren eigenlijk bij baken
Lald.). Ohd. baehan^ buoek ^ ffebaeAan; mhd. bache^
ek , backen ; ags. baean , böc , bacen (Ettm. 276) ;
mnd. backen^ bók (doch meest zwak), gebaeken,
Bedr. — Bakken. || Die pnlleginm biec in eenen
koec van eieren , ende daet eten hare , si sonde ghe-
nesen sciere daer nare. Vrouw, Heim. 1665. Een crepel
w^f so was aldaer, daer men tes bisscops doe biec,
8p, IV*, 33, 8. Item so wie bevonden worden, tsg
biackers of yemant anders, die voirt an semel of
kemelle bacte in enich broot , die sonde verbneren 18
SC, Leid. Keurb. 236, 40. Wie dese brode anders boeke
om te vercopen, 499, 27. Gisteren boec ie dit broet
mit mynen handen, Devoet B. (36) 59 r. Wie dese
brode anders bneke, die verbnerde 12 se. Leid.
Keterè. 509, 51. Mit brieven gesent . . . an allen
den backers, roerende dat sy niet meer broets en
bleken, mer dat koim heel lieten, Oorl. v. Albr,
68. Doende calck int meele daer si broot af bieken,
JBxe, Cron. 109 b. All tcoem dat binnen Haerlem
^bact ende gegheten wert, Inform. 15. — In
fignnrlgke toepassing. || Mer die nyder bronwet last
ende die dapper backet leyt, IlLoep II, 1534.
Onz. — Foêtkleven (ook thans in dezen zin
bekend in aanbakken, vgl. Ned. Wdb. 1 , 56), voonü
van kleederen aan wonden enz. || Hoe wredeliken
worden hem sine cledere nntghetoghen , die ghe-
drog^bet waren ende ghebacket waren an dat blodighe
^wonde lichaem, Brugm. 2, 363.
BACKEN, zw. WW. onz. Waarschijnlijk een
klanknabootsend woord, dat elders niet voorkomt.
Slaffèn^ Aow^. II Ander manieren heten bracken,
met langhen oren, entie backen na die diere, ende
rieken wel, l^at. Bl. II, 693 var. (odore et impor-
XxüxvB latraübue bestiam seqnnntnr).
BACKERE (brckere, backer) , znw. m. Bakker.
II Heinric Snacke, beckere, Brab. Y. YII, 14313.
Twee flcipliede, twee smiede . . . ende twee backers,
OeMch^ V. Antw, 3 , 540. Zoo ook Oorl. v. Albr. 58 ; enx.
BACKERSE, znw. vr. Yao Bakker met het
achterv. -se. Kil. backersse, pistrii. Trouw die
bakt^ bakster. || Ende hi sal oec maken n dochteren
salfmakerssen ende backerssen , D. ^. 1 Sam. 8 , 13.
BAC-KETEL, znw. m. Een braadketel, ketel om
vleeseh enz. in te braden. \\ Een den besten ketel ,
sonder bronketel oft backetele, Oesch. v. Antw. 2, 646.
BAC-COBP (back-corf) , znw. vr. Broodmand.
Vgl. Kil. back, gheback, cibns pistns , coctns ;
Oesok. V. Antw. 2, 649 onder ander hnisraad
genoemd. — Andere samenstellingen met bac bij
Kil. zQn: bacbner, i. q. ovenbuer, fornuis,
oven f loens nbi panis coqnitnr: zie buer; back-
oven, fnmns, clibanns; bacpanne, testns;
bacsteen, latns coctns, later coctilis; bactroch,
i. q. moelie, mactra.
BACKUUS, znw. onz. (?). Oorsprong onbekend.
Breekijzer, kouweel. jj Doent gememt was vanden
qnaden, daden si graven daer met spaden ende
met backasen stene opbreken, Yelth. lY, 3, 23.
(Misschien te lezen bajfusen? Zie ald.).
BACSCIP (baecscip), znw. o. Yaartnig voor de
vaart op de binnenwateren ; ons bok (?). Ygl. bac. ||
Yan een sconde, daer een bacscip of was ghe-
maect, Invent. v. Brugge 4, 152. Yan eenen baec<
scepe nten gronde te doen ten hooke ende te
Brncghe te bringhene, ald.
BACTANT, -de, znw. vr. Yan Bac, kinnebak,
en Tont. Yerg. mhd. doAsan. BQ Kil. „Backtand,
dens maxillaris, molaris, genuinus, eolumellaris.''^
Kinnebakstand, kies. \\ Ende die bactande mitten
kinne, Mandev. 21e. Die Here ondede die bactant
in die kinnebac des ezels, ende daer qnam water
nnt, D. B. Bickt. 15, 19.
BACTE, znw. vr. Hetzelfde als backelie; vgl.
brouwte. Baksel. \\ Een bacte broots . . ende ..
een bronte biers, K. en O. v. Delft 253, 48.
BACTREYE, znw. vr. Bakkuis, bakkes. Oorsprong
onbekend. || Holla, hoe gaeptij alzo? Znldij mij
byten? Ghy hebt emmers een gente backtreye,en
daer mede zgdij ooc waeker, ghije, Han. H. 104.
BACÜMIJK, znw. m. Baviaan, of misschien
in *t algemeen als benaming van een of ander
monster. De in het Bmss. Es. voorkomende naam
van het dier , dat in het Comb. Hs. baubijn genoemd
wordt (zie ald.). || Ie waende,hetwaereenmarmet,
een baknm^n of een meerkat , ie en sach nie leliker
dier dan dat, Rein. II, 6518.
BAC-YONNIS, znw. o. Vonnis buiten tegen-
woordigheid van de partij gewezen. i| Wanneer die
verweerder inkomt, ende die back-vonnissen niet
af en dinght, soo verbenrt hy enz., Yan Santen,
Kennemerland 189.
BACWABICH (bacrwarich), bnw., voor bac-
WAERDiCH , evenals meewarig voor meewaardig (Kil.
geeft beide vormen); vgl. ofiri. bekward, mnd.
bakwards, eng. backward. Bechtsterm: Hij die in
gebreke blijft, die aan zijne verplichüngen in rechten
niet voldoet, b. v. kij éUe ten dienenden reektsdage
afwezig is of blijft; in het laatste geval beantwoordt
het aan lat. eontumax. \\ So wat ghewaert rechter ,
die bedracht doen zoude over eenen man, ende
{die) daerof bachwaerdich (var.: ende dan daerof
tonder) bleve, dat is hem op X pont, ende zQn
twee volghers (d. z. getuigen, hetzelfde als be-
drachtsüwkn (z. ald.)) elcx op X pont, O. B. v.
Dordr. 2, 228, 4. Soe staet F. ende ie in zijnen
woerden ende seyt, dat C. is al soe verre over zee
ende over sant . . , dat hg hier gheen werif houden
en mach , ende wil dat schenen te heylighen ende
seyt . . , dat hg mit recht sal comen in zQnen stal ,
recht voer hem te spreken als voer een bacwarighen
531
BACW.
BALC.
532
man, Dingt. v. Amti, 19 ftweemaal). Dese vier-
thien daghen . . mach een bacwarich man wynnen
Yoer een hantdadigbe, ald. 20. — Minder juist
wordt, ald. 18, F. de persoon, die voor den af-
wesige optreedt^ zelf „een bacwarich man^* ge-
noemd, tensy de bet. hier mocht syn: „iemand
die een rechtsgrond aanvoert, waarom de zaak
moet worden verdaagd of geschorst." Ygl. Eng.
baekward , dat o. a. beteekent dilatory (Webster i. v.).
BACWOORDICH, bnw.; van *tf«po(?r^, datmnl.
niet schynt voor te komen; mnd. bacwort (L^hhwi
1 , 144 en Snppl. 28) ; vgl. baewordeach , ald. en
bakrede {aangeh. ald.). Achter den rug gesproken ,
niets ter zake doende y valseh^ onwaar. \\ Alle die
woorde, die Wonter seit, dat siin onghebonden
bacwoerdighe woorden , want hi aen dier husinghe
niet en heeft, ende ongheeyghent is, B. v. Utr.
2, 145.
BAL, znw. m. Ohd. balla vr. ; mhd. mnd. bal.
1) Baly kaatsbal. \\ Die alle speelden . . . .
scaec of werptafelspel , ende vele sloegher daer
den bal, Wal. 2966.
2) Bal, als een voorwerp van weinig waarde,
eene nietigheid , die men laegscAopt, Zie De Jager,
Lat. Versch. 110. || Sondi, alse een onwaert bal,
weldaet werpen int helsce dal, so ware hi sonder
ghenaden, Vap. Mart. I, 277. Si stieten mi daer
als enen bal, ende crosten mi, ende hingen alsoe,
Velth. Vin, 21, 28. — Met de ontkenning ; niet
een bftli 9^^ bal, en bg uitbreiding : ^«m n^. ||
Dgn proeven wert hier jeghen smal ; hen sal niet
waert syn een bal, ghevullet met drave, Wap.
Mart, II, 140. Niet een bal ne doech hem haer
berouwen, Disp. 166.
BALAIS (balets), znw. m. Van tdXbX. balascus,
balaseius (Duc. 1 , 547) ; fr. balais ; it. balaseio ;
mhd. balas\ ontleend aan arab. balchasch. Be-
naming van een edelgesteente, aldus genoemd
naar oe plaats waar het gevonden wordt, in het
chauaat Badaksehan {Balasehan), in de nabyheid
van Samarkand (Littré 1 , 283 ; Diez op B a 1 a s c i o).
Bij Kil. Baleys, carbunculus candidus. Bleek-
roode robijn. \\ Dyamanten, baleysen ende oec robynen
sach men daer aen hem schinen, Versl. en Ber.
4, 59, 149. Baleysen, dyamanten, menegherobyn,
64, 280. Een tabernakel van Ons Vrouwen belde,
mit elf balaisen omtrent ende vijfthien saphieren,
Brab. T. Dl. 2, bl. 694. Hi bringt zijnre bruut . .
den balays der vrouden, Boee d. M. ƒ. 4. — Ook
nog bij Vondel 1, 376, 909.
BALANSCE, znw. vr. Van mlat. balanpa, ba-
lancea (Duc. 1, 546); fr. balance. Weegschaal. \\
Doghet verwoech onghelike de quaetheit der werelt
ende de sunden al, soe dat u in der hellen dal
die balansche nederdroech, Mask. 842.
BALCH (ballich) , znw. m. ; verkl. balchsken,
ballichsken, onz. 6ot. balgs\ ohd. balg\ mhd.
balc\ hd. balg\ ags. belg\ eng. belly, ofri. balga;
mnd. balch. Van Belgen, opzwellen, en vandaar
het opgeztoollene in verschillende toepassingen.
1) Buik. II Doe ghinc hi biten grote beten aen
die beenre, die hi inswalch, drie, vier tevens in
sinen balch. Rein. II, 5838. Van den balghe es
goet dat smout , Nat. Bl. II , 885 (van den bever).
Dan als si wanen gaen eten, ende si ter tafelen
sijn gheseten, comt sulc luut uut haren balghen,
dat daer elc af mochte walghen, N. Doctr. 1315.
Dit meisken crijcht berou den balch al vol! Mar.
V. Nijm. 35, 854. Ende dat selve (t. w. dat bloet
des H.) ghieten si in haren vulen sondeghen balch,
Ruusbr. 2, 122.
2) Rowtp, lijf, bast, gemeenlijk in Tenchidjlbi
zin. Verg. Buuc. || Tibeert was sere Temet,
ende bleef sittende up diegalghe;hiYa8runia
ruwen balghe in sorghen . . groot ateniuten,J2m
I, 2820. DA vonture heeft dit begonnen lUei
te wisene ane die galge; ende alse gi luingetnet
uwen balge, salse u nemen die ^dine enne,
Rosé 6176. Ghi moetet ontghelden metten bilge,
Limb. IV, %7. Hets jammer, dat si niet a
leghet in enen put onder die galghe Taste ^
dolven metten balghe! Hese 58. Bat men s h
den balghe an een ghalghe moet in den lyit
cnoopen! Belg. Mus, 6, 62. Tes een aenn cr|gkr,
die by den balghe an een galghe moetTerwoorgka,
D. War, 1, 414, 238. — Ook van den penm
zei ven : hangebast , galgebrok. \ j Daer hinc hi die ti«
valsche balge, Alex. VIII, 837.
3) Bol, blaas, || Totter formeringe der stemit
wort die lucht ontfangen in den balch derlot^
in folliculo pulmonis , Barth. 12ba. (Die loi^)
spreyt dye lucht totter vervollinghe der lietta
ende behout die in haren ballighen ende gtetkm,
in suis follicuUs et poris reservat, 144r. Sj kiefi
onder haer kinne een balschken (/. balchskei,lit
folliculum), daer sy water in gadert, 49(k.
4) Lederen zak. \\ Letten hem rivieren in qi
riden , . . was soe te wQ t ofte te snel , so nu k
balgen ofte blasen , die vul winds waren gbeltbsa,
Sp. I", 14, 42. Van alle maniere van gtnnilki
ende van allen engiene die men maect met balgen (?|.
Invent. v. Brugge 3, 380 (vgL 381). Ecnedistöi*
met eenen bailge (1. balge). Jan Tp. 139.
5) Blaasbalg van een orgel. \\ Die balligenta
die orgilen, . . die haeren aen die vedelen, £t
dode dermen inden herpen luden veel soeter, D. ^'
6, 201. Van den orghelen ende van den haï^
van hout. Rek, d. Buurk. 30. Van den 3 ijtt
balghen aen den orghelen te maken, 33.
6^ Huid, vel, vlies, omkleedsel, seheede,'vuff^-
heia by vruchten. || (Die eyaun) en sadet d^
voer dat ander jaer noch en maect zjn siii i*
den balghen (Lat. in folliculo) nyet, Bartk.^
Dat hi aren hevet int overste van den strw
wassende, daer die corlen in den baHick^
legghen, 615^. Die muscaet . . bynnen eest
harder scalen mit eenre hunt bedect of mit eia
ballighe, 6456. Die korlen mitten ballichfktf,
als die olie uutghedropen is , zgn g^t voer w^
te voeden, 64£i. Dese boem heeft eenn^
roede ballichskens in den bladeren daer ü^b
is, 665a. Een gheslacht van legumen mitbaUicWkA
die ydel zijn, 6746. Tloke als die lelie maectifi
zaet des steels eerst in enen tederen balsckka
(/. balchsken), 5846. — Hiertoe behoort miss^
Stemmen 123 , doch dan moet balc als bakk V9i^
opgevat, en de bet. van vlies, seheede, w^^
Tfijzigd hebben tot die van binnenste, pU, kert^\
Wy moeten ierst breken den bast van bit»
daima die scale der quaderghewo6nten,endeii^
totten balc der ynnigher soeticheyt. — Verklw. b«^
gekyn, vlie^e. \\ {In de baarmoeder sifn) vi^
blade (?) balgekine mede ende elc heeft sine beso^
stede, M. en Fr. Heim. 1566.
BALCHFAERT. Zie Balfaert.
BALCHHONT, znw. m. Wachikond, Md
Of balch het woord buik is , is moeilgk te beslisa
In verwante talen komt het woord niet td(7. Ü
Dat versach een balchhont , die wel wiite ée*
gront; hi quammer toe lopen mit groten ti|'
Hild. 127, 21. Als die balchont den boeÉr
dede, 40.
533
BALD.
BALE.
534
BALDAC, znw. onz. Vroegere benaming van
Bagdad. „ In Chaldaea in Oriente est civitas nobi-
lissima . . . nnnc de omnibns ciyitatibus orientis
melioribns una et super fluyiam . . . Enphratem
sita, Baldacb Tocata ... In hac civitate . . .
gunt nnnc ditiores et meliores sub coelo merca-
tores ... In hac ciyitate Calipba/* Lndolphus,
lAb, de itinere terrae aanctae^ e, 32. || Deen
woendo te Bruggbe . ., ende dander te Baldac
in de stede, Venkm, 3, 165, 12. Als OTerleden
was de spacie datsi te Baldac qnamen an tlant,
171, 202. Die coepman yan Baldac, 175, 309. —
Yaodaar baldekijn (zie ald.) en ons palankyn.
BALDE, bijw. Mhd. balde-, mnd. balde, bolde \
tthd. bald, Hoogdnitsch gekleurde vorm voor het
echt Dietsche Boude (zie ald.) , en vooral in Lim-
burgscbe geschriften voorkomende. Snel^apoedig.W
Sy keerde doe danne balde, Serv. I, 2975. Der
vronwe worde ie balde quyt, MLoep I, 146. Wye
balde ghelovet, die ghecket sich, lY, 1686. Die
licht gheloeft, die is balde bedroghen, Frouw.
en M. VI, 36. Ten is uiet guet op eens anders
doot te hopen, want het stern de eene soe balde
als die ander, Spreuken 31. Sy ijlden voele
balde daer, Serv. I, 2272. Voele balde bj sich
roerden , II , 1247. Soe hy alre baldste mochte, soe
hieff hy sich ane die vaert, I, 431. — Als o
balde als, zoodra, als, || Dat dede hy synen
vrienden kont alsoe balde als hp hadde vernomen,
I, 1068.
BALDEKIJN (daudekijn en ook bandeeijn,
bandeken), znw. m. Mlat. baldakinut, balde-
Hmuê , Aandequinug , baudequinui (Duc. 1 , 548 , 549) ;
fr. baldaquin ; mhd. baldeUn ; mnd. baldeke , boldeke.
1) Koetbare uit zijde en goudéraad gewevene ttof ,
mt Baldac (Bagdad) af komai%g,\witL^o\i zijden-
etof van geringere soort, voor kleederen , dekkleeden
enz. ffebruikt. Zie Weinhold , Die deutaehen Frauen ,
423. 11 Hierom gaven wi hem gheme oppenbaere
Bcoenheit die hem ontfanckelec ware, baudekine
ende covertore, Limb. VI, 2583. Reepen, tenten,
pauwelyoene, al bissijn ende van dieren doene,
daertoe pellele ende baudekine, <^. IV*, 15, 87;
JBrab. T. U, 2752. Daer jeghen sidi met pellen
^beladen ; purpere , scaerlaken , baudekine , daer af
8Ün hier die cledere dine, X. Flagh, 1415. De
cleederen van den sonen waren an de luchter syde
Tan baldekine, ende an de rechte syde van ruwen
groTen lakene, . . . ende snn drye dochterkins
hadden ane cleederen van dierbaren baldekine,
Cnm. V. Vlaend. 1, 6. So wat brulochten dat vallen
bynnen der stad van Lovene , daer de bruyt gehuut
in cammencaet ocht inne bandeken, soe sal die
bmjg^oem ende de bruyt gheven te verdrinckene
den gesellen van diere parochien, daer de bruyt
inne beslapen wert, . . . twee gulden. . . . Ende
daer de bruyt gehuut in scaerlaken, daer salmen
de g^sellen gheven ... enen guldenen, Vad.Mua.
2, 296 («. 1396). Een de beste huyve , haersnoer ,
bandeken, spansel ende dierghelycke , Qesch, v.
Antw, 2 , 647.
2) TroonAemel, uit koet bare zijden stof gemaakt,
welke boven vorstelijke personen bij optochten werd
gedragen, en bg uitbreiding, draagstoel met een
troonhemel voorzien, palankijn (dat uit baldakijn
▼erbasterd is). || Doe nam hi tkint der moeder
eiin , in een guldeip bandekiin dediit dragen tsiere
doet wert, Limb. IV, 1721.
BALEREN (balleren), zw. ww. onz. Van
Mlat. balare (Duc. 1, 546); ofr. baler, baller;
nfr, èaller; it. ballare. Vermoedelijk ontleend aan
rom. balla, bal, daar in de Middeleeuwen het
balwerpen een met zang en dans verbonden spel
was (Burguy 32; Diez, Ettfm. Wtb.o^ Ballare).
1) Dansen. \\ Daer mochtmen hebben sien baleren ,
vedelen ende flaioteren (/. flayoleren?) vore die
vrouwen menechfout, Ferg. 5433. Die jonfere an
dander syde die was tallen tyden blyde : sy tumelde !,
baleerde ende spranc, Trogen 5494. Ende gaf hem
orlof vrouwen spel , singhen , dansen ende baleeren ,
te doene weltyt dat s^s begeren, Sp. I*, 9,6. Dese
dede die here Dedut baleren, diet wel ende frailijc
daden. Rosé 716. Maer die hier met lieve willen
j uweren ende met ghevoelne dan balleren, Hadew.
I, 49, 56. Ie doe tomieren,... vrouwen pareren,
zinghen baleren, Prset 3278 — 82. Baleren, dansen
ende reien, Bose 9475. Dan gadi baleren ende
springhen, 7999. Al daer so quam Herodiasen
dochter ende balerde ende spranc vor dat volc,
L. V. J. c. 99.
2) Dansen, trappelen met de voeten, van een
paard. || Dat ors ontede dien mont, alset dien breidel
horde clingen, . . . metten voeten ghinct baleren,
Ferg. 3786. (^lorifier baleerde ende maecte feeste
met beide sinen voeten voren, Segh. 5983.
3) Drentelen, slenteren (in vAh^ieX. nog baljaren
genoemd.) || Al en stoppen si gheen gaten , si gaen
baleren achter straten ende houden metten lieden
haer scheren. Vod. Mus. 1, 324, 19. — Waar-
schnnl\|k ook in den vorm belleren, slenteren,
en bij uitbreiding, verkeeren, omgaan. \\ Ende die
fhaeme belleren mit sconen vrouwen, die sullen
at ghilde opbouwen. Vrouw. e. M. XI, 35.
BALEFROIT. Zie Belfroot.
BALEINE, znw. vr. Mlat. ^^»ia( Duc. 1,550);
fr. baleine. JValvisch, Verg. Le Grand d^Aussy,
Vie privée des Francais 2 , 66 , waar wordt mede-
gedeeld , dat de walvisschen zich in vroeger eeuwen
ook op de Vlaamsche kusten ophielden , en , aldaar
gevangen, versch of gezouten bQ mooten en in
vaten op de markten geveild werden. Zy werden
febraden met boonen gegeten. || Van vissche van
er zee ende van zoete watere, ess een vremde
man die coopt jof vercoopt den twintichsten penninc ,
zonder baleyne ende harinc. Letter k. N. W.
6, 90 (a. 1348). Van baleynen. So wie die coopt jof
vercoopt ess van der marct 8 d. , ald.
BALENGIER (ballinoier) , znw. m. Mlat.
balingaria, balingarius (Duc. 1 , 552) ; ofr. ballenger,
ballenier (t. a. pi., en 7, 54). Èen soort van
oorlogsvaartuig. || Twalef geselle, die sy namen mit
eenen balengier tot Muden,overmidsdatonveylich
was over die Suderzee bi der Kuynre te varen,
Oorl. V. Albr. 23. Van alrande cost ende oncost
van houtwerke , ryemen , seyldoec ende anders des
aen m^ns heren scip ende den den balengier gedaen
ende vertimmert wort, 24. Van eenen balengiere
daer mede men ute ghevaren zoude hebben , /fiptf»/.
V. Brugge 4, 42. Alsulke guede ende comanscap,
als binnen der stede van Dordrecht gebracht
waren in een ballingier, toebehorende ende dair
scipper off was Jan Reyger, O. B. v. Dor Ar. 2,
139. Dat sy in den voirsz. bidlingier byden voirsz.
Jan Reyger gevangen angebracht sijn voir die stede
van Dordrecht, a/S.
BALFAERT (balphaert , balchfaert, balch-
fart) , znw. m. Mlat. balfardum , balgart (Duc. 1,
551). Zie over de afleiding bij Belfroet. Eigenlek,
de heerendienst of corvee om te arbeiden aan de
wallen en torens der kasteelen en vestingwerken ,
aan de belfroede, en, b|| uitbreiding, de be-
lasting van 12 den. per haardstede, waarmede die
535
BALF.
BALI.
536
\
heerênéUentt is afgekocht. Deze belasting, welke
door de laien^ insonderheid in West-Ylaanderen ,
wert betaald , is omtreeks het midden der 13de eeuw
afgeschaft. Zie Warnkönig-Gheldolf, Kut, de la
Flandre, 2, 61; 4, 184 en 421 ; Invent. v. Brugge
4, 232, en vooral de Bulletint de TAcad. Bog.de
Belg., 2«e Série, 11, 340—362, en 374—408,
en 14, 156, waar evenwel, evenals Noorde-
wier 161, de etymologie vau het woord onjuist
is opgegeven. ||Cam nos dnodecim denarios
Flandrensis monetae, qnos exegeramns annuatim
de qnalibet domo existente infhi oflBciam de
Ziessela, ratione cujusdam servitutis, qne bal-
fardwn vnlgariter appellatnr, quod tamquam jus
nostmm ibidem habnimns et recepimns ab an-
tiqno, nos predictum jns, qnod nt dictnm est,
halfardum appellatnr vnlg^iter, . . in perpetnum
qnitavimns et qnitamns, Oork. v. 1266, by Wamk.-
Gheldolf, Hist. 2, 459. Onsen balphaerd eewelike
wie hebben quite ghescolden, behouden alleenlike
tonswaert, dat wilden wi nieuwe vesten maken of
doude vermaken, die den balphaer(t) waren ghe-
wonnen te gheldene, warense ons schuldich te
delvene, Oari. v. 1240, in de Bulletvu , t. a. pi.
352. Van eiker balchfart es scouteten recht II sol.
ende daer ombe moet hi sitten bi den ontfangere
met scepenen ende kiesen tgelt, Qendtck Chtb. 10
(a. 1252) ; verg. Halbertsma , Aantt. op Sp. ,
Praef. 137.
* BALPTER. Verkeerde lezing, Bei. d. Gr. 2,
127, voor half ter (z. ald.).
BALGEN, zw. ww. onz. By Kil. „Balg hen,
decertare, pugnare, altereari, eoneerere manus,
eonjUgere';' hd. balgen (Grimm, D. Wtb. 1, 1086;
Schmeller-Frommann 1, 236; Stalder l,126).yan
Balg, hd. balg, ook in den zin van tuntt, gevecht \
verg. tumultut van tumere (Grimm, t. a. pi.).
Twist hebben, vechten. || Hier uth (nut der arm-
bosse) werden ghesloten alle crancheyt die een
criget van vechten of balgen, die en zal niet
ghenieten; maer alleen dat God een man thoe
zendt, J). War. 5, 36 («. 1512).
BALGEN. Zie Belgen.
BALGIDE znw. vr. Hetzelfde als baelgie (z. ald.).
BALGIE. Zie Baelge.
BALGIE. Zie Baelgie.
BALHORICH, bnw. Uit Bal, slecht, en Horich.
By Kil. „Bal-oorigh, bal-hoorigh, defessus
audiendo', saepe et graviter eadem audiens.^* Moede
van het hooren. \\ Dusdanige kermen ende roepen
behaget hem wel , ende hy en wort van dusdanigen
horen niet balhorich, Con. Som, 136a.
BALIOEN. Zie billion.
BALIERKIJN, znw. o. Lederen riem, lederen
ring (?). Het fr. belière heeft o. a. de bet. van
„anneau auquel est suspendu Ie battaut d^une
cloche" (Littré 1, 324). || Ghegheven Rogier . .
den buersemakere van 4 lederinen balierkine an de
scellen tsinte Cruuspoorie, Invent. v. Brugge 3,
38 (bl. 182 wordt gesproken van „ lederine
rieme, de cleppelen van der clocke mede te
hanghene^^).
BALISISCHE, verbastering van Basilisc, Nat.
Bl. YI, 207 (varr. basilise, baseliscuse) , waarvan
nog grootere misvormingen zijn bladelasche en
blarasch (z. ald.).
BALIÜ (BAELIU, BAILIU, BAILLIU, BAELVOU,
BAELJüW , BALOU , BELiOu) , znw. m. (mv. bailiutoen
en bailiuwes, Vaderb. Xbba). ISXdX. baillivus , ballivus
(Duc. 1, 542 op Bajulus 4); prov. baile, bailieus
(Bayn. 2, 169); fr. bailli voor baillif. Van
mlat. bajulus, eigeniyk drager, en bij litbrcidiii,
opvoeder, hofmeester, d. i. de persoon die ka-
deren draagt of leidt, kwam de romaanscke Ton
bailo {baj^lns: verg. aider van adjntere^tJMtm,
altare, aidar, zie Diez 1, 46 op Bailo; Bnek
79 op B ai 1). De beteekenis van opvoeder, hevuriir,
breidde zich uit tot die van bestmtrier^ Ud-
voogd', verg. it.' balire, prov. boiler, ofr. hnlk,
besturen. Aan den anderen kant schgnt nek lit
de beteekenis van bewaren die van hesderwk,
versterken, ontwikkeld te hebben, vanwaar i«jfr
in den zin van verschansing (zie Baelge).
1) Benaming van den rechterigken ambteiiir,
die in een bepaald rechtsgebied {district, hêljn-
schap) als vertegenwoordiger van den Imdskeff
optreedt , en elders schout of drost genoemd w^
Oorspronkeiyk was de Baljuw de vertegenwoordifv
van den Landsheer of diens Stadhouder es Ü
binnen zfju gebied gelgke bevoegdheid als delutMt
over het geheele landschap. Van die macht wa
de rechtsmacht , de politie , en het maken van keira
in samenwerking met de welgeboren mtniMiit
voornaamste bestanddeelen. Het groeiend ttÉi
afgescheiden rechtskringen , steden , vrne heeriik
heden (immuniteiten) en de toenemende sel&te-
digheid van deze , deed het Grafelgk geng es
daarmee dat van den baljuw allengs inkrinfo-
Vgl. Mieris 2, 712 vlg. (a. 1346); Lams 68; T.
Santen 268; Oudenh., Z.-Holl. 7, 109, 437, 4n;
Noordewier 339; V. d. Wall, Register, in Toctft
Baljnws waren reeds onder de graven slecht bekoJ:
het innen der boeten, dat tot hun ambt behoorde, fit
tot allerlei misbruiken aanleiding. Hg kr«ef i|m
percenten van de boeten, die voor den Itndskff
waren, en daarop was weinig controle. || Die priw
pael ende overste dienre des heren heet naden nèn
haircomen bailiu, dats in htXijie praeposiltu . .;ïiit
vicarius, dat is stedehouwer des heren, Mtttk.%
Ende want den bayliu also wel bevolen is naifl
heerlicheit te bewaren trecht te landevaerti^
in der steden, so heeft die heerlicheit f^
ordineert enen daghelixsen rechter, onderdi<0
des heren ende des bailiuys . . ende diet iv^
besit van daghelixse saken als die baylin »^
ter vierschaer niet en is, 39. Wie soe yeanl
slaet binnen der chore te lempten , dat nl lo
gelden dat vierendeel van eenen manne ofte meer,^
sal beteren twescatte , alse hoech oft buten glteaot
ware, ende hy zal zoeken des ceninx ghenadej^
sgns baliuwes, Oorkb. 1, 245tf («. 1248). Alk &
saken die ghescien binnen der chore die die le^
baliu ende die scepenen niet en moghen bere^ta
dat sal berechten die baliu, die es als gnvea
des conincs stede , bi der waerheyde die hi •'*
weten bi den scepenen, 1, 2466. Den bansil»"
houden ter comsten des baliuwes, diet bere^
sal als grave , 1 , 247a. Dat sal berecbtea &
baliu ghelijc den grave, 1, 247*. Die gnnwi^
setten eenen edelen man, dier oerbaer toe es,ï^
eenen baeliu in Zeelant, die zal wesen driej^
baeliu ende niet langer, ende hi en sal fkff»
anderen setten , het en waer bi der meester mesiBf^
der ghesworen ende bi des graeven wille, *
330/1, II («. 1290); zie nog ald. III, IV. Vy
verbieden bi alsuilker boete alse onse w^
van Zyrixe bi rade ons baeliu wes utghefe», i
431fl, verg. 450, n« 994; 465, n«>. 1004; 4>l
n». 1069 en 1070, enz. Onbiedende dain»
onsen bailliu van den Briele, of die scoitj
absencie van den bailliu , Priv. v. Brielle 5,J'
(a. 1476). Goesin van Wielsbeke, balgu in dAii^
537
BALL
BALl.
538
boeith, Vod, Uva. 4, 333 (a. 1308). SoiutenHove
biflia mjj]i£ heere Se^hers van Curtrike, ald,
(«. 1320). Zi€ Terder Matth. 38 en 39, waar men
ook den eed van den baljuw beschreven vindt.
— Spreekv. Die gheen werck en weet, smyte den
liMÜim, Spreuken 91. — Ook het vr. baelin-
winne, balfunosvrouw^ komt voor, jBbr.^^i^. 9,84.
2) Ook rechterlijk ambtenaar^ rechter in H al-
femeen. |i Baliawen, jngen biet hi te dien, die
kenien waren, datmenae afdoe, Sp, II*, 27, 24.
Eode doe ontboot die helighe vader den bailia,
dit hi commen sonde, ende ooc mede also honde
die wethonders van der stede , Amand II , 5448. Nu
otttboet die vrouwe den baliu : „Her baliu ," seitsi ,
^ bevele u dat ghi ^e&t jonfirouwe vaet ende
Bargen met uutwert gaet, ende verberrentse in
een vier, Lmh» I, 1737. Bailliuwen, wethonders
cide jngen . . hout trecht ende die waerheit sterke,
Iknkm, 3, 116, 35. F. Berecht mi, meester, lieve
j^lle, wie is die rechter van der hellen ? A. Clerc ,
ie nltn seggen nu : Lucifer es daer baeliu , Lueid.
5164. Zie nog Idyrr. I, 226, 255; Franc. 5418;
Moerieu H, 17 vlgg.; Hild. 132, 144; 211, 345.
— Des duvels — , de baljuv des duivels , iemand
die recht doet naar het wetboek des duivels. ||
Een mechtech man, die rike ende onwettech es,
nee, fel, ghierech ende stuur, es en harde quaet
gkebnur, U es des duvels bailliuop ertrike , Zerp.
ni, 4, 637.
3J Bg uitbreiding Opperreeiter ^ landvoogd^
vaak als vertaling van lat. praefeeius. \\ Binnen
Fujs dat hi vant enen baliu, die die wet van
fiome daer hadde geset , Lanc, lY , 9859. Antypater,
mjn vrient , die Alexandre heeft gedient ende over
Orieken es baliu , Alex. X, 287 {Maeeium proef ectus^
lat). Ende dar toe so was hi nu int lant van
Meden gemaect beliou , TUI , 455. Cestius vernam
dit na, die in Surien was baelju, Rijmb. 27906.
Na to was in deae stonde baeliu in de port Geronde
Enfijn, ende onder Daciane, i^. II*, 47, 20. Die
kejier dede uutgeven baljuwen, proesten ende
gnven, dat sine vangen als enen ongaven, II*,
5, 7. 6hi selt over al voor mi spreken voort aen
eade mijn tael houden, ende in m^n lant van als
0eYOuden alse mijn soverein ende baelju, Bein,
U, 7587. Dese knecht heeft eenen oom, die neemt
tote allen dynghen goom, ende es baelyou der conin-
gkinnen , OVl Lied, e. Oed. 340, 739. Zie nog lUjmb.
27906,28340,32149; 5!p.II*,16, 19 ; 57 , 268 vlgg.
3) Ook Voogd of kastelein van minderen rang ^
iloüoogd, II Want si dies en wiste niet werwaert
datse die voget tiet, ende es haer gelopen naer,
e&de riep den baliu daer, Lorr. 1 , 223 ; verg. 255.
Tan den palalse hadde Macrin baliu gewesen, i^.
n*, 6, 8. Dese Philip die hadde gewesen vanden
palajse baeliu vore desen, II', 14, 21. — Inden
lin van baiUusbode^ gerechtsbode, schijnt bailiu
Toor te komen Pelgrim 32a: || Bistu een bailiu of
een bespger? hoe heetstu, waen bistu ende waerom
diaeckftn desen groten stoc?
BALITJKA6E (Baillinage), znw. vr. Hetzelfde
ali ialtuseap (z. a.). || Tscependom ende baillinage
van der stede van Brugghe , Cout. v, Brugge 1 , 203.
BALIITSBODE (baeliusbode), znw. m. Be bode
MS d^n baljuw^ van den ambtenaar van het open-
baar maisttrie , gerechtsbode, \\ Alle bailiuwen , alle
baliosboden , ende allen scoutien ende alle scouten-
boden . . ende allen den ghenen, die dienst van
layn Heer vueren. Dingt. v. Delft 44.
BALIUSCAP (bailiuscap, bailliuscap, bae-
LIOUSCEP) , znw. onz. en vr. Van Baliu.
1) Baljuwschap <^ rechtsgebied van den baljuw. \\
Dat wy den heemraders van den bedryven van den
dycken ende van den watergangen van den bailliu-
schappen tusschen Schie ende Goude hebbende
genomen op ons e geleyden , Oor kb. 2 , 493 a {a. 1299).
Dit is innemen haren Florans van den Boechurst
van der baliuscap van den lande van Aemstel ende
van TVaterlant, B£k. d. Graf 1, 270. Summa
summarum van der baeliuscap van Aemstelrelant
ontfaen, I, 278. Binnen der baeliouscep van Rün-
lant. Mieris 2, 56^ {a. 1306). Die goede luyden
tuisken Schie ende der Gk>ude ende van dier baUliu-
schap buten der poorte, 58 « {a. 1306). In onsen
baljuschap van Hedenblick, 113 a (a. 1310). Onsen
luyden van onser bailliuschap van Delfflandt ende
Schielandt, 115 a (a. 1310^. Soo wie die boeten . . .
in synen bailiu wschap veroeurde, 116 a {a. 1310).
Binnen der bailliuscap van Bünland , 149d (a. 1315).
Yan (den) bailiu van Middelborch, die hi nqjn
here leende upt bailluscep voers .... 400 scilde ,
Bek. d. Or. S, 328. Zoo ook O. K, v. Dordr. 1,
46, 164; eng.
2) Baljuwschap, de bevolking in het rechtsgebied
van den baljuw. \\ Of sake geweest waer, dat him
last van den Yriesen angecomen hadde, dat hi dan
die alinge bailiuscap hfMde mogen uutbieden om
dien last ende noot te wederstaen, CUrrc 100.
BALIUWINNE. Zie Baliu 1).
BALG, znw. vr. Mnd. balke (Vgl. Grimm 1,
1089). Balk, in verschillende opvattingen.
1) De balk boven in het huis , waarop 's nachts de
hoenders sliepen, vandaar hanebalk genoemd; vgl.
B>ein I, 1618. || Si stelen horen nagebueren hoenre
van der balcken, Con. Som. 266. — Vandaar die
balke, de dakbalken, het dak. \\ Soe wie stroeof
riet opten balken heeft. Keur. van Hoorn van
1429, § 9.
2) Dorgaende balc, doorloopende balk die
in een schip op de grootspanten rust, en waarvan
de lengte de hoofdbreedte van het schip bepaalt. De
groote schepen der eerste klasse worden in een
reglement voor de scheepvaart op het Zwin van
1252 scepe met doorgaenden balken ge-
noemd. Zie ZVl. Bijdr. 6, 17. || Alle dese voors.
scepe als si huut comen , updat si negheene door-
gande balken en hebben, es elc voorseit scip
sculdich VIII d. , ald. 25. Voort alrande scepe ,
kocghen, hulke, oevers, torfscepe of naveele met
doorgaenden balken syn sculdich elc scip XII d.
par. der toolne , ald. 26.
3) Unster, by Kil. Balck-waeghe, trutina,
stater a. || Item, dat niement binnen Antwerpen
weghen en sal met balken, ochte met scalen,
buten der heeren waghe, eenich goed daer . . .
der waghen recht ane versoenen mach syn, Cor.
v. Antw. 35, 118.
4) De houten of ijzeren staaf, die als een middellijn
de cirkelvormige opening van een korenmaat, (b. v.
achtendeel) verbindt en steunt. \\ Die maete
wesende voir ende achter even vol ende die balcke
bedect mit tcoime eer die streeckel dair up sal
leggen, K. en O. v. D*//^ 153 , 4. —Vgl. baer.
Spreekw. Over die balc lachen, luidkeels,
bovenskeels, uitbundig lachen (?). Vgl. onze uitdr.
het over de balk gooien, verkwisten. || Ist datter
yemant van wereltlgcken ydelen dingen calletofte
spreket, terstont soe lachen si over die balck ende
syn van herten blide ende vrolic , Oest. Rom. c. 40.
— Vgl. ook balch 3).
BALKEN, zw. ww. onz. Van Balc. Balken
leggen, jj Item enich man of vrouwe die steen werc
i\'
y
o39
BaLL.
BALL.
540
tymmerai wil in SwoUe bi der ttrtte , . . . die ui
die mare aUo hoghe leggen dat sQn nabaer daer ap
balken mogbe, St^k-. v. Zwolle 142, 239 var.
BALLINGIER. Zie balengier.
BALLING (ook in den niet geassimileerden
vorm BANLINC) , -nye^ znw. m. Mbd. banline, balline ;
mnd. ballmi^ banlink.
1) Een va» het landrechi verttokene ^ reehteloot
verklaarde^ ba/mteling ^ in den ban gedane^ balling.
Verg. Noordewier, R. O. 323 Tig. — «) Hij die in
den ker keiijken ban ie gedaan. || Het ware een
onscone dinc, sonddi, bere coninc, maken uwe
wandelingbe met enen yerwatenen ballingbe, Bein. I,
2781 . — b) Een verbannene , kij die door een wereldlijk
bettuwr tot ballingeehap i» veroordeeld, balling. \\
De tijt 10 bont gbedingbe, up hare ballingbe
doet aoe beqjt, Praet o73. Bedi es bi vroet,
die 80 doet, eer bi wort balling ende woeste,
683. Doe weende sere die vrouwe fijn, als
si verstaet, dat si daer toe balline was, Segh.
11830. 8o wie zo bin Middelburg iemene boud
die te banne es gedaen om gbesekerde scboud,
in den buse dar bi in woend, etende, drinkende
of slapende, bi sal gbelden des banlings scboud
ende den bere X G ende der port 1 ^, word hys
verwonnen van III scbepenen, ende diie banlink
sal bliven des mans banling over al die scbade
die bi nemd bi hem. Twee schepene ende en portre
moghen aresteren haren banling bin der port.
Oor kb. 1 , 311 6 (a. 1264). Voort zo wie die ballingbe
van sestich ponden , jof ballinghe van live jof van
lede . . . doot slaet bin der paele, daer bi buten
gebannen zal zyn, zal zgn los ende ledicb van
dien faite , Cout, v. Brugge 1 , 295 (a. 1293). Soe sal
men wesen balline der stede , Keur. v. Hoorn , van
1429, § 41. Ende van dien poorten die ghi den
Leviten ebeven sult, soe sullenre ses verseheiden
s||n in der ballingben hulp (t. w. als vrijplaats),
D. B. Nutn. 35, 6. — Enen balline slants
leggen, iemand uit het land bannen, hem buiten
de wet stellen, elders ook genoemd enen uut-
lage lants leggen of woesten (zie uutlage
en Woesten). || Die gene die bi onsen rade tot
Alcmair voirtijts ballinge onser lande geleit sijn
om des vechteliex willen , V. d. Wall 400 {a. 1407).
So P. die moirdenair aldair mit reebt ende vonnes
verwast is van sinen live ende goede, dat die
Bechter seuldicb is, na den rechte van der steden
mit dier selver vierschair op te staen mitten
seependom, ende voir die steen te gaen, ende
aldair P. den moirdenair te woesten ende ballinek
tlants te legghen, als recht is, Matth. 187. Hier
woest ie ende legh ballingh slans, van mjjns
Heren weehe, van der steden weghe ende van
rechts weghen P. den moirdenair uut mijns heren
heerscapie van Yoime, als van B. doot, hondert
jair ende enen dach, mans leven, lantslegher,
van nu tot ewighen daghen , 188. Van den gheenen
die ballingen slants geleit worden, overmits doot-
slaegen ende andere gemeen ofte dageliexe misdaden ,
K. en O. v. Delft 75. Zie ook L. Keurb. Gloss.,
en Dingt. v. Delft 9 en 43. — Ook op zaken toegepast.
II Dat gheenen seheerer en geoorlooft te scheeme
eenighe lakenen, ballinghen zQnde, up de boete
van 20 fll van eiken stieke, ZFl. Bijdr. 6, 165
(a. 1441). Dat gheen van den tween vaerwers en
gheoorlooft te vaerwene eenighe lakenen, ballyne
zijnde , up de boete van 20 ü p. van eiken stieke,
171. De welke inghelsche lakenen balling zyn in
Ylaenderen, Invent. v. Brugge 4, 333.
2) By uitbreiding. Qrove misdadiger, boosmeht.
in *t algemeen. || Hi versoent nocli menegki
balline, alst vorsprac die icriftore, die Ladfti
die lo0e ontfinc , Distp. 137. Dn sag:best heden nerei
di ballingbe sterven twee of drie, B<fetps. 32, 88.
BALLINCBRIEF. Zie banbbief.
BALLOKE. Zie Banlucke..
BALLOUTER, bg £ü. 32: testis, tesücalis,
coleus. Teelbal', vgl. Eng. balloek en £. Maller 4&
BALMOND (BAELMOND), xnw. m. Mhd. bmlmaÊt
Van bal, d. i. steekt, en wumd, d. i. voofd, TgL
hd. vormund en ndl. mowiioar, wumdiffy enz. Au
slecht voogd, hij die de belangen vam wÜMderjarifs
kinderen, aan zijne voogdij toevertrouwd, sledi
behartigt, en vervolgens hij, He zijne ievoegdhtü
verliest om weder voogd te zijn. || Dje de
kynder guedt toebrochte ende der kjnder oibir
nyet en dede, dye helft zji» mondscblp verlora
ende een baelmond te bljven ende djre schepeaa
sullen en ander op zyn steed setten, Scbwartz,
1, 563, 111. Die beeft zyn mondscip Yaiarei
ende sal een balmond blyven, ald. 5776. TgLEl
31: balmonden, j. verbaelmonden, msle
tueri rem pupilli , adimere tuiori tuteUass.
BALMONDICH (belmundich , bellemlndicb i
bnw. Mnd. bal-, belmundich. „Ballmmmdieh , ie?
schlechten oder keinen Sehuts hot** ist ein bais-
genosse, der seines Hofrechtes yerlnstig worèea
ist , nnd daher von dem Hofesberren als ritterdga
beerbtheilet oder auf die Gnade desaelben tg-
wiesen wird" (Lubben 1, 146). YgL Strodtmai,
aangeh. bij Kil. bl. 31: Balmundi^h, d. L Af(«
nae den doedt (Racer 4, 243). || Wie syn Hoftecbt
versuimet . . ofte daer tegen doet, . . die woft
belmundich, dat is te verstaen, dat die sehi^,
hy sy manu ofte frowes persohne, Terboert alk
syne geregtigheit , die by heeft in den hoflfreektaL
ende wort na synen levent eigen , ende daa* neoët
de Kon. Maj. alle syne naelatene gniderea b^
weghlick ende unbeweghlick , beboltlich nochtaas,
dat hy altydt noch binnen synen leeven die \t^
mundieheit magh affkoepen , aang. bij Kil. 1. 1. f-
(Racer 4, 246; zie nog een voorbeeld ald.). Stsn
eyn wastinsich man ende seghede siin bere datk
siin tyns neit ghegheven en hadde ende bellemuBdidi
were, B. v. Zutf. 70, 76. Soe wie dan o^
rechten tynsdach . . inden hof niet en queme isi
betailde synen tyns off hoffpenninck . . , dat sk
dan binnen jairs storven, sie solden belnuad^
wesen oeren heren ind oir naegelaethen g^etssc^
ind sall oir heer deylen mytten eTffgenêOBS^
Racer 4, 197. Wert sake dat enych hofhoiychsa
ofte wyf hylycte buten der echte an eynen asdera
de nyet hof horych ys ende bynnen jaers den ando^
nyet braehte yn der selver hofrechten ofte ijc:
en krege daer to des Heren consent, de woet
belmunayeh, ald. 248. Zie de Aant. o/^. bl. 243 a
bl. 293 en 297, en nog andere voorbeelden ni
het gebruik van dit woord, ald. bl. 246 en 244:
alsook Schrassert , Codex Gelr.-Zutpk. 2 , 54 , 5U
BALMONDICHEIT (belmundicheit). Zieiü
MONDICH.
BALM0ND6CIP, znw. vr. De toesteatd wem U
mond (z. a.), d. i. van hem, die onbeuoefd is es
weder de voogdij te voeren over viinderyarige tot-
deren. II Van balmondtseip , Sehwartz. 1 , 5774, ^^
BALOTE, znw. vr. Slingering. Van fr. é«/tósr
(Littré 1, 288). In de uitdrukking: In baiotfi
staen, in een wankelen, onzekere» toest»»d ft^
keer en. || Dus stont die kerke in baloten tote ^
Kaerle den groten, Lsp. II, 50, 49.
BALSAME (BALSKME, BALSEMF.NE, BALi^
541
BALS.
BALS.
542
(J. V. 1367, 46tf), snw. yr., en Balsaem, znw.
■. Lat èaüamum] mhd. balsame, balteme.
1) BaitÉm, II Int bat van balsemen bade hi,
?4fii 8253. In dien horen stac mettien balsemene,
■iiTe ende viroec , Zone. III , 11872. In dat lantscap
N vies oec edele balsame ende ▼ieroec ; want die
bome balseme draf hen, JUx. X, 699. Een kouke
vu dies aTona bleyen yan balseme, X, 779.
Aldns moetmen dien balsaem ontfaen, die uten
hoote sal gaen, Nai, BI, IX, 133 (yar. die
hêlmu), Datter nut rinnet, datmen oyer balsame
kisnet, heet apobalsamnm bi namen , IX , 146. Ten
aoppe, die yele sneter roec dan doet balseme
oeht Tiroee, Bote 2823. Een balsemier, die ghe-
rackte balseme gaf. Flor, 981. Si eten balseme
eade wirooc, Alex, X, 786. O Jhesn, . . vel-
riekender dan die balsame costeUck, D. War. 3,
249,36.
S) BÊdtemboom. \\ In Egypten wast hi nn scone
iit plejn neyen Babylone; nu ne mach niemen
balMDe winnen dan kerstine. Nat, BI, IX, 112.
IMe edel balseme sal hier na staen, Denkm, 3,
122,46.
BAL8AMEK, zw. ww. bedr. Mlat hahamare\
Bbd. halteme»\ mnd. baUemen, Baltemen, \\ Doe
dede hi balsamen wale met dieren crude dien
ooainc, Alex. YII, 792. Ende hi hete den
medicynres sgn knapen, dat si sinen yader bal-
nmen souden mit duerbaren cmyde . . (8i) hielden
kern daer na yeertich dagen, want dat was die
lede Tan den balsaemden lichamen, D. B, Oen.
öO, 2, 3.
fiAL8AMI£R, znw. m. Ofr. hakamier^ baute-
«Mr(Littré 1, 316 o^Btkumitr). Baleemboam. \\
Een balsemier, die gherechte balseme gaf. Flor,
981. Van turibim, yan balsamiere, yan acoleien,
nik eglentiere mach men daer yinden een grote
teole, 2666.
fiALSANE, cw. yr. en m. (?). Hlat. baldanum,
yitmmm (Bnc. 1 , 549 , 657) ; proy. bauean (Bayn.
2, 201); ofr. haueeant (ald. 1, 627; Gachet 67,
op Ban faut). Oorsprong onbekend (yerg. Littré
1,288 op Balzan; Biez 2, 9 opBalza). Vaan,
vmiw^zer, wmpel, inzonderheid aan een schip
(«on grsnt haucent yermeil, qui sera au bout du
■ast en enseigne nuit et jour," Bncange uit eene
Sekotache rekening). || Up onser Vrouwen dach
Stèren . . ghegeyen, ende hi yoirt mede betalen
•ende balsanen ende wimpelen, die yoir minen
kere ende yoir 8||n scepe gemaect waren, Oorl, v,
Alkr, 26. ym ellen bolcraens toten balsanen,
433. Die yan Gendt yerloren eenen zeere yromen
■aa yan wapenen . ., dewelke yoerde als een
leedsman eene (/. eene ?) langhe roede balsane . . ;
daer wart hy fhekeelt ende doot ghesteken ende syn
balsane gestelen tAelst up de poorte, Cron. v,
Vlaemd. 2, 181. Yoer dese figure stont eene
keerljke balsane van der wapenen mijns geduchts
keeren, 2, 239. Balsanen gbestelt up tbeelfroot,
ln9eni, 9. Brugge 8 , 186. Yiere balsanen te makene
die staen up de yoors. torrekins, 6, 330. Den yoor-
Miden sesse beekenen ende yiere biEilsanen te yer-
goidene, 6, 331. Zoo ook 6,490en491. — Omme
laken ende andere ffereijtschap tot 8 balshayen
(L halt{k)anên) op die schepen; de maelre yan
den 3 balshayen (1. haleanen) te maken, Fruin,
-B^dr. 1, 326, waar ook gezegd wordt, dat de
kaant bellen kocht yoor de balthaven (1. bakhanen) ,
en dat er eene betaling geschiedde yoor „rothem
kalahayen" (1- rothen balehanen), die mgn heer tot
Sagelant varen solte 16 ellen says. Up syn
hooft hadde hy eene groote balsane gheftinget met
enz. , aangeh. Invent, v, Brugge Gloss. op b a 1 s a n e.
Samenst. Balsanemaker(ZP/.J?t>'(;r.6,190).
BALSEMENEN , zw. ww. bedr. Freq. yorm yan
baltemen, hetzelfde als baleamen (z. ald.), waar-
mede het in bet. oyereenkomt. || Met speciën ge-
balsement wel sinen lachame, S^. I^, 54, 13.
BALSLAGEN, zw. ww. onz. Den bal tlaan,
kaaleen. jj Spelen . . mit colyen, balslagen , rollen
mit cloten enz.. Leid. Keurb, 243, 62.
BALT. Zie Bout.
* BALSHAYEN, yerkeerde lezing yoor baleka-
nen, baleanen. Zie BALSANE.
BAL UWEN (baellewen), zw. ww. onz. Vgl.
Got balvjan , pQnigen , kwellen (Schulze 42) , en zie
Taalk. Bijdr. 1 , 26. In de uitdrukking : B a 1 u w e n
op ene dinc, eieA pijnigen om iele, op iets azen,
vlaeten, er naar haken, verg. mul. pinen om ene
dine. jj Zi poghen hoe zi moghen caellewen der
lieder beursen, daer zi up baellewen, ende met
weelden groot yerdwazen, Fraet 2172.
BAMISSE (bamesse, baemesse, baefmesse),
znw. yr., zonder mv. Samengetrokken uit Baefmisse
(o. a. Keurb, v, Bott, 42, 123). De mie, de heilige
dag van St, Boef of Bavo (verg. Kertimit, eng.
Michaelmat), z^nde 1 October, inzonderheid bekend
als een der gebruikel^ke termijnen yoor den op- .
brengst yan cQns, het betalen yan huur enz. Zie
Noordewier, BO, 149; De Bo 77. || Indesentiden
dat dit geyel, rechte om sinte Bamesse wel, so
reinet . . . utermaten sere, Yelth. YI, 21, 16.
Na alfinaent sente Bamisse die sonne in scorpio,
Natuwrk. 1121. Yort so hebben si hem ghelovet
te gheldene, ten naesten baemesse, ygftich lib.
Enghelsc, Oorkb. 2, 157a {a, 1278). Yoort dat
mire yrouwen yrienden ende haren Florens ghe-
nomen is, dat zal men hem weder doen hebben
yore Bamisse, 2, 1906. Yan dien pachte, . .
die hi niet en gaf den hoye van der Grode op
sinen dach the Bamisse die leeden is, alse hi
schuldich was, 2, 248ii. Binnen baefmisse naist-
comende, NQh. 4, 166. Ende die muet hi quiten
onthier ende sente Bamisse, Vod, Mut, 2, 246
(a, 1277). Ailbrecht sinen bastairt, die des anderen
oages na Bamisse tot Staveren toich , Oorl, v, Albr.
468. Item is overdragen ende gekuert dat men
tusschen bamisse ende vastenavont gheen conineu
duere geven noch vercopen en moet . . dan tstick
yoor 3 gr. , Leid, Keurb, 246 , 69. Omtrent Bamesse
doen quam vrou Margriete . . in Ylaenderen,
Cron, V, Vlaend. 1, 200. Binnen Baefinesse int jaer
van een ende tneghentich, ZVl, Bijdr, 4, 67
(a. 1389). Te Sente-Bamesse, Vod, Mut, 2, 868,
369; 4, 361; enz.
Samenst. — Bamessemerct, markt op lOet,
gehouden, Oetch, v, Antw, 2,623.^Bamesschult,
tchuld op Barnette af te betalen, Invent. v. Brugge
4 , 238.
BA MPT, hetzelfde als beempt, beemd (z. ald.).
Diut, 2, 228: bampt, pratum.
BAN (ban NE ?) , znw. m. Ohd. , mhd. , mnd. , os.
iof»; hd. bann', ofri. bon, ban; ags. geban (Grein 1 ,
376); ook in de rom. talen overgegaan, door mlat. ban'
num, bannue (Duc. 1, 667 vlgg.); ofr. ban (Duc.
7, 54); fr. ban, verwant met gr, ipalvsiv (voor
(ftavjeiv). Zie verder Grimm 1, 1113; Diez 1,
51; Littré 1, 289; Grimm , J{. ^. 732, en vgl. BON.
1) ledere plechtige afkondiging, proclamatie, be-
kendmaking (vgL^tftoé^inhuweigksgeboden = fr. let
bant). Zoo b. v. in krijgtban, heerban, de plechtigeop-
roeping ten stryde van de leenmannen door hunnen
543
BAN.
BAN.
544
leenheer (mlat. keribannuê) , zie ald. || Doe creyeerde
men den ban also honde ende elc voer doe daer
hl wonde onder sine banier, Merl. 28707. {Vgl.
Achterban, waar medegedeeld wordt , dat even^
het hd. keerbann ook ban de bet. kan aannemen
yan de opgeroepen ttrtjdert zelf; alsook ^t
fr. ban en arrière-ban bij Littré 1 , 289). — In het
by zonder eene proclamatie ot bekendmaking vanwege
de overheid^ met eene tiraf bepaling ^ eene poenale
tancliêy gebod of verbod, li, edictum^ninterdietum,
Ygl. ags. g e b a n , mandatum, edictum. Een dergel^'ke
ban kon slechts uitgaan yan den drager der
rechtsmacht ; dit bljjkt o. a. nit de ofri. formule :
Bi „grewa ban and aesga dome.^^ In het vroegere
G«nn. recht stonden in dezen zin de woorden ban
en doem tegen elkander over. De graaf, als ver-
tegenwoordiger van den vorst , kan een ban uit-
spreken: dit kan de asega, de vertegenwoordiger
der gemeente, niet. Ygl. 2>. Var. 5, 128 en 130.
(Ook later komen de woorden ban en doem ver-
bonden voor; zie onder). — Vandaar dat men en es
ban breken zoowel weergeven kan door iemands
hoogheid schenden, als door iemands gebod breken;
het eerste is een gevolg van het tweede. || Ie
berope u van dorperheit: gi hebt mins oems ban
tebroken; dit sal scire sijn gewroken, Lane. III,
18918. Gi hebt tebroken minen ban , dat ie gedogen
nine can, 19003. Uut Constantinoble tracOvisares
wel met dertich dusent man, die alle vruchten
sinen ban, Lett. N. R. 7*, 145, 76. God sprac
met sinen monde, diet verbrake, dade sonde.
Nu besie elc, eest wijf of man, dat hi houde wel
sinen ban, Lucid. 3161. Dat wi gheorloven den
scepenen van Middelburg, wat dat si maken van
bannen of van leeten (coeren?) up wevers, up
vulres . ., dat houden wi vast ende ghestade,
Oorkb. 2, 238a (a. 1286). — Een hendiadys bevat
JRein, 1,264: || Sint dat die coninc sinen ban he vet
gheboden ende sinen vrede, d. i. bij plechtige ver-
klaring heeft geboden, vrede te honden (bfj eene
rechtszitting genaamd: lust ghebieden, on-
lust verbieden; vgl. ons onlusten), zie vs.
363: „Dat ghi haddet coninclike over alle uwen
rike dien dieren gheboden vrede." — Hiertoe be-
hoort ook de uitdr. vorderban. De vraag naar
de beteekenis van den vorderban is door Matth.
134 niet beantwoord. Wel vinden wy daar ge-
vraagd: „Wat een vorderban is? Waerom dattet
hiet een vorderban? Ende wien die vorderban
toebehoirt?" doch voor het antwoord, dat ont-
breekt, zQn een tiental regels opengelaten. De
plaats behandelt het geval, dat een schuldeischer
verlangt, dat een pand, hetwelk hij onder zich
heeft, hem voor de schuld worde toegewezen.
Nadat de panden y^volboden sijn getoijst door een
voirvonnesse van schepenen," d. i. wanneer bij
vonnis is verklaard, dat de schuldeischer naar
rechten z^n eisch heeft publiek gemaakt, bewijst
hg z^ne schuldvordering. Hierop volgt het eigenen ,
het toewezen van het pand in eigendom. Het woord
is eene verbastering van verd^ban, vred^ban, in
een charter van Floris Y van 1273 bannus pacis
genoemd. Vredeban is de plechtige (met eene be-
paalde formule gepaard gaande) handeling, waar-
mede de rechter in gebannen gedinge den vroegeren
eigenaar uit het goed bant en den nieuwen er in
bant, en vervolgens over dat goed en zgn eigenaar
den vrede gebiedt. Zie een uitvoerig opstel van
R. Fruin over het woord in VersL en Meded. der
Kon. Acad. 2de Reeks, Dl. 12, bl. 99—118.
Het woord komt niet alleen in vroeger Friesche
streken voor, maar ook in het Rgk vanNgmcfoi.
Waar gezegd wordt, dat aan schout een vredeba
gegeven wordt, beteekent dit het geld voor het wil-
spreken van een vredeban. Zie ald. bl. 116; Henil.
V. d. Maatseh. der Ned. letter k. 1882, bl. 67, cb
verder vredeban. || Als dat vonnes {het wmr-
vonnesse van schepenen) die pmden volbodea ghewjst
heeft, so sal dieghene, die die panden ejgheoa
{zich toeeigenen) wil, den schout een vorderlMi
gheven ende als die schout of die bailiu . . ih
hy die vierschair hout, den vorderban out-
fanghen heeft, so sal die ghene diet sijn pandei
syn . . , syn scult . . bieden wair te maken, tfittk
132. Ist {het pand) volboden ghewgst, men mack
den vorderban gheven ende comen op dat crie
ende pande, als recht is, 131. — Ook bg ea
verkoop van onroerend goed. |) Na dat veaia
neemt die vercoper een halm in die hant uèt
gheeft den coper dat halm in sgn bant, ende seit
aldus : ghi heren die scepenen sgn , hier gheef ie
Pieter een ghifte vander erven, die ie hem ver-
coft heb. Ende die coper gheeft den schout ea
vorder ban, aldus segghende: . . so ban k 1.
uuten voirs. erve ende ban daerop Pieter, eide
leg dairan myns heren ban, enz. {i\» %è), Xattk
116. — Den vorderban leggen an eci
erve, met eene plechtige formule er d^n vreêêbea
over uitspreken , het erf als het umreplaataen oaier
de bescherming der toet. || Ist dan dat dieyercops
meer erve in denselven ban {district) heeft, èd
biyft des coeps borghe mits den Tonnes, di&
scepenen wysden eermen den vorder ban leide,
Matth. 117. Dat die ghifte vry sal bliTen ak
dat lant ende erve onbelast jair ende dach,ghidi^
dat vonnes ghewiist heeft, dair die rechter da
vorder ban op gheleit heeft, ald. — V^l. de litdr.
sinen ban leggen op of an iet, b^j 2 i)L
2) ledere plechtige formule, meestal met gclktt
en vaststaande bewoordingen, ter begeieiéimg vm
de eene of andere plechtige hmndeUng.
a) Bij het bezweren (uitbannen) Tan booe
geesten, de bezwering, uitbanning, uUdriJvim^ selve f,
So ontsagen si {de duivelen) sinen ban, ^. UI'.
36, 4.
b) Bij de rechtspraak, de woordem, waarwsedeè
vorst en zijne rechterlijke vertegenwoordiger* wemèi
instandhouding van recht en wet waken en tsfet
overtredingen daarvan straf bedreigen. || So bsa ie
A uuten voirs. erve ende ban dair op Pieter, ti^
leg dairan mgns heren ban, schouten ban tak
schepenen ban, ik verbied namens den Jkeer ens^
vertegenwoordigers, en de schepenen, dat dat tsn
nyemant an en spreke tensy binnen jair ende dag^,
lantsrechte ende tschependom, Matth. 115, ook
133. Hieran legghe ick des Eejsers ban, ém
Graven ban van Hollant, des bailiuws ban oiée
die mynen; ick vraghe u oif ick den diagte
alsoe ghebant hebbe, dat ick den aftenstoel besifia
mach, Westfr. Dingt. 8.
c) De plechtige, in bepaalde termen vervettte vb-
klaring van schepenen , waarop het vonnis 9ma dn
schout volgt. II Naden ban die tsaterda^bes b-
ghebrocht ende voirvonnes, die scepenen ^tewl*
hebben, Matth. 162. Des saterdagbes, als ^
voirscepen den ban inbrenct ende trecbt heyst^ \SL
(Op deze beide plaatsen is misschien de ei^eal^
bet. van den ban inbrengen: mededeeiing iem
van de zaken, die zij willen berechten; TgL 131'
„Heer rechter, wildi horen tot wat ban scepesa
staen willen tot myns tsheren behoef ende èr
steden ?"). Die ghene , die die ban ang^bekeert
545
BAN.
BAN.
546
diegene der tehepenen (ie v o i r s c e p e n) , aan wien
de iaak opgedragen waa , den ban , het vonnis mede
te deelen^ sal segghen aldas totten rechter, enz.^
131. Die graye salt doen jngieren bi banne yan
scepenen, Cout. v. Brugge 1, 250.
3) BeeAttpraai, TOOTal in hare gevolgen, Yoor
zoover nl. personen of goederen dcuirdoor tot iets
worden verplicht of, tot dat een nader vonnis zal
zijn uitgesproken, verbonden bleven. Deze bet.
vloeit voort nit 2 e). — a) in eig. zin. || Welc huer
sal hebben der Eren ban (de rechtspraak uitnaam
van vrouwe Ere) , of die dorper sonder lere of die rike
es sere, rerk. Mart. 63. Bekeldamme , alse breet
alse hi onder banne ende onder doem lach , Mieris
2, 63tf (a, 1306; vgl. bij 1). — Enen te banne
honden, iemand w» stiuit van beschuldiging , onder
sijne rechtsmacht houden. \\ Soo willen wi dat mene
dage tvierscare aldaer ende te bannen houde tot onser
coemste In Walcheren, so sullen wi hem darover
beriden sonder verdrach, Mieris 2, 276 a (a. 1322). —
b) In fig. zin. Rechtsgebied^ macht. \\ lu ban daer
gaet uut, Merl. 28013. Cleedinghe dor tmesdoen
began, nu eist hoverden ghespan, men maecse bi
engiene ; nu meersen si der hellen ban , Wap. Rog.
696. Niet dat ie u ghenesen can off helpen uuter
minnen ban, MLoep I, 1701. Dat trouwe sonde
ghelden dat minne verdade, dats meneghen cleine
toeverlaet, die in den banne van minnen staet,
Hadew. 1 , 33 , 66 Var (in den tekst bande). —
Enen te banne houden, iem. in zijne macht
houden. \\ Du dwoeges ons af die hate, daer ons
die nacht helt in den ban, O. H. W. 89.
4) De terechtzitting zelve ^ welke op den daarvoor
bestemden dag wordt gehouden en met de gebruikelijke
termen (in ge ban re tal e) wordt geopend en
geleid. \\ Wort een poirter borge . . ., so sal men
den uutlems man eude sijn borge dagen tsaterdages
ban, Matth. 89. Al die gene, die an den eigendom
van '.der erven deelachtich sijn, sullen comen drie
saterdagheu ten ban aeneen , ende bieden halr erve ,
113; vgl. 114. Of een sün erve bieden mach, eert
rercoft is , ende volbiedent , ende doent volboden
wysen mit vonnes, ende dair tenden dat erve ver-
copen, ende rechtevoert, sonder meer biedens, des
eersten saterdaghes ten ban een ghifte of gheven ,
116. Die vergfderingen ende die hantiringen, die
aldair geschieden, hiet men tsondaghes ban, 129.
Als dit drie saterdaghen openbairlic aeneen ten
ban gedaen is, so sal die vercoper tot den dorden
sateiSaechs ban, als hijt gheboden heeft, begeren
▼onnes, 113. Ende dese vergaderinghe des rech-
ters ende tgherechts, ende der gheenre , die mitten
rechter off tgerecht te doen hebben, heet men,
na den ouden haircomen, saterdaghes ban, 130.
Antwolrde geven op dat hy aldair ten ban ghetoecht
of begheert heeft, 131. Dat men altoes des sater-
daghes, al wairt een grote hoecht^t, sculdich is
van rechtswegen ban te houden, ald. Dat niemant
gene g^fte geven en mach van enigen arven, die
binnen der vryheit van den Briele leggen, het
en si tote sondaghes banne, Priv. v. Brielle
26 (tf. 1342). Die sullen comen ten naesten banne
snde toghent aldair, dat zilt verloren hebben, K.
V. Brielle 49, 16. Des saterdages na den banne,
[tfieris 2 , 90 a. Als die rechter voldinghet heeft van
il dat hy ghedaecht had tot saterdach ban van
vechten, so verzoent hy die Inden, die ghetwist
hebben ende aldair ghedaecht waren tsaterdaechs
ban , Matth. 140. Men sal (des ander daghes) vier-
Bchair maken ende doen recht van dat tsaterdaghe
ten ban gedaecht was ende onberecht bleef, 141.
Zoo ook K. V. Brielle 9, 3; 14, 19; 164; enz,
Matth. 114; 117; 130; enz.
— Den ban dingen leest men eene enkele
maal voor dat dinc bannen, d. i. eene rechts-
zitting met de oMcieele termen openen en leiden. \\
Dan mach se die rechter terstont ballinc slants
legghen sonder dinghe te bannen; mer doet hijt
up enen anderen dach , soe moet hij den ban dinghen ,
Dingt. v. Amst. 23. In den eersten als die rechter
den ban ghedinghet heeft, so seit hij, enz., ald.
— Enen in enen ban leggen, iemand voor
het gerecht roepen^ in rechten betrekken. \\ Gort
daer nare soe ghevielt dat een mesdede jeghen
trecht van der stede van Bruecele, mids welken
daden die wet was alsoe beraden , dat si dien
mesdadegen man leggen woude in enen ban,^fa^.
T. VI, 11Ö60; vgl. '70. Zie verder ald. tot vs.
11662, en verg. Amman.
— Bi (over) enen ban staen, als rechter
zitten. II Ende dit vernam ter vaert mijn heere
Anthonijs, die ruwaert, die den heere van Assche ,
den amman, verboot dat hi bi dien ban niet en
stonde, in gheer maniere. Die stat van Bmecel
versocht schiere haren amman alsoe houde van
rechtswegen dat hyt doen soude, ocht dat hi,
sonder enigh beiden, terstont sgn roede nederleide ,
Brab. T. VI, 11567. Dat hi bi bedwange der
stadt van Bruessele over eenen ban gestaen hadde
tegen tgebot van den Ruwaert, Exc. Oron. 164 b,
6) Het rechtsgevolg van het leggen van den ban^
de straf die ten gevolge daarvan aan de overtreders
opgelegd wordt. i| Of ie nu sloughe eenen man,
soude mijn cleet (het lichaam) ontfaen den ban in
der schepenen luud? Denkm. 3, 26, 336. Datten
nyement en huse noch en hove, en ate noch en
drancke , hi en heeft des bans geboet, Matth. 140. —
Bepaaldeiyk in de beide volgende opvattingen:
a) Geldelijke straft geldboete^ ook meermalen in
Lat. stukken : bannos solvere. Later werden de beide
woorden ban en boete synoniem, en komen meer-
malen verbonden voor , doch dat dit oorspronkelijk
niet zoo was, blijkt o. a. uit Mieris 2, 139 ai
„Die broken van onsen banne van haren dyck (de
boeten , hun opgelegd krachtens onze rechtsmacht ten
opzichte van hunnen dijk) hebben wij hem uutgheset
tot vyf schellinge HoUants toe." || Verbuerde ie
ban of boeten in A. woirden, dat begheer ie dat
ghy an hem hout ende niet an mi, Matth. 106.
Off hy spreect ongheachte woirde (d. i. andere
woorden dan die in het proces behooren gesproken
te worden , elders wantael genoemd , het tegenover-
gestelde van dingtael) ende verbuert een ban van drie
scellingen , 143. De faicten, daer of men alle de voor-
seide boeten ende bannen wQst, Cout. v. Brugge 1,
326. Zoo ook Mieris 2 , 90 b, passim. Op een ban (var.
boeten) van twee schelling. Dingt. v. ^o/. 24; vgl.
9 en 10 , passim. Die banne , die beteringhen ende die
mesdaden van der munte, Cout. v. Brugge 1, 247.
Doen verstaen ter vierscame den ban; dat sullen
die baliu ende die scepene van gheens goede ghelden
den ban ende die ban ne sal niet wesen boven
twie scellinghen , Mieris 2 , 168 b (a. 1315). Enen
dagelicksen ban is drie schellingen, wanneer de
richter selver pandet binnen der poorten, 201
b (en nog eens ald.; a. 1318). Dat die schout
van Pnrmer will die ban hoogen op den dgck
off op den wech van twie schellinck op vier
schellingen (bij in gebreke blijven), Dingt.
V. ff'at. 24. Soe sal hy (de schout) leggen den
eenen ban op den anderen ende sal seggen: Siet
ghy schepenen, hout ghyt alsoe. vol ende alsoe
18
547
BAN.
BAN.
54g
vast, oft mit vonnisse besloten ware totdat wy
comen op die laeste ban? ald. £lc man mach wel
▼aren wonen van den enen dorpe int ander sonder ban
ende sonder boete, Oorkb. 2, 375^ (a. 1292). Ende
want die gedaechde niet voirt en quam, so sal hi
gelden den richter enen banne yan drie scellingen ,
Brab. T. Dl. 1 , bl. 782 («. 1330). Wie soe . . eenen
poerter verbannet opten dyc off op de Weteringhe, die
ban en mach niet wesen tote den daghe , dat die ghene
coemt voer scepenen, Mieris 2, 159^. Voert die
scouwe op den dvken ende in der weteringe sal bliven
staen in alle den recht, dat si hier tocomen is,
als op den diken twintich penningen te nemen van
enen ban, ende in der weteringhe drie scillinge
van enen ban der munten vorscreven , Nijh. 1 ,
230 (a, 1327). De mach de onscont bescndden eer
hi se doet , mit dien ghelde , daer hi om beclaghet
was, behouden dien scoute sire banne (2de nv. mv.),
R, V. Vtr. 1 , 16 , 9. De onscont aenneemt te done
voert gherechte, coemt hi nyet ten eersten daghe,
so verboerd hi sinen banne, ten andren daghe
sinen ban, ende ten derden daghe so selmen de
scout uutpanden, lö, 9. Zoo ook Mieris 2, 307* ; IHngt
V. Amtt. 10 ; Lib. Alb. b\E. v. Utr. 1, 259 , ö. — I e t
te banne scouwen, bij de schoitw bevinden
en uitmaken^ dat een werk niet aan de voortchriften
voldoet. In latere bronnen heet dit ie boet schouwen
(vgl. G. De Vries Az. , Het Dijks- en Molen-
bestuur in Hall. Noorderho. 284). Verbetert iemand
zijn werk, dan kan hij nog by eene naschouw,
zoo die er is , van de anders onvermijdelijke boete
worden vrijgesteld. || Wes strate of plate te banne
geschouwen wordt, wair dat hijs niet en dede, so
verbuerde hij 30 se, O. K. v. Delft I, 30. Zoe wat
strate ofte plaete te banne gescouwen worde, die
salmen gehouden zijn te maecken binnen ses weken ,
K. en O. V. Delft 99, 10. So wanneer ene sluzete
banne ghescouwet wort ; so waer een ghemene vac (in
een dijk) te banne ghescouwet worde. Mieris 2, 212 a.
— Enen te banne scouwen, iemand, bij eene
dijksehotiwing tot eene boete veroordeel en. \\ Item
80 sullen onse scout ende scepen voirscr. koeren
moghen legghen ende maken up alle inyghe diken
ende waterganghen bynnen der vriheit ende den
ambocht van Bodelawaert voirscr., ende dair up
boeten legghen , ende die te scouwen ; ende soe
wie te banne ghescouwet worde , die sal die boeten
betalen bynnen drien daghen dair naist volghende,
Oorl. V. Albr. 614. — Op mijn ban ende cost,
zoo dat de boete en de kosten voor mijn rekening
zijn. II Heer rechter, ick hebbe hier recht te
spreecken ende ick en can die dinctael nyet, ende
ick segge, dat ghy sculdich zijt my enen talman
te setten op mijn ban ende cost (zoodat de kosten
door den taalman gemaakt en de boeten door hem
verbeurd, te mijnen laste komen), Di»^^ v, Deljt
3. Zoo ook bl. 4; Westfr. Dingt. 17.
b) De straf der verbanning^ uitgesproken zoowel
door de wereldlijke, als doo» de geestelijke overheid.
«) Hei verbannen worden buiten de grenzen van
een wereldlijk gebied, uitbanning, ballingschap. \\
So wat man die ghebannen is uut anderen goeden
steden van moert, van cracht enz., op dat hi
aldaer den ewighen ban heeft, die zijn hier ghe-
bannen van denselven feyten op haer lijf, O. K. v.
Dordr. 19, 34. Ware yemant die eenighe zaken
niisdede of misseide, dat zoudemen correngeren na
goetdencken der goeder luden van den gherechte
die bi tiden wesen sullen sonder eenighen ban ofte
bedevaert, V. d. Wall 370 {a. 1400). Alle die bi
hem hadden den ban , worden weder ingeroepen
ende keerden weder in haer goet, Sp. 11^ 21,57
{Van Damitianus). Hadde hem ghe weert deente
man , so ware hi bleven sonder ban vu der stedt
sochte , zoo zou hij niet uit het paradijs verjssfi
zijn, Wap. Rog. 1711. Van den ban. Enichweerik
Sersoon . . die van desen daghe voert jaer eadt
ach in den ban ghestaen hadde , het wier m
verploghere scout o^e van versmadenisse des reciiti.
R. V. Utr. 1, 129, 89. De raet vander stit wt
ende nye siin overdragen ende hebben vcrdiert
opten ban, 1, 256, 140. — Ook in fig. lin-itó
wat verbant, op de vlucht drijft. \\ Gheven doet ill«
bliscap toghen ende het es alre droefheden bu.
Van ghevene 87. — Te banne hebben, rf^ö^-
zaak van iemands verbanning zijn. j) Zo mochtedie
ghene die dien persoon te banne hadde , cowa
voer den raet van der stat ende tonen daer bk
banbrieve, 22. ». I7fr.l, 129,89.— Enen te btnie
doen, iemand in den ban doen leggen. \\ Vit
manne van buten enen portre te bannen dott,
80 hü (de gedaagde) dat (1. doot ?) e8,diebu
(de boete) ende die schond ne moeghen niet mena
{vermeerderen) ende als hi sinen ban met saa
schepenen ter vierschame hevet ghetoghet , so sal
die scouthete ende die schepene Tan der port kei
doen ghelden den ban ende die schond tu (b
banlings (des verbannenen) goede, Oorkb. 1,312«;
vgl. ald. 311 a en b. Gomt hi ende te rccble nitt
ne staed, of coemt hi niet, men salne t« ba*
doen ende hi sal bliven in den ban tote dien dü
hi recht hefd ghedaen, Oorkb. 1 , 311* (*. lö*.
Zoo ook R. V. Utr. 1, 257 ,3; enz. — Te btaie
comen, in den ban gedaan worden. |l Dat by ^
banne quaem van versmadenis srechts, so ^
dieghene die tebanne gecomen is, hem binnen dn^
maenden daema dat hy inden banne gecomen b,
uut den ban losenen ende absolutie winnen, J- '•
Vtr. 1, 2ÖÖ, 140; 257, 5. — Te banne st»ea.
sijn, in den ban zijn, balling zijn. || Den clngb««
zullen die rechtere ende die schepene bewisei*!*
vele van des goede, die te banne es, nke ^
eschende es, Oorkb. 1, 311*. Dat yemtnt ts
horen rade ofte van horen dienren te banne süa
sel, R. V. Utr. 1, 256, 141. Weder sij te \»v
siin off en siin, ald. Waer yemant te banne,»
soudmen dien rechtevoert thnys senden ende t»
anderen daervoer kiesen, a/d. Zoo ook ol. -»•
passim, e. e.
^) Kerkelijke ban, banvloek, eieomvtumeatii M;
anathema. \\ En waer dat ie was in den bu, '^
waer hier ghecomen sonder beiden, At». U-
4407. Alle die int lant sijn gheseten , ist conis.
ist vrou, ist wijf of man, sel ie brenghen in ^
paeus ban , ende seinden een interdict so sw*^'
dat men en sel voor noch naer doden gnw»-
singhen noch lesen , Il , 4582. Hier af was P^
claghe int hof (te Luik), so dat si met gcineiifl
rade met bannen wisten wreken haer scade , VeJ^
IV, 64, 78. Ende wilden tkint (tlant ?) met to*
beslaen , ald. 82. Bannighe Inde ende die openbitf
te banne ghecnndighet zijn, daer en sal g^
broeder meenscap mede hebben aen dien ding^
die hem niet gheoerloft en zün , D. Orde 23^ ^
(die papen) sijn so saen verbolghen endesovr*'^
ghier om cleyne saken, eest met banne of a^
anderen saken , Melib. 3259. Want die kerkfa
conste bedwinghen metten banne hare to^
Wrake I, 475. Want pause ofte kardenale , oft «i*^
prelate alsoe wale die symonien begaen, sisji^
den ban alsoe saen, 111,870. Daer omme b*
ie in spaeus ban, Rein. I, 2721. Dat gbi n **
549
BAN.
BAN.
5SÖ
den banne claert, I, 2748; ygl. II, 4508. Scuwet
Termesamheit ende ban, L. o. H. 1219. Die lattel
soaden gheven ... om der Roemscher kerken ban,
ff rokt I, 484. Die selve waren in den ban, III,
865. Doe gheboot men bi den bonne van enen legate
Tan Rome , . . ende (d. i. die) alle verwate ,
tuk mtaiJienuLte terribili, Sp. IY\ 34, 34. Een
landshere onghenadecb . ., ende liever heeft siere
iiede goet, dan hi Tonnesse oft recht doet, ende
luttel ontsien (/. ontsiet) den ban, dat es seker
een tiran , Doet. II , 3673 (in bet Gloss. verklaard
als aueforiia* jtidieialit^ judicium^ JiM, doch de
Terklaring Aei bevreesd zijn voor d^ kerkelijke
tfraf is natunrlgker dan: ,, bevreesd zijn voor het
recht. Bovendien is dit reeds in den vorigen
regel gezegd). Absolncien , brieven , seghelen ende
ban, die veel ghelt hevet, hi vercrighet al,
Ned. Proza 65 *. Ende mits dat de voirsz. van
Dordrecht aldaer tot hoeren ghesetten daghe nyet
rmpareert en hebben, heeftse gedeclareert in
ban te sgne, V. d. Wall 779 (a. 1500).— In
den ban, gedurende den tijd des bans, terwijl
ne% onder den ban is. \\ Oft wat si doen oft lien
wien, si selen in der waerheyt lien; dan heeft
macht no cracht, want hets in den ban ghewracht.
Wrake III, 874. — Bi den banne, op straje
VMM den ban. || Bi den banne verboot hi wjjf ende
manne, dat si hem ontseiden . . . rente ende des
keysers recht, Sp. III", 64, 15. {Die paeus) geboot
dat als bi den banne, dat nemmermeer diere af
quame hem de Yrancsce crone name, UI", 68, 98.
Die bisscop geboet daerentenden den leyen, dats
te verstaen waerlike Inde, bi den banne ende bi
boren live, dat si van dien daghe nter stat niet
en gingen, Clere 52. — Te banne sijn, —
werden, in den ban zijn^ — komen] enen te
banne doen, iemand in den ban doen. || Hets
driejaer, dat ie waert voor den deken Hermanne
in vullen seinde te banne, Rein. I, 2738 (het
▼w. tebannen, dat Jonckbloet nit de lezing van
bet Hs. te bannen maakt, bestaat niet. Proza-
lieim. 36r heeft: Nadien dat ghy te banne syt.
Ook elders leest men te bannen , doch ook in twee
woorden, b. v. Invent. v. Brugge 2, 393: Van
dat hie de kercke . . wihede, van dat zoe {de
kerk) te bannen was, onder interdict lag ^ van
den faite dat, enz.). Die sonde men nnt der
gjmagoghen doen; glosse: men sonden te banne
doen, Us. Evang. Jok. 9, 22. Al waer dat sake
dat ie onghclovech ware, of te banne openbare,
dies niet en es, ben ie ghedaecht, ie mach
antwerden op datmen vraeght, Mask. 412. Wi
sellen te ban doen ende vloeken in allen kerken,
dier of weet, tot dat hi daer of doet bescheet,
^^. 11, 5300. Enen bisscop, dien hi hadde ghe-
daen te banne ende verdoemt beide, om dat hi
jeghen tghelove seide, Lsp. II, 48, 580. Als si
t« banne siin ghedaen, so mach hlit deelen ter
rierscaren, Oorkb.2, 332, 15 {a. 1290). Item en zal
aiementtvorseide ambocht doen , die zit in onwettelic
bnwelike of die te banne of verwaten es, ZVl.
Bijdr. 3, 276 (a. 1379). Als hy gerecht is, so
mogen die vrienden dair of . . aentasten dat
lichaem ende gravent, op dat hy niet te banne
bekent en is, Matth. 193. — E n e n in banne of
over ban doen; in den ban brengen,
tfmand in den ban doen. \\ Maer die hi dus in
banne doet, worden met tomen verwoet, Sp. IV*,
M, 51. Nochtan en wouden sijs niet laten , sijn (si en)
bebbeuse over ban ghedaen, rra^t^? III, 2222. Hier
omme wart coninc Karel erre, ende ontboot na
ende verre, datmen in den banne brochte grave
Bondene, die des rochte ene weduwe te nemene
met rove; dus wart in der bisscoppe hove grave
Bondene brocht in den ban, Sp. IV*, 44, 49. —
Sinen ban leggen op ere dinc, iets verbieden
op straffe des bans. || Leo gaf hem hier of bulle,
ende leidere oec up sinen ban, dat geen prince
quame daer an, dat hi die Vriesen meer be-
dwonge, Sp. III", 93, 150. — Den ban doen
ere dinc, iets in den ban doen, er den banvloek
over uitspreken , in Serv. 1 , 489 , van den bisschops-
staf, als symbool der bisschoppelijke waardigheid. ||
Dat sin te Valentgn den ban ghedaen hadde den
stave , des en doersten nyemant ave nemen van den
altaer , daer hi lach , des stont dat busdom menghen
dach sonder busdom (/. busscop) heerdeloes. — Den
ban lossen; — ontbinden, iemand {zich)
losmaken van den ban. \\ Wat mach hen biechten staen
in baten? Al hebben zi absolutie outfaen, . . zi
lossen den ban ende comen verwaten , Praet 2084.
{Die paeus) bi vergaf den jougelinge sine mesdaet
aldaer ten stonden, ende hevet sinen ban ont-
bonden, !§>. IV», 44, 60. Daer die keyser den
paues teren baervoet stoet uptie snee , langhe ghe-
nouch ende mee, ende hi ontbant hem sinen ban,
IV», 73, 34.
c) Straf ^ plaag ^ in H algemeen. || Soe onlanghe
eest dat men hier pleget omme tgoet te hebbene,
soe swaren ban, Vad. Mus. 2, 172, 48. Entie
Normanne {hadden) Vrankerike met so groten
banne so gheplaghet, dat onse Here des lants
began ontfaermen sere, Sp. IV', 65, 54.
6) Rechtsgebied \ landstreek ^ waarover de rechtsban
van den ambtenaar zich uitstrekte- rechtsdictrict;
ambacht (zie ald. 2, c). In deze bet. komt ban
ook voor in den frieschen vorm bon voor stadswijk.
Zie Bon. l| Achte gheerse lants dairbii gelegen
in den ban van Hemeskerke , Oorkb. 1 , 270 b
{a. 1250). Elc man mach siins erves ghebruken in
dien ban daert in leyt, 2, 375 * {a. 1292). Van
allen ligghenden erven binnen banne, daert gheleghen
es, sal die ambochtshere dat berichten met den
gheswomen van den lande binnen banne daert gbe-
leghen es, V. d. Wall 117 {a. 1303). Ende tsinen
utersten daghe binnen banne niene ware of niet
vort comen en mochte dat vonnesse tuten , 144 {a.
1315). Alle vervalle die totter vrygraeschap ver-
vallen sullen van den ghenen die bynnen den
banne geseten sijn, Nijh. 3, 149 {a. 1388). Item
so heeft die vrou van Heemsteden noch drie morgen
gecoft, die gelegen sijn westwairt an der wilder-
nisse, zuutwairt an tManpat, in den selven ban,
Oorl. V. Albr. 316. So salmen doen van erve,ghe-
legen buten der vryheit, voir den rechter ende
tscependom, in den ban dairt erve gelegen is,
Matth. 115. Ende es hueren ban groot 550 mergeu
lants, Inform. 24. Ende den geheelen ban van
Velzen es groot 1195 mergen lants , 27. Bailliuwen
van Romen . . . daden haer bisscoppe af ende an ,
alse hen goet dochte in haren ban, Sp. I*, 18,
13. Elc man mach syns erffs ghebruken daert in
leyt, ghelyc den anderen buercn diere in wonen,
al woent hy in een ander ambochte, Mieris 2,
90^. Zoo wie . . . van den raetsmannen . . . ont-
boden worden ende daer niet en quamen, opdat
hy binnen banne waer, ald. 156. Die rechters,
die buten ban zyn, syn sy scepenen, syn sy raedt
ende binnen banne comen, ald. Zeeven die naeste
buyren die binnen den ban geseten syn off twee
die naeste buyren sullen die overstallige pant
pachten, Dingt. v. Waferl. 15. Also verre als die
551
BAN.
BANB.
gkene die gedaicht sgn , bynnen den banne waren des
saterdaigs doe sy gedaicht worden, K. v. Brielle
9, 3. Leengoet sumen berechten binnen bans,
daert ghelegen is mitter heren mannen ende mitten
leenheer, daerment of hout, also die leenheer
binnen bans den eygen ontfaen moet Yoor den
rechter ende yoorden heemraedt, wantmen alle
erfsaken scoldich is te berechten binnen bans,
0, R, V. Dordr. 1, 218 , 30. Na inhout der hantvesten
so machmen gheen poirter bescadighen die buten
den ban is, als hy ghezinnet wort (van wien men
bewjzen kan^ dat h\j om geldige redenen (nootsin)
afwezig ie ; niet ter terechtzitting vertcAiJnt) , Matth.
162. Al dat in desen ban gelegen is, Wettfr,
Dingt. 3. Coemt hy dan niet yoert recht te pleghene ,
men salne verbannen ende hy sal niet wesen in
bans , eer hy scependoem ghedaen heeft , ende syn
ban sal wesen niet soenlijc , niet door een vergelijk
kunnen worden opgeheven^ Mieris 2, 168^ (vgl. b\
Des bans en sal hy niet qnyt worden, eer hy
hem scependoem heeft ghedaen).
7) Ban^ banvonnie, banvloek ^ inzonderheid als
uitgesproken door God , als den hemelschen rechter,
over het zondige menschdom; bij uitbreiding ook
in den zin van de zvaante, strengste straf. || Ie
mane mannen metten wiven , die dit lesen sullen ofte
scriven , opten hoechsten ban , dat si dit dicht laten
bliven reine, ITap. Mart. III, 1. Zy ontbieden
ghemeenelicken die lieden al uyte op den ban , Orimb.
1, 5411 Var. Alt lant es op den ban uy tgeboden , op
ly^i op goet, herwaert te comen, 2, 341. {God)
maecte Adame ende Teven . . ., ende verboet hen
opten ban , dat si van enen boem niet en aten , Teest.
298. Want gherechticheid ghebiedt opten ban , dat-
men tsine gheve eiken man, 1170. (Maria) quam in
desen weene om te versoenne den ban , die onse vader
Adam began, Diep. 426. Dit is si die dat serpent
verwan , dat Teven brachte in den ban , Lsp. II ,
3, 179. Hadden si die (der sielen tcoenAeit) ghesien
oec an , lichte si waren in den ban , daer Lucifer was ,
gheleit, ITap. Rog. 680 (aldus te lezen). Ende die
diefte dieflyc verhelt, die es een onghetrouwe
man, ende hi es in Gods ban, X FlagA. 1578.
Yermaledyt ende in Gots banne es der gene die
sprect, dat Gods wort ie van heme gelit (= gelidet)^
Limb. Serm. 1636. Niement also dincken en sel , het
si wyf, het si man, wil hi vlien des hemels ban,
2241. Want Hoverde ende hare partie heeft God
al in sinen ban , Praet 1815. Gheven maect pais ende
vrede , het can verdriven den ban , Fad. Mus. 1 , 343 ,
100. Den enen ghevet si, dien sijs an, die snete
cussene van haren monde, den anderen slaetse in
den ban, Hadew. 1, 14, 43. — In den ban
bliven, onder den banvloek blijven, vervloekt
blijven. Il Gheluc ende heil ende goed gheval,
ie duchte dat spade comen sal; des blivic in der
vruechden ban, OFl, Lied. e. Qed. 95, 13. Bedi
so biyft zoe in den ban , dat soe niet comen mach
daer boven, Praet 1962. — Den ban werpen,
den banvloek slingeren. \\ Die dan so swaer worpen
haren ban, om ene cle3me mesdaet nochtan setten
si die siele al te hant in der hellen ewighen
brant, Wrake I, 234. — Enen te banne
doen« over iemand den banvloek uitspreken. \\ Ay
deus , wie sal den ghenen absolveren , dien de minne
te banne doet, Hadew. 1, 15, 46. — Ten banne
comen , verdoemd worden, in het verderf komen. \\
O zot keityf, ziele ende lyf houdstu van Gode, twi
soutstu danne comen ten banne, Praet 3798. —
Enen den ban geven, iemand den banvloek
geven, het anathema over iemand uitspreken. \\ Nu
maken die heren een ghespan , «nde gheTen der
eren enen ban, Wap. Mart. I, 59. Men ghift d<r
er«ii nu den ban, Hild. 82, 98. ~ Den bia
genieten, vervloekt, veroordeeld sijn. || Sulke
minres ghenieten den ban, die metter metdid
maken ghespan, Wap. Mart. II , 192. —Die
ewighe (eusce) ban, de eeuwige 9erdoemms,l
Gh>d verde hem den euschen ban, IV Mart. 51&
Want uut den monde vlieten can die ailickejt
ende die ewighe ban, X Plagh. 1841. Done aait
begheren nyemens wjjf, noch dat wjf njemeu
man , want grote sunde leeght daer an, ende s
verdienen den ewighen ban, Ned. (r^il.636,U.Dk
sinen wil altoes verwan van des hi hem T^d
onderwinden , die sel mitten ewighen btn in do
hellen gront verslinden , Hild. 186 , 285. — Bit
helsche (der hellen) ban, de verdoewunfkJi
hel, de helsche verdoemenis. || Verdient so occds
helschen ban, so wert haer tfleesch een ivmt
Ï ghespan, Wap. Rog. 761. Alsoe en sml der vionva
yf niet eens anders mans begheren , ofl si da
bans van der hellen wil ledichsyn, X. P%.iltt>
BANBOEC, znw. o. Eet boek, waarin de In-
vonnissen met de namen en misdaden der peroordeelif»
worden opgeteekend. \\ Die clerc («a/) hebben ea
oirt van eynen kromstart . . . van eiker teykeuBje
inden banboic van den verwonnen ende vervoleyci
luiden mitten banbrieven , R. v. Utr, 1 , 331 , i
BANBRIEF, znw. m. Het oj/icieele stmk, üjy^
geven ten bew\jze dat iemand tot ballingsckaf tef-
oordeeld wordt. Zie brief en vgl. JBallingkki/f.
Van Santen, Kennemerland 342. || Zo mockte dk
ghene, die dien persoen te banne hadde, cona
voer den raet ende tonen daer zine banbrievt,!
V. Utr. 1, 129, 89.—- Zie een tweede voorbeeld «f
het vorige art; een derde op bannich; ens.
BANDACH, znw. m. RechUdag. \\ Over . . ^
movenesse die zy hadden al de stede duere vic-
hede te hoome voor den voorseiden bandMi.
Invent. v. Brugge 4, 134. Yan den balliigba*
die up den voors. bandach ghebannen waren, «^
Up men zelven dach zo wast bandach ende dm
en waren ghebannen maer seven personen , oom^
Gloss. ald. 589 a, alwaar ook gesproken wöi^
van den ban van half Maerte.
BANDEKEN, BANDEKIJN. Zie BALDEKIJX
BANDEKIJN , verklw. van bant (s. a.). Be»i.
boei , by uitbr. middel om in bedwang te howie%. ï
Idate dats een bandekyn . . . over die crds^
weeldichede, ^. I", 75, 57 (tempermntia vohÊftêÜsi
imperat; vgl. OFl. Qed. 3, 119, 541, waar feni^
gelezen wordt).
BANDERIC, icke, znw. m., voor Ulderir.éL
balderich, mfr. baldret, baudre, vraarvan k^ ^
baudier, lat. balteus; vgl. Burguy 31 ; Littrêl,Sl^
Riem, gordel. \\ Alle die ghene die boven fcgtf
waren mit bandericken, D. B. II Kom. 3, 21.
BANDEROEDE, znw. vr. Yan Bindea 3
Roede. By Kil. Band-roede, viwsen maaa\^
Plantyn : Bandt roede o ft wisse, verge ite^
pour lier. Roede om mede te binden, twijg, teen (ni^^
warren met bantroede, bandreu, ons bas^rekel.^
hond die vastligt). || Item dat nyemandt wiavs
theen noch banderoeden ofte peertsen en lese,^
ghe wassen zyn elders dan up tsyne , np de l!i(^
van 3 e, Cout. van Brugge 1, 221, 24. Yutif
ende van banderoeden , Invent. v, Mrugge 3, ^^
Yan duunbarden ende van banderoeden, 4, 1^
Wissen, teen noch banderoeden, eumgeh, &^
ald. 11 b, en vgl. ald. 589 b, waar ook *
vormen bantroe en bandroe gevonden worden, ^
553
BA.ND.
BAND.
554
ook Toorbeelden van de uitdr. banden ende roeden
en roeien ende hmulen,
BlNDERI£M,znw. m. Biem, gordel. \\ Twee huden
tmnderiemen of te maken, Bek, d, Qr, 3, 464.
37 paer haken te Iwnderiemen , 471.
BANDERSIDE (bandersiden , ook in den
oonpr. Torin bander side (siden) geschreven),
bgv. en voorz. Eigenlgk Be ander tide^ d. i. aan
ie endere zijde ^ welk voorv. Ie- in verschillende
woorden, alfl hoekten^ hoven ^ binnen, beooeten, be^
vaten, benoorden ens. eene locatieve kracht heeft
I) Bijw. — 1) Eigenlgk.
é) Aam de andere tijde, aan den anderen kant, \\
Ende ghingen harre varde so langhen stont onder
die aerde, dat si alle onder die riviere banderside
qnamen sciere, Wal. 8439. Hi dede neven hem
fitten s||n wQf Clarise; Blancefloer die hovesche
entie wise dede hi sitten banderside, Flor. 3885.
Casseel, die here van Bandre, ende Phesonie saten
te gadre; banderside BetQs ende Ydoms, Caet.
1305. Sach hi van dien vergiere goet die ene side
al claerlike, ende banderside die gelike, Boae 1478.
Wandelen hi doe henen ffhinc banderside in de
sale, Limb. X, 348. Ende staect hem int herte
Tore, dat het banderside qnam dore, Vergi 1049.
Bat tswert banderside doreqnam, Sp. IV*, 35,
43. Banderside daer God sat , 11^, 37 , 35. Dat hem
banderside dore dat yser ghewaden qnam, lAmb,
II, 1208. Zie nog V, 379; VII, 1056; enz.
i) Naar de andere sijde, naar den anderen kant. \\
Daer si ginc aldus allene, versach si in denmner
een kene neven der kokenen ende leeter vore:
daer sach si banderside dore, Belg. Mm. 10, 91,
55. Echites voer banderside ende bestont die porte
met stride, Limb. Y, 361. Ghi selt in dene side
vesen . . . ende oec, radic, banderside sal n
broeder Bemophon riden, ende sal bestriden die
stad van daer, YII, 971—983. Alhier vaert uter
stede ende béstaetse hier met stride; ie wille
▼aren banderside metten ridders van den lande
hier, IH, 674.
e) Ter andere zijde, aan den anderen kant, waar
nn twee partgen sprake is. || Otte qnam met
mogentheden vor den keyser, ende sine mage,
eode begonste dns sine clage. Banderside stont
Garjn ende mede die mage sQn, Lorr. II, 2957.
Bes ander dages es opgesUien Torec ende wapende
hem saen; ende Dmant oec banderside gereidem
^»er oec saen te stride, Lanc. in, 24654. Die
▼an Lovene bander side, die niet en wisten van
dien stride , keerden ten tenten achterwaert, Brab. T,
T, 118S {Far. in dander side). Maer banderside
stont doe gescard van Bothen mijn her Geraert,
Velth. II, 51 , 15. Ende Alebrecht die qnam bander-
side jegen Adolve daer te stride, 111,50,17. Yan
Vredenke met, die gecoren banderside es jegen
Lodewike, YI, 1, 36. Banderside qnam . . .
die here van Moy op sgn ors gevaren, Grimb.
II, 2261. Demophon reet een ors van prise . . .
ende qnam ten crite beha^elike; banderside die
coninc rike Polifemns qnam daer jeghen, Limb. YIII,
1486—92. Demophon die here street banderside
berde wel, Limb. VIII, 720. Van den discorde dat
vu tnaschen den abt van sente Baves . . . an de
9tat side, ende den heere van Gavere . . . bander-
side, QendteA Cktb. 15. Zie nog Lanc. IV, 4688;
I^- U,410, 443, 553, 1311, 2906, 2932,3464,
«18; Grimb. II, 2835, 3327, 3765, 3836, 6111;
Velth. IV, 35, 6.
"^ Herhaaldelijk vindt men in tekstuitgaven,
in plaats van banderside, ten onrechte van der
1
side, waarvoor men de ware lening in de plaats
stelle. Zoo b. v. Grimb. I, 2596, 4723; 11,2351 ,
2444, 2464, 2784, 2922; Brand {£) 1528; vgl.
Flor. 3888 (He.).
— Van banderside, van de andere zijde,
van de andere partij. || Dat die van Trierenter stad
waren ghevaren tenen stride, entie van bander-
side drevense weder in met crachte , Limb. II , 566.
2) Figuurlijk. Jan den anderen kant , anderdeels,
bij een tweeledig geval. || Dat hi tserpent hadde
doot dies so haddi blisoap groot; banderside so
haddi toren dat hi sijn swaeraadde verloren. Wal.
599. Hi versciep hem tallen dieren die sgn upt
lant of in rivieren: banderside sciep hi hem
wedere tallen voghelen, 785. Dus was die coninc
tongemake harde sere om dese sake; entie vrouwe
banderside was hier ave sere onblide, Lorr. I,
861. Men sel billix houden trouwe, ende bander-
siden soect men nouwe die nootdruft, alst gaet
aent lijf, Bein. II, 4981. Dat hi sochte was ende
goedertiere jeghen doemoedighe tallen tiden; oec
was hi fler ende wreet banderside jeghen die ghene
die bi haren verwaentheden moylic waren, Fl,
Bijmkr. 2960. Hi hadde te dien stonden grote pine
van sinen wonden; banderside dogedi mee, Belg, Mue,
7, 193, 211. Zie nog Wal. 10140; Bote 6335;
bl. 249, 10; Maek. 1327; Bein, I, 1830; Limb.
I, 2233; II, 674, 1386; XII, 104, 576; Fl. Bijmkr.
10492; Brab. T. VI, 1381; Qrimb. II, 154; enz.
— Het verkeerd gelezene van der tide , in plaats
van banderside, verbetere men Brab. T. 11,5778;
Grimb. I, 2771.
II) VooRZ. — Met den 3(l«n en met den 4<l«n ny.
Aan de andere zijde van, aan den anderen kant
van. II Ene veinstre, daer Walewein dure sach
sitten banderside den mure in ene sale scone jonc-
frouwen, Wal. 1097. Daer een casteel stont wel
dire banderside den watere, Lanc. II, 39426.
Daer ne comt nieman , hine wilre wesen banderside
den watre breet. II, 45307. Daer die grave toe-
gesach, die banderside een water lach, Velth. II,
51 , 23. Doe de riders waren voer de poert,
ende de goede liede van der stede utetrocken naer
hem lieden banderside Meren , Bek. v. Gent 1 , 238.
BANDICH (bandech), -dige of 'dege,\}nYr. Door
den baTul vastgehouden, tam. Kil. „Bandigh,
vinettts, deur, domitus. Mhd. bendec. \\ 01de hout
sijn qnaet bandich te makene. Hor, Belg. 9, 36,
576. Vgl. Limb. IV , 327 : Het es pine menegherande,
den ouden hont doen gaen in bande.
* BANDICHEIT, en -hede, znw. vr. Zie
Bandich. Gebondenheid, benauwdheid. \\ Na die
yerste pater noster toende Jesus syn bloedighe
sweet voer mi ende verdreef alle bandicheyt. Nae
den anderen pater noster ofdede hi alle sunden,
als een wolken, mit die bandicheyt sijnre pinen.
Stemmen 26. — Of moet op beide plaatsen ban-
gicheit, benauwdheid (z. ald.), worden geienen?
In hetzelfde stuk komt nog voor : „voer alle bancieheit,
die ie mit minen sunden verdient hebbe ,** waar men
voor bancieheit ook wel zal moeten lezen: btmgieheit.
BAKDIJC, 'dike, znw. m. Van Ban in de
bet. 6) en Bije. Een dijk, die gerechtelijk ge-
schouwd wordt; een dijk, ten opzichte van wiens
onderhoud een zekere rechtsdwang wordt verleend.
Zie Racer 7, 207 vlgg., en vgl. banwoud, aldus
fenoemd vanwege den rechtsdwang, waarmede
e bewaring van het woud gepaard ^9Ai,ald. 1 , 14.
Il Eenen waterganck . . van beneden der stege
tEverdinge langes tot Schoonrewoert toe, end tot
Ameyders z^dwen, alleut dat binnen dien bandycke
555
BAND.
BAND.
oi>6
Icget ende an der Lecke, Oorkb. 2,2i9a(a. 1284).
BANDIMENT, znw. onz. Ofr. bandiment (Duc.
7, 54); pro?, bandimen (Eayn. 2, 176); van
mlat. bannimentum (Duc. 1, 667). Afkondiging^
oproeping. || Daer is een nutroepingef een bandi-
ment ghedaen, Gestu Bom. f. 72Ó. Als aldnsdanighe
bandiment over alle den landen . . ghegaen was,
so Quamen daer vele tot s^jn pallaes, f. Ibc. Dit
bandiment, die wil des conincs wert van allen
Inyden in syn ryke gbehoort, f. 114a. Hi dede
terstont een bandiment bescriven ende ofroepen,
/. 1830. Ende sende boden over al sijn conincrijck
mit bandimenten, die men overal untriep ende
las, ald.
BANDINC, znw. o. — 1) Hetzelfde als gebannen
gedinc. Eene formeeU rechUzitting ^ op de ge-
bruikelijke wijze en met de gebruikelijke termen
geopend en geleid. )| Soo en sal onse schout
geen gedinge noch recht beginnen, ten zy goets
tyts voor middage, ende dat voleynden eer hy
opstiet, nytgeseyt onse bandinge ende dijckrecht.
Lams 36.
2) Terechtzitting^ waartoe alle dingplichtigen
worden opgeroepen (gebannen). || Eens sjaers moet
men bandingh dingen , . . . welck voorsz. bandinghe
ghesproten is ende syn oorspronck heeft uyt den
Graefdinghe ende Hofdinge, V. Santen, Kennemer-
land 208. Soo en sal gheen schout buerrecht houden
buyten den bandigen (/. bandingen), van schade
ende van schulde meer dan driewerven sjaers,
Handv. v. Medembl. 6Sb,
BANDOEN (bandon, banduün^, znw. onz.
Van ofr. bandon^ machtiging, verlor, macht, afge-
leid van het ww. bannir (Duc. 7 , 64 ; Roquef. 1 ,
128 ; Burguy , (rr. 2 , 266) , veelal voorkomende in
de uitdrukkingen mettre^ donner a bandon enz.,
waardoor men allengs de uitdrukking als één
woord beschouwde en samenkoppelde tot abandon^
vanwaar abandonner ^ en zelfs ^ abandon (verg.
Diez 1, 61 op Ban do, en Duc. op abandum,
abandonum).
1) Macht ^ 9^^0-9'. II U wijf heeften {den koffer)
in haar bandoen, Segh. 9828. Dese waren alle in
haer bandoen, Brab. Y. VI, 11840. Dat wert den
Sone een scone sone tfonnesse te hebben in sijn
bandone, Lucid. 1932. In recht, in wette, in ban-
doene, Invent. v. Brtigge 1, 72. Confessore ende
volc van relig^one, die wederstonden sduvels ban-
done, 5681. Hoverde hout mi in haer bandoen,
Praet 1738, Hy noch sijn vrienden sijn niet te
rade te comen in uwen genade, noch ooc in den
bandoene van den vonnesse uwer baroene : sy hebben
liever . . . taventuerne goet ende lijf, Grimb. II , 1266.
2) Gevangenis^ band-en. \\ Die trouwe leghet in
bandoene , Vad. Mm. 1 , 346 , 76. — Vooral van
de boeien der hel^ de hel. || Omme te verlossene
den pant ute den bandoene , daer inne (1. hi (de
duivel) ne) in bant, OFl. Ged. 2, 58, 138. Sine
hebben gene macht te doen van den helschen
bandoen, daer si in liggen ende braden, Lucid'. 698.
3) Verpanding. Verg. Duc. 1,6c op Abandum. ||
Soe wie . . . geld om geld, oft pande ofteneghe-
rande ander goet, om enegherande bate leende,
waert met geloften van trouwen ende van eeren,
met brieven , met bandunen , ofte in eneger andere
manieren, dat hi dat geit oft ander goet, dat hi
alsoe leent, sal hebben verloren tot ewelijken
daghen, ende die ghene diet ontleent heeft, ofte
doen ontleenen, ende alle sijn borgen, al hadden
zijg oic brieven van teeren oft van coste oft andere
yesticheden gemaect, ende oic van allen bandunen
die dair af sijn mochten, los, quiie, vrv eiid«
ongehouden sijn ende bliven selen jeghen yeg1l^
welken , Stadtr. v, Brtusel v, 1383 , in Belg. Mtu.
10 , 101 (Is hier misschien te denken aan de loo-
genaamde „Garantie de Bruxelles? vgl. Britz.
Code de V Ancien Droit Belgigue, 926).
Aanm. — Of ditzelfde bandoen ook bedoeld 'm
Sacr. 78 , 67 : „ twas bandune " is moelijk te zeggea.
Verwijs gist, dat het het ofr. ^«fM^cm is , in de bd.
van joie , allégrette. Zie Gloss.
BANDRIE, znw. vr. (?) || Dat wi ne ghcaa
portere ne moghen doen ghebieden, noch obk
rechtere omme ne ghene mesdaet bnten der stü
van Thienen, noch op hen negheen bandria
maken, zine willecorent met den monde , Willems,
Meng. 458, in eene keur van Thienen van VU&.
BANE (baen), znw. vr. Mhd. ban\ hd. A<ia,
mud. bane\ Got., Ohd., Ags. en Onrd. ontbreekt
Over de afleiding vgl. Grimm, Wih. 1, 1077
met Klnge 15. Baan^ e ff ene vlakte of begane wff.
in verschillende toepassingen.
1) Slagveld^ tooneel van den strijd^ plaat» wee
gestreden wordt. \\ Doe versagene die van botcG
meer dan vijf hondert tenen trane, ende seteda
hem uter bane, daer si in vochten doe, Ferj.
4086. Ende stac m|jn heer Janne Screybane, dit
hi viel in der bane op die doden die daer lagea,
GHmb. I, 3726; vgl. Lorr. II, 4293. Maer ém
toe quamen saen gereden in der selver bane selke£e
riepen : Viane ! Grimb, 1 , 3777. Dese waren comeakr
banen metten grave van Vianen , 4085. Ende sveer-
den brac men daer in der banen , II , 528. Coningfaa.
graven ende hertoghen . . . die bleven doot al s
de bane , IX Beet. 425. Hi was daer met moghat-
heiden, ende mechtich ghenoech in der Inne §p
viande te wederstane, Brab. Y. VI, 5730. Wis
meneghen spere men daer brac in der banei li
over al, VII, 2072. Zie ook Velth. III , 41 , 5 ; «:.
— Die bane scuwen, het veld rmme%. \\
Die princen macht heeft te verslane, . . . ^fsr
hare scuut overmoet die bane, Rinel. 1055. — Ttr
banen vallen, aan den slag gaan, aan den fam
gaan. \\ Ende dan vallen si weder saen ter baBea.
Fad. Mus. 1 , 83 , 39.
2) Des meres — , het vlakke geeelrtmi."
Hier en binnen is die joncfrouwe afler nnten ^^
ghegaen wanderen op des meres baen, MLoep \h ^
3) Speelbaan^ kaatsbaan. \\ Aldaer men spe^
op ene bane was hi met jonghen gheselIen.3J!aAK^
3, 27, 168.
4) Betreden en gangbare weg ^ in eigenlgke a
flguurl^ke toepassing. || Soe wye nn treden ^ia
banen, die motent selve al becopen, Hild. 1S5, U^
Helen is der heren baen, 137, 21 var. Want ^
doet ware hi in wane of altoes tesine g^bevane^dit
quame in die wreede bane, Limb. ELI, 1134. —h
verschillende zegswijzen. — In (te) allen baaet-
overal. \\ Des men haers wel alhier in groter ees»
mach vermanen in allen hoven, in allen l^an,
Brab. Y. VI, 5978; verg. VI, 1551. — Bai«i
(buter) banen rollen, het rechte pad verlaif*-
op een dwaaUpoor komen. || Sine connen misao
niet een twint, die wandel sijn alse die wiil
si rollen buter banen , Wap. Mart. 1 , 438. ï^
doet, si schuwen sulke nose veel te rollen bata
banen, Hild. 159, 194. Willen si den beren tscf^
ondecken, . . . soe souden si dnecbt Toerv«r
keren ende buten banen niet te rollen , 210 , 273 — 77.
— In eens bane rollen, in eens bas*
omgaen, iemands spoor volgen^ hem Moro/^en. ^
wel tot zijne partij behooren. \\ Hi hevet ypoeria?
557
BANE.
BANK
r.rc
ommaer, ende legliet hem met vraken naer, die
in hare bane pleghen omme te gane, Wap. Mart.
If 231. Dru) was dit yraukin daer bedroghen bi
haren zoeten wane; elc peinse om dat soe heift
vor ooghen, als men rolt in haer bane, OVLIAed.
en Oed, 84 , 29. — ^Verg. hiermede de uitdrukking : I n
eens baen es al die xo\^ alle» volgt zijn tpoor.\\
Die noch wel connen Reinaerts const, ... si
crupen al in Reinaerts hol, in sijn baen is al die
rol, Rêm. II, 7664 — 60.— Enen in sine bane
bringhen, iemand tot zijne partij brengen. \\
Als her Jan dit hevet verstaen, voer hi in Zelant
herde zaen, ende ghinc de van Barsele ane, dat
hise brochte in sijnre bane, Stoke VII, 21.
BANE (baen), znw. vr. , en m. Goth. hani^
wonde ; onrd. bani m. , verderf, dood (Jonsson 43^ ;
ags. bana {jbona) m. , dood , verderf (Grein 1 , 74) ;
ofr. bon in bondedeeh^ moorddadig; bona^ moor-
denaar ; ohd. bana vr. , doodslag ; mhd. ban m. ,
ondergang, verderf; mud. bane vr. , moordboete ;
eng. bane.
1) Eigenlijk. Leed^ kwaad ^ ongemak. \\ Sieken
oghen ende die tranen die qnijt hi van groter
banen, Nat. BI. XII, 73ö {de Icitos, een eteen).
Hem quam met groten banen beide heet ende oec
coat: sine pine was menichfout. Brand. {H)
1280 (in den tekst: bonen: danen). Dese quamen
uyt met XX vanen te velde, menghen Griecken
ter bane (/. banen), Troyen f. 143*. Ie sterf bv u
(Briseda) in die bane, Troyen Vb. 30. Beydeghe-
crade ende gras, dat den onghewederte was over-
bleven tselker banen, dat aten op die spelthanen,
X Plag. 1711. Na menigen anx, na menigen
bane, Sp. II», 47, 26. — Inzonderheid in de uit-
drukking: — Enen (sware, menighe enz.)
bane doen, zwaar mishandelen. \\ So dat si
quamen in Tuscane, daer si daden sware bane
eere stat, daer si voren laghen, Sp. I», 43, 13.
Dyoclesiaen, die felle, ende Maximiaen s^jn geselle
daden der kerken meerren bane, dan hare ter
wcrelt noyt quam ane, II*, 1, 141. Dese Peter
hadde lange gesiju eens heren Anteneus gevane,
die hem dede menege bane. II*, 27,62. Cloestre,
husen ende kerken nam hi altemale den clerken
ende gafse den Arrianen, die den onsen daden
vele banen, III», 15, 27. Daer vinc hi Justiniane,
ende dedem so sware bane, dat hi hem den nese
afsneet, III', 49, 85. Ende daden den kerstenen
groten bane, II>, 22, 26. — Wien soet comt
(wert) te banen, wien het ook ten verderve
moge zijn, wien het schade. Verg. de uitdrukking:
Wien soet comt te scaden of te vromen. ||
Up dien torre, daer mi die soete heeft gemaect
te sprekene moete met hare, so wien dat comt te
bane , Roee fr. 253 , 16. Om dit selve . . sal mine
vancnesse so sijn vemouwet, dat ghi mi nemmer-
ineer en scouwet na nu, wien soet comt te banen,
267, 288. Dat wi met staden trecken achter binnen
onsen barbakanen ; so wie soet ons wert te banen ,
daer moetewi emmer houden strijt, Parth. 6531
(zie T. en Ltb. 5, 117).
2) Uit de oorspronkelijke beteekenis van ver-
tooHtUng^ doodslag^ ontwikkelde zich die van schuld,
gelijk in het Mud. die van boete die men voor de
d^iad betaalde: „ Jeder dem schwertmagen verblei-
bende antheil der mannbusze ** (Lübb. 1 , 147). Zoo
heet het in het Dithm. B. § 79: „Efte dar ein
nian geslagen worde, so schal de bane bliven by
der swertsiden." || Wie den andren bestcanvlaen
mach best in state ghedueren : wee hem die daer af es
baen ! Wap. Rog. 8. Waer soudic connen ghegronden
wie bane es van desen souden? 127. Hoe dat raet ga
die duvel Caym te verslane Abel, sijn wille was
des bane, 257. Waenstu, of di mate es ontfloen
ende du overdaet wils doen, der weerelt bane
gheven? 462. Ne waer di[e] duuct binnen sinen
slike ende tselfs daer hute ne kike, die es zij ure
droecheit baen, 982. Die ghulse natuere heeit
ontfaen, sal God die dor ghulsheit slaen, so es
sijn lot verscroven; eist bi Gode so eerst ghedaen ,
so sciint hi zijn der zonden baen, 1497. Doet
soet, dats thaerre on vromen, want so wert sweercs
bane, 811. Al es een van zonden de baen, 1018.
Gode es dit ghetyet van zomen; andere haerre
sterre bane nomen, 1516. Gheens quaets bane,
1331. Wie es der mesdaet baen? 1792.
BANE. Zie banne.
BANEKEN (baniken , baenken), zw. ww. bedr.
en onz. Mhd. baneken. Oorsprong onzeker; het
is twijfelachtig, of het woord van een Germaau-
schen, dan wel van een Romaanschen stam is ont-
leend. Het mhd. baneken beteekent heen en weder
bewegen, door beweging verlustigen, en wordt ver-
geleken met ofr. banoier en esbanoier, waaraan
een Romaansche vorm banicare zou ten grondslag
liggen (verg. Diez, Etgm. Wtb. 1, 51;Grimm, Qr.
2, 1000). In het mnl. is de beteekenis beperkt
tot den byslaap.
Bedr. — Een wijf — , eene vrouw beslapen. \\
Ie baenke om geit der mannen wiven , Boerd. II , 42.
Onz. — Den bijslaap uitoefenen. || Dat hem die
sieke wachte van baniken, Barth. 273 b. So wie
dese suucten hebben , die moeten hem sonderlinge
wachten van vervullinge der spizen ende des drancs,
ende te voersten van baniken, want dat spul
scarpt die reume alte zeer, 274 b. Waer af dat
gevalt dat die gene die gelubt sijn . . . tvoetevel
niet en hebben, want si niet en baniken, 275a,
BANEN, zw. WW. bedr. Ofr. bonia, voor moor-
denaar verklaren; mnd. bonen. Van Bane in den
zin van moord, waaruit zich die van boete voor
een gepleegden moord ontwikkelde (verg. Bane,
2de art.). In de Oud-Nederlandsche rechtstermen :
— Enen doden banen (op enen), de schuld
van iemands geweldigen dood leggen op iemand,
eigenlijk: den doode (den vermoorde) aan iemand
te laste leggen, dus: verklaren dat een doode door
geweld van een b^aald persoon om het leven is ge-
bracht. II Hoemen den doden die ghebaent ende
ghebairt staet , wapenruft sculdich is over te doen ,
Matth. 13. Als tscependom den man bezien hebben ,
vraecht hem die rechter, of sy kennen dat die dode
van menschen handen ghesturven is, ende dair of ont-
fanct hy der scepenen antwoirde. Dair na begheren
die maghen haren doden maech te banen , dat wapen-
roft van hem te doen , 179. Na voirvonnes , dat scepe-
nen ghewijst hebben, dat men sculdich is P. , die
aldair staet ghebairt, te banen. Tvonnes wijst na
voirvonnes, dat men P. sculdich is te banen. Die
rechter vraecht den vrienden, op wien dat sy P.
haren maech banen willen. Die vrienden bespreken
hem, of sy sijns beraden. Ende die taelman noemt
die ghene, dair sy den doden op ghebaent willen
hebben, by namen, een of meer, 180. Recht . .
doen van haren doden maech, die sy aldair ghe-
baent hebben, 181. Of die vrienden van den doden
moghen banen haren maech op wien sy willen?
Die antwoirde. Ten behoort niement eerbaers toe,
yement in eenen dootslach te belegghen, daert
kenlic of was, dat hy op dien tijt, als die doet-
slach ghesciede, niewert an velde noch au vaerde
en yi^'^\ ^^^^ ^^^ ^y vtLQia ende daets onsculd^ch
550
BANE.
BAN E.
560
18, 182. — Enen dootslach hanen op enen,
een doodslag te laste leggen aan iemand. \\ Het
gheschiet een dootslach, die ghehaent wort op
alrehande personen , Matth. 183 ; vgl. 13. Blijft
yement gaende opter straten, dair die dootslach
op ghebaent is, die rechter salre die hant aen
slaen van tsheren ende der vrienden weghen,
ald. Des mans doot , die op hem ghebaent is , ald.
= Nog heden is banen in 't Ylaamsch in gebruik
in den zin van zijne schuld erkennen. Zie De Bo 78.
BANEN, zw. WW. bedr. Van Bane (1ste art.).
Eigenlijk, van een weg: banen, effen maken, doch
bij nitbreiding ook van land , in den zin van effen
maJten, toebereiden, bewerken. Nog bij De Groot,
Inl. 140v<»: „De overkominge waer doer iemand
land aenneemt te boenen voor zeecker deel van de
vruchten." In den allitereerenden rechtsterm: —
Goede bruken ende banen, goed gebruiken
en bearbeiden , er de vrije beschikking over hebben. \\
Of hij die goede so ghecoft heeft, dat hy die
bruken ende banen mach als sijns selfs goeden?
Tvonnes wijst: Als die XII gr. betaelt heeft, dat
hij die goede soe gecoft heeft, dat hy die bruken
ende banen mach geliken sijns selfs goeden,
Matth. 171.
BANETTE znw. vr. Hetzelfde als bonnet. Zie
ald. Muts. l) En ghien man noch wijf moet zeyle
of banetten in die kerke maken noch nayen,
O. W. V. Amst, 38, 17.
BANGE, bijw. Mnd. bange; ook mhd. bange,
hoewel daar de vorm ange de gewone , en bange
de nd. vorm is. Uit Be en Ange (zie ald.). Eyig ,
benauwd, beklemd, bange. In de uitdrukking:
— Het doet hem bange, eigenlijk het be-
nauwt hem, bij nitbreiding het beangstigt, kwelt
hem. II Die minne die dede him wee ende banghe ,
3fLoep I, 1193. — Het gaet bange, het gaat
er erg, verschrikkelijk toe. || Het ghinc daer haerde
banghe , Alex. V , 56.
BANGICH (bangech), -ige, of ege, bnw. Mnd.
bangich. Benauwd, beklemd, beangstigd. || Een
stadighe eenperlike begheerte eens banghighen,
druckeliken levens, mit Christo den arbeit ende
den last sijnre ellendigher pelgrimaeden altoes
mede te helpen draghen, Stemmen 95.
BANGICHEIT, en -iiede, znw. vr. Zie Bangich.
mnd. bangicheit. Benauwdheid. \\ In welker maent
ghi maken selt alle daghe een hoedekijn van
berberyen bloemen mijnre inwendigher banghicheit
die ie leet au den er nee, Ned. Proza 320. In al
iuwen inwendighen ende uutwendighen bedrucke-
nissen ende bangicheiden , Gerl. Peters 210. Tribu-
latie , bangicheit van binnen ende van buten , 236. —
Zie ook Bandicheit en Banlicheit.
BANIEBE ^banniere, bannere, banner),
znw. vr.; verkl. banierkijn. Mnd. bannere,
banner, bannir; mlat. banneria, banera (Duc. 1,
564, 566): fr. banniere voor bandière, dat van
germ. oorsprong is; zie Scheler 40; Diez 1,
50. Banier, vierkante vaan, het zinnebeeld van de
'rechtsmacht over vrije mannen, en alzoo door
dragers van rechtsmacht, baenrotsen, gevoerd. Zie
D. JTar. 5, 119 vlgg., 323 vlgg., 540 vlgg.;
Huyd. op Stoke 3, bl. 319 vlgg. , en verg. Baenrots.
1) In 't algemeen, als veldteeken, dat door
Baanderheeren , door vrije steden en kerkelijke ge-
stichten gevoerd werd. || Hi sach dakeren die
banieren metten winde, ende menich ponioen , jFVr^.
3894. De baniere nam in de hant een scoene vrome
jonc seriant, ende maecter hem mede te hant,
4aer hi de meeste perse vaut, ende droech aldaer
sGraven baniere, Stoke IX, 1005. Sine lieden en
merden niet; want si waren bereet sciere, ende
yolgeden na sine baniere int velt , daer tm stgu
houden, alse die ghene die bliven wouden biheu
levende ende doot. Vore dies hertogen conroot et
hilt banieren enghene van sinen tekene meer dn
ene : daer was sijn lichame altoes bi: daer die
baniere voer, daer was hi toten inde vu dit begin
Al dat die hertogehadde au, wapenroc,helm,enè
britsieren, dat hadde al teken van sire btniens,
Heelu 4472. Huge kende terstont sijn bauoermetta
cruce, Htige v. Bord. 53. Van allen rejsendiemea
doet, daer der stat banner niet mede nut en ii,
B. V, Utr. 1,20%, 1. Dit waren alle baenrotwn..
die met banieren quamen ten stride, Griai
II, 293. Sinen hamaschmaker , die mit alit-
hande banneren in Oistvrieslant trecken sondi,
Oorl. V. Albr. 295. Van 140 ellen zwarts sindids
ende 14 ellen roets sindaela . ., daer men if
maecte 13 banieren van der wapinen fan ds
stede . . ende 7 groete banieren van den prodiie,
Bek. V. Gent 1 , 348. Voert behoert den Toegkt
toe ende ten leene: wanneer dat ghemeee
orloghe sal wesen met den heere van den linde.
daer moet de voeght draghen ofte doen diagka
eene baniere ; . . waert so dat hiemene tu der
voeghedien van Everghem worde vonden in fke-
breke van siere orloghen ofte van siere banierei
te volghene , also hise schuldich ware te Tolgfaene.
van dien lieden soude de voeght met sinen \tx»
hebben syn recht van den boeten, Gendsck CÜi
23 (a. 1361). Zie nog Bek. v. Gent 1, 479;
Matth. Anal. 1, 288. — Baniere gebondei,
of met banieren gebonden, met ie i«atf
aan den schacht, lans of stok gebonden, sijnei^
vertoonende, \\ Archelaus, sijn hertoghe, Toermti
banieren gebonden hoge, Sp. I*, 71, 33. Söw
ghewapent quamen si echt , scilt aen hals etd^
spere gherecht , helm op thovet , baniere gebondo.
ende neder toter hant out won den , Parth. 4759. — h
denzelfden zin: Met on tp loken banierei.
met ontrolde banieren. Nog heden bij dichten
in gebruik. || Die keerden binnen desen weder tfi
haren banieren al ontploken, Heelu 7476. Dat beer
van Brabant al te male met haren bannieren, d^
wet wale, al ontploken ten viande, Grimh.VL^i^
— Eens baniere vellen, striken. Ëigenlfk:
eene banier doen vallen, neerhalen', verrolge»
iemand in den strijd overwinnen. \\ GraTC Flora*
bleef in den tornoy te Corbi: dat was TerWT,
daer was gevellet sine baniere, Sp. IV', 46,20
Daer mocnte men sien banieren striken deenet^
prighe tieghen dander, Stoke IV, 410. — Ook ii
den zin van den heer, die eene banier voert, i
Artuers maisniede sal tomieren jegen alle dk
banieren, die van buten comen mogen, Fer^.h\tl-
2) In H bg zonder , de banier als teeken der
hooge rechtsmacht, welke niet alleen de Baanrotsu
of Baanderheeren, maar ook de Vrije steden a
kerkel^ke Gestichten, Abdijen enz. bezaten. Verf-
D. War. 5 , 337 vlg. , 541 vlg. || Na dat die Boensefe
baniere den coningen wart genomen ende eeift
Sp. 1% 1, 138. Zie nog i2(;i»i. 34073; Heelu 4m
5041; 5674 vlg., 5722, 5735, 5742, 7167, SÖO.
8461 ; Grimb. 1 , 4160 , 4759 ; II , 1885 , 1951 , 2ö8t
2180, 4440, 4458, 5027; ens. — Baniere bifr
den, eene banier voeren als teeken der hooge re^
macht van eenige vrije heerlijkheid. \\ Die bfl<
stout. Van Assche, dien in die vaert bevolen n^
de standaert, nochtans bant hi selve baniere , Gri»^
I, 4634. Rotselaer, Wemele, selc Bierbeke..t«rt
561
BANI.
BANI.
562
dier geropen tien stonden van hem die banieren
booden, I, 4728. Een yrome baenrotse ende fier^
ïj bant banniere te dien stryde, II, 3820 var.
Deat viere bonden baniere, II, 6678. Drie baen-
roetfeo ... die baniere bonden, II, 6720.
Wielhem, Waelcort, Rotselaer, dese hadden alle
bttieren daer; daer toe si twee van Wesemale;
dit sijn die baenroetse altemale, die proefst van
Nivele was daer mede, die daer oec als baen-
rots dede ; want hi bilt leen ende lant , daer hi af
baniere bant alse heere ende alse vrie. Daer waren,
sonder alle die, banieren meer nochtan: van
Braessele die amman, ende die daer sijn in sine
«tedc; van Antwerpen die sconthede, ende die
meyer van Thienen : van den ambachte , daer si af
dienen, dede elc ene baniere binden, Heela 4643.
3) EeH vaantje^ dienende ah teeken. \\ Voort, zo
wat liedeghe, bradeghe, of die pensen ende lever-
malen vercoopen dat verzaeit es, die zo moeten
ritten viertiene voeten verre van den vleeschause
ende viertiene voeten van haren stallen, daer zij
pleghen te zittene ende te vercoopene, met eenen
rooien banierklne , ghelijc dat men voor tvleeschuns
doet, up eene boete van tien scellinghen parisis
ende tvleesch verbuert; ende zneghen vleesch met
«nea witten banierkine, diere ghelike up de zelve
boete, ZFL Bijdr. 3, 280 (a. 1379). Van den
ghenen die wjm hebben ghegheven sonder baniere
ende opcne dueren, Invenf, v. Brugge 4, 162 (ald.
189: sant kuys onvers et baniere). — De baniere
wai een uithangteeken , waarop de prijs van de
▼gnen aan de baitenzijde van het hnis moest
worden bekend gemaakt. Zie aid. Gloss. 666*.
— S\MENST. Water ba nier, waarschijnlijk
wae banier met waterverf beschilderd. || Gillise
den wapiinmakere van 7 waterbanieren van stoffen
diere toe ginc ende van makene 42 ffi , Rek. v. Gent
1, 473. Gillise den wapiinsnidere van 4 water-
baaieren, 24 ©, 604. Vgl. tf/rf. 348: „Sevengroete
banieren . . van temper veernwen ende 9 van den
gbeliken banieren van olievenaen.'^
BANIEREBÜRSE , znw. vr. Uit Baniere en
Bune. De èeitrs of Aet fondraal , waarin de banier
Kerd gerold. \\ Van 16 baniereburseu, van eiker
6 gr., comt 16 ®, Rek. v. Gent 1, 486. Item
gegheven R. den buersemakere , van 66 baniere-
bnersen, Invent. v. Brugge 3, 6.
BANIERET , -ette , znw. m. Mlat. bannerettts , fr.
i^nneret (Dnc. 1 , 666); eng. banneret. Baanderheer ^
nider die het recht had eene banier te voeren. \\ Ende
¥oor dander teeckin {van den Prince) , twelck es de
baniere, esmen scnldich homaige ende dienst. Ende
daeromme ontvanwet elc banieret sijn baniere van
sgnder wapene, omme te toghene, dat hy dient
in persone, ende dat hy houden wil syne trouwe
ende waerheit, also dat hy leven ende sterven
wilt met synen Prince, Matth. Anal. 1, 288.
BANIERPAERT, znw. o. Het paard, waarop
ie banierdrager rijdt. \\ Een banierpaert, der stede
btaiere np te voeme, Invent. v. Bnyge 2, 398.
BAN1ER8ADEL, znw. m. Uit Baniere en Sadel.
^^l voor den banierdrager, waarin de banier
ion worden gestoken. || Gillise den wapiinmakere . .
▼wi een baniersadele , 6 ^, 6 s. 8 ^.,Rek. v. Gent
^1 473. Des maerscalx cnecht, die mijn here een
btnierxadel leende. Rek. d. Gr. 3, 168. Twee
Jieren basen an een banierzadel te maken, 368.
^ banierzadel, mids dat der stede banierzadel
Tcrbarrent was, Invent. v. Brugge 2, 398.
BANIERSCACHT (banierscaft), znw. m. Uit
Baniere en Seacht. De schacht of lans, waaraan de
banier was bevestigd. \\ Item Fieter Jansz. van
bannierscaften ... 1 arn. gulden, Bel. v. Leid.
226. Van den banierscachten te beslane. Rek. d.
Gr. 3, 168. Vgl. ald.: Item om den seacht ter
banieren.
BANINGE, znw. vr. Zie Banen. Be ver-
klaring, waarbij iemand de dood eens anders wordt
te laste gelegd, de beschuldiging van moord, de
wapenroep. \\ Ende die rechter sal voirseggen,
ende sy vier sullen naropen aldus : Wapen over B.
den moirdenair, die P. onsen maech ghemoert,
ende van live ter doot ghebrocht heeft, metsinen
moirtwapenen. . . Als die baninghe gedaen is, so
voirs. is , so gheert die taelman vonnes , ende seit :
Of die baninghe gedaen is alst recht is? Matth.
180. Ist dat dair uutlems luden twapenroft begheert
ende ghedaen hebben ende baninge, 181. So die
rechter een overvoecht der weesen is, van tsheren
weghen, dat hy sculdich is die baninghe te be-
dinghen, ald. Of die bailiu wair van huis, ende
binnen dier tijt so geschiede een doodslach, hoe
men doen soude, het wair mitter baninghe ende
mit anderen rechte? 184. Zoo ook bl. 13.
BANG , znw. vr. en m.; bancke, vr. Ohd. banch,
vr. ; mhd. banc, m. en vr. ; nhd. bank, vr.; osaks.
bank, vr.; mnd. bank^ vr. Zie Grimm, D. JVtb. 1,
1106. Bank in verschillende opvattingen.
1) Zitbank, £<?/^/, inzonderheid voor hooge heeren
(doch vgl. Sp. I», 7, 31).Verg./>.M7*. 1,1106.11
Die soudaen sat op ene banc ^besneden van
yvoribene, Parth. 8106. Daer tumae ende spranc
eene dieme vor sconinx banc, Sp. V, 12, 3.
Die heren saten teenre banc , dat volc stont breet
ende lanc, Troyen f. 274 d. Aldaer si saten aen die
banc , wisten sijs Achilles danc , /. 99 £ (Benoit
12492). Die Ëdelhede zit upten banc van Ghiericheden
al crepel , manc, Praet 3120. 55oo ook Troyen 6737. —
Do re die banc, door de bank (hd. durch die
bank), door elkander, gemiddeld. || Dat alle hoere
excysen . . beloopen in gemeynen jaren, deur die
banck, 400 R. gl.. Eng. 149. Dat deur de banck
deen deur tander tvoors. lant gelden zoude 1 nobel
tsjaers, Inform. 266.
2) Zitbank, waarop men bij een drinkgelag zat,
in verschillende zegswijzen. — Te eensbauke
si t ten, bij iemand aan tafel zitten, gast zijn aan
een feestviaal; op die banc sitten, aan een
drinkgelag aanzitten*, aen bancken gaen, naar
het wijn- of bierhuis gaan, kroegloopen. \\ Want die te
sinen banken sit, die nappe sijn sine daer hi ute
drinct, Sp. I*, 26, 44. Ghi kinders, als ghi leert
gaen an bancken, men leert n vloucken ende
zweeren, Denkm. 3, 117, 92. Ie, Menich , plach te
sittene up den banck te biere, te wyne, vry
zonder zoorgheu, ZVl. Bijdr. 6, 316, 22.
3) Rechtbank, schepenbank', de plaats waar recht
werd gesproken en die uit vier banken bestond
Verg. Noordewier, N. RO. 373. || „Maer ie bidde
mier vrauwen nu om consent hier in die .sale,
dat ie mach spreken mier magen tale." Noch
knicte Venus; hi seits haer danc; mettien so tart
hi up de banc, OVl. Lied en Ged. 363, 1132. An
horen raet , in horen banc is ghiericheit ghedreven
off, Hild. 41, 92. So wie die sine bant doet an
scepenen in evelen wille, . . . ende die hem seit
lelychede buten banke , hie es in boeten van X lib.
jeghen den Grave, Cottt. v. Brugge 1, 247, § 18.
Op den rechten dinghedach mit ghespannen recht«
voer die banke , R. v. Utr. 1 , 38. Dat hi ter banke
int gherechte nyet comen en mochte, ald. 39. —
In (die) banc sitten, i»^^ schepenbank zitten. \\
563
DA NI.
BANC.
ri6i
Hoe dal yeman es so coene in banc MÜlen te
gaen, of daer over te staen daermen yeman Bal
ontgheven goet, ere ende leven, Teest. 1125.
Voirt so en sel nyemant, die in die banc sit, tsy
scout, burgermeester of scepen, dobbelen noch
geen van den voirscr. verboden spelen doen. Leid.
Keurb. 236, 45; verg. 98. Scepenen van beeden
banken (schepenen van beide collegiën) , Rek. v. Gent
1, 38; Diericx, Mém. 2, 88. (In Gent waren nl.
twee lichamen welker leden den naam van schepenen
droegen: de eigenlyke schepenbank [schepenen van
der keare] en de raad [schepenen van gedeele] ;
vgl. Warnkönig, Flandr. Oesch. 2', 64). Zoo ook
O. K. V, Delft II, 24. — Aen (op) die banc
Hitten, in gelijken zin. || Doe dit ghedinc
hoerden die man, die besten saten aen die banc,
Troyen /. 142 c, Waer om sydi dan vervaert, als
ghi sit op uwen banc? Hild. 121, 131. Mate sat
an der heren banc ; an horen rade was veel belanc ,
205, 145. — Die banc beroepen, de schepen-
bank oproepen om recht te spreken. \\ Waert dat
sake dat eenige partien buyten quamen in gedinge
in eenige bancken, die haer hoot sculdich sijn te
hebbene voor de scepenen van Antwerpen, ende
deen partye die banck beriepe, dat die scepenen
van der banc, daer dat gedinge in geset ende
gehandelt ware, souden moeten comen binnen den
genechte tot hare beroepe, voer de scepenen vau
Antwerpen, als voer haer hootbancke, ende daer
nemen ende ontfaen alsulke vonnissen als men dan
scepenen daer leeren soude, die daer geroepen
waren, Cout. v. Antw. 1, 86, §11. — Die banc
vollen, de rechtbank of scheepsbank bezetten , d^
zeven schepenen aanwijzen^ die in eene zaak recht
zullen spreken. \\ lek {rechter) vraghe een vonnis
of ie die banck alsoe ghevolt hebbe mit scepenen ,
dat ick recht doen mach. Dingt. v. Delft 56. Soe
wysen die scepenen, dat hy die banck alsoe ghevolt
heeft mit scepenen , dat hy wel recht doen mach , ald.
— Die volle banc, de volledige schepenbank.
II Ende als men scepenen van Desselghem vermaect,
dan zo maect min heere ofte zijn stedehoudere den
eersten scepenen , ende Jan vorseit ofte zijn stede-
houdere den anderen scepenen, ende die twee
scepenen kiesen voert hare vuile banck, Gendsch
Chtb, 121 {a. 1402). Daerom en mogen wy geen
genoot verordelen dan met een volle bancke, Huge
V. Bord. 79 tweemaal.
4) Pijnbank. \\ Is hij van quader fame ende
onredelicken levene, zo zal hij gepurgiert werden
metter banc ende met coorde ende watere, ter
discrecie van scepenen , Wiel. Instr. 75, 32. Scepenen
en zullen niement ter banc leggen . . . , tenzij dat
hemlieden eerst bleken is, tf»2., 162, 601. Kinderen
onder de viertien jaeren en salmen ter banc niet
leggen, 162, 602 (vgl. 604). Eer men yemend
licht ter banc, zo salmen hem eerst de banc togen
ende daerup doen setten al naect ende aldaer
hervragen van dat hij in de caniere gevraecht
heeft geweest, 163, 605.
5) Vleeschbank , bank waarop het vleesch gehouwen
en verkocht werd. \\ Die ordinancie van den vleysch-
houwers, hoe langhe dat si hoir vleysch ter banc
houden sullen. Leid. Keurb. 91, 36. Item euich
vleyshouwer, die ene bancke aeuneempt, die zal
dat jaer uyt ter bancken slaen ghelijc zine
naburen, Stadr, v. Zwolle 173. Ende also . . .
hebbense haer gehouwen, ghelijc men ter bancken
vleesch hout, Exc. Cron. 104*. Die ander man . . .
die conste wel vleysch ter banke slaen, Hild.
37, 85; verg. 124. Handt van der bancke, wel
lieve bloedeken, t vleesch es besteet, hier ghe«rt
mondelynghe, ZVl. Bijdr. 6 , 231 , 149. - Sirwki.
II Sy houwen melcanderen te bancke, i L :^
houwen elkander stuk^ als men vleesch op de tUeid-
bank doet^ zij laten niet* goeds at» elkade,
Spreuken 57. Verg. hd. zur banck kawen^ ^uk
1 , 229, 51 ; D. Wtb. 1109; lat. genimo moricn,
Ërasmi Jdag. 474.
6) Bank, toestel dat gebruikt werd hij in
grootenboog, den ban carm borst o/ btncbofe.
II Item Heinricke den Sagre, hem vierder tb
gesellen, ende 1 cnecht, die waren ten buiken tb
den groten boghen , over haren solaria 20 p.,
Rek. V. Gent 1 , 228.
BANCARMBORST, znw. m. of onz. Uit Ak
in de bet. 6) en Armborst (zie ald.). Bj BI.
Banck-arm-borst, vetut, CatapulU, baüsü
maior, tormentum bellicum in scamno coUöciri
solitum;" hd. bankarmbrust , oiïz. {J). WtbA,\\%
Huyd. twijfelt aan de goede lezing, en wil h^
armborst (Aant op Stoke Dl. 3, hl. 316 tI^^,
doch de vergelijking met het vorige en Tolgew
art. en met het Hd., alsook de schrgfw^ie <««*
armborst verbieden , dit aan te nemen. Werpi
bij belegeringen, waaruit pijlen werden gaek^
Zie het volgende art. || Ende bancarmbor8t...s1«i5
twe hondert ofte mee; de pile vloghen, tlstfie
snee , Stoke IX , 986. Die selve busmeester^
eenen van des princen gesellen met een b»*
armborst dat hi ter eerden viel , £s€. Cro*. 242i.
Die van 't casteel schoten soo over seer met booa,
ende met banckarmborsten , ende met ander cl^
boghen, Goudtsch Cron. 69. — Rek. d. Gr«fA^
437, en 3, 472 leze men dan ook bancsr^m
in plaats van bantarmborst. || It^m meester Mejwe''
den smit te Aemstelredamme van 1500 butint
borst scuts, elc stic 1 d., maect 6 tt 5 sc.;lta
ghecoft jeghens Wouter den smid 25 hkai
bautarmborsten.
BANCBOGE, znw. m. Uit Banc in debetsa
Boge. Ben groote boog op een bank of toestel pepUi^
bij belegeringen in gebruik, waaruit grwU ^
werden geschoten. \\ Somme van den ^^VJt
springale, tenten ende pauwellione, bmcbo^
ende engiene van der stede , 267 ®, 16 s. 9 1
Rek. V. Gent 1, 249. Item Pieteren dcnCaos*
pere van 600 ysere ten voetboghen endelOOjsff
ten antboghen" ende van 100 ende 6 ysem»
bancboghen, 10 ffi, 11 8. 8 d. Item Iv»»
Ghiselbrechts van 100 ende 16 ysercn ten w^
boghen, 462. Meester Arnaude uten Bi««^
costen die hy dede van 4 bancboghen, di«J
voerde van Elkiin tote in theere met 2 waghenw,»
Zoo ook D. B. I Macchab. 6, 51 ; Rek. v. l^-
382; Incent. v. Br. 3, 60.
— Samenst. Bancbogegescot {'VVa
geschut, pijlen voor een bancboge. \\ Spring
ghescot ende bancboghe-yscot, Invent. v.Bragf^f^
BANKEN, zw. ww. onz. Benaming via i**
niet nader bekend spel. || Dits nu altviejw^
den ghemeynen; Qu aken, dossen, bancken, c«^
N. Doet. 1723.— Of moet men banken opntW»
den zin van banketeren (zie ald.)?
BANKET. Zie banketeren.
BANKETEREN (banketteren), zw. vi *
Van Banket, feestmaal (Matth. Anal. 1,261;^
Kluchtsp. 96). Feestgelagen honden, een f^^
diner houden, en in 't dX%. feestvieren.\\v^
reyen ende hoveren, ende metten vronwenfc»
keteren, Brab. Y. VI, 7475. Die edel «^
visiteren ende metten vrouwen banketteren, >*^
565
BANC.
BANL.
566
1919. Daer die somme van siDen cost beliep , over-
mids dat hi banketerde, 24 tJD 12 d,^ Rek. d.
Gr. 3, 433.
BANCGELT, znw. m. Van Banc in de bet.
5) en Geit, Geld voor het pachten der vleeschbank
versehuldiffd. || Item enich vleyshouwer, die ene
bancke aenneemptf die zal dat jaeruytter bancken
slaen ghelijc zine naburen ; weert oec dat hy coep-
vaert voeref zoe zolde hy ziin bancghelt wekelijc
ghelden ghelgc zine naburen zonder arghelist,
Stadr. V. Zwolle 173.
BANCGENOOT, znw. m. Uit Baric in de
bet. 3) en Genoot. Ambtgenoot in de schepenbank^
viedetchepen. \\ So wat scepenen die bi kennessen
van sinen bancghenooten verwonnen wordt van
valschedeUf men salne bannen uten lande van
Ylaendren, bondert jaer ende enen dach up sijn
hooft, Cout. V. Brtigge 1, 309, § 2.
BANCGESELLE, znw. m. Uit Banc in de
bet. 2) en Geeelle. Bij Kil. compotor^ comeseator.
Drinkgezel^ gezel bij een drinkgelag. |) Dit selve
jaer (1484) werden die Vlamingen tAntwerpen
vercocht van de rnyters ende (hunne) bankgesellen.
En de poorters kochtenze om hen te verlossen na
den peys , onuitgeg. Hs. in Gesch. v. Antw. 3 , 290.
BANCCLEET (ook bancleet), znw. onz. Uit
Banc in de bet. 1) en Cleet. Kleed tot bedek-
king der zitbanken, tapijt. Verg. Kil. „Banck-
1 a ec k e n , tapes , opns plumarium , vulgo scamttale",
en mnd. banktaken. \\ Een bancleet 2 d.; 12
overtoghen of cussintiken 2 d., ZVl. Bijdr. 5,
34 {a 1262). Een lisecleet of banccleet II d. ,
47. Item, van banccleedren van 8 ellen lanc
8|jnde , waren sy te curt 1 en ^ groten , Belg. Mus.
4, 61 (tf. 1350). Noch ghebrekenre bancleedere
ende cussene enae hoofclcedere , lavre. d. Mest. 4.
Van 9 sticken banccleedereu ende rigghecleederen ,
daer mede de banken ende de siegen behanghen
ende ghedect zyn, Invent. v. Brugge 5, 340. Vgl.
ald. Gloss. 590 a.
BANCLOCKE, znw. vr. Uit Bannen in de
bet. 1) en Clocke. Klok, waarmede de ingezetenen
bijeen teerden geroepen, om {gewapenderhand) ter
verzamelplants te verschijnen, stormklok. Verg. D.
War. 5, 567. || Waert dat die selve stadtvanden
vijanden worde aenghevochten , oft een borgher by
den vyanden worde ghevanghen ewech gheleyt,
oft eynighe geval diergelijcker noetsaken over-
qname, . . . soe willen wy dat die voerseide
borghemeesteren ende raet die groete banclocke
oft storme vrylyck in alsulken ghevalle moghen
doen layden oft slaen om dat volck voorseit met
honnen wapenen te vergaderen , Gew. v. St. Truyen ,
% 38. Die oude overste ende die twee ny overste . . .
setten Beemt van Everdiugen Borghemeyster to
wesen in Roelofs steden van Nyenvelt, endesetten
Anaem Sallem overste Ouderman tho wesen in
JacopH stede van Amerongen, ende die banclok
waert gclnit op desen selven tyt, ende Beemt ende
Ansem lagen ter clocken als overste, Matth.
Anal. 1, 403. Op sinte Martijns avont wert die
banclock geluyt, ende dat volck maende ter clock
te comeu , als men pleecht, 419. Men dede die
banclocke slaen, het trac al ute, Velth. IV, 14, 57.
BANCSTEDE, znw. vr. —1) Eene plaats ineen
kerkebank ; vgl. BANC 1). || Dat die kercmeysters . . ,
ghene vrouwen bancsteden int nye cruyswerc van
sinte Nyclaes kerke vercopen en zeilen, B. v. Vtr.
1, 220, 91.
2) JBene plaats op de vleeschbank; vgl. BANC 5). ||
Dat die yleyschouwers in pachte hebben zullen dat
vleyschuys . . ., in zulken manieren dat daer 49
bancsteden stadelix bliven zullen ende nyet min,
R, V. ütr. 1, 128, 1. Alse elke bancstede van 49
bancsteden . . om 1^ ouden scilt sjaers, ald. 2.
Voert so zeilen die voerseyde bancsteden erven
ende gaen nader ghewoenten ende haercomen van
horen ghilde, ald. 1.
— Samenst. Gans bancstede, plaats om
geslachte ganzen te verkoopen, R. v. IT^^r. 1, 282, 32.
*BANLICHEIT, znw. vr. || Uut vele arbeits
ende banlicheit des herten hebbe ie u ghescreven
mit vele tranen, Hs. 75, /. 43» (II Cor. 2, 4:
„ex multa tribulatione'^). — Het woord, dat men
hier verwachten zou , is bangicheit (zie ald.) en het
is mogelijk dat daarvoor door eene schrijffout in
den tekst banlicheit staat. Het woord van bane ,
verderf, af te leiden, is even gewaagd als het
in verband te brengen met banlinc en het te verklaren
als ballingschap, ellende. — Vgl. ook bandiCHEIT.
BANLINC, -linge, znw. m. Van Ban in de
bet. 5*). Mnd. banlink. Balling. \\ So wie die
herberghet banlinc binder port, hie es in boeten
van LX lib. jeghen den Grave, Cout. v. Brugge
1, 247. Ende die banlinc es van LX ponden van
wonden, wy no niemene van onsen halven ne
moghene laten ghedoen jeghen ons, hy ne hebbe
teersten sclaghers ghemoede ende daer na donse,
ende voert ghenouch doen der poert van III ponden ;
ende alse die banlinc ghenouch sal hebben ghedaen
eiken van der boeten, so es menne sculdech ute
scepenenbrieve te doene . . . Ende so wie die banlinc
sloughe binnen der ballincscepe in Vlaenderen , hy
ne verbuerdere niet an. . . Ende mochte oec de
claghere ofte maech van sinen halven den vorseiden
banlinc betoghen in Vlaendren met VII scepenen
eer hy ghedaen hadde van sire boete, so sal menne
maken wetteloes, Cout. v. Gent 435. Omme te
hondene eenegheu banlinc ofte man die verbannen
ware, 455.
BANLINCSCAP, -scape, -scepe, of-SCEPE, znw.
vr. Ballingschap. Zie Banlinc. |l Ende hy ne
mach niet quite wesen van den banlincscepe , hy ne
sy ute scepenenbrieve ghedaen, Cout. v. Gent^Si).
Binnen der ballincscepe, ald. (zie boven bij
Banlinc).
BANLUCKE (Banloke), znw. m. Uit Ban in
de bet. 6), en lucke, loke. Van mlat. banleuca
(Duc. 1, 565, 576). Grondgebied, gemeenlijk onge-
veer van een mijl in den omtrek, waarbinnen zich
iemands rechtsmacht uitstrekte, rechtsgebied; fr.
banlieue. Verg. Banmile. || Alse de meyere ooc
ommegaet den banlucke, so heeft hi sine maeltijt
sonder wijn , Gend^ch Chtb. 34 {a. 1230). Vermach . .
de leenhaudere van desen met synen bailliu te
ghaene de balloke ende waeterganghe . . al omme
binnen zynder heerlichede, Diericx, Mém. 2, 591.
Van waterganghe, van banloke, van pontweghe,
enz., Cout. v. Gent 574.
BANMILE , znw. vr. Uit Ban in de bet. 6) en
Mile. Mnd. banmile; verg. mlat. banleiica; fr. ban-
lieue. Mijl van den ban, grondgebied waarbinnen
zich iemands rechtsmacht uitstrekte, rechtsgebied.
Verg. Banlucke. || Dat men op de banmile van
onse stat van Lovene alomme ende omme binnen
onsen gerichte engheen bier brouwen en moghen
hogher dan enen penninc, boven dat men in onse
stat van Lovene brouwt , Brab. Y. Dl. 1 , bl. 734
(tf. 1306).
BANMOLEN, znw. m. Uit Ban 'in de bet. 6)
en Molen. Molen binnen den ban of het rechtsgebied,
waar de onderhoorigen verplicht waren hun koren
567
BANN.
BANN.
568
te doen tnalen. Verg. Noordewicr, Ned. RO. 229.
II Dat die goede layden van onser ToorschreTen
dorpen van Orsmael ende Tan Weaere schuldich zijn
sullen te malen ten banmolen, daer zy te yoeren
gemalen hebben, Brab. Y, Dl. 2 , bl. 652 (a. 1382).
BANNE, BANE, znw. vr. (?) || Van viere
banen, die men besichde ten hase, Invent, v.
Brttgge 1 , 448. Van drie banen , daer men up
basede, 449. Ghegheven P. den delvere van tiene
bannen bi hem ghekocht ende ten zelveu werke
{uitdiepen van eene gracht) gheorbort, 4, 219.
BANNEN {bieny gebannen^ later ook bannede,
gebannet) , st. en zw. ww. bedr. Ohd. bannan ; mhd.
bannen \ nhd. bannen; ags. bannan; ofri. bonna^
banna \ ml at. bannire; fr. bannir; ital. bandire.
Verg. goth. ban-dvo^ teeken, en bandpjan, een
teeken geven. Bannen is alzoo eigenlyk significare ,
dat eveneens den overgang tot de beteekenis te
kennen geven ^ verklaren enz. vertoont.
1) Oproepen, vooral als feodale term. ^a» i^ma»//
eene oproeping zenden, waaraan hij zich niet ont-
trekken kan. Vgl. BAN 1). Vooral van den heerban
(heervaert) gebruikt. || Doe bat die coninc sinen
mannen , dat si die herevaerde souden bannen ende
helpen sinen lachter wreken, MerL 8081.
2) In jur. zin. Op eene plechtige wijze bijeenroepen,
vooral in de uitdr. Die vierscare bannen,
de vierschaar op plechtige wijze openen. Verg. Qendsch
Chtb. 71. II Wanneer die grave of die baeliu vier-
scarre bannet binnen der dinghe tijt, Oorkb. 2,
332 b ia. 1290). „Bailiu, wildi dinghen?" —
„Jaic!" sconteete. „Ie maenne ju heeren, ju
scepeneu, jof so hoghe an den dach gheghaen
is, dat ie vierscame bannen mach, omme eiken
meinsche recht ende wet te doene, die te deser
vierscame commen zal, ende wets ane mi be-
gheren zal ; nu seghet daerof recht , N ! ie maens
u ende huwen ghesellen.'* Scepenen. „Es die
clocke gheluud ?" C. „ Jaes , heere." Scepenen. „ Zo
dinct mi, dat so hoghe an den dach es gheghaen,
dat ghi vierscame bannen moghet, omme eiken
mensche recht ende wet te doene, die te deser
vierscame commen sal ende rechts ende wets ane
hu begheeren sal." Scouteete. „ Hier so banne ie
dese vierscame van mijns heeren weghe van Vlaen-
deren ; dat dese niemene verterde , verroupe , noch
verjnke; dat niemene en spreke, en zy bi rade
ende bi taelmanne, ende dat niemene taelman en
worde, en zy bi oorlove; tslop van der vierscame
ghebiedic te rnmen up die hogheste boete, ende
dit es LX Ü^," Boek met den Knoop, in Taalg.1,
39. Ende die bailliu nam die cricke in zine hand
ende bien vierscare ende maende scepenen, ZVl,
Bijdr. 6 , 200. Dair na bant die rechter vierschair,
van mijns Heren weghe, van der stede weghe ende
van rechts weghen. Ie ghebiede lust ende onlist
verbiede, ende ghebiede dat niemant an deser
vierschair en spreke, enz., Matth. 138. Zoo ook
130 e. e. Nyemen nes sculdich te sprekene in de
vierscare , achter datse ghebannen es, sonder orlof ,
Wetten , Usagen e. Ord. v. Ilasebroiick , Hs. 14^* Eeuw.
Est 80 hoghe upten dach , dat ie van uwen weghe
mach vierscare bannen ende condegen met, eiken
te doene recht ende wet van allen discoorde, van
allen gescillen? OVl. Lied. en Ged. 351, 1075.
— In dezelfden zin gebruikt men dat dinc
bannen of ook meermalen met den 3den nv. d e n
dinge(n) bannen, waarin bannen de bet. heeft
van den ban leggen op , eene ceremonie wijden door
het uitspreken van bepaalde plechtige termen. ||
Bannen den dinghe ende besetten den afteustoel,
Westfr. Dingt. 5. Den dinghen . . . te bannen, da
aftenstoel te besitten ende hem daer te rechten, «U.
7. Oft so goets tyts is an den daghe, dat ick da
dinghen bannen mach, ald. 8. Ick vrtghe n off ick
den dinghen alsoe ghebant hebbe , dat ick den afto*
stoel besitten mach, ald. Soe banne ick den dingk
van tsKeysers weghen van Romen, Tin b|ii
liefs heren weghen van Hollant , van des badüii
weghen van Amsterlant ende van mjns k1&
weghen. Dingt. v. Amst, 7. Onse scout ende tcepa
suUen bannen tgrafgedinge des manedagei, nr.
Mieris 2, 89 * (a. 1310). — Somtgda vindt aa
ban dingen voor dinge bannen, vgl i)nft
V. Amst. 7 noot 2) en 23 (tweemaal). OoVynsaèxi
beide uitdr. af, bv. ald. 23 : || Dan mach se die reckter
terstont ballinc slants legghen sonder iin^if te i»
nen, mer doet bijt up een ander dach, soe moet h|
den ban dinghen. — Gebannen gedinc, ^if
bepaalde dagen gehouden en met de geijkU Jurwik
geopende rechtzit ting , hetzelfde als gebutifi
vierscare. || Dat voertaen een yegel^c die vdt
also wael buten gebannen gedinge als in gediift
sal sine saken . . . mogen doen thoenea eiée
seggen voer scepenen mit enen gesworen taelmi,
Cout. V. Brussel 1, 309. Van elke zake de kytlüMt
ende spreect in gebannen gedinge, ald. 310 {tvieemil.
— Gebannen vierscare, vierschaar die f U^
en inet de geijkte termen geopend is, wettige reekl>
zitting, jwdicium legitimum, \\ Wie so schepene bint
ghebanne vierscharne buter maninghe lachtertict
worden, Oorkb. 1, 312tf (a. 1264). Alse schepw
ghebanre vierscharne enen portre lachter sprekl,
ald. So wie dat de chore brekt an enen schcfot
in gebanre vierschame, ald. Als die gheivoene
ghemaent worden in ghebanre vierscairrentSfSSli
(a. 1290). So wie die ghezwoorae lachtert in gk-
bannender vierscame , ald. So wie twist roert d
ghebannender vierscare , 2, 332^. Of yghelic ueoR
gebanne vierscharen sijns selfs woirden botda
mach , of hy wil , Matth. 103. Hoe een \»]m
sculdich is te comen in des ghenen woirden,^
hy voir recht spreken sal an eenre gebannen Ti^^
schair, 262. Men wijst gheen vonnes danur
bannen vierscharen , 278. Als verwcerers ia ^
banre vierscaren, ZFl. Bijdr. 6, 372 («. 13^^
Alse die rechter sittet daer in sgn gbebtno
vierscare, Wrake III, 437. — In (binnen) g«
banre sprake, terwijl de vierschaar fssftfs^
is, gedurende den tijd dat de vierschaar U nét
zit. Verg. D. War. 1, 97; 2, 161. || Dtir ö
baliu in ghebanre sprake manet die scepeiei^
haren eede, die den ghenen wederseghet, die ^
maninghe wederseghet , hi zal hem beteren üi
pond. . . Die lachtert eenen scepen binnen febo.^
spraecke ende dat den scepene toeget, wordts^
ghene verwonnen met dnen scepenen, bj ^
beteren den coninc vijf pond. . . Daer een «epa
weder lachtert eenen poerter in ghebanre spnb
ende die ghene toechet, wort hi vcrwoniei^
drien scepenen, hy salt beteren hem een pont
Die die chore breket aen eenen scepene in geboi^
sprake sonder des scepens scoat , wort l^s ^
wonnen van drien scepenen , hy zal boetes ^
ghenen tien pond, Oorkb. 1, 246a («. 1248). D»
enen edelen man lachtert in ghebannender sfVi^
wort gheopenbaert van den ghenen, dat hine|^
lachtert heeft, diet dede salt hem beteren Ips'
2 , 339a (fl. 1290). Soe wie vecht voor den Wa»
in gebanre spraecke, hy salt tweeschatte bctd*
den Heere, Mieris 2, 18a («. 1300). LacbtcfK^
scepen eenen poerter in ghebanre ghesprake,!!^
569
BANN.
BANN.
570
(a, 1S15V Soe wie die chore brect aen eenen
geepene oinnen der yierscarne in ghebanre sprake
mlt vechtene buten des scepens scont, vort bija
Tenronnen mit drie scepenen, hy verboert thien
pond jeghens ons , ald.
3) Door eene plechtige verklaring bekrachtigen,
Ygh Oendich Chth. 71 : Major debet flrmare placita ,
qnod vnlgariter dicitnr bennen, Yooral eigendom
toewijzen of ontzeggen, || So ban ie A. uuten voirs.
erve ende ban daerop Pieter , ende leg dairan mijns
heren ban, schouten ban ende der scepenen ban,
dat dat erve nyemant an en spreke, tensy binnen
jaer ende daghe, lantsrechte ende tseependom,
tfatth. 115 en 138. — Bannen wet, d. i. ge-
bannen wet (vgl. (ge)b an n e n tjj t). Hetgeen door eene
plechtige bekrachtiging wet geworden it. \\ Van
hare bannen wet en sal cume clerc ... sijn crune
tonen dorren. Wrake III, 1038.
4) Dagvaarden, Ygl. BAN en VERBANNEN. || De
boete daer Tooren hy ghebannen is, Cottt, v.
Brugge 1, 326.
6) Enen bannen, iemand bannen, verbannen ,
verdrijven y verjagen, || Dore Salvaerde, God geve
hem scande, biendi Flovente uten lande, Flouent
230. Sgn wQf OctaTien pgnde hi dicken te ver-
worgene, hi en wiste twi; eerst bien hise Tan
hem, Sp. Il', 8, 10. Sie dat men die kerkers
onttoHBt, . . eygenne liede,gebanne mede doe weder
comen te haerre stede, II*, 22, 163. Sint dat God
Adame bien ute den erdschen Paradise, Brab, Y,
y, 798. Acharmen, of si mi doch bienen uten
lande ende lieten mi gaen! Limb, I, 1926. Die
daer met hem vielen neder so biense God met
zinen worde, dat z\ niet meer daer comen weder,
Praet 2388. Ommate es in die werelt minne, daer
hoyerde ende nijt woent inne, die God van den
hemele bien, D. War, 4, 48, 118. Vele bien hiere
nten lande, Sp, II', 7, 27. Hetter scare, die God
met Lnciferre bien , Praet 2409. Want soe (Hoverde)
met Gode es so leet , dat hise bien unt zinen rike,
1827. Sine leven niet diet ontspienen, noch hem
daer nte {unt den hemele) bienen , Wap, Rog, 1557.
Ende vele gheloefder ane hem, mar sine dorstens
nit ' lyen om de vreese van den Phariseusen , dat
mense nit ne biene uter syuagoghen , Lev, v. J, c,
193. Grave Jan . . bannede her Jan van Renisse,
ende nam hem siin goeden, Clerc 152. Daer nae
8oe liet hy hem gheselen ende banden uut alle
sgn lant , Oetta Bom, f, 68c. Die sal werden ghe-
bannet, noch tot geenre t{jt vanden ban ontbonden
werden tot dat ny den grave betaelt heeft drie
pont, Hemdv, v, Waterl, %b, Ist dat die bannende
(/. bannede) binnen der poorten coemt, ald. Van
den goeden des ghebannedens , ald, Ghebannet oft
gheresteert , 11a. — Enen bannen op enedinc,
ievuvnd verbannen op straf van de genoemde zaak,
t. vr. soo hn in het land mocht terugkeeren. ||
Ifen salne bannen uten lande van Ylaenderen,
VI jaer oppe galghe es hi man, esse wQf YI jaer
>ppe dien pit levende te delvene, Cout, v, Brugge
l , 229. lYaerde hies bedraghen bi der goeder
rarede, men soudene bannen C jaer uten lande
ran Ylaenderen up sijn hant , 230. Hen salse bannen
ote VI iaeren uten graefscepe van Ylaenderen,
ip alsuilKe bote als scepenen goed sal dincken,
131. Knde oec wasse cort daer naer uut Ghint
^bebannen op den pit, Hexe 50. — Ook van zaken
'*ezegd. II Al decken si {die cleder) tfleesch , noch tan
lelpen si ten messchiene: noet waert dat mense
dene, Wap. Mog. 700. — Bannen (gebannen)
Ü tf de tijd, waarvoor iemand gebannen is. || Wairt
dat h^ binnen sgnen bannen tijt in der stede van
Delf quame, O. K, v. Delft I, 12. Zoe wye . .
binnen z^nre gebannen tp weeder quaeme, . . dat
hy ter stont . . gebannen sal z)jn, K, en O. v.
Delft 58, b,
6) Het deelw. gebannen staat ook in den zin van :
waar de ban , het rechtsgebied zich uitstrekt. Ge-
bannen hof, het terrein, waarover het gebied van
het hof zich uitstrekt. \\ Bandersyde es dat noch.,
binnen uwen gebannen hove . . , dat die ridder
geleide sonde hebben ende elc die wonde toekomen
ter stede ende keren, Merl, 28009.
Aanm. — Mieris 2, 210a: „Dat Lovetuyt alsulke
smerte van Andriese niet ontfenc, al waer dat hi
storve , dat men op Andriese niet bannen en mochte ;^^
leze men banen, d. i. doodschuld op iemand leggen.
Zie BANEN (Ie Art.)
BAKNER, BANNERE. Zie baniere.
BANNICH (bannech), -nige of -iMytf,bnw. Yan
Ban in de bet 5b). Bij Kil. „Bannigh j. ver-
waeten.^* Mnd. bannieh; mhd. bennic. — 1) In den ker-
kdijken ban gedaan, verwaten, vervloekt. \\ Die
summige nabueren die sechden dat sie ketterschen
ende bannige Inden weren, ende dat men sie
hamen solde, D. War, 7, 35. Die weerlicke luden
en achten die susteren niet anders dan bannighe
ketterynnen , ald, Bannige of ferdtlose luyden ofte
ander eerlose luyden, Schwartz. 1, 5734t (vgl.
555: ander eerlose luyden, bande, ferdloese
luyden). Bannighe Inde ende die openbaer te banne
ghecundighet ^n, D. Orde 235. Of oere een den
anderen syn tuych besprake, alse dat de tughe
bannieh waren, dat solden se male den anderen
bewisen myt oren breven. Racer 6, 69; zoo ook
ald. 101. Want Roeleff Stoltebloet in den ban was,
soe mocht heer Johan gheen arffachtich goet mit
eenen bannigen man inwinnen, Etst, v. Dr, 65.
2) Door den wereldlijken rechter verbannen, \\
Waert zake dat ymant banbrieve hadde opten
ghenen , die inden raide sitten . . , dat hQ binnen
eynre maent daer nae come ende geve den raide
dat te kennen, . . op dat die raet die bannige
{hier als znw.) vanden mach ende corrigeren, R,
V, TJtr, 1, 341, 236. Die bannige luyde, 2, 298.
BANNINGE, znw. vr. 1) Van Bannen in de
bet. 5). Uitbanning. \\ Yan alsulker banninge als
ghedaen was op meester Claes Stnuc , Jan Simonsz.
ende Jacob Deysensz., daer slof incomenzyn binnen
onser stede van Dordrecht, Y. d. Wall 216 {a. 1349).
Dat men tusschen dit ende veertien dagen na dat
onse lieve genadige heer voirsz. weder ut sine lande
van Henegouwen gecomen sal wesen binnen den
Hage geen recht aen live noch an goede , correxien,
banninge noch verbande doen en sal van sulken
geschille ende twiste als nu corts geschiet is,
398 {a. 1406). Zoe verre die eerste banninge up
tlyf geweest is, K, en O, v. Delft 58, 6. Dese
voorsz. correctie of banningen (of boeten?), Handv.
V, Alkm, 92a.
2) Boete, Ygl. bannen 4). |) Gebannen te worden
uyt der steede vryheit totdat hy de selve correctie
ende banninge volcommen sal hebben, K, en O,
V, Delft 58, 5.
BANSCELLE, znw. vr. Uit Bannen in de
bet. 2) en Seelle, Schel, waarmede de ingezetenen
b^een werden geroepen, om gewapenderhand ter ver-
zamelplaats te verschijnen. Yerg. Banclocke. |)
Dat nyemant van den borghers . . in deser stadt
oft vryheit der stadt, eenyghe banyer draghen,
oft tot wapenen oft alerm, oft clock oft banscelle
om dat volc te beroeren oft oploep te maken, nyet
571
BANS.
BANT.
572
en presumere te luyden , Gew. v. St. Truyen § 50.
BANSTE , znw. Mlat. baruufum (Duc. 1 , 559).
Wvlaamsch baantt^ ban*ty 6^im (De Bo 69). Oorspr.
germ.: got. bantU schaar; hd. bante'^ Drentsch
baruter (= schaurdeur). Zie verder Weigand 1,
141. Voor den overgang van 't begrip verg. men
ons horden, hor. Ronde korf ^ mand van stroo of
biezen. || Twee grote banste die reepe . . in te
doene, Invent. v. Brugge 1, 101. Van bansten te
botene, aangeh. ald. Gloss. 38. — Vgl. fr. bame
(Littré 1, 293).
BANSTRATE, «nw. vr. Van ban in de bet. 6).
Htraat behoor ende tot een bepaald rechtsgebied ^ welke
naar vaste regelen moet worden onderhouden. \\
Datmen twee werven tsjaers . . scouwen sal (natuur-
lijk te banne scoawen; zie ban) alle banstraten
binnen der steede vrihede van Delft, K. en O. v.
Delft 99, 10 (= O. K. v. Delft I, 30). Van te be-
Hchoawen emmeren, ladderen, banstraeten , braggen,
plaeten, 96 , 1.
BANT, bande ^ «nw. m. Mhd. bant] mnd. bant.
1) Bandy dienende om iets te binden of er stevig-
heid aan te geven. \\ Hi nam den scilt ende den
scacht, . . daer omme ghinc een stalijn bant van
den orde toter bant, Wal. 7242. Die starcke bande van
den scacbte hieuwen si metten swerden ontwee, 7324.
2) Band^ boei. — a) in eig. zin. || Bande van
wormen al te hande ane voete , an arme , bene ende
handen , Velth. VIII , 26, 16. Vgl. ook bantrode. —
^) Fignarlijk. Band-^ boei. || Om te toghene hoe Vries-
lant eerst qnam in den Roomschen bant, Stoke 1, 307.
Leeil een eerlic in hawelike ofte in eenigher ordine
bant, Denkm, 3, 216, 57. Ne waar ten tween keerdi
die seoader ende warp hem lieden sinen loeder, dat
was der passyen bant , die cort was becant , Wap. Rog.
1568. Alle waren wi verloren, mer dat God wilde
testoren in deser vrouwen die viande , die ons hadden
in horen bande, C/tf/«. 153. — Der hellen bant,
de kluisters der hel. \\ Si brengt ons toe een ewige
noot ende een ewige bitter doot , ende der bitterre
hellen bant, X Plagh. 2447. Dat die zielen sullen
weten elc anders bliscap daer, daer si worden in
den hemel claer, ende sullen kennen haer vianden,
die sijn in der hellen bande, Lucid. Q'l'èQ. — Sire
herten bant, waarschijnlijk eene mystische uit-
drukking voor het hart ^ als verbonden met het
voorwerp zijner liefde. Van God wordt gezegd: ||
Al dat oyt maecte sine hant, dat minnet sire
herten bant met beseedeuen sinne, Wap. Mart.
Il, 277. — Sinen bant leggen aen ere
dinc, iets verbindend maken. \\ Doe leidire an
sinen bant, of dat si leveden clerkelike, of dat si
lieten ghemeenlike der kerken goet ende voeren
dane, Sp. IV*, 15, 12 (Vinc. auctoritatis site pro-
tulit sententiam). — Te bande comen, aan den
leiband komen ^ tot onderwerping komen. \\ Vries-
lant was comen te bande; ende hadt weder in sijn
hande , Stoke V , 1059. — Te bande gaen, ver-
bindend zijn, gelden. || Die woerden mosten te
bande gaen, off si most menedich sijn, MLoep II,
2672. — Énen te bande driven, iemand in
ongelegenheid brengen , in het nauw drijven , eigenlijk
in boeien drijven. \\ Ghiericheit dat hof besat, die
dreef vrou Eren daer te bande , datse wij eken most
van hande, Hild. 172, 74. — Die bant es
strac van ere dinc, de spanning van iets is
zeer groot, iets is zeer gespannen, het spant er,
er is gevaar. \\ Nochtan was daer noch die bant
van den wighe alsoe strac, dat die hertoge tot
hem sprac: „Ie bevele di ouser Vrouwen!" want
hine waendene meer scouwen, Ueelu 5756.
4) Verbintenis, overeenkomst. || De van Drecliter-
lant (maecten) in zoendinghe vasten bant jegha
(= met) Grave Florence, Stoke II, 461. Ende
daer waren wie ghemaent . . , of dese sticke U
wetten wesen mochten ende of dese bant vettelic
was ende te wetten wesen mochten. Ende daer
wiseden wie bi wetten ende bi vonnessen, dat dese
sticken wel ende te wetten wesen mochten, ende dit
die bant wettelic was ende wel ende te wetten gh^
daen, Fad. Mus. 2, 364 (a. 1281). Dit es deabud
ende den eed , die de wevers van Bragghe ghedaes
hebben, ZFl. Bijdr. 4, 364 (a. 1380). So dit si
den Romeinen geven hare steden in die hut,
ende sise sonder enegen bant vrilike hildei,
Sp. I*, 39, 34. Die quijt moest scelden . . .
mercgreve Willeme van Gulkerlant die gbelofte
ende die bant, die hem hadde geloeft die heere.
Brab. F. VI, 6106. Zeghel van bande, bindei,
verbanden , sigillum ad contraetu* , Invent. v. Brtfy.
Int. 188. — Bant van huwelike doen mei
enen, eene echtverbintenis met iemand aangs». \\
Die gueue diese ontfinghe ende bant van honvelikt
met hare dade jof in kevesdome metter ware, word
bies bedraghen bi der goder warede , me sondeae
bannen C jaer, Cout. v. Brugge 1 , 228. — Enei
bant binden, eene verbintenis aangaan. || Toeit
bant hie hem voer ons . . gheUken bint te binda
van desen voerseiden sticken vore mincn tere,
den grave van Vlaendren, Fad. Mus. 2, 364
(a. 1281).
5) Ferband, gehoudenheid. \\ Alle dese Toen.
pointe wel te hondene , up den band van lura
hoofde, ZFl. Bijdr. 4, 365 {a. 1380). - Eiei
bant winnen op enen, een verband, eene trr-
p lichting krijgen voor iemand, gehouden zijn toL \\
Also dat . . alle voirwairden die ghesproken $ia
ende men spreken sal ter wilen dat men vaerd \e
doen confirmeren op haren cost, ende dat si ew
bant winnen sullen op hem selven ende op ^
nacomelinghen , wair dat sake dat si emmenueff
yet daden jeghens den grave van Holland, OofÜ.
2, 478fl (a. 1298).
6) Verbond , gemeenschap. || Ridderscap,datbof»
coren , soude met rechte horen ten edelen G^
bande, IF Mart. 678. — Of moet men missfhks
lezen : T e r edelen Gods bande ? als wanneer Bodf
ons Bende is.
7) Daer met de figuurlijke opvatting van M'
veelal het denkbeeld van iets knellends, iets l»-
zwarends vergezeld gaat, vinden wij Bant ooi»
de beteekenis van druk, bezwaar, misschien i»'
zonder invloed van het woord Pant, leed, «tf
mede het lichtelijk, vooral bij dicteeren , kon w
wisseld worden; soms vinden wij in één H^
pant, waar een ander bant heeft. || Aldus sloefk?
die sware bant van den vloeke die Noc ghaf , Ry»^
1315 var. (in den tekst pant). Soe haddi n kier
ghelaten in merre pinen , in mcre bant dan lü l*
te voren vant, Limb. II, 1300. Metten bannnens
swaren bande , den zwaren , drukkenden banthA-
Stoke II , 366. — Ook op de plaats uit den WgfM
onder 3) en in de uitdrukking: Enen te baii'
d r i V e n , is dergelijke verwarring der beide w(K»rd«
niet onmogelijk.
8) Daar een band dient om verschillende lakei
te verbinden , kan bant ook , evenals lat. einatif'
de beteekenis hebben van oorzaak, bij uitbreidöl
schuld, in welken zin het by Vellh. VIII, l.j*
zal bedoeld zijn. || Want ie uut mi selven nie»'
make anders dan int Latijn stoet, hierbimac^*^
wesen vroet elc die recht ende reden kint, diï^*
573
BANT.
BARA.
574
scovt mine es iwint; daerom en tijt mi niet den
bant, want iet dichte also iet vant.
BANTNAGEL, znw. m. Van Bant en Nagel,
By Kil. „Band-naghelf confibuU-y^ bij Plant.
^ekevilU ou clou pour liaison d'un boisy Klink-
na^el^ klinkspijker. \\ Item 1 vierendeel bantnagle,
6 d., Bék, d. Graf, 1, 344.
BANTRODE (bantroede), znw. m. Van Bant
en Borfp, ren, rekel. Bandrekel ^ kettinghond
die het erf bewaakt. \\ Als een bantrode die janct
ende bleect, als hi een soch van der misten jaget,
dat hi ommer wil dat ment hoort, Ned, Proza
177. Oheliken een bantroede die bast ende janct
als hi een verken vander misschen jaghet, Con.
Sou. 65a.
BANWATERINGE , znw. vr. Uit Ban in de
bet 6) en Watering e. Watering binnen zeker rechtt-
fehed gelegen en welker gebruik^ beheer en onder-
huireehtelijk is geregeld. \\ Claes Heynen s. kinder ,
Tu waterganghe , omdat si eene banwateringhe be-
d&mmeden ende visscheden buten den here , 20 $ ,
Bek. d. Graf. 1 , 278. Van den (/. der) banwateringhe ,
die si bedammeden , 279. Jabbout Leyden s . . ende
Jacob Peters s., omdat si enen dam ghesleghen
hebben over die leet buten Holensloot buten den
here, dat eene banwateringhe is, 280.
BANWERC, znw. onz. Uit Bannen in de
bet. 1) en Werc. Hei werky dat door het lichaam
tan iet dorp verricht Tnoet worden ^ waartoe de
itkout de opgezetenen bant of oproept. \\ Illi vero
qnl in praedicta villa ad banwerc constituti sunt,
debent comiti tantum utlandes-banwerc et landwere
et placitum inde ent abbatis, WATnkönig, Fl^ndr.
Geteh. 2», 101 (a. 1110). Dat wi dat over recht
Tinden, dat al vervallen banwerc in Ver Leyden
ambocht des ambochtshcren tordendeel is , Mieris
2, 6U {a. 1.306). Ende tot wat tydeu dese geeneu
die besitt^rs syn , of werden sullen , van de veen
▼oorsz. dese wateringe niet langer bruycken en
willen, soe mogen van den banwerck voorsz.
ontslagen sijn, Handv. v. 1399, bij Meylink ,
Mf. Bijl, bl. 56 (V. Leeuwen, Handv. en Friv.
». Ri^nl. 191). Dat zy banwerck te maicken hebben
omtrent Naerden, dat maicken zy mitten lijve,
sonder eenigen ommeslach daeromme te maicken,
Infom. 233.
BANWIJX, znw. m. Uit Ban in de bet. 6)
en Wipt. Mhd. banwin; mnd. banwin-, mlat. ban-
Fweim, bannum vini] ofr. banvin. Wijn^ welken de
Idtndsheer of eene gemeente of corporatie het recht
küd op zekere tijden van het jaar , met uitsluiting
tm enderen te verkoopen^ of wel, het recht zoo-
iamgen wijn te verkoopen , recht van wijntap. Verg.
V. d. Wall 307, aant. || Voerder en sal die stede
l^heen banwiin meer vercopen noch wechgheven
dan diere nu wechghegheven siin , V. d. Wall 307.
Voert 80 ne selen wi enghenen banwijn binnen der
vriheit van Machelne leggen omme vercoopen,
Brab. Y. Dl. 1 , bl. 698 {a. 1301).
BARAET (barraet, ook in den vormBERAEx),
harate^ ook barade, znw.. onz. Ofr. barat, barate;
proT. barat; it, baratto; mlat. baratum; ook mhd.
pv4t; mnd. bardt. Over de vermoedelijke afleiding
lieDiez, Etym. Wtb. 1,62 op Baratto; Tijdschr.
V. Ned. r. 2, 143 vlgg. ; Burguy 33. Voor de
▼enchillende beteekenissen vgl. Franck op Alex.
bl. 467.
l) Bedrog , bedriegerij, || Alse vele alse hovescheit
bat stact dan loescheit doet ende baraet, Lanc. III,
25713 (in de uitg. doer). Met dusdanen barate
leidde hi Grimbeert bi der scure, Rein, I, 1702
(var. beraet). Alle die meeste hoop, die was daer ,. .
meenden dat was sonder baraet, ende dat hi niet
dan waer en sprac, II, 6200 — 06. Du const dijn
loosheit so brenghen bi, ende dijn baraet so wel
versconen, dattet di noch qualic sal lonen, II,
6412 (var. beraet). Maer dat uten monde gaet dats
dorperheid ende loos baraet , Rijmb. 23695. Dat al
valsch si ende baraet daer die behendeghe met
omgaet, Teest. 160. Dit was een dat vremste
baraet, dat ie horde in menegen tiden, Velth. II ,
30, 48. Nu quamen si vort met desen baraten
ende wroechden genen van ketterien, V, 9, 22.
Hi moet sijn simpel ende goet; . . wel helen,
quite van barate, Limb. V, 2089. Hi can valscheit
ende losie, scoen baraet ende reinardie, Vad.Mus.
1, 91, 23. Up dat hem yement met feilen moede
scalkemie in doeren loede, so mochten si scuwen
sulc baraet, Denkm. 3, 203, 82. Brisanne, die
vol baraets was, Lanc. II, 35574. Dat ghi u
wacht van baraet , Rein. 1 , 483. Die papen connen
veel baraet, I, 1190. Hi hielt al over baraet,
Alex. VI , 1036. Dit hielt al over baraet Alexander,
X, 638. Si wachten hem jeghen baraet, X, 707.
Smeeken ende valsch baraet, Sp. I", 9, 48. Wes
met Absalone sonder baraet, Rijmb. 10445. Ont-
fermecheit en heeft geen baraet, Sp. II*, 18, 39.
Dat logene was ende baraet , Heelu 2212. Na desen
baraten, Velth. V, 31, 78. An gracien syde es
gheen beraet, Wap. Rog. 1011. Ie ontsie des mans
baraet, Esop. XXIV, 6. Valscheit, bedriegh,
honinghe, baraet, Praet 1487, verg. 1924. Een
smeeker sonder baraet, Belg. Mm. 10, 119, 43.
Wair dat minne is sonder baraet. Vrouw. e. M,
III, 23, 3. Zie nog Lanc. II, 44640; III, 16445;
Brand, (ƒ/.) 1895; Rein. I, 2041, 2380; Alex. I,
22; IV, 1264; VII, 652; Sp. IV% 8, ^-.Brab. Y.
III, 834; V, 558; Nat. Bl. VI, 870 var.; Rosé
396; Velth. IV, 13, 45; 45, 78; Bind. 456;
ri. Rijmkr. 2972; Vrouw, e M. I, 803; Belg.
Mus. 1, 120, 20; 5, 203, 541; 8, 451, 107;
Vad. Mus. 1, 386, 81; 399, 68; Mask. 1151.
— Baraet jagen, op bedrog uit zijn. \\ Hiesso
quaet: Al dat hi jaget dats baraet, Lanc. Il,
39333. Dat hi wel sach an mijn gelaet, dat ie en
jagede en geen baraet, Bose 3337. Dattie keyser
nu geen quaet en jaget, noch geen baraet, Velth.
V, 32, 47. — Baraet driven, bedrog pUgen.\\
Heynric die derde, ... en wilde niet dat enich
baraet gedreven worde onder heme, Velth. I, 35,
29. — Dor baraet, uit bedrog^ om te bedriegen. \\
Isengnjn, dat verstaet, hiet ie oom, dor baraet,
Rein. I, 1479. Die tonen dat si noit en waren,
dor baraet, dus moeten si varen, Esop. XLIII,
23. — Bi barate, door bedrog^ op een bedrieg-
lijke .^ listige wijze. || Nochtan quam hi bi barate
dane, dattene God verwate, Rein, I, 353. Dat
hi bi barate brochte Cuwaerde in sine haghedochte ,
3092. Mi hevet een quaet wicht . . int strec ghe-
leet bi barate, 3407. — Van barate, ter om-
schrijving bij een znw. in de plaats van eenbnw.,
in den zin van bedrieglijk^ verraderlijk. \\ Alst
Alexander hadde verstaen, voerde hi dat her al
een ander strate, ende liet die stede van barate,
Alex. IV, 1658 (Lat.: Suspectum de fraude
locum). Maer Vroescap die met vaellewe ridet,
daer malicie in verblidet, dat es een sadel van
barate, Praet 1244. — Met beraet fberade)
met eene kwade bedoeling. \\ Niet dat aie loghe-
naer waer coenre met berade (Var. verrade)
in der reden beghin, Rein, IJ, 4185. Loghen te
spreken met berade, 4247. — Sonder baraet.
575
BARA.
BARA.
576
zonder bedrog^ in waarheid.^ ttellig ^ als bloote be-
vestigingsformule. || Dats een woort dat, sonder
baraet, recht jegbens die Jaeden gaet, Rijmb.
16433. (God beetet) den man een quaet gebuer,
die met so vele clederen gaet, dat die belecht,
sonder baraet, sonde te dragene werden enen esel
sner, Rincl. 1217. £lc, alse men ter redenen gaet,
dinct mi wesen , sonder beraet , thout sonder
stenrelicbede , Dtsp. 614. God groete u, scone
matelieve, dat sidi, vrouwe, sonder beraet, FerA.
2de KL lust. 6>, 66. — Dat nes (dans) geen
baraet, in denzelfden zin. || HoUant, alst hier
voren staet, wart hertoghe, dans geen baraet,
Sp. IV>, 6, 19; Srab. ¥. III, 650. In die vierde,
dans gheen baraet, stonden onicle, berille ende
crisout, Rijmb. 4938. — Bij persoonsverbeelding.
IIMeyster Baraet van Lozane(mede met zinspeling
op loos) die draget bonte cleider ane, om dat
hi ridder seinen sonde, D. War. 7, 377, 23.
2) Bedrieglijkheid. || Dat hi recht late varen al
die werelt ende al haer baraet, Theopk. 948. "Wie
hare {der wereld) beraet noyt en ontsach, Fad.
Mits. 3, 250, 456. Soe wat dese werelt bedrijft
ende aldaer si mede ommegaet, dat es ydelheit
ende beraet. Doei. III, 1448.
3) Bedrieglijke schijn^ bedrieglijke wijze van
sich voor te doen of van doen, bij uitbreiding,
wijze van zich voor te doen , toijze van doen , manier
in *t algemeen. || Dit es dijn spel ende dijn baraet,
du nemes dat goede ende lates tqnaet, Parth,
2504. Die ogen hangende nederwerd, ende oet-
moedich, . . ., na der tortelduven beraet, Velth.
VII, 20, 14. Al springende lopen, bande te
gader slaen, knielen, nederbnghen ende aldus-
danich baraet in menigher wijs, Buusb. VI, 257.
(Sur. „id genus multimodos exhibent gestus^^). —
Enen een scoon baraet toghen, iemand een
tchoonen schijn toonen, d. i. zich mooi aan hem
voordoen. || Si toendem een scoen baraet, buten
scone ende binnen quaet , £sop. LXII , 9. Want
wye ter schalkernye dienen, die toghen menich
schoen beraet, daer die goede hem op verlaet ende
blijft bedroghen alte mael, Hild. 169, 496.
4) Bedrieglijk spel, goocheUpel. \\ Alset {d-at
serpent) horet al omtrent vedelen , blasen , toveren ,
baraet (want ment met selkeu spelen vaet), so
werpet dene ore nederwaert , ^/«-jr. I, 534. — Hieruit
ontwikkelde zich de algemeen beteekenis van
Spel, jok, scherts, gekheid, spot, vermaak. \\ Gi
sult hier horen scone die j eesten , . . . van ridder-
scape groete daet , van selsieneheden menich beraet ,
Lanc. II , 14. Ende soere teersten haer baraet ende
haer spot mede houden soude. Part. S517. Die
du vele seiden: „Gi maect u beraet, sint dat hi
met u es comen, es ons die macht van hem be-
nomen, Yst. BI. 1784, d. i. gij spot, gij scherttt,
gij houdt ons voor den gek. — Baraet dr i ven,
vermauk scheppen, pleizier maken, pret maken. \\
Wanttie werlt wert seer verbljjt, als dat nu we
jaer instaet: van vroechden drijftmen groet beraet,
Hild. 207, 6. Groot baraet met wiven driven laet
zelden yemant wel becliven, Praet 1124. Want alst
met mi ter noot wert gaet, so drijfdi met mi uwe
baraet , Hadew. 1 , 299 , 7. — Daar spel en jok
gemeenlijk met drukte en rumoer gepaard gaan,
ontwikkelde zich hieruit weder de beteekenis:
5) Leven, beweging , drukte, rumoer, gercMS, in
zwakkere en sterkere opvatting. H Gi maect mi te
groet baraet; alsic ben te minen labure, . . . dan
gadi baleren ende springhen, iSox^ 7996 (var £^a^^).
pen weert driven si te sceme, si maken herde
groet beraet, Vad. Mus. 1, 84, 90. Onderde
cleene makic ghemeene ooc sulc barraet, dat g
met feesten ghelijc den meesten driven gheltet,
Praet 3290. Met groter haest voren si dane vu
midnacht toter dagheraet Doe mochtmen hora
dat baraet entie waghen horen keiren, Alex. TH.
312. Acesis vallet in Ganges, dat een grote
riviere es; si maken harde groet baraet, dier haer
stroem te gader gaet, IX, 56. Die vemert te
duvele beraet. Nat. BI. XII, 380. — Ook m d«
beweging, die iemand op H lijf heeft, poUer^,
overmoedige taal en gedrag. Aan Macedone, £e
Ferguut honend voor j,driten*one" uitmaakt, ail-
woordt deze: II Ie hope te stilne n baraet, eer ^
heden van mi gaet , Ferg. 4699. — Mede toegepsë
op het uiterlijk, de uiterlijke verschoning, iséa
zin van pracht, praal. Verg. de mnd. b^eekois.
In de uitdrukking: || Baraet driven, prêct
en praal ten toon spreiden, vertooninff makem. ü
In wane niet, dat in enech rike noit enech seoes«
riddere bleef, noch die min baraets dreef, Ferg.^i.
6) Ongelegenheid, , verlegenheid. Verg. de ia Wt
ofr. gewone beteekenis van bar at, barate,d!0ir-
dre, confimon, embarras. \\ Ende hy seid : ^ Meiid
beraet heb ie leden by dijnre doecht. Noit eBW
ie 80 onthoecht , mijn hert en troesten hem op ir.
Troyen f. 258 d. Ende volget geselscap die es quft
daer hi met coemt in menich beraet, Rne 43^
(var. beraet). — Uit de beteekenis verlegtnkeii^ tr-
warring, ontwikkelde zich de sterkere opvatta^
van schroom, vrees, in de uitdrukking: soBdti
baraet, zonder vrees, wakker, dapper^ of wri.
zonder vrees , zonder bang te zijn , onSesekroo^ II
Ende hi sine naecte lede hem offere , sonder bants.
die naect an de cruce staet. Frame. 3466. ^Saèt
ontboet hem over waer, dat si quamen soaèff
baraet, hi woude betren sine mesdaet, TsL K
1892. Daer ghi meneghen ridder fier hebt gtas.
sonder baraet, Limb. I, 1088. Die heren wam
sonder baraet ende ghingen striden craehteÜb.
VIII, 614. Het seinen liede sonder baraet, T,
1266; verg. 1272: Twaren het sgn riddren vrmtL
BARAETHEIT , znw. vr. Van Baraet. Beértegr^.
II Als ie nie en peinsde om qoaetheit tu ven s^c.
no om baraetheit, Lxmb. I, 2055.
BARBACANE (barbecane, barbicaen, ki
begane), znw. vr. Mlat. barbaeane; ofr. berk
cane ; nfr. barbacane ; mhd. barbigan. VoorrnKtr *'
buitenwerk van eene vesting of een koMteel, hti
in een kanteel of borstwering met ingekorven tei^
gaten , of in een versterkt bruggenhoofd beetaamêr. I
Doe hi de poorte hevet vernomen , daer Rei»e^
ute plach te gane, doe ghinc hi voor die har^
cane sitten over sinen staert , Rein. 1 , 520. Die «
binnen waren ten muren ende trocken Torehaer^
bekane, Ferg. 3908. Dat wi met staden tre^
achter binnen onsen barbakanen, ParUk. 6539 (ii«
uitg. barbakaren). Vor elke port(8tont) medessts
gane ene valbrngge ende ene barbekane , Rote t^
Die Griecken wonden (/. wonnen) an haren dav of
uytterste lytsen sonder wanc, sy drevenae fcfs^
den berbecane, Troyen QSSi:. Item an barlHcaó.&
poorten dicht te maken , 2 daghe g'heg. 4^ <-
Bel. V. Leid. 222. Een scone kercgen mit tooütf
ende mit barbecanen van goude, Mandew. 73i &
nog Zri. Bijdr. 4, 30; Lorr., Nieutee fr, «,1*^
— In lateren vorm ook Barbecaensel. tl^
dese Franssoyzen aen de barbecaensoelen g-heaff"
ende gheclommen waren, die van binnen sbbai*
de corden in sticken , ende de boemen e^ ^
balken, die an de barbecaensscelen metl€i ^^
577
BARB.
BARD.
578
seiden corden hingheiif die rolden needer in de
yesten, Oron. v. Flaend, 1, 214.
BABBABIEN (baRBARIjn), zbw. dl Ofr. bar-
iarm. Barbaar, heiden , eyenals payen de gewone
benaming voor ongelooeifie, inzonderheid Sarra-
eeen, \\ Noch eprac die bose barbaryn, Boel. II,
8. Deer na wart Juliaa geware, dat hem eene
grote Bcare volx yergaderden barbariene, ^. I*,
3 f 1. Hi was in Treemden lande onder der wreeder
barbarien hande, lY*, 61, 41. Want in dlant ge-
Tallen so was menech barbarien. Oesent wert hi
daer in dien te werene der barbariene scaren,II*,
23, 62. Alse die baerberiene dit sagen, syn si
den keyser ontweken, III*, 21, 24. Die barbaiiene
ontTloen hem daer, al4, 22, 7^ Die wilde bar-
barien, III \ 6, 62.
fiAEBARIEN, bnw. Barbaareeh, heideneeh. Zie
het vorige art. || £nde menech heiden barbarien,
^, lY*, 6, 105. Yan enen coninc barbarien, II*,
34, 6.
BARBEEL (baerbel), znw. m. Ofr. barbel,
iarbeil; nfr. barbeau, Baardvieeh, Tolg^ns Littré
^1 , 296) de eyprinue barbue L. Bü de beschrgTing Tan
den Multu in Nat. BI. Y , 791 Tlgg. leest men : || Die
Tan riTieren es ghebaert, barbele heetmenne ten
Walsche waert, Y, 797. — De barbelen ende die
grondelinghen , Livre d. Meit. 9.
BARBER (baerbkr), znw. m. Hetzelfde als
barbarien (zie ald.\ Barbaar, heiden. \\ Besnidinghe
noch onbeisnidingne , baerber noch Scita, cnecht
no Tri, He. r. 1348, 1694.
BARBIER, znw. Tr. Ofr. barbih-e; mhd.
barbier, barbier e. Een gedeelte der wapenrtitting ,
een metalen bedekker van baard en kin. Deze schQnt
na eens aan den helm beTestigd, dan weder aan
het harnas Torbonden te z^n geweebt. || Om een
hüTe ende ene barbier mede te betalen . . 20 scilden,
Oorl. V. Albr. 12. Om een barbier, daer mijns
heren maelgehamasch mede ghemeert wart, 1 du-
kaet, Bek. d. Qr. 3, 119. Een elle wit laken,
mijns heren barbier mede te Toederen, 346.
2oo ook bl. 118, 140 en 867. Ziin plate, ziin
lyf^ser, ziin huve, ziin barbier, ziin helm, ziin
beenhamasch, enz., R. v. Vtr. 1, 179, 1. Eengoet
pansier , een huufde mit eenen barbier off een yser-
hoet, enz. Oudete K. v. Delft 36, 29.
BARBIER, znw. m. Fr. barbier. Bar bier, chirurgijn.
(I Dat die barbiers dat bloet, dat zy nntten Inden
laten , nyet en zullen ghieten in die haTen off in
die graften, O. B, v. Bordr. 1, 342, 3; e. e. —
Het mul. woord was baertmakere, z. ald.
RARCH en de samenstellingen. Zie Berch.
BARDAEX (baerdaex, berdax), znw. Tr.
Yan Marde en Jex. Bij Kil. Bard-ackse, Tet.
bipennie. Tweesnijdende bijl. || Item so wye te
Techten qnaeme mit staTen, mit glaTien, mit
piecken, mit swairden, mit Torken , mit bardaezen,
Oork. bij Van Oosten de Bmyn, Betchr. v. Haarlem 1 ,
164. Baerdaexen naden coste, Tolregl.(MHZwin,\Tk
ZVl. Bijdr. 6 , 40. Soo wie draecht weyde messen, . .
berdaxen , bylen met langhe stelen , dollen , . . die
verbeuren jeghens onse Heeriyckheyt X fi| swerte,
tfieria 4, 1060 («. 1434). CoWen, baerdaecsen,
bilen, yseren hamers noch dyer gelike wapen,
K. 9. Ériellê 21, 2. So wie mit eenre bairdaeze
»f mit eenre kayse ten Techtelic qname, O. W.
p. Anut. 10, 6. Zoo ook O. JT. v. Enkh. 26, 128.
BABDE (baerde), znw. Tr. Ohd. barta;
mhd. beer te; nhd. batte; mnd. barde; bQ KiL
bard e, vet. dolakra^ aecia, ^^muif. Yandaar ons
i^/ldéaeird. Breede bijly timmer bijl, inzonderheid
strijdbijl. || Ende sach Lamfroit comen geslegen,
die up sinen hals bcpohte gedregen een scarpeaex, ene
baerde, Bein. I, 699 (Tgl. Tijdsekr. 1, 11). Enen
roefde hy Tan den lyTe, hiet Pieramon, die hem
oec weerde herde seer mit eenre baerde, Troyen
192a (in *t Us. baerge). Dier Grieken scade ooc
es so groet, si riepen om aezen ende baerden, .
ende si ginghen aoUfante houwen in hare been,
JleT. IX, 432 (zie T.enLtb. 4, 123). Die Grieken
tebraken met groten ghere , beide met haken ende
met barden, dien starken mure entien harden,
971 (zie T, en Ltb. 4, 126). Een beckeneel met
j. barde . . j. d., ZVl. Bijdr. 6, 64. Der Jan Tan
Zwalmen, de pape, die Toer . . te Br. an de com-
paingie Tan der baerden. Bek. v. Oent 1, 421.
BARDE (ook in den Torm baerdqie), znw.
TT. Mlat. barda (Duc. 1, 692 op Bar da, 1); ofir.
barde (Roquef. 1, 134; Terg. Diez, Etym. fTtb. 1,
63); by Kil. Barde Tan lieerden, phalerae. De
bgTorm baerdgie schijnt op een firanschen Torm
barge of een mlat. bardia te w^zen, die in dien
zin niet bestaat; of ontstaan te zQn door Ter-
warring met baerdse, schip. Harnas, dut de borst
en zijden der paarden bedekte, paardenhamas. \\
Huer peerden hadden baerdgien Tan wapenen seer
costelic , ende daer OTer een Terdeck Tan sQde , Versl.
en Ber. 4, 60. Elc peert hadde een baerdgie ende een
Terdeck daer OTere, halfghelu, half sangwgn,a/<^.
BARDE Tan myrrhe, vetus Flandr.,fhafi\tvlnB
myrrhae (Kil.). Ygl. BORDE.
BARDEKIJN (baerdekijn), znw. o. Yerklw.
Tan barde (Ie Art). Txeren punt (?). || Men sal
sloenen (?) OTor die bardekine ene ganspipe ende
dan doet hute dat iser, Jan Yp. 86. Die bardekine
souden int Tleesch sniden ende dat sonde den
gewonden sere letten, ald, (Ygl. de figuur ald.).
BARDEMAKER. Zie Baertmakere.
BARDEREN (baerdeeren, barbieren), zw.
WW. bedr. Ofr. barder; Terg. mlat. berdatus (Duc.
1, 693 op Bardatus); by Kil. Barderen,
phalerare, phaleris omare. Yan paarden. Ze met
een barde voorzien, met een harnas borst en zijden
bedekken. || III« perden gebardeert int ToUe har-
nasch, met gouden ende silToren laken bekleet,
Eae. Oron. 2HSd. Daer waren ghebardeerde peerden,
284a. II» ghebaerdeerde peerden, ende III» lichte
peerden, 2S7d. Met II« ghebardeerde peerden,
2886. Alle die ghebardeerde peerden dede hi ont-
bieden dat si comen souden in sinen legere , 2903.
Faygien XXY ghecleedt in gheel fluweel , sittende
op genetten gebaerdeert met gouden laken , 3096.
— Schertsend ook Tan menschen, in den zin Tan
toetakelen. || Al waer sy beteert, so hebbicseTersiert;
maer dat wijf was heel Treemt gemaniert,daerom
hebbicse so rustich ghebardiert, hubs en fijn,
Ned. Kluchtsp. 66, 146.
BARDERKEN. Zie Bert.
BARDESCHE (bardessche , bartessche, ber-
tesscue), znw. m. (?). Kil. 82: bordessche,
borddecks, Flandr.j. Ioots. Zie ook De Bo 169 op
Bordeseh (pordessche, pardassche). OTer de aflei-
ding zie bij bartege, dat wel hetzelfde woord
sal zijn. Het is ons bordes, doch niet in de bet.
Tan eene stoep met treden, of portaal op een trap,
maar in den zin Tan — 1) Luifel (Kil. hove).
(I De bardeschen die ghemaect es an thouchuus,
Invent. v. Brugge 3, 33.
2) Tochtgat, watergat, duiker. \\ De ghaten te doen
stoppene onder de bardesschen up de TOSte , 3 , 23.
De bertesschen omtrent de stede, 3, 43. Gewrocht ter
g^poorte, ter smedepoorte . . an de bartesschen, ald.
19
579
BAËD.
ËARE.
580
BARDHOÜWER. Zie Berthouwer.
BARE, beer. Zie Baer (1ste art.).
BAR£| vnjze van doen. Zie Baer (2de art.).
BARE, znw. vr. Van het bnw. baer^ bloot:
Terg. ohd. pari in houbetpdri^ kaalheid (calviiium
bij Graff 3, 152); mhd. bar, bloote plek. In de
byzondere toepassing van de weeke, tandelooze
ruimte in den bek van een paard, het tandelooze
deel waarop het gebit rust; de gebitlagen, fr. let
barree (Littré 1, 301, op Barre, 15o); tng.bars.
Zie verder De Jager, Arch. 4, 201 vlgg. || Ets
gheseit over vele jare : soe hogher hals , soe weeker
bare. Lep, III, 12, 103.
BARE, tnw. vr. Mhd. bdre\ mnd. bare, bare.
Baar, draagbaar, inzonderheid /i;^^aar. || Doe dede
hi met groter eren setten die Arke ons Heren in
Sancta Sanctomm np enen dach, datter niemen
niet af sach dan dat ende van der baren, daer
soe np was gheset, Rijmb. 11723. Daer moeste hi
snlker sak en pleghen, dat menne droech np ene
bare, 19280. (Ui) hevet versien ende vernomen
ene bare daer staen verdect, met pellen ende met
samite wel berect, Lanc. II, 5559. Want hi doet
legt op die bare, Bose 11592. Ende doen men
de messe sanc voer hare, stont op de lichame
in de bare, Ckriet. 199. Si daden bringhen beide
die like ende settense op die bare, Limb. 1, 400.
Zoo ook Alex. IV, 45 ; enz. — In hsLien, op de baar,
met weglating van het lidw. , als bij in bed enz.
Verg. Taal- en Ltb. 4, 180 vlgg. || Daer vant hi enen
doden in baren, Lane. III, 25313. — In (ter)
bare(n) staen, op de baar, boven aarde staan.
Verg. de uitdrukking in graven staen bij
Matth. , Jnal. 3,339. || Als nu hertoghe Eduwaert
stont ter bare, Brab. Y. VI, 6877. Hi sach sijn
lief ken staen in bare, ghedect met enen baren-
cleet. Hor. Belg. 2, 64, 24. — In(der)baren
leggen, op de baar leggen , op een praalbed of
katafalk leggen. \\ Met rouwe wert hi in corter
tyt te Saintpoel ghevnert, . . . daer hi gheleit wort in
der baren, Brab. Y. VII, 5446. Ghi sijt valu
ende bleec; mi dunct, dat hi u gheleec, die
man die men gisteren leide in baren, Boerd-en
IV, 31. Die sijne vriende waren, sij lachtenen
in baren, Serv. II, 2351. — In baren liggen,
op de baar liggen. WDoch. quamen wi tere capellen ,
daer wi twee doede ghesellen vonden liggende in
baren, Limb. I, 2607; zoo ook 426. Ende liet stille
als een molensteen: si pleghens die liggen in
baren, Boerd. IV, 80. Met recht sal ons tlijf
ontgaen, als wy u ligghen sien in baren, Troyen
f. 138<?. — Overdrachtelijk, in den zin van ge-
sneuveld, verslagen zijn. \\ Dat deed datter menich
boech, die nemmermeer op en stont twaren; des
nachts lachter menich in baren, Troyen f. 54a.
LXIII baenraetsen bleven doet binnen der plaetsen ,
ende XIc ridders lagen in baren, Velth. IV ,
34, 3. Doe haer viande lagen in baren, IV,
16, 60. — Menige dode bare maken, eigeu-
Igk, menige doodsbaar maken, d. i. menigeen naar
de andere wereld helpen, verslaan. \\ Ende velletse
bi tween, bi drien, des keysers lieden harentare;
hi maecte menige dode bare, Lelt. N. B. 7',
147, 125. Sy maecten vele doder baren, dair si
bilden in de bataelgie, Orimb. II, 4060.
Samenst. — Barencleet, mhd. bdrekleit-,
baarkleed, lijkkleed, OFl. Lied. 157; Hor. Belg.
2, 64, 25. — Vgl. ook baercleet.
BARE, JHut. 2, 204: capsula, bare i. easse.
Doos , kis0'e. — Van beren , dragen.
BARE, IHut. 2, 228: bare t. inwater, procella.
sform , hoogwater. Hetzelfde woord als ons baar^ golf?
BARE, znw. vr. Fr. barre-, mlat barra (Dk.
1, 603). Slagboom, verschansing. || Haddi, hert,
geweest van dien, die geme acbterwcrder tiei,
men hadde u heden in onsen baren belopen coimei
noch bevaren, Cass. 1199. — Spelen (lopea)
ter baren, een wedloop tegen elkander htmde*.
Verg. Kil. „Baeren, baeren-spel, Gymmes,
ludus gymnicus, exercitium gymnastieum,palaestrê,
eertamen ettrrendi. De baere jaeghen, enrtuai
metas eontendere, eursu eertare.^'' Fr. jouer ai
barree ( Littré 1 , 300 : „Les barras, jeu de cotne
qni est divisé en deux camps, dans lequel les
jouenrs de chaque camp s^engagent suceessivemat
k la poursnite les uns des autres , et qui est aia^
nommé parceque les deux camps sont marqués par
une barre fictive ou tracée sur la sable/*). Viadaar
nog het spreekw. „jo^^^ ^^^ barres, ut
chercher sans pouvoir se rencontrer'*. t| Dea
taende den andren daren, gelgc datmen speeli
ter baren. Die van beneden reden opwaoti,
dan quamen dander metter vaerd, ende liepei
neder den berch saen , ende hebbense aldus weds-
staen, Velth. III, 35,51.Tesseralmet vreuchda,
groot ende cleyn, tscijnt datse ter baeren loGpes
om prys, Belg. Mus. 6, 55.
Aanm. — Wiel. Instr. 139, 439 komt een spd
voor, dat genoemd wordt de bare schietei.
II „Scaecspelen, caetsen, bolle werpen, de ba»
scieten of diergelike . . spelen van eeren ende Tsa
recreatien." — Is dat schijf schieten , vogeUeüeta
(naar een paal schieten), of wordt er een ander ^
mede bedoeld?
BARËELKIJN, -kine, znw. onz. Yerkleiav
van bareel, fr. baril-, mlat. barile (Dnc. 1, 5S(l
Vaatje. || Een corf of bareelkijn prumen, IVl
Bijdr. 5, 40.
BAREM. Zie Barm.
* BAREN, Parth. 6531. Verkeerde lexing wt
banen. Zie op BANE 2de Art.
BAREN (beren) , zw. ww. onz. , bedr. en wedoi
Mhd. bdren ; mnd. baren; ofri. baria; nfri. kere (Haik
223).
I. Onzijdig.
1) Zich vertoonen , te voorschijn komen , perseiifneïï
a) Met een persoon als subject. || Als Maria Uc^
in desen sere . . so baerde hare een scoae mn-
L. o. H. 4685. Aldus en wouden alle die hars
jeghen enen here niet keren ten stride , noch bira
opt velt, Brab. Y. V, 2425. Ach lasen! nu ^
men luttel baren die wapen dragen der Griinberek<
heren, Orimb. II, 6145.
b) Met eene zaak als subject. || Binnen diea^
si in die tale waren , sagen si daer ene hant bart&
Lanc. III , 5965. Men siet haer teken luttel baro.
of haer wapene imant dragen, Grimi, II, 6151
Ene claerheit begonde baren , X. o. H. 4765. Yfak
eer hemele of aerde waren, of yet datm^ dsff
in siet baren, so was God, Lsp. 1,1, 11. Das»
sullen . . . thant teekene des oordels bai^n , IT, ?<
41. Want die scachte meest esschen waren, aoeitf^
men daer meest esbchen baren , Brab. Y, II , 2641
Want merct , wanneer dat fcfute baert van iwine, etett
neer het gebrek aan wijn sich openbaart^ aan den dei
komt, nie sluut (men?) den keinare, OVl. IjietLe^Gd
445, 141. In elke sach hi hovesla^ bas^,
Lanc. III , 14805. Dat selve licht dat nachU baciv
Ltp. I, 10, 79. Miracule groot, dat daer hÊ&if
door den sant, Amand I, 1818. Haer overtvll^
58i
BARE.
BARE.
582
bloet , dat telker maent baren moet , Vrouto. Heitn.
95. Dat ie justicie sal doen baren, Slüc. v. M,
293. Zie ook Sp. Il*, 49, 39; Lutff. II, 1197;
Naf, BI. III , 2351 ; Hadew. 1 , 37 , 5 ; «t«r. — Ook
van de zon en yan den dag: te voorschijn komen ^
opkomen , aanbreien. \\ Des ander dages , eer began
baren die sonne, was Walewein opgestaen, Lanc.
II, 39668. Tote dat die XL dage baren dattie
camp genomen was, III, 16928. Smargens, doe
ontspranc die dach , ende menne scone baren sacb,
Lorr. II, 593. Ende het wert scone dach, ende
teerst dat menne baren sach, s^n die kimpen op-
gestaen, II, 3578. Daer waert dat hi den dach
sach baren, Wal. 383. Doen de dach die nuwe
ridder baren sach, Limb. II, 131. Daer msten si
tote het was dach, ende men scone baren sach,
Lorr. 1 , 375. — Ook met verzwijging van het ondw.
de doff, hei daglicht. || Sdages, als moeste baren,
Sp. II*, 89, 51 (Vinc. Luce vero orta). — Van
een oorlog of strijd: dch openbaren, losbreken. ||
Aldus dorloge baerde tnsscen hertoge Godevaerde
ende van Grimbergen den heere, Brab. Y. VI,
2581. Die gene die ridders gemaect waren, eer
die str^t began baren, verdienden daer haer
ridderscap wel, Velth. III, 20, 1. — Van goed
of kwaaa: te voorschijn komen , voortkomen. || Een
here die de waerheit mint, . . daer moet emmer
dogct ute baren, rad. Mus. 2], 187, 321. Watgoet
es prijst s^ns selves waerde, endiB ooc nut qaaet noit
goet en baerde, OFL Lied. en Ged. 280, 1383.
2) Zich toonen, zich houden, zich gedragen, of
wel , den schijn aannemen. || Die ridder anders niet
en berde, dan oft hi doot hadde ghewesen. Wal.
8624. Als aerme doerpers an hem coemen om yot
te baten ende te vroemen, daer baren si of si
sliepen dan. Nat. BI. IV, 195 (var. gebaren). Is
dat den wech ten hemelrgc , soe moghen wijt ramen
al gheiyc, wat wy doen of hoe wy baren, Hild.
252, 116. Si baert recht ofs haer niet en rocht,
Hild. 183, 8; verg. 184, 71. Nu so baren wi
alleens of wi meynden . ., dat God doot ende
ghestorven is , Oesta Bom. f. 176f. Ende alle dat
volck int gemeen beerden of hem seer lief had
geweest, Hatth. Anal. 1, 499. Dit is dat baren
der geenre die den here ontsien, Hs. Fs. 27v.
3) Zich aanstellen, te keer gaan. || Mettien sagic twee
edele vroa^en staende omtrent den bome baren , Vod.
Mu*. 1 , 304 , 9 (in den tekst : bomebaren). Als die
ridder over syn beste hilt dat si alle slapen waren, be-
g'onste hi ysentlike te baren. Vrouw. e. M, VTII,
184. Ander honden schoten hem an, ende vraechden
zeer wat hem daerde, dat hi soe yammerlike
baerde, Hild. 40, 44. Een sot moet sotteliken
baren, 66, 30, 1. Tweder dochte him qualiken
tieren om te vorderen hoer ghevaerde, soe dat hi
toomlick daer om baerde, MLoep IV, 1394. —
Baren op enen, tegen iemand te keer gaan,
aangaan. \\ Nu begonsten si op hem te beme
fellgc ende oec te sceme, L. o. E. 2885. Ende
dat Tolc beerde anxtel^jc op hem ende riepen ver-
rader, n*. Letterk. No. 11636,/. 120*.
II. Bedrijvend.
1) Toonen, vertoonen. || God hi mach u wel
gesterken, die boven ons allen hevet macht , woudi
bier baren sine cracht, Xa^ic. 11,45046. Die hovesc
ende natnurlic waren, die moesten te bant haer
minne baren, Flor. 1002. Onse Here heeft teser
atont . . die gherechtechede syn ghebaert vore
syns Tolx anscgn, Lsp. II, 36,1886. Clergiesoude
1
met rechte bloot hare wjsheit baren , waer si ware,
III, 14, 260. Ende baerde mede den heiegen geest
daer ter stede. Franc. 986. Oec waent men, dat
hi twonder baerde, dat Rome hadde ende be waer de,
Sp. I*, 26, 47. Quintijn quam tAmiens, daer hi
baerde sijn gepens, II*, 48, 18. Die hemelsche
God ... sal siuen ewighen Sone baren ghe-
warech God ende fljn. Wrake 1, 1720. (Gi) moet
bederven ende mesvaren , of ghine sult ander ghe-
loove baren, Amand II, 701. Omt gheloeve te
baerne hier ende daer, Lsp. II, 40, 66 var. (tekst:
openbaren). Want sine dorren hare daet niet baren,
Èose 8995. Alsoe als onse lieve here . . dat bi
sijnre goedertierenheyt aen ons ghebeert heeft,
V. d. Wall 326 (a. 1382).
2) Te voorschijn brengen, voor den dag brengen,
aan den dag leggen, uiten. \\ Met corten redenen
ende met waren suldi alle u redene baren, Lsp.
III, 4, 163. So scone redenen si mi baerden, . .
dat süijnt dat si mi minnen iet, J2iwf /. 1362. Entie
banen gemaect waren, daer si haer spel souden
baren , Velth. III , 41 , 5. Hoverde , die nu (/. mi)
heves onwert dies nu (/. di) cons (/. const) ochte
fierheit (/. sierheit) baert. Bind. 903 (Vgl. Taalk.
Bijdr. 1 , 259). Mine gracie ende mjjn geval willic
baren over al, L. o. È. 1658. Envie ende Jalouzie
begonsten baren haren nijt, OVl. Lied. e. Ged.
305, 2118. Mynne beerden hem haer treken,
Trogen f. 149<:. Bi wat naturen die wijngart in
dien herfste sine rijpheit baert, Alex, III, 291.
God sine cracht an hem baerde, Bdjmb. 19275.
Daer men u ; wonder of mach baren, Lsp. II,
Begin, 30. Sine milthede, die hi emmer wilde
baren, III, 23, 72. Van allen sticken die siselen
baren, Velth. II, 18, 86. Hebdi doghet, ghi
moetse baren, Limb. VII, 752. Dattu deught souts
moeten baren, Praet 2306. Ay God . . baert u
cracht , Segh. 10626. Wat miraculen dat heeft ghe-
baert, Saer. 970. Zie nog ^. II*, 27 , 36 ;/;*??. II,
7, 14; Lutg. II, 1784; enz.
3) Aantoonen, bekend maken, openbaren. || Kan
Johan vors. enen schuldighen vynden, de mach
he bynnen 21 daghe vorbaren daema dat hem
ghebart is, Warfsconstit. 10.
III. Wederkeerio.
1) Zich vertoonen. \\ Teerst dat ie mi dorste
baren, spranc ie up, ende liep ten hole, Bein. I,
2402. Hi wilde te hemele varen ende tsinen wille
hem weder baren, Sp. II», 12, 76. Daer af selen
comen drie gherden, die selen hem baren even
groet, V. d. Route 235. Doe baerde hem te bant
na dit een scone kint met cledren wit, Lsp. II,
9, 25. Opten derden dach, twaren, sullen hem
die vissche baren, IV, 9, 15. Die werelt steet
dan in eenre gloet, . . in vieres hitten si haer
baert, X Flagh. 2422. Jhesus onse here van paradijs
baerde hem saen in menegher wijs sinen apostolen,
sinen vrienden, L. o. H. 4740. Entie aventuren
die hem nu baren, Lanc. III, 6366. Daer baerde
hare die Drievoudichede , Sp. I', 5, 43. Dine
toeverie baert hare nu, II*, 37, 104. Dus baerde
haer daer ons Heren cracht, II*, 51, 136. Doe . .
baerde hem Sinte Pieter dan Marcellise, Lsp. II,
44 , 557. Dat Jhesus hem Marien baerde , X. o. H.
4734. Die gracie Gods haer altoes baert, Wap.Bog.
1836. Als hem Antkerst sal baren, Wrake 11,332.
Zoo ook Stoke V, 219.
2) Zich toonen. || Wy . . waeren genegen om
eVB g^c^ middel . . tusschen him ind die vurscr.
her® van Egmonde te vinden , wair toe onse vurscr.
083
BARE.
6ARE.
m
neve him wail genegen baerde, Nfjh. 4, 443
(tf. 1471).
3) ZicA houden f zich gedragen. || Ay proveetsCf
waer sidi nu gevaren , die u dicke soe wel const
baren ? Lanc, IV , 9402. — Ook in den «in van zich
te werk stellen^ zich toeren (vgl. Lipp. 85). || Ene
baghine sagic haer baren ende op hare enen bogaert ,
Boerden V, 13.
BAREN, znw. onz. en m. Ohd. barn onz. ;
mhd. barn ; onz. en m.; osaks. barn onz.; ags. beam
onz. en beom m.\ eng. bam^bairn\ofr\,bem\ViÏT\.
barn, bern (Halbertsma 180, 228). JiTm^ , eigeniyk
dracht Verg. Moederbaren.
1) Kind. II Daer vragede hi ter selver ure,
wanen snlke kinder qnamen . .; doe vragedi , ofte
selke baren heidgn oite kerstyn waren, Sp. III",
51, 16 — 22. Pape wert na Eleasaren Finees, sijn
ontste baren, II', 3, 28. Broeder, alstu den armen
zies, men leigt di voren ten (tekst den) spegel
Jhesos dat zoete baren ende sire moeder, die
arem waren , Franc, 4245 (^Acta SS. : speculum tibi
proponitur Domini et panperis matris eius). —
Spreekw. So edelre baren, so meerre
o m o e t , hoe eSler gebroed^ hoe meer ootmoed, zooala
wij bet zonden kunnen overbrengen. || Die edele
sperware broet in de haghe ; die dorpere , die lettel
dooch , hi broet optie bome boogh ; maer elc mensche
wese des vroet: so edelre baren, so meerre omoet ,
Nat. BI. III, 2802.
2) Held', verg. degen, dat oorspronkelijk ook
kind beteekende: zie ald. || Het waren alte felle
baren, Roelant ende Olyvier, Wittek. v. S. 186.
Niet vorder ne wilde hie, Guweloen die felle baren ,
metten scepe te watre varen, Huge v. Bord. IV,
1, 1. Doe die van der stad comen waren ten
campe met menegben baren, Limb. III, 259. Die
hertogbe van Oesterike, een vrome baren, Vl.
Rijmkr. 6702. Hertoge Jan , die edel baren , Brab. Y,
IV , 274 var. Huge die vrome baren , Huge v. Bord.
IV, 2, 44. Die edel baren, Fragm. Car. 223.
BAREN , zw. WW. bedr. Mhd. bdren. Van Bare ,
lykbaar. Op de baar leggen. Vooral gebruikt in
het deelw. gebaert. || Doen hy sicb ghe-
baert vant, soe hoeff hy op ayne hant, Serv. II,
2375. Jeghen tvervulen es dat voorseide lichame
ghebaert, Brab, Y. VII, 17729. Die paeus mitten
keyseren hebben dat Uchaem eerliken ghebaert ende
ghebrocht int midden der stat van Romen, Gesta
Bom. c. 15. Men sal een bare draghen in dat hnys
dair die dode leit, ende dair sal men den doden
baren, Matth. 177. Dat lichaem . . . was gebairt,
178. Die vier achtersusterskinder sullen gaen staen,
elcs an een hoeck van der baren, dair die dode
op ghebairt staet, 180. Al wair niement van des
dodes maghen, die recht begheerde, sosoudemen
nochtant den doden baren ende bringhen opt kerchof,
181. Den doden, die ghebaent ende ghebairt staet, 13.
BARENCLEET. Zie bare , 4de Art.
BARENSTEEL, znw. onz. Verbastering van
mnl. palesteel: zie ald. en verg. Taal- en Ltb. 4,
195 vlg, In de wapenkunde. Barensteel, tomooi-
kraag, verkorte dwartttreep. Zie Rietstap 135. || Hy
droech van goude daer in geset een am van keel, . .
een barensteel van lasuer, Belg. Mut. 5, 110, 59
(Gelre, Wapenb. 9). Die vijfste wapende hem van
goude, een leen van keel . . ., van silver een
barensteel, ald. 65 (Gelre, Wapenb. 10.). Diderick
Hertoch in Aquitanien . . die voerde in sijn wapen
twapen van Vrancryck mitter overste broeck ge-
broecken mit drie barenstelen van keel, Matth. Anal.
1 , 605. Dese Heer Simon van Teylingen die voerde
oock syn oude» wapen . ., mer om een ondenccTt
te hebben tusachen syn broeder Heer Diderick
van Brederoede , soe voerde hy daer op drie birei-
stelen van sulver, 615.
* BARENTEREN. Verkeerde lezing toot her-
teren (z. a.).
BARENTEREN (soms ooksARTEREN), iw.wv.
bedr. en wederk. Ofr. deshar ater, desbaretn\
prov. desbaratar; it sbarattare, met wegrtlliig
van het voorv. des-. Verg. spijt voor des^jt, a
TEBARENTEREN, waarin het rom. voorv. rf«i- door
het germ -^^ is vervangen. Bg Kil. ,Barenterei,
vetus Fland. perterrere.**
1) Bedr. — 1) Verslaan, overwinnen. \\ Alk
hadde hy ghescoffeert, dootghewoiit,ghebtrenteeit,
Trogen ƒ. 174 a.
2) Verslaan, verschrikken, verbijsteren. \\ Eide
ffheraecten wel met sinne aen sineu hals benedci
den kinne, dat hi welna ghevallen was, ende vtert
80 sere ghebarenteert das ^ dat hi siere ghesdki
gheerde, Parth. 4564. Hi lach lange ende mweenle
int water, dattem zeere barteerde, Rosé (C) 1391
(var. tebarenteerde). Can Jhesus dus barèntera?
onse Beghinen sgn ontweghet, Runsbr. 5, 4.
— Inzonderheid in het verl. deelw. barenteert,
verslagen, verschrikt. \\ Maer ie seggu dat ii oit-
finghen meneghen slach eer si ontghingheo: <be
soudaen was ghebarteert sere, Parth. 4606. Al«
Jan van Sephinione las, alte barenteert dat hi vu,
Sp. III», 62, 51. Van al den here wasser gheo,
hine wonde wel ter selver wilen hebben ghesp
over dusent milen: . . . so sere barenteert «r«
si van desen, Stoke VIII, 796.
II) Wederk. — Hem baren teren;ook—T»
ere dinc,of met den 2den nv., zich over iet» bnrtd
maken , er verslagen door worden , zich er over k
kommeren, || Si barteerden hem alle ende wondenki
hem, te gader sprekende: „siet, ue sijn niet d«*
alle Galyleeus''? Hs. v. 1348, 149 «. Hestor,*»
stout ende coene was, ne barenteerde hem »*
das, Lanc. II, 2729. Hi sprac: „ Barenteert iwt
van dien", IV, 3223. Waer bi ghene cirurgienlKa
sonde barteren van gheenen wonden , het ne «R
datti saghe quade teekinen in de siecke , Jan Tp. <^
BARGIE. Zie Baerdse.
BARGIJN (BAROiN, bergin) , bnw. Mhd. fcry*
Van Barch, by Kü. „Bergh, bargh, «*;«^'
poreus exsectus vel castratus"; ohd. bare, bh
barch ; nhd. barg ; ags. bearg ; eng. barrow ; fri. *«^
(Halbertsma 149). Van een varken afkomst^l
Die vaersel wille maken , die neme barghin vleesa
mager ende vet , Keukenb. 1 , 8. Nemt btfgfcfl
vleesch magher ghesoden, 10, 3. Doeter in fik»?
ende barghün smout te paase, 11, 4. Zied^eia
witten barghyn smoute, ald, 5. Jegen tfledersc^
nem bergin smout ende bargin spec, endebnrfit
eenen panne , Hs, sang. door Clarisse , Heim. bL i^
Neemt bergenspec, Lan/r. 152 r.
BARILLIER (barilier), inw. m. Vu t
baril, mlat. ^««7* (Duc. 1, 595). Ho/beambtt,^
last met het toezicht en beheer der wijnvaten , tdie^
meester; mlat. barillarius, ofr. barillier.\\^^^
lier behoort te gane ende te comene , omne »
gaen halen anderen wijn omme tachter? olges ff
dat nood es , Matth. Anal, 1 , 270. De Pr»»
heeft twe bariliers ende behoren deselve btril^
te leverne dwatre den somellier voor de moid^
den Prince , ende te hebbene toeaien ran den bov^
diemen draegt in de sale omme den grooten c«(t,^
BARINCHOÜT (berrinchout) , hetzelfde n
berninchout (z. ald.). Van berren, d. i. hemen. B^
585
BA.RI.
BARM.
586
^ut, II Yan dat sy barinchont ghebaawen hadden
ap den barem van der Leye, Invent, u. Britgge
4, 159. BarynAhout, tzy blocken, faceelen, rysen
noch reyhout, 6, 346.
BABISEEL, znw. onz.Ofr. bariêel; miat. öarisellm.
(Dnc. 1, 596) Vaatfe^ Jkruik, JtescA, ook lederen wijn'
zak. II Soe biddic n dat ghi mi haalt dit bariseel vol
Tan sconen watere , Vad. Mut. 1, 54, 128. Om alrande
barizelen, vlesschen ende fystejm voir minen
here toter Vriescher reysen, Oorl. v. Mbr, 174.
Alse men slaet opten lichame, so Indet alse een
barizeel, dat van ledre ware ende dat half vol
wints ware, Ha. Yp. 33tf. Zie nog SegA. 4170,
6841 (Ytür.JlesseAen), 8812, 10829, 10895, 10928,
10966, 10969; Vod. Mits, 1, 53, 128; 54, 134,
137, 162; 55, 175, 180, 192; 56, 215; verg.
VS. 149: Maer emmer bleef droghe die fiessche
binnen.
BARRE (BAERKE , BERKE , BERc) , znw. vr. : verkl.
B a rk y n : lie ald. Mhd. harke ; mlat. havca (boe. 1 ,
59 1\ ÏAckt vaartuig^ sloep, \\ Si en vonden scep
noch barke , Hoel. 1 , 424. Doe hiet sente Brandaen
eene barke wel ghedaen nten kiele trecken, daer
in spronghen die recken, Brand. ((7) 719. Doe
vielen si in eene baerke. Brand. 239. Die met
cogghen ende met berken al die zee overdecken
dede, daer hi Enropen dwanc mede, J^jt. 7,716.
(Daer) gaf die barke enen crac ende spleet te
middewaert ontwee, Segh. 11226. Doequamsterkelüc
die vloei in die berke, dat si cloef, 11232. Ende
bevacht daer seer vreeslgcken die Schotsche berck
een groot schip ende veel ander roofschepen , Exc.
Cran. 273c. Als (n) . . stonden in der salen ,
hebben si gesien eenen (/. eene?) bercke comende
uter zee gheseylt met grooten stroom. Doe seyde
die schone vronwe: Die bercke comt unt Affriken,
ffitge V. Bord. 42.
Aanm. — Wat barken bet. Bek. d. Gr. S, 121:
„Yan barken te velen stonden ende van alrehande
cleenen dinghen," is niet dnidelijk.
BABCHOF, znw. onz.? Naam vaneen schip ? || Ende
▼oirt gevoirt sQn in dat barchof in den hove in den
Hage 6 groete wiele, dairscermofgemaektsonden
worden, Bel. v. Leid. 847.
BARKIJN, 'kine, znw. onz.; verkl. van barke
(z. ald.). Scheepje^ seheepvormig bakje voor zaad %n
vogelkooien, Yerg. mlat. barcella otnavieula^ wierook-
vat (Duc. 1, 591). II Dat elpenbenen barkijn in
der giolen, daer ghi in selt doen borne ende
terwe, Ned. Proza 326.
BABOOEN (bercoen), znw. m. Bondhout
HiMSchien is bareoen ^ met de gewone wisseling
▼an / en r, ontstaan nft Baleone^ groote balk,
van balea met het angmentatieve -one. \\ Die brnfi^ge
by Costverloren weder gemaect, die gebroken
-«ras, . » van plancken, van tanthont endebarcoen,
yserwerc ende loon, 29 f%. 6 s., Bel, v. Leid,
425. Yan Jacob Flor. z. 4 barcoen om 11 bot,
221. Item om berkoen dol of te maken 12 se,
€}orL V, Jlbr, 330. Die staken sullen weesen die
tvree van een barkoen, O. K. v. Delft 1, 31;
K, en O, V, Delft 108, 34 (alwaar het woord in
de noot wordt verklaard, als van berk afgeleid).
Van 2 bercoen 11 oromst.. Bek, d. Buurk. 79.
BARLEBAEN (barlabaen, barlibaen), znw.
m. Benaming van den duivel, waarvan de oor-
sprong onbekend is. In Gelderland komt de duivel
in de 16de eeuw voor onder den naam van Barlebos ,
in Zeeland onder dien van Bamebon (Scheltema,
^eksenproc, 124). In het oudeng. is barlibak de
iiaam van een boozen geest (by Massinger 1|80)
en barlibreak of last couple in heil de naam van
een spel , waarvan men de beschrQ ving zie bij
Nares, Gloss. 43. Zie verder Grimm , D. .%M. 955 ;
Y. d. Bergh, Ned. Myth, 11 en vgl. ons ^if/^daifc. ||
Walewein volghede al onversaghet. Al hadt ghe-
wesen Barlabaen hine hads acuter niet ghegaen,
hine hadden ghevolgt toter helle , Wal, 9740. Doe
sach hi blakende alse een vier den ridder, het
sceen een viant. Hine hadde niet wits dan den
tant, het was al swert dat hi hadde ane: wel
geleec hi Baerlebane, Terg, 1750 (in \YLi^,baerbe-
lane). Ie wane u leerde Barlebaen eens jaers te
ridene te sinen spele, 2372. Bi sente Danele, dit
nes geen pert, hets Barlebaen, 3762. Doe riepse
tot haer Kukenouwe, ende si ghinghen bi haer
staen. Elc was lelie als Barlebaen, &m. 11,5170.
Een dorper, een vilain lach daer geborgen in dat
plain , . . . geheten so was hi Dangier. Dese barle-
baen hoedde den rosier, Bose 2883 — 88. Onverre
was hi sonder waen, soe ontmoeti comen ghereden
enen ridder met overmoedicheden dravende gheliic
enen barlibaen , Limb. lY, 956. Ende worpene int
vier van Barlebane, Sp. III«, 17 , 84 (Hs. Ai»r*«»»tf).
BARM (baerm, baren), znw. m.; mnd. barm^
hd. barjne^ eng. barni^ doch in eene andere bet. Zie
verder E. Muller 1, 53. Berm^ toalrand^ eene ophooging
van aarde langs het water. Zie De Bo 80; Kil.:
baerm, barm, agger. |j Ende dat daerof de
stede wateringhe ghelden zal metten anderen lande,
in de stede ligghende ende in de vesten ende in
de baermen gedolven, ZVl, Bijdr. 4, 69 (zoo ook
67). Mids dat men de veste aldaer verdiepen zoude
ende den baerm hooghen, Invent, v. Brugge 5,
310. Te makene eene nieuwe bardessche ter veste
up den barm beghinnende ter 8peypoorte,a/ef. Yan
der Leye . . . metten baermc ende houvere (oevere)
also groet als ons behouft, aangeh. ald. Gloss.
588^. Up den barem van der Leye in de prochie
van Beernen, aangeh, ald, Yan dat zy barinchout
ghehouwen hadden up den barem van der Leye,
Invent. v. Br, 4, 159. — Ook in den zin van
voetpad f trekpad langs eene vaart. || Den barm of
tragel (nog in *t WYl.: De Bo 1176) van de
Oostendsche vaert, aangeh, Gloss. ald.
BARMELIJC, bnw. Yan barmen^ dat mul. niet
schijnt voor te komen, behalve in de samenst
erbarmen ^ verbarmen] doch wel mhd. 4<ir»i«» , waar-
naast barmare, barmde, barmee^ barmeeheit. Mhd.
barmeclich, liehe; mnd. barmelik^ barmlieh. Be^
klagenswaardig^ het medelijden opwekkende. \\ Een
dinc. . . , dat wel wat barmelicken schijnt te wesen,
Bern. S. 97 c.
BARN. Zie born.
BARNEOAMERE. Zie bernecahere.
BARNEN. Zie bernen.
BARNENTLIJC. Zie bernentluc.
BARNINGE. Zie berninoe.
BARNINCHOÜT. Zie berninchoüt.
BAROEN, znw. m.; ofr. baron ^ baroun; mlat.
baro\ mhd. barün. In 't algemeen, man, leen-
man, edelman, rijksgroote, ridder. Yeelal als alge-
meene benaming gebruikt, zoowel voor den vorst
als voor zjne mannen, voor wereldljke zoowel
als geestel^ke heeren. || Dieconincdoe nietlangher
nc spaerde, hine riep sine baroene te rade, Rein.
I, 1326. Die coninc dreef die hoghe baroene te
vonnesse van Reinaerts sake, 1876. Reinaert,
ghi syt mijn hoofs man, van nii beleent als een
edel baroen, 11,7564. Noch pleghets manich groet
baroen, die die roevers wille verdoen, om tlantte
ygjne van vrMeUjselve roevethinochtan weesen,
587
BARR.
BA.RT.
588
Nat, BI. II, 2329. Darias die nam in der steden
Daniele, ende voerdene in Meden, ende maectene
sinen baroenen genoot, Rijmb. 16797. Daer hi ende
die andere heilege baroene die doot smaecten
omme Gode, Sp. II*, 1, 128. Daer toe quam
menich baroen yan leeken ende yan papen beide,
Heela 726. Her winter, ghi sout van honger
steryen, en daet die somer die hoghe baroen,
fTint. e. S. 206. Neemt raet daer of mit u
baroen. Rein. II, 3697. Hi streec door alle die
baroene, II, 4280. Heme volchden alle die baroene,
Ferff. 63. Die hem yerslouch so meneghen crachteghen
baroen, ffal. 8086. Dalida . . riep te hare die ba-
roene, iSt/^n^. 8182 {Ilist. Schol, satrapas). Vondemen
prencen ende baroene. Overzee 215. Aen minen
yader den hoghen baroen, Esm. 687. De dode
baroen, Wittek. v, S. 132. Tweede meeste baroene,
Bloeml. 3, 29, 7. Ghi baroene, die recht bevolen
is te doene, Hild. 95, 77. Ridderen, knapen ende
baroen, 140, 124. Zie nog Rijmb. 8163, 18045,
19403, 29116, 30966, 33812; Sp. l\ 19, 3; 14;
22, 24; 29, 27; 32, 6; Hild. 120, 76; 185,230;
200, 38; Segh, 9312; Diericx, Mém. 2, 84; enz.
— Ook van de volgelingen yan Jezus gezegd. ||
Hoe gaerne ende mynnentlic dat sy mit hem ginghen,
sine barone ende geselle ende jongers, Hs. 80,
f. lOld. — Gods baroen, Gods dientt knecht ^
zijn man^ leenman ^ volgens Middeleen wsche r^c^/«-
begrippen. \\ Dese brochte Gods baroene int lant van
promissioene , IX Best. 258. Ie wil doen als dyn
cnape ende dyn baroen, Boetps. 25, 51 (Vuig.
Ps. 143 , 12 : qnoniam ego servns tuus sum). — Ook
in H algemeen voor man^ vriend^ bij het aan-
spreken van een persoon. || Ie core tgelt, wel lieve
baroen, Vod. Mus. 2, 169, 120.
BARRINC. Zie Berrinc.
BARSBEENS. Zie Baersreens.
BARSE, znw. "iv. Baars. \\ Grondel inghe, barsen , . .
bleckine ende snouckine. Jan Yp. 89.
BARSE. Zie Baerdse.
BARSERBEEN. Zie Baerserbeen.
BARST, znw. vr. Wissel vorm van Borst. \\
Wantet maect de quade barst, Nat. BI. X, 239
var. Dit es der barst nntte ende goet, 397 var.
Het es goet jeghen die barst, 699 var.
BARST, znw. o (?). || Desgelijckx scepe die met
appelen comen, die snllen de scont senden een
barst {var, bacht) appelen of peren , O. R. v. Dordr,
1, 206, 3. — Vgl. BACHT.
BARSTE. Zie Berste.
BARSTEN, BORSTEN (barst ^ borsten^ geborsten)^
st. WW. onz. Mnd. bersten , barsten , borsten. Barsten.
Il So vreselijc sijn si te samen met helmen comen
ende lichamen, dat die orssen, dair si op saten,
borsten, ende vielen op der straten onder die
heren beide steendoot, Grimb. Il, 2760. Die stave
scorden entie (/. ende) borsten , daer si de Prinsen
mede ontorsten , van den pinnen toter bant , Yelth.
IV, 30, 15. Die scalke vos Reynaert, die mit
clappen toecht sijn aert, die wil al segghendathi
sict , hi sonde borsten , dede hijs niet, MLoep 1 , 1841.
BARSTINGE, znw. vr. Zie Barsten. Barst.,
scheur^ spleet. \\ Als si {die cole) ghelescht is,
tredmender dan mit bloeten voeten op , si doet den
mensch wee ende maect een barstinghe , Barth. 380d.
BART (?) II Dat gheen scepscheercr en gheoor-
looft eenige lakenen te mantelne, noch omme te
keeme noch mantel bart te besighene , noch stoffe-
ringhe van stekebarden noch van vellen, ZFL
Bijdr. 6, 164.
BART (bert), znw. vr. Eene zeevisch, de
sciaena of sciadeus, misschien de salwio %im//w
L., fr. bar. \\ Omme salm, bart, cabelian, Inrenl.
V. Brugge 4, 434. Van barte ende zehasen, 1,114
(2, 126: yan berte ende zehasen).
BART. Zie bert.
BARTEGE , znw. vr. Met metathesis der r tu
ofr. bretesehe , bertesehe ; nfr. bretècke ; nUt hreU-
ehia, bertescha; verg. Diez, Efym. Wth. op Ber-
te s ca. Eigeniyk, een houten^ vut iamteelen voor-
ziene sterkte^ welke tot bevestiging eener plaats weri
aangelegd^ doch ook, inzonderheid in Noord-Frukr|k,
de plaats van vaar de overheid hare gerechtelijke sf-
kondigingen deed, stoep, pui: zie vooral Ihc.1,
663, 769 ^ en (?, en Gachet 71. Hetzelfde woord
als bardesche (z. ald.), en ons bordes? ||
Ende in ghelijken, soo moesten zijt wederroopeie
van woorde te woorde, ter barteghe nat, (Ueil
menich mensche hoorde, die daer omme comma
waren. Vonnis van 1414, bij Cannaert 372, Aal,
BARTEREN (baerteren, barenteren), ïw.
WW. bedr. en onz. Mlat. baratare (Duo. 1,582,1,;
it barattare\ eng. bart^r (E. Muller 1, 55 b^ücr-
rator). Zie over den vermoedelijken oorsprong Dia,
Etym. Wtb. i. y. Baratto.
Bedr. —Ruilen, tegen iets intoitêelen. \\ Ie wisselt
ende baerterde mijn pasteide ende verterde «■
die ander, die soe wale roec, VaeL Mus. 1,47, Si
Al en ware gheen geit binnen den lande, üt
werelt ware wel ghestelt; men soude baerterea
om alderhande , coren om vleesch , al sonder scande,
eten om drincken met ghewelt, 2, 169, 121 £.
Thoocht np , laet zien , wat ghy yermangbeleii vih
te deser feeste. Vr, Dier over dier, beeste om
heeste, ghelijck over ghelijck, tsg levende of doot,
sallic barteren, tsy cleen of groot, ZVl. Bijdr. i,
230, 107 (in den tekst verkeerdelijk basiem).
Omme dat men in Vlaenderen niet vele gelts o
hadde, daeromme ordeneerde hy de comanseliepc
te stane op permutatie , dats in barteren ofl wissen
dat een dinc om een andere , Cron. r. FUend, 1 , H-
— Een enkele maal vindt men verkeerdelijk Urr»-
teren voor barteren. \\ Een monech oec tm iff
Does qnam op een merie gereden ; . . . enen cupf
daer hise gaf, ende barenteerde (/. barteerde)»
een staf, Yelth. IV, 33, 53. (De monnik nüldeifi
paard tegen een staf). Die 19 mesen bockinx ▼orda
ghebarenteert (/ ghebarteert) an 6 grawe lika,
Rek. d. Gr. 2, 107.
Onz. Ruilen, een ruil doen. \\ O. Besiet, waemer
wilt ghy barteren. E. Welc coopmanscepe ! i- 1'
zonde liever tarderen mijn meersse te yermtagketo
over andre waere, ZFl. Bijdr. 6, 231, 142.
BARTERERE (bartereer), znw. m. YiBfir-
teren. Eigenlijk, iemand die ruilkandel drijft <,^
uitbreiding, koopman, handelaar, rondpenter. {j ^■
sal a meer segghen van den dyamanten, ob^
uiemant en worde bedroghen van bariereers , diest
achter lande draghen , Mandev. /. 40.
BARTERINGE (baerteringe), anw. rt.ï»
barteren. Ruil, ruiling, ruilhandel. Oo^
bartering; eng. bar terg, \\ Elc vremde man i*
baerteriughe aoet van coopmanscepen , endegkevet
eene coopmanscepe omme die andere , so ess eU(
coopmanscepe van der welker baerteringhe ^
word na dien dat elke coopmanscepe scaldki
ware of zake ware dat mense rercochte bi l^er
zelven, Tolbrief v, Aardenb. in Leit. N. ÏÏ.^.
91. Dat die bockinc meer dan die lakei b^
{beliep) in barteringhe , Rek, d. Gr. 2 , 107. S* b
(de koop) yergaen wair of in der berteria^
taxeert wair, Leid. Keurb. 31 en SOS
589
BASE.
BASS.
590
in het Gloss. gegeven yerklaring ifl onjaist).
BASE (ook in dea minder Euiyeren vorm
BAESSCHE, basce), znw. vr. Yau lat. èani.
roeMuk, WYiere pilaren diere ende fine, ... die
basen daer af wit selverijn , entie capitele daer af fijn
goadijn, Bijmè. 4795 (Eist Schol.', capita habentes
aurea et batêi argenteas). 20 colammen met alsoe
vele baesschen van ere , Rnnsbr. 1 , 13 (bij Sarina :
bates aeneae ; verg. Exod. 28 , 10). Ende si sal hebben
vier colammen met vier baesschen, ald. (verg.
Exod. 28, 19). Hier toe geboet onse Here dat wi
soaden ghieten elf sel veren baesschen, alsoe dat
ivree baesschen iegewelker tafelen werden onder-
gedaen in die twee hoerneke , 1 , 98 (verg. Exod. 36 ,
24: cnm qaadraginta btuibus argenteis). Dat lavoer
met sire baschen , 1 , 43. Qhi salt maJcen een eren
lavoer met siere bascen, inne te dwane, 1, 189
(verg. Exod. 30, 18: cnm bati saa).
BASELAER (baselerr), zaw. m. Mlat. btua-
lardus^ basélardut, basaütrdu*, basellarius^ ensis
brevis species, genas pngionis vel sicae; ook in
den vorm badelare (Dnc. 1, 609, 631, 632); ofr.
badelaire,, baudelmre^ bazelaire); nfr. badelairg ^ tAa
term in de heraldiek (Littré 1, 276). Lan^mes , doli-
M^#, onder de verboden wapens behoorende. || 8o wie
enen knQf of sweerdt trect, of mes, of baselare,
of eenige gescheede wapen, Keur van 1380, by
Hnyd. op Stoke Dl. 1 , bl. 527. Wie nader cloc, hy sy
poirter of geen poirter, gaet mit enen zwairde of
mit enen bazelair of mit eenre knse ofmiteniger-
hande wapen, . . . anders dan hij des dages an
sijnre sijden gedragen heeft, ... die verbnerde 3 Ü^,
Leid. Keurb. 215, 4 (vgl. bl. 317: mit enen zwairde
of enigen langmeuen). In den eersten soe en moet
nyement messen noch baselaers dragen binnen der
8t«de Tan Hairlem die langer zijn dan XYI damen
ende na der mate die daer off is gehangen in die vier>
scare , Yan Oosten de Bmyn, Betchr. v. Hawrl. 1, 168.
Soo wie draecht weyde messen , baselaren , piecken
ofte glavien. Mieris 4, 1050 3 (n. 1434). Dat
nyeman bl nachte noch bi dage . . . mitzwerden,
mjrt baseleren noch langen messen . . . opter straten
gaen en zoelen, Overijt. Ree At. I*, 153. Kniven,
mtingen , bazelaers , scharpoordemessen enz. , O.
K. V. Dordr. 16, 24 en 25. Zoo ook O. R.
V. Dordr. 1, 12, 24; 15, 31; Sandv. v.Alkm.lSa;
Invent. v. Brugge 5, 77; vgl. Gloss. ald. 18 b.
BASELEER. Zie bacheleer.
BASILI8C (basilische, basilis) ; znw. m. Mhd.
banliske^ batelischge^ lat. basiliseus. Batiliteuê^
de Jkomingtelang ^ naar de voorstelling der onden
de geyaariykste aller slangen. Yerg. Nat. Bl. Ylly
153 vlgg. II Yan den andren basUische ....
Tintmen in den boec van den hane. Nat. J9/. YII,
207 (var. boiilise). Die slanghe ende basilische,
Hs. Pm. 98 r. — Zie ook balesisghe, blade-
LA.SCHE en BLARASCH.
BASINE, znw. vr. Baxuin. Zie bosine. ||
Men mocht daer horen op die vaert menighe trompe
ende basine, die daer Inden met snlcker pine,
dat die erde donderen dochte, Orimb. I, 4213.
Men blies daer . . . menighen trompe ende basine ,
4702. J)aer wert geblasen tien tiden menighe trompe
ende basine, Orimb. I, 5489; verg. II, 1356. Recht
of die werelt sonde vervaren , so helden daer die
grote bazinen, Fragm. Carl. 278. Gods basinen,
Xjp. lY, 10, 17 var.; verg. 27 var.
BASCOERT, znw. vr. Ofr. basse-eourt. Hof
voor de ttalUn bestemd ^ dat gedeelte van het ridderlijk
kasteel y waar de stallen eng. zieh bevonden. || Des
anderen dages dair na gesent Zeen weder omme
van Hoichstraten mit Nyevars müns heren palrt
van Oistervant, dat ziec geworden was onder
wegen, om te zetten tot Bergen in Henegan in die
bascoert, Oorl. v. Albr. 187.
BASSECAMERE, znw. vr. Mlat. camera bassa;
ofr. ehambre basse (Dnc. 2, 50). Heimelijk gemak ,
bestekamer y eig. benedenkamer. Zie Taal- en Ltb.
6, 273. II Dat hy mochte hebben «ene ledere,
die lanc ghenonch ware, ende dat men die
stellen sonde onder de bassecamere van der
vanghenessen . . Ende des selfs nachts . . hy
ghinc dicken ter stillen, omme te wetene oft Mer
Jan Yan den Dorne bereedt was, om hem . . te
helpene nater vanghenessen, Cron. v. Vlaend. 1, 186.
BASSEN {bieSy biessen, gebassen), st. en zw.
WW. onz. en bedr. ; een woord , dat in de ver-
wante talen niet voorkomt. Teuth. B a s s e n, b a f f e n,
beien, bloecken, latrare; Kil. Bassen, /a/hire,
Onz. Blafen^ van honden. || Doe gemoetti witte
hondekine, . . ende si blessen vromelike,Xa}M;. III,
12674 — 77. Ende alsi spreken , . . . bassen si ocht
ware een hont, Alex. YII, 969. Hi bast np hem
ende wilne biten, Bose, fr. 256, 252. (Si)
locte nte tenen cloppe al de honden van der stat,
ende deedghe bassen ende hnlen, Christ. 470. Het
es hier bi twilt, dat mi te vaen behaget, daer ie
om liep, bies ende riep, Belg. Mus. 1, 293, 11.
Her Ever wilt, . . n zaels verwassen, dat ie ge-
bassen heb zo lange, 294, 17. Te bassene hebben
si ghene macht. Nat. Bl. II, 676. Ende dese
honde en bassen niet , 685. Ende over haer bassen
si blasen, lY, 280. Ende voer haer spreken bassen,
I, 299. Ie basse, ie make selc ghelnut, dat mifn
here comet nat, Esop. XXYII, 11. Doe een hont
oec baste op sinte Martijns discipel , Pass. W. 22^.
— Ook van menschen gezegd. Schelden ^ razen. ||
Nacht na nacht vemient mijn zeer , want niders up
mi bassen, O VI. Lied. e. Ged. 131, 5. Ygl.
Helmers , Hall. Natie 87. — Spreekw. || Als oat hont
bast, sal men natsien. Yerg. Mnl. Spreekw. (in
Hor. Belg. 9 , 4) 16. Yolch sinen rade , want hi es
goet, ende scnwe dat hi di heet vlien: alse out
hont bast , sal men natsien , Bouc v. Sed. 759. Als
ghi den onden hont hoert bassen, soe hoert ende
siet tot allen gassen, MLoep I, 1711. || Wat
schadet des honts bassen, die niet en byt? Mnl.
Spreekw. 46, 746. || Daer en basset gheen hont
om, daar kraait geen haan naar. \\ Dat selvebiyft
altoes versast: nyemant en mert daer aff den
mont noch nymmermeer en basset daer om hont,
MLoep lY, 118. Ygl. Eleg. 790 vlg. || Ister niet
in ghewasschen (gewassen), men salter niet in
bassen, Spreuken 107; verg. Harrebomee 3, 369.
Bedr. — 1) Iet — , iets met gijn blaffen te
kennen geven. || Wat sonde die coninc hier doen?
sondi gheloven an een hoen, ofte dat een hont
bast? Eleg. 789 (verg. 769 vlgg.). Spreekw. 1|
Dat donde hont bast es gheeme waer, Grimb. II,
6034 var.
2) Aanhitsen. \\ Ende lietene dien honden saen,
diene ghinghen bassen ende jaghen , Bein. 1 , 1597.
(Doe) hordi daer . . blasen herde sere, . . ende
jagen ende bassen honde, de jachthonden aanhitsen,
Lanc. III, 12668. De vergeHjking met de vorige
plaats maakt het waarschyniyk, dat ook hier het
trans. ww. bedoeld is.
Afl. — Bassinge, geblaf ( nGelikerwij s als in
den honden vier goede panten syn, dats medicyn des
tonghes , naawe rakinghe der nosen , gheheel liefte
ende bassinghe ," Qesta Hom. f 140). — Bassere^
591
BAST.
BAST.
592
buiktpreker (?). || Ghegheyen den drooghen joncheere
ende lyn ghezelle den bassere over haerlieder
abelheyt, Invent. v. Brugge 5, 496.
BAST, znw. m. Ohd. bait\ mhd. batt^ ags.
biut\ mnd. batt.
1) Btut^ van een boom; boomtckor*. SQn bant
bleefer ane yast ende verdorde als een basi, Ltp.
II , 68 , 79. — Ook . in den zin yan iett van
volstrekt geene waarde-^ in de uitdrukkingen : — Niet
een (enen) bast, voUtrekt niett^ geen zier. Ook
mhd. nikt ein boet; mnd. nicAt en batt. Verg.
De Jager, Lat, Vertch. 104 vlgg. || Weet wel,
dat die yan binnen waren dicke geëssalgiert sonder
sparen, maer sine achtens niet enen bast, Lane,
II, 33803. Maer sijn casteel es so yast, dat hi
om niemanne geeft een bast, III, 23593. Hine
gaye doer Gode niet enen bast, wie sere dat
ieman hadde noet, OVl. Qed. 1, 79, 405. Bedi
wille hi een haas maken also vast, dat hi niet
gaye enen bast , al qnamer die coninc seWe voren.
Ren. 656. Hoe hem dat lijf ware soe vast, dat hi
niet ontsaghe een bast, noch weder stoc, noch
sweert, noch steen, Brab. Y. II, 3400; Sp. IV»,
22, 28. Hen clach Anthonis niet een bast, Sp.
I*, 23, 40. Noch ghequetst een bast, Wap. Mart.
III, 117. Dat en helpt n niet een bast, Beatr.
956. Maer dat en besloet hen niet een bast,i^ii(?.
II, 46971. Dat hem niet en scade een bast , GHrimb.
I, 3193. Maer dat en beschiet niet enen bast,
Ltp. I, 48, 98. WQsheit en doech niet een bast,
Doet. ni , 1 109. Dor u en dede hys niet een bast,
Ditp. 83. Dese en minderen niet een bast, Melib.
2210. Want hi en ontsachse nyet ejn bast, Serv.
I, 769. — Niet van enen baste, volttrekt
niett , eig. niet voor de vaarde van een boomtchort.
II Want ie souder op doen werken een huns van
alsulker sterken, dat ie Caerl ende sine maghe
van enen baste niet ontsaghe, Ren. 623. Up alle
menschen die leven ne trooste soe niet van enen
baste, Sp. I^, 66, 134. Noch ghequest van enen
bast, Wap. Mart. III, 117 var. — In denzelfden
zin: Niet van tween basten. || Selc hoert
wel goet dinc, van II basten dies niet en acht,
Rincl. 123.
2) In verachtelijken zin van het mentckelijke
liehaam^ gel^k nog heden in de platte volkstaal, jj
De scoenheit en ruert van di niet, geefs hem lof
die verruerdi di men (l. versierde dinen) bast,
die uw lichaam^ uw vel vertierd heeft, Rincl. 978.
3) Het van boomtchort vervaardigde touw, Kil.
f unit, rettit. jj Ende haer hande gebonden mede
an den boem met enen baste, Lane. III, 14383.
Si recten uut die basten tot enen stricke , Ht. Pt.
147p. Een lane reep of bast, Bern. S. 265c. Waghenen
vul basten ende reepen. Despars 2, 76, 77. Mijn
mont weechde hem; ende bleef myn vleisch houdende
80 vaste , als oft ware ghebonden met baste ,
Boetpt. 102, 24. Elc vremde man die coopt jof
vercoopt bast jof linen, Tolbrief van Aardenb. in
Letterk. N. W. 6, 85. Bast an die valbrugge an
die noirtpoirt , Bel. v. Leiden 428. Dat si den bast
der souden om die keel hebben ende sijn ghebonden
daer mede, Qetta Rom. f. 111c.
4) De van touw vervaardigde ttrik, haltttrop. jj
Enae dwancse daer toe dat elc man moste dragen
enen bast om sinen hals tot een onderdanicheit,
np dat mense rechtevoert an hangen mochte so
wanneer si tot eniger tijt hem tegen des coninx
mogentheit verzetteaen , Clerc 26. Ende de vorseide
heere van Maelgy toeghde hemlieden vele basten,
jse^ghepde : ^Hier nieae sal men ulieden hanghen ,''
Cron. V. Vlaend. 1 , 28. Also scier als die measek«
sundicht , so is hy verordelt ter galgen der kellei
ende heeft den bast om den hals, Ned, Prosa^ï.
Die begeerlicheyt ofte ghyerichcjt rerhanct kie
selven metten bast der aelmisseo , Qetta Rom. e. 33.
Bast ter ondadigher Inde behoef,i{tfir.^. (rr. 2,71.
lek sage u liever, stout ridder goet, bi avs
keelen hanghen . ., den bast al om u kele, Eer.
Belg. 11, 64, 6 — 7. Alle die mans ende vnuwa
bloothoofs, barbeens, elc met eenen bast aa da
hals, Invent. v. Brugge ^,^2. Ghejasticieert metta
baste, aangek. Gloss. ald. bl. 243. — Metboei
ende met bast, met boute ende metbaste,
met galg en ttrop. \\ Men heesten TaEii moirtbrudt,
ende men brencten ter vierscharen mit viere ctèt
mit basten. Ende hy wort gewast te beterea ui
sinen live ende goede, als een moirtbrandu',eiée
mit viere, mit houte ende mit baste, Matth. dOS.
Wort hy . . . van dieflen verwonnen mit recht ode
vonnes van sinen live ende goede, men salreove
wysen te rechten mit boute ende mit baste, Wk
Datmen sculdich waer over te rechten mit boen
ende mit bast. Dingt. v. Delft 61.
BASTAELGE. Zie Bataelge.
BASTAERDICH (basterdich) , -i^e, bnw. Tn
Battaert. Onecht, wild. \\ Die basterdighe scela
en sullen gheen hoghe wortelen gheven, D. £
Boec d. Wijth. 4, 3 (Staten- vert. onatrA/e «o&M/al
BASTAEBDIE (bastardie), znw. vr. Tu
Battaert (zie ald.). Bij KiL Stemma iUegitiMtm,
thoms illegitimus.
1) Battaardij, onwettige gemeentchap wiet emt
vrouw. II Bastardie varinghe gaet boven vettelib
trouwe, on. Qed. 2, 110, 102. — In de nitdnk
king: van bastaerdien, uit onwettige gernee»-
tchap met eene vrouw, in onecht verwekt. || Hi iv
der Grimberchsche maech , ende bestont hes . .
herde na van bastardien, Grimb. I, 4950. Mier
het quam , met groter gewelt , een convers . . •
ende was sijn sone van bastaerdien, II, 5SSL
2) Schandelijke handeling, gruwel. Terg. 0■è^
mans, IVdb. op Bredero 494. |) Ondadiech sai.
vul quaet vilein, hebdi dese bastaerdie gkedseL
bi Gode, ghi sterfter omme saen! dese scabfeü^
sal ju seinen, JTal. 9882.
BASTAERDINNE, znw. vr. Yronwelgke vtfu
van Battaert (zie ald.). Buiten echt gebem
mei^e, onecht kind van het vrouwelijke getlaek-
by uitbreiding, ontaarde. || Dander (KMt»^) titfi
die werelt naer; om ere, om goet staet al kaer
gaer; dits ene bastaerdinne , Wap. Mart. I, S3&
Wye bose wercken doet an minnen , dat sgn bastas
den of bastaerdinnen te noemen, daermen goe^
minres telt, Hild. 86, 209.
BASTAERT (bastart), znw. m. Hlat. Utür
dut; ofr. battard; ntr. bdtard; it. sp. p^
battardo; mhd. bat tart; mnd. bat ter t. Ia het ^
In het of^. ook Jilt de batt. Over den oorsj^tiC
zie Burguy Olott. 35; Diez, Etym, Wtè. op Bta-
tardo; doch vgl. Kluge 19.
1) Battaard, buiten echt verwekt ki$uL \\ Ie vs<
die keytüf niene gehermt, die qnade bastaat.
om die dinc, dat hi es worden coninc, Alex. D,
734. Nu sal Porrus gewroken sgn van dien. ès
vore Pantapolgn die vule bastart hem lachterdeèB.
Catt. 917. Comen es hi van onser siden; maerq^
des vroet, dat hi es bastaert, OVl. Lied e. Gvi
246, 387. Winnet een man in oeverspel kiadsr.
luttel ofte veel , die bliven bastaerde ende oseckt .
ten erve en hebben sy ghenen recht , MLoep IV , 4^
— Ook van jongen van dieren gezegd, als vn
593
BAST,
BAST.
594
den arend. || Ende die hem Tan der sonne yer-
▼aert, hont hi over enen baataert; Ambrosius
seghet, dat sulc gpreect, dat hi sine bastaert
versteect, Nat. BI. III, 109. — In figuurliike toe-
passing. II Alle die constenf .... die behoren
ten ertrikCf die sijn met allen rechte der edelre
clergien knechte ende baataerde jeghen hare , Lsp,
III, 14, 47 (verg. 121).
2) Eene toort van zoeten wijn^ in de 17de eenw
nog haeierd genoemd. By Kil. Baestaerd-wijn,
vmum paentm, virum dulce et generoeum ex uvU
passie et sole siecatis expressttm. Zie Duc. 1 , 6166 ;
Ondemans, .ff(;<^r. 1, 318; Lubben 1, 1576. || Bastaert,
malvezeye wordt u eersten dranc , Mar. v. Nijm. 14 ,
316. Ypocras, mascatel, zuetwjn, bastart ende
mevdranck , R. v. Utr. 1 , 366 , 284. Yan bastaerden
ende maelveseijen, gelijck de Rijnsohe wijnen, /n-
form. 262. Siedtse in eenen stoep witten wyne ofte
wyn bastaert. Jan Yp. 179. Zie nog Invent. v. Brugge
Gloss. 590 vgl.
BASTAERT, bnw. Yan Bastaert, als bnw. ge-
nomen. Fr. hdtard, bnw. Kil. adulterinus, degenerans,
vel alterius nafuram non satis aemulans.
1) Onecht.^ onwettig. || Dat die knapelike kinderen
mochten kommen in de vors. neeringhe, . . entie
bastaerde cnapelin kinderen als vremd man, Keur van
1380, in ZFl. Bijdr. 5 , 159. Sijn raetalieden waren
slap int vervolgen , beduchtende dat grave Willem
van HoUant viant werden mocht, om des wille
dat heere Otte sijn bastaerde dochter getront hadde ,
Exe. Cron, 124<;.
2) Ontaard, slecht. \\ Maer tsermoen dat ie hier
beghinne, dat sal di noch meer verleeden; om
dattn snjs van harden zinne, bastaert, rnut ende
ombesceeden, Praet 2215.
3) Met eene bepaling met van, Bastaert van
iet, ergens van verstoken, eig. als bastaard van
een erfdeel uitgesloten (verg. de plaats uit MLoep
in het vorig art.) || Ie waende wel coninc hebben
ghesijn, als mgn oem hadde ghelaten dlijf; nn
heeft hi al bi sijn wijf een kint ghecreghen, die
oude viliaert. O Cecilien, edel bogaert, edel foreest,
edel rijc, ie moet bliven ewelijc, edel foreest, van
di bastaert , Esm. 34 — 41. — In dezen zin misschien
ook OFl. Lied. e. Oed. 342, 801: || Bestant
no vrede ghevic gheen; in hebs gheen noot, ie
ben bastaert (lees voor ben: hens, d. i. ben des).
BASTIE, znw. vr. Ofr. bastie (Duc. 7, 57);
mlat. bastia. Sterkte, verschansing, bastion. || Die
Hertoghe van Brabant sonde mitten sinen uyt
Brabant een bastie opslaen beneden Dordrecht . .
ende die bastie versien met provande ende besetten. . .
Ende die Hollanders souden desgelycks een bastie
opwerpen te Papendrecht. . . Als die Hertoghe
van Brabant mit vele sine ridderen ende knechten
ende mit vele voLx uyt sinen steden van Brabant
qaam, begrepen si dat velt, dairmen die bastie
setten sonde, Matth. Anal. 3, 369.
BASTIJN (bastin), bnw. Mhd. bêstin; mnd.
basten. Kan bast vervaardigd, van de schors of het
üezelig weefsel der boomen gemaakt', inzonderheid
Tan de Toor soheepsgebtuik bestemde lijnen. || Een
hondert bastin linen , Tolregl. op het Zwin van 1252 ,
in ZVl. Bijdr. 5, 40. Een C bastinen linen , a/rf. 60.
Bi Jan Baffele , van hueren van 1 waghene ende van
bastinen linen , YI s. , Cout. v. Brugge 1 , 409 Aant.
Omme bastine reeps, tsteenhuns mede te woelne,
Bêk, V, Zeel. 1, 485. Corte bastine linen, aangeh.
Gloss. Invent. v. Brugge 243. Zie ook ald. 2,223.
BASTIONIER (bastonnier), znw. m. Mlat.
èastümariue, bastonerius, bastenerivs (Duc. 1, 617
vlg.); ofr. bastonnier, celui qui a soin du b&ton
d^une confrérie et qui Ie porte en procession (Duc.
7, 58). Baededrager bij eene processie. \\ Terselver
tyt onsen coster metten tween bastionyeren , elck
7 pi., Oesch. d. Reder. 184. Den coster ende
bastonnieren 1^ st., 185 (verg. 192: „Den dienairen
van den cortten stocken oft. roeden deser stadt,
want zy dat volck inder processie voer ons Lieve
Yronwe ende Sunt Jan, omdat diegeene, diet
droegen, mochten met rusten voirtg^n, opge-
houden hebben na older gewoenten, 356").
BASTOEN, znw. m. Yan ofr. baston-, nfr.
bdton. Over den oorsprong zie Diez, Etgm. ff tb.
1, op Basto.
1) Stok, wandelstok. || Si hebben moder in hare
scoen; sine draghen swert no bastoen, soe heilich
sijn si , dat ghijt wet , fad. Mits. 1, 83 , 56 {van
den covente).
2) In de wapenkunde. Schuinstaak, fr. bdton;
soms het onderscheidingsteeken van jongere, of
wel van onechte zonen uit adellijke huizen. Zie
Rietstap, Wapenk. 109. || Syne baniere . . die van
goude met enen lenwe van sable was ,
van kelen met enen bastoen daer dore , Orimb. II,
2456. Heer Witte van Haemstede, die Graef
Florens bastaertsone was, quam uut Zirrixzee,
ende ontwant syn standaert, daer eenen roede
leeuwe in stont, mit eenen blauwen bastoene,
Kort Chr. 223; verg. Belg. Mus. 4, 204. Ene
baniere van laznre, daer witte bastoene gingen
dure, Lorr. Nieuwe f r. 32, 137.
BASTURE, znw. vr. Yan Mlat. dai^iira, by vorm
van basta (Duc. 1, 613). Eig. paksadel, en bij
uitbreiding hoer, liehtekooi (vgl. bastaard). \\ Het
scijnt wel, ridder ^ dat ghi sijt betovert vander
basture, Segh. 4722.
BASUNE, znw. Tr. Bazuin. ZieBASiNEenBOSUNE.
BASÜUNLIJC, bnw. Als van eene bazuin. Ygl.
Teuth. 18: \iB,%ViVL\ic,buccinalis. \\ Die hometen
{bijen) sijn seer toernich ende steken den mensche
alte scharpelic ende vliegen door de lucht mit
enen basuunliken ghelude, Bienb. 169<i.
BAT, bade, znw. onz. Mhd. bat; mnd. bat.
Bad, de tegenwoordige beteekenis. || Plaetche,
prayele ende bade, Rijmb. 31503 {balneas). Nadat
bat, M. en Kr. Heim. 1219. Na dbat, 1226. Daer-
men in enen bade set {sit), 1250. In een bat, 1332.
Int bat van balsemen bade hi, Parth. 8253. —
In eens bade baden: zie bij baden, onz. 1).
— Samenst. Badeketel, badkuip. („Den besten
ketel, zonder bruketel ende badeketel, Cor. v.
Antw. 51).
Spreekw. jj Al quaet dat opgroeyt, van den
bade int voetwater. Spreuken 99 {van kwaad tot
erger). — Dat helsce bat, het bad der helsche
koude. Yerg. Dante^s Inferno, C. XXXII, en de
uitdrukking int helsce bijt baden,h^ baden, onz. 1). ||
Dese scuwet der eren pat, want soe moet int
helsce bat, Wap. Mart. I, 413 (in den tekst: »tf^).
BAT, batte, znw. onz. (?). Misschien van
Batten (zie ald.). Voorwerp waarmede men bat of
bot, keilt of kegelt. Doch verg. eng. bat, een
zware van onderen breede stok, waarmede men
den bal in het cricketspel voortdrgft (E.Müller , Etgm.
Wtb, 1, 60), en fr. batte (Littré 1, 812). || Yoert-
meer is overdragen dat ghene leke knechte myt
armborsten , myt batten , ballen noch gheenrehande
dingen op kerchoven . . . noch an die kerke noch
anders werpen off schieten en zoelen, Overijs.
Récht. I», 191.
BAT. Zie Bf.t.
595
BA.TA.
BATA.
596
BATAELGE (batalge, battaelgk, battalge,
BATTAELGIE, BATALIE, BATTALIE, BATAILLIE,
BATAEME, BOTTAELGE, BETAELGE, BETALIE,
BETAELDiEf bastaelge), zdw. vr. Off. baiaille\
mlat. batalia. Zie Yan Wijn, ^aw/^.op Heelu, 112.
1) Slag^ ttrijd^ gevecht. \\ Die battalge stont
ende gedaerde wel toter nonen wreet ende fel,
Lane. lY, 12497. Wi bestonden bataelgen groot ,
dair si alle bleven doot, RoeL lY, 365. Heden-
meer wert die batalie tnsschen hen twee sterc ende
groet, Ferg. 1868. Meneghe rime soe es ghemaect . . .
van battalien ende van minnen , L. o. H. 6. Begonsten
si daer ene felle ende ene sware bastaelge mede,
lAmb. YII, 208. Daer mochtmen felle bataelge
sconwen , Wal. 8228. Dedelheide , die den bataelgen
toebehoren, Cms. 140. Orloghen met battaelgen
zware , IX Best. 395. Ende wouden ter betaelgen
wezen, Grimb. II, 1299. Die betaelge bestaan,
Lanc. lY, 3619. In sire eerster betalien , i^a/wKrl*.
1349. Zie nog Farth. 7953; AUx. Y, 509, 647;
enz. — Ene bataelge nemen, een strijd met
iemand aannemen .^ eene uitdaging op bepaalden dag
oawM^m^». Yerg. de aitdrukking: camp nemen. ||
Ene battaelgie hebbic genomen, die ie emmer
voldoen moet, Ferg. 1498. — In figuurlijke toepas-
sing wordt van den naar schatten dorstenden
koopman gezegd: || In dit vemoy , in dese bataillie
blivet hi syn leven sonder fallie, Bate 4923.
2) Ttf^/oM/. II Seghere Dieregotgaf maectere sint
toe dat proyeel ende als {in het geheel) een bataelge
gheel, Sp. I», 14, 50. Ygl. Trwjen, bl. 17 vlgg.
3) Slagorde. || Die bataelie voer hi dorebreken,
Caês. 794. Alle tauder heer maecte betaeldie ten
noerden , so dat achterste vanden betaeldien ghinc
totter westziden van der stat, T>. B. Josua 8,
13 (Yulg. adem dirigebafs.
4) Legerschaar^ legerajdeeling ^ in krijgtorde ge-
schaard-e legerbende. \\ Na dien porrede uut , sonder
faelge, van daer binnen dirste bataelge, Lanc. 11^
10415. Die wel hadde. . . . M man in sine
bataelge, II, 33000. Si hadden vore gesint
bi dien viere bataelgen, diese versochten, II,
33986. Lanceloet ende Hestor bede ordenerden die
battalgen dan, ende gaven elkere haren leitsman,
lY, 7753. Aldus hielden si ghescaert in drie
bataelgen, Ueelu 4374. In de vierde battaellie
dair was hi ghescaert voirwaer met heer Amonde,
Grimb. I, 4235. Ie wane dat niemen en es dienie
sach scoender bottaelge, Limb. lY, 516. Die
leitsman was van der irster bataelgen, Lanc. II,
10429. Hi sciet in tien batalgen sijn here, lY,
10979. Ende geleidde dirste bateelge, Cats. 1064. Die
Fransoyse daden hem scaren in IX bataelgen,
Yelth. lY, 23, 30. In eene batailge quam hi
gereden, Lett. N. B. 7», 147, 130. Als mine
bataelge zeere vacht, Praet 2923. Her Willem van
Brederode , die een hooftman was gemaect van der
eenre betaelge, vacht teghens die Drechters , Clerc
112. Ende ordineerde daer siin volc . . an tween
betaelgen , 144. Yeertich duseut vechters ghinghen
bi haren betaeldien ende haren hopen opt pleyne,
D. B. Josua 4, 13. Hi gheleide sine betaeldie ter
wildernisse waert, 8, 14. — Zie nog Lanc. II,
10400, 34447; lY, 6481, 6487, 7779; Limb. Y,
1042; Grimb. I, 4105; Heelu 4351 ; Ztf«. JVT. 12.
7», 145, 78; 146, 83; enz.
BATAELGEN (battaelgen, battalien), zw.
WW. onz. Ofr. baiailler^ batiller; mlat. bataliare.
Yerg. Bataelgieren.
1) Vechten^ strijden. \\ Ghi hebt hier langen
tiden sien battaelgen ende striden, Zm^. XI,191.
2) In slagorde scharen. \\ Mettien hebben si t»-
nomen waer die van der stat op hen comes il
gebattalijt met sconen here, Lane. III, 13275.
BATAELGIEREN (battaelgierex, battal-
GIEREN, BATALGEREK, BATTELIEREN, BAHAH-
LEREN, BATTELIEREN, BATTIELIEREN). Vcrg.ofr.
batailler, bateiller^ deelw. bataillé^ fortifié; pim.
batalhar^ batailler, combattre, fortifter; mlat
batailliatits. Nevens bataelge, geordende leger-
schaar, staat het ww. bataelgieren, in sUf«4«
scharen, strijdvaardig maken, dat noch in bH
ofr. noch in het prov. in dien zin sclftf
voor te komen, maar wel in dien van w-
sterken, veelal in het verl. deelw. batgHlé^ 4
wel batellié, batillié („ li murs . . crenelés d
batilliés, Ferg. 314; verg. ook Gachet 7); pw.
batalhat („de bels murs batalhaiz, dentelhiur
Rayn. 2, 197); mlat. batailliala (Duc. 1,62«);T,
58). Ook in deze beteekenis is bataetffierenii^tti
van bataelge. In toepassing op een leger kmr
het de beteekenis van scharen, ten strijde utiei^y
in toepassing op eene stad , een toren , een str)é-
wagen enz., die van ten strijde toenuteïï^ii
versterken. Gelijk baiterie eigenlijk t»ist,kl^f^
beteekent, doch by uitbreiding de plaats au^u^
waar de schutters gedekt staan (Litü^ 1. 313i,
zoo kreeg ook batallia, batalea, de beteekenis na
versterking en werd hiervan een ww. bat^Uer pr
vormd , dat versterken beteekende. De gissing wi
Gachet, dat het mlat. baiailliae den zelfdei «r-
sprong zoude hebben als het esp. enproT.M*
it. bastia, bastione, fr. bastille, is niet mr-
schijnlijk , daar dan bastalliae, ba»talliatas,Ms>^
en bastillié, bastalhat de juiste vorm zonde tfi.
en ongetwijfeld de * in het woord zoude geroain
worden. Doch vgl. aan den anderen buit ég
vorm bastaelge voor bataelge {Limb. Vil, 209).
1) In slagorde scharen, ten strijde toervin.
Yerg. BATAELGEN CU zie Yan Wijn op Heeln, lUl
Here, waent u here battalgieren , ende lietos
die stat asselieren, Ferg. 4201. Want alsoe ötft
gebattaelgeert bleven si altoes in een, wat new
dranc ochte ghereen, dat nieman totc heneJiTW
Heelu 5244. Aldus bilden si ghescaert ii dn»
bataelgen, alsoe haert, dat si toenden diegk«lïkf
al waert jeghen dat Roemsche rike, dat s|t n
hadden gheweert: soe sterc warense g«battaelg«rt.
4378. Ende gingense schaeren met ghewdt «^
vroedelick battailleren , GHmb. 1 , 4035 var. Ti«k
vergaderde overal ende begonsten hem btttié
gieren, Fragm. Car. 282. Hi battelierdem net^
Flovent 23. Ende in scaren gebatclg:iert , JWy. ^H
Dus lagen si, in elke side, ghebattaielgieit ^
dage, Heelu 380. Die hertoge Jan d^e ^
geren sine scaren, 3306. Nu quamen si g«^
geert binnen der stat, Yelth. IV, 15, 48.A^
hertoghe Jan . . . dus ghebattaylliecrt stont ff*
Rode, Exc. Cron. 130c.
2) Versterken , van versterkingen voorzie». Vci
mlat. batailliae, munimeuta nrbium aat castrofiB
turris batailliata, turris munita(Dac. 1,620);*^
cité (tour) batellie, cité (tour) palisaadée (Gtek^
57). II Een casteel stare ende gro«t, dien e®?^
batelgeert mur besloet, Lanc. II, 19086. Wd»*
die dorpere gheaisiert, die den torre gebatilgi^
so wel hadde op die hoge zee, Ferg. 280- Ö
hondert waghenen groot, ende alle gebaUlfii^
ter noot, Sp. I\ 40, 21 (Yinc. owmes fale^
Ende Alexander die visiert, datmen there btf^
giert al omme met scilden, I^, 45, 17 (^^
frontem castrorum densaverat Alexemier (^'
597
BATA.
BATE.
598
HoDdert wagene gebatialgiert met houte wale ge-
Tisiert, daer menich scuiter in lach, Alex. IX, 327.
BATAELGIERINGE (BATELGiERiNOE),znw. vr.
fettingwerk. || Van der batelgieringhe te brekene
bisider zantpoorte, Invent. v. Brugge^ Int. 445.
BATE (baet), znw. vr. Mnd. baU.
1) Baat^ voordeel y winst. \\ In diende niet Gode ,
ea ware om bate; twy soudic n dienen om niet,
Troyen 3476. Hi hopede cortelike der baten, dat
hi met minnen sonde comen uut, Stoke Y, 22.
Ohemeen orbore laet men achter, maer elc staet
na sine bate, Doet. III, 994. Wat baten dat
toeqaam der stat, datmen dat loyde in sekerre
stede, der stat altoes te hulpene mede , Teest. 1233.
Salmen van leringhen bate ghe winnen , men moets
in der joeght beghinnen, 1746. (Die) tghemeen
recht vercopen ende overgheven, om dat si hopen
daer of te hebben baet ende ghenot , Rein. II , 7ö45.
Die al haer winninghe ende baten des Sonnen-
daechs in die taverne laten. Vrouw. e.M. XI, 171.
Dat 8j enen anderen minnen soude, daer sy bate
off sonde ontfaen, MLoep II, 1450. Ende quam
feraren tsiere baten tot enen bisscop , Sp. lY * ,
12, 78. Di soude daer grote baet of risen,
£m>. II, 5658. Daer ane lach cleine bate,
Wr^Ae III , 2047. Of hiere bate of heeft of goet ,
H. Doet. 63 (in den tekst: bate of boete heef f).
Die wel doet die bate es sijn, O VI. Lied. e. Ged.
362, 1405. Si peinsde te hebbeu meer baten met
hem dan metter gravinnen, lAmb. I, 2380. Dits
ene bate, dat ghi den ridders opent die strate,
V, 883. Scamelheit moet hi laten, sal hi comen
tenegher baten, X, 581. God gheve haer lief te
bare baten, Vrouw. e. M. I, 863. Ende die ander
peynsde om sijn bate, YIII, 210. Dine lippen sijn
als honichraten, altoos drupende ter baten, Ilor.
Belg. 12, 19. Wat baet comt u van mynre doot?
MU>ep I, 1201. Hi doet in allen dingen syn bate,
Rnasbr. 3, 113. Soe meer mesdaen, soe mere
l)ate, des te grooter de genade, indien dat men die
souden late, Theoph. (BI.) 1153; enz. — Enen te
baten comen, tot voordeel strekken, te stade
hwiem. II Dat sal hem comen te baten. Nat. BI. III ,
1608. DÏit sidi , ghi twee , seide hi , die Arriuse selt
verwaten, dat den menegen comt te baten, Sp.ll*, 8,
130. — Iet te baten hr eng en , eenig voordeel op-
leseren. || En wan met waerheit noyt een spaen,
dit mi iet te baten brochte, Verk. Mart. 47.
— Iet ter baten trecken, iets als voordeel
hesekouwen. \\ Daer hi an leren mach diese hort,
weder dat hi trect ter baten huwelijc doen ofte
laten, 8p. I», 2, 12. — Bate copen aen ere
dine, aan iets een voordeeligen koop doen, er geld
mede winnen. || Dat die kerstiin comen ware, ende
comanscepe hadde gebrocht , daer hi bate an hadde
gecocht, ^. I», 56, 112. — Ook in den zin van
winst, interest. || Om den tienden penninc te baten.
Rek. d. Gr. 3, 334 tweemaal. 150 scilde leenden si
mgn here sonder bate , ald. 335. — Die ewelike
bate, de eeuwige winst , de eeuwige schat , de eeuwige
zaligheid. \\ Aermoede , dat wetet al , dats de zonder-
linge strate tote der eweliker bate. Franc. 3442.
Ende ons exempel hebben ghelaten te comene ter
eweliker baten, Lep. I, 38, 20. — In bate van
ere dine, t^n voordeele van iets^ d. i. ten bewijze
9an iets, t w. bü eene bewering, welke door
iets gestaafd wordt, dat als een voordeel door
party wordt aangemerkt. || In bate van al dit een
van hnnne gezellen . . hadde kwijt gewijsd geweest,
door schepenen van Sluis, van den voorz. meel-
iccyas, ZVl. B{)dr. 4, 370 (a. 1424, doch met
gewijzigde spelling). In bate van dien hadden wel
gehoord en was genoeg openbaar, dat enz., 371.
2) Baat, nut. \\ Sech mi die bate entie ghewelt
van dat ie van den vissche helt, Rijmb. 15587.
Want hi gescreften vele utermaten screef van vele
sonderlingen baten, Sp. II», 47, 8. Ende daer las
si heme sijn lesse om sijn bate, Christ. 1364. In
weet watter of comen mach anders dant tonser bate-
waert gaet , /ra/. 9244. — T e baten hebben, ter
beschikking hebben,in zijn voordeel, vooruit hebben. \\ Ie
salse leren voren syngen , dat si tleven sullen
laten; jane hebwi ene nacht te baten, Maleg. 929.
3) Baat, genoegen. \\ Ende doen hi keerde van
India, soude hi hem doer sine bate dwaen ende
baden in die Eufrate , Nat. BI. XII , 988. Ie woudt
u vrienscap ende bate doen, dats u te bat soude
wesen, Bloeml. 3, 27, 162.
4) Baat, hulp, herstel, in verschillende uit-
drukkingen. II Daer en es gene batejegen,
daar helpt niets aan, daar is niets aan te doen. \\
Alsi {die crekele) comen, si eten al wat groen es
op berghe ende in dal, ende dar es gene bate
jeghen. Nat. BI. YII, 373 var. (in den tekst:
boete). Ende hi moet op eiken dach hebben enen
mensce tsinen ate, ende daer jeghen nes ghene
bate , Umb. X , 1020. — Enen staen in baten,
iemand helpen, hem bijstaan. \\ God sal ons helpen
ende staen in baten, Yelth. lY, 27, 13. Daer
staet {Maria) haer {de ziel) in baten , Praet 214. —
Enen bate doen, iemand helpen. W^funi ^Vierne
mach hi ghene bate hem selven metten snavel doen ,
Nat. BI. II, 1474. Dese can hem best baet doen,
want si is mit gripen snel , Rein. II , 5162. — Enen
te baten comen, iemand te hulp komen, te gemoet
komen. \\ Om dat ie mit sijn haer mijn calu hoeft
te baten soude comen, Gesta Rom, c. 8. Grave
Alof van Cleve . . quam mit veel ridderen ende
knechten den vorsten te bate, Matth. Anal. 3,
320. Hoemen beste hore vrienden, die opten huse
waren, te bate comen mocht, 362, Oude water ende
Utrecht quam hair ook te bate , 406. Deghene die
de stede te baten compt, die hart dak decken,
Inform. 239. Die van Teecoop geven 1 schilt
tsjaers meer dan over jaer es geappoincteert , dat
zy jaerlicx 4 Rh. gl. hemluyden te baten commen
sullen, 227. — Enen te baten hebben, —
nemen, — crigen, iemand tot hulp hebben, —
nemen , — krijgen. Ygl. onze uitdr. te baat nemen ,
zich bedienen van. || Hertoge Jan . . . had aldair
te bate die stat van Maestricht alleen, Matth.
Anal. 3, 336. Die ander landen namen Hertoch
Philips van Bourgoignen te bate, 406. Aldus
creech die stede van Scoonhoven dat huys te bate,
ald. — Iet te baten hebben, iets in ver-
goeding , tot tegemoetkoming hebben. \\ Dat zy jaerlicx
geven der stadt van Dordrecht . . 400 Rh. gl. ,
daerof dat zy te baten hebben an elcken mergen,
in huer ambocht gelegen , 6 st. , Inform. 583 :
verg. 553: „daertegen zy goet hebben tmergen-
gelt."
5) Baat, beterschap, herstel, genezing, zoowel
van lichamelijke kwalen, en van leed, droefheid
enz., als van zedelnke gebreken, jj Of datmen op
coelen doe Cubebe bemen , ende men doer bate den
roec ontfa in die noesegate. Nat. BI. IX, 300. Hi
es goet jeghen den vierden rede , ende ghe vet die
bate mede, XII, 1181; vgl. III, 1532. Te Durem,
seitmen, daers sijn hovet, daer haeltmen bate,
Sp. III*, 24, 49. Souct men dan niet saen der
baten, men mach lichte die ziene verliesen, Heim.
d. H. 1270. Eest dat ghi gheloeft clare in Jhesum
599
BATE.
BATE.
60«
Cristnm ende in hare, . . ghi moeghter bate hebben
ave Ltv. II, 68, 107. Baer wi ierst ontfinghen
an bate van onser droef heit, Limb. I, 2026. Dat
hi hem in hare lede verleende bate ende gheson-
dichede, VI. Rijmkr. 692. (Hi) trac van duechden
ter baten, tot zedelijke volmaking^ IVanc. 6090.
— Vaen ter baten, hem Hetten ter baten,
in baten staen, zich beteren. \\ £nde scheen in
willen oppenbare, dat hi wille vaen ter bate, Sp.
II*, 6, 98. Hi wilde hem 8 etten ter baten , j?r<i^. y.
II, 1338. Als dat hem God al gal verlaten van
sinen sonden die hi dede, up dat hi voort wel
staetin baten, Praet 266. — Ter baten comen, —
keren, beter worden^ genexen. \\ Dat Walewein
begonste keren ter bat«n bi der hulpen ons Heren,
Lanc. IV, 9674. Maer hi qnam saen ter baten,
-S/?. I», 12, 34. — Aen die bate sijn, aan de
beterhand zijn, bekomen van iett^ beter worden. ||
Maer die bode maecte ons cont, dat hi ane die
bate es nn, Lanc. II, 45634. Dat ors was saen ane
die bate, het spranc op ende sach op Fergute,
Ferg. 3774. Alexander es ane die bate, Alex. IX,
1039. — In rechter bate, met geheele genezing ^
geheel gezond. \\ Soe wart ontwake in rechter baie,
Sp. IV», 33, 17. — Bate doen van ere dinc,
iets verbeteren. \\Jti die sieke, die van den haren
ghelaten waren, wilden si bewaren in vriendeliken
visenteren, ende daden hen bate van haren deren,
Sp. II», 10, 110. — Sijn dinc ter baten
setten, zijne zaak verbeteren j tot volkomenheid
brengen. || Qanc voert in der rechter straten, ende
emmer set djjn dinc ter baten, Sp. I', 83, 85
(Vinc. ad meliora perficere ttitdé). — Ter bate
spreken, ten goede spreken , spreken om iets goed
ie maken. \\ Die also spraken ter bate, dat hi ver-
zoende jegen den zweer, Sp. IV*, 44, 64.
6) Middel tot genezing ^geneesmiddel. \\ Noch ene
bate saltu weten : neem oec looc ghestampt in wine,
Nat, BI. III, 1534. Heeft hi renme int hovet
mede, doe hem, dats die bendechede, rute omtrent
die nesegate, ende sijn aes nette, dat^ siue bate,
III, 1529. Barne te pulvere hare hovet: dats die
bate, V, 715.
7) Genoegdoening , voldoening , vergoeding , boete. \\
Ie sal u daer af doen hebben bate so hogelike na
sinen state, dat gise bi redenen wel . . . sonder begrijp
snit moegen ontfaen, Lanc. II, 5603. Dus boet
elc andren bate saen van dat elc andren hadde
mesdaen, II, 24894. Maer die uoit mesdede
niet , en weet waer af betren iet. En ware Yoene
niet mesdaen, waer of soude hi ontfaen bate?
Lorr. I, 1998. Ende wilt geven den coninc Yoene
hem vort in baten des sine goede stat van Mes,
I, 1960. Van hem moet hi hebben bate, dat hi
sijn scheren met hem hilt, Ferg. 4966. Hy en
wout ander bate ghinder voer algader sijn verlies,
Trogen /. 231*. Dies willic gherne bate ontfaen,
dies du jeghen mi heefs ghesneven, Theoph.\Vi2.
Hine boots mi noit ghene bate, Wal. 1447.
Want hi sals bate ontfaen ende beternesse, Lorr.
I, 1372. — Enen bate doen (van ere dinc),
iemand voldoening geven y boete doen, o( yrel , iemand
iets vergoeden. || Al toe so moesti mi doen baten
van al der scade, die gi mi doet, Ferg. 4264.
Ie vergheve u minen moet, mire vrouwen gi die
bate doet, 4971. Up aventuere, of si bate wilden
doen van der ommate, die si in sijn lant hadden
ffhedaen, VI. Rijmkr. 3253. Dat si up den andren
aach daer naer met haren vrienden souden comen
daer, om bate te doene ten grave waert, 3261.
— Enen in baten staen, iemand {iets) beteren ^
het hem vergoeden. || Entie meest tndren h«fi
mesdaen sal den andren in baten staen, üah. 1,
191. — Ter baten staen, peniiende dot». \\ It
hebbe mesdaen. Vader, ie wille ter baten stitt,
Sp. IP, 48, 59.
BATELGIEREN. Zie bataelgierex.
BATEMENT (batament), ook abatemem a
BADIMENT (z. ald.), zuw. ooz. Off. esbatetuni ^ttA
wegwerping van het voorv. e*-. In *t algem«a,
Vermaak y genoegen , doch te onzent in bijsoBdm
toepassing: Tooneelver tooning. Zie verder bg Esu*
TEMKNT. II Item van ennige batamenten te spela
ende den waghen te maken , dair sal een jeg^
moiten comen helpen maken, ten ware dat 17
oirloff hadden van den deken. Keur der frofit-
bloem, van 1478, bij Hermans, Geseh. d. &i4ff.
326. Item oft yemant van de gesellen bnide^
worde ende huwelic dede, dair sullen de ^e&eÜa
gehouden sijn een batement te speelen, M.
BATEMENTEN , zw. ww. onz. Van BatemaL
Eene tooneelvertoontng geven. || AI diegcnai,VMt
believen zal te komen zien spelen en batemeita,
ZVl. Bijdr. 4, 138 («. 1498).
BATEMENTEREN , zw. ww. onz. YduBeUsud.
Eene tooneelvertooning geven. \\ De „GhezeUea va
der Rhetorijcke van Meenene," die naer ftoè
komen „batementeirne ende ghenonchte bedrirea,^
Vad. Mus. 5, 46.
BATEMENTSPEL (b.atamentspül), uw. (»
Van Batement en l^el. Tooneelcert4)oniin§. \\ ü
der capellen van der colommen ons Heerai w
gheordineert een batamentspul van der kimb^
ons Heeren, dat seer devoot was aen tesiea.lta
bi sinte Ausbert kerck was een batamentspnlg^
ordineert van der besnidenis ons Heeren. Item T«f
dat convent van den Prekers was een battaoi-
spul hoe dat Judas onsen Here yerriet ende ba
hi den rechter Pilato ghelevert wcrt, dat 1»
innichlick ende devotelick taenschonwen was.fv-
Cron. 184a.
BATEN, zw. WW., onz. en bcdr. Van M
Mud. baten.
1) Onz. — Baten, nuttig zijn^ Aelpen,dtiei^
woordige beteekenis. jj Want hi pant noch ^
beghecrt dan tlijf, wat batet dan behoet? I^
3, 127, 27. Daeme baet wijsheyt toe nock mm,
als daventure dreyt dat rat, D. War. 8, 77,51
Maer om dat vroescap hem ghebrac , sine cfK^
ne baette hem niet II bien, OVl. Lied. s. Oa
447, 182.
II) Bedr. — 1) Enen — , iemand helpci.l1i
goddienstich alle menschen te baten, Ned. Presê^
Hem — , zich zelven helpen. || Die bcestea ^
beter dan sy {de afgoden) , die moghen vlyea edf
dac ende baten hem selven, D. JB. Barmehê,^
(Staten- vert. helpen).
2) Hem — , zich beteren , beter tradUt» *
worden, jj Ie wille bekeren nu ten stonden, ie Wt
gereet, ie wille mi baten, Sp. III', 45, 40.
3) Enen iet — , iemand iete doen strekt»^
voordeel, het hem doen verkrijgen of heAoude^ 1
Ie heb him sijn lijff ghebaet; had iet gheliBL
dat waer quaet, MLoep IV, 1075.
BATERIE, znw. vr. Fr. batterie, mlat èeir^
Keukengereedschap', ijzeren, koperen of bUkka^f
reedschappen voor de keuken, fr. batterie de m^
II Eene meese of eene bale baterien vier d., f^
reglement van 1252, in ZVl. Bijdr, 6, 3S.
BATTEN, zw. ww. onz. Waarschgnlfk ««
wissel vorm van Botten-, bg Kil.: ,,BotteB, •?'
botten, resul tare, resilire,'^ en „bottea *?
601
BATt.
BE.
602
d'water, j. slingheren;" bij Plant.: „Botten,
opbollen, oft stnyten als eenen bal.
Bondif comme un etteuf-^'^ in Hindeloopen nog
,b o 1 1 e , nummofl projicere contra assium compagem,
nt resiliant ad circnlum in solo delineatum, ubi
Indeotes deposuerunt nummos, ob quos certant'*
(Htlbertsma 469). In het Mnd. staat naast den
rorm hotten die van hotten (Lubben 1 , 403 , 408) , ons
hoUtn en bij Diefenb. 265 , wordt ter verklaring van
«Globare, globisare" ook die van y^hotzen^
em tpel," gegeven. Batten zal dan beteekenen
ieileny gooien y kegelen of een dergelijk werpspel.
Terg. Bat (2de art.). In mnd. keuren worden
koten en dobbelen ook gewoonlijk bij elkander ge-
noemd. Het is niet waarscbgnlgk dat bet zou
tamenhangen met eng. to het, wedden, een nog
duister woord (zie E. ^uWer, Etym. WthA, 76),
door sommigen gehouden voor eene verbastering
Tu ahet, door anderen afgeleid van ags. hddy
ptnd. II Njemant en zei binnen Leyden, noch
binnen der vryheyde van Leyden, noch een myle
ommegaens Leyden mit tseylspul dobbelen noch
batten, Leid. Kettrh. 314, 18.
BATTEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als hetten.
Kil fo9ere, /omentit forit appHcatit tepefaeere.
Met Utmp water nat maken , stoven , koesteren. \\
Men sal die stede batten mit warmen water, daer
in is ghesoden camomillen , Lanfr. 92 v.
BATTÜBE, znw. vr. Fr. hatture. Verguldsel',
ran battaren, vergttld. j| Om 1 boet van batturen
te maken van mijns heren wapen. Kek, d. Gr. 3,
358. — Moet men zoo niet lezen ald.hl. 199 voor
Utlerien: Om syn hamasch te maken van bat-
lerien?
BAU. Zie Ba.
BAUBIJN, znw. m. Fr. bahouin; mlat. ha-
éojmitf, hahuynus (Dac. 1, 521). Baviaan. Toen
Reinaert de apin in haar hol zag, zeide hy:||Ic
vaende, het waer een marmet, een banbgn of een
meerkat, ie eo sach nie leliker dier dan dat,
KetH. II , 6518 (var. baknmijn).
BAUDE (boude), znw. o. Van denzelfden oor-
iproDg als het volg. art. : z. ald. Een vrouwenkleeding-
stuk van kostbare stof, een overrok. Het is het-
zelfde woord als het in de 17de eeuw zeer gewone
hotmen ; Kil. bouwen, cgelus , vestis longa, spatiosa.
Zie Berkhey , Nat, Uist, 3 , 584 ; Hoogstraten , Oesl,
B3. II Daer mochte men vrouwen sien ghereiden,
jnpen nte doen ende baude cleiden ende die gordel-
kin« van siden omtrent die wel ghemakede si den,
Partk. 8028. Daer mochte men sien bande hechten,
die kele witten (?) , die hovede slechten, 8032
(Of moet men op deze laatste plaats met Bormans
lezen hande, d. z. linten en strikken?).
BAUDEKIJN, znw. o. Mlat. baidakimts , bauda-
kimts; it. baldaechino, fr. da/^Ai^uM. £ig. naam van
eene naar Bagdad (Baldac) genoemde kostbare
ttof; vervolgens van die stof vervaardig^ goed,
in het bijzonder lijkwade, lijkkleed. \\ After dien
dat de dode ghegreven is, so en sel men enghene
gheraemte noch baudekyn spreden over tgraft,
R. 9. TJtr. 1 , 23. So wat nywe baudekyn of nye cleet
dat toter kerken coemt mit enen doden, dat sel
bliven der kerken, ald. Vgl. verder balüerijn.
BAUW. Zie Bouw.
BAYIT, BAVUT. Zie BOFIT.
BATVEEL, znw. o. Winkelhaak, het timmer-
manswerktnig ; vgl. sp. baivel. || Wel vesteene , wel
ghehonwen achter tbayveel, alsoot meester W.
glieven zal, Jnvent. v. Brugge 1, 460 (ald. Int. 480
verkeerdelijk hagneel geschreven). Brabandschen
steen, wel ghehauwen in haer bayveel, 5, 308.
Zie de noot in het Gloss. 243.
BE , voorz. Toonlooze , door klankverzwakking
ontstane, bijvorm van bi, met de oorspronkeiyke
kracht als voorz., zoowel zelfstandig, als in ver-
schillende bijwoordelijke uitdrukkingen. Ohd. he
naast bi (Grimm, Gr. 3, 254). Als zelfstandig
voorz. komt he slechts in enkele uitdrukkingen
voor, veelal in gewesteHjke spraak, oorspronkelijk
met den 3den nv. , doch later ook met den 4den.
Verg. Bi. Als zelfstandig voorz., doch ook samen-
getrokken met het volgende woord , als dit met een
klinker aanvangt, komt he voor in een paar
staande uitdrukkingen:
1) Fan plaats, in eigenlijke opvatting, thans
aan, te. In de uitdrukking: — Been side —
band er side, aan de eene zijde — aan de andere
zijde, ter eener en ter anderer zijde, waar van twee
partyen sprake is. || Van den ghenen die den verde
ghegheven hebben been syde ende bander syde,
Cout. r. Gent 426 (a. 1297). Welken tyt so eenech
twist ghevalt van poertren binnen den scepen-
domme van Ohend of der buten , alle donsculdeghe
van den maechscepe been syde ende bander syde
syn stappans in wetteliken verde, 427. Hebben si
oec magbe, die negheene poerters ensynteOhend
l)een syde ofte bander syde, 433. Van den ver-
binden tusschen den hertoghe van Brabant ende
sinen lande been side, ende min heere vanYlaenderen
ende sinen lande bander side , Rek. v. Gent 1 , 456.
2) Van tijd, thans hij. In de uitdrukkingen :
— Be dage, bij dag', be nachte, bij nackt. ||
Est be daghe ende by nachte, Mieris 2, 159a
(a. 1315). Alse ochte een mensche worpe een saet
op syn lant ende dama sliepe, ende stonde op be
nachte ende be daghe, Lev. v.J.c.94i. Nichodemus
. . die te Jhesum be nachte quam, c. 174 (verg.
e. 232). Die be daghe wandelt hine mesgheet niet ,
want hi wandelt bi den lichte dat hi siet. Mar die
wandelt be nachte hi mesgheet, e, 183.
— Samengekoppeld met andere rededeelen komt
het voor in verschillende bywoordeHjke uitdruk-
kingen, als in de bgw. van plaats: benorden, be-
oosten, besteden, bewesten, beneden, buten, binnen,
boven, hesiden, en in de gekoppelde uitdrukkingen
begonside, bander side en bedesside\ in de byw. van
tyd: hetide, bewilen; in de byw. bedi (ook yoegw.)
en bedichte. Zie die woorden.
BEANE , naam van een franschen wyn , genoemd
naar de stad Beane, Beaume, Beaune (d.i. Bibracte(?))
Kil. 868 ; doch de lezing van een ander Hs. Beame
maakt het waarschynHJk , dat het een wyn uit
Bearn, dus uit Zuid-Frankrijk, zal zyn. || So wie
vercoopt petau voor njnswyn . . of aucerois voor
beane (var. l>eame) of ander valschede committeirt
in den wyn. Wiel. Instr. 155,558.
BEANXENEN, zw. ww. bedr. Van Jnxene:
zie ald., en verg. Antenrn. Tu benauwdheid, in
een pijnlijken toestand, in gevaar brengen. || Die on se
syn beanxent sere, ende sullen bliven in den
lachter, wine doense keren met crachte achter,
Parth. 5328.
BEANXT , bnw. Of samengetr. vorm van beanxtet ,
óf van be en H znw. anxt. Beangst, benauwd. ||
Als myn hert beanxt wordt, GeUjdeb, S. IQOd.
Hi was beanxt ende bescaemt ende en wiste niet hoe
hi in die last ghecomen was, B. War. 5, 396. Onse
goede luyde . . opter Ysel gelegen dagelix zeer
beanxt ende gevreest syn van onsen ballingen,
Mieris 4, 78&i (a. 1425).
BEANXTEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde woord als
603
BEAISI.
BÈBO.
GÖl
mud. beanrten , doch in intrans. opvatting. Beangtt ,
beducht y bevreeid zijn.\\ WQ . . ., die leider noch
sulck zijn, dat ons harde zeer te duchten ende te
beanxten mach wesen, Bern. W. \c. Vgl. beüuchten.
BEANXTET, bnw., eig. verl. deelw. van het
zw. WW. beanxten y mnd. dtf/i»x^^i» ; verg. onze uitdr.
zich beangtt maken. Beangst ^ bem'eetd. || Waerom
wert die mensche alsoe lichtelic verstoert of be-
swaert of beanxtet om een cleyn dinc? Ned.
Proza 132.
BEANXTHEIT, en -hede, znw. vr. Zorg, be-
moeiing. II Hi gaf hem ten eersten voor sijn
diensticheyt C pont groot ende beloofde hem noch
te gheven voor sjjne beanxtheden ende moeyenissen,
Exc. Cron. 195a.
BEARBEIDEN (beaerbeiden), zw. ww. bedr,
Van arbeiden (zie iild.). Mnd. bearbeiden.
1) I e t — , voor iett arbeiden , teer ken, zijn best doen,
zoowel om iets te bekomen als om iets tot stand
te brengen. || Diet {zijn brood) pacientich beaerbeyt
tsijnder noot, Belg. JbTuf. 6 , 52. Dit voirscr. cloister
. . in onsen namen te bewaren, te vorderen ende
te bearbeiden , Nijh. 3 , 276. So sel u God . . geven
. . hnsen vol guets , dat gi niet bearbeit en hebt ,
B, V. 1357 , 70^. Dat dit ghesciede , dat bearbeide
Hertoch Heynric . . zeer an den paeus, Cl^c 89.
2) Bearbeiden, bewerken, bebouwen, van land. ||
Qaet uut den paradise ende bearbeit die aerde,
B. V. 1357, 2c.
BEBIERT , bnw. Van bier doortrokken, doorweekt.
1) In eig. zin nog bg Huygens 1, 470.
2) Overdrachtelnk. Dronken van bier. || Sijdy al
bebiert? Wat zuldij hier brouwen? Han. H. 12.
BEBINDEN , st. ww. bedr. Mnd. bebinden. Binden,
verbinden. \\ Als een lit is tobroken ende het dan
is to zeer behouden ende to vele ghedecket , Zam/r.
861;. — Ook in de uitdr. bebonden tyt,
hetzelfde als besloten tijt (zie ald.), eig. de
onder een zeker verband liggende tijd en in jur.
zin de tijd, waarop geen recht wordt gesproken. \\
So wie onsculde doen zei, die zelse doen ten
heylighen . ., rechtevoirt, ist bebonden tijt off
gheen, O. K. v. Rott. 27, 68. — Dezelfde uitdr.
wordt in het Mnd. gevonden , zie Lubben 1 , 162a :
„ Gerichtsferien.'''*
Aanm. — Misschien moet in plaats van be-
houden tiden. Leid. Kearb. 26 , 7 gelezen worden
bebonden tiden. Zie Taalk. Bijdr. 1, 240.
BEBLOEDEN (beblueden), zw. ww. bedr. en
onz. Mnd. bebloden.
Bedr. — Met bloed bevlekken. ||- Al weenende
bleven si staende , bebloedende die brugghe metten
bloede van haren voeten, OVl. Oed. 2, 394. Van
den quaetsten (cnecht) bebluet dyn (/. beblueden
die ?) zide , servo pessimo latus sanguinare , D. B.
Jes. Syr. 42 , 6.
Onz. — Bloeden. || Mer die ghesel seer bebloeden
(/. bebloede), Segh. 3338 var.
BEBLOEDICH (bebloedech), -dige o(-dege,
bnw. , gevormd als bedroevich , besondieh , bescitldieh
(zie ald.). Bebloed, bloedig. || Sinte Yincentius . .
versprack die bebloedighe hande. Pass. W. 186a.
BEBODEN, zw. ww. bedr. Mnd. beboden. In
beteekenis gelijk aan het meer gebruikelijke
verboden (vgl. Bel. v. Leid. 371 en 372; Nijh, 2,
115; Matth. Anal. 1, 465). Thor eenen bode
bekend maken , en b^ uitbreiding aanbrengen ,
overbrengen, over brieven. || (Wy) vergeven . . hem
myt desen brieve allegaeder, vuytgenaemen die
geene , die onse argeste an den biscbop van Monster
beboedet hebben, Nijh. 1, 310 (a. 1333).
BEB0E8EMEN (bebosmen), zw. ww. beè.
Mhd. bebuosemen ; mnd. behosemen. Van boeum ii
den zin van familiebetrekking (z. ald.). lemeaéi
a/stamming van of verwantschap met een hepêMÜa
persoon bewijzen , veelal met betrekking tot hooiifn .
uit wier afstamming van hoorigen zijne hoont-
heid blijkt. \\ Wolde dair iemant wei enteja
seggen, dat wil myn heer wysen ind beboeseBM
nae sede ind wairheit desses landes, Racer 4,
199. Weer dair we mede, die die grevebebosaa
mochte, sall die greve beholden, 2, 2^. Eite«
luyde, die den greven hoirden ende hem aff^
gaen weren, die he bebosmen mochte, sall ot»
gnedige heer hem laten, ald. Dat Ltmbot
se (?) sol beboesemen voer den schuit^ fu
Daelen . ., dat Johan Schultinge lbo Druweasfi
maech is, ende Johan Bebinck sol bewgzea, ie.
de II Fuickers sijne maghe sint . . , ende we éit
van desze vorsz. de maechtale beboesemede . . t«
den schulte van Empne, de soll vellich wesa,
Etst. V. Dr. 55.
BEBOLWEREEN, zw. ww. bedr. Mnd. M«A
werken. Van een bolwerk voorzien , versterken, ve-
schansen. \\ Si bebolwercten die kerc te Monteuk»
ende maecten daeraf een casteel , Ejtc. Cron. iOüi
— Ook als wederk. gebruikt. || Die Balja . . .
dede seer groote scade dagelix in den heer, . .
sonderlinghe eer hem die van der stede bebohrem
hadden, Matth. Jnal. 3, 390. Hi bebolwercte ks
daer so dat hi daer bewaert was , B. v. 1357 , ITSi.
BEBORGEN (beburgen), zw. ww. bedr. Mii
beborgen.
1) Enen ~, iemand borgen laten stellen, im
dwingen borgen te geven. j| Dan zoelen de sc«pct
dien gast beborghen , dat hi eene soene sal mma,
Overijs. R. I', 48; verg. 150. Wye berachtisni
ghebrokenen vrede, den sal men beborgcs, V.
136, Opschrift. So wanneer hij {de vr^bnie',
bijnnen Campen coemt . ., so zullen w§ deo b^
borgen, want hy ons sculdich geseget is. Eaè
en mach hij ghene borgen setten , ei^. , ald. J»
men alle inwoenres beborgen sal ende niet bieda
laten van ondade, van vechtlic of Tan aaien
quaden feiten, I', 157. Dat men aUe bentcklf^
lieden van ondade . . . antasten sall ende stf
bieden laten ende alse dan beborg'en laten of setie
na guetduncken des Rades, ald. Van den gkaa.
die hem des verweren wille, als mense bebmrf ba
wil, Stadsr. v. Zwolle 61, 42; vgl. 43. Weert ii
een twist ghevelle binnen onser stat Tiiheh ni
gasten , ende men die beburghen solde . . abo ét-
der scepen of raet daer gheen bi en were ende ^
stad boden daer eerst by quamen , so soldei n^
den ghast beburghen , 70 , 70. Soe wie desen vn^
breken , sie sin burghere of ghasten , die salvd
daer voer beburghen met burgheren, die èe
scepenen dunket, 49, 8.
2) Ene dinc — , borgtocht stel/en voor iei
t. w. voor goederen enz. || Stunre enich
Swolle die onmundighe kindere achterlete, 90 d
die ghene die gheboren mumbaer is , cobks ^
die scepene van Swolle, eer hg dat goet aiaf^
ende beburghen al goet dat die kindere kefe^
Stadsr. v. Zwolle 131 aant. 2). Yoert meer » &
salmen nement hogher bevreden, dan siis g^
weert is, off dan he beborgen kan, Warfutmt^'
26. Die (tilbaer guede) sidl aylke beborgea. (9t
We syck rechtes vermodet daer to hebbes. ^
mach dat jaerlix anspreken in de groote birci
stede ende beborgen, 83. Wee syn brocke a.^
beborget noch pande voer setten can,
u
605
BEBR.
BECH.
606
306. Den ienten recbtdach na deme als de brocke
gesceet ist, (die) besetten ende be borgen , aA/. 307.
BEBRAEMT , bnw. Met braamstruiken begroeid. ||
il Tiert dat hi {de weg) bebraemt ende bedorent
if, Pelgr'm 42«; vgl. Ferg, 1606.
BEBRIEVEN, zw. ww. bedr. Van Brief, hand-
Test, oorkonde (zie ald.). Mnd. bebreven; by Kil.
^Bebrieven, literis mandare , irutrumentié inscri-
ierer
1) Eigenlgk. Door een brief bevestigen ^ bij ge-
Kkrifte erteunenj toezeggen, vaststellen, overeen-
komen. II Ende die slnzen, hnelen ende wateringen . . .
mit hoeren toebehoeren snllen bedriven die dijcgrave
eode rechters, dairse onder gelegen ende van ons
bebriefl sijn tot ewigen dagen , Mieris 4 , 355 b
(fl. 1415). Als voirtijts tasschen onsen genadigen
Heere van Hollant . . . ende onsen lieven Heere
Tan Gelre overdragen ende bebrieft is, 421a
(«. 1417). Eer haer ordinanchie, die sü geraemt
ludden, bebrieft ende gevesticht geweraen const,
Brêb. r, Dl. 2, bl. 708 {a. 1403), Want wy . . .
OBsen overste rentmeister onser lande van Gelre
.ille onse renthen ende gulden bebrieft, besegelt
ende bevallen hebben, Nyh. 3, 212 (a. 1399). Dat
vy . . . van ghenen veeten . . ., dair w|j ende
ki elc des anders hulper in wesen sullen, gelijc
¥y dat die een de andere bebrieft hebben, niet
en lallen zuenen, 290 {a. 1409). Alsulken vrede,
tls gestaen heeft ende bebrieft is geweest tusschen
den . . . Hertoige Reynolt . . . ende ons, 383
(«. 1422). Die jaerlixe betailinge sal gescieden met
penningen nae den swairen gelde gainck hebbende ,
ten weer anders bevoirwairt ofte bebrieft wair,
Belg. Mus, 3, 87 {a. 1477). Ende dit . . . wert
bebrieft an beiden siden, Matth. Anal, 3, 353.
Voir meer benoemder punten, die al bebrieft sijn,
die Hertoghe .Jan besegelt hevet , 376. Geen notaris
brieren van weerde sullen wesen . . ., ten sij b|j
consente vant gerecht der stede ende dat bebrieft
(/. bebrieft ende dat?) metter stede segelen be-
sefelt, off met twee schepenen brieven, O. K. v,
EmU. 9, 40. Bededingen ende bebrie ven , Lams 69.
— In de vereenigde uitdrukking: Bebrieft
ende onbebrieft, beschreven en onbeschreven, \\
Alle hoir privilegiën, hantvesten, gherechten, scepen-
dom , vriheden ende rechten , die si tot desen dage
toe vercregen mogen hebben . . . , hoedanich datse
lijn , bebrieft ende onbebrieft , Mieris 4 , 848 b
(«. 1426).
2) Figuurlijk. Met brieven bevestigen , en bij uit-
breiding vastj bestendig maken. In bet verl. deelw.
tls bnw. gebezigd, vast, bestendig. || Ach hoe edel
was die Heft! hoe vast bezeghelt ende bebrieft
wu sj! MLoep II, 575. Al waersi beter uuten
linne dan daer in , tis doch lieft , by wilen harde
dnen bebrieft, III, 322 var. (d. i.: liefde die som-
tgds zeer sterk bevestigd, diep geworteld is).
BEBÜRGEN. Zie beboroen.
BECEDELEN, zw. ww. bedr. Van Cedele (zie
tld.). Eene acte van iets maken, iets op schrift
hengen. \\ Die pointen van den koere sijn geopen-
baert ende becedelt , daer die copie van den brieven
ende daer toe die pointen hier nae gescreven staen ,
V. d. Wall 530 (a. 1437). Wart gecundicht een
ordinancjre becedelt, in wat manieren datmen die
maten geken sall , so hierna volcht , O. R. v. Dordr,
1 , 2%. By enen seegen , dat by gueden mannen . . .
ontgesproken , becedelt ende besegelt was mitter
seggers segulen, 2, 120. Vgl. Bebrieven en
BECHAERTERERRN.
BECEFFEN. Zie Beseffen.
BECHAERTEREEREN (bescaertereeren ,
besaertereren), zw. WW. bedr. Van chartre,^.\,
oorkonde (z. ald.). In beteekenis gelijk aan het zuiver
mul. bebrieven (zie ald. en verg. ook Becedelen). In
een charter beschrijven. \\ Dit was daer gheconfir-
meert, alse men seide, ende bescaertereert , Brab.
T. V, 1581. Om dat vaste te besaertereeme, ende
met zegelen te confirmeeme, Edew. 1027.
BECHTE. Zie Biechte.
BECINGELEN (besingelen), zw. ww. bedr.
Van Cingel, thans singel, lat. cingulnm. Omsingelen,
omringen , omgeven. || Een stede , die al om me mit
lopende ry vieren becinghelt was, Fass. W. 188</.
Als hem dese hofmeester om (d. i. rondom) sach
becinghelt met desen beesten , soe was hi zeer
vervaert, Gest. Bom. f. 146A. Sij en besinghelden
Tymotheum in dien steden niet , 1). B. II Maceab.
12, 18.
BEDACHT (bedocht), bnw. ^Ln^. bedacht. YXg.
verl. deelw. van bedenken, als bedr. of wederk.
WW. In verschillende opvattingen.
I. Als deelw. van het bedr. ww. bedenken.
1) Van bedenken in den zin van overleggen, over-
denken (zie ald. 1,2). Qoed overlegd, doordacht, scherp-
zinnig. II Ie hebbe groten toeverlaet op uwen wysen
bedachten raet, Troyen 2964. Bi bedachten moede
ende wisen rade , Brab. Y. VII , 1297. Wi scepenen . .
maken cunt . . dat oamen voor ons bedochten sinnes
ende wel beraden , na een goed plan gemaakt , de zaak
goed overdacht te hebben , na rijp beraad, Vad. Mus. 2,
369. Met gueder bedachter voirsienicheit, V. d. Wall
460. — Met bedachten moede, met voor-
bedachten rade. \\ Of een broeder niet van ver-
ghetenthede maer mit bedachten moede uten huse dar
comen , D. Orde 262. Of een broeder . . des capetels
hemelicheit of raet mit bedachten moede melt , 265.
2) Van bedenken in den zin van verdenken (zie
ald. I, 3). Achterdochtich , boosaardig. \\ {Kains)
felle bedochte maniere maecte die Gods vrienscap
diere , maer Abel vant so wat hi sochte , Bind. 949.
3) Van bedenken in onze bet. : bedocht in iet,
vervuld van iets, zich toeleggende op (vgl. BE-
DACHT SIJN, 2a). Il Een eerbaer man .. bedocht in
eerbaerheit der zeeden ende in kuyscheit des levens,
Ned. Froza 240.
II) Als deelw. van het ww. hem bedenken.
4) Van hem bedenken in den zin van bij zijn zinnen ,
bij zijn verstand zijn (zie ald. Wederk. 3 A). Bij zijn
verstand, het gebruik van zijne zinnen en van zijn
denkvermogen hebbende. \\ Ie M. . ., wel vorpeinst
ende bedocht van minen vijfsinnen, machtich van
miere redene, Invent. v, Brugge 1 , 497 (var. bedoch-
tich, Gloss. ald. bl. 592). Vgl. bedachticii.
III) Vooral in verbinding met het ww. zijn of worden.
Bedacht of bedocht syn. Mhd. beddht sin (Ben.
1, 348^; Lexer 1, 139).
5) In de tegenwoordige beteekenis van bedacht
zijn op, in het Mnl. bedacht sijn in of met, d. i.
zich toeleggen op, zich bezig houden met. \\ Si sijn
in doechden so bedacht, dat si gherecbtichede
minnen, Hild. 41, 78. Ende sijnse in doechden
soe bedacht mit wille , ie heipet voerwart tyen ,
203 , 263. Als alle zonders syn bedocht mit bedinghe
in der heiligher kercken, 162, 88.
6) De Mnl. uitdrukking bedacht sijn splitst zich
in drie hoofdbeteekenissen , al naarmate z|j eene
werking uitdrukt van het denkvermogen, van het
gemoed, of van het bewustzijn. Vgl. bij hem be-
denken.
a) Van het denkvermogen gezegd: denken, zijn
verstand gebruiken.
607
BEDA.
BEDA.
608
a.) Mei een bijw. yerbonden: — e vel, qualike
bedocht sijn, eene verkeerde meenifig hebben^
onverstandig zijn (vgl. Hem BEDENKEN A. a). || Her
Jode, ghi sift evel bedocht, Theoph. 526. Lief kint ,
ghi 8ijt qualike bedacht; dien tyt hebdi qualijc ont-
houden, Rubb. 61. Dat als qnalic beoacht ende
beraden sij n geweist sijn eenen langen tgd weder-
spennich ende ongehoirsaem, V. d. Wall 597 (a 1456).
— Dnllike bedacht syn, dwaat zijn. \\ Die
sinen vrient verwerct om enen vreemden dien
hi sterct, is dnllike bedacht, Ltp. III, 3,
427. — Wijslike bedacht sijn, verstandig
zijn. II Hi was wijslike bedacht, Serv. I, 1202.
— Vooral gewoon in de nitdr. wel bedacht
sgn, verstandig, bekwaam, schrander, vernuftig
zijn", met overleg handelen', na rijp beraad en wiet
kennis van zaken handelen. \\ Das is hi wgs ende
wel bedacht, die hier sijn rekeninghe maect,
datse daer blijft onghelaect, Hild. 247, 104. Met
rechte weet mens den gonen danc, diet {het zwaard)
maecte: hi was wel bedocht, Wal. 8286. So wat
mensche heeft ontfaen van Qode redelijc verstaen . .,
die sal, is hi wel bedacht, dese gaven altoos keren
te Gods dienste, Lsp. I Prol. 16. Stont was hy
ende wel bedacht ende een man van groter jnacht,
Troyen 6588. Die cnape was wel bedacht, H^al.
4438. Isengrijn was wel bedacht, Rein. 1,1920.
Sinen scilt . . . laet hire , hi es wel bedacht , Ferg.
1596. Hine was niet wel bedacht, Wal. 11175.
Die coninc Wonder was wel bedacht, 936. Die
voestermoeder was wel bedacht, Parth. 207. Hi
(God) es altoes even wel bedacht, 8394. Opdathi
is wel bedacht, Lsp. II, 23, 91. Die riddere was
wel bedacht, Lanc. III, 18502. Die se (die tafeU)
makede, was wel bedacht. Terg. 1288. Diene (het
kasteel) maken dede, was wel bedacht, Lanc. II,
46735. Diese (de fonteyné) maecte, was wel be-
dacht, Wal. 3559. Diene (den spiegel) maecte , was wel
bedocht , Rein. II , 5902. — Ook in den vergrooten-
den trap : B e t b e d o cht s ij n. || Heren sijn so in eren
gehecht , ende van herten soete ende slecht , dat si
sijn telker ure bedocht bet dan ter care, Verk.
Mart. 88.
^ met den 2<l(^n nv. der zaak. Des bedacht
(bedocht) sijn, eig. over iets gedacht hebben, ^.\.
op de hoogte zijn, zeker van iets zijn. (vgl. Hem
BEDENKEN , A , b). |j „ Vrouwe, in bens niet wel be-
dacht,"... y^mAT ie sal seggen van dien poëten al
wat sire toe segghen, Cass. 1658. Here, ie loeft,
ie bens bedocht, Ferg. 686. Ie bem dies haerde
wel bedocht, dat Blancefloer, die vrouwe van
Spanien . . . noch Blancefloer van Beanraparen,
van scoenheden haer niet engheleken,^/^;r.yill, 102.
Datti gene ware daer, die de mort hadde gewracht ,
dies waren si alle (wel ?) bedacht , Lanc. Il , 44353.
y. Eene bepaalde gedachte hebben', van plan, er
op uit, besloten zijn (vgl. HEM BEDENKEN, A,d). jj
Si sjjn beide alsoe bedocht, ende hebbent bi dieren
eden ghesworen , hine es op eerde niet gheboren ,
diet soude beletten met siere 'macht. Wint en S.
418. Des ander daees was hi bedacht, dat hi niet
langer wilde ontbiaen , hine wilt om sine aventnre
riden, Lanc. II, 41150. Wie sidi, ende hoe sidi
bedacht, dat ghi te deser tp van der nacht hier
comt ghereden in dit woeste? d. i. hoe ktmt gij
het plan maken, hoe komt gij er toe, hoe komt het
u in het hoofd'f Wal. 8773. Die Joden waren saen
bedocht, ende groevent wel XX ghelachte onder
derde, V. d. Jloute 670. (Hi) keerde thnuswaert
weder, also bedacht, dat hi die vaert setten wonde
te Yrancrijc waert, Edew. 256. Juliaen sachse
ende wert bedacht , hij was er op uit, er tpuij
bij, dat hi hem seinde; die doTele yloen,^. II*.
23 , 50. Sijn herte hem te seinne riet, iIm ki
dede; hi waes bedacht, III^, 30, 28. DosYorda
si daer also bedacht, dat si hem vrageden ita
ter stat, hoe die pays waer gesat, lY*, 38, U.
b) Van het gemoed gezegd.
a) in eigeniyken zin: te moede , gestemd [y^
Hem bedenken B). || Soe waren si Yoadei^
bedocht, Hild. 5, 184. Ses weken, . . dit ki
daerin (in den kerker) besloten lach , dit ki sobk
no dach ne sach ; aes waren sjn kindre tns
bedacht, Velth. IV, 42, 78, d. i. somber, inef-
geestig, zwaarmoedig gestemd. — Ook met da
persoon in den Sden nv. || Och, mi en wuaie»
lede bedacht, ik was nooU zoo droej U nadt,
als mi es tot deser ure, dat ie die scone ereitiR
Sandrijn dus heb verloren , Lansl. (H) 531.
fi overdrachtelijk. Gezind. || Alsoe enwaskni
bedacht, dat ie u doen sonde enege scande, ZmI^
140. Waer desé rndder also bedocht , of ie gk«ée
an hem sochte, dat hem danne mijns ferdodto.
men sout hem prisen emmermere. Wal. 4296. Hf
was gheystelick bedacht, Serv. I, 2217, 31iL
Altoos es soe in dien bedocht, dat soe wille vna
in die sale. Wal. 1126. Alsoe saen alse die he)^
waren brocht, was hi andersins bedocbt, iw i^
weer van gezindheid veranderd. Rein. 1,82.11^
volc dat hoorde, so werttet verslagen ia k«
selven ende anders bedacht, Exc. Cron. 14U. Hiff
en binnen werden die Brabantsche herei udgi
bedacht, 150r. Dat ie bin also bedacht te doof il
dat si gebiet, Sp. 17», 51, 26.
c) Bedacht sijn, yan de bewustheid f^
Zijne bezinning terugkrijgen , tot sieh zeisen ksêB
(vgl. HEM BEDENKEN C). |i Als die vionwe «
bedacht, doe sprac die hoofsce Urake, ?arM.3^
BEDACHTELIKE (ook met klankwisselii^K^
dechtelike), bijw. Met voordacht, -met ne-
bedachten rade, opzettelijk. || Dat hg bedecbt#i
nye daeraen en mysde (d. i. miste) noch enloeel.
Serv. II, 2940.
BEDACHTHEIT (bedochtheit), znw.Tr. Om'A
bedachtzaamheid. \\ Echt sal die jongbe wX ^
dochtheit ende tragheliken antwoirden, vut"
improviso fallitur omnis homo, Matth. 49.
BEDACHTICH (bedochtich , BEDECHTin
bnw. Mhd. bed4htie.
1) Voorzichtig, verstandig, bedachtsaeM. \\^
hertoghinne Alijs , die bedachtich was ende «f»
Heelu 171. Doch waren die Grieckcn ctecktJ^
ende van orloghen so bedechtich, dat men »^
mochte ontraden, Troyen 2797.
2) Standvastig , onwankelbaar, jj Bedochtigkefi^
hoirsamicheit, Devoet B. (30) lOlr (vanChru»
3) Van bedacht sijn in den zin via f*^
zijn (zie ald. II). Geneigd, gezind. \\ Willedi f*
nu bedachtich, mi te hulpene te deser ikw<, '
wille u dienen tote in mijn doot, OVl. bd>^
Ged. 333.
4) Goed bij zijn verstand. Zie een voorbeeWf
BEDACHT 2).
BEDACHTICHEIT, en -hede, znw. tt.:*
bedachticheden. Yan bed€tchtich (zie ald.).
1) Verstand, denkvermogen. \\ A\\e ^tps^
men wel, die in desen dans quamen, dat $i
zin verloren dair bi ende al hare bedacbtec'
Lanc. II, 18220. Got . . . soutti mini»
alle dire herten ende van alle dire zilen
ende met alle dire bedachtegheit, L. v. J. f-
2) Bedachtzaamheid, behoedzaamheid. \]Jkf^
6Ó9
BÈDA.
fiEDA.
610
draget meltheden , dander reine oetmoedichede . . .
dat negende (ene) bedachtechede , Zanc. III, 15270.
Bedochtichejt maectet hert altoes sacht ende
ghemoede, Devoet B (30) 102 r.
3) Standvattigkeid ^ vattberadenheid , \\ Ghehoir-
saemheit ende bedochticheyt , daer hy syn sielliet
Tan hem sceyden, dat was een teyken groter be-
dochticheyt, die in sQn {Ckritttu*) herte was,
Devoet B, (30) 101 v,
4) Yan hedaehtich in den zin yan gezind (zie
ald. 3). OesindAeid, wil. \\ Albrecht... doen cond
allen Inden, dat wi met onsen yolcomene(n) wille
ende bedachticheit omme nntscap . . . van ons ende
onsen landen hebben gheconsenteerd enz. , Y. d. Wall
281 (tf. 1367).
BEDADINGHEN, zw. wv.hfièi.N^Ji dadinghen -,
zie ald. en Terg. bededinghen en bebrieven.
Mnd. bedadingen. Eene dading^ eene overeenkanut
sluiten^ bij dading of overeenkonut toezeggen of voor
sich bedingen, \\ Öic spraken zi mitten wisselair yan
Dordr. dair zQ dach an bedadingden, van toten zij
een termijn bedongen , BeL v. Leid, 202. Gelgc als dat
in horen eersten yoirwairden bedadinct was , 289. Die
mare qnam onder den yolke, hoe dat die ^raye
Tan Oleye die moerdenaers hoir lijf sonde willen
laten behonden ende dat bedadingen, Clere 140.
Yan heren Wühem yan Bueren is snnderligh be>
dadingt, Ngh. 4, 212 (a. 1446). Yoirt hayen wir
cleirlich bedadingt, dat in desen . . . bestanden
mit begriffen sgn enz. , ald, 213. Dat nn by tnsschen-
spreken onser beider fmnde bedadinght is, ald,
387 (a. 1467). Wes hnn dan mit rechte ofgewonnen
wort, of dat sii mit genoege bedadingen, dair of
snilen wil hebben die tweedeel ende onse stede
dat derdedeel, Y. d. Wall 414 {a, 1402). Heeft n
Titns yet bedadinct {zijn voordeel van u gezocht)?
Hebben wi . . . niet in enen gheeste ghewandert ,
Mt. 76 , II Cor, 12 , 18. Heeft n Titnm (/. Titns)
yet bedadinct? He, Bpist. 67 a; glosse: Dat hi
yet seide: „Wilghi den apostelen hebben, soe
moet ghi wat gheyen." Off die . . . hertoge yan
Gelre den coopmanne Torder hierlnne bedadingen
wolde, der sesse stnyers yoirsz. ontslagen te wesen,
Y. d. Wall 653 («. 1444). Off die hertoge yan
Qelre . . . aiin selfs steden ende ondersaten tot
eniger iiji bedadingen wolde, ald, 554.
BEDAËK, bnw.; eig. dcelw. yan het ww. be-
doen] mnd. 3eddn^ mhd. betoon. Bedekt met, voor-
zien van, II Cancarides, als wie gomen, wassen in
bladen yan bomen, teerst als mpsemen ghedaen,
dan met yloghelen bedaen. Nat, BI, YII, 455. —
Hoewel alle andere Hss. bevaen hebben, zal toch
^daen wel de oorspronkelijke lezing z|jn. Nog
^eden heeft zich bedoen in de yolkstaal den zin
ran ziek Bevuilen, zich met drek bedekken,
BEDAERF, BEDAERFLIJG , BEDAERYE , BE-
DAEBYEN. Zie bederve, bederveluc, be-
>ERVEN.
BEDAGHEN , zw. ww. onz. en bedr. Yan daghen,
Onz. — 1) In eig. zin. Dag worden, aanbreken,
^aan. Mhd. bedagen, || sMaendags snachts als
licendach bedaghede, Óron, v, Flaend, 2, 126.
lier is bedaecht een salighen dach, die ewelQck
oer onB Uchten mach, Hild. 58, 237. Ons is een
wich liclit anschgn ende een salich dach bedaecht ,
2, 3. Als ons die leste dach bedaecht, 134,
6. Ban sel die swaerste dach bedaghen , dien God
sr werlt ye warden liet, 136, 236. Die dit qnade
och sal Teijagen, hem sal een salich dach bedagen ,
Cerk, CL 218.
2) By uitbreiding. Opdagen, verschijnen, zich
\
voordoen, zich vertoonen, \\ Her graye yanLnthsen-
borch ! n es bedaget dat ghi lange hebt gheiaghet ,
Heeln 5770. Ie waenre lettel bedaghet . . diere , die
men hier ghewaecht, Lsp, 1, 25, 83 var. Hort, Yronwe
{Maria), wat lüen n saget: ghenadicheit es in u
bedaget, Vierd. Mart. 216; d. \, in u is genade
opgedaagd voor de menschhetd, of zij is in u opge-
gaan, d. i. gif zijt vol van genade. Sgn goede
werke ane hem bedaecht, so wert syn woert na
recht gesmaect, wanneer goede werken, de beoefe-
ning der deugd voor hem is opgegaan, d. i. wanneer
hij vol goede werken is, zelf het goede doet, dan
hebben ook zijne woorden invloed, Èincl, 359.
3) Met eene zaak, meestal iets onaangenaams
uitdrukkende , als onderwerp en een 3den ny. yan den
persoon. Overkomen, treffen, eig. over iemand opgaan ,
aan iem, verschijnen. || Dies moeten si in thelsche
slop, dat {l. daer) sal hen wee bedagen. Vierde
Mart, 241. Wanneer mi noet of anxt bedaecht,
Bincl, 745. Lachter moet n siin bedaghet, Lett.
N, R. 7', 139, 297. Grote onnere sal mi bedaghen ,
Ferg, 2077.
Bedr. — 1) In eigenlijken zin. Beschijnen, \\
Een w^flic beild mi so behaecht, al tmerdet al
dat dach bedaecht, ie loughe, waric hoer liefste
man, OVl, Lied, en Oed, 141, 8.
2) Yan daeh in den zin yan termijn. Een termijn
verleenen, tot een bepaalden termijn in vrijheid
stellen of laten (ygl. daeh hebben, Ngh. 4, 127;
en zie yerder dach). || Wg doen kondt . . . dat wij
Joest yan Yorden als stratenscheynder bedaecht
hebben ind mitz desen bedaigen sess weken lanc,
Nijh. 6 , 714 {a, 1522). Een deel Geldersche mtere . . •
hebben de ti^flizte yan onser ridderscap . . . ge-
yangen, enige bedaget ende yier. . . mit sich ge-
yoert, ald. 101 {a. 1521).
BEDALLEN, bgw. Yan het yoorz. bed, in bet.
met met oyereenkomende. Zie bet (2de Art.). Yooral
in de byw. nitdr. albedallen en niet bedal-
len, dat in bet. met ons niemendal (Yan den armen
Inden, die niet bedallen en hadden, D, B. Jerem,
40 , 7) oyereenkomt. Zie de nitdr. bg al , kol. 320 ,
en ygl. DUU. 2, 225: bed all e, omnino,
BEDAMMEN zw. ww. bedr. Mnd. bedammen. Met
een dam voorzien, af dammen, \\ Omdat si ene . .
wateringhe bedammeden. Bek. d. Gr, 1, 278.
BEDANEELIJC, bnw. — 1) Aangenaam, welge-
vallig, \\ (Hi) iQeddene tote Dommeline saen, diene
yriendelike heeft ontfaen met woorden, die waren
loyelic zeere ende bedanckelic Gt>de , onsen heere ,
Amand II , 4145.
2) Dankbaar, Zie het yolg. Art. en ygl. dano
baer en Dancsaem.
BEDANKELICHEIT, -hede, znw. yr. Yan
bedankelijc, in den zin yaik dankbaar. Dankbaarheid ,
erkentelijkheid. \\ Ute dien dat . . die hertoghe
yan Orliens . . . hem dronch ter yorseyde stede
waert zeere jonstelike ende yriendelike, so was
hem in bedankelicheden ghegheyen 120 iè, Invent.
V, Brugge 5, 169.
BEDANKEN, zw. ww. onz. en bedr. Met
den 3den (later ook met den 4den) ny. Mnd. bedan-
ken. Tot dank verplichten, reden van tevredenheid
geven (ygl. Lubben 1, 165.) jj Dat hi Henric ende
zinen maghen bedancken ende yorderlic wesen zei
ende oec der stat yan Utrecht, B, v, Utr, 1, 81,
19 (tf. 1367).
^ Yandaar het in de 17de eeuw gebmikeiyke bnw.
, ^ jjnk t , tevreden , vergenoegd. Zie Oudem. 1 , 380.
YooriV als wederk. ww. Hem bedanken,
ug^ee^ems gé\\)k aan het meer gebruike-
iO 20
611
BEDA.
BEDA.
612
l^ke Hem beloven^ met den 2den ny. der zaak
(zie ald.). Zich zelven tot dank voor iets verplicht
achten , zijn dank betuigen^ tevreden zijn , in zijn êchik
zijn. II Hierommef helich heere mün, so bedancke
ie mi uwer ghenaden, eiide wille wesen vroach
ende spade u knecht ende u dienstman, Amand
II, 3095. Voort bedancte hi hem algader der
dnecht, die hy hem gedaen hadde , 3908. — Meestal
verbonden met den 2den nv. Tan een vnw. of eene
bepaling met van, \\ Al des selfs mochten wale
die ander heeren altemale van Brabant hen be-
dancken, Heelu 8669. (Si) baden den drie staten
op minne, hen te bewisene alsoe hier inne, alsoe
dats hem in sgn ghedochte die Roemsce coninc
bedanken mochte, Brab. ¥. VII, 6206. Welc
rnwaertscap droech die heere, dat hem des tlant
bedancte zeere, 17139. (Hi) gaf hem daermede
{met kokend water) sjjn deel after op sijn lenden,
eer hi danen sciet, so dat h^s hem en bedancte
niet, zoo dat hij daarover niet bijzonder in zijn
schik loas, Rein. II, 7498. Ie hebbe enen rudder
. . ., dien sere na n comen lanct, ende dies
hem lettel bedanct, dat icken bi mi soe lange
houde, Limb. V, 1822. Dess wg ons vrientelick
aen hem bedancken, Ngh. 4, 229 (a. 1448). Des
ick mj bedanck, ald. 194 (a. 1443). Des wi ons
bedancken, dat siit ghedaen hebben, V. d. Wall
I, 185 {a. 1340). Her somer here, dies moetic
mi van n bedancken emmermere, Wint. e. S. 546.
Nie en hoordic, sonder nn, dat hem iement van
enich dinc bedancte, daer hi mede omginc. Rein.
II , 4850. Daeraf die man hem sere bedancte , dat
dit hondekyn dit seer dreef, Velth. IV, 56, 28.
(8y) bedancten hemlieden . . van der steede van
Bnigghe ende van someghen goeden lieden, die
hemlieden duecht ende almoesenen ghedaen hadden,
Cron. V. riaend. 2, 94.
= Nog in de 17de eenw in gebruik. Zie Oudem.
1 , 329 en 330.
BEDAREN (Hem-), zw. ww. wederk. Ndd. be-
daren. Zijne hartstochten bedwingen^ zich zelven
beheerschen. Voor den oorsprong van dit woord vgl.
eng. dare, d. i. bevreesd zijn , tvegkruipen^ en E. Muller
Etgm. Wtb. 1, 313. || Op dat een yghelic hem
bedare ende wüslic minne sijn wederpare, MLoep
1 , 323. — Ook in den zin van tot zich zelven
komen ^ ontwaken. || Dese eerbaer vrouwe van hogher
love heeft haer van den slape bedaert ende is
ghegaen ter haven waert, 1548.
BEDARF, BEDARVEN. Zie bederve, be-
derven.
-BEDAUWEN (bedouwen), zw. ww. onz. en
bedr. Mhd. betouwen.
Onz. — 1) In eigeï!\^\ie:n. zixi. Met dauw besproeid
worden^ zich met dauw bedekken. || Echt so bat
die deghen snelle des anders nachts dattie vocht
droghe bleve bider Gods cracht entie erde be-
dauwen soude , Rijmb. 7516. Alse een die bedauwet
es, velut quodam frigido rore perfusiis ^ Sp. III*,
34 , 55. Tvonnesse der alrehoochster zaken sal die
aerde bedauwet maken, Lsp. II, 15, 83.
2) Bij uitbreiding. Vochtig^ nat, doorweekt
worden. || So menghen stortten hy dat bloet, dat
hy dat velt bedanwen doet, Troyen 1712. Dat
gras was bedect (/. bedaut) met \A^^\t,iammadet
herba, Alex. III, 232 {bedect is ontstaan door het
woord bedoelen van den volgenden regel).
Bedr. — 1) Eigenlek. Bevochtigen, nat maken,
d4>0Tweeken. || Die trane die hi utegoot, dat bet
bedanwden altemale, Parth. 8239. In orcond-
scepen van rouwen wil ie die oghen mijn bedouwen
. . . met tranen, OVl. Lied. en Ged. 3, 57. Dit
crenseiyn is bedouwet mitten edelen bloede ^t,
Hor. Belg. 10, 186. Zij (d^ vrouwen) pOi èï n
een bedauwet nat tusschen de been, Fr.Heim,fiIi.
2) Figuurlijk. Besproeien, overgieten. \\ (Dttjmi
uwe gracie so bedauwe, dat mi de dnvel oiet a
ghelauwe, Praet 177. Die bedauwet es met roiies
ende vreese heeft in syn ghedochte, 357.
BEDAÜWER (BEDAUWER), znw. m.Yerg.iBiit
bidaldus, bidardus, Hdarius, bidaudus (I)ac. 1,
675, 676); ofr. ^u^la»^ (Roqnef. 1 , 154). Beoumii
van ongeregelde lichte Fransche troepen , de Tveo's
en Zouaven onzer dagen , die in de voorste rjei
vochten en als tirailleurs dienst deden; vaai-
schijniyk van Spaanschen oorsprong. By Daji
Sauvage : „ Bideaux — Bedauri , homines tgiles et
parvi, genus Hispanicum^\ volgens Meyeradtii.
1304, bl. 122 (zie Kausler, Benkm. 1, bl. 5861
In eene plaats uit Guiart, aang. bg Dnc, worda
z|j aldus beschreven : „ De Navarre et deven hr
pagne reviennent Bidaus k grans routes, desqiia
les compagnies toutes en guerre par accoostiuaaet
portent des dars et une lance , et un contel i b
ceintnre: d'autres armeures n'ont cure." Vaniw
zij hunnen naam ontleenen, is niet met zekeik^
te bepalen. II Chaerle sonder letten mee,Uet4a
Damme in de stede CCC bedauwers , F7. jBt}«*.66ö.
Dese en hebben niet ghelet , sine quamea ve.
crachte te Damme in, dat was den beduvel
onghewin, want sy worden daer versleghen, 6701
Dit waren bedauwers arm ende naect die U
Groningen waren geraect, Velth. IV, 45, 9. D»
waren pover naecte bedouwers, die liepen tot».
IV, 48, 82.
BEDAUWINGE (bedouwinge), znw. tt.Tb
bedouwen in den zin van bevochtigen (ziealdl^^
vochtiging, besprenkeling. \\ Dit is properlic «
bedouwinge ende een driakel teghens die iT«t-
heit, Con. Som. 188 a. Van welcken dat hfltÉ
vercrighet een zoete bedouwinghe , ende die ^
spruten een guede wortel ende wel ghctempff^'
ald. b.
BEDDE, znw. onz.; verkl. beddekijn, -kiv
Mnd. bedde. Zie over den oorsprong na ^
woord Grimm , B. Wtb. 1 , 1722 ; Kluge , EUfn. f^
26, en vooral Kern in Tijdschr. 1, 37.
1) Bed, in de tegenwoordige beteekenis: fe>
4000, Flor. 3277, 3334; Wal. 1313; Oendsch CkU
54 , waar het leveren van bedden in geval van ^■
als een landsheeriyk recht in sommige ^^
vermeld wordt, enz. — Een zieke bedde,*
ziekbed. \\ Enich man die leghet in sinen vM
bedde , Stad«r. v. Zwolle 131 , 223. Vgl. dode han^
doodbare; en in doden graven, 'Nat. ^/. II, 2066--
Enen te bedde doen, ievumd te bed bren^^'
Mettien heifti orlof gegheven den enapen dieie^
bedde daden. Wal. 2660. — Te bedde ^iU»»
bedlegerig worden. || Hierna so wert die edelGï^
cranck ende viel te bedde, Matth. JnaJ. 1. ^
— Een bedde maken, een bed opmaken, 'ti*
Middeleeuwen het werk van manneiyke, a>i^
van vrouweiyke bedienden. || IHe beddea f*f
wel ghemaect. Wal. 1311. BIn desen quises ^
garsoene ende ghingen maken in die sale die be^
2592; zoo ook 2601; ««. — Dat (een) b«^^
breken (tebreken), op een op^evuuikt ieé f^
liggen en het beslapen , het bed gebruiken , té tedfi^;
een tebroken bedde, een gebruikt, besléff* ••
Verg. hd. ein unzerbrochenes ^^/^ , een niet bei^
bed; sin bett brichen, het gaan beslapen (tini^
D. Wtb. 1, 1723 b), en BREKEN. || Die b^^
613
BEDD.
BEDD.
614
Nprac: ^Ic soats mi scamen^ qname yement ende
vande mjn bedde tebroken, BoerdenX^ 21. Alssic
mjn tweester een beddekin hadde ghebroken, doe
ghyngic soken by der rooder mondt, in dieaerm-
klus wit, up die borstkins rondt, ZVl, Bijdr. 6,
331, 128. — Eens bedde breken, iemanéU bed
betreden y het beslapen, \\ Hadde Adriana gheschuwet
dat wack, doe Thesens hoer bedde brack, ifXo^
II, 1669.
2) Huwelijiêbedy AuwelijktffemeenseAap; bij uit-
breiding Aet huvel^k zelf, || Al eist alfo dat
tvoorseide hnns {het Leprozenhvu) neeheen hnweÜc
en sceedt, nochtans versceedet bedde, waert dat
eenich man met zynen wyfye ofte met eeuegher
andere lichamelic mesdade, daer mede Terbuerde
hjjt hans , Cout, v. Gent 606 (a. 1306). 8o wanneer
na yements doot een bed geschoert is in deelen,
een huwelijk verbroken », O, K, p. Dor dr, 26,
60. — Oescedens bedde,, absolute naamyal,
buiten huwelijkegemeeneehap ^ zonder bij elkander te
slapen, Sp, III*, 44, 36. — Een geheel bedde,
eenniet ontbonden huwelijk; in geheelen bedde
Bitten ofs^n, w hutoeUjksgemeentchap leven. \\
Waer dat ten tyden dat . . voorseide persoon starf, dat
radere ende moedere van hem saten enalnochzQn
in gheheelen bedde, Cout, v. Oent 619. Wie schnldich
es mondtzoendere te wesene van den voorseiden
dooden., weder den yadere yan den dooden, midts
dat bedde gheheel es, of de Toorseide oom, ald,
— Broeder ende snster van geheelen
bedde, volle broeder en zuster, \\ Soo waer ghe-
broederen ende ghesnsteren s^n yan twee wettige
bedden oft yan meer, dat de ghene die broeder
oft snster is oft sQn, van gheheelen bedde, sal
oft sullen dies broeders goedt, dat hy ghekregen
heeft, die van gheheelen bedde is, deene hellicht
yoor uyt hebben , Ctmt, v, Brussel 1 , 302 {a, 1366).
— Qetrouwet bedde, echt bed^ wettig huwelijk.
Zie GF.TROUWET. Il Hi en si poirter Tordrecht . .
ende hi en sii witliicke geboren ende yan eenen
getmweden bedde, Y. d. Wall 460 (a. 1418). Item
Boe en sal geen bastaert wercman worden . . , hy
en sal ierst alle der gheenre ghemoede hebben,
die yan ghetronden bedde syn alsoe yerre alser
/mant in leyenden liye ware yan den ghetronden
bedde, 476 (a. 1422). De zeWe doode hadde een
snstere yan yadere ende moedere yan wettelycken
^hetrauden bedde, Coutv, Oent 619, Eens bedde
gemene werden, met iemand het huwelij ksbed
deelen y viet hem {of haar) als vrouw {of mam) leven. \\
Ghef mi eene bede alleene, eer ie d^ns bedden
werden gemene, 4^. III«, 6,7. — Bedde gelike.
Zie bg Qelijc.
3) Buetbed^ canapé^ sofa, \\ Mettien so qnamen si
ghegaen tenen bedde achter den haert, endeghingher
np sitten , Wal. 2638. Up een bedde . . deidsoe mi
si tien neyen hare side, 6444. Nu cust mi an minen
mont, eer wi yan desen bedde gaen, 6468.
4) Bedding^ laag, \\ Maect eenen cop yan deeghe,
wel diepe, als oft ware teender pasteyen, doeter
in een bedde yan dragien, dan yan snouken, dan
Tan capoenen boyen, Keukenb. 3, 10.
6) Bedde lants, stuk landj akker. Terg. ons
bioewsenbedy hd. beet^ en wltLt. petia terrae ^ tr. pièce
de terre ^Dnc. 6, 162r). || Dnos solides decentum
et noTem bedden lants jacentes in poertackere, ubi
commorantor Beghinae, Oork, v, 1292 , m» Diericx ,
Mem. 2, 688.
6) Wa^erkeering y dam^ ophooging van den oever
eener rivier^ dijk, \\ Eene sinus ofte dam ofte bedde
te aettene, Diericx, Mém. 1, 398. Ende die sinus
ofte dam ofte bedde te yermaeken, te yersettene,
te yerwandelen ende te yerwisselen, . . om het
waeter yan de oude Leye daer met te schnttene
ende te leedene binnen haren propressen, ald.
BEDDEBOOM, znw. m., doch yerkeerdelijk
onz. gebruikt. Yan Bedde en Boom m. , balk. De
balk voor aan het bed, de rand van het bed, de
beddeplank. || Si rechte haer op ende stac haer
anscijn oyer tbeddeboom, JEleg. 916 en 1223.
BEDDEDECSEL znw. onz. Deken of Dekbed, ||
Die porter ... sal met hem daer in brengen . . .
een aby t te sinen liye , een bedde , een paer slapen-
lakene, een beddedecsel, ende niet meer, Brab, Y,
Dl. 2, bl. 613 («.1368). — Ygl. decsel.
BEDDEGANC znw. m. Het te bed gaan, bij
uitbreiding beddegaanstijd , bedtijd. \\ Als die bedde-
ganc quam aen, deedsi horen ymntkijn yore gaen
in die waerderoebe heymelike, MLoep II, 3649.
BEDDEGENOOT (en met wegyalling yan het
yoory. ge-), BEDDENOOT, znw. gemeensl., doch
gewoonlijk m. gebezigd. Mhd. bettegenéz; mnd.
beddegenote, bedaenote, yr.
1) Echtgenoot, zoowel man als vrouw. \\ Die
dorde {soort van ongeèchte kinderen) sijn, die elcs
yan den onders ghewonnen heeft boyen sinen wit-
achtighen beddeghenoet, Matth. 68. Dander, daer
ie eer off sprac, mochten lichter hoer ghemac
houden, als hem God gheboot, elck by sinen
beddenoot, Hild. 11, 498 (var. bedgenoef).
2) Echtgenoot, geide, vrouw. || Men sal om wille
noch om deren nyemants beddenoot begheren , Hild.
II, 637. Ende die beddenoet naect uyten goede
gaen wil, het is te verstaen op een wijf, Dingt,
V, Delft 16. En begheer nyements beddenoet noch
syn goet, al bistu bloet, X Oeb, 306. Want si en
wiste cleyn noch groot, dat Jason hadde een
beddenoot, MLoep lY, 671. Ende hi en hadde gheen
beddenoet die him sijn dinghen holp besorghen,
1100. Dat hy een wQff yan hogher aert tot sinen
hove halen soude, die sijn beddenoet wesen sonde,
1190. Die Paus . . gaf dairdiekerstelyckebenedixi
op die coninck Lodewyck ende op Ermgaerde sinen
beddenoet, Matth. Anal, 3, 32.
3) Echtgenoot, man. || Elke dochter sloech ter doot
horen ooms zoon ende beddeghenoot, JfZoé^ lY, 1037.
BEDDEGEWANT, znw. onz. Beddegoed. Zie
Gewant. Mhd. bettegewant. || Dien broedren des
ordens es linen doec moghelic (geoorloofd) te hebben
te hemeden . . ende te horen kousen ende te lilakeu
ende te beddeghewande , D, Orde 223.
BEDDECAMER, znw. yr. Slaapkamer, en bij
overdracht , in navolging van het N.-Testamentische
9^naM.gehn\\i,vleeschelijke gemeenschap. Mhd. bette-
kamer e. || Ghi hebt een wgf tegens die wet . .,
die uwer mogentheit is een vleeschelyke nichte,
van welcker beddencamer ie u vermane . ., dat
ghijs ofstaet, MaUh. Anal. 3, 36.
BEDDECLEET, znw, onz. Deken, \\ 4ielnewits
wollins lakens , 9 d. gr. Item een beddecleet , 8 ster.
Bek, V. Zeel, 1, 441. Een beddecleet van lynen,
wullen oft tierenteyn, Oesch, v. Antw, 2, 647.
— Yooral in het mv. Beddecleder; mnd. bedde-
kleder. Hetzelfde als beddegewant (z. ald.). Bedde-
goed. II Hare potte ende hare andre vate ende oc
hare beddecledre dwaen si dicke, Z, v. J, c.
III. Wie end waer mede men die broeder mach
cleden ende wat toe behoert beddecleder, D. Orde
213. Ten bedde cledren mit enen sacke , een carpiteel ,
een lilaken, ene culcte . . ende mit enen cussen
laet hem elc broeder mede ghenoghen, 224. Zog
ook i^*- d. Or, l, 369; enz.
645
BEDD.
BEDi).
616
BEDDEN {bedde, gebeddet, gebedi of gebef), zw.
WW. 0112. en bedr. Mhd. betten.
Onz. — Ret bed opmaken , in gereedheid brengen. \\
Een hiet daer bedden in die sael; dat volc ghinc
slapen al te mael, Troyen f. 43^. Na den etene
gincmen gerede bedden ende doe gingen die heren
hen daer na ter raaten keren, Lanc. II, 39103.
Bedr. — 1) Van kinderen. Te bed brengen, ter
ruste leggen, \\ Die vrouwe gheent kint met hare
nam te spisene, te beddene, Sp, I', 66, 46. Si
(Maria) en gondet niemant Toer haer te doen in
(haar kind Jeztu) heffen, in legghen, in draghen
ende in bedden, Gulden Troen ƒ. 61d.
2) Van Tolwassenen. — a) Eigeuïijïi. Iemand naar
zijne tlaapplaate geleiden, hem een bed aanwijzen. \\
Die knechten ende maechden en sal hij niet in één
camer bedden , Schaaktp, 59c. Van den hues die scone
joncfronwe hadde Waleweine gebet met trouwen,
Lamc. III , 20876. Doen si geten hadden daer deetse
die hermite wel daer naer bedden ende deetse slapen
gaen, II, 36645. Die ridder wert gebedt scone in
ene alte scone zale , Limb. X , 148. Na etene deetsi
bedden wale den coninc, Lanc. IV , 2435. Men bedde
Waleweine met ere , IFal. 3611. Flandrijs was savonts
wel te gemake ende ghebeidt (1. ghebedt) , Flandr. I,
384.Zooook Vrouw e. M.Ylll, lil. — Gebeddet,
te bed liggende; gebeddet sijn, te bed liggen,
slapen. || Onder des conincs ment was hi ghebedt
mede tsamen, Rijmb. 17990. Daer vant hi menighen
tyrant ghebeddet scone in die sale,<Sl0'^^. 6003 ( Var. te
bedden ligghende). Alsi (/. Alstie) liede gebet waren,
Vad. Mus. 4, 314, 30. Mordret was ghebet allene,
Lanc. II, 5416. Mi dunct ie ben te nacht ghebed
ghelijc oft waer een beer. Vrouw. ^. Jf. VIII , 272^
b) Figuuriyk. Plaatsen, eigenlijk, een leger be-
reiden. II Hi bedde mi daert wel donker was, als
men doet den doden, Boetps. 143, 13 (Vuig.
collocavit {collocare == fr. coucher) me in obscuris.
Verg. Staten-Overz. Ps, 139, 8: ^Beddede ick my
in de helle").
3) Van steenen. Ze rechthoekig houwen, recht-
hoekig maken, fr. éguarrir. || Stéene, wel ghebedt
ende wel ghezweedt, Invent. v. Brugge, Int. 408.
Wel vesteene, wel ghebedt ende ghezweedt, ald.l,
450. De steene . . , wel ghestert eude reine ghebet,
3, 480. Brabandsche steenen, wel ghehecget ende
reine ghebet, 5, 307.
BEDDENOOT. Zie beddeoenoot.
BEDDEPANNE (bedtpanne), znw. vr. Bedd^-
pan ; Gesch. v. Antw. 2 , 646 genoemd onder allerlei
ander huisraad.
BEDDERICK, vetus. Maritus, eonsors thalami,
(Kil.). Vgl. ganserik, en andere dierennamen op
-rik, dat het mannetje aanduidt.
BEDDESPONDE (bedsponde), znw. vr. Van
Bedde en Sponde-, by Kil. y^structura lecti:^TO]me
autem teutonice sponde dicitur anteritts lecti
fulerumP Het voorstel van het bed, bjj uitbreiding,
het bed zelf. || Die baghine sprac: „Ie souts mi
scamen, quame yement ende vande mijn bedde
tebroken ;" doen berieden si hen bede te samen : voer
die bedsponde ghingen si stoken. Boerden X, 21.
BEDDESTAT (bedstat, bedstede), znw. vr.
Mhd. bettestat. Bedstede, slaapplaats, bed. || Joseph
was een tymmerman van dinghen daer men tlant
mede wan, . . ende ooc van beddestaden; eens so
gheviel hem dat, dat hi tymmerde een bedstat,
Lsp. II, 29, 1. Joseph maecte die beddestat voort,
31 var. (in den tekst: bedstede). Voert hiet hi dat
te makene hert on se beddestat, ende de sine es
saechte, Rincl. 381.
BEDDESTROO (beddestroe), zow. o. JM-
stroo. II Dese (luiaarde) siet men dor hier bedd^
stroe drnpen, Denkm. 3, 97, 82.
BEDDEVAST , bnw. Zie Vast. Bedlêgerif, <n
het bed gekluisterd. || Also dicke alae hi daer Bjetea
quame, die verboerde vierticb scillingke goeti gbclts,
hem en lette kenlike znuchte of dat hibateoliiti
waer, . . of dat hi beddevaat waer, Mieris 2, S33«
(a. 1323). Siecken Inyden, die bedvast leg^ €(
nuten huys niet en gaen, R. v. Utr. 2, 298, 11
Den aermen huusweeken, beddevast liggbeadf.
Invent. v. Brugge 6, 115. Den ermen ladea, die
beddevast zün , in de passiweke 6 9 , Rek. d. Bmvl
33. Dit voors. ghelt zullen deelen . . de ackeniecka
ende de beddevast ziin , liggende te seate Jas
huus, aangeh. Gloss. Invent. v. Brugge 5914,
BEDDINGE, znw. vr. Van Bedden (zie ili
Bed. II Den ghemeinen burgeren . . ghein beddiigk
mith hoeren tobehoeren nemen , noch doen »óck
laiten nemen, Nijh. 3 , 10. (a 1372). Waer om oataoU
herde beddinge op te rusten ? Bs. 80 ƒ. 90e. Sat
beddinghe was gemeene beede van nedera fsk
van cleene, Sp. I*, 18, 27 (in bet Ha. stst
beginghe. Verg. Vinc: Ne quidem thon en
cubuisse aiunt, nisi humili et modico in stnbV
BEDE. Zie beide.
BEDE, znw. vr. Mud. bede; Mhd. iête.
1) Eigenlijk. Gebed tot God. || Als ghi ia
Gode doet u bede, soe seldi hopen bova il
dat hi u bede horen sal , Boet. 1 , 577. In bedes
was hi sonder reap^t, ^. II*, 56, 73, — Eie
bede gheven, een gebed doen (verg. onder bï
2). II Alser die maget stont beneven, heeft si dof
bede gegeven Qode , dat hi dat werc schier« vff-
brande, Sp. II», 4, 107. — Ter bede settei.
iemand een gebed laten doen, aan het bidden setin.
II Doe Narcissus wiste dese saken , bleef bi b
bedingen ende sijn dyaken dien nacht dore; k
sette oec ter bede Affiren ende hare joncwive nede.
Sp. II*, 56, 63. -— Ter bede (ane die bede.
V a e n , een gebed beginnen , gaan bidden. Zie vaes. 'i
Doe dede hine blouwen, dat hem deren niet en scben.
maer hi vinc ter bede, II*, 41, 66. Die bisK^
van Sissoen quam om an die bede vaei, daff
Crispijn ende Crispiniaen die martelaren begnra
waren, II», 46, 2. — Ter beden varen, ƒ••
bidden. \\ Met dat hi ter beden sal varen beeft te
verstandelike gehort die gelike deser woeit, %
II», 46, 6. — Ter bede (in beden) vaU*".
zich op de knieën werpen om te bidden, \\ BoebJAt
in quam , viel hi ter beden ende bad God a^
nerenstecheden, Sp. IV, 32, 135. Na die nhst.
al se si ter bede vielen, Sp. II», 15, 90(ViBC.,ib
ad oracionem projecissent"). An Gode vallende . <
ter bede, ald. 12, 63. Alse ter stede quam Marfi.
viel hi ter bede an Gode, Sp. II», 18, 101. Si
vielen in beden na hare seden aae onsen B((^-
II», 28, 82. Ter beden viel hi ter ure, 11», 17, 8t
2) By uitbreiding: verzoek , aan menteken geJse»^
II Mine bede, here, gheloevesmi, soelaticUi^s
Limb. VIII, 1426. Segt mi dor mine bede, n^
ie sout weten gheme , Vrouw, en M. 1 , 99. W
dat der Loreine was en woudi niet. . . gev»^
om gene bede, Lorr. V, 19. — Up alle htit-
in *« hemels naam. \\ Berecht mi datte, op i^
bede, Ifed. Kluchtsp, 87, 252. Lieve vader, ^
alle bede! wie sal der vrauwen tetene gkefo'
Denkm. 3, 187, 44. — Met beden, bi d<^
beden, op verzoek. || Met beden gedaen g^
bonté faite par prière, Rosé 4628. Oec » d*b
Neemias . . tlantvolc wonen in der steden. ^
617
BEDE.
BEDE.
618
bider kavlen, som bider beden, Rijmb. 17987.
— Ene bede bidden, een verzoet doen. WSa den
etene bat si ene bede den coninc , die hi gerne dede,
Lane. III, 16746. — Ene bede doen, in twee
verschillende opvattingen. — a) een verzoek doen. ||
Daer na, alsQs daden bede, so hevet hise weder
oatfaen , Sp, I^, 1 , 26. — b) Met doen^ in den zin van
volbrengen; een verzoek toestaan^ inwilligen. \\Y oor
den coninc es hi gheg^en . . te wien hi seide:
Coninc hecre, ie bidde u ntermaten zeere, dat ghi
nu (/. mi) doet eene bede ; . . die coninc (séide) : . .
ie sal vnlcomen nwen wille , Amand II , 3377.
Heer coninc, doet mi een bede, des biddic u. Die
coninc sprac; dat doe ie g«eme, Segk. 4654. Doe
mi ene bede, dat alle die van miere stede . . met
mi vri te lande gaen, 8p. III*, 29, 93. — Ene
bede gheven, een verzoek toeetaan^ inwilligen. \\
Die coninc gaf hare dese bede, Lanc. III, 16760.
Doe sprac SeghelQn ende sede tote Ysanden: ene
bede , joncfronwe , moeti ml gheven. Si antwoerde :
siel ende leven willic n gheven, lieve heer, Segk.
4759. Si bat hem vriendelike, dat hi haer gave ene
bede, 968. Dor God, ghevet mi dese bede. Wal.
4046. Die bede willic jon gheven , 4052. Doet dor
nwe ghenade, ende ghevet mi dese bede, here,
5419. Ende hi mi gaf mine eerste bede , die ie hem
noit eer bidden dorste, 7460. — Ene bede ver-
dienen, een verzoek gedaan^ ingewilligd krijgen. \\
. Mi es leet, dat ie in II jaren of oec inmere,niet
en conste ene bede, here! verdienen, die mi oec
eerliic ui^re, Limb. Vm, 1395. — In of Met
rechter beden. — a) eigenlijk, met de noodige
/ormaliteUen , in d-en vorm , oorspr. steeds met het
WW. bidden verbonden. || (Si) baden hem in rechtei
beden , dat hi commen wilde binder stede , Amand II ,
3329. b) by overdracht ook van een gevecht t^n^tf;»
geregelden slag ^ volgem de regelen der krijgskunde.
II Menegen wgch plach hi te doene, daer hi verwan
niet rechter beden sine vianden npter stede, i^.
IV*, 21 , 13. — Ook in den zin van een verzoek
om iernamd voort te helpen^ eene aanbeveling. Zie
BKOEBRIEF.
3) Verzoek om geld (vgl. 4).
a) Van vorsten gezegd; het plechtig verzoek aan
de lantraten of de Staten van het land, om eene
bepaalde geldsom op te brengen , eig. das : vrijwillige
opbrengst j en vervolgens belasting. || Dat de heere
van Gavere jaerliics zetten mach eene bede van m
pt. up die van den gpravescheep , Gendsch Chtb. 16.
Lieden , die ons bede gelden , Heeln bl. 547. (Onse)
bede ende scattinge, wanneer ons die van onsen
lande van Oistvrieslant gegeven sullen worden , Oorl,
V. Albr. 536. Alle sub ventien , beden , commeren ende
lasten, Invent. v. Brugge 4, 19. — Vgl. H. P.
Heeneman , Verh. over de graaflijke beden in Holland
(Staat k, aeademie-verk. I, 1); A. Kluit, Hist. d.
IIolL Staatsr. 4,460; Noordewier, iVJp^.JR^M/lrotMZA.
97, en Kil. op bede, bedegelt (bl. 59).
h) Van bijzondere '^exwxvieii.'.inzameUngvafngiften
of aalmoezan^ collecte. || Si nam een kint in elke
haat, ende ghincker met dor dat lant in armoede
van stede te stede ende levede bider beden , ^«ii/r.
555. So wilden si vlien ter selver stonde, dat si
gheneiien niet en souden, want si met beden leven
wonden, Sp. IV», 67, 20. — Ter bede gaen,
ai t ten, bedelen. \\ Meerct up tltint dat gaet ter
bede, dicken etet droghe die snede ende bome
drincken moet, Wap. Rog. 1747. Omme den aerme»
liede» te ghevene, die ter bede gaen souden,
Invent. v. Brugge 3 , 309. üp tkerchof zitten . ,
ter bede, ald. 5, 60. Vgl. De fio 83. — Metter
bede ghewinnen, inzamelen^ door vrijwillige
giften bijeenbrengen. \\ Lucius Valerius . . . was
soe arm ter lester warf, dat men tghelt ghewan
metter bede, daer men met ter erden dede, Vertl.
en Ber. 2, 58.
c) Van bedelmonniken. l| Si sgn ghewyet op die
bede, Karmeliten ende Augustinen, Minrebroeders
ende Jacopinen, Hild. 153, 30. Dies gevel eens,
dat hi lach ... in eremitagen in ene woestine . . .
so verre buten an ere steden , dat hem daer gebrac
der beden, dat hem de inzameling van giften^ nl.
de gelegenheid daartoe^ ontbrak^ Franc. 3813. Den
biddenden oerden, want die oerden ... op die
bede ghesticht s^n, mach men oec redelic testa-
ment gheven, Stadr. v. Zwolle 138, 231.
4) Gebod ^ bevel. Kil.: hede, precatio^ petitio ,
postulatio; vgl. vooral het Mhd. bëte^ Ben. 1,
171 a. Op deze bet. van bede is wellicht het
WW. bieden niet zonder invloed geweest. Biedenen
bidden komen meermalen verbonden voor (z. d.
woorden). Bedel en bodel beteekenen beide bode^
en in H eng. heeft zoowel bieden als bidden het
WW. /^ bid opgeleverd. || Niet lange daer na . . .
bejagede soe met haerre bede (d. 1. verzoek), dat
soe te Poytiers indie stede mettes coninx bede
stichte enen cloester, Sp. III*, 38, SLf -per ordina-
tionem precelsi regis"). Want wi ene bede gedaen
hebben aen onser mevnten, alse van misse te
wyunen aver doden ende begenkenisse van doden,
een gebod uitgevaardigd y Nyh. 2, 189 (a. 1364).
BEDEBRIEF, znw. m. Schriftelijk verzoek , brief
met een verzoek y aanbevelingsbrief || Een man die
bedebrieven gebrocht hadde an mijn here den grave
ende an den hoefmeester van Pruchen . . , om in de
duutsche ordene te comen , Bek. d. Graf 3 , 385. De
welke hadde bedebrieve van onsen heere, dat men
hem helpen soude, Invent. v. Brugge 3, 393. Aid.
1, 271 genoemd letteren van bede.
BEDEOHTE. Zie bedichte.
BEDECHTELIJC, BEDECHTICH. Zie be-
OACHTELIJC, BEDACHTICH.
BEDEDINGHEN (bedegdingen), bedr. zw. ww.
Van dedinge of dadinge, zamentrekking uit daghe-
dinge, waaruit ook ons dading; zie ald. en verg.
bedadingen, en dadingen (dedingen). Mhd. 3^-
dedigen, bedatUgen.
1) Eigenlijk. Langs gerechtelijken weg beslechten;
een geschil , eene zaak vereffenen. \\ Nu hebben van
Brabant die goede stede bruederljjc ghearbeit , . .
alsoe dat si die zake bededinghden ten utersten,
Brab. Y. VII, 16291. Als die stat van Utrecht
dat bededinct hadde, Matth. Anal. 3, 327. —
Schijnb€Uir onz., door weglating van die zake,
staat het Brab. Y. VII, 7215. || (Jan van Brabant)
liet te Tricht na hem . . . meester Janne ende
meester Willem Bont om met alderhande partien
te bededinghene.
2) Overdrachtelijk: tot stand brengen , bewerken, \\
(Vrou Joanne) bededinghde thuwelijc tusschen
coninc Karlen . . . van Vranckr|jc ende des her-
togen Stephens dochter van Beyeren, Brab. Y. VI,
11846.
3) Bij uitbreiding bekrachtigen , bepalen. Vgl.
bedadinghen en bebrieven. || Voirt so ist bede-
dinct ende bevorwert, zo wes gevangen dat ge-
vangen werden, die sullen bliven anden heerscap . . ,
diese gevangen hadde , Bel. v. Leid. 280. Voirt ist
bededingt , dat alle sceeplnde . . . vr^ , veylich
ende ombelet sullen moigen . . . vairen, N\jh. 4,
466 {a. 1472). Voirt ist sunderlinge bededingt,
dat onse neve . . . nyemant ... op dat voirscr.
}
619
BEDE.
BEDE.
620
slot . . . onthalden noch halden en sal, ald. 29.
Na oytwisinge der brieven , die laeisie mit hem
bededinct waren, Matth. Anal. 3, 376. Die oade
soenen . . . , ffelijck zy yoortg is beededinge (/. bede-
dinget) ende bebrievet zijn , Lams 69.
4) Bij uitbreiding. Over de tong laten gaan^
aanbrengen^ verklikken. \\ Bmder agtersprake, die
wilt alle dat bedegdingen , dat in der weken gescit
is, lAmb. Serm. 210 6 (T. en Lettb. 6, 226).
BEDEEL. Diut. 2, 221: bedeel, lictor. Het
is ons pedel ^ fr. bédeau^ eng. beadle. Zie E. Muller
1, 67.
BEDEELT, eig. deelw. yan bedelen; mhd. be-
teilen; mnd. bedélen. Aandeel geven in iete. Vooral
in de uitdr. aen iet bedeelt sijn, aandeel aan
iets Aebben, recht hebben op een deel van iete. ||
Dattet lyiRrenten waren, daer sy aen bedeelt was,
na inhout hoerre vertichte, O. R. v. Bordr, 2,
97, 136.
BEDEEMT. Zie bedemen.
BEDëEST, Hild. 244, 30. Waarschijnlijk be-
dorven lezing voor beteest. Zie ald. — Ons bedeesd
luidde mnl. bedaest. Zie gloss. ald.
BEDEGDINGHEN, BEDEGEDINGEN. Zie beüe-
DINOEN.
BEDEGEN. Zie bedien.
Aanm. — Bedegen is verkeerd gelezen, Invent.
V. Brugge 5, 479: „Mids dat hy bedeghen (/.
bedregen, d. i. aangeklaagd, zie bedragen) was
van eenen andren persoon . . ende daer naer biden
liden (=:liën) van den zelven onnoozel bevonden was."
BEDEHOÜDER (beehouwer), znw. m. Van
bede in de bet. 3 a). Ontvanger der belastingen. ||
Unghe de beehouwer van lantpachte deb. et sol.
42 SC. 6 d, Bek. v. Zeel. 1, 56.
BEDEGELT, znw. o. Hetzelfde als bede in de
bet. 3 a). Kil. 69.
BEDEHUUS, znw. o. Bedehuis, tempel, de
hedendaagsche beteekenis. || Rijmb. 6879, 26116;
Ruusbr. 6, 224. — Ook in den vorm bed n as , Rijmb .
22391. — Verklw. bedehnnsge. || Ende op dit
velt siin veel bedehnnstgens ende cleen capelle-
kens, Mandev. 23 a.
BEDEIMT. Zie bedemen.
BEDEC, znw. o. Eig. stam van het ww.
hem bedecken. Het zich verschuilen en vervolgens
concreet: het middel, om zich achter te verschuilen,
dekmantel. Tot den hoovaardige wordt Rinclus 940
gezegd: || „^Ü ^^^^ ^^^ strec! dn glorieers ende
suecs bedec in weldaet, die een ander doet", d. i.
gij meent, dat de deugden van anderen u vrij-
stellen van de verplichting, om zelf de deugd te
betrachten. Het oorspronkelijk heeft (coupl. 82):
Orgueilleus, pris es k ten las, quant tu d^aultrui
biens ten soulas et d^aultrui bienntit quiers ta glore.
BEDEC AMER, znw. vr. Bidvertrek, bidcel. \\
Blijft hier wat staen, totdat die noen uut is ende
dan sal si coemen uut haerre bedecamer , D. War.
6, 404.
BEDECKEN, zw. ww. bedr. Mnd. bedecken;
mhd. bedecken. Iets voor iem. geheim hottden, ver-
bergen(Yg\. BEDECTen decken). || Du (öorf) heves
des ghelike den vroeden bedecket menech enen,
ende heves gheopenbaert den clenen , Rijmb. 23286.
Wat es met u up desen dach bedect, hen es al
te handen cont worden uwen vianden? 32340
(„quid apud vos tacetur, quidve celatur^'').
BEDECSEL, znw. o. Dat wat bedekt, waarmede
men zich dekt, deksel. Van de wolk, die de Israë-
lieten in de woestgn begeleidde, wordt gezegd: ||
Si was hem in (Latinisme voor tof) bedecsel des
daghes ende des nachts in lichte der sterrea , D.
B. Boec der W, 10, 17 (Lat. umbrmenbsn).
BEDECT (bedecket), bnw.; eig. deelw. tu hel
WW. bedeeken of hem bedeeken,
1) Als deelw. van het ww. bedecken.
a) Oeheim, verborgen; int bedecte, w ketm-
borgen, geheim. \\ Dat dine aelmoesene si int be-
decte, ^#. V. 1348, 62 «. —b) Moeiekjkteviftde%,9i^
in het oog vallende. || Nu stont besiden der lindei
tere stede een borne, die herde bedect wa8,I«K.
III , 20907. — c) Van het gelaat. Onkeniaar im
het gesloten visier van den helm, mei een keimli-
dekt. il Lancelote ne kindi niet daer, bedie èii
hi so bedect reet, Lanc. IV, 602. — Bedect*
a n 8 c hy n 8 , geblinddoekt. 1 1 Bedecs anschji» , net
slagen swaer wert hi {Christus) gegruti,Émel^
d) Van het zwaard: niet uit de seheede getrokke^A
In dien dat iet jon gave bedect, np wat buk
daer ghgt up trect, diene mochte vor joi liA
ghestaen. Wal. 3276. So gheret in den ««
bedect, 3296.
2) Als deelw. van het ww. hem bedecken. -*}
In goeden zin. Omzichtig. || Bedecthede es kvis
goet in allen dinghen, daer mense speet; v« be-
dect in dinen dinghen , Botic v. Sed. 1066. — h) b
slechten zin. Loos, geveinsd, listig. |) VerbolfQ
stoetse {de Haaf) in haren sin , sere bedect ende kffét
fel. Rosé 146. Lieve here, of ghyt gebiet, gcrv
baden wi u of gyt riet, dat gi dadet hoedea qi
graf, . . want hi (Jezus) was een bedecket bb.
L. o. H. 3881.
BEDECTELIKE , bgw. Van Bedect (lie ili
Op eene sUnksche, listige wijze; zonder hemerU.
opgemerkt te worden, in het geniep (opp. opeti^\
II Dies groot nQt quam in therte sine, endebef^
bedectelike gedacht hem te bedriegene, £^- Q'
27, 38. Als Liciniusdat versiet^dat hibedecteiü«
niet hem gederen en can, wert hi so bondeduk
hem ontseide, ald. 46.
BEDECTHEIT (bedecthede), eiiw. vt.
1) Van bedect, in den zin van verborgen, f^
zie ald. 1 a). Verborgenheid, geheim. |] D^
vader diet (/. die) ziet in der bedectheit, alt^
lonen, Hs. v. 1348, 62a en 3.
2) Van bedect, in den zin van omóek6f li»
ald. 2 a). Omzichtigheid. \\ Bedectheid es bi#
goet in allen dinghen, Boue v. Sed. 1064.
3) Van bedect in den zin van geveinsd (ild.^-
Loosheid, geveinsdheid. || Dat doet srerradexi ^
dectheit, Handr. I, 383.
BEDELARE (bedelere), znw. m. Van^i^
eig. denom. van bedel, doch thans freq. van keen,
d. i. bidden. Zie Beden.
1) In de tegenwoordige beteekenis. || Wg êesaè
bedelaers , Bern. S. 14Xid. Zie ook bedelersse.
2) Hij die bidt, bidder. \\ Onse Here ie }»^
hort den bedelere , data die priester , Bed. l i-
127. Die bedelaer en vercrycht dat hi he^tefi-
of hem wert een beter tot sgnre behoef onthedff
Stemmen 120. Hier om sprect si (Sinfe Berk^
tot haren oefenair ende bedelaer . . aldus , Put- ^
IWb. Dat gheve ons die godlike minne, die a
ghenen bedeleere en onseit, Rnnsb. 6, 193. ^<b
billiker sal iu die vader die in den hemel is 0^
bedelaers gheven guede dinghen, A#. 71, lUtik'*
11 (ook Hs. Evang. t. a. p.).
BEDELEN, zw. ww. onz.; vgl. bedelarc. ^
den. II Daer zullen wy zyn ut alle g^henichtei. o
weenen, bedelen ende in ghezuchten , V Msegl^
BEDELEN (bedeelen). Zie bedeelt.
BEDELERSSE , znw. vr. Bedel^res. \\ \< e
621
BEDE.
BEDE.
622
ben gheen bedelersse noch oec gheen bedelaers
kint, on. Lied. 204, 7.
BEDELF, znw. o.; eig. stam van het ww.
bedelven; Eie ald.
1) Eet%e OM een kamp aangehrachte vertier king
van opgeworpen aarde ^ verschansing^ borstwering.
(( Present hn allen binnen desen bedelye, Ned.
Kluchtsp. 91, 31. Hy dede maken een g^oet bedelf
van diepen vesten omtrent sgn heere , soe dat men
se niet bespringhen en sonde mogen van dersyde
van Caffa , Cron. v. Vlaend. 1 , 105. De soudaen
beval sinen volke . . te velde te treckene ende
tvorseide bedelf te nimene , ald. (Sy) versmoorden
in haerlieder vesten ende bedelf, 1, 106.
2) De door kei opwerpen der aarde ontstane kuil
oï put. II Ten baet niet; al waerdy noch so erre,
ghy moet mede in H helsche bedelve, den kelscken
pttt, de kei, Belg. Mus. 10, 402.
BEDELFTE, znw. vr. Eig.: de door kei op-
werpen der aarde ontstane borstwering, en bij uit-
breiding wat daarbinnen ligt, erf (vgl. BEOELVEN
en bedelf). || Dat nyemant . . komen en sall
hvnnen yemants hnysinge, hovynge off bedelffte,
K. V. Brielle 22, 6 passim; vgl. 20, 5.
BEDELIEDEN, znw. mv. zonder enkv.; van
Bede in de bet. 3 a) ^ zie ald. Belastingsckuldigen ,
be/astingplicktigen. \\ Dat niement geen zoengelt
en gelde, noch en eissche, alse van onsen bede-
lieden ende meisenieden lieden , die ons bedeliken
dienst doen, Heeln bl. 547 (de fransche tekst,
hl. 554 heeft: „ke nns ne payeche paye ne d^endroit
de nons gens taillables.^^). Zoo ook Willems,
Meng. 454. — Vgl. BEDEM AN.
BEDëLIKë, bnw.
1) Van bede in den zin van verzoek; zie ald. 2).
Verzoekt, d. i. vrijwillig, mnd. bedelik. || (Onse)
meisenieden lieden, die ons bedeliken dienstdoen,
Heeltt bl. 547 (de fransche tekst, bl 554, heeft:
„ nons gens de no maisnie, qui nons font frons
service). Zoo ook Willems, Meng. 453 en 454.
2) Van bede, in den zin van belasting, zie ald.
li a). Wat de belastingen betreft, financieel', %ik%
bedelike dinc, eene belastingquaestie. \\ Om dit
so spraken die genoet die sanders niet aneginc , dan
dat si om ene bedelike dinc daer in beden siden
comen waren, Velth. V, 6, 6.
BEDELVEN, st. ww. bedr. {bedalf, bedolven,
bedolven). Vgl. delven.
1) In de hedendaagsche heiQe)LSïa9. Met eutrde be-
dekken , begraven. \\ (Doe) bedalf si dat gout onder den
voet vmn haren huse, Sckaaksp. 47 a. Mit scuppe
ende mit spade (over kaar te reckten) ende {de vrouw)
te bedelven inder eerden , Dingt. v. Delft 61. Tote
Se basten in der steden ward hi ghedolven . . . , sijn
hooft was in Jherusalem bedolven , bi Herodes sale ,
Rijmb. 23472. Dit es tuutgheven van den doden Inden
te gravene . . . Item van 15 Inden te bedel vene,
dar elc van den achten of coste , te bedelvene 16 d..
Rek. d. Gr. 1 , 65. Die hem holpen begraven ende
bedelven dat lichaem Pauli, Pass. W, 172 c. Soe
wie een doodt aes off beest nytwerpt ende dat
niet en bedelft, O. K. v. Enkk. 24, 120.
2) Van een water gezegd. A f dammen, afleiden. \\
Een grote riviere utermate die bedalf Cyms in
ander beken, dat soe al elwaer es ghestreken,
Rijmb. 16781 (Hist. Schol.: Cyms diviserat EnlVa-
tem . . . per plures rivos). Dat denselven {waterloop)
thnnnen coste sal ghesuy vert ende bedolven werden,
Diericx , Mém. 2 , 496.
3) De g'ewone Mnl. opvatting. J?<ffnaiir<2M va/, e»^
werpen van iett, eene versckaneing om iets oprickten.
versckansen, door een dam omringen. || Die coninc van
Inghelant dede bedelven eer yet lanc sgn heere ende
Calaeys tien tide, dat men se bevechten noch be-
striden in negheenre maniere ne mochte , Fl. Rijmk.
8805. Een schoene velt, aen drye zyden bevest
ende bedolven , 1 , 157. Dat wy Janne van Haerlem . .
gegeven hebben den campe, dien Willem Terninc
bedolven hadde , Oorkb. 2 , 234 « («, 1284). — Ook
wederk. : Hem bedelven, ziek versckansen. \\
De Franssoyzen nakende den buelc, daer hem de
Vlaminghen in bedolven hadden, Oron. v. Vlaend.
1, 160.
BEDEM, znw. m. Term nit de bonwknnde. Steun-
balk, stut, fr. ventrière. \\ Ghecocht eenen bedem . . ,
ende drie stic honds, daer tanghen of ghemaect
waren, Invent. v. Brugge 3,317. — Meermalen ook
wordt het woord bedem genoemd in eene rekening
van 1404, ZVl. Bijdr. 6, 191. — Ook in het
zeewezen is het woord bekend; zie Winschoten,
Seeman 16.
BEDEMAN? In eene vr|j duistere plaats uit
een tolbrief van Aardenbnrg {Lett. N. fV. 6, 86)
leest men de volgende woorden : „ Elc vremde man
die coopt jof vercoopt eenen aleman, ess. II d.;
lidet duer die poort elc aleman, ess. 1. d\ Ende
alse ghelye (/. ghelyc) comen of bedemen." De
laatste woorden beteekenen misschien: en evenzoo
een koopman of een belastingschuldige (in 't
algemeen). Men voor man is in ons voornaamwoord
de gewone vorm geworden. Zie ook bedeliede.
BEDEMEN, zw. ww. onz. Duitter worden. Vgl.
DEMEN en DEEMSTER, || Het sal eer hondertwarf
bedemen, eer ie u ene slee sal gheven, lAmb. V.
88 , d. i. ket zal meer dan konderd dagen duren. —
Het verl. deel w. b e d e m e t (bedempt , bedeimt) wordt
ook als bnw. gebruikt met de bet. duister. \\ Des
avonts, doent bedemet was ende verganghen was
der dach, Serv. II, 296. Van nu tot thavent int
bedeimde, Ned. Klucktsp. 83, 137. Het was be-
dempt, doe hire quam, Lorr. fr. I, 392.
BEDEMET. Zie het vorige art.
BEDEN, zw. WW. onz. {beedde of bede , gebeedt) ;
mnd. beden; mhd. beten; hd. beten. In verschil-
lende beteekenissen.
1) Van bede in den zin van gebed. Een gebed
doen, bidden, jj Elc claghe sine souden den goeden
sente Brandane ; . . dat hi altoes ende heden voer
ons allen moete beden. Brand. 2276. Ons here
viel in kniegebede dan, hi vrnchte siin doet, want
hi was man, daer hi bedde (/. beedde) aldaer hi
lach , L. o. È. 1974. Galaat plach te bedene nacht
ende dach . . den groten here van hemelrike,
Lanc. III, 10673. Als si wonde beden, demaghet
vrome, Ckrist. 501. Als si noch woud beden
weder, 509. Al bedende ende droevende plach site
gane , 1685. Et ghevyel eens nachts , dat si . . voer
haer bedde al bedende stoet, D. War. 3, 314,
1104. Sij bede ende sij las haer psalmen , «S!?rp. II,
2685. Aldaer so bleef hi bedende al din nacht
over, L. v. J., c. 89. Een rike man, die cumecan
beden sinen paternoster ende sinen crede , Alex. VII ,
643. Als . . Turpijn . . inder kercken . . bedende was ,
Exc. Oron. 85a. Een columpne van metael , daer hg op
bedede ghebogender knyen, Hs. 80, f. 99c. Den
knecht Gods is noot altyt sonder aflaet te lesen
of te beden of wat goets te doen. Stemmen 120.
Wanneer dat men dit ghebet aldus verre bringhet,
soe heeft men wel ghebeedt, Ruusbr. 3, 35.
Aanm. — D. B. Dan. 9, 3, komen beden en
bidden vereenigd voor. |l „Ie sette m^n aensicht
totten here m^nen God om te bedene ende te
623
BEDE.
BEDE.
624
biddeney Zy beantwoorden daar aan de Lat. ww.
rogare en depreeari. Beden (dat zwak is, en das
een ander ww. dan het aan bidden ten grondslag
liggende sterke ww. beden^ waarvan bed^l^ bedelen;
got. bidan) beteekent overal ons bidden^ terwijl
bidden^ got. bidjcm^ den zin van afameeken heen.
Zie Grimm, J). Wib. 1, 1696 en vgl. Aendeden.
2)* Van bede in den zin van opbrenget in geld^
belasting (zie ald. 3a). Belasten, geld laten op-
brengen. II Dat haere in geseten burgeren nummer-
meer geschat noch gebeedt en sullen werden van
eynigen den goede, dat sy hebben in den lande
van Gelre, dat zij nooit gebrandschat of belast
zullen worden, Ngh. 3, 7 («. 1372).
BËDËNKELIKE, bijw. Van Bedenken , in den zin
van kwaad denken van iemand (zie ald. 1 , 2). £ig.
achterdochtig, en by uitbreiding op eene boosaardige
wijze, II Dat overquade venyn, dat hi draecht int
herte syn, mit quaden moede bedenckelike dat
stort hi uut grammelike, Lucid. 3713.
BEDENKEN (bedinken), zw. ww. onr., bedr.,
onz. , wederk. en onpers. (bedachte of bedochte ; Belg.
Mus. 8, 97, 56 ook bedaecht (o{ 1. bedachte?);
deelw. bedacht of bedocht); mna. bedenken; mhd.
bedenken.
I. Bedr. — 1) Zijne gedachten vestigen op, denken
aan, gedenken, \\ Hy moet ... te maten eten ende
drincken ende sinen God daer in bedincken ende
niet te langhe toomich syn , Hild. 69 , 134. Brenct mi
in sodaniger achte , dat ie di met rou wighen tranen
bedachte, J). War. 4, 612, 43 (vri. achte). Hi be-
dochte die trouwe vanden man, dien hi dede sine
vriendinne, MZoep II, 2012. Syn blaeu lazuer heeft hi
bedacht, dat hi wyslic sal oversien , wat hem namaels
sal ghescien , Bild., N. Fersch. 4, SS, 128. Dat wolde
God bedencken, daar wilde God aan denken, voor
zorgen, Serv. l, 2048. Roelof bedachte die groote
mogentheid des Biscops, Matth. Anal. 3, 137.
Men maecte in dye kercke Cristus crucifixe ende
andere beelden, om datmense bedencken sal, Fass. W.
64^. Tot dat si haer souden sullen belien ende tot
dat si haer quaetheit sullen bedencken, daer si
die overdaet mede hebben ghedaen jeghen mi,
D. B. Levit. 26, 40.
2) Slechte gedachten hebben van , argwaan koesteren,
verdenken, kwaad van iets denken. In het Mnl.
zeldzaam , doch zeer gewoon in het Mhd. Misschien
een germanisme, doch verg. bedacht en be-
DENKELIKE. || Si mochteu leysten al hoir lusten:
al waert dat si malcanderen kusten, nyemant en
soude dat bedencken, MLoep III, 493. Anders
mocht die ghene, diet goet te pande hadt, ghe-
confnyst ende bedacht werden, dat hyt ghestolen
had , Matth. 133. Sy worden bedacht , dat sy gonnen
haren bloede, dat zij hunne familie begunstigen,
ald. 145.
3) Gedachte hebben op, verwachten. \\ Die goede
mannen, (die) . . ghenen troest clein noch groot
van den hertoge en bedochten, daer si hen toe
verlaten mochten, Brab. Y. VI, 4943.
4) Zich te binnen brengen, zich herinneren. Vgl.
onz. 2) en onpers. 2). || Des wart hem gevraghet ,
op wat dach, op wat jaer of maent; des seyde
hy, dat hi dat niet en bedochte, R. v. Vtr. 2, 86.
II. Onz. — 1) Met een pers. als onderw. i)^»!-^»
aan, of over iets, || Ie bedacht van minen ouden
daghen . . in allen dat ghi hadt ghewracht, dies
was ie harde wale bedacht, Boetps. 143, 17. (Hi)
bedochte menichsins in hem, wie dat wesen mocht
van sinen ondersaten, die hem dat ongelove doen
9oade, Matth. Anal, 3, 346,
I
2) Met eene zaak als onderw. Tebinttm^Kkieln,
voor den geest komen. \\ Vrouwe, moeder iln
vroude . ., mi bedinken mine scoude, die k
wrochte in ongedoude, Sp, V, 47, 1. — Deiebel
nadert aan die van het wederk. ww. kern Meüe%,
nl. berouw hebben. Zie ald. 3).
III. Onpers. — 1) Zich bedenken, bij ad ulm
overleggen, || Hi sach al omme , ende hem bedockte.
welcken wech hi riden mochte, f erg. 515.
2) In iemand opkomen; ook sich te binminkmfn,
zich herinneren. \\ Hi was welna tot hare coaa.
ne ware dat hem bedochte, ende peinsde, dit kin
mochte ter aventuren sgns ontfarmen , Wêl. 77S4.
Mi bedinket daer af wel , dattie sake reckt il»
gevel, Lanc. IV, 2611. Hem bedachte ter selm
tide hoe hem die viant belogen hadde, lIl,4oli
Als hi dat sach ende hem bedachte , dit ki »
rydike tale hoorde, begaf hi thant sine sin
woorde. Flor. 2682.
IV.Wederk. — In het Mnl. de gewone vorm [Bn
bedenken, ie bedachte of bedachte m, M »
bedacht of bedacht).
1) In de tegenwoordige beteekenis. Zich ieéenkn.
il Hi wilde hem harde wel bedinken, wit ka
daer af ware dbeste, Lanc. II, 44489.
2) In die van het niet wederk. bedenken. || Doa
hyt ghegheven hadde, bedachti hem, ocht kfi
mechtich ware dat aflaet te ghevene, NetLProu^
3) Berouw hebben. \\ Geft di hen macht hi |M«f<'
dat gise clemmen laet te hoge , gi seles u bedeika
tspaae alsi toent hare overdade, Base 13967.
4) De beteekenissen van het Mnl. ww. ku
bedenken splitsen zich in drie hoofdgroepen, il
naarmate het eene werking van het denkvênsosn,
het gemoed of het bewustzijn uitdrukt Vgl. BEDACit
A. Van het denkvermogen gezegd.
a) absoluut gebruikt. Denken^ zijnversiesdft
bruiken. || Mi donke wel dat hi es vroet, de kca
te tide bedenken can, eer hem de scade cornet n.
Stoke V , 1008. Die sonde hier doet ende qv^.
ende hem te tyt niet wille bedinken (of i^^
hebben , tot inkeer komen (zie 3)), dat hi aal ia de Wk
Binken, Praet 1179. Bedi laet(halpww.)utetgtti^
dinken, eer ghi u scip hier l&et Tersinkea, èti
vroescap ende wel ghedaen, 1577. — He m w&lc kf
denken, goed denken, schrander, verstandig t^^i
Helene, die hare wel bedachte, sach te ktf
wel, wat hem was, Troyen 31S4. Die stm
die haer wel bedaecht, stont op, Belg. Mtt-^
97, 56. — Also alsic mi beaenke, smli*
denk, meen, geloof, \\ Deen lantshere es die i*
Beheem; die cuere moet gaen anhem,entiees^
riken scinke, also alsic mi bedinke , ^. IV',40,St
b) met den 2den nv. der zaak of van den yeam-
het voorz. van of een afhankeljken zin. Js»'^
over iemand of iets denken. || Abraham hedo(^teka
tien stonden Lots , sgns neven , Rijmb. 1846. Ie keUi
vor waerheit verstaen, sint dat les mi bedochte,^
wys scade hebben ontfaen, dat wi met wierke^
willen ommegaen, Ferk, Mart. 41. Tnlpgn seget.^
was de zede van den ridderen, eer si Tochtei,^*
hem aldies bedochten, dat zij er aem doekte» ^^
vooraf hunne biecht te doen, Sp. IV», 26,7ill*
die stryt dus was gevochten, ende die Grii^
hem bedochten van allen steden geroot ende ^
gaven si den prys dien van Athene, S^. I%£^
Dat hi {de mensch) hem soude bedincken van disf<-
die de siele verarincken , Lucid. 363& Bal a <:
sinxendaghe syn souden te Kamaloet , daer ki ^
soude houden , ende dat si hen te comene bed«^
metter meester feesten, die si mochten, ést:^'
625
BEDE.
BEDE.
626
aa» zouden denken^ met de weeet mogelijke pracht
te komen ^ Lanc. II, 26026. Ie wane wel bi mire
trouwe dat gi nembermer slaet yrowe, u ne sal
bedjnken hier af, of gij zult hier aan denken^
Lane. IV, 10661.
c) Met een 2den ny. der zaak of een afhankelijken
EÏn. Gedachte op iets hebben, op de gedachte komen.
II (Si) Tingen Artare met hare cracht, die hem
lettel dies bedachte ende gene macht met hem
brachte, daer hl voer ter jacht wwd , die daar niet
op bedacht was, Lanc. II, 46612. Daernaer so
bedochti hem, dat die van Jheruzalem eenen andren
here mochten ontfaen, ^. I*, 46, 1.
d) Eene bepaalde gedachte hebben over iets, tot
het besluit komen. \\ Nn hoort, wes hi hem be-
dochte: hi voer tütrecht inde stat, ende onboot
daer ende bat de heren, dat si te hem quamen,
Stoke lY, 1336. Die also bedachte hem, dat hi
niet wert en was selken scat te hoedene, Sp, II*,
29, 34. Op een tijt bedocht hi hem dua^MLoepl,
694. Dat si hen aUoe bedochten , . . dat si qaamen
op genaden, Lanc. IV, 10082. Laet onsgaeneiten
ende drynken; binder tyt salsi hem bedynken dat
si hem sullen gheven, of het cost hem allen tle ven,
Maleg. 934. lek (had) ghehaept {gehoopt), hi solde
sich . . anders bedacht ende sich gebetert hebben ,
Nijh. 4 , 368 (a. 1466).
B. Van het gemoed gezegd. Te moede, gestemd
zijn. li Ie mach mi bedinken onsochte, Godsat
hebdi diet sochte , Beatr. 363 — In deze beteekenis
is in het Mnl. gewoner de samengestelde uitdruk-
king bedacht sgn (zie ald.).
C. Van het bewijstzijn gezegd.
a) Eigenlijk. Bij zich zeluen zijn, bij zijne zinnen
zijn. II Doen wert hi soe zeer vervaert . . . dat hi
hem niet en bedochte, ende oec spreken niet en
mochte. Wrake III, 794.
b) Fignurlgk. Van eenen waan terugkomen, eene
dwaze meening laten varen. \\ (Ie) waende wel int
therte myn dat al dit goet mijn hadde ghesijn,
ende als ie mi bedachte daer nare, soe dochte mi
dit al ydelhede. Loet. III, 1481.
c) Met een 2den nv. of een afh. zin. Zich be-
zinnen, zich iets te binnen brengen. || Lanc waest,
eer hi hem bedochte, in wat maniere hi daer was
comen, Wal. 6883. Des anders dages, doe hi
nuchter was, ende hi hem bedochte das (nl. dat
kij (Alexander) Clitus had gedood) , wildi hem (zich)
hebben ghedoot, Sp. l", 36, 23. Hi hem bedochte
das , dat sijn (Clitus^) snster sine amme was , ald. 29.
= Zie over het onz. ww. bedenken de Aanm. bij
BEDACHT (sijn).
BEDENKENISSE, znw. vr.
1) Van bedenken in den zin van gedenken, over-
denken (zie ald. 1, 1). || Overdenking , overpeinzing. \\
Ende dan gtif si haer weder in soeter bedenckenisse
van God ende van hemelscher schoonheid ende
eierheit, Chulden Troen (a. 1484) 46 a. Naden eten
ael dy in u selven gaen met goeder bedenckenisse
ende bidden , 16 d. Ghenade vercrighet men mit
innichliker heylicheit ende saligher bedencke-
nisse , 21 6.
2) Van óedenken in den zin van kwaad denken
(zie ald. I, 2). Achterdocht, eene slechte meening,
argweuin. \\ Mar waent die gene. .. dair i^ensprake
of lyden van den Heer, of ongonste ende bedenc-
kenisse hoaden van den vrienden, Matth. 210.
BEDERE (bedeere), znw. m. Van beden
d. i. bidden (zie ald.). Hij die bidt, bidder. || Heileghe
hog'he sente Jan Baptista, . . . sgt voer mi een
melde bedeere, Vad. Mus. 2, 428.
BEDERF Zie BEDERVE.
BEDERFELIJC, bnw. Van bederven in den
zin van verderven (zie ald.). Verderfelijk, nood-
lottig. II Groote bederffeiycke schade, Enq. 208.
Vgl. Oudem. 1, 340.
BEDERFELIJC (beDervelijk, bedaerklijk),
bnw. Van bederve, in den zin van nut (zie ald.
2a). Nuttig, heilzaam. \\ Dat derde, nu merket
das, dats nutte ende bedervelyc sere, Sp. I', 26,
38. Lettel ander zaken mede ooe daer in hi
zetten dede, die bedaerAijc wesen dochten, hoe
si tsamen leven mochten. Franc. 1296.
BEDERFENESSE (bedervenesse) , -isse , znw.
vr. Van bederven in den zin van omkomen, onder-
gaan. Ondergang, verderf. \\ Men brachtse te verder-
venessen met angiene oft met verranessen , Lanc. II ,
32194. Si en moghen nu (na Rectors dood) anders
niet hopen dan haer uterste bederffenisse , Troyen
Vb. 40 b. Hi (Christus) doeghede om hare (der Joden)
bederfenisse , ende om die wrake sijnre doot,
wantse God wreken soude ane siele ende ane lijf,
Ruusb. 6, 16. Vgl. Oudem. 1, 340.
BEDERMAN , znw. m. (KiL Bi der man, vir
probus; Hd. biederman). Een braaf, degelijk man.
Over den oorsprong uit biderbe (hetzelfde woord
als hd. derb) man, zie Kluge, Etgm. Wtb. 27. ||
Dn, bederman, wil dat oec scouwen, ie leerdi
ghelijc den vrouwen, MLoep I, 1887.
Aanm. — Het woord Bederman komt alleen op deze
plaats voor in den duitsch-gekleurden MLoep, en
is das wel als een germanisme te beschouwen.
BEDERVE, «nw. vr. en bederf (bedaerve ,
BEOORF , bedarf) , zuw. vr. en onz. Van Bederven
(2de art.) ; zie ald. In verschillende opvattingen.
1) Van Bederven in den zin van behoeven. —
a) iihsincX. Behoef te. \\ Onthiltse mi nu ocht ander-
werven, soe haddie minne na mine bederve,
Cass. 1016. Men vijnes (d. i. vint des) hier genoeg
te eleynen bederve, Flagervj. 172. Dynre ghc-
naden es bedarf, Vad. Mus. 2, 416, 47. Van
coome ende frute , dat Grod doet wassen ute haren
lande, haren erve thaerre noot, tharen bederve,
Lsp. III, 26, 110. — b) concreet. Datgene wat
men behoeft, behoefte, levensonderhoud, nootdruft.
II In desen tiden .... begonste die heileghe kerke
ierstwerf thoren bederve te besittene rente ende
erve, ald. II, 44, 336, Hoe dat verereech daer
naer dpaepscap tsinen bederve beide lant , rente ,
ende erve, Lsp. II, 60, 116. Dus slacht si den
vreeken wel die sinen lechame es fel ende onthout
hem sijn bedaerve. Nat. BI. VII, 299. Dandre
(bijen) diemen daer mach sien, die sgn tangher,
scarp ende fel ende berechten die bedaerve wel,
VII, 102.
2) Van bederven in den zin van nuttig en noodig
zijn. — a) Nut, voordeel, belang. || Aendencruce,
doe hi sterf om onser alre bederf, Versl.enBer.^,
26. Van den houte, daer ane versterf der maghet
soneom ons bederf, v. d. Hotite 1. Gi sulles hebben
luttel bederven ende gi sulter selve om moeten
sterven, Lanc. II, 16690. Dune salt ooe niemens
goed begheren in dinen moet, no sijn huns, no
sine erve , om die vrome van diere bederve , Rijmb.
4623 (vrome en bederve zijn eig. synoniem; beter
ware dus: om dine vrome, om dine bederve).
Daer es vele bederven an, want hi es getrouwe
ende recht, Sp. V, 73, 42. Twee blinde, die
menich werf riepen om haer bederf, Vad. Mus. 1 ,
46, 6. Of ie ooe valscelike . . dien armen hebbe
ontwijst sijn erve dor des r^jcs mans bederve,
Jlez. Vil, 69. Sire siele geve God haer bederf,
"a
627
BEDE.
BEDE.
628
Grimb, I, 2999. Nuttclic cnde van groter be-
darven, Franc. 5036. Waert uwe bedarve ent a
beqname, Wal, 2584. Themelsce Lam wartmensce
tonHer bederven, Wap. M. I, 941. (Si) lieten beide
goet ende erve, dat qnal ie was haer bederve, Stoke
X, 283. Nu peinst, vrouwe, om m3me bederve,
Troyen 694. Some seiden om hare bederve: „wi
sullen di horen anderwerve**, Sp, I", 21,9. Indien
ginc eic om sine bederve sien, I', 52, 9. Ëlc
man sie om syn bederve, Alez. IX, 19. Eens
voer hl . . in anderen lande omme sine bederve
Amand I, 1136. — In (te) bederven, ten nutte ^
te etade. \\ Het comt hem dicken in bederven en
si dat si in hoeftsonden sterven , Lucid. 4683. Dies
docbtem beter, datti sonde tander lieder bederve
gemene leven, dan te sine allene. Franc. 1548.
Jonathas voer haren tare in tsriken bederve , Bijmb.
19954 (var. oerbaer). Ende dat qnam ons te be-
derven, Sp. 11% 23, 310. Dat comt hem te be-
derven, IIP, 48, 3. — Bederve werken, ghe-
winnen, werven, zijn voordeel doen^ slagen^
eene goede uitkovut verkrijgen. \\ Alsoe dat si be-
derve dair wrochten, Hild. 62, 47. Vanden tween,
die hoer bederff alsoe wrochten , 64 , 266. Want si
daer gheen bederve(n) noch bescheit en conden
ghewerven , Brab. Y. VII, 1007. Dat dese twee ghe-
broedere syn . . noch nemmermeer ghewinnen ghene
bederve sonder den andren, Heim. 1475. — Vooral
gebruikelijk is de uitdrukking bederve doen.
In verschillende opvattingen.
a) Voordeel doen, loinst doen.\\ So wat men daer
int lant vint legghen , dat neemt men sonder weder-
segghen, ende doet daer mede syn bederve,
recht oft waer sijn eighen erve, Altd. Blatt. 1
167, 55. (Hi) hietse (de meysnieden) te werke commen
al ende neerstenlike doen syn bederve, Amand II
4286 (d. i. winêt voor hem te doen). Si dede mi
wale mijn bedarf, O VI. Ged.1, 82, 696. Dat haer
toebehoerde van erve, daer en woudse met doen
engeen bederve, Christ. 12,1. Dat ie ten hemele
dus saen des menschen bederve hier heb gedaen ,
Blitc. V. Mar. 1003 (d. i. des menschen belangen
heb voorgeitaan] vgl. vs. 1431, waar in denzelfden
zin gebruikt wordt „ des menscen bederve bestaen'^).
Als hi weder qnam te ziere steden, die ghene
diere bederve mede deden (met de talenten), prijsdi
ende loondem saen; entie ghene bederve hadde
ghedaen, dien scalt hi omme sine traecheit, iSymd.
25741. Tconvent, dair si hem in begheven, doet
men (?) seiden goede bederve, Hild. 11, 480.
^ Slagen , iets uitrichten , verder komen (eig. : zijn
voordeel doen). \\ Hi ne dede bederve negheen, want
sgn volc droech niet overeen, Rijmb. 32918. Dus
en doen wi bederve negeene, /^. II*, 44, 41
(Vinc. : „nihil . . proficimus"). Doe bat si voer
hem Onsen Here . . ., maer si en dede engeen
bederf, want si) en vercreech engeen antwerde van
Gode, D. War. 4, 284, 512. Doe so ander liede
bederve , dat die dine niet en bederve , behartig
zóó de belangen van anderen, dat, Sp. I', 29, 11.
y) Nut, dienst doen; doen hetgeen noodig is. ||
Die vele bederven dede daer, Sp. II*, 14, 7.
Dese bederve hebdi mi ghedaen, Segh. 2945.
b) Geldelijk voordeel, inkomsten. || Levis kinder
en hadden gheen erve, want si hadden Gods be-
derve, Rijmb. 6949 (eig. zjj hadden de inkomsten
van God, d, i. de voordeelen van d^n eerediensf).
Dat soe hem des lants bederve liete anevaen ende
sijns vader erve, VI. Rijmk. 1491.
c) De vrucht van het voordeel of van den voorspoed,
^^m^A II Ghelucs bederve en es altoes gheen erve,
Lsp. I, 31, 59. Want die wasdoem , dies hi plei^
neemt hem die bederve sere, Sp. I*, 58, 56 (Il
de zucht om zyn vermogen te vermeerderea , oit-
neemt hem het genot er van).
3) Van bederven in den zin van pUeki n>, fc-
tatnen. Plicht. || Soe werdic nernstich terbedem,
Blisc. V. Mar. 2156. Qnite die belegheae, dib
bederve, ende ghef ons weder onse erve, BijMi.
19335. Na die wet ende na bedenre, wlfta
recht en billijkheid, Velth. II, 44, 14. Dit h«fe
hy ffhedaen een waerf hem selven offerendt é
een bedaerf, als een plicht, hetgeen hij :^ flkk
oordeelde, onsen heere Jhesum Karste, Amódlï.
6105. — Vandaar de uitdrukking sine bederTe
doen, zijn plicht vervullen , zijne taak wUrnfn.
zijn werk doen. || X"^. moester ene mieatTirei,
ende pinen ende haer bederve doen, Bijmi.WXi
Dies was daer ut gesocht nu vele , dde dese be
derve nu doen souden, Velth. IV, 62, 6.Wildiqi
dapper ende snel, ende uw bederve doen wel.K
sal u vier penninc gheven eics daghes, iZM.lT&
En hebdi niet ghehoort vanden knape in die p«r.
die om geit can doen die bederve? ie rnvüa
hebben oftic sterve , Boerden II , 87. Vierei 17
henen . . ende laet ons onse bederve doen, Gnai.l
5420 var.
4) In de concreete opvatting van «ai wuif-
daan worden, en vervolgens hetgeen me* ioet^is^'
daad, onderneming. \\J>o% hiet die felle mu Bii?!
dat menne echter aneva ter pijn . . ; doe fiua
die quade an die bederve, ^. II*, 47, lOó^Di
seles smorgens vroe opstaen , ende om dine bedem
gaen, aan uwe taak, uw werk gaan, D. OaLblAl»
van Antwerpen hebbend vernomen, code w^
scepen op ter werp (/. werf), die nutte wireiit
dit bederp (1. bederf), Velth. IV, 62,40.Hisofc
doe om dese bederve sijn vrouwe, Stoke III, lïï^
Ie sal hem (den menseh). blide ende onTersaKb
U (Gods) hoge bederven laten bekinnen, i^-
V, Mar. 1590. (Die minne) dar ie bi dede . •
die grote bederven, sonder waen, daraldiewwt
af spreect nu, Lanc. II, 18818. Ghi hebt qni
bederve gedaen , lieve broder , nn hier an , dit r
doet hebt desen goeden man , Zjomc.. UI , «^
Luttel ontsiende te doene een quade bedtnt
Belg. Mus. 3 , 231 , en 10 , 285. An dit bispel ■**
men sien, alse een doet bederve qnaet, sie^
hijs te tide avestaet, 10,75,218. Inde selTeab
J. ysent tAtrecht, die bederve te doen, /««^
V. Brugge 2, 303.
BEDERVECHEIT, -vicheit, znw. vr. Yu«
tot heden niet gevonden bnw. beelervieh, indeic
van noodzakelijk, afgeleid van het znwr.beéent,^
de bet. van behoefte. Noodzakelijkheid , en i« f*
ereeten zin taak, opdracht (vgl. bederve, 4i.(
Die heeren metten edelinghen ghemeenlike teoo
rade ginghen , wien menre omme senden B«cii^
so dat men hem vieren sochte, datmen (/. dieaei^
loet die bedervechede , Sp. III*, 39, 78.
BEDERVEN, st. ww. bedr. en onz. (beêgne^
bedarf (bedaerf bedorf, bederf), bedorvf.\^^
ohd. en mhd. onbekend, mnd. bederv€%,^
als bedr. ; hd. bederben ; van be en derven, tls «iEjifc
ongebruikelijk, even als het Mhd. rfwi*, ^•
durben , dorben (Ben. 1 , 361 a). In vcr«chiDof
opvattingen (vgl, Huyd. op Stoke Dl. 3, bl^'^
Bedr. — 1) In het verderf storten, —s'^^-
iemand van het leven te berooven, dooden,^
brengen. || Die Roemsche coninc sal die ^
bederven al, ende metten zwerde verslaei, ^
Cristum waren afghegaen. Wrake II, 862. Kö'
629
BEDE,
BEDE.
630
desen dat dese tyranne . . . aldus alle worden
bedonren, Sp, III ^, 4, 41. Doe dedi die beste
(der Joden) Taen ende biet, weltijt dat hi storref
datmense vanden liye bedorre, I*, 48, 54. Dat
men {d, t. men en) ymmer sonde bederven,
Hild. 181, 195. Dat si haer bmeder wilden be-
derven ende jammerlike doen sterven, Têttt. 348.
— h) door iemands gelnk te verwoesten, in het
ongeluk brengen^ te gronde richten^ rutneeren, \\ Zi
hen mesleeden so int ende , dat zi bederven mallic
andren , Fraet 2237. Hoe goet dat es een teken maken
des cmce, daer ons Here ane starf , daer bi den duvel
mede bedarf, yad. Mut. 1, 333, 41. Onnoesel
bloei dat si bi groeier overmoei destrnweren ende
bederven, Bloeml. 3, 30, 50. Die moonke badden
groten vaer van den visscben die waren daer, dat
si haer scip bederven mochten. Brand, 1185. Ie
'sal n . . also jammerlyc bederven, dat ghi van
honghere zult sterven , Ltp. II , 47 , 58. Dat ghi . .
achterset dat ghemene oorbare vander stede, daer
ghise bedervet mede, I, 44, 93. Loffhen . . dair
sy malkanderen mede bederven, Hild. 122, 74.
— Enen van sire ere bederven, iemand
onteeren , in verbinding mei onterven gebruikt ,
Brab. Y. IV , 276.
Aanm. — In deze laatste beteekenis van te
gronde richten is niet minder gewoon hei zwakke ww.
bederven^ bederfde, bederft {bedeer f C), || Daer si bi be-
derfden mede beide hemzelven ende haer stede,
Lip. I, 34, 51. Ie hoepte in dine onifermichede
ende daeromme en salie, here bedeerft, werden
nemmermere, IhcL 1,605. Alsoe worden menschen
dicke ghevaen . . ende ie male bederft , III , 1540.
Isi dat dese sterft, onse helle weri bi hem bederft,
Ma»h, 19. Niegherinc en weri een stat meer bi
bederft . . , alse dat die poriren mei partijen
onderlinghe draghen haiije. Wrake I, 1218. Datiu
werven sonds den dooi, daer waer ie vmmer bij
bederft, MLoep 11,322. Die u ghemint neeft, doe
ghi Q selven bate ende bederfde, Snnsb. 3, 111.
Dat wi niet en bliven bederft, Melib. 3383. So
moeten si bederft bliven, 2650. Een rijc man
rrlendeloes es lichte bederft, Doet. II, 1003.
Die werelt weri bi haren sconden bederft, die ons
berechten sonden, Rincl. 388.
2) Van land, steden, enz. gezegd. Verwoesten,
plunderen. \\ De heydenen, die Arleblancke die
stadt metten lande van Provenciën seer bedmcien
ende bedorven , Exc. Cron. 62^. Een groot heyre
om tegen hem te comen ende sgn r^ck te bederven ,
9Qd. Noormannen ende Denen . . doe si alle tlandt
bedorven, 93<;.
Onz. — 1) In onze beteekenis (waarin het ook
zwak gebruikt wordt, b. v. Exe. Cron. 188<;^, maar
in toepassing op het menschelijke lichaam. Schade
iijden aan het lichaam, verminkt worden. \\ Snlke
was, die so bedaerf van tormenie, diemen hare dede,
dat soe bleef cropel an hare lede , Sp. III*, 38 , 72. —
Vooral van trek- of lastdieren. Onbruikbaar worden ,
ook met toevoeging van den 3den nv. des persoons ,
te wiens nadeele dit geschiedt. || Ghegheven J.
iran enen paerde, dat hem bedaerf ende ofginc,
Invent, v. Brugge 3, 216. Een baypeerd . . , iwelke
int af keeren van der reyse {op den terugkeer) be-
laerf tnsschen Brucghe ende Siissele , 4 , 99. Van
(enen Talnwen peerde, iwelke ofginc ende bedaerf
nt bere Torseit, 4, 102 (ook de bei. sterven kan
bier yan toepassing zyn. Vgl. 1,80: ^d^unronchin
u li moruf). Zie ook apgaen.
2) Om het leven komen ^ omkomen, sterven. \\
>aer bedorven alle mgu ghesellen , maer ie ontclam
allene, Brand. 580. So en sondic niet bederven
in das meneghen aerbeit, 1396. Es de siele onsen
Heere bequame, mi en raect, hoe ie bederven sal,
Sacr. 780. Ie lieie altoes mgn lief niet sterven,
ie lieie eer al de werelt bederven. Vrouw, e. M.
III, 49, 5. Ghine snlier nemmer twint bederven,
en sgi een twint niet vervaeri, Ferg. 1930. Wi
mochten lichte bederven also alse wilen bederf
Pharao, Lsp. II, 19, 59 (de Var. heeft bederfde \
de voorbeelden van hei onz. zw. ww. bederven
zijn zeldzaam). Daer menich man bedaerf, Alex, VI ,
853. Hei es een quaoi kint , . . dat sQnre moeder niet
bi en siaet . . ende die bederven liet , Melib. 3162. Hoe
Cayms gheslachte voer avoy ende mitien water al
bedarff, Hild. 134, 30. Mei hare die vrucht bedarff,
Bijmb. 10128. (Hi) weriier claerlec af bedragen ,
daer hi scandelike omme bedarf, Sp, II*, 1, 32.
O wi ! salie al ie male aldus bederven sonder raei ,
Vr. Heim. 1126. Hei ware ongheraecie dinc , soude
edele creature . . bederven, Mask. 1160. Dus sal
die vader dan bederven biden sone, Lane, II,
28297. Die rouwe doei my bederven, 2Voy«f 3858.
— Ook raei eene bepaling mei het voorz. van. \\
"Want hi die moeder liet bederven van hong^e,
Bijmb, 20317. Alsi gheten es, gaen wi sterven
ende beide van hongre bederven, 12485. Dat si
meest van hongher sterven ende van armoeden
bedorven , Wrake 1 , 212. Her Achilles waeude
bederven van rouwen, Troyen 4690. Ghy suli be-
derven van coude, Vad. Mus. 4, 239, 323. Daer
si . . van dorste oec bederven. Wrake II, 676.
— Ook mei bU voeging der bepaling van sin en
live. It Lieve kint, snldi van uwen live bederven !
Segh. 2181. — Meermalen in verbinding mei #/<^r^i»
gebruikt. || U moeder was welna ghestorven van
groten rouwe ende bedorven, VII Oet. 202.
{Ilde kl. Inst. 6», 60). Zoo ook Zucid, 7; Flor.
3345; Lanc. II, 42636, 24615; D. War. 1, 135,
24; Eleg. 1300; Hild. 43, 69; — Ook in
tegenstelling mei sterven, in welk geval sterven
een natuurlijken, bederven een onnatuurlijken
dood uitdrukt. || Alse daer storven sine vriende oft
anders bedorven, Velth. VI, 25, 87. Want hi
lievere vri wilde sterven, dan in vangnessen be-
derven, Sp, I«, 13, 21. — De onbep. wijs wordt
ook als znw. gebruikt : dood, het omkomen. \\
Dat jammerlike bederven , dat si saghen vanden
haren, Bijmb. 32522; zoo ook Parth, 7611.
3) Overdrachtelijk. Te gronde gaan, geruïneerd
worden, of zich in het verderf storten, — d) van
levende wezens. || In dat plein van Salesbieren sal
die sware siriit moten gescien, daer die coninc
sal bederven bidien, Lanc. IV, 10846. So dat
hem wel dochie, dat sQ daer mede bedorven,
VI. Bijmk. 3101. Darme milde . . peinst ho hem
es ende bederft {d, i, ende hoe hi bederft), Torec
2514. Hei es bedorven menich here , omdat hi hem
verliet ie zere op sine siarke huse, Melib. 2348.
Hoedt n altoes jeghen honen, jeghen moert ende
fenijn, daer vele heren mei bedorven sgn, 2267.
— Ook in de uitdr. Op het bederven sijn,
den ondergang nabij zijn. \\ {De Carthagers) die
hem {de Bomeinen) alsoe ghinghen toe, dat si
bina .... op dat bederven waren , Wrake III ,
573. Die Someynen oec menechwerven hebben
gheweest opt bederven, van vlanden die hem
daden vele vernoys ende grote scade, I, 622.
b) van zaken. — o) Te niet gaan, verloren
gaan. \\ Doe scnddi s^n linQu cleet, dat hi hadde
in die hani, upiie halve stat ie hani, eniie heelt
daer bedaerf, Sp, III *, 2, 66. Tis menich scip in
631
BEDE.
BEDE.
632
see bedorven, Hild. 80, 14. Hi (Panlns) gaei
prediken den lieden . . , dat onse (der Joden) wort
beierven sal, Sp. I", 25, 61. Si willen kindere
winnen , dat hare name niet en bederve ^Sp.l^yS, 36.
— Ci) Tol een einde komen ^ eindigen. \\ Dathijtselve
(C; drut) moeste besterven , sonde dat orloghe be-
derven, ald. I*, 24, 26. Sprect, aldus en maecht
niet bederven, die tale, die ghy hebt begonnen,
Troifen 3142.
c) In bijzondere opvatting. Schipkrenk lijden^ mei
toevoeging van in der »ee. || Dese jongelinc is be-
dorven in die zee, (?m^. i^ ƒ. 185^. Die jonghelinc,
die op die zee bedorven is, staet voer die doer,
185a. Ontfermt mi , naecte , die in der zee bedorven
bin , 184^. Die in die see bedorven is ende op een
planc te lande gecomen is, 187a. Die playte {een
vaartuig) . . bedarf in der zee Tor die Wijc , Ootl.
V. Albr. 118.
Aanm. — Op eene vreemde wyze wordt be-
derven gebmikt van eene geeatverrukking ^ Franc.
5543. II „In exces van zinne hi vel, so dat hi van
hem also wel in Gode al bederven begonde; dus
was hem ene corte stonde, so dat hi them selven
qnam.** — Van hem bederven bet. dus van zich
zelven vallen. Het is de verzwakte beteekenis
van tierven. Mogelijk dat in de voorbeelden uit
Troyen, boven aangehaald: „Die rouwe doet my
bederven," vs. 3858, en „Her Achilles waende be-
derven van rouwen" vs. 4590, ook reeds deze
bet. bezwijmen , toepasselyk moet worden verklaard ;
Vgl. ook BESWELTKN.
BEDERVEN (bedarven, bedorven, bedurven),
onreg. st. ww. (3de pers. teg. t. bederf, bedarf of
bedaerf; verl. t. bedot f Ie of bedortle), onz. en
onpers.; hd. bedürfen\ mnA. bederven , bedarven, be-
dorven \ mhd. bedarf en, bedürfen.
I. Onz. — 1) Behoeven, noodig hebben, met den
2den nv. der zaak. || Hi bedarf wol grooter hoede,
sal hi gaen ter Heren rade, D. War. 7, 378, 46.
Dat vij^e es, dat wi wel bederven rechts ghelove
als wi sterven. Bed. d. M. 121. Soe hi teergelts
bedarf min, soe daer meer na gaept die sin, Ltp.
III, 4, 409. Die arme tallen daghen moet den
riken verdraghen, . . want hi sijns goeds bedarf,
ald. 505. Die een lantscap berechten sal, bedarf
wel wysheit sonder ghetal, III, 12, 59. Dat en
dede hi daer om niet, dat hi haers bedorste yet,
1,1,6 var. Dat men metten ogen siet, dan es
ghenonch altoes niet; meer bedaerf ons dan dat
goet, Sp. III', 11, 63. Ghi hebt op hare vrienscap
luttel gheacht , doen ghi haers niet en bedorste ,
Melib. 2432. Alse hys bedarf , JSTa^. BI. III, 1700.
2) De zaak kan ook in den Isten nv. staan en de
persoon of zaak in den 3den , zoodat de beteekenis
dan overgaat in Noodig zijn voor iemand of vereitchl
worden lot iele. \\ Hem behoeft ende bedarf, dat hi
Cristus vleesch ende bloet metten sinen gesellen {in
zich opnemen) moet, Sp. II*, 23, 256. Dat hi door
hem wonde pinen ende bereeden boude alle saken ,
die hem bedorsten, Amand 11,3613. Een man was,
die groote rychede hadde ende velelantsin sijn hoede,
dies bedurft hem meysniede goede, 4282. Vele
bedarf tsire maisnieden. Lep. III, 5, 94 {veel is
er noodig voor zijn huishouden). Doe hi alle dinc
te wensche hadde ghemaect, die hem bedursten,
Rijmb. 62. Ie ne waende niet vor heden , dat goeden
man bedorste so vele, Lanc. II, 14677 {dal er
zooveel noodig was, loe hoorde om een „goet man"
Ie zijn). Haerne bedurfte ghenen bril, OVL lAed.
en O. 333 , 664. — Ook met het voorz. lot in plaats
van den 3den nv. j| Daer bedorfte toe een wel
ghesint man ende vroet , Lane. II , 29001. Alna
dan wille doen bedinge , daer bedarf toe heilige
pensinge, IV, 33.
II. Onpers. — Het bedarf. Of absolaat j^
bruikt 6f met den 3den nv. v. d. pers. en eene luk
als ondw. — a) Het is noodig , het is nooebakelijk, kti
behoeft. \\ Hout dien penninc menich waerf,dattBeiM
vindt als het bedarf, Bouc v. Sed. 842. (Onse kerti
hem seide , dat het bedarf, dat men gheboren wart
anderwarf , Rijmb. 22410. Men onttoe die kerstot
kerken, want het bederf, Sp. II*, 22, 318. H^
en bedarf niet, dat onse here . .op sinen toBdn
altoes gram si , Lanc. II , 15075. Dies bedarf, dü
menre toe vare vroedelike, 14992. Dat bedirf ««
berde wale , Doet. III , 906. God kende ès
naturen staet, broosch ende cranc van erdscker
mine , dies hoer bedurfte wel te sine , hetgeen 7
noodwendig zijn moet, OFl. Lied. en G. 514, 6(é.
— Beter bederf! eig. Iets beters (een beter
is noodig, als uitroep gebmikt in dea ra
van Qod betere heil \\ Mgn here Ywein spw:
Beter bederf! Wat sal doen die here van dei Usè
dan? Lanc, II, 76933. — Hi sal mi echter. iJi
mi bedarf, ghehulpich sQu ghetrou welike , Psfü.
1725. Ie gheve di ziele ende lijf, gpoet ende al ^
di bedaerf, Praet 4359. Dingel weelene andemrf
ende seide: „Et, ie waent di bedarf , Jb/ati. 1259
God, die loon es van goeden ghewerken, salivtl
ghelden daert u bedaerf, Amand I, 2017. Brwi
hem vedre, die hem bederf dat menseaatdoe(ii
die het voor hem nuttig , noodzakel^ k is, mt ^
trekken) , Nat. BI. III , 1676. Wie so omme valBaixi^
heit stoede, dat hem bednrste hem te dwane iisB
daghelijxe trane, Franc. 2570. Hem bedarf velden
hi hem houde met sinne, f7(>r. 2091. Dan wille kise
over sine ontfaen ende ghevet hem dat hem bedirf,
Nat. BI. III , 904. Van ffaleiden ende scepea . •
ende van al dat hem bedorste, Lanc. II, Siïal
De clusenare begaetde dorsse wel van al diei ^
hen bedorste, 45236. Hi moeter toe besor^
selke dinc als hem bedorste, Eleg. 688. Ta
allen dien hem bedorste , Orimb. II , 786 vmr. Daff
slapet alst hem bedarf. Nat. BI. IV, 636. — Ook wt
den 3den nv. van den persoon en den 2dea r
der zaak. Mi bedarf of bederf des, ik k^
behoefte aan iets, ik heb iets noodig, || Tonsükfe^
leven . . dat heeft een man die ghenoech keep-
ende sinen lichame niet en gheefl, dies hem beèsH
ende betame , Lsp. I, 28 , 65. Dat oec ertrike htêir
bat goeder woerae . . dan dat hemelrikedoet. Il
52 , 56. Men gaf hem alle dinghe , dies hca a
daer bedarf, II, 11, 122. Daer schiet die abt <ai<
ghinc al bereeden groot ende smal dies ter aia
toe bednrste , Amand II , 3649. Al dies hem W
daerf, groot ende smal, 3781. Hem vele «ta
bedarf. Nat. BI. III. 2865. Vele spisen bedarf fes
wel , 3284. — Ook met een onbepaalde vf* i
plaats van den 2den nv. || Hem bedaerf wel laa^
sieden, ald. V, 73. Hem bedaerf oec vek ^
sieden, 326.
b) Bij uitbreiding in den zin van Jket is p&eü^
hel is goed, het betaamt. \\ Hets recht n^
het bedaerf, Gode te dankene sire gave, Frm^
5054. Dat si eyschen menechwarf anders dai ^
eyschene bedarf, Lanc. FV, 43. Het esser vet
meer dan bedeerf, die gherne alle op VenmkfS^
rekennen souden, Vad. Mus. 1, 371, 13. — A^^
bedarf, zooals van zelf spreekt , zooals natmBr^
is. II (De gravin van Oelre) sonder oer starf tsts
naeste daer af, als bedarf, wilde comen tsis
geherve, Velth. II, 44, 11. £erlike, alse ^
633
Bede.
BEDE.
634
bedaerf, hevet die keyser den panes ontfaen, Sp.
III', 53, 44. Sine gesellen , alst bedarf, inden
daer dns alle haer leven, Zane. lY, 13036. — Ook
met den 3den nv. Tan den pers. || Den vroeden
en bedarf niet, dat hi swaerlike droeve yet,
Melii. 113. Naerdien dattu neeringhe heves, so
bedierf di dattu leves, £oiie v. Sed. 531.
BEDËRYENESSE. Zie bederfenisse. .
BEDERVrNGHE, znw. vr. Van bederven (Ie Art.),
in den zin van tchiplreuh lijden (zie ald. 2^). Met
toevoeging' van van dersee. Schipbreuk. \\ (Hi) niet
en wist, wie vanden drien bedervinge vander see
ghehad badde , Oest. R.f. 187«. Vgl. scipbrekinge ^ op
dezelfde bladznde.
BEDESCOUbiCH (bedesculdich, -scoudech,
•scl'LDECh), 'dige of dege^ bnw. Van Bede inden
zin van beUuting en tcoudtch (sculdicA). Belasting-
tckuUUg^ belastingplichtig. \\ Al boudet een bedescul-
dicb man siin goet van yeman te lene, daer zal
hi soot of ghelden, Oor kb. 2, 376a {a. 1292). Dat
die bedeschnldigbe liede . . gelden zullen die
twee deele van der jaerbede, 456a {a. 1297). Al
hont eeu bedescoudicb man sijn goet van vemen t
te lien, dmer sal by scot van gbelden sonder van
ons, Mieris 2, 916 {a. 1310). Voert soe macb elc
man vonnisse wysen voir ons ende voer onse bailliu,
die onse manne is, van goede over eenen bede-
scondigen man, ald. Scotbair ende bedescnldicb
bliven ende andere lasten dragen, Wiel. /n«^.169, 15.
BEDESETTER, znw. m. Van bede in den
zin van belasting^ zie ald. 3), en setter van setten
d. i. vaststellen^ bepalen. (Ook tbans komen nog
zetters roer bij de classificatie van belasting-
acbnldigen). Beambte^ die bepaalt hoeveel belasting
ieder betalen zal^ zetter^ schatter^ taxateur y en
daar zy de belastingen inden, ook ontvanger. Vgl.
onder Am baciitsbewaerre , en Kil. bedesetter,
ee»ur. || Jacob Pieterszoon . . . (ende) Comelis
Pieterszoon . . .| bnyeren ende bedesetters van
Ttlckenborch , Inform. 278. Alle bedesetters gbe-
seten int qnartier van Antwerpen moeten rekeningbe
doen, aang. bij V. Hasselt op Kil. 59.
BEDE8ETTINGE, znw. vr. Eig.: het bepalen
(setten) van het aandeel^ dat iemand in de bede
(belasting) moet dragen , en vervolgens in con-
rreeten zin het aandeel zelf (vgl. schatting). \\ Dat
de porteren ran Antwerpen . . ne gheene bede-
Mttinge noch scattinge sculdicb en sgn, anders
dan metter stad van Antwerpen, Cont. v. Antw.
1, 88 (Oesch. v. Antw. 2, 494).
BEDE8SIDE (bedisside), voorz. Met den 2den of
3den nv. Van Be en desside (zie ald.). Aan deze zijde
tan (hd. diesseits). \\ Dat men bedess^deBerchem,
bedessijde de Galgbe te Rnlleberghe, bedessijde
Jette, . . bedessijde Guerre, bedessijde Wolu we,
bedessgde Boendale , bedessijde Anderlecbt , bedes-
^de Uccle , nocb bedessijde Vorst nieman engbeenen
wgn vercopen en sal , Belg. Mus, 7 , 305. Meer andere
^oete meenicbte van eedelen van allen landen be-
dessyde sgheberchts, Cron. van Flaend. 2, 16.
Ende als men toent ons beren anscbgn , so bebben
die van Rome V™ jaer aflaet, ende die van dien
lande IX", ende die van bedesside sbergs XlIIIm
jser aflaet, lis. aang. bij Jonckbloet, Spee. bl. 127.
So waer d.it ware, bedesside der Znutzee, Cout.
9. Bragge 1, 335. Dat die kersten van bi dees
sgde (1. bedesside) der zee dair tlant besloegen
ende bevochten, Èxc. Cron. 2bb. Begbinnende an
de beke bedisside der moerbrncghe ende also
itreckende tote omtrent 12 roeden begonside der
moerbrncghe, Invent. v. Brugge 4, 368.
I
BEDEVAERT (beevaert, bevaert, bevert),
znw. vr. Mnd. bedevart.
1) Bedevaart. \\ Menicbvondighe ban ende zware
bevaerden , daer zommighe Inden zeer mede bedorven
ziin , V. d. Wall 367. Daer nae soe is by ghereyst
om sijn bevaert, Oest. Bom, f. 16<?. Tot dat bi
zijn bevaert beeft volbracht, Huge v. Bord. 14.
Een bedevaert begripen , ondernemen^ Gelre, Wapenb.
58. — In verschillende thans verouderde uitdruk-
kingen, waarin bedevaert als adverbiale ace. voor-
komt, evenals pelgrimaedse (zie ald.). — Bede-
vaert gaen. || Daer tenden so souden si te
Romen gaen . . . ene bedevard, Velth. V, 25,
53. Bedevaert ... te gaen vorder dan tot Aken,
B V. Vtr.ly^l, Als miin vrouwe tot Eykenduynen
bedevairt gegaen was, Oorl, v. Albr. 49. Want
dese heylige vrouwe bedevaert was gegaen tot
Sinte Jacobs in Galissen , Matth. Anal. 3 , 100. —
Bedevaert ri den. || Brieven, uter Hage gesent
an mynen here van Hollant tot Egmonde, dair hi
bedevairt gereden was, Oorl. v, Albr. 296, —
Bedevaert senden. || Doe verstonde ie wel
in desen, dat ie was bedevaert ghesant, Hild.
239, 12. — Bedevaert (sijne b.) varen. ||
(Hosea) gaf driewaerf int jaer orlof, dat tfolc
onder hem voere bedevaerd te Jherusalem, Rijmb.
14140. Sulc heeft bedevaert gevaren, als hi
sonde sijn huus bewaren, hi had vele bat thuus
gebleven, D. War. 8, 74, 55. Hi voer van Erme-
ngen ... te Jherusalem sijn bedevaert, Serv. I,
315. Een edel man Dirc, grave van Hollant,
doe hi tot Jherusalem bedevaert voer, Clerc 53.
Te varen te Santé Jacop oft tot onser vrouwen
tAken oft anderswaer bedevaert, Overijs, R.V^'i.b.
— Bedevaert tien. || (Si) togen bedevaert
tEgmonde, Clerc 76. Si was bedevaert getogen
tot sinte Jacobs in Galissen, 56. — Bedevaert
reisen. || So si uten lande van Tussien gereyst
was bedevaert tot Romen, Pass, W, 272 d. Ende
is bevert gereyst mit enen eerlike;» gesinne nae
Luidick, D. War. 7, 112.
2) Buitenlandsche reis, verblijf in den vreemde,
lat. peregrinatio. Terwijl dit Lat. woord de bet.
van bedevaart (pelgrimage) heeft aangenomen , ging
het met bedevaart ^mat omgekeerd. || Een mensche . .
sonde varen sine bedevaert oft int vreemde lant,
Hs. V. 1348, 257 a (Matth. 25, 14).
BEDEVEN? II Mer stoede hier suwes iet, dat
bedeeft, hoe ghi wondt, wat helpt groet gescal,
Ghine bites, dat ghiere doot om bleeft, Rincl.
718. — De fransche tekst heeft (coupl. 59): „Mais
bien te soit appareillie, se ente y a qui tiève
soit." Is misschien het ww. ó^i^^», dat van elders
onbekend is, verwant met den stam van got.
gadaban en ons deftig, ags. gedafan eugedafnian,
passen, behooren (Diefenb. Fgl. Wtb. 605)? De
beteekenis zou dan zijn: „ Doch als hier iet^ stond
dat van u is , dat past , betaamt (nl. u te geven)",
voor dat zou plicht zijn; eene bet. die werkelijk
de woorden moeten hebben.
BEDI (bedie, bidi, bidie, bedien, bideen
Cbij Stoke)), bijw. en voegw. l^hd, bediu;eïk bidiu.
Gloss. Lips. : bethiu of bithiu (Heyne, And. Denkm.
43). Samengesteld uit bi of be en een naamval van
het aanw. vnw., nl. den instr. die of den datief
dien. De gewone vorm was bedi, bedie, d. i. de
toonlooze van het voorzetsel bij, dat ook mhd.
de gewone vorm in samenstellingen was (Lexer 1 ,
262), met den instr. die, di, mhd. diu, got. thé, welke
bij comp. ook thans nog bestaat in het eng. the, nl. te,
hd. to ; mul. de, te, die. Zie Huyd. op Stoke 1, bl. 228i
635
BEDI.
BEDÏ.
636
Clignett, Bijdr. bl. 210; Heremans, Overblijfsels
V. d, Inttr. bl. 17 i\g. De andere Tormen Indien ^
bideen^ bedien zyn met den dat. van hetzelfde vnw.
Mmengesteld en beteekenen hetzelfde. Ook vindt men
in geljjken zin bi desen^ bi dat en bi des. Zie Bi.
I Ala Buw. — 1) Als znivere \u9\x. D€uirdoor ^
ten gevolge daarvan. \\ Door sine doghet ... es
80 groot Tolc totem comen, dat sgs mee hebben
dan wi, ende comen bet aen dan wi bedi, Partk.
1484. Die vanden castele . . moesten altehant
bedien, wouden si ochte ne wonden, vlien , Lanc. II,
28769. Gi hebbets verdient bedi, III , 7456. Aldus
versach die coninc bidien dongeval dat hem sonde
gescien, lY, 10771. Dat qnam bedi, hi vanter
were, Stoke X, 218. Zoo ook I, 515.
2) Daarom^ om diered^n. \\ Maken wi hem {den
meiuch) oec bedi helpe, die hem ghelijc si, Rijmb. 525.
God dede wesen onderdaen die Joden . . . den Ro-
meinen al bedi (= aldaerom\ 32239 var. Ie ne sonde
n mogen syn sceppenesse niet bescriven, bedi
latict achterbliven , Ferg. 3518. Hi vrucht al dat hi
siet, bedi springhelhi in den vliet, Nat. Bl.Yll , 842.
Dat hebbic bedi hier ghenoemt . . . , dat hi hem hoede,
193. Du nemest al , du doest mi scade , bedi en doe ie
di ghene ghenzde , Èsop. XLI, 11. Haddicju ghelaten
in juwe ere , ghine waert niet comen tesen sere , ie
bemreof oesuunbedi, Fa/. 9115. Want bidi hi waes
onblide, dat hine alsoe machtich sach, Sp. I*,12,
48. Zie verder Nat. Bl. III, 2342 var.; V, 623.
Nat. V. II. 1804; Esop. Prol. 12; Ferg. 1685;
Rijmb.21^, 483, 23840, 24147, 33896. — Albedi,
hetzelfde als aldaerom. Zie ald. en al. — Bedi
omdat, daarom , omdat (lat. propterea quod) , Rijmb.
486; Nat. Bl. III, 1050; V, 341, 502; VI, 633;
VIII, 199; Troyw» 6885. — Bedi daerom, om
deze reden ^ hierom^ Vrouw, en M. VIII, 350. —
Bedi want, daarom, omdat \ omdat; want. Lanc.
IV, 541; Praet 759; Nat. Bl. VII, 899; Franc.
8113. — Bedi (bedien) dat, daarom dat,
omdat. II Dat dese siecheit haere anquam , bedi dat
si te vele naturen hadde daer bi dat si mans en
plach niet, M. en Fr. Helm. 1698. Bedi dat de
pacient heeft groete pine int hooft. Jan. Yp. 39.
Zoo ook Flor. en Bl. 2277; Nat. Bl. II, 47 ;ZtfiK?.
III, 10967; Heelu 1693; Nat. Bl. I, 162; Rijmb.
600. — Niet bedi dat, niet daarom dat,
niet omdat, Fr. Rijmk. 4020; Lanc. II, 28011;
34642; III, 11111; IV, 5775. — Niet bedi, ge-
volgd door een ontkennenden zin met ne of en.
Elliptisctie uitdr., het best weer te geven door
onze uitdr. niet dat — mtuir (vgl. Troyen 6840:
Nochtant en segickes niet bydy ... dattet recht
sy . . . , m e r dat ie meen . . . , dat Ulixes is
een quaet). De volledige uitdr. was : i c n e s e g g e(t)
niet bedi . . . ne, d. i. niet dat ik daarom
wil zeggen , dat niet ; niet dat ik daarmede ontken
dat. De volledige uitdr. vinden wij Lanc. II, 25352 : ||
Gine sgt die goede riddere niet, die al die avon-
turen te hoefde bring^n sal. Ie ne segge niet
bedi gine sjt die beste riddere, die nu ter tyt
wapine dracht, mare die goede riddere sal hir
nare beter werden dan gi; en Ferg. 1481: Joncfrou,
in sach n herte nie, sine qnam hier niet; in segt
bid ie, hadicse, ie en gave se u niet, (maar) ie
en sachse nie. Niet dat ik u het hart niet, als ik het
had , zon teruggeven , daarvan niet ; maar ik heb het
nooit gezien. De uitdr. niet bedi — ne staat dus
in onze taal gelijk met niet dat — maar; maar
toch ; dat nam niet weg dat ; niettemin — ; hoewel — ;
en dgl. Zie De Jager, Arch. 4, 216—223. || Niet
)}edi sine wisten niet an hem , daer si blameren af
mochten sine persoene . . . , ne waer dat si ontstg^B,
niet dat zij iet* op hem wisten te zeggen, mêor ^
vreesden, VI. Bifmk. 4212. Ie was coningiBK
willen ere . . ., niet bedi mine beqnia ^rate
goet noit so wel als mi darmoede doet, uurtsA
vond ik nooit zoo veel behagen in rijkdom êU m
armoede, Lanc. III, 3209. Si dochte hem edeb
wive wesen niet bedi, hine hadde liver dits
hare zielen verloren dim hi, dat nam nietwej,
dat hi; liever wilde, 7145. Hi gaf Madore mettn
swerde enen swaren slach . . ; niet bedie Mik
en versochte Lancelote daer al dat hi vermockte,
niettemin trachtte M., IV, 3953. Zoo ook Uae.Vi,
928, 1475, 11331, 24222, 27219; 111,1376,290,
5725; lY, 4949. — Minder nauwkeurig worè è
ontk. ne weggelaten. || Niet bidi nochtan («tf^tfw,
evenwel) soe mochte mettien riken wel ommegto,^
III>, 26, 36. Niet bedi bi siere ghenadea gmtiit
ende voer sine doet ontfaremde hem sgns , H. £^
2861. Niet bedi die grave hadde wale van detafbe-
hort, Lanc. II, 3668. Zoo ook 3567 , 12191 , 17840,
20525, 28270, 28352, 28740, 30930, 326C4,
32364, 36333, 36499; III, 633; IV, 1261. -D»
bet. van daarom kan vaak ook door het TWfi.
zoodat worden weergegeven. Zie b.v. Akx. ïïl,
523, 531, 548, 890; enz., en vgl. onze aitdr.;
waarom ik maar zeggen wil (of daarom wil me ^
zeggen) met: zoo dat ik maar zeggen vil. ïït^
WANT, dat insgelijks de bet. zoodat aanneemt.*- 1^
voegwoordelijk bijwoord komt he^ {hiü) m
eukele maal voor met de bet. van iwimert, tod. i
Onse Here seide : swighen si , die stene «lUa
roepen bedi, dan zullen immers de steenentfM
RXjmb. 25059.De8e keyserinne bidi was in sieretóv-
liehede ende dienden selve mede, iS^. 111^44, ft
II. Als VOEGW. — Omdat, loant. jj Bedi ï
hadde die porse groet , hi moeste vallen op o
knien, Ferg. 4110. Bedi der minne eenparicheiic^
voer Gode ghenoughelichede , Awumd 1 , 698. Bei^
in deser manieren dat roeden sceden die nsieÜtR-
Lanc. III , 6143 (dat in den 2en regel is de tW"
looper van het snbj., anders zon er stsas fc^
dat in enz.). Bedien si en sgn gheen erve ^^
Uden in dit Ijf , mi wondert, daar wten tod iif
in dit leven niet eeuwig blijft, verwondert hdt^ •
Vrouw. e. M. YIII, 346. In wille nietdagba.fe*
ie wille varen jaghen, Ferg. 39 (vgl. 4881).Toire*
seldi sterven nu, bedi en es niet comen bit, /^
3541. Zoo ook Lanc. 111,681 ,7132, 7136; A'i^^
VII, 881; «w. — Want bedi, want, omMl
Want bedi het cam aldus, Fratic. 8113. ftf
bedi ie waende wale ane hare sachte as^
tale . . dat verwandelt waer haer raet, Msur
255, 134.
Aanm. — De twee beteekenissen als bfv-'
voegw. komen ook in één zin Toor. || Bedi (itf'o*
ne wisti niet wat doen mere, bedi(oaiia/)ül^
hem op so sere, Lanc. U, 941. In versekfl»^
nieuweren vortan van der doet nn ter wil«j^
mi , bedie {pmdaf) gi hebbets verdient bedi (^
door, daarmede), III, 7456.
BEDICHTE (bedechte), bnw. en bgv.; «
dichter z. ald.
I) Als Bnw. — Zwaar, hevig (vergr. b»
bedichter). jj Die joget valt in evele lichtit, ^
evel es vele bediehtre des onden (/. ^ ^
ouden), /^. I«, 10, 27 (Vinc: gravius tgti^
II) Als BUW.
1) Van plaats. In de nabijheid ^ dicht h^A^
{de engelen) scouwen wel bi dichte (/. WJ*
alle dinc in Gods ansichte , Lucid. 718. Si ^
637
BEDI.
BEDl.
638
hebben wel bedechte (/. bedlchte) voor hem lieden
Gods ansichte, 6045.
2) Van wyae. Ortophoudelijk ^ met geringe tuatchen-
fooun, herhaaldelijk^ telkens %oeer\ soms ook
mtt tlevty met aandrang, \\ Si baden den here
hirde bedichte, dat hi hem den riddere late
beÜBDen, Lane. II, 44362. Hi sleet sQn scone
har bedichte, 35685. Yleesc ende vel haeldi be-
dichte neder, daer dat rode bloet dapperlike ute
liep ende woet, Wal. 8986. Soe dat hem die trane
liepen nte sinen ogen bedichte, Lanc. lY, 5992.
Bedichte die trane sijn vielen der vrouwen in
dansciin, JUmb, VI, 1857. Bedichte hem die
tranen liepen over elke lieréwanghe, 3p, UI', 80,
16. Die spiete ende die scichte . . vlogen bedichte,
on, Oed. 2, 71, 191. Daer sine bespogen be-
dichte, Lucid, 1458. Trane, die hem vaUen in
dansichte, harde groet ende bedichte, i^^^ 13889.
Dore elke vinstre (quamen) . . quarele gevlogen
bedichte, Lane. Il, 29281. Die sparke vlogen . .
bedichte, 43052. Tbloet liep nut ten leden . . be-
dichte, Wal. 9936. Waleweine . . sach hi bedichte
ten maelgen daer tbloet ntedringhen, 10073. Dat
dit bloet nntspranc bedichte beide ten monde ende
ten nesen, Lanc. II, 8890. Si scuerden wel be-
dichte . . beide haer ende ansichte, 25622. (Si)
icoten bedichte untwaert scerpe scichte, Wittek.
V. S. 95. Die coninc beval bedechte , datmense vaste
hoeden sonde , Velth. II , 15 , 18. — Vooral in ver-
binding met tlaen gebruikt, hetzelfde als slach
in slach sla en. Zie Slach. || (Hi) sloech bedichte
op hem na sijn bloet ansichte , Lanc. III , 15469. Lyo-
neel sloech op hem bedichte , 7598. Si sloech haer
Mlven bedichte in hare scone ansichte, IV, 8089.
(Hi) sloech bedichte op hem daer . . grote slage,
II , 40646. Si gingen hem onderslaen bedechte , III ,
15726. Hi slonchse in hare ansichte meneghen
slsch wel bedichte, Limb. VI, 1963.
BEDICHTEN, zw. ww. bedr. 1) Eigenlijk.
Bezingen f iemands leven in dichttnaat beschrijven. \\
Die edel here, dien wil ie nu in eenre daghen
bedichten ende syn waeldaet waghen , Claghe 14.
2) Bij uitbreiding. Beschrijven^ te boek stellen^
Of schrift brengen^ (io\iVDi^TO%iL. \\ Die . . airebande
besceydenifise der landen ende oec der dinghen met
znferliken ende gecierden woirden bedicht hebben ,
i-Ure 2. Josephus , die der Joden hystorien een deel
bedichte, Ned. Proza 122. Dat hy (de cl ere) sljns
heren ende der steden redenen ende meninghen
▼erder verstaen sal ende wijsseliken ende abeliken
bedichten ende bescriven, Matth. 70.
BEDIE. Zie bedi.
BEDIE, znw. gesyncopeerde vorm van bediede,
3den nv. van be£et. Alleen gebruikt in de uitdr.
van be di e, van beteekenis, van naam^ van stavast. \\
Mans van bedie, van Breda Deeken , heer Heinderic
de Bie ende heer Jan Boot, Sacr. 1183.
BEDIEDE, znw. vr. en onz. Mhd. bediute
▼r.; mnd. bedttde vr. In zgne beteekenissen ge-
l$k aan het veel meer gebruikelijke znw. bedie t
(rie ald.).
1) Verklaring y uitlegging (vgl. bediet ^ la). \\
Hier mede latic dit bediede, Teest. 2397. Hore,
ie iegghedi dat bediede, Lsp. II , 9, 32.
2) Gebeurtenis^ zaak (vgl. bediet^ 2r). || Dese
dinc ende dese bediede daer ie af gheseit hebbe ,
ghesciede omtrent twee maende na dat bleef doet
die goede grave , VI. Rijmk. 4368.
3) Befeekenis (vgl. bediet, 4), ook gewicht. \\
Der heyligher kerken bediede is sameninghe der
goeder liede , Lsj>. IT , 39 , 255. Die welke brieve . . .
grote wijsheit hebben bevaen, ende van leringhen
grote bediede, II, 40, 83.
BEDIEDELIJC (bedudelic) , bnw. Van bedied-en
(zie ald.). Duidelijk^ klaar ^ helder. \\ Claerlic ende
bedudelic mit groter verstandelheit heeft u die andere
oude, myn gheselle, onderwijst, Gulden Troen ba.
BEDIEDEN (beduden, later ook beduiden),
zw. WW. bedr. Van het ongebruikelijke ww. dieden ,
in den zin van bekend maken ^ den volke verkon-
digen. Mhd. bediuten.
Bedr. — 1) Duidelijk maken.
a) in eig. zin. Verklaren^ uitleggen. \\G:\i\ sultse
bat verstaen, dan icse u metten dichten bedieden
can ochte berichten, X PI. 40. Dan sal ie u door
Amands eere bedieden die verstannesse mede in
v^f poeinten, de beteekenis verklaren, Amand II,
6011. Het is wonder wat hy sal den man, want
hy en beduden niet en can, hij kan de beelden op
het schild van Achilles toch niet uitleggen^ Troyen
111%, Of spreken si alle mit tonghen of beduden
si alle die scrifture? Ms. 75, I Ow. 12, 30. Al
dat mer inne {in het O. T.) vent, es leren ende
bedieden der dinghen, die na ghescieden, Teest.
1812. (Si) wildent over waer bedieden dat onghe-
val van haren lieden gheent wonder meende, Sp.
III •, 34, 13. Vro was hy ende harde blyde, dat
syn droem hem heeft gheloghen , . . die op syn kynt
hem was bediet , „ die hem was uitgelegd , als op zijnen
zoon betrekking hebbende'\ Troyen 10614. Bediet dees
mespel op den coninc , Taf. (>^ 3 JT. 68 , d. i. vergelijk
de eigenschappen van deze mispel met die eens Konings.
Dat hi ( Witte) stille ende overluut sine brieve sende
uut . . in allen steden , an allen lieden ende dede hem
daer mede bedieden, dat hi in den lande ware,
'hij liet hun daardoor duidelijk maken , gaf hun te
kennen y Stoke VIII, 1125. De coninc vertelde hem
den drome, ende niemant en was dien mochte be-
duyden, B. B. Gen. 41, 8. — Iet te wonder
bedieden, iets als een wonder uitleggen, vooreen
wonder houden. \\ Men sont te wonder mogen bedieden,
tgrote . . (ontbr.) dat si daer daden, Fragm. Car,
270. — De onbep. wQs als znw. gebruikt: |j Ghilieden
sijt allegader doot int bedieden, Amand II, 699.
Toten Ebreuschen, die int bedieden waren onver-
standelike lieden , 6020. Dat hoorde ie sint an sijn
beduden, Hild. 27, 30. Ook in den zin van te
recht helpen, beantwoorden. || Haddic in Martens
cam ghescoren , ie ware nu vroet bediet, Wap. Bog.
47. Herde gheme soudic bedieden een vraghe te
recht horen van lieden, die hem daer op verstonden
wale , ik zou gaarne goed eene vraag hooren mtleg-
gen, oplossen, beantwoorden door menschen, die er
verstand van hebben , Vad. Mus. 1 , 317 , 2.
b) door iets uit eene vreemde taal over te zetten.
Vertalen, vertolken. \\ Dat si ons ende onsen lieden
die wet in onser talen bedieden, Sp. I*, 12, 11.
In Griexscer tale uten Ebreuscen onse wet te be-
diedene, I», 12, 24. So gaf men daer ter selver
stonde den brief Tulpine, dat hine den lieden in
de lants tale soude bedieden, lY', 7, 6.
c) Af schetsen, af teekenen, aanduiden , noemen. \\
Wel es bi desen visch bediet menighe, die luttel
of niet gheacht es, Nat. BI. V, 757. Vort suldi
horen bedieden some vanden heilegen lieden, Sp.
III*, 52, 73. Met derre minne, die ie bediede,
sinder meest gemint die rike liede, Rosé 4685.
Bedi hoertmen dese bedieden donnedelste van alden
lieden, Sp, V, 36, 27 (vgl. Ilde Partie, bl.513).
— Vandaar dat bedieden ook de bet. bedoelen, te
kennen geven aanneemt. || Uter! ghi siter bi be-
duut bi der sterren ende bider draken, Sp. III*.
639
BEDI.
BEDI.
640
31 , 26. Hierbi wast bedayt , dat dit kint winnen
sonde Asyen ende Ënropen , Ned. Proza 351. Aise
oft 8oe seide over Innt y^hx^v bi so waa ie bednnt ,"
iSjp. !•, 30, 27. — Hiertoe behooren ook de volgende
plaatsen. || Der Arriane sede was te seggene:
,,Gloria patri in flUo," omme dat si mindere , alse
ongeloe?ege lieden, dan den vader den sone be-
(lieden, den zoon voor minder houden^ alt minder
betchowcen dan den Vader ^ Sp. II*, 11 , 44. So wat
NO seggen die liede, men mach maer enen God
bedieden, tpreken van één Ood ^ éenen God erkennen ,
Sp. II», 9, 65.
2) Vertellen , verhalen , mededeelen. — a) Eigenlijk.
II Wie salt dorren hem bedieden, wie sal wesen
soe coene, die den coninc Gwidekijn seggen sal
die lede mare? Wittek. v. S. 174. Comt ende siet
hier enen man, die mi al heeft bediet, so wat so
mi es ghesciet Rijmh. 23056. Ie bediede a die
waerhede, Amand II, 3087. Daer ie ju in {in
Boek YI) den ondersoec van serpenten bedieden
sal, Nat. BL V, 1132. Ie salt den reehter oec
bedieden met sabtyiheit, eer wy schieden, Hild.
38, 165. Die ere en mochtu niemen bedieden,
die deen van den andren heeft, lAmb. YII, 58.
Dns ontfinghen si scade groot ende van goede
ende van lieden het ware jammer te bedieden,
Stoke IX, 1232. Dit horewi ystorien bedieden.
Nat. BI. XI, 164. — Horen wi bedieden,
naar wij vernemen. \\ XLIIII manieren van lieden
hevet (Indié) in, horen wi bedieden, Sp. 1% 37,
5. — Ook met het voorz. van verbonden: van
ie f 9 vertellen^ spreken^ toeten te verhalen. \\
Nu saldi horen voert bedieden van den stenen.
Nat. BI. XII, 1147. Men seide, dat daer
ter stat , die wondere hier voermaels gescieden ,
daer die menige ave bedieden , Yelth. III , 22 , 60.
Onse Here quam te Sichem, daer Genesis vele af
bediet, dat tien tiden Cychar hiet, Kijmb. 22986.
Een deel lantUede, . . daer ie bediede te seggen
ave wonder groet, Yelth Y, 12, 5 (d. i. wonder
groet te seggen. Ygl. lat. : de quibus mira dictn
narro).
b) bij uitbreiding. Iemand iets herinneren , op het
gemoed drukken^ voorschrijven^ bevelen. Ygl. onze
nitdr. : te vertellen hebben. \\ Sie scieden hare liede
alst Hercules te voren bediede, Troyen 1362.
Daerom ons God selve bediet: „ghi en snit niet
rechten na den aenghesichten ," X PI, 1909. Die
wise Salomon ons bediet: „mensche, en laet di
lasten niet der qaader lieden straten," 1118.
Seneca ons bediet : „ghi selt in allen enden armen,
crancken ende ellenden . . hulpen," 1921. Sinte
Ambrosis horic bedieden: men sal alsen in olie
sieden , Nat. BI. YII , 800. — De onbep. wijs
als znw. Vermaning. \\ Oeck wat hem syn broeders
rieden . . , hi en wrochte niet na hoer bedieden ,
Hild. 62, 70.
3) Beteekenen , beduiden , willen zeggen , lat. signi-
ficare , dat op het gebruik van ons beteekenen zonder
twijfel van invloed geweest is. || Die seste letter is een
U; sel ie twaer bedieden na, soe machse Yeritas
beduden, Hild. 72, 83. Saterdach {Sabbath nl.)
ruste bediet , Natunrk, 1434. Dat broet bediet , als
iet verstoet, s^n vleeseh, entie wgn bediet sgn
bloet, Rijmb. 1690. Het dochte hem een vremde
dinc wat dat roepen bedieden mach , C. en El. 37.
(Die worm) . . bediet der Maghede kint, Nat. BI.
YII, 1030. So macht wel over waer bedieden,
III, 3593. Dit bediedt die ioedsche wet, Teest.
1822 ; enz. — De onbep. wys als znw. : beteekenit. ||
Daer so suldi vinden dat bedieden der lettren
viere, IVrake III, 629. In Alexmnders vffle jaer
staerf Plato, alse hi hadde .... neghene Twai
IX jaer geleeft, dat groot bedieden iiilieeft,i^^
wat wil zeggen^ Sp. I*, 4, 31.
BEDIKDEN, zw. ww. onz. Yan dieJen it ia
zin van balen (zie ald.). Baten ^ kuipen. \\ Dit ie
mochte niet bedieden , dat sys hem baden , diic
waren , Lanc. II , 45838 (of is bedieden hier op
te vatten als het vorige Art 4)?).
BEDIEDENISSE (bedietnisse , bedudenisse^
znw. vr. Mud. bedudeneue^ bedufnesM ^ mbd. ht-
diutniêse.
1) Uitlegging^ verklaring, vooral Tma dwwn
gezegd. II Leet mi in sconincs aenscomwen, aèt
ie sal den coninc vertellen sinen droem ende at
bedudenisse, D. B. Dan. 2, 24. Ie heb tam
mensche ghevonden . . die den coninc die be-
dudenisse (nl. van den droom) boetscappea nl.
ald. 25. Goede ghewoente is die airebeste bedid^
nisse des rechts, bona coneueiudo peroptima iaier-
pres legis, Matth. 45.
2) Beteekenisy bedoeling. || Dat si hemtekeaaa
gaven die bediedenesse daer ave , Wrake III , föi
Dat hi Abrame brochte te voren beede sinea i^
ende sijn broot, dat heeft bedietnesae gr»^,
Rijmb. 1682 (vgl. Amand U , 2482). Hebdi ciür
verstaen die bediedenesse van den woorden , JmÊti
II , 4609. Die bediedenesse van onsen heere, 6(HQl
Dits bediedenes des latgns, Belg. Mus. 7, 321,
95. Die bedietnesse van dien , Ltme. II , 422S. Wti
die bediedenesse es daer of, 4237. — Die Beéie-
denisse van der Missen, titel Tmn een biL
dichtwerkje , over de beteekenis der bg de bs
gebruikelijke symbolen (in Lett. N. R. 7^).
BEDIEDER (beduder, bediedere), znw. n.
Mnd. beduder; mhd. bediuütere. — 1) Verklei-
der ^ uitlegger, vooral van droomen. || Sinebediedm
(nl. van den droom) seiden gint dat soe sonde dngba
een kint, Rijmb. 17207. Dyn eerste vmder sondicMe
ende dyn bednders (interpretes tut) deden owahéL
teghens mi, D. B. Jes. 43, 27. Is daer g^ea
beduder . . , (hi) swighe in der kerken , JKc 73.
I Oor. 14 , 28.
2) Tolk. II Si en wisten niet dattet Jo«^
verstont , omdat hi hem toesprac mit enen bedaio.
D. B. Oen. 42, 23.
3) Vertaler. \\ Yan den LXXII bedieden m
Jherusalem , <^. I*, 12, 12, Opschrift,
BEDIEDINGHE (bedudinohe, BEDiiNGHE),nv.
vr. Mnd. bedudinge; mhd. bediutumge.
1) Verklaring, uitlegging. \\ Daer toe en b^»^
men gheen constige ende meisterlike bedndiagke.
mer puer ende eenvoudige ynnicheit , Ned. Pros^ 19
2) Beteekenis, bedoeUng. \\ Doe vraecbde hi ëi
bedudinghe van eiker lettre zonderlingbe , Lsp. ü.
24, 73. Hestor die lettren las, daer die l>&diedii^
snlc of was, Lanc. II, 3361. Hi sal oec iifaa
in die bediinge vanden parabolen, D. JS. EeeUana^
39, 3. Gods woerden , daer hi die bedadinghc aè*
die waeromme niet of en verstaet, Stammen Ufc
Siet nu hebbic u ghenoemt alle de ro^hele eai^
hare bediedinghe, Runsb. 2, 222. Ist dat k k^
en weet die bedudinghe der stemmen, Ms, T^-
f. 37 a. Dat hi die bedudinghe van desen ^iss^
niet en verstont , Ms. 87, f. 22 a,
BEDIEN (ook bedien, b. v. Praet 16S8). si
onz. WW. [bedeech, bedegen). Yan be en Ain y»
ald). In verschillende opvattingen.
1) Worden, vooral in het verl. deelw. bedefe^^A
Sichtent dat ie ghelach, en mochte mj gescn*
vruecht, so vremde syt ghy tmywaert bed^ki.
64i
BEDl.
ËEDt
64Ö
Ned. KluchUp, 76, 117. Tis 8eer verkeert in
corten stonde: daer ghy waert meestere, 8ijt(ghy)
knape bedeghen, Be^, Mus. 4 , 252. Jolijt dat moet
ons langhe dneren . . . mijn traeren bedeghe al
stil, dan zou mijne treurigheid ophouden (jgeheelstil
wrden), OVl. Lied. 335. Vele lieden ..., dewelke
Tele lands wonnen ende bedeghen zeere ryke,
i>nn, V. Flaend. 1,13. Die borghe bedydt , gheeft
den sluetel van synen goede , Spreuken 68. Dewelke
Aeroond . . . bedeghen es cordelier ende profes
in de oordene van Sinte Franchois , Cout. v. Brugge
1, 485. Zo wat Vrnlaten poorters bedeghen
waeren, 583. Andere die by fhtnde poorters be-
deghen waeren, 590. Zoo ook 503. Jan Van der
Haghen, als gheheel hoyr bedeghen van de ver-
sterflen van den voomoomden Jacop van der H.,
Co»t. V. Oent 649. Als de weese huer betreet te
bnwelicke, of priestre of riddere bediet. Wiel.
Inttr. 118, 299. Binnen jare ende dage, naer dat
ig haer selfs bedegen zgn, hun eigen meester ge-
rorden zijn, 89, 118. Van eenen man die cranc
bedeghen was van zinnen, Invent. v. Brugge 6,
114. Als hy den papegay ofghescoten hadde ende
ilio conyne bedeghen was van den voetboghe , ald.
118. Dat P. ende J. zekers ende borghen bedeghen
ign vor enz. , Diericx , Mem. 2 , 24. Zoo ook meer-
malen bg Despars. Zie ook Ondem. 1 , 334 en 350,
en Kil. 37: bedijden, fieri, evadere.
2) Vooruitkomen^ slagen, vorderen, goede zaken
maken. Vgl. onsww. gedijen. ||Ic moet mincken...
ende hi moet wassen ende bedien, Rijmb. 22502
w. Scepenen diet recht verkeren , scolier die tilec
mint, een arm man die wel wijn kint, dits ene
compaengie . . die men selden slet bedien , Belg. Mus.
6, 213, 26. Gheselleken, spade seldl bedien , als ie
ane u tale hore , want ghi sprect als een dore , 7 , 321 ,
104. Overdich arm man . . bedijt selden, 10, 118, 10.
Hebdi ghevolghet met Folien, comt weder, of
fbi wilt bedien de wile dat ghi hebt den tijt,
Pnet 1142. Een jonghman sonder bedwanc oft
kenten int gheloove cranck selden bedyen , Spreuken
73. Een dronckaert mach somtyts bedyen , dobbeleer
Bimmermeer, ald. 106. Die vele op de haghe doppen,
oft in de grachten sien, en sullen niet bedien,
«W. 84. — Bat bedien, betere gevolgen hebben. ||
Bnnc half sat sal bat bedien dan vol, Bincl. 572.
3) Van zedelgken vooruitgang gezegd. Ver-
heteren, beter, edeler worden, \\ So sal uwe ziele
wel bedyen, hebdi berouwenesse van dien, Praet
1628. Hare jeughet sal soe so castien, dat soe
bier wachten moet van blamen , so sal hare nature
bedien ende hebben goeden lof van namen, 619.
BEDIEN, samengetrokken vorm van bedieden
(i. lid.).
1) Vertellen, verhalen. \\ Willet mjj dan ver-
, trecken, in (d. i, ende) bedien mijns wijfs siecte,
PUyerw. 133. Ter eercn Gods lichaem, sou ie
^beme in cort bedien, hoe dat tSacrament op de
Nienvaert ycrst ronden es, Sacr. 764.
2) In den zin van beteekenen. — Vandaar de uitdr.
Tanbedien, van beteekerUs, wat naam mag hebben. \ \
Ie stae in mijn lampte en zien, ie en vinder niet
ia van bedien, F Maagd. 353.
BEDIEN. Zie bedi.
BEDIENELIJC, bnw. Dienstbaar, tot het verrieh-
tf% vanbepaalde diensten verplicht. \\ Een bedienelijk
mtn , Invent. v. Brugge 4 , 234 ; hetzelfde wat op eene
indere wgxe sterfelikelaet wordt genoemd. Zie lakt.
BEDIENEN , zw. ww. bedr. en onz.
Bedr.— Jï«/w«», beheerschen. \\ Dat rijke lant
wüt gj bedienen u leven lang, Heemsk. 186.
Onz. — Dienen, in den zin van dienstig, nuttig
zijn. II Oft iemant vanden gesellen ghaet in onbe-
holrlike oneerlicke plaetsen , daert hem nyet en be-
dient, Hermans, Oesch. der R. 327.
BEDIENENS (bedinens), voegw. Voor Bediens,
hetzelfde als bedi , doch met den gen. in plaats van
den instr. van het vnw. samengesteld. Zie bedi en
BEDIES. Bedies werd bediens (vgl. diens en wiens
voor dies en wies), en daaruit ontstond de ver-
lengde vorm bedienens. Omdat, want. \\ Nochtanne
trac hi achterwaert, bedienens hi was altoes ver-
vaert, Belg. Mus. 3, 209.
— Als onjuiste vertaling van Lat. quia staat
bedinens, Hs. v. 1348, 96 b: Bedinens soegaet
ten grave dat soe daer weene {Joh. 11, 31), en
179 ^: Bedinens dat hi over twee penninghe doen
sonde, verstaet men raet ende troostinghe.
BËDIËNISSE , znw. vr. Hetzelfde als bedi ede-
nis se (zie ald. en vgl. bedien voor bedieden). Be-
teekenis. II Die bedienisse van elcken worde int
Lat^n, Jan Yp. 42.
BEDIENSTACHTICH. Zie het volg. Art.
BEDIENSTACHTICHEIT , znw. vr. Hetzelfde
als diensiachticheit (z. ald.). Van het tot heden niet
gevonden bnw. bedienstachtich ; mud. bedensthaftich.
Dienstvaardigheid, gedienstigheid, voorkomendheid. \\
Want hi hem in uutwendig^n maniren bedienst-
achticheit bewees, ere ende weerdicheit ende min-
like ghehoersamheit, Brugm. 2, 313. — In denzelfden
zin gebruikt hy
BEDIENSTELICHEIT, «W. 305: || Die heerlike ,
statelike bedienstelicheit der heiligher enghelen;
vgl. Hebr. 1, 14, en mud. bedenstlik, familiaris.
BEDIENSTICH, bnw.; vergr. inp bedienstigher.
In twee verschillende opvattingen.
1) Van bedierven in de tegenwoordige beteekenis.
Oenegen om te bedienen , gedienstig , hulpvaardig. Ook
met den 3den nv. van den persoon. || Bedienstich,
hovesch, simpel, vroet, goede seden ende scone
manieren, Praet 2771. Dat derde punt is: goet-
willighe sueticheit totten ghenen, die wi berispen
ende dien bedienstiger te wesen , nae dat wi berispet
sijn, dan wi te voren waren. Stemmen 19. Die
leen . . . was hem getru ende bedienstich , Matth.
110 noot.
2) Van bedienen in den zin van dienstig zijn
(zie ald.). Nuttig, van dienst. \\lc bem gheheeten
Gheveynst Bedroch , bedienstich ten crijghe, D. War.
1, 411, 116.
BEDIENSTICHEIT , znw. vr.
1) Bereidvaarheid , gedienstigheid. \\ Dese vrouwe
hadde meer ghearbeit dan die tvrie voerscreven.
Dese arbeit was ... in bediensticheit ende in
toetroestinghe der heilighen, Ms. 75 f. 19 c.
2) Dienstb€utrheid. \\ Liever hadde hi gestorven
dan hij se had laten gaen in servituten ende be-
diensticheit. Pelgrim 6 d.
BEDIES, bijw. Daarom, daardoor. Zie bedie-
nens en bedi. || Soe wys noch alsoe goedertieren
en vant men noit van manieren, soe godfrucbtich
noch so reine; bedies heet menne int gemeine die
goede Eeiser Heinrijc , Brab. Y. VI, 621. Dese wet . .
dochte den heydenen quaet, so dat tusschen hen
bedies groet swaer orloghe wies, Teest. 1804.
BEDIEPEN , zw. ww. bedr. In een getuigenis
aanduiden, aanwijze in rechte. Vgl. ons opdiepen. \\
Ende want sie beide Geerdt ten Hove mede be-
diept hebben , so is Geerdt des dootslages schuldigh ,
Etst V. Dr. 113. Want de schulte met den twen
buiren hem bediept hebben mit hoer tnichnissen,
ald. 159.
21
643
BEDI.
BEDl.
644
BEDIET (beduut, beduyt), znw. o. Van
bedieden] zie ald. en vergl. bediedr. Het mhd.
bediute en het mnd. bedude komen in vorm over-
een met het mnl. znw. bediede (zie ald.), en
zgn vr.
1) Van bedied^n, in den zin van verklaren y uit-
leggen. — a) In eigenlijken zin. Verklaring ^ uit-
legging. II Nu horet bediet van deser saken, Melib.Q^S.
Ie wille weten van hem dbediet, Brand. 1846. Sonder
tGeluc, verstaet tbediet, selen si verloren bliven
ode, Vad. Mus. 2, 170, löö. Nu hoort ende ver-
staet mijn bediet , Amand 1 , 498. Daer die heydene
som na hoorden ende verstonden wel dbediet, 1693.
Willem, nu heb ie waer bediet eerst verstaen
uut uwen monde, Hild. 220, 92. Wat wetic
anders dan ie mach horen ; in vraechde noit om el
bediet, OVl lAed, en O. 262, 871. (Ie) mach u
segghen een bediet, Rosé 4696 var. O Coninc,
verstant dit bediet, ^. IP, 21, 59. — Na (in)
recht bediet, om het juist uit te drukten , eene
uitdrukking, die niet veel beteekent. Vgl. de mhd.
uitdr. n^cA rehter bediute (Ben. 1 , 327a). || Eerkelijc
goet , na recht bediede , dats aelmoesne der goeder
liede, Sp. III*, 47, 19. U contrarie, in rechts
(/. recht) bediet, ons ghebod dede ende duwe liet,
Blisc. V, Mar. 672. — Bediet doen, bediet
maken, de verklaring geven ^ «iV/é-^^^»». || Hebdire
yet ghelesen of, of men den lichame int kerchof
begraeft, oft der zielen helpt yet? daer af doet
mi een bediet, Lueid. 4679.
b) Van bedieden in den zin van vertalen (zie ald.
1^). Vertaling. \\Dese mieracle willic bescriven . .
van den latine in dietschen bediede, Theoph. 11.
2) Van bedieden in den zin van verhalen^ mede-
deelen (zie ald. 2a).
«) in eig. zin. Verhaal ^ zoowel concreet het
verhaalde y als abstract, vermelding. || Al dese heilighe
goede lyede, die ie roer in mijn bediede, Hild. 153,
39. Te dien tide wert menech martelare . . . daer . . .
niet af en is gesciet enech also scoene bediet, Sp.
II*, 54, 35. Nu hoort van Sandrijn dat scone wijf
claghelike woorden een cort bediet, Lansl. (H.) 294.
Dat hl vergat ende achterliet van Moriane aat scone
bediet, Lanc. II, 42569. Een sonderlinghe helich
man, daer die lieden spraken van grooten wonder
menich bediet, Amand I, 534. Des wil ie u een
waer bediet vertellen, Hild. 128, 116. Tis alrebest een
cort bediet, 70, 278. Soe hoert van mi een waer
bediet, ie sels u gaern berechten, 68, 98. (Hi)
predicte den Jueden, die . . . niet consten ghe-
gronden tsalighe bediet , Amand II , 1482. — (Een)
bediet doen, maken, mededeeling doen ; mede-
deelen\ gewag ^ melding maken. \\ Voort doet de
Evangelie bediet , dat enz. , Amand II , 373.
Eerst willic u doen bediet, hoe Amands vadere
hem gheliet, I, 512. Vraghet mi wat ghi daer
siet, ie saels u maken een bediet, V. d. lïoute
125. Dan dient tonser materien niet, daer om
makics gheen bediet, Brab. Y. VII, 3397. Voert
maec ie u een bediet, dat wi en willen die
wiven niet , die sijn van sulken leven , Vrouw. e. M.
XI, 237.
b) by uitbreiding. De woorden , waarin het verhaal
vervat is\ taal^ rede, inhoud der rede. \\ Als ie
hoerde sulc bediet, ie ghinc tot hoer mit groten
vlijt, Hild. 52, 52. Wanneer hi spreect alsulck
bediet, 17, 74. Cost ie in mijn memori vinden
rechte rijm ende waer beduyt, 3, 4. Ghi hier af
orconde siet in der ewanghelien bediet, Amand
I, 5601. Die derde in corten bediede heet Tibris,
V, d, Honte 150. Die wonderlike liede riepen in
haren bediede na den heligen Biundane, BrsÊi.
1845. Hore dit bediet: ie sal di proeven, dit s
twee te samen één wesen , dat deen wee mick
hebben sonder des anders pine , Sp. II*, 23, 371
Hoort dit bediet. Nu noch 100. Die scrifleB te
zelven stonden worden alsoe ghelgc vonden, data
van ere letter niet en discordeerden in alt bedi^,
Lsp. II, 36, 2071. Ja ende neen is hoer bediet.
die hem mit comanscap gheneren, is htmne tssl.
m. a. w. hunne leus, Hild. 41, 127.
c) Overdrachtelijk ook gebezigd voor d^ satk
die verhaald wordt, en verYolgens gebeurtenis ^ sui
(vgl. bediede). II Die grave . . meende tesisevci
ontfaen van den coninc . . noch om een a§d#
bediet, VI. Rijmk. 6097. Ontbeyt, hoe comt u
dus swaer? Dit is vremt bediet. Mar. v. N. iST.
Hoe mach dit wesen, dits vremt bediet, Bük.
V. Mar. 2065. Wach anderwerf over die liede, ïüê
dus vortgaen met desen bediede , Velth. VII, ^ 3.
— Vandaar de uitdr.: ens gheen bediet, i^
is geen zaak, het geeft geen pas, het is onheiamtlijL
II Rogier, vrient, ens gheen bediet, dat jeas^
andren sjn quaet tyet, Wap. Rog. 131. Goet sa.
ens gheen bediet, dat ghi rast ende calt ilit,
Dentm. 3, 206, 60. — Daaf bediet dus de bf-
teekenis van taak, ding heeft aangenomen, kaï kt
ook de beteekenis van iets aannemen, en beW^
dus somtijds in het geheel niet vertaald ie wordea.!!
Datter roet es , dats goet bediet , maer dat vitl^
en doech niet. Nat. BI. IX, 197. (Als) ickerb
quame ten paradyse, . . so ware sonderlinghe sie
pine te rek ene niet jeghen der blyscip l^diei. s
vergelijking met die blijdschap, Amand II, 57^1
Van den wolf, daer ie of achter liet, mach wa
segghen groot bediet, kan men iets èelmtfryt
zeggen, Beest. 67.
3) Van bedieden in den zin van voorsckrijvrt,^
het gemoed drukken (zie ald. 26). Les, poortekrip.
bevel, II In deser wijs sprac die goedertiere ii«aki
bediet van goeden woorden , Amand l , 1691. Dè
wise Salomon seyt dit bediet^ „Mensche. fféu
sult versumen niet, ghine selt haestelingii« i
bekeren ," X PI. 545. Dit notabel gheeft tbe&L
80 wie die vroescap hevet in . . (dat) hl hes •
ter deughet set, Praet 1393. Bese exemplegfee^
tbediet, 1283. Van heer Amolde dat bediet, dif
hy mede van den lande sciet, Grimi. I, ^
Aldus sal ie (de duivel) in dese liede myn tite
ende al mine bediede assimeleren (lat. alecks-
signa mea assimilabo), Velth. VII, 32, 41.
4) Van bedieden in den zin Tan betetiei^
— a) in eig. zin (mv. bediede). Beteekenis. \\ PW*^
sophie in haer bediet dats wpsheit, D&ct 10
887. Redene heeft twee bediede, deen es s|i^
der liede ; dat ander es . . . onderkinnen goet o^
quaet, III, 175. Wat is des tekens bediet, dal kr
nu is gheschiet? Lsp. II, 36, 1195. Ons «£«^
dich trecht bediet es, Sacr. 162. Van der kecte
bediede . . . salie u cort nu betoghen . Jjf- ^^
51 , 1. Tbediet in Vlaemsche es das Tan dos-
Praet 4876. Wat van den dinghen was tW^
Trogen 10349. In sinen tiden qnamen liede ^
Asia met groten bediede, liedAi, een hoef «^
van groofe beteekenis, dus eene ffroote wtemigté: ^
conventus, Sp. 1* , 46, 5. — b) In fig. zin. Wam^>
Minres die ontdecken hoe off waer hem heil ^
gheschiet, die draghen minne sonder bediet, Bi*
137 , 74. — Vooral in de ultdrkking c r a n c b<fii'>
d. i. weinig waarde, eene zaak van gerim§ h^
het is cranc bediet, het beteekent niet vffLi
Anders waert een cranck bediet , dat ie ghek*^
645
BEDl.
ÈEDi.
C46
word ghescouden, Hild. 160, 276. Al hoert ghi
hier u leven prisen vanden salken om tgheniet,
ti8 altemale een cranck bediet, 46, 144. Luttel
berous hebben si meer van horen sonden tlanghe
jaer . . ; daer maken si of een cranck bediet,
daar maken zij iets van weirtig belang van', daar
geven zij niet veel om, 234 , 182. Die daer na leeft, het
waer beter dat hgt liet, want hi vindes een cranc
bediet, Fad. Mue, 1 , 349 , 75, d. i. die een loereldsch
leven leidt, hij oogst er niet veel wezenlijk voordeel
mede in ; eig. Mj vindt daardoor iets van weinig waarde.
BEDIINGE. Zie bediedinge.
BEDIKEN. Zie het volg. Art.
BEDIKENEN , zw. ww. bedr. Freq. van bediken.
Bedijken , een dijk leggen om (land of water). ||
XXI bunderen . ., welcke Jacob van Artevelde
haren vaedere dcde bedikenen , Diericx , Mém. 2 , 46.
BEDINGE , znw. vr. Van beden (zie ald.).
Mnd. bedinge'j mhd. bëtunge. Oebed, || Penitencie was
haer fundament, bedinghe haer murael omtrent,
Amand 1 , 1004. Nu hoort van haren mueren
sterke , dat was bedinghe , 1053. Yoort alsse de
duvel waende hoonen waren si in bedinghen , 1059.
Boucxkins daer alle maniren van bedynghen in
ghescreven zyn om messe te doene , aangeh. Invent.
V, JBrtigge , Gloss. 245. Dese bedinghe is also
goet datse elc priester zegghen moet , Lsp. II ,
41, 193. Bedinge die es harde goet in vastene,
Rijmb. 15845. Des hi Gode ghenaden groot in
siere bedinghen sprac ane, 6^. V, 37, 15. Met
uwer helegher bedinghe, O Intern. 68. Thuis van
bedinghen , Aet huis des gebed-s , Lsp. II , 51, 7. Aelmis,
bedinge ende penitenci , Hild. 225 , 166. Bedinghe
inder heiligher kercken 162 , 89. — Verbonden met
velschillende werkwoorden. || Bedinge doen,
zijn gebed doen. \\ (Si) knielden vor die dore daer
ende deden bedinge dar naer, Lanc. 11,3917. (Hi)
dede daer naer sine bedinghe nerstelike , III , 4508.
Suete bedinghe Maria dede , L. o. H. 4675. Als die
jonghe Amand hadde ghedaen sine bedinghe,
Amand 1 , 448. Om te doen sine bedinghe , Lsp. I ,
47 , 104. Defie bedinghe die de priester daer doet , II ,
52, 108. — In bedingen liggen, staen, sijn.
II Alsi lach in der bedinghen, Beatr. 932. (Si)
lach in hare bedinge . . . up ene hare, Sp. III",
37, 82. Die tier wilen ende up dien dach in die
kerke in bedingen lach, III ", 2, 49. Daar si in
bedingen laghen, III*, 13, 32. Ene joncfrouwc,
(die) . . . vor hem in bedingen stoet, III* , 54,
20. Daer ie . . in bedingen was, P, 37, 17.
Hi sachse wesen al in bedingen, IdMC. 11,15033.
Si heeft sint . . . altoes in bedingen gewesen,
243G8. — Bedinge aengaen, aenuemen, een
gebed gaan doen (vgl. Amand I, 649). || Ende
badt eiken , . . dat si annamen hare bedinghe over
die siele sonderlinghe , Amand II, 3924. Dat elc
bedinghe wonde angaen , 5706 (de tekst heeft ver-
keerdelijk ingaen). — Bedinge driven, seggen,
lesen, spreken, een gebed doen, || Dese bedinghe
ende dese claghe dreef die sondersse alle daghe,
Beatr, 553. Yrient, moghedi dan iet gaen wull^n
ofte bedinghen segghen metten mont. Vod. Mus.
1 , 53 , 112. Hi las sine bedinge daer nare , Lanc, II,
24239. Mijn bedinghe dat ie te Gode las, OVl,
Lied. en Oed. 235 , 58. Vasten , aelmoesen ende be-
dinge lesen, 491, 50. So track hy terkercke . . .
ende daer sprac hi syn bedinghe ende syn bedinghe
ghesproken zynde, enz., aangeh, Invent. v. Brugge
Gloss. 246. — In bedingen vallen, zich op de
knieën werpen om te bidden. \\ Also houde als hi
^ech was viel de helighe man ... in bedinghen
neerenstelike , Amand I, 644. Amand selve mede
viel in bedinghen met neerensticheden , II, 3931.
Amand . . . viel in bedinghen, I, 2720. Hi viel
in bedingen alte hant, Sp, II*, 23, 103. Doe viel
hi in sine bedinge saen, Jannarius, II*, 21, 57.
So dat sij alle in bedinge vielen, Ms, 80, /. Ibc.
BEDINGEN, zw. ww. bedr. en onz. (bedingde,
bedinget', de sterke vervoeging is in 't mnl. nog
zeldzaam). Mnd. bedingen; mhd. bedingen. Van
dingen (zie ald.).
Bedr. — Foor het gerecht brengen.
1) Met den 4den nv. van den pers. Foor de
rechtbank brengen, in rechte betrekken. \\ Hieraf
en sal men niemende bedinghen noch verwinnen
in gebannen ghedingheu, Belg. Mus. 7, 312. —
2) Met den 4den nv. der zaak; zoowel van de
overheid: eene zaak voor den rechter brengen, in
rechte doen behandelen , als van de twistende partijen
zelf, of van den taalman, die yoor hen optreedt:
bepleiten, in rechte behandelen, pleiten over. || Alle
dese voorsz. koren vast ende wel te doen houden
ende tidelec te doen bedingen . . , ten eersten
gedinge vanden makelaers ende vanden meters te
doen dingen (rar. bedingen) , O.R, v, Dordr,\,ll ,
230. Dan en sal die heer dien twist niet bedinghen ,
mer men zoudze ghebieden te ghysel te gaen
leggen ter tijt toe, dat zijt wel verborcht hebben,
0,B, v.Dordr. 1, 209, 10. — Dit willic metu bedingen,
ende can ie, oec te poente bringen, Lanc. III,
25066. Welke partien . . die voorseide saken ende
andere meere met grooten processen . . bedinght
hebben, Brab, Y, VII, 13879. Soe wie een
vonnis beroept voor den bailliu . . , dat sal men be-
dingen in alder maten als voorsz. staat, V. d. Wall
119 («. 1303). Word hi ghedaghd ende niet ne
comt, men salne te banne doen, ende noch tanne
zal men zine mesdaet bedinghen binder naester
maeud . . .; ende doet men dat niet . ., men ne
maecht niet bedinghen, Oorkb, 1, 3133 {a. 1254).
Scepenen sullen hebben van eiken ponde, dat voir
hem bedinghet wort, van verboernisse 18 pen-
ninghen, 2, 339 {a. 1290). Die materien, die voir
hem te vonnissen comen ende bedinghet worden,
Matth. 50. Van wtlems rechte, dair ter eerster
vierschair of bedinget was, 157. Als die scepenen
vonnes vorsten, dat hyt {de clerc) dau bescriven
mach so dat anden scependom bedinghet wordt,
zóóals dat door partijen van de schepenen wordt ge-
eischt, 74. Na den heesch des Rechters, gelyc ie
dat heb horen bedingen tAntwerpen, 209. Soe
bedinghet die talman den anspreker syn yerhal',
d. i. verhaal , het recht op herstel van rechtsnadeelen,
vooi'tgesproten uit verzuimen in het proces , Dingt,
V, Delft 42. — Ook bij vonnis uitmaken, of doen
uitmaken. \\ kWe brueke, die die poirteren of poir-
terssen gebruect hebben jeghens der graeflicheyt . . ,
zij zyn bedinget off onbedinget voir den datum
dessen brieffs, ZFl. Bijdr. 5, 373 {a. 1425). Hare
ghesellen wiisden de zaken te bedinghene ter wet ,
daer de erve onder es gheleghen , Fad. Mus, 4, 349.
— Iet bedingen met vonnes, iets doen uit'
maken, zich tot iets doen machtigen bij vonnis. \\
Wortet een bewijst, dat hy enen vrede ghebroken
heeft, hy heeft verbuertsynlijf ende sijn goet, ende
die rechter salre over doen rechten mitten zwaerde
ende dat bedinghen mit vonnes, Matth. 205. So hy (de
heer) dat nu wel in tyts met recht ende met vonnes
bedingt ende bewaert heeft, O.R. v. Doi'dr. 2, 118, 156.
— Vooral gebruikelijk in de uitdr. recht bedin-
ghen, zijn recht bepleiten, voor hetrechtvan zichzelven
of van een ander opkomen , zoowel gezegd van den
64?
ÈEÖt.
BEDi.
648
rechter als ?an de partijen zelf. || Daer elc sgn
recht wil g^aen bedinghen by tael ende wedertael,
Hild, 223, 38. Ie sal mijn recht nu wel bedingen,
Bei». II, 3873. Op dat hy scarpelike yerstaen
mach dat recht, dat die rechter bedinghet, Matth.
74. Een rechter Toirzie hem wel , als hi den poirter
daget, ?an des hem te baten comen mach, om
tsheren recht te bedingen, 141. Sijn hennesse, . .
dair hy tsheren recht mede bedinghen mach, 124.
— B«dingde tal e, hetzelfde als dingtaU (zie
ald.). Pleitrede. \\ Na woerden ende wederwoerden,
na alre bedingder tale ende na voerw^sde vonnesse,
V. d. Wall 417 noot. Na woerde ende wederwoerde
ende na alre bedingder tale ende na inhout des briefs
vander yyschcopers neringe, dat niemant binnen der
stede vryheit vysch en vercope . . , hi en sy poerter
tDordrecht, O. R. v. Dordr. 1, 266, 41 (a. 1430).
Zoo ook 2, 18; 67; 93; 121; bedingde woor-
den, ald. 180.
3) Een gerechtelijken eisch inttelleriy zekei'e
straf of uitspraak eischen. Zoowel gezegd van
den rechter, als yan de twistende partijen of
den voor hen optredenden taalman. || Ende die
rechter of clager wort syn heisch mit vonnes toe-
ghewyst, bedinghet hyt, Matth. 161. Of die rechter . .
enige boeten tot myns heren behoef bedingen
mach mit recht, 166. Wil die rechter, hy mach
betoech bedinghen van des hem dair ghewyst is
mit recht, 171 ; vgl. 174. Die rechter . . bedingde:
„waert dat hy dair wt {uit de hetberge) ghinge,
hy sondet beteren , als of hy nut mijns heren slot
ghebroken wair, ald. — Ook van het vragen van
een vonnis^ van den rechter aan schepenen. |i Item
sal de drost oft richter noch een ordel vragen,
of hy wel onder dacks als buyten dacks mach
richten und gichten und yegelicken landrecht laten
wedervaren, daer op de gerichtsman wijsen sal
jae, nademael hy dat te goeder tyd met recht
bedongen heeft, Landr. v. Vel. 3, 8. Zoo ook 7
en 9 ald. — De persoon, te wiens nadeele de
eisch geschiedt, wordt door de voorz. ane of op
uitgedrukt. || So sullen sy an . . die borge recht
van betalinge bedingen ende ghyselense of leggense
in der vangenissen ende van al dat sy mit recht
bedingen, betoech nemen, Matth. 174. So wat so
lieden van buten beloven of zekeren den portres
van Middelburg . ., dat mach men up hem be-
dinghen , ghelijc of si portres waren , Oor kb. 1 ,
312i {a. 12Ö4). — Gracht bedinghen ane
enen, eenen eisch tot lijfsdtoang tegen iemand in-
stellen^ hem die bij vonnis doen opleggen (vgl. bij
Gracht). || Gomt hy ter antwoirden ende wort
verwonnen, hy sal borge setten voir die boete of
gevangen gaen of die rechter sal cracht an hem
bedingen, Matth. 140. Ist dat A. . . ombecommerde
goeden niet en weet te bewysen binnen der vryheit ,
hy mach au hem bedingen cracht, 165.
4) Bij overeenkomst bedingen , de hedendaagsche
bet., maar in het Mul. nog zwak gebruikt (vgl.
bevoorwaerden). II Dairom bedingde die stat
van Utrecht dat mede mit horen Rade , so wanneer . .
die Bisscop dat hielt mit YII stolen, dattie
Heerlicheden voirsz. mitten stroom van der Lecken
hem toebehoerden , so sonde die Bisscop van dier tyt
voert die Heerlicheden dair of vrilic gebniken, Matth.
Anal. 3, 318. Daer die Here van Arkel veel willen in
bedingde, voordeelige voorwaarden bedong^ ald. 320.
Onz. — Van rechtszaken gezegd: In rechte
behandeld worden, vóórkomen, dienen. \\ Om dat
die Heer die overste is, ,bedingen sheren broken
eerst, Matth. 137.
BEDINKEN. Zie bedenken.
BEDOGHT, BEDOCHTHEIT, BEDOCHTICH,
BEDOGHTICHEIT. Zie bedacht, enz.
♦ BEDOEGEN, bedorven woord. Men leie é^
toegen, Mieris 2, ISb. || Behouden alletnverste^
recht , dat ghy van onsen vorders hebt eide tu
ons, ende bedoegen (I. betoegen, d. i. beiogen, ie-
wijzen) moecht — Zie betogen.
BEDOEN. Zie bedaen, en vgl. bemakex.
BEDOYEN, zw. ww. bedr. Wissclvorm vu fe
dauwen (zie ald.). Bevochtigen , nat maken. \\ Derd«. .
bedoyt metten douwe van derre vlut, Umb. Sera.
224a {T. en Lettb. 6, 226). De vlnet, die ski
deilde in vir flumen ende bedoyde din boegaert.
223^^. Een vluet quam uter stat , die den bo^Mn
bedoyde ende scit sich in vir flumen , 223&. Bedoit
met trenen, 219a. Zoo nog 225^.
BEDOOFT. Zie beduven.
BEDOOBTE. Zie bedorte.
BEDOEENT, bnw. Met dorens begroeid. \\ii
waert, dat hi {de weg) bebraemt endebedomti^,
Pelgrim 42tf.
BEDORFTE (bedorft), znw. vr. Van bedena
(2de art), in den zin van behoeven (hd. beiOrfai
Hetzelfde als bedorste (zie ald.).
1) Abstract. Nood, behoefte. \\ Gi sulter n»d«
morgijn sulke alse uwe bedorfte sal sgn, loe.
III, 5165.
2) Goncreet Nooddruft. \\ Den kindrai \mr
bedorft te winnen. Nat. BI. IV, 583 w. D»
spraken sy om haer bedorfte, Trogen f. 42 &
— Vgl. de plaats uit Trogen bg bedorte.
BEDORSTE (bedorst, bedurste) , znw. tt.Tid
bederven (2de art.) in den zin van behoeven , m^
hebben.
1) Nood, behoefte, in abstractcn zin. |1 Dat «k
hem int ende sonde bistaen te siere noot, tesen
bedurste , Jmand II , 5707.
2) Nooddruft, datgene wat men noodig heeft, '^
concreeten zin. || Boden , die in die stede brocbta
alle bedorste mede, Rijmb. 28671. Sine bedcjs»
sullen wi hem {aan het lichaam) gheven , ^ I'-
58, 39. Dinghel brochtem alle daghe te üsx
messen . . sine bedorste , hostie ende w^n, T, ^;
63. Den kindren hare bedorst te winnen, NaLSL
IV, 583 var. Men leetde die orsse in den stille:
men dede hem wel hai'e bedurste, JFal. lOd)^
BEDORSTELIKE (bedurstelike), bgir. f»^
neer het noodig is ; ter juister , bekwamer ti^ t
West nerenst bedurstelike, intta opporttme^ Si-
V, 1348, 234 c (II Tim. 4, 2). — Ook als fesf .
gebruikt, bedorstel^c, op den jmsten t^ f^
daan, aangebracht enz. || Dat wi vinden gkeoa^
in bednrsteliker helpen, om geholpen te worie»^
bekwamer tijd, in ausilio opportune, ald. ^*
{Hebr. 4, 16).
BEDORTE (bedoorte, bedurte), hiw. tr.
Andere vorm voor bedorste oi bedorfte (xicdieiiti
1) Van bederven y in den zin van behoeve» 'C^
ald. 2de art. onz. 1); vgl. bedekte 1). Be^
men noodig heeft, behoefte. \\ Een speelman st^
ende riep omme sine bedorte, Sp. III', ^> ^
Lichteliker mach daermoede verdienen hare bedi''^
van goede. Franc. 4003. Dus spraken sy om ^
bedoerte {Hs. bedorfte); mettien saghen sy i&
die poerte den coninc na des lants sede. Ob ^
hebben goeden vrede , droech hy {Hm. hy sy) <*
olyven tac, Trogen f. 42tf.
2) Van bederven in den zin van heteanenip^^
ON pers. 2b, en vgl. bederve 3). Batgem ^
men doen moet^ plicht. \\ Hi dede wel sinebt^^
649
BEDO.
BEDO.
650
&iJM6. 14045 (de Tar. beAoorie drukt heizeUde uit).
BËDORVE (bedorf), znw. yr. Hetzelfde als 3^-
derpe of bederf, zie ald.
1) Nu£, voordeel (vgl. bederve 2a). || Dat
goet, . . dat sal tonser bedorTen wesen al, Lane.
il, 35287.
2) Nooddruft, leoensonderkoud , dekosê(Yg\. be-
derve Ib). II Recht eest dats elc vader pliet den
kiDdren hare bederf te winnen , iVa/. £1. lY , 582.
BEDORVEN (bedurven), zw. ww. onz. Hetzelfde
alti bederven (zie ald. , 2de Art.). Behoeve» , noodig
hebben, ook noodig zijn. \\ Deselke waende, . . dat hem
Jhesus iet hadde ghebeten copen, dies menbedor-
vende sonde sijn ter feeste, L. v. J. c. 208. Want onse
lieve neven . . ons . . mit gelde . . te staden . .
gestanden hebben, as wij des bedorven ende ge-
sinnen, Nijh. 2, 253 (a. 1370). Datter toe bednrfte ,
Invent. v. Brugge 5, 94.
BEDORVEN, bnw., eig. verl. deelw. van bederven
(Ie Art.). Van personen en zaken gebmikt.
1) Van personen. Gebrekkig, beroofd van het
gebruik van ledematen. \\ Hi wort out ende sere
bedorven. — Vgl. Oudem. 1, 354.
2) Van landen gezegd. Woest, onbebouwd (vgl.
bederven II c). \\ Alsoe visentheerde hy diverssche
wilde ende bedorven landen, Cron. v. Vlaend. 1 , 12.
BEDORVENHEIT , znw. vr. Van het bnw. be-
«forven in den zin van slecht van karakter, ons
verdorven. Slechte aard, zedelijke verdorvenheid. \\
Het gaet die meneghe om broet, dies hebben
sonde cleine noet, en daet sinebedorvenheit, Dot;^.
II , 2697.
BEDORVICHEIT, znw. vr. Hetzelfde als be-
dervicheit (zie ald.). Van bederven (2de art.), in den
zin van behoeven, noodig hebben. Behoef te , gebrek. ||
Het gaet die meneghe om broet, dies hebben sonde
cleine noet, en daet sine bedorvecheit , Ihct. II,
2679 var. (de lezing bedorvenheit (zie het vorige
Art) verdient de voorkeur, maar het woord be-
dorvieheil is zuiver gevormd en moet daarom
bewaard worden).
BEDOUWEN, zw. ww. onz. Zie Douwen, en
verg. ag's. dhavan, regelare, solvi (Ettm. 580);
eng. thaio; nl. dooien. Eigenlek, zich oplossen,
wnamit zich de beteekenis ontwikkelde van weg-
kwijnen , vergaan , wegsterven. || Die moeder, die
van rouwen welna al wilde bedonwen. Franc.
8461. Menich seghet nu ende echt: „mijn sin
es ane dl ghehecht so sere , ie wane bedouwen^',
Wap. Mart. 1 , 425. Hoe lief npzien soe mi toesint, het
dinct mire herten stjn al wint; soe liete haer eer
bedonwen, eer sire om quame in rouwen, 2, 77,
d. 1. mijn hart liet eer toe dat zij, de onbeminde
geliefde , verkunjnde , eer het om haar in rouw kwam.
BEDOÜWEN , BEDOUWINGE. Zie bedau wen ,
BKDAUWINOE.
BEDOVEN. Zie beduven.
BEDRACH , znw. onz. Mhd. betrac, -ges.
1) Yan bedragen als rechtsterm (zie ald.).
a) Van be Aragen, in den zin van beschuldigen,
aanklctgen. Seschuldiging , aanklacht. || Es dat sake,
dat enech menssche jemanne sonde bedraghen van
Ï naden faite, dat dan die rechtere dat bedrach
oe aenhoren den scepenen , Brab. Y, Dl. 1 , bl. 773
\a. 1327). Ware dat sake, dat enech mensce enech
ïedrach of claghe dede van anderen, ald., bl. 837
\a. 1348). Totdat twee scepenen den buerchmeester
^heyolch g^hedaen hebben van den bedraghe, Cout. v.
Brugge 1, 479, hem gerapporteerd hebben over de
lanklachi (Kil. bedraegh, relatio, reportatio, et
iccoflatio). Als van zekeren bedraghe daenof
Invent. v. Brugge 3, 460. Quod nnllns dictorum
mercatorum . . punietur accusatione , que vulgariter
dicitur bedrach, 5, 303. Van den eersten be-
draghe {bij eene veroordeeling tot boete, van den
houder van bordeelen), . . . van den tweeden be-
draghe, . . van den derden bedraghe (b\) reci-
dive), 4, 151.
b) Van bedraghen in den zin van overtuigen van
eene nusdaad, haar bewijzen. Gerechtelijk bewijs. ||
De den andren bi nachte wonde . . . ende men
daer gheen bedrach of en vonde,so mach deghene,
de men des betyet s weren siin onscout, K. v. TJtr. 1 ,
8. Item ne moeten . . . vleeschauwers dobbelen..,
up acht daghen ledich te gane, ende dit bi be-
draghe van tween goeden cnapen, ZF/. J9(/^r. 3, 277
{a. 1379). Wilde hy daer teghens segghen , daer wilde
hy een (/. en) of verwinnen mit tuyghe, mit oirconde
van poorters , mit kennis van scepenen , mit bedrach
van scepenen, of hoe dat hy hem mit recht scul-
dich is te verwinnen , Dingt v. Delft 39. — Vooral
in de uitdrukking vol bedrach, d.i. volledig bewijs,
fr. pleine preuve (verg. de nitdr. te vollen be-
dragen). II Dat openbaer gesciet, sal men proeven
openbaer, alse van hoeme ende van siene, van
twee ofte van meer, ende dats volbedrach, Belg.
Mus. 6, 301; Heeln bl. 545. (a. 1292). Dat stille
gesciet, ochte met nachte, dat salmen stille proeven
mit hem tween ochte meer; nemen si dat op haren
eet, dat die gene sculdich es, dien si bedragen,
so eest volle bedrach, Heelu bl. 546; Willems,
Meng. 449. Soe wie bedragen wort van eniger
misdaed, van twee schepenen of van drie wittach-
tige mannen bv besworen eede , dat es vol bedrach ,
Mieris 2,17 a(a. 1300). O. es bedraghen met vullen
bedraghe, dat hi een mes trac up H., Invent. v.
Brugge 5, 77.
2) Van bedragen, in den zin van verzoenen, bij-
leggen. In dezen zin is het ww. in het Mnl. on-
gebruikelijk, maar in het mhd. zeer gewoon en nu
nog in het hd. in gebruik (zie Lezer 1, 238).
Overeenkomst, verdrag, zoen.\\ Hi wiste clene van
desen bedraghe, Zimb. II, 1460. Wair yemant,
die dan kyf of vechtelic maecte, diewile dattet
bamede, dat er brand was, die wairs up hondert
pont Hollans ende sgns poirtrechts quijt ; ende daer
en zal ghien bedrach af wesen , O. W, v. Jmst. 43.
Alle twiste, die bedinghet zullen ziin, dats te
wetene , daer negheen bedrach (= dading) of ziin
zal, Coiét. V. Brugge 1, 302.
3) Van het wederk. ww. hem bedragen, in den
zin van zich gedragen (zie ald.). Gedrag ; hd. betrag.
II Daer was . . gelezen eene groete roUe van
haerlieder bedraghe ende mesuze , ende waeromme
dat men se ontliven sonde, Oron. v. Fittend. 2, 135.
4) Metselwerk (?). || Zo wie een sternen muyre
legt, die upgaet ant dacke of dair men tbedrach
van kelnairs op leit (grond waarop men het metsel-
werk van kelders bouwt?), ende die dat fundament
leyt mit rusten ende en ghien myminghe en wert
gheboden, O. W. v. Amst. 18, 2.
5) Van bedragen in den zin van bijeenbrengen,
of liever van hem bedragen, d. i. bijeenkomen
(eene bet. waarvan tot heden geen voorbeeld in 't
mnl. bekend is). Gedrang, strijdgewoel. In beteekenis
geiyk aan het meer gewone d^t/rofu;, waarmede het
in oorsprong niets gemeen heeft (zie ald. en verg.
PERSSE, en Karlm. 328, 30 (= Jor^^). || Doe horte
hi voert in dat bedrach , daer hi die persse sach alder-
meest, Grimb. II, 3068. Doen quam daer in dien
bedraege s^n vaedre ende sQn broedren drie, 1, 4371
var. Dies beide hi in dat bedrach dair hi sinen neve
651
BEDR.
BEDR.
652
vechten sach, II, 2328. Bandersyde yacht in dat
bedrach die here Tan Edinghen te voet; niet en
conste die te peerde comen om dat bedranc , II, 2159.
Mettien qnam inghereden die stoute Ermiin Echites
ende toende wel dat hiere es siin lieve gheselle
in bedraghe, in nood^ Limh. VII, 882.
BEDRACHSLIEDE , -luden, znw. m. mv. Het-
zelfde als bedrachters of elders volgers \ zie ald.
Getuigen, \\ Yan alsulcken eysch, als die bailin
van Zuythollant op hem maecte , daeroff die voirsz.
Aert oick voirtijts van den bedrachsinyden ontdragen
is geweest, O, R, v. Dordr. 2, 169, 216.
BEDRACHT, znw. vr. en onz.
1) Yan bedragen , in den zin van beschuldigen
(zie ald. 1, 2 a). Aanklacht, beschuldiging. || Die
waerheit sal men bezegelen met des baillias zegel
ende metter zes mannen zegelen, daer bedracht
voor aengebracht is, Y. d. Wall 120 («. 1303). Als
Johan . . voir den rechter . . gebracht worde . . ,
heeft hy hem selven ende de andere, die hy be-
dragen had, . . van des hem opgeleyt was ende
(de) bedrachten, die hy gedaen hadde, te mail
ontschnldicht , Matth. Jnal. 3, 642. So wie dat in
enigh van desen ponten brokich ghevonden worde
bi wittaftighen bedrachte , jB. v. Utr, 1 , 65.
2) De verklaring in het nadeel van een ge-
daagde", in het algemeen getuigenis. \\ Wanneer
yemant . . croende dat hem de scoute boete ofnemen
wouden , daer hem dochte dat si ghene scout toe en
hadden , dat dan die raet twee manne daer toe zetten
zei , des scouten bedrachte daer of te horen ; vinden zi
bi dien bedrachte dat hi boetsculdich is , so zei hize
betalen , K. v. Utr. 1 , 80, 17. Die bedrachten zeilen
die scepenen uten rechtevoort, O, K. v. Rott. 17,
28. Een raedsman zei een vermaenre wesen van
den bedrachte ende in den boeten te verwinnen,
ald. — Yandaar ook zij die het getuigenis ajleggen, de
getuigen. \\ So wie by nacht vecht, verbuert twee-
voudighe boeten . . . Ende heefter die rechter gheen
bedracht off doen daghen , so mach hise aenspreken
tot haren ede , O. K. v. Rott. 16 , 25. So wie dat die
rechter boeten eyschet van vechten off van enigher-
hande saken, daer bedracht toe hoort, daer sellen
die scepenen hedreLchi o{ aiiien, rechtszitting hoiid^n
tot het hooren van getuigen , zitting houden voor het
getuigenverhoor , ald. 17 , 28. — Bedracht sitten,
waarin bedracht eigenlijk staat voor te bedracht (vgl.
scheep \00T te scheep', stuk voor te stukken', (te) paard-
rijden, (te) schaak spelen, enz.). Zie de zoo even ge-
noemde plaats. II Waerdat die rechter gheeu bedracht
off en dede sitten binnen zes weken na dat ghesciede ,
ald. Als die scepen bedracht sitten, so zeilen die scepen
hebben drye stoop wijns ,18, 28. — Ter bedracht
staen, de toestand van den beschuldigde , wanneer
bewijs tegen hem is toegelaten en het hem niet
geoorloofd is , zich met een eed te zuiveren (ter on-
scoude comen). || Des sel tgherecht den cuer hebben,
weder hi staen sel te bedracht of dat hi comen
sel ter onscoude , Leid. Keurb. 53. — Ook t e b e-
drachte setten, het actief van ter bedracht
staen, het werk van den rechter. || Dat sel die
rechter die scepen te voren segghen , weder hi hem
an wil spreken (nl. te sinen eede, hem op een eed
vorderen), dan setten te bedrachte, Oudste K. v.
Delft 31, 14; vgl. ald.: „ Mochtmens nyet bedra-
ghen, 80 soudmen aenspreken tot sinen eede."
BEDRACHTEE, znw. m. Hetzelfde alaorconde;
z. ald. en vgl. ook bedrachsliede. Getuige. \\
Waert dattie ghetugen oftie bedrachters wech-
bleven, O. R. v. Dordr. 2, 235, 15.
BEDRAGEN , st, ww. bedr. (bedroech (bedrouch),
bedreghen of bedrag hen). Hnd. bedragen; mlid. he-
tragen. Yan dragen in de oorspronkelijke beteeke&is
van trekken. Eigenlijk dus betrekken.
1) Bedekken, overtrekken (vgl. mhd. be tri ges,
belegen mit metallschmuek). \\ Die yemants doera
bedraget (barricadeerf) met horden, met hoat oft«
mit plancken, Schwartz. 1, 583a.
2) Voorzien van, vervullen met. Indenitdr.met
slape bedregen, d. i. t;» een diepen tUof ft-
dompeld. || Ende alse si quam ter tenten hmti,
vant soene met slape bedreghen ende heret h»
thovet afgeslegen, Sp. J* , 10, 36.
3) Yooral gebruikelgk als rechtstcrm. Inreekli
betrekken,
a) Iemand voor de rechtbank brengen, aanklsfa^
beschuldigen. \\ Twee wijf waren in dien dag^ei
voortbracht ende daeraf bedraghen, dat si besieda
hare kinder, Rijmb. 18811. Laet ons metti ^i
ghemene , of wi sullen di bedraghen , d&t vi £
hoerdom doen saghen, 16970. Hi wort bedra^fea
ende ghewroecht van soe vele quader saken, N.DoH.
633. Yalscelike bedregen , dat hi met venine th-
slegen sonde ebben enen man. Franc. 9351. Daer
worden bedragen some de heren, dat si die dinpei
wilden verkeren, Sp. lY*, 35, 47. Hi ontscit bes,
alse dien bedrouch sine besicheit ghenoach, IT'.
46, 97(Yinc.: „abnuit ille, ut male sibi consó»]
Het geviel by syns Heren tiden Hertoghe AelbreckU
syns Yaders, dat hy (Willem) also t«^ b»
bedragen was, dat syn vader hem nietsiena
wonde , zóó zwart bij hem gemaakt was, Mitti
Jnal. 3, 346. Yan dattene Gheraert hadde b<-
draghen van Yelsen, Stoke YII, 14. Numocbtea
hebben grote scame, de Gheraert in sgn lesw
bedroech, Y, 402. Siet, oom, dus ben ie bedrage.
Rein. II, 4511. Hi meent . . mi te bedragen ^w
den coninc, 4530. Dien ie node sonde betfri^ke.
I, 2200. Die van den selven Jan . . bedragen w
ende besculdicht van der voira. mord , Brai, t
Dl. 2 , bl. 734 (a. 1406). Dattene tonrechte hadde be-
draghen quade orworme, Theoph. 600. Alsyeaifi
in saken wort bedraghen, MLoep II, 3213. Om ^
die rechter . . hem hadde bedraghen , 3408. Ygl. s§?
Praet 2103 ; -SJp. lY», 69 , 51 ; Parth. 5960; Jai^^U,
2623; Di*p. 451. — Ook met het voort. mei. 1
Hoe Reinaert sinen ertseen vader met verradeseöf
sal bedraghen , van verraad zal beschuldigen , *?«•
I 2234. Hoe hi den das ende sinen vader ke^
bedreghen met morde, 2502. Men en hadde mi ^
mort betegen, daer ie mede bem bedref^-
Jlex. YIII, 631. — Hem bedraghen, rici «^
schuldigen , iets ten nadeele van zich zelten «f-
klaren. \\ Ten lesten enen goeden man , hiet Jos*^
heeft hi gevraget, die hem niet connende bedrij
die zich zelven voor onwetend verklaarde , voor ^
machtig het U doen, Sp. II», 12, 48. Dat si «1^
hem bedraghen ; sine dorren van hem (den madr
niet ghewaghen, qui cum de se faieantur, ^ ^
non audent fateri, Alex, YIII, 387.
b) Van een misdrijf overtuigen , ket bewijs leterf*-
dat iemand schuldig i* , ook iemand scAulSg V'
klaren. \\ (Hi) wertter claerlec af bedragen, ^
hi scandelike omme bedarf, Sp. II*, 1, 32. P<^
vloen diegene ende swegen, die daer ynti^
syn bedregen, Yelth. lY, 15, 31. Wordes h
kinder bedraghen, so dede die vader opeabif^
daer mede dat sijn wille ware, Rijmb. 21604.1^
mit tughe bedraghen worden. Leid. Keurb. &.^
Nadien dat hi bedraghen wort, so verbaert ii
twie scatte boete , 21 , 34. So wie bedragben v«*
of begrepen mit onrechter mate, 53, 9. Waert ^
653
BEDR.
BEDR.
654
rement . . worde . . bedraghen mit twien witt-
achtigen poirters, 35, 12. Als hi in tsgherechts
jeghenwoordichede bedraghen is , so zei hi rechte-
▼oirt . . die stede ramen, 121, 167. Daer nar
vul onthooft een Wit Caproen, oec om zeekere
onredelyke woerden, die hy ghesproken hadde ap
de insetene, daeraff dat hy te vullen bedreghen
was, waarvan volledig bewijs toas, Cron. v. Flaend,
2, 148 (Ygl.de nitdr. vol bedrach op bedrach).
Hi es te vullen bedregen , il est pleinement con-
vaineuj Gendsch Chtb. 127. Bi welker warede
{(jerecktelijk onderzoek , enquête) de vors. P. was be-
draghen met vullen bedraghe , dat hi A. stac wonde ,
Invent. V, Brugge 6, 538. In de welke waerhede
bedreghen ende ghehouden waren J., B. en W.,
Gendsch Chtb. 125 (a. 1358). Te vullen bedreghen
ende bi vonnesse uutghegheven de naervolghende
persoenen, ald. 127 {a. 1489). Soe wysen die
scepenen , dat men sculdich is tuyghen te horen
ende dan voert te wysen datmen meent dat recht
is. Soe geeft die rechter een van den scepenen
het vonnis, den hantdadighen . . te bedraghen of
te ontdraghen , schuldig of onschuldig te verklaren ,
Iii»gt, V. Delft 54. — Ook met de waarheid als
ondw. II Om dat die waerheit hem bedraghet,
datti hevet dese quade seden , Parth, 5960.
4) Bij uitbreiding. Iemand in het ongeluk storten ^
ongelukkig maken, \\ Men salne blo uwen so sere, hem
sal sgn leven rouwen, dat hi ons dus heeft bedreghen,
Maleg. 268. — Het deelw. bedragen ook als bijv.
uw. in den zin van treurig, ongelukHg, \\ Die daer ons,
bedragen mynschen, weder geleyt hebste tot die
overste vrouden , aang. bij Van Hasselt op Kil. 37.
5) Bedriegen, misleiden; tigs. bedragan] zw. be-
draga, de. bedrage. Misschien is het Eng. betrag
hetzelfde woord, maar gewijzigd onder den invloed
van het Rom. trahir. Zie Muller, Bt. Wtb. 1»,78;
Grinim,D. Wtb. 1, 1715. || Heer coninc, wacht u
hier teghen ; ghi sljt harde seer bedreghen, Segh.
425 (var. te scheme ghedreven). Dat hi worde daer
bi bedreghen (rdeghen), 1891 {J3Ls, D. h. w. be-
éroghen saen). In der wairheit syn zy toe seer
bedraigen worden , nye man en heeflt meer bedrochs
gesyen, Gedenkst, 2, 310. Nu seght men hier oick ,
dat zy bedraigen sullen syn inder assignatien , ald,
6) Yan draghen in de hedendaagsche beteekenis.
Wegdragen, sich verwerven, bewerken. Kil.: be-
draeghen, reportare. jj So bewarf si ende be-
drocch, dat si wart van groten love, Flor, 202.
7) Bedragen, beloopen, tot een zeker getal op-
klimmen, de hedendaagsche bet.; Inform. 243e. e.
8) Als wederk. Hem bedragen. — a) Zich
gedragen, het maken, zich houden. Ygl. BEDRA.CH
en hd. sich be tragen, sich benemen. WRoe wiin
stride ende in orlogen ons connen hebben ende
bedragen, Cass. 1052. Som wile was hemgevraget,
welker wjs hi hem bedraget van den conden
winter wreet ende hi so dinne was gecleet , Franc,
2261. So dat wi in onsen daghen wijsiyc ons hier
bedraghen, Lsp, III, Prol, 42. Dat hi hem dan
soe beidraghe dat hi gheenen ondanc en bejaghe , III ,
4, 517. — 3) Met het voorz. ane. Zich houden aan, zich
gedragen aan of lucar. || Hemluyden bedraghende
an deselve informacie , Enq. 245. — Over het eig.
zwakke wederk. ww. hem bedragen, zie het volg. art.
BEDRAGEN, eig. zw. ww. Van het onge-
bmikeiyke zw. ww. dragen', ohd. tragón, tragen
(Graff 5, 502); mhd. trage (bv. die sich nótliche
irageten , Ben. 3 , 77tf) ; d. i. voeden. — Het samen-
gestelde WW. bedragen moest dus eig. zwak zijn,
maar is evenals het mhd. betrage (t. a. p.) door
misbruik sterk geworden. Voeden, onderhouden, \\
Des lichamen spise daer men tljf bedraghet mede,
Lsp. 1\,^1, 114. Darme en sorght nacht uo dach,
dan hoe hi dlijf bedraghen mach, III, 5, 86. —
Ook in de uitdr. sinen noot bedragen, i;»
zijne behoeften voorzien. \\ Ende wint blidelike
dat broet, daer hi mede bedraghet sinen noet,
Bose 4893 var, — Vooral wederk. gebruikt Hem
bedragen.
1) Zich voeden, onderhouden, in zijn levens-
onderhoud voorzien, zich bedruipen, jj Dese laetmen
bidden bi gedoge van doren te doren ende bejaghen,
want anders mach hi hem niet bedraghen, Rosé
10740. Syn goet gaf hi daer naer sinen vrienden,
sinen maghen, soe dat si hem wel mochten be-
draghen , Hild. 148 , 394. Met pinen winnen ende
bejagen(rar.),daer of die lichame hem zal bedraghen,
Lsp. I, 37, 95. Met swaren arbeide . . hebbic mi
altoes bedraghen, Limb. 1, 186. Goet daer wi ons mede
bedraghen, alse ridders die syn sonder lant , Lanc. II,
27325. Die valsche penninghe , . . daer hi hem mede
bedroech. Rein. I, 2653. Doene conste hem niet
ghenoegen, daer ses monke hem bi bedroeghen,
2693. Mit arbeide , . . . daer si hem op bedraghen,
Hild. 184, 133. Hi en vaut nauwer min noch meer,
daer hi hem op mochte bedraghen, 33,ll.Haert-
steden {de bewoners nl,), die hemselven moghen
bedraghen, Enq. 188; vgl 256. Hoe wel kundi u
bedraghen, Proza-Rein, 105p (vgl. Rein. II, 7482
^^772 bejaghen). Drie dinge maken heilich (d. i. zalig)
den man, die lijf ende goet bescermen can, ende
mettien sinen hem bedraget, ende om anderre goet
niet en jaghet, Alex, VIII, 954.
2) Zich vergenoegen met, zich tevreden stellen,
zich behelpen, zich generen. \\ Dus nauwe hebbic
mi bedraghen, nochtan dat was mi lettel noot,
met zoo weinig heb ik mij tevreden gesteld. Rein. 1,
2134 (vgl. Tijdschr. 1, 18 en Rein. II, 2152:
Hierop most ie mi doe bedraghen). Oft hi hem
daer met niet en bedraget, ende hi vort omme
wasdoem jaget, Sp. I*, 54, 25. Al gave men hem
algader tgoet, daer hem die werelt met bedraghet,
waaraan de geheele wereld genoeg heeft, waarmede
de geheele wereld het stelt , het doen kan. Vrouw, en M,
1 , 799. Die nature hadde haer bejaghet die scoenheit,
daer haer mede bedraghet al dat hevet menschen
name, waaraan alle menschen te zamen getioeg
hadden, waarmede zij tevreden konden zijn; zij ver-
eenigde in zich de schoonheid van alle vrouwen,
Claus. 316.
BEDRANGINGE, znw. vr. Overlast, moeite, jj
Mallick . . den anderen . . behalden vur gewalt
ind onbehoirlicke belastinghe off bedranginge , Ngh.
4 , 373 {a. 1465). — Het woord is een germanisme ;
in ^t mul. bestaat wel bedringen, doch niet bedrangen
(mhd. mnd. bedrangen; hd. bedrangen),
BEDRANC, znw. onz. Van bedringhen (zie ald.
en verg. bedronghen). Mhd. bedranc; mnd. bedrank.
1) Abstract. Het dringen, gedrang , strijdgewoel. \\
Daer was so groet bedranc int vergaderen, daer
si quamen , dat si nie en mochten versamen , Velth.
III, 7, 54. Hi lach harde onlanghe, hine spranc
op in den bedwanghe (/. bedranghe), Grimb, I,
3728 (vgl. Huyd. op Stoke III, vs. 344 en §>. I*,
27 , 44). Daer bleef op den velde versiegen menech
eerlijc deghen ende verminct in dat bedranc , 4380.
Doch wert omtrent hem dat bedranc soo groot,
dat si werden ghescheiden, II, 2948. Alsi dat
vernamen, dat men misse sanc, ende men offren
sonde , wardt daer groet bedranc , Vad, Mus, 1 , 32.
In beiden siden dat bedranc was so groet . . , dat
655
BEDR.
BEDR.
Walewein in genea dingeD den coninc en conde
gebringen niet aten bedrange, Lanc. III, 21854.
Doe wert dbedranc groet ende swaer, Limb, YII ,
1381. So vreselike wa« geen bedranc, Velth. IV,
30, 48. Tbedranc wa« alte groot, Brab, Y. VII,
2018. Dat spere brac in dat bedranc , Orimb. I ,
3675. Men droech den (/. die) heren . . aten be-
dranghe , 4444. In dit ?echten ende bedranghe wart
die grave . . ghevaen, VL Rijmk. 6420. So ne
consten 8i din niken nit in dat bas ghebrenghen
om dat bedranc van din yolke, dat omtrent dat
bas was, L, u, J, c, 68. Zie nog Grimb. III, 874,
1879; Lipp. 19.
2) Concreet: menackennuuta. \\ Hi reet enen in dat
bedranc dore den bnyc ere ellen lanc , Orimb, II ,
2200. Die here Tan Hoeme . . voer vaste doer
dat bedranc met sinen lieden vromelike , II, 2080.
Si slogen midden int bedranc, Lanc, III, 21727.
Doe liepen si ter bragghe waert , die te enghe was
ende te cranc onder also swaer bedranc, Stoke
III , 342. — Somtyds laat het woord beide op-
vattingen toe, b.v. II Met desen bedrange was die
coninc Tyradus aten stride getogen, Lorr. II,
500. Die stavelie was nedergevelt met enen be-
drange, Velth. VI, 8, 60.
3) Van één persoon of ééne zaak gebruikt. Het
drukken^ het benauwen, \\ Men sach daer menighen
in dat perc van sinen orsse vallen neder, die
nemmermeer op rechte weder dore ^bedranc van
den orsse, Orimb, II, 5176.
BEDREECH. Zie bedreich.
BEDREGEN. Zie bedragen.
BEDREGEN. Zie bedreigen.
BEDREICH (BEDREECH), znw. o. Stam van
bedreigen. Bedreiging, dreigement, \\ Als hi dat
hadde verstaen, swoer hi n te nemen tlijf; doen
was ie een droeve wijf, dat hi u dit bedreech
(Hs. bedrief, varr. belofte) had ghegheven, Segh.
1244. In houde niet van nwen bedreighe, 3522.
(Si) gaven Seghelyn groot bedreech, deden hem
allerlei bedreigingen, 10959. Vgl. het Gloss.
BEDREIGEN (bedregen), zw. ww. bedr. Be-
dreigen, het toeleggen op. \\ Omdat niet sdnvels
scichte den mensche vort bedreghen moghe. Bed.
d. M. 492.
* BEDREIN, znw. o. Misschien samentrekking
nit bedragen {y^\. brein, meid, dweil enz.). Als znw.
gebruikt met de beteekenis van gedrang , ophooping
van mentchen', hetzelfde als bedrach (z. ald.). Doch
de lezing zal wel bedorven zijn en het woord ver-
anderd moeten worden in bedrom (z. ald.). || Al
waren hier liede noch also vele, met soutse doen
bet achter staen ende ons liede in doen gaen:
dies ben ie clene vervaert, dns ghinghen si ter
porte waert, daert bedrein was groot. Val. e. N.
44 {Altd. Blatt. 1, 206).
BEDRETSEN, zw. ww. bedr. Van dretsen (De Bo 1,
2643), bgvorm van dretten {ald. 265«). Bevuilen,
bezoedelen. Y&n drij ten, cac&re; Yg\. splijten, splitten,
splitsen; smijten, smetten, enz. || Daer sal diesulcke
sijn bedretst, hine saelt niet connen ofghedwaen,
OFl. Lied. en O. 181, 13. — Vgl. De Bo 1 , 86*.
BEDRIECH, znw. onz.
1) Abstract. Bedrog, bedriegerij. \\ Weerelt wesen es
anders niet dan al bedriegh, diet wel besiet , Praet
1194. Valscheit, bedriegh, honinghe, baraet,dats
daer hi np rijt ende gaet, dat es een sadel van
bedrieghe, 1487. Hine hoede hem niet van be-
drieghe, Boerden III, 117. Behoet mi voer scade
ende voer scande, voer qnaet gheselscip ende be-
driech, Vad. Mus, 5, 328. Jhesus heeftse be-
droegen. Pylatns seide : Wat bedriech is hier u?
Lijd, o, H, 33. Daer bedriech in wesen mick.rci
Mus. 1 , 399, 74. Des viants list ende sgn bedrieek,
5, 318. Hare bedriech dat es so fel, Praet 1333.
Bedriegh, hoon ende spie, 10%. Onreckt, W-
driegh, honinghe, barraet, 1924. Bedrink, okettei
leert soe mi weten, 1746. Het al bedriech es eide
dylay , Amand II , 2707. Alle die wcrlt is op W
driech ende boesheit ghestelt , Oest. R.f. HU. IM
eerste is troawicheyt sonder bedriech , 233^. TiUa
scampe ende bedrieghe , Gedenkst. 1 , 246 («. 13wl
— Ook mv. II Van de tnusscherie ende b«lrie^
ghebezicht in deze zaeke, Invent. v.Bra^eb.iSó.
2) Concreet. Schelmstuk , schurkenstreek. || £a^
ware een recht bedriech, Belg. Mus. 1, 68.
BEDRIECHTE, znw. vr. ; mv. bedrieekeiL
1) Abstract. Bedrog, bedriegerij. || Zonder b^
driechte, Ned. Kluchtsp. 77, 134. Dit moet g»
ghelooven zonder bedriechte, Belg. Mus. 6, 57.
2) Concreet; in het mv. Listenen lagen. \\ D«
sgn bedriechten so menich mensche doen ijslff
verliesen , Mar. p. JST. 44 , 1038.
♦ BEDRIEF, verkeerde lezing Segh. 1247. &
bedreech.
BEDRIEGELIJC, bnw. , bedrieglijk. — Yvi^,
BEDRIEGELIJCHEIT , znw. vr. Mnd. »^
drêchlieheit. Listige geaardheid, bedrieglijk ktnktr.
II (Hi) seide hem die bedrieghelich^e tm 4a
viant, Denkm, 3, 219, 70.
BEDRIEGEN, st. ww. (doch zwak Ned. fna
32) bedr.; mnd. bedregen; mhd. betriege%, B^
halve in de tegenwoordige beteekenis ook ia ra-
schillende, van de hedendaagsche beteekejüs li-
wakende opvattingen. Met den 4den nv. na d«
persoon of van de zaak.
l)Enen bedrieghen van ere sake,i«*^
in iets teleurstellen , iemand van iets afhrengn. \
Dat God niene sal sijn moghen van sinen propos
aldus bedroghen, Mask, 1167. — Vandaar de is
drukking hem over bedroghen hondee-
zich teleurgesteld gevoelen, \\ Die van binaea ow
bedroghen bilden hem ende sloeghen toe, 1^
5360. Hine hilt hem niet over bedrogken, h
Galiene mochte sien, 5184.
2) Iet — , bedrieglijk veranderen^ verkeerd t»
stellen, vervalschen. || Dat si, die di hebben W
loghen, die waerheit hebben bedrogen, 5p.lv2i
43. Vro was hy ende harde blyde, dat sp di«»
hem heeft gheloghen, ende hy waent hebbend
droghen die ghescienesse ende gemaect ^
Trogen 10614.
3) Enen — , iet — , misleiden^ verleiden.^
blinden (vgl. Lexer 1, 240). || Dat si bespotten éi
heilige Kerke, . . ende bedriegen haer ziele ««^
ende comen daer mede ter helscer stede, Xoo^ 33BI
4) Enen — ,iei — , verschalken, \\ Sgnor»,dii*'
wale gheet dattie winde {de honden) met lopae W
driget, Lanc. III, 24946. (Alexander) sncctoitw»
ter vaert ende ontcnochte al dnrentnre (nL ^
Oordiaanschen knoop) ; dus bedrooch hi die afentin.
AUx. II, 214.
Aanm. — ^. I", 77, 63: ,Ghelove es tf
heilechste bejach . . : men caent bedriegen ^
ghene noot," is verkeerd vertaald. Het 1*
„fldes nuUa necessitate ad /«//^«M^jMwcogitar,''^'^
toekent: Men kan door geene noodsaktUjkkfii f^
dwongen worden, om zijne trouw te breken.
BEDRIEGENESSE (bedriechnesse), -^s
znw. vr. Mhd. bedréchnisse. Bedrog, list, ^
leiding. || Behendech . . soe es dwjf in «^
dinghe, daer bedrieghenesse toe hoort, r.rf. 'f*
657
BEDR.
BEDR.
658
83. Tan al sduTels mogenthede ende Tan al siere
bedriechnüsen f Y»i, BI. 2528. Al heeft die werli
eeo schoon behaghen, lis bedrieghenis al te male,
Hild. 124, 42. Dat es bedriechuesse al te male
dat gi mi doet yerstaen, Rosé 13820. Al arghelist
of bedheghenes uutghesceiden , Brab, T. YII,
IftM. Allen den exceptien van frauden, ?an
bedrighenissen ochte van argheliste , Brab. Y., Dl. 2,
bl 576. Dat wy die woirden voirsproken niet en
spreken in bedriegenissen , Matth. Anal, 3, 163.
liair hy openbairlic lyede die loosheit ende be-
driegenisse van syn swarte consten, ald. 179.
flaerre vele, die sijn bedriegenisse vestonden,
qnamen tot penitencien , Ned. Proza 270. Erringe ,
tvifel, ende schelingen dagelix compt ende oic
bedregenisse vallen machin gijfflingeofftestaments
brieve, Overijs. R, I*, 229. Luttel yement den
anderen geloeft by simpelen woirden ; om dat veel
bedriegheuisse . . gheschiet s\jn ende veel on-
ghelove ende wantrouwe , Matth. 22. Doe si sine
bedrieghenesse bekenden, doe lyeten si hem ende
ghinghen tot sinte Peter, Pius. W. 40c. Doe wi
sine bedriegheuisse saghen, soe lieten wi hem
altemael, 416. Doe dese die bedriegheuisse ghedaen
hadde, 120c. Hi dede grote bedriechnisse in Israhel
ende gaf qnaet voer goet, D. B. I Machab. 16, 17.
Mit deser bedriegheuisse dode dese gokelaer sine
vianden, Mandev, 65d. Zie nog Merl. 26621,
26693; Gesck. v. Antw, 3, 678.
BEDRIEGINGE, znw. vr. Bedrog , vaUchheid,
Xnd. bedreginge, \\ (Hi) heeft hem mit smeekeliken
bidden lieff gemaect den prince sijus volcs ende
mit drogenachtigen aeubrengen tot sinen onnoselen
oren , die gheene bedrieginge en wiste , Ned. Proza
269. Dit was die bedrieghinghe vanden mensche-
liken leven , D.B., Boec d. JTijsh. 14 , 21. Dijn herte
is vol quaetheden ende bedrieghinghe , ald. , Eccle-
fidit. 1, 32. — In bedrieghinghen (/. begeringen)
iün wi diins ; lat. „in eoncupiscentia tui snmus", Hist.
Smsémnae, 20.
BEDRIFT , znw. o. , hetzelfde als bedrijf (zie
ald. 2 a). Duiriet^ gebied. \\ Gherets uytgheven om
alrende reyzen ghedaen buten sinen bedrifte van
mJDs heren weghen, Rek. d. Or. 2, 72. Zoo ook
190 en 194.
BEDRIJF, znw. o.; mnd. bedrif. Van bedriven^
in verschillende opvattingen.
1) Het kandelen^ de praktijk^ beoefening (vgl.
Miieen \d). || Een edel herte wel gheboren sal
▼iven bedrgf node horen, Denkm. 3,6, 119. Al
dat mer in siet (in den Leekenepiegel) es al orboere
int bedrijf, beide an siele ende ane lijf, Lsp. IV,
12, Beslui/ 39. Om dat si in haren live derluxu-
rien bedrive leverden haer leven lanc, hebben si
dien groten stanc, I, 14, 31. Segt mi. Bitter
Ellinden bedrgf esse nietermelic? J?/wc. v. M. 1028;
vgl. 174. Der kinder sinnen ... sijn onbelast van
eeaighen bedrive, ghelijck een tafel reyn ghe-
planeert, daer men goet oft quaet in mach scriven ,
Sp. d. J. 69. Elc mensche in sinen daghen sal om twee
dinc vrese draghen : dierste om der zielen bedrijf; dat
ander es om dat lyf, om hetgeen er voor de ziel te
doen is, Doet. III, 777. — Ook in het mv. || Dat
hi altoes onsen lieven here teghenwoerdich hebbe
in sinen ghedachten, woerden ende werken ende
in al sine heóriven , verrichtingen, daden ^ Kal. 'S^Sl
(vgl. Tkeopk. bl. 28 , waar deze bet. , althans voor de
latere middeleen wen, te onrechte ontkend is. Of moet
men lezen: „ in sine» bedriven ?"). — Dat meeste
bedrijf hebben, de voornaamste rol spelen. ||
Bi overdraghe van der stat van Diest . . . hadde
daer af . . . tmeest bedrijf een eerbaer man , Brab. Y,
VII, 4078.
2) Van bedriven in den zin van regeeren (zie
ald. Sa). — a) in concreeten zin. Gebied, vooral
rechtsgebied, district. || Die gemeene wegen, die
leggen onder tbewynt oft bedryf van Joncker
Engebert, Matth. Anal. 1, 481. Tot Geervliet of
elders binnen uwer heerscappen of bedrive, V. d.
Wall 1, 62 (a. 1284). Binnen onsen bedrij ve ende
machte, 90. Dat sy geboden elcx in sinen bedrive
Oorl. V. Alb. 298. Dat hi sonder vertrec sende
mynen here tgelt, dat wt sinen bedrive gaen sonde,
300. Dat hi in sinen bedrive lude bereyt souden
houden tStaveren te senden, 391. Dat sy over
al haren bedrive dede gebieden, 144. In den
bedrive van Vredelant, Rek. d. Gr. 1,451. Dat sii
sonder vertrec die graveren wt alle den dorpen in
horen bedrive wtboden, Bel. v. L. 360. In allen
karspel karcken alles uwes bedrives, Nijh. 5,191
(a. 1486). Alle zoden machmen nemen den diic
mede te maken, daer si ligghen in dat bedriif,
Oorkb. 2, 3416 (a. 1290). So wat scoutate siin
bedriif niet en dede bedriven of diken na oerbaer
des lants, . . . hi sal verlyesen siin bedriif, ald.
(Ook elders vindt men de nitdr. sijn bedr ij f
bedriven, d. i. alle functies in een bepaald ge-
bied verrichten, van de overheid; ook in verband
met het d(jkwezeu). Alle bedrive ende alle lant
salmen diken mitten minsten coste, ald. 341 a.
Binnen den bedrive vanden scntters doelen , op het
grondgebied, binnen het territoor van de schutters,
O. K. V. Delft II , 22. — Zoo zeide men ook binnen
den bedrive van den Hove, voor hetgeen
wij ressort noemen.
b) Bij uitbreiding. Heerschappij, macht, invloed,
werking. \\ En dade syn loop ende sijn bedrijf
(p. h. firmament) , al dat ontfaen hevet lijf en
mochte roeren, cleine of groot, Lsp. I, 8, 23.
Noch sijn der planeten vive, die sijn van groten
bedrive, want si die werelt regeren, I, 10, 1.
Dat lant, hiet Alandalijf (And^lusie), dat bleef al
in sijn bedrijf, Sp. IV» , 11 , 74 (Brab. Y. II , 2423).
Dat wy . . tot ghenen tiden . . laten hebben
Herman van Knynre . . enigherhande bedrijf of
machte . . over onse goede Inden van den Kuynre,
Oorl. V. Alb. 495. Dat sine vianden int overste
bedrijf gheseten syn, in den hoogsten invloed, nl.
de invloedrijkste , hoogste posten, Boëth., aangeh. bij
Huyd. op Stoke X, 716.
BEDRINGEN, st. ww. bedr. {bedranc, be-
drongen; bedrongen) ; Mhd. bedringen; vgl. BEDRANC.
1) In eig. zin. Dringen, drukken, verdringen,
tegen iemand aandringen. \\ Hem volghede een grote
schaer ende si bedronghen hem, Ms. 71, 3{arc.
6, 24. — Vgl. verder het bnw. bedrongen.
2) In fig. zin. Iemand in het nauw brengen , iemand
overlast aandoen, hem benauwen. \\ Pleechstu minne
ende dronkenscap, wat sal di dan enich heerscap?
hoe machtu die werelt winnen? dn best bedrongen
in allen sinnen, Alex. I, 684 (Hs.-, Franck: be-
dwongen). Offt geviele, dat ennige fursten . . .
die lande ende ondersaten onderstonden to over-
vallen off to bedringen, Nijh. 6, 83 («.1477). Die
ghene, diese (de gerechtigen) bedronghen hebben
ende haer arbeide ofghenomen, J7j. 75,/. 200a. So
bijt {het paard) metten sporen had bedrongen, Segh,
1935 var. (de lezing van den tekst: bedwongen,
verdient de voorkeur).
BEDRIVEN, st. ww. bedr. {bedreef, bedreven;
bedreven). Mnd. bedriven.
1) Handelen , practisch werkzaam zijn. — a) in het
659
BEDR.
BEDR.
660
algemeen. Doen^ uitvoeren. \\ÏLt\A al om nieif dat
sy bedryven, hy en acht screyens noch spel,
Troyen 5833. Wat mach die hertoghe entie sine
dinken, wat wi hier bedriven, dat wi hier dus
langhe bliven, BrcUi. Y. Vil, 1872. Soe wat deae
werelt bedrijft, dat es ydelheit ende baraet, Doet.
III, 1448. Waer es hy, die eiken tsyne gheeft;
het ware wel noet, dat ment bet bedreef, dat
men dit meer deed (de tekst heeft verkeerdelijk
bedreef f)^ ubi ? Bi desen heilegen blenden bleef . . vele
bescreven, dat hi bedreef, Sp. II», 62, 44.
Wat sou ie bedriven, seide Adelaert, üeemtk. 118.
— De onbep. wijs als znw. gebruikt, in de bet.
van het doen, het doen en laten ^ gedrag. \\ Dus
syn si {de Joden) beesten in haer bedriven , ^i»an£?
II , 1444.
b) in het bijzonder. lett uitvoeren^ ten uit-
voer brengen y tot stand brengen^ bewerkstelligen,
het aanleggen. || Sal hire ooc in staende bliven,
dat moet sine miltheit bedriven, Lsp. III, 23,
155. Aldus sonde men een dinxken bedriven,
om een wijf te brengen in den stric, Lansl. 316.
Hi soude hem wisen de rechte trade , dat hi Risele
sonde ghecrighen ; die coninc vragede, hoe hgt
bedriven sonde, Fl. Rijmk. 6560. Omme dat si dit
wilden bedriven, hietse die vader beide ontliven,
Rijmb. 21625. Her Abt . . ., hier bedrive Marien
lichame der keytive te gravene, Sp. II», 47,
27. Guelke riep daerna sciere dat si hem den
casteel gaven saen . . . oft si sondenre doet in
bliven, hoe langhe dat syt willen bedriven,
Velth. IV, 20, 32, d. i. hoe lang zij het
(d. i. het verzet, de verdediging) ook willen tot
stand brengen , m. a. w. het willen volhouden.
Nature const wel bedriven, Rosé 5112. Conde
hyt bedriven , modo ei esset/acttltas, Ruusb. 5 , 133.
Eest dat sake, dat een man late heett, ende en
zijn zij niet besworen, so en diedet nijet, dat mer
mede bedrijft, R. v. Uccle 18. Dat minne of
ander duechden den menschen gegeven werden,
dat moet oetmoedicheit al bedriven ende verdienen,
Ms. 80, /. 31 b. Van dat hi besorghede ende
bedreef twerc van sconinx bmcge . . bi rade van
meester W. , Invent. v. Brugge 1, 450. — Dat
bedriven dat, tot stand brengen, bewerken d^at,
het Lat. id agere ut. \\ Hi wilde dat bedriven,
dat hi wilde weten te samen vanden lande alle die
namen, Sp. I«, 41, 24. — Ook met het bijw. so
verbonden, en een bijzin met dat-. Eene zaak zoo
uitvoeren, dat; niet veel meer dan eene om-
schrijving van het volgende werkwoord. || Doe
heeft bedreven Anthonijs so dat hi Paulnsse
groef, also als daer was behoef, Sp. II*, 32, 198,
d. i. toen heeft Anthonius Paulus begraven (vgl.
onder 3 b). — Aen enen bedriven, bij
iemand tot stand brengen , d. i. van iemand ge-
daan krijgen, \\ Bi dat ie kende u leven, haddic
gherne an a bedreven, dat ghi sont sijn te onsen
ghebode, Amand I, 1264. (Si) hebbent anden
paeus bedreven, dat hi hem weder wart gegeven,
Sp. IV*, 9, 33. — Met den 4den nv. der zaak
verbonden, komt bedriven voor in vereeniging met
allerlei znw., die daarmede ééne uitdrukking
vormen : meestal echter is bedriven door doen , maken,
verrichten of een dergelijk ww. over te zetten.
Vgl. onze uitdr. rouw bedrijven. —Ene boodscap
bedriven, eene zending verrichten. \\ Den andren . . .
die die boodscepe bedriven an den coninc Sede-
chien , Rijmb. 14851. — Druc bedriven, be-
rouw hebben, rouw bedrijven. \\ Die duecht wilt lonen
mit ontrouwen, hets redelic, dat hijs druc bedrijft ,
Blisc. v, M. 384. Daer groten druck bedreven vat
int scheyden, Huge v. Bord. 14. — Een haweli«
bedriven, een huwelijk bewerken. \\ Dit ma
hul ie bedreef van den Grave Floren» . . ende na
sconinx zuster Aden, Stoke II , 468. — Enen coep
bedriven, een koop doen. || Dat sgn vader eaa
coep bedreef van lande, ^. II* , 33, 41. — Kei
leven bedriven, een leven Uiden. \\ Dier U
voordan ghestadich bleef, ende een helick leva
bedreef, Amand II, 621. — Orber, profijt
bedriven, voordeel doen , uitwerken , bewerken, i
Nu hoert . . . weldaet, in hoefsonden gediei ut
orbere si bedrijft, N.Doet. 121. Soatstu gieadt*
profijt bedriven? OVl. Lied. en G. 507, 431
— Paescen bedriven, PascAen vieren. \\ Ou
es ghehinct dat wi drie daghe in dese stat bü
onsen maghen moghen bliven, ende PaesscheoBc:
hen bedriven, Lsp. II, 36, 2031. — Bact b^
d r i V e n. — a) Van raet in de tg^. bet Te rsdt
gaan met. || Ghi soudt u beraden met uwenb^ta
vrienden ende maghen . . , nn hebdi uwe& nu
bedreven met jonghen, sotten riesen, Me^ii.^^^.
— b) Van raet in den zin van plan (zie ald.). fl«J
plan beramen. || Bg ons was den raet bedreres,
dat wi ons stelden tegen de weerden des bem
bi nide ende bi hoveerden, Bliee. v. M. 103.
— Ene scouwe bedriven, eene sehoBr ■»
sluizen en dijken) verrichten. \\ Slap ofte traecbw
dier scouwe te bedryven, 0arkb.2,215a{a.l^'^
— Weelde bedriven, weelde besteden, i i
sieraden te koste leggen. || DQn vleesch, datcisiït
es verheven, daer meneg^ weelde an es bedre?»,»
sijn gekeert in groter onwerde, Bincl. 247.-
Sinen wille bedriven, zijn wenseA werkrijsa,
tot stand brengen. \\ Up dat hi met sinen dio^^
sinen wille mach bedriven, Stoke III, 1188.
c) Met eene ontkenning. Niets uitrichten, terie
komen, vorderen, lat. mhil profieere. \\ Daer è
baeliu dede selke mort ane de kerstene . . dii fi^
diese souden ontliven, van moetheiden niet a
conden bedriven, Sp. II', 11, 4. Pylatns, doe^
had besocht, dat hi dus niet bedriven mocht, kt
dattet maectmeer quaet ghebaer, doe namhintf
voer de scaer , O. H. Pass. 22, 581. Die Baaschesxn.
willende hair leet wreken, syn getogea t«
Bommel , daer si niet veel en bedreven , Exc Cm.
nid. Si bleven liggen VII mglen van B^o.
niet bedrivende VII oft VIII dag'en lanck, ^»l
— Ook met eene bep. met ane. || Die Jood siste
tpaert ende . . woudet' ymmer dwinghen op»
staen, mer hi en mochte daer niet an bednv«t
hij k-wam er niets verder mede, het hamUt ka
niet, eer dattet heilige sacrament verby i»,
Devoet B. (36) 60r.
2) Eene eenigszins gew^zigde opvatting vuè
beteekenis ten uitvoer brengen treffen w^ aia H
Boendale, den dichter van den Lsp, , die beirise*^
bruikt van schrijvers , in den zin van aan de% é^
leggen, toonen, aan het licht brengen, beeekrt^feiL \
(David leerde) die heilighe toecoomst ons hera.iiK
hi wel toonde ende bedreef inden zonterc, 1,46,^
Hi was een die wijste, waerlike, die ye ▼»■
aertrike , dat tonen die boeken , die hi screef , è0t
hi grote wijsheit in bedreef, 1 , 47 , 7. Diff k'
willic u maken vroet wondere die Cristos wrac^-
hier na daert sal hebben stede , alsoot Jheroiitfi
bedreef, diet Ebreeusche in Latine acreef, II.A
88. Oec sette dese goede man vele rechte&ts
clerken, . . die hi alle scone bedreef (vir. i^
screef), II , 48 , 202. (Marcus), die ene der ewaif^
screef, alsoot zinte Fieter bedreef; want ILc*
J
661
BEDR.
BEDR.
662
eo hadt niet al ghesien: dies maecte hem Pieter
Yroet van dien, II, 40, 57 (d. i. zooals Petrus
het toonde^ aan het licht bracht ^ m. a. w. onder voor-
lichting van Petnti). Also men wel mach lesen in
den hoeken die hi screef, daer hi wonder in be-
dreef, 60, 30.
3) Begluren , regeer en (vgl. ons woord bedrij f boer),
— «) Eigenlijk. || Dese besorgeden ende bedriven
enen doester van CCCC wiven , Sp. III • , 40 , 16. Doe
«endden die van Rome te hant Gabininse, dat hi
tlant bedrive, Rijmb. 20509. Het hoghen here
he^mt, dat hi wete hoe lant bedriven, Heim.
15. Viseren sine scaren ende ordeneren ende wijslee
die bedriven, Lsp. III, 12, 151. (Egypten) moeste
onder Rome bliven, ende dadent haren bailluwen
bedriven, Sp, I» , 22, 47. Hoe dat si bedreven
hare goet, I*», 66, 11. Die sijn goet bedreef, I' ,
42, 71. Dat heer Ghye moste bedriven tlant,
Stoke V, 493. Om tlant te bedrivene, Lanc. II,
16962. Hadde een man zijn erve bedreven, R.
V. Uccle 20. Sulke (papen) . . . werden meyeren
ende rentmeesteren . . . ende bedriven dat hem
niet toe en behoert, Ned. Proza 66*. (Wy) sullen
die selve lande doen regieren ende bedriven mit
onsen amptluden, Oorl. v. Albr. 495. Der steden
^eden tontfanghen ende wt te gheven ende die
te bedriven ende te regiren toter steden . . . oirbair ,
llatth. 18. Onse munte van Hollant , van Zeelant ende
fan Vrieslant te regieren ende te bedriven tot
mser eeren ende oirbaer, V. d. Wall 408 (a. 1409). So
irat scoutate sijn bedriif (d. i. gebied) niet en dede
t)edriven {de functies verrichten , waartoe men in een
)epaald overheidsambt verplicht w), . . naoerbaer
les lauts , hi sal verlyesen siin bedriif. Oor kb. 2 ,
Viib {a. 1290). En zoo meermalen. — Schijnbaar
intrans. staat bedriven^ Stoke X, 716. || Hadden si
[de Baliuwen) willen bedriven alsi scoudich waren
;e doene, sine hadden niet ghesijn so coene, dat
nen den Qrave hadde bescouden, d. i. hadden zij
hun recht willen uitoefenen , hun plicht willen doen.
8ij bedriven denke men bedrijf. Vgl. de plaats
lit het Oorkb. — ,De onbep. wijs als znw. in den
;in van bestuur^ plan. \\ Door rouwe so ne mach
liet bliven dies God heeft in sijn bedriven , Amand 11,
S61. — Ook wederk. gebruikt. Eig. zich besturen^d. i.
ick gedragen. \\ Heinric biet oec die ghone, die
antgrave van Doringen bleef, die hem niet wiseliken
n bedreef, Brab. Y. IV, 818.
b) Inrichten, regelen, verd-eelen. || Helpt mi,
rouwe, dat ie bedrive so mijn leven, dat ie blive
. reine in mijn ghedachte, Lett. N. W. 5», 62.
He sinen tyt hier wel bedrivet met goeden wille
ode met weldaden, Praet 687. Wie es die dit
edrive, dat hi ons geve gansen raet, an welken
len sekerste vaet, Lett. N. ^. 5*, 44. Men seid
em, dat Ulixes ende syn compaen Dyomedes
adden onder hem bedreven, dat sy hem namen
m leven , Troyen f. 233p (d. i. het onderling zóó
rregeld hadden , m. a. w. met elkander hadden af-
f9proken). — Vooral met het bijw. aUo verbonden
1 het onbep. voorwerp het. Iets zóó inrichten , dat ',
tperkim dat. Vgl. onder 4). || Al waert, dattetzo
lame, dat Pylatus dit vername, si zoudent wel
80 bedriven , dat si onghemoit zouden bliven ,
1^9. II, 36, 955. Odolias heeft so bedreven, dat
e vrouwe hem weder ontboot , MLoep 1 , 2876.
oden . . die de dinc alsoe bedreven, dat dat bliven
ü^ scheidsrechter lij ke uitspraak) es achterbleven,
raó. Y. V, 2204. Paeus Leo hevet so bedreven,
it die Romeinen alle te samen weder tes keysers
ilde quamen, Sp. IV>, 20, 34.
4) Brengen, drijven. — a) Eigenlyk. Enen — ,
iet. — Met eene bep. met in oï te. \\ Alse der
kerken prelaten sterven . ., so dede men daer
boden keren , die aldie rente bescreven ende tgoet in
sconinx borse bedreven, Sp. IV*, 83 , 64. (Hi) dede
hen ere , dat si met erenste te mere in pinen tkersten-
heit bedriven, de Christenen in moeite brengen,
II*, 7, 23. Die sine tale ter destructien bedreef,
IP, 63, 26, „cum ejus verba destruxit", d.i.toen
hij zijne woorden ontzenuwde. Wacht u, dat u niet
en bedrive die duvel no leede ten sotten hone,
Amand I, 1595.
b) Enen — , iemand ergens toe brengen , b. v. tot
een eerambt. || (Het gebed van Maria) naer den loep
van den live mi bewise ende bedrive ter bliscap sire
vrienden, O. Intern. 11. (Hi pijnde hoe) hi sinen sone
bedrive, dat hi come ter keysercrone, -^. III*, 1 , 16.
<r) E n e n — , iemand ergens toe drijven , aandrijven ,
bewegen-, hem tot iets brengen, noodzaken. \\ Eest dat hi
den hertoghe bedrive , dat hijs oec te hem wart blive ,
Brab. Y. V, 2181. Dieghene, die verteerden boven
maten goed ende wasteerden , bedreef hi , ende
brochte in dien dat si der maten moesten plien,
ri. Rijmk. 2923. (Hi) bedreef den grave van
Hollant , Florense , dat hi hem ghinc in hant, 4548.
Bestu bedreven te nemene ene medicine, Heim.
758. Clerc ende leeke heeft hi bedreven, wijf
ende kindere al, te gane op enen berch, Sp.
II», 40, 58. Omme sijn leven hebben si getaelt,
so dat wert bedreven Pau lus, dat hi tpleit beriep
vore den keyser, II', 2, 33. Dat zi narenstelike
innen ende betalen zouden die 3 ghezellen van den
ghemete, . . jof dat hise bedriven sonde met den
nausten rechte. Rek. v. Zeel. 2, 284. Jof men
zoutse beriden (achtemarijden) ende bedriven
(dwingen) met den nausten rechte, ald. Hier omme
. . dinct mi goet sijn, dat men bewaert elc man
met wapene in sijn leven, die daer toe so es be-
dreven, d. i. indien iemand in de noodzakelijkheid
daarvan gebracht wordt, Sp. IV*, 42, 37. — Ook
met het bijw. so verbonden (vgl. onder 3*). ||
Die duvele haddene so bedreven, zoo zeer onder
hunne macht, hun invloed, dat hi hem beroemde alle
daghe, dat hi loghene sprake ende saghe, Sp.
III*, 38, 26. Den sone hevet hi so bedreven, dat
hi *hem moeste begeven te Prunen swart moenc,
Sp. III», 90, 53 [Brab. Y. II, 1425). De ghierichede
bedryft den menighen soe ende verblent, dattet
sine verstandenisse most (/. woest). Jan Yp. 42.
— Vooral gebruikelijk met eene bepaling ingeleid
door te. || (Si) worden bedreven te dien, dat si
uter plaetsen moesten vlien , Lanc. II , 20926. Gine
hebter mi niet bedreven toe ende het ware grote
scande, voer ie ontwapent achter lande, 1298.
Soudic dan hier emmer bliven? Daertoe mochte
mi nieman bedriven, 39765. So dattie ridder was
bedreven daer toe dat hi niet meer en mochte dogen ,
17130. (Salomo) anebeedde hare afgode, daer hi
hem toe liet bedriven om die minne van den wiven ,
Lsp. I, 47, 14. (Hi) hevetse (de Denen) daertoe
bedreven , dat si , diere levende bleven , metten coninc
hem ghyselen lieten, Sp. IV*, 49, 81. Emmer
moet dene gheven den pant, den liefsten dien
God ye vant : hier toe sijn si bedreven , Wap. Mart.
II, 85. — Enen te wette bedriven, iemand
gerechtelijk dwingen, in rechte tegen hem optreden. ||
Ne lette den eersten burchmeester . ., so moeste
sijn gheselle dander die scepene ware den eersten
cftlengieren te wette . . ende bedrivene te wetten;
dade hies oec niet, men soudene bannen, Cout,
p, Brugge 1, 321.
663
BEDR.
BEDR.
664
d) Enen b. — , iemand zoo ver brengen^ in het
nauw brengen y lat. eo redigere^ ook mettoevoe^ng
van het bijw. nauwe. \\ In den lande bo en bleef
stede . . ofte (d. i. of) si en wart soe bedreven met
orloghen ende met groter pine, dat si viel in den
wille sine , Lanc. II , 2437. Ghy . . sulse {de vijanden)
alsoe nauwe bedriven, dat si int aerchste sullen
bliven, Troyen 1274. Hulpe! seit hl, in mach niet
leven, so nauwe so bem ie bedreven; men laet mi
nemmermeer genisten, Sp. III*, 38, 57.
BEDRIVERE (bedriver), znw. m.; mv. be-
driveren en bedriver i^ Mnd. bedriver.
1) Van bedriven in den zin van tot itand brengen
(zie ald. \b\ Bewerker. || Hier waren bedri veren
ave Reynout van Gelre grave ende die grave van
Gulken, Brab. Y. V, 3946 (Edew. 299).
2) Ook in den zin van aannemer van openbare
werken (hij die openbare werken ten uilvoer, tot
ttand brengt). \\ C. , W., S., L., ende haren
gheselscepe, bedrivers, van te doen delvene de
roye tusschen der Ezelbrucghe ende der Wulf haghe-
brucghe, Invent. v. Brugge 1, 448.
3) Van bedriven in den zin van regeeren (zie
ald. 3a). Bestuurder, opzicAter.\\ 'Een Jnede, die
Aduram hiet, was bedrivere over dat diet, Rijmb.
11269. Maertijn Buser, den bedriver van besterfte
in Kenemaerlant, Rek, d. (rr. 2 , 324. Den bedrivere
Alteens , 8 s. , den 8 osers eiken 4 s. ,* ende den
andren eiken 3 s. sdaechs , Invent. v. Brugge 3 , 334.
BEDROCH , bedroge , znw. o. Bedrog, leugen. \\
(Opdat) si met alselken bedroghe niet meer en
vergramden den hertoghe, Brab. Y. VII, 17365.
BEDROCHELIJC (bedrochgelijk), bnw.; o als
in aftrochelen. Bedrieglijk , vaUch, || Die valsche be-
drochghelijcke serpent, Bem. W. 6d. Overmits
rade ende bedrochghelijcken liste des . . bosen
vyandts, 109<?.
BED BOEF , znw. o. ; Van het onz. ww. bedroeven.
Droefheid, verdriet, tegenepoed. \\ Claudius hi plach
sere te lachterne den God den here , datti den scalken
verhoef, ende den goeden gaf bedroef, Rote 6039.
BEDROEFDE (bedrl'fde), znw. vr. Van bedroefd,
met afleidingsuitg. e (got. ei), evenals koude van koud,
liebeYnn lieb; enz. Droefheid. || Bi der sunnen onder-
gange es betekent bedrufde ende wedermoede ; danne
en compt oec onse here nit, Limb. Serm. ISd. •
BEDROEFENESSE (bedruefkenesse , be-
droevenesse), znw. vr. Van bedroeven (zie ald.).
Mhd. betrüebenisee', mnd. bedrovenisee. Droefenis,
droefheid, smart. || Na syn doot hertoge Reinout
waert ghelaten uut der vangenesse, maer der doot
bedrueffenesse beroefde hem cort tnatuerlic leven,
Brab. Y. VI, 11116. Ne ware niet dul die liete
comen te bedroeffenessen dese blomen? Lanc. III,
6711. Hoe sal ie ontgaen desen tormenten, die
ie hier sie bereet langhe te miner bedroeffenessen,
OFl. Ged. 2, 35 b. Bliscap van dijns evenkerstens
bedroefenesse. Vod. Mus. 2, 426. Meshope ende
bedrueffenesse ende lauheit, ald. Twyf als soe
baert , so heeft soe bedroevenesse , want hare stonde
comt, Hs. v. 1348, 286//.
BEDROEFT. Zie bedroefheit en bedroeven.
Men vindt ook bedrüeft, ja zelfs bedruecht
(z. ald.).
BEDROEFTHEIT, -hede, znw. vr. ; van be-
droeft. Vgl. mhd. betrüebecheit.
1) Droefenis, treurigheid. \\ Die quade sal leiden
syn leven met bedroeftheiden, Doet. III, 1349. Ghelije
dat die motte doreknaecht die cledre meneehfout ,
alsoe bederft . . . bedroeftheit des menschen zin,
1340. Om dat sine jonghers, . . . dese viertich uren
waren in bedroeftheiden groot om sinejammerlike
doot, Lsp. II, 39, 105. Dat nienumt gbencki
en mach wesen, die die doot ofl bedroeitbedc...
oft ander mesquame ontsiet, Doet. 111,118. Si
sullen haer broet in sorghen et«n eade haerTiter
in bedroeftheden drincken, D. B., Ezeek. 13,11
Op die bedroeftheit der dochter mg as toIo beik
bedroeft ende besericht, Jerem. 8, 21.
2) Ook gebruikt in den zin en ter¥erttUn^Tu
het Lat. desolado. Verlatenheid , eensatmkeü. [\ k
sal die steden van Juda gbeven in bedroeftJiedsi
D. B. Jerem. 9, 11. Dat haer lant werden S9iè
in bedroeftheden ende in ewelike wispelinghe, IH, li
BEDROEVEN (bedroven bedbüeves), w.
WW. onz. en bedr. ; mnd. bedroven; mhA. hetneia.
Bedr. — 1) In de oorspronkelijke beteekeais m
verwarren , troebel maken , welke bet. in het ïk
en Mnd. zeer gewoon is, doch in het lii
zeer zeldzaam. Vandaar het deelw. bedroefu
troebel, van glans beroofd. || Die VIII sonae . . .
stont al bedroeft ende ontset, ende hadde a
midden . . . een var we roet als Moet, WrAkel.Wfi.
Ende siet, onse . . . schoenheit ende onse claerbs
sijn bedroeft, ende die heiden hebbense beiaê.
D. B., l Machab. 2, 12. Dat water vander m»
verdroghen ende die riviere sal worden bednd
ende verdroecht, Jes. 19, 5.
2) In de war brengen, beroeren-, lat twriet.
contnrbare. \\ Nit lichte archwanich , nit bedn{:de
ander lide, dat bedruft die conscientie , Zisi. Sfft.
21d. Hude allen tit die clarheit dinre consdotkL
dasse nit bedruft en werde met clenen ogt ^
groten dingen, ald. (de bet 1) en 2) vloeieifer
ineen). Doe dat die coninc Herode^ hoerde, vet
hi bedroeft {ongerust, ontroerd) , ende al Jkeröiia
mit hem, Hs. Evang., Matth. 2, 3. Die fheKV
taste dat vier altemale niet noch ne bedroif^
niet, noch ne dede hem niet leets, JZr. p. 13^i
l\b', vgl. Daniël 3, 27.
3) In de tegenw. beteekenis. Iemand rdet ti
droefheid geven ; vooral als wcderk. wv. Hïi
bedroeven, bedroefd zijn , treurig gestewd iwrt»
terneergeslagen zijn , thans alleen in gebniil «
bonden met het voorz. over. — a) absolnatlil"
bedroefde hem die werd, Ztf»r. II, 44684. (Sii^
der coninginnen wale dit verstaen altemale, ^
haer selven bedroefde sere, Larr. I, 963.Diêf^
rechte mensche en sal niet hem bedroeTen, n^
ghesciet, Doet. III, 1345. Alse hi {de simdir
hem bekint ende bedrüeft, Ruusb. 5, 118. k^
u om Gods wille, en bedrioeft u lieden ni^.Bf
V. Bord. 44. En wilt u niet te seere bedroeven. 5*.-
b) Met een 2dennv., of het voorzetsel nw of ^i
Teghen plach si hem te comen willecome Wis
haren here; nu en heeft hise niet vemoma, ^
bedroefde hi hem harde sere , Hor. Belf. -, ^
Dat hem een mensche niergent af bedmereaai^
dan om sijn sunden al. Wrake III, 1249.^
hem die minnaren alle dage af bedroiea o*
beclagen , Rosé 4297. Die hem bedroefde sere ^
{om) van sinen kindren tferlies, Limi. T, 7S).
4) Beweenen, rouw bedrijven over. {{ Joab «*
geboetseapt, dat die coninc sinen soen beweti^
ende bedroefde, D. B. II Sam. 19, 1 (dil r
bruik is niet aan te bevelen. Lat.: fuod tu p*
et lugeret filium),
5) Met God als ondw. Droefheid^ smart oeervnf^
brengen , hem vervloeken, synoniem met f«r«fi^><'
ald.). il Amoris was daer al te voren comeo^^'
vrienden ende borghen, dyen God bedroven moet^
V, Bord. 11. Karels bode heeft hem dootg^lijea,^
J
66S
ËEDR,
ÖEDft.
66Ó
hem Mamet moet scenden ende bedroeven . . Mamet
moet hem verwaten ende brengen tot enenquaden
eynde, 60. Gheraert die ander sone is fel ende
qnaet, God moet hem bedroeven, 73. — Hiertoe
behoort het deelw. bedroeft, d. i. ver vloekt. \\ Si
8prac : Bedroeft si dit gewin , Boerden 1 , 64.
— Onz. Bedroefd, terneergetlagen zijn. \\ {De
engelen) bedroven . . , als hem die menschen te
sonden keren, Lucid, 4287. Die werelt en machs
niet ghesmaken, want si verblijt ende bedroeft in
anderen saken, Rnusb. 5, 14 {Vod. Miit. 3, 11,
208). Daer die minnere tallen daghen of bedroevet
ende hem beclaghe, Rosé 4297 var. Florijs (dat.)
bedroefde harde sijn moet (nom.) . . ; hem braken die
tranen nten oghen, Flor. 302. In dieghene es die
minne Gods, die bedroeft om onsalicheit sijns
evenmenschen , Stemmen 173. Hi en sal niet bedroven
over di , D. B. Ecclenast. 13, 8.
BEDBOEVER, znw. m. Mhd. betruebare. Hij
die in dé noar brengt, verstoort . Slechts in gebruik
in de uitdrukking: bedroever des vreden,
rutt', vredeverstoorder, Matth. Anal. 3, 169;
CUrc. 111: vgl. bedroeven, bedr. 2),enLexerl,
241 : ein betrüeber aller frid,
BEDROEVICH, bnw. Mnd. bedrovich. Vgl.
voor de vorming besculdich, besondich, bebloedich,
enz. Hetzelfde als droevig. Bedroefd. \\ Die be-
droevige verblitet (nl. het geloof), Gulden Troen
f. 30*.
BEDROGEN. Eig. verl. deelw., doch als bnw.
gebruikt.
1) Van bedrieghen. De eigenschap van bedriegen
hebbende, ervaren in het bedriegen (vgl. b.v. een
bereden huzaar). Vandaar valsch, bedrieglijk-, mhd.
Setrogen. \\ Droeme dat sijn bedroghen dinghe,
laèr en houdic mi niet an, TVcy^ 5730. (ü geloef )
tn sal oec niet twivelachtig noch bedroghen sijn,
Tuiden Troen f. 32 *. Daer na wederproevet hi die
)edroghen lerers ende ondecket hare bedriegenisse,
Kjr. 76, f .Md. (Hs. Epist. 64 b). Sommich ontfanghcn
lie bedroghen lerers, omdat si scone vercierde
roerde haidden, 50 d. Dat dat der bedrogenre
erers meninghe . . . was, tsout vander ewangeli en
e ontfanghen , 51 a. Als die bedroghen Joeden
ilaghen die Heydene honden te hieten , 51 d
Hs. Episf. 66 a).
2) Van hem bedriegen. Vol zelfbedrog, ingebeeld,
vaanwije; mhd. betrogen. WDdX is der bedroghenre
nde sede, datse hem niet en laten ghenoeghen
lem selven boven den anderen te duncken, mer
«c mede scympen ende smelic spreken opten
nderen, Ned. Froza 152. Ene bedrogene e venmate
gelijkstelling) der creaturen te Gode, Limb. Serm.
Oa (T. en Uitb. 6, 226).
— Afi. Bedroghenheit, eigentoaan; mhd.
?trogenheit. \\ Dat vgfte rise des tackes der be-
roghenheit is bespottinghe, Ned. Froza 152.
BEDROGEN , zw. ww. bedr. Van bedroch. In
steekenls gelijk aan bedriegen. \\ Hoet di ende laet
niet bedroghen (: oghen) , Vod. Mus. 1 , 397 , 107.
BEDROGEN, zw. ww. bedr. Opdrogen, uitdrogen;
het pa8S. verdwijnen, verminderen. \\ Soe waer
ler is , daer is hetten ende licht ende dat is een
lich ontfonct vier, daer die minne der werlt bi
idroghet wert, Stemmen 143.
BEDROGENESSE (bedruchhenesse, bedro-
lENNESSE), «nw. vr. Van bedroghen (2de art.).
1) Bedrog. \\ Want en sal niet waer wesen,
aer bedrogenesse groet wtgelesen, Velth. VIII,
, 25. Ende yan dien daghe voert bleef si van
len bedrochhennes quite ende vri , D. War. 3 ,
297, 602. Om datte viant nyet up en bringe
bedrochhennes ocht enege veisinge, ald. 300,712.
Dit is algader bedrochenisse ende onmoghelic,
nediim falsa , sed etiam impossibilia , Ruusb. 6 , 178.
2) Concreet. || Spookverschijning , schim (vgl. ge-
drocht). II (Doe) docht hare, datd bedruchhenesse
ende fantoom ware, D. War. 4, 272, 164. Dat vuer
dat si waenden dat si sa^hen, dat voer wech als
een bedrochnisse . . . ende ten dede gheen scade ,
Fass. W. 10 a.
BEDROM , znw. o. In beteekenis gelijk aan
bedrang (zie ald.). Gedrang , (^hooping van menschen,
II De paerden vielen , deinsden ende sloughen deen
dandere in *t bedrom van dier nauwer straten ,
Cron. V. Vlaend. 1 , 216. — Zie ook bedr ein.
BEDROCKEN. Zie bedrucken.
BEDRONGEN, bnw. Eig. verl. deelw. van be-
dringen (zie ald.). Eng, naww (door opeenhooping
van eene menigte menschen). || Ene stat coes Wale-
wein die here, daer hi allene buten stoet, ende
met hem sijn jonchere goet, daer hyt niet en
vant bedrongen, Lanc. III, 20536.
Aanm. — Nog heden wordt in dezen zin in ge-
westelijke taal , b.v. in Overysel , het woord bedrwngt
gebruikt.
BEDROPEN , zw. ww. bedr. Mnd. bedropen ; mhd.
betroufen; van dropen, causatief van druipen; doen
bedruipen, en vervolgens bedroppelen, besprenkelen,
begieten. \\ Soe dat soe . . van haren bloede be-
droopt was, VI. Bijmk. 1759. Vgl. Oudem. 1 , 366.
— Overdrachtelijk, in het verl. deelw. Als met
droppels voorzien, gespikkeld. \\ "Sa, die miraude es
hi groene , bedroept oec met roden doene , Nat. BI.
XII , 545 var. Hi draeget enen witten scilt, die met
swerte bedroept es, Lanc. II, 17329. Een scone
ghescoeite an sinen voet . . al bedroopt met roden
goude. Wal. 2996.
BEDROPPELT, bnw.; eig. deelw. van het ww.
bedroppelen. In fig. zin. Als met droppels voorzien,
gespikkeld (verg. Bedropen). || Na die miraude es
hi groene, bedroppelt met roden doene, Nat. BI.
XII, 545.
BEDROVEN. Zie Bedroeven.
BEDRUECHT, wissel vorm van bedrueft (be-
droeft). Bedroefd (vgl. bedrueven, Vad. Mus, 2,
438, Wrake III, 1260). || Och bedruecht man van
hertten, zere tongemake, Flageno. 1.
BEDRUFTICH, bnw. Van bederven of bedurven
(zie ald.). Eig. bedurftich (vgl. ons nooddruft).
Behoeftig, zwak, gebrekkelijk. \\ Wies ganc trage
es ende cort, of nauwe, hi esbedruftech,twivelec
ende onmachtich in allen stucken, Belg. Mus. 3,
235; 10, 289 (Hs. Yp. 48tf).
BEDRUC, znw. o. Mnd. bedruck. Angst, druk. \\
De onzuvere geeste ghingen ute ende ghinghen
in die verkine, ende met groten bedrucke werden
die verkine ghejaghet in die zee, Hs. v. 1348,
167^?. — Men zou eer een woord als bedruusch op
deze plaats verwachten; Mare. 5, 13 heeft noch
het een noch het ander.
BEDRUCKELIJC, -HEIT. Zie bedruclicheit.
BEDRUCKEN (bedrocken), zw. ww. bedr. en
wederk. Mnd. bedrucken; mhd. bedrucken. In ver-
schillende opvattingen.
Bedr. — 1) Het transitieve drukken. Tegen iets
aandrukken. \\ Alse comet ene droghe lucht , ende .si
ene ander mit groter drucht jaghet ende bedrucket
dan . ., so ontsteket ende hornet clare. Natuurt.
683 var. Alst coren boven ghemicke opten velde
wast te dicke, soe bedruct deen dander , Doet. III,
1013. So hief een migel storm in d« zee, so dat
_x
667
BEDR.
BEDR.
66S
dat schep wart van den vlaghen sere bestoten ende
bedmet f L. v. J, c. 66.
è) Naar beneden drukken, omkuig kouden, ook
met eene onstoffelijke zaak als voorwerp. || On-
gheveinsde nederheit, die niemant verheffen noch
bedmcken en mach, Rnusb. 4, 42. Alle dogede
en connen dit verlangen onder hen allen niet be-
drucken , het en clemmet boven al te Gode , 1 , 86.
Dat enghene swaerheit der tijt noch der ewecheit
onse gemoede gereiken noch bedmcken en moge,
ald. 82.
2) Fignnrlijk. — d) In het nauw brengen, verdruk ken
(vgl. la). II Die u beniden, bedmcken ende be-
cnaghen , die moghedi gherne om Gode verdraghen,
Ruusb. 5, 133. Die woestheit, daer di dyn
viant mede bedmcken sal binnen dinen poorten,
D. B. Deut. 28 , 63. Verlost den ghenen die bedmet
is mit crachte van des gheens hant dien quelt,
Jerem, 21 , 12. Den toecomeling bedmcken si mit
overdade sonder vonnesse, Ezech. 22, 29. Op dat
die gheue die mi bedmcken, verstaen moghen,
dattu mi niet alinghe ghelaten en hebste, Gerl. Peters
211. Alle die mine siele bedmcken salstu verliesen ,
Geert Groote 90. (De) heydenen ... die Arleblancke
die stadt metten lande van Provencien seer be-
dmcten ende bedorven , Exc. Cron. 62 b. Dit en
willen wy niet langer liden, dat onse dochteren
aldus bedmet worden, Ned. Proza 214. Die hover-
dich sijn ende hare naeste bedmcken, Ruusb. 3,
201. Ghi en moghet nyemau versmaden , bedmcken ,
ordelen noch verdoemen, 5, 131. Goede menschen
versmaden, bedmcken ende doden, ald. Si wert
verdreven in een vreemt lant, arm ende ellendich,
ende ^hevaen ende bedmet ende beseten van horen
vianden, Ned. Proza 32.
b) Terneder druk ken , ontmoedigen , treurig ttemmen ,
bedroeven (vgl. \b). Bij deze bet. behoort ons bnw.
bedrukt. || Het doet mi, helsche geest, bedmcken,
Sacr. 853; d. i. het maakt mij bedrukt {doen als zuiver
hulpww. opgevat, óf bedrucken als mi bedr.). ||
Sonder wijsheid veel te jaghen maect arbeit groet
ende cleen ghewin , ende dat bedrucket seer den sin ,
MLoep II, 2070. Commer ende sorghe van herten
ende alle vremde saken, die ons bedrucket mochten ,
Ruusb. 5, 67. Commer ende sorghe . . van allen crea-
turen , diese bedrucken , bedroeven , doden ofte ver-
varen mochten, 171. Ghi en selt niet haten noch beni-
den, versmaden noch bedrucken met wreden woerden,
4 , 12. Hoedt u , dat ghi de sieke niet en bedroeft noch
en bedmet met uwen woerde , ald. 11. Het is giiet
gheen vleisch te eten . . noch niet, daer dijn
broeder in ghearghert wert of bedmet of ghecranct,
Ht. 16, f. 11a (2^»i. 14,21). Oficiubedrucke(5>.
£pi8t. bedrocke) , wie ist die mi verbliden sal dan
die ghene die van mi bedmet {H*. Epist. ald. be-
droctj is, /'.43tf (II Cor. 2,2). En wilt niet bedmcken
den neilighen gneest Godes, f, 65d(Ephes.4,30).
Aldus wenende ende mijn hert« bedruckende,
ƒ. 160</. (Hs. N. T. 52r). — Ook als wederk. ww.
Hem bedrucken, zich bedroeven ; bedroefd ,
neerilachtiff , mismoedig zijn. \\ Dit doet mi opstaen
in wederspoet ende bedrucken (d. i. mi b.) in
voerspoet, H*. 80, /. 5c. Daerom en sal hem
nyemant verheffen diese {die gaven) hevet, noch
bedmcken , diese niet en heeft , Hs. 75 , ƒ. 34c.
3) Onderdrukken, bedwingen. Vgl. BE duwen. ||
So behoort den Coninc stride over al te beletten
ende te bedmcken, Matth. Anal. 3, 162.
4) Beperken, in enge grenzen betluiten. \\ So hout
haer vriendscap so bedmet , dat soe niet vorder hare
^n tmct, dan onder hem tween of lettel meer, <^.I' , 9, 9.
5) Innemen (eene plaats), (onnoodig)^£MÜiinlMi.
Hetzelfde als becommeren en betUtten (lie ali). |
Wat bedmet hi {de onvruchtbare boem) die ode.
Es. V. 1348, 191rf {Luc. 13, 7).
BEDRÜCKENISSE , znw. vt. Mnd. hednclt^.
In bet. gelyk aan het meer gewone heimdkie.
Verdrukking , nood, gevaar. \\ Doe ie berocft vai
vander hulp sijns gebeets, creech ie meere peraik
ende bedruckenisse , dan ie ye binnen m^neD kra
gehadt hadde, Bienb. 15 «; Ned. Proza t^l.B^
like pine ende bedruckenisse, Bmgm. 1, iaê.
Bedmckenisse ende strijt, Gerl. Petere 210. hdff
tijt der bedmckenisse ende der ontroestyni^lie, 211.
Dattu my niet achter en latest in der tgt ^^
oltheit ende bedmckenisse, ald. — Ook ia in
min juisten vorm bedructnisse. || Do nltf
utleiden mine siele van bedmcinissen , edaea it
tribulattone animam meam , G. Qroote 90.
BEDRÜCLICHEIT, znw. vr. Van Wrtó.
niet voorkomend bnw., afgeleid van hedrw^
(zie ald.).
1) Van bedrucken in den zin van omUa/§hB^
bekommeren , bezwaren {Ib). Bekommering, het rrrM
zijn fft^^. II Die sorchfoudicheit(Vulg./tftó«rtfA«a^
arum) deser werelt ende des rijcdoems bednclkcici
doeden dat woert, Ht. 71, MaUh. 13, 21
2) Van bedrucken in den zin van onderdnÜÊt
(2a). Verdrukking, /i;V«». || Niet allene sgiiYiW*
van hope, mer oec in die bedmclichedeo, &
75, ƒ. Ic.
BEDRUCTHEIT (bedrlciieit), znw. \T.ïii.
bedruckheit. Vgl. BEDRUCKEN 2«). Ferirühti
nood. II So selgi in dat lant daer ic u breB<;«iKi
wesen mit rusten sonder bedmctheit , B. r. ISS
ö4rf. En es nicmen . . die sgns selfs vleesck k^
oft in bedructheiden latet, Doet. II, 1758, De
sal syn ene grote yammergheit ende b*dniktki
in ertrike, L. v. J. c. 196. Daer af dat dicwik
goeden gemackeliken lieden vele bedmchedaoi^
overlast gesciet, Belg. Mtu. 5, 94.
2) Droefenis, smart. Vgl. BEDRUCKEN Siyl»
hi . . tot sinen jongheren quam , vant hise sUfat?
van bedructheiden , Ms. 71 , Ltic. 22 , 45.
BEDRÜPEN , st. WW. o. — 1) In beteekenis vS^
aan het stamww. druipen. \\ Si en sgnniet^tö
nat, die men mit enen water beghiet: èkf^
bedrupet ende dander niet, MLo^ IV, 1320. Tr
„Die een en bedmypt die ander niet."
2) Op iets druipen, het bedruipen, doofrirvftf^
nat maken. || Van wat houts, dat vercoft vsib^
Haghe hout , omdattet die stoven van den Wt^
dat ghebesicht was ter feeste , niet bednpa ^
sonde, Bsk. d. Or. 2, 8.
BEDRUST, BEDRÜUST. Zie BEDRCtsca.
BEDRÜSTELIKE. Zie bedruustelike.
BEDRUÜSCH (bedruysch), xnw. m.InTonn
beteekenis samenhangende met druu*t (xie ali '
met ons znw. gedruisch. De grondbeteekenis i$ Wf
druisch, dat door eene snelle beweging ontstti-^
de verschillende opvattingen van bedmn^ck *J^
liï die van gedruisch óf die van sneükeid, w^
meer op den voorgrond.
1) Het door eene snelle, vooral draaiesdr.*
weging ontstaande geraas , vooral het snorrea a
een rad, wiel enz. || Tgheluyt vanden bedrast^
(/. bedmssche) des wiels, D. B. ^aèmm ^.'•
Dijnre vianden ziele salmen omme daiyen {L èjv^
als int bedmussche ende die omdraijnge Taif£>
slinghere, I Sam. 25, 29.
2) ledere snelle, ook draaiende bewegia^. ■*
zonder dat daardoor geraas veroorzaakt w^ *>
669
BEDft.
BEDÜ,
670
de meeste geyallen beantwoordt bedruu^cA aan het
Lat. mpetut.
a) Vaart ^ snelheid ^(yMtuimigheid^ grimmigheid'. \\
Dit paert overreet met bedruscbe (= Tnetter druust)
Heliodornm daer neder , II Machab. 3 , 26. Hi liep
te hem in den bedruscbe sijnre starcheit, in de
grimmigheid zijner kracht^ Ban. 8, 6. Si worden
bedorven in den bedninscb der gramscap, Ecclesiast.
45, 23. Wie mach bedrieghen eens geests bedrusch ?
Proverb. 27, 4. Also en sal gheen vresende herte
in des sots ghepensen niet wederstaen teghen dat
bedmnsch van vresen , Ecclesiast. 22, 19. Si sfjn alle
ghekeert tot haren loep, als een paert dat mit
bedruscbe gaet ten stride waert, Jerem. 8,6. Hier
by (bij den luipaard) wert Alexander beteykent
om zijn groote bedruusch, Hs. v. 1421, 1046.
— Ook in den vorm bedruust. || Die coninc
sach dat si met bedruuste {cum impetu) souden
vallen in hem ontzindelike , Hs. v. 1348, 996.
b) Aandrang^ aanval. \\ Hi dode achte hondert
man mit enen bedruyssche, uno impetu^ II Sam,
23, 8. Si maecten eenpaerlic een bedruysch in hem
ende sy worpen uter stadt. Pass. W. 86t? (ISSd).
3) Vooral in gebruik van alle geweldige natuur-
verschijnselen.
a) Van een geweldigen taind, een werveltoind. \\
Dat quam van eenen bedruusche ende van eens
wints ghemussche, dat die kyel also verspranc.
Brand. 1307. In sekerheit ende in verberghen van
den bedruyssche ende van den regen, D. B. Jes.
4, 6. Ghelike dat die bedrussche van Affriken
waert coemen, 21, 1. Der vromen gheest was als
een bedruscbe, bestotende die want, 25, 4. Siet
die Here sal comen in enen vyere, ende als een
bedruyssche sine wagben, 66, 16. Dat bedruysche
van tempeeste, 5 , 28. Hi sal di ommewerpen inden
bedrusche , Xcelesiast. 11, 10. Hi salse deilen als een
bedruusch van winde, Boec. d. ïVijsh. 6, 16.
Sich, een vint van bedruysche {ventus turbinis)
quam van noerden, Ezech. 1, 4.
b) Van een onweder. \\ Het gesciede doe die Here
Heiyam opheffen wilde bi bedruyssche in den
hemel, Il Kon. 2, 1. Ende Helyas voeropmitten
bedruyssche in den hemel, aÜ. 11. Die Here
antwoerde Job uut enen bedruscbe, Job 38, 1.
Die ontfanghen waerste inden bedrusche ende inden
waghen met vierighen paerden, Ecclesiast. 48, 9.
Helyas die inden bedrusche bediet is , al4. 13.
c) Yan eene hagelbui. \\ Als dat bedrusche eens
hagels, Jes, 28, 2. — Meermalen wordt bedruusch
in onze vertaling door vloed wedergegoven , b. v.
op de boven oangeh. plaatsen , Jes, 4 , 6 en 25 , 4.
BEDRUUST. Zie het vorige Art.
BEDRUUSTELIKE (bedrustelike), bijw. Ület
aandrang \ lat. impetuose. \\ Doe die scarenquamen
bedmsteleke te Jhesum dat si souden horen dat
vroort Gods, Hs. v. 1348, 165a (X»c. 6, 1: „als de
ichare op hem aandrong^^).
BEDUCHTEN (bedochten) , zw. ww. bedr. en
ivederk.
Bedr. — Vreezen^ duchten, beducht zijn voor. ||
Den cost beduchte hi zeere , Brab. T. VII , 8576. —
tfeestal verbonden met een afh. zin met dat of
*ƒ' II Soe bedochte men sere, dat die bisscop metten
lertoghe van Gloucestre verbont hadde moghen
naken, Brab. Y. YII, 14761. Beduchtende, dat si hem
rerliesen souden , Exc. Cron. 20 c. Beduchtende ,
»f hem God alle sQn souden niet vergeven en hadt ,
lid. 23 b. So en wouden si {de moordenaars) se
liet laten, beduchtende, dat si se melden soude,
\ld. S6 c. De ghene, die ter misse diende, beduchte
dat die werdige man . . . sinen geest opgeven
soude, ald. 38 a. Beduchtende , dat sijn swaert onder
der Sarasinen handen soude comen , ald. 82 b. Sijn
vader, beduchtende, dat sijn rijck bi hem mocht
verdorven werden, so vinck hi hem ende deden
blinden , ald. 88 c. In denwelken te beduchten is ,
datter die meeste rechtveerdicheyt altoes niet in
aengesien en wordt, V. d. WaU 1, 489 (a. 1424).
Zoo ook Invent. v. Brugge 6, 309.
"Wederk. — Vreezen, duchten. Vgl. het mul. hem
vresen, het mnd. sich bevruchten en het hd. sichfürch-
ten. Met den 2den nv. der zaak, het voorz. van of voor,
of een afh. zin. || Nu beduchtic mi wel sere , dat die
coninc iet weet van der minnen, Lanc. lY, 4286. Grave
Lodewijc die hem beduchte voer skeisers macht,
Brab. Y. YI, 1216. Daer na heeft hem her Jan beducht,
ende vreesde hem openbare, dat hi niet mechtich
genoech en ware, dat hi Yucht behouden mocht,
7660. Soe beduchte hi hem der onvrame, als die
twee hope te gader quamen, 9993. Soe beduchte
hi hem, dat na de doot van Yrou Johannen . . .
sinen kindren stoot ghevallen mochte, 11368. Die
amman beduchte hem boude , dats hem die ruwaert
storen soude, 11583. Bovendien beduchte hi hem,
dat dinghelsce met Yrouwe Jacoppen souden trecken
altehant in Hollant, YII, 14853. Dat zy hem
beduchten , dat zy . . . belast sullen werdden, Inform.
240. Wanneer eenich van den poortren ende inwoenen-
den der zelve stede hem beduchtende es van eenich
van den andren daer binnen woenende, Cannaert 369.
BEDÜCHTICH, bnw. Omzichtig, behoedzaam. \\
Wes beduchtich waer du gaeste ende weest in
vreesen, Bial. Creat. 86 «.
BEDUDEN , BEDUDENISSE , BEDUDEB ,
BEDUDINGHE. Zie bedieden enz.
BEDÜEBWERKEN, zw. ww. bedr., andere vorm
YOOT borduurwerken , ^nd. bedurwerken. Borduren ||
Yan haren vader soe heeft hi ontfanghen een costelijck
cleet beduerwerct totten voeten toe lanck , Oesta R.
f. 1 d. Met een gouden beduerwerct cleet behanghen ,
232 d. (Die clederen) schenen ghebreydet ofte be-
duerwercket te wesen, Bienb. 166 c. (Hi) lietse
{de spreuk) beduerwercken in sinen hantdwelen, 128/9.
BEDULLEN, zw. ww. bedr. Yan dul in den
zin van dwaas (zie ald.). Iemands hoofd op hol
brengen, hem misleiden, \\ Sint quam een in der
ghebare, of hi keiser Yrederic ware tote Nusen,
ende dede daer cont, dat hi kevser waer tier
stout ende beduide dus de liede, Stoke III, 776.
BEDUNKEN (hem-), andere vorm voor hem
bedinken , in de hedendaagsche beteekenis. Zich be-
denken. II Ghy gheeft donnosel, erme, zemple,aen
u twyfelinge quaet exemple: bedunct u wel, wat
hebdy voren? Sacr. 479.
BEDÜREN, andere vorm voor borduren. \\ Sijn
alder waerdichste vel dat met slaghen , stoten ende
wonden als beduert, veelrehande vorwe ghehadt
heeft, Qest, R,f.2d. Om Jhesus coevel te beduren,
Hermans, Gesch. d. R. 188.
BEDURSTE. Zie bedorste.
BEDURSTELIEE. Zie bedorstelike.
BEDURTE. Zie bedorte.
BEDURYEN. Zie bederven en bedorven.
BEDUUS, samengetrokken vorm van bede huus^
Rijmb. 22391.
BEDÜ YEN {bedoof, bedoven; bedoven), at. ww.
bedr. Ags. bedüfan, immergere; mnd. beduven»
Indompelen, in het water dompelen. Alleen voor-
komende in het verl. deelw. bedoven, ingedom-
peld. In de 17de Eeuw nog veelvuldig in gebruik ,
sie VitUgk, Wdb, op Hooft, en Wdb. c>pBrederoo.
6l\
BEDÜ.
BEDÜ.
m
alsook Oudem. 1, 370. ||Hy neyghede hem totten
slijcke . . , mer hi en wert daer niet in bedoven ,
Bern. W. 63 b. Ende ligghen al bloet int water
al bedoven om der groter betten wille , Mandev. 40 d.
Overmits dat ... de landen metten water bedooft
(/. bedoven) ende versmacht zyn geweest, Enq, 10.
BEDÜWEN, zw. WW. bedr. In beteekenis gelijk
aan het meer gewone bedrucken (zie ald.). Enen — ,
iemand verdrukken^ in het nauw brengen^ bedwingen. ||
In bem beduwet nu te tiden; die Philistienen
willen up mi striden , ende God antwoord mi altoos
niet, Rijmb. 9691. Met worden dat ment (de
slang) oec so beduwet ende metter name oec mede
van Gode, datteten (den tfeen) spuwet, Nat. BI.
VI, 492.
2) Iet — , iett onderdrukken , overwinnen (vgl. ver-
duwen). II (Dat) men de condege hovaerde beduwe
met groter onwaerde ende men de logene versteke ,
Franc. 2913.
BEDVAERDE (?). || Wat zieke die bevonden wort,
dat hy achterhoudt testamente , of eeneghe almoesene
of bedvaerde te commene in profiit van den aermen
levene , Cout. v. Brugge 1 , 372. Is misschien de
bedoeling bedevoer de ^ en bet. dit dat y^het geld^
dat men aan de armen geeft tot afkoop van eene
bedevaart''^
BEDWAEN, onreg. ww. bedr. {bedwoech^ be-
dweghen of bedwagen). Van dwaen (zie ald.). Be-
wattcAen^ wastchen^ reinigen. \\ Met sinen ghe-
benediden bloede bedweghen, Èumb. Av. 24.
BEDWANGELIKE, bij w. Van bedwanc{z{QtXA.).
Hetzelfde als bi bedwange (zie bedwang 1 a).
Gedwongen^ ongaarne^ uit dwang. \\ Versorghet se
niet bedwanghelic mer willichlic, Mt. Ib^ I Petr. '
6, 2 {Hs. N. T. 84 r: Voedet dat cudde Gods
niet bedwanghelyc, mar willichiyc).
BEDWANG, znw. Mnd. bedwank \ m\ïdi. befwanc ^
bezwanc.
1) Dwang y noodzaak. — a) Dwang ^ die ons door
iemand of ieti buiten ons wordt opgelegd. \\ Tors
daer hi op was gheseten, stac hi met sporen ende
het spranc lichtelijc; het dede bedwanc, Segh.
1904. Of door bedwanc , of door ghifte of door
vrienscap waren si hem hout, Fartk. 6856. Der
heren macht ende hoer ontsien, dats een oerbaerlijc
bedwanc, Hild. 246, 8. Hier uut desen bed wanghe,
uit den dwang dien mijn onderwerp mij aandoet ^
willic mi met crachte breken , ende wille van hare
een luttel spreken , die ie voer al die werelt minne,
Vr. Heim. 228. So dat hi . . . om bedwanc van
enigher minne, anders yet kere sine zinne dan
hem oorbaer ende eerlijc si, Ltp. III, 20, 26. Om
gheen bedwanc , om geen berouwen en wildi sceden
van onser vrouwen, Sp.V^ll ^ 53. Dat hi {de zondaar)
hem bekeert aen sinen danc, ende wort behouden
int bedwanc. Nat. BI. V, 1028. Emmer duncket
mi sljn bedwanc , Vad. Mus. 1 , 348 , 36. Hy moeste
vallen doer bedwanc, Troyen 4525. Om te wetene
die heimelicheden met bedwange ende met beden,
Sp. I*, 5, 37. Ist dat gijt doet , so sal men seggen,
dat bedwang dede , gij en dorstet niet laten , Heemsk.
92. Dye grave als een arm slap mensche overmidts
bedwanck quam ter ghenaden des conincx, Exc.
dron. 118 c. Dat hem de noot ende bedwanc gheleert
hadde enen andren ganc, Stoke III, 277. Een dief,
die leghet ghepijnt in bande , al 1^ t hijt , dat doet
bedwanc, Doet. 2094. — Bi (van) bedwanghe,
gedwongen ^ genoodzaakt ^ tegen zijn zin, tegen ml en
d4tnk. II Wi en wordenre {de vijanden) nemmermere
quite, en si bi bedwanghe, JAmb. VI, 2214. Tseste
aat men houdt langhe ende node gheve , en si bi be-
dwanghe, Fad. Mus. 1, 372, 13. Ay licen, God
moet beteren , dat ie hier bi bedwanck moet sji
die Kerckerier , Uitge v. Bord. 25. — Ook inieL
zin , door dwang , met dwang , mei geveld. || Dier
waren noch meer heren , die bi bedwange wilda
Gheraert een heere maken van fionrdeu, 71
Gheen orloge aenveerde hi dan bi bediuge,
Exe. Cron. 4c6b. Doe ik sat, wiert er ^biiehtea
schaekspel, en moest bg bedwang spelen, £ii»(i
40. Dat hij van bedwanghe scheyden mo^ ittr
stat, Fass. W. 653. — Sonder bedwanc, rry-
willig^ uit eigen beweging, do(fr geen ^anf of tieadi
gebonden. || Omdat hi swoer mgns heren i^
sonder bedwanc ofte noot, ^/>^. 1186. Diekeil^
leidemen up enen waghen ende lietse den bee^
dragen , daer si wilden sonder bedwanc, S^
IV', 31, 63. Wat huysen dat die dakea iS-
gekeurt worden of die yement selve ran nsfef
dede verdecken sonder bedwanc, £tfü2.£»ri. iSi,
18. So sal ons die amirael moeten sonder be-
dwanck opgheven alle zijn lant, Huge r. BeriSi
— Aanm. Ook Hor. 2S5S heeft het Hs. de» tó-
drukking , in de uitgave verbeterd in toneer m»
danc.
b) De dwang , dien men ziek zêlven opk§t, m-
togenheid^ zelf beheer sehing. \\ Overaet ende ötis^
dranck, luxurie sonder gproet bedwanck . . dits^
al punten ende saken, dieseldentotterondenko,
Hild. 69, 125. Ie prise bet vrie armoede &
scalc bedwanc mit groten goede ; ten es so fsd
silver noch gout, als te leven buten alle «m
Spreuken 35 (vgl. Fad. Mtês. 2, 177, 23, wiirtó
het woord scalc hier ingevoegd is).
c) in de min of meer verzwakte betcekenU «
drang, aandrang, staat bedwanc, Rijmb. 4991: .'
Doe die liede beneden saghen , dat Hoyses ^
verdaghen upten berch so lange , spraken si ^
met bedwange tote Aaron ende si seiden: Jb:
ons Gode die ons gheleiden."
2) Nood, druk, kommer, zorg , droefheid. \\ Bi8^
seghet, dat die kemel langhe gedinct der sbfb
in sinen bedwanghe , tenacem hahent memom»^
rum, Nat. BI. II, 588.Van hare minne hebbic sofwü
bedwanc , dat ie dor haren wille moet vircn di^.
Flor. 1907. In die voerhelle, daer si langhe wiwiii
groten bedwanghe , Lsp. 1,37, 107. Daer hi meèm
siere qualen sonde comen huten bedwange, daffk
in hadde gheleghen langhe , Amand H , Ti^
Dus leefden si in soeten rouwe , in soetea ^
dwanghe, Fl<n'. 344. Dat sine dede letei »
groten bedwanghe, 525. Ie ben in groten ^
ende in bedwanghe, Trogen 3230. Dicke sysi
groten vare , in suchten , in carmen , in bcdwasf^-
3500. Soudic bliven soe langhe, soe wariciö«9
bedwanghe, Limb. III, 1029. Hi lach langbei
onmacht, in swaren bedwanghe. Wal. 9971. ï>*
hi also langhe leven; hi sal hebben een i^
bedwanc, een harden dobbel hebben. Wal <4*
L. o. H. 99; enz. — Het es bedwanc, W<
treurig, ellendig. \\ O wach, seithi, dits bedwff
dat mijn herte is so seere partien {wederslff^
in strijd) teghen mijn sin, Segh. 2302.
3) Overheersching , macht, heerechetppij (VffLif
DWINGEN 2a). — a) Eigenlyk. jj Wie de p»^
waren, de Hollant in haren jaren hadden «*
haer bedwanc, Stoke I, 6. Die Here des ^rdfl
sal met Hem pays bringhen over al met 9»
godliken bedwanghe. Wrake I, 17S4. (f«!?^
maecte in den selven oerloghe alle die Trwsfl
onderdaen den Vrancschen rike . . ; dits d«ff*
bedwanc , . . daer dat Vrieslant ye in quam , Bfi^ '
673
BEDW.
BEDW.
674
I, 704 (yerg. ^. III', 49, 45). Die tos, die sere
was bilde dat mijn her Walewein . . es comen . .
nten bedwanghe yan den hertoghe, diene langhe
hadde ghepijnt, W^al. 10879. Hl gheloefde dat na
de staten die saken niet vaste en mochten staen,
sine moesten bedwanc ontfaen, ende een hooft
hebben, Amand I, 4975. Al hebdi macht of groet
bedwanc, Hild. 156, 84. Die man heeft al in s^n
bedwanc deser werelt ommeganc, Teest. 2812.
Waendi ons hebben in n bedwanc? Rijmb. 33832
var. Yro was al tfolc, dat si gheqnijt waren van
eens quaets wijfs bedwange , Aéi bewind van AiAalia,
13651. Dns salie breken dit bedwanc van Babylonien,
14871, Zoo ook 12963, 19568, 1401, 7242,7324;
Parik. 5817, 6077; Wal. 3286; Mex. IX, 1170,
1250, 1299; i2^». 1,1845; Lanc. II, 42828;%^.
2850; ettz. — Ook in den zin van vrije betchikkmg,
II (Si) abandonneerden dat al ten bedwanghe van
allen heeren ende rechteren, Invent, r. Brugge
2, 276.
b) Bij uitbreiding. Macht., geweld, \\ Oec so
lesen wi van hem ditte , dat hi wan te sinen doene
met sinen sweer Pharaoene met bedwange groter
ghediet bnten lande van Israël, JUjmb. 11895.
— Bedwanc doen, geweld aandoen^ tchade toe-
krengen. \\ Ghiericheit van aertschen goede en dede
hoer {de ere) nerghent gheen bedwanc , Hild. 171 , 18.
e) Figuurlijk. Macht .^ invloed. \\ Teerst dat hi
hoorde der vogle sanc , hi ghewan daer af so groot be-
iwanc, dat hi hem ghere minnen daer naer ne
dnderwant, Flor. 1014. Desen riddere en ware
liet selke subtijlheit gesciet . ., en hadden niet
^eleit daer toe bedwanc van minnen, Lanc. II,
^3098. Die IQ f ende goet bi hem sonden wagen,
!n lieten sijt niet door n bedwanc, ^m. 11,5107.
üoeder, . . . dat ghi mi droecht, dies hebt ondanc,
ode ghi mi hadt in jon bedwanc. Wal. 4812.
4) Yan bedwingen in den zin van besluiten.,
naUnten (vgl. Oudem. 1, 374) is in het Mnl. in
rebmik de nitdrnkking in sijn (ha er) be-
iwanc hebben, d. i. in snchbesluiUn^ bevatten. \\
Vat 80 die aerde in hare bedwanc hevet, dat
"art hem onderdaen, Alex. X, 1082. — Vandaar
at bedwanc de beteekenis aanneemt van inhoud,
9t geheel van, de duur van. \\ Daer eest dach al
ten somer lanc, ende nacht dies winters bedwanc
tn geheelen winter door, Alex. VII, 1779. Daer
ZB menech mager ende cranc, dat dede hem des
Brkers bedwanc, dat kwam door hunne langdurige
wangenechap, Lanc. III, 17362.
BEDWELLEN, zw. ww. bedr.
1) Eigeniyk. letnand van zijne bezinning berooven,
m buiten zich zelven brengen, bedwelmen, hem zijn
wustzijn doen verliezen. \\ Si waren alle daer in
me , dat hi . . . hadde des duvels name , diese
er alsoe bed welde ende onder die voete velde,
me. II, 45096. Die coninc rike lach bedwelt,
ie wiste hoe , lAmb. V, 1578. Dus so sullen wise
Iwellen . . ; dus en sullen si niet gevroeden,
t si horen ofte sien, Sp. MV, 8, 36.
2) Fi^urlijk. Misleiden, van het spoor brengen,
leiden, begoochelen. || Deen es die viant uter
len , die pinet hoe hi dl bedwelle , ende hoe hi
met sinen strecken van goeden ghewerke moghe
(^ken, Botte v. Sed. 139. Hy donct my sotter dan
1 kint, laet hi den bosen hem bed wellen, Hild.
), 16. Na heeft der ghiericheit ghewelt dieclesi
ereerflt bedwelt, 210, 299. De werelt enten
it feilen die pijnden hoe si ons bedwellen mochten
aer neder vellen , Z. en Lich. 122 {Belg, Mus. 2,
.Si hebben doet geslegen papen, moenke,clerke
ende knapen ende capellen mede gevelt , aldus hadse
die viant bedwelt, Lanc. III, 9017. Sy (Circe)
waende my also bedwellen , Troyen %20. Vrient ,
ne laet jou niet bedwellen den groten duvel uter
helle. Wal. 3955. — Ook wederk. gebruikt. || Eest
al ghewonnen, dat men telt daer die ziele haer
in bedwelt, waarmede de ziel zich zelve ten ver-
derve voert ,^' daer si met comt in dat torment ? . .
neent, her scalc, diet wel bekent, Sc. en Cl. 55.
BEDWELM, znw. onz.; de als znw. gebruikte
stam van het werkwoord bedwelmen. Zie ald.
en verg. bedwellen 1). Van het lichaam gezegd.
Flauwte, bedwelming. \\ (Hi) slouch Woulter op den
helm, dat hy viel in een bedwelm, ende was van
den slaege in dole, Qrimb, I, 4497 var. (Hi)
sloughen boven opten helm, dat hi bleef in een
bedwelm , ende bleef in onmacht int gereide, Limb,
V, 1501. Vgl. de Nederrjjnsche bewerking ald,
dl. 2 , bl. 126 : „ (He) gaff Demophon eynen slach
up dat houft dat he en onmacht lach ende (/. in)
sijnen sadel eyn {l. in) groes bedwelm."
BEDWELMEN, zw. ww. bedr. In beteekenis
gelijk aan bedwellen (zie ald.). Verbijsteren, van
zijne bezinning berooven. Kil.: p^^kj, bedwelmen,
opprimere, aggravare. || Die (duvele) doen ons
tsnachts torment, ende bedwelmen soe onsen sin,
dat wire cume bliven in, Lucid. 591. — O VI. Lied,
en O. 521, 86 wordt van de liefde gezegd:
„ Hooren ende zien , die beede zijn sake van desen
bedwelemden ongemake", d. i. van deze treurige
omstandigheid, waarin men buiten zich zelven^
verbijsterd van zinnen is.
BEDWELMTHEIT, znw. vr. Van den geest
gezegd. Zinsverbijstering, zinsbegoocheling. Yg\, be-
dwellen, 2). II Ons heere . . . brochten uter be-
dwellemthede , ende seide hem die bedrieghelichede
van den viant, Denkm. 3, 219, 68.
BEDWINEN, st. ww. onz. Verdmjnen, te niet
gaan, \\ Ydel es die gode dient, ende alse enebe-
dervenesse bedwinese, Hs. v, 1348, 261b,
BEDWINGEN, st. ww. bedr. (bedwanc, be-
dwongen, bedwongen)', mnd. bedwingen; mhd. be-
twingen.
1) Dwingen, noodzaken. \\ Dat niemen bedwongen
en si Kerstijn sacrament tontfane , maer sijns dancs
come elc daer ane, Sp, II*, 22, 348. Men mach
die vrouwen niet bedwinghen, nader manne wille
te singhen, MLoep 1 2535. Dat wi . . daden
. . bedwinghen eiken, dat hi betaelde, Brab. T.
Dl. 2, bl. 581 {a. 1361). Om te bedwingene, dat
hi ende sijn goet weder inne comen in de stad,
ald. bl. 582. Gwy was bedwonghen hare te nemene
tot eenen wive , Cron. v. Vlaend, 1 , 138. Si be-
dwonghense achter te deysen ende maecten se
vluchtich, Troyen ?b. 16b. Der Joden knechte,
dien . . cmusten ende doden, die daer toe be-
dwonghen waren van haren oversten, Ruusb. 5,
234. So zullen wi die ghene bedwinghen , ghenoech
daer voer te doen, V. d. Wall 27 (a. 1252).
Bi haren ghebede ben ie nu van den vegevier
verlost ende ben bedwonghen totten levene weder
te keeren, Exc. Cron. SSd. Pippijn bedwanc hem
al weder te keeren, dat hi der kercken van Rome
af had ghenomen, 64c. Die schuldenere mit . .
strencheit . . to vervolgen ofte to bedwijngen tot
betalinge, Nflb. 5, 193 (ö. 1486) Due bedwongense
Symone, dat hit {het kruis) dragen muste, Limb.
Serm. 1 69i. — Het verl. deelw. bedwongen wordt
ook als bnw. gebruikt in den zin van gedwongen, onvrij-
willig' II Bedwonghen vrient . . noytwel ghetrouween
vrtiA jioct. n . 1085. Bedwonghene trouwe en diedet
€75
BEDW.
BEED.
676
niet, Bein, 1 , 3162 (zie TijdseAr. 1 , 28). Bedwongene
eden en daden niet, Rein, II, 3209. Bedwongben
kersten en was noit goet , L»p, 1 , 48 , 148 (II , 45 ,
50). Bedwongben minne en was noit claer , III , 2 ,
152. Gbecocht ende bedwongben minne es ongbe-
duericb in eiken sinne. Vrouw, en M. 1, 769.
Yerbolgben ofte bedwongen eeden sijn yan geender
weerden, Heemst. 17. Den bedwongben dienste en
bebagbet Gode niet, „nibil illi eoacta placent
serritia," Rnnsb. 3, 36. — Bedwongbene
dinc, dwang. \\ Dattie werelt merken sonde . . .
dat bi {Jestu) anginc die doot sonder bedwongene
dinc, Sp, I', 22, 8. — De onb. wfls als znw.
gebruikt. Dwang. \\ Sone mocbte si bi gbene listen
tswijfs berte daer toe bringen no met cracbte, no
met bedwingen, Bote bl. 249, vs. 3.
2) Beheertchen , overheenchen , overweldigen^ onder-
werpen.
a) Eigeniyk. || Hij badde Yranckrike, dat b(j
mocbte bedwinghen , ende daer toe al Lutteringben ,
Serv. II , 1057. In dien tiden . . . waren bedwongen
die vijf steden van Sodoma met mogbentbeden onder
enen coninc alle Yive, Rijmb. 1588. Onder dine
moegbentbede moet tfolc sQn bedwongen sere,
2376. Als ander bedwongbene man , badden {de
Friezen) naer twee bondert jaer lantsheren, Stoke
I, 538. — Ook met toevoeging van ane hem,
aan zich onderwerpen. \\ Alse Artnr badde an bem
bedwongen alle die liede ende alle die tongen,
Sp. III*, 50, 1. Hoe dat bi ane bem bedwanc . .
al Gallen tote Nerbone, III*, 54, 43. Als Grave
Florens Yrieslant bedwongen bevet, Grave Gbye
van Vlaenderen voer over om Walcheren an bem
te bedwingen, Mattb. Anal. 3, 177. — Vandaar de
uitdr.: bedwongben bebben, in zijne macht
hebben^ in bedwang houden. \\ Bondene wan Arnonde
den jongen, die badde Vlaenderen bedwongen
XXI jaer metten swaerde, Sp. III», 89, 105. Die
viant badde bem soe bedwongben, dat bi Gods al
vergat, Theoph. 386. Qnade tonghe(n), die goede
lieden bebben bedwongben , 315. Maer .die vroede
beeft talier stond sine tongbe bedwongben in sinen
mond, Amand I, 2787.
b) Fignnriyk. In bet passief. Door eene ziekte^ een
hartstocht beheerscht worden. || Mennoen die sere
was bedwongben van goeder minnen, bi boerder
na, Troyen 3226. Dus beeftse magerbeit . . . so
bedwongen in allen sinne, dat enz.^ Rosé 9566.
Die van drogben boeste es bedwongben, Nat. Bl.
X, 530.
3) Met bet voorz. van verbonden. Verhinderen
verder te gaan met^ terugbrengen van. \\ Omdatten
Bernaerdus wonde bekeren ende van s^nre on-
wetenbeit bedwinghen, Ned. Proza 278.
BEDWING, znw. onz. Eig. stam van bet ww.
bedwingen. Dwang ^ geweld (vgl. bedwingen 1). || Al
dede hem redene een bedwinc met pronven, ende
soe aen gbinc, en es hem niet gbenouch, Wap.
Rog. 537.
BEDWONGELIJC, bnw. Slechts in de uitdr. be-
dwongelike noot, van zieken gezegd. Kommer-
volle, treurige toestand; vgl. BEDWANG 2). || Daer
sy {de arme zieken) licgben in haren bedwoongeliken
noot, Invent. v. Brugge 6, 350.
BEDWONGEN. Zie bedwingen.
BEE, BEEDE. Andere vorm voor beide {Sacr.
1310; Bloeml. 3, 15 , 258 ; J?^i^. i/i«. 9 , 146 ; e. e.).
BEËBBET (behebbet), bnw., eig. deelw. van
bet WW. beëbben. Door den eb overvallen. || Eer si
{de walvisschen) III jaer overgaen , salmense bebben ,
men moetse vaen , en waer dat si behebben (/. be-
hebbet) waren in tondiepe ende so bevtren , Ifei. Bl.
V, 247 var.
BEEDE. Zie beide.
BEEDJAEN (mv. beedfanen), znw. m. Van fir.
béjaune (d. i. öec jaune). Eig. een jonge vogel
(met nog gelen snavel), en bg uitbr. nieuweling ki
het een of ander vak^ leerknaap (vgl. bd. gelh-
schnabel en ons nestkuiken). \\ Van den ontfanghere
van den beedjanen , Invent. v. Brugge 6 , 400. Mids
dat de stede ghehouden was de maeltgt van den
beedjaen (/.beedjanen) uut te reedene, oi^. Ygl.
bet Gloss. 246. — In sommige gilden werden
mael tiden van beianyen of beianienfeesten gegeven,
waarover zie ald. gloss. 592 b.
BEËGENEN, behegenen. Zie beeigenen.
BEEIGENEN? zw. ww. bedr. Aan eene samen-
stelling met b e g e n e n (zie ald.) , d. i. opsieren , »
orde maken , kan op de eenige plaats , waar het woord
voorkomt, niet worden gedacht. |i Ie dnchte hem
menich zal tachter stellen met al dese taveemenin
diveersche plaetsen , ooc salt behegbónen deghnene
die maetsen of decken , al waeren se noch so scalc,
ZVl. Bijdr. 5, 317, 89. — Moet men bet woord ook
opvatten als beé{i)genen^ in den zin van makendais^
hun eigendom verliezen , hun geld en goed kwijtraken ?
Mnd. beégenen en mbd. beeigenen bebben de bet vu
„gericbtlich als eigentum überweisen." Dit begrip
is een volkomen logisch gevolg van de vele kroegen,
die volgens Enich overal nit den grond oprgzen.
BEEKE. Zie baken.
BEELDE, znw. vr. Eene plant, thans bike g^
naamd; vgl. mnd. billensdt en billemwortelen. Orer
de afleiding van bilse vgl. Grimm, D. Wtb. 3, 30.
De hyoscyamus niger, btlze. || Jusquiami es sere
cout; an ouden hofsteden, als iet vant, wutet
vele hier int lant; groene ist met ere blonker
bloeme ; ie waen , ment in Dietsche b e e 1 d e noemt,
Nat. Bl. X, 289. De Varr. hebben belie^ behu.-
Afl. beeldensaet (zie ald.).
BEELDE (bilde, beilde), znw. m., vr., en
onz. Het gewone geslacht was evenwel het oni.
Mnd. belde ; mbd. bilde ; bd. bild. Over den oorsprong
zie Kluge, Etym. Wtb. i. v.
1) Beeld, gewrocht der beeldende kunst. || Beildea
sach icker an ghehauwen van rechter coasta,
OVl. Lied. e. G. 459 , 83 ; e. e. — Vr. gebruikt D. B.
Dan. 2, 34: Hi sloecb die heelde aen die roet,
die yseren ende aerden waren; 3, 5: Soe nlt
neder ende aenbeet die gulden heelde ;a^.,3oM'^
Wijsh. 15, 5: Hi mint ene gbellkenesse eenre doder
heelde sonder ziele; Jes. 40, 20: Hij sochte boe
bi gesetten mach die heelde , dat si niet verport ei
worde. — Dan. 3 , 5 : „ Aenbeden den gulden ifelii^
kan het woord m. gebruikt zijn, doch het is ook
mogelijk , dat de dat. van het onz. woord is bedoeld.
— Verklw. beeldekijn, *tf^^>. || Datbeeldekfi
sprac, daert menich horde, Sp. I*, 56, 143. Dw
braect van sinen brode een aeel ende boot dia
beeldekine . . ; dat beeldekyn begonde weder spelei
jegben dat kindekijn, 71, 8. Hi maecte beeldekise,
die ghingen, Rijmb. 2761. II beeldekine hirdt
cleene, 3590.
2^ Bg uitbreiding. Gestalte, gedaante. Yan^MU^
uitdrukking vrouwenbeelt, d.i. vrouw.Ygl. hd.fretf*-
bild, weibsbild, hetzelfde slIb frauenziwÊmer. \\ ^
quamen al bi een galgen veld , daer aen hinc menk^
vrouwenbeeld, OVl. Lied. 118. — Vandaar d«t
beelde elliptisch voor vrouw wordt gebruikt, ■«•'
alleen in Hoogduitsch-gekleurde schriften, <■
meestal in den vorm beilde. || O lieve, siete,
waerde vrouwen, laet die minlike oghen schoiwcit
ö77
BEEL.
BEEL.
678
O Balighe wonnentlike beelden! MLoep II, 4129.
Die yammerscrey die sy daer teelde, dat zuete
lieflike beelde, 354. Sullen wy . . niet eer ende
doechde bewisen allen wijfliken beelden? 3508.
Toocht mir ghenaden, beilde zoet, OVl. Lied. e. O.
98, 15. Totem so sprac dat beilde zoet, 107, 5.
Ie p-oete dat wivelic beilde goet, 107, 13. Ghef
mi, minlic beilde zoet dijn hertze, 133, 1. Doe
sprac dat wivelike beilde, 134, 9. Een wijflic
beild mi so behaecht, 141, 8. Lijflic beilde,
speghel claer, mijn cracht es jeghen dijn begaer,
168, 11. Soeter beilde en leeft neghein, vul
duechden es haer edel lijf, 198, 2. Du best mijn
beilde, daer ie om queilde, 382, 53. MQn uut-
vercorne, lieflic beilde, 435, 197.
3) Foorbeeld (in hoogduitsch-gekleurde geschrif-
ten). || Daer omme, mensche, nem des ware, oft
dn heefs versundet zware , . . dattn ne gheen bose
beelde en geves, Tien PI. 1092. En gheeft
gheen beelde ende vliet dien, daer men quaet
beelde aen mach sien der sunden ende der mis-
daet, 1104. Dat zi oec den luden mit goeden
beelden der werke ende mit nutten woerden dat
bewaren, dat God mit hem si, B. Orde 284.
Dat si niet mit horen bose» beelden ... die lude
van Goeds offere . . wedertien , 219. Hi hevet ons
oec beelde der ghehoersamheit ghegheven , want
hi sinen vader ghehoersam was want (d. i. tol)
in den doet, 215. Zoo ook 247. Die oec sinen
evenkerslen ergert met bosen bilde, Limb. Serm.
536. Also dat se gut bilde ane ons nemen ende
Gode ane ons loven , 28 d. Zie ook 27 a , bij
BEELDEN.
BEELDEGRAVER, znw. m. Van beeldt, d. i.
beeld^ en graven in den zin van graveeren (zie ald.).
Graveur. \\ Die maelres, dye scrivers ende die
beeldegravers eten mthe, op dat hem tghesichte
goet blyve, Barth. 667 a. Vgl. Rijmb. 3589.
BEELDELIC (bieldelijk), bnw. Beeldig. Van
het vronwelnk gelaat gezegd. Prachtig^ verrukkelijk.
II Dijn bieldelic aenscouwen zoet es . . . gheprent
in mijn ghedacht, OVl. Lied. en O. 207, 5.
BEELDEHUUS (beildehuus), znw. o. Nis. \\
Ghelevert in der ouder halle een beildehuus,
Invent. v. Brugge 5, 316.
BEELDEMAKER, znw. m. Mhd. bild^emacher.
BeeldAouufer , graveur. \\ Item Dire de beeldemaker in
den Hage , die minen here maken soude CCC wapen-
scilde, Oi/rl. v. Albr. 238. Hij dede alle die maelres
ende beeldemakers, die insijnlant waren, te samen
roepen , Oest. R.f. 74 c. Rechters , scouten , scepenen,
timmerluden, beeldemakerj, Matth. 201.
BEELDEN (bilden), zw. ww. hedr. {[beeldde], gAe-
beelt oi ghebeeldef). Mhd. bilden; hd. bilden. — 1) Èene
bepaalde gedaante geven, vormen. || Daer quam die
ziele af ghebeelt nae Gods beelde, Lep. 1,21,6. Comt
te mi , alle ghi santé mijn , die ghebeeldt sijt na mijn
anschyn, II, 36, 1831. Dat hise {de ziel) maken
wilde, ende beelden na sijns selfs bilde, III, 8,7.
Die selve God, die niet en heelt, die heeft die
ziel nae hem ghebeelt, Hild. 192 , 259. (De) natuer
der menschen , die hi na zijns selves wenschen ,
recht natuerlic heeft ghebeeldet , MLp. 1 , 3. Haren
Scepper . . . daer die ziele na ghebeelt is , Wrake II ,
908. Ghi sijt van leden ende van aensichte Gode
gheigc ghebeeldet, Tien PI. 2333. Daer bi werdi
S beleert, dat onse Heer den menschen ghebeeldet
eeA naden airebesten , dat yemant bedencken con.
Gulden Troenf. 1 d. Hi sal sinen God dare in
nemen, ende dien crafteliken minnen ende dien
vast in hem beelden in eenre weseliker wisen.
Ruusb. 3 , 75. Nu sulwi ons bilden na hare {Maria) ,
sent dasse een ligt es ende een bilde alre dogede
ende alre selecheide, so sulwi bilde nemen an hare ,
Limb. Serm. 27 a.
2) Afbeelden, voontellen. \\ Men seit dat in dit
vergulden dinck alle die provincie wonderlic ghe-
beelt waren , Past. W. 3 c. Alle levende redenen ,
die in dien spieghel godliker waerheit ghebeeldet
sijn, Ruusb. 6, 192. Si hadde Jhesus Cristus beelt
alsoe edelic in haerre sielen ghebeelt ende ghedruct ,
Quldén Troen ƒ. 53 d.
BEELDENSAET (belsensaet, belsemsaet),
znw. o.; mnd. billenedt. Van beelde, inden zin van
bihe (zie ald.). Het zaad vslu den Agoicf/amuê niger ,
bilzenzaad. Over de afleiding zie Grirara , D. fTtb. 2 ,
30. II Omdat die mussche pleghet tetene dat beelden-
saet. Nat. BI. III, 3199 var. (de varr. hebben
belsensaet, belsaet en beluesaet). Men neme thaerwe
of evene ende beeldensaet, ende latet vallen dat
te gadre met allen , X , 302. Ghi selt nemen belsem-
saet, wit peper ende costi, M. en Fr. Heim. 1756.
Nemet witte beildensaet, opii ana II scmpelen
enz., Lanfr. 133r.
BEELDER, znw. m. Van beelden, d. i. vormen
(zie ald.) ; mhd. bildare. Formeerder, scAepper. jj
O beelder der hemelen ende der elementen , Godt !
Mar. V. N. U, 807.
BEELDERIE, znw. vr. Het algemeene woord
voor alle gewrochten der beeldende kunst , evenals
ons scAilderij voor alle scheppingen der schilder-
kunst. Beeldwerk, beeldAoutDwerk, \\ Alderhande
cunste . . van bcelderye, ZFl. Bijdr. 6, 229, 79.
Haer reghele ende costume was dat int cloester . .
ne was ne gheene beelderye dan tcruciflx , Denhn.
3, 186, 5.
BEELDESCRIVER, znw. m. Van beelde en
scriven in den zin van scAilderen (zie ald.). Schilder.
II Michiel der varwer, Martin der beildescriver ,
Martin li paintre, Hor. Belg. 9, 85. Robin van
Cothem den beildescrivere . . , dat hi heeft ghestof-
feert van goude ende olyverwen een cleine nieuwe
crucifix, ZFl. Bijdr. 1, 289 tweemaal.
BEELDESNIDER (beildesnider), znw. m.
Van beelde en sniden in den zin van Aouwen.
BeeldAouwer, beeldsnijd^. Vgl. hd. bildscAnitz&r. \\
Bloc Pouwels sone de beeldesnidere , Diericx , Mem.
2, 134. Jan Bulteel de beeldesnidere . . heeft
anghenomen te snidene . . de clausen, setels,
syteberden, ghestoelte ende de stofl'ereels van twee
pilaeren, 338. Comelis Boene, beeldesnider . .
heeft ghenomen te makene ende te leveme . .
eene tafele voor Onser Vrauwen autaer metten
ystorien van den vijf feesten van Onser Vrauwen,
339. J. den beildesnider, van dat hi 4 beilden
versneden heeft, Invent. v. Britgge 5, 336.
BEELDINGE (beldinge, bïldinge), znw.^r.
Van beelden (zie ald.). mhd. bildnng; hd. bildnng.
1) Afbeelding, beeld. \\ DAXiei wesen ende die
beeldinghe , die God in die siele ghedrucket heeft,
die en mach ander godliker verstandenisse nymmer-
meer veranderen , O. Troen , f. 'ib.
2) Foorstelling, vooral als term der philosophie.
II Bekennisse en mag nit van hare solver sin
{d. i. sien), si mut emmer iwet hebben dar si af
sie, ende alse die twee inder selen sin, bildinge
ende bekennisse, so velt te hant terde dar tue,
dats minne, Limb. Serm. Sld. Gedenckenisse ende
beldunge alre denge, die der monsce ie gcsag,
SOc. Alse {de ziel) beldunge in hare heft van allen
dengen . ., also es Got een belde alre denge,
ald. d. Die eerste inval ende beeldinge van on-
679
BEEL.
BEEN.
680
cnyscheit die enen mensche dicke incomen, Con.
Som. 34a. Och hoe yreseUc ende Teryeerlic stont
hem voer in sinen gheest die beldinghe des bitteren
dodes, Bmgm. 2, 340.
BEELDEVAT, mw. o. Van deelde^ d. i. beeld,
en val in den zin van bewaarplaats in het algemeen
(zie ald.). Door Maerlant, Sp. 1% 32,62, gebruikt
voor een tempel vol afgodtbeelden. Ygl. Halb.,
Aant, bl. 107. || Longinns sprac: „Na segt mi
dat, wat doedi in dit heelde vat?" Bg Vinc.: cur
habitatis in idoliê?
BEELFBOET. Zie belfroët.
BEELC. Zie bulc.
BEELWITE. Zie belewite.
BEEMEN. Zie het volg. art. en bemen.
BEEMSCH, bnw.; van Bemen, samentrekking
van Bohemen, dat in het Mnl. gewooniyk Behem
of Byhem (d. i. BoAeim) genoemd wordt (vgl.
Limb, II, 1107, 1118, 1278, e. e.). Boheemach,
mnd. Bemetch, \\ üngersche ende Beemsche galden ,
OorL V. Albr, 203.
BEEMT (beemd, beemt, bempt), znw. m.,
tegenwoordig bgna alleen het eigendom der dichter-
lijke taal. Oorsprong onbekend. Weide, weiland,
veld, II Si en vonden in den lande noch voetspor,
noch enich lant, noch gras, noch beemt, els niet
dan sant, AUx. III, 974. Een pert dat in der
weyen ginc in eenen bempt, die daer stont bi,
Brab. Y. VI, 4418. Hare scachte staken si in
derde ende sliepen in den beemt daema op die
riviere van Ceya, Lorr. II, 578. Als sire quamen
vaste by, beten neder die heren vry in enen beempt ,
Orimb. I, 5531. Dat hi sal enen tomoy in die
beemde van Kameloet doen slaen, Za^ic. II, 16468.
In enen sconen beemt ende groene , 688. In midden
den beemt in enen pleine vant hi ene overscone
fonteine , 6553. In eenen beempt scoone ende groene,
Orimb, II, 658. Met sconen beemden, I, 45. Die
groene beemde werden root, II, 6057. Die beemde
waren al verloren, men conde gehoyen niet te
voren, Velth. VI, 21, 51. Dat gars . ., dat in
die beemde gewassen was , VI , 10 , 37. Oec soelen
wi Vrouwe Mechtelden bewisen twelf morghen
beempdten, Nfih. 2, 241 («. 1368); enz. — Ook
in het mv. beemen. || Op den eersten dach
van Meye quam die gemeente wt Bruessel met
machte .. tot in de Vylvortsche beemen, Exe.
Cron. 123<?.
BEEN (bein), znw. onz. In de bet. van beenen,
lee jambes , is het meerv. been, Lanc. II , 46884;
Franc. 6686; Stemmen 149; Ferg. 5359; Alex. IX,
436; Lsp, I, 33, 7; Christ. bl. 112; Rein, II,
6822, 7044; Bijmb. en L. o, H. Gloss; of
bene, Lanc. II, 19372; vgl. 60; in de bet. van
beenderen, les os, is het meerv. been re, Rein.ll,
3841; Rijmb. 13788; Nat.Bl.l, 474; of beenren,
lAvre d. Mest. 7; óf been e (bene), <§?. I', 26,
13; IV*, 59, 39; mncl. 313.
1) Been, de hedendaagsche bet., algemeen. ||
Stenen ende benen ende . . anderen harden dinghen ,
Stemmen 84. Dat al steen ende been ende harde
wair sijn , ald. — Ook in de volgende uitdr., die thans
niet meer in gebruik zijn. — Te beene gaen,
ter harte gaan, na aan het hart liggen', vgl. mhd.
ze beine gén. \\ Si mochten vaste daghen, maer
die hem holpen draghen van des hem ghinc te
beene ^ daer vrienden vant hi gheene, OVl.JAed.e.
G, 380, 15. — Int been geboren sijn, aan-
geboren zijn. II Hem es dat stelen ende dat roven
ende dat lieghen eheboren int been, Rein. I,
2496. — Te bene binden, zich iets aantrekken,
zich bekommeren, geven om\ mhd. ze beine binden',
mnd. tê béne binden. Vgl. Örimm, D. Wtb. 1,
1384. II Noch vremde saken te onderwindene,
noch deinen rouwe te bene te bindene noch
doer ere te latene vriheit, Hadew. I, 182, 189.
— Te bene bringhen, ten einde brengen ^
voltooien, tot stand brengen. \\ Al waric u {Maria)
altoes bi, gi ne leret mi selve; ende oec ni, die
men heet van Nazarene, so ne mocht ics niet
bringen te bene, Velth. VIII, 34, 130. — Tc
bene roeren, tot in het been aantasten; overdr.
geheel vervullen. \\ De gulsege, die ie meine ende
diende vrecheit ruert te beine, heeft lettel vriende
in siere partien, Rincl, bil, — Spreekw. Quade
tonghen breken been^ si en heelens niet,
d. i. doen kwaad, en herstellen het niet. \\ Daerom
men noch te seggene pliet: quade tongebrect been,
si en heiles niet, Brab. T. VI , 4465. Vgl. ^«vim
31: Quade tonghen, waer si sQu, sgn te scnwen
als venyn, want quade tonghen breken been, al
en hebben si selve egheen. — Verklw. b e e n k ij n. ||
So vele heeft hy, die tbeenken handt, als die
tschaepken vlaedt, Spreuken 72. Een beenkg n uut sire
rechter side. Nat. Bl. VII, 867. — Dat beenkgn
metten merghe hebben, veel invloed hebhen,
bij iemand doen en laten zijn, \\ Daer was een . .
gheheeten Willem Van den Berghe, die hadde
doen tbeenken metten merghe; van Orbeys soe
was hi heere ; tregement ghinc doen aen hem zeere
van hertoghe Janne ende tbestier, Brab. T, VII,
8566. — Zie ook hersenbeen.
2) Eene beenen zelfstandigheid, een hoorn. \\
Boven den oghen op sün hovet staet hem (ie
slang) een been als een doren scaerp ende vreseÜc,
Nat. Bl. II, 1118. Die hien {mannetjeskreeften)
kentmen met twee been, die hi onder den bnke
hevet, V, 282, duas spinas mares habent. —
Verklw. b e e n k ij n , ald, 285 var,
BEENEN. Zie benen.
BEËNGET, eig. deelw. van b e ën g e n , benauwen.
Ook als bnw. in de bet. benauwd, gebrek aan
frissche lucht hebbende. \\ Een hof daer onse gheminde
in wanderen moghe ende hem verluchten, opd&t
hy niet altoes beënghet ende benauwet en sy inder
woeninghen, Devoet B. (30) 20p.
BEENHARNASCH , znw. o. Seheenplaai; iet
gedeelte der ridderlijke wapenrusting, dat de beenen
bedekte. \\ Deus greves et une plate — II beenhe^
nassche ende eene plate, lAvre d. Mest. 26. Dezen
man sel op ziin hooft hebben een stalen helme,
aen zin lijf een stalen pansier, . . been ende arm-
haernascbe na dat daer toe behoort , Ned. Proza 81
Beenharnas ende coppen (?) meede deden sy af dter
ter stede , Troyen f. 82*.
BEËNIGEN (benigen, benegen), zw. ¥▼.
bedr. ; hd. beeinigen. Zie ENIGEN. Vereeni§en.
Beënicht (benecht) sgn met enen, vereeeigi
zijn met iemand, in innige gemeenschap met hem
sijn. II Die heilige man die doe sat in sinecapelle
ende betde sere, ende was benecht met onsei
Here, en horde Gaidoens roepenniety^^*^. JVm. 7,
449, 272.
BEËNINGE, znw. vr. Van ^«^m , in beteekenis
gelijk met Beënigen. Vereeniging , eenigheid, overeen-
komst. II Van wilker overdaet, scade ende verlies,
die si ons ghedaen hebben, . . . wi bi ons selves
te gheenen besceyden noch beeninghe (m den tekst:
beenighe) en conden noch en mochten comen tonseo
wille sonder helpe, raet ende troest . . . ons lief
neven, JMüeris 2, 121a {a, 1811).
BEEN-INKE. Zie inke.
681
BEEN.
BEES.
682
BEENSIPE, bQw. Yan be^ en een eide, uit ene
tide; ?gl. BE, bamderside, bedessideoii begon-
SIDE. 2an de eene tijde ^ eener zijde ^ aan den eenen
kênt^ ter eener tijde. \\ Vanden verbinden tusschen
den hertoghe van Brabant ende sinen lande been-
gide, ende min heere van Ylaenderen ende sinen
lande banderside, Rek. v, Oent 1, 456; ook 457.
BEENTE (biente), znw. o.; mnd. henie. Been-
derm^ geleente, \\ Ene wonde de men voer enebele
wonde boten of beteren sal, de sal door de hnyt
in dat vleesch of op de knoken of beenteghecomen
wesen, StadJt. v, Qron. III, 39. Soe verrijst allen
menseben biente to samen ende dat ghebiente staet
op recht in dien daghen, Lep, Dl. 4, bl. 346.
BEER, andere vorm van bier. \\ Yan beer brouwen
bnten der stad in der vryhede, Stadr. v. Zwol
169, 831.
BEER (ureuê). Zie bere (Iste Art.).
BEER {poreus). Zie bere (2de Art.).
BEER [bacca). Zie bere (5de Art.).
BEERKIJN. Zie bere (5de Art.).
BEERST, znw. |vr. Andere vorm voor bórêi^
Nat. Bl. II, 762 {var. borst). — Yandaar ook het
znw. beerstaen (?) borst^ ald. Y, 285: Die
beerstane sQn als II dome (var. beenkine).
BEËRYE (beërf), andere vorm voor bederve
(zie ald.). Nut, voordeel. || Gthy sult smorgheus
vroech opstaen ende om u be-erve gaon, BoffJk. v. P.
25, 51 {var. bl. 35 beeme). Sine sile geve God
haer beërf, Orimb. I, 2999 var. {ald. dl. 2,
bl. 318; teJtsihe. bedeif).
BEÊRYET, bnw. ; in de uitdr. bearvet sijn;
een kind {erfgenaam) hebben bij iemand, met vnen
men gehuwd if. || Want Roeleffs wijf bQ Effbert
Hovinge bearvet wordt, so is se mede Egberts
arffgenamen , ende sol schade und boete mede hebben,
Ettt. V. Dr. 36. Yan echte luyden bearfft toe wesen,
in den Isten oflfte selver guederen sullen halfT ende
halff sijn (a. 1549) E. Pelinck, Qeeeh. v. h.Huwel.
in Drenthe, 64. Echte luyden die beërft bint,
toe wieten van haer lichaem geprocreëert een leven-
dich kint, Magnin, Best. III, a. 209 (a. 1558). —
Zie ook verervet.
BEËSCHEN, zw. ww. bedr. Andere, min ge-
gewone, vorm voor vereeschen; zie ald. en verg.
EESCEN. Vernemen, vragen naar. || Trouwe noch
Eere en beeschdic niet, O VI. Lied. e.O.S0b,212B
(vgl. 306, 2139).
BEESTE. Hetzelfde als best. Sijn beest e(n)
scaffen ende doen, zijn best doen, ]fijh.S,10Q,
BEESTE, znw. vr. als afgeleid van het Lat.
bestia; b.v. Die heeste leliic ende quaet, lamb. X,
662. Dat hi ghere beesten ontga, 507. Ygl. verder
473; MeUb. 2284; Wap. Mart. Gloss.; Blisc. v.M.
9Q2;Lanc. II, 39522; Esopet Gloss. endecurieuse
afleiding Bijmb. 287.
Aanm. — Ook reeds het onz. beest was in het
Mnl. in gebruik, blijkens eene plaats uit den
2>. B., waar men beide geslachten aantreft. || Soe
sal die here vanden put ghelden, dat die heeste
waerdich is ende dat dode beest sal dan sgn wesen,
Bxod. 21 , 36.
Beeste wordt mnl. gebruikt in den zin van —
tf) Viervoetig dier. \\ Die beesten hadden groten
strQt jeghen die vogle op enen t^t; die vleder-
mnns hilt meiten beesten, Esop. XLYI, 1. Bi)
Phaedr. Append. I. 18: Bellum gerebant volucres
cum qttadrupedibus. — b) Koe. || Hare perde ende
hare beesten mede sullen si stallen inder heligher
stede, B^b, 1749. — Zoo spreekt nog heden een
boer v«n s^ne koeien, die h^bt beesten 6{ ioebeesten
noemt. — c) Paard. || Die grote comendur . . ende
die ander ambochtslude die en zolen niet meer
beesten hebben dan vier, D. Orde 2dS. Yan den
ghetale der broedere beesten na des meesters wille,
ald. Zoo ook 230 tweemaal.
— Yerklw. beestkijn. || Dit stom beestkijn
in siere naturen es soe fijn, Doet. II, 3701.
BEE8TELIJC (-ike), bnw. en bijw.
Bnw. — a) Van een beest. \\ {De vrouwen) maken
hoeme twee ghelijc enen stommen vee ende enen
sleyp na haren ganc, oft waer een steert, II ellen
lanc; wonder boven allen saken, dat t^tv^ aenschijn
aldus maken beestelike vorme aen haren lichame,
Teest. 2692. — b)Als een beest, dierlijk, beestachtig. \\
En went niet, dat si sQn gesteleke, mer vlesche-
leke ende besteleke , Luig. 1 , 834. God moet u in
u rike gesterken, ende en latu niet ghewerken
dat beestelec leven si, lAmb. X, 791. Ghenoechten
van den lichame, die beestelec sijn ende sere
onbequame, JSeim, 261. De liede , die daer quamen ,
die beestelec herten, Christ. 681. Die droncken
drinct wert beesteljjc , Oest. B. f, 203 d. Die derde
natuerlike cracht dat is Redelicheit. Die twee
andere crachten, ongheciert met doechden, sijn
beestelic, Ruusb. 4, 139.
Bijw. — Als een beest, op eene dierlijke wijze. \\
Die beestelij c leven, dien wort beestelij c loen ge-
geven, Hild. 2, 139.
BEESTELICHEIT, znw. vr. Yan beestene; zie
ald, b). Dierlijkheid. || Bedwinghen alle onseden
ende die beestelicheit ende die gheneichteit der
naturen, Ruusb. 4, 139.
BEESTIGE, bnw. Dierlijk, verdorven. \\ (Lieden)
die so beestich sQn van sinne, dat sygenedoecht
hebben inne, Lueid. 3913.
BEET. Zie bete.
BEETEL. Zie betel.
BEEYAERT , bevaert. Zie bedevaert.
BEËYELT (bévelt, behevelt), bnw. Yan
evel {euvel of oevel) , in den zin van ziekte (zie ald.).
Met eene ziekte behept, ziek, krank. Yan menschen
en dieren , ook van vleesch van zieke beesten. || Dat
vierde let is die manlichede; die daeran wert
beëvelt mede, hine hebbe varinghe medecine, hem
naecter of grote pine, Heim. 1313. (Pieter)
met siere scade (d. i. schaduw) ghenas meneghen,
die beëvelt was, Bijmb, 25981 {varr. bévelt en
behevelt). Te Dordrecht lach hi bévelt zware , ende
hi wort des wel gheware, dat hi der dooi niet
mochte ontbreken, Stoke II, 1365. Deen ginc in
behevelt zwaer in sente Stevens kerke, i^. III ^,
19, 52. Waert dat eenich vleeschauwere behevelt
goet sloughe ende derof bedreghen worde, ZVl.
Bijdr. 3, 279. Behevelt vleesch of behevelt goet,
aid. Die buter stede vander Sluus beesten cochte,
die behevelt waren, 281.
BEF AMEN , zw. ww. bedr. Slechts in het deelw.
befaemt, door het algemeen gerucht als schuldig
of de schuldige aangewezen, met eene misdtuid ge-
doodverfd. \\ Wilt een poorter van selfs te rechte
commen , van wat zaken dat zij , daer of hjj befaemt
of berucht es, de scout sal hem geleede geven,
Wiel. Instr. 127, 353. De poorter, die befaemt of
berucht es van zaken, daer geen doot an cleeft,
ald. 345. Befaemt of beticht te syn van eenige
misdaden, aangeh, bij Y. Hasselt op Kil. 38. —
Ygl. ons bnw. befaamd.
BEFERPELEN (beforpelen), zw. ww. bedr.
Yan ferpel, d. i. boosaardige list, argelist; z. ald.
en Grimm, D. JVtb. 4, 173. Bedriegen^ misleiden. \\
Wat cooper hierin versubtyit wort of beferpelt
683
BEFF,
BEFF.
684
worde, dat sonde hem die rercoeper oprechten,
V. d. Wall 631 {a. 1437). Soe waer dat yement van
onsen poorteren . . . worde veronrecht , beschadicht
ende beforpelt met eenighen rechte , O. K. v. JDordr.
47, 168; O, R. v. Dordr. 55, 168.
BEFFE, znw. vr. Niet in de tegenw. bet. van
afhangend halslapje bij geestelijken, hoogleeraren
en advocaten, maar in die van mutt. Kil. bef f e,
j. almuUe (ook in die van /troy^^ , collare , ald. 60).
Vgl. Weigand op b e f f c h e n , en Klnge , Etym, Wth,
21. De afleiding van fr. havette wordt zeer onzeker
door de opmerking, dat de oorspronkelijke bet.
van ons hef volstrekt niet wasspeekseldoeije^maAV
dat deze nit die van kraoff , loêse kraag is ontstaan. ||
Ene beffe , die niet genaeit en zi toe den scapprune
{chaperon) , dat hi se op ende ave moghe doen alst
hem voghet toten arbeyde, D. Orde 308.
BEFFE. Zie Beffen.
BEFFEN, zw. ww. onz. Kil. vetm\ gannire,
latrare , et nngari , nngas effutire , illudere ; vgl.
hd. haffen en bef zen ^ Schmeller 1, 213: beffen,
b e f f z e n , wiederbell^n , keifen , zanken. — Vandaar
ook het bij hem genoemde beffe, nngae, irrisio.
BEFIT. Zie boffit.
BEFORPELEN. Zie beferpelen.
BEFREMEN (Hem) , zw. wederk. ww. Zich he-
vreemden ^ zich verwonderen. Vgl. ontfremen. || lek
en kan my niet befremen {niet genoeg verwonderen ?)
dat U Gen. my alsns jamerlycken verlaeten, want
men ons seder die reeckenschapp geschiet , op nye
schuldich is twe mainden, Gedinkst. 2, 309.
BEGADEN (begaven), zw. ww. bedr. en onz.
{hegaedde , hegaet) ; mnd. hegaden ; mhd. hegaten. Van
gaden , d. i. gelijk maken of gelijk zijn {lijken :=
hehagen = gaden ^ vanwaar gading).
A. — Bedr. 1) Met eene zaak in ,den 4den nv.
a) Het gelijke bij elkander brengen , ordenen , rang-
schikken^ voegen. \\ Die blade omtrent sine vloghele
begade, daer si siere siden ghenaken , Nat. BI. III ,
1663. Men sal rosen met lanwerbladen int water
sieden ende so begaden , dat boven ghestopt es in
den mont, VIII, 459. Daer ie dine wort ende
dine dade bi so bescrive ende so begade, datse
elc goet meusce ontfaen moet alse warachtich , vray
ende goet. Franc. 7313.
b) In orde brengen^ bezorgen^ klaar maken ^
bewerken. \\ Als hi dat eten hadde beghaet, so
cleedde soene (Jacoh) harde sciere met cleeder
goet ende diere, Rijmh. 2352. Aldus was beghaet
die arke ende was ghedaen na dit ghewerke , 4843.
Dat goede wijf hare cleeder wiesch vander moodere
ende na dies deedsoe*^ droegen ende wel begaden ,
Sp. IV*, 37, 57.Wapene dede hi begaden ende gaderde
sijn here saen, Rijmh. 19766. Die desen visch halp
souten ende begaden. Rek. d. Gr. 2, 171. Quincius oec
die besat drie buender lants te Rome . . . , die hi
hegaedde met sinen handen, Teest. 1318. Alle die scepe
deed hy begaden in die payse mit goeden staden ,
Troyen f. 146 a. Vrouwe , wat seldi ons raden dat
wi cierliken begaden? Umb. VI, 2573. Van des
bisscops gewade, hoe hi {Mozes) wilde dat ment
beghade, Sp. I», 6, 35. Die Bertoene . . . goten
een heelde bequame van copere , dat si so begaden
dat sire sinen lachame in daden, III', 21, 25.
Dit {liol) was met crnde al doretout ende
begaet, Velth. III, 34, 63. Dies ghelijcs mach
men begaden van den verschen louwer bladen.
Nat. BI. VIII, 479. Ist dat mer mede wevetende
begaet een cleet, XII, 724. Ghewreven ende met
melke begaet , aangemaakt^ 835. Begaetse {de bloemen)
beide met soute ende in aisyn, debent condiri^
IX, 289. Met mandragore bladen vronwen melc
stampen ende begaden , X , 343. Aldat dede si be-
gaden , soe si scoenst mocht«, i^. II* , 49, 41.— Het,
(dat, die dine) begaden, ieie ^ zijne saken^ w
orde brengen , inrichten , prepareeren. \\ Eer die vrede
uytghinc begayden die Troyen haar dine, Troyen f.
163 b. Saul deet beghaden bet Rijmb. 8957. Ie sal
achterbliven ende ontbieden tes g^ hebt n dine begaet,
Lanc. II, 45956. En heb ie dat niet wel begaet,
dat icse int stric brenghe, Lansl. H. 277. Du
heeft {heeft het) Eleasams begaet, Rijmb. 30818.
Nu begadet heymelike, siet hier miin cappe ende
miin paert, ende riidt te desen watre waert,Xbil.
VI , 1628. So mercten si dat Elyzabeth op zond
staen van den bedde der ziecheit saen . . ; dat had
haer Sinte Lutgart begaet , Luig. II , 1060 (d. i.
dat had L. haer gedaan^ dat had zy aan L. U
danken). — Het, die dine, so (hoe), anders
begaden, de zaak zoo (hoe^ emders) inriehlen^
aanleggen. || Laet ons opsitten ter hant . . ende
begaedent so, al sonder beyden, dat hem leet st,
Orimb. 1 , 5389 var. Si namen raet . . hoe sgt so
mochten begaden, dat si Keyen mochten ontladen
vander gevancnessen , Lanc. III, 30348. Hoenen
dese dine begaedt, dat wi dwater mogen liden,
II, 45922. (Die Joden) begaedden so die saken,
dat si hem (Faulus) hebben verheent, Sp. I', 12,
28. Ie soud» u raden wel te desen, hoe dat dine
sout syn begaet, dat ghys bleeft al onghescaet,
Troyen 496. Emmer begaedt also die sake, dat
hi te boven si int spel. Rosé 7270. Ie hebt
ons begaet alsoe, Cass. 496. Nu was also begaet
die dine, Sp. III», 31, 14. Dit haddi van den
Paus van Romen al hemeUke so begaet, bij de%
Paus zoo ingericht, Velth. V, 10, 28. Hoe wi
dit mogen begaden nu, II, 10, 67. Men sondt
anders begaden, IV, 60, 73. Ie salt al anders be-
gaden , dat dat nemmermeer en sal sgn , Lansl. 288.
c) Versieren, optooien, oppronken, opschikken. ||
Hare plumen streect si ende begaet, ofte si wil
wesen wit. Nat. BI. III, 2704. Gout, daermen
mede soude begaden Sint Aelbrechts scrine, Stoke
II, 92. Dit sijn de chierlijcst* ghewaden, daer
hem Keyser met moge begaden, Sp. III', 1, H.
2) Van het noodige voorzien, de noodige zorg be-
steden aan iets, verzorgen. || Die drie syn begaet ter
cure ; baniere ende coverture hadden si van mengher
ghedane, Troyen 1374. Die clnsenare begactde
dorsse wel van al dien dat hem bedorste, X«w-
II, 45236. Flandrijs ors hiet hi begaden denstal-
waerders, dies hem ghebrac , FUndr. 1 , 221. — Vooral
gebruikelijk in de volgende twee opvattingen:
a) Van de zorg aan wonden en gewonden be-
steed. Oppassen, behandelen, genezen. \\ Die heren Tan
Grimbergen daden haer ghewonde wel begaden;
si hadden goede meesters dare, diere toe namen
goede ware, Grimb. II, 5234. Hy dede begaden
syne wonde, ende binden soe men best conde,
Troyen 6634. (Hi) verbant hem al sine wonden,
eude begadese soe tien stonden, dat si genasei
eer iet lanc , Lanc. II , 42942. Her Walewein sonde
hem daer naer begaden als men pleget wonden,
42628. Men dwoech Waleweine sine lede , ende hi
begaetde sine wonden, 45340. Ghescorde monden,
die welke men aldus begaeden sal , Jan Yp. 81.
b) Van alles wat men aan een gestorvene doet
vóór de teraardebestelling. Gereed maken voor de be-
grafenis. II Minen doden lachame begaet, alse giii
der andere pauesen daet, Sp. IV', 53, 53. Die*
lachame van Roelande dedi begaden te hande met
balsemen, IV', 27, 39. Doe die maghedcn tamel|f
685
BEGA.
BEGA.
686
begaedt hadden dat salighe l^c, Lsp. II, 58, 1.
Sine liede ende sine cnapen mede . . begadene na
sine doot, ende brachtene met ronwen groet te
Bnicele binnen, Velth. III, 42, 11.
3) In een zekeren toettand brengen^ behandelen,
— fl) in het algemeen. || Wat duvel, wie heeft n soe
begMt? — Ie hebbe in enen joechtborren {ver-
iongingibron) ghebaet, Btuk. 106. Wie heeft ualso
begaet? . . u anscijn es al mit swerten bestoven,
129. Die balsaem aldaer had hem so begaet, daer
hy lach, hy hadden totten doemsdach heel ghe-
houden in dat vat , Troyen ƒ. 146 b. Sine sndare
leget op hem also begaet, dat wire niet dorren
comen an, zijn zweetdoek ligt in zulk een toestand
op kem^ Sp. III', 19, 67. Wiene hadde also begaet,
UP, 21 , 56. Met behendicheit niet clene belesement
{iet serpent) ende so begaet, dat sijn vengn niet
en scaet ende ment mach vanghen met ghemake.
Nat, BI, VI , 100. Op deze plaats kan begaet óf
van hegaden worden afgeleid, samengetrokken uit
hegade (3de pers. aanv. wgs) het , öf van begaen , uit
begae het, zonder dat de beteekenis eenige ver-
andering ondergaat. Vgl. bij begaen 2).
b) Met het oij denkbeeld van slecht. Slecht be-
handelen, mishandelen, toetakelen, || Dat hine alse
enen dief begade , scoere hem thaer af, bonde hem
de bande, ende leeddene te siere scande in eenen stoc,
Sp, ni% 2, 8 {Amand II, 1394). Daer dus die
martelare stont begaet, sprac hi an den juge
qnaet, II*, 9, 33. Algader dat hi pensde ghinder,
was om wijf ende om kinder, hoese die Bomeyne
souden begaden, lUjmb, 34700. Daer dedi hi . .
ghevane te siere feesten werpen voor die felle
beesten; . . . sulke dede hi anders begaden,
Bijmb, 34278. Doe dede hi in corten tiden
sinen vader ontwee sniden . . . ; aldus begade
bi sinen vader, Alex, II, 1139. Dus moete die
gene . . den grave begaden corts naer, al waest
hem te doene swaer, Velth. III, 45, 74 (de
tekst heeft ten onrechte begaven-, vgl. Taal- en
I^tb, 6, 307). Hi trac hem den helm af, . . .
ende gaf hem soe groten slach ende soe stranc,
dat hem dat bloet ten nese uut spranc; alse hi
hem sach alsoe begaden , bat hi Lancelote genaden,
Lane, II, 29994. Ghi hebt mi begaet, dat ie
daer bi vander doet niet ne mach ontgaen , 36368.
Ie wilre vive allene begaden , dat si . . hem geme
op selen geven, 19982. So quam die felle naen
ende allen . . ende begaetden mi alse gi siet,
15196. Ie salne alsoe begaden dat hi sal hebben
berouwenesse , van sire groter verradenesse, 31841.
Ie sonse alsoe begaden, daer sonde hem ander
castien bi , 3. Dag, R. 208. Hoe salie se begayen !
Playerw, 270. Al gaen ie begaet, ghelapt, ghe-
scheurt, OFl. Lied,240. — Ene stat begaden,
haar plunderen, verwoesten. || (De Gallen) wonnent
al neven den R^n, ende begaedden . . Rome die
vermaerde port, ende hingere XX van den besten
uptie maerct buten der vesten, Sp. I', 45, 12.
— Een stegereép begaden, een stijgbeugel
onbruikbaar maken, \\ Daertoe haddi vanden gereide
stegereép ende daregerde beide valscelike begaet
met liste, dats min her Walewein nine wiste,
Lmnc. II, 44713. — Vooral is begaden in dezen
sin in gebruik , verbonden met een b|jw. , waardoor
de slechte behandeling nog duidelijker op den
voorgrond treedt. — Jammerlike begaden;
— a) van personen. Deerlijk mishand'elen,\\ God \eei
door ons armoede swaer, ende wert daertoe jammer-
like begaedt van hen, die hem hadden onmaer,
Rincl, 856. — 6) Van zaken. Deerlijk toemaken. || Daer
si haerpaerdeende hare gewaden jammerlike moesten
begaden, want het reinde ende was quaet weder,
Sp. IV», 37, 34. — Lachterlike begaden,
erg mishandelen. \\ Ie liete my liever te bant begaden
herde lachterlike, Orimb, I, 1873. Hi hitene halen
harde saen ende . . . oec lachterlike begaden,
Lanc. III , 11398.— O usiene, leelike,qualike,
onscone, onsoete, onsochte begaden, ge-
ducht toetakelen, havenen, \\ (Si) scoten ende worpen
af brant, daer si die vianae entie engiene mede
begaedden harde onsiene , Rijmb. 31634. Ie ben so
qualiken begaet , het mocht ontfermen herde stenen,
Èein, II, 4094. Dat si haer pard aldus versaden
opten Eerchof, ende begaden den Kerchof leitje met
haren torde (drek), Velth. VI , 5 , 11. (Hi) begadene so
onscone, dat hi hem dogen utestac, ^. III', 56,
54. Bedi Macheus van Babyionen begaet die Grieken
harde onscone, Jlex. V, 397. (Hi) begadetse soe
onsochte , dat hen niet gehulpen mochte die wapine
die si hadden an , Lanc, III , 2235. Amasa quam
hem te ghemoete, dien beghaedde Job onsoete,
want hi heeft dien vermoert, Rijmb, 10603. Aldus
. onsoete ben ie met rechte beghaet , want aldus
ghedane daet dedic wilen in mine daghen, 7118.
— Onz. Van gaden (zie ald.). Behagen, aan-
staan. II Ie en weet, wat gi wilt menen, anders
dan mi dinct dat wel, dat u niet en begaedt mijn
spel , Rosé 8406 ; „que mes solas ne vous plaist mie.
BEGAEN (beoangen) , onr. ww. bedr. , wederk.,
onz. en onpers. (beginc, begaen of begangen). Mhd.
begdn, begin; mnd. begdn, begén.
Bedr. — 1) In de tegenw. beteekenis. Ten uitvoer
brengen, volbrengen, doen, bedrijven, maar zoowel
van goede als van slechte daden gebruikt. || Salmen
ghinder loon ontfaen , men moet in deser tijt begaen ;
salmen ghinder maeyen , so moet men hier zaeyen ,
Lsp. III, 25, 11. Also dat God al over al die
overste wesen sal in al dat men begaet , III , 1, 97.
Alse een mensche . . . van den live ghescheiden
es, en mach hi voort niet goets begaen, III, 25,
27. Doe dede hen Walewein beloven saen, dat
si die wet selen begaen, de huwelijksplechtigheden
volbrengen, Torec 3421. Die groete dade die si begin-
ghen, Heelu 8640. Die hem te haren {der wisen)
werken keren, alle wijsheit hi begaet, die betracht de
wijsheid, Salad. 3. Die alsoe vele hadde ghedaen
vromer daden ende begaen, Brab. Y. VI, 5655.
Der wive ghemeinsamhede ende tijt ende stede,
daer men die luxurie mede begaet, Do<r/. II , 2750.
Hieromme sijn wi medewerkeren gheestelike alle
d^r dogeden, diemen in erterike begheet, Ruusb.
1 , 20. Een goet werck begaen , Serv, II , 538 ; 996.
2) Met den 4den nv. van den persoon en het
bijw. so. Behandelen, in een toestand brejig en , onge-
veer geiyk aan begaden. || My had ghevaen in syn
huus een Ciclops, hiet Polifemius, doch dat ie
dien also beghinc, dat ie hem soud een dinc te
drincken ghenoech gheven, Trogen 9559 var. Die
coninc was so begaen, dat mense over dijs waende
bestaen, Velth. I, 38, 31.
3) Het begrip gaen wordt door het voorzetsel
be transitief gemaakt. Het duidelijkst blgkt dit
Lsp, I, 11, 67: il Begaet die zonne aertrike, d. i.
beschijnt, — Begaen neemt zoo de bet. aan van
bereiken, inhalen,
A) Met een persoon als obj. — a) In handen krijgen,
machtich worden, achterhalen, vangen. || Daer toe
worden die vreemde gaste , die met hem quamen ,
alle ghevanghen die men ghecrighen conste oft
beganghen, Brab. Y, VII, 11884. (8i) sloughen
ende vingen alle die kerstine, die si begingen.
687
BEGA.
BEGA.
688
Sp. III ^, 2, 15. Nero hiet al yerslfien, dat men
kersten conde begaen, II*, 17, 35. (Hi) dede . .
rangen alle die M conde begangen, II', 36, 215.
Die Phariseene . . proeveden nauwe ende sochten ,
hoe dat sine begaen mochten, I', 24, 55. (Hi)
heefl bevolen dat men n vaet , waer so dat men n
begaet, 11^, 50, 47. (Hi) sloech al doot dat hi
beghinc, waest wijf of man jof jongelinc, Bijmb.
30457. Waer si die serpente begaen, si verteren
se ende verslaen, Nat. BI. II, 1494. Sy seggen,
mogen sy n begaen, sy selen n leggen ghevaen,
Grimb, II, 347. Hi was in wane comen das, dat
hi den Keyser sonde begaen, Sp. III*, 4, 16. Dat
hi wille die kindere doden, npdat hi Jhesns begaen
mach, I*, 46, 4. Hi was in Jherusalem, dien ne
mochten si niet begaen, Bijmö. 30029. (Het en
mach) niet mit sire cracht te vijf spronghen begaen
dat dier , Nat. BI. II , 2290 var. Ontsiet hi hem
**» begaen ist in corven, ist in netten, V, 1064,
'. i. dat men hem vangen zal. Waer bi dat hire een
oegaet , 3925. Opdat hise mochte begaen , Lanc. lY ,
6715. Konde ik iemant van s^ne vrienden begaen, ik
sou se schaden daer ie mochte, Heemsk. 17. — Ook
in de uitdr. beriden of begaen, te paard of te
voet achterhalen. \\ Het sal u beeden costen dieven,
magie u begaen of beriden, Lett. N.R.1^, 136, 195.
Waer hijse mochte beraden ofte begaen , Heemsk. 6.
b) in juridischen zin. Fangen, gerechtelijk over-
tuigen. II In Beyeren een hertoghe . . dieinordele
wart begaen, dat hi verradelike hadde gedaen
jeghen Karle sinen here, Sp. III», 87, 57. Dus
waren die papen begaen , ende moesten sware doot
ontfaen, I', 50, 63; nl. de twee prietters, die
Suzanna belaagd hadden.
c) Ontmoeten, aantreffen. \\ Alle arme hebbic
ontfaen te gaste, die ie mochte begaen, Sp. II*,
70, 62. Wat librarise diene beginc mindene vor
alle dinc, III*, 87, 17.
d) Bezoeken i opzoeken, \\ Hi hevet begaen alle
die heren, „omnes viros visitavit^^ UI*» 4:5, 23.
e) In vijandeiyken zin. Aanvallen, aantasten. \\
Walewein doe jegen hem ginc , ende metten swerde
hine beginc ende in die kele hine doe stac , Lanc.
III, 19509. Dat hi (Artur) sonde . . die weste
eylande * begaen ende hem maken onderdaen , Sp.
III», 14, 64. Daer beghincse op een velt de
Keyser ende wan hem an haer scepe ende menighen
man, Stoke I, 66. Men en cans {het serpent) so
niet begaen, dat ment ghehonen mach ofte slaen,
Troyen 424. Zoo ook i§». I», 62, 33. — Ook in
het pass. in fig. zin ; begaen s ij n , aangetast zijn
door , behept zijn met , vervuld zijn van ; in beteekenis
gelijk aan bevaen sijn (z. ald.). ||Dat hi metselker
souden was begaen, dat hi hem en verporde
niet, alsi hem dat grael sach so nare, Lanc,
III, 2746. Die werelt mit duustemissen ende
mit eertbevinghe beganghen, Hs, Ib f. 179a
{Hs. N, T. 115r). Een mensche die noch mitter
crancheit des vleischs beganghen is , Es. 88. ƒ.
21c. (Si) waren mit groten mededoghen begavet
ende mit groten sorghe beganghen, /. 62rf.
ƒ) Onverwachts aanvallen , overvallen, betrappen,
met een persoon of eene zaak als ondw. || Overeen
droughen si des dat si Dariuse daer begaen , daert
eenlijc was, ende sine slaen, i%?. I*, 29, 30. Tote
Arleblanken in die stede beginghene die grave
Constant ende slougene doot altehant, III*, 10,
52. Daer se die nacht begaet, daer bliven si in
haerre rusten, III*, 31, 10. Die nacht beginc ons
daer bi daer soe Viroende, III*, 46, 9. Dat
Snsanna van II papen was begaen, I', 50, 31.
Daer beginc Hannibal dorperlike . . Cornelinse,
I* , 19 , 35. Coninc Waleweer . . wart begaen . .
daer hi vacht in enen strijt, III' , 23, 22. Nachts
quam up hem Adelaen, ende hevet enen bissoop
begaen, IV*, 6, 71. Pylatus . . begincsc ende
slouch aldare den ghylre, I^ , 14, 69. So datteae
die winter begaet, diene metten conde veralaet,
Nat. BI. III, 1899. Onse ghevanghene die Solinun
te voeren vinc te Tiniton , daer hise beginc, Srab. T.
III, 878. (Hi) beghincse daer si saten die Tin
Amalech ende aten , Rijmb. 9726. Dat hi in die
Baerdsche zee met eenen sere swaren tempeeste
begaen was, Sp. V , 63, 1. Dattie coninginne . .
met Lancelote was begaen , Lanc, lY, 4499. So
dat si {de spionnen) worden begaen in die pawelyoene,
Sp. lY», 66, 69.
g) Verraderlijk behandelen, misleiden. || Dat hi
van den valschen Pelag^aen ghehonet was ende
begaen, die onghelove ende herisie sterken wilde
met sire clergie, Sp. III*, 25, 16.
h) Eindelijk gaat de beteekenis inhalen, èereiiet
over in die van treden, raken, \\ Die dnvel...
stac die want onsochte dat soe viel ende beghinc
eens edels mans kint , een jongelinc , die daer binnen
was, Sp. III' , 28, 29. Begatene die ghewelt van den
stanke , hi es so groot , ni macher lichte af bÜTea
doot. Nat. BI. III, 2882. Dat hi wille in Bethleem
die kindere doden up enen dach, up dathiJhesos
begaen mach, Sp. 1* , 46, 4.
B. Met den 4den nv. der zaak.
a) Inhalen, bereiken, achterhalen. \\ Metticn die
dach den nacht beghinc ende die heren ghingen
slapen, Trogen f. 263* (d. i.: die nacht beghinc
den dach (voor de schijnbare verwarring van subject
en object vergelyke men Fergi 626); eig. de nacht
haalde den dag m; m. a. w. maakte een einde ua
den dag, volgde den dag op). Eerlijc leven . . >
es in sinen doen so machtich, dattet altoos niet
verloren ne mach sijn . . , want waer soot die
doot begaet, het ent emmer in weldaet, ^. I*,71>
63, d. i. „waar ook de dood het leven ochterkMU,
overvalt, m. a. w. aan het leven een einde maeiC
De lesinge der druven sal begaen den sayendcn,
reiken tot den zaaitijd, Es. v. 1348, Ib'id (LevU-
26, 5).
b) Verwerven, verkrijgen. || (Be roerdomp) heeft
inghetrect sinen hals, ... om vissche te begane,
dier hi vele pleghet te vane , Nat. BI, III , W3.
Ghevalt dat si te lande keren, so comt een cooiti
ende nemet saen al dat si hebben begaen, ^'^•'•^i
1486. Mit goeden lijdzamighen sinnen machmenil
te veel verwinnen, datmen niet en mach begwi
mit overmoedighen wederstaen , MLoep IV , 1283.
Het hevet menech dat begaen , haddi geseten ofte
gestaen stille in huns, hine hads niets vonden,
Lanc. III, 1109. Si nament (het goed) al op . •.
waer dat syt conden bevaen, Velth. II, 3, 69. Sus
mosten sy aen horen handen hoer noturft beganghen,
Tafelboec f. 19. — Vooral in gebruik, in verbinding
met de woorden ere, lof, prijs, dane, bUscef^
derg. Behalen, genieten. \\ Daer hi beghinc loff ende
eer, MLoep lY, 1697 var. Dat ie danc hebbe be-
gaen aen allen uwen onderzaten, lY, 1195. Ie
wille prijs ane u begaen, Eleg, 1852. Dj»
heere van Walheem , die groote ecre daer diei
van Brabant beginc, Heelu 7815. Van dire grooter
eeren, die beide hi ende ander heeren . . begin*
ghen, 7463. Van dien prise, die si beide dier
begingen , 8492. Van dier eeren ende van di«
love, dien die ridders daer beghingen, 8530. Men
mach aen ons eer begaen, Troyen f, SSi-We-"
689
BEGA.
BEGA.
690
altoes na die eere staet, die mach wel eer ende
prjfl begaen, 39^. Dat si die bliscap niene be-
gaen, Yelth. VIII, 19, 17. Die bliscap, die de
minsce begaet, YIII, 32, 32. Daer hi véle eren
beginc, cHrc 62. Dan mach die brnyt . . .jolijt
ende yrnechde beguen in desen pryeele , iVi?^?. Prö««
334. (Hi) speelde so reynlic ende konstelic, dat
hi gonst, eer ende prijs beginc anden coninc, Geat
Bom. c, 153.
e) In rechte gebruikt, yan het innen van
boeten of geldstraffen. || So wat scepen die rechter . .
ontbiet . ., ende niet en quame, verbnert II se,
rechtevoirt te begaen, O. K. v, JLoit. 24, 50.
Op die boete voerscr. ende die rechtevoirt te be-
gaen binden staende werve, 28, 71. Op II se.
ende rechtevoort te beghaen, 44, 139. Wie dat
niet en betaelde binnen sdaghes sonneschgn, ver-
bnert X se, rechtevoirt te beghaen, 49, 163. Ende
dese boeten rechtevoirt te begaen an den ghereet-
sten panden, die men in den scip vint, 50, 170.
d) Bezoeken. \\ HQ besoechte ende beghinc clnsen
ende capellen, Serv, I, 1544. {Sedert da f) hg die
Gods hnyse beghinc, 2336. Keert . . ten hnsen weder,
die ghi beghinct ap ende neder. Franc. 3863.
4) Omgaan, met den klemtoon op het voorzetsel.
Een plechtigen omgang houden, vooral ter eere van
gestorvenen ; vandaar dat begaen de bet. aanneemt van
a) een lijkdienst verrichten, iemands uitvaart
plechtig vieren. Vgl. hd. fettlich begehen, het znw.
begangnite en het mnd. beganckenie. Kil. circumire. ||
Dos was die Yronwe ter erden brocht: des was de
Grave wel bedocht, dat hise beginc also wel,
Stoke lY, 1149. Met weene ende met zanghe . .
beghinghense papen ende clerke te Parijs insente
Pieters kerke, Sp. III', 20, 64. Dat kint was met
groeter ere begraven ende begaen, Segh. 414. Wi
soaden ramen dit ellende , ende varen Grieken bat
gehende dattie vriende ons mogen begaen; want
die . . lichame rast te bet , die na haerre voorders
wet bi haren vrienden syn begraven, Alea?. YI,
601. Wair enich dode begaen met 4 tortisen of
mit 4 stalkairsen, Leid. Keurb. 43. Hoeneer die
doden begraven syn, so sellen die erffnamen . .
die doden begaen in der kerken . . mit licht ende
mit kersen ende offeren, 483. Na die begravinge
80 selmen die doden begaen ende hoir wtvairt
doen, ald.
b) in het algemeen. Fier en, gedachtenis vieren,
herdenken; vooral van kerkelijke feesten. || Nu so
saldi voort verstaen hoe haer uutlede is begaen,
Ltp. II, 57, 1. Hets recht, dat men sijne feeste
begheyt, Serv. II, 1478. Die wijdinghe . . die
men wale solde begaen, 2254. Dien dag eerde hij
ende beghinck sonder eyngherhande spfse , 1 , 755.
(Hoert) nu vanden seven uren die de kerke daghe-
like houdende es hoechlike, daer wi seven poenten
in begaen die Cristus passien anegaen. Lep. II,
61, 1. Dye hoechtgt, die wy begaen , is ghehy eten
Pascha, £em. S. ld Alsmen gehoghenisse begaet
alder ghelovigher zielen {Allerzielendag) , 154 0.
Die besnydinghe ons Heren, . . die wi huyden
begaen, Bern. W, 10a. Die toecoemst ons heren
begaen, het laatste oordeel overdenken, 19^. —
Men dat ambt (d. 1. officie, dienst) ouch beginck,
dat Christus ghemartilyt waert, Serv. I, 1562.
Om dat Cristus sine pine leet op ertrike , die men
daer begheet ter messen, Lsp. II, 52, 53. Dat si
eene feeste van afgoden hadden begaen, Sp. III*,
32, 7. Tote Rome., dien hogen tilt te begane, III*,
84 , 4. Up onser Yrouwen dach alsemen hare bood-
icap begaet, die annunciationis dominieaef I^, 53,
90. Dat dochte mi wesen tmeeste, dat si up de
tijt beghinghen, Stoke Yin, 836. Mijn huechnis
suldi dan begaen (nl. aan het H. Avondmaal),
O. H. Pass. 10, 161. Met deser figuren beginghen die
Joden dat jaerghetide der doet ons Heren , die toe te
comen was, die wi nu begaen dat si leden es,
Bunsb. 2, 103. Dat gulden jaer van Jubileen te
Rome, twelc van alderhande nacien van volcke in
^oter menichfuldicheyt begaeu wert met alte groter
devocien, Exc. Oron. lS6d. Die ellende begaet men
al mit seven daghen. Pass. W. 202^?. Mit danc-
baerheden so begaen sij daer dage der bliscapen,
Rs. 80 /. 22*. Daer om begaen wij drie duuster
metten, /. Xlfid. Also dat die heylighe nacht mit
veel licht ende mit veel sanghe seer hoechliken
beganghen wort, Rs. 88 ƒ. 47tf. Eenjaergetide — ;
dat ambocht der misse der doden begaen , D. Orde
221; 222; 274. — Bij uitbreiding ook gezegd van
het honden eener kerkvergadering. i| Na dien tijt,
dat was begaen de concilie the Lateraen, D. War.
3, 288, 334. — Ook van het vieren, houden eener
bruiloft. II Sy en waren niet alsoe ghedaen, alsof
sy brulofi hadden bevaen (/. begaen), want haer
helme goet ende duere waren gesleghen in quar-
tiere , Troyen f. 156c.
5) Omgaan , met den klemtoon op het werkwoord,
rondgaan, omgeven. \\ Mine borste also wale beginc
die vlamme te dien male, Yelth. Yll, 16, 33.
Een groot vier . . . dat beginc hem hals ende
haer, Sp. III*, 39, 73. Dat hi hem gave also
breet stede . . . alse eene rieme mochte begaen,
III*, 8, 29 {Var. ommegaen). Syn here wasomme
begaen, som ghesleghen, som ghevaen, III*, 14,
85. Penst omme grote Bertaengen dan, welke
fosseide hem gheliken can diese heft al omme
begaen, Rijmb. 33841 var. (In de twee laatste voor-
beelden zou men ommebegaen ook als één werk-
woord kunnen opvatten , doch vgl. het volg. citaat).
Dit lant is een eylant ende al om mit water begaen ,
Mandev. f. 39 «. — Over het verl. deelw. begaen,
als bnw. gebruikt, zie beganoen.
Wederk. — Hem begaen. In beteekenis gelijk
aan het meer gewone hem bedragen (z. ald.).
Zich onderhottden; zich bedruipen; het kunnen uit-
houden, bolwerken. || Dat halve deel des goeds . . dat
velt aen dien oerden , . . . metten andren halven dele
zal hem mede begaen dieghene, die levende blijft,
D. Orde 237. Wanneer een kerke .. ledich worde,
daer hem twe broeder ofte drie met moghen be-
gaen, die mach die lantcomenduer enen werliken
papen lenen, oft hem nutte dunket, 309.
Onz. — 1) In beteekenis geheel gelijkyoai», doch
met het bij denkbeeld yan voortduring der werking. ||
So dat men daema slapen begaet, 1^. III*, 18,65.
2) Beginnen, aangaan, aanvangen. || Joghet heet
die derde etaet, die te XY jaren begaet.
3) Te werk gaan, zijn wil volbrengen, betijen
(vgl. onze uitdr. laten begaan). \\ Om dattem God
castien liet, so wilder Qod beganghen mede, die
wistet, waer om dat hyt dede, Hild. 50, 106.
Onpers. — Iet begaet mi, iets vergaat mij,
het loopt voor mij af, het gaat mij. \\ Ende begeet
ons dit te vromen, wi willen de borch beleggen
comen, Qrimb. II, 711. Ende ist so met hem be-
gaen, hi en weet wat doen of eerste bestaen,
Rein. II, 4429.
BE6AER, znw. onz. Eig. stam van het ww.
begaren. Begeerte, verlangen. Ygl. Begeer. || Te
Jerusalem was haer begaer, O VI. Lied. 51. Al
hebbic vroude na mijn begaer, therte mach mi wel
wesen swaer, Belg. Mus. 2, 237.
694
BEGA.
BEGA.
692
BEGAERTE , znw. vr.Van hegaren, — 1) Begeerte^
verlangen. \\ Dat Magdalena deerste was, dieGode
sach na sine doot, met hare begaerte groot, Xf«A/^.
2081. Int jaer Gods VIc ende sesse . . voer hi
(Gregorius) te Gode naer sine begaerte, Sp. III ',17, 6.
2) Hartstocht ^ begeerlijkheid,, vooral in het mv. i|
Si ebben gecranst haren lechame met begaerten
ende met zonden , want sise scnwen tallen stonden.
Franc. 2198.
BEGANGELIJC, bnw. Van begangen of begaen^
in den sin van handelen, bedrijven (zie ald. BEDR. 1).
Eig. bedrijvig y en met den 3den nv. van den persoon,
behulpzaam, voorkomend, \\ Gheiyc tkint den vader
beganghelic moet sjjn te siere noot by rechter
sculde toter doot, Jmand II, 3668.
BEGANGEN. Zie begaen.
BEGANGEN (beoaen) , bnw. Eig. verl. deelw.
van het ww. begangen, doch als bnw. gebmikt in
verschillende opvattingen.
1) In het nauw gebracht; benauwd; tot het uiterste
gedreven; in angst, nood verkeerende ; eig. omsingeld,
jl Doe waren die van Gomichem seer begaen ende
en wisten niet te beghinnen . . , ende en mochten
nergent dat hooft wel njtsteken, ende waren be-
gangen laden, want sy geenen troost an niemant
en hadden, Matth. Jnal. 3, 330. Doe die heer van
Arkel ende . . s^n soon vernamen , dat die mogende
vorste aldns an sinen steden ende sloten gecomen
was . . , ick laet my dnncken , dattet doe beganghen
Heeren waren, 331. So dattie Coninc van Engelant
doe int eerste seer beganghen was , ende hadde
wel weder overgegeven sine gewonnen steden, 351.
Doet aldns qnaliken in den lande stont, waren
die heren begangen, Clerc 143. Doe hadden si
gerne . . getogen weder in den casteel; maer si
en konden; si waren so begaen, Merl. 21336. Doe
hi dat sach, doe was hi zeer begaen, Devoet B.
(36) 69 V. Opdatstn alle dye ghene, die omme
dinen wille beganghen waren troesten soudest,
Bern, JF. 6 c,
2) Verlegen, ontsteld. \\ Doe hi {Jezus) Petrum
wonde dwaen,wortPetms zeer te mael begaen, O. H,
Pass, 10, 131. Ghenadighe heer. ., sprac die ridder
zeer beganghen, MLoep II, 499. Den rechter, die
daerof seer wonderde ende wert seer begaen, wes
hy . . dairof sonde mogen wijsen, Matth. 51. Doe waren
die van Gomichem seer begaen ende en wisten
niet te beghinnen, Matth. Anal, 3, 330. Si was
beanst ende begaen {van haar stuk) , , , ende be-
vende . . soe dede si die dore open, Oest. k.f. 153 a.
Sijn wijf was begaen ende si en wist niet, wat si
seggen sonde , d. Menichwerven heeft mi dese twyvel
begangen gemaect sonderlinge, Sp. d. M, 1, 110 <;.
— Vandaar de nitdr. begaen s\jnmetofom
iet, met of om iets verlegen , begaan (in dial.) zijn. \ \
Gi coninc ende al u raet waert hier seer mede
begaen, B^n, II, 4972. Wair yement ... om
een graf beg^n , dien souden die kercmeesters een
ander graf wijsen , Leid. Keurb. 489.
3) Verstoord, boos, toornig. \\ Als die Coepman
dit hoirde , wort hy sere begaen , Matth. 260. Du
arme menschk^n, waerom bistu aldns seer ver-
stoert ende beganghen ? Hs. 88 ƒ. 35 a.
4) Droef te moede, treurig gestemd, || (Si) quamen
weder totten ghesetten daghe seer behanghen
/. beganghen) , want sy niet gevonden en hadden ,
at sy begheerden , Es. 80 /. 12 b. Sy en mochten
daer niet langher bliven, want die nachte was
nakende: merc, hoe sij beganghen waren , /'.157 a.
Als die bisscop des tempels dit hoerde, wort hi
beganghen, /. Ibb, Doe die beganghen allendich
S
man alleen op sijn bedde lach, Hs, 88 /. 68 6. —
Jammerlike begangen, zeer treurig gestemd^
diep verslagen. \\ In vresen jammerlec begangen hilt
hise langen tijt gevangen, Brab. T, VI, 4745.
Die niemare quam al te hant vrou Johannen van
Brabant, dat die hertoghe was ghevanghen; dies
was si jammerlijc begangen , 6253. — Ook begaen
(begangen) sijn met enen, medelijden met
hem hebben, met iem. begaan zijn, \\ Dat eenander
uut minnen ende lyeften mit hem beghanghen is,
Bern. S, lic.
BEGANGENISSE. Zie begankenisse.
BEGANC , znw. o. Mhd. begane.
1) Van begaen, in den zin van over heen gaan;
het trans, gaen (zie ald. bedr. 2). Bereik. || Ie
niet wonde . . al hebben in mgn bedwanc, dat
die sonne heeft in haer begane , Amand II , 3643 ;
d. i. eig.: wat de zon binnen haar bereik heeft,
m. a. w. beschijnt,
2) Van begaen, in den zin van te werk gaan
('zie ald. ONZ. 3). Handelwijze, \\ Sint dat u Pompejus
dwanc, emmer waerdi wederstranc, ende hebt jeghen
ons ghestreden ; quam dat van uwer moeghent-
heden? wat volke waest dat ons oit dwanc ? waendi
hebben an u begane grote hulpe dan tuwer baten ?
Rijmb. 33827 var.; d. i. gelooft gij dat gg dan nu
met (eig. van) uwe handelwijze u zelven nog hulp
zult verschaffen (eig. hebben), dat deze handelwjse
u nu voordeel zal aanbrengen? Deze lezing van
C. is verre te verkiezen boven de andere en onge-
twijfeld de echte.
Aanm.— Van detortelduifwordt iVa^.5/. UI, 3401,
gezegd : „ An vruchte es haer lijfs begane, ende si vliet
des sulfers stanc." De bedoeling is : Met vruchten
voorziet zij in haar levensonderhoud; begane moet
dus beteekenen onderhoud, instandhouding, maar
van het ww. begaen kan deze bet. moeilyk worden
afgeleid. Denkelijk schuilt er eene fout in de Hss.
en moet men lezen: „An vruchten es haer Igf
belanc,^^ d. i. aan vruchten is haar leven gelegen;
van vruchten hangt haar leven af; bg welke lexing
de Hss. V. en|«/. het naast komen. Zie verder
op belang.
3) Van begaen, in den zin van een plechügen om-
gang doen {ald, 46). Staatsie, processie, plechtige om-
gang, plechtigheid. \\ Met hymnen ende met groten
sange ende met sere bliden begange waren si
bracht in der kerken, Sp, W, 38, 45.
BEGANKENISSE (begangenisse), znw. vr.
Mnd. begenknisse, Mhd. begancnisse; hd. (leichen-)
begangnis,
1) Van begangen {begaen) in den zin van over-
vallen, in het nauw brengen fzie ald. 2^). Druk,
bekommering, \\ Een hoemoedich hert . . is onbe-
voelic totten crancheiden sijns evenmenschen ende
en voelt niet horen last ende beganghenisse,
Stemmen 56.
2) Van begaiigen {begaen) in den zin van een
plechtigen omgang doen (zie ald. 46).
a) Plechtige omgang , processie. \\ Dit was in der t^t ,
dat die beganckenis was {te Aken) , Exc. Cron, 1526.
6) Een plechtige omgang ter eere van een ge-
storvene, plechtige uitvaart, lijkdienst, zielmis. |]
Begankenisse ende jaergetijde . . alle twee jaer
doen . . ende begaen, Brab, Y. Dl. 2,bl. 633. Des
goensdachs . . liet die coninc van Behem . . den
doden coninc van Ungarien begraven met groter
solemniteyt ende beganckenisse , Exc, Cron. 294«.
Offer beganghenissen waren of doden of brailoftf
Leid, Keurb, 44. Als men begancnesse dede tot
Hairlem over den here van Sinte Anbin, Oorl. r.
693
BEGA.
BEGA.
694
JUr. 48. Dat si myn lichaem begaven mit be-
hoorliker nyivaert of negangheniiise , Matth. Anal. 3 ,
37. Men ^oef haer doode lichaem in den velde
sonder kersteliker nitvaert of beganghenisse , 208.
Zoo ook 2, 288. Dat si Bisscops Willams be-
nn^enisse ende memori . . in eiken jare . .
doeo sellen, Mieris 2, 460tf (a. 1327). Die
broeden ende die kjnder die tot sijnre .wtvaert
gheropen waren , brochten den nacht . . also inden
loTc Qods toe, dattet niet en sceen enighe be-
gaogenisse eens doden te wesen, Hs. 87 ƒ. SSc.
B£GAPEN , zw. ww. bedr. Het transitieve gapen,
(hergapen,
1) Inslikken^ verslinden. \\T)% eenheit Gods, die
met ewegen hongere . . al dat mint, begaeptende
Terslint, Ransb. 1, 61 (bij Snrius : deAücens absorbeC).
2) Bevatten^ hegrijpen. \\ Nn is die minnende
siele soaderlinghe gnlsich ende ghierich ende gaept
wide. . . Maer si is creatnre, ende en mach die
alheitQods niet begri pen noch begapen, Rnasb. 3,229.
S) Omvatten, bereiken. || Hy voert voele seyls
op een cleyn schip; hy wil voele begaepen,
jeuken 66.
BEGAREN, zw. ww. bedr. Andere vorm voor
begeren, vooral in het rijm gebruikt (zie ald.).
Verg. over de «, De Vries, Mnl. Wdb. 4, en de
daar niet genoemde vormen doren en deren, ver-
taren en verteren, verwaren en verweren, paren
naast peren (Wal. 3806).
Bedr. — 1) Begeeren, willen — a) met den 4den
nv. der saak of een onb. wijs. i| T water dat wilen
ere David begaerde die here van Bethleem der
fonteine, Lett. N. W. 6*, 70. Dn begaers {d. i. dn
begaerdes) oyt dat, nn drinct bloet ende make di
•at, Sp. !• , 9, 27 var. {in Add.). Te doene ter
vaert dat sente Dyonijs hadde begaert, Sp.ll^ , 13,
21. Soe si de zale hogher begaren, soe dieper wielt de
gront, Hadew. 1, 48. Wel scone joncfrouwe, ie begare
jon riddere te sine. Wal. 9772. God gheve jou al
dat ghi begaert. Wal. 2980. Dinket jon goet ende
ghjt begaert, 2987. Die vrouwe die oerbaer begaert.
Vrouw, en M. VIII , 330. Dan ghesciet als men be-
gaert, Wap. Mart. I, 176. Zie verder Lett. N. W.
b\ 79; Yst. BI. 2150; Limb. I, 2744; Rijmb.
4628, 6186, 30843; Rnnsb. 2, 2; Sp. I*, 31, 31;
!•, 49, 13; IIV 66, 29; Tragen 660; Nat. BI.
II, 2426, 2482; L^. Qïosb. ; Htige v. Bord. UI , GO.
b) Met den 2den nv. der zaak. || Hi machs vraghen ,
dies begaert , Ltp. 1 , 1 , 67. Walewein es mine
name . . ; so sect mi dn we, of ghijs begaert. Wal.
1071. Alse die vechtens begaerden, Bleg. 390.
Waer daer iemen dies begaerde, 1147. Nu creech
hi des hi begaerde , Hild. 145 , 233. — Ook met eene
bepaling met op. lete van iemand begeren. || Die
hem Ueve sonde doen ende waerde, waertdathgs
op hem begaerde. Lep. I, 27, 61. — De onbep.
wjs als znw. gebruikt. Fer langen, begeerte. || Die
wisen setten hoer begharen in ghenoechten altemale,
Hild. 218, 144. Als die heren weert in de sale
vergadert vraren, vrageden si welc sgn begaren
wair ende wat hi wilde, Orimb. II, 968. God
maketae dor haer begaren, na haren wille maertelaren,
^. rV', 21, 26. In groet begaren, dat si gecrigen
mochte gesonde , IV*, 43 , 28. — Ook kan begaren ge-
bmikt worden van onvrijwillige handelingen. Zoo
wordt bg Velth. Kerstendoem begaren ge-
bruikt Toor ket Ckrietendom willen aannemen. ||
Daer ai dns reden . ., qnamen dese crucenaren
ende rrai^eden, of si kerstendoem begaren, ende
wie die des en wilde niet, dien daden si pine ende
verdriet, Velth. V, 16, 24.
2) Enen — , iemand begeeren bij zich te hebben ,
oproepen. \\ Om dit trac in Vlaendren myn Her Jan
van Namen tallen steden dan, ende begarde tfolc
gerede al Vlaendren, Velth. IV, 68, 48.
3) Enes — , het op iemand gemunt hebben. \\
Seghelijn, die sgns begaerde, sloech hem so met
sinen swaerde in syn scondere, Segh. 4361 var.
4) Met eene zaak als onderwerp. Iets gaarne
doen, gewoon sijn, plegen. \\ Dese (steen) begaert in
lode te staen. Nat. BI. XII, 1320.
* BEGAT, verkeerde lezing voor bega et van
bega den, bewerken (zie ald.). || Dat kordewaen,
ruych ofte begat (/. begaet) , R. v. Vtr. 1 , 213 , 72.
BEGAVEN, zw. ww. bedr. Mhd. begdben\ mnd.
begaven. Van gaven (zie ald.).
1) Stoffelijke gaven schenken, begiftigen, be-
schenken. Met den 3den en 4den nv. van den persoon. ||
(Stephanns), die bi sgnre pamslijcker benedijngen die
plaetse begaefde, Exc. (>oi». 19c. Die coninc santse
mit groter eeren beghift ende begaeft weder in hoer
landen , 69d. Die armen begaefde hi , die naecte clede
hi, 76c. Daer nae qnam die Honghersche coninck ende
begaefde den heren mildeliken, ^Id. Ik wil n begaven
ende schoone giften geven, Heemsk. 31. Ist dat
yemant huyert een maget , eer dat hij ondertrouwet
is, ende slaept hi mit haer, so sal hyse begaven
ende te wflve hebben, D. B. , Exod. 22, 16. Haren
vrienden sal hi dan beghaven mit suverliken
ghiften, Barth. 194*. Die coninc begavede menege
vrouwe, Merl. 7670; vgl. 7679.
Aanm. — Voor begaven, Velth. III, 46, 76, lees
begaden. Zie Taal- en Lettb. 6, 308.
2) Geestelijke gaven schenken; met onstoffelijke
eigenschappen toerusten. || Onse lieve Here ons mit
drien manyeren van gaven begaaft, Ned. "Proza
163. — Meestal gebruikt in het deelw. beeavet
(begaeft). || Dat hg namels mit overvloeiende ghe-
naden Goods begavet sonde worden, Hs. 88/. \d.
Doe . . wort hy mit groten gheesteliken t roest in sinen
ghebeden begaeft, 4c. Wort hy mitten vroechden
des heilighen gheest wonderliken begavet, 10c.
Hy wort van den Gheest Goods begavet, Via.
Want Sinte Franciscus rechtevoert mit groter
vleischeliker becoringhe begavet wort, 20a. Mit
also groter droef heit des herten wort hy begavet,
Md, Vander godliker minnen verwackert, begavet
ende ontfunct, 39^. Sijn hert wort mit vruechden
ende mit rouwen te samen begavet, 67rf. — Vandaar
ons bnw. begaafd.
3) In de bepaalde opvatting van met den geest
Oods vervullen, bezielen, in geestvervoering brengen.
II (Hy) wordt also begavet, dat hy van hem selven
anam , Hs. 88 /. 46<^. — Vandaar het nog heden in
dialecten levende begavenis (begdves), voor toeval,
beroerte.
4) In het algemeen. Vervullen. \\ Die heilighe
gheest der wysheit, der verstandicheit . ., moet
di begaven ende vervollen, Ned. Proza 112. Zie
ook Ondem. 1, 389.
BEGAVER, znw. m. Hij die gaven geeft, uit-
deelt; zegenaar. \\ Alreovervloedichste begaver , alre-
rechtvaerdichste ghelder ende betaelder, Bern.
W. 141a.
BEGAVENISSE. Zie begaven 3).
BEGAVINGE, znw. vr. Van begaven in den
zin van bezielen (zie ald. 3). Bezieling. \\ Soe wort
hy noch nare tot meere begavinghe Goods ghe-
toghen, Hs. 88 ƒ. 4c en 6a. Van der godliker
begavinghe , die hem nae synen wensche ghegheven
worde, 23c. Als hy onder dat volc onversienliken
van den here enige begavinghe ontfinc, 46 c. Soe
695
BEGE.
BEGE.
696
wanneer die knecht Goods in sinen ghebeden enighe
begaYinghe ontflnc , dan selle hy segghen : o Heer,
desen troest hebstu mj . . vanden hemel neder-
ghesent, ald.
BEGEENSIDE, voorz. met den 3den nv. Het-
zelfde als beffonnde; z. ald., en ygl. bedesside.
Aan ff ene zijd^ van; hd. jenteits von. \\ Van een
weghe te makene begheenzide sinte Truden bmgghe,
aangeh. Invent. v. Bruffffe Gloss. 592^.
BEGEER, znw. o. Eig. stam yan het ww.
hefferen, Beffeerte^ verUtnffen. \\ Dient den heren
met ylite! dat is al mgn begheer, Hor, Belff, 10,
188. Neemt ghine, seit Pylatus weer , end crunsten
self na jn begheer, O. H. Pat^. 21 , 539. Te cnssen
di is sijn begheer , a/£?. 24, 666. Al mijn begheer ende
oech mijn troest hebbich zn deer, Vad. Mus. 1,
380, 1.
BEGEERDE (begerde), znw. vr. en o.; hd.
beffierde. Beffeerte^ verlanffen. \\ Dese Keyser wonde
emmer weten , ende leider ane al sijn begheerde, hoe
groet Yan gonde ware sine werde , Belff. Mus. 10 , 68 ,
36; y^kij verlangde met alle ffeweld^ wilde ff aarne
weten,^^ Ende moechdi mi daer helpen an, dat mijn
begheerde warde veryult, MLoep 1, 640. Daer hi sinen
broder ter eerde doen mochte na sine begeerde,
Lane. III, 6963. Oec selke vrouwen, alsijt weten,
hebben begerde om erde teten of crijt of colen sonder-
linge , M, en Vr. Heim. 1119. Dien u mint hem weder
bemint, . . ende weder gheeft begheerte den be-
gheerden, D, War. 3, 247, 15. Fallax hadde
begerde negene, dan om Flandrijs te slane doet,
Flandr, I, 359. Die onderste begerde gelicter Iven,
ende die overste Adame, Limb. Serm, 16d. Omme
tanhoorene zyne begheerde, Invent. v. Bruffffe
5, 446.
BEGEERLIKE, bnw. en bijw. Van begeren
(zie ald.). Mnd. befferlik.
Bnw. — A) In actieve opvatting. >
1) Begeeriff. ]'• Dese menschen en hebben ghenen
begheerliken lost tote den heylighen sacramente,
Rnnsb. 3, 182. — Die begheerlike cracht,
de kracht d-er beffeerte. \\ Si moet vervullen die
begherlike cracht, 1, 24. Die andere natuerlike
cracht , dat ia die begeerlike cracht. Die aal gheciert
sijn metter ander sedeliker doecht, die hetetGhe-
maticheit, 4, 139.
2) Innig ^ vuriff^ hartstochtelijk. || Hier omme
als bi naturen recht hebben wi begerlic vermanen
te al dat wi goet bewanen, Sp, II •, 74, 120.
Dat hy alle den dach mit begheerliker minnen
overdochte, Hs. 88 f. 4:1c. Een vrouwe is erbaer,
begeerlic, eerlic ende lieflic, Sal. e, M. 44. Si
plaghen die doden mit begheerliken tranen over te
bescreyen , Barth. 532A. Enen ynnighen , verhavenen,
begheerliken levene , daer vele menschen toe comen
overmits doghede ende die gracie Gods , Ruusb. 6 , 4.
B) In de thans nog gewone passieve opvatting.
Waardiff om begeerd te worden. Reeds in het Mnl.
gebruikeiyk, b. v. MLoep II, 3503.
Bijw. — Met aandranff , met ijver ^ met inniffheid, ||
Soe dat ghi . . claghet hem algader uwen noot
seere claeghelike, ende baedt hem begerlike beide
om hulpe ende om troest, Brab. Y. Dl. 2,
bl. 34, VS. 38. Dan sal in oerbare dies heileghes
landes menech minsche sijn bloed sturten . . ende
selen dan Gode vergelden de doet , begeerleke ende
devoteleke, die hi doer hen leed betterleke, Christ,
1103. Daer diende ter tafelen menech edelman
en diende seer begeerlijc ende met groote naerstig-
heid, om dat er niet gebreken sonde aen spijse
en drank, Heemsk, 2 (de lezing is in orde en de
verandering van Matthes (bl. 187) overbodig. Ygl.
het Lat. cupide). Dienende Elizabeth oetmoedelic
ende begeerlic ende mit eemste, Hs. 80 ƒ. 223.
BEGEERLICHEIT, znw. vr. Door Buusbr. ge-
bruikt voor — 1) de set el der begeerten .^ het ge-
moed. II Onder alle dogede, die onse gevoeleke
begeerlecheit , ons voor indrukken vatbaar gewtoei^
ufeiien jnach, soe es dat eenvoldige verlangen
meest te prisene , 1 , 86. Dat hoechste werc der
karitaten, na wise der begerlicheit , 87.
2) Be begeerte^ het verlangen. \\ Om ons gherecht
te makene, leet hi die doot in groter minnen
ende begheerlicheden , ex vera charitate et den-
derio, 4, 126.
BEGEERNESSE, -nisse, znw. vr. — 1) Begeerte,
beff eerlijkheid, ffulzigheid, wellust, \\ (Gk>d) sloech
alle die liede doot, die omme tfleesch maectea
noot; dies nam die stat die name daer ave vu
begheernessen die grave, Rijmb, 5588, ^sepnlcn
concupiseentia.^* Phinees . . greep een steecswaert,
ende ghinc inden bordeel na den man van Israhel
ende doerstacse beide te gader den man ende dit
wijf in hare begheemissen , D. B., Num, 25,8.
2) Beffeerte, verlanffen, lat desiderium, \\ Begemisse
ende gebrukennisse gots, lAmb. Serm. 182^.
BEGEERRE (beoerer), znw. m. Van he-
fferen in de tegenw. beteekenis. Hij die begeert,
verlangt. \\ (Jhesns) hevet vele begheerres sgns
troestes , mer luttel die drucke ende Uden begherea,
Kal. 7, 166. Een begherer der vreemder dinghe,
Hs. Ib f. 117e {Hs, N, T, 83p: een beghccrre).
Begheerre in vele wisen alre eren ende vrachtere,
Velth. VII, 20, 58 {aldtu leze sm» voor begherei,
zie Tijdschr. 1, 288).
BEGEERT, znw. o.; hd. das beffird. Begeerte,
verlangen. || Nu secht mi, wats uw begheerl?
Lansl. (H) 255 en 696. Dit gebot verbiet begeert
of consenteringe enigher echtscap vleischelic mit
wiven buiten echtscap t« hebben, Con, Som, bè.
BEGEERTE (begerte), znw. vr. en onz. Fer-
zoek, verlangen. Hetzelfde als begeerde {zie ald.). \\
Vrouwe, dits mine begherte, Theoph. (Bl.)989.Ihi9-
daneghe dinc dedem sijn herte vallen in qnaden
begherte, Theoph, 359. — Ook in de uitdr. een
begeerte doen, een verzoek doen, het verlangen
kenbaar maken. || So was ghedaen aen die vtn
Ghendt een begheerte, als dat si tgelt sondes
ofstellen ten derde, aang. Invent. v, Brugge Q\ou.Wi'
BEGEGENEN, zw. ww. onz. Hd. begegtnn.
Bejegenen, ontmoeten, \\ Dat hem wat wonderlics
begeghent was, Hs. 88 /. 58c. (Hi) gheliedc open-
baerlic wat dat hem begeghent was, 67c.
BEGECKEN, zw. ww. bedr. Mhd. hegtcke%.
Voor den gek houden, misleiden, bedriegen, den spet
drijven met. \\ Dies ben ie, aerm keitijf begeectmidi
mire grote roekeloesheit , D. War. 3, 243, 61.
Als een man een wfjtf beghecket, daer hi liefde
mede pliet, MLoep I, 2708.
BEGECKINGE, znw. vr. Mhd. öegeckinge. Be-
spotting, beUediging. \\ Alle twist, achtercüp, be-
spottinge, begheckinge, leugentale, . . etc. sckon-
wende als een doodelycke peste , Belg. Mus. b, 190.
BEGELDEN, st. ww. bedr. {begalt, begoude»].
Van gelden (zie ald.). Betalen, voldoen. \\ Ie vi«
sculdich offerhande om salicheit: huden heb ie
mine ghelofte begouden , D. B. , Spreuk. 7 , 14
BEGEN, znw. o. Andere vorm voor fcy»,
Sp. II', 11, 95; Vad. Mus. 2, 177, 32; Rnnsk
Dl. 2 Gloss.; Rincl, 226; enz. Zie BEGIN.
BEGENNEN , andere vorm voor begi9inen,Boelfe.
82, 83; L, o. H. 4024\Esm, 30; Serv, I, 1; CêU
697
BEGE.
BEGE.
698
1438; Vod. Mm. 2, 177, 31, e. e. Zie beginnen.
BëGENë , bijw. , in de verwante talen onbekend ;
misschien samengetrokken nit bi-ge-eene (vgl. y^-
iwee^gedriey geviere enz.). Vgl. Jonckbloet, Aant.
op Wal. Dl. 2, bL 295 vlg. en Halb. Aant, 80.
Bijeen^ te samen ^ te gader^ vooral in verbinding
met «/. Ongeveer hetzelfde als atgader en als
al gemene^ waarmede het soms in varr. afwisselt.
Het woord was al in de middeleeuwen aan het
uitsterven, blgkens de talrgke varianten. || Tleec
volc begene, clerke ende tgemene diet die en
wilne kennen niet, Bp, III ^, 38, 26. Hare tanden
waren nut beghene gevallen, sonder een allene,
"BijMé 347 var, {tehet gemene). Hl hadde C. ende
XY kinder, sonen warent alle beghene {zonder
vUiondering) , Sp, I', 49, 4. Tfier verbernetse al
te male ende dat daer in was al bégheene , sonder
hi ende sijn kind alleene , S^. Dl. 2, bl. 106, vs. 20.
(Hi) voeredse dor there gemene, ende sivliekense
alle beghene , Sp. III^ , 56 , 41. Die edele XII stene ,
die 6od vercoren heeft al begene , Troyen 5414 var.
(de tekst van Segher had ten onrechte degene ; vgl.
Tekttcritiek , bl. 23). God gheve hem al beghene die
quaet voerdren ens,^ Eoee 6907 var. Want hiit mi
seide in ware tale van den rauwe al beghene,
4164 var, (Venus) die al beghene die rosen plucte
entie blade, 2924 var. (de tekst heeft al rene ^ waar-
mede het ook yr^wel in beteekenis overeenkomt).
God die macht hevet ende ghebod over ons allen
beghene, ÏFaL 7049.
2) Als versterkend toevoegsel staat begene on-
geveer in den zin van met allen (zie al, kol. 319). ||
Sijn name horde hegheene {vooral, in Aef bijzonder)
een heiden coninc, Sp. III*, 46, 48. Vrient,
dronckenscap scnwe beghene, want so es vul
ende onreene , Bouc v. Sed. 904. — Vooral met eene
ontkenning verbonden. Nieman, niet (clene)
beghene, niet met allen y niemendal, niets ter
wereld of niemand ter wereld, in ^t geheel niemand.
II In wille hem niemene geliken no moenc, no
eensedel begene, no bisscop in die werelt gemene,
^. m^, 38, 10 (de lezing is in orde en de door
de uitgevers van den Sp, Hist. voorgestelde ver-
andering overbodig). Fransoys, die hem clene up
zine wjjsheit begene getrooste, Franc. 1539. Dat
vroomt andren lieden clene, ende mi selven niet
beghene, 4954.
BEGERDE. Zie beoeerde.
BEGEREN, zw. ww. bedr. /
1) In de hedendaagsche beteekenis, doch ook in
de ruimere opvatting van vragen, verzoeken, het
verlangen uitdrukken of te kennen geven. \\ Omme
de likedeelres . . te begheme datmensejustichieren
zoude, Invent, v, Bntgge 3, 435. Nooddorst ende
lavenesse comen begheren, 6, 14.Bistandicheyt {hulp)
beghercn an enen, 3, 502. Aelmoessene begheren ,
6, 476. — De onbep. wijs als znw. gebruikt. || Ie
gheve hem al siin begheren , lAmb, X , 762. U be-
gheren wort wel gedaen, Lett.N,R.b,2S2, 24.—
Tewesen begeren, ergens gaarne willenzijn, jj
Ter brulocht wert, daer si sere te wesen beghert,
Lmb. XII, 1287. — Ook met den 2den nv. || Alsoe en
sal der vrouwen Igf niet eens anders mans begheren ,
X PI. 2166. Ofte hi Melioers hadde begheert,
Parth. 2119. Nu come vort dies beghere , Eleg, 1150.
Dit seit hi dat recht is ende begeert des ordels ,
R. V, Vtr. 2, 102; vgl. 103. Mede so begheerde
hi eens ordels van ons, 137. Zoo ook elders jdojw'»!.
Hier en begerlc uwes comens twint Bose,fr. bl. 256 ,
234 (op deze plaats kan men öf den 2den nv. be-
tchouwen als van begeren afhangende, en ttoint
als bijw. opvatten , öf den 2den nv. van tioint laten
afhangen, in welk geval begeren hier een4dennv.
regeert). (Hy) begheerde raets van hem, Hs.
88 f. 9c.
2) Het gemunt hebben op, — a) Met den 4den nv.
der zaak. Het op iets gemunt hebben, iets treden,
aandoen, \\ Droemen . . . van vuere, van blixem ende
van anxteliker barninge der luchten , twelc gheschiet
van enen vierighen roke, die de herssen begheert
ende die ymaginaci verwandelende is, Barth. 88d
(wel als latinisme te beschouwen; lat. petere),
b) Met den 2den nv. van den persoon. Hei op
iemand gemunt hebben, hem aanvallen, aantasten, ||
Als die coninc sijns begerde, tart hi bat naer ende
Srant den gonen tsweert uter hant, 7274. Die
aer meest sijns begherde dedi so, dat hine ghe-
rochte , dat hi tlictekin toghen mochte , Wal, 6422.
Dandre, die sijns begheren, si torden an metter
vaert, 7302.
3) In rechte. De medewerking of tussehenkomst
inroepen van. \\ Als die nachten ommegecomen syn,
so sal die rentmeesters clerc begeren den rechter,
dat scependom ende den clerc ; ende gaen . . . ende
vercopen der luden goet, ende eigenen dat, so
voirs. is, Matth. 172.
4) Rechten doen gelden op iets, iets opeischen,
fr. réclamer. \\ Nemmermeer eenich recht te heeschene
noch te begheerene ant voors. leengoet, Invent.
V. Brugge 6, 212.
BEGERER. Zie beoeerre.
BEGERINGE, znw. vr. ; mv. begeringen.
1) Begeerte, verlangen. \\ Ende en gheert dit noch
dat dan ghelt, dit is al sijn begheringhe, MLoep
1 , 24. Utegerect van begeringhen , D, War. 3 , 346,
425. Te stervene was haer begeringe, 4, 277,
301. Al ghecr|jghen wfj onser herten begheringhe,
Vad. Mus, 4, 129. Mit vuerigher begheringhe
ende crachtigher wtstreckinghe , Stemmen 161. Hi
is oec een minne in mjjnre begheringhe, 139.
Ongecuste begeringen, die el niet genoegen en
mach dan minnen , Ruusb. 1, 32. — In der be-
geringhen sijn, begeerte hebben, \\ Die sulke
riddere . . ., die in der begeringhen zgn, der
ecclesien viande mit crachte te verdri venene , D,
Orde 210.
2) Zondige begeerte, begeerlijkheid, aanlokking
tot zonde, hartstocht. \\ Om dat ie begeringe . .
van den minsce quam te heme {Christus), Velth.
VIII, 29, 21. Daer om dat si daermede begheringhe
. . miden ende ontvlien wouden. Gulden Troe%
f. 58tf. Din bosen begeringen mag si so lange
volgen, si compt in bosen wille, lAmb. Serm.lba.
Alse die twe begeringen dan also versellen, so
geselt die sonde , ald. c. Si ontstaken in hare
begheringhen {in hartstocht voor Suzanna) , Hs, v»
1348, 86d. — Zie ook bedrieginge.
3) In mystieken zin. Innig verlangen, innigheid.
Vgl. BEGEERLiKE. jj Doeu beghonst Eerstine al
saen Te denm laudamus met groter be-
geringhen, Christ. 1188. Die in den daghe synre
sterflicheit offerde bedinghe ende begheringhe flat.
siipplicationes) tot den ghenen, dien vanden aoot
behouden mocht, Hs. 75 Hebr. 5, 7. Alse wl
hebben moten, in allen dogeden, minleke bege-
ringen, Ruusb. 1, 84.
BEGERTE. Zie begeerte.
BEGETEN. Bij gissing door de uitgevers van
den Sp. Hist. hersteld voor beheten, Sp.'lTL*, 43,
63. II Dan ga ie pensen ende maerken om apostelen
ende om patriarken, om maertelaren ende om
propheten, die en laten mi niet qualyc begeten*
T 1
'/ .. ,
^
6Ö9
BEOE.
BEOE.
700
Het 18 het tegenovergestelde van vergeten (= ags.
andffUan ; ohd. antgezan) en beteekent dus {iets
kwaads) bedenien. Reeds het Got kende bigitan
in de bet. vinden , verkrijgen ; ohd. bigezan ; ags.
begitan; eng. ^ dé'^tf^. Zie de noot op Sp. Hist.
Dl. 2, bl. 138.
BEGEVEN, st. ww. bedr., wederk. en onz.
Mhd. begeben ; mnd. begeven.
Bedr. — 1) Met een persoon als object in den
4den nv.
a) in de tegenwoordige beteekenis. Verlaten^ in
den steek laten^ aan zijn lot overlaten. || God harde
node begheeft, dat hi so diere ghecocht heeft met
sinen pretiosen bloede, Wrake III, 279. So sal
die man volghen den wive, vader ende moeder
begheven, Rijmb. 680. Vgl. verder JVa»r. 8818;
Ferg, 4282; Flor. 812; Lorr. I, 339; II, 1240;
Beatr, 138, 436, 468; Heemsk, 63. Urake, die sijns
(afA. van niet) niet begaf, Farth, 3408.
b) Met rust laten. \\ Worde mens iet gheware,
der leider niemare , die ons langhe heeft begheven ,
Belg. Mus. 10, 92, 111. Wie langh seldi mi hier
doen merren? wanneer seldi begeven mi, dat mijn
siele qnite ende vri moegh wederkeren te haren
sceppere? Christ, 1578.
e) Faanoel zeggen. \\ Overmids becoringen begaf
hi Gode ende sochte gerief, Rnusb. 1, 64.
2) Met eene zaak als object in den 2den of
4den nv.
a) Verlaten. \\ Malcrois hevet hi begheven , sijn
casteel, Kein. I, 273. Comter enich by gheval, in
een goede Inwe haven, si waren sot die die be-
gaven , ende seylden weder in dat meer , Hild. 246 ,
146. Water ende gras es haer leven , teerst dat si
den boom begheven. Nat. Bl. III, 737. Oft elc
behonden wil sUn ors ende sine wapine ende sijn
leven soe saldi dien wech begeven , Lane. II , 43690.
Daer hi een begeven hans vernam, III, 4660.
Een gestichte bi Assise, dat begeven was ende
tevallen. Franc. 1664. Hi soude des lants moeten
begheven, Brab. Y. V, 4817. Dan sal hi slives
begheven, Lanc. II, 46404.
b) Nalaten^ achterlaten^ vaarwel zeggen^ op-
geven, il Ie hebbe gheleeft bi sdnvels aert ende
hebbe die hope van mi begeven, Sp, IV», 64,32.
Dese bant mach hi vergaen, ende werden al be-
gheven ? Limb. XI, 672. Dat hi wel geware waert , dat
hi emmer moeste begeven sinen vrille , Franc. 4986.
Hadstn niet begeven tgebod, dat di God gehoed,
Rijmb. 360. Ie moet leiden een ander leven; dit
abjt moetic begheven, Beatr. 79. So wilt alle
droef heit begheven, die der werelt toebehoert,
Melib. 170. Die rudders begaven die scande , jPra»c.
3876. Een testament, een wet, die en selen wi
niet begheven. Wrake I, 1710. (Si) begaven met
haren scaren dat dolen ende achter lande varen,
Sp. I», 16, 24. Dus heeft hi Gods ghebod be-
gheven, Bijmb. 9032. Si hebben begheven dat
vechten binnen in die stede, 30922. Eten, slapen . .
dats dat si node begheven. Nat. Bl. III, 339.
— Ook met den 2den nv. || Si beghevens bat,
Flor. 68. Beghef diere sotheit, 2112. Gi seles be-
geven, Lorr. I, 869. (Sodat) soes vordan souden
begeven, Vrouw. e. M. III, 63, 6. Derre talen
seldi begheven, Beatr. 698. Menne wouts niet
begeven, Stoke VI, 187. Oec en wil sijs niet be-
gheven. Nat. Bl. VII, 286. Dat klnt des niet
begaf, IV, 412. (In de drie laatste voorbeelden
kan niet ook de regeering van het ww. zyn,en de
2de nv. van niet afhangen). Ghi hiet mi dat ics be-
gave, Parth. 2970. Daetsi wel, si souts begheven ,
Rein. I, 21. — Ook met van in plaats van den
2den nv. || Vrouwe, van dier talen begheven wi,
Parth. 3632. — Somtgds ook met een onb. w|t. |j
Menich heere , daer ie begeve te vertellene af die
name, Heeln 1296. Dore die noot moesten si b^
gheven meer te vechtene ende vlien , Wal. 6426. —
Die werelt begheven, afstand doen nm ii
wereld en hare genietingen^ haar vaarwel zeggen,
d. i. in een klooster gaan. Vgl. bij hem begeven. ||
(Hy) vercoft ... al dat hy hadde ende begaf die
werelt, Hs. 88 ƒ. 117 c. — Vooral gebruikt via
het vaarwel zeggen van zonden^ ondeugden, tai.\\
Ie eere zonden plie, die ie minne so ntermaten,
in canse begeven no gelaten, Sp. IV', 72, 12.
Wildi archeit al begheven , ende daeraf te biechte
gaeu. Rein. I, 2940. Wye dat leert in miimeo
leven, die moet ghiericheit begheven, Hild. 85, 57.
Die prelaten . . . selen. . . ghiericheyt begheven,
Wrake III , 1074.
Aanm. — Limh. VI, 2720: „Het sonde mi tl
miin leven ronwen, liet iet mi dus begheveo:
waendiit mi al ontcreghen ? Neghi bi Gode ende
ghiiic haer ane , '*'* is de nitdr. vreemd en het rgm
is bovendien onzuiver. Ook ontcreghen \atffaX,èMi
het geen onb. wQs is, begeven. Misschien moet
men lezen: „Lietict mi aldus begeven i waendiit
mi al ontgeven? "^^ en verklaren: „Het zou mQ eeuwig
spijten, indien ik deze gelegenheid liet voorbijgaan;
gelooft gy mg hierin te zullen verhinderen, m|
die gelegenheid te zullen benemen?^*
c) Ophouden , eindigen , staken , ee» einde v»aken. —
n) Met een znw. in den 4den of 2den nv. || Wir
es alsulc in allet lant, die soude in dnsdtneD
donj'heu sijn wenen begheven moghen, MiB.
183. Hieraf eyst tyt te beghevene die sprake,
Jmand I, 6938. Dat soe begheret hare wenen
ende hare carmen , Wal. 2128. Die doet doot al
begeven. Rosé 7660. Eer hi den slach begaf,
Limb. III, 366. Die vrouwe si begaf alle diinc,
Vrouw. e. M. VIII, 130. Hi begaf thant sine snre
woorde. Flor. 2684. — Dat menighen mao wort
te sure, eer si storms widen begheven, Stoke
IX, 440. Ie salre of segghen, eer ics begheve,
IV, 1078. Doe vandic daer meester Reinaert, die
siere lesse hadde begheven, Rein. I, 164. Een
Vrederijc begaf, sloechi haer II conioge af, larr.
fr. III, 321.
^) Met een onb. wijs. || Eer soe noit begaf han
spel jeghen den riddre te drivene, Wal. 9680,
Wet dat ie niet en begeve, alse lange alsiclere,
te prisene van Egypten tlant, Sp. III*, 38,3.
y) Met een afh. zin. || Ie bidde u, dat rki
niet en begheeft, ghine 8|jt ghetrouwe dengoedei
lande , Glor. 616.
— Vooral gewoon in de uitdr. Sou der b^
geven, zonder ophouden^ onafgebroken, aektereny
voortdurend. \\ Ten sesten wighe . . . vacktma
achter een LXXX daghe nacht ende dach sondcr
begeven, Sp.\^, 17, 71. Rouwesonder begheven bleu
■mi vort al miin leven, Ztmd. 11,67. Dat ics hare al
min leven dancken sal sonder begeven, R^e 6S6
var. Si hare danse dreven ende hare spel sonder
begeven, 7963. So leedde hi ginder agn levei
sonder enich ooc begeven, Fraeu. 4767. Sonder
begeven es hi in den gebede bleven, 6291. Host
van herten sonder begeven, Cass. 265. Hare ei^>
te sine sonder begeven, 1426.
d) Loochenen, verloochenen, ontkennen. Met ea
obj. in den 4den of 2den nv. || Ie weet vtl,
dat hi gherne soude sine wet begheven doorkare,
Parth. 6810. Die ene secgen , hi es waerlike die
m
BEGE.
BEGE.
702
besta riddere van ertrike, ende andre lieden be-
gheTen des, ende seggtu, dat hijs niet en es,
Lainc. n, 31546. — Ook met een onb. wgs. || Twee
broederen . . begaven te wesene broeder, ende
hadden orloge swaer ende groet, zij verloochenden
den broederband, S^, I», 78, 12.
3^ Yan geven in de hedendaagsche beteekenis.
a) In beteekenis gelijk aan (m% geven, \\ Doe begaf
si den geest eer iet lanc, 8p. II*, 7, 18.
h) Yan geld. Uitgeven, in betaling geven, \\ Mits
datmens in Yrieslant niet hogher begbeven en
mocht, vermita men kei tekild in Vriesland tegen
geene hoogere waarde mocht uitgeven, Oorl, v.
Jlbr, 269 (de 2de nv. des (in mens) bangt niet
af Tan bet ww. , maar yan bet snw. niet). (Dat) de
Toors. tresoriers begbeven moesten tvoors. gbelt
na den prise ende weerde , Invent, v Brugge 5 , 19.
e) Begelen , rangtchikken , de plaatten aanwijzen,
Ygl. onze nitdr. een ambt begeven. || De boofmeester
ronpt den chanson ende dan de cbanson begeeft
de tafele, MaUb. Anal. 1, 271.
4) Zenden, doen gaan (vgl. ons wederk. ww.
tieh begeven); alleen gebruikt in verbinding met m
een chetter, tempel, abdie, ordine en derg. Iemand
M een klooeter doen gaan , van de wereld afzonderen,
mowtik of non laten worden, \\ (Si) bebben den
coninc Hilderike in enen cloester begeven . . ende
daden bem moencs abijt andoen, i^. UI*, 68, 17
{Brab, T. I, 1216). Hare entie docbter hi begaf
in ene abdie bet af, III', 44, 101. Darins die
stont daer na, datse (Mtasia) hem die vader wilde
gbeven . .; want hire bem niet wilde gonnen,
begaf bise inden tempel der sonDen, I*, 49, 24.
Yrient, hebt maten in n ron; ik sal n kortelnc
begeven in een rgk klooster, Heemek. 91. Dat de
voorseide Clays zine . . dochtere wilde begbeven
ende doen cleeden int cloostre van de Jacopinessen,
Cont, V. Brugge 2, 206. W., de welke zire zuster
begaf int clooster, Invent, v, Brugge 4, 420. Gbe-
gheven A., de welke zire docbter begaf ter Nonne
bossche, ald, — Een kint begbeven, een
kind in de eene of andere geestelijke orde doen
opnemen, het voor den geestelijken stand bestemmen,
il Dat men ne offere enigben nieuwen papetosire
eerste messe noch enigben kinde dat men begbeeft
.meer danne Y scelegen parisise, Cout, v, Brugge
1, 356.
Onz. — Geiyk men in bet Mnl. zeide: mi
begeven al die lede, de kracht in al mijne leden
begeeft mij (b. v. Lorr. I, 128; iSjp, IV, 49, 183;
vgl. Ferg, 4062: „So dat den orse alle die voeten
begaven ende bet viel te hope"), zoo kon ook
het onz. begeven de beteekenis aannemen van zijne
kracht verliezen, verminderen, of in gemeenzame
taal het afleggen, || Doet wel die wile, dat ghi
leeft, want wanneer ghi bier begeeft, so deylt
men uw goet in drjen , Stemmen 14. Men doe bem
thoeft of, et levet langbe nadat die buuc beghevet,
Nat, BI. YII, 530. So die mane meer lichts bevet ,
so die sonne meer begevet, Alex, III, 1267.
Wederk. — Evenals in het mnl. de werelt be-
geven geVjk staat met onze uitdr. de wereld af-
tierven , zoo was hem begeven hetzelfde als zich
zelven afsterven, afttand doen van zich zelven,z%eh
geheel verloochenen, zijne zondige natuur dooden,
Yandaar dat hem begeven de bet. aanneemt van
van de wereld afttand doen, zich van de wereld
afzonderen, in een klootter gaan, || Het ne ware
<ut ghi u leven wandelen wout ende u begeven,
ende hier bliven in religione , Lanc. II, 8205 (vgl.
17978). Ie hadde gedaen belof, behildic in den
wgcb min leven, dat ie mi dan sonde begeven,
17979. Sone willic van u niet keren, maer ie wille
mi met u begeven, ende met u bliven al min
leven, lY, 13008. Dijn lief die di dede begeven
es in dien tornoy doot bleven, Sp, V , 74, 117
(er moest eig. staan: „die di di dede begeven,"
vgl. Franck op Jlex,, bl. 426). Te Clervaus mede
gbevel , dattem een begaf . . . ende belovede moene
te sine, ^. I', 79, 1. Ie wille mi begbeven,
Rein, 1, 1501. Soe willic der minnen voert afstaen
ende mi in enen cloester begeven, Jiol-fr, 403
(het onz. begeven komt in deze bet. niet voor:
daarom is mi ingevoegd). Storve oec joncvrouwe
fierte joi dat si hare begave. Oor kb, 2, 134 d. —
Ook met toevoeging van het praedicaat moene
of nonne: d. i. dus eig. zich alt monnik of
non, d. i. door monnik of non te worden, af-
tterven, || Die liet varen der werelt eere, weelde
ende ridders leven ende beeft hem moninc be-
gbeven, Brab, Y, II , 5455. Tote Segusiam gesciede
een dinc, dat hem begaf een jongelinc . . ., ende
waert minderbroeder gegeven {leet : begeven) , Frane,
10347. Dat soe hare nonne begaf ende stont deser
werelt af, Sp, III*, 30, 7. Dat hi bem swaert
moene begaf, ende stont sijns graefscaps af, III* ,
89, 153. Dat hi hem moeste begeven te Prunen
swart moene, 90, 55. Zoo ook III*, 87, 65. —
Meermalen ook met toevoeging van de plaats,
waar men zich van de wereld afzondert. || Ie
wil mi alhier begeven in desen clooster ende
dienen Gode, Hild. 147, 386. Ie sonde mi . . gbeeme
begbeven in eenen clooster, Amand II, 3392. Die
coninc Bobort voer . . in hare hermitage hem be-
geven , Lanc, lY, 13029. Dat ie mi begaf hier
(nl. in die capelle), II , 17978. Sint dat ie mi hier
begaf, 45664. Perchevael begaf hem daemaer in
ene hermitage . . ende dede ane cledere van religione ,
III, 11025. Hi es hem begeven gaen te Lysu in
die heileghe stede, S^, III*, 43, 72.~De volle-
digste uitdrukking vindt men J^, III*, 87,64:||
Hi ttont der werelt af ende begaf hem moene . .
in enen cloetter,
— Yan het ww. hem begeven is het verl.
deelwoord begeven, dat veelvuldig als bnw. voor-
komt, met de bet. der wereld afgettorven, van de
wereld afgezonderd, in een klootter zijnde, \\ Een
begeven man, die in die cruuste ordine was, JPVanff.
1866. Begbeven lude so doet ere, Stoke X, 1097.
(Het) was een begbeven man, de hem de boetscap nam
an , IX , 571. Beghevene lude soudens niet plegben ,
YIII, 852. Moniken ende begbeven lude. Vrouw, e. M.
XI, 73. Nu heeft hi die grise covle an ende es
een begeven man, Zanc, III, 16364; vgl. 66. Ne
waer ie niet begeven man, ie sonde over mire
nichten vechten, II, 8740. Broeder Gbgsbrecht..
een begbeven Willemen, Beatr, 14. Begbeven
Inden, monicken, Luctd. 2228. Eist bi begbeven
(Lat. reUgioti) luden , eist bi ombegheven, Y. d. Wall
104. Zie nog Huyd. op Stoke, Dl. 3, bl. 449;
Hor. Belg, 12, 23 en 24; Invent. v. Brugge 2,324.
— Ook gebruikt in de min of meer pleonatische
uitdrukkingen een monee begheven, Bote 4386; een
begheven elutenare , Bein. 1 , 368 , gemaakt naar het
voorbeeld van een begheven broeder, d. i. klootter-
broeder (Die sgn kint Willebrodus begeven broeders
gaf te leren, Clerc 13). — Begeven ordine,
d. i. klootterorde. \\ Minrebroeders , Jacopün, Tsair-
troysers ende Augustijn ende ander goede begheven
oerden, Hild. 218, 133. — Begeven leven,
een van de wereld afgezonderd leven, klootierleven, ||
Hy dochte . . in een begheven leven Gode te dienen ,
703
BEGE.
BEGI.
704
Pass, W, 188 b. — Ook wordt begeven als znw.
gebruikt (mv. beghevené) , in de bet. klitosterling. \\
Hoe lieflike si de beghevené ende al de lieden
plach tontfaen, Stoke IV, 1138. — Eindeijk wordt
van het deelw. begeven een nieuw werkwoord
gemaakt, nl. begeven sjjn, dat dus gelijkstaat
met hem begeven hebben, en den tgw. tijd
uitdrukt, evenals gelegen^ gezeten^ omgeven^ om-
ringd gijn, en de Mnl. gevoent, gecast^ gestaen^
gereden sijn^ enz. (vgl. T. en Lettb, 4, 188).
Begeven sijn bet. dus eig. in een klooster gegaan
zijn , d. i. m een klooster zijn, |i SQn moeder was be-
gheven ende leedde eenre nonnen leven , Lsp. II, 48 ,
373. Te Beverepaer es hi begheven, daer wil hi wesen
al sQn leven, Ren. 911. Nadat hi (Lancelot) aldus
was begeven, Lane, IV, 13005. Die hermitage . .
daer sijn oem begeven ware, II, 45651. H., dochter
van . ., die begheven was ter Biloke te Ghent,
Invent. v, Bntgge 2, 367. Die begheven was in
enen nunne clooster, 3, 138. Mi dunct wi sijn
begheven alse eneghe clusenaren , wij zijn hier als
het ware in een klooster^ Belg, Mus, 10, 92, 106.
Dat wi beiden begheven waren, dat wart hem al
te siere pine , Rein, 1 , 1487. Dus es soe der werelt
ontronnen, ende begheven daer met nonnen, ^.I^,
65, 297 {var. ende heeft begheven hur met nonnen).
Die lichame es uter erden gheheven . ., al es die
ziele in hem begheven ^ al is de ziel in het lichaam
als in een klooster^ Vad. Mus. 1 , 306 , 101. Van eenen
selverinen nappe . ., die men sende Fieters Clerx
dochter , doe soe begheven was int gasthuus , Rek,
V, Oent 1, 386. — Ook met toevoeging van de
plaats, waar de afzondering plaats heeft. || Een
wijf, die was begeven in een zwaer religioen , in
eene strenge orde^ Rosé 400. God geve hen allen
geluc ende ere, die in dat cloestër begeven sQu,
Christ, 51.
Aanm. — Het gebruik van het wederk. ww.
sich begeven in den zin van plaats hebben,
zich toedragen , is als een germanisme te beschouwen ,
hd. sich begeben, waarvan begebenheit. || Het waer
dat hj van een huys , eenen wagen , van een peerdt . .
afviele ofte verdroncke, ofte woe sich dat begeven
mocht, Landr. v. Vel. 10, 9. Vgl, Lubben 1,
184*; Grimm 1, 1282.
BEGGAERT (baogaert, begaert, bogaert),
znw. m. Mud. baggert; mhd. bégehart^ béghart;
mlat. beghardus. Het manneiyk van begine (zie
ald.). Leekebroeder , lid eener vrije godsdienstige
vereeniging, die zich , zonder eene bepaalde gelofte
te doen, toelegde op de beoefening en aankweeking
van christendeugd. Vgl. Grimm, D. Jftb. 1, 1295
en Hor. Belg. 6, 231. || Den baggairden om Gode
gegeven 1 gulden, Oorl. v. Albr. 47. — Daar zij , even
als de bagijnen , spoedig een slechten naam kregen,
vindt men beggaert ook in een ongunstigen zin ge-
bruikt, b. V. ^Disp, 325 : || Sulc es die ontcropen sceen
der weerelt ende liet haer leen, ende leerde den
beggaert maken (d. i. „hg verliet in schijn den
dienst der wereld, maar genoot toch als beggaert
meer dan genoeg van hare genietingen). Daemaer
hi een becgaert sceen, ende wart een waersagre
mare, Sp, III', 6, 54 (Vinc: y^psetubproph^tam ,
deinde magum"). Dit sijn lollaerde ende begaerde ,
Joden, kersten van hovaerde. Hor, Belg, 12, 23.
Een bogaert dede ere baghine ene alte grote
medicine. Boerden V, 7. Ene baghine sagic haer
baren ende op hare enen bogaert, 13.
BEGICHTEN. Zie begiften.
BEGICHTINGE. Zie beoiftinge.
BEGIËN, «w. WW. bedr. {begiede^ begief).
Van gien (zie ald.). Bekennen, bekjden, erkennen.
Bedr. — a) met een znw. als object. || (Si)
begien, alse die hem scamen, hare mesdaetaltesamen,
Sp. III', 35, 119. Metten monde ende metter herie
beghie ie, Here! dine godhede, III', 13, 112.
Die Normanne die begieden mesdaden die liem
ghescieden, IV*, 67, .9. — Ook met den 2den iit.
der zaak. || Ie gelove ende weet mede . . ende ie
begiets oec metten monde , dattu mi mach op corte
stonde suver maken ende oec rene, Velth. I, 22,
7. Ter ander waerf als die paues hilt , d&t hi dies
sonde beghien, . . des achti gelgc eenen drome,
Sp. lil», 16, 26.
b) Met eenen afh. zin. || Beinaert hevet selve
begiet, dat hi es in spaues ban, Rein. I, 292(4.
(Hi) heeft met sinen geselle begiet , dat van Gode
al goet gesciet, Sp. II*, 19, 143. Die sielen int
helsce dal , die {waarvan) Lucifer beghiede , dat iraer
sine maisniede , Wap. Mart. 1 , 960. Thomas , wiltn
noch beghien , want du mi heves ghesien , ende mine
wonden bevaan, dat ie ben opverstaen? Brand. H.
1859. Daer naer hevet hi beghiet, dattem die
dinc was gesciet, Sp. III*, 34, 25. Doch beghiede
hi . ., dat hare gelove ware quaet, III*, 52, 58.
Dinghele dorsten niet beghien , dat si Gode hadden
ghesien. Brand. 1875. De Yoeden hadden doe
overeengedreghen , so wie beghide, dat hi Christns
ware , dat hi ware verbannen uter STnagog^n ,
L, V, J. c, 173 (bl. 166).
Aanm. — In plaats van begoen, Brab. T, Dl. 1,
bl. 758, dat Willems zonder eenigen grond als den
verl. tijd van begien verklaart, leze men t€>egen\
en in plaats van beghiet, Rosé fr. bl. 255, va. 118,
moet gelezen worden gebiet. Zie Taalk. Bijdr. 1 ,
120 vlg.
BEGIFTEN (begichten, evenals vergichtcn
naast vergiften (z. ald.)), zw. ww. bedr. Mbd.
begiften. Begiftigen, beschenken. \\ Dit sacrament eert,
loeft ende begift van der Nieuwcrvaert, t«al u
profijten, &MT. 278. In een cloostere, twelck si selTer
ghesticht hadde . . ende van haren eygen g'oeden
rQckelic beghift hadde, Exc. Cron, 9 b. Ooninc
Karel begifte in sijn leven sonderlinge vier bis-
dommen, %be. Die coninc santse mit groter eeren
beghift ende begaeft weder in hoer landen , 69 k.
Ie sal u heer maken van Gruenueille ende tui
Bleys, ende daer toe sal ie u beghiften, datmen
mj des eere spreken sal, Huge v. Bord, 76.
BEGIFTINGE (begichtinge), znw. vr. Mnd.
begiftinge; vgl. begiftnisse (Lubben 1 , 185). —
1) Schenking, lat. donatio. \] Van begiftinge onder
kinder unde deelinge der vader gueder , Pro Ejceol. 6 ,
680. Item noch van begiftinge. Alsoo lange als ein
mensche gesunt is, soo is he sjnes goedes ein
here unde mach dat geven wen he vril, ald, 681.
2) In den zin van offergave. || Ie bidde uwen
heilegen, weerdegen name, dat mijn offerande ende
mijn beghichtinge . . . mach syn bequame , SUac.
V, M, 1504.
BEGILEN, zw. ww. bedr. Van gilen (zie ald.).
1) Bespott-en, voor den gek houden. \\ Ende men
soudu tallen wilen, waer dat men hu sagbe, be-
ghilen. Rosé 7719 var,
2) Foor den gek houden, misleiden, hegoocJk^Un.
II Want hi den Keiser beghilde al dare, ende hi
ghebarde als of hi bade eiken der siere up g-be-
nade, dat si ins Keisers handen quamen, Bijmh.
31826 var. Also dat hise beghyide ghinder, dat
si hem swoeren up Baal hulde, 7706. Ghenade,
Gk)d, lieve Heerel beweert mi in de laetste wile,
dat mi de viant niet begile , Vad. Mus. 5 , 325 , 10.
705
BEGI.
BEGI.
706
3) Begoochelen^ betooveren, bezweren, || Merci up
dese tovenaren, die serpenten beghilen, i^. III',
41, 66.
BEGIN (begen; sie voorbeelden ald.), znw.
0. — 1) In de tegenw. beteekenis. Aanvang \ ^X^t-
meen. — Sprw. || Na goet begin cornet een swaer, ende
na cranc ende clene begin cornet namaels groet
gewin, Velth. I, 3 , 38. — Int beghin, of
ten beghinne, om te beginnen^ al dadeUjIe, \\
Hi seide hare ten beginne, dat hl haer vrient ende
riddere ware, Lane, II, 38320. Knapen riep hi
int begin ende dede Waleweine yaen aldaer,
III, 19197. Hi stac den enen int begin metten
spere ter kelen in, dat hi doet viel ter stede,
23656. Roept hi (een vogel) oec te vele int hnns,
80 neem ene vledermnns, ende stamp peper daer
inne, dan ase: hi swighet ten beghinne. Nat BI,
ni, 1647. Alsene die van der steden sagen das
verkeert van seden int anscijn droeve ten beghinne ,
heltsine vor ute zinen sinne, Franc. 641. %
2) Oortprong, mv. beghinne, \\ (God) machtich is
van al, sonder beghin in s^nre natnren, daer alle be-
ehinne nat rnren , waaruit alle oorsprongen ontstaan ,
d. i. waaruit alles zijn oorsprong neemt^ Lsp, II, 41, 38.
8ijn begin nemen, Binel, 226, e. e. — Te
beginne comen, zijn oorsprong nemen, || Alse
die mensce es ghewont van gherechter minne,
doet der oghen wandel vont , of comet ater herten
gront dit evel te beghinne, Wap, Mart, I, 662.
3) Beginsel; mv. beginne. || Dit sijn de beghinnen
niet te sondigen , J^. d. Volc, (aangeh, bij Ondem.
1 , 396) , ƒ. 127».
4) Ondernemingi^). \\ Die Gallen sgn alle van zinnen
beet, ende fier van swaren beginnen, ro/^^^^^^^/i^
en moed bij moeilijke ondernemingen (?), Sp. I«, 7,
14 (de woorden van M. zgn niet dnidelgk, en het
Lat. geeft geen licht).
BEGINE (beggine, bagine), znw. vr. Mnd.
hegine\ mhd. begine\ mlat. beghina (Dnc. 1, 637).
Vgl. Grinun, D, Wtb, 1, 1296; MoU, Kerkgesch,
2», 148 vlgg. en Te Winkel, Maerlant, bl. 206
vlg. , vooral 206 , noot 6) en de daar aangeh.
schrijvers. Zeekezuster, bagijn, lid eener vrije, niet
geordende, geestelijke vereeniging. Vgl. BEGGAERT.
\l Sine was niet van religione alse ene nonne
ocht ene beggine, Bose 3620. Ghi beghijnen
ende ghi nonnen, ghi hebt een zaleghe vaert be-
gonnen, Tolchdi wel der rechter straten, Denkm.
3, 116, 29. Sweaters, baghinen, lollaerde, si sijn
also lal van aerde, datse qual^c pinen moghen
Truw. 74. Den beghinen aldair om Gode gegeven X.
Dordr. gulden, Oorl, v, Albr. 143. Dus crigen wi
lollaerts ende beginen, Theoph. Bl. 87, 21. Zoo
ook Boerden V, 7 en 14; enz.
♦ BEGINGE, znw. vr., komt op ééne plaats
voor, nl. i^. I«, 18, 27: || {Augustus'') beginghe
was geme^ne beede van nederen ende van cleene;
no van cledren no van gelate ne was hi fier noch
OBgemate. — Halb. , Aant, 3 , verklaart dit door con-
versatie, verkeering met menseken, van begaen, d. i.
tnmgaan', maar dit znw. zou beganghe luiden en
niet beging he. Daar nu het Lat. thoro heeft, leze
men met de uitgevers beddinghe,
BEGINNEN (begennen, zie voorb. ald.), onr.
WW. bedr. en onz., praeteritum óf began (Hild.
4, 61; 164, 12; Lsp. Prol, 90; 94. Vrouw, en M,
VIII, 206) óf begonde (Stoke VI, 442 var.; I,
632, 638; Bijmb, 11426, 23776; Hild. 33, 63;
Troyen 663; Wap, Mart. HI, 148) óf begonste
(Ckrist. 1188; Hild. 46, 32; 122,46; Vrouw, en M.
VllI, 167, 186; Stoke VI, 442; Lsp, I, 34,36;
36, 77; Bein. I, 64, 146, 2110, 1323; Cass, 288;
de beide laatste vormen behooren eigenlijk * bij
het WW. begonnen (zie ald.)); deelw. begonnen
of begonst {Exc, Cron, 278^). Vgl. mu^. beginnen
en over den oorsprong Grimm, JD. Wtb. 1, 1296
en Kluge, Etym, Wtb. 22.
Bedr. — 1) Behalve met den 4den nv., ook
met den 2den nv. der zaak, in de tegenw. be-
teekenis. II Doen dit vernamen meerder ende minder
. . , wisten si niet , wies beginnen , Orimb. 1, 6666.
Ie en weet niet, wies beghinnen, Wint. e. IS. 607.
Eer si vechtens begonnen hadden, Exc. Cron.
Sic. Des moeti aldus beghinnen, Ruusb. 4, 66.
Ene nieuwe minne beginnen. Flor. 448. — Ook
met een onb. wijs zonder, later ook met, te. ||
(Hi) began naken der doot, S^. IV ', 13, 36. Si
begonden rekenen, Ilor. 226. Daer hi lichte bi
mochte beginnen in die herte ene andre minnen,
616. Dan sal hi beginnen coelen, 446. Nu hort,
hoe ie u sal beginnen {nl. tellen; vgl. Theoph.
118), 88. Doe hise terst 'minnen begonste, verliefd
op hoAr werd (vgl. lat. coepï), 673. Zie verder
Theoph. 27, 693 (Hs.), 699 (Hs.), 706 (Hs.) e. e.;
Rijmb. Gloss. — De onb. wijs als znw. gebruikt
in de uitdr. in sijn beghinnen, om te be-
ginnen. || Jalius quam te Bome binnen ende hi
brac in S(jn beghinnen {hij begon met open te
breken) die trisorie van dier stat, Sji>. 1*, 11, 36.
2) Over iets beginnen te spreken , iets behandelen,
fr. entamer. VgL Grimm 1, 1296. i| Mogedi dan
hoger joncfrouwen minne verdinen, so salie u
minnen tenengader, ende des seldi beginnen an
minen vader, Lanc. II, 37960.
3) Inwijden, het Lat. initiare, van welk woord
zonder twijfel beginnen in deze beteekenis eene
onjuiste vertaling is. || Ghi selt heilich maken dat •
gheconsacreerde borstkeu ende die scoudere, die
ghi van dien wedere avedeilt, daer Aaron mede
beghonnen es ende sine sonen , Ruusb. 1 , 262.
Surius vertaalt: „quo initiatus est Aaron et filii ejus."
4) In verbinding met beriden komt beginnen voor
als krijgsterm, met het obj. veld, tomoy en derg.
Een strijd openen (vgl. ontginnen). || Ay God, hoe
loeslike was gehouden tvelt van dien verraderen
heden, diet begonnen ende bereden! Por^^.fr. 170.
Onz. — Zijn oorsprong riemen, ontstaan uit
(vgl. beginsel). II Den vader setten wi als te
gronde , daer alle doghet uut begonde , Wap, Mart.
III, 147. Van dier stonden dat ierst kejsere be-
gonden, ^. II*, 26, 3, „dat er keizers begonnen
te zijn, d. i. dat er keizers warend"* — Vandaar
de uitdr. nie beginnen, altijd bestaan hebben,
eeuwig zijn, \\ Die wortel daer die boom uut ran
sonder ende ende nie began, Van V Bomen 31.
BEGINNINGHE, znw. vr. Beginsel, \\ Waer
om wi achter laten bliven die leringhe der be-
ghinninghe Christi, Hs, Ib, Hebr, 6, 1 {inchoa-
tionis Christi sermonem),
BEGINSEL, znw. o. Mnd. beginsel,
1) Begin, aanvang, tegenover het einde (meer-
malen in het Mnl. insel of intsel genoemd). || Int
beghinsel vander Meye , Hild. 61 , 3. Elck beghinsel
heeft een scheiden, 116, 40. Dierste boec nemt
hier insel, hoeret hier des anders beghinsel.
Wrake 1, 2032. God, die was voer alle beghinsel
ende sal sijn sonder insel, Teest, 274. Dat
ewighe rijc, dat u bereyt is van beghinsel des
werelts, Oest, R, f, 202a, Die ewicheyt, die noch
beghinsel noch eynde en heeft, 24^. Dese maent
sal u sijn dat beghinsel vanden maenden, die
eerste maent . . vanden jaer, J), B. Exod. 12, 2.
23
707
BEGO.
BEGO.
708
Inden Kalenden, dat is inden bcghinHelen vanden
maende, Num, 28, 11. Int beghinsel van der
rekeninghen, bovenaan^ ZVl. Bijdr. 4, 7. — Van
beghinsel (e), van den beginne af^ van den aanvang
af. II Die sterren moeten dien ganc gaen, dien si
van beghinsele ghinghen , Alex. III , 1224. Onse . .
God . . heeil altoes onse salicheyt begheert van
beghinsel ende is noch . . die begherende, Stemmen
30. Ghi selve selt oc ghetughen van mi , want ghi
van beghinsele hebt ghewest met mi , L, v. J. c. 217.
Aen tbeginsel van desen herch, Mandev.Slb. Toten
beghintsel (het begin ^ de grens) vanden lande van
beloeften, ald. — Int beghinsel, hetzelfde als
int begin (zie ald.). Vooreerst^ om te beginnen, jj
Nu willic ind beginsel dan segghen ende oppen-
baren van enen bescop, Christ. 70. Int beghinsel
offeric Gode , den almachteghen vader . . ende alle
den hemelschen gheselscepe , mine ziele ende minen
lichame der kerkeliker sepulturen , Vod. Mm. 4, 357.
— Beghinsel nemen, een aanvang maken {sg\.
ook onder 2). ||Waer tbe'ghinsel wert ghenoraen,
daer settet ende s^n begheren, Hild. 105, 48.
Recht was, dat wy dan wederquamen ter stat,
daer wy beghinsel namen, 126, 229.
2) Oorsprong^ oorzaak. \\ (Evax) sat bi der vrouwen,
die beghinsel was siins rouwen, Limb. VI, 1003.
Ruben ... du biste mün starcheit ende dat be-
ginsel van mijnre droef heit, D. B. Gen. 49, 3.
Beginsele der gracien eerst uutgoet uut des
hemels vaders scoet, Wap. Rog. 911 (Ht. be-
roghise, doch vgl. Taalk. Bijdr. 1, 142). — Be-
ghinsel nemen, oorsprong nemen. \\ Aldus so
seit Ypocras . . dat syn beginsel neemt dit saet an
die hersenen , M. en Fr. Jleim. 687. Dit ongemac . .
nemt beginsel van dat hem . . gebreken hare
stonden, 1724. — Ook in de bijzondere toepassing
van oorsprong van iemands bestaan^ m. a. w.
vader. \\ Ie hebbe begert vor nu harde sere te sien
u , want gi beginsel van mi sijt . . ende Lanceloet
sprac hem aldus toe: „S^^i Galaat, soe secget
mi !" — „Ja ie, here ," antwerde hi , Lanc. III, 9657.
BEGOKELEN, zw. ww. bedr. Uhd begoitgeln,
begoukeln; mnd. begokelen. Van gokelen (zie ald.).
Begoocheïen^ misleiden^ bedriegen. || Selen wi ghe-
loeven desen man, die al tfolc begoclen cun,
L. o. H. 1120. Wi weten wel dat hi heeft u be-
gokelt in corten tide nu , 2449. Al heeft hi u
begokelt hier, ja en sidi rechter in dit lant:
cruustene, cruustene al te bant, 2568. 'Vgl. be-
KOKELEN.
BEGOEVERNANCHE, znw. vr. Van mïv.goiwer-
nance^ d. i. dépense (Carpentier, suppl. op Duc.
i. V.). Vertering <^ onkosten. || Van begoevernanchen
ende costen tharer vaert ghedaen , Invent. v. Bntgge
2 , 60. Ghesent tharen costen ende tharen begoever-
nanchen 55 1^, ald. 2, 99.
BEGOMEN, zw.ww. bedr. en wederk. Afgeleid van
gomen (zie ald.), waarvan de oorspronkelijke betee-
kenis iszien^ opmerken^ en de afgeleide toezien^ z&rgen.
Bedr. — 1) Van gom£n in den zin van zien.
a) Bezien^ in oogenscAouw nemen. \\ Wat dit dieden
mach . . , dat dese vogel dus lude creet, ende
opwerd vlieget ende neder cornet, ende onse here
aldus begomet, Velth. III, 27, 25. Hi dede oec
wel begomen ende bespien die stede al, ofter in
waer enich gescal, VI, 15, 42. Dat hi besouke
ende beghome sente Pieters stoel van Rome, Sp. III*,
1 , 105. Die alrescoenste jonghelinge hilt hi , omme
dat mense begome in den zeghe tote Rome,
Rijmb. 34132.
b) Opmerken , letten op , Aet oog vestigen op , in het
oog houden. || Een maet man, die niet en can
wederstaen den mechteghen man, aal wiselike dat
begomen hoe hi te sire vrienscap salcomen, Jf<?/i*.
2808 var. Hadden se haer boetscap gedaen, die
Eeyser hadse ontfaen gereet, eer hi daer op hem
yet street, maer doe hi int striden was comen, &o
hadde mens niet mogen begomen, Velth. V, 40,
76. Als die Eeyser in ware comen , datsi hem dan
souden begomen met haren wapen stillekine , V , 9, 7.
Ries , laet staen dgn callen , want wi alle , dit
beghome, houdense over die beste van Rome, <S^. I'',
66, 106. — Als iet begome, eig. zooal* %k op-
merk^ niet veel meer dan eene bloote bevestig-ing,
die gevoeglijk onvertaald kan blijven. || Also dat
wi , ads iet beghome , sijns te wers mochten hebben
sere, Edeio. 510. Dat vierde (riit^) , als iet begome,
is dat rike van Rome , Lsp. 1 , 41 , 17 var. Beatrix,
als iet begome, biet ene vrouwe int lant van Rome,
Franc. 9433.
d^ Onderscheiden. \\ Dus selen jonghe liede
leven . ., alsi soe verre sijn comen, dat si goet
ende arch begomen, Lsp. III, 10, 259.
2) Toezicht houden over iets^ toezien op iei^
(vgl. besien en bescouwen). \\T>\t brugge, die daer
over gheet, begoomt een goet man, /Tor. 2031. —
Vooral in de beide opvattingen:
a) Besturen^ regeer en. \\ Si scriven oec in baren
saken, dat dode lieden selen comen, ende levende
werden , ende dlant begomen , Velth. V , 1 , 40. Dat
Her Willem . . . van Guelke sonde weder comen,
ende soude noch Vlaendren begomen, Y, 25, S4.
Desen bat hi, dat men begome die hindervraerde
in dat dal, dat men nu heet Roncheval, Sp. IT' ,
24, 58. Daer na sendden die van Rome C^tssiuse,
dat hi begome Surien, Rijmb. 20545. Tote Jhemsalem
dat hi doe sende Componiuse, . . . dat hgt be-
wachte ende begome, 21906. Vespasiaen . . . Tytus&e
biet dat hi begome theer, Sp. II*, 2, 12.
b) Beschermen, verdedigen^ bijstaan. \\ Doen Conlne
Willem had gevryd om Coelne die straten , . . .
hine wilde ander stede begomen, Velth. I, 3, 1.
Dattie van Ludeke souden comen entie stat bnlpen
begomen, IV, 60, 59. XX ridders die begomen
dese martse hier alomme, Lanc. II, 41756.
3) Van gomen in den zin van toezien ^ zorgen,
a) Bezorgen , van het noodige voorzien, verzorpen^. \\
Alle dinge die nie waren . . dat moet tenen inde
comen, sonder die ziele, die wi begomen cranke-
like in dit leven, Velth. II, 1, 1. CC Turken . ,
die den bode wel begomen, ende wachten daer al
dien nacht, I, 8, 59. So bevelic u deze scone
joncfrouwe . . . ende segt der coninginnen, dat
sise begome , tote dat ie tot hare come , Lanc. III ,
19331. Sine jonghe, ... die hi nerenstlike can
begomen. Nat. BI. III, 301 var. Sye hier van
Maerthen {Martha) die figuere, die de weerelt
begoomt van nootdorste, Wap. Rag. 1439. (Die
man) sweet dicken menich dropel, want lii moet
begomen die nootdorfb van somen, 180. — Ook
ironiek gebruikt in den zin van toetakelen; rg\.
begaden. \\ Wi willen u sekeren overlunt, datonsor
maer LXXX selen comen, ende willen die C ^
begomen , dat hem haer leven rouwen sal , Yeltli.
V, 49, 44.
b) Bezorgen, ergens brengen, aanbreiden, || Na
heeft hi hem also versien van groten boghea
cederbomen, die Agrippe dede begomen, te tct-
sekerne den tempel mede, Rijmb. 30826. IBsi.
Schol.'. „Maximis snmptibus et labore deducemêmm
curat."
c) In orde brengen, klaar maken, ordenen, regelen. []
709
BEGO.
BEGO.
710
Dat men sanderdages sonde comen ende den tornoy
weder begonien, Lanc. III , 21473. Wondi des
(d.i. dat) met ons begomen, alsi verloren hadden
die stat, dat hl hem saen volget na dat , Yelth. Y ,
13, 61. Wie dien tornoy sal beriden ende begomen
in beeden siden, Parth. 3463. Ende dat si war-
ueert comen , ende , dat si mogen , begomen , eer si
weder omme keeren, II, 20, 76 („ en dat zij in
orde brengen , wat zij kunnen." Ende moet worden
ingevoegd en de interpunctie gewijzigd , om den zin
te herstellen). — Het so begomen, hetzelfde
als Aet 80 begaden (zie ald. en verg. onder 3 a).
Het zoo inrichten^ aanleggen. \\ Menigerhande was haer
raet, hoe sijt mogen so begomen, dat si te Romen
souden comen , Velth. V , 22 , 6. — Ook met het
obj. strijt. Betlechten.WDdX hi om pays daer ware
comen , ende dat hi den strijt daer wilde begomen ,
II , 12 , 29, — Dit obj. kan ook worden verzwegen. ||
Hi wildet becorten berde bonde metten swerden,
ende so begomen, II, 6, 78.
— Aanm. Begome^ Sp. I», 37, 33 is eene ver-
keerde lezing voor begonne (niet d«'^m»^,zooalsde
uitgevers in de noot voorstellen) ; lat. incipe. Zie be-
gonnen. Zoo vindt men nu eens een tornoy be-
gonnen ende beriden^ dan eens begomen ende
benden- ook hier is verwarring tusschen begomen
en begonnen mogelijk.
Wederk. — Hem begomen, in beteekenis
gelijk aan Aem vonten (zie ald.).
1) Voor zich zien, oppassen^ zorg dragen. |) Nu
vorsie di ende begome (nl. di), dattu bi idelre
glorie niet ne sceefi , Lanc. III , 5744. Begoomt u
ende besiet-, dat ghi niet en lachtert mi, FariA. 885.
2) ZicA voorzien, voor zicA zelven zorgen. || Hi
begomen so hem in den somer can, dathemgheen
hongher gaet an in den winter. Nat. BI. III , 998 var.
Dat si hem buten so begomen ende gaderen hem
an ene side, dat si anders mergens betide die
stat mogen stormen an, Yelth. II, 13, 64.
BECrON, znw. o. Stam van het ww. begonnen;
hetzelfde als begin. \\ Int begon van desen wonde
waendic Uden die passaedse, Wal. 1484. So van
edelen vrien conne , so van dorpers in den begonne ,
80 makets ons dese taefle vroet die erve ende dat
grote goet, Stoke I, 633.
BEGONNEN, zw. ww. bedr. en onz. (begonde
of begonste, die als tijden van beginnen gelden,
zijn eig. tijden van dit ww., began en begon Yan
beginnen. De beide ww. die hetzelfde beteekenen,
loopen vaak dooreen). Beginnen. || Wat dede hem
mir vrauwen werc beghonnen? OFl. Lied. en Ged.
358 , 1287. Ende want de saecke mit den warlQcken
rechte b«gant is , ende heer Johan darinne geant-
woerdet heft, Etst. v. Dr. 132. Nu willic ooc den
stryd begonnen , Bijmb. 29608. Gi sult den strijt be-
gonnen, Lanc. II, 13168. Dat hi mede soude be-
gonnen met enen emere vullen tonnen , JVanr. 8643.
Nu hoort, hoe iet sal begonnen, Jmand 11,5834.
Nochtan en dorstic noit die tale begonnen, Cass. 1512.
Eer hare jonghe plumen begonnen. Nat. BI. III,
2495. Van vrouwen moeste dijn sermoen altoes
beghonnen of enden, Wap. Mart. II , 41 var. An
desen begonne dine pine niemene te nemene dat
sine, Sp, I", 37, 33 (de tekst heeft ten onrechte
begome. Yinc: ab hls ergo incipe). Dat si rustens
sonden begonnen, tote dat die heyte leden was,
Lanc. II, 13362. Ende die tornoy ter sel ver stonde
in beiden siden aldaer begonde , 21509. (Als) hiere
np sonde sitten begonnen, Wal. 10754.
BEGONSIDE, voorz. met den 3den nv., ge-
vormd als bedeiiide, waarvan het het tegenover-
gestelde is. Aan gene zijd^ van.Ygl. GONE. || Tote
omtrent XII roeden begonside der moerbrucghe,
Invent. v. Brugge 4, 368.
BEGOOM, znw. onz. Yan begomen in den zin
van bezorgen (zie ald.). Zorg, bemoeiing. \\ Dat hier
te voren Silvester helt ene consilie te Rome bi
skeysers Constantijns begome, Sp. II», 31, 72.
BEGORDEN, zw. ww. bedr. {begordde, begort)\
mhd. begürten, mnd. begorden.
1) Omgorden.
a) Eigenlijk. || Ie hebdij begort ende du en
hebste mij niet bekent, D. B. Jet. 45, 5. Hebt
uwe lindenen altoes begordt, L. v. J., <?. 203. Over
waer segghic u , dat hi hem begorden sal ende sal
, hem dienen, ald. So stont hi op ende nam een
linen laken ende begordde hem daer met, c. 207.
b) Figuurlijk. Omgeven, omringen. \\ Mine tel-
ghen . . beghort met sonderlinghen bloemen, Disp. 70.
Ytalia heeten alle die lant, die andie nortzidedes
berchs cant, die Alphes heetet in Latgn, beghort
met vasten berghen sjjn, ^. I*, 26, 17. Yander
anderen siden ist mitter zee begordt , Barth. 506tf .
(WestpAalen) wordt begordt mit tween edelen
ry vieren, 534^. Een zeer groot serpent had hoer
den hals al om begort ende zoeck (zoog) haer
borsten, Devoet B. (36) 110 r.
c) Overdrachtelijk in den zin ya.n toerusten , voor-
zien van. Ygl. de bijbelsche uitdr. aangegord met
kracAt. \\ Godt wil hem met zijnder gracien be-
gorden in al zijn voorstel, wercken ende doen,
Belg. Mus. 6 , 46. Soe begorde mit starcheden hare
lendenen , ende crachtichde haren arem , Hs. v. 1348 ,
218» (Proverb. 31, 17: accinxit fortitudine lumbos
suos). Begordet u lenden . . . mit reynicheyt , Gest.
R. f. 72c. God die mi begort heeft mit starcheden ,
J). B., II Sam. 22, 40.
2) Als met een gordel verbinden, aaneenAecAten ,
verbinden. || Elc es an andren beghort; daer teen es,
tander es an sijn boort, Disp. 566. Ygl. ook begoren.
3) Inhouden , bevatten. Ygl. het fr. enceinte , d. i.
omAeining , van Lat. incingere , d. i. omgorden,
— Yooral gebruikelijk in de uitdr. begort
hebben, dat den voortdurenden toestand van het
inA uden uitdrukt.
a) In eigenlijken zin. || Dien selven tsaertere . .
heeft der Jan van Artevelde . . ghetlivreert ende
ghegheven den prioer van Tsaerterousen , met al
der theere (?) ende verbinde, die de voerseide
tsaertere inhout ende begurt heeft , Fad. Mus. 4 , 350.
b) In bijzondere toepassing op Aet dragen van
een kind, de zwangerscAap. Ygl. het fr. enceinte,
dat evenals het bovengenoemde enceinte afgeleid is
van incingere, en stellig niet zonder invloed op
ons WW. begorden geweest is, althans in het Mhd.
en Mnd. heeft begorden deze beteekenis niet.
Een kint begorden, meestal begort heb-
ben, Aet dragen, er ztpanger van zijn. \\ Haer
brudegoem ... sal Joseph sijn gheheten. Begorden
sal si een kint sonder eneghen man bekint , Wrake I ,
1672. Eens adtsoe een kint begort. Franc. 9465. Over
YI maent daer nare wart men an hare geware.
dat si een kint hadde begort, Lanc. II, 24294,
Nu pensic, sone, omme die dinc, doe dijn moeder
met di ginc, dat soe seide dese wort: „ie hebbe
eenen wrekere begort", Sp. I*, 12, 25. Nu heeft
sy boven dien een kint begort ende onteert alle
onse gheslacht, Sal. e. Mare. 37. Yrouwen die kynt
begort hadden, CA. v. WaelA. 6. Yan alsulcke
vrucht, als Anthonie Gerit dochter . . jegeuwoir-
delike begort mach hebben, O. R. v. Ihrdr. 2,
186, 225. Ist dat hi . . . een w^f slaet, die mit
711
BEGR.
BEGR.
712
kinde bekort is ende hi dat kint Terderven doet, \
D, B., Exod, 21, 22.
BEGOREN, zw. ww. bedr. Van gore (zie ald.).
Bezoedelen^ bevlekken. \\ Dit woert minne ende
datter toe hoert , en was met sonden noyt begoert ,
noch met ribaudien, Wap, Mart. II , 163. — Mogelijk
is het, dat begoert met de gewone wvlaamsche
rekking der o voor r een vorm van begorden is , in den
zin van verbinden ^vatthechten (vgl. beoorden 2 ; en
Stroph. Oed. Gloss.) , doch noodzakeiyk is het niet.
BEGRAMEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als het
meer gewone vergramen (z. ald.). Boos maken,
vertoornen, vergrammen. \\ Omdai ie Gode soehebbe
begraemt met sonden, die ie teghen hem dede,
N. Doet. 2066.
BEGRAVEN, st. ww. bedr. {begroef, begraven
of begreven). Mnd. begraven-, mhd. begraben.
1) In de tegenwoordige beteekenis, zoowel van
personen als van zaken gebruikt, b.v. Rein. I, 461 ;
Troyen 6935; Exe. Cron. S5d.
2) Het trans, graven. Af graven , graven aan iets. ||
Die wech begravet ochte mans lant, so dat hem
yemant beclaget , hi ees om XL se. , Belg. Mus. 6, 299.
3) Door eene gracAt of sloot insluiten , van de aan-
grenzende landerijen scheiden. || Ende wil die meeste
den minnensten [niet] mede begraven, Dnmbar,
Anal. 2, 319. Daer en sullen de buer sie nietuth
verwilkoeren, begraeven noch verkopen , JtV*^. v. Dr,
103. In den jaer ons Heren 1367 begonste Bisscop
Jan te vesten dat Stedeken Herdenberch mit plancken
ende dede den berch slechten ende begraven , Matth.
Anal, 3, 251. So sullen wy onsen hof omtrent
begraven, opdat daer nyemant vreemdes in coem,
Stemmen 86. Mitten huyse, have ende lande, also
alse dat begraven leecht, zoo als dat door eene
gracht is omgeven, Nijh. 2, 101 (fl. 1367). Op die
zuutside in den nesse, tieghens den lane over,
also alst metter graft begreven is , O. R. v. Amst. 18.
4) In figuurlijken zin. Verschansen, versterken. ||
Oec haddi doen begraven Grimbergen . . . met
grachten , Orimb. 1 , 2963. Het (slot) was begraven
alsoe, dat sire niet costen comen toe, 2677. Daer
waren bynnen veel borghe, ghevest teghen al der
lude sorghen op hoghe rochen wel gheset, ghe-
muert ende begraven , Troyen f. 21 d. Die poorters
vant hi onvervaert ende ghevest met enen mure ,
ghetornet ende begraven ter cure, Alex. III, 606.
Audenhoven . . . dwelc was wel ghesterct ende
vast begraven, Brab. Y. VI, 10090. Wie couinc
Alexander sijn heer hiet begraven alom, Alex. I,
(ed. Snellaert) , bl. 186 titel. Dat si sonder vertrec
senden wt horen bedrive van elke II ryemen een
graver, om Staveren te begraven, Oorl. v. Albr. 419.
Die gravers die tsloet ter Lune begraefden (het
WW. hier zwak gebruikt) ende die sluce opstoten
ende dammeden, 236. Hi stelde sijn armeye met
bussen ende begroeven hem ende bestormden doen
die stadt, Exc. Cron. 286 d. Na Sinxen is die
hertoge getogen wt sijn pare dair hi in begraven
lach , om hem te scicken te striden , 228 e. — Ook
wederk. gebruikt. Hem begraven, zich ver-
schansen. II Dese liede lagen vergadert nu op een
berch . . . ende hadden hem begraven daer in
een veste stare, Velth. V, 12, 11. Si begroeven
hem daer saen, daer si laghen up dat velt,
&p. 1* , 6 , 14. (Sy) hadden veel grooter bussen
ende veel schermen mede ende begroeven hem,
Matth. Anal. 1, 416. Des nachts begroeven sy
hem voer die stede, als men des pleecht, 484. Si
hadden hem begraven met eender grachte, Exc. Cron.
134 a, — Ook overdrachteiyk. Versterken , bevestigen.
Wederk. gebruikt: hem begraven, sieh ver-
sterken. II Omme hem selven wel te begravene met
vasten vrienden in sijn rike, maecti couinc Diederike,
Sp. UI*, 36, 62. (Hoewel er van deze beteekenis
geen enkel voorbeeld is, buiten deze tw^felachtige
plaats (zie de noot), zoo voldoet de lezing toch
veel beter, dan begaven, dat alleen begiftigen, be-
schenken kan beteekenen).
BEGREEP, BEGRIJP. Zie begrip.
BEGRIJPSAEM, bnw. Van begripen in detegw.
bet., in de uitdr. begrijpsaem der reden,
voor rede vatbaar, verstandig oordeelende, \\ Sodanighe
menschen zijn oeck sonder vele scriften begrgpMem
der reden, Bienb. 4^.
BEGRIMEN , zw. ww. bedr.; bg ELil. begremen,
begriemen, denigrare, maculare. Zwart maken,
met pek besmeren, bevlekken, bezoedelen. Verg. De
Bo 1, 94 a. II Dat vat was buten belgmt, endebe-
peect ende begr^jmt, datter gheen water in comen
mochte, Rijmb. 3467 („linivit eam bitumine et
pice"). Broosch ende wanc na den lechame die lichte
ontfaet smette ende blame, daer hi de ziele mede
begrijmt, Praet 834. — Het verl. deelw. begr jmt
wordt ook als bnw. gebruikt in den zin van
vuil, smerig, jj Die welke scalc sal wesen een
begrijmt smet, Lucid, 2625.
BEGRIP (en begriep, begreep, begrijp;
verbogen naamval begrepe, begriepe en begripé),mw.
onz. ; van begripen (z. ald.). Mnd. begrip , begr^;
mhd. begrif. In verschillende opvattingen.
1. Van begripen in den zin van berispen (lie
ald. 1, e).
a) Berisping, verwijt, aanmerkingen. '\\ Dus ant-
wordi daer ter stede so met wysheden ende met
liste, dat mer gheen begrijp an wiste, „dat men
er niets op wist aan te merken,''^ Rijmb. 26358. In
begrijp ende in verwet van onser gulsecheit, ^.III^
27 , 38. Hier up sullen si proeven wale dat begrgp
ende scouwen , het verwijt toetsen en beoordeelen , 111%
44, 104. Ie kenne ende lie wel, dat sonder redene
was dat ie fel in begrype te huwaert was , Awuati
II, 447 (vgl. VS. 419: Dat hi u versprac al sooder
scout). Dat hi begrgps waent wesen vry, Ofl
lAed. e. O. 639, 691. Ie duchte begrijp van onsen
fhebuere, Belg. Mus. 3, 109, 36. Dat men ver-
raghe liefs begrijp ende piet en claghe , Vod. Mui.
1, 372, 19. Als die waren van edelen bloede ende
negeen begrip ontsaghen , ehevaUers (sans peur et)
sans reproche, Fragm. Carl. 268. Scuwt scimpick
begrijp, ^^^' ^V^^' 6, 337, 339. Daer tbegryp
nauwe is {weucr men nauwkeurig oplet, of men ook
aanmerkingen kan maken), daer is de vrientschip
cleyne. Spreuken 93. — Vooral ge'bruikelgk inde
uitdrukking sonder begrgp (begrip), zonder
dat men verwijten of aanmerkingen maakt , oi se ie
dttchten heeft, \\ Mochtic u dicke comen bi sonder
begrijp ^^^ niders fel, soe waric alder sorghen
vri, Vad. Mus. 1, 390, 17. Ie wüdc dat mochten
ghelieve spreken sonder vaer, sonder begrgp vu
quaden ghedochten, noch datter niemen en hoorde
naer, zonder de verwijten, de aanmerkingen van he%,
die er slechte gedachten van koesteren, er kwaad
van denken, OVl. Lied. e. Ged. 427, 48. Den tor
bezien zonder begqjp, 243, 299. Ie sal u daer nf
doen hebben bate . . . dat gise bi redenen vel
sonder waen ende sonder begrgp salt moegei
ontfaen, Lanc. II, 6603. Wi willen ... dat si
(de charters) in allen dinghen hebben cracht . .,
sonder eenech begrijp ende sonder alrehande arghe-
list , Brab. Y. Dl. I , bl. 804 {a. 1335). Dat ghi
dese wart ghanslec verstaet ende sonder b^grjjp
713
BEGR.
BEGR.
714
ontfaet, L. v. J, e, 1. Bat sQ moghen copen paerde
ende andere cleene dinghen . ., ende dat zy dat
weder moghen vercoopen sonder begrip, ZFL
Bijdr. 5, 148 (a. 1860). Dat men alomme daer de
dje tebroken is, de erde somde meughen nemen
sonder begryp, den dyc mede te makene, InvenL
V. Brugge, 3, 504. Ygl. 2, 47 en 60. Eendere
sonder begrip, een anberitpelijk geestelijke^ Ned,
Proza 240.
h) Schande^ blaam, \\ Ne wart hi dar binnen
niet Yonden, soe mogewi keren te hove sonder
begriep, bi orlove, want dan selewi . . . onse
qneste hebben voldaen, Lanc, II, 23293. Batenich
mensche pleecht des, daer begrip of arch in leecht.
Lip. III, 3, 616. So sont dn di scamen dan, te
doene daer begrip es an, Sp, I', 62, 77.
2) Yan hegripen in den zin van ondernemen (zie
ald. 2 b), Onderneming, \\ Wi waren bedroghen daer
mede diat hi Keys wapene droech doe ende bi
Sagrimors sotte begriep toe , diet daertoe brachte . . .
dat wi jegen hem josteerden daer, Lanc. II, 31081.
Hier seldi weten, dat elc Tri begrijp van moede
ontsprinct nte Gode , animi propoeitum vel coneeptum ,
Rnnsb. 1, 94. legewelc vri begrijp ochteopset,a^.
Die gront ons Trien begryps, liberiarbUrii^ ald, 73.
TToorschreeTe begrip alsoo by hun aengenomen
ende gedaen, te Terrichten, V. d. Wall 661
(a. 1444). Daer was dehertoehe . . . gheTanghen,
maer hy wart haestelijc Terlost . . . by den toe-
doene ende stonten begrype Tan den Ylaemsschen
heeren, Cron, v. Vlaend. 2, 24. — Een man Tan
groten h e^ii"^ e ^ een koen en ondernemend man. \\
Een goet ridder . . . ende Tromich in elke stede
ende Tan groten begripe mede, Lanc, II, 6194.
Het was een man Tan stonten ende groeten begrype,
Cron. V. Vlaend, 1, 238. — Begrip nemen,
een weg inslaan^ zijn koert richten, VgL enen
wek begripen (by degripen 2 b), \\ Noch zo stont
hem zyn gedachte een reyse te doene in Pmsen,
te scaden Littonwen ende Bnnssen , ende zat in den
Briel op een scip; in Pmnslant nam he eerst
begrip, Clagke 9S (Gelre, JVapenb, 60).
3) Yan begripen in den zin Tan omvatten (zie
ald, 4 a).
a) Het omvatten. || Scrontfnlen te ghenesene . .
ende dat alle met sinen begripe Tan der hant.
Jan Tp. 136.
b) Omv€tng, oppervlakte, || Dat begrip haerre stat
te cleyn es,, ende zeere bedmet zyn , ^rad. Y. dl. 2,
bl. 634 (a. 1378). Hi ghinc daer in {in den zale) ,
ende ombesach se, want se binnen haeren begriepe
wonderliken ghemaect was, Ned. Proza 98.
c) Bij uitbreiding. Gebied^ macht. \\ Om dat die
hertoghe niet wale en sonde moghen weren dat
tote alse menegher stat oTer Mase in dander side ,
om dat dat begrijp sat soe wide,-Bra*. F. Y, 2724.
Hoe moghende hy was Tan ridderscepe, ende wat
hy had in synen begrepe, met selTere ende met
gonde gheladen , Troyen 9476. Alre meeste draghen
si {de bijrivieren) scepe Tan die Tallen in haer
begrepe, Jlex, VII, 1429 var,
d) In concreeten zin. Vesting. || Dese twee
broeders metten heer Tan Pont horen Tader die
begrepen ende maecten opter stede , daer si dit dier
Terslagen hadden, een begrip ende Teste, £xc.
Cron, S9b.
4) Yan begripen in den zin Tan inhoitden, be-
vatten (zie ald. 4Ó). Inhoud. \\ Na begripe der
brieTe , die . daer np gemaket ende besegelt syn ,
Ngh. 3 , 20 (a. 1376). Die welcke dese bede ont-
faen ende wtgegeTen hebben na tbegrijp harer
' commissien, Exc, Cron. llSc. Na tbegrip ende
dynhonden des . . charters, Willems, Éeng. 341.
— Ook in den zin Tan rapport^ datgeen wat men
te rapporteeren heeft. \\ De hoTedinghe snllen alle
jaer, als hem de raet boden sand, brenghen hore
rullen ende hore begrijp op dat huns Toer den rade
ende rechten daer op dat si anders negheen begryp
en hebben, niets te vermelden hebben^ Stadb, v,
Oron, YIII, 32.
6) Oordeel^ beslissing^ eene bet., die de heden-
daagsche nadert. Alleen in de uitdr. staen ten
begripe Tan, in den zelfden zin als elders staen
ter claringe^ of ter proevinge, || Dat niement . . .
bringhe gheen Tleesch binder stede Tan der Sluns . . ,
np tTleesch Terbuert . . ende dit staende ten begripe
Tan den bailUu, ZVl. Bijdr. 3, 279, 16 («. 1389;
doch ook de bet. berisping, bestraffing is hier
mogelijk. Dan behoort deze plaats bij 1).
BEGRIPELIJC, bnw. Mhd. begrifenlich.
1) Yan begripen in de tegenwoordige beteekenis.
In actieTen zin. Met een goed begrip , bevattelijk,
schrander. \\ Dat die Taelman sal wesen habel Tan
sinne ende begripelic om te dencken ende te Tinden
alst recht ende reden heisschen, Matth. 101.
2) Yan begripen, in den zin Tan berispen (zie
ald. Ie, a). Berispelijk, af te keuren. \\ Begripelij c
mede in alre wijs so es ongemate prys, alse wel
alse lachter ongemate, Sp, I", 34, 106.
BEGRIPELIJCHEIT, znw. Tr. Mhd. begriffen-
licheit, Yan begripelijc (zie ald. 1). Bevattelijkheid,
begrip, || Die begripelicheit mynre ghedachten,
Stemmen 169. Als hi syn onbegripelicheit onser
cleynre begripelicheit Terenighet, 161.
BEGRIPEN, st. WW. bedr. {begreep, begrepen).
Mhd. begrifen ; mnd. begripen. In Terschillende op-
Tattingen.
1) Aangrijpen, aantasten, aanpakken,
a) In het algemeen. || Hi begreep tswaert metten
beden handen. Wal. 9922. Hi begreep thooftende
dwanct an hem, 8863. (Hi) begreep dat serpynt
te handen beide met dauwen ende met tanden,
Lanc. II, 29344. Fergnut begrepen heeft haren
breidel in sijn hande , Ferg, 4440. Hi deinsde ende
sach een hameide die hi ben*eep , 3766. Hi begreep
enen groten staf, 389. Hi begreep een byl , Pass.
W. 244^?. Hi begreep den poUaex ende slouch den
locarys ontwee , Cron. v. Vlaend, 2 , 163. Sy be-
grepen de siele haestelike ende worpense in eene
bernende smesse, Tondal, 44a. So begrepen si sijn
hant ende syns wijfs hant, D. B. Gen. 19, 16.
Hi stac syn hant wt ende begrepet zwaert, 22^
10. Si begreep die slippe Tan sinen clede, 39,
12. Hi begreep sijns Taders hant ende pyndese
hem te heffen Tan Effraims hooft, 48, 17. Die
(wint) begreep alle die spelthanen ende worpse in
die rode zee, Exod. 10, 19. Hi begreep dat calf
. . ende Terbrandet ende bracket tepulTer,32, 20.
Hi begreep een byl. Pass, W, 24Ad, Dat Tuyer
begrepen ende Terbamde syn clederen , 2Sc. Do si
opclommen uten water, begreep die geest des Heren
Philippum ende die knecht en sachen niet meer.
Es. 76 , Handel, 8 , 39. Zy beduchten, (dat) men hem-
lieden Tan dies Toorseyt es, zoude willen begripen
ende pugnitie begheeren , Invent. v. Brugge 6 , 309.
Here , hi {de visch) begrypt mi, D, B. Tobias 6, 3. Onse
Here begrepene {Petrus op de zee) dare ende scaltene,
dathi in twiTle ware, Jiyan^. 23606 9ar. Dese duTele
sullen mi Tan achter begripen ende ten eeuweliken
Tiere IcTcren , Tondal. 34Ï. Begrypt Baals Propheten
ende een Tan hem Inden en laet niet ontTlien,
D. B. I Kon, 18, 40. Begryptse leTende, ald,20^
7-15
BEGR.
BEGR.
716
18. Qhy overtreders, ghi zijt be^pen in dyer
naenheyt', in 7 nauw gebracht^ Bern. S. 9b. —
Ook verbonden met eene bepaling met met of
èi. Iemand beetpakken bij. \\ Doene begreep die
viant, metten breydele bine bant, Brand. 887.
Antilogus begrepene mitten breidele doe, Troyen
3966. Hi was begrepen bi siere muien so vaste,
ende bi den voeten vore; al dat hi pUnde was
verloren, 'Rein. I, 694. Die goede man begrepen
saen bi den halsberge, ¥erg. 2160. Ferguut be-
grepen bi den hare, 2675.
b) Achterhalen^ inhalen ^ bereiken. Met een persoon
of zaak in den 4den nv. || (Hi) volghede hem na
seven daghen ende hi begrepen inden berch van
Galaad, D. B. Gen. 31, 23. Alstuse begrepen
hebste, so selste hem segghen: Waer om hebt
ghi quaet voer gnet ghegheven? Qen. 44, 4. Die
viant seide: Ie salse navolghen ende begripense,
Exod. 16, 9. Te hant als hien begrijpt, sal hien
slaen , Num. 36 , 19. Niet dat ie te hants volmaket
bin . . mer ie volghe , op dat ie begripen moghe ,
daer ie in begrepen bin van Christo, Ei. 75,
Thilipf. 3, 12.
c) Vijandelijk aangrijpen , aanvallen. Met den 4den
nv. van den persoon of der zaak.
a) Met een pers. als ondw. || Wouter, het scijnt,
dat ghi gherne soudt begripen mi, mochti mi
ghevenden bloot, Teest. 790. Duillius hevet up
eenen dach Haniballe aldaer begrepen met C ende
LXX scepen, Sp. I», 19 , 43. Die van Rome streden
met scepen ende versloegen ende begrepen die
van Carthago, 19, 6 {zij grepen de Carthagers
aan en versloegen hen^^^ met den in het Mnl. zeer
gewonen prothmteron). Doe qnam hi voort te Mofllee,
dats ene stat, staet up die zee; hi hadde met
X<= scepen ter see waert die stat begrepen , ende
te lande waert beseten met meneghen deghene ver-
meten, Alex. V, 719. Dat die oude Hanibal met
LXX grotere hooftscepen Ytalen hadde al begrepen,
Sp, I», 19, 12. Die van Cartago worden begrepen,
ald. 22 , 18. Dus nauwe eist dien van Rome gescepen
ende dus heefse Hanibal begrepen, 32, 31. Haer
gheselscap bleef by den scepe, op aventuer oft
ymant begrepe , Troyen f. 42<z.
(i) Met God als ondw. Straffen^ tuchtig en. ^Ya^
wilt mi niet begripen sere in grammen moede,
Boetps. 38, 1. Ie en souds ghenesen nemmermeere,
begrepe mi dine gherechticheit, OVl. lAed. en G.
6, 108.
y) Met eene zaak als ondw., b. v. eene ziekte,
een ramp, enz. Aantasten^ trej^en^ bevangen. \\
Marciaen wert eer iet lanc metten cortse begrepen
sware, iSjp. II*, 18, 130. Up eenen Saterdagh,
omtrent den avent, begreep haer eenen cauden
curis, Belg. Mus. 6, 168. So wertse met eenen
strangen coorts begrepen , Exc. Cr on. SOb. Dat my
machschien enich quaet begrijp , soe dat ie sterve ,
D. B. Gen. 19, 19. Du wetes alle die pine, die
ons begrepen hevet, Num. 20, 14. Of die Here
mit ons is , waerbi hebben ons dese quade dinghen
begrepen , Recht. 13, 23. Doe sij wech ghetijt waren ,
soe begrepen (/. begreep) Godes vrese alle die
steden, die omtrent daer waren, Gen. 36, 5. —
Metter doet begrepen sijn, stervende zijn. \\
Daer liep (/. liet) menich ors al manc syn darme
achter velde slepen ; metter doet waren si begrepen ,
Velth. IV , 36 , 36.
rf) Iemand voor het gerecht dagen , hem in rechte
betrekken^ arresteeren. \\ Dat hy hem te bet sal
verhoeden te seggen of te doen, datten rechter,
den tscependom of der steden recht tegendroech ,
dair hy om begrepen ende bescadicht mocht worden,
Matth. 143.
e) Aangrijpen^ in moreelen zin.
a) Met den 4den nv. van den persoon. Gispen^
laken ^ berispen j terechtwijzen, onder handen nemen. ||
Nu verstaet elc ende begrype mi niet, Amand II,
270. Daer hise vriendelike begreep ende castiede
daer of, VI. Rijmk. 3258. Daer si den keyser heeft
vernomen , dien si begreep niet alse die blode, Sp.
II*, 3, 96. (Hi) ginc maken feeste vele . . . ; hieraf
begrepenne II heilege man, II*, 29, 32. Al es het
waer, hen doghet niet, te begripene dinen heere,
Praet 2339. Datmen verwite elc anderen ende be-
gripe , niet in felheden , maer in spele, Vad. Mtu. 1,
372, 16. Virgilius die wert begrepen , ende menich
ander, in horen dichten, van vulen ongheleerden
wichten, MLoep II, 620. Die wise Salemoen be-
grijpt die gheenen die dit doet, Bonc v. Sed. 88.
Al begripic die grongaerde ende die dorpren,
Rein. I, 32. Als u vrient bedroeft es, dan en be-
grijpten niet, Doet. II, 2074 var. Nyemen en
begripe mi in dien, dat ie dit segghe van goeden
vrouwen, V, d. wiven 108. Ne begrgpten niet in
sceme, Denkm. 3, 178, 29. Dat ghine begrgpt
met dommen sinne, Parth. 1568. Vele liedc sjn,
die poghen , hoe si andre begripen moghen , Lsp. U ,
43 , 41. Die die liede meest begripen , men mach se
metten selven nipen, Theoph. 47. Niet begripen
anders daet, OVl. Lied. e. G. 289, 1646. Ooc be-
grepen sine, alsi saghen, dat sine jongers niene
plaghen te vastene, Rijmb. 23107. Si begrepen
Onsen Here, dat hi at metten sondaren, 23100.
Dat u vriende u dorren vrylicken begripen ende n
ghebreken thonen, Exc. Cron. 116 «. Sgtvanlnttcl
woerden, soe en seldi niet begrepen sijn, Stemmen
129. Vgl. verder Troyen 3006; Sp. II«, 14, 60;
ïVrake I, 32, 1282; Melib. 3313 var.] Amand l,
1378; enz. — De persoon wordt ook met op Ter-
bonden. || Begripende gracieus ende coen was Amand
op die heydine , Amand 1 , 2478. — Ook met den
2den nv. of eene bepaling met in of van, ter aan-
duiding der zaak, waarin men iemand berispt. ||
Lanceloet sat ter taflen, daer hi lettel at, vant
hi altoes in ghepeyse was, ende die cnape begrp-
pene das , Lanc. II , 26692. Dat hem die sfilke
niene betien, dat hi sprake uut heresyen, daer
men hem in begrepe iet, Lsp. Il, 44, 89. Die
u wilde begripen van den zeden , Rosé C 5432.
Begrüpse niet van hare zeden, Boue v. Sed. 384.
Om aatmen se sonde in bloetheden begripen, Lane.
III, 1169. Van goedertierheit . . . . ne machmen
begripen niet, wat goedheid betre/t, kan men nktt
op hem aanmerken, ubi ? Vorsiene , diet lesen hoorde,
begreep mi daer van eenen woorde , O VI. Lied. e.G.
280, 1377. Begr^pt di iemant van dine mesdaet,
OVl. Ged. 3, 113, 63.
P) Met den 4den nv. der zaak. Aanmerkingen méie»
op iets, het laken. || Daerombe sonde deen den ander
raden dinge die niet te begripen waren , Merl. 15700.
Dat hem emmer begripens lust mijn gedichte ende
mine wort, Rijmb. 76. Clenemesdaet begrijptiserc,
van groten maecti gheen parlement , 26522. Eer dn
spreex , besie dine wort , dat niet en begripe die
ghene diet hort, Bouc v. Sed. 266. Al die werelt
sal dit ... . ane u begripen harde sere , ende meo
saels u spreken onnere, Lanc. IV, 8614. Pander
begreep sinen onsede, -Sjp. I^ , 29,40. Dat sgn leren
noch sijn leren niement en mochte blameren noch
begripen daer toe mede metter waerheit, Lsp.lH^
6 , 25. Lieden van gheesteliken abite snllen
begripen mine woort , 1 , 26 , 97. Daerom en sal dese
717
BEGR.
BEGR.
718
woortnlemantbegripendiese hoort, II, 6, 85. Hoe
dat^i moghoD begripen dat dichters briiighen voort ,
Prol 31. Oec en saldi begripen niet, wat ghivan
hem hoert of siet, Melib. 1111. Datmen hore dolin-
ghe sal begripen ende souwen over al , Doet. II ,
109 var. Hoedt uwe woerde nauwe, dat ghi niet
en segt, dat si begripen raoghen ofte dies si ghe-
ergert werden, Ruusb. 4,86. (De Phariseën) saghen
someghe van Jhesus jongren met ongewasschen
handen eten. Dese quamen te hem ende begrepen
dit, L. V. J, c. 112. Dat men .... desen brief yet
begrypen moghe ofte laken, Nijh. 2, 6 («. 1343).
H) Met den 4den nv. van den persoon of der zaak.
Weerleggen^ iemands woordden bestrijden. || Int dis
pateeren begrepenne Baselijs daer . . . .;
dat horden andere ; doe seiden si : „o philosophe ,
wie begrijpt di?" Sp. II', 72, 33. (Seneca) waste
begripene coene , aldaer hem de heidenen an houden ,
IP, 10, 34.
J) jLiniait^n^ innemen^ bezielen^ in het pass. ||
Met meerren moede warti begrepen, te verdrivene
aten lande de felheit vanden ouden viande. Franc.
1178.
2) Aanvatten^ in de hand nemen.
a) Eigenlijk. || Ghi hebt een glasen werc begre-
pen, dat broosch is ende onghestide, Hild. 124, 26.
b) Overdrachteiyk. Ter hand nemen ^ ondernemen ,
op het touw zetten y onderstaan, het plan vormen. \\
Ghi snit met u nemen lieden, die vroet sijn ende
conncn bedieden die wet . . , want allene waert u te
fel te begripene , Amand 1 , 2326. Nu willic u seggen
vort, wes (d. i. waf) hi begreep met groter vromen ,
Brab. Y. VI, 1564. Grote sotheit hebdy begrepen,
bestaet ghys , Troyen 429. Aldus antworden Apollijn :
morghen ganc, dat is die wille mijn, so du yerst
moghes ten soepen {^Hs. Griecken) , die dit orloghe
hebben begrepen, Troyen f. 53 a. Omdat sy
goede ridderscepen bi der mynnen rade begrepen,
Troyen 2847. Hoe dorstuut oyt begripen wale,
dattu my hier souds be.staen, 10647. Dat opset,
dat ghi hebt begrepen, MLoep I, 1855. Alsmen
begrijpt der minnen list, 2127. Bedie begreep hi
wonder groot, Parfh. 5306. Die over zee die
crnce ontfaen , eer hijt begripe , bepense hem wel ,
Boue V. Sed. 372. Wye dat buten sinen maghen
veel begrijpt ende hem dat misgaet, Hild. 198,
68. Nu hort watse heeft begrepen te secgene
onder die genote, Velth. II, 19, 48. Hi begreep
een bedevaert over tmeer ten heilighen grave,
ClagheH (Gelre, Wapenb. 58). (Amand) bat ootmoede-
like onser heere , dat hi hem ghesterken wonde in dat
hi daer begrypen sonde , Amand II , 2086. Wat hi be-
grijpt, Overzee 141. Gheraet, wat wy begrepen, OVl.
Lied. 53, 8. Dus eist begrepen, Sp. IV», 8, 34.
Als sy dat werc aldaer begrepen ende opgeslagen
hadden , Matth. Anal. 3 , 335. Dat wi sonderlinghe
hoge saken begrepen hebben, Nijh. 1 , 418 (a. 1340).
Waert . . dat die stat enech ander orloge begrepe ,
V. d. Wall 458 {a. 1418). Dat hoert den scouwen
toe, dat men mit st-adighen ghepense begrepen
heeft. Stemmen 142. Als syn vader noch leefde,
8o was dat huwelic begrepen tusschen hem ende
vrou Marie grave Lodewijcx dochter, Exc. Cron. 124«.
— Met eene bepaling met m, b.v. in het hart, in
den zin , heeft begripen de bet. van het plan vormen,
overleggen. || Doe begrepen die Scriben ende die
Phariseï in hare herte, dat sine doeden souden,
Rnusb. 2, 154. Die jonge coninc Karel in den sin
begrepen hadde, dat conincrijck van Napels te
conquesteren , Exc. Cron. 263a. — Die zee be-
gripen, eene zeereis ondernemen, || Bi wilen
ruste hy een jaer off twee, eer hi weder begreep
die zee, MLoep IV, 1451. — Enen wech be-
gripen, een weg inslaan. \\ Hy heft met XL soepen
den wech te Troyen wert begrepen, Troyen f. 35 c.
c) Aanvaarden, vrijwillig op zich nemen. \\ Si hilt
ewelijck . . suverheyt . . ende begreep willich armoede,
ubi?
d) Instellen, oprichten. \\ In voirleden tiden, in
der eren Goids ende in rechter aelmissen een gast-
huus begrepen ende gheordineert is bi goeden,
eerbaren personen, Letd. Keurb. 489, 11. Datmen
voirtan geen susterhuysen of geestelike huysen
binnen der vrijhede van Leyden meer begrijpen en
sal, 491, 14.
3) Ontvangen, aannemen, nemen. \\ (Het) ont-
fanghet ende begrijpt lichtelike een roeste smette ,
Nat. BI. Xni, 132. Bi vele lachene endetonstede
begrijp men int herte domhede, wordt men stomp
van geest (?) , Bouc v. Sed. 99. Hier naer de selve . .
die begreep in huwelike Baoult dochter van Neele ,
VI. Rijmk. 5989. Loept also dat ghi (den loen)
begrypt, Hs. 75, l Cor. 9, 24. Alle lopen si , maer
een begrijpt die crone; also loopt, dat ghi^^ be-
grijpt, üs. V. 1348, 52c.
4) O ingrijpen , eigenlijk en overdrachtelijk , dus
zoowel omvatten, omvangen, als bevatten, inhouden. \\
Wat siere in (m de schelp) begripen can, dat
blijft doet al gheheel. Nat. BI. V, 850. Noit
man mi mochte begripen, hoe wijt hi die hant
hadde tier tijt ende hoe groet, Lanc. III, 7998.
Doen drie daghe waren leden . . , begreepse een wolke
zaen . . ende voerese over die Jordane, Lsp. II,
36, 2039 var. Hi begreep hem om den hals ende
custen ende weende, D. B., Gen. 33, 4. (Dbouc)
mach niet begripen al dat men mach segghen ende
spreken met monde, Livre d. Mest. 1. Soe heeft hi
allen menschen ghescepen , daer wonders veel in is
begrepen , Hild. 189 , 25. Hi ducht voer die scrifture,
maeet hijs niet goet ende pure dattie scrifture be-
gripen sel, 117, 17. Gelyc die kueren, die dair
of sijn, dat genoich begripen. Leid. Kettrb. 204,
41. So die brieve begripen, 28, 17. Alle de renten
. . begrepen in onsen brieven vors. , Brab. Y. Dl. 2,
bl. 553 {a. 1357). Also dat begrepen staet in die
brieven, daerop gemaect, Exc. Cron. IZld. So
begreep dan dese cednle, 183^^. Om der saken
ende faiten willen begreepen in den voirscreeven
bedachten, V. d. Wall 572 («. 1444). Gel ij oker wijs
dat die vorgen. bryeve . . inhanden ende begripen,
Nijh. 3, 16 (ff. 1372). In enen open brieve . .,
gelijc alse die dat inhelt ende begrijpt, 77. So
wanneer hem also vele gelts van den gesticht
weder gegeven worde , als die brief begreep , Matth.
Anal. 3, 295. Ie minne een licht dat blenct in
mijnre sielen , dat gheen stat en mach begripen ,
jS^www» 176.— Begrepen \i^\ihQiL,omvat houden,
bevatten, \\ Alle vruchte, jono ende out, die de werlt
heeft begrepen , Hild. 174, 11. — Begrepen sijn
in ere stat, zich op eene plaats bevinden. \\ Hi
en heeften niet ghescepen in sulken stade te sijn
begrepen, al daer die bose meester is, Hild. 163,
101. Worden wy in duustemis begrepen, der oghen
licht is ons versperret, 223, 16.
5) Bezetten, beslaan.
a) Eigenlijk, eene ruimte. || Hi riep: die Tybre
is begrepen algader mitten Troyeschen soepen,
Troyen f. 276^. Wonder haddens die Latyne,
dat sy eer der sonnen schyne die haven saghen
begrepen {üs. begreven) ter zee wert mit veel
soepen, 269c. (Hi) hevet die zee begrepen met
IIII" ende VIIP soepen, Sp. III*, 14, 59 (vgl.
749
BEGR.
BEGR.
720
I*, 19, 25). Hi hevet die see bedect met scepen,
ende dlant met tenten al begrepen, Alex. lY,
223. Een yloet van CC scepen, daer hi mit hadde
begrepen altenengader dat Swin, Edeio. 1107.
UÏÏxes qnam ende syn Inde ende heft met L
soepen voer theer tlant begrepen, Troyen f. &2d.
Si hadden tlant begrepen met ridderen entie
zee met scepen, Sp. I*, 16, 13. Menelans qnam
hem lieden te hnlpe . . . ende hi begreep dat
velt, Troyen Vh. 33d. Als die Hertoghe van
Brabant . . . mit vele volx nyt sinen steden
van Brabant qnam, begrepen si dat velt, Matth.
AnaL 3, 369. — Éne stat, ene herberghe
begrip en, eene sfad, een logies betrekken. \\
Die Troyene ginghen njtten scepen; haer herberghe
hebben sy begrepen daer sy wel waren ontfaen,
Trayen f. 33a. Hertoghe Jans vrienden die be-
grepen die verbemde stede ende bleven dair
leggen, Matth. Jnal. 3, 389. (Si) hebben die
stat weder begrepen, gerepareert ende getimmert,
Exc. Cron. 2180. — Sine woenstat begripen,
zijne woonplaats vestigen. \\ (Hi) qnam van Ludic . . .
ende begreep siin woenstat tsinte Geerden berge ,
Clerc 141.
b) In bezit nemen. || Lodewyc . . trac ter marct,
begreep dat schepenhnns ende stac sinen standaert
ten scepenen hnnze nnt, Cron. v. Flaend. 1 , 226.
Hi begreep terstont der stadt hnys ende hi track
af de banier des graven van Ylaenderen , Exc. Cron.
141 rf. Die edel Vranc van Troyen , die tlant biden
Riin eerst begreep, Clerc 8; vgl. 9. Als hi dus
binnen der stad was comen, rechtvort . . begreep
hi der heeren huns, JBrab. T. VI, 1666.
c) Vullen^ vervullen. \\ Galeiden, die waren be-
grepen met een deel goeder liede, Velth. IV, 67,
48. — Vooral gebruikelijk in het verl. deelw. in
fignuriyken zin: begrepen met of van ere
dinc, met of van iets vervuld. \\ Doe wart ont-
steken die wigant, ende met torene begrepen te
hant. Ren. 1816. Dat ie met siere doet ben be-
grepen met rouwe, niet met bliscepen, Lanc. IV,
8901. Hi werd doe begrepen metter airemeester
bliscepen van der werelt, Lanc. IV, 12871, Als
een van dranke is begrepen, JDoct. 1364 var. So
wiere mede {met minnen) begrepen is, hi wert
ghepijnt, Parth. 6667. Ie wart so begrepen met
uwer minnen, 820. Begrepen met so groten rouwe
3610. (Si) wart een lettelkijn begrepen van siere
minnen , 2880. Begrepen met groten vare , Lsp. Il,
36 , 1722. Begrepen met rouwen ende met erscepen,
Lanc. II , 3265. Nuttelijc sijn in vroetscepen , daer
eist goet sijn met begrepen, i^. I«, 66, 76. Met
serecheden begrepen, Velth. VII, 18, 40. Die met
minnen waren begrepen, Trof/en 2900. Dat hi mit
honger is begrepen, Lticid. 4086. (Sy) voeren
ten groten scepen, die mit sorghen waren be-
grepen, Troyen f. 2ö3a. Doe wert hi ontsteken
ende begrepen met grooter begheerten om die
wapen te cryghen, Troyen Vb. \^a. Wy selen . .
met minnen begrepen worden, Ruusb. 3, 262. Si
waren alle metter giericheyt begrepen, Ned. Proza
212. Mit pinen begrepen , Hs. 71, Matth. 4, 24. — So
begrepen, met zulke gedachten vervuld^ zoo ge-
stemd. II Die coninginne es tongemake ende so begre-
pen . . . , wine mogense niet spreken nu , Lanc. IV ,
2960. — Ook met eene bepaling met in. Vervuld zijn
van. II Ie ben seker dat noit begrepeu ward Lanceloet
ter coninginnen wart in gepense van minnen dorper-
like , Lanc. IV, 1619. Ie biddi , Here , op oetmoet , dat
ghi in evelen moet . . van mi begrepen niet en moet
sijn , Boetps. 6 , 1 (de tekst heeft in dinen evelen moet,
maar de bedoeling is: Dat gij niet vervuld moogt zijn
van toom jegens mij\ Ie was bi u begrepen in soe
groter bliscepen, daer gi mi ute hebt gewerpen
nn, Lqgie. IV, 12887. Dat wy in soe menige
ongevallicheyt zyn begrepen , Bern. W. 122a. In
groter noot begrepen ende in ancsenen groot , Partk,
6972. Daer wul die viand so begrepen in nide np
hem, Jmand I, 3677. — In den rechte be-
grepen sgn, ziek met het recht bezig kouden, ||
Baeliuwen , schouten ende schepen, die inden rechte
sijn begrepen, die sullen doen hoers heren bot,
Hild. 216, 131. — Vooral verbonden met een
znw. , dat eene gedaekte of een voornemen uitdrukt.
II Daer sach hi enen Moriaen begrepen in een
duUen waen , Hild. 43, 56. Die soudaen voer begrepen
in dien waen, dat hi Melioer hebben soude, PoriA.
8004. Vaste begrepen in den wille, dat hi die
sake sonde bestaen, 2687. — In dien be-
grepen sQn, ergens van vervuld, er opvitsijn.\\
Hi wilde zinen gheselle zien ende bleef begrepen
vaste in dien, ende bereedde zine vaert, Bloeml.
3, 9, 17. Wi syn oec in dien begrepen, dat wi
ons wel willen wreken, Troyen 3008 var. (Claris)
was emmer begrepen in dien , dat si gheme hadde
ghesien, dat verholen ware bleven die minne,
Flor. 3168. (Ie) ben nu bi redenen in dien be-
grepen , dat ie justicie sal doen baren op hen , die
overhorich waren myns geboots, BH^e. v. Mar.
292. Die in dien altoes begrepen waren daer, dat
si den anderen reden naer, Orimb. 1 , 2682. Welna
ben ie in dien begrepen , dat ie u wil doen slepen,
Troyen f. 2bb. Si worden in dien begrepen, dat
syt (het kout) daden slepen uter doren , V. d. Honie
617. — Ook met weglaUng van in dien. || Noch
was die tymmerman begrepen , dat h^s ynuner
vermanen wilde . . , dat hi dat liedek^n hadde
ghesonghen, Hild. 38, 206.
6) Vangen, betrappen, overvallen, — a) in het
algemeen. || Tis eene ghemeenlike zake, dat dat
den vrouwen dunct een wrake, als si den man
begripen moghen, MLoep IV, 2193. Daer seyden
si, dat si Suzanne hadden begrepen mit enen manne,
II, 2627. Onder haghen ende onder linden . .
croop si over voet ende over hande om den man
te begripen aldair, IV, 2180. Al bin ie hier be-
grepen in deser stadt, ie wil my vrien, Hild. 19,
66. Ende hi wart van scaemten roet, want hi hem
so begrepen vaut. Franc. 6060. Hi . . wart be-
grepen inden snee biden voetstepen, Sp. IV', 46,
67. Die nacht hevet mi hier begrepen ; laet mi hier
bliven, III*, 26, 18. Si begrepene in haer strec,
Rijmb. 7114. Dees man wart met eer hasteger doet
begrepen, D. War. 3, 163, 189. Alse hi (&en pas
zoeken began, begrepen die riviere an zinen danc,
Lsp. I, 41, 61 var. Alse hem dorloghe begrepe,
Sp. I*, 24, 17. Een wgf in overspil begrepen,
Us. 71 , Jok. 8, 3. Ie sal die wise begripen in
hare sealeheit, JSs. 76, I Cor. 3, 19. — Ook
in den zin van iemand in zijne woorden vtmgen^
iemand strikvragen doen. || Sulke volg^den hem
ende sochten, of sine iet begripen mochten, 8p.
V, 9, 33 (Vine. : volentes eum capere in aliquo
verbo et facto et aeeusare).
b) In juridischen zin. || Begrijpt men metter
dieften snel, soe sal hi III vont aUoe veel goeds
voor die diefte gheven, X Plagk. 1587. Waen
sake, dat enieh mensche worde begrepen met
dieftegen guede, Overijs. Beckt I', 162. Wairt
dat yemant van den poirters van Gorinchem torff
haelden anden moeren ende dair mede worde be-
grepen, V, d. Wall 677 (a. 1446). Die hadde
721
BEGR.
BEGR.
722
▼erboerd sgn hoefd ende sjgn goed ofmenbegrepe
erghen in onzen lande, 125 (a. 1303). So wie be-
dngen worde of begrepen mit onrechter mate of
mit onrechter wage, Leid, Keurb, 53, 11. So wie . .
die irateren onrejnde, dat scepenen kenlic wair, of
begrepen worde mit twien poirteren, verbnerde
12 SC. Ende wie enighe ynylnisse dair in dede bi
nachte . . , die dair of begrepen worde , verbnerde
2 scatte boete, 7, 22. Wert eens papen dochter
begrepen in onkuysheden, D. B. , Levit 21 , 9. So wie
den anderen npten heyligen {onder aanbod van
tenen eed) begreepe , daer hjj niet mede en wonne ,
Terbuerde III fi, O. K. r. Delft I, 9, 10(vgl.bl.
7, 10: Item die den anderen npten heiligen begreep).
Metter mesdaet begrepen, op heeter daad betrapt^
Invent. v, Brugge 2 , 53. Daer menne metter yersker
daet begripet, O, R, v, Amet, 7. Ende hi mitter
Terscher daet begrepen worde, 14.
7) Op ééne plaats komt begripen wederk. voor,
in den zin van giek vergrijpen, nl. Lorr. 111,6. ||
6hi sont ontgelden teser tgt, dat gi mi dns logen-
streept; ie wane gi n daer in begreept. — Vgl.
BEORIPENESSE.
Aanm. — Wat begripen beteekenen moet Velth.
ly, 56, 87: „So wel gescepen, ende den lichaem
80 edelike begrepen, hets tscoenste hondekyn,
dat ie kinne,** is moeil^k te zeggen. Het beste zal
zjfn, het gebmik van begrepen te dezer plaatse
voor rekening van den schqjver te laten, en aan
j,reimnot^^ toe te schrgveu.
BEGRIPENESSE,znw. vr. Vgl. begripen, 7).
Misgreep , vergrijp, mitdrijf. \\ Ëlc onser spiegele
hem in desen ende peinse dat hi bescnldich wesen
mach van deser begripenesse , Amand I, 5443.
BEGRIPER, znw. m. Mhd. begiifare. Van
begripen in den zin van berispen (zie ald. \e, a).
Berisper, Vooral in den slechten zin van iemand die
«ummerkingen maakt, verwijten doet, iemand hekelt
en daarvan zijn dagelij ksch werk maakt. \\ Dn
(JoAannes de Dooper) waers begripere der zonde,
OVL Lied. e. O. 24, 69. Gene es der valsceit
bringere, loes ende viant der simpelhede, ende
begripere der liede mede, Sp. I*, 38, 14. Ne wes
geen vragere te groet, noch begripere te bloot,
I*, 36, 137. Omme dat si begripers waren ende
si niemen en wilden sparen . ., dies heetmense
Satyriene, 1*, 76, 27. Men vindt dat dese heilege
sant eens hadde een vogelken in de hant . .; een
begripere saecht ende seide: „Ghene vroede, gene
onde, vaert also een kint varen sonde " II*, 26, 38.
Zoo ook 11^, 6, 73. Beg^pers moeten altoos wesen,
Ltp. Frol. 40. Daer omme moeten hem die vroeden
jeghen die begripers hoeden, Lsp. II, 43, 45.
BEGRIPINGE, znw. vr. Berieping. \\ Die be-
grgpinge oft berispinge, Boeck v. d. L. J. 99 c.
BEGRISEN, st. ww. bedr. (begrees , begresen). By
Kil. :begrijsen, frendere in algm. , fremere ore in
alqm. , subsannare^^ ; Hor. Belg. 7, 19: „snbsanno,
begrisen, betpotten, snerken." Hoonen door spottende
gebaren, gezichten tegen iemand trekken, en vervol-
gens in 'het algemeen hoonen, beschimpen. \\ Quam
yemant,die dit wilde begresen, als wg ons somtijds
willen verhneghen , die salmen terstont bayten den
closter wgsen, Belg. Mus. 9, 185. Alle twist , achter-
clap, bespottinghe , begheckinghe , lengentale, be-
grisen, heileghen . . . schouwende, 5, 190. Verg.
ook ONBEORESEN {OFl. Lied. 495).
BEGROETEN, zw. ww. onz. Vastgroeien , wortel
schieten. || In desen pat staet menich doren , diemen
vaste laet begroeyen, Hild. 199, 140. — Nog in
de 17de eenw in gebmik (Ondem. 1, 409).
BEGROETEN, zw. ww. bedr. Mhd. begrüexen,
1) Groeten, iemand goeden dag zeggen. \\ Die
ridder bleef alse hi was eer in sün ghepeins even
eens, dies en begroeti hem gheens ende lietse
liden ongegroet, Limb. IV, 814.
2) Ironiek. Een vijand aanvallen, aantasten.
(Verg. de namen der wapenen courtoise eolve en
goedendag', en Tekstcritiek , bl. 37). || Dat Qnintus
Marins van Monju van Rome qnam . . endehevet
die Gallen begroet, die saten an dies berghes
voet, Sp. I», 58, 39.
3) Iemand aanspreken , het woord tot hem richten. —
Met eene bep. met van. Hem over iets aanspreken. \\
Hem te begroetene van der dinc, Velth. 1,26,15.
Dat wi emmer antwerden moeten, daer ons die
coninc af wilt begroeten, VI, 13, 71 var. — Ook in
den zin van iemand ergens over aanspreken, hem er
toe aansporen, dringen, uitnoodigen. || Ende hi be-
groets {d. i. begroete des) oec der Vronwen, dat si
hem waer in dien getrouwe, maer het (hadde) haer
herde onwaerd, Velth. II, 40, 15. De lust den
wille begroet ter leckemien , Wap. Rog. 1718 (vgl.
groeten vs. 1797).
BEGRONDEN , zw. ww. bedr. Mhd. hd. begründen
(schoon in anderen zin). Hetzelfde als het meer
gewone vergronden en gegronden (zie ald.). Door-
gronden, peilen. \\ Des menschen herte es boze
ende onbegrondel^c ende wie saelt kennen ? Ie bem
die Here, begrondende dat herte ende proevende
de nieren, Hs. v. 1348, 16b, e.
BEGROTEN (begroeten), zw. ww. bedr. Ver-
goeden, schadeloosstellen. Kil. „vetns Compen-
sare". \\ Toter tiit toe, dat onse poerters voerseit
begroot sijn van hare scaden, die si daer of
gheleden hebben, V. d. Wall 245 («. 1355). Vader
ende moeder moghen begroten haer kinder metter
custinghen, Oorkb. 2, 342, 108 (a. 1290). So wien
dat de beste cavel ghebnert, dat hy den andren
begroeten sal , Coitt. v. Gent 563. Dat zy composeren
ende elc anderen begroeten, 564.
BEGROTINGE (begroetinge) , znw. vr. Ver-
goeding, schadeloosstelling. \\ Ware mids dien jeghen
recht, dat hem de vorseid handere also ghoeden
sande sonder den hoire begroetynghe te doenevan
der eender heeltsceede van den coepscatte, Cout.
V. Gent 635. Den voomoomden hoyre eenighe
begroetynghe te doene van den coopscatte, 639.
BEGRÜSEN (begrüisen), zw. ww. bedr. Van
gruis in de bepaalde beteekenis van kolengruis.
Met gruis bedekken, en vervolgens in het algemeen
bezoedelen, bemorsen, vuil maken. \\ Soo mach eenich
vanden anderen cnapen den selven wel bemasscheren
off met coolgmys swart maken , opdat hy leerende
wercken hem niet en sonde vermijden, hem tebe-
gmysen, V. d. Wall 791.
= In de 17de eenw was begrüisen en zijn freq.
begruiselen een zeer gewoon woord. Zie Ondem. 1,
409 en De Jager, Freq. 175.
BEGUITEN, zw. ww. bedr. Van guyt in de
tegenwoordige beteekenis. Voor den gek houden,
foppen. II Eylacen, snster, ghy beguyt my, dat ghy
segt, dat ghy van haer niet en weet. Mar. v. N.
15, 338.
BEHACHTEN (beh aften), zw. ww. bedr. Mhd.
beheften-, nhd. behaften. Vgl. Verwgs, Gloss. op
Vrouw e. M., bl. 111.
1) Vasthouden, in hechtenis houden. \\ Off hem
daer yemant an hyndert off weringhe dede, hy
weer wie hy weer, dat ghy hem den helpt halden ,
behachten ende toeven, Ngh. 3, 170 (a. 1390).
2) Verbinden, aansprakelijk stellen. Ygi.Diut.2,
723
BEHA.
BEHA.
724
225 :behagteiif obligare. Vooral in het verl. deelw.
in gebruik. Behacht, beha ft , aansprakelijk. \ |
Des en sullen die borgere van Oulenborch dair
niet voir behafft oflf beswairt werden, uytgesacht
die landtoU to Tyell, Nijh. 4, 466 {a. 1472). Voir
die Yoirscr. hondert dusent gulden behacht te wesen ,
12 {a. 1423). So sal die here van Moersse bliven
behact (/. behacht) ende verbonden den heren vorser.
2, 194 {a. 1364). Wie dat sijn burghe wordt, die
is borghe voer sinen koer ende voer die zoene
behacht, Stadsr. v. Zwol 58, 34. En dede hi des
niet, soe verloer hi also vele als onse burgher,
ende daer waer syn burghe voer behacht, 61, 41.
Want des abts ende convents goede voorscreven
mit dier plechten behaft sonde bliven, R. v. Ufr.,2^ 79.
— Vandaar de nitdr. behacht (behaecht) goet,
d. i. in beslag genomen goed. \\ Op behacht goed en
machmen gheen vonnissen wisen, en si vuyter
hachten metter wet (?), R, v. TJccle 4, 16. Wie
behaecht goet aenveerdt, dat metten rechte be-
haecht is, ees om III pont jegen den here, Belg,
Mm. 6, 297 (Heeln, bl. 544, a. 1292).
3) Verstrikken^ overvallen. \\ De werelt den be-
driegers slacht: dats die gone die si wacht, dien
si meest helst ende lacht, ende tierst met der
doot behacht, Z. ende Lick. 193. — Een andere
vorm van dit nauw met dit ww. verwante be-
heften is hetMnl. beheept^w^. behept. Zie beiiEept.
BEHAECH, znw. o.; eig. stam van het werk-
woord behagen. Behagen^ welgevallen. || Te lac, te
traech in duechdelic werc naer Gods behaech,
on. Lied. e. Qed. 417, 101.
BEHAECHT. Zie behachten, 2).
BEHAEL, znw. o. Van behalen {z. ald.). Verhaal ^
schadeloosstelling, vergoeding. Sonder behael,
zonder zich te benadeelen, indien men zich door
onkunde vergist. Vgl. verhael. || Een ytlick sal
doen syns selves woerde sonder behael , ten wer dat
hem die scepene oirloflf gheven dat een ander syn
woert vor hem doet, Racer 5, 300.
BEHAGE, znw. vr.; mhd. behage. Behagen,
welgevallen, zin, lust. || De minne doe met mi hare
behaghe, Hadew. I, 170, 10 {of my.yan behaech?).
BËHAGEL (ook in den samengetr. vorm baoel;
zie ald.), bnw. Mhd. behagel. Van behagen of hem
behagen, met den in het Mnl. gewonen uitgang
-el. In verschillende opvattingen.
1) Van behagen in de tegenwoordige beteekenis.
Aangenaam, behagende aan. \\ Behagel den god der
minnen , Hofk. v. Dev. 10 r. — Ook van alles wat
schoon, sierlijk, netjes, keurig, goed in zijn soort ib,
vooral van al , wat tot den uiterl^ken tooi behoort. ||
Dijn behagel lijf, dijn vleesch, dijn bloet, nam
sijn begen uut armer vloet, Rincl. 225. Van desen
geluwen gehaerden,behagelen, gekijmden musarden,
1119. Smenschen haer ende sijn naghele, die aen
hem staen so behagele, Lucid. 5603. Jahel
betekent die behagle entie scone maghet Marie,
Rijmb. 7384. {Ledicheide) ne hadde te doene ander
sake dan si haer selven behagel make, Rosé 555.
Hi {de planeet) doet oec sijn den winter fel, den
somer sochte, behaghel, IVap. Rog. 1461. Dat
hi quam gegaen tier stad , daer die behagele vrouwe
sat , Limb. X, 707. Daer was meneghe vrouwe rike,
scoene , behaghel ende valiant , Vergi 829. Hovesch ,
cuusc , van sconen seden , sere behaghel ende
achemant. Vrouw. e. M. I, 3. Hi . . sende mi
den rudder saen . . ende ene joncfrouwe behaghel
mede. Wal. 10382. Scoon orse, . . behaghel syn
si ende groot, Parth. 4254. Tors es behagel ende
groot , Ren. 285. Behaghele worden . . ghesiert oft
bloemen waren, Melib. 1142. Wat ghingdi sien;
enen die met behaghelen cleden gecleedt was?
Die met behaghelen cleedren becleedt syn, die
syn in der koninghe hove, L. v. J. c. 81. Sy
had enen behagelen gewrochten rock aen, D.B.,\1
Sam. 13 , 18. Sij maecte haar hooft behagel , ald. II,
Kon. 9, 30. Die behaghel abijt, cierheit ende ere
der werelt begheren , die behoren ter hellen , Bnusb.
5 , 179. Zie nog Lanc. II , 41463 ',Sp.lSf^ ,1 ,bA,enz.
2) Als eigenschap van het karakter. Lief, aardig ,
aanminnig, beminnelijk. \\{0\yi^mji%s\Ti) was recht-
veerdich noch behaghel , doe sy tymmerde dat op»et
soe boesliken teghen der eren wet,ifLoq»IV, 334^
Si was behagel ende jolijs. Rosé 3517. Alse clene
ridderkine . . . ende alse behagel ... als gi mi saget
in geen wout , Lanc. III , 12866. Omdat si waren also
clene ende alsoe behagel oec, 12877. Entie ridder
was alineen jolijs, behaghel ende vrome mede,
Vergi 112. Dair ie vrouwen vele vant, hovesch,
cuusc, van sconen seden, sere behaghel ende
achemant, V. d. Feesten 4.
3) Van hem behagen (z. ald. A, 2). Stont,
fier, hooghartig , vermetel. || Daer ne was jonc no ont,
no so behagel no so stout, die daer wederspreken
dorste , Lanc. III , 20563. Die juecht es stout ende
zeer behaghel, Hild. 71 , 299. Vele ruddren . . . be-
haghel ende van fieren sinnen , Parth. 2293. So willen
zi hem met mi verheffen ende zijn behaghel ende fier,
Praet 3275. Te Cardoel es comen ene behaghele c^nin-
ginne , die te nieman wil draghen minne, Ferg. 5124.
4) De overdrijving der vorige eigenschap. Trotsch,
laatdunkend, overmoedig, roekeloos. || Ie was be-
haghel ende fier, daer om benic in de helle bier,
L. o. H. 4347. Ie was behaghel, onghemate, fier,
1430. Ghi die so behaghel sijt, laet n hoverde,
Belg. Mm. 2 , 339 , 75. Die dorper heeft so bebagel
een herte , diene meest mint , doet hi meest smerte
ende meest hem bidt, versmaet hi. Rosé 7027.
Der avonturen en gheloeft niet, so waerdi harde
sot behaghel, roekeloos op eene zeer onverst4imdige
wijze, Melib. 2675. Waendi dat ene scone vrouwe
sal gheven hare minne te lone eenen knecht, . .
die rike, behaghel es ende zot, ende snachts gaet
singhende achter straten ? Rosé C 7155.
Aanm. — Maerlant heeft 5/?. I*, 2, 68 behagel
gebruikt in eene beteekenis , die door den oorsprong
van het woord wordt uitgesloten. Hij zegt daar:
„Een haghel, so groot, so .staerc ende so
behaghel, diet hem al ter neder slouch." Wanneer
behagel den zin van krachtig, sterk heeft, hetgeen
b.v. op de boven aangehaalde plaatsen Hild. 71.
299; Parth. 4254 en Ren. 285 het geval kanz^'n,
dan kan dit toch alleen van personen en hoogstens
van levende wezens gezegd worden.
BEHAGELAERT, znw. m. Overmoedige \trot*chr
a4xrd', ijdele, ingebeelde gek. \\ Du behagelaert , die
ane scoenheit sneefs, mi jammert , dattu alsoe leefs
dat hoverde in dine scoenheit wast, Rinel. 975.
Fi behagelarde! . . scuwet den prekei van dies
viants garde, dats overmoet, 125. Hoede hare o«c,
dat si nine minne noch en doe in haren sinn«
dese behagelarde , diemen vint , want si en mixua
nemmer twint. Wat si der ere lat^n verstaen , dat
selve seggen si ere andre saen; ende 'wat a
seggen, alle si liegen, want si doent al om be-
driegen ende hen te rovene, Rosé 12523.
BEHAGELHEIT, -hede, znw. vr. Van beAagr!
(zie ald.). In verschillende opvattingen.
A. Van behagel afgeleid van behagen. — 1) B^
hiiaglijkheid. — a) Van personen gezegd: Netheid,
opschik, praal. || Begheerstu behagelheit ende sier-
725
BEHA.
BEHA.
726
hede den lichaem te sierene mede , Teest. 4008 ( Wrake
111, 2397). In hem selven soe wert hysoe froy, dat
hem nyemant en dnnct so moy van gherechter be-
haghelheden , Hild. 98 , 73. Sone helt hare twint met
behagelheiden , maer goede werke altoes tanegane ,
Bose 406. Dat si aen ghenen man (minne) en
legghe, doer ghene scoenheit . . noch doer des
mans behaghelheit noch doer des goets ghiericheit,
Fad. Mm. 1, 395, 50. Hi sach in die zale comen
/^reden enen jonchere met behagelheden , Limb. X,
283. De manne die hem nutstellen in sonder-
lingher behaghelheit, Rnnsb. 2, 176. De vrouwen
maken oec so inghe cleedere, dat hen (/. hem)
scande es ende si Toederent buten ende binnen
ende viseren meneghe visevase omme behaghel-
heit, om er goed^ netjes uit /^ ;n>» , a/£?. Gulsicheit
ende behaghelheit van clederen, 5, 173. Dat sij
die bruut haelden uut Madaba mit groter behaghel-
heit, D. B. I Maccah. 9, 37. Ende sich dat grote
gheruchte ende behagelheit, ald. 39.
h) van zaken. Sierlijkheid^ kostbaarheid , pracht. ||
Doe sach ie weder ende voort up des borchs be-
haghelhede ende up die pretieuse stede, OFl.
Lied. e. O. 256 , 677. (Si) gaet haer daer bereiden
met wel groter behagelheden , Bose 5865. — Ook
concreet gebruikt. Kostbaarheid ^ kostbare zaak;
vgl. ciERHEiT. il 6hi die hebt grote behagel-
hede ghefse dor Gode, Rincl. 1227. Alle dese
behagelheit groet , . . salie vercopen in drien dagen,
Rosé 8769. Wat baet mi u behagelheit groet ende
uwe cledre goet ende dire, 8388.
B.Van behagelj afgeleid van hem behagen (zie ald.).
2) Welbehagen, en vervolgens gevoel van wel-
gevallen, aangenaam gevoel, genoegen, genot, ver-
maak. II Die orse wel doen springen , dats behagel-
heit van jongelingen , Hose 2147. Te Brucge dreven
se grote feeste, ende van behagelheiden groet
oreeste, Velth. IV, 8, 11. Hets niemen, diet
mochte vortbringen die feeste , die de stede dreef . . ,
80 grote behagelhede als men daer dede in die stede,
n, 15, 42.
3J Zelfbehagen, ingenomenheid met zich zelven.
a) In slechten zin. || Doen hi dus in behaghel-
heden enen tjt tpeert hadde ghereden. Wrake lil,
361. Van hoeverde . . . comt ydel glorie ende
ydel roem ende behaghelheit, Fad. Mus. 2, 426.
b) In goeden zin. Dapperheid, zelfvertrouwen. \\
Men sal van sire behaghelheden beide van slaghen
ende van steken voer syn scone amye spreken ,
Troyen 5149. Ochte her Ritsart hier seide vor u
sine behagelheide , so moet hise vulbringen mede ,
Lorr. II, 3502. — Vooral in de uitdr. met
groter behagelheden. jj Tierst dat si ver-
namen die mere quamen si allen wijchghere te
Grimbergen wert gereden met groter behagelheden,
Grimb. 1, 2632. Dat waren vijf ridderen goet,
die met heer Woutere reden met groote behagel-
heden, 3402. Een naen quam gereden met berde
groter behagelheden, Lanc. III, 13623. — Ook
concreet in de bet. van dappere daad, hetzelfde
als proaetse, fr. prouesse. || Noit en was Grave . .
de in Vrieslant ie ghedede so wtnemende behaghel-
hede, Stoke IV, 474. Die Heren wilden doen een
behagelhede ende traken thaven porten wt, Velth.
IV, 54, 40.
e) Hooghartigheid. || Behagelheit hout middel-
hande tusscen die eere entie scande, /^.I*, 47, 25:
„Magnanimiüu est medietas circa honorem et inho-
norem."
d) Frijmoedigheid , in woorden. || Lucius, die
nauwe treken wel van minnen conste spreken, hi
sprac erehande behaghelheide nochtan, maer alle
hovesheide, Parth. 7122.
4) De overdrijving van de onder 3) genoemde
eigenschappen.
a) Trotschheid, overmoed, euvelmoed. || Hi en
waende den keyser sparen niet ende quam tote op
hem gereden met wd groter behagelheden, Lorr.
II, 774. Sonde, mesprijs no dorperhede, onmate
noch behagelhede , hoverde , felheit no scamp ,
L. o. H. 3163. Om dine grote behagelhede
warpic dl in dese serichede, 4341. Ho verdie,
behaghelheit, giericheit ende nijdicheit, gulsicheit
ende oncnyscheit, Ruusb. 4, 14. Dat ofscheren
des haers beteykent een suver leven sonder be-
hagelheyt. Pass. W, 226 «. — Ook concreet. Over-
moedige daad. || Nochtan soe dede dese here be-
haghelede noch mere : hi dede selve sQn ors drincken
in den Rijn , om dat mens ghedincken emmermeer
soude daer achter, Brab. T. IV, 1341.
b) Fermetelheid , roekeloosheid. || Die heeren die
ons sijn dus swaer, bestormdese coenelick daer
ende loenden hen haer behaeghelheyde , Orimb. 1,
3936 var. Roelant, u groete behagelhede dede
Renout wel groten scamp alhier in desen selven
camp. Ren. 1410.
BEHAGELIJC, -ike (ook in den samengetrokken
vorm BAGELIKE), buw. en by w. Van behagen en hem
behagen.
Bnw. — A) Van behagen.
1) Welbehaaglijk , welgevallig, aangenaam. \\ Heia
groot sotheyt dat wij soeken denghenen behaghelic
te sijn, welc wy weten, dat hy God niet behaghelic
en is , Stemmen 3. (Si) bat omme alle duechden , die
haer behaghelic maken mochten voer siin aenschijn,
Hs. 80 f. 13 b. Het hevet uwen vader behaghelijc
gheweest, dat rike u te geven, Hs. 88 ƒ. SOa.
2) Sierlijk, schoon, voor het oog keurig. \\ Binnen
dien quam daer een jonkvronwe, die seer be-
hagelijk was, Heemsk. 44. Ende schoerde haren
behagheliken rocke, D. B., II Sam. 13, 19. Ghe-
dect met behagheliken clederen , Pass. W. 157 a.
B. Van hem behagen. In goeden zin. Dapper,
flink, kloek. \\ Meneghen strijt hadden si gehadt,
dat die verloren van der stad . . . ; doch bilden si
hem behagelike emmer alle daghe even ghelike,
Limb. VII, 49.
Bijw. — A. Van behagen.
V) Op eene sierlijke, keurige wijze. \\ Die here
van den Sarrasinen dedem wapenen behaghelike,
Limb. VI, 1050. Hi bereide sine vaert . . . met
scoender geselscap behagelike, XI, 1213. Ghewapent
so behagelike , dat nie man sach dies gelike , Lanc.
II, 40567. Dan sal die mensche in desen met
sinen scheppere ghecleet wesen ende ghesierdt be-
haghelike , Wrake III , 1282. Die chyeren behaghelic
haer lijf met haren dieren ghewaeden , XPlag. 2258.
B. Van hem behagen.
1) In goeden zin. — a) Met zelfgevoel, zelfver-
trouwen, waardigheid. \\ Doe quam daer behaeghe-
lijcke mijn heer Geraert van Herlaer op een ors wel
ghewapent daer, Orimb. II, 4168 var. Miin her
Échltes ... die in dander side behagelike metten
sinen wtwert reet, Limb. IX, 651. Ie mochte u
vertellen cume, hoe behagelike ... si opgingen
genen graet, Lorr. V, 226. (Hi) quam ten crite
behagelike, Limb. VIII, 1489. Aldus behagelike
quamen die van Grimberghen te samen , C^n'md. II ,
5716. Doe quamen daer vrouwen ende joncfrou wen . .
met groten scaren behagelike, Lanó. II, 3973. —
b) Dapperlijk, moedig. \\ Daer hi houden sach
ghescaert behagelike den standaert, Segh. 7781.
727
BEHA.
BEHA.
728
2) In Biechten zin. Vermetel, overmoedig y boud. ||
Niemen en spreke behagelüe, Velth. ÏV, 50,92.
BEHAGELICHEIT , znw. vr.
1) Behagen, welgevallen, wentch. \\ Die behaghe-
lichejrt des vleysch es om schoenheyt, rjjcheyt,
glorie ende eer , of om sterche^ wille , Oest K. f. 6 d.
2) Vermaak, genoegen, nngenot. \\ Verswelgere
alre spisen . . ., predicaren der behaechlycliede ,
Velth. VII, 20, 67. Die vermaledide sonde der
ydelre behagelicheit, Hs. SO f. i^b, — Zie ook
BEHALICHEIT.
BEHAGEN (ook in den samengetrokken vorm
bagen), zw. WW. bedr., wederk., onz. en onpers.
Mhd. beAagen; mnd. behagen, Vgl. Klnge, Stym.
web. 22.
Bedr. — Helpen, bevorderen, te hulp komen,
vgl. onz. haga, regelen; en skrt. gahuhni, ik ben
behulpzaam (Klnge t. a. p.). || Om de nature van
wiven om te behagen haer hitte met, so heefteen
purgatie geset, M. en Vr. Heim. 1060.
Onz. —Met den 2den ut. der zaak of eene bepaling
met in. Behagen scheppen in iets. || Die eerbaer
sgn ende tm yan binnen . . . ende der wapen
eaeme behaghen, MLoep II, 688. Van eenen man
die zaghic verdoolt in erdscher weilde; hi sprac:
hier in behaghic, OVl. Lied. e. O. 380, 2.— De
onb. w^s behagen wordt als znw. gebruikt met
de beteekenis genoegen, vermaak, welbehagen. || Al
hoer ghesin hem dair nae spoet hoers heren eer
te helpen draghen, om te crighen goet behaghen,
Hild. 20, 188. Die op God hoer minne draghen,
die werlt is hem cranck behaghen, 31, 99. Wat
willic setten m^n behaghen op chierheit groot yan
hogher waerde! 77, 1^. O wee, hoe menichzoet
behaghen heb ie ghesien in sommighen daghen,
MLoep I, 1675. Dat leyen heeft een groot behaghen,
1805. Mids dat hi nu ende tallen daghen yrouwen
sach ende schoen behaghen, 2005. Dair in setten
hoir behaghen . . . minne te draghen , II , 15. —
Ook in de uitdr. behaghen maken, behagen
scheppen, veel op hebben viet, \\ Die rike yrouwen
maken groot behaghen an haer hoeft ende op haer
haer, N. Doet. 839.
Wederk. — Hem behagen.
A. Absoluut.
1) Genoegen hebben, vroolijk zijn. \\ Van jonghen
mannen ende maechden die hem selyen wael be-
haechden ende goede minne droeghen , MLoep 1 , 113.
2) Zelfbehagen hebben, zich zelven genoegen geven ,
voor zijn genoegen leven. \\ Wi die starker sijn , sjn
sculdich die crancheit der crancker te Uden ende
niet ons selyen te behaghen, Hs. 75, Bom. 15, 1.
Christus en heeft hem selyen niet behaghet , glosa :
hi en dede niet datten yleysch ghenoechlic was ,
ald. f. n b (Bom. 15, 3).
B. Met den 2den ny. der zaak.
1) Behagen scheppen in, genoegen hebben in iets. \\
Die ridders die daer binnen laghen, die hem oec
stridens bat behaghen souden, alsi dat scouwen,
Limb. YIII , 1109. Lieye kint , als ie yan di ghelach ,
hoe wel icx mi behaghen mach! dan en haddic
rouwe no seer, L. o. H. 3331.
2^ Zich iets inbeelden, zich verheffen op iets, eig.
zelfbehagen hebben om iets. \\ Eest logene, esst
waerheit dattu jaegs; eest waer, dies du di be-
haechs? L. o. H. 2699.
G. Met een bepaling met in. Van personen ge-
zegd. Welbehagen hebben. Vooral in de yerl. tijden,
die dan de bet. yan een tgw. tyd hebben: ie heb
mi wel behaget, behagede mi, ik heb een
welbehagen. Vgl. by ON PERS. 2) , en ags. : on tham
minre s&wle wel gelieode (Got. vaila galeikmda ;
Matth. 12, 18). il Dat is m^n lieve sone, daer ie
my wel in behaghe, Ruusb. 5, 98. Mgn vera>rra
sone , daer ie mi wel in behaghede , Hs. 71, Mattk. 3 ,
17. Mgn gheminde, daer m^nre sielen wel in be-
haghet hevet, Matth. 12, 18. Du biste mjn ghe-
minde soen, in di heb ie mi behaecht. Mare. 1,
11. Mgn wtvercoren soen, daer ie mi wel in be-
haechde, Hs. 75 /. 119 a. Mijn siele heeft haer
in hem behaghet, ƒ. 201a.
Onpers. — Mi behaecht
1) Met den 4den of 3den nv. van den pers en
den 2den nv. der zaak of eene bepaling met van.
Behagen scheppen in. \\ Die jonfronwe, diet toehorde,
behagede wel diere worde, lAmb. IV, 557 (is
jonf rouwe hier Ie nv., dan behoort deze plaats bi)
ONZ.). Dies words mach ons wel behagen, Btjmb.
134. Tote Acharon waren si ghejaghet, dies den
Joeden wel behaghet, 9255. Na etene die conine
vragede Lancelote , hoe hem behagede van den
vate, dat die joncfrouwe brochte, Lanc. U, 15079.
Oft Got wilt, mi sals bat behagen, 45786. Die
vrowen, die ten torren lagen, begonste des strgts
qualijc behagen, Lanc. III, 17722.
2) Met den 3den nv. v. d. persoon en eene be-
paling met in. Behagen scheppen m iemand, wel-
behagen in hem hebben. \\ Meestal in den verleden tgd,
die dan de bet. van een tegenwoordigen tgd heeft:
mi hevet behaghet, tk heb een welbehagen.
Vgl. WEDERK. C. II Dit is mgn soen, in welken
mi wel behaecht, Mandev. f. 29 b. MQn gheminde
soen, in wien mi wel behaghet hevet, Hs. 71,
Matth. 17, 5. Du biste mijn wtvercoren soen, mi
hevet in di behaghet, Luc. 3, 22.
BEHAGENISSE, goedvinden. Aldus te lesea
voor bichagenisse (?), Oor kb. 2,435a:|| Sosoudewi
onse wive enz. te Harlem inlaten op een bichagenesse
ende een verbeit.
BEHAGENTHEIT, znw. vr. Genoegen , vermaak,
genot. \\ Dese dochter die was zeer teeder ende
zeer leckeriyck opgevoedet; daer omme dat si seer
gheneyghet was . . te sien die ghenoechte ende
behaghenthejrt van deser werelt, Gest. Bom. li.
BEHAGINGE, znw. vr. Hetgeen iemand behoedt,
wat iemand aanstaat, wat hij hebben wil. KiL:
lubentia, voluptas. || Hi en sel Gode niet geven
sine behaginge, Ht. Ps. 36r (Ps. 49, 8 rantsoen).
BEHALEN, zw. ww. bedr. Mnd. behalen; mhd.
beholn,
1) In de tegenwoordige beteekenis. Verwerven. ||
Wy hebben behaelt cranc ghewin, Wittek. r. S,
88; e. e. — Ook in de uitdr.: pardoen be-
halen, ajlaat verkrijgen. \\ Te behalene alle die
pardoene entie aflate om rechte soene te ghe-
crighene van moeder ende vader, Amand I, 2064.
Dat lettel yement so langhe leeft, die sine macht
behouden heeft, die dese pardoene soude moghea
behalen, 1508.
2) Hetzelfde als belopen (zie ald.). lem. bereiken,
in zijne macht krijgen, krijgen. \\ Nochtan soudicse
wel behalen, mochtic gebmken mgnre talen, JSias.
I, 2043 var. (ed. Willems). Mach ick mjnre
woerden gebmken, ie weet soe menighen vont,
ie salse wel behalen, Proza-Bein. 27r.
3) Met iets onaangenaams als object. Ziek op
den hals halen , ondergaan (vgl. KiL :eene siekte
behalen). || Daer moeste menich de dool be-
halen, Belg. Mus. 8, 258, 134.
BEHALICHEIT, znw. vr. Besmet teUjkheid, lat
contagio. Van behaelijc, behaellijc, dat o. &. l^
Houwaert voorkomt: „Afgr^slycke ende behaellgeke
729
BEHA.
BEHA.
730
peste," MilêHiu' klacht, bl. 4 (Antw. 1577). Vgl. Kil.
behaelende siecte, morbus contagiosus. — In
desen sin kon hehalicheit yoorkomen (roorbeelden
er TttQ E^n tot heden niet gevonden), doch niet
in den sin van omamentwm, waarin men het leest
Ht. V. 1423, 2680 {Jeztu Syr. 32, 3): Ontfanckbe-
haelicheit der gracien tot enen cronen (!), oma-
metUum graüaê aeeipe coronam. Hier is het eene
Tenchrjving voor behageliehnt (sie ald.).
BEHANGEN, zw. ww. bedr. Mnd. behiMgen\
mhd. hekdken.
1) In de tegenwoordige beteekenis , Kil. : velare,
obténdere,
2) In figanriyken zin. Verttrikken. Kil. „be-
kanghen met gierigheid, implieituê, irre-
Hiut Moritia". || Daer om mi dese lose knechte met
logentael hebben behangen. Rein, n, 6324. Den
mensche, die noch mitter crancheit des vleisches
behanghen is , Es, 87 /. 26a. Vgl. onbehanohen.
BEHANGSEL, znw. o. BeAan^sel, draperie. Ygl.
Kil. 41. II Een spieghel met zyn toebehooren , tey
met schilders gont, silver oft oock met eenich
behancsel yerciert, soo ende gheljck den selven
beTonden sal worden ghestoffeert te zgn, GeseA,
V. Jnt». 2, 646.
BEHANTVESTEN, zw. ww. bedr. Y dJi hantveet
(lie ald.). Bij kandoett als privilegie verzekeren, \\
Dat mense late ghebmken al selke vriheide, alse
hoer ghebnre behantvest hebben van onsent halven ,
Oorkh, 2, 2786 {a, 1288). — Zie andere opvattingen
hjj OndenL 1, 416.
BEHEELEK. Zie behelen (2de Art.).
BEHEEPT, andere vorm voor behept {oï behe ft ,
Ondem. 1, 419), deelw. van het ww. beheften,
hekeeAten, behaehten. Zie behachten. || Verstrikt,
en vervolgens gekweld, lastig gevallen. \\ Die mit
kaerlen es beheept, die heeft den dnvel selver
ghesceept, Vrouw. e. M, VII, 31.
BEHEET , znw. o. ; mv. behete. Van beheten (zie
ald). In verschillende opvattingen.
1) Yan beheten, in den zin van voorspellen (zie
ald. 1). Voorspelling. \\ Die diertQt so groet entie
sterfte sonder genoet , die dese sterre , dese oomete
wel bediet, na horen behete, Velth. TI, 26, 39.
Nu hort, hoe wijsl^c hier af Maria antwoorde gaf
den ynghel op dit beheet, Lsp, II , 6, 87.
2) Van beheten in den zin van beloven (zie ald.
3). Belofte, toezegging. || Dat scone belof, dat
grote beheet, daer hi altoes es toe bereet, Limb.
XI, 481. Hebdi verstaen tsertogen wort, ende
tgelof ende tgode beheet, daer hi toe es algereet?
Cass. 260. Om dit belof, op dit beheet voer Gariet
met hem gereet, Zone. II, 46906. Jou so eest al
ghereet np een covent, np een beheet, datghimi
bi nwer ghenade van ere bede wilt ghestaden,
IVal. 3261. Ie biddu . . dat gi doet een cleine
beheet uwen lieve, Cass. 1442. Van desen behete
mogedi wel sgn blide int herte, 1472. Het was
in mjn beheet, dat ickene sonde den hoochsten
maken van den minen, Jlex. YIII, 833. Oic
haddi . . van den keiser goet beheet, Bdew. 293.
Op des keisers goet beheet, dat hi comen sonde
gereet, 473. Oftn vemen met beheete verhoghes,
Bouc V, Sed. 111. Op dit beheet sal n m^n hnlpe
wesen gereet, Qrimb, II, 6484. Ie wille . . te hant
ghelden m^n beheet, franc. 6637. Gallicaen voer
blidelike ten Syten wert op dat beheet, Sp, II*, 30,
18. — Dat lant van Behete, het land van be-
^f^f gewooniyk dat lant van Promissoene ge-
naamd. II (Mogses) tfolc verloeste van Pharaone,
ende leet nnt siere felre vete int soete lant van
Behete, dat hem God hadde geloeft, Lucid. 1786. —
Een beheet doen, in twee opvattingen. Ygl.
ene bede doen bij bede. — a) Èene bek/te doen ,
iets beloven, \\ Ju Anthiochien dede hi beheet, dat hi
die kerstene al sonde onteeren , hij deed de belofte ,
nam zich voor, Sp, II*, 36, 28. Ie biddn . .,datgi
doet een cleine beheet nwen lieve , Cass, 1442. (Gi)
die mi sulc beheet hebt gedaen , dat gi mi wilt in
staden staen, Lane. UI, 6630. — b) Eene belofte
vervullen (vgl. onder 6). || Als ie dat beheet doen
sal, sal ie mi selve geven al, Cass, 1449. De
bisscop hem behiet hem te gevene na s^n ge-
doeren, daer hi mede verbant sQn oegen, ende
hi dede wel sijn beheet, Sp. 11^, 21, 79. — Ook
in den zin van schoons woorden, goede voornemens,
hetgeen iemand zegt, in tegenstelling met z^ne
daden. || Wat slaepti! seit hi (Jezus); in a beheet
(als men u hoort praten) es altoos die gheest
ghereet als te stervene om minen danc, Rijmb.
26061. Da seids — waer es nn dat beheet? —
dore ons te stervene te sine bereet, iS^. 11^ , 13 , 27.
3) De toestand door eene belofte ontstaan, voor'
uitzicht. II Bede dese Heren, om dit beheet, qnamen
vort om tontfane tAken werd ... die Coninccrone,
Yelth. YI, 1, 42. Doen dedi daer om gene dinc
den genen' die daer was gevaen optie marct ver-
bomen saen . . . ; dit was den genen een qnaet
beheet, die hem willens daer liet vaen, Y, 9,64.
(Hi) swoer, also langhe als hi sal leven dat hi
te sinen dienste sonde sgn ghereet, dats Florise
een scoon beheet. Flor, 2726. Dor dat beheet van
deser eren qnam hi jegen die wrake ons Heren,
Alex,Y , 333. — Yandaar dat beheet, door het op
den achtergrond raken van het begrip belofte, de
bet. van toestand aanneemt || Daer een vriende
hebben waent, ende dan also hebben getaemt,
dat hi op haren troest es comen onder sine viande,
si dan gomen hoe sine bedriegen mogen gereet:
dits een vresel^c beheet, Yelth. Y,28,49.Daven-
tnre es als een gs, dat stare scijnt ende nochtan
breket onder den man, ende verdrinct eer hijt
weet; dits emmer een cranc beheet, Melib, 2691.
4) Yan beheten in den zin van verzekeren (zie
ald. 4). Verzekering, \\ Meester Wontere Happe . .
maect hier een inde op dit beheet, dat hine vant
te desen male van Lancelote meer negene tale,
Lanc. lY, 13041.
6) Yan beheten, in den zin van d^^/ln» (zie ald.).
Bevel, last, gebod, || Het is groet laster, ghy
baroen , dat ghi wilt mmen dese lande , ende pays
maken tegen die vyande , dat is teghen der Goden
beheet, Trogen f, 163a. Nochtant segic n, dat sy
wonden niet laten haers heren beheet, sy en
liepen ten mneren ghereet, /. 2646. Nnradicwale
te deser stont , dat hi vnlbringe s^n beheet , Lorr.
III, 46. Na Elyen stoent Samnel die rechter was
ende prophete over dat folc van Israhel ; si vochten
wael na sinen behete, Alex, lY, 749. Alle gennechte
es n gereet, hout ghi n ane mgn beheet , Zcmd. X ,
728 var. Hoe Jheremias die prophete te hem
qnam bi Gods behete , IX Best. 316. Also alst is
Gods beheet , Lsp. 1 , 10 , 44. Jefhen sQns sceppers
beheet, I, 24, 36. Dit dede die here van hier
boven . . zonder beheet van yeman, I, 37, 69.
Sonder des keysers beheet, II, 48, 670. Wi
setten ons sceppers beheet achter, III, bl. 16,46.
Also was Pylatns beheet, II, 36, 176. Wy be-
reyden onse vaert . . bi den beheten van onsen
vader, Qrimb. 1 , 1698. Men dede al na sinen behete ,
Alex. lY, 925. Noch bevel, noch beheet, Brab. T.
YI, 9103. Op die selve tyt reet Symon met enei)
731
BEHE.
BEHE.
732
knecht tot Egmonde bi beheten des proefsts yan
Bergen, Oorl. r. Albr. 111. — Een beheet
doen, een gebod volbrengen (vgl. onder 2). || Dat
wi allegader minnen sullen moeder ende vader,
ende altoos snllen sijn gbereet te doene hare goet
beheet. Lap. UI, 19, 33. Here, sprac si, ie ben
bereet te doene alg^der u beheet, II, 57, 14.
Si daden haers sceppers beheet, II, 18, 50.
Si doen haers sceppers beheet, I, 5, 24. Wi
daden sijn beheet, Lorr. I, 1071. Die bode dede
der vrouwen beheet, Limb. IV, 245. Hi dede wel
syn beheet, Sp. II*, 21, 82.
6) Van beheten^ in den zin van aanbevelen (zie
ald. 8). Aanbeveling^ aansporing. \\ Hi hadde daertoe
beheit van heren, als men seide doe, die hem
troest gaven hier toe, Brab. Y, V, 1558. Si
dichten om ghewin sonder der naturen beheet,
Ltp, III, 16, 333.
BEHEGENEN. Zie beeioenen.
BEHEILIGHEN, zw. ww. bedr.; mhd. *<f^«7iy<?».
Heiligen^ vnjden. || Al beheileghende soe bespraeide
hi den outaer VII werf, ende doe salfde hine ende
alle sine vate, Ruusb. 1, 265.
BEHEIMEN, zw. ww. bedr. Kil. sepire^ consepire,
obvallare. Omheinen^ door eene heining omgeven^
en in fig. zin omvangen^ omgeven, \\ In dien lichte
wert men beheimt ende omvaen, Buusb. 6, 86.
BEHEINDE, BEHEINDICH. Zie bekende,
BEHENDICH.
BEHEINEN, zw. ww. bedr. Omheimen ^ met eene
heining omgeven, \\ Die wijngaert wort betuunt ende
behejnt, Barth. 685*. — Vgl. Oudem. 1, 419 en
BEHENT.
BEHEININGE, znw. vr. Van beheinen(z\üi\A.),
Omheining^ omtuining, \\ Dat nyemant . . . setten
noch maken en sal . . . tnsschen die strate ende
plate enige betuyningen of behejningen van tuynen,
noedanich dat die zijn, Leid, Keurb. 146, 56.
BEHEINTHEIT, znw. vr. In concreeten zin.
Heining^ omheining, \\ Ie sal omwerpen sine {des
tvijnstoks) beheyntheit ende hij sal wesen invertreden
ende ie sel hem leggen woest, D. B.^ Jes, 5, 5
{Oetijdeb. S. ISd),
BEHELEN , st. ww. bedr. Van helen. Verbergen ,
geheim houden. \\ Oeck kiest men rade in eiker
stede ende oec schouten ende wet, ende wes men
daer te rade set, dat selmen wiselic behelen,
Hild. 137, 66.
BEHELEN (beheelen), zw. ww. bedr. Van
heel in den zin van ongeschonden^ geheel. In orde
maken ^ dicht maken, \\ Zoe selhy off zynenaecome-
linge dien waterganck bestoppen, alsoe lange ont
(d. i. tot dat) 2j Berenwarde hebben behelet,
Oorkb. 2 , 219 * {a. 1284).
BEHELPEN (behulpen), st. ww. bedr. en
wederk. {behalp^ later behielp, beholpen, beholpen),
Mhd. behëlfen, mnd. behelpen.
Bedr. — Met den 3den of 4den nv. van den
persoon; ook met een afh. zin of een onb. wijs.
Helpen, bijstaan, behulpzaam zijn.\\W^TL vriendete
behelpen ende mijn viande te hinderen. Proza-
Rein. 110 r. (Hi) bat hem vriendelic, dat hi dair
toe behelpen wonde, dat die gene ... die upten
huyse waren, haer Igf mochten behouden, Clerc 139.
Sy hoopten dair vrienden te hebben, die hem
behelpen souden, Matth. Jnal. 3, 331. Dat se te
vergeefs niet en werden aenstoten noch aenvochten,
maer beholpen mallec den anderen mit groter eeren
sinen toren wreken, Brai. T., Dl. 2, bl. 707
{a, 1403). Hem ende sinen vrienden ende sinen magen
mitter borgh te behelpen, Nyh. 1, 379 (a. 1338).
Dat hi ons ende onse erfnamen daer mede behelpen
sal tiegen alle diegene, die nu leven ofl namaels
soelen leven, ald. Dat wij onsen lieven here . . .
dair mede behelpen (sullen) , als mannen hoeren
here mit horen openen husen sculdich zijn te doen ,
2, 86 (a. 1356). Weert saecke, dat eenich van
onsen heeren onsen seggen . . . niet en hielde , . .
die en sal mit ons vier steden . . . niet beholpen
wesen, daer geen hulp en steun bij vinden, 2, 107
(a. 1358). Hem daer mede te behelpen , wanneer
hem des noot is, 3 , 70 {a. 1379). Dat wg . - . hem . .
behelpen soelen ende aen staeden staen, 1, 403.
(a. 1339). Oick mach een yghelic den anderen zjn
lyfrenten . . . leenen, overgheven ende behelpen,
hém aan lijfrenten helpen (?) , jB. r. TJtr. 1 , 277 , 158.
— Ook met den 4den nv. der zaak. Bevorderen , onder-
steunen. II Omme sunderlinghen orbair ende nutsc^p
onser ende onser beider landen , steden ende Inden
mede te behelpene ende te starkene, Njh. 2, 37
{a. 1348). — Van het deelw. van dit ww. wordt een
nieuw ww. beholpen syn gevormd (vgl. gecost
sijn, bedacht sijn, gestaen sijn en zie op SIJN), dat
als onpers. wordt gebruikt: mi es beholpea
met, met een by woord van hoeveelheid, b.v. clevM,
meer, enz. in de bet. van ik trek weinig , meer , minder
enz. voordeel uit iets; heb weimgtVLZ. aan iets. \\ Och
lieve moeder , es dit uwen wille , dat ie spreke dit
dorper woort? wat mach u hier mede beholpei
s^n, dat ie dat sonde tot Sandr^n spreken met
minen mont, wat zoudt gij daaraan hebben? LeauL
H 817. Hi hadde ooc wel ghemerct ... dat
hem wel soude beholpen wesen metten dienste
van den hertoghe Antonijs, Brab. Y. Vil, 4023.
Segghende voort, dat hem int fijn met sjnder
vrientscap bat soude sijn beholpen, dan met der
gheenre ... die hem dat rieden, 2297. Als dit
grave Willem hadde verstanden , dochte hem wel . . ,
dat hem clein beholpen ware metter ander hellicht ,
VI, 3188. Doe dachte Grave Willem, dat hem
cleyn beholpen waer met der anderen helft {te»
Mechelen^ alleen te behonden, Exc. Oron. 139«.
Wair vemant int voirs. geselscap ende hem alsoe
deughdelic niet en droegh, dat den gemeynen ge-
selschape met hem niet beholpt (/. beholpen) »
waere, Hermans, Gesch. d. Red. 324. — ^smtgds
ook zonder het bgw. van hoeveelheid en in *t
passief. || Wie dair mede beholpen is, sal dat
huys ghelden, wie daar belang bij heeft, O. K.
V. Delft II, 2. Zoe wat hupsen ende goeden daer
mede behulpen zijn, de huizen, in wier helamg,tem
wier nutte dit geschiedt, sullen tselve gebroekea
huys ende den eygenaer van dien die laste helpei
draegen, K. en O. v. Delft 76, 2.
Wederk. — 1) Zich helpen, zich verdedigen,
beschermen, staande houden. Absoluut of met eene
bepaling met met. || Si en sullen hen na desea
niet behulpen mogen . . . tegen ons ochte ons
lant, Brab. Y. VI, 10594. {Die drossaU) begerde
dat mense {de stad) hem opende te hant tot mier
vrouwen behoef van Brabant, opdat si haer daer
uut mochte behulpen . . . tegen haer viande , 79^
Soe docht van node vrou Johannen dat si haer
beholpe met machte, 8075. Dat ie mgn huns he-
setten sal ende oec mine torren al, daer ie indea
orloghe mi met behelpen moghe, MeUb. 2306. Dat
ie mi met minen magen en vrienden behelpen es
beschermen moet, Bel-, v. L. 278. Die mïogenüiejt
Gods hadse so mat ende moedeloes . . . ghemaect,
dat si al sinneloos waren, dat si noch vlien nock
hem selven behelpen en mochten, Exc. Cron, 103 i^
So en was daer niet veel volcs te voete of te paerde,
733
BEHE.
BEHE.
734
daer hl hem in strijde mede behelpen mocht,
10^ d. II<: Pikenaers, omme hem daermede te be-
helpene, Incent. v^ Brugge 5, 554.
2) Zich zelven verzorgen^ in sijn eigen onderzoek
voorzien^ zich bedruipen, Synon. van hem bedragen.
Absoluut of met eene bepaling met met. \\ lek ben
out ende en mach my soo wel niet behelpen als
ick plach, Troyen Vb. ^d. Menich mensche sal
doer oock naeckt om lopen (door het dobbelen),
die hem te. yoren metten sinen (tnet het zijne)
sonde hebben beholpen, Ned. Proza 218. Dat zy
hem generen . . met lantneringe , de sommige met
delven ende spitten ende daer isser een die hem
behelpt mit coomanscip , Inform. 350. (Zy) hebben
geenrehande neringe , daermede zy hem . . moegen
behelpen, dan alleen dat heur wij fs moegen honden
een coyken of twee , 213. Dat sy hébben 50 haert-
steden, daerof de 25 hem mogen behelpen ende
dander niet, 401. Maer behelpen hem sommige
van hueren poorteren mit hopcoopen , mit bouwerye,
enz. 433. Zoe zy gheen secours van anderen en
hadden ende hem selven behelpen mosten, 535.
Soe en sullen die selven sich b3mnen onser stat
nyet behelpen, ^^^n bedrij f of nering mogen uitoefenen,
B. V. Zutf. 125, 42.
3) Gebruik maken, zich bedienen van. Met eene
bepaling met met. || Om dat si hem behulpen
souden daer met te bat, alst quam te noet,
Brab. Y. YI, 5856. legelijc, in des anders dere
hem behalp met sinen gewere, sinen viant te beraden
noot, 5891. Alle letteren, munimenten, besceit,
daer met si hen souden willen behelpen , YII , 13421.
Sonder hem te behelpene in gheenre manieren met
weghen van feite eneghertieren , 14605. Dat wij
hem onse voirscr. huys met zynen toebehoren . .
ox>enen . . , also dat . . zy hem dair a£f ende mede
behelpen moegen, Nijh. 2, 42 (a. 1349; vgl. 3,
959: Ons daer mede behelpen noch beraden). Omme
datter hem de Prince mede {met het mesje) be-
hoort te behelpen, Matth. Anal. 1, 263. So wie
hem mit enigher ander wol behelpen wil . ., die
sel him tekenen laten in der stede boec. . . Ende
van dier tp voirt . . en sel hi hem niet behelpen
mid Engelscher wol , Leid. Keurb. 127 , 3. Enen . .
cloecken . . , weerachtigen man . . , die hem mitten
boge behelpen can, 171, 57. Den gene, die hem
mit valscher mate beholpen hadde, 225, 19. Die
zei zgn bewgs by hem hebben . ., dair hij hem
mede behelpen wil, 326, 19. En mach nergent
poirter . . poirtrechts genieten of mit poirtrecht
hem behelpen, dat tegens der heerlicheit . . gaen
of wesen mach. Oor kb. 2, 21 ld (d^. 1283). — H e m
behelpen met nigromancien, zich bedienen
van f»., met duivelskunttenarijen omgaan. \\ Doe
track Éarel tot Ryemen ende vinck den eerts-
bisscop Gilbertus, die hem behielp ende dede veel
wonders met nigromancien, Exc. Cron. 93a.
4) Genoegen nemen met, zich schikken in , "WSOLTvdi
zich de tegenw. bet ontwikkeld heeft van het met
iete stellen of doen, roeien met de riemen die men
heeft. II Mit horen knechten ende mit aenval ^d. i.
aanwas, aanloop) van alrehande lude, daer si hem
mede behelpen mosten , Oorl. v. Albr. 102 en 103.
Dese suster Mechtelt . . conde sich seer wael be-
helpen in allen dyngen , D. War. 7 , 37. Vgl. üitlegk.
Wdb. op Hooft 1, 92.
BEHELPINGE, znw. vr. Verdedigingsmiddel,
eig. iets, waarmede men zich helpt, zich uit eene
verlegenheid redt. \\ Ende moeg^n die pande bynnen
viertien dagen daer na vercopen sonder eenige
pantweringe van enigen rechte, tsy dienstrecht,
leenrecht . . , off eenige ander behelpinge woedanich
dat die sy, Racer 7, 291.
BEHELSEN, zw. ww. bedr. Mnd. behelsen.
1) Omhelzen, omarmen. Dus wert die sile behelst
ende gekust van haren geminden , Ztind. iStfrflt. 176a.
— Vandaar enen behelst hebben, iemand in
zijne armen houden, omarmen. \\ Doe hise sach slapen
so soetelike ende hebben behelst so vriendelike, jam-
merde hem, dat hise sonde wecken, Flor. 3292.
— Ook in mystischen zin. || Die Vader ghe vet hem
inden Sone ende die Sone in den Vader in een
ewich welbehaghen ende in een minlgc behelsen,
Ruusb. 6, 192. Dit is dat werkelike ontmoet des
Vaders ende des Soens , daer wy minlic in behelst
syn . . in ewigher minnen, ald. Daer wi ghedoept
werden in dat wide behelsen der minnen Gods , 236.
2) Overdrachtelijk. Omvatten, bevatten. \\ Met
minnen seldi oefenen , behelsen ende besitten ,
dat ghi mint, Ruusb. 3, 125. Het is . . behelst
in onghebeelder bloter minnen, nudo amore com-
plexus, 4, 54. In desen behaghene sijn behelset
alle die uutvercorene inglen ende menschen , vanden
lesten totten iersten , 6 , 258. Hi wert bevaen ende
behelset in die grondelose minne, die God selve
is, ald.
BEHELSINGE, znw. vr., omhelzing-, mhd. be-
helzunge. \\ Boven de minleke behelsinghe, die
tusschen ons ende Gode es, Ruusb. 2, 238.
BEHELTELIKE, -lijc, hd. gekleurde vorm voor
behoudelijc, bijw. (zie ald.) en vgl. beiieltenis 3).
Behoudens, onder voorbehoud, met behoud van. ||
Ten ware . . dat dëselve gesellen begeerden . . .
des eedts verdrach te hebben, beheltelyck den
heeren der stadt hou aff en toedoen , Fad. Mus. 3 ,
124. Beheltlichen doch onsen genedigen heren synre
gnaden herlicheyt ind onss onser eren, Nyh. 4,449
(a. 1471).
BEHELTENIS , znw. vr. Duitsch gekleurde vorm
voor behoudenis (zie ald.); mhd. beheltnisse\ mnd.
beheltenis.
1) Behoudenis, behoud, zaligheid. \\T)eu doeWÏÜLQii
slaep der tragher ende der heiligher beheltenisse
versuminghe, D. Orde 238.
2) Inhoud. \\ Na beheltenis sjjnre brieve, Nijh. 2, 50.
3) Voorbehoud. — Vooral gebruikeiyk als bijw.
door weglating van het voorzetsel mei. Met behoud
van, onder voorbehoud. Met den 3den nv. van den
persoon, ten wiens gunste het voorbehoud plaats
heeft. II Alle dese voorscreven punten die sijn ,
beheltenisse heren Willem alle sgnre wyer (d. i.
were, erfgoederen) ende alle synre reynten, met
behoud van al zijne erfgoederen voor heer Willem,
1, 381. Beheltenisse ons ende onsen erven, 379.
Beheltenis ons, dat thnys open sal sijn ons, alse
wijs behoeven ende ons noet is, 2, 241. Also dat
elkermallic up den vurscr. tolsteden vry varen sal
sonder enigerhande krot of hindemisse, behelte-
nisse alsulcker alder {ouder) tolle als over vijftich
jaren ende daer en boven op die selve tolsteden
gelegen hebben, Brab. Y., Dl. 2, bl. 639.
BEHEM , znw. o. Bohevien , Alex. VII , 1416 , e. e.
— Vgl. BEEMSCH.
BEHENDE, bnw. en bijw. Min of meer duitsch
gekleurde vorm voor het zuiver mnl. behendich,
en in oorsprong één met onze uitdr. bij de hand.
Mhd. behende', mnd. behende.
Bnw. — Bij de hand, gevat, slim, ervaren,
kundig. || Die meneghe in loesheit is behende,
MZfi 1, 1746. Hadde Dydamya ghesgn behende,
doe Achilles hoer bekende, II, 1681. So hi van
woerden was behende, 4049. Scalc ende beheynde volc
735
BEHE.
BEHE.
736
van sinne, Barth. 621a. Haerder behender bedrie-
ghinghe, Bern. W, 1, 4 a.
BiJW. — 1) ^ ee%e behendige vnjze, behendig, ||
Sijn ander bant hi onder stac beneden (/. bebende)
tuBscben sine been, Bein. II, 7334 (C bevende).
2) Bij de hand, nabij. \\ Dat volc stont daer
mit bebende, end wacbten om te sien dat eynde,
O, H, Pass. 26, 717. Menighe beeste liep daer
omtrent, anders en was daer niement bebende,
Segh. 222.
BEHENDELIJC, -ike, bnw. en byw. Ook in
den samengetr. vorm bendelike.
Bnw. — Met kunst gemaakt, aangelegd, en ver-
Yolgens heimelijk, geheim. \\ Ene faace posteme
es ane den torre beneden bacbten . . ; aldaer es
die bebendelicste Inganc, Base fr. 254, 21.
BiJW. — 1) ^ 9ene behendige, handige wijze, ||
Doe liet bi Tidlen . . . bebendelike inder Trouwen
scoot die pere metten yenine, Segh. 9008.
2) Op eene kunstige unjze, kunstig. \\ Stenekine
alse kerstale stonden bendelike daer in gbeset , Flor.
1543. So bebendelike waest gbewracht , fTal. 6079.
3) Op eene listige wijze, met list; in kwaden zin
zooveel als scalkelike. \\ Hets die meneghe die
bem gbeneert ende wint dat bi verteert bebende-
like met voerrade, Teest. 188. Dat syn broeder es
bebendelike comen, ende beeft die benedictie gbe-
nomen, Bijmb. 2391 {Var. scalkelike). Die Joden
bebendelike afqnamen verradenlike in dier ghebare
als oft omme gbenaden ware , 29852 {var. bendelike).
Na Ebuberte so qnam int rike met scalcbeit bebende-
like Handnmar, Sp. UI', 25, 9.
4) Vandaar in het geheim, heimelijk. \\ Haren
bere nopede si bebendelike, Flor. 1659 var. Die
papen badden bebendelike enen inganc gbemeenlike
onder daerde alle te samen gbemaect, Bijmb. 17043.
5) Nauwkeurig, met zorg. || Den tyt wacbte bij
bebendelijck ende Penella des gbelijck, MLp II,
1517. Sietstu daer niet bebeyndelic toe, dn selste
dijn wedersaken verblijden, Sp. d. M. 1, 106a.
6) Op eene geschikte, passende wijze; met overleg;
met waardigheid. \\ Ie salie (/. salne) bebindelike
wreken, canic die waerbeit wel verstaen, Zaïic. II,
44396. Eer ie minen sone wreke sonder lacbter
bebindeleke, 44411. Voirt sijn gereden die beren
bebendeliken ende met eren, Grimb. II, 5680.
B£B[ENDICH (beheindich^ behindich, ook
in den samengetr. vorm bendich), bnw. en byw.
I. Als BNW. — Van personen gezegd.
a) In goeden zin.
Schrander, handig, bij de hand. \\ Een die
Engistus was gênant . . , dese was bebendicb sere ,
Sp. III*, 7, 64. Die jonfronwe die ntermaten
bebendicb was ende vroet, Limb. IX, 986. Hiwas
bebendicb ende vroet, Denkm. 3, 133, 65. Vrouwe
Alljs die bebindicb was ende wQs, Veltb. 1, 40, 59.
2) Verstandig, knap, ervaren. \\ Nu sijt be-
bindicb in uwen raet, Olor. 539. Caumijs die was
goedertieren, bebendicb ende wael gtieaSsii , MLoep
III, 380. Die diere cleder, die wilen span dat
bebendegbe volc van Ceren, die bem met siden
werke gbeneren, Alex. VIII, 242. — Ook van God
gezegd. Wijs. \\ God, die scepper veel bebendicb,
MLoep II, 2836.
b) In ongunstigen zin.
1) Listig, slim. \\ Lusticb ende bendicb overal,
IX Best. 142. Deen es behendecb ende macb wale
gbeven, ende can oec wel s^n tale, ende wint den
andren af s^n goet, die niet so rike en was noso
vroet nocb so bebendecb als dander man , Teest. 166
fin den laatsten regel staat behendech in de be-
teekenis a, 1). In boren rade sgn si fel, bebendecb
sere ende snel, boe si scat bejagben, Lett. N. W.
5* , 33.
2) Boosaardig, slecht, verderven. \\ Antipater sgi
oudste sone, fel ende bebendecb was die gone,
Bijmb. 21593. Bebeindicb ende scalc inilrequiet-
beit, Rnusb. 6, 32.
B. Van zaken.
1) Listig, slim uitgedacht. Lat. subtilis. \\ List
ende bebendigbe zaken, MLoep II, 2477.
2) Fijn, fijn bewerktuigd. || Die verborgbene be-
bindigbe leere der scrifturen, Rnusb. 6, 37. Hi
versteet die Scrifture te recbte ; nocbtan en verstaet
bi niet wel . . alle die bebendigbe sinne , diere in
vallen, 4, 259. Die behendige natuer bindet die
vrucbte inden bloeme, D. War. 6, 205.
II. Als BIJW. — Op eene boosaardige, gewuene
manier. \\ Soe wye den anderen met vuysten sliet
off met voeten stiet . . . soe verde tniet bebeodich
en sy, die sal verbueren . . . tbien schelling
aen den beer, O. B. v. Bordr. 2, 278, 82.
BEHENDICHEIT (beheyndicheit, behindi-
cheit), -hede, ook in den samengetrokken voim
bendicheit), znw. vr. Mud. behendicheit; mbd.
behendecheit. Van behendich (zie ald.).
1) Schranderheid, vlugheid van geest, beUU^
overleg. \\ Gbi en maect gbeen onderscbeet tusschen
loesbeyt ende bebeyndecbeyt . ., want bet duet
eiken man , die bebendecbeyt niet en can , dat tl
valscb si ende beraet, daer die bebendegbe met
omgaet, Teest. 19, 154. Dus siet men dat bebendichede
beter es dan sterebede , j5!rop^ LVX, 19. Aleid ppde
bare te bonden jegben den swagber torloghe mede
met wel groter bebendichede, Stoke II, 1072. Dit
beeft bi met bebindicheden wel toebracht ende
met wijsheden, Veltb. II, 26, 5. (Hi) hoeptmede
dat bi met siere behindicbede boven sal comen
clein ende groet, III, 1, 21. Perchevael ende gene
heren . . . elc wiesdem sine bebindecbede ende porden
met hem uter stede , Lanc. Hl , 18369. Met nere
grotere bendicbede, Sp. I» , 68, 10. Dat bi ▼»
met watre ende met bendicbede soe vele groens
daer ter stede, Sp. III ^, 29, 25. Elc sette sön
{Schaak)-s^e\ na sine sede ende togbeden beide
haer bebendechede ende pynden bem te spelen wel,
Flor. 2735. Josepbus bebendechede die was so
groot, dat hi dede weder onder bem saen tl
Galylee sijn onderdaen, Bijmb. 28257. — Ook
concreet in den zin van een goed overlegd, beraamd
plan, een goed overleg. || Doe nam bi dbeckenende
goet dat water sciere op sgn boet in ere vorme
van kerstynbede, dit was ene grote bebendichede,
Velth. I, 53, 47.
2) List, listigheid, sUmkeid, zoowel in goeden
als in kwaden zin. || Met beden ende met bebin-
dicheden es bi thuus dor dlant gereden ende
maecte vrienscap tegen die heren, I, 2, 51. Doen
ghinc si met behendicbeden den boem ontsteken
van beneden, Esop. XIII, 17. Dus bleef acbter
Bmnen dinc bi miere bebendichede al , Béin. 1 , 2464
Van CToter bendicbede. Nat. BI. V, 788 (wr.
bebindecbede). Ie weet wel dat sise niet en namen
den ammirael, no ne gbewonnen bi al der bende-
cheden, die si connen. Flor. 2351. Die Romeine
die bi rade ende met groter behendecheden tüAof»
vochten, Bijmb. 31606. Hiertoe was ghene bendic-
bede, dat soe els enege byecbte dede, Sp. P,
89, 21. Dan salmen noemen gene wgsbeit maer
bendicbede der scalcbeit, Sp. I', 42, 20. Wat soe
ghert . . , es behendech- ende quaethede jegben
vriende ende viandemede,i2a«ff (7 8762. — ZieoTcr
737
BEHE.
BEHE.
738
hehendieheit in deze bet. vooral Yelth. I, Cap. 34
(in regel 36 ald. leze men hehendieheit, in plaats van
heheit). — Ook concreet in den zin van list , streek,
listig beraamd plan. My. behendicheden. || Dit seidi
om een behendichede , Yelth. Y, 51, 63. So dat
si niet nnt (en) mochten, wat behindichede siere
toe sochten , lY, 28 , 82. Nn hoert behendicheit van
wiyen, Stoke YI, 198. Nu verstaet alhier ter stede
sheren van Enne behendichede , lY, 1253. Dit was
dolle behendichede , dat hi {Alexander) der menscheit
Tergat, ende hi nochtan dranc ende at, <^. I^ , 34, 42
(dit was een dwaze streek, dat h^ enz.). Hi sonde oec
wesen herde machtich , ende vele van behendicheden
connen, Rosefr, 251, 139. Die grave bi behendicheden
deden {den camp) versten II jaer, lAmb. Y, 1860.
Si namen gheme langhen vrede , ie wane , op selke
behindechede , dat si hen willen wel versien , Parth,
7930. Dan sal ie soeken selke behendechede ,
Flor, 2846. (Dat men) ne qname in die stede met
gheerande behendechede , Èijmb, 467. Met gherande
behendechede ne quamen wi in hemelrike, 2448.
Doe peinsdi ene behendichede , hij verzon eene list,
Sp. V, 3, 10. Dat w§ . . . alle dees pnnten . . ,
sonder alle behendicheit, vast ende stede ende
on?erbrekelQc handen soelen, Nijh. 3,44(^.1377).
Dat wi . . selen soeken . . geen ocsnyn (d. i. voor-
wendsel) , noch behendicheit , daer mede belet mochte
bliven dat so dese wet niet en geschiede onsen
lieden , £elff. Mus, 6 , 303. Doe die pharisense dat
horden, so ghinghen si tegader, ende sochten
ene behendegheit in haren rade , war met dat sine
bevaen mochten in sinen warden, L. v, J, c. 171.
3) Kunstvaardigheid, kunst, bekwaamheid, talent,
II Daer mocht men merken an den snede wonderlic
werc ende bendechede. Flor, 1512. Daer mochtmen
merken bendechede, 2425. Daer ie hn gheme
alte male die figuren af verseide, constic, met
eenigher bendicheide. Rosé C 138. Ghemaect met
groter behendechede, Rijmb. 1132. — Ook van de
kunst zelve gebruikt. || Eerst was ghevisiert bi him
smeden entie behendechede, Rijmb. 994. Dus bleef
die behendechede verloren wel Y^ jaer , tote datse
Tpocras vant daer naer , 7426. — Concreet in den
zin van kunstig uitgedacht werktuig, Ygl. mlat.
M^mifin. II Dese maecte die behendechede , dat noit
man ^uam in ghere stede daer hi des ghelike sach
ene, Rijmb. 4981. Dat Salomon in sinen sin vant,
met ere behendechede hoe men hout ende steene
. . . houwen sonde sonder ghemns, 11291. Hy
was van vele saken vroet . ., diese maecte ende
wrachte , ende die bendecheit bedachte , Troyen 5527.
BEHENQEN (behingen), zw. ww. bedr. Be-
schikken, het aanleggen (verg. ons ww. gehengen). \\
Geren hier van eertsce dinghen , hets waer , men
moget so behingen, datter doget ave comet ende
datter zielen oec met vromet, Yelth. I, 33, 46.
Aanm. — Ook Troyen 6558 heeft het Hs. : „Waert
dat hy hem conde behinghen,^"* maar daar is de
lezing van Segher^s fragmenten beringhen de ware.
BEHENTHEIT, znw. vr. Y oor behende-heit.Ysji
bekende (z. ald.). Eig. Ust, en verv. in kwaden zin
arglistigheid. \\ Nochtans moeten wi in anxt staen
om die behentheit ons herten. Stemmen 18.
♦ BEHENT. jB. r. TJtr. 1, 194, 32: „Waeryement
die der stat dienen ghevullet, bepoet, behentofte
betjrmmert hadae, dat zp mmen." Men zal wel
moeten lezen beheynt, d. i. heiningen gemaakt, van
beheinen, afheinen, afperken. Zie ald. en vgl. Leid,
Keurb. 146, 56 op BEHEININOE.
BEHERDEN, zw. ww. bedr. en onz. Mnd.
bekerden, beharden', mhd. beherten, Yan hert of
hart, in den zin van sterk. Duitsch gekleurd woord.
— Bedr. Bekrachtigen, versterken, beveiligen. \\
Maghic die ziele beherden, . . soe eest mi comen
wel, wat node dat vleesch heeft. Brand. {H.) b%^.
Die vede {tegen Adolf van Oelder) te beherden
ind dair van . . nyet op te hoeren {auf zu horen)
noch van eyn ander to treden, Nijh. 4, 372
{a. 1466).
— Onz. Sterker worden, aansterken, toenemen. \\
Sin beghin is herde scone, hi moet een Inttelkin
beherden , sullen hem uwer {l, uwe) wapen werden ,
D. War. 7 , 374 , 8 {Esop. bl. 9 , vs. 9).
BEHEREN, zw. ww. bedr. Yan heer; mhd.
behérren, beherren.
1) Onder sijne macht hebben, aan zich onder-
werpen, II Die doot, diet aldus lange al beheren
mocht, verwonderde haer van deser nyer mogen t-
heit, Bern. S. Ib,
2) Beheerschen, regeeren, besturen, van een
land, volk, enz. || Die eerste graefscip, al wast
datse van anderen Inden daer te voren beheert
hadde geweest, ald, 12. Dat Godolyas dat volc
beheerde, B. v. 1357, 206a. Ie en sel u niet
beheren, noch oec mijn kinderen, mer God die
here . . , die sel u beheren , ald, 96c. — Beheert
s^u; mhd. behérret sin. Een bestuurder, lands-
heer hebben. \\ Item geloven wg . ., dat wij gene
versameninge noch sprake houden en zullen . .
omme eenige lantsheeren off lantsvrouwen . . bynnen
der stede te laten, off eenich heerscip, voir die
tijt, dat wfl beheert sjjn, ZFl. Bijdr, 6, 373
{a. 1426).
3) Toezicht houden. || Ten derden schouwe salt
die schout besteden om den minsten penninck ende
voort beheeren alst een recht is ende schepenen
wysen, O. K. v. Enkh. 22, 106. — Ook in den
zin van zijne rechten op eene zaak doen gelden, \\
Wie pande gheset siin, die sal die beheren in
die naeste ommegange, off men en sal dair na
gheen meer rechts van doen, K.v,Brielleld%,19.
Soe die goede luyden vander stede bevynden, dat
sommige vleyschstalleu bliven leggen onbeheert,
gebieden daeromme eenen yeghelicken, . . dat zy
haer stallen verheerghewaden ende die beheren
tusschen dit ende halffvasten naestcomende , O. R.
V, Dordr. 1, 346, 166. — Beheert ofte on-
beheert, met o f zonder opzicht. \\ Dat nyemandt
zyn peerden . . en laeten gaen beheert ofte onbe-
heert up driesschen, graslandt enz., Cout. v,
Brugge 1, 216.
Aanm. — „Hi beheerde hem daerafteonthutene
ende \fi ontervene," Oendsch Chtb. 194, is fout;
men leze begheerde.
BEHEREN, zw. ww. bedr.; mhd. behem. Ver-
woesten , met een leger doortrekken. Ygl. Lexer 1 ,
165 en verheren (verherien). || Ende plaghen
meest al Dnytschlant ende dat lant omtrent Parys
te beheeren mitten zweerde, Clerc 10.
BEHESSEN, zw. ww. bedr. Mnd. behessen, hd.
behetzen, Yan wild. Opjagen. Een velt be-
hessen, een land afjagen , zich van het wild van het
land door ongeoorloofde jacht meester maken. \\ Van
behessen. Nemant sal eens mans velt behessen mit
kuylen, panden {netten?) van dat hem sonderlinge
tokompt, Westerw, Landr. 28, 23. Ygl. Landr.
v. Wedde 84, 96: Nement sal ein mans velt be-
hessen mit kulen , panden van dat hem sunderlinge
toehoort.
BEHETEN, st. ww. bedr. {behiet, beheten). In het
mnd. (niet bij Lubben , wèl beheit) en het mhd. {be-
hetzen) zeer zeldzaam , in het mnl. een zeer gewoon
24
739
BEHE.
BEHE.
740
woord, in verschillende opTattingen. Van heten
(zie ald.).
1) Iemand ieU van te voren zeggen^ iemand iets
aanzeggen^ verkondigen^ voorspellen. \\ Hi die alle
dinc vermach voer op Tan den berge tOÜTeten,
also alst Toren was beheten, Velth. I, 16, 72.
Diene ons so wel Moyses ende dandre propheten in
die scriftnre hebben beheten, dien hebben wi ronden,
Rdjmb. 22316. Omme dattie valsche propheten hem
alle hadden beheten, dattie van Egypten binnen
Babylonien sonden winnen, 14833. Dat het wilen
was beheten van (}ode biden propheten, ^. I^^
41, 33. Dat verdriet, dat n die prophete behiet,
JUjmb. 25558. Dat dns beheten wilen was vanden
propheten, 26876. Dat das was beheten, dat eene
maghet sonde dragen, Amand II, 2606. Dits die
ons die propheten langhe te voren hadden beheten ,
Theoph. 999. Alsoe als die propheten langen tijt
dH hadden beheten, Lanc, III, 1759. God hevet
ons beheten bi zinen heleghen propheten, Denkm,
3, 201, 37; Sp. II», 2, 43; II», 23, 176; 354.
2) Vooraf bespreken^ bepalen^ afspreken. \\ Nn
was die strijt so saen beheten, dat men hem niet
conde laten weten te tide, Velth. IV, 28, 32. —
Ook met het voorz. van. Vooraf^ te voren spreken
over. II Laet ons opsitten dan ende tote ere mire
nichten varen, die hier bi woent; . . si saeten op
ende reden totien dat si qnamen ter steden, daer
hem die joncfronwe af behiet, Lanc. Il, 15595.
3) Beloven^ toezeggen. \\ Zabnlon so behiet hy dat
lant dat leegt der zee by, Ysacharre behiet hi
tlant tnsschen den berghe enter zee cant . . ; 6ad
benediede hi ooc mede ende hi behiet hem stont-
hede, Bijmb. 3307. Hoe hem {Paris) Jnno behiet
rijcheit vele . .; Venns behiet hem dat scoonste
wijf, Flor, 652. Datmen di beheten hevet, eer
die tijt comt datment ghevet, en saelstn niet be-
heten voort , wantmen lieghet menich woort, D. Cat.
95. Dit behiet ons Apolijn, la promesse éTAppolin^
Troyen 9047. De dnvel , die hem vele goets behiet,
Stoke I, 172. Hi behiet hare rijcheit groet, Sp.
II*, 51, 7. Hiere groet goet mi omme behiet,
II*, 18, 52. Cristns {hevet) beheten, dat hi sal
hier neder beeten, III*, 36, .33. Soe behiet te
doene den jongelinc dat hi riet, I^, 65, 31. Die
coninc gedochte der saken, dat hijt wilen Gode
behiet, I*, 16, 10. So datse {Jstacia) hem die
vader behiet, I', 49, 27. Dune moets man no
wijf die leven, beheeten dinc, dnne wilt hem gheven,
Bouc V. Sed. 109. Die vele beheet, hine gonde
wel, hi bont metten lieden spel, 115. Vgl. nog i2o^^
4759; C 4018; Velth. VII, 15, 60; Alex. II,
431; 927; V, 351; Ferg. 4392; F. d. Houte 59;
Lanc. II, 41586; 42938; 46154; III, \l^m, Bijmb.
3832, 20146, 24333.
4) Evenals het mnl. beloven de bet. van verzekeren
heeft, zoo ook beheten. \\ Acgraveyn ne micte niet
een twint op dat hem die naen behiet, Lanc. II,
5887. (Hi) behiet hem ende belovede , dat hi hem
thoeft af sonde slaen, hine lyede verwonnen saen,
4538. — Enen slives beheten, iemand zeker-
heid geven omtrent zijn leven ^ voor zijn leven in-
staan (?). Il Hi lach acht daghen int verdriet ende
hem niement slives behiet {var. onthiet) vander
pine, die hi had ghedaen, Segh. 7843.
5) Met een 4den nv., die iets kwaads ^ iets on-
gnnstigs nitdmkt. Dreigen met iets. \\ Die doot, die
hy mynen vader behiet, moste hy selven tierst
smaken ; soe snldy , can ie n gheraken , oec drincken,
dat ghy my beheet, 2Voy«* 8735. Dor dat gi behiet
{uitg. beriet) onsen here alsulke scande, alsnlke
onnere , als dat men {d. i. men en) hangen sonde ,
Ben. 694 Hs. (vgl. bij 6).
6) Vandaar, dat beheten de beteekenis van berok-
kenen aanneemt; synoniem van beraden. || God ne
wils gehingen niet, die hem swaerre plaghe behiet,
Bijmb. 28031. M^n sware verdriet, dat mi m^n
stiefmoeder behiet , Wal. 5771. — Men ziet hiemit ,
dat de door Ondem. 1 , 418 voorgestelde verandering
in beriet op deze plaats, en de door Matthes , Ben.
694 (vgl. bij 5) gemaakte, overbodig z^n.
7) Bevelen, gelasten. \\ Hi behiet hem, hi
moeste vnlstaen, sinen broeder te sine onderdaen,
Bijmb. 2399. Hi belovede, gaf, ende behiet den
papen . . , dat si achten sonden omme alsnlke saken,
Sp. I^, 3, 12. Segt, wat dat gi mi beheet , j^/er. X ,
558. (Hi) hadde sgns vader coc int vier gheworpen,
om datti niet en dade, dat hi hem behiet, JÜmb.
IV , 248. Dan sieti weder ten sondaen waert , diese
{de vrouKf) hem eechende ende behiet , dat soe hem
worde ontbonden niet, Parth. 5630. Sij dede, dat
haer die vronwe beheet, MLoep II, 1447 var.;
teksth.: heet.
8) Evenals het mnl. bevelen de bet. van aan-
bevelen, opdragen heeft, zoo ook beheten op ééne
plaats, nl. Sp, III', 1,63. || Siere dochter hi hem
behiet, die bi namen Constantie hiet . .endeseide:
„Nem mgn keyserrike met derre maget ende
plegere wale." — De Byzantijnsche Tiberins laat
op zijn sterfbed Manricius komen en beveelt hem
het ryk en z^ne dochter ium, draagt ze hem op.
De bet. beloven is hier dns niet de ware.
Aanm. — Bincl. 1274, in de beschrgving der
legende van St Maarten , leze men in den slotregel
„so werdi met Gode beheet " die geen denkbare ver-
klaring toelaat: ^so werdi met Gode becleet.^^ VgL
Wrake III, 1282: yfi2kïï sal die mensche indesea
met sinen Sceppere ghecleet wesen ende ghesierdt
hehaghelike."
BEHEVELT. Zie beévelt.
BEHILIEEN (behilicken), zw. ww. bedr.Vaa
hiiic, d. i. huwelijk. "Mud. behilliken. Door huwelijk
verwerven, betrouwen, aantrowwen, Vgl. behuwen
en BEHUWELIKEN; hd. erheirathen. \\ Johan vaa
Bosinchem . . . had behylickt dat hooch ende
daghelicks gericht van Manderick, Matth. AnaL
3, 595. Desen Hnbrecht . . was getronwt mit
joncvrou Jatte van der Leek, daermede behjlie-
kende tlant van der Lecke, 601. Een geborec
poirter is dat verbant gheërft ende een behilictea
{die door huwelijk zijn poortrecht verwarven kéeff)
syns wyfs of mans goeden ende lasten , Matth. 127.
Dat wij namels niement in onsen gerechte tDordrecht
setten en snllen , h^j en sij een ingeboren poirter . .,
off hy en hebbe siin poortrecht witliken behiliet,
V. d. Wall 453 {a, 1418). Of hi en heeft a|B
poortrecht sel ver behilict, O. K. v. Dordr. 57, 2U).
Item en sal gheen man . . . sgn poirtrecht moges
behiliken aen een lantpoirters dochter, merwelaea
een ingeseten poirters dochter, O. B. v. Dordr. 1,
254 , 18. Vgl. 2 , 146. — Ook in de intr. opvatting vaa
door huwelijk op iemand overgaan. \\ Oft enich porter ..
stalle van den voirsz. gilden behylicten of aen-
bestorven, O. B. v, Dordr. 1, 98. — Een be-
hilicte soon, hetzelfde als een behuwede soem
(zie ald.). Behuwd-zoon, schoonzoon. |l Ghif mi dga
aochter te wive ende ie sal dgn behilicte soea
wesen, D. B. I Maeeab. 11 , 9. Sgn behylicten soeo.
Pass. W. 80fl?.
BEHINDECH , BEHINDECHEIT , BEHINDE-
LIKE. Zie behendech enz.
BEHINDEREN, zw. ww. bedr. Mnd. behinder*.
741
BEHI.
BEHO.
742
Verkmderen^ belemmeren^ beletten^ katigvallen. \\
Ghelijc den Hooghen Wynt, stoormich enstranghe,
alle dynck behyndert by zynen tempeeste, ZVl,
Bijdr.'by 323, 277. Aldus so werden dese dingen
behindert ende benomen aen beyde siden, Troyen
Vb, 28<?. Op dat sy haer vianden neder trecken
mochten, ende hoer wederkeren hem mochten be-
hinderen, Matth. Anal, 3, 103 {Clerc 69). Het sy
onse yyande of ander Inde in der voirscr. kercke, huze
ende toebehoren behindert , belet of gemoeyt worden ,
Oorl. V. Albr. 534. Omme die schouwe ende weder-
schonwe te behynderen , Overijs. Dijkt, 2' , 33. Ist dat
een behyndert (gekweld) is myt spenen (jmüten),
Lanfr. 179r. Die dnvelsche temptaci, dye altyt..
den mensche behindert ende gheert te trecken yan
goeden werken , QesL U, 203. Laet de serpente gaen
crupen, daer si wil, behindertse in gheenre manyeren,
116tf. Die sterke behindert ende vecht teghen den
sterken, 1443. Soe wanneer (wi) van yemant be-
hindert werden, dat wi dan niet ter stont . .
sellen vloken , 207a. (Hi) behindert goede wercken,
die die mensche . . doen sonde, M, Also dat hi
meende sjjn woenstat daer te maken, . . mer
Haymon . . behinderde hem daer in seven jaer
lanc, Fois, W, 188(r. Omdat hi onse verlossinge
niet en wonde behinderen noch vertrecken , Tcuc. M.
f. 84r. Ende wonde nu den doot Christi weder
behinderen, mer tegen den raet Gods en is geen
raet, /. 97r. Also hadde hi onse verlossinghe
^eeme behindert door dese vron, hadde hi gé-
c^nnen , ald. Die behinderdet daer hi mocht , JHaU
Creat. bid. Sou wonde dat volck . . daer en teghens
uresen ende dat behinderen, Bern, W, 3<?. — Ook
met een ontkennenden bijzin. || Onse mghe grove
leven heeft ons dit behindert, dat wy die gaven
Goeds niet bekennen en moghen, Ht. 113, /. \^^d.
BEHINGEN. Zie behengen.
BEHOEDE, znw. vr. Hoede, betcherming, || Gij
edele baroenen, bl^ft al met Gode, die moet u in
sijn behoede ontfaen, Reemsk, 89. — In den zin
van behoeder, behoedster (vgl. beleit, bereit, loon
e. a.) leest men het Stemmen 54: || Behnede der
rcynicheyt is caritate.
BEflOEDELIJC, byw.— VjVoorzichtig , bedacht-
saam. II De abt, har gestelike vader . . custe de
nonnen allegader, daem deed hi niet behnedlic
inne, D, War. 3, 144, 681.
2) Met vele voorzorgen, op eene behoedzame
wijse, in het geheim, \\ Desen brief sende Barbara
seer behoedelic totten leeraer Origenes bi enen
die si betronwede, Pasê. W. 97<?.
BEHOEDEN (behueden) , zw. ww. bedr. en
wederk. Mnd. behoden, behuden. Mhd. behueten.
Bedr. — 1) Bewaken, bewaren, beschermen, be-
veiligen, zorg dragen voor. \\ Dat men den wisen
enten vroeden slot ende sloetel laet behoeden,
Hild. 166, 165. Dit brievekin ontfa ende totedire
doot . . sie dat vaste si beboet. Franc. 6119. —
Vooral gebmikeiyk in het verl. deelw. behoet.
— a) Beschermd, beveiligd, gevrijwaard', in
de uitdr. wel behoet, d. i. goed beschermd,
veilig. \\ Mensche, wildi s^n behoedt vander hellen
gloede, Tien PI. 2550 (bl. 637). Sonder water
was hi behoet, Flandr, I, 1014; y^het kasteel
was niet door water beschermd^"* Dan moetmen
wisen ende raden, dattie palen sgn behoet,
Hild. 196, 34. Altoes blp hi wel behoet voer
snlke deilinghe, alsmen dede al daer die woec-
kenaer verschiet, 164, 204. Een goet beghin,
dat salmen keren soe dattet eynden mach in eren ,
dan ist middel wel behoet , dan is ook het midden
verzekerd, 246 , 1. Schaemte , Miltheit ende Oetmoet,
die soe wel waren behoet, sijn nn bloede ende
versaecht, zij waren vroeger beveiligd, veilig, in
eer, 205, 109. Dattie palen sijn behoet, 196, 36.
Die ghemeente tijt {werpt de schuld) al opten
heren ende op prelaten, die se leren, dat si
daer mede sgn behoet, om zich zelve daardoor
te vrijwaren , daarmede te verdedigen , 95 , 7. In
een vel beloken altemale dicke ende stare ende
wel behoet. Nat. BL III, 1996. So seldi, mine
ridders goet, daer buten u decken ende behoet
van {geschermd door, bijgestaan door) den uwen,
Sp. 11^, 44, 49. Wat soe in ertrike es goet, es in
maten al behoet, wordt beschermd door, ontleent
zijne kracht en waarde aan het houden van de
juiste maat', is zonder gevaar, wanneer men maat
houdt, Lanc. III, 25606. Elc moet op die langhe
vaert, daer menich deghen is ghevaren, die
machtich hier te voren waren ende in eren wel
behoet, d. i. veilig in eer, hoog in eer staande,
Hild. 156, 78.
b) Vandaar by uitbreiding, zooals men uit het
vorige voorbeeld zien kan, van iets goed voorzien,
eig. door iets beschermd, veilig in iets, — a) Eigenlijk.
Voorzien van. \\ Si waren wel behoet van dies hem
behoefde in beiden syden, 2Voy<?»4293. — b) Figuur-
lijk. Vervuld van, behept met. \\ Des mensenen herte
is soe behoet mit ghiericheden , . . dattet selden
wert vervult, Hild. 128, 40.
2) In zich bewaren, behouden, houden, als richt-
snoer van zijn leven aannemen. \\ Soe wie mine
woerde hoert ende niet en behoet, ie en oerdele
hem niet, Hs. 71, Joh. 12, 47. Scamenesse die es
sere goet, want so wie diese behoet, al ware hi
een mesdadich man, nochtan so waerre hope an,
Sp. 1% 62, 65.
3) Opsluiten, in eene bepaalde ruimte houden, —
Vandaar de uitdr. behoet houden, d. i. op-
gesloten houden. \\ Van den outare dede hine {de duif)
ter vaert, maer in die kerke hout hine behoet,
Sp. II», 41, 16.
4) Ere dinc — , zich hoeden, zich wachten,
oppassen voor iets.\\ Men hiet haer des behoeden,
dat Rijt selve en soochde niet. Flor. 254.
5) Verhoeden, verhinderen, beletten, vermijden. \\
Ghi waert vervaert so tien tiden , dat ghi u selven
maket verwoet, ende wanet hebben behoet, dat
ghi niet waert comen te stride, Alex. VIII, 586.
Om te behuedene dese ondaet, soe wort ghemaect
een tractaet, Brab. Y. VI, 10175. En laet u oec
niemene merken, daer ghijt behoeden moecht,
Rnusb. 4, 86.
6) Enen, iet — , bewaken , letten op , passen
op, in het oog houden. \\ Si behoetdene ende
leedene sciere tenen pauwelioene wel diere. Wal,
10359. Hoe zeer een wijf behoedet si, nochtan is
hoer begheerte vry , Hild. 253 , 13. Nochtans waren
si also behoet {in kloosters), dat si malcandernye
en saghen, D, War. 6, 396. Ie sal behueden
mine wege, dat mi min tonge niet quaets en
plege, Sp. II», 58, 21.
7) Wederk. — Zich in acht nemen ; voorzichtig,
bedachtzaam zijn, \\ Die dyaken wille hem be-
hoeden, ende hevet maer enen besant gegeven,
^. III», 44, 76. — Het verl. deelw. behoet als
bnw. gebruikt. Op zijne hoede, bedachtzaam, voor-
zichtig, ingetogen. \\W&Ten die manne also behoet,
dat si oghen , sin ende moet wel consten besniden ,
80 ware vrouwen minne spoet, Wap. Mar 1.1,917.
(Hi) hebbe liever ene maghet . . die gheseed es
ende behoedt, ende onder die goede opghevoedt,
743
BEHO.
BEHO.
744
Doet. II, 1861. Voor valsch ghetaghe wes beboet,
Tien PI. 2641 (bl. 637). Syt Yoorsienich , behoedt
ende gheordent in woerden ende in manieren , Ruusb.
3 , 130. Hi was behoedt in al sine wort , Ccus. 66.
Van worden wel sijn behoet, Vod. Mm. 1, 98,6.
Daer na {spreekt Paulus) van sijnre behoeder
wanderinghe onder hem, Hs, Ib f. 11b. Reine
herten, . . beboet van woorden, 5>. r. 1348 , 2413.
BEHOEDENISSE , znw. vr. Mnd. behoiniise,
behodenisse^ mhd. beAueinisse. Bewaking^ bescher-
ming. II Die behoedenisse van haren scapen ende
beesten, Boeck v. d. L. J. 2Sb.
BEHOEDER (behueder), znw. m. ; vr. be-
HOEDERSE. Mnd. BeAoder , beAoderscAe, bescAermer^
bescAermster. \\ Dit was doe Maria was in Nazareth . .
ende Joseph haer behoeder in Betbleem was,ZjjD.
11,6,43. Doe Jhesns sach sijn lieve moeder, ende
oec Sint Jannen haer behoeder , heeft hi ghesproken
dit sermoen ende seyd: „Wgf, sich hier dynzoen!"
Daer na sprac hi tot haer behoeder end seyde : „Jan ,
sich hier dgn moeder," O. H. Pass. 27, 749. Dat
Sebedens kinder moeder Oristumme leide voer
hant, dat hare II sonen bi hem, behoeder, sitten
mochten ten hemelschen voeder in dat zaleghe
lant, Wap. Rog. 1660. Saleghe moeder Gods . .
behaedersse der bedroefder sinne. Vod. Mus 2,
404, 64. Damiaten, dat hier voren . . behoederse
was ijiet opzicAt Aad , de baat was) van der zee ende
roverse der Kerstine, ^Sjp. IV' , 33, 41. Ie sal dijn be-
hoeder wesen werwaerts dattn tides , D. B. Gen. 28 ,
16. Oetmoedicheit is een behnederse der gracien,
Ruusb. 3 , 25 var. (tekst beAoederster). — Behoeder
van den swerae, drager van Aet zwaard,^ ver-
dediger^ bescAermer. \\ Hi was behudere van den
swerde van kerstenhede al te voren , Belg. Mus. 10,
68, 24.
BEHOEDERSE. Zie het vorig Art.
BEHOEDICH, bijv. nw. Van Aem behoeden (zie
ald. 7). In de uitdr. : behoedich van sonden,
zicA loacAtende voor zonde \ op zijne Aoede^ zicA in
acAt nemende tegen de zonde, jj Si schinen buten
ootmoedich, reine, cuusch ende behoedich van
sonden, mer si bedrieghen die lude daer mede.
Hor. Belg. 12, 22.
BEHOEDICHEIT , znw. vr. Van beAoedicA (zie
ald.). In de uitdrukking behoedicheit doen,
bescAermen^ bewaken. \\ Onse Here hem voeghet
jeghen den mensche sere, ende doet hem behoe-
dich ede ane siele ende ane live mede , Bed. d. Jf. 141.
BEHOEDINGE, znw. vr. BescAerming ^ Aoede.
II Onder die bescherminge Gods almachtich ende
onder die behoedinge van Maria synre gebenedijder
moeder, Rtige v. Bord. 11. — Dat rike Gods ne
comt niet met behoedinghen der tijt, Hs. v. 1348,
6Sa (letterlijke en onjuiste vertaling van Luc. 17,
20: Non venit regnum Dei cum observatione).
BEHOEF (behouf), znw. onz. en vr. Mnd. beAóf\
mhd. beAuof. Vgl. behoeve en behoefte. — Zeer
dikwijls in den samengetr. vorm boef (bouf).
1) BeAoefte^ gebrek. || Sine hemelsche vader
en hevet onse rijcdom (beter: ons rijcdoms) gheen
behoef, Gest. R. c. 6.
2) BeAoefte^ noodzakelij kAeid. \\ Vander minnen
der broederlicheit en hadden wi gheen behoef u te
scriven, Hs. Ib^ I TAess. 4, 19.
3) Concreet. BeAoefte^ nooddruft \ dat wat
iemand beAoeft, noodig Aeeft. \\ Die minne dede
hem grote pine, hine at el niet dan rachine, die
hi uter erden groef; niet wel en haddi sijn behoef,
Ferg. 3026. Dinghel bracht hem alle daghe te
siere messen . . zijn behoef, hostie ende wijn.
Sp. 1\ 86, 63 var. Nu biddic u, herc, dat
ghi al helpt miin behoef versien, lAmb.Yl^ 1564.
Visschen , voghelen , ander beest is des menseben
behoef, Hild. 174, 13rar. Die sijn behoef ... van
eten ende van drincken . . begheert te winnen,
Gest. R. f. 48c. — Na sijn behoef, m overeen-
stemming met hetgeen noodig ^ vereiscAt was; naar
beAooren. \\ Een boghe was gemaect in de erde
van steenen , naer sijn behonf , daer menne eerlike
in grouf, Sp. IV', 33, 80. — Enen sgn be-
hoef doen, iemand van Aet noodige voorzien. \\
Voert soelewi onsen here voerscr. sijn behoef
doen ende sine herberghe in goeden state handen ,
Nijh. 2, 96 {a. 1367).
4) Nut, voordeel. — In de uitdr. tot (te) enes
(of in plaats daarvan een bezitt. vnw.) behoef.
Men zei de zoowel tonsen beAoef als tonder behoef.
a) Ten nutte , ten dienste , ten bate , ten voordeele,
ten beAoeve van. \\ Daer men tfondament ^roef,
droecli hi tes fondaments behoef op sine scondren
twalef manden met aerden, Lsp. II, 46, 156.
Want die heilighe Gods cracht alrehande aerdsch
goet tsmenschen behoef wassen doet, m, 24:, 10.
Hemel ende erde ghemene, ende al diatter es
binnen wonde hi van groter minnen tonsen boel
al maken , Doet. 1 , 466. Wi selen nutten van dien
daer ons God heeft af versien ende tonser behoef
ghemaect heeft, II, 1846. Des sinxen dages was
al bereet tsinen bouf, dat men weet, dat hem
behoefde ten ridderscape, Limb. II, 81. Ie salse
cortelinghe werpen doen in dit vier; die dnTel
brachtse noit hier te minen bouf, I, 2<>48 (de
duivel heeft haar niet voor mijn genoegen hier
gebracht). (God die) hemele ende aerde mede
tonsen behoef worden dede, Lsp. II, 41, 49.
Ter kerken boef, Vod. Mus. 1, 292. Thes godshns
bouf, 2, 249. Te Jans Storms boef, 357. Tot der
cameren behoef, 3, 129. Tes menschen behoef,
Doet. II, 1843. Tonser behoef, 1847. Ie hebbe
tuwen bouf wapen an, lAmb. Il, 1806. Een scip . .
dat ie tuwen boef daer sande, PartA. 839. Tes
Keysers bouf, Sp. IV*, 8, 64. So bevoirwairden
sy zielmissen tot des doden behoef, Matth. 226.
Hi heeft hemel ende eerde ghescapen ende alle
creaturen te synre eren ende te onsen behoef,
Euusb. 4, 23. Tote onser alre behoef, 170. Been
derdeudeel tsheeren bouf van den lande, dander
derdendeel tsbisscops bouf van Dornike ende terde
derdendeel ter stede bouf van Ghend, Vetd. Mms.
4, 369. — Ook als rechtsformule. Tot enes
behoef, in iemands belang. \\ Tot wat recht (ook
ban , ald.) die scepenen staen willen , tot des heren
behoef ende der steden, Matth. 131. Ie dag'he A. . .
oirkonde te segghen tot myns heren behoef, 134.
Hy mach echt kennesse doen daghen tot sjnre
behoef, ald. Eenen man te bestellen (in arrest te
nemen) tot synre behoef, 192. — Meermalen is
te— behoef niets anders dan eene omschrü ving van
den 3den nv. , en kan dan het best door voer
vertaald worden. || Dijn osse . . hi dreecht djoc
tuwen boef, mer vore hem niet, Rincl. 437. Hem
was een bedde gemaect daer also rikelike . . ,
alse ocht Arturs boef ware, Lanc. II , 8936 (/. tArtars
boef, d. i. voor ArtAur). Ie draghe, vronwe, aa
minen mast die soete vrucht, men soeten last,
niet tuwen bouf alleene, Disp. 79. Onse Here . .
heeft dat hoghe rike bereyt ter menschen behoef,
Teest. 2629. (Hi) dede die eervachtichede tsinea
bouf nemen, VI. Rijmk. 2071. Waer oec enigv
dinge comen, die heeft men daer opgenomen tes
conincs boef overal int lant, Velth. VT, 16, 21.
745
BEHO.
BEHO.
746
Som ooc offerde hise {de vaten) voor Gode, ende
zom hilt hise te sinen boef, quaedam vero sibi
reservavit, Rijmb. 15064. Te wies boef salie di
voeden, cwi te tervavero^ 33391. Een goet deel
daer ave hebbic gehouden tuwen boef, heb ik voor
u bewaard^ 33410. {De vrek) jammerlijc dat ver-
spaert teens anders behoef diet verteert, 2^.111,
21 , 25. Hi dede hem spannen twe gondene sporen,
die hi te sijns selfs boef hadde vercoren. Flor.
1558. Dat ghise {de joncvrouw) an den coninc vri
te minen bouf wilt sonken nu, Limb. XII, 905.
Ie hebbe tonsen boef gereet den scoensten stat,
die noit man sach, Lorr, II, 2044. Hi dede een
scep touwen tsinen boef enter vrouwen, 2091. Ie
nie en sach te minen behoef soe bliden dach,
een voor mij zoo heuglijken dag ^ L. o. H. 4225.
{De mieren) die welke inden oest tot haerre behoef
spise reiden, D, B, Sjpreuk. 30, 25. Ie hebbe te
mijnre behoef ghevonden vele rusten, Hs.v. 1423,
280«. — Evenals de 3de nv. uitdrukt zoowel
den persoon ten voordeele, als ten nadeele van
wien iets geschiedt , zoo ook de uitdr. te — behoef,
die den 3den nv. omschrijft. Vandaar dat te —
behoef beteekent
b) Voor iemand, ten nadeele van hem, voor zijne
rekening. || Dat orloghe is so vreselicke ende tonsen
behoef soe scadelicke, Troyen f. 148</. Hets grote
zonde tonsen behouf, Sp. V, 67, 59. Negheen
vre.seüker venijn was nie ter zielen behoef ghe-
vonden , tf. Doet. 310. Dits te minen boef drove
niemare, Lane. II, 6804. Nu moets onse here
wonden, die te minen bouf gehouden heeft al gader
dat hem gaedt, lAmb. I, 1229. Al leet ende allen
toren es te minen bouf vercoren, 1915 (elk ver-
driet is voor mij uitgezocht en bewaard, er is
geen ramp, die mij niet treft).
5) Met het ww. sijn verbonden heeft behoef
de kracht van een bnw. Behoef sijn, noodig
zijn, vereischt zijn. Vgl. noot zijn, ü. i. noodig
zijn. II Die arme hadde si te maten grouf, als ten
wapen was behouf, Alex. VIII, 93 (de tekst
heeft ten onrechte grof. Vgl. ^. V, 67, 60). Doe
heeft bedreven Anthonijs so, dat hi Paulusse groef
also als daer was behoef, Sp. 11% 32, 198. Al
datten orsse was behoef, dat hadt daer op eiken
dach, Segh. 5770. So hoghen uutvaert worter
ghedaen van alle, datter was behoeflf, Hild. 110,
100. Alle dat gheen, dat ons nootturft ende be-
hoef sal syn totter bruloft , Gest. R. f. 143 b.
BEHOEFENISSE , znw. vr. —1) Behoefte,gebrek,
Diut. 2 , 219 : behufnisse, indigentia. — 2) Voor-
deel, nut. \\1oi der cameren behoef , niet tot mynen
(/. myner) behoefenisse ofte yemant anders. Vod.
Mtu. 3, 129.
BEHOEFLIJC (behoevelijc, behovelijc),
bnw. Van het onz. ww. behoeven (zie ald. 1).
— 1) Behoeftig, arw». jj Hy sach sijn oem arm enae
behoeflijc ende heeft hem nader wet ghevoet , &^«^.
R. f. 3 b. — Ook met den 2den nv. Behoefte hebbende
aan. \\ {De stad Oravé) tallen termine sculdich ware
open tsine, wanneer dat sijs behoeflijk ^9i,er, wanneer
zij er behoefte aan had, Brab. T. VI, 7963.
2) Noodzakelijk, nuttig, dienstig, betamelijk. \\
(Si) sullen hare beleeders senden ter plaetsen,
daert hemlieden behoufvelick is, Cotit. v. Brugge
1 , 374. Seght of u kenlic es , dat ie heden in
tiden ende in wilen hof maecte in behoveliker
steden , of ik te recht zat ter plaatse , tcaar dit
behoort , Belg. Mus. 1 , 46 tweemaal (de afleiding ,
aan den voet der bladzijde opgegeven , is onjuist).
Aldus eist behoevelijc, dat wi vervullen alle
gherechtechede, Hs. v. 1348, 46^ {Matth. 3, 15).
Aanh. — Hs. v. 1348, 221c: „Al8 die behoevelijc
dach ghevallen was," is eene verkeerde vertaling
van Lat.: „cum dies opportunus accidisset" {Mare.
6, 21).
BEHOEFLIJCHEIT (behoevelicheit, behove-
LiCHEiT, BEHOUVELICHEIT). Van het bnw. behoeflijc.
Zie het vorige Art. Mhd. behóflicheit.
1) Behoeftigheid, armoede. \\ Oassiodorus scrijft
ons oec van dien dat wi behoeflijcheit selen vUen ,
want si dicke met haren rade den mensche stoect
,ten quade, Melib. 2936. Te desen live quam die
mensche vort . . in die behoeflijchede van allen
dingen, dies men heeft noet, Sp. II», 75, 11.
Dat hy van rycdomme tot armoede quam ende
van overtoUichejrt tot behoeflicheyt , Stemmen 133.
Dat in so meniger manieren onse behoeflicheit
vervuUet worde overmits sijnre weldaet, J9arM. 11a.
2) Bij uitbreiding. Nood, gevaar. Mv. behoeflicheden.
Il Laet ons in allen dinghen ons selven bieden
alse dienstknechte Godes, in vele verduldicheden ,
in druckelicheden , in behoeflicheden ende in anxt-
vallicheden, Hs. Ib, II Cor. 6, 4 {Hs. Epist. 91 b).
Aanm. — Hs. V. 1348, 1163: „(Judas) sochte
behouflijcheit, dat hine hem leveren soude sonder
scaren", is behoeflijcheit eene verkeerde vertaling
van lat. opportunitas , gelegenheid {Luc. 22, 6).
3) Behoefte, noodd/ruft, in abstracten zin. Het
behoeven , gevoel van behoefte. || Allen bruederen dies
begaren maecte hi cellen ende gaf hen mede die
noet te haerre behoeflijchede, Sp. II*, 66, 24.
Vitaelge ende cleder mede horen des (/. tes)
menschen behouvelichede, Melib. 2901 var. (bl.
683); vgl. Doet. II, 2203. Du en doeste mijnre
behoefelicheit niet ghenoech , Hs. 88 ƒ. 92 b. Dese
gaven en worden niet ghedeylt nader menschen
verdienten , mer na behoeflicheit , Hs. 75 f 34c.
4) Nooddruft in concreeten zin, datgene tcat men
behoeft. || Also veel aelmissen gaf si den armen,
datse niet en behielt dan nauwelic cost ende be-
hocflichejrt , Exc. Cron. ld. (Si) hadden acht jaren
op die zee den heydenen berooft, so datse rijck
ende wel voorsien waren van alle behoeflicheit,
1003. Item en sel gheen steenwarder verminren
eniger gevangen behoeflijchejrt zQns lijfs, R. v,
Utr. 1 , 344, 6.
BEHOEFT, znw. vr. Hetzelfde als behoef {e. ald.).
II Dat ghy met den ghenen, die de voers. timmerag^e
hebben doen maken, moecht componeren tonser
behoeft, te onzen behoeve, Oesch. v. Antto. 1, 480.
BEHOEFTE (behoufte), znw. vr. Nootdruft,
wat men noodig heeft. || Daer ombe moet hi hem
geven redenlike behoefte, Gendsch Chtb. 4. —
Sine behoefte hebben, hebben wat men noodig
heeft, wat men gaarne hebben wil. || Daer ie sal
hebben al . . . mine behoefte, Lanc. III, 1635.
Vele . . . moncken sijn die meer minnen cleen
ghepijn . . ende van allen weelden behoufte te
hebbene, ende ooc groot ghemac, Amand. I,
990 {behoefte is dus hier, hetgeen voor onze
ooren vreemd klinkt, synoniem met overvloed). —
Enen sine behoefte doen, iemand van het
noodige voorzien. \\ Men dede den kin de sine be-
hoefte al ende droecht daer ten kerstenhede,
Lanc. III, 23324.
BEHOEFTICH, bnw. Van het onpers. ww.
behoeven (zie ald.). Noodig. \\ Als de maeltijt
gedaen was , begeerden sij , dat men hen versag
van hetgene , dat behoeftig wesen soude , Heemsk. 44.
* BEHOENE, Velth. I, 17, 74, verkeerde
lezing voor behoeve. Zie ald.
747
BEHO.
BEHO.
748
BEHOET (behoed), znw. o. Eig. stam van het
WW. behoeden (zie ald.). Bijna altijd in de nitdr.
m mijn (dijn enz.) behoet,
Vj Beseherming^ hoede. j| Doe nam \i\ (Johannet)
se (Maria) van deser tijt in sijn behoed mit groter
vlyt, O. H. Patt, 27, 766. God, in n behoed
settic minen sin ende minen moet, Vierde Mart.
491. In allen noden, waer ie sy, bevele ie my in
dijn behoet voir boser yyanden overmoet, Hild.
92a, 43. Rein edele Keiserinne . . nemet mi in
dijn behoet. Hor. Belg. 10, 83. O here, nemet
mi in u behoet, 181. (Crhi) naemt al dysraelsche
in n behoet, Bliec. v. M. 1601. Lgf ende siele
stellic in u behoet, Huge v. Bord. 46. Nemt de
fonteine in u behoet, O VI. Lied. e. O. 478,663.
2) VeiUgheid. \\ Die wile dat si stille daer
hilden, dadensi wechyoren haer goet, daer sijt
hadden in behoet, Velth. IV, 37, 20. (Si)
namen . . al den huysraet . . ende voerdent wech
in haer behoet, Troyen Vb. 22*.
3) Bü uitbreiding. Macht ^ bezit. \\ Sowiebegert
ere ende goet . . ghelnc geeft dar toe spoet, dat*
hi beide in sin behoet vercriget , D. War. 7 , 378, 2.
De Yrancsche coninc is in ons behoet! noyt quam
nienmare int lant soo biyde, OFl. lAed.Ql.CoTitt
dan een oge opslach wort dit eigedom van deertsche
goet geset in ander liede behoet, Hild. 1,16. Doe
hi leet die zware pine ende an den crnce storte
s\jn Moet om ons te bringen in sijn behoet, Zt^trM;^.
4238. In hebbe gheen ghelt in mijn behoet,
on. Lied. e. O. 106, 26. Wiltu mi jonnen dgn
behoet {%w bezit), eer mi natnre sterven doet,
90, 24. Het ware di noot, sontstn begheren de
blonme thebbene in dijn behoet, 408, 161. (Si)
es vaster vele in haer behoet, heeft zich zelve
meer in hare macht, it ongenaakbaarder , daxi eneghe
borch, Fad. Mus. 1, 378, 43. Hout u tonghe in
n behoet, Sp. d. J. 86. Die coninc van Sodoma
seide tot Abram: Ghif mi die zielen ende die
ander (dinc) neem in dijn behoef (/. behoet) , D. B.
Oen. 14, 21.
4) Ook gebruikt van een manl. of vr. persoon , in
den zin van behoeder of behoedster, beschermer
(vgl. beleit, bereit, behout, behoede, e. a.). || Sijt
ghy, tribnlacie, mijnder sielen behoet, ZFl.
Bijdr. 6, 328, 21.
BEHOET, bnw. Zie behoeden, wederk.
BEHOÊTHEIT (bkhuetheit), znw. vr. Van
behoet in den zin van bedachtzaam (zie het vorig
Art.). Bedachtzaamheid, behoedzaamheid, nauwlet-
tende zorg. WBesceydenheit is prioer,oetmoedicheit
is camerier, . . behoetheit is custer, j). War. 1 , 239.
Dat een satich swigen ende behoetheit des herten een
overgrote doghet was , Hs. 87/. 25c. Behuetheit ende
scamelheit van gesicht , Sp. d. M. 1, 106r. Wert
alsoe dat n die dinghe van bnten bevolen worden,
alsoe vele toe meer soe behoefdy behuetheit van
binnen ende van buten, Gerl. Peters 203.
BEHOEVE (behove), znw. vr. Hetzelfde als
behoef (zie ald. , en vgl. bederf en bederve).
Behoefte, nootdruft, wat men noodig heeft.\\A\.
was de Grave Willam droeve , hi moeste sien om sine
behoeve , Stoke X , 869. Men sal u bereiden binnen
desen altemale u behoeve, Limb. IV, 714. Visiere
daer in al dine behoeve, Sp. I*, 34, 96. Ob ander
side also was hi sire wonden drove, hine hadde
niet gehadt sine behove, Lanc. II, 1470. — Na
haer behoeve, in overeenstemming met hunne
behoeften, met hetgeen zij noodig hadden, d. i.
naar behoor en. \\ Men leide die ta5en na haer behove
Lanc. III, 11264. — Vooral gebruikelijk in de
uitdr.: enen sine behoeve doen, iemand r«»
het noodige voorzien. \\ (Hi) dede den perde sinen
(/. sine) behove, III, 2684. Ie wille dat menne
hier wachte ende doe alle sine behove , Lorr. ft.
I, 114. — Ook van een gestorvene gezegd:
hem alle gebruikelijke eer bewijzen. || Opdat enich
hare gheselle storve, dat menne daer groeve ende
daden sine behoeve, lAmb. I, 384. Die int laot
waren daer al omtrent, verre ende naer, qnamen
daer ten like drove ende deden heme sine behove ,
Lanc. III, 9081.
Aanm. — Ditzelfde behoeve schuilt ook op eene
plaats in Velth. , nl. 1 , 17 , 73 : „Waerd dat men (den
hof) eerde oft wonne , nemmermeer droeg^ hi gene
behoene, maer buien comen souden ute gonen ," waar
het Hs. de ware lezing behoeve heeft. Het bet.
dus koren, graan, eene bet. die zich zeer geleidelijk
laat afleiden uit die van nooddruft (in concreeten
zin). Vgl. het lat. : frumentum en fruges YKa.frHig)or.
Bij Vinc. 31, 66 luidt deze duistere plaats aldus:
„Qui {hortus) si a non Christianis excolatur , aut
perpetua steriHtate damnatur aut in penam Sarace-
uorum inestimabilis ultio infertur." Om het rgm te
herstellen , leze men „Waerd dat men {den hof) eerde
oft groeve, nemmermeer droege hi gene behoeve.^'*
Men ziet tevens , dat de buien van Velth. ontstaan
zijn door het verkeerd verstaan van ultio, d. i. wraak,
straf, dat hg met uleus, d. i.rw^^, heeft verward.
BEHOEVELIJC. Zie behoeflijc.
BEHOEVEN (ook samengetrokken boeven),
behoven, zw. WW. onz. en onpers. Mnd. behoren,
Onz. — 1) Behoeftig, arm zijn. \\ Die kercke
blincket in den wanden ende in den weghen ende
in den armen behoevet si, Stemmen 39.
2) Nood*g hebben. || Yeghewelken ghereet, die ons
behoeft , Ruusb. 4 , 8. Oetmoedich ende goedertieren
sijn allen menschen, die ons behoeven, 4, 21.
Zie verder Gloss. ald. — De onb. wijs als znw.
gebruikt. Behoefte, wat men noodig heeft. \\ "Wie so
meer dan sijn behoeven te samen jaghet met gieric-
heden, dats raet van mordadicheden , Hevm. 1750.
3) Met een onbep. w^s met of zonder/^. Moeten.
II Daer behoeven wi ons voer te waren, Neé.
Proza 130. Die behoeven grotelic toe \jt sien, dat
si . . niet meer verblindet en werden. Stemme»
113. In dese woestine behoevedi hier te wandelne
met mi, Sp. IV, 36, 9. Die riddere meiter
mouwen behoeft te hebbene groet geval , Lanc. III,
16313. Du hebste mi so die bedroghen , dat ie mi
wel hoeden voor di behoeve. Rein. II, 7310.
Onpers. — 1) Noodig zijn (ook in den 3den pers.
mv.). Met of zonder 3den nv. van den persoon. || Het
behoeft, dat ie dat wel hebbe geproeft, ^^.11*, 23,
280. Ander dinc dan grote tale behoeft, daer
mense {de stad) winnen sal, Limb. VII, 118.
Nu behoeft ons sekerlike, dat wi waren (/. varen ; zie
de gelijkluidende plaats , S^. IV' , 13 , 73) wgselike ,
Brab. Y. III, 1169. Ie saelt wel proeven met
lieden meer dan mi behoeven , Esop. IV , 8. Fergnut
behoeft dat hi hem wacht van des resen hameide-
kine, Ferg. 3632. Ie sal di helpen ghewinnen al
datti daer toe behoeven sal , Flor. 1420. Des sinxea
dages was al bereet tsinen bouf dat men weet
dat hem behoefde ten ridderscape, lAmb. II, 81.
Hens gheen dinc dat hem behoevet, dat men hen
laet hebben breke, Parth. 4074. Dat hem ware
slapen goet, ende hem een bedde wel behoevede,
631. Bedi segghic u te voren, dat n behoevet te
hondene mate, 3669. AI die chierheit . ., die
eneger bruut sonde behoeven, Beatr. 179. Als der
naturen mach behoven, Luctd, 1246. Dats dattes
749
BEHO.
BEHO.
750
wysheyt wel behoeft, MeUb. 881. Sech, waerof es
dijn geest bedrouft, datti te wandelne bebouft,
on. Lied. e. G. 490, 21. Hem beboeft gbestade
te syiie van talen ende van rade, Troyen, 3919.
Hem behoeft ende bederf, dat hi enz. , i^. 11'^,
23, 266. Zoo ook Stoke VIII, 179. — Ook met
den 3den nv. van den pers. en den 2den ny. der
zaak (ook door eene bep. met van nitgedrnkt).
II Daer ne was niemen , hy en hadde genoech dies
hem behoefde, Troyen 4300. Sy waren wel beboet
Tan dies hem behoefde in beiden syden, 4293.
Hem qnam ghenoech van over mere alles dies
hem behoefde, 2940. Bin enen sconen pauwelioen
hadsi des hem behoevede al, ParM.4331. TVies
haer behoeft, neemt erote ware, L. o. H, 298.
Van al dies u behovede best, PartA. 876. (Dat)
n iet ghebrect des u behoevet, 4738. Hi gaf hem
al dies hem behoevede. Flor. 499. Al dat gi
vraget ende mi behoevede van Cristns comst, van
siere dooi, Sp. II», 23, 327. Ie hope n noch meer
holpen hoeft, Lorr. 11,4343. Uw vader weetwale,
wies u behoeft, L. v, J. c. 43.
2) Met denzelfden overgang van bet. als by
bederven (zie ald.). Het is noodiff, het is nuttig,
het is goed, het is plicht, het past, het betaamt. ||
Het niet behouft, dat die heere knielt voor den
knecht, Amand I, 2285. Dat het altoos niet en
behoeve, dat menne te sente Pieters groeve die
sinen stoel maecte so root met so menechs menscen
doot, Sp. IV», 60, 77. Ie bringe u meere (^yV^tw^/),
die emmer geprueft moet sQn , ende die ons
sere behoeft te doene, want wijs selen genesen
van der doot, Blisc. v. M. 240. JE)aer was in den
scepe veel spise . . alse met conincs kinde be-
hoeft tsine, Flor. 1787. Dies hi gedaen had die
vard over zee , ende wel geproevet, also alset enen
ridder behoevet, Velth. I, 63, 8. Ons en behoeft
te lettene meer, Cass. 1048. Dat men vander
Drievoudechede dispntere daer ter stede, ende
ment bi scrifturen proeve wat best te gelovene
boeve, i^. III», 39, 13.
BEHOEVICH (BEHOVICH), bnw. Mnd. behovich.
Behoeftig, armoedig. \\^\ die den armen ghe ven en
selen niet behoevech sijn, Doet. I, 666 \var.i be-
hoeftich en benodicht). Van bnten snllen wy den
behoevighen te hulpe comen. Stemmen 66. Verlos
den behovige ende den arme. Es. Ps. 90r. Desen
vriende , die aldns zeer behovich is , ie en hebbe
niet dat ie hem mach voersetten, Bern. S. 26£r.
Den behoevighen te hulpe comen , Devoet B. (30) \\v.
BEHOEVICHEIT (behovichhëit), znw. vr. ; mnd.
Behovicheit. Behoefte, nood. || (Jezus) die daer
oeck mede screyende was in der wieghen ende
die alle behovichheden lidende was, die dejonghe
kindekens pleghen te Igden , Bern, W. 33^. Minen
mederidder, . . uwen aposter, ende een dienre
mijnre behoevicheyt. Es. Epist. 88rf.
BEHOEVINGE, znw. vr. Van *<?^<?r«i (zie ald.).
Armoede, gebrek, behoefte. || Vander behoevinge
of overvloedicheyt der humoren, Barih. 813«.
BEHOLDELIKE, BEHOLDEN. Zie behoude-
UKE, BEHOUDEN.
BEHOOLDEN, BEKOELDEN , BEHOOLT (be-
HOELT). Zie BEHOUDEN, BEHOUT.
BEHOOR (behoer^, znw. onz. Eig. stam van
het WW. behoren. Mna. behór.
1) Van behoren in den zin van passen (z. ald.
onz.). — 1) Datgene wat past, betaamt. \\ Dune heefs
niet in maten behore, Bincl. 236 (de woorden zijn niet
zeer helder. Misschien te lezen: Dune leefs niet;
behore is dan de 3de uv. van behoor, en maten de
2de nv., die daarvan afhangt; letterlijk dus: gij
leeft niet in betamelijkheid van maat, d. i. gij houdt
nooit maat. Vgl. het fr., Vad. Mus. 3, bl. 228).
Verstaet wel , Sone , dats u behoor , Mask. 609. — Na
behoor, naar behooren. \\ Doen ghevielt op enen
dach, dat si haer vesperen na behoer metten
nonnen sanc in den coer, Lutg. II, 917.
2) Van behoren in den zin van recht hebben,
(zie ald.). Wat iemand rechtmatig toekomt, wettig
toekomend deel. \\ Sint elke van u drien heeft s\jn
behoer, Mask. 1311. Daer bi eisgic gheheel treestoor
yerstwerf, ende daerna mgn behoor van dien dat
wi hadden te voren, 493.
BEHOORLIJC (behoerlijc) , bnw. en bgw.
Bnw. — 1) Oeregeld. \\ Dese siechede comen
omdat behorlike tide der blomen den vrouwen
gebreken, M. en Vr. Heim. 1123.
3) Betamelijk, passsend, gepast. \\ Daer en can
sy niet anders gewillen , dan dat sy meynt dat haren
gheminden ghenuechlic ende behoerlic is, Devoet
B. (30) lör. — Ook in de uitdr. Behoorlijc
8yn(enen), geoorloofd zijn, en met verandering
van ondw. mogen, kunnen. \\ Daer en is anders
gene name in den hemel, in welken name ons
behoerlic is salich te werden , Hs, 8Q /. 33 a.
BiJW. — Op eene geregelde wijze, naar behooren. \\
Dwelcke hi namaels heeft volbracht, als ghi be-
hoerlic sult vernemen ter plaetsen daer dat sal
betemen, Brab. T. VI, 1026.
BEHOORLICHEIT, znw. vr. Becht, bevoegdheid.
II Entie vooghdie van Elzaten met allen haren
behoorlycheden , Brab. Y. VII, 2662. Alrehande
personen hebben geen behoirUcheit te spreken in
den recht , non habent personam standi in judicio ,
Matth. 103.
BEHOORTE (behoerte, behoirte), znw. vr.
Kil. : concedentia , proprietas.
1) JTat iemand past, opgelegd is. || In der nacht,
alse men te mettenen Inudt, so comter daer IIII
oft V, diet doen moeten met behoerten, quibus id
facere incumbit, Ruusbr. 2, 188.
2) Wat ergens bij behoort, eigenaardigheid, ver-
eischte. || Syn tomekeel dat was van gonde ende van
kelen . . van X stukken, na syn behoirte, Orimb.
I, 4638. Soet haer best betame na haer scoenheit
ende behoerte, Blisc. r. M. 1728.
3) Beurt. Vgl. behoren, onz. 4). || Hi santse
inden Lybano tien dusent telcker maent bi be-
hoerten, D. B, 1 Kon. 6, 14. Die twee vaders
ghinghen bi behoerten, Vaderb. 218rf.
BEHOORT. Zie bohort.
BEHOPEN, zw. WW. ht^t.Eopen, verwachten. \\
De twee behopic zekerlic, maer van den derden
twivel ie, on. Ued. en Ged. 497, 189.
BEHORDEREN. Zie bohorderen.
BEHORDINGE. Zie beördinge.
BEHOREN. Ook in den samengetrokken vorm
BOREN (boeren, bueren), ZW. WW. onpers.,
onz., wederk. , en bedr. Mhd. behoren ; Mnd. behoren.
Onpers. — Het behoer t. Meestal met den
3den nv. van den persoon, of eene bep. met te.
1) Eet past, het komt overeen, het behoort bij.
Met eene bepaling mei te. \\ Hen behort niet tonser
lere tontfane die ongewillech es, Sp. I', 4, 46.
Fedra creech alsulken danck als dier (/. tier?)
saken bnert, MLoep III, 661.
2) Eet past, het voegt, het betaamt. \\ Ie wil doen dat
mybehoirt, Vad. Mus. 3, 11, 179. — Meestal met
een onb. wgs, ter aanduiding van datgene, wat
past of betaamt. || Coninc, ganc niet voerdere vort ,
want di niet te doene behort, Lanc. III, 3693.
751
BEHO.
BEHO.
752
Van minne boert my wael te spreken , die menich
herte heeft doen breken , MLoep 1 , 491. U en behoert
niet wel te verstaen, daer die mannen by wilen
gaen , IV , 1939. Des en boert hem ghene schande
te spreken f 385. Mi behort te verdraghene miin
mesyal, Lirnb. I, 910. Den borgermeeater behoirt
{te) wesen . . een besorghende man, Matth. 59.
Dair en behoirt oic niet toe te doen den eerwairdigen
rechter, 201. Dat njmant yan onss . . bynnen
desen verbonde annemen ende verdedingen sal,
dan dat nm mit rechte boert te done, N^jh. 3,
870. Dat hy hem verthoenen wonde, wat hem best
behoerde te doen, Ned. Proza 271. Hierom behoert
ons te glorieeren in den cmce ons Heren, 50.
Heer , mj behoert hier op eerst te antwoerden ,
Gest. R.f. 70*. — Ook met eenen af h. zin met dat. ||
Ist dat wy ons evenkersten minnen ghelijc ons
selven, so behoirt ons, dat wy ons vertornen van
haren sonden als van den onsen. Stemmen 63.
3) Het is nuttig, het is goed, dat. || Hem (den
mentch) en behoert niet allene te sine , Melih. 739.
4) Het komt toe^ het is het recht van. \\ Het
behoirt den ghenen trecht te interpreteren, die
recht te gheven heeft, Matth. 56.
5) Het is* mij opgelegd^ ik ben genoodzaakt ^ ik
moet. II (Ie) neme op mi de pine half voert, die
n int veghvier te doene behoert, Christ. 1483.
Hoe sonde dat moghen sijn, dat een meinsche
sonde werden gheboren van siere moeder, ende
hem behooren moeste te commene in haren lichame
anderwaerven ? Amand I, 4151. Daer na so be-
hoerde hem te lidene dor dat lant van Samarien,
L, V. J. c. 115. Alle dinc lidet si (de minne), dat
haer om der waerheit boert te Uden , Hs. 75 /*. 35rf.
Onz. — 1) Passen, bestemd zijn voor. \\ Oec behoren
si {boeren en kooplieden) ghemeynlike ten edelen
goeden hnwelike, dien God , die voersieneghe wise,
yerst maecte inden paradise, Teest. 3390. Ende hi
{Lucifer) ter pine enwelike moest behoeren, Segh.
5366.
2) Opgelegd zijn, noodzakelijk zijn voor, voor
iemand zijn weggelegd. Met den 3den nv. van den
pers. II Hoe dat znlken wiven behoert groeter
wee dan znlker , als wi lesen , alssi van kinde sal
ghenesen , Vr. Heim. 791. Bmeder Florent , martielie
en sal di niet behoren, dn behors ten confessoren ,
Sp. II*, 25, 20.
3) lem. toekomen, iemands recht zijn, hd. ge-
bühren. \\ Doen syt wael, so bnert hem danck,
MLoep IV , 12. Wy sonden wel hebben , dat ons
boort, 516. Of ghi den ghenen minnet, die n
minnen, wat danc boert u daer of, Hs. 71,Luc.Q,
32. Of ghi den ghenen gnet doet, die n weldoen,
wat danc boert in daeraf , ald. 33. — De onb. wijs
als znw. : mijn behoren, datgene waarop ik recht
heb, toat mij toekomt. \\ Daer gheeft hi eiken af
sijn behoren, Mask. 800. Daer soe wonde die
gravinne . . van Namen hoogher sitten gaen ter
tafelen . . ende meinde, het was haer behoren,
zij meende, dat het haar toekwam, Brab. T. VII,
2036. — Na sijn behoren, overeenkomstig zijn
loensch of zijn stand, Sp. IV», 47, 55 {Aanhangsel
Dl. 2, bl. 534; er staat: an sijn behoren).
4) Aan de beurt, aan de orde zijn. Vgl. bij
BEHOORTE 3). || Men las doen opten selven sondach
tes convents messe , als men plach , dees enwangelie,
want si behoerde, Imtg. III, 177.
5) wordt behoren gebruikt in opvattingen, die
zeer nanw aan de tegenwoordige beteekonis, be-
trekking hebben op, zijn verwant, nl.:
d) In den zin van te huis behooren. \\ Elck voer
I
dair hy behoirende was, Grimb. I, 5666 var.
Chierheit , die hi brochte voort ende in den tempel
hadde behoort, Rijmb. 34017. Nemmermeer en
wondi lof, daer goet man behoerde, Aiol-fr. 69
(ofte lezen: daert, en behoren op te vatten als
bedr.: vernemen, hooren? z. ald.).
b) Noodig, vereischt zijn,\\^w behoerter ^0^ dan
sinlicheit (d. i. overleg), op dattet lieve niet en
werde leyt, HLoep I, 2099. Wat hnlpe behoert tot
eiken grade, IV, 151.
c) Toebehooren, met eene bepaling met te. ||
Sone willic langer beiden niet tanevaerde dinc , die
behort te di, Bose fr. 255, 119.
d) Geheel in onze bet., maar in den samen-
getrokken vorm boeren, leest men behoren , Vad. Mus.
2, 372: II „Van den rechte, datter toe bort," en
„Up enech recht, datter toe bort."
Aanm. — Bnnsbr. 6, 218: „Wat behoren wi
yet meer ghetnghen;" moet gelezen worden: Wat
behoven, d. i. behoeven wi.
Wederk. — Hem behoren, passen, betamen.
Vgl. hd. sich geboren. \\ Doch wil ick spreken
daer van, daert hem behoert, soe ie naest can,
N, Versch. 4, 84, 17.
Bedr. — Hooren, vernemen. Zoo ook mnd. hs-
horen-, vgl. Lubben 1, 202*. || Wat behoric dit
van di? Ghef redene diere meyerien, ^«. r. 1348,
171c {Luc. 16, 2). — Vgl. onz. ba).
BEHORICH, bnw. ; mnd. behorich. Behoorlijk,
plichtmatig. \\ Penitencie te setten van des also hi
kent dat behoorich es, Amand I, 4390.
BEHOUDE, znw. vr. Hetzelfde als behout.^tiL
beholde. Vgl bederf en bederve, behoef en behoeve,
behoede en behoet.
1) Heil, redding, zaligheid. \\ Die bitterlikeo
sterven wonde aen een cmce om onse behoude,
Wrake III, 1851. Cristus quam om des voli be-
houde, II, 1054. — Ook gebruikt van een manL
persoon in den zin van behouder, verlosser. Y^l.
behout, beleit, bereit, enz. || Hoe men die niwe
wet houde van Jhesus , onse behoude , Lucid. 4221.
2) Bescherming , hoede. \\ Daer hi g-heme wesen
sonde, onder sijns zelfs broeder behoude, Stokell,
1041.
3) Veiligheid, veilige plaats, foevluehtsoord. ||
Sint ons onse goet altemale gheroeft was in den
wonde, waenden wi gaen in behoude ende sih
aldus verdoolt hier, Limb. I, 938. Dat hi ware in
sine behoude, Lane. IV, 4408. Heer Willem nam
dat ors snel ende voeret in sijn (/. sine?) behoude,
Orimb. II, 3172 {hij voerde het v^y). Zie over deze
bet. bij BEHOUT 6).
BEHOUDELIKE, -leke, -lake, -luc, -lec,
(ook in de meer of min duitsch gekleurde vormen
BEHOLDELIJC , BEHOELDELIJC , BEHELTELIJC) , bniT.
en bijw. (als bijw. ook behoudeliken); mnd. bekol'
delic; vgl. hd. vorbehdltlich.
Als BNW. — (?) II Hi magh up breken di brantmnre
ende lechen daemp voert sine mure ofi sinen ghevel
buten des anders scade. Dit is te verstane vu
beholdeliken steinwerke med leyen of med stiene
ghedecket, R. v. Zutf.QA:. — Het bnw. zal hierin
de plaats van het bgw. behoudelike staan met de
bet. van uitsluitend, evenals ook wij het bnw.
bloot gebruiken in plaats van het bijw. bloot, alleen.
Als Buw. — 1) VeiUglijk, op sijn gemak.\\T>sX
nyement binnen der ierster mylen of binnen der
ander milen behoudelyc die herberge nemen ei
mach , hy en moet voertgaen ter derder milen ende
nemen daer sijn herberge, Ned. Proza 204.
2) Vooral gebruikt in een absoluten nv., ia
753
BEHO.
BEHO.
754
de beteekenis van het deelw. behouden (zie ald.) ,
in welke opvatting het nu eens de beteekenis van
het deelw. behouden zelf aanneemt, dan weder als
voorz. met den 4den nv. voorkomt. Met behoud
pan, onder poonoaarde van te mogen behouden.
d) Als absolnte naamval, met den gen. of datief
verbonden voorkomende. 1 1 Hi ontfaerme dier keytive ,
die behondeliken haren live dier avonturen s^n
ontgaen, Alex, Y, 779 (Hê.). Dat si behoudelike
haren leven gheme die stat hadden opgegeven , I ,
937 (H*. ; Franck verandert op beide plaatsen , als
ook III, 892, behoudelike in behouden. Zie zgne
Inl. bl. XCII). Behoudelic der crucermarct alle
vrihede te ghebruken na den marctrecht. Leid.
Keurb. 84 , 69. Behoudelic den carten , privilegiën ,
vriheden, rechten ende costumen, die die voor-
leden keyseren . . den lande van Brabant . . ver-
leent hebben, Exc. Cron. 24a. Behoudelike der
letteren van den tekst, met inachtneming van,
D. B. Prol. c. Behoudeliken der overdrachten
sraets, R. v. Vtr. 1, 289, 8. — Ook meermalen,
evenals in het mnd., met den datief van den pers.,
ten wiens behoeve eene uitzondering gemaakt wordt
of voor wien iets wordt „gereserveerd." || Nadien
die rait eniger gevangen zake gesleten heeft, en
zei die steenwarder gheen gevangen houden voer
horen cost, behoudelic hem zijns steengelts, be-
halve alleen dat zij hem zijn ^s teengel t" betalen
moeten y R. v. Utr, 1, 344, 7. Behoudeliken eiken
pertiën onvermjnret hoers rechts, 237. Behoudeliken
der stadt hoerre waken in dien ghilde van dien
borgeren, 320, 199. Behoudelike Tydeman voerseit
alle sijns rechts van der husinghe, 2, 23. Be-
hondeliken . . horen man sire lijftochte, 105; enz.
b) Met een ace. verbonden , houdt behoudelike het
midden tusschen een voorzetsel en een deel van
een absoluten naamval, hetgeen hieruit blijkt, dat
men ook in dit geval, nl. bij behottdelike met een
4den nv. verbonden, meermalen nog een dat.
vindt, in uitdr. als behoudelike den tcipper sinen
eoit, behoudelike den amman sine core, en derg. ||
Die ghene die in die stede waren, gaven up die
goede stede, behoudelic lijf ende lede, Alex. III,
892 (zie bij a). Behoudelic sijn lijf, Matth. Jnal.
1 , 488. Behoudelic die cuer voirscr. , Leid. Keurb.
59, 25. Dat se hem de stadt opgaven behoudelic
haer leven , Exc. Cron. 88 a , 125 a. ; e. e.Behoudelic
der vischmerct (dat.) hore ordinancien, met in-
aehtnemmg van de ordonnancien der vischmarkt,
B. V. Utr. 1 , 274 , 27.
e) Verbonden met eene conj., nl. dat of of.
— a) Behalve, uitgezonderd, uitgenomen, met dien
verstande. \\ Behoudelake dien dat zij die straten . .
laten also wyt alse . . orbarlaec es , Oesch. v. Anttv.
1, 534. Behoudelick dat hierinne consenteren
tmeestedeel van den ingesetenen van derselver
stede , Inform. 75. So maecte de een . . pays metten
keyser met voorwaerden dat hi kersten werden
sonde, behoudelic dat men hem een deel van
Vrieslant gave, Exe. Cron. 90 b. Op sijn gelove
{eeretroord) mochte hi gaen daer hi wilde, be-
houdelic dat hi tsavonts thuys quame, 125 <;.
Behoudelike dat een ygelic barbier, die hoer ghilde
gewonnen heeft off winnen zeil, wal haer scheren
mach ende den luiden daerinne dienen, R. v. Vtr.
1, 318, 198. Behoudeliken dat zij, soe langhe zij
bnten mueren woenen , in onser stat raide niet ge-
koeren en zeilen werden, 320, 199. En zoo passim
behoudelic, -yc, -ike, -iken dat, ook
behonwelijc dat (Invent. v. Brugge 5, 518).
Behoudelic of zij arme kinder afterlieten, R. v. Utr. 1 ,
328, 212. Behoudelike offt sake ware datter een
buerman . . so zware tymmeren wonde, O. R. v.
Dordr. 1,S09, 4. Behouwelic, waert sake dat, met
foeglating der voorwaardelijke conjunctie, 2, 11. —
Ook absoluut gebezigd. || Behoudeliken {maar,
doch) tot wat tyden dat sinte Victoir opten
vrydach coemt . ., so selmen die merct op sinte
Victoirsdach inluden, O. R. v. Bordr. 1, 305.
^ Mits, behoudens dat, onder voorwaarde dat. lu
deze en de vorige bet. is het woord behoudelijc
eerst voorzetsel geweest met een 3den nv. {be-
houdelijc dien, zie de eerste aanhaling bjj a) en
daarna (met de relat, partikel dat) voegw. ge-
worden. Zie Tijdschr. 2, 195 vlgg., vooral 198. ||
Behoudelic dien . . dat hi hen oec sonde sweeren
sekere poente, Brab. T. VII, 495.
Aanm. — Dat men zich zelf niet altijd bewust
was , met welk soort van woord men te doen had,
bewezen vreemde constr. als: || Behoudeliken der
stat haer broeken alleen te behouden, R. v. Utr. 1,
324, 5. Behoudelic des waert zake (behalve voor
het geval) datter yet van den haiken, lederen
eymeren oflf oysvaten , verloeren off gebroiken worde ,
340, 7. Behoudeliken nochtant die oude over-
drachten ... in hoerre machten {van kracht) te
bliven , 341 , 225. Behoudelic anders die voerover-
drachten in hoerre machten te bliven , 344 , 230 ; enz.
BEHOUDEN (behouwen, Spreuken 95; Altd.
Blatt. 1 , 76); ook in de duitsch gekleurde vormen
BEHOLDEN, BEKOELDEN, st. WW. bedr. eu wederk.
{behilt , behielt of behelt , deelw. behouden). Behouden.
Mnd. beholden, behalden. Mnd. behalten, behalden.
1) In bet. ongeveer gelgk aan de tegenw. op-
vatting van in het bezit blijven van. — Iet be-
houden, redden , bewaren , behouden. \\ Die sorghe
hiet hem behouden tlijf ende keren te lande
ende wesen blide, Flor. 2155. Die list was emmer
goet ghevonden, daer sy hoer eer mede behilt.
Het is emmer een edel schilt, daermen bij be-
houden mach eer, lyff, goet, op enen dach,
MLoep II, 3288. Die paden, daer hi sijn lij ff
mede behelt, I, 1540. Daer si oic mede haer
eer behilt, II, 3749. Dus brocht ie Isegrijn in
dwalen, dat hi nauwe sgn lijf behelt. Rein. II,
4106. — Behouden cost (tegenover cost ver-
loren, d. i. moeite voor niet) , niet te vergeefs ; moeite ,
die beloond wordt; werk, waarvan men ds vruchten
^/w/t^. II Wat wy worme vol stinckender souden daer
deur doen, es al behouden cost, Sacr. 974. — Het
deelw. behouden als bnw. in de bet. veilig.
Vgl. onze uitdr. in behouden haven. In de uitdr. :
doen, houden in behouden (behouder)
hant, in veiligheid brengen, bewaren. || Dat daer
boven blijft van dien jare, dat sal die deken
houden in behouder hant tote der papen behoef.
Mieris^ 2, 234 a. Ende ie u dede in behouden
hande , Segh, 281.
2) Redden, beschermen, verlossen. || Hem dinct
dat hi raets behoeft ende list, hoe hine behouden
mach, Elor. 1395. Du gheessels ende du behouds
mede , du gheefs na rouwe vrolichede , 12f;»i*. 15881.
Joseph , die Egypten behelt , 3267. Ende behouden
onse ziele van lede. Franc. 5988. Halewi tot
ons van Sylo die arke . . ., ende dat si ons be-
houde vander vianden hande, D. B. I Sam. 4, 3.
Wat salie segghen: Vader behout mi van deser
uren? Es. 71, Joh. 12, 27. Es hi Gods sone.
God behouden , Buusb. 5 , 229. — Ook in de thans
niet meer gebruikelijke uitdr.: enes lijf be-
houden, iemands leven redden, iemand in leven
laten. \\ Tilike namen die ingle den man ende sine
755
BEHO.
BEHO.
756
dochter . . ., om te behoudene haer lyf, Rijmb.
1893. Princen diene npnemen sonden ende hem
sgn lijf behouden, 29161. Pharao behilt hem
tleven, 3536. Dat sise gherne copen sonden met
scatte ende haer Ijjf behouden, Flor.3Q34t. — Van-
daar ons lijftèeAimd. — In plaats yan e nes
Igf behouden yindt men ook enen behouden
gebruikt. || Hi seidem wat hi hadde mesdaen , doe
behilden sine, Bijmb. 17549. — Het verl. deelw.
behouden gebruikt als bnw. — a) zalig (vgl.
onze uitdr. behouden blijven). || Al te male die
joetsche scare blgft dan behouden, Rijmb, 10146.
Bi desen woorden wilmen al ghader segghen, dat
Salomon si behouden, qitod *alvuê til Salomon^
10166. Eist dat wi willen sijn behouden, so sullen
wi behouden bliyen, 29334. Die ghemeene wech
in den hemel, dien alle kerstene mensce yan node
houden moeten, die behouden selensiin, Ruusb. 3,
197. Soe wie behouden wil sijn enae comen int
ewighe leyen , 239. — b) In levenden lijve , gezond
en wel (ygl. fr. tain «^ sauf). || Si waren blide
yan haren maghen, dat sise behouden comen
saghen. Flor. 179.
c) Met een ww. yerbonden, heeft behouden de
bet. yan ons toeg^ eig. in veiligheid.Ygl. Gr. o»/ojua»,
ik ben weg ^ ik ben veilig. \\ Alexander heyet ghe-
beden, dat si hem water wisen souden, maer si
schuulden alle behouden, Sp, I*, 44, 36. Voor*»
tchuulden behouden is de gewone Mnl. uitdr. si
sehuulden in haer behout. Zie bij BEHOUT 6). —
Oyer het deelw. behouden in den zin yan ons
yoorz. behoudene zie het yolg. Art.
3) Beschouwen, bezien. Vgl. Eng. fo behold, en
beneden 4 a). || Die mouwe mjjn die is gheseten
ten slinkeren hoecke yan den scilde, omdat hise
behouden wilde, Segh. 4928 (Hs. scouwen). Omdat
hise behouden wilde , heeft hise aldaer gheset , 4936.
4) wordt behouden gebruikt in yerschillende op-
yattingen, die meer of minder oyereenkomst hebben
met ons ww. houd-en.
a) Verbonden met een deelw. of met de yoorz.
vore of over, is het geheel geiyk aan houden. \\
Hoe hyt mach doen yoort gaen ende staende be-
houden, JTrake III, 1377. Dat menne levende be-
houde, Lorr. II, 3871. Die de tafelen altoes staende
behilden, Ruusb. 1, 107. Vor waer soe magie nu
wel behouwen, dat mi seide die ingel soete, ,,ik
mag voor waar houden , als waar beschouwen , Blisc.
V. M. 1633. Vgl. bg 3). Tcruce . . . ende ooc die
twee clare zwaerde . . . behouden wi sekerlike
noch niet oyer elfs gedroch. Franc. 7354.
b) Houden, vasthouden, gevangen houden (ygl.
beoripen). II Si waren inder vrouden ende hi in
die helle behouden, Sp. III», 31, 91.
c) Hottden, tegenhouden, terughouden, doen blijven. \\
Floris seide, no scat no have no goet ne gheen,
dat men hem gave, ne mochten int lant niet be-
houden. Flor. 3936. Als si oec gaen wonde inde
wustine . . , so en constse nieman ten dien male,
die leefden op ertrike, behouden wale , Christ. 1611.
d) Houden, in eer e houden, vieren, heiligen.
Verkeerde vertaling van lat. observari. || Behoude
den Saterdach, dattu en heylighes, 2). B. Deut.
5 , 12. Behoude die maent der niewer vrachten ende
des eersten tgts van der lenten, 16, 1.
e) Houden, meester blijven van , in bezit houden. \\
Die coninc doe was van Basan, dien sloghen si
ghenendelike ende behilden sijn conincrike , ÜSi/md.
6008.
ƒ ) Houden , volhouden , gestand doen , volbrengen. \\
Gi selt oec behouden wale uwen eedt , Rosé 10223.
Die coninc hi quam selve yoren . . omme te be-
houdene sgn ghelof , Wal. 2261. Behoude ende hore
(prothusteron) al dat ie di bevele , opdat di wel moet
siJn ende dijnen kinderen nadi , D. B. Deut. 12 , 28.
g) Houden, volhouden, staande houden, jj Ten
weer dat hie dat mit sinen ede behoelden wolde,
dat hie an der deernen gien scholt en hadde, R.
V. TJtr. 1 , 142 , 14. Daer hi dat an den heyligen, met
een eed op de reliquien, behoelden wolde, Stadr.
V. Zwol 142, 239.
h) Geiyk aan het intrans. houden, d. L stil
houden , halt houden (vgl. ons half). \\ Doe quam
een knape ten mure , die vrachde , wat si behilden
dare? doe seide Keye saen daer nare: vrient, wi
willen herbergen nu, Lanc. III, 19728.
t) Geiyk het wederk. zich houden, in de uitdr.
behouden an enen, zich aan iemand vasthouden
(in fig. zin). || Wy sullen hem ende zgnen erven . .
behulpelic . . wesen in allen saiken, dersyanons
gesynnen ende behouwen, Nijh. 3, 105 (a. 1382).
5) Iemand onderhouden, steunen. In het passiei
behouden worden, in zijne eigene behoeften
voorzien, zich generen. || Zo wye behouden wort,
tsy wijf of man . . in vileyneghe manieren, ie . .
saJse doen punyeren, ZVl. Bijdr. 6, 234, 249.
6) Verkrijgen, winnen, ontvangen. || Hi hadde
te voren een wij ff ghehadt, daer hi twee sonen
aff behielt, MLoep III, 556. Wat ghi bidt van dier
wile, ghi behoudet sieippands, O. Intern. 63. —
Aanm. — Over de uitdr. behouden ti)t, die
wel bedorven zal zijn, zie by bebinden.
Wederk. —1) Zich staande houden, zich overeind
houden,
a) Eigenlijk. || Hem quam soe groten rouwe toe ,
hine mochte hem niet behouden doe sittende
in syn gereide, hine vel in onmacht, Lane. IV,
4859. (Hi) decte hem onder sgn scilt, daer hi met
sorgen hem behilt, Parth.fr. 1.
b) Overdrachtelijk. ^<f^ volhouden , het uithottden. ||
Overmits dat de korting van den Engelschen zoe
zwaer zijn, datter de dnipenierders hem qualickes
aen behouden mogen, Inform. 338. Omme dat de
brouwerijen alomme vermeerderen ende vermeni-
ghen , ende dat de brouwer hem scerp (d. i. nausve-
lijks) daeran behouden mach, 476.
2) Zich redden, zich beschermen. \\ Si laten hem
van der rochen vallen ende behouden hem jeghen
den val op hare horne. Nat. BI. II, 2025. Liet
een mensche een conincrike ende alle die werelt
bi na, ende hem selven behelde, soe en hevel hi
niet gelaten , Ruusb. 3 , 47. — Over de verwantschap
in beteekenis tusschen hoeden en houden, zie bij
die woorden.
3) Zich onder hotiden , zich ophouden. \\ In duwieren
of in riede behilden hem die goede liede, dat
hem tcoude niet mochte deeren. Brand, 603.
Aanm. — D.B. Jerem. 52, 6: „opten neghenden
dach vander vierder maent so behielt die hongher
in die stat,^* is eene verkeerde vertaling van Lat:
obtinnit fnmes civitatem.
BEHOUDEN (ook behoüdent) , eig. verl. dedw.
van behouden in den zin van bewaren, behouden
(zie ald. 2). Gewoonlyk verbonden met een 2de-B
of 3den (ook 4den) nv. , waarmede het dan een casus
absolutus, d. i. eene bijwoordel^ke uitdrukking,
vormt. Het bet. eigenlijk met behoud van, en be-
antwoordt aan ons voorz. behoudens, schoon met
eene veel ruimere opvatting , daar het de bet. heeft
van behouden zoowel in den zin van blijven bezitten ,
als in dien van voor een ander bewaren. Het kan
dus ook beteekenen zonder te krenken, te kort te
757
BEHO.
BEHO.
758
doen aoHy inbreuk te maken op. Lat. M/9o;fr. iauf.
1) Als deelw. — a) In eig. zin. Met behoud van ,
zmder ie verliezen^ behoudene. \\ Dat si die stat op
gouden gheven behouden goet ende leven, Ferg.
4239. Behouden minen live ende miere eren ne
mach ie sonder hare niet wederkeren, Flor. 2130
(wanneer ik mijn leven behoud^ en ik in het
beait mijner eer blijven wil, kan ik niet zonder
haar terugkomen). Lanceloet antwerde dar toe,
dat hi gerne sonde doen alsoe behouden siere
macht ende sire eren, Lanc. II, 22160. Behouden
sijnre heerlichede, soe hoert hi gheerne stjnre
vrouwen bede, Hild. 216, 161 {wanneer hij zijn
aanzien er niet door verliest). Behouden uwer
werelt eren, Lanc. II, 39954. Behouden ere ende
den live, III, 1065. Behouden harre alre leven,
20334. Behouden onse (/. onser) eren, Grimb.
I, 1793. Behouden mier eren, Parth. 4204. Be-
houden siere eren, Vad. Mue. 2, 284, 689.
Spreec emmer dinen viant wel, ende wes hem
in doene fel, behouden (met inachtneming van)
trouwe ende waerhede , Nat. BI. III , 473. Behouden
alder eeren, MLoep II , 1278. Behouden lij£f ende eer ,
1323. Behouden der eeren van dinen state,
gravitate eervata, Sp. I", 36, 126. Doot hebbic
liever, de doot (/. ere) behouden, dan levende
dorper sijn gescouden , Flandr. I, 788 (vgl. de Aant.).
Behouden sijns lijfs, C/l^^ 142. Behouden haer heer-
lichejrt, Exc. Cron. 122c. Pelgrimme, die van daer
comen, waer sy vredelyc ende behouden deshoers
herbergen mogen , Ned. Proza 202. Behouden haren
termine, met behoud van , d. i. binnen hunne grenzen ^
Brab. Y. Dl. 1, bl. 695. 6anc nu ende soke enen
ghetrouwen man, die mitti gaen mach behouden
sijns loens, toel te verstaan voor loon^ D. B.
Tobiat 6, 7. — Ook met toevoeging van den
persoon, voor wien iets gereserveerd wordt. Vgl.
BEHOUDELIKE. || Behoudeu die (/. den) heer ende
partyen hoers rechts , O. R. v. Dordr. 1 , 351 ,
169. Behouden eiken man sijn lyf, Yelth. V, 8,
71. — Zoo meermalen behouden den scout
siere boeten, en dgl. — Behouden dijns
V redes, zonder uwe goede gezindheid te verliezen^
met uw verlof. \\ Nochtan bid ie u, seg mi, be-
houden dijns vreeds, wat rekenstu meerre, te
Bchinen ofte wesen ? D. War. 6 , 199. — Behouden
dinen goeden moet, hetzelfde. || Op dander
redene . . , dat ghi segt , die wive s^jn quaet ende
dat men ghene en vindet goet, behouden uwen
goeden moet, soe antwerde ie, lieve here, dat ghi
messegt alte zere, Melib. bil. — Behouden
t s y n 8, met behoud van het zijne , zonder er iets bij te
verliezen. |) Soe wye den bosen mach verdriven
behouden ts^jns, die is wel ontladen, Hild. 193,
108 (de verklaring in het Gloss., alsof tsijne zou
z^n het znw. cijns, in den zin van A^on, is onjuist.
Vgl. boven Ned. Proza 202: behouden des hoers,
en zie straks bij 2).
b) In den zin van zonder te krenken, te kort
l£ doen aan , inbreuk te maken op , in welke uitdr.
behouden dus verbonden wordt met eene zaak , die
van een ander is, die iemand anders
toekomt. || Dit willic spreken behouden der eeren
van Rome, Nat. Bl. III, 1953. Behouden der
kindere reeht, Sp. IV ',46, 148. Behouden uus ge-
bods, Blisc. V. M. 2128. — Zoo ook in de uitdr.
Behouden uwer bede, zonder uw verzoek in den
wind te slaan, met uw verlof. \\ Helich vader, be-
houden uwer bede biddic hu, dat ghi mi verlaed
(/. verlaet), met uw verlof, ik verzoek u, dat gij mij
daarvan vrijstelt, daarop niet aandringt, Amandl,
2201. — Behouden hare woerde, zonderaan
hun woorden te kort te doen. \\ Aertrgc is . . breet in
sinen omganc . . . 20425 milen, nae dattie oude
wise segghen; mer behoudent hore woerde, ie
meent meer is ende groter , Mandev. f. 45a.
2) Als voorzetsel, in den zin van zonder. \\
Behouden de vrienscap van den heere, so zal ie
zelden vruechden plien; slevens zal mi verdrieten
zeere, OVl. Lied. e. G. 406, 86. Es men hem
mesdadech sere, wese ghenadech te mere, mach
hijt doen behouden vare, zonder gevaar, salvo peri-
culo, Sp. I', 43, 17. Stucken, die men willechlike
geeft, ontfaet een dankelike, maer gifte en es wart
eens poitevins, die men gevet behouden tsins,
Bose 2220 (var. sHns ; Sijns is hier de 2de nv.
van hi. Hier moet das evenmin als boven by Hild.
193, 108 aan het znw. cijns worden gedacht. De
bedoeling is : Eene gift die men geeft tegen zijnen
zin (tegenover willechlike). Er staat eigeniyk zonder
zich zelven, hetgeen het best kan wedergegeven
worden door het fransche malgré sot).
3) Met een voegwoord verbonden: behouden dat,
mits dat, onder voorwaarde dat, in welken zin ook
gebmikeiyk is behoudelijc dat (zie ald.). |i Ie scelde
hu de gheheele prondele (rekening) quy tte , behouden
dat ghy vulcomt hu woort, Ned. Kluchtsp.92,Q4k.
BEHOtJDENESSE, znw. vr. Van behouden (zie
ald. 2). Bedding, behottd, zaligheid-. \\ Dieghelovet
ende diemen doept, te behoudenessen hi coemt,
Sp. V, 39, 84. Die hermite sprac die messe om
des jongelincs behoudenesse , I', 86, 101. Omme
der zielen lichtenesse ende om ons selves be-
houdenesse, Benkm. 3, 110, 259. Van behou-
denisse hairre zielen, Matth. 31. Qhebenedyt si
die Here ende Got, . . want hi op heft gherecht
den horen van onser behoudenesse, L. v. J. c. 7.
— Spieghel onser behoudenisse, titel van
een boek uit de 15de eeuw; lat. speculnm salvationis
nostrae. — InGodsbehoudenessevaren, Gods
zaligheid ingaan, naar den hemel gaan, zalig worden. \\
Hi sciet van mensceliken levene . . ende voer in
Gods behoudenesse in Sporcle upten XlIIsten dach,
/^.IV«, 72, 48. — In die behoudenesse sgn,
zalig zijn, de hemelsche zaligheid genieten. \\ Hi
hadde berou voer sine doot ende es in die be-
houdenesse, I', 74, 122.
* BEHOtJDENICHEIT. Zie behoudicheit.
BEHOUDERE (behouder), znw. m.; vr. be-
HOUDERSE, -ERSSE. Mnd. beholder; mhd. behaltare.
1) Hij of z^ die beschermt, behoedt. \\ Der stede
van Cathenensen behouderse , de beschermvrouw van
C, Pass. W. 12b c.
2) Bedder, redster. \\ Onse Vrouwe, onse vorspre-
kerse , onse getrouwe behoudersse der werelt ghe-
mene, Sp. IV», fr., vs. 103. Pharao keerde
Josephs name , ende heten . . . die (/. den) behouder
der werelt , B. B. Gen. 41 , 45. — Vooral gebruikt
van Christus, drcn heiland, den redder der wereld;
Lat. salvator. \\ Dattie behouder openbare van eenre
maghet zoude zyn gheboren, Lsp. II, 5, 126. Dat
in die stat te Bethleem die Behoudere gheboren
ware, Bijmb. 21322. Van onsen Behoudere Jhesus,
21859. Sibilla hadde ghepropheteerd, dat die be-
houder sonde gheboren worden. Pass. W. 131c.
Hoe se (die deugden) Christus , onse behoudere , in
al sinen levene geoeffent hevet , Ruusb. 1 , 25.
— Sinen behoudere ontfaen, het Heilig
Avondmaal gebruiken. \\ Galaat knielde daer naer ende
ontfinc sinen behoudere daer, Lanc. III, 10485.
BEHOUDICH. Zie het volg. art.
BEHOUDICHEIT, znw. yr. Behoud, redding. ||
759
BEHO.
BEHO.
760
Hoe dat hem elc sonde bekeeren ter duecht ende
ter salichede Tan der eeweliker behoudicheden ,
Amand I, 4011. Men sal dien sijn hovet swert . .
tvoerhoeft ende slaep salven daer mede, ets hem
grote behoudenichede , Nat. BI. X , 659. Men leze
behoudichede , zooals eene variant beAindecAede
bevestigt. Yan beAout kan een bnw. beAoudicA, en
daarvan een znw. beAoudicAeit komen, maar be-
AoudenicAeit is onzniver gevormd.
BEHOUDINGE (beholdinoe , beiioeldinge in
de oosteiyke dialecten), znw. vr. Mnd. beAoldinge\
mhd. beAaltunge. BeAoud^ redding ^ verlotsing ^ zalig-
Aeid. II Du biste mijne gloryeringhe , du Jhesu,
behoeldinghe der werelt , mundi talvatio , G. Groote
95. Nu es behoudinghe ende doocht ende trike ons
gods ende die ghewout siins Christi, Openb. JoA.
12, 10.
BEHOUT (beholt, behoelt, in dnitsch ge-
kleurde stukken), znw. o. en vr. Het vr. geslacht
bijna uitsluitend in de bet. van ra/»^^'^^ , in welken
zin beAout het geslacht van beAoude schijnt te
hebben aangenomen. Mnd. beAolt^ beAalt (welke
vorm ook in het Mnl. voorkomt in dnitsch ge-
kleurde geschriften); mhd. beAalt. Vgl. Huyd. op
Stoke, Dl. I, bl. 449 vlg. en behouden.
1) Levensond-erAoud^ datgene wat dient om zicA te
beAouden , d. i. m Aet leven te Aouden. \\ Dat ten scatte
was die ghone ende namer uut te sinen behoude
III"* maerc van finen goude, Sp. IV*, 29, 88
(voor eigen gebruik'^ Hist. Schol.: Tria milia auri
talenta Hircanus levavit de sepulcro David). Die van
binnen hadden tfulle te harre behout, maer dat
hem ghebrac zout, ende waters hadden si clejne,
Rijmb. 28632.
2) Het beAouden blijven^ Aet ontkomen aan een
gevaar, r^^^tn^. || Dus voer elc om sijn behout, al
waren si te voren stout , Velth. II , 51 , 81 {ied^er
zag om een goed Aeenkomen^"* zooals Le Long te
recht verklaart). Die bliscap dreven menichfout van
sijnre coemste, van sijn behout, Stoke II, 1287.
Ende so henen om sgn behout toten coninc van
Bytine, Sp. I*, 42, 24. Maar mijn leetsman . . .
trac mi na hem int behout, lY', 60, 67 (hij
trok mij naar zich toe , om mij te redden , tot redding).
3) Bij uitbreiding. ÏTftV, geluk , zalig Aeid. || Omme
die vrouwe hoghe , daer ons af quam onse behout ,
Wap. Mart. I, 968. Dus spreect die waerheit, onse
behout, RiJmb. 122 (d. i. „ Dit zegt de Schrift ,
onze zaligheid"). In minnen settic mijn behont ende
mine gewout in hare hande, Hadew. 1, 122, 5.
Hi es mechtich hen ... te gevene tweevout,
die in hem hopen hare behout, Sp. 11^, 51, 30.
Dus ginc hi in z^n behout, quite gescolden van
der scout (zoo werd Aij gered), Franc. 9397. —
Hem selven int behout doen, zicA zeluen tot
zalig Aeid brengen, voor Aet Aeil zijner ziel zorgen.
II Verhuede di selven met gewout ende met Gods
genaden ; doet di selven in dbehout , Vier de Mart. 470.
— In die Gods behout comen, varen, de
zalig Aeid Gods ingaan, naar den Aemel gaan, zalig
worden. Vgl. bij beiioudenesse. || Wel XLIII
jaer hi besat den stoel van Riemen in de stat ende
voer in die Gods behout alse hi XC jaer was out,
Sp. III', 33, 73. Laet mi selke ghenade ontfaen,
dat ie come in dijn behout, daer di (/.du) ordeel
gheven sout, Vad.. Mue. 2, 403, 14. — Ook van
een persoon gebruikt in den zin van beAot^der,
evenals men ook nu nog zegt: God is onze zalig-
Aeid. Vgl. BEHOUDE. II Hi die mach vergeven sonde,
dat es Jhesus, onse behout, die afdede onse scout,
Lucid. 4397. Van der reinere Marien live was
Christus gheboren, onse behout, Rijmb. 21352.
4) Vooral in dê uitdr. in (sijn) behout doen,
voeren, en dgl. (zie behouden 2). Bewarvig,
bescAerming , Aoede. || Hi dede den baec in snn behont,
Hild. 60 , 154. Wyen hi vint in karitaten , dien neemt
hi selve in sijn behout , 121 , 127. Oeck sonde hi
des sloetels nemen goem ... of wyemen best be-
velen mochte, of selve doen in sijn behout, 166,
216. (Hi) nam den roef ende voerdene in behont,
Merl. 20740. (Hi) beval hem die coninginne . . ,
dat sise in behout voerden, 28177.
5) By uitbreiding. MacAt, AeerscAappij , bezit. || Dat
hi belopen sal die stat, entie Romeinen met ge-
wout onderlopen haer behout, dat si aldus al die
stede . . . dwinghen sullen ende alt lant, Sp. !•,
30, 24. Der vrouwen bleef in sijn (/. haer)b€hoat
tGraefscap . . . van Lovene , Grimb. 1 , 290. Haddi
mi in sire behout, hine gave mi omme gheen
fout, Ferg. 1921. Se ven planeten . . . ende
aertoe twaelf tekin . . . , dese hebbent al in
haer behout. Wint. e. S. 663. Eenen sommier met
goude root . . , u wijf heeften in haer behont,
SegA. 9828 var. (tekst bandoen). Het en sccen ne
ghene ghelike, dat Honoriuse iet soude bliven in
sinen behoude, Sp. III*, 14, 72 (A^t leek erniet*
naar, dat Honoriiu iet* in zijne macAt zovdi
Aouden). Deen hiet Arnout, enten ghonen liet hi
Vlaenderen int behout, IV», 56, 50 {hij liit
Aem de AeerscAappij over Vinanderen imt; eig. VI.
in AeerscAappij). Hier es Emout quite ende vri in n
behout, PartA. 7262. Si gavent den kinde in sp
behout, in eigendom, om te Aouden, Hor. Belg. 10,
21. Die sal hebben in sijn behalt mate, die moet
matig Aeid in zicA Aebben , inAouden , MLoep II , 2096.
Die duvel . . neemt die ziel in sijn behout, Hili
163, 114. Selve blijft hi int behout, 184, 62.
(Armoede) es sekerst int behont, Aet veiligst in iH
bezit, vor rovers sonder hoede, Wap. Mart.l^Tih
var. Weder es sekerst int behout, rgcheit so
aermoede, 769. In onse macht, in onse behont >
Lsp. II, 36, 1695. Alse gise {de Rosé) hebt in n
behout. Rosé 9377. (Si) hadde ooc in haren be-
houde ghecreghen die stat van der Goude , Brah. T.
VII, 16529. Indien wy hertoge . . Willem ende
Hermen ... dat geit van den vurscr. koep be-
tailden in hoer vrij seker behaldt, in ongestoord
bezit, om het veilig te bezitten ,^'^. 4, 117 («. 14341
5) Ook in concreeten zin. De plaais , waar «^
iemand in zijne macAt Aeeft, vooral in den zin van
gevangenis, kerker (vgl. DANGIER), en in de uitdr.
in sijn behout doen en dgl. || Als de verraders
dit verstaen, waren si te blivene niet bout, ende
wildene voeren in haer behout , Stoke V , 30. De
Coninc dede al te hant de ghevanghene in sgi
behout, III, 1160. Soutstu twivelen ofte ontsien
hem tontfane in dijn behout, die di ende mi w
menichfout, ghecreet heeft ende ghestoort, Uf-
II, 36, 1608. Nu biddic ju sere dat ghine doet
vaste in ju behout. Wal. 7414. Hi hiet mi siae
rudders vaen ende doen vaste in sijn behout, 5590.
Die joncfrouwe, die haer vader he vet ghedaen indei
casteel . ., over dese riviere, in sijn behout, 5779. D«t
f hine leit in u behout ende besloeg^t vaste die
ore ende leidter uwe hoeders vore , Lsp. II , 36, 923.
6) Met een bezitt. voomw. verbonden neemt behf^
de beteekenis aan van veilig Aeid. In sijn behont
s ij n , eig. in zijne eigene macAt zijn , meester zijn oeet
zicA zelven , d. i. t» veiligAeid zijn. Alleen van het
voorz. in afhangende, en meest met de ww. brenge» en
leiden verbonden. Enen, iet in syn behont
brengen of leiden, bet. dus: iemand, iets *^
761
BEHO.
BEHO.
762
veiligheid brengen. Vgl. bg 4). || Doen dede die keyser
dfter ter stede leden daer . . die Cardenale in haer
bebout , met gewapender hant tot in baer herbergef
Velth. V, 36, 68. Om Gode biddic u, dat gi mi
leit in mün behout na, Lanc. II, 6161. Gode beval
bgt al gneel die dinc, ende trac in sgn bebout,
Sp, III*, 11, 42 (keizer Honorius trok zich terug
(\ran de regeering)). Gi daedt ons keren beden bier
ende biet ons varen in ons bebout, Cms. 967. Ie
«d u nadat bringen in u bebout, Zan^r. 111,25467.
Ine beesebe u niet mere, dat gbi mi in mijn
bebout leit nu, II, 11677. Dat gi in min bebout
leit mi, IV, 4691. Soe brocbtene weder in sijn
behout, Sp. I'*, 43, 71. firenct men die ziel in
haer bebout (zorgt men voor de toekomst der ziel),
8oe beeft elck sijn toebeboren, Hild. 106, 82.
Eer hi ware in sQn bebout, Stoke iy,1289. Onse
scade es al te groet, ende si siin in bare bebout,
Hmb. II, 1248. — Op verscbeidene der boven-
genoemde plaatsen kan men in sijn bebout bet
best wedergeven door bet by w. loeg. Die weg is , vóór
dat er gevaar komt, is in veiligheid. Door deze
opmerking wordt tevens verklaard de uitdr. Be-
houden scbulen (Sp. I*, 44, 38), die niets
anders beteekent dan wegschuilen, wegkruipen. Zeer
duidelyk big kt deze bet. weg ook op de volgende
plaatsen. || Die van Waerloes waren gereden in
haer bebout, eer si daer quamen, Velth. IV, 69,
60. Sine wapen dede men int bebout (borg men weg)
ende sijn ors was geleet opt stal,2'7a»^/r. IV, 110.
Hi vlo in sgn bebout, Stoke II, 1052. — Hem
in sgn bebout doen, zich schuil houden, zich
weg maken ; eig. zich in veiligheid brengen. \\ In
hare bebout baer Brunilt doet, i^. III', 54, 34.
7) Bij uitbreiding ook in concreeten zin. De
plaats waar men veilig is, schuilplaats, toevluchts-
oord. Vgl. onder 5). || Ende elc bere sere vervaert
trac te sinen beboude waert, Sp. I*, 33, 32. Die
rovere die ontvaert tote sinen beboude waert.
Nat. BI. II , 3544. Te baren tenten , dat si quamen,
in baer slote, in baer bebout, Qrimb. II, 5553.
Op enen bercb in een wout, daer wildi sijn in sijn
behout bedectelike , Lanc. III , 21965 (daar wilde bij
zich schuil houden ," mnl. „ behouden schulen "). Ook
op deze plaatsen geeft de vertaling door bet bij w.
weg een goeden zin.
BEHOUWEN (behauwen), st. ww. bedr. Mnd.
mbd. behouwen. Het transitieve houwen. Van bout en
steen, en bij uitbr. van alle gewrocbten der beel-
dende kunst. Behouwen (vgl. ons onbebouwen),
bewerken, bearbeiden', (een beeld) houwen. \\ Soe laet
ons lieflijc ane scouwen al dat (overal waar) nature
can bebouden (/. bebouwen) ene beelde na baer
(Maria's) gbelike, Vad. Mus. 1, 350, 15. Steenen
te bebauwene, Invent. v. Brugge 6, 331. Wagenscot
te bebouwen, Rek. d. Buurk. 63. Van rafteren
(ruwe planken) ie bebouwen, ald. 117. H. ende
W., dLie die bort reebten ende bebiewen ten
zagbenne. Bek. v. Zeel. 2, 352.
BEHOUWEN, betzelfde als behouden en als
BEUUWEN. Zie ald.
BEHOVE, BEHOVELIKE, BEHO VEN. Zie
BEHOEVE enz.
BEHUDEN (behueden, behuyden), zw. ww.
bedr. Niet te verwarren met behueden, andere
schrüfwijze voor behoeden (zie ald.). Mnd. behuden ,
dat door Lubben verkeerdelgk als één met behoden
(behoeden) wordt beschouwd. Zie ald. 1, 198^.
Vgl. HU DEN en Taalk. Bijdr. 2, 96—101. Ver-
bergen, wegbergen, wegstoppen. \\ Hier leit dese
scat bebujrt, Proza-Bein, 34r. Si socht die dode
leden van den scolier, daer bise bebuut bad ,
Devoet B. (36) 80». O gi bovelen , bedect ons ende
behudet ons van dat vervaerlike aensicbt der ver-
woetheit des heren, 120r. Houtstu enegbe dinc
bebuut, abscondito ullo criminali, S^. I^, 65, 244.
Si bebueden (als de egel) beyde dat boeft ende
die voeten, Bern. W. 49(7. Bebuedet in den grave
onder der aerden , Bern. S. 111c. Dat daer sulckes
wat in is gbebemelt ende bebuedet, ald. 160a.
Hore gbeen en verstout dit woert; bet was bem
bebuedet, soe dat sy een woert niet der of en
verstonden, Hs. Lett. 113, AAc, aangeh. Taalk.
Bijdr. 2, 99.
BEHUEDEN, BEHUEDLIJC. Zie behoeden,
BEHOEDELIJC.
BEHUEDEN. Zie behuden.
BEHULLEN, zw. ww. bedr. Mbd. behüllen.
Inhullen, bedekken, sluieren. \\ Zij was overdect
of bebult, overmits dat zg droevich was, Hs. v,
1423, 123c.
BEHULP , znw. o. ? m. ? Mnd. behelp , behulp m. ;
mbd. behelf m. Hulp, bijstand, onderstand. \\ Dat
ten versoucke van den borgeren . ., die voor
eenigbe stadtscbulden . . gearresteert worden,
zullen uten name van den burgemeesters ende
scepenen briefven van bebulpe gescreven mogben
worden, R. v. Utr. 2, 314.
BEHULPELIJC, bnw. mnd. behelplic, bd. be-
hülHich. Zie behelpen. Behulpzaam, bereid om
te helpen. || Soete vrient Segbelgn wiltu mi bebulpelic
sijn, wi souden soeken gaen dat cruys, Segh. 8715
var. Den naevolgberen bebulpelicb toe wesen alsoe
verre als sy dat van eren wegben doen mogben , Nijb.
3, 63 (a. 1378). Ons of onsen erven daer bebulpelicb
toe wesen , dat weder te wynnen , 85. So solewy malck
den anderen vullencomentlike bebulpelicb ende
bijstendicb wesen toe malkes rechte, 369. lek ben
u bebnlpelijck ende diensticb des dagbes ende des
nacbtes, Oest. R. f. 34 d. Dan so sal God u in
allen wederspoet bebulpelic sijn , 136 d. Dien bi
in sommigen plaetsen seer bebulpelic badde ge-
weest, Fass. W. 16 i.
BEHULPELIJCHEIT znw. vr. Van behulpelijc
(zie bet vorige Art.). Behulpzaamheid', in de
uitdr. bebulpelgcbeit doen, d-e behulpzame
hand bieden, bijstaan, behulpzaam zijn. || Soe selen
die drie steden vorseit minen be^e doen bebulp-
lijcbeit, om die ghone te bedwingen baer deel te
ghelden, Brab. T. VI, 6803.
BEHULPEN. Zie behelpen.
BEHULPENISSE , znw. vr. Eig. hulp, onder-
steuning. Bij uitbreiding gebruikt in den zin van
het te baat nemen, het gebruik maken van. \\
Alle argelist, ferpel, quade bebendicbeit , alde
ende nije vonde, behulpenisse geestliken off weer-
liken rechts . . , dat enicbsins wesen mocht tegen
enicb punt of artikel . . . , gentseliken ende temael
wtgescbeiden , Nijb. 4, 61 ; vgl. 45 (a. 1429).
BEHULPICH, bnw. Van behulpen (zie be-
helpen). Behulpzaam, bereid om te helpen. || Bidde
den recnter, dat bi di om dinen dienst bebulpich
si, J), Cat. 285 (verg. Wyse L. v. C. 145, achter
Bag. V. P.). Ie bid u dat ghi mi bebulpich sgt
jeghen uwen sone, dien gbi droecht, Segh. 8. Dat
ors neyede sere . . . dat hem sonde bebulpich sijn,
6552 var. Ie sie die ons van den live algader sal
bebulpich sgn, 6602 var. Dat sy . . . den dyck-
grave voorz. bgstandich ende bebulpich zyn, soo
wanneer sys van hem oft van onsen weghen ver-
maent worden, V. d. Wall 386. God sonde sonder
twgfel hem gonstich ende bebulpich sljn , JSrc. CVoi».
763
BEHU.
BEHU.
764
65 d. Dftt he my , myn lande ende Inde sal besendden,
verantwerden , behnlpich ende geredich sijn, Ngh.
3, 188 (a. 1394). Behnlpich , geredich ende bysten-
dich, ald. Soe sondic mijnen genedigen here van
Beyeren . . daer leghen behnlpich wesen , 359. Of hy
ofliyich worde, dat sy dan sgnre dochter behnlpich
ende bystandlch wesen wonden , Matth. Jnal. 3 , 354.
BEUÜLPINGE, znw. vr. Mnd. behelpinge. Hulp ,
bijstand. \\ Ende wy oick gene temelicke behnlpinge
sgnre goedertierenheyt beoogen en mogen, Matth.
Anal. 3, 645.
BEHUL8EN. Zie onbehulst.
BEHUSEN, zw. ww. bedr.
1) yan huizfft voorzien y met huizen bebouwen,
II Alle erve, die gheleehen sQn . . np enige
wateren , die sel men beplaten eer men ze behnyst,
Leid. Keurb, 4, 11. Dat . . Arend . . den seWen
grond niet schnldich ware te behnnsene, nochte
daer np te doen temmeme of metsene , Diericx ,
Mém. 2, 510. I>en Yoomoemden grond van erven
moghen behnnsen, ald. Ende znllen de vorseide
religiensen . . hebben . . tselve cloestere ende de
hnnsinghen van dien, . . ende dat behnnsen ende
betimmeren redelic ende betaemelic, alzoet hem
lieden ghelieven zal, ald. 561. — Vooral in het
deelw. behnnst, waarop een huis ttaat. \\ Datzy
gheene behnnsde stede hebben , die hemlieden toe-
behoort, Cout. V. Oent 611. Yoirt en moet
niemandt vellen weecken in die delf, in wateringhe
of in graften, die behnyst sijn, O. K. v. Delft
II, 71. Eene rente bepant np eene behnnsde stede,
Diericx, Mém. 2, 570. Ende besaghen, waer dat
vrempt gnet behnset was. Bek. d. Cam. 3, 107.
2) Bewonen. \\ Dat hnns sal men afbreken nemmer-
meer te behnsene, Cout. v. Oent 1, 429. — Van-
daar de nitdr. behnset ende onbehnset, be-
woond en onbewoond. \\ Alle hofsteden licghende
binnen den scependomme van Bmcghe, beede
behnset ende onbehnset , znllen bliven gheldende . .
np alznlken chens, als sie ghelden . . npdendach
van heden, Cout. v. Brugge 1, 279.
♦ BEHUWELEN. Zie behuwen.
BEHUWEN (behouwen), zw. ww. bedr. Zich
door huwelijk verwerven ^ betrouwen. Ygl. behiliken
en beiiuweliken. || Doe qnam hi {Brennus) int
lant van Qallen . . ende behnwede tlant, Sp. 1*^
45, 6. Hg behnwede . . tgraefscip van Reeters,
Vl. JUjmk. 5965. Otten, haren sone, die Benthem
behnwede, Stoke II, 630. Diere bnrghe ende
hoghe stene behnwedic ende menighe stede. Wal.
3154. Ie moet eer varen . . int lant dat ie be-
hnwede nn , Zanc. III , 26910. Soo wie die hnyrwaer
koopt . . of behnwelt (/. behnwet) of besterft.
Mieris 2 , 33*. — Met het voorz. ane (zie aen 3)
of met verbonden, om nit te dmkken, door het
huwelijk met wie (of wien) men het bezit erlangt. ||
Sijn ontste sone . . behnwede Henegonwe met
Bgkilden der scoenre vronwe, Sp. III", 89, 121.
(Majdmns) ghewan Bartaengen, want hi behnwet
met ere joncfrouwen, III', 14, 42. Want ghi
met hare . . behnnt al dat Qrieze rike , Limb. XII,
1243. Ene dochter . . diet lant van Bonen hadde
behnwet met Jnstase dien si tronwet, Brab. T,
III, 172. Bmsele, dat si met hnwelics rechte
behnwet hadde an Lambrechte, 25. Ende hi
desen cyrkel van gonde ane mi dan behnwen
sonde, Lanc. III, 23161. Ylaenderen behonwede
hi . . aen Margrieten van Elsaten, Vad. Mus. 4,
427 , 220. Bouwgn . . , dewelke an Bichilden sinen
wive behnwede tgraveschip van Heneganwe , Cron.
V. Vlaend, 1,20. (Hg zal) tpoorterscip . . moghen
behnwen an . . gheboren poortessen (/. -erssen),
Cout. V. Brugge 2, 84. Dat zg die vryheden . .
behnwet hadde, ald. 92. — Een behnwede
sone, dochter, behuwd-zoon^ behuwd-doeiter;
schoonzoon, schoondochter. || Hertoghe Willem . .
trac haestelijc te Graven waert tot sinen behnweden
sone, Brab. T. VI, 8031. So repareerde sgn
behnyde sone Marcns Agrippa dye siadt van
Agrippinen , Exc. Cron. A6c. Dat hertoge Aclbrecht
sinen behnweden sone onderwgsen sonde Tsnder
misdaet, die hi vrou Janne gedaen had, 149é.
Hy leide drie dachvaert weghes tnsschen hem
ende sinen behnweden zone, D. B, Gen. 30, 36.
Soe seide Jndas Thamar sgnre behnweder dochter,
38, 11. Hi en wist niet dattet sine behnwede
dochter was , ald. 16. Thamar dgn behnwede dochter
hevet oncnysheit gedaen, ald. 24. Der joncfronwen
vader seide tot sinen behnweden soen, Bieit. 19,
5. Opdat si in haer lant tiden sonden mit beiden
haer behnweden dochteren , Buth 1 , 6. Van dgne
behnweder dochter is geboren die dl minnen moet,
4, 15. Hely behnwede dochter, Phinees wgf,
droech kint, I Sam. 4, 19.
BEHÜWELIKEN (behouwelicken), zw. ww.
bedr. Hetzelfde als behuwen en behiliken. Zich
door huwelijk verwerven, behuwen. || Van welcke
landen die . . herttoghe Jan Henegonwe ende
HoUant behouwelijckt had met vronwe Jacoppen,
Belg. Mus. 3 , 79. Lodewgc van Loen , die ie wive
ghenomen hadde Aden . ., daer hy mede Hollaot
behnwelict had, 4, 197. Ten worde hem aneghe-
erft, of hi en behnwelikedet mit sinen wive,
R. V. ütr. 1, 40, 87 (a. 1344).
BEIAERDEN (betaerden), zw. ww. onz. Van
beiaert (zie ald.). De klok luiden. \\ Si comen mi
te ghemoete met der kercken staten, singhende,
lesende, en si moeten beyaerden. Boom d. Ser.
29, 568. — In tegenstelling met luden beteekent
beiaerden ook verschillende (meest drie) klokken te
gelijk luiden, die te samen een aceoord vormen^ fr.
sonner ^ toute volée. Wvl. trebbelen(i\e De Bo i. v.). ||
Een half nere Innden ende een half nnre beyaerden
metten grooten ende aldermeesten ghelnnde , Invent.
V. Brugge , Int. 158. Men sal Inden ende beyaerden
in alle prochiekerken van Qend , Diericx , Ifém^ 1 ,
278. Dan sal men Inden ende beyarden eerlec,
Qesch. V. Antw. 3, 539. Singhende mease . .,
met orghelen, met beyaerdene alle die messeghe-
dnerende, Invent. v. Brugge 4, 35. Alle dye
clocken vander stede Inyden ende beyaerden hoghelic
ende chierlic, aangeh. Qloss. ald, 31*. — Vgl-ndl.
de klok beieren, en het znw. koddebeier, d. ï.stok-
zwaaier.
BEIAERT (beyaert), bg Kil. frequentamentmm
tintinnabulorum , d. i. klokgelui', eig. de klepel j die
het gelnid voortbrengt Vgl. Grimm, D. Wtè. 1, 1368
i. V. beiem. — In obscene toepassing gebruikt, j]
(Hi) spranc dien pape tnsschen die been, in die
bnrse al sonder naet, daer men dien beiaert mede
slaet, jRein. I, 1270.
BEIDE (bede), znw. vr. Mhd. beiie. — 1) In
de bet. van de onbepaalde wgs beiden (z. ald.), als
znw. Het wachten. || Si hebben de beide te swa^ ,
dies soe lanct mi na hem sere, Limb. I, 2740
(het wachten valt hnn zoo lang). Al valt die beide
somwile lanc, Vad. Mus. 1, 378, 25 Lange hakea
ende beide. Rosé 1968.
2) Uitstel, vertoef. \\J)9i in hn zij gheene bede,
daer ghi de viande ziet ghescaert, trect mettea
eersten daerwaert, Denkm. 3, 183, 40. Wat
holpt dese langhe beide? Men verdoene al te haat,
765
BEID.
BEID.
766
Limi. n, 1714. Niet lange en was daer af de
beide, yan dat die heilege man voreseide, i^.
II», 29, 69 (niet lang duurde het of het werd
▼eirnld wat hij voorspeld had). Dese beide es
te lanc, Fer^i 152. Bat hem de termt entie beide
sonde dinken ntermaten lanc, Flor, 2851. Mi es
leet enege beide, Lanc, II, 38864. Langhe beide
nes hier niet goet , Wal, 2120. — Beide maken,
hetzelfde als beiden (z. ald.). Talmen. \\ Si ghinghen
in; enghene bede maecten si, Wal. 9352. Da
maecs ons te langhe beide, ^. III ^, 36, 36.
Hensche, dn maecs te lange beide, g^anc weder in
dijn cloester, Beatr, 726. — Vooral gebruikelijk in
de nitdr. (al) s onder heide (vgl. tonder beiden),
onveneijld, dadelijk, \\ (Hi) sloeghene sere sonder
beide in die limieren van den helme, Ferg. 4758.
Haken wi den meiusche , hi zede, na onser heelde ;
sonder bede sceen die Gods virtunt, Wap. Bog.
602. Waert dat so {de natuur) werkens vermede,
alle dinc teghinc sonder bede, ald. 1412. Hi voer
wech alsonder beide. Wal. 1340. Ontwapent n
alsonder beide, Ferg. 2660. Hi ware doet alsonder
beide, 3570.
3) Ook concreet. J)e plaatt toaar men vertoeft,
verblijft', verblijf plaats ; vgl. eng. abode. || Dat hi
des anders dages te Raphay quam ende daer soe
bleef hi , alsoe hi tote Evax seide , dat daer sonde
siin sine beide, Umb, I, 1701 (6f: dat hij daar
verblijven, vertoeven zou?).
4) In rechte. De gerechtelijke termijn, de tijd
dien men heeft, vóór dat men voor het gerecht
moet verschijnen. Vgl. vrist in tagevritt (Ben. 3,
4093). Vandaar in die beide staen, in rechten
optreden, borg staan. || Voer mi en stonde in die
beide niemen dien ie levende weet, Sp.V, 56,24.
BEIDE (BEDE), onbep. telw. Beide. \\ Waer naemdi
die hoefden bede, die ghi achter u hebtgeknocht?
Ferg. 684. Zie verder Bein. en Bijmb, Gloss. — De
tweede naamv. komt ook voor in den vorm beidt. \\ Si
staen tusschen ghebmken ende werken, ende pleghen
beids in volcomenheiden , Rnusb. 4, 227. — Evenals
•lle komt ook beide als onverbogen telw. vóór, bj alle
naamvallen en geslachten der znw. Zie al , kol. 314.
Meermalen is ook dit willekeurig door de uitgevers
veranderd. i| Van beide sine (/. sinen) voeten voren,
Jiein. l, 2818 (Hs.; Jonckbl. beiden). Van beide
haren voeten, 2881 (Hs.; Jonckbl. beiden). Ook
bat hy . . beede den partien, dat si souden enz.,
Amand II, 4512; enz. — Wanneer beide voorop
geplaatst ia, en gevolgd wordt door twee of meer,
met ende verbonden woorden, neemt beide de
kracht aan van een bgwoord. Beide — ende
beteekent dan zoowel — als Vgl. Lubben 1 , 206a.
Hetzelfde gebruik van beide by meer dan twee
leden vindt men in het Mhd. , vgl. Grimm , Oramm. 4 ,
954; Germania 6, 224. Indien de reeks uit meer dan
twee leden bestaat, wordt het laatste lid in den
regel met ooc aangehecht || Beide bi nachte ende
bi daghe, Wrake III, 1451 (Bein. I, 408). Beide
roven «mde stelen, J2^i». 1, 1691. Spellen ende lesen
bode ende ludesinghen Crede, Bein. 1 , 147. Nu merct
wel dat Esan beede root was ende ru , ende dat hi
eerst ooc was gheboren , Bijmb. 2189. Beyde vleesch ,
broot ende capoen, Segh. 3157 var. Beede mis-
handelen ende slaen, ende ooc in enen carker
yaen, Bijmb. 2873. Beyde inder paeuse hove ende
indcr prelaten met, ende inder princen, . . ende
in steden ende in kanesijen ende oec elx in abdgen ,
Wrake II, 447. — Eene enkele maal staat beide
in deze beteekenis achteraan; zie b. v. het boven
aangehaalde voorbeeld uit den Bein. (vs. 147).
BEIDEGADER (beedeoader , bedegader) ,
onbep. telw. Alle twee, beiden te zamen. \\ Ie ende mün
broeaer beide gader, Limb, I, 257. Doe stonden
si op beide gtuler, X, 509. Vader, moeder bede
gfader worden gewect biden kinde, Franc. 9494.
Die beide gader na u beiden daer in die stat,
Lorr. 1, 1190. Die bejagheden beide gader . . an
Coninc Otten haren sone . . , dat men hem in erven
gaf alt goet, Stoke I, 699. Vgl. verder Bijmb.
en Partonop, Gloss. — Evenals beide neemt ook
beidegader, gevolgd door ende, de kracht aan van
een bijwoord, met de bet. van zoowel — a/^. ||Hi
verboot hem beide ghader ooms wüf ende daer
toe svaren (/. snaren), stief kinder ende diere af comen
waren, Bijmb. 5370.
BEIDEN (beden, later ook beyen, b. y.Blisc.
V. M. 649), zw. WW. onz. en bedr. Mhd. beiten.
Onz. — Wachten, toeven, vertoeven. — a) Absoluut,
of met een bijw. of een adverbialen accusatief. ||
Doe si vergfadert waren in tcrijt beiden si enen
corten tyt, Lorr. II, 355. Gelloen mach wel lange
daer naer beiden, eer hi comen sal, 1300. Twine
hadstu stille ghestaen beden, tes ie verre ware
leden? Esop. XLIV, 9. Hout, ghi heren, ghi
moet beden, lAmb. IV, 1428. Doet sgn gheselle
ymmer nemen wonde, so beede S. Franciscns een
luttel ende hiet, dat hi die boerse name, Ned.
Proza 239. — Vooral gebruikelijk in de nitdr.
sonder beiden (beden), zonder te talmen,
dadelijk, onverwijld. \\ Syn s waert trac hi sonder
beden. Wal. 8661. Ie sie wel sonder beiden, dat
gi mi uten wege wilt leiden, Lanc. II, 39283.
Sonder beiden, also voUec ende also saen als dit
was ghedaen, Christ. 174; enz. — Spreekw.
Beiden en es gheen verlaet, uitstel is geen
afstel. II Men dat ghescreven siet, dat beyden en
es gheen verlaet, ^ra^^ 1 , 655. Haer begheerte
en wert hem niet geweyghert, maer vervorstet,
want beiden is en gheen oflaten, Hs. Ib f. 11^ d.
— De onbep. wQs als znw. gebruikt , bet. y^^M/^. ||
Hi laetse scelden al moeder ene . .; met bedene
wan dese man den camp , Belg. Mus. 10 , 57 , 182.
6) Met den 2den nv. If achten op, wachten met. \\
(De gierigheid) sat, alse die mochte staen qualec,
ende beidde harre bringren met crommen handen
ende met vingeren, Bose 196. Dat hi toghe over
die vliet vander Mase . . ende haers daer beidde,
Brab. T. VI , 9954. Alsmen in goeden wille es , en
salmen niet beiden des, men (d.i. men en) salaltehant
daer met voertgaen , Doet. III , 1563. Sine broeders . .
die sgns beidden in der straten. Franc. 6483.
Ie sal uwes hier beiden, Ferg. 2300. Die bi hem
vlieghen ende sgns beiden , Nat. BI. VII , 185 var.
(Die vrouwe) beydt haers tflts met vresen groet,
Teest. 2800. Waent sulc mensch al ghereyde hebben
des hi beyden moet, Hild. 93, 132. Ende beiden
daer der comst mine, Lorr. I, 926. Daer haers
beidde die coninc, II, 2012. Mi . ., die bede
(wacht, verwachf) der doot cortelike, Amand II,
4002. SHns beiden talre stonde verwoet volc ende
ongesonde, hem wachtten op, Sp. III*, 48, 13.
Wi en willen uwes nyet langer beiden, D. War.
4, 281, 394. Ie wil dins beiden (geduld met u
hebben, oefenen) dertig iaer; ia ie hondert iaer
willic dins beiden, Limb. Serm. 122^.
c) Met het voorz. na (naer). || (Als die) zonder
sorgen beedden na den dach van morgen. Franc.
1811. Dese riddere, die na u heeft ghebeit tote
nu, Umb. V, 2037. (Si) hadden te Trieren ge-
daecht ende na haren nere gebeit, Lorr. I, 1000.
Die beide gader na u beiden daer in die stat,
767
BEIE.
BEIT.
768
1190. Ie hebbe wel ghebeit naer hu, Denkm. 3,
107, 190. Ghine badt na mi gbebeit, 188, 82.
Na u ende na niemen el beefti gbebeit ene wile,
Limb, V, 1832. Waerna beidy ? Eeemtk. 33. Zoo
ook Sp. 111% 9, 78; 13, 30; Rijmb. 15320,
23242, 23%7. — Ook met eene zaak als ondw.
lem. wtichten , verbeiden , voor hem aansüuinde zijn. \\
Dese pine onsacbte beit naer di ende na dijn
geslachte, Sp. 1% 82, 53.
d) Met bet voorz. achter. || Hi beedde achter
sinen wert, Flandr. V, 157.
e) Met bet Yoorz. omme. \\ (Si) beiden gbemeenlike
omme tgelof van hemelrike, ende waren in haer
ghebede, i^. I^, 41, 7. Hi beide om dat bemstont
te doene, tote een deel na der noene. Wal. 1977.
/) Met bet voorz. op. \\ Doen beiden si up
gbeen dinc el, Parth. 3413. Up dfjn gbebot beiden
si alle, AUx. IV, 1581.
g) Met een afb. zin met te. \\ Wat zaelt gbebeit
up te stane? OFl. Lied. e. O. 523, 164.
Bedr. — 1) Met den 4den nv. van den persoon.
Wachten op ^ afwachten. \\ Daer sullen wi beiden , alse
riddren cone, Claerwijs dien bere, 6V»«. 878. Onse
Here nam dese drie manne . . up enen bercb ter
bogher steden, dat si hem daer souden beden,
Bijmb. 23949.
2) Van bet znw. beide afgeleid, in den zin
van uitstel (zie ald.). — a) Enen ere dinc
b. — , iemand uitstel geven. Vgl. versten. || Die knecbt
bem gbenaden bat, dat hijs hem beide, Rijmb.
24114. Es een mensche een anderen XII dr.
sculdeg, ende beit bir {d. i. hi der) heme een
jaer over sinen dag, hi weets heme groten danc,
Umb. Serm. (T. en Lettb. 6, 226).
b) Iet — , het rekken^ uitstellen. \\ Dat hi met
subtylheiden die dinc so lanc soude beiden , dat se
des winters vlagen uten landen souden jagen,
Edew. 661.
BEIERINGE (beyerinoe), znw. vr. Van het nog
gebruikelijke beieren , d. i. klokluiden. Eig. klokgelui ,
en vervolgens in overdracht, zin het suizen , van de
ooren gezegd. i| Dorst, bitterichejt des monts, zeric-
heit des voerhoefts , beyeringhe der oren, Barth. 270.
BEIERKIJN. Zie beer (5de Art.).
BEIEBMAN (beyerman) , znw. m. Van het nog
gebruikelijke beieren (de klok), d. i. kleppen , luiden.
Vgl. BEiKERT. Klokkenluider. || Den beyerman , dat
hy gespeelt heeft opte clocke 1 st., Hermans,
Oesch. d. R. 188. Insgelics den beyerman oeck
gebeyert heeft van 8 uren tot 9^ uren toe, 189.
Den beyerman, omdat hy op de kermisdach ons
liever vrouwen misse des morgens gebeyert heeft,
gegeven 2 st., 193. — Als familienaam nog bekend.
BEILAGE, znw. vr., misschien hetzelfde als bilage
van biliggen, gelijk men b. v. ook beilevinge vindt
voor bilevinge (z. ald.). Het bijliggen, het uit-
oefenen van vleescheUjke gemeenschap, Vgl. hd.
beilager. || Waer gi moget heilagen dogen, daer
bent der waerheit der kennesse haer ogen , o n t f a d i ,
dats sonder uwe mesdaet, Hadew. 1, 233, 69.
BEILDE, en de samenstellingen. Zie beelde.
BEILEVINGE. Zie bilevinge.
BEILC, beelc. Zie buelc.
BEINIJN. Zie benijn.
BEITEL (BETEL, beetel), znw. m.;mnd. betel,
beitel; mhd. beizel. Van biten in de oorspr. bet. klooven.
Beitel. || Die wercman van houtwerc leide langhes
die regule, hi formeerden mit beetelen, D. B.
Jesaia 44, 12. Houwen metten beetele , Jan Yp. 62.
Metten slage vanden beetel , ald, Soe suldi hebben
een beetel, 65.
— Samenst. Cliefbeitel, Gesek. v. JjUw.
2, 650.
BEITEN, BEETEN. Zié beten.
BE J ACH, znw. o.; zonder mv. Eig. stam van
bejagen. Mhd. bejac; mnd. bejach. In verschillende
opvattingen.
1) Van bejagen in den zin van bt^it maken.
a) Eigenlijk. Jachtbuit, jagersbuit, voortl van
dieren gebruikt. || Bi enen velde , daer bi
(Reituiert) binnen groot bejach van vetten hinneD
hadde gehad wilen eer. Rein. Bijl. 290, 3. Daer
ie bi nachte quam gheronnen omme bejach in ene
molen. Rein. I, 118. Also als hi uten wonde hadde
ghelopen om syn bejach. Rein. I, 506. Also ie
liep om mgn bejach, II, 6295.
b) Overdrachtelijk. Krijgsbuii, buit. || Sulc es, hi
hevets joye alsi vrouwen bedrieghen mach: dits
sine proye ende sgn bejach. Nat. BI. II, 689. Hi
waende hebben groot bejach an sconincs diere
ghewaden, Alex^ IX, 922. Nu vaert, alse gbi
wilt, hets dach, ende voert vor u uwe be-
jach, Limb. II, 523. Ie can bet deilen eenbejacb,
ende gheven dat elcken werden mach, Troyen f.
84 ff. Ie wane noit man ne sach meer Waleweise
pinen om bejach, Lanc. II, 37535. Aldus bestaetdi
sijn bejach , 37545. Hi (Christus) nam den viaod
sijn bejach , OFl. Ged. 2 , 58 , 116. Voer met u ons be
jach, Eleg. 1043. Daer ie voer om mijn bejach , 7S4.
2) Van bejagen in den zin van deh ververtt»
a) Datgene wat men zich verwerft (hd. erwerh)^
winst, voordeel. \\ Ie was tebarenteert van dien,
dat ie daelmoesene soe clene sach, ende seide, bet
ware een clene bejach , La$ic. II , 24437. Dat bi
bejach in alre wise hilt over eene dinc van prise,
Sp. V , 4, 21. Du heves gebat mün ghelt te dinei
groten bejage, ende du en gholds mi niet teo
daghe, 1% 56, 120. Hevet hi sijn bejach daer van,
so hadde hi daer hi omme began, Lett. N. W.h*,
36. Is dat hi criget sulc bejach, dat ghine willik«
croent, so es hem berde wel geloent, D. War. 7,
374, 12. So wie dat meer aensach sijn ghewia
ende sijn bejach, dan die bate van der stede,
Teest. 1282. Die gierich sgn om sulc bejach, Hili
5, 178. Om te meerren syn bejach, 162, 40. Als
die voor den domesdach gesent es om der nelen
bejach, FraTtc. 1687. Omme ghewin . . . staet die
clergie al te zamen, ende niet om der zielen be-
jach, Rijmb. 25485. Dat hi bejach over doegt belt,
ende vercochte omme ghelt dat paepscep, "Bigmh.
21936. Si ghingen stifiekine doden ende dadea
jammerlic bejach, door de lijken uit te schuUen,
32813. Valsche tonghen ... die sien altoes on
haer beyach, MLoep II, 1342; vgL Sjp. Il', 32,
183. En es gbeen bejach, te comene ane dnllea
wiif, Limb. 1, 216. Here, goet bejach moetihcbbei
ende aventure, IX, 200. Een goet nieuwe jaer
gheve hu die here ende goet bejach, O VI. Iaed.e. G.
406, 102. Gierech omme bejach, Kerk. CL ^•
Ander bejach no ander ghewin dan cantate, H^
1 , 276. Si soeken haer ghelach ende nemen vreemt
bejach , Hadew. 1 , 39 , 53. Ane tbejach sjjn nujae
attenten , want beter vele dan myn renten es inlJB
bejach, en aquerre est toute m' entente. Rosé 108S3.
Dese brochten in ouden stonden in Itidien om be-
jach menich dier daer venijn in Xzch. , NaL Bl.y^^
710. Dat si den tempel hebben souden in bejacb
van ghelde, D. B.,ll Maceab. 11, 3. — Omme be-
jach, uit zucht naar voordeel, uit winsuekt.W'i^*'
ooninc seide: hets omme bejach, dat hi seget dit
hi dit sach, Sp. IV», 23, 43. — Sijn bejacfc
doen, z\jn voordeel doen, winst doen. || Buuia
769
BEJA.
IBEJA.
11-0
dien dat hi tghent coept ende hl harentare loept
omme te doene sijn bejach , I' , 66 , 63. — B ej ac h
hebben ane, ffenot hebhen van, baat vinden bij. \\
Die sire lieder herten yerlieset , dats een lantshere ,
die rieset ende die ter noot. niet ne mach an die
sioen hebben bejach, Heim, 1503. — Zoo ook
sgn bejach hebben, gijn volle ffenot sviaken,
zooveel genoegen y^rapen^'* als men maar wil. \\ 6he-
rechter wgf haddi in sijn leven XY edele . . . ende
alsonder, nacht ende dach, yan anderen amien
sijn bejach, Sp. III», 16, 73. — An enen en
es gheen bejach, bij iemand it geen voordeel te
vniden, bij hem is niets te halen. || An hare en
was gheen bejach , aerm van goede , van dengeden
rike , ende si lach ontfaermelike up derde ende een
lettel stroes daer mede, I', 67, 76.
b) Datgene wat men zich verworyen heeft, S^;n^,
tigendom. Vgl. het Gr. xxyfia yan xtCtfiat. \\
Elc die rike was, adde sorghe te yerliesene sgn
bejach, Bose fr. 248, 26. Gheloye es dat heilichste
bejach, dat erdsche minsche hebben mach, OFl. Oed.
3, 119, 539.
3) Van bejagen in den ein yan najagen, streven,
trachten te bereiken (e. ald. 4i). Datgene wat iemand
najaagt, levensdoel, streven, pogen; ook dat, wat
iemand doet, zijne zaken, zijn handel en wandel. \\
Doet dat m^jn herte beme seere in der minnen Cristi
onsen heere dat hem belieye mijn bejach , N. W. Lett.
5*, 91. Aldus so sal onse Here doen mede ende
eiken loyen yan sinen bejaghe ende yan hem steken
die traghe , lUjmb. 26746 (vgl. Matth. 26 , 14). Hi
ne wille gheenen gheselle hebben an s^ns selves
bejach. Nat. BI. UI, 2770. Hi haeste zeer in sijn
beyach ende liep tot horen maghen, HLoep II,
3560. Hoe comt, Sone, dat ghi begaert, mids des
loes verraders bejach, dus te quistene desen dach ,
Mask. 604. Na den etene so lopen de broedere ute
alse bien ute haren va te, ieghewelc omme sijn
bejach, Ruusb. 2, 193.
4) Van hem bejagen (zie ald.). Levensonderhoud,
kost, dagelijksch brood, broodwinning. || Souden
dichters conste draghen, ende twisken tyde gaen
beyaghen van huse te huse haer beyach? Hild.
172, 96. Die huusman die sel sijn beyach soecken
in dit aertsche dal, 209, 220. Sinte Mattheeus,
dien hi sach tollen bewaren om sijn beyach, 210,
281. Menich jaer ghinc daer na voren datterMyn
noch D ij n en was , ende al die werlt ghemene las
vander aerden hoer beyach , 218 , 23. Men seit ,
dat hi {de ooievaar) jonghe wint, na dien dat hi
int lant vint dat bejach, eest groot, eest cleene.
Nat. BI. III, 811. So moeten sine jonghen dan .. .
soeken haerre tweer bejach, 2921. Rijt dan uut
om u beyach, MZoep l, 3232. (Hi) ghinc recht als
een Gods bode van steden te steden om sijn bejach,
Amand I, 6608. Enen sciltcnecht . . ., die daer
om bejach reet, X«u;. Il , 37314. Tenen tide soutsoe
gaen te velde up enen heten dach om haers lechamen
bejach, Dranc. 10142.
BEJACHTE (bejacht), znw. yt. De daad van het
bejagen f Aet bejagen, m. a. w. een tocht om buit,
strooptocht (vgl. jacht van jagen). \\ Nu secht mi ,
ridder, of ghi te nacht wilt wesen gheselle in mijn
bejacht, Eleg. 698 var, (nauwkeuriger ware in
mine hejachi). Doer dat donker van enen wonde
in eenre woestenien, daer Reynaert sijn toepade had
nae s^nre beiachten, Proza-Bein. 1 v.
BËJAECH, latere vorm voor bejach (zie ald. 4).
Broodwinning, levensonderhoud. \\^\ en wouden niet
gheneaen wesen, omdat si hoer bejaech niet ver-
lyesen en wouden. Pass. W. 23 d.
BEJAERT, bnw. Thans alleen in den zin van
oud in gebrnfk, maar in het mnl. ook in ver-
binding met jone. Jonc bejaert is dus onze
uitdr. jong van jaren. || Willem van Cleve den
bastaert, die doen noch jonc was bejaert, ^ra^. T.
VI, 9096. — Ook gebruikt in den zin van tot
zijne jaren gekomen, d. i. mondig. \\ Drie sonen
haddi . ., daer af die een noch jonc was onder
sijn daghe, ende niet bejaert, a/^. 2649. Dat gheen
vry vischcopere . . . iemene sal moghen stellen
over hem . . . , tvoom. ambochte doende , hij en zy
bejaerd mans werdich ende hem machtich te wapene ,
ZFl. Bijdr. 6, 166. Kynderen . . . onghehuwet
zijnde ende bejaert, Cout v. Brugge 1, 686. Totter
tydt, dat het kindt bejaert ware. Mieris 2, 163 d.
BEJAGEN, zw. ww. bedr. en wederk. Mhd.
bejagen; mnd. bejagen. De door misbruik sterk
geworden vervoeging komt reeds voor Gfrimb. I,
4144 (die ere bejoeghen); imper. bejach (als van
een sterk ww., D. B. Jes. Sgr. 32 , 13 , zie bj jagen).
Bedr. — 1) Het transitieve jagen, nancisci
venando. — a) Eigenlijk. Door jagen bereiken , be-
machtigen, buit maken. \\ Alse Isengryn bejaghede
een calf, oft een weder oft een ram. Rein. I,
2116. Alse wi een grote proie lagheden, die ie
ende mQn oom bejagheden . . , sone mocht ie cume
dene hebben van den aireminsten rebben, 2126.
Hi stal tgrote ende ie dat clene: dat wi be-
jaechden, wart ghemene, 2111.
b) Figuurlijk. Verkrijgen, winnen, verwerven. ||
(Die scat) es qualike bejaecht, £leg.695 {y^opeene
oneerlijke manier verworven*^). Al dat goet . . moet
in desen tijt sijn bejaecht, Lsp. III, 26, 129.
Van den goede, dattere te gadere es bejaecht,
daer af heet (d. i. heeft) de vrouwe deen helcht
ende dander deelt men in tween, Ned. Proza 2.
— Deze bet. splitst zich in twee onderdeelen, al
naarmate de persoon zelf, of een ander belang-
hebbende is.
a) Iets voor zich verkrijgen, voor zich verwerven,
winnen, krijgen; de gewone opvatting in het Mnl. ||
Dat hi tvolc niet bekeren mochte, no bejagen,
dat hi zochte. Franc. 6246. In horen rade sgn si
fel , behendich sere ende snel , hoe si scat bejagen,
Lett. N. W. 6*, 33. Hi bejagede doch een paert,
doe ghinc hi vlien metter vaert, Alex. V, 641.
Ghi sult an hoghen aflate delen ende an alt
pardoen, lieve moie, dat ie . . sal bejaghen over
see, J2«». 1,2894. Doe ne conste Reinaert niet be-
jaghen, daer ie die brieve in draghen mochte,
hij kon niets krijgen, 3336. Om te bejaghene die
crone, Bijmb. 21799. (Hi) moet allene bejaghen,
daer si hem alle op ontdraghen, C. en El. 241.
Wat wire connen bejaghen, . . dat sal ie deelen
ende ghi kiesen, 699. Daer si goet onder hem
beden mochten bejaghen, 644. Hi en heeft . . .
ander toeverlaet negheen, dan hi met stelen can
bejaghen, 221. Om soudenieren, om riddren fijn,
dier si bejaegden herde vele , Orimb. II , 409. Die
coninc sonde meerre cracht bejagen van ridders ende
van lieden , Lanc. II , 46934. Mochtic mQn part weder
bejagen , 39449. Elc es gierech om bejagen , om
te winnen; mnl. omme bejach. Kerk. Cl. 190.
Wie es so coene die u vraget, wanent u comt , dat
gi bejaget? 160. Doe bejaghedi (Arion) ene ruste,
hij wist zich eenigen tijd uitstel te verwerven. Nat. BI.
IV, 367. — Eere bejaghen, lUjmb. 19232; Chrimb.
I, 4146; II, 1273; Stoke II, 942, zich roem ver-
werven. Aflaet b., Sp. I', 60, 60; 70; Lett. N. JTr.
6», 64. Vriende b., Velth. UI, 60, 3; Bose 1096.
Pays b., Nat, BI. II, 1936. Sinen wille b., zijn
26
771
BEJA.
BEJA.
772
iin krijgen y Alex. X, 91. Rijcheit b. Lt^. II, 36,
1794. Houde (hulde) b. , Bijmb. 20404; Sp. I« , 10,
11; n * , 2 , 28 , zich de gvmtt verwerven. Hnlpe b.,
VL JUJmk. 1561. Danc b., Rijmè. 20699; Ltp.lUy
23, 171; Teest. 1020. Prijs b. Maleg. 679; Troyen
2467, 2489; Hild. 241, 84. Herberghe h.,£oMv.
Sed. 702. Bate b., Zaïk?. II , 436Ö9. Minne b., Vr.e.
M. I, 210, 259, 768. Spacie b., uiUiel verkrijgen,
Sp. II», 14, 168. Luttel h.^Ltp. 1 , 7 , 35. Gesonde
b. Franc. 854. Gracie b., ald. 1484. Genade b., ald.
3194. Waerdichede h.ald. 3380. Soe dede si die
werke van ontfarmherticheden , omdat si dat ewighe
leven daermede bejaghen soude, Ned. Proza 228.
Bat ghi overmids de gheloeye beyagt dat eeulike
leven in sinen name, L. v. J, c. 240. Al en ware
maer een cloester op vii milen, al dat men daer
binnen bejaghen mochte, dat souden si wel ver-
teeren , Ruusb. 2 , 192. Vgl. ons tainttèejag. — Ook
met by voeging eener bepaling met ane. Iets van
iemand verwerven. || (Ie) bejagede anden coninc min
here dat ie mi begaf hier, orlof, Lanc. II , 17977. (Hi)
bejagede anden coninc mede enen brief tsiere seker-
hede, ^.III«,32, 77.— Ene stat bejagen, Aawr
winnen y bemacAttgen. \\ Als tvolc uyt es gelopen,
sullen wy slupen uytten haghen, dan sullen wi
die stat bejaghen, Troyen 1331 var. — Met een
pers. in den 4den nv. Iemand voor zich winnen,
zijne gunst verwerven. || U grote ridderliicheit . . ,
daer ghi bi bejaghen moget alle vrouwen ende
joncfrouwen, Limb. IX, 216. Elc raet zoude zo
regieren zynen staet, dat hy Gode mochte be-
jaghen, OFl. Oed. 2, 68, 220. Doe bejagede hi
valsche lieden, die kersten bieten, met siere
mieden, Sp. II*, 2, 35. — Iet vri bejagen,
iets vrij krijgen , vrijdom van verplichtingen ver-
krijgen vlor. il Daer hi thuus wilde keren beja-
gede hi vri . . . bede Rinsborch ende Egmonde,
Stoke II, 350. — Kinder bejagen, kinderen
verwekken, kinderen winnen, in het bijzonder van
zulke, die buiten huwelijk worden verwekt. Een
bejaecht sone, een onechte zoon. \\ Die gnveYtin
Loncheestre, . . . Robberecht, die bejaecht sone
was des coninx Heinrici, VI. Rijmk. 4618. Vgl.
Denkm. 1, bl. 517. — Meermalen komt bejagen
voor in verbinding met winnen of ghewinnen. \\
Soudi ghewinnen die joncfrouwe ende bi liste be-
jaghen. Flor, 2883. Met pinen winnen ende be-
jaghen, daer of die lichame hem zal bedraghen,
L^. I, 37, 95 var. Yan dien groten pardone, dat
daer die riddre stout ende cone selen bejagen ende
winnen, Casi. 1461. — Met eene zaak als ondw. ||
Wat duechde dat meest bejaechde die vrienscap
van hemelrike, Franc. 3438. — Bejaghet sijn,
eig. verworven zijn, verkregen zijn, neemt de bet.
aan van voorhanden zijn, aanwezig zijn, zijn. Ygl.
b e ca n t s ij n. || Daer ne was bont no graeu bejaghet,
daer men mi in soude winden, Praet 4156 (de
tekst heeft ten onrechte graen. Vgl. T. en Lettb.
5, 121).
|9Enen iet — , iets voor iemand anders ver-
werven, hem iets verschaffen, bezorgen, voor hem be-
werken. Somtyds nog met bijvoeging eener bepaling
met ane, ter aanduiding van den persoon, bij wien
men iets uitwerkt. || Lof endeeere . . . Marien der
moeder enter maget, die ons hevet dat bejaghet,
dat tonser feesten sal sgn die gone, Jhesus Cristus ,
haer Ueve sone, Sp. V, 85, 54. Dat si die duvele
heeft versaget ende den sieken gesonde bejaget,
II*, 13, 153. So goet wert si in corten dagen,
dat si de duvele henen verjaget ende den blenden
haer sien bejaget, II', 57, 149. Ie soudt bejagen
{de gezondheid), mocht soe sijn.Joseph sprac: Bi
trouwen , wiltu , ie hebse di bejaget nu ; die Sarras ju
sprac: twelker maniere souttuse bejagen sosciere?
Joseph sprac : wiltu geloven an Goede , du salt al
genesen dan, Lanc. II, 2084. Bidden wi desen
XII heren . . , dat si ons bejaghen ghenade Tor
Gode van onser mesdade, Tst Bl. 4273. Maria,
die ons van Yeven misdade bejaghede aflaet ende
ghenade , Lsp. 1 , 23 , 106. Om dat hi (Mozes) hem
{den Joden) soude bejaghen van haerre mesdaet
aflaet, Rijmb. 5168. Amand, die mi arste {d. «.
raste) heeft bejaegd met siere bede , Amamd II ,
4929. (Maria) bejaghede hare {den wvoe) eene vearste
(flf. i. vorste), i^. I^, 89,28. Van der moeder ende
van der maghet, die ons heeft tparadjs bejaghet,
Theoph. 9. Ie sal doen dine claghe ende sal di
soendinc bejaghen, 1333. Die suver maghet, die
den sondegnen bejaghet soendinc jeghen Onaen
Here, 989. Die nature hadde haer {Maria) be-
jaghet die scoenheit, daer haer mede bedra^bet
al dat hevet menschen name, Claus. 316. Om
andren lieden moet te bejagene dat cruce ons
heren te dragene. Franc. 7425. {Fransois) adde
hem {voor Niclais) an Gode bejaget penitencie,
8997. — Ook met een objectszin met dat, in plaats
van den 4den nv. der zaak, en in den re^l met
eene bepaling met ane. An enen bejaghen,
dat, bij iemand bewerken, uitwerken; van- iemand
weten gedaan te krijgen , dat. || Ooc bejaghede hi . . ,
dat hem die selve kejser gaf den ronden tempel,
Lsp. II, 48, 759. (Hi) bejagede al daer . ., dal
soe {de orde) worde geconfirmeert , Franc. 2161.
An Josephuse hi hem draghet, ende heeft an
hem bejaghet, dat hi hem sette . . te makeneder
steden mure, Rijmb. 28221. (Hi) hevet oec an hem
bejaghet, dat men dien aldaer ter stede metten
apostel sal ontliven mede, Sp. I*, 4, 110. ]>oen
bat si haer, dat si haer dat oec wond beyaghea
aen Gode, dat si mocht gedraghen den arbeit
vander ordenen wale, D. War. 3, 320, 1290. Dan
roepen si an Onsen Heere, ende bejaghen met
beden des, dat hi daer sende zelencides (eeme
vogelsoort) , Nat. Bl. III , 3636. Dese beja^de aa
Foeken mede, dat die kerke van Rome der stede
hovet van allen kerken ware, Sp. III*, 59, 45u
Dan radic wel dat men bejaghe ane den kejser,
dat hi gheteme, dat hi dese jonfinonwe neme
{aldus leze men), Limb. I, 2252. Ten Jodea
aroech hi haetscap groet ende hi bejaechde aa
den coninc dat mense al sloughe te doet, AUr.
TV, 927. — Ëenigszins anders moeten de twee
volgende plaatsen verklaard worden : || Natnerbad
an haer bejaget, dat si onverdrietelec was , />. War.
7, 394, 4. Ane hare had die nature bejaecht . .,
dat haers ghelijc niet wesen en mochte , t^ad. Mms.
1 , 333 , 4 . {de natuur had zich aan haar persoon ,
haar wezen zoodanig uitgesloofd, zóó Aiutr tot
gedaan, dat; de natuur had aan hater persoom
bewerkt (niet bij haar uitgewerkt, van haar ffcdatu
gekregen). Het verschil in opvatting ligt dns niet
in het werkwoord, maar in de afwg kende kracht
van het voorz. aen),
3) Met een object dat iets onaangena^mu ^ eene
ramp uitdrukt (in tegenstelling van de onder Ti
genoemde beteekenis verwerven). Veroorzaken^ he-
rokkenen. || Doe was bevonden ende bevrag^t, dal
hi die mort hadde bejaget, Sp. III*, 18, 83. Het
ware scade dan alte groet, bejagedi nwes sel&
doet, Lanc. III, 3197. (Nu) hebbic tnsschen bdd<
bejaecht viantscap als een verrader, Hein. Nmi,
387, 108. Siecheit in thoeft, bejaecht Tan covde
773
BEJA.
BEJA.
774
ofte andersins, Belg. Mus. 10 , 276. — Deze bet.
splitst zich weder in twee hoofdbeteekenisseu , al
naarmate óf de persoon zelf, óf een ander het
voorwerp of doel der handeling is.
«) zich zelven berokkenen, zich op den hals
iülén, (^loopen. \\ Daer die stat in mochte bejaghen
vele vernojs ende vele plaghen, Wrake III, 722.
Tibert heeft ene vaste line, die hi bcjaghede an
sine kele . . int huns daer hi den pape beet,
Jtein, I, 1940. In dien dat ie uwen evelen moet
daer an niet en waende bejaghen, Frouto. e. M,
1 , 80. Dat hi gheenen ondanc en bejaghe in deene
noch in dander side, Ltp. III, 4, 618. (Dat hi
sonde) viande soe vele bejaghen, dat bijt niet en
mochte ghedraghen, Doet, II, 372ö. Soe dat hi
niet en was ghesint over te waden in dier noot ,
want hi beyaghen mocht die doot, MLoep II,
180. Du hebs den doot om m^nre liefden wil
beyaecht, 362. Coerts ende apostemen bejagen, Lanfr,
34r. Omdat hi gene grote viantscip bejaghen en
wonde anden (d. i. Uj hef) volc van Israhel , D. B,
I Maeeab. 13, 17. Vloeke bejagen, JHtp. 323. — Bij
Utenbroeke wordt die doot bejagen onjuist
gebruikt in den zin van den dood ondergaan. \\
Yaleriaen ende Gallen daden die achtende {persecutie),
bi wien de paeus Steven heeft die doot bejaget,
^. IP, 11 , 35. Aureliaen , daer Agapitus ende Sym-
phoriaen . ^ hebben bi die doot bejaget, ald. 41.
b) Iemand anders iets berokkenen, bezorgen. \\ Met
een pers. of zaak als ondw. || Ay,jonckfrouwe!dat
hebdi ons bejaget al, Lanc. II, 36748. Deseover-
daet ende andere mede . . bejagedem meneghen
viant, Sp. 1\ 101, 43.
4) Met be in de bet. van bedoelen , pogen , streven
(vgl. bedoelen, beproeven e. a.). Najagen, nastreven,
trachten te bereiken,
d) Eigenlijk. In het Mnl. zijn nog geen voor-
beelden gevonden, doch wel in het WtA. en Mnd.
b) Overdrachtelyk. Najagen, trachten te krijgen,
trachten op te loopen. || In hetewys en genen man,
hi ne bejage . . die edele wjsheit, Velth. 1,34,3
(vgl. Melib. 836). Vanden questen . . , diemen dore
t^^l moeste bejagen, Lanc. lY, 301.Dune souts
genen sot te vriende bejagen, Sp. I*, 39, 16. Ie
rade u ende wille oec wel, dat gi enen vrient
bejaget, die u help dragen dat gi draget, Bose
2712. Diere gherechten, groet ende smale, vet
vleesch willic bejaghen, Denkm. 3, 27, 372.
Elck beyaecht wel sijn ontbiten, die bidden can
om Gode broot, Hild. 172, 100. Souden dichters
conste draghen , ende twisken tyde gaen bejaghen
van base te huse haer beyach? 95. Ie hebbe u
gekoren, dat ghi selt gaen ende vrocht beyaghen,
L. V. J, c. 215. — Ook met eene bep. met ane,
ter aanduiding van den persoon, bij wien men de
moeite doet. (1 An hem hebbic die dinc bejaget,
die tswert vander kerken draget, Sp. IV*, 52,96.
— In plaats van sijn bejach bejagen, in zijn
onderhoud voorzien, gijn kost oploopen, vindt men
ook bejagen alleen, schgnbaar intrans. i| Dese
laetmen bidden bi gedoge van doren te doren ende
bejaghen, Bose 10740.
Wederk. — Hem bejagen (vgl. het Mhd.
en het Mnd.), waarin hem oorspr. 3de nv. is:
Hem sgn bejach bejagen, den kost voor zich
zelven oploopen, maar door de weglating van sijn
bejach is het een zuiver wederk. ww. geworden.
1) In zijn onderhoud voorzien , zijn kost oploopen.
Hetzelfde dus als hem bedragen, waarmede het
somtij ts in varr. afwisselt || Sulctyt comen die
gallot« bi der zee ofte uutlaghen, die met rove
hem bejaghen, Farth. 1073. Daer syn so vele van
dien uutlaghen, die hen met rovene bejaghen,
6334. Als hi sine jonghe slet, helpt hi hem
voort toten daghen, dat si hem selven moeghen
bejaghen, Nat. BI. III, 236 (var. bedraghen).
Haer weide leet te dale waert ende in berghen
ende in haghen, aldaer si hare can bejaghen, II,
941. Doe hi bi den honden quam, ende si hem
tbeen brengen sagen , riepen si : dese can hem wel
bejagen, Bein. II, 7506. Dus bejaecht hi hem
omtrent; daer hi rike liede weet, hi nemt hem
haren scat ghereet, C. en El. 260. Dus nauwe
hebbic mi bejaget ( : gecnaget), Bein. I, 2134
(Hs. Niet onmogeiyk is het, dat er oorspronkeiyk
in het Hs. gestaan heeft bedragen: gecnagen (vgl.
Jonckbl. t. a. p., en Tijdschr. 1, 18), doch het is
niet zoo noodig, aldus te lezen, als ter laatst
aangeh. plaats beweerd wordt, en in geen geval is
bejaget fout).
2) Iets voor zich trachten te verkrijgen, zijn best
voor iets doen (vgl. bejagen 4t). \\ Nu gaet enwech
u eire bejagen, u sermoen en mach niet dragen
(baten), Bose 13161.
3) In het algemeen. Te verk gaan. || Des nachts
si hem aldus bejagen: si hebben twee gheete
geslegen, die veile genajrt ende gedwegen ende
daeraigemaect II malen, dat vleesch ziedsi sonder
talen, Sp. III*, 33, 90. Elc merke hoe si {de mier)
haer bejaghet, want elke miere bordene draghet
na die groete van haren live. Nat. BI. VII, 662.
BE JAGINGE, znw. vr. Het blagen, bijeenschrapen,
verzamelen , ophoopen. \\ Die daer samenen dat zei ver
ende dat gout . ., ende hare bejaghinghe ne es
niet ends, Twn est finis acquisitionis eorum, Hs. v.
1348 , 147c (Baruch 1 , 6).
BEJEGENEN (beiegenen, beyegenen), zw.
WW. bedr. " Van jegen, d. i. tegen, afgeleid. — 1) Eig.
ontmoeten, tegenkomen. Met een pers. en eene zaak
als ondw. || Doe hi dat boec eerst opdede, be-
jeghende hem {viel hem in het oog) ons Heren
woert, daer hi selt: Ganc ende vercoep al dattu
hebste ende ghif den armen ende volch mi, Ned.
Proza 193. Die toecomende dinge , die u beyeghenen
moghen, uw deel kunnen zijn, Gerl. Peters 210.
Wat u dan beye&^ent, dat nemet voer dat airebeste,
dat u bescheen {geschieden) mach, a/^. 211.
2) Aandoen, treffen. \\ Alse hii {de vijgenboom)
van eenen groten winde wert beieghent, Openb.
Joh. 8, 13.
3) S^h verzetten tegen. \\ (Hij) zoude dat vonnesse
niet moghen bejeghenen noch prejudiciëren als
gheleden in crachte van ghewysder dinc, Cout. v.
Brugge 2, 50.
BEJEGENTHEIT, znw. vr. Eig. bejegening,
maar voornamelijk gebruikt in den zin van kwade
bejegening , nadeel dat men iemand berokkent, smaad.
II Eerachtich, eerlic leven alteenen wilt dat bi
gracien mi verleenen victorie voor alle bejeghent-
heide, OVl. lAed. e. O. 454, 106. Hare scaemte
ende hare bejeghentheyt es mi leedt, Oron. v.
Vlaend. 1 , 98. Alle andere lettren van verbande . .
ghemaect . . ter prejudictie ende bejeghenthede . .
onser stede van Brugghe, Cout. v. Brugge 2, 11. —
In bejegenthede, ten nadeele. \\ In bejegent-
heden ende bedervenesse van den ingheboome
vanden lande van Vlaenderen, 1, 603. Vele zaken
doen grootelic in bejeghenthede vander poorterie,
2 82
'bEC, znw. m. Fr. bec. Zie Littré 1, 322.
1) In de tegenwoordige beteekenis Bek. \\ Hi
scuerde hem (tserpent) sinen bec so wide , dat hem
775
ËECA.
BECA.
776
thovet hinc in twier side , Wal. 361 , e. e. — Ook in
de spreekwijzen — Bec jegen bec drincken,
met zijn beiden^ in gezellig tamenzijn drinken, Fr.
bec h bec, d. i. en tite h téte (Littré 1, 321).
II Zo sullen wi drinken eenen tueghe, ende wi
sullen senden omme pentsen , so snllen wi drinken
bec jeghen bec, lAvre d. Mest. 19. — Op den
bec riden, over de tong gaan. \\ Daer by moeten
se een ommeslach vinden , vrouwen , die becommert
zijn met sulc gbebrec, of zy zouden op der quaeder
bec haestelic rijden, Belg. Mm. 6, 66. — Bij
uitbreiding wordt bec gebezigd van alles, wat
puntig is, en wel van den
2) Angel d^r insecten. Van de vliegen zegt
Maerlant: || Men vindt becke an hem somen, daer
si mede steken sere, Nat. BI. YII, 751.
3) De puntige nitsnijdsels aan den boord der
kleederen y puntige scAulpen. \\ Sal een man eencleet
maken, hi doedt fronsen met langhen becken,
Rnusbr. 2, 175.
4) De punten der schoenen, die dikwyls met
kostbare kettingen en edele steenen waren ver-
sierd. II Scoen zolen die broeder draghen zonder
snoere end zonder becke ende zonder gaspen,
D. Orde 223. Vgl. de Aant.
5) De punt van een snijdend wapen. \\ Metten
becke van eenen haexs, Jan Yp. 61. Dat den houc
ofte den bec de lyse mach dore hebben ghe-
slaghen, ald.
BECAENT , bnw. Kil. bekaemen, bekaenen.
Incanescere situ, mucescere; bekaemt, canussitu,
mucidus\ bekaemtheyd, canus situs, mucor.
Van het eveneens bij Kil. voorkomende kaem of
kaen (bl. 273), d. i. schimmel, en van eene vloeistof
gebezigd kiem. Verzuurd , bedorven. || Ic.drincke
daghelicx bier , H smaecte me hier voortijts bekaent ,
vermostelic, ZFl. Bijdr. 5, 316, 38.
BECAET , bgv. nw. Van code in de tegenwoordige
beteekenis. 3fet eene kade, eene water keering om-
ringd. II Dese 500 raergen, die de inwoenders
gebruycken, zijn bekaet, Inform. 312.
BECACKEN, zw. ww. bedr. Concacare{^\\.^'l).—
Ook wederk. gebruikt Hem becacken, zich
bevuilen. \\ Ander die dat saghen , waeren al soe
vervaert, dat zy hen van anxt becacten, Gesch.
V. Antw. \, 451.
BECALLEN, zw. ww. bedr. Mhd. bekallen-,
mud. bekallen. Van callen (zie ald.).
1) Bepraten, bespreken, a/spreken. \\ As vanden
kirmyssen (rommelzode?) . ., daraff is bekalt . .,
dat wy die to samen an onss hebben sullen,
Nijh. 5, 79. Unde is bekallet, dat men synen
genaden . . den Rosendall, Hattem unde Grave
leveren sal, 108. Und is bekallet, dat . . frunde
myns gnedigen heren . . vyande werden sollen der
hertogen van Oesterrick, ald. Alle saken, die
bekalt ind opten voirgehalden dachfairden benotelt
sgn, 6, 55.
2) Bepraten, door praten tot andere gedachten
brengen, overhalen. \\ Doe die barbier dit vernam,
bekalde hi die scipluden met gelde , dat si hom
lieten lopen, Dial. Creat. 82^. Nadat die biscop
Jojada gestorven was , wort hi (Joas) bekalt overmits
fiattieringe der moghender princen. Fase. Temp.
27r. — Ook in de uitdrukking Hem laten be-
c allen, zich laten blaten. \\ Jouathas liet hem
weder becallen ende gheloefde hair woerden ende
gaf hair dat span te bewaren , Qest. R. f. 149(7.
3) Hetzelfde als béclappen (zie ald.). Ktoaad
spreken van iemand, hem belasteren ; of, met eene zaak
in den 4den nv. , op de spraak brengen , uitbazuinen. \\
Tegens die ander Inden ontruften {diffamare) ende
becallen, D. War. 6, 201. Ander luden souden te
becallen, Devoet B. (36) 22r.
BECAME, BECAMELIJC. Zie beqüame , be-
QUAMF.LIJC.
BECANDE, znw. vr. (?) Enen in becande
sij n, iem. bekend zijn {?). || Dies ons wesen mach in
becande, dat sy berrende licht in die handen
hadden, daer si ons lichten by huter dolinghen te
werdene vry, Amand II, 6190. Doch er bestaat
gegronde twijfel aan dit woord; immers de vorming
laat zich niet best verklaren en de verzen 6190 — 93
zgn hoogst waarsch^nlijk geïnterpoleerd: de rijm-
woorden komen ook vs. 6184 vlg. en 6178 vlg.
voor , en in vs. 6185 is becande het impf. van bet
WW. bekennen.
BECANDEN , zw. ww. bedr., in beteekenis gelgk
aan het meer gewone beconden (zie ald.). Bekótd
maken. || (Si) gheloefden daer . . dat siYIIjaer..
om haer broet souden gaen in ellenden, in Ylaender-
landen, eer si hem souden laten becanden , Yelth.
Y, 25, 48.
BECANT. Zie bekent.
* BECARINEN, verkeerde lezing, Lett. N. R.
7', 130, 31 voor becarmen. Zie berermen.
BECAKMEN. Zie bekerhen.
BEKE , znw. vr. ; mhd. hd. back ; mnd. beke. Zie
verder Grimm 1, 1057; Eluge 13. In dezelfde
beteekenis als heden beek; b. v. O. II. F'. 65; 74;
Vierde Mart. 9 ; e. e. — Ook gebruikt in de thans
verouderde uitdrukking: In ene valsche beke
s e i 1 e n , in verkeerd vaarwater zijn , den verkeerden
weg opgaan. \\(jO^ hi doedt ons seinen: wi seilea
in der valscher beken; onse scep cranc sien wi
leken , Vierde M. 278.
BEKE, BEERE (?). || Nyemant en moet beeken
barnen binnen der vrij bede up X se. Hollans;
noch en ghien poirter en moet beeken barnen op
eenre mile na der stede , bij der buete voirs O. W,^
V. Amst. 40, 51. — Zie baken en beken.
BEKEER, znw. o. Bekeering. Y g\. mnd. bekere. \\
Sonder bekennisse haers selfs, sonder bekeer ende
rouwe, Rnusb. 3, 203.
BEKEERLIJC, bnw. Yan bekeren (zie aldV
Eig. vlug in het wenden , geschikt om om te ketren,
en vcrv. vlug in zijne bewegingen, vlug, snel. |]
Tlicht . . is vluchs bekeerlic ende is begin alre
natuerliker beroeringe, Barth. 338d.
BEKEERNESSE, znw. vr. Yan bekeren in den
zin van tot het ware geloof komen (zie ald.).
Bekeering. \\ En gaet niet onder dat heidene vole
(want de tyt van harre bekirnessen en qnam nof
nit), L. V. J. c. 51 Aant.
BEKEERSAEM, bnw. Yan bekeren. Eig. ge-
schikt om om te wenden , gemakkelijk om te keerm.
Yan een persoon gezegd. Hij die zich gemaiielijt
(ten goede) laat leiden, vatbaar voor goede na-
drukken, geneigd tot het goede. \\ (Si) ontfingha
die nuwe wet ende hier omme waren si bekeersam,
haestich ende bereet tote allen doechden , Ran»b.
2, 114 (Surius vertaalt het door fiexilnles. Dat
tote allen doechden bij bekeersam behoort, blfkt
uit het volgende voorbeeld).
— Afl. Bekeersaemheit. II Bekeersaemheittt
den wille Gods tote allen dogheden, animifmti&i
injlexio, Ruusb. 6, 38.
BEKEERT, znw. m. Eig. deelw. van het ww.
bekeren , in den zin van tot inkeer komen (zie ald.1
Als znw. gebruikt door Yeldeke, in den zin vaa
hij die van de wereld af stand gedaan keef t , kUtoster-
ling , ongeveer hetzelfde als een begeven man (zie
777
BEKE.
BEKE.
778
begeven). II Wijse ende geleerde, die gheordende
ende die bekeerde, Serv, I, 632. Gheleerde ende
ongheleerde, werrentiike ende bekeerde, 1122.
BUschopen ende gheleerden, gheordende ende be-
keerde, keersten priesters ende leeraer, II, 231.
BEKEN (beeken), O. W. v. Arrut. 40, 7.
Waarschijnlgk Wfriesche dialectYorm van baken ^
in de bet. seinvuur, vuur in 't algemeen. Zie beke
eo BAKEN.
BEKEN (bekin), znw. o. Eig. stam van het
WW. bekennen (bekinnen).
1) Kennis. — a) In abstracten zin. || Onder n viven,
dat ghi eendrechtich tsamen moet bliven, alsoe
ie hope, na recht bekin, dat sal volcomen, Blisc.
V. M. 1810 (eig. naar juiste kennis^ d. i. indien
U mij niet vergis).
h) Concreet: Personen die men kent ^ kennissen. \\
Wie soe es van uwen bekinne lachtert n utermaten
sere, Limb. IV, 384. — Ook in de uitdr.: Cl e in
beken hebben, toeinig kennissen hebben^ geheel
onbekend zijn (vgl. de uitdr. hem clene bekennen ,
kol. 784). II (Si) keerden weder . . ter stad wert
in, daer si hadden clene bekin, doch ontfinc
mense wale , Zimb. VII , 240. Si quam te Vinegen
saen , allene qnam si daer in , daer si hadde clein
bekin, VI, 2440.
c) Eene plaats die men kenty schuilplaats (van
dieren gebmikt). || Die herten vloen in haer
bekin , die kindre volgeden sere mede , 1 , 108.
2) Van hem bekennen in den zin van begrip hebben
(lie ald. 2e). — Inzicht, begrip. || God gheve hem
beken , dat si hem bedencken moeten , JBem. W. 1 ,
1436. Ist dat hi bi avontare tot beken comt,i>i0/.
Oreat. 7Sd.
3) Enen bekin doen, iemand mededeeling
doen. Vgl. bekennen in den zin van mededeelen en de
uitdr. bekent doen. \\ Ie sal di doen so claer bekin,
^ap. Rog. 1626. Om claer beken hem te doene
van der zaken, Brab. T. VII, 14460.
4) Van hem bekinnen in den zin van bij zijne
tennis zijn (zie ald.). Bewustheid. || Die grave
bleef doet sonder bekin, ende Ritsart voer sire
straten, Lorr. II, 4643. De woorden sonder bekin
zouden , zonder den zin te schaden , gemist kunnen
worden.
BëKëNLIJC (bekennelijc, bèkEnnentluc),
bnw. en bijw. Mud. be kent lic \ mhd. bekent lich.
Geschikt om te bekennen of om bekent (mnl.) te worden.
Als BNW. — a) In actieven zin.
1) Van bekennen in den zin van it^nn^y» (zie ald.).
Begaafd met de vatbaarheid om te kennen, om
personen te kennen en te kunnen onderscheiden
(verg. ons hedendaagsch kennelijk, van een kind
gezegd). II Yewain van den Velde tooght ons, dat
de hond is die bekenlicste heeste ende die loyalste
van der weerelt, Livre d. Mest. 41.
2) Van bekennen in den zin van begrijpen (zie
ald.). Begrips- . || Die namen . . die condt maken
bekenninge, die worden gehieten bekennentlike ,
Barth. ba.
b) In passieven zin.
3) Kenbiiar, duidelijk, gemakkelijk te onder-
scheiden. II Ten ouste, als elkerlgc van siere vrucht
bekenlic ware , soudemen twiet {het onkruid) utelesen
dare, Rijmb. 23390. Dit es tslot van derepistelen
fijn, daer ons bekenlic in mach sQn, dat sente
Pouwels segghen wonde dat Christus hemselven
gheoffert sonde hebben, Amand II, 6108. Daer
mocht men wonderlike achementen sien van silver
ende van gonde, ende van lasuere, also elc wonde
hem selven daer bekenlic maken , Grimb, II , 6709.
4) Gemakkelijk ie kennen, bekend. \\ Van desen
landen en derfmen niet noemen die steden, want
si siin bekenlic in menich lant, Mandev. c. 27.
Dat niemant in Vriesland visken en sal, hi en si
bekennelike ghebure ende wonachtich binnen Vries-
land, Mieris 2, 212fl («.1319).
Als BIJW. — Blijkbaar, duidelijk, \\ An die groot-
heit . . der creaturen so machmen bekenlic sien
den scepper van desen , D. B. Boec der W. 13,6.
BEKENNE, znw. vr. Hetzelfde als beken, ^ock
opgevat in den zin ywa. bekentenis. || MitsWillems
ende synre vrienden oetmoedlAi vervolch ende
guede bekenne van sQnre misdaet, O. R. v. Dordr.
1, 317. — Zie ook bekinne.
BEKENNEN (bekinnen), zw. ww. bedr. en
wederk. (impf. bekende, becande; deelw. bekent,
bekint, becant). Mhd. bekennen ; mnd. bekennen. In
verschillende opvattingen.
Bedr. — 1) Leeren kennen, bekend worden met
iem. of iets ; zoowel door met zijn persoon als met
zijn karakter bekend te worden.
a) Enen — , iemand leeren kennen, WDoeae die
keyser oec bekinde, so wil hise nemen te wive,
Sp. W, 79, 36. Hi claechde vele ende harde dicke ,
dat hi Beinaert nie (d. i. ooif) bekinde, Rein. 1,
2808. Ie rade des elck hem daer toe reyde, dat
hi bekenne sinen vrient, Hild. 66, 272. Die in
den noot vrient bekinne, sie draghen warachteghe
minne, Bouc v. Sed. 826.
b) Iet — , iets leeren kennen door mededeeling,
kennis krijgen van, vernemen, te weten komen. \\
(Amand) die blyde was uter maten, als hyspaeus
brieve bekende , Amand II , 3440. Vrouwe , nu bekent
den noet van desen tween wesen , Beatr. 882. Nu es
het tijt dat gi bekint der kinder name ende hare doen :
doudste heet Gadifeer van Pheson , Cass. 182. Doe
hi horde ende bekende, dat Baasa, coninc van
Israël, hem verbolgen was ende fel,5]p. I*, 29,
62. Die sake en canic niet bekinnen, waer bi dat
wert ghedaen, Heelu 1806. (Si) senden boden
om Amande, die daer quam, als hyt becande,
Amand I, 3149. Daer dedi (^^n^^itr^z^) sinen ende ;
die paeus Gregorius, diet bekende, screef sine
vite, Sp. III*, 23, 33. Doen si bekenden der heren
sin {het plan), Lanc. II, 46877. Tirst dat hi die
sake bekint, ward hem dat herte swaer, III,
23366. Daer wanic dat eerst maer becande ülixes
van synen lande, Trogen^%l^, Claudins die keyser
bekende die mare van Herodes ende, Rijmb.
27237. Die na sente Matheus historie ons Heren
generatie bekennen wilt, hi vindter van Abrahame
tote David virtine , L. v. J. c. 8. Wie was die sulke
gave becande, Wap. Mart, III, 369. — Evenals
het Lat. novi, noveram, heeft ook ie hebbe
bekent, de bet. van den tgw. tijd t^ A:^, en staat
ie hadde bekent gelfjk met ik kende. \\ Dat
kint loech up hare als of hetse hadde bekint,
Rijmb. 17238. Den vorsten, seitsi, hebbic becant,
dats myn neve, die Grave Roelant, Ren. 6. Sy
wisten wael der lude sede, ende hadden wale
bekant die rechte weghe doer dat lant, Serv. II,
1373. Nathanael vraegde waer bi hevestu bekennet
mi? Rijmb. 22329. Van allen diene hadden
becant was hi beclaghet herde sere, Stoke III,
694. Ie hebbe prochiepape bekent, N. Doet. 383
{Belg. Mus. 8, 278; zie over deze plaats Taalk.
Bijdr. 1, 66 vlg.). De heer heeftse bekent, wie
sij (/. sijn) sijn, de Heer kent ze, die de zijnen
zijn, Hs. Ib, II Tim. 2, 19.
c) Leeren kennen door aanschouwing, zien, aan-
schouwen. Vgl. het Gr. olda- || Qi sal doen ge-
779
BEKE.
BEKE.
780
reiden een instrument, dat so wat kersten liede
dat dat bekent, bi sal bem alte sere vervaren,
S^. II*, 4, 101. Haer docbte, dat si nie badde
bekant scoenre ridder in enecb lant, Ferff. 787.
(Hi) maecte sire bede geen ende, vor bi bem
geboort bekende. Franc. 3951 („voor dat b^ zicb
verboord 2^"). Een beer macbmen billics prisen
daer recbte wijsbeit in wort bekent, Hild. 72, 102.
Buten Europen liggen eylande vele, die noit man
becande, Alex. VII, 1749. Zine te voren ebben
bekint jucbticb ende ongesint, Irane. 10402. (Si)
vant die steden'. . ., daer die martelere lach
gebende, maer waer bi lacb si niet en bekende,
Sp. II*, 49, 24. (Pilatus) dwoecb sine bande,
aldaert menecb man bekande , Rijmb. 26371. Scoenre
wijf noit man bekande, Ferg. 1196. Een licbt,
daer bi bi becande den wecb, Amand I, 6186. Si
badde baer aensicbt overdect, om datment niet
bekennen en sonde, 2>. B. Oen. 38, 14. —
Vgl. Halb. Jant. bl. 69.
d) Leeren kennen door oplettendbeid, bemerken , op-
merken j waarnemen. Wiemen ne mocbte bekinnen
tseer dat bem lacb in tberte binnen , Farth. 2448. Dat
Satban up dat cruce sat ende wacbte Jbesus ende , te
siene of bi bekende enegbe smette die in bem
ware, Rijmb. 26494 var. Als bi bi bem (door de
vinnen) macb bekinnen in sinen sprongbe viscbe
comen, bevet bi sine proie gbenomen, Nat. Bl.
V, 936. Hy nie van bem becande, dat by en wilde
hebben gbeboent, Troyen 10396. Alse bem die
Fransoysen bekinnen sonder coninc in dien daghen,
hebben si overeengbedragben ende namen raet,
Sp. IV», 9, 36 (vgl. Brab. T. II, 6631 lAlsi hem
sonder coninc sagben).
e) Leeren kennen door den geest, inzien^ be-
grijpen^ verslaan. \\ Doe bekende si wale, dat was
een warich bode. Lep. II, 7, 96. Doe die coninc
{^Salomo) boorde dese tale, bekende bi alte bant
wale, wien tkint behoorde toe, I, 47, 61. Die
vrouwe ten laesten wail bekande .., dat die jongbe
man bair wail gonde, MLoep II, 1408. Die
ydele predicare . . sal daer wel bekennen dan,
dat bi niet en bevet daer an. Franc. 4099. Gbi
selt sien ende gbi en selt nit bekinnen, dat gbi
siet, L. V. J. c. 92.
f) Leeren kennen door studie, nagaan^ onder-
zoeken. II Gbi beren, die wet ende recht hebt
bekent nu ende echt, Alex. VIII, 621.
g) Leeren kennen door gehruik, zich bedienen van ^
gebruiken. In dezen zin bezigen ook wij schertsend de
uitdr. kennis maken met. \\ Tis reden dat si vrouwen
minnen entaertoe goeden wijn bekinnen, Hild. 190,
121. Het waert te tellen al te lanc, boe my mijn
moeder daer toe dwanc. Ie salt beteren metten
brande, dat ie wijfs cleder ye bekande, Troyen
f. 45 i. — Sinen wille bekinnen, dat dus eig.
beteekent ondervinden^ genieten wat men gaarne
wil (vgl. bij wille), wordt gebruikt in denzelfden
zin als sinen wille doen (vgl. ald.). || Dus sijn
lieden die niewer om el vrouwen connen volghen
so wel . . , dan dat sie willen bekinnen baren
wille daer ave, Beest 129.
2) Deze beteekenis van kennis maken mei, kennis
dragen van, wordt overgebracht op den omgang
tusscben man en vrouw. Men kon in bet mul.
even goed zeggen eene vrouw bekennen als eenen
man bekennen. Omgaan met een man, eene vrouw,
a) Ene vrouw, ene magbet, een wijf be-
kennen. II Dat ene magbet sonde dragben kint,
die noeyt ne was van manne bekint , L. o. R. 189.
— r Ook bekent sijn met, in denzelfden zin. ||
Hoe si mocbte dragben kint, die noeyt ne wu
met manne bekint, 261. — Ook de thans alleen
gebmikeiyke opvatting van vleesckelijke gemeenschep
oefenen komt reeds in het Mnl. voor, b.v. Z^i^. Dl,
3, 1110; Sp. II-, 70,60;Zai«:.n,23935;£.fliO.
p. Delft, 69, 10; 60, 11 ; e. e.
b) Enen man bekennen, omgang met et»
man hebben. Lat. consuesse viro. \\ Hoe mocbte wesen
dat, dat ie een kint zoude dragben dan? leen be-
kende noit man , Lsp. Il , 7, 64 (vgl. Lae. 1 , 34).
Begorden sal si een kint, sonder enegben man
bekint, d. i. zonder eenigen man bekend ie kebben^
Wrake I, 1674. Ie heb minen eyghen broeder
vleyscbelic bekent, Qest. R.f 102 a, Ie heb twe doch-
teren, die noch gbenen man bekent hebben, D. B. Ge%.
19 , 8. Wiven, die mannen natuer bekent hebben, die
worget; mer die meyskens ende alle die witen,
die maechden sijn , bout tot uwer behoef, ald. N»m.
31, 17 (eig. dus „die de natuur, d. i. ketgeslsdd
van den man hebben leeren kennen", d. i. ^die
vleescbelijken omgang met een man gehad hebben").
3) Herkennen. || Doe Christus was opgbeütaen,
ende in den weghe quam gbegaen . . , en hebben
sine niet becant . . ; maer doe si bem dbroet
sagben breken, hebben sine thant bekint, Doet.
I, 676. Bi der talen, die Brune heeft begonnen,
bekenden altebant Beinaert, Rein. I, 538. Den
coninc wart die herte onvro, die Brune bekende
te bant ende sprac: Dits mijn seriant Brune, 982.
Nu segt mi . . : bi wat tekene men sal u bekinnen
overal, alsmen us te doene heeft. Rosé 10268. En
hebdi genen scilt dan ? — Nenic , dien ie dragen wille,
. . . men souder mi bekinnen bi, Lane. IV, 570.
Met eenen scerpen anziene wart hi bekennende
te dier aren sinen gheselle, Bloeml. 3, 15, 236.
Te richt heeft sy dat schip bekant, daer sijt van
verre int water sach, MLoep I, 1552. Dat dese
ridder, dien ie selve ridder gheslaghen heb, mi
nu niet en bekent, Oest. R.f. 68 b. (^) viel opsgn
moeder, die in onmacht lach, ende b^ bekende
sgn moeder, Fass. W. 41 «. Begaert wert voor hem
geleit en Beyaert rook aan de pelgrims en bekende
sijnen Heere, Heemsk. 85. Daer waren Inde wt
Hollant verdreven . ., die bekenden des conincs
wapen, Clerc 113. So quam bi in een nauwe strate,
daer hi bekent ende aengetast wert van sinen
vianden, Exc, Cron. 255^.
4) Kennen, weten. Vgl. Lat. novi van noseo. |)
Een man, dien soe in daensichte niet en caa
bekinnen van sinen langben hare , Pt^th. 2671.
Soe wat riddren, diene becande , . . groten priishi
hem gbeeft, Umb. VII, 920. (Hi) vraechde hem
dan ofte {d. i. of) hi die litteren iet becant, ^•
II*, 73, 138. Inne bekinne desen man (Jtf^rtw) niet,
ie {Petrus) en roec oec wat hem gesciet, L. 0. E
2276. Oec conste soe van buten ghebaren scoenre,
dan soet meende binnen, dus mocht menze niet
bekinnen, Rijmb. 20422. Sinen soen, dien hi
minde voer alle die hi ye bekinde, MLoep I^
1437. Mit enen heucke overslagben . . , dat $i
quaet was te bekennen II, 3369. (Hi) wandelde
sgn aengesicht, dat mens conde bekennen nicht,
IV, 2069. Als by den clede quam gbehende, dtt
hi harde wael bekende, I, 1067. Die zedich vaer
ende goederhande, ende gbeen archeyt en bekande,
I, 3177 var. Sone mach men niet bat bekinnen da
mensche dan aen sine werken , Teest. 469. Si vochtea
van smargens toter none , dat men niet en conde be-
kinnen, welc den anderen sonde verwinnen, Lanc. lU,
2426. Hi wiste ende becande, dat harde vele der
viande waren gbeweken in die stede , 28467. Sine
781
BEKE.
BEKE.
782
wisten, te welker stede dat si glieraecten, no he-
kinden , Wal. 9306. Hem die dware bekinde , die de
vaarAeid wist, had (nl. Goé^, Kerk. CL 229.
Hi seidet mi, diet waer bekende, Hild. 23,
106. Die de cracht haers geests bekinden ende die
macht, Christ. 903. Die {dwaze maagden) en
kende die beer niet, ymmers so en wonde hi haer
niet bekinnen , Bern. W. 20a. Also snlwi oec Cbde
bekinnen ander creatnren, lAmh. Serm. 963. Ane
hare vrocht seldise bekennen, L. v. J. c. 49.
Alsoe men die sonne bekent an boere claerbeyt
ende die rosé aen hoer roke. Past. W. 6c. —
Amand I, 2024: „Amand, diene sacb bekende,
also hem de Helighe Gheest insende, viel neder
o?er sine knien," leze men: „Amand, diene taen
bekende" (Amand, die door de werking van den
Heiligen Geest wist, dat Petrus voor hem stond).
Oudemans verbetert ten onrechte bekende. — De
onbep. wgs als znw. gebruikt. Kennis, het weten. \\
Sonder dit bekennen mach in desen staet niement
wel becliven, no na dit leven behouden bliven,
Amand 1 , 5593. Die welke ansacb Gods moghent-
hede buten bekennene van den woorde, die bi van
der scriftueren hoorde, 3552. Dat hare bekinnen
worde ontslegen also lange, als hare God slevens
an, Sp. W, 49, 72. Ocht hi sonder u bekinnen
{buiten uw weten, uwe voorkennis) hadde geweest,
seide si, hier binnen, Lanc. II, 14751. Hoe wy
een claerre bekennen onser ghebreken hebben . . ,
hoe wi innichliker gaen ten heylighen sacrament.
Stemmen 111. — In deze beteekenis wordt bekennen
meermalen met laten en doen verbond, en in ver-
schillende opvattingen gebruikt.
a) In eigenleken zin. Zaten weten. || (Floris Y)
voer op ter selver stonde in Zuutbollant Tordrecht
binnen ende liet aldaer doe bekinnen, dat hitlant
berechten woude, Stoke lY, 112. Wil hine mi
oec geven niet . . met vrinscepen ende met minnen,
80 salict u doen bekinnen, Rertout 1025. Sijtmfjn
bode, brief kijn, aen een joncfrouwe . . gruetse
my seere, laet haer bekinnen, dat si is ghemint
van mi, Éand. Lett. 1870, 4.
b) Openbaren, laten blij ken. WDiue tale doet ons
(dat.) bekinnen, dat du een Galileus best, L.v.J.
c. 225. Hi was vele beter binnen, dan bi van
buten liet bekinnen, Theopk. 95. Mine herte doet
mi bekinnen . ., dat soe mi niet en sonde ontfaen
in hare herte binnen, Wap. Mart. II, 61. Die
letteren, die men daer ane sach, ane den sarc,
die daer up lach, deden ane tgraf bekinnen, wie
daer lach begraven binnen , Bein. 1 , 455. — Hem
laten bekennen, zich openbaren. \\ Alse hem
God liet bekinnen stervende vor die menscheit
blent, Disp. 461.
c) Met een pers. in den 4den nv. Iemand open-
baren, uitbrengen. \\\c bidde u, here, dat gi mi
ne doet niet bekinnen dan, al vragetter om
enich man; want wordic bekent daer (/. dare),
het mochte mi rouwen wel daer nare, Lanc. II,
14244.
d) Mededeelen. || Uut uwen boeken willewi vinden
ende soeken die redene ende doen bekinnen, Sp.
II*, 23, 96. Philosophe van groten doene . .
quamen te deser consilien binnen, daer selc dede
sinen sin bekinnen, 33, 5. Die vive {vtnnen)
wil ie di doen bekinnen, Tien Fl. 1240. Ovidius
doet ons bekinnen int boeke, daer hi leert minnen,
Melib. 2282. Nu hebbic u die gedane al . . in
menegen teken doen bekinnen, M. en Vr. Heim.
933. Avicenna doet ons bekinnen ende Ypocras
mede, 940. (Hi) deedt den priester aldus bekinnen.
wat mirakel daer was ghevallen, Hild. 176, 194.
Die gene deet (d. i. deed het) sinen here bekinnen ,
Lanc. III, 23458.
5) Onderkennen, onderscheiden. || So en const
nieman met sinen sinnen aen haren heileghen
lichame bekinnen vorme van haren leden engene,
Christ. 1139. (Si) berechtene soe, dat men ter stont
niet bekennen mochte nese noch mout, Lanc. II,
21624. Lieden, die evel ende goet bekinnen , jp/or. 12.
6) Bekennen, belijden, voor iets uitkomen, de
bedendaagsche beteekenis. || Dat cruce lyet ende
bekent , dat enz. , Disp. 459 ; e. e.
7) Erkennen-, van de waarde, het recht, de waar-
heid overtuigd sijn.
a) Met een persoon in den 4den nv. Van iemands
goed recht overtuigd zijn, iemand in zijne waardig-
heid erkennen.
a) In het algemeen. || Dan dinghen si {de vrouwen)
ende vermeten hem das , elc dat si die liefste was ,
entie die liefste wert bekent, doet an haer beste
parement . . . ende bemet mettem in den brant,
iS^. V, 37, 7. Die ridderscap rechte bekennen,
men cant volscriven mit ghenen pennen, hoe edel
dat hoer wesen es , Bloemt. 3 , 81 , 183.
^ Yan vorstelijke personen. || Hadsine willen
ontfaen met minnen, ende over haren here bekinnen,
Ales. l, 925. Si seiden {die van Aken) tote hem
openbare , dat hi haer Here niet en ware ; de stat,
woud si hem niet bekinnen, hijn soudse teersten
op hem winnen, Stoke III, 899. (Doe) si vrouwe
was bekint in alt lant . . , doe maectmen daer die
bruUocbt saen, Lanc. II, 47170. Nu segt minen
neve al bloot, dat ie hem ane die vrancscbe crone
niet en bekinne eene bone {dat ik aan zijne aan-
spraken op de Fransche kroon niet de minste waarde
hecht), Edew. 276. Die Geldersche bekenden te
bant den hertoge Reinout van Gelderlant gheweldicb
hertoge ende heere , ende hulden en , ende vort
meere hebben sine daer voer bekant sijn leven
lanc, Brab. Y. YI, 6475.
y) Yan God en Christus. Ze erkennen, in hen
gelooven. \\ Juliaen na das den riddere ane sine
oge genas, die Gode daerbi heeft becant, ^. II*,
37 , 129. Helpt mi dat ie mijn leit verwinne , ende ie
u {Jezus) ter noet bekinne, K Tj». 22. Den naecten
Jhesus , dat reine vat, wiltu niet bekinnen , Disp. 281.
b) Met eene zaak in den 4den nv.
a) Iets erkennen, de waarde van iets inzien,
vereeren. || Hoe Maria ... ten temple quam mitten
kinde ende boet Symeon bekinde, hoe Simeon in
het kind Jezus den Messias zag, Lsp. II, 10, 54.
Basilius doet ons verstaen ende seghet, dat hier
op souden scouwen die weduwen, die hovesche
vrouwen , ende dat weduwescap bekinnen , Nat. BI.
III, 3389.
^) Erkennen, gelooven in, \\ Nabugodonosor . . .
dancte Gode ende bekende sine macht over der
werelt ende, Bijmb. 16558.
v) Fan de waarheid overtuigd zijn, vandaar:
letten op, ter harte nemen, waarde hechten, acht
slaan op, geven om. || Here, om tkynt dat vore u
legbt, dat cleine es ende gby selve wout, soe
biddic u, dat ghy my des ont, dat gby myne
woert bekynt, Troyen 5869. Der ghierigher quaet-
heit is zo groot, datsi . . . gheen dinc en bekint,
en si datmen daer ane wint, Lsp. I, 28, 17. Dat
hi gheen van desen vieren bekennen wille no wel
antieren, Praet 1486 (de vier genoemde deugden
zyn: trouwe, minne, recht ende redene). Sie offerde
II du ven met haren kinde , die doetmoedeghe God
783
BEKE.
BEKE.
784
wel bekinde, waarop d€ genadige Ood in welgevallen
nederzag, L. o, H. 452. Hi (José f) bat in siere
lester bede, dat, alae God hare {der Joden) noot
becande, dat si met hem te heleghen lande sgn
ghebeente sonden draghen, Bijmb. 3366 var.
S) Met een persoon in den 8den nv. en als
object eene zaak, die uitdrukt datgene, waarover
men gebiedt (b.v. stad, burcht, land, recht, enz.).
Iemand* recht over zulk eene zaak erkennen, hem
aU rechtmatig leenheer daarover huldigen. || Daema
boden si die bande , dat si den coninc bekinden te
bant beide borge ende lant, ende si ontfingent te
lene weder, Lanc, Hl, 22154. Ygl. bij Lubben 1,
210 6: „He sal der ttadt bekennen alle recht, ^t^t
stadt Tan alle sinen vorefahren behalden hevet".
c) Met een obiectszin met dat. Erkennen , be-
lijden. II Ulixes die bekende daer, dat hy hem
seide waer, Trogen 10681. (Si) hebben becant, dat
die sege opten tjrant Maxencius , dien si verwonnen,
hen anquam bi Gods jonnen, Sp, II*, 19, 147.
d) Eene formeele verklaring ten gtmtte van iemand
afleggen, hem iets toekennen, \\ Bekennet die ghast
op dien dach onsen burgher wes of winnet hi
hem wes of mit rechte, Stadsr. v. Zwolle 93, 129.
Ofgherekent C. ende J. in die jaerbeden van 20,
24 ende 281 mare sjaers, die hem mijn here be-
kennede, fa. 21 ©, Rek. v. Zeel. 1, 501.
Wederk. — 1) Zich zelven leer en kennen.
a) Eigenlek, jj Die mensche can hemselven cume
bekinnen, hoe soude hi Gode dan versinnen, Lsp.
I, 2, 85. Wildi u selve wel bekinnen, ghi vindt
in uwer herten binnen ghenoech des ghi u moghet
scamen. Nat. BI. III, 2887.
b) Met het by denkbeeld van tot inkeer komen,
zijne zonden belijden, berouw hebben. || Of Hi sint
hem (den mensch) enich torment, daer hi hem
selven mede bekent. Wrake III, 1200. Die
sondare, die hem bekent, bleef behouden, dander
gescent, i^. V, 23, 31. Sergius Pauwels heeftem
bekent ende genas van siere mesquame , ende wart
kerstijn in Gods name, I*, 11, 16. (Doch) en
bleef hi niet aldus verloren, hine bekeerde hem
ende bekende kerstijnlike vore sinen ende, III",
II, 33. Tenen tide stont die sot up die fonteine
ende maecte spot metten ridder, diese cochte;
ende eer hi hem bekennen mochte, sach hi die
fonteine verdroghen, Sp. III", 72, 17. Ofte hy
wert beroert in predicacien ofte in goeden exemplen
vanden heylighen ofte van goeden menschen, van
haren woorden ofte van haren werken , soe dat hem
die mensche bekennende wert, Ruusb. 6, 7. Alse
hi (de zondaar) hem bekint, endebedrueft, 5, 118.
c) Met het bijdenkbeeld van nederig, ootmoedig
zijn (vgl. het Gr. yvdQ^ aavióp)- |j Hoort hoe hi
(Herodes) ende, want hi hem selven niet bekende,
ende dat hi hem eren liet als men Onsen Here
pliet, Bijmb. 27217. Hemselven bekennen ende
onverhaven bliven, agnoscent se ipsos minimeque
animo se extollent, Buusb. 4, 155.
2) Begrijpen, begrip hebben, weten, leer en inzien. —
a) Absoluut. Il So soude mi dincken . ., nadat ie
mi in redenen bekinne (naar mijne bescheiden
meening, voor zoo ver ik begrip, oordeel meen te
hebben), dat het niement bet en behoort toe dan
vrouwen Gheertruden, Amand I, 5004. Weelde,
die hem wel bekent, (die de zaken goed inziet, zal
in de meening deelen, dat weelde) wert int ende al
torment, Sp. I", 62, 27. — b) Met den 2den nv.
II Parthonopeus woude dien soudaen te Chief doren
wel ontfaen, want hi bekinde hem wel das, dat
het wel sine ere was, Farth. 8014. — c) Met het
voorzetsel ane. Begrip, verstand hebben tan, weten
PAM. II Doen sy die wonden saghen gapen , waendeo
sy, dattet waer ghedaen met hem, mer hy ea
waer niet ontgaen, ten waer een meister van oneot,
die hem aen wonden wel bekent , Troyen f. 138i.
Ene dinc willic beghinnen, daer ie mi bat mocht
ane bekinnen, Theoph. 8. Die mint, hi doghet
sware avonture eer hi hem ane minne (/. minnu)
sede bekent, Hadew. 1, 9, 30. Hoe dat hi hem
bekende , tot het inzicht kwttm, dat Joseph niet en wu
verloren , Alex. IV , 585. — d) Met een af h. zin. jj Be-
kent u , waen dat ghi zg t comen ; bekent dat scheiden,
het sal u vromen, Esop., bl. 8, vs. 17 (aan een
prolepsis van *t subj. moet hier niet gedacht worden).
3) Kennis hebben aan , ergens bekend zijn. Absolnnt
of met het voorz. ane. \\ Om dat si (de wtairosen)
hem niet en bekinden bi sterren, no bi steens
cracht bleven si al dien nacht drivende, JUx. X,
1290 (omdat zij niet wisten, waar zij warn),
Aen Creten . . dreef hy, daer hy hem cleen bekande,
Troyen 9321. Daer ne woende nieman gehinde,
daer hi heme ane bekinde, Lanc. II, 45357.
4) Bij zijne kennis zijn, bewustheid hebben. \\
Aldaer dedi (Kar el de Oroote) sinen ende; welbc-
wisti hem ende bekende, ende maecte scone
testament, dat noch ter werelt es bekent, ^.IV',
32, 56 (Brab. T. II, 4338). Vgl. hem beweten.
5) Belijden, verklaren, zich r^r/t^^i». || Boden si
ten keyser senden, daer si hem ane bekenden,
dat hi hem hadde gebroken trouwe, want hi hem
gebrac in den rouwe, Sp. IV*, 18, 65 (Brab. T.
III , 1577). Hoe edel dat si waren , si waren vech
gesent bi scaren, te arebeidene in ellenden, hen
si of si hem bekenden , dat si gheloven desghelike
metten coninc Honorike, III*, 37, 81. — Hem
Kerstyn bekenneji, het Christendom aannevun.
II (Karel zond hun) Gauweloene, eenen edelen nun
van valschen doene, dat si hem Kerstijn bekenden,
Sp. IV», 24, 9; vel. Brab. T. II, 3587: „dat si
kerstendom ontfinghenj*
6) Hem bekennen in enen, in iemand ge-
loven, hem belijden. \\ Hoe hi den Heiligen Geest
woude senden den ghenen, die hen in hem be-
kenden, Sp. IV , 7, 33.
7) Eig. tot Jaren van onderscheid komen, vin-
daar: voor zich zelven kunnen zorgen, in zijne be-
hoeften kunnen voorzien, zich onderhouden. Het-
zelfde als hem bedragen en hem bejeigen. \\ Recht
eest dats elc vader pliet den kindren hare bedorf
te winnen, onthier ende si hem selven bekinnen.
Nat. Bl. IV, 582. Wat so hem met proyen bekent,
es ghetant ghelijc der zaghen, II, 78.
BEKENNERE (bekinnere), -are, znw. m.
Van bekinnen in den zin van kennen (zie ald.).
Kenner, hij die kent. \\ Baptist^, edel dopere Gods,
bekinnere oec des ewechs words, Rumb. Jv. 18.
God, du die daer best alre verborghenre dinghea
een bekennare , du die daer alle dinghe bekens eer
dat si ghescien, Hs. v. 1348, Sic.
BEKENNESSE (bekennenisse, bekinnesse,
BEKENNis), znw. VT. Mud. bekentnisse ; mhd. *^-
kentnisse.
1) Van bekennen, in den zin xa,n kennen (tïetli')-
Kennis. || Noch geen bekinnesse . . . haddic daer
af, van genen saken die nu in mynherte smaken,
Velth. VII , 16 , 46. Bekinnesse eest deen . . .
ende Minne eest ander . . . ; van kinnesse so cont
Minne, VIII, 28,26. Dat is ghewarighe bekennisse
Gods (var. kennisse), Buusb. 3, 147. Die altoes
sonder bekennisse haers selfs, sonder bekeer ende
rouwe in hare quaetheit bliven, 203. Soe vele
785
BEKE.
BEKE.
786
lichts heeft die camere als die ziele bekennissen
haers selfs heeft, Ned. Proza 338. Ghewarighe
bekennenysse Gods ende ons selfs , 36 * Dander
die beter beken nis badden, die vraechden na die
geestelike verlossinge van Israbel , F. m. f, 164 r.
— In bekennesse, ter kennis^ d. 1. opdat men
eUu^door zou weten \ waardoor wordt bekend ge-
maakt^ uitgedrukt^ bedoeld. \\ Bie Gods sone, onse
broeder lach IX maende in sijnre moeder, in be-
kennessen, dat hi die IX coren wilde verlossen,
Lueid, 1606. Daerom sal God na die plage
die werelt laten staen XL dage , in bekennesse al
bloot, dat hi bleef XL dagen na s^n doot , 2137. In
▼aerheit ende in bekinnessen hebben wi onsen
seghel ane desen brief doen hangben , aU een teeken
der echtheid^ Willems, Meng, 456. Dat die mede-
delinghe dijns gheloves openbaer moet werden inder
bekennisse alles gnedes in ons , Ht, Ib , Philemon 6.
2) Van hem bekennen in den zin van bij zijn
kennis zijn (zie ald.). Bewustzijn, helderheid van
geett. \\ (Hi) heeft in goeder verstennessen , ende
in grooter bekinnessen sijn testament gheordineert,
Brab, Y, VII, 17647.
3) Van hem bekennen in den zin van leeren inzien
(2 (t). Bekentenis, inzicht. || Beroa ende bekennisse
van haer onghelove, Bevoet, B f36) 69 r.
BEKENNINGE, znw. vr. Mnd. bekenninge.
1) Kennis.
a) Kennis van. || Weer (d. i. weder) si levende
of doot is , daer en heb ie gheen bekenninghe van
ghehadt , Gest. R. f. 223 a. Soe hadde Adam weten-
scap ende perfecte bekenninghe van allen dinghen,
140*.
b) Kennis aan. \\ Doe Appollonins dit hoerde,
soe hadde hi ter stont bekenninghe van haer , 198 a.
2) Bekendheid. || Dat dine heylige naem ende
dgn goede gerufte ende dine bekenninge si ge-
yestiget in ons , Con. Som. 94 a.
3) Middel om te kennen, kenmerk. \\ Dese vive
worden onderw^len geheten nociones , dat sijn be-
kenningen, want si maken die personen bekent,
Barth. 4 a. Dat hi mit drien bekenningen van den
anderen onderkent wordt, 4 b. En zoo meermalen ald.
4) In rechte. Het kennis nemen van eene zaak,
kei beslissen der zaak; lat. cognitie (vgl. cognoscere
eausam). Zie ook KENNINGE. || Des sel hem Hughe
belien of mit hem gaen aen bekenninghen van den
scepenen, R. v. Utr. 2, 125, 68.
BEKENT (becant, bekint), eig. deelw. van
het WW. bekennen. Gebruikt als deelw. en als bnw.
Zie Van Heiten in Tijdschr. 3,102—105, die hier
en daar eene andere wQze van verklaring voordraagt.
A, Als Deelwoord. — Zeer gewoon in de nitdr. :
bekent sijn en werden. Van bekennen in den
zin van opmerken, bemerken , gewaar worden (zie ald.)
afgeleid, beteekent de nitdr. oorspronkelijk: opge-
merkt, ondervonden worden of zijn. \\ Vroechde wert
dan wel becant, wanneer die somer hem verclaert,
Hild. 119, 5. Malcanderen nemen sy bijder hant,
dnsent vroechden werden dair bekant, MLoep II,
1173 y^ werden daar ondervonden, genoten, ge-
smaakf\ In sijn ander jaer wert becant ertbevinge
groet in menich lant, i^. II«, 45, 23. — Hiertoe
behoort ook Jmand 1 , 4785 : „ Amand ne wilde
rydens niet sijn becand , hij wilde niet rijdende ge-
zien worden. — Met den 3den uv. van den per-
soon. Iemand in het oog vallen; door iemand
gezien , ondervonden worden. \\ So dat sy quamen
ant ander lant , daer him dat chasteel wort becant,
MLoep I, 2907. U here, die van so hoghen state
was, ende here van al Oriënt, hem es nu die
doet bekent, Noch v. Salad. 22; „door hem is nu
de dood ondervonden, hij is nu gestorven." Ie was
gbebonden in enen bant , die my was yseren becant,
Tien PI. 1225; y^die ik ondervond, dat van ijzer
was." Och, myns (/. mi) en wordt nimmermeer
vroude becant ; „ door mij wordt nooit meer vreugde
ondervonden, gesmaakt, ik zal nooit meer vreugde
smaken, ubi? — Vandaar dat bekent sijn de
bet. aanneemt van het concreete zijn, „het zijn in
verband met den waarnemer gedacht" (vgl. De Vries,
Taalz. 19), en dus meestïd alleen uoor ons zijn,
bestaan moet worden weergegeven. i| Als die tij t
soe es bekint, dat die nacht den dacb verwint,
Mloep I, 2922; „als de tijd zóó is, zoo ver is
gekomen." Dapostelen worden harentare elc gbe-
dreghen in sijn lant, daer hi predekende was
becant, Sp. V, 51, 40. Dus wert Alexander bekent
(hier en elders kan bekent ook als erkend worden
opgevat; zie Van Heiten, t. a. p.) bisscop van Jheru-
salem, II*, 5, 64. Die meeste van der scaren
was daer AppoUijn bekant, n>, 30, 46. Die dan
niet en si verbrant, sijn geloeve si goet becant
{als goed erkend). II", 68,27. Pelagius die bisscop
was . ., wert van Valente verellent, eer dese
bisscop was bekent, 47, 37. Over dlant van Oriënt
was te dien tiden keyser bekent Maximijn Galerius ,
II*, 6, 1. Zoo ook II', 12, 112. Inghels {een
Engelschman) was Willebroert becant , Stoke 1 , 127.
In der zee op een eylant , dair man noch wij ff en is be-
kant, MLoep I, 1603. Een gulden appel was daer
becant, 2013. So is hi so veel meer gheschant, als hi
bogber is becant, 3133. Tusschen hem ende dat
serpent es altoes onvrede bekent. Nat, BI. III,
2911. Vol dogheden soe was si becant, Brab. Y.
VII, 2144. (Demetrius) ward daer coninc bekant
in siere vorders stede ende lant, Rijmb. 19879.
Daer toe . was bi die vroetste bekent van al dien
lande van Oriënt, 11221. Die seste es her Ghier
becant {aldus leze men), O VI. Ged. 3, 111; zie
Taalzuivering 18. — Zoo wordt ook de uitdr.
bekent worden gebruikt in de beteekenis
worden , en van zaken en gebeurtenissen geschie-
den, plaats grijpen. || Alsemen dese drie poente
vant ane den man, wert hi becant riddere, Vierde
Mart. 723. Een vriendelic drucken bijder hant wart
hem beyden daer becant, MLoep lll^l ; geschiedde
hun beulen daar, werd er door hen beiden gedaan ,
had er tusschen hen plaats. — Verg. oescien met een
3den nv. , in den zin van gedaan worden door. Ook
in het Mhd. werd de uitdr. becant sijn in denzelfden
zin gebruikt. Zie Ben. 1, 808a; Lexer 1, 164.
B. — Als BNW.
1 ) In actieven zin (vgl. ons bekend met), steeds
in verbinding met sijn of werden.
a) Absoluut. Kennende, verstandig, met oordeel
des onderscheids begaafd. || Al waer een mensche
verdoeft, van redene dom oft blent, soe dat hi
werde bekent, indien hi redene verstoede, Segh.
32. Waren wy alle alsoe bekent, dat elck die
waerheit brochte voert, tsoude opt lant ende in
die poort menighen mensche vromen zeer, Hild.
122, 70. Bider goeder {aventuren) wart hi blint
ende bider andre {die quade) wart hi bekint,
Rosé 4811. Vipera, dat quade serpent was mettem
{bij hen) over God bekent {erkend), ende maecten hem
ene gelike van goude scone ende rike; doch worden
si over lanc bekent , „ eindelijk werden zij tot kennis
en beschaving gebracht?\ want een bisscop van Bone-
vent, hiet Barbatus, tracse daer af, 5;?. III«,42,
11; zie de noot aan den voet der bladzyde, en
vgl. ONBEKENT.
787
BEKE.
BEKE.
788
b) Met een 2den nv. Met iett bekend^ zeker van
iets, II Weg dies wel becunt, dat es die helighe
Amandf Amand I, 20Q4. Oec benic (/. benics)
over lanc bekint, ghi hebt over al de waerheit
ghemint, Boetpt, 51, 25. Mit een dmcken by der
bant 80 wart zjs zeker ende becant, dathemhoir
minne wee beraet, MLoep II, 775.
2) In passieven zin (vgl. ons bekend bij),
a) In de tegenw. beteekenis; steeds in ver-
binding met werden of tijn, || Deen woende te
Bmgghe, si a becant, JSloeml, 3, 9, 12. Te hove
werdi saen becant, Fer^, 362. Vgl. 2486 en 5268.
Nereides sfln wel bekint, Nat. BI. IV, 727. Dus
dede Onse Here sijn bekint dien lieden der sonden
wrake, Sp. Il», 36, 28. (Si) wert metter (d. i.
bij de) keyserinnen Severen becant , diese om hare
scoenheit minde, Sp, II •, 79, 34. Dus eist bekint,
Wap. M, III, 312. — Vooral gebruikelijk in de
uitdrukking becant doen, kond doen, bekend
maken y ver Aaien, mededeelen, zeggen, spreken van. \\
Eer hi quam ter stede , daer hi sine ghesellen vant ,
daer hem die inghele af dede becant, Amand I,
911. Te sendene an den paeus ende doen becant
thelighe leven van den beere Amoude, 1759.
Voort Amand haer dede bekend. . ., hoe dat God
die weerelt sciep, I, 4852. Als ie u voren dede
becant. Lep. I, 17, 78. Aldus soe en doen si
twint van Marien gheboorte bekint, II, 1, 51.
Hi scr|jft aldus ende doet becant, 48, 101. Als
ons Catoen doet bekant, III, 13, 76. Paulus doet
ons bekint in sine epistele, Melib. 3205. Petrus
Alphontius doet ons becant, 1846. Daer af dat ie
n te hant een groet deel hebbe doen becant.
Wrake I, 1112. Dien eersten doe ie di becant, die
es een ghemeyn dief ghenant, Tien PI. 1575. Nu
soe doet mi becant, Esm. 80. Daer was menich
droeve, doe ie u becant, Vad. Mus, 1, 32, 48.
Daer hi dede becant onder menegen de wet Ons
Heren, Sp. II*, 57, 81. (Si) . . doreghinc menech
lant, daer si Gods wet in dede becant, 61, 25.
(Dat men) dit claer doe bekant den erdschen
bisscop in elc lant, II*, 47, 41. — Ook in het
passief. || Hem was ghedaen bekend, dat op twee
milen of daer omtrent stond een casteel , Amand I ,
3386. Ons is doen daer af bekint, datmen daer
altoes joeste vint, Lanc. II, 37871.
b) Vermaard, beroemd, ook als epitheton omans
gebruikt. || Oec es hi te wapene goet ende van
groten doeue bekint, Lansl. 776. Van den welken
wert wide becant een die sempel Pauwels hiet,
Sp. II», 13, 4. Hier bi wart die lantshere ghe-
mint ende verre in doechden bekint, Heim. 629.
Roelant, een radder stout ende becant. Ren, 92.
Den edelen Willem van Brabant , stout, vroem ende
wail becant, MLo^ II, 4189. (Hi) was eenconinc
verre becant, IV, 265. Die edel vrouwe, wail
becant, 1362. Een machtich burgher, wail becant,
2042. Ay! edel oem, wide bekint, Esm. 314.
c) Met eene bepaling met met verbonden.
a) Bekent met enen. Eig. bekend bij (vgl.
boven Sp, II •, 79, 34), en vervolgens in aan-
zien, gezien bij, aangenaam, geliefd, toelgevallig
(vgl. ons spreek w.: onbekend maakt onbemind). \\
Jan was metten bisscop bekent, ende heeft hem
daer toe ghenent, dat hine in leet, Rijmb. 26127.
Den man haddic {God) so gemint, met mi soe
was hi wel bekint; ie maectene na die vorme
m\jn . .; dien selven man hietic Adam, L. o. H.
4391. Du bids mi, dat ie di vroet make of omoet
es met Gode bekint; trouwen jaes, Praet. 2713.
P) Bekent met iet. Beroemd door. \\ Dese
waren naer sine doot in Antyochen heren gnnoot,
met miraclen bekent, Sp. I', 5, 11.
BEKEREN (in dial. bekieren) , zw. ww. bedr. ,
onz. en wederk. Mnd. bekeren. Mhd. bekeren.
Bedr. — 1) Enen — , iet — . Het transitieve
keer en. Wenden, richten, brengen tot, leiden. \\ Dat
icker u bi wUle leren , hoe ghi n herte s€lt be-
keren ter vroetheit, D. Cat, 29. Dat sgt {ket
kind) soude wisen ende leren enten doegden waert
bekeren, Lorr, I, 1695. Toter tgd dat God haer-
lieder beeder herten anders bekeert zal hebben,
Invent. v, Brugge 2 , 330. (Hi) ginc predeken ende
leeren, ende tfolc an Gode bekeeren, Sp. I', 12,
37. Maghic u ... in dien bekeren, dat ghj in
de dagheraet u wapent, Troyen 2997. Om te be-
kerne onse voete in den weghen des ewelics Treden ,
Ned. Proza 10. Bekere , Here , ende verloessc mine
ziele, Vad. Mus. 2, 439. Ommare dochtem, dat-
men dwort ons Heren an die heidine soude bekeren ,
Sp. V , 95, 42. — Afterwaert bekeren, elo^n
omkeeren, \\ Ie sel singen dinen naem int aller-
hoechste in bekerende {jerundium) mine yiande
afterwart, Hs. Ps, 8 r.
2) Enen — , iem. tot het rechte geloof brengen^ , de
tegenwoordige beteekenis. || Menech die dit anesiet,
wert ane onsen Here bekeert, Sp. II*, 46, 18. De
bisscop heeften geleert ende an onse ghelove bekeert,
UI», 57, 1. Daer hi de Jueden wQsde ende leerde
ende an die Gods wet bekeerde, Amand II, 2693.
Zoo ook Sp. V , 95, 58.
3) Iet — , iets wenden, richten, overbrengen op. \\
Hi niet conste bekeren dinc die men van buten
siet, watter bi mach zijn bediet int ware , dat men
niet mach sien, Franc. 290. Eest dan dat g-hi o
leren ter clergien wilt bekeren, Melib. 1217 r«r.
„utt7f studie op de theologie richten, er aam
vnjdefC\ Dar na so bekirt die heileghe man die
prophetien te sinen kinde wert, Ned. Proza. 10.
— Iet te rechte bekeren, eig. ietsdeJwUsU
wending geven , en verv. iets goed opvatten (vgl. iet
keren in quade), || Dune souds niemans onwysheyt
versmaden, noch hebben leyt, want aen beyde
machmen leren, die (/. diet) te rechte wilt be-
keren, Melib. 1239.
4) Enen, een lant — , op zijne sijdc br^mgen^
tot reden brengen, \\ (De heeren) die hi niene conde
bekeren met gevechte, die trac hi an met 'worden
ende met gichten, Velth. I, 2, 54. Hi sal Axtnrs
lant winnen al . . . entie castele metten staden
ende bekeren te sire hant , Lanc. II , 45537. Omme
tfolc van dien steden te bekerene ende te stelne
metter stede van Ghent, Rek, v, Oent 1 , 2118.
5) Veranderen, meestal ten goede, verbet^en., \\ Dat
teekijn, dat men al plach te wige te voemc vor
dien dach, wert bekeert, transformatum fuerat,
Sp. II*, 19, 101. Hets sake daer men mede be-
keert(ptfr. betert) der oghen demsterhede, tfai. BI.
II, 3914. Nu eest tfolc anders bekeert; men vindt
nu luttel lieden so dul, Boerden IV, 90. Hi dede
den volke dafgode laten ende bekeerde so wel nter-
maten alle quade dinghe , als een out man , Bijwsh.
14551. Om te bekeerne des coninx sin, 18753.
6) Aanwenden , besteden , gebruiken voor een seher
doel. Met den 4den nv. der zaak, meestal eene
gelds waarde uitdrukkende. || Dat ment al ontfan^en
soude ende bekeeren van slantswegen om die
vremde heeren te betalen ende te yernueg^D,
Brab. Y. VI , 6588. Soe en souden die hem regeerden
die bede niet alsoe bekeeren tsijns lants profite
noch tsier eereu, VII, 10118. De goede, die
eeneghe in Brabant ligghende hadden . ., waren
789
BEKE.
BEKE.
790
langhe te voren gheconfiskeert ende bekeert tot
shertoghen tafle, 15774. Het {geld) en es niet be-
keert ten selven oorbore, 10686. (RycheytJ gheeft
God. . . den goeden menscbe , om dat hise bekeren
sal in goeder wise, Melib, 2951. Sine ghiereghe
herte fel en laetse {den rijkdom) hem niet bekeren
wel, 2958. Die dat (^A^jn^y^i ^o^^ qnalike bekeren,
Wrake I, 946. Dat men ghemeyn goet niet en
bekeert . . ghetmwelijc , 1108. Die wile dat sijt
wel regeerden ende ghemeyn goet wel bekeerden,
daert scnldech was te gane, waaraan het moett
hetteed worden^ 1242. Comen die andere vischen
daerwert, . . hl vangetse ende eetse ende bekeretse
(Hs. bekretse) in ziin voetsel , Lanfr, 129r. Dewelke
sommen . . bekeert ende antghegheven hebben
ghesjn inden oorboor van enz., Invent. v. Brugge
5, 175. Die voerscr. snmme van pennynghen daer
toe geheel en al bekeren in goeder trouwen, Nyh.
2, 252. £en die starker es . . nemt hem alle
sine wapene . . ende dwingt hem af al dat hi
beft ende bekiret daer hi welt, L. v. J. c. 78. Die
meyere wart berucht vor siuen here, dat hi syn
goet qualec hadde bekirt {Aant. bestadt), c. 148.
XII grote Vlemsche te bekerenen (/. bekerene) ende te
orbaeme tot haren teynten, Belg. Mus. 4, 72. Si
en selen der gulden goet niegerinc gheven noch
bekeren dan in nootsaken der gulden, 5, 83. Al
dat goet . . sal men bekeren inden orbare der
stad ende der gulden , ald. Zoo ook Oesch. v. Antw.
1 , 481 , e. e.
7) Uitkeer en ^ teruggeven^ van geld. || Doverbate
aen den ghenen (üe vercort sijn, te bekeren,
Braè. T. II, 471.
8) In de bijzondere opvatting van het teruggeven
van spijzen door de maag , m. a. w. overgeven , braken ,
uitspuwen, in welken zin ook keren gebruikt wordt
(zie ald.). i| (Als) hys soe vele in hadde ghesteken ,
dat hi cume mochte spreken . ., stac hi den vin-
gher in sijn storte om dattet wederkeren soude,
dat hi geswolgen hadde soe houde; ende als hi
hadde bekeert dat, spoelde hi sinen mont ende
at dat hem was te voren bleven, N. Doet, 1275.
Onz. — 1) ZicA begeven, zich wenden tot. Met
een persoon als ondw. Meer gewoon als wederk.
WW. (zie ald. 2). || Waer wij belenden ofbekeeren,
vtuir wij ook komen, overal waar wij komen,
wi sullen huwer miltheit ghewaghen, Denkm. 3,
224, 56.
2) Met eene zaak als onderw. Zich wenden,
eene zekere wending nemen, uitloopen op.\\ Hooft-
sonden, daer onse dinghen bi bekeeren mach
(/. moghen) in droefheden, Amand II, 1336. Al
waer dat sake dat alle dinc, die de eerde nie
bevinc, tsinen ende nu bekeerde, Velth. VII, 17,
35. Daer bi duchtic dat uwe tale in andren saken
sal bekeren, Limb. IX, 360.
3) Zich wenden tot, zich richten op, zich over-
geven aan, \\ Niemen en sal traghen sine vaert van
bekeeme te Gode waert. Boet, III, 1517. Ter
▼recheit hi so bekeert, dat hi de tribute meert,
Sp. II», 27, 79.
4) Zich wenden van eene plaats, terug keer en. \\
Welken tijt dat hi sal bekeren van der brulocht,
Amand II , 6199.
ö) Zich ten goede veranderen, zich verbeteren.
(Vgl. bedr. 5). || {Manasse) bekeerde also recht wel ,
dat sonder wonder niet ghevel , dat hi sulke duegt
dede, Bijmb. 14517. Dese viif ridders in diere
wijs bekeerden van haren quaden daden, Brab. Y.
IV, 92. — Vooral van ziekten. Bene goede
wending nemen, en van de zieken zelf, beier
worden, het gevaar voorbij zijn, herstellen; mnl. ook
vercoeveren, aen die bate sijn (z. ald.). ||
Causon (es) een corts die altenen geduert met groter
hitten, tote dat men bekeret of stervet. Die liede
sceldent die hitte of theete ongemae. . , Men be-
keerter af opten oneffenen dach . . ; dicwile gevallet,
als men niet en bekeert {de crisis niet komt) opten
7 dach, dat es vrese, És. Yp. 31tf. Want es der
orinen vele, beteekent int ende der sucht, dat die
zieke es bekeert, 22c. Olye van rosen es goet den
genen die liggen in heeten ongemake, daer men
seker af es te bekeeme , Td. Hets goet , in starker
ziecheit alse die altoes liggen in den rede ende in
bekeerenden ongemaken , in ziekten met eene crisis,
acute ziekten , l%b. Wacht dat gijt niet en legt optie
dage, dat men bekeren soude, want die gaetkine
vander buut souden daer met stoppen ende dat
bekeren souder mede verlingen, vertraagd worden,
30c. — De onb. wgs in de bet. van bekeringe
(z. ald.). Crisis, begin van beterschap. \\'E,iLQ{l.Qtu)
bekeren quam mi doe ane, so dat ie began te
verstane, dat ie soude genesen wel; maer daerna
mi meer mesvel, want al die siecheit . . sloech
mi in mijn ogen, Velth. VIII, 33, 21.
6) Vooral gebruikeiyk in den zin van tot het
rechte geloof komen, zich bekeeren, — a) Van
heidenen. Christen worden. \\ In desen tiden be-
keerden . . . vele liede aen Cristus wet , Lsp. II ,
48 , 35. In die stede te Sarras . . , die bider
hulpen van onsen here bi Joseppe bekerde wilen
ere, Lanc. III, 3540. Hadden si {de apostelen)
gheweest daer ghegaen, die heidin sijn ende on-
gheleert , daer hadde mee volcs in bekeert , Bdjmb,
23266. Doe sij bekeerde ende haer vele souden
vergeven worden , Es, .80 , /. 104i. Hoe dat int
beghinsel Vlaenderen bekeerde, Amand I, 2809.
Hier op bekeerde die couinc Garaab te Gode . .
ende eer die coninc Bottus sterf, bekeerde hi ende
al syn lant, Fersl. en jB^. 2 , 39. Zoo ook Stoke II,
394; enz.
b) Van zondaren. Tot inkeer komen, \\ Ie hope
datter noch bi sal menech sondare bekeren , jBca/V.
1016. Hoe Theodas bekeerde, ^. Dl. II, bl. 29
opschrift.
7) Ver keer en-, lat. versari. \\ Dat beghin van sire
viten es syn bekeren in werelt abite. Franc. 93.
Wederk. — 1) Zich keeren, zich wenden; in
eigeniyken zin. || Doe bekirde hi hem te sinen
yongren wert ende seide: Comt te mi alle die
arbeitt ende die verladen syt ende ie sal u her-
maken, L. V, J. c. 84. Een blint man, . . die
hem bewegen en can no bekeren, if^/. 34101. Den
pape seide hi {Onse Here) dese woerde: Ganc; seght
minen volke nu: . . bekeerdi u binnen vijf daghen,
soe sal ie mi te u bekeren, ende u hulpe doen
met eren , Brab. Y, III, 1472 (er staat verkeerdelijk :
Soe sal ie u te mi bekeren; vgl. Sp. IV», 17, 62).
Wat vreesen eist dat ons verbiet an die Romeyne
ons bekeren, Bijmb. 29262.
2) Zich keeren tot eene plaats, zich begeven naar. ||
Wat darf mi roeken , in welke landen ie mi bekere,
tes ie se vinde. Flor. 1379. Walewein vragede
tien tide Taganase in welke side dat hi hem
bekeren woude , Lanc. II, 3107. Hine darf hem nem-
bermer bekeren, daerne goet man met ogenansiet,
III , 15579. Die leetsterre die u sal leeren , waer toe
ghi best u sult bekeeren, Fraet 1639. Om dat si
sonder helpe sine {zijne hulp) ne wisten waer hem
bekeren, Bijmb. 5832. Wi en weten ons werwert
bekeren, Sp, II*, 42, 20. Sente Felix wilde hem
bekeren teere port, heet Geronde, II*, 32, 18.
791
BEKE.
BEK E.
792
Op dat hi herwart hem bekere , Sp. II*, 12, 60.
Wapene! waer sullen wi ons bekeren, I», 9, 29.
Haer man die is altoos stout ende waert, daer hi
hem bekeert, Lsp. III, 23, 138. — Vooral ge-
bruikelijk in de uitdrukking: Waer waert ie mi
(hi hem) bekere, en derg. , waarheen ik mij ooi
begeve^ waar ik mij ook bevinde^ overal. || Werwert
ie mi bekere, ben ie ongevallich altoes, Idmb. I,
178. (Si) bidden hem, dat hi pine om dere, werwert
dat hi hem bekere, IV, 732. Een ridder dien God
van ongevalle moet hoeden, waer hi hem bekert
heeft, 1936. Waer ghi u bekeert . ., soe hebdi
enen vrient ane mi, V, 938. Dese drie poente
hout van mi , lieve kint , soe waer ghi u bekeert ,
Fad. Mtu. 1 , 339 , 79. God onse here moet u
bewaren . ., waerwaert dat ghi u bekeert, Olor.
565. Die const can . . , die heeft geen noet . . waer
hi hem bekeert, Belg. Mat. 1, 129, 25. Aey lieve
kint, op hoveschede, so laet mi dan varen mede,
80 waer {var. werwaerts) dat ghi u bekeert, Segh.
2355. Ie moet hare te dienste staen . ., soe
werwert ie mi bekere , Boerden VII , 49. Waer dat
si hen bekeren, alle die heeren op hem gapen,
Nat. BI. II , 1298 var. So waer so hi hem bekeert,
Sp. III •, 15, 40. Waer dat ie mi bekere, willic
u wesen onderdaen, Lett. N. R. 7*, 164, 136.
3) Overdrachtelijk. ZicA gedragen, zich houden.
Vgl. het Gr. xqonoi, gedrag, van xqénofiat^zich
wenden. \\ Hoer Igf ende hoer ziele sgn pant,
waer si hen bekeren, vore hare lant, Lsp. III,
12, 7; j^ waarheen zij zich richten in zede lij ken
zin, d. i. in welke richting hunne daden zich be-
wegen, hoe zij zich gedragen^"* Hets messelij c, hoe
si haer sal bekeren, Laml. 667. (Dat) wi hier
binnen scermen leerden (/. leren) , soe moghen wi
ons te bat bekeren ende weren herde vromelike,
Umb. III, 1009.
4) Hem des bekeren ane of te enen, zich
in iets aan iemand gedragen, zich richten naar
iemands scheidsrechter lij ke uitspraak, zich houden aan.
Hetzelfde als het meer gebruikelijke des bliven
an enen (zie bliven). j| Doe vraechden voert die
heeren, of hijs hem soude willen bekeeren te hem
lieden waert ende haer segghen houden, VI.
Bijmk. 700.
4) Zich begeven aan de beoefening eener zaak,
zich zetten tot, zich toeleggen op. ||Dieconinck badt
Blenseflueren , dat sine dede wisen ende leeren,
ende te wapenen hem bekeeren , zich in den wapen-
handel oefenen, dat hi ridderscap mocht ontfaen,
Segh. 1120 var. Een scolier ... die sal hem
altoes bekeren te nutteliker leeren , Melib. 1080 var.
Al woudic wijsheyt nu leren, in conster mi nu
niet toe bekeren, 1301. Selke sijn die hem
bekeren, dat si andre vogle luut leeren. Nat. BI.
III, 75. Siuen dochtren dedi leren, hem an zide-
werke bekeren, ^. IV», 2, 79 (vgl. Brab. Y.
II, 1825). Boven al heeft {het volk) hem bekeert
te lesene, Amand I, 3667. Wilstu connen ende
leren vele, so saelstu di bekeren vroedelike an
mine lere, D. Cat. 183. Eist dattu di wilt bekeren
an de arme Gods , wanneer gij u wilt toeleggen om
een arme naar Ood te worden , gef der werelt armen
dijn goet. Franc. 3527.
5) Verkeeren, zich bevinden, het Lat. versari',
vgl. onz. 7). II Si sitten onvri ende eyghen onder
alle heren, daer si hem onder bekeren, Lsp. I,
48, 78.
BEKERICH, bnw. Van bekeren in den zin
van ontwenden (zie ald.). Van paarden gezegd.
Gemakkelijk om te wenden. \\ Haer orse sijn groot
ende snel ende bekerich haerentare , Par/A. 3788 ^/.
BEKERINGE , znw. vr. Van bekeren (zie ali
onz. 6). De crisis in eene ziekte, het keerpunt, Jut
begin van beterschap. \\ De nese die bloet in misse-
liken manieren, alse bi vervul ten van enegen lede,
alse die levere of die melte, of bi bekeringe tu
enegen ongemake of bi groter ziecheit enz., Et.
Yp. 62(/. Die beginnen vallen in frenesien of diere
in siin, laetse bloeden een goet deel, want hets
dicwile haer bekeringe, of sine waren te flaen of
te cranc, ald. \^0d.
BERERMELIJC (becarmelijc), bnw. Klaaglijk,
het medelijden opwekkende , fr. pitoyable. || Dese
danckbaerUke stemme scheelt vele van dyer be-
kermeliker stemmen, Bern. W. 97b.
BERERMEN (brc\rmen, begarenen), zv.
WW. bedr. Mnd. becarmen.
1) Met het onbepaalde object het verbonden:
Ten gevolge van iets kermen en kl-agen (vgl. he-
sweten), het zuur verdienen, het bezuren. \\ Si steleot
al den ghemeynen armen , diet met pinen besveten
ende becarmen, N. Doet. 523.
2) Met een persoon in den 4den nv. Klagen oter
iemand, weeklagen over, beklagen, bejammeren, jj
Cu waert den hase hi becaremde: „Owi, Cuwaert,
sullen wi sceiden !" Rein. 1 , 3038. Dus bleef hi
allene in goont wout drivende jammer ende ooge-
dout ende bekarmde siin ors Blanchaert ; hen weende
nie man so om een paert, Lett. N. R. 7\ 130,
31 (de tekst heeft ten onrechte becariinde; zie T.
en Lettb. 6 , 300). Hoer joncfrouwen en worden niet
becarmet . . . ende hoer wednen en bescreidmen
niet, lis. Ps. 85 p.
BEKERSTEN, zw. ww. bedr.; onjuiste vorm
voor bekersemen. Van kerseme. Gr. ji^^iafia, heilige
olie (zie ald. en vgl. Halb. Aant. 353). Zalven. \\
Mettien quam daer cortelike eene duve van hemel-
rike in haren bec eene ampulle, ende daer in
kersemen te vuile , ende alle die coningen , meerre
ende minder, bekerstmender mede, alse mensc
sacreert, Sp. III», 7, 81.
BEKEUREN (beküeren, becoren).
1) Van zaken. Van keure, core in den zin van
wettelijke verordening (zie ald.). Een reglement maken
omtrent iets. — Vandaar de uitdr. bekuerde
wateren, wateren, waaromtrent bij regl-ement bijzim-
dere bepalingen zijn gemaakt. \\ Dat men geen baggert
buyten der stede lossen noch upwerpen en sal op
yements schade , noch in genen bekuerden wateren,
bij der boete ende pene voirscr., Leid. Keurb. 149,
60 (vgl. Mieris, Beschrijving van Leiden 2, 518).
2) Van personen. Van core in den zin van boete {i\t
ald.). Iemand eene beboeting aanzeggen (in den zin
waarin wij nog van bekeuren spreken). || Die ^
dan bruekich vinden, die sellen sg becoren ende
becoren mogen bjj horen eden, R. v. Vtr. 1,276,
154; vgl. 296, 20; enz. Worde hi becoert bi twee
scepen. Keuren v. Hoorn {a. 1429), § 70. "Des hi
elkes dages becoert worde, ald. § 74. — Bij uit-
breiding iemand de les lezen, hem beriepen, door-
halen. II Om dit wassic berespt saen: nu hort dese
prophetie vort, daer ie aldus om was becort,
Velth. VII, 10, 89.
BEKEURINGE (bekoringe), znw. vr. Beboetinf,
bekeuring. Ook concreet in de bet boete. || De**
becoringe van leempteu . ., van bloetwonden ende
van vuysten slage . . sal men . . beteren, Mieris
2, 201 fl (a. 1318).
BEKIN, BEKINNEN, BEKINT.Zic beken, aso.
BEKINNE. Indien de lezing van het Hs., JVöyw»
560: „Sy wart der manen saen bekinne," juist ii,
793
ÈEKl.
BECK.
794
moet hêkinne een bnw. zijn met de bet. gewaar^
afgeleid van het oude znw. kenne (zie ald.). Ook
de lezing der var. in inne geeft een goeden zin.
BEKIVEN, 8t WW. bedr.; mnd. bekiven, TJit-
ickelden^ uitvaren tegen ^ lat. objurgare, \\ Hierom
bekeef si Gorgiam dageiycx , Proza- Sp, 67 a.
BECKELKIJN, verkleinw. raabec. || Sjjnbeckel-
kyn es cort ende recht, Nat. BI. III, 2313 var. —
Voor den vorm vergelyke men tackelkijn^ etuckel-
iijn, padelkijn^ doekelkijn^ bergelkijn, e. a.
BECKEN (bic KEN) , zw. ww. onz. en bedr. Van
bee. Kil. rostro ictum facere.
Onz. — Fikken. || {De vogel) bicte^^ enen
boom met sinen becke, Yelth. III, 29, 19. Sullen
▼jl nu als musschen bicken, schralen kost krijgen ^
viinig opdoen , Vrouw e. M. VII , 64. — Vgl. onze
nitdr. er valt toat te hikken.
Bedr. — Met zijn snavel {bek) in iets pikken. \\
Worme ende venijne (/. yenijnde) slecken , die dijn
lichaem sollen becken. Wrake III, 2401.
BECKEN, znw. o. Zie het volg. art. en beckijn.
BECKENGESLACH, znw. o. Het slaan tegen
een koperen bekken, vooral als middel om het volk
voor de eene of andere juridische of openbare
handeling byeen te roepen; in onze dagen nog
door den omroeper ten platten lande gebruikt,
b. V. wanneer er iets kostoaars verloren is of als er
het een of ander belangryk feit door een bijzonder
persoon ter kennis van het publiek wordt ge-
bracht. II Omme tselve {goed) oepenlycke den eersten
weeckmerctdag andie putte upt merctvelt te ver-
coopen mit een beckengeslach , K. en O. v. Delft
41, 8, vgl. 37, 1; enz.
BECKENEN, zw. WW. bedr. Eig. een onz. ww.
met de bet. tegen een koperen bekken slaan. Zie
BECKIJN en BECKENGESLACH. Bij uitbr. ook ge-
bruikt voor kleppen in H algemeen, enmethetobj.
clocke verbonden. || Dat ghy clocken beckent ende
alrehande teeckene slaet ende doet , Oesch. v. Antw.
3, 579.
BECKEB, andere vorm (met umlaut) voor
bakker. || Sconincs becker vulde dander broet met
goude , Fad. Mus. 1 , 45 , 18. — Zie verder backrr.
BECKET (beckede), bnw. Van bec in den
zin van schulp, puntig uitsnijdsel (zie ald. 3).
Oebekt, d. i. gepunt, geschulpt, uitgesneden. \\ Dat
ghene vrouwe , die in onser stat . . wonachtich is ,
zal langher beckede mouwen draeghen, dan tot
dien utersten lede des cleijnen vinghers, Overijs.
Becht I*, 56. Dat si noch knopede mouwen, noch
karspedoeke, noch bonte voederen, noch beckede
mouwen noch bestemde en draghen. Mieris 2,
UU (a. 1324).
BECKIJN (becken), znw. o. Eig. elk bekken.
1) Waschkom , vooral voor het toasschen der handen ,
hetwelk in den riddertyd-een meer noodzakelijk huis-
raad was dan thans en daarom ook herhaalde malen
voorkomt. Vergl. ons scheerhekken. \\ (Hi) ghinc
hoofscelike hande dwaen ten beckinen, daer hise
vant staen, Varth. 549. Van argher coppe men
dicke diinct, dan uten arghesten beckine, 554.
Doe brochtemen Waleweyne saen een beckijn
van roden goude . . ; men gaf hem water ende hi
ghinc dwaen, Wal. 986. Een scone beckijn ende
een dwale vant daer Walewein ghereet, 2680.
Scone beckin ende witte dwale, 6738. Men brochte
hem dat water saen in twee guldine beckine , Terg.
256. Die ene joncfrouwe die tafle leide, dandere
brochte boeken ende dwale, 3676. (Ui) dwoech
sine handen in een beckijn, 3821.
2) Het bekken, waarmede iets ter kennis van het
publiek gebracht wordt. Vgl. beckengeslach.
3) De schedel van het mensehelijke hoofd, ge-
wooniyk hersenbecken geheeten. Z. ald. en vgl.
beckineel.
4) Een koperen bekken, dat als versiersel aan
de stang van den weerhaan op openbare gebouwen
aangebracht werd. Zoo Invent. v. Brugge 5, 270;
331; 333; 6, 491 e. e.
Aanm. — Foutief is becken, Belg. Mus. 1,118:
„Mijn herte es an u ghevest {Es. ghebest), als
een clesse {klis) aen een becken hest (hs. heet)".
Men leze vest voor heet, en hecken voor becken.
Zie Tijdschrift 3, 181.
BECKINEEL (beckeneel), znw. o.; mv. bec-
kinele. Met den bastaarduitgang eel (vgl. ons
houweel, tooneel) gevormd van becken in den zin
van hersenpan (vgl. het mnl. hersenbecken).
1) De hersenpan, in welken zin het woord ^^XrXr^-
neel nog gebruikt wordt. Kil. beckeneel, hooft-
schotel, eranium. \\ (Hi) sloech enen boven opt
beckeneel, dat hyt gecloven heeft tot sgn ogen,
Orimb. 1 , 3679. Dat hi helm ende cuffle sciere ende
dat beckeneel mede al dorstac, Lorr. 11,3747. (Hi)
doresloech hem altemale coifie, halsberch ende
beckineel ende van den hovede tbeste deel , Ferg.
2700 (in plaats van halsberch leze men helm,
want blikbaar is het een slag op het hoofd). Het
op de twee laatste plaatsen genoemde cuffie, coifie
is beckeneel in de bet. 2).
2) Ben bedeksel der hersenen, een stalen o f ijzeren
kapje, dat onder den helm werd gedragen en op
het hoofd sloot, om de kracht van toegebrachte
slagen te verzwakken. Ook genaamd sal^ide {Keurb.
V. Leiden Gloss.) , ijzerhoet (ald.) en coifie (fr.
coiffe, het nederl. kuif)', mlai. cerbellaria. Blijkens
Bek. V. Gent 1 , 239 kostte zulk een beckineel
ongeveer 5 ffi , d. i. ƒ 30. (Hi) doresloech hem
helm ende beckeneel ende van den hoefde een
groot morseel, Ferg. 4785. Met sinen swerde hi
afdroech half den helm ende tbeckeneel, 2396.
(Hi) quarteleerde hem altemale den goeden helm
van brunen stale, int beckeneel maecti ene scure,
Flovent 570. Dbeckeneel was so goet, datter
tswert op onstoet, 588; ook Lett. N. B. 7, 148,
147. Seghelijn verhief sinen brant . . . ende sloech
hem opt beckeneel boven , Segh. 8596 (tekst: hersen-
becken). Helme hadden si ende beckenele, Alex.1,
846. Curien , selscutte ende beckineele, Bosefr. 248,
19. Want hi den riken helm . . . ende tbeckeneel
spliten dede, Orimb. I, 4830. (Hi) sloech hem
metten sweerde nu opt beckeneel, dat hem spleet,
II , 2003 var. Dat daer tsweert dore {door den helvi)
dranc ende dore tbeckeneel mede, 2301. Men sloech
croken in geheelen helmen ende beckeneelen,
2519. (Hi) sloech den ridder loefsam opt becke-
neel van brunen stale, Lorr. II, 494. (Hi) sloech
hem op sinen helm van flnen stale, dien hi door-
sloech metten beckeneel, so dat hi den ridder
dat hooft doofde totten tanden , Utigê v. Bord. 66.
I beckineel, II |jserine hantscoen, ^un bachinet, II
wantelets", Idvre d. Mest. 26 {bachinet is het ver-
kleinw. van bacin = bassin, d. i. bekken; vgl.
Burguy, O loss.). Die sel hebben een pansijser,een
yserhoet of beckeneel , Leid. Keurb. 158 , 22.
3) Ook voor den helm zelf in gebruik. Kil. galea,
(;Arm. II Diere hadden een groot deel beide waubeys
ende beckeneel ende een deel haddenter platen, Heelu
6249. Dat op deze plaats niet het gewone beckeneel
bedoeld is , blykt uit de omstandigheid , dat alleen de
voornaamste wapenen opgenoemd worden : sommigen
hadden hamassen en helmen, anderen schilden.
795
BECL.
BECL.
796
BECLACH(BECLAECH),znw. o. (mv. beclage^-n).
Klacht {tegen iemand) , grieft bi^tam, beruping. \\ Al-
dus antwoorde Ghisebert . . op sulc beclach eade be-
sprec , als hem Evert . . doet opter helfle van der
husinghe ende hofstede, R. v. ütr.2, 193. Midsden
beclage , dat Daneel de schontete . . hem beclagede
van diverscheii pointen nte sinen tsaertere , ende dat
men hem diere onghebrunc dede, OenéUch Chtb. 12.
Ist dat hi {Nobel) mi voert alle broeken, scnlden,
beclaech (mv.) ende anvechtinge vergeven wille,
so en wort nye coninck soe rijcke als lek hem
maken wille , Proza-Rein. 33 v. Doe Frontonius haer
beclaech hoerde , Vaderb. 210 e. Op dat ghi sonder
beclaghen sijt in heilicheden voer Gode, Hs. 75,
I TAess. 3, 13.
BECLACHTE ^beclacht), «nw. vr. en o.; mv.
bedachten. Van beclagen in den zin van klagen
over iets (zie ald.).
1) Reden van beklag ^ grieft klacht. \\ Si ver-
trocken hem sonder letten haer lieder bedachte
an beede zyden, Benkm. 3, 119, 22.
2) Beschuldiging, aanklacht, punt van beschuldi-
ging. II Alsoe dat hij op sinen vryen voeten wel heen
mach gaen sonder enich bedachte van yemant, Proza-
Rein. 86 v. Dan snllen sy hem overgheven bescreven
alle pointen hairre bedachten, Matth. 30. Of die lants-
heer verbonden is synre steden, lant ende luden
hair bedachten aen te nemen, ald. Up alle die
welcke bedachten de voimoemde van Dordrecht veel
dilayen ende vertrecken genomen hebben, sonder
eenichsints hnn te willen saten ende verstaen,
V. d. Wall 571 {a. 1444). Deselve bedachten . . .
ende bmecken te . . . beeteren , 572. Alle de faiten ,
brnecken ende begrijppen in den voirnoemden be-
dachten verclairdt, 572. Om hun te hoiren ende
verantwoirden up die voirscreeve bedachten, ald.
Zo hebben dekin ende ghezwome . . . ghehoort
heessche ende bedachten van partien an beede
zyden, Cannaert 392. Zie ook Invent. v. Brugge
Gloss. 593 a.
3) Twist, oneenigheid (vgl. het Lat. erpostulatio
en het Fr. guerelle; lat. querela). \\ Langhen tijt
discoort ende bedachte opgestaen heeft geweest
tusschen onse kerke ende den scolaster van Brussel ,
Belg. Mm. 1 , 2.
BECLAECH. Zie beclach.
BECLAECHLIJC, bnw. en bijw. — Als bnw. Dat-
gene waarover te klagen is , berispelijk. Vandaar het
znw. beclaechlijcheit (zie ald.). — Als bijw. Op eene
klagende wijze, klaaglijk. \\ Hier wt mercte die
paeu , dat hi bescaemt wort ende sprac beclaechlic
mit toeme totten eghel aldus, D. War. 6, 199.
Hetzelfde als bekermelijc (z. ald.).
BECLAECHLIJCHEIT, znw. vr. Reden van
beklag, berispelijkheid. \\ Dat u siel ende u lichaem
sonder enighe beclaechlijcheit moet worden ge-
vonden in der toecomst ons heren Jhesu Christi,
Oetijdeb. S. 16*.
BECLAGEN , zw. ww. onz. , bedr. en wederk.
Mnd. beklagen; mnd. beklagen.
Onz. — Treuren, weenen, klagen. Kil. be-
klaghen ende jameren, lamentari, p langere.
II Si beclaechde ende weende mit alre devocien,
Pass. W. 102<?.
Bedr. — 1) Met den 4den nv. van den persoon.
a) Betreuren, over iem. treuren na zijn dood. \\
Als dit Werrjns volc sagen, begonden sij te be-
clagen haren heere en seiden: Wy syn nu al
verloren, want ons Heere is doot, Heemsk. 120.
b) Beklagen , medelijden hebben met. \\ Der vrouwen
fellipt. gen.) si alle met herten beclagen, Segh.
9160 var. Wat wonder eest dat Onse Here dien
beclaeght dus sere. Wrake III, 1849.
2) Iet. — a) Met een 2den of 4den nv. Overiett
klagen, het betreuren, spijt hebben van. || Sommeghen
ingelen , beclagende das, dat Lucifer soe scone vas,
Lucid. 574. Dies noch heden alle daghen alle die
werelt mach beclaghen , Wrake 1 , 74 (vgl. ts.
1094, waar het wederk. hem beclagen met den
2den nv. gebruikt wordt). Hem was die ledebnuc
so groot, dat hi beclaghede sgn ghewin. Bei».
I, 1528. Si deden overlast des hertogen dienaren,
twelc si namaels beclaechden, Bjtc. Cron. 113i.
Daer wasser vele diese daer of {v. h. geloof) toghen,
als (= hetwelk) hi dicwile becla^het in sinen
epistelen, Hs. 7b f. Ib. Ay lacen, lek mach wel
beclagen der deerllker moort, Huge r. Bord. 78.
b) Met een afh. zin. || Sinte Franciscns be-
claghede seer, dat men die doechden afterÜet,
Hs. 88 ƒ. SSa.
3) Met den 3den nv. van den persoon , nl. God, en
den 4den van eene zaak, nl. eene zonde. Berouw toone»
aan iemand over iets, berouwvol belijden. \\ Gode becla-
gedi sine scout, Sp. III «,21, 14. Ongehorde dorpre
souden beclagedi Gode daer tien stonden, IV*, 58,
154. Inden beghinne vander missen soe seldi behen
ende beclaghen Gode uwe souden, Ruusb. 4, 68.
4) Enen — , iemand in rechte dagen, (ff ookt
klagen, beschuldigen. Vandaar ons beklaagde {noAi
Matth. 149, e. e.). Zoowel in civiele als in crimineele
rechtspraak. || Alsmen yemant zyn huys of ign
erve aenspreect, die mach ses weken stille sitten,
wil hy, eer hy ten antwoerde coemt, van den
eersten dage dat hy beclaget wort. Dingt. v. Dtlft
24 P. beclaeght J., dat hi H. stac ene wondde,
Invent. v. Brugge 2 , 85. Daer af hi vor den coninc
van desen heren es beclaghet. Rein. I, 1348. Dit
ghi trect, oom Reinaert, tote des coninx hoTe-
waert, daer ghi wel sere syt beclaghet, 137^.
Gelijc den dager ende die men beclaegt aldair
een dach van rechte geleit is , . . also mach die
beclaechde hem wel mit recht vrien, als hem ter
vierschair, dair hem een dach van rechte geleit
is, niement en beclaecht, Matth. 150. Ist dat
yement des anders heeste roeft . . , wort hy dej
beclaecht . . ., hy salt beteren, 209. Wie dat
wettelic wert beclaecht van scnlde , daer af heeft
de meyere twaelf penninghe. Ende den bedaechda
sal men ende is men schuldich te bringhene is
tprostens vanghenesse, Gendsch Chtb. 37. Niemei
moeyen noch beclaghen noch aenspreken,D. Orde2l^
5) Iet — , zijne aanspraken op eene saakinreckti
doen gelden. \\ Soe selmen op elcken dinghedach dat
goed beclaghen, ende weder daghen als voor8z.i«,
Dingt. v. Delft 25. Coemt yement, die op dat ervet*
seggen heeft . ., seggende: Ie beclaghe dat erre,
Matth. 113. Ist dat niement en coemt, voir dat
erve vol boden is , diet beclaecht, of die ontnaestinge
dair an gheert, die rechter doet lopen een vonnis,
114. Worden die erve van scepenen vry bekent^
of worden die niet beclaghet mit voirwkirden off
brieven, so sal die gene, des terve is, dat erre
belasten na sinen sin, 116. Yan eenen scepe, dat
hg beclaghet adde. Rek. v. Oent 1, 455.
6) Ene cuere beclaghen, eene vergsderm§
bijeenroepen, uitschrijven, beleggen. \\ Dat elc tii
beede den wateringhen zouden doen beclaghen nock
eene cuere ende te kennen gheven den notablea,
die al daer niet en waren, Vad. Mus. 4, 107. Int
jaer 1431 hebben beclaecht ghezgn cueren ter
diverschen stonden, in de wateringhen vander Groede
met haren medeplegers , ald. Omme dat alle dese
797
BECL.
BECL.
798
saken wettelike ghedaen ende oyereenghedreghen
sijn in eene wettelike beclaechde cuere van beede
den wateringhen , 108.
Wederk. — Met den 2den nv. der zaak of
yan den persoon. Zich over iemand o f iets bek laffe». ||
Des beclage ie mi nn tote n ende sonde mi gerne
wreken nn, PartA. 6728. Tfolc dat beclaegdem
sere der pinen jeghen onsen Here, Bijmb. 5547.
(Hi) beclaegde hem der sorghen, daer ne God nut
moeste borglien , 9345. Die wet (de overheid) magbes
hare beclaghen, 31133. — Ook met eene bepaling
met bet voorz. van in plaats yan den 2den ny. |)
Dat men allen den ghenen ghenoncb doe , die bem
met redeliken zaken yan mi te beclagbene sullen
mogben bebben, Vod. Mus, 4, 357. Hembeclagen
▼an Gode, Hs. 80 ƒ. 43(r.
BëCLAGENISSE, znw. yr. Beiloff , klacht , aan-
merkinff. || Of die recbter sonder beclagbenisse
Tanden yianden sijn bant dair an slaen macb ende
worden selye clagber, Mattb. 13 en 185.
BECLAGEB, znw. m. Klager \ hij die mort^
murmureert, \\ Die beclagbers suUen die wet leren,
D. B. Jesaia 29, 24 (Vuig.: muantatores discent
legem).
BECLAGINGE, znw. yr. Yan bet onz. beclagen
(sie ald.).
1) Het weenen, jammeren, schreien, misbaar. ||
Dat yolc dat deze beclagbingbe ende screyingbe
hoerden, die screyden droyeÜc, Oest. R. f. 19 d.
2") Beden van beklag, my. beclagingen. || Om dat
hi Declagbingben in mij yonden beeft, so beeft
hi gbewaent dat ie sgn yiant bin , D. B. Job 33 , 10.
BECLAPPEN, zw. ww. bedr. Mnd. beclappen,
beelafen, Yan clappen (zie ald.) en yerg. ons
achterklap.
1) Kwaad van iemand spreken, iem. belasteren.
Kil. infomare, diffamare, \\ Soe begonsten som-
migbe quade Inden sinte Gregorius te beclappen
ende seiden, dat bi als een oyerdadicb man iJden
scat der kerken yerteert badde, Pass. W. 235 (?.
Daer om soe sonde ie. niet bescnldicbtofnydelic
beclapt werden, Oest. B. f. 165 d^.
2) Verklappen, verklikken. Kil. deferre. || Istdat
ghi mi becïappet, ie sal u boeft . . . met yoer-
hameren an stncken slaen ende breken, Gest.B.f.
64 d. Soo wie yan yalscbe maet beklapt werdt ,
ende by twee scepenen yerwonnen, Handv. v.
Enkh. 12 tf.
— Afl. beclappinge. || Hoe datter yele oyer-
mits beclappingbe of aenbrengingbe yan den beelde
werden gedoot , Qest. B. ƒ. 64 d.
BECLAUWEN, zw. ww. bedr. Iemand als het
ware met klauwen aangrijpen, en yery. in bet alge-
meen vangen , nch van iemand meester maken. Door
Yelthem geyormd woord. || Becbte na des aers sede ,
die sine pride node laet gaen, die bi beeft met
clawen beyaen , al dese gelike mocbt men sien yan
den keyser ginder gescien: bi wilt beclawen sine
vianden daer, Yeltb. Y, 80, 44.
BECLEDEN, zw. ww. bedr. Inkleeden, een
sehoonen schijn geven aan. || Ie can terstont mijn
escnsacie becleeden: ie ben sieck of elders dacb
gbeseit (ontboden), ZFl. Btjdr. 6, 330, 88.
BECLEMMEN. Zie beclimmen.
BECLIJF, znw. o. Stam yan bet ww. becliven
(de ald).
1) Voorspoed, welvaart, voordeel (ygl. becliven
2). II Huer eer icb gbeer yoral beclijf , O VI. Lied. e. O.
228, 38. Gi (Maria) sgt ene die dierste oliyeende
meer geboget in uwen becliye, in uwen verheven
toestand, als moeder Oods, dan nie minsce die
werd geboren, Yeltb. Yin, 34, 5. Dan esser yan
een ander gb^se, die den crijgbe yolghen om
wat beclijfs, D. War. 1, 412, 164. D. War. 1,
412, 154. Sullen wy niet muegen yan ons beclijf
den crQcb gbecrigben? 427, 619. Yoort zo zoudy
te zynen becl^fye . . . yan allen trybuten zjn be-
yrgt, ZVl. Bijdr. 5, 326, 369.
2) Voortduring , bestendigheid (ygl. becliven 3). jj
Mgn prizen es baer vele te clein, dies weinscic
baer al beils beclijf, OVl. Lied. e. G. 198, 15.
Gbestade bl^f maer d^n beclgf , dan doet di nummer
scade, 126, 28.
BECLIMMEN (beclehhen), st. ww. bedr. en onz.
Bedr. — Beklimmen, bestijgen. \\ Daer zy waenden
gaen eten , moesten zy tbuus beclemmen met grooten
aerbeyt , Vad. Mus, 5, 21. Om Molkenbuse te stormen
of te beclimmen, Mattb. Anal. 3, 311.
Onz. — Oprijzen, opklimmen, \\ Wat sidi ontzet
ende wat beclemmen gbepense in uwe berten?
Hs. V. 1348, 131 d (Luc. 24, 38).
BECLIPPEN, zw. WW. bedr. Kil.: beclippen,
becleppen, deprehendere , capere transenna aut
laqueo. Yan bet eveneens b^ Kil. voorkomende cleppe
of clippe, d. i. transenna of laqueus, bet tegenwoordige
klep. Als in een strik of knip vangen , verstrikken, over-
vallen, verschalken. || Also alsi liepen scumen..,
80 worden si som beclipt, Yeltb. YI, 16, 31. Dat
die conincgbe van Egypten blide waren dat %\ne
beclipten ende «ine beringbeden met menegen man ,
JAmb. YII , 795. Consti beclippen dese viere ochte
den enen . . , gi sout die scande . . . altemale
vergeten der mede, Lorr. II, 2513.
BECLIYEN , st. ww. onz. (becUef, beeleven). Mnd.
bekliven; mbd. bekliben. Yan cliven, den grond-
vorm van bet ww. kleven. Eig. samenhang krijgen ,
zich vormen. Ygl. bet mbd. klibetac, d. i. de dag
van Maria*s ontfangenis,
1) Opschieten, wortel schieten, ontspruiten, van
boomen en zaden gezegd. j| Gheiyc dat saet dat
men mede in derde werpt . . ende dat beclijft ende
brinct vrucbt, M, en Vr, Heim. 1010. Ware bi
oec met wiven, van bem ne mocbte niet becliven
enicb saet, 695. Doe die bome beeleven waren,
dedi desen muer . . . maken al omme dit por-
prns, Bose 575 (fir.: „Quand les arbres fnrent
creu"). Daer na so comt de quade gbeest ende
raeptet op daert gbesait was, dat nien beclive
in den gbeloeve, L. v. J, c. 93. Mar want dat
saet engbeene wortele en beft in bar berte,
so en caent in ben niet becliven, ald. — Fig. van
kwaad gezegd. || Omdat God niet en wonde, dat
wortele ofte zaet zoude van dien quaden stroncke
bliven, daer nocb arcb of mocbte becliven (voort-
spruiten), Lsp. I, 29, 111.
2) Overdracbtelijk. Voorspoedig zijn, toenemen in
welvaart, voorspoed genieten.
a) Yan personen, jj Mocbtic m^n dingben bouwen
staende,dat al die werelt waende dat ie Aymmer
sonde becliven , nocbtan wondde ie vruecbden ariven,
Vrouw, e, M, III, 9, 3. Groot baraet met wiven
driven laet zelden yement wel becliven, Praet
1124. Wat bere dat bem daer toe set, dat bi sijn
meente laet becliven, gbeen beter scat en macb
bem bliven, Hild. 24, 256 en 238, 84. Waer
mocbten doe die scalken bliven, die nu ter werelt
soe veel becliven, zoo in eere zijn, 19, 23. Die
weeldicb wilt zyn, blyve tbuys; die blyft, by
beclyft, Spreuken 87.
b) Yan zaken. Toenemen, wassen, \\ Altoos sonde
die doecbt becliven ende wassen, Vad. Mus. 1 , 92, 74.
3) De gewone bet., welke nog niet gebeel in
799
BECL.
BECL.
800
onbruik geraakt is en waarby de oorspronkelijke bet.
en de verwantschap met ons ww. kleven zich nog doen
gevoelen. Blijven \ blijven bettaan\ bettendigy voort-
durend zijn, Gr. diareXcJ wv.
a) Absoluat || Wille hl becliven, behouden
bliveUf so moet hi plien alsulke dinghen als zi
voortbringhen f Praet 1703. Si mochte noch wel
werden een boem ende met sueter vrocht becliven,
dan si te voren hadde ghedaen, Vad. Mttt. 1,
359, 60. Wildi dnechdenlijc becliven, OFL Oed,
3 , 126 , 204. Om dat hi clare ende wale tonghelove
alte male ontwortelen woude ende verdriven datter
niet meer en zonde becliven, Lap. Il, 48, 711.
Quaetheide mach daer niet becliven, soe moet
ghehoont int ende wesen, Praet 1065. — Ook in
de uitdr. becleven worden, voortduren , be-
stendig zijn, \\J)9.i horen toern word becleven, die
nye ontrou en had bedreven, Hild. 206, 253. —
Somtyds raakt het begrip voortdurend geheel op
den achtergrond en beteekent becliven niets anders
dan zijn. || Ja sal trouwe staende bliven, dat sal
bi desen tween {arbeid en handel) becliven, Teett.
3384. Dese poenten, daer si becliven, moeten
edelheyt verdriven, 2074.
b) Met den 3den nv. van den persoon. Iemand
by blij ven y bestendig iemands deel zijn.
a) Met eene aangename zaak, iets goeds, als
onderwerp. || Van daghe te daghe voerwairt meer
sal u der werlt lof becliven, Hild. 196, 61. Soe
willen wy Gode bidden, dat ons sine hulpe moet
becliven, 189, 119. Als die jaren hem becliven
70, 209. Doet ons God sgn hulp beclyven, 108,
128. Sinte Jacop . . helpt mi, dat . . mi Gods
gracie beclive. Vod. Mus. 5, 325, 18. Alstu zonde
ende quaet beghinnes, Gods gracie sal di niet
becliven, Praet 2373. Gode en moet geen danc
becliven, BmmI. 997. Also mote mi becliven goet
ane die siele ende ane dieven, Lanc. II, 44208.
Van haestecheiden comt selden goet, dat u in eren
moet becliven, 45774. Gi moet bliven daer u al
goet moete becliven, 46487. Ie wille dat n al goet
beclive, III, 1066. Selden siet men hem becliven
tgoet dat qualike es ghewonnen , Bouc v. Sed. 163.
Aanm. — £en enkele maal wordt de persoon tot
ondw. gemaakt en de zaak als eene bepaling met
mede er aan toegevoegd. || God, die almoghende sy
moete gracie verleenen dy, daer ghi moghet be-
cliven mede te commene ter eewigher salichede,
Amand I 4308 (hetzelfde als: „de gracie, die di
moghe becliven").
^) Met eene onaangename zaak, iets kwaads,
als ondw. || Becleve hem also menigen vlouc, . .
alse hem es gebeden, hi ware te nyeuten, OVl.
lAed. e. G. 336 , 629. Commer sel becliven menighen
mensche behalven u , Hild. 13 , 12. — Als tontbiten
is ghedaen , soe sel u hongher groot becliven ,
200, 65. Hem sal becliven myn ban, Wap. Mart.
m, 7.
c) Met het voorz. ane, en eene zaak als ondw.
— a) Hetzelfde als met den 3den nv. en zoowel
van iets goeds als van iets kwaads gezegd. Iemand
bijblijven , het deel zijn van^bUjven rusten op. \\J)i%i
volc mit onrecht zeer bescheert ende ghi dan
mede der baten gheert, ende laet hem daerom
dienre bliven, tonrecht sal an u becliven, Hild.
46, 139. Opdat goet wille an di beclijft, Rincl.
213. Mach Godts bermherticheyt aen my be-
clyven. Mar. V. N. 41, 997. Dan sel hoop an ons be-
cliven, Hild. 160, 303. Diere gewant ende edel
side moeste ande goede becliven , Vierde Mart. 695.
Pays moet met hu allen bliven ende salichede sal
becliven an hu allen, die hier sijn,Jnamf 1,5361.
^ Vat op iemand hebben , zich aan iemand heeht^n.
II An u (Maria) ne mochte nie becliven ghepeins'
van dorperheden, OVl, Lied. e. O. 51, 51. Here
her coninc , dat moet bliven , want u te leeme niet
en es, en mochte aen n niet becliven, Salad. 75
(Belg. Mus, 6 , 96). £n hadde de minne des jonc-
heren Echytes ane mi niet becleven , ie ware in
mine ere bleven, Limb. I, 1980. — Met een per-
soon als onderw. Zich aan iemand hechten , iemand
voortdurend bijblijven, \\ Men mach . . te samen
twee heeren dienen niet ende an beeden becÜTen,
Denkm. 3, 50, 998. Den duvel . . die bi hem du
blivet, ende aen hem also beclivet, dat hi een
duvel heten moet, Tien PI. 1065. — Ook ia de
uitdr. becleven s^n ane, gehecht zijn aam. ||
Den andren blinden . ., dien therte ane Gode vu
becleven, Vad, Mus, 1, 46, 25. — Becleven
bliven ane, blijven rusten op, || Altehant soe
bleef die vloec an die kinderen becleven mit Goods
wrake, Fass, W. \Z^d.
d) Met het voorz. in.
a) Met een persoon als ondw. Zich hechten om,
blijven bij, aan of in iets, iets behouden, \\DtXn..
haer inghebome nature verdriven ende in vremde
nature becliven, Teest, 3017. Wie in Gods minne
vaste blivet, in gode hi seker beclivet ende God
beclijft weder in hem, Tien PI. 309. So macli
hi in eren becliven, Lsp. III, 3, 513. So sahie
int weldoen doen becliven, Denkm. 3, 49, 970.
Die wil becliven in te minnene wiven, O VI. Hei.
e. G. 115, 43. Minre, die in minnen beclive, 376,
1831. Saghen si die vroede in goede bediren,
482, 89. In desen staet . . wel becliven, Jmeni
I 5593. In den niewen wech sal men bekliven,
II, 2158.
^ Met eene zaak als ondw. Blijven in. \\ Eei
edel roese die hebbic vonden , mocht so becliven ii
therte mijn, Denkm, 3, 196, 1 (van der roeu
des crucen). Dat vort ane in ons becleef , Vod. Mms.
2, 408, 100. — Ook in de uitdr. beclereB
s ij n in. Met eene zaak als onderwerp.
lo. Gehecht, vastgehecht zijn, in eig. zin. || Des
anders daghes hebben si met dien hare sperei
ghelovert ghesien ende in die erdesconebecleTen,
Brab. Y. II, 2910.
2o. Gehecht zijn aan iets, in fig. zin. || Het ware
recht dat ment (het goed) hem name ende lietene in
sijn armoede leven, daer sine nature in is beclefen,
Lsp. I, 28, 70 var.
30. Onafscheidelijk verbonden zijn met iets. il
Hen naket die helsche gloet, daer rouwe in ti
becleven. Vierde Mart. 196.
40. Onafscheidelijk verbonden sijn met een pertto»,
vastgeworteld zijn in, een karaktertrek s^n te»
iemand, || Gheven, in wient es becleven, ghe««
doghet en selmen van hem zwigen, Van fieteni
105. God ons Here den ghenen mint, daer miltleit
in es becleven, Vad, Mus, 1, 341, 3. Hovewcbe
meltheit . . , die in hem es becleven wel , Cass, 36^
e) Met het voorz. te. Blifven in of b^'. || ^>
becliven te haren vonnesse die sijn verloren, w>^
wi Gods gebod verhoren, S^. U*, 40, 40 (.ift'
blijven in het vonnis van ," d. i. ook op ons ^^l
toegepast worden het vonnis van enz.). Lantsherei
die ter doeght wouden becliven, 2V«/. 949. Doepei,
daer men bi beclive ten eweliken salegen Ure,
Sp. IV, 20, 73.
f) Met het voorz. ut e. Verwijderd blijven ta»^\\
Ach! wat ees siere sielen te bat, die uter wSskeJ*
Gods becleef, Bincl. 503.
m
BECN.
BECO.
8Ö2
— De onbep. wija als znw. gebruikt, Sp. II*,
67, 81: Mi es beter met Gode te bliven, dan te
lerene in des yleescb becliyen, d. i. „ dan te leven
m Aet blijven des yleesches,'' m. a. w. „dan in het
Tleesch te bleven leyen."
BECNAGEN (beknagen) , st. en «w. ww. bedr.
Het transitieve enagen (sie ald.).
1) In eigenlijken zin. Knagen aan, af knagen.
Tgl. heenauwen.WEen wolf becnaegde bene vele,
£top. YIII, 1. Het was als oft all omme ende
omme van den mnsen off van honden beknaecht
hadde gheweest. Vader b. 14a,
2) In oyerdrachteiyken zin. Iet becnagen.
a) Yan beleedigingen enz. gezegd. Ze opsHiken,
verdtwen, er op moeien knabbelen als op een been. \\
Hj en is niet levende, . . diet sonder verdienst
wel sonde becnagen, Mar. v, N. 7, 142.
h) Beknibbelen, ergens aan knagen, het willen
verkleinen', vgl. Sa). || Diet al beknaghen wil te
Toren wat hi ghilt , tis cost verloren , Hild. 24t , 87.
3^ Enen —.
ü) Aan iemands eer, goeden naam enz. knagen,
afbreuk trachten ie doen, iemand in een ktoaden
naam brengen. || Die n beniden, bedmcken ende
becnaghen, Bnnsb. 6, 133.
4^ Enen — , iem. kwellen, martelen. Vgl. onze
nitar. iemand knauwen. \\ Die viant fel . . hi smp , hi
doppet, hi maket rebel, op dat hi ons mach in
die hel becnaghen, Hor. Belg. 10, 133.
BECNAUWEN, zw. ww. bedr. Het transitieve
knauwen. Aan iets knauwen, knabbelen. \\ Die wisse,
daer die bake an hinc, becnause, soe es so vet,
iW». I, 226.
BECNOFTELIKE , byw. BeknopteUjk, bondig. \\
Cronfleken . . , die seer cortelick ende becnoftelick
procedieren tot hoer tg den toe. Fase. Temp., Prol. 2v.
BECNOPEN, bedr. onr. zw. ww. (deelw. be-
cnoft). Vgl. ons beknopt. Mhd. beknipfen; mnd.
heknuppen.
V\ Eigenlek. — a) Fastknoopen, aanhechten. || Elc
laken sel hebben een nopteken . . ende dat nopteken
sel becnoft wesen in een horn (d. i. hoek) van siin
aelfs laken. Leid. Keurb. 122 § 1.
h) Vastbinden. \\ Dan dedemen al sine lede, dat
mense met sennwen becnochte, dat si incrempen
souden, Sp. n*, 44, 170 („cmdis enm nervis
astrinxerunf^).
2) OverdrachtelQk. Iets vastknoopen aan iets,
naar aanleiding of m den geest van iets, wat vroeger
gedaan is, iets anders doen. \\ Die dan een werc
beghint van baten, die mach op teynde hem zeer
verlaten, ende leven in goeder hopen, can hi
tmiddel wel becnopen, als dbeghin ende teynde
wgst, Hild. 89, 6; ^indien hij het midden in den-
tel/den geest bearbeidt als het begin en het eindeJ*^
BECOELEK, zw. ww. onpers. Van ifco^/, inden zin
van kalm. Kahn worden, bedaren. Van het weder
en vooral van den wind gezegd. Oaan liggen, stil
wtrden. || Doe hilt hi tschip te winde waert
dattet weder rechten sonde, mar het becoelde alsoe
honde ende dat zejl sloech anden mast, Hild. 80,
68. — De onbep. wjs als znw. gebruikt. Vind-
stilte. Il Die mast die most int water zwinghen
mitten zeil in dat becoelen, ald, 64.
BEC0EJ:LEN (becoeckelen), zw. ww. bedr.
Hnd. èekaehelen; mhd. begougeln, begoukeln. Be-
goochelen (JHut, 2, 217: becokelen, hariolari).
In het Unl. vooral gebruikt met het voorwerp oogen.
Set oog verblinden. \\ Des gelees doen dese gokelaers
mit enen crude, dat elitropia hi^t ende becokelen
der Inde oghen daer mede, Barth, 6483. Die
ander ogen maect hl (de steen) dat si doncker
schinen , die daer bi comen ende becokelse , dat si
niet sien en mogen, 667a. Hy bekoeckelt hem die
ogen. Spreuken 37.
BECOlliIEBEN. Zie becohueren.
BECOMEN, onr. ww. bedr., onz. en onpers.,
(verl. t^d bequam of beeam, O VI. Lied. e. O. 237,
126; Franc. 8906, e. e.; mv. bequamen; deelw.
beeomen). Mnd. bekomen; mhd. bekommen.
Bedr. — 1) Het transitieve komen (vgl. begaan,
beschijnen , enz.) , zóó komen , dat men iemand inhaalt ,
bereikt; bij iem. of iets komen, hem overvallen. Vgl.
mhd. einen bekommen, ihn einholen, en be-
gaan A /, en B a). || (Hi) bequam se daer in enen
dan, ende sloecher daemaev, dat van den vier
dnsent ribanden daer maer en bleven te live veer-
tich man, Merl. 20797.
2) Van de zon gezegd. Iemand beschijnen. \\ Jtin ,
80 laet ons nedersitten onder desen sconen bome,
dat ons die sonne niet en become, dat wij niet in
de zon zitten, Teest. 2129.
Onz. — A. Absoluut.
1) Komen, meestal met eene bepaling met te. \\
Si sloughen doot altemale, diese werden (d. i.
weerden) ..,80 dat men bet vort bequam daer die
raetsiere waren, Sp. I*, 14, 62 „soo dat men
dichter kwam bij de plaats, waar, enz." Al tge-
stichte daer omtrent slechts ter erden al bequam,
dat menegen mede dieven nam, II* 39, 49 y^het
geheele gebouw kwam plat (slechts) op den grond
neer.'*'* Wat becoemdi tot mi, tot enen man dien
gi hatet, ende hebten van u verdreven? D. B,
Oen. 26 , 27 „ waarom zijt gij tot mij gekomen ? **
Het (bloed) becomt in den mont van den aderen,
Jan Yp. 60. — Vooral gebruikelijk in de uitdruk-
king waer hi (si) bequam (bequamen),d. 1.
eig. waar hij henen ging , m. a. w. waar hij belandde
of bleef, wat er van hem werd. Vgl. becomen ,
onz. 6) = worden , en deensch at blive = ons worden.
Het het bij begrip van het plotselinge en het
wonderbare van het verdwenen (vgl. Imc, 24, 31:
hy kwam weg uit hun gezicht, en St.-Bijb.,
Bicht. 6, 21: de Engel des Heeren bequam uyt
sijne oogen). II Die sal ie u nu hier noemen, ende
waer si sQn henen becomen, Velth. IV, 7, 11 (vgL
onze uitdr. een goed heenkomen zoeken). DtX mei
noyt sint af vernam, warwerd dat hi nenen be-
quam, III, 38, 81. Dat men noit en wiste nadas,
waer hi voer oft waer hi bequam, ende waer hi
sinen inde nam, Lanc. IV, 12336. Men ne hoerde
daema van hem ne gheene niemare, waer hij
daemaer bevoer no bequam, VI. Bijmk, 1778.
So waer dattu becomen sijs, God moet beteren
u verdriet, Segh. 11192. Die here bleef vragende
daer naer, waer die ander ridder es becomen,
als hine niet en hevet vernomen, Lanc. II,
7682. Hi sach lopen emmertoe . . . van den
spere drupple van bloede, ende si bequamen, hine
wiste waer, 29479. Dat ie hore enege niemare,
waer dat hi becomen ware, 42877, 43363. Wi en
weten , waer dat hi becomen si , IV, 1643. In weet
waer hi es becomen, in en sagene noit daer nare,
3646. Waer dat ie becomen ware, ^a/. 703. Waer
die scone joncfh)uwe becomen si, 4486. Ie sal
weten waer si sijn becomen, 2911. (Doe) ne waser
man noch jongelinc, die wisten, waer hi bequam,
Sp. III», 36, 92. Waer sjju volc ende hi bequam,
dats dat men noch nie en vernam, IV*, 68, 36.
Nu hoort waer die gheest bequam, als hi an
Amande orlof nam, Amand II, 3933. — Ook met
eene zaak als onderw. jj Men wiste hoe (/. hoet)
26
803
BECO.
BECO.
804
began . . , so ne deet oec hoet beqnaiiif Yelth. V,
16, 63. — So becomen, zoo ver komen. || Som-
wilen (si) g^ote scaden namen, ende somwile si
80 beqnamen , dat sys oec te boven bleven , Sp. III*,
9 f 25 (vgl. het onpers. becomen; op deze plaats
kan men so hecomen weergeven door het verging
hun zoo),
2) Tot zich zelven komen , tot een vroegeren toestand
terugkeeren^ en wel — a) By komen , na eiken min of
meer bewnsteloozen toestand. De volledige uitdruk-
king te (tot) hem selven becomen vindt met
Flor. 1132, Orimb.2,2SOd var.; gewoonlijk alleen be-
comen. Vgl. onze uitdr. van een schrik bekomen. ||
Floris lach langhe in ommacht; als hi bcquam , enz.
Flor. 1102. Teerst dat hi (Adam) beqnam (uit den
slaap) y propheteerde hi, Rijmb. 548. (Isaac) ant-
woorde, alse hl bequam, dat sijn broeder es scalkelike
comen ende heeft die benedictie ghenomen , 2390. Die
broeder becam nat sine gebede, daer hi in lach^Franc.
3133. Dat hij als doot ter aerdenvielen lange lag
eer hy beqnam, Heemsk. 22. Alst qnam aan den
derden dag , so beqnam Eeinont en ontwaekte , 62.
Binnen dien is Reinout becomen, 120. Doen viel
in onmacht dat edel wyf . . . ende als si becomen
was , seide si enz. , Belg. Mus. 10 , 97 , 259. Als si
becomen was, so seydese dat se van Hughen niet
en wiste, Huge v. Bord. 68.
b) Bijkomen uit eene ziekte , er van verlost worden^
genezen , er boven op komen. \\ In Daniels tiden
wail . . . heeste gemaect van enen man, Nabugo-
donosor, ende bequam mede hier af bi Daniels
bede, Sp. I*, 50, 13. Hi bequam . .; dat vleesch
wies weder in der pinen , dat si te voren daden
dwinen, II*, 52, 31. Wie so bevoelde eenech
leet, entie dan stroyeden die bloemen, syn ge-
nesen ende becomen, III*, 45, 88. Hi was be-
comen ende genesen, Lanc. lY, 2801. Sgn kint
van der doot bequam, Jmand II, 2974. Hare
herte becam van den verdriete. Franc. 8906. —
Ook in de uitdrukking becomen worden,
waarin becomen min of meer een bnw. is ge-
worden (vgl. onder 5), ergens behouden af komen
(het mnl. genesen). || Daer ware hi bleven doet,
maer datten drouch uter noet Ferrant, dat wel
dragende part, soe datti becomen waert, Limb.
IV, 1793.
3) De overdrachteiyke bet. van 2 b). Fr boven
op komen, iets te boven komen , van rampen en weder-
waardigheden gezegd. II Si keerden ende bequamen
bi exemple die si ane hen namen, bider doeget,
die si ane hen sagen, Lanc. II, 10575. — Ook
met den 2den (of 4den?) nv. || Dat hen niet mogelick
en es hnere schaden ende lasten te mogen becommen ,
Inform. 2. — De onbep. wgs als znw. gebruikt. ||
Die scade es soe groet dan , dattere geen becomen
es an, Lanc. lY, 5231; „dat er geen op zijn ver-
haal komen mogeiyk is."
4) Opschieten, opgroeien.
a) Eigeniyk, van boomen en planten. || Doe dese
bomen becomen waren , Rosé C 573 (var. becleven).
Wat planten men vort van den bome nam, sine
wortelde niet none bequam, maer si bedorven daer
altemale, Lanc. III, 8481.
b) Figuuriyk. Wassen, toenemen. \\ (Hi) brocht . .
die lieden in suiker kennessen, . . dat si met
allen in rechter ootmoet bequamen ende kerstyn
leven . . ghestadelike hebben upgheheven, Amand
I, 5816.
5) Worden , in een toestand komen. Vgl. bg onz. 1) ;
het Lat. evadere, en het £ng. to become. \\ Dus bemede
in der minnen viere onse Fenix in derre maniere,
onthier ende hi tasschen beqnam , IftU. BI. HI ,
1323. In anderen vormen hi beqnam, Sf. U', !tt,
34, hij nam andere gedaanten aan. Tote dwiter
root becomt, Hs. Yp. 186. Dattie violetten Ueec
becomen, 19a. Die venteusinge . . es goet dengeno,
die sot becomen bi quaden saken, 43a. Wut
Serapis dafgod met allen den anderen goden es
gevallen ende te pulvere becomen, Sp. II*, 18,
105. Als hi groot becomen was, Segh. 3937. Dit
volc ghemeene es so snel omme rike becomen
{om rijk te worden), ie siet daer omme il
aromen {dringen) , Denkm. 3 , 30 , 427. Sine
besine (urine?) becomt niet root, ende is si root,
dat duert onlange, Jan Yp. 175. Latet sieden totte
dat het dicke becomt, 177. Zoo ook bl. 183. —
Ook in de uitdr. becomen worden, d. l
worden, en becomen syn, d. i. sijn (vgi
onder 26;. || Dat hi vergadt al eerdsche ale
ende wert recht als een gheest becomen, AnoMi
I, 5764. Dyanen tempel wert becomen in ea
kerke Onser Vrouwen, Sp. II», 18, 102, „weri
{tot) eene lAevevrouwekerk^^ Die wel ghebome mick
wel romen , dat zyn lot goet es betomen (/. becomen),
Wap. Rog. 1507.
B. Met een persoon in den 3den nv.
1) Met eene zaak als ondw. Overkowun.W'^uX
hem swaer vloec bequam, Wtqt. Mart. I, 512 mt.
Eer si twaer hadde vernomen van des horen mai
waer becomen , MLoep IV , 1469. Wanneer snikt
natnerlic lopinge coemt, so vallet altoes inder
outheit der manen na dien dat die etate den wiven
becoemt, Barth. 85a.
2) Behagen, aanstaan, bevallen, de gewone mnl
opvatting. Met een persoon of eene zaak als ondw. ||
In weet, hoe u becomt die sprake . .,onredel$c
dinct soe mi syn, Parth. 5936. Die stede heeil
hem so becomen, dat hi sgn ruste daer heeft
genomen, Sp. II*, 32, 25. Mi en beqnam noyt
twint tale, die ie sprac, min nomere, II*,58,5&
Eene stede, die hem bequam, III \ 13, 41.
Dat bequam den heidinen, III*,29, 35.Datmende
{de vrouw) om doget name, die den man daer if
bequame, I*, 32, 79. Op dat hi hare soe beqnamc,
dat sine gheme te manne name, limb. YI, 3479.
Si {de minne) doet, dat hare becomt te doene,
Flor. 11. Dattet {offer) Gode en bequam niet,Iii;p.
I, 26, 75. Twe manne de hem beqnamen, Stoke
Y, 724. Spreke een woert, dat my becomt , Kinsb.
5, 13. Hoe Crode becomt penitencie, Theoph.l^
Ie ne become niet hem, want ie ongelettert IxBi
Franc. 3035. Vele dat hem beqnam ende dochte
goet. Flor. 336. Als den minnere becomt twist
dan dat hi metter herten mint , Vrouw. e. Jf. I,<>lü.
Vleesch , wilt ende tam , al dat nye herte bequo,
Brand. 1611. Soe wye der werlt becopen (/. be-
comen) wil , die Yolghet recht der apen spil , HlKt
255, 98. — Gode becomen, Gode weHekujUji
zijn. II Langen tyt hebdi mi stade verleent te
doene , dat u bequame , Bincl. 26. Omme dst hi
{Abet) GU)de bequam omme sine soete miltheit
groot, sloughene syn broeder doot, ^.I*, 10,50.
Hine voughede niet syn leven , omme te becommest
Onsen Heere, VI. Rijmk. 4361. Hoe dat men btft
Gode bequame, Sp. W, 39,7. — Vooral in verba-
ding met een by woord van graad. Wel {wtUr
sere) becomen, welgevallig zijn; by ons slechti
gebruikt van de gevolgen eener handeling^
vooral van eten en drinken. || Hoe wel het beoovt
den vrient, als hem syn vrient ghetrouwelike met
herten gheme dient , Vrouw, e. M. 1, 806. Alse ki
hevet verhort dit doen, hevet hi sine (die»i)
I
l
805
BECO.
ÊECO.
806
▼edawe genomen, so wel heyet soe hem becomen,
^. III', 18, 80. Sulke lettren ende snlke tale
ne beqnam niet harde wale den princen, I^, 18, 1.
IMt wort beqnam Socrates aere, I*, 54, 58. Dese
tale . . beqnam . . hem niet wale , Limb. ^, 249.
Hare beqnam al siin ghelaet, III, 195. Dien
haer tale wel beqnam, Y, 1302. Si beqnam hem
herde wale, YI, 2469. Dat hem wel beqnam die
Trede, VII, 1660. Ons allen becomt wel u tale,
Yin, 262. Oetmoet soe es mün name, dat goeden
lieden wel beqname (/. wel es beqname ?) , X , 327.
Waest dat hire iet in vernam, dat hem niet wel becam,
Trane. 3497. Het (zwaard) beqnam hem ntermaten
▼ale, Wal. 6750. Al der werelt beqnamedi wel, Parth,
831. Dat zuchten harde wel beqnam den bisscop,
2019. Sine tael beqnam hem wel , Hild. 180 , 144. Hi
beqnam der joncfronwen wel, Ferg. 786. Wel
beqnam hare s^n gelaet, 1229. Die zake hem doe
wail beqnam , MLoep II , 3164. Een rosé , die haer
beat beqnam. Flor, 2933. Den ammirale dien si
altehant beqnam so wale, 701. Dat mi so wel
beqnamen haer seden ende haer ffhelaet, 3435.
So wat so eiken best beqnam, dat dede men hem
te vollen bringhen, 3903. So wat den mensche
allerbest becomt, hondt hy totten lesten gheme ,
jfket lekkerste beetken spaare men voor V laatste^
Vert. V. Boëth., aang. bij Hnyd. op Stoke, Dl. 2,
bl. 400. — Gode wel becomen, Gode wel-
hekaaglijk zijn. \\ Dese jaloesie es loenlijc sere,
want si wel becomt Onsen here, Lsp. III, 6, 9.
— De onbep. wijs als znw. gebruikt. Genoegen^
bekomst^ toelbehagen. \\ Als siere ene {vlieg) in
siet verwerren, loept siere toe al sonder merren ,
ende etter of haer becomen. Nat. Bl. YII, 267
(tan de spin). En maec djn becomen (stel uw
genoegen) niet in dien, dat niet en betaemt in
negeenre wijs, Sp. II», 87, 42. Onlange geduert
al erdsche becomen,- 86. Ie mach u toegen mgn
becomen, II», 36, 63. Daer si becomen groot
hadden van, Sp. 11% 6, 99.
3) Betamen , passen. || Dit doen (nl. misbaar maken)
ne becomt niet coningen, Lanc. II, 34711. — Ook
met een persoon of zaak in den 3den nv. of eene
bep. met te. Passen bij, overeenkomen met , geseAikt
sijn voor. II God geve mi al dat ter minnen bestbe-
come, Hadew. 1, 4, 17. Enen lap vanden nyen
en becoemt den ouden niet, Hs. 71, Luc. 5, 36.
Dat hy bon eynen busscop sende, sulken die heme
beteme , ende den Inden recht bequeme ende die
sy (ken) conde gheweghen, Serv. I, 1397.
Onpers. — Met den 3den nv. van den persoon ;
het becomet, beqnam mi.
1) yergaan] het gaat^ vergaat mij. j| Ach oom,
het is n qnalic becomen! Lgf ende goet is al ver-
loren, Rein. II, 3804.
2) BeAagen; Aet behaagt mij;ltLt.juvat. \\ILerodiea
maecte daer na die stat van Cesarea in dere der
keyserliker name, ende omme dat Aug^tuse be-
qname, Bijmb* 20675. Hoe dat soe sulc mochte
WQgen, dat Gk)de beqname in alre wgs, Sp. l"* ^
74, 100. Wondse mi te wive gheven die coninc
haer vader ent haer beqname, Limb. XII, 902.
Daer na Hi (Ood) nam een ruste alsoet hem be-
qnam, Tien PI. 578.
BECOMINGE, znw. vr. Yan becomen in den
sin yan behagen (zie ald. B 2).
1) Wil^ behagen y welgevallen, Fr. bon pUUsir
{=. plaeere). ||Hi bat den coninc dar nare, onware
sine becominge, dat hi in die stat ontfinge den
coninc Bandemaguse, Lane. II, 21475.
2) Yan sp^zen en dranken. Smaak er in\ wil,
genot er van. || (Si) hebben luttel hongers ende
luttel becominge in hare spise, Hs. Tp. 121a.
BECOMMEBEN (becomeren, beconberen,
becummeren), zw. WW. bedr. en wederk. Mnd.
bekummeren, bekumberen; mhd. bekumbem, beküm-
bem. Yan eommer, d. i. l€ut (zie ald.).
Bedr. — 1) In nood, in moeilijke omstandig-
heden brengen, iem. lastig vallen, last veroorzaken,
iem. kwellen, belemmeren. \\ (Si) te Tricht . . . becom-
mert waren met vele hoopen ende groote scaren
van tshertoghen volcke, Brab. Y. YII, 543. Tien
daghen . . . was die Stat van Tricht becommert
doe . . . metten volcke van wapenen, 584. Als hi
om die vrucht nam goom ende hiere ne gheen an
ne vant, biet hine houwen af te bant, want hi
becommerde die stat, JUjmb. 24200 var. (v. d. vijgen-
boom). Si en wonde mit uwen dinghen niet becom-
mert sijn voertan , geen last meer hebben van , MLoep
II, 4022. Weert dat sy ymant bekummerden off
mit ghewelltliken saken aenveerdichden , N^h. 3,
64. Gereide dinen wagen ende ganc neder datti
die regen niet en becommer, D. B. I £b». 18,44
(dat u de regen niet ophoude). Hoe sal mij Pharao
horen, sonderlinghe omdat ie becommert bin in
den lippen, in de spraak belemmerd, Exod. 6, 11.
Sich, ie bin becommert van lippen, hoe sal mi
Pharao horen? 6, 29. Overmits die verteringe der
voedeliker humoren so dunt dat lichaem dat overste
vander huut . . . ende becommert die stemme ende
dnntse, Barth. 7Sb. Wanneer die snbstancialighe
vuchticheit gecormmpeert is in den lichaem, soe
sal alle die werckinge der sielen tegader becom-
mert wesen, 76 a. Si syn ter borsten becommert,
belemmerd, beklemd, Jan Tp. 161. Dat nyemant
die vijf ambochte . . becommeren (AtM verplichtingen
opleggen) sal van haren diken, noch van haren
slusen vorder dan men enen man becommeren
mochte. Mieris 2, 307 a (a. 1323). Soe wie dat
kerck ofte kerckhof vervochte of becommerde,
voor den dienst onbruikbaar maakt, ontwijdt (van
kercken te ontwijen), Schwartz. 1 , 583 (= O. K.
V. Enkh. 30, 161). — Ook in de bepaalde be-
teekenis van iemand in zijne bewegingen belemmeren,
m. a. w. hem in het oog houden, nagaan, bewaken. \\
Den hamborgher scepen te becommeren tot Yoerde
ende anderswaer buten der haven, dat si gheen
bier wtsetten en souden , Bek. d. Gr.1, 400. — Het
verl. deel w. becommert wordt gebruikt als bnw.
met de bet. armoedig, behoeftig. \\ Die vrouwe die
daer was geseten bi den becommerden. Vrouw. e.
M. YIII , 103. Die becommerde constet qnalic doghen
134. Die becommerde quam weder gaen ende liet
hem sinken in tbedde neder, 260. Ist dat dijn
broeder becommert wort ende cranc inder hert,
J). B. Levit. 25, 35. Ist dat onder u eentoecome-
Uncs of eens vreemden bant soe machtich wort,
ende djn brueder so becommert wort, dat hi hem
dien vercoept, ald. 47. So arem . . . ende so be-
commert, dat hy dese vorseide beteringhe niet
doen ne mochte, Cout. v. Brugge 1, 347.
2) Vervullen , het gemoed , meestal met iets kwaads
of ongunstigs , het bezig houden. \\ Gaet toet Elyza-
beth die haer nyet van spisen een ure gehueden
en can ende becommert haer herte met u, D.War.
3, 310, 973. Die ydel eer . ., die oec sommighe
van den ouden menschen becommert hevet ende
bedroegen , Pass. W. 106 b. Wat sal di tgoet , dat
emmer doet becommert wesen dinen moet? So
du meer heves indyn gewont , soe du mee begheers
dat gout, Alex. YIII, 984. — Het verl. deelw.
becommert in de bet. behept , verstrikt, bevangen.
807
BECO.
BECO.
808
II Comende om te besien dat graf, so wert si be-
commert metten bosen viant, Exc. Cron. 10 a. Een
edel maghet, die . . . veel jaren becommert was
in haer selven inder liefden yan eenen jongelinc,
36 b. Want si nocb teder ende cranc s^n . . ,
ende mit veel wijfliker vresen becommert , Stemmen
147. Een wijf , me twaelf jaer van haerre siecten
becommert hadde gheweest, Hs. 71, Matth.^^ 20.
Die van enighen evel sijn becommert, Ht. aangeh,
Sp. (oude nitg.), Dl. 3, bl. 41. — Metter doot be-
commert werden, eig. door den dood worden aan-
getoet^ d. i. moeten eterven. \\ legelijc . . hi en es
soe boghe nocb soe groet, hi en wert becommert
metter doet, Brab. Y. VI, 7361.
3) Eene plaats beslaan (meestal van iets , dat die
? laats niet YeTèieni) ^ bezetten ; vgl. besletten. ||
n den aldercostelicsten wjjngaert en hadde hi gheene
stede moghen becommeren, Eem, W. 4 a. Omdat
hy (de Aof) al becommert ende bewassen is mit
dystel, mit doeme, mit netel ende mit alrehande
ander cmde, Stemmen 84.
4) Bezigen tot, besteden met, bezetten. Met het
obj. tyt(Ygl. hem becommeren). jj Al synentyt
becommerde hi met beden oft lesen oft scriven,
Exc. Cron. 22 d.
5) Belasten , bezwaren , met schalden , plechten en
andere geldeiyke lasten. || Noch te versetten dorp
of stede, ocht oec te becommeren mede land
ocht slote, Brab. T. VI, 9037. Renten die be-
commert waren te lossene, VII, 17248. Heer-
licheiden . . die te velen inden becommert waren ,
7059. Tgoede lant . . . beswaren, vercopen noch
versetten noch becommeren, VI, 1952. Int eerste
becommeric alle mine leene , die . ie houdende bem,
III jaer lanc, Vod. Mus. 4, 338. Den vorseiden
benlc {een out bunder groet) met lijfrenten . . ., no
met gheenen andren laste becommeren ofte beswaren,
340. Hi . . en saelt {het erf) niet mogen vercopen
noch becommeren, Brab. Y., dl. 2, bl. 783. So
mocht hi dese erve al vercopen ende becommeren,
ald. Dat lant is dnc becommert, zwaar betrist,
D. War. 7, 111. Een bede, om somige renten ende
heerlicheden , die becommert waren, te lossen ende te
ontlasten, Exc. Oron. 173 c. Die princelgcke domey-
nen . . . werden so becommert, ende belast dattet
noch te daghen is , 249 b. Wat hnys off erve . .
becommert zijn mit renten off mit andren voor-
waerden, O. K. v. Rott. 34, 100.
6) In gerechtelijken zin. Beslag leggen op een
persoon of eene zaak.
a) Met een persoon in den 4den nv. lem. in
verzekerde bewaring nemen, hem arresteeren, waar-
mede het meermalen verbonden voorkomt. Vgl.
ook BESETTEN én BESTELLEN. || So en sal men
ghenen man . . . becommeren noch rastieren,
Nijh. 2, 124 (a.1359). Mede en sal nyemant van ons . .
den anderen becommeren noch besetten binnen
den termine des verbonts, 123. Waert dat die
geen, die becommert ende beset wair, binnen
een ure geen borge en settede, so sel die bode
den genen . . . den scout overleveren , Leid. Keurb.
196, 12. Dat men die Vriezen, die aldair becom-
mert waren, ontcommeren soude, Oorl. v, Albr.
61. Die (schipheren) becommerde her Johan van
Heemsteden . . ., omme dat zy solden toUe tot
Staveren ontfoirt hebben , 356. So mach een poorter
enen gast van buten . . bekommeren ende bestellen
bynnen der vryheit van onser stede . . voir penninc-
scult of anderen scade, die hi up hem te daghen
hadde, 513. Soe en sel gheen gast enen gast be-
commeren, Keuren v. Hoorn {a. 1429) § 53. Die
een landtman . . mach den anderen . . becom-
meren op een eed , Schwartz. 1 , 576 h, enpastimali.
— Het verl. deelw. ook als znw. Een becom-
merde, iemand op wien of op wiens goei haUs
is gelegd; als het beslag den gebeden boedel betreft
zou men den belemmerde kunnen noemen een gefail-
leerde. II Wie van beide geprefereirt wordt int goed
van eenen becommerden, den assisenaere ofte knus-
heere, Invent. v. Brugge 6, 184. Vgl. het glosg.,
bl. 243.
b) Beslag leggen op eene zaak. \\ Die noch die
lakene van Leyden niet ontconunert en hadde,
die hii becommert hadde , Bel. v. L. 187. Dit
hi ontkommerde een deel goets , dat hii becom-
mert hadde, 189. Dat nyemant van ons hera
vorser, of haren ondersaten in des anderen beren
lande, sijn guet, erfnisse of reynten besetten oi
becommeren, noch daerover richten en8al,Ngk2,
123. Ie doe u alhier een wete van dat Clais i
goeden becommert heeft mit recht, Matth. 90.
Wederk. — Hem becommeren, óek heéi
houden, met eene bepaling, ingeleid door met
1) Met eene zaak. Zich ergens mede besig houie^
zoowel eene stoffdüke als eene onstoffelgke zaak,
of een persoon als zaak gedacht. Eet UeksM
of den geest ergens mede bezig houden: de halden
aan het werk zetten of de gedachten op iets riekten
De laatste is de meest gewone opvatting. || Die
tfolc leeren van goeden daden, ende en beet»-
meren hen daer met, Kerk. Cl. 141; siei uke*
daar niet mede bezig houden, op toeleggen. (Wi)
sulen onse begerde opheffen te Gode ende sulen
ons becomberen bit guden werken ende bit gnder
begeringen , Limb. Serm. 16 a. Dat si nyen woade
met geestleken saken haar so becummeren nocb
onledich maken, D. JTar. 3, 310, 997. Encsgeei
tyt, dat ie mi nu met uwer welden becnnunereB
moet, 971. So dat hi hem becommerde aheeii
met hare, om haer te done vrede, III, 161, 13Ö.
Daer si har becummerde mede, 136, 388. Bissoof
Frederik . . . , die hem alle wege onledich makede
ende becommerde mit synre kerken saken, Matth.
Jnal. 3, 312. Dattet {het kind) hem mei miii\M&r
dighen dinghen der werelt en soude becommereB,
Ned. Proza 302. Van tercietide totter noene be
commerse haer met wevenden werken, 116. Sobe
commerdese haer met heylige lessen , datse biaa al
den bibel houdende was in hair memorie. Ere. Cm-
6d. Godevaert van Billion en sette geen gedadita
op roven , want hi hem beconuneren wilde m^
onsen lieven here, 103 a. Met wat ghedachten gU
daghes ende nachtes becommert sgt, Gulden Troe*
f. 1 b. Die altyt met goeden wercken becomni^
is, 16a. Die onwgslike . . gedachten enseldiai^
ontfaen noch u daermedebecommeren,18<t— Vo
het deelw. becommert wordt de uitdr. beeoB'
mert snn gevormd metdebeteekenis3«:tff9»>Ü
Na dat die zaken . ., daer hi daer mede b^*
mert was, vergan^hen soude, Brah. T. Vn,494"
Dat doutste van desen met haren gebede becoffli^
soud wesen, Christ. 169. In welker timmeringoi N<^
becommert was hondert jaer , Boeck v. d. L.J.^"
Anders becommert s^n, met amdere üfS^
bezig zijn. \\ Christus is mi des een getnicb, dit
wanneer ie anders becommert was ende voor bes
geen misse en dede, so openbaarde hi mi is ^
slaep, Ned. Proza 284. — Het verL deelw- be-
commert ook als bnw., in de bet. heag.W^
comende vant hi tvolc becommert om sinte Lu^
raden te begraven in der kercken, Exc. Cr<mA^*'
2) Met een persoon. Zich ophouden wtet, oh^m». il
809
BECO.
BECO.
810
Bat hi hem met reinen wiven becommeren sal,
Belg. Mus, 5, 256,10 (de tekst heeft ten onrechte :
^dat men met enz."Yerg. de Aant.).
BECOMMERINGEf znw. vr. Van becommeren
in den zin yan arreeteren (zie ald. 5 a). InbeiUg-
newung^ arrest, \\ Dair of sullen onse scout ende
scepen mit recht die partien scheiden bynnen drie
daghen na der becommeringhe voirsc. Ende waer
dat sake, dlit eenighe gast boven becommeringhe
wt onser stede yan Bodelswaert sceyde, die sonde
berallen in des claghers claghe , OorL v, Albr. 513.
Alle becommeringhe , die gheschien zullen . . , die
zal onse stadt-boede doen . ., ende Tan elcke be-
commeringhe zal hy hebben een halve botken,
Schwartz. 1, 575 6.
BECOMMERTHEIT, znw. vr. Yan becommertm
den zin van behoeftig (zie by becommeren 1).
Eig. dus behoeftigheid^ vervolgens ook in de con-
creete bet. van datgene wat men behoeft^ benoodigd-
keid (vgl. de beide beteekenissen van behoef-
LUCHEiT). II Selden was die borse ondaen omme
enege becommerthede , en ware of sire (de Vree-
heit) iet in dede, Rosé 246.
BECOMTE (becompte), znw. vr. Yan beeomen
in den zin van behagen (zie ald. B. 2). Bekomst ,
genoegen, sooveel als men wil. Yan spyzen en
dranken gezegd (vgl. bedotte en bedorste). Kil.
vetus: eonvenientia , congruentia, || Ie dranct {het
water) . ., twelke mi becam so wale dat ics mine
becomte dranc, OVL Lied, e, O, 237, 125. Ie
adt vleesch (d. i. vleesehs) mijn becompte, Ned,
Kluektsp. 85, 191.
SECONDEN, zw. ww. bedr. en wederk.
Bedr. — 1) Bekend maken, verkondigen, mede-
deelen, || Haren here si beconden, dat die mensce
ware ontbonden. Franc, 9341. Te minen jonchere wil
ie keren ende tsinen rade , ende hem beconden , wat
ie ane u heb bevonden, Qrtmb, II, 5415. Die
eamt hemli'eden daer beconden , Taf, Lev, Jez. 1 , 2.
— Ook schjnbaar onz. met het voorz. van. || Nu
wille ie u voert beconden van den seven dootliken
sonden, N. Doet, 1916; vgl. vs. 37: Teerste
deel sal beconden van den Vil dootliken sonden,
zal mededeelen van, handelen over,
2) In gerechtelij ken zin. Bewijzen, staven, \\Soe
wy e . . den anderen dreigt dair mede , dat he des
anders guet wuyst off ledich duet lyggen, dat
men mit twe gueden mannen bekonaen kunde,
Nijh. 4, 182 {a. 1441).
3) Kennis maken met, en YeryolgeïLB'ondervinden,
gevoelen. Ygl. bekennen , 1 y). || Jhesus hadde alsoe
menege wonde, alsoe meneghe doren hi beconde,
X. o. H. 2883. Hoe groet torment heefstu becont,
3433. ' — Na mgn beconden, naar mijn be-
vinden, gevoelen, weten', een onbeduidend toevoeg-
sel. II Daer quam here Seghere Yan der Male ende
syn sone, wet dat wale, her Symoen, na mijn
beconden, Örimb. H, 873.
Wederk. — 1) Zich bekend maken aan, sich
openbaren, zich voorstellen. Met den 3den nv. van
den persoon of het yootz. jegen. \\ Enen kerstenen
heeft hi hem becont, Sp. n% 20, 78. Here Jason ,
fhy moecht verstaen , dat ie dorperheit had ghedaen,
at ie my jegen u beconde, Troyen 364. — Vgl.
BECONDIGEN.
2) Zich met iets bekend maken , zich orienteeren. \\
Mi ghelievet meest dese eerste waerf int foreest
mi te merghene metten honden, dat ie mi daer
te bet wille beconden, Parth. 1140.
3) Onderling kennis maken, zich overtuigen, zich
vergewissen, \\ Min her Walewein ginc sitten neder
bider joncfrouwen ten selven stonden; ten irsten
selense hen beconden onderlinge van goder minne ,
Lanc. II, 38316.
4) Met iemand kennis maken in vQandelyken zin,
zich met iemand meten. \\ Dordy mit my gaen opt
velt, daer ie my met u beconden mach? Trogen
f. 57 e. — Ygl. het volgende Art., wederk. 3).
BECONDIGEN (becundigen), zw. ww. bedr.
en wederk.
Bedr. — 1) Met den 3den nv. van den persoon
en den 4den der zaak. Verkondigen , bekend maken ,
mededeelen. \\ Welke brieve die hertoghe daer be-
cundeghen dede . . . heer Huwaerde, Brab. Y.
YII, 3410. Om den hertoghe alle dinghe te be-
cundeghen . . . met Merteken den bode, 4952. Ie
hebbe ghezent minen inghel, u te becundeghene
dit in de kerken, Openb. Joh. 22, 16. (Hi) becon-
dichde hen . . . die poente, die bescreven volghen
hier naer, Brab. Y. YII, 12353. Dies seldi van
ons horen becondegen, wat boeten datter toe be-
hoort tselker mesdaet, Blisc. v. M. 504. Tscrifture
seit in den latine claer becondicht , wi hebben alle
in Adam gesondicht, 1221.
2) Openlijk bekend maken, afkondigen,
a) Iet — . II {Dat men sal) bekondighen dese
voirscr. ordinancien, Nijh. 4, 234 {a. 1448). Dat
sy . . van onsen wegen bekundigen , ter steden daer
dat behoiren ende behoven sal, ende gebieden,
elkermalc te houden enz., Brab. Y., dl. 2, bl. 727.
6) Enen — , iemands naam openlijk laten be-
kend maken, meestal door eenen „helleman" (zie
dit woord). || Dien . . sal men openbaerlec . . tot
allen hoiricken (d. i. hoeken) van den straten . . .
bi den helleman van senteGuedelen,becundeghen,
dat yegewelc die persene alsulc kenne, als dair
vore zi becundicht werden, Belg, Mus. 10, 112.
Ende soe waer die ghene, die aldus hieraf be-
condicht selen sQn, daer na meer van desen oft
deser gelike saken besculdicht worden vonden , die
soudemen uter stad van Bruessel bannen, ald.
Wederk. — 1) Zich bekend maken aan, zich
voorstellen. Met den 3den nv. van den pers. of het
voorz. jegen, Ygl. hem beconden en hem aconis-
ciEREN. II Hi sal hem jeghen u becondighen saen
ende noden u , oft ghi wilt spelen gaen , Flor. 2607.
2) Kennis met iemand maken. Yandaar de uitdr.
becondicht sgn met, met of bij iem. bekend
zijn. II Dan gesciede mi niet, dat ie liet man gaen
desen pat, hine was met mi becondicht bat dan
gi noch s^t, Rosé 9468; vgl. (7 9298: „Emmer
moestic n bet kinnen."
3) Kennis maken met, in vijandelijken zin, zich
meten met. \\ (De) Griecken ende (de) Troyene ,
die hem met sconen (/. coenen ?) ondersiene becon-
degen ende sonder groeten, Troyen 3780 var. De
tekst heeft: versamenen, d. i. handgemeen worden,
BECONTSCAPPEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde
als beconden (z. ald. bedr. 2). Bewijzen, lat. pro-
bare. || Ten zy saeck , dat de gewalt by den dediger
bekent, ofte met onparthydigen bekundtschapt ,
ofte by sententie ofte contumatie verwonnen were,
Landr, v. Vel. 7, 10. Soe verde men datselve be-
waerheeden ende becondtschappen, conde datsulcz
gheschiet waer, O. R. v. Dordr. 2, 278, 81.
BECOORRE (becoerre , becoerder) , znw. m.
Yan beeoren, in den zin van verzoeken (zie ald.).
De verzoeker, de duivel. \\ Doe quam die becoerre
of die aenvechter tot hem {Jezus), Es. 71 , Matth. 4, 3.
Doe die cloecke becoerder den mensche . . hadde . .
ghebracht tot der hoverdien, Bienb. 121b, DiQ
stricke des duvels, des b^coerders, ald,c.
811
BECO.
BECO.
812
BECOPEN (becoopen) , onr. zw. ww. bedr. (verl.
tijd becocht of becoff). Mul. bekopen.
1) Omkoopen y voor zich trachten te winnen \ hd.
erkaufen. Ygl. ^ecinghelen, ó^gripen, ^^ringhelen
enz. II Al heeft mi, seegt si, becocht menech man
ende giften brocht, nochtan . . . min ie die
Yoer al die ghene, die ie sie, Etop. LXII, 11
(de bet betalen , die voor deze plaats in het Gloss.
wordt opgegeven, past hier niet; en de verandering
van becocht in betocht is onnoodig ; verg. Staten-Bijb.,
Deut, 27, Kantt. 16: Richter ofte getayge ofte
een moordenaer, daer toe becocht),
2) Bij een verkoop toimt behalen op iemand \ een
goeden verkoop doen aan iemand. — In pass. be-
cocht sgn, bekocht zijn , met tehade koopen ,
een iUchten koop doen. Ygl. het dial. miskocht ^
Yan Dale 94. || Soedat hy doende goede coopman-
scepe ende die layden becoopende, sy die souden
mogen anoyeren (honoreeren) , ende hy becoft sijnde,
soude die coop te nyet willen gedaen hebben,
22. v. Utr. 2, 218.
3) Betalen. — a) Eigenlijk. Kil. tatie/acerej
luere^ solvere. \\ Hoe duer hi becopen moeste den
mensche dien hi selve ghemaect had mit siinre
hant , Mandev. f.lb\ welk een grooten prijs , losprijs
hij betalen moest voor den mensch^ dien enz.
b) Overdrachtelijk. Boeten voor iets , het ontgelden.
Kil. multari^poenas dare. \\ Onse Here die en woude,
dat eenech man sonde becopen sgns apostels Pieters
ontlopen, Sp, I*, 9, 38. Dns becochten si met
rechte groet, des heiiechs Baptisten doot, Sp. P,
99, 73. Dat si die diefte becopen. Nat. BI. YII,
652. Saldi becopen . . uwe mesdaet XL jaer,
Bijmb. 6725. Bese mesdaet si sere becochten,
5026. (Doe) moesten si becopen dese sake, 27137.
So dat wi becochten onse sonden, 32251. Ghecke
minne die heeft becoft menich edelinc hier te voren,
MLoep 1 , 528. Hi sonde di doen becopen dine
dompheit (u doen boeten voor , ze u doen opbreken) , hi
sonde di doen slepen ende hanghen , Flor. 2107. Nu
hebbic diere ghenonch becocht tswaert te soekene
metten ringhen , Wal. 2932. — Ook met een begrip
in den 4den nv., waarvan niet de persoon, die de
schade draagt, de oorzaak is. Boeten voor eens
anders schuld \ de verderfelijke gevolgen ondervinden
van ietsy omkomen door of bij iets^ het slachtoffer
worden van iets. \\ £n lietict dor den sondaen, wi beide
sonden becorten mine meesterie {meerderheid) . .
maer doch seldise becopen ghenoech, Limb. YII,
148. In sinen tiden quam dorloge in Ylaendren
toe , dat menich man becoft heeft ende noch vortan
alle dage becopen doet, Sp. IY«, 62, 70. Hi
hadde den wech te dire becocht, ende lach daer
doet int groene gras, Lanc. II, 45174. Die
bruloft . . aie synt becoft menich man , Troyen 84.
Daer becochten zi den strijt, Oversee 64. Yelen
die den wijch becochten, Ben. 1624.
^ Met het onbep. voomw. dat of, meer gewoon,
het. Het becopen, het ontgelden ^ er voor boeten^
het o f er worden van ; met de ook onder a) gemaakte
onderscheiding van eigen misdaden ontgelden^ en
het offer worden van ander er daden, jj Hadde een
nte ere roten ghemist, ende na hem (den leeuw)
ghescoten , hi soudene ter neder loopen ; anders
dadijt hem becoopen , Nat. BI. II , 2248. Dat si II doe
mesdeden , sal dat kint allene becopen , V. d. Houte
194. Quamic als I liebart ende woude mi arsatre
maken, dat becochten mine kaken, Esop. XLIII, 20.
Die heylighe scrifte niet en meynt, dat (d. i. dat het)
Ruben alleen sonde becopen, MLoep III, 820.
Syt beede sware becochten, Sp. I*, 69, 36. Hets
onrecht dat alt volc becoept, dat clene menechte
beloept, I« , 54, 1. Dat hQt hier also becochte, lH* ,
28 , 7. U staert die moetet dan becopen , Hild. 40 , 59.
Die motent selve al becopen, 135, 118. Het lal
emmer yemen becopen , Mask. 750. Soe at , dat soe
zint becochte, Rijmb. 640. Dat becochtse in suiker
wize , 743. Wie so Cayme yermoort . . . , sevcnvout
sal hyt becopen, 893; vgl. nog 1046, 2974. Soe es
onsculdich, die scont es mgn; doet becopen dies
de scnlde sgn, straf hem^ die de schuld heeft.
Flor. 3668. Helpt hn Christus ontfaermicheit niet,
ghi sullet jammerlike becoopen , Ned. Proza 19. —
Ook reeds met eene bepaling met met, waarmede
bekoopen thans onafscheidel^k verbonden is. i| Dat
heeft die waerde coninghinne mitten live dier becoft,
MLoep I, 548. Dat hi dicke adde ghesocht, ende
met menigher pine becocht. Wal. 2867.
— Aanm. Onjnist is de oitdr. die doot be-
copen. Kal. 6 , 82 : II Tdoeghen dat ghi Uden mocht,
toter doot, die ghi becocht. — Evenmin zoodeo
wij kannen zeggen : den dood ontgelden , yoor : iets
met den dood bekoopen.
BECOREN (becueren), zw. ww. bedr. Mnd.
bekoren ; mhd. bekom. Yan coren , d. i. proeven (xi€
ald. en vgl. Taal- en Lettb. 1, 160—164).
1) Proeven j smaken.
a) Eig. II De gene died doen yan har hoerden,
ende died proefden ende becoerden, si seidei,
dattet spekele yan haren monde was sneter das
enech honech, D. War. 3, 133, 334. Het sonde
werden sere te sure eer men die tegheline mare
ende den roden morter scoorde, die meneger
beesten bloet becoorde, Alex. Y, 897. De zin is:
de „kalk, die het bloed van vele beesten had
geproefd of gedronken" ; vgl. vs. 852 en T. en Letth.
4, 108.
b) Fig. Smaken , ondervinden , zeldzaam met dei
2den THadew. 1, 21, 16; Z. p. Jez. c. 240), gew.
met den 4den nv. der zaak. Ygl. JHut. 2, 207:
becoren, eomperiri.\\ kl% een mensche heeft ghe-
sworen, dat hi mi {de vunne) nemmer en wü
becoren . . , so come ie stille mit minen vnre ende
onsteke al siin nature, D. War. 7, 387, 109. Der
minnen plegen es onghehoert, alse hi wel kint,
dies hevet becoert, Hadew. 1, 21, 15. Om tswaer
vemoy ende verdriet, dat hi dogede ende wilde
becoren doer onsen wille, Lucid. 1462. Cleiae
troest eest mi . . dat mg n meester twee pinencort,
ende ie dan ene becoren moet, Bincl. 419. Binnei
vijf dusent jaren moest alle die helle becoren [di
pijnen der hel lijden) ^ dat van menschen wait
gheboren, Lsp. UI, 23, 118. — Zonder aitgedrakl
object vindt men becoert hebben, Hadew.
1, 175. Ondervinding hebben. \\ Mi es alse eafs
kinde gesciet, dat na sprect dat het sprekei
hoort, eert bekint hevet ocht becoert — Vooral
gebruikeljk in de uitdr. die (der) doet be-
coren, den dood smaken^ ondergaan. \\ Meneek
sal daer omme de doet becoren ende mes winde,
eer dorloghe comen sal ten inde , Melib. 408. Gou
moester oic om senden sinen soen in eUendei
ende die bitter doot doen becoren, Lsp. 1,22,37.
Hoe selen wy sonder u moghen leven? Wat dode
souden wy dan becoren, ochtewyu aldus verlor»!
Troyen 5841. Scheemte heeft meneghen hoo^
gheboren edelen doen die doot becoren, Brah. T.
YII, 3243. Ie sal op dese stonde becoren hier die
bitter doot, Fergi 899. {Si) bat die om die dotvt;
mi dunct, si heeftse becort, 1005. Ghi selt emmtf
die doet becoren, Limb. I, 1860. Soe dat hi die
doet becorde, XII, 304. Hoe hi (CAmAi*) die doet
843
BECO.
BECO.
814
moeste becoren, hoe oat hi was doe hi starf,
Yelth. YIII, 15, 10. Ghi moeten na ter steden
cronen, of gi selt de doet becoren, Y, 35, 32.
Tote dat hi de doot becoorde. Franc. 3423 (de
tekst heeft ten onrechte öezoorde). Dat hl die
doet nien sonde bekoren, hine sonde tierst Eerste
hebben ghesien , L, v. J. c, 24. Dat Christns moste
becoren der doet ende des derds dags weder
opherstaen, e, 240. — Die see becoren, de
{jgevaren der) zee ondervinden^ zich op zee wagen. ||
Nu wil ie n echt seggen Yort, hoe hl die zee
voort becoort, Sp. IV*, 49, 7. Vgl. onze nitdr.
zee kiezen en mnl. die doot kiesen, d. i.
ondergaan.
Aanm. — Onjnist wordt het ww. gebmikt
Vad. Miu. 1, 392, 17: || Met miere valscheit
hebbic verloren die ghene, die was myn toeverlaet,
dat salie metter doot becoren! — De dichter had
moeten schry?en (of heeft geschreven) „ daerbi
salie die doot becoren.'''* Misschien ook verwarde
hij in zijne gedachten becoren met becopen. Vgl.
de Aanm. bg becopen.
2^ Beproeven^ verzoeken^ in verzoeking brengen.
a) Tot het kwade aanlokken ^ zinnelijke begeerten
M iemand opwekken.
a) Met een persoon als onderw. || Chenobea was
van sinnen wilt ende lyet hoer Yenns so becoren
dat sy enz. , MZoep III , 558. Nn sie ie wael te
voren, men sonde n wel mit ghelde becoren, lY,
2085. Niet lichtelic en zondese (mijn wijf) mynu
bekaeren, Ned. Kluchtsp. 79, 7. Om dattn metter
zonde becners natnere, 0V7. Lied. e. O. 493, 90.
\Vie hevel dijn herte das becoert? fF'ap. Mart. I,
150. Waer mede ghi heren herte becoort, Sc. e. CL
47. — Yooral met den geest van het kwaad, den
duivel^ als onderw. || Om dat hi (de duivel) te min
lal becoren die ghene , die daer messe horen , Lap.
II, 52, 7. Soe wye dat in wanhope sy, daer is die
fyant gheeme by, want hy en dan best becoren
mach, Hild..l44, 167. Dattene («^ ^^utp^Q verwan
te siere scame Jhesas met vastene, als hine
becoerde, Sp. II*, 23, 292. Dit (Zam) was becoert
van den viant om te brekene onser coringen bant
433. Hi hoerde dat Sathanas sijn wgf becoerde,
Belg. Mue. 10, 52, 29. Der boese gheyst, die den
heiÜghen man Job bekoorde, Serv. II, 353. Die
davel altoes begheert den mensch te become,
Beatr. 65. Met qoader liste . . becordise met
vleescheliker sonde, die nonne, 69. Die dnvel
becorese, 929. Hoe dat Jhesas Christas wart be-
koert in der wastinen van den evelen gheeste,
L. V. J. c. 24 Optchrift. Niet en verstaet in dit
woort dat God onse here yement becoOrt anders
dan {slechte tracht hij hen te brengen) talie goede ,
Lep. Il, 41, 147. — De „viant" wordt somtijds
ook, als bekend, weggelaten. || Wi en seggen niet ,
dat die Gods sone becoert was iet, maer die
menscheit, Sp. II*, 23, 295. Die wise worden wel
becoort of op ene tijt verdoort, Hild. 194, 159.
^ Met eene zaak als ondw. Ten kwade ^ tot
zonde aanlokken^ brengen. \\ Noyt man en wart ghe-
boren, zach hi Marien, dat hem becoren mochten
eaighe dorpemien, Lett. N. W. 6*, 76. Laet ha
blootheit niet becoren, dat si hu bringhe ineene-
ghen vare , Denkm. 3 , 88 , 149. £lc mensche wert
becoert van siere begherten, Doet. II, 511. (Hi)
vragedem ten eersten worde, wat dinge dattene
beoorde, Sp. III', 30, 77. Wat mit sonden is be-
coort, diat gaet in dnnsterheden voert, Hild. 224,
III. Wanten (Jezus) noyt sonde hecorde , Lett. N. W.
5*, 18. Hoe si met ere dolre minne becort was,
Beatr. 986. Die ander clerc wert becoert met hare
minnen ende beseten. Boerden III, 24. In die
oefeninghe . . en mach die mensche niet becoert
werden van enigher sonden, Rnnsb. 4, 27. Si en
hebben vleisch noch bloet, daer men die sonden
mede doet, oft datse ten sonden iet becoert,
on. Ged. 3, 133, 187. — De onb. wijs als znw.
gebmikt. Verzoeking. \\ Dat becoren van Lncifer,
den helschen draken, Hild. 220, 74. Dat doet dat
vleesch in toren (/. des vleesch becoren) , iZ^V II,
5844. Een reyn wijf die wedersteyt alle becoren
van binnen, Frouw. e. M. Y, 50. — Becort syn
met een onbep. wijs , eig. in verzoeking sijn om , m.a.w.
lust hebben^ neiging gevoelen. \\Tt vraghene ben ie
becoert, Wap. Mart. I, 595. Altoes was hi becort
te comene ten keyserike, Sp. Il*, 23, 20.
b) Beproeven^ op de proef stellen^ polsen. WDtX
men enen sot becorde om wysheit,en waer gheen
profijt, Vad. Mus. 2, 188, 330. Ghi heren, wat
wildi? ghi gaet seer becoren mi, Vrouw, e, M.
lY, 203 (Umb. XI, 99). Dit spraken si om
hem te bekome ende omme oksnn te vindene
jeghen hem, L. v. J. c. 164. Waer omme bekordi
mi? Togt mi de mnnte dar men den tsens mede
ghildt, c. 171. WathiantwerddedenPhariseensen,
die heme wonde bekoren, c. 138 opschrift. Doe
qnamen die Pharisense tote hem omme hem te
bekome, c. 138. Nadien dat dese dinghen das
gedaen waren, soe becoerde God Abraham, 2). B.
Oen. 22, 1. God becoerdese (de rechtvaardigen)
ende vantse syns waerdich , ald.^ B. d. Wijsh. 3,5. —
God becoren, Ood op de proef stellen^ zien
hoever zijn geduld^ zijne lankmoedigheid zich uit-
strekken^ Ood verzoeken. \\ Moyses seide: . . waer
om becoerdi den Here? D. B. Exod. 17, 2. Dn
en sals den Here dinen God niet becoren, also
dn hem becoerdes in die stat der becoringhen,
Deut. 6, 16.
Aanm. — By Nyh. (5, 89) komt becoert (be-
kairt) voor in eene beteekenis, die als een germa-
nisme te beschonwen is, nl. in die ykh verzoeken ^
aanzoeken y uitnoodigen, vermanen, welke bet in
het Mnd. zeer gewoon is. Ygl. Lubben 1, 215a. ||
So dan . . onse goedige here van Cleve . . dnrch
schrifften ind baitschappen hoge bekairt ind ermaent
is, nmb denselven van Egmont ind stat Arnhem
hnlpe ind bijstant to doen.
BECOREN. Zie Becueren.
BECOREN. Zie Bekeuren.
BëCORINGE. Zie becuerinoe.
BECORINGE (becueringe^, znw. vr.; mv. be-
coringhen. Mnd. becoringe\ mnd. bekorunge. Yan
becoren in den zin van beproeven, verleiden (zie
ald. 2). Vezoeking, verlokking ten kwade. In het
Katholieke Onze Vader nog heden gebrnikelijk
voor verzoeking. || Yan becneringhen ende van
temptacien, die hi algader wederstoet, Amand I,
1451. Dat hi den viant mochte wederstaen, die
hem vele becneringhen hadde ghedaen, II, 1307.
Soe dattn sels in eren bliven, ende becoringhen
van di driven, Vad. Mus. 1, 396, 82. Ghy snit
waken ende beden, op dat ghy in gheyne be-
coringhe en treden , Serv. 1 , 44. En leidt ons niet
in becoringhen, Lsp. II, 41, 21 var. en 146 var.
En laet ons in neghene becoringhe, maer beboet
ons van qnade, Vad. Mus. 2, 418. (Jezas*) be-
coringhe in der vasten. Stemmen 22. Overmids
welken . . in der tijt der becoringhen dat ghemoede
nter woeninghen der doechden ghestoten wort, 93.
In tranen ende in becoringhen, die mi toeghe-
comen syn van den Joden, Hs. 75, Hand. 20, 19.
815
BECO.
BECO.
816
— Ook Tan hecoren in de uitdrukking God be-
coren (zie ald.). Het verzoeken van God, \\ Ende
hi hiel den naem van dier stat becoringhe,
om den twist der kinder van Israhel, ende om
dat si den Here becoerden, J). B. Exod. 17, 7.
Zie een tweede voorbeeld bij becoren 2 b),
BECORTEN , zw. ww. bedr.
1) Verkorten \ Tan een ^reg f^ete^^ ^ snel afleggen,
Ygl. het Lat. viam eorripere. || Becortende den wech
Tan Bruessel tot Parijs op II nachten ende eenen
dach, Exe, Cron, 119r.
2) Verkorten, te kort doen, nl. iemand in zQn
rechten. || Niet te dogen, dat sy ofte eenig bekort
ofte belast worden in der Trjheden, Handv, v.
Medembl (Ah {a, 1393).
3) Een einde maken aan iets. \\ En lietict door den
.keyser rike, het worde becort hier ter tyt hare
Talsceit ende haer nyt, Lorr. II, 4009. — Vooral,
ja zelfs bijna uitslnitend in gebruik, als term nit
het ridderwezen. Een geschil, een twist beslechten,
door een tweekamp beslissen; voor eene beleediging
in een tweegevecht voldoening zoeken. — a) Met bij-
Toeging Tan het Toorw. strQt, twist.|| Die desen
twist ende desen strijt dar becorten in een crijt
jegen enen Tan hier binnen, Lanc. III, 18262.
Wi sullen desen stqjt nn sceiden ende becorten
tnsschen ons beiden, C. en El. 376. TgheTecht
becorten enten str^t, Segh. 6335.
b) Meestal eTenwel met het onbep. Toomw. het
(dat) als Toorwerp; het becorten, hetgeen dns
ongeTcer gelijkstaat met ons duelleeren, een twee-
kamp (mnl. eenwijch) houden. || Beter eest dat
wi twee dat becorten, dan daer mee liede selen
lijf Terliesen, Velth. II, 7, 56. Waer ie gesont,
dat becorte ie na ter stont, ende sonts wel n
wedde ontfaen, Lorr. III, 23. Mach men dan Tan
alre sake te payse bringhen wel n tween, dat
si te goede ofte neen, . . het wert becort op
enen dach, Parth. 7857; „dan zal er een twee-
kamp dienen plaats te hebben.'^'* Hi wildet be-
corten herde bonde metten swerden (/. swerde),
Velth. II , 6 , 78. Dies willic comen in een crjjt . . ,
te becortene tnsschen twee sonneschgn , Wint. e. S.
301. Dar hijt becorten jegen mi, Lorr. II 3203.
Dorendiit becorten jeghen mi , of anders moet si
ontsculdich wesen, Limb. III, 938. Wildi mi recht
hier lenen, soe willict becorten merghen Trouch,
1031. Wildijt becorten nu ter tijt hier Tore hen
in een crijt? Lanc. II, 40965. Nu hoet u jegen
mine steken oft gi cont: het moet hier nu becort
sijn tuscen mi ende u, 41610. Welet ieman be-
corten alse riddere Tri jegen hem, come ende
wint, III, 15211. Waerdi te Toet, ie sout becorten,
des syt Troet, 15388. Torec seide: dit nes niet
waer, ende dat willic thans becorten daer, 25268.
Mergen selew^t becorten dan, 26653. Sceiden is
een blode mans aert, maar een coen man becortet
mitten swaerde, Ned. Proza 352. — Somtijds
wordt becorten gebruikt als krijgsterm. Door
een geregeld gevecht tnsschen twee legers uit-
maken, beslechten. \\ Datsi met swerden ende met
kniTen becorten, wient {Woeronc) Toort soude
bliTen, Heelu 1444. Tomech ende gram, dat hi
niet mochte becorten dan donrecht, datmen hem
leide an, Brab. T. V, 3582. Laet ons becorten
harde tnsschen ons lieden metten swerde, Velth.
II , 51 , 33. Alse Here Symon sach dese dinc ,
wildyt te Telde becorten nu in enen stride , 1 , 52 , 8.
So wilde hi met strgde becorten, wie here Tan
Rode bliTen soude , Exc. Cron. 130c. — Sijnrecht
becprten, zijn recht bekampen, er voor opkomen ,
vechten. \\ So was hi tomich, dat hi sgn recht
met stride niet becorten en mocht, ald. — Ook
in den zin Tan om iets vechten. \\ En lietict dor
den soudaen, wi beide souden becorten mine
meesterie (d. i. meerderheid) , Limb. VJJ , 148.
BECORTINGE, znw. Tr. Van becorten, in den
zin Tan iets door een tweekamp beslechten (zie
ald. 2b). Tweekamp, duel. || Van natueren es hi
quaet, die niet en heelt, dat hi weet, daer comt
af so menech leet, loghene , becortinghe ende rouwe,
Belg. Mus. 10, 343, 4.
BECOSTEN, zw. ww. hedr.lSjïd. bekosten; mhd.
bekosten. De kosten van iets dragen , bestrijden; iets
bekostigen. || Int XXVIIIste jaer . . . ne mochte
ment al becosten niet , Bijmb. 13678 var. (nl. de repa-
ratien aan den temper). Ens niemene . . . alse rijcke
nu Tan goede, die tweede minste becosten mochte,
TS-ogen 5450. Soe sal male bi hem seWen sgn
huns becosten te breken, te stutten ende weder te
maken, Overijs. Recht I\ 15. Dat die laden . . .
desen Aesdam . . . Toertmeer becosten zullen ende
aeuTaerden, sonder cost ende sorge*onser porters,
Priv. V. Brielle 2, 16. So sal hy die more mede
becosten, Stadsr. v. Zwolle 143, noot 3. Dieghoten
to becostene ende to heldene ... in allen dien
ghcToeghe, die daer Toer gheseghet is, ald. 144,
noot 2).
BECRACHTEN (becraften), zw. ww. bedr.
Mnd. bekre/ten, bekvechten, bekrachten; mhd. be-
kreften. — 1) Met kracht, d. i. met geweld ten onder
brengen, overwelven, onderwerpen. Van personen
en land gezegd. || Soe consenteren wj) Aylof ende
Sicke . . ., horen cost ende scade te Terhalen up
onsen Tyanden in OistTrieslant als OTerhorige ende
meynedige Inde, wair sise becraften moghen, Oorl.
V. Albr. 532. Dattie stat hair te baten woude comen
ende helpen hoir die geen becraften , die Tselsteyn
gewonnen hadden, Matth. Anal. 3, 357. Waeit
sake dat sy Amersfoert becrachten of gewinnen
conden , ald. 377. Dat hi die stat geronnen hadde
ende becrachtet, Exc. Cron. 212 ó. Of wg . . .
becrachteden enich slot of stede binnen mgns . . .
heren Tan Borgoengen landen , Nijh. 4, 40 (a. 1426).
2) Met eene zaak in den 4den ut. Hjomdhaeen,
in kracht houden. \\ Dat sy alle tijt hulpen starken
ende Torderen sullen ons liefs heren . . . tolners
ende zeeTonders in alle saken, die zijs te doen
sullen hebben, om ons liefs Heren tollen, ende
zeeTont te becraften, Oorl. v. Albr. 504.
BECRACHTER, znw. m. Rij die sich meester
maakt van iem. of iets. Slechts als Tar. bg Matth.
82. Zie BECRACHTICH.
BECRACHTICH, bnw. Vgl. besculdich, be-
SONDICH, BEBLOEDICH. Krachtig, sterk. \\ Item
sal die bode wesen een becrachtich Tangher ende
een aentaster der misdadigher, Matth. 82 {var.
becrachter, Tanger).
BECRACHTIGEN ^becraftigen ; in Duitsch
gekleurde stukken ook becrechtigen), zw. ww.
bedr. Mnd. bekrechtigen , bekreftigen.
1) Met kracht en geweld onderwerpen, overwel-
digen, onderwerpen, ten onder brengen; Tan land
en personen gebruikt. || Wie die ghene waren , die
hadden helpen raden, dat Vianen becrafücht soude
worden, Mlatth. Anal. 1, 477 (Tgl. 475: hoe die
Joncker Tan Brederode Vianen weder kreech). (Hi)
becrachtichde syn lant weder, dat hem afgewonnen
ende Terdestrueert was, 3, 305. In den jaer 139$
geboot Hertoch Aelbrecht . . . heenraert ... om
Vrieslant te becrachtigen, ald. 308. Doe toock
Hertoge Willam in den lande Tan Lndic mit heer-;
817
BECR.
BECR.
818
crachte, bernde dair veel dorpen (ende) becrach-
tichde sommifi^e steden ende sloten, ald, 337.
Slerknles) hadde vui int oest tot int westeynde
e werelt so verre becrafticht, so dat hi . . .
sün palen stac in de Spaensche zee, om die over
te bmgghen tot in Africa ende dat oec te becraf-
tighen, Ned, Proza 127. Die stadt van Bourges,
die bi beleyde ende becracbtichde , Exe, Cron. 64 d,
Soe badde bertogbe Willem van Sassen bebende-
lijcken ende bedriecblgcken dat bertoechdom ingbe-
nomen ende becracbticbt, 185 b. Dat bise (dettad)
met vecbtender . . . bant gbewonnen ende be-
cracbticbt beeft, 206 b. Int jaer 1470 onam dye
grote Tnrck . . . ende becracbticbden dat grote
eylant, gbenoemt Enboyen, 207 b. Te trecken voor
die stadt van Lndic, om die te becracbtigen ende
gansselick te vernielen, 216a. Dat (Auy^^^Z^^ikir)
weder te wynnen ende te bekrecbtigen , Nijb. 3,
85. (Dat si) . . . andre slote of lande bekrecb-
ticbden of gewnnnen bg oestsyde der Emesen , ald.
224. Lande te bekrecbtigen an beiden sijden der
Emesen, ald, Gby snit weeten, dat dese keyser
annam die slaven te becracbtigen, omdat zy den
rijke ongeboersaem waren, Clere 47. Dat dese keyser
Heynric annam, die Slaven te becracbtigen, 38.
(Die) Westvriesen, die bi becracbtigede ende bem
eendeels onderdaen maecte, 43. Die bem grote
hnlpe bigebracht bebben, om sün recbte erve te
helpen becracbtigen, 30. (Hi) toocb daer mede
tAlcmaer, om die Westvriesen te becraftigen, 121.
Wairt dat yemandt die stede van Leyden becracb-
tigen wilde, Bel. r. L. 251. — Een lant be-
cracbtigen ane, een land terugbrengen aan,
weder vereenigen met. \\ Die landen van Yrieslant
weder te becracbtigen an der Graeffelicbede van
Hollant, also dat beboerde, Mattb. Anal. 3, 300.
2) Versterken, bevestigen. Met eene stad, een
land, en derg. in den 4den nv. || Tot wat tyden
dat Hertoge Ailbrecbt belieft te becracbtigen
die stede ende tlant van Koevoerden, Oorl. v,
Alhr. 483.
BECRACHTINGE (becraftinge , in Duitscb
gekleorde stnkken ook becrechtinge), znw. vr.
Onderwerping, tenonderbrenging. \\ Inder becraftinge
van onsen lande van Oistvrieslant . . ., van onsen
ongeboersamigen ende meynedigen Inden, Oorl. v.
Alb. 527. Inder becraftingbe van onsen lande
van Oistvrieslant 529. (Wi) geloven beren Symon
Yoim. inder becraftinge ons lants te bnlpen, 534.
Als oick sommigen van den steden oere brieve
van oeren privilegyen in der overtreckingen ende
bekrecbtingen diss lantz ontweldicht sijn, Nyb.
5, 75 (a. 1477).
BECRAFTEN , BECRAFTIGEN , BECRAF-
TINGE. Zie BECRACHTEN, enz.
BECRAKEN , zw. ww. onz. Hetzelfde als eraken
(rie ald.). Op iemand neerkomen, iemand treffen.
Met bet onderw. scade, ongeval of eene andere
ongunstige zaak, en eene bepaling met op, ter
aanduiding van den persoon, dien bet ongeluk
treft. II So langbe vliegbet si bem acbter, dat die
scade ende die lacbter op die moeder moet be-
craken, Nat. BI. III, 985. Onderwint di niet van
fheenre daet, die tot di waert niet en gaet, want
du moocbst (/. mocbts) varinge maken, dat al op
die (/. di) sonde becraken , Mattb. Anal. 1 , 66^
(Bouc V. Sed. 353). Te groten rampe ende sere te
goede (/. tongoede) quaemt den meestere diese
maecte, want allene np bem becraecte tongeval.
Wal. 7912.
BECRANKEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als
vererancken (zie ald.). Verswakken, jj In die juncturen
so wartet {de wijn) suur ende becrancket de
juncturen , Lanfr, 1099. — Overal elders leest men
in dat bs. vererancken, docb ook becrancken kan
bestaan bebben.
BECRIGEN, st ww. bedr. In handen krijgen,
betrappen, pakken, \\ Also varre als byen becrigben
can binnen desen palen, O. R. v. Dordr, 2, 298.
BECRINGELEN , zw. ww. bedr. In een kring
omsluiten, omsingelen. Vooral in gebruik in bet
verl. deelw., in de overdracbtelijke bet. van in nood
verkeerende, in het nauw gebracht, benauwd, be-
angst, II Si s|jn becringelt int lant ende inder
wildernissen sfjn si besloten, J), B. Exod. 14, 3.
Doe dit die kinder van Israbel sagen, dat si be-
kringelt {Staten-Bijb. in nood) waren . . , so borgen
si bem in duwieren ende in cloven , I Sam. 13 , 6. •
Ie bin becringbelt , want die Pbilistinen vecbten
jegben mi, aïd, 28, 15 (St,-Bijb, ik ben beang-
stigd).
BECRITEN (becrijtten) , zw. ww. bedr. Van
crijt, d. i. cirkel (zie ald.). Een cirkel beschrijven
om iets of iemand. Lat. cireumscribere. — Hem
becriten, een kring om zich beschrijven, een
cirkel om zich trekken, \\ (Hi) nam sijn s waert ende
becrijtter bem mede int sant, dat bem negbeen
Gods viant ne mocbte gbenaken omme te deerne,
Val. 4786.
BECROEDEN (HEM — ), zw. ww. wederk. Van
bet in den Teutbonista voorkomende croeden, d. i.
onderwinden, becommeren (vgl. De Jager, Archief
4, 146). Zich bezig houden, zich a/geven met. ||
List ende bebendigbe zaken . . en sgn in minnen
niet verboden, die bim daer mede wil becroeden,
macb mit list ende abele dingben die vroukgns
wael bi wilen bringben, dat menre off gbewerft
den zegbe, MLoep II, 2477.
BECROMEN, zw. ww. bedr. Alleen voorkomende
in de uitdrukking sonder becromen, ÏVap. Rog.
23 : II Rogier , vrient, wille daer toe gomen , mi tant-
wordene sonder becromen. — De uitgave beeft be-
cronen , docb bet rgm wy st becromen als de ware lezing
aan. Men vergelijke daarmede bet bnw. onbekreumd,
dat men leest by Beaumont 204 : „ Daer de goede
wel bekende vrienden t'samen vroÜjck sijn, en in
klaere versche roemers omgaet onbekreumde wyn."
Blijkbaar is de bedoeling ruim, mild, onbekrompen,
en becromen , bekreumen moet dus beteekent bebben
bekrimpen, beknibbelen, betgeen bier uitstekend
past: antwoord mij zond^ iets te beknibbelen, zeg
mij de volle waarheid. De eigeniyke beteekenis is
vermoedeiyk geweest kruimelen, bekruimelen , krui-
mels ergens afhalen , en dus beknibbelen , bekrimpen.
Naast ags. cr4me, cr4man, ons kruim, kruimen,
kruimelen, staat eng. crum , crumble; voorbeen crume,
crumme, crome, cromme (Stratman 127); mud.
krome, kromen , nnd. kröme , krömen , krömeln {Brem,
JVtb. 2, 878), en ook in onze volkstaal zyn de
bijvormen krummel, krummelen en krummeUg be-
kend. Becromen , bekreumen is dus de wettige bijvorm
van bekruimen. De overgang van beteekenis spreekt
nog in ons kruimelig, kleingeestig; kruimelaar,
een kleingeestig menscb , die overal als *t ware de
kruimels afhaalt, op alles beknibbelt, bet tegen-
deel van mild, onbekrompen,
BECRONEN ^becroenen, becreunen), zw.
WW. bedr. en weaerk. Mnd. bekroenen. Van cronen,
d. i. klagen, kreunen (zie ald.).
bedr. — 1) Klagen over iets, \\ Siet gbi beren ,
om dit becronen ben ie comen te deser stat,
Orimb, 1 , 1268 {om hierover te klagen), — De onb.
819
BECR.
BECR.
820
wQs til» znw. gebmikt. Eig. behlag^ reden van be-
klaff, en Tervolgens: k^ door recktrmiddelen op-
komen tegen , het belemmeren van iets. \\ Sonder mij da
heren van Gelre becroenen ende wederseggen, Ngh. 3,
105. Sonder ennich becroenen, wederseggen off
hindemiflse mijnre erffgenamen, 233. Sonder onsen
toeme ende bekroenen, 6, 254.
2) Betreuren. \\ Dat men aneva den strijd; hiers
gheen ontgaen , wiet becrone , Bijmb. 28726. Gheen
onrecht sal men meer becronen , dan dattie ghene ,
diet al honen, daer naer setten haren moet, dat
men segge, si sijn goet, Sp. I', 8, 19.
3) Aanklagen^ beschuldigen. Ygl. beclagen en
ons znw. beklaagde. || Si hebben hem (Nartes)
becroont anden keyser, den jongen Jnstgn, Sp.
III», 40, 78.
WEDERK. — Hem becronen, zieh beklagen.
— a) Absolnnt, of met een afh. zin met dat. || Hi
Taert wech ende laet Hector daer, die mit recht
groten Taer mach hebben ende hem becronen , Tragen
f. 70d. Const si doch const met consten loonen, so
en zoude hem niemen connen becronen , O Vl. Lied.
e. O. 234, 29. (Sjr) wonden hem becronen, dat
hem die stat verboden was sonder misdaet boven
der stat rechte, Matth. Anal. 3, 344. Hem be-
croenende . ., dat tegen recht ende bescheit . . .
onse broeder voirscr. hadde mit geweldiger hant
gebonden ende beseten dat slot yan Weerde, Ngh.
4 , 149. Hem becronende , dat de vors. meesters . .
hem . . niet onderdanich . . sgn en wouden , Brab. Y.
dl. 2, bl. 646. — b) Met den 2den nv. of het
voorz. van. Zieh over iemand oj iets beklagen. \\ Dit
hadden si sere ommare, dat si dus waren ge-
hoent ende hebbens hem becroont, ^. III*,
18, 52. Ie saelt u lonen, dat ghijs u niet en
selt becronen, Beatr. 891. Si worden soe ghe-
loont, dats hem nyemant en becroont, Hild.
249, 175. Des ie mit jammer mi becroen ,
J). War. 8, 84, 31. Van allen broeken (beleedi-
gingen) ... die (/. dier?) wi ons aen beyden ziden
manlike op anderen becroent hebben, Nijh. 2, 86.
Mijn heer en sal hem niet becronen vander stede
noch van den Inden, Hild. 169, 446. Alse si
saghen, dat men hen nemmeer en gaf dan den
andren, so bekroenden si hen van den hunshere,
L. V. J. c. 150. Al des zi van enegen der voir-
screven pointen van yemene hen te becronen weten ,
Belg. Mus. 10, 111. Dies sy hem becroonende sijn
op den graeve van Geldre , Oorkb. 2 , 261 a. Wair
dat . . him diegmterdairof becroende, V. d.Wall
1 , 152. Wair dat sake dat hem dair yemant of te
becronen heeft mit redenen, 186. Yan denbossche
die goede manne, die hen becroenden des heeren,
Brab. Y. VI, 2222. Dat sijs hen niet en souden
becronen der groter vrientschap . . die si hem
vortijts bewesen, 4208. Vele gebreke . . daer de
hertoge van Gelderlant hem af becroenden , 8927.
Van alzulken zaken als hi hem becronende was,
Dl. 2 , bl. 519. Alrehande dachten ende ghebreken . .
daer wi ons af becronen, bl. 604. Hopende dat
haer wedersaken daer af hem niet becreunende en
waren, VII, 10022. Van den landkustinghe , daer
hem Pieter . . of becroent. Mieris 2, 211 i. Dat
si hem mit reden van ju niet en hebben te be-
cronen , 235 b ; enz, — Minder nauwkeurig en meer
in overeenstemming met ons spraakgebruik lezen
wij Tragen 4235: || Menghe maghet . . is mit
scoenre talen ghehoent, dat haer die menghe be-
croent, voor: des haer die m. b.
Aanm. — Uit de bet. zich (nief) over iets be-
klagen heeft ons zieh bekreunen, dat steeds met
eene ontkenning wordt verbonden, de bei ontwik-
keld van zieh (nief) om iets bekommeren^ («vQ <m
iets geven,
BECRONINGE, znw. vr. Van becronen (ric
ald.). Eig. beklag en yerYoigtns reden van beklag. \^
Hebben die Vlamingen scade of becroninge, (bit
men die daghe daer of honden zal tot Middelboreli,
Cout. V. Brugge 1, 472.
BECROON, znw. onz. Stam van het ww. be-
cronen (zie ald.).
1) Klacht, beklag. j| Sonder pine oft sonder be-
croen en mach men gewoenten niet afdoen, diemen
in weelden hevet geploen, Sp. n* , 87, 194. Dit
veel dachten ende becroon voor ons commen z|i,
aangeh. Invent. v. Brugge, Gloss., bl. 243vlg. Soe
waer . . des weder becroen ofl meeren {geruchten) roir
de scepene qname . . , dan souden de scepenen dit
voirt den amman toegen, Belg. Mus. 10, 10».
Waert sake , dat sy dat niet en deden , ende daer
becroon af quam , Mieris 3 , 193 b. Want wi meneger-
ande beclach ende becroen van langen tiden ge-
hoirt hebben van onsen getrouwen poirteren, BrshJ.
dl. 2, bl. 625. Clachten ende becroen, Comt. v.
Brugge 1, 467.
2) Als rechtsterm. Het belemmeren vmn, het op-
komen tegen iets, door rechtsmiddelen. Hetzelfde
als rro^.(Kil. impedimentum). \\ Sonder crot ende
becroene van ons ofl yemants van onser weghen,
Nijh 1 , 379. Sonder ennige w^dersprake, becroene off
hindemisse van mij ende van . . m^nen erfgenamen,
3, 232. Bnten ennich bekroen off wederseggen Tin
ons, onsen erven ende nakomelingen, 4, 117. Baten
enich wederseggen off bekroen onser off ymantz Tin
onser wegen, 204. (Dat si die) mstelich ende
vredelich gebmycken sollen . . buten bekroen,
hyndernisse of vervolghs . . van ons, van onsen
erven off van onsen vrienden off magen, 114.
BECROONTE, znw. vr. Klacht. || üp t&it vu
vele andre becronten, daenof dat zy hemlieden
beclaghende waren, dat men dede contrarie harer
privilegie, Invent. v. Brugge 5, 303.
BECRÜPEN, st. WW. bedr. Van CTf#p«» (zie ald.).
1) Het transitieve kruipen. Over iemand kruipen. \\
Ist dat si (?) den mensch onbecropen laten ende si
dien mensch scnwen, soe ist die rechte steen, ji
ist , datten die mensch over hem heeft ende trecmen
den steen en wech, dat si dan den lichaem be-
crnpen, Barth. 651b.
2) Kruipend bereiken , iemand al kruipende nadere^
vandaar overvallen. \\ (Hi) waende Spaenyarden be-
crupen ende al heimeliken beslupen, Lett-, N. B.
7^, 145, 66. De Vlaminghe mochten nietsegghei,
noch in ghenen lachtre legghen , datse her Willem
iet besloep, of met haesten iet becroep, Stoke IX, 697.
BECÜEREN (becoren), zw. ww. bedr.Van cueren,
eoren , in den zin van kwellen (zie ald. en vgL Tssir
en Lettb. 1, 160—164). Kwellen, f otteren, p^mge^
iem. overlast aandoen. \\ Anxte die heeft my veelb^
coort, als ie dichte off brenghe voort enigherhande
hoghe sake , Hild. 117 , 29. Alst (herte) mit sorghen
wort becoort, 144, 119. Hoeneer dat u die doot
becoort, soe suldi henen ende ghi en weet was,
149, 44. Sonderlinghe beduchten hem . ., die hem
selven iet sculdech kenden, dat si den hertogbe
Antonijs becort hadden in eenegher "w^SyBrah-Y.
VII, 619. — Het deelw. becoort neemt de bet
aan van beangst, bezorgd, eig. gekweld door ójm
gedachten. || Doe worden die van Persi becoert,
ende sorgheden sere om haren here, Farth. 524^
Dese woorde heeft Amand ghehoert, ende weiltff
omme seere becoort, in dat men hem dede so
821
BECU.
BELA.
822
gTOote eere, ende Yoert (/. wert) recht een, deel baten
keere , want hi hem dnchte dat hl mochte hem dies
verheffen in sQn ghedochte, Amand I, 794. — De
onb. wijs als znw. gebr. Kwelling. \\ Nochtan so
werd mi na dat horen al te sware een becoren,
Velth. VIII, 34, 12. — Ook als wederk. gebr.
Hem becoren, zich zelven kwellen ^ zich in-
spannen. II Becoren moet ie mi selven sere om der
g«re te doene ere, die mi dicke verloest heeft,
Velth. Vin, 34, 14.
BECUMEN, zw. ww. wederk. Van eumen^A.i.
klagen (zie ald.). Hem becnmen, hetzelfde als
kern becronen en hem heelagen. Met den 2den ny.
der zaak , of een af h. zin. Zich ieit (te laaf) beklagen ,
ergens epijl over hebben. || Hi moester tparadijs omme
mmen , dies wi ons allen noch becnmen , Lep. 1 , 37 ,
79. Die oec dat (nl. bidden) yersnmen , wet dats hen
becnmen die zielen , daer si staen in dat yaghevier
gheyaen, III, 10, 213. Want ghi n bekuamt,dat
ie mi sere hebbe yersnnmt in minen raet, Melib.
2O60 (de tekst heeft ten onrechte bekint\ ygl.
Taalk. Bijdr. 1 , 67 ylg.).
* BECÜMMEN , waarschijnlijk yerkeerde lezing
voor bekennen. \\ Wercken der waerheit en deryen
namaels niet ontsien de gebruycken der Ie yender
schriften der pennen, [becummende] bekennende
die nn zyn ende namaels wesen zullen, dat wy
uut rade , enz. , Mieris 2 , 139a. — De woorden zijn
niet zeer helder. Vermoedelijk had de copiïst eerst
by vergissing becummende geschreven in plaats van
bekennende^ en nadat hij zijne font hersteld had,
vergeten het woord becummende uit te schrappen.
Van beeumen, d. i. beklagen, kan hier wel geen
sprake zijn.
BECÜNDIGEN. Zie becondigen.
BECUEBEN. Zie bekeuren.
BECUPEN (becuypen) , zw. ww. bedr. Van het in
West- Vlaanderen nog gebruikelijke kuipen in den zin
van foppen, er in laten loopen (De Bo 1, 586a).
Misleiden, bedriegen, in den val (de kuip) lokken. \\
Om te moghene comen an dandere zyde vander
vorseide riyiere ende alsoe becuypen theere van
den grave , Cron. v. Vlaend. 1 , 100. Merkende
Philips . . deze bmgghe, die ghemaect was om
hem te bedrieghene ende te becnypene, ald. —
Vgl. Taalk. Bijdr. 1, 17 vlg.
BELABBEBEN, zw. ww. bedr. Bal. belab-
beren, j. belammeren, impedire, intricare,
disturbare, praepedire, inquinare , polluere. Kil. heeft
vrel twee werkw. dooreengehaspeld , want de bet. ver-
hinderen en bezoedelen zijn moeilijk overeen te bren-
gen. Hoe het zij, OTL%\myf. belabberd, dat nog heden
in gebmik is, staat dichter bij belemmeren. Iemand
die zegt: ik ben belabberd, bedoelt: ik ben niet
in orde, voel mij ziek, ben belemmerd in mijne
gewone verrichtingen. Het mnl. ww. belabberen
daarentegen beteekent bezoedelen, bevlekken, ver-
ontreinigen. \\ jyneT si op laghen, datwasvuul hoi,
dat haer urijn had benat; si waren belabbert ende
beclat ten oren toe van haers selfs drec, Bein. 11,
6534. Vgl. beslabberen en beslabben.
BELACHEN , st. en zw. ww. bedr. Mnd. belachen ;
Mhd. belachen. Iemand of iets tot het voorwerp van
zijn lachen maken.
1) Enen — , iem. bespotten. \\ Die ander scare
bespotteden hem ende belacheden hem, He. 80,
/. 146*.
2) Iet — , lachen om, zich verheugen over iets. \\
Alst die vader hadde verstaen, dat sijn sone sine
(des vaders) doet belouch , dedi dat men hem thooft
afolouch, Sp. 1% 48, 66.
3) Met den 4den nv. van den persoon. Iemand
(spottend) toelachen. \\ De grave Galon beloeghem
seer en seide: gij hebbet den koning te meniger
stede getrouwelij c gedient, maer nu faelgeerdy,
Heemsk. 122. — Ook zonder de bijbeteekenis van
spottend. \\ Doe mi minne eerst minne ghewoech,
ay, hoe ie met al hare al beloech! Hadew. 1,
62, 60.
BELACHINGE, znw. vr. Van belachen (zie het
vorige art). Bespotting. || Den enghen wech sal dij
wijsen . . yersmaetheit,belachinghe, bespottinghe,
ofsnidinghe dijns eygen willen, Hs. 80, ƒ. 70b.
BELM)EN, st. WW. bedr. en wederk. (de verl.
tijd komt niet voor, maar zou luiden beloef). Und.
beladen; mhd. d^/o/^. In beteekenis ongeveer gelijk
aan het meer gewone verladen (zie ald.). Belasten.
Bedr. 1) Belasten met iets, iemand iets op-
dragen. II Men sal daer niet mede beladen der
steden boden (nl. met iemand te pijnigen) , Matth. 201.
— Ook in de bepaalde opvatting van : iemand met
de vereffening van een geschil belasten, hem de
uitspraak opdragen. || Van den twiste, dv geweest
is tusschen eedelen Inden heren Reynoud . . ende
Reynoud zinen zoene . ., des si ons beladen ende
geloeft hebben, Nijh. 1, 182 (a. 1318). Vgl. de
hd. uitdr., aan den voet der bladzijde vermeld:
„des si beider site ons belaten hant." — Van-
daar de uitdrukking beladen sijn. — d) Belast zijn
met. II Ik ben beladen met een bootscap, Heemsk.
164. Ter tijt toe, dat . . die scepenenmit den vonnis
beladen waren (m. a. w. totdat de zaak in staat
van wijzen is) , Dingt. v. Delft 47. — b) Verplicht
zijn tot, onder de verplichting liggen van. Lat. mihi
imposiium est. j| Ie ben beladen met manscape ane
Gherechticheit, Limb. X, 632.
2) Fig. In nood, in verlegenheid brengen, kwellen. ||
Minne hadse soe beladen, datse hem tierst wouden be-
raden , met der ghenre , die hen therte in hopen hielt ,
Belg, Mus. 10, 86, 33. Ook V. d. Wall 309.— Van-
daar de uitdr. beladen sijn. — a)In het algemeen
in nood, in verlegenheid zijn. || Als een mensche so
is beladen, dat hi selve ghenen raet en weet,
MLoep 1, 1662. Doe icse sach so seer beladen,
doe waende ie haer helpen uter noot, Bein. II,
6360. — Ook met eene bepaling met met. Ver-
legen zijn met eene zaak, aan den grond zitten;
niet weten hoe haar aan te leggen. \\ Si en gaff
hem woert noch tael, dan dat si haer wonde
beraden ende was mitter saec beladen , MLoep IV ,
2080 var. Drie vragen van saken, dair sy mede
beladen waren, Matth. 66. — b) In bgzondere
toepassing. Door den vijand in het nauw gebracht
worden. \\ Daer sloegen de Bidders al doot dat
hen gemoete, nochtans waren s^* seer beladen,
Heemsk. 48. Als Dunay Roelant dus seer beladen
sag, sloeg hij sün peert met sporen en doorbrak
met sijn vromigneid der Heidenen scharen, 100.
— Zie ook BELASTEN 2).
Wederk. — 1) Zich belasten met, de zorg voor
iets op zich nemen. || Dat men dat volvure, also
als wi ons dies beladen hebben, Nyh. 1, 339
(a. 1336). Wi testamentore . . beladen ons des
vorscrevenen testaments, ende gheloven . . daer
toe doen , als vorser, is , 347 (a. 1336).
2) Zich bekommeren over, zich bezig houden met.
II Dune saltu (/. saldi of salt u?) daer met niet
beladen , wat hen mach deren nacht of dach , maer
wat di selven letten mach, O VI. Ged. 1, 76,189.
3) Zich zelven moeite aandoen , zich zelven kwellen.
II Hoe dattu meer murmereerste , hoe du dy selven
meer belaeste, Hs. 88/. 111^.
823
BELA.
BELA.
824
BELAET, hetzelfde als het nog gebraikel^ke
verlaat. Sluis ^ waterkeering ^ water loozing. \\ Ene
sluyse te leggen in die selve weieringe mit doren
benoerden tot Oestenwolde, dair die winterdgck
syn belaet heft, NQh. 4, 36 {a, 1425).
BELAOEN, zw. ww. bear. Yau lage^ d. 1.
hinderlaag (zie ald.).
1) Lagen leggen aan, in den eigenlijken zin,
het Lat. intidiari. \\ Dicke wjrle dede hyne be-
laghen, omdat hy de moeder had yerslaghen,
Tragen 9363. In dien wonde qnamen hem ghinder
te ghemoete Acastns twee kynder ende wonden
Pelens belaghen, 9985. Nn hoort, met welker-
hande sake doli&nt belaghen den drake, Nat. BI.
II, 1486. Daer se die Tiande met haren scaren
onder die rootchen hadden belaghet, Bijmb. 5980.
(Si) belaegden den Talsschen Syba in ene stat,
hiet Abela, 10607. Omdat tfolc over hem sonde
daghen ende bi aTentnren belaghen hem entie
sine, ende slaent al doot, 2703. In enen boom-
gaerd . . belaechden sise {Stuanna)^ 16964. Anthonis
hadse {de Joden) belaegt , ende heefse onderghedaen
ende gnejaecht, 28331. Doe dat die Zeloten saghen,
wilden si desen belaghen ende stoecten np hem
stryd, 30571. Dat sire dan die hande an slaen
(nl. aan den ridder) ende bewachtene ende belagen,
Lanc. II, 44566. — Yandaar de nitdr. bi be-
laechder laghe, in eene hinderlaag ^verraderlijk^
onverhoeds. \\ Met dat de minre stont verladen
metter wonde in sinen sin, cam Jalosie van achter
in, verradeiyc, bi belaechder laghe, ende gaf hem
meer dan twintich slage, O VI. Lied. e. G. 354 , 1168.
Dootslach by belaechder lage. Wiel. Instr. 126,
348. So wie yemand dootslaet bij npsette, bedroge,
of malicien ende belaechder lage, 145, 476. Is sy
{de misdaad) gheschiet bij belaechder lage, hij
Yoorsienegen rade enz., 160, 586.
2) Oyerdrachtelijk. Bedriegen y misleiden. Met
den 3den nv. van den persoon, evenals het Lat.
imponere. || Beda seghet sonder waen, dat dat
serpent was ghedaen int anschnn ghelijc der maghet,
ende hadde der vrouwen {o/ ellipt. genitief?) so
belaghet dat si niet dant anschijn en sach, want
tander Igf bedect lach met lo veren ende met risen
mede. Nat. BI. VI, 417.
3) Enen — . Iemand ten val brengen ^ in het
verderf storten. \\ Ende die edele Constanten ontfinc
hoevescheliken den tyrant van wien hem saen wert
becant, dat hine valschelike wilde belagen, Sp.
n», 1, 28.
BELAEEN, zw. ww. bedr. Yan laken^ d. i. berispen.
1) Enen — . Berispen, beieuren. WWairt sake,
dat enich ghesoden laken wel ghemaect an den
raem quame, die en selmen om luttel ghebrecs
wille . . niet belaken. Leid. Keurb. 80, 47.
2) Iet — . Afkeuren, bekeuren. \\ Niement en
sel enigen visch . . an die marct brenghen , anders
dan gave ende goet is . . , ende tgoet datter belaect
wort, sel tgasthnus hebben, ald. 54, 14 {Versl,
en Ber. 5, 41). Wairt dat vinders enich vleysch
bevonden binnen sinen malen also ghebreclic , dattet
hem ghien oirbair en dochte te bruken , dat souden
si belaken ende die halle verbieden, 56, 19.
(Tgoet) datter belaect wort, sel tgasthnus hebben,
57, 21. Wie binnen Leyden enich gheloit leder
coept off werct, dat van buten Leyden comt,ende
die ghesworen dat belaken, dattet qualic gheloyt
is, £e verboert 12 se, 503, 6.
3) In rechte. In hooger beroep komen van een vonnis ,
appeleeren. \\ Soe mach die gheen sijn beraedt
hebben . ., drie daghen na dat ordel, off hyt
belaken will off niet, Schwartz. 1 , 554, 18. Belaect
hy bynnen deser voersz. tydt niet, soe salt staen
alst gewesen is, 572a. Wat beneden XX Beyers.
gulden is, dat mach men belaicken, 572 j.
Aanm. — Belaken, Orimb. I, 2528 var., is
eene verkeerde lezing voor betaken (z. ald.).
BELAKIN6E, znw. Appèl, beroep. \\ Wat beneden
tien Beyers gulden is, dat sal vast staen zonder
belakinge, Schwartz. 1, 572 d.
BELANGE , bijw. Steeds met eene ontk. ver-
bonden: belange niet, bij lange na niet, vol-
strekt niet. II Nochtan mochte hi belange niet
gaen, Lanfr. 49r.
BELANGE. Zie belang, Iste art
BELANGEN, zw. ww. onz. Mhd. belangen,
blangen. Verlangen. Ook als znw. gebruikt. |i Dat
u aen die maescap ende aen die vrienscap geen
belangen en is gelegen, die Christum uwen
brudegom altoes bi u hebt, i^. d. M. 1, ïb.
BELANGEN. Zie belengen.
BELANG , znw. o. ; mv. belanghe; ook belange,
znw. vr. Mhd. belanc en belange, das verlangen.
1) Verlangen, begeerte. || Wacht hu, dat gi niet
ne merret, ghine coemt besien , daer lelt ghesperret
huwe herte ende huwe belanghe. Bate C. 2545.
Na haer (sgn) belanc, overeenkomstig zijn wensek,
zijne behoefte. Nat. BI. II, 1988; i^. II*, 29,29.
2) Voordeel, gewin. Kil. b e 1 an gh , r« momentosa,
necessaria; ons belang. \\ Eenen God maken si oec
Yulcane, die met smedene om sgn belanc wan sgn
broet, Sp. IV, 20, 50.
BELANC (belang), bnw. Mud. belank. KIL
(vetus) propinquus , proximus , vieinus, affinis.
I. Attributief gebruikt. Naastbijkomend, naast,
verwant. \\ Nochtan zouden die voerscr. schepenen
alle ander gout ende silvere penninge na den belange
wert {naar de naastbijkomende waarde) setten,
Nijh. 2, 263 {a. 1370). Nochtant souden die scepenen
. . alle ander gout ende silver pennyne na bdange
weert setten, ald. 268.
II. Praedicatief , in verbinding met het werkv.
sijn: belanc syn.
1) Verwant zijn , elkander in den bloede bestaan,
familie van elkander zijn. Meestal met den 3den nT. ||
Alle die hem ten tienden lede sgn belanc, snllentbe-
copen , Bein. 1 , 2516. Hi was syn maech ten derden;
Artoes senden daer sonder verden , om dat hi den
grave was belanc , Yelth. lY, 21 , 73. Hi nes no in|n
maech no mijn neve, no niewer belant (/. niewemt(?)
belanc), Vad. Mus. 2, 276,411. Met huweUke hem
lieden belanc te zyne, Vert. v. Boëth., aamgeh-èij
Huyd. op Stoke Dl. 2, bL 567. In allen vierendcelen
(d. i. kwartieren), dair hy den doden in belang wasTtn
maechscap , Matth. 223. — Yooral gebruikeiyk in de
uitdr. na (naer) belanc, «m of nauw verwant. \\ (Hi)
gaf S. . . sgnre dochter in huweUke van Lutscn-
borch grave Heinrike ; . . ende om dat si na belane
waren, soe moeste het hem dispenseren onse
gheestelike vader die paus, Brab. T. Y,27. Nn
moghedi sien ende merken dan, hoe na si belane
waren, 866. Daer es so menich ridder fel die hem
wel na sijn belanc, Ben. 498. Emme de coninghinnt
. . was hem na belanc, Stoke I, 453. Hem es die
menighe na belanc, dies niet en Igt intopenbser,
Bein. II, 5108. Si waren hen alsoe na belanc, dat
sgs haer aennemen sonde, Vad. Mus. 1, 60, 8d.
Die abdisse vraeghde . . , hoe na dat si waren
belanc, Belg. Mus. 1, 330, 148. Die grave was
van maechscepe naer belanc Ghwy van Ylaenderen-
lant, VI. Bijmk. 6490. (Otte) was van der sdw
side metten coninc van Inghelant, bedi hi was heji
825
BELA..
BELA.
826
naer belanc , 5447. Joseph ende onse yrowe waren
YBn enen gheslegte ende deen den andren na belanc,
X. V. J, e, 8. Hertoge Anthonis {loat) corts te voren
▼anden princen yan Yrancrgcke versocht geweest
te comen, dat hi niet laten en wilde, want hi der
cronen so na belanck was, Sxe. Cron. 159a. —
Also (alse) na (naer) belanc, evenna familie^
evm futuw venoant \\ Yan hare moeder waren si alse
na belanc den weesen doe van Brabant, alse van
Gaesbeke was, baer neve , Heeln 158. Si waren also
na den hertoge belanc, Yelth. I, 40, 43. Mile es
mi also na belanc ; Aymergns kindere . . syn mgns
oem kinder, Selff. Mus, 1, 198, 421.
2) Iemand aangaan^ ter harte gaam^ aan het
hart liggen^ en, sooals steeds , met eene ontkenning:
iemand niet hunnen schelen ^ of met yerandering
van snbject, geen belang stellen in, niet geven om. \\
Tweldoen is nut Qode ghesproten, dair om ist in
hem selven claer, al wil ment straffen hier off
daer; dat doen die gheen, dies niet en pleghen,
ende totter boosheit syn gheneghen ; dien is tw^doen
niet belanc , Hild. 83 , 94. Hem en was niet belanc,
dat hi daeit scone was iet Tel , hine yielin modere
also wel, Sp. II*, 60, 48. Yromelike, sonderyer-
drach , ontfinc hi ende gaf meneghen slach , tote hi so
out was ende so cranc, dats hem nemmeer was be-
lanc, Denkm, 3 , 182, 4. HoTerde (d. i. hoovaardige) . . ,
mi en es niet an di belanc ; gif kunt mij niets schelen ,
d. i. a heb niets met u te maken y Bincl, 1035.
3) Overeenkomstig gijn<, overeenkomen met^ goed
s^ voor, II Hi sal natten talre stont salke spise
ende snlken dranc, als sire complexien es belanc,
Heim, 970. Wolf voer Gode, waenstu syn lam
(dn die den armen bes podersam), daer dalaet es
ane belanc? Binel. 834; op toien vergifenis toe-
passeiyk is, m. a. w. die op vergiffenis kan
hopen,^^ De fr. tekst heeft: Onide il, qne diex
sen pékiet (d, i. sans péché) Ie relaist? — Ook
sonder regeering, goed^ gepast zijn. || Baer int lant
bleef een moenc doot . ., siere ghesellen meer dan
yiye Tor hem lasen , alst was belanc , Sp. lY*, 80, 23.
4) Betreffen, behooren tot, in betrekking staan ,
Eng. to belong, \\ Oec en waest niet belanc allene
an toeren , maer al gemanc dat men drinken mocht
of eten was so diere , . . dat yercrigen conde geen
man , hi ne waer herde rike dan , Yelth. YI , 24 , 41.
5) Er op aan komen , gelegen gijn in, bestaan
w, neerkomen op, af hangen van. || Wie dat ere
wilt ghewinnen . . hi moet cost ende pine waghen,
want ane die twee es belanc, sal men hebben der
eren danc, Fad. Mus. 1, 73, 7. Is menhndeneen
sondaer, men is morghen van zonden claer; daer
omme ist al belanc aen des menschen nntganc,
Lsp. III, 8, 585. Emmer ist ander daet belanc,
daer die man sal hebben danc, D. ITar, 9, 150,
285. Mate sat ander heren banc, an horen rade
was veel belanc , Hild. 205 , 145. Die beste yrient
die men yint dats hi die yriends ziele mint, want
aen die ziele eest al belanc, Doet, I, 420. Mi
es m$n al ane hare belanc, Hadew. 1, 158, 77;
ook 146 , 9 (daer cleine aen es belanc). Dat leyen
entie doot es yele (bijw. voor een goed deel) ande
tonge belanc , in woorden ende in smaken gemanc ,
Frane. 2518. Here , eest n hier ane belanc , so yersta
ie , dat ie sta tnwen wille , Yelth. III , 43, 52. Soe doet
men den zieken cliesteren , ende gheeft hem recepten,
cmye ende dranc, daer decwile luttel es ane beuinc ,
Doei. 2335. An my en is niet yeel "helojiü^i, gelegen,
verbeurd, MLoep I, 2073. Aen mi es cleine belanc ,
rad. Mus. 2 , 207 , 235. Al ghewaght dewangheliste
Onaer yrowen nit, mar Josephs, daer nes nit ane
belanc, Z. v. J, c. 8. Soe ist al ant licht belanc,
Hild. 225, 195. Ygl. nog Wrake III, ^',Sp.W,
43, 78.
6) Afhangen, ter beschikking staan van. \\ Yer-
eaye Got, dat aUe die stqjt ende vanden orloghe
den omganc, aen ons tween nu waer belanc, so
sont saen versceden wesen, Trogen f. 129c. Sgn
ghelaet was so fier, al {alsof) hadde gheweest
an hem belanc alder werelt ombevanc, OFl. Lied.
e. O. 241 , 246. Ie wonde , si mochte myn eygen
syn . . al ware al die werelt an mi belanc , Lansl,
202. Dien gaf de Keiser Henric . . , want het an
hem was belanc, dat weerlike recht in de hant,
Stoke II, 1152. Doet al an Gode was belanc,
Hild. 50, 146. Wattie toUenaers sullen winnen,
dats an davontner belanc, 150, 36. Om vengnsoe
hare p^nt, ende maecte enen dranc, daer sijn lyf
an was belanc, waarvan zijn leven afhing, waar-
mede zijn leven gemoeid was , Sp. TH.'', 54, 38. — Ygl.
ook bü BEGANC.
BELANTMABOT , by w. nitdmkking. In verbin-
ding met bewatermarct gebruikt in den zin van
voor de markt te land en te water. || Dair vghelic
coopman . . keren soude, lossen ende laden, . .
80 den Heer van Yoren dair of den vryen stroem
gegeven ende verleent is, belant-marct , bewater-
marct, Matth. 153.
BELASERT, bnw. Yan laserie, d. i. lazarus-
ziekte, melaatschheid (zie ald.). Met melaatschheid
behept, melaatseh. Thans nog in de platte spreek-
taal in gebruik. || Ghelyc dat liede besmet werden,
die hore wandelinghe herden met hem die belasert
syn, Doet, II, 899 var.
BELAST', znw. o. Mnd. belast. Zorg, moeite,
last, II Sedich in allen gheselscap, ghestadich in allen
belasten , starck in doechsaemheden , Schaaksp. 366.
BELASTEN, zw. ww. bedr.
1^ Overlast aandoen.
a) Yan personen. In nood, in verlegenheid brengen.
Yooral van oorlogvoerenden gezegd. || So na sullen
sy ryden den gasten, dat sy se zware zullen be-
lasten, Trogen 2204. — Het deelw. belast als
bnw. gebruikt, bet. bezwaard, verlegen. \\ Nu ben
ie belast seer utermaten, hoe ie mgn bootscap
belegghen sal, Lansl. (H.) 799. Tis onszwaer,dat
w^ onsen lichaem castien moeten , ende wy werden
daer van belastet, dat wy wat abstineren sullen,
Sem Jf. ob,
b) Yan landen, steden en derg. Schade toebrengen
aan , ze benadeelen. \\ Oec en sal hertoghe Anthon^s . .
die slote enichsins aentasten, archnvllleghen , scade-
ghen of belasten, Brab. T. YII, 2814.
c) Yan goederen gezegd.
a) Bezwaren, door er geld op op te nemen, hetzelfde
als het meer gewone becommeren (zie ald.). || Alle
dat gheent, dat van mi bliven sal, sal bliven an
myn lieve geminde geselscap ende echtscap al
haer leven, soe wel huysraet als erven, behouden
dat sjjt niet vercopen noch belasten en sal moghen,
D. War. 5, 172.
I?) Aanslaan, beslag leggen op (ygl. BECOmiEllEN).
II Anders en wair die heerlicheit ende stroem van
Yoren niet vry, als men die of hair goede belasten
mocht, diese versochten, Matth. 153.
2) Even als bedrucken, becommeren en
besletten gebruikt van het beslaan van eene
plaats, met het bijdenkbeeld, dat men den grond
drukt. II A. belaste gisteren die aerde; huden wort
hi daer weder of beladen , Dial. Oreat. 846.
3) In gerechtelpen zin. Met eene aanklacht
bezwaren aanklagen, beschuldigen. Ygl. het tegen*
827
BELA.
ÖELE.
828
oyergest. ontUuten en de oltdr. getiUgen h charge
en h décharge. \\ Gort hier naer . . was die grave
Lodewijc ontboden seere haestelijc te Parijs Toer
den coninc, voer wien dat hi belast was met
evelen moede, VI. Rijmt. 9304. In hare doot sy
ontlasten alle menschen np eertryke, sonder meester
Pieteren Boawins ende Joeris de Bnl ; dese belasten
sy, dat yan haren opsette wisten, Oron.v, Vlaend.
2, 115. Dat onse scout . . of yemant nten ge-
rechte . . dair om {om de verkiezinge) belast worden
of dattie selve twee scepenen . . hier om van mijns
heren genaden van Bargondien of van yemant
anders belast of ter talen dair of geset worden,
y. d. Wall 594. So gheeft die bailin . . eenighe
geleide, het syn heren, steden of slechte Inden
om veeden wil , die sy hebben of om ontsicht , dat
mense mit recht belasten mocht om ander zaken
wil, Matth. 216.
BELASTIGEN (belestigen), zw. ww. bedr.
Bemoeilijken , belemmeren^ verhinderen'^ hd. helastigen.
I) Soedane ghyffte dair (yemant mit recht oflf anders
mede belesticht sQn off werden macht, Nijh. 5,
143 (a. 1481).
BELASTINGE, znw. yr. — l)yan heloiten («ie
ald. 1). Overlast, moeite. || Of scepen . . insetten
enighe stataten yoer dat ghemene orber . ., wie
ons daer belastinghe of dede . ., die yerbreke
{d. i. yerbrake) teghen die stat viertich pont , Stadtr.
V. Zwolle 56, 26. Nochtan sal hi ons die be-
lastinghe ofdoen, eer dat hi weder in die stat of
inder yryhede . . moste comen , ald. Alre saken ,
die die stede selye of den poirteren belastinghe
(Ht. behaestinghe) of lichtenis draghen moghen,
Matth. 130; ygl. de noot ald.
2) Yan belatten (ald. 2). Besehuldiging. || De
simple belastinge of inculpacie, die een mede-
geselle den anderen doet. Wiel. Instr. 162, 600.
Yan ennigen nijcheyden (nieuwigheden) off be-
lastingen, dat dairop nyemant ennige antwert bij
sich selyen en . . gheyen^ noch sich dairan nyet
keeren en sall, Njjh. 5, 75 (a. 1477).
BELATEN, st. ww. bedr. Mnd. belaten; mhd.
beldzen of beldn. Eig. iemand achterlaten^ en ver-
volgens in een toestand laten of brengen^ hetzg
die toestand onaangenaam of wel aangenaam is. ||
Nemmermeer en magicse haten, wat mi yan hare
mach ghescien , nochtan heefsi mi soe belaten , dat
mi alle yrouden ylien. Vod. Mus. 1, 383, 67
{pVl. lAed, 348, 16). Ie drincke wijn ende yette
morseel; nn siet, hoe droegen mi belieten, Sc. en
Cl. 161 ; d. i. „ merkt na op , welke goede gevolgen
mijne bedriegerijen (droegen) voor mij hebben
gehad; in welk eenen (goeden) toestand z{j mij
gebracht hebben.
Aanm. 1) — In de by Lexer (1, 171) opgegeven
bet. van dotare nog in de 17de eeaw in gebruik.
Zie Oudem. 1, 472 en F. Yan Dorp, Qed. 284
(a. 1679): wat sijn de kinderen van oud'ren wel
belaeten, die op goed onderwijs de boose nucken
haeten !
Aanm. 2) — Segh. 999 var.-, „so wat hi binnen
den slaghe belaet^\ leze men bevaet. Zie bevaen.
BELDE, znw. vr. Andere vorm voor beelde (zie
ald.). II Scoender ghesiert dan ene belde sat daer
ene maghet uutvercoren, Vad. Mus. 2, 199, 130.
BELECH, znw. o. Hetzelfde als ons woord
beleg] in den verbogen nv. luidt het belege
of belegge. || Oft sake were, dat ennige heren . .
mit veden of mit belege Wilhem vorser. . . aver-
vyelen, Nijh. 4, 73 (a. 1481). Ygl. belegge.
BELECHIERE (beleciere, belesier,belen-
sier), znw. vr. Yan het fr. belle chère. Over de
afleiding van chère , ons. sier , zie Littré 1 , 591 ;
Gachet, bl. 88; Diez 1, 111. Yandaar onze uit-
drukking goede sier maken ^ fr. faire bonne chère.
Zie Taalg. 9, 164.
1) Feestmaal, maaltijd, gastmaal, jj Sotte melt-
heit . . (die) hen vercoept alsoe diere hare feeste
ende hare beleciere, dat si vercopen al hare lant,
ende hen no biyft no geit noch pant, Bose 9490.
2) A/scheidspartij , en hij uitbr. geschenken, die
men geeft bij zijn vertrek, drinkgeld, f ooi. \\ Yerteert
ende te belensier ghegheven , te samen LX gr. , Oorl.
V. Albr. 80 «» 81. Yan cost«, wagenhuycr, bclechier
en pitanci (d. i. mondkost) , Bel. v. Leid. 402 en 403.
BELEDEN (beleeden), zw. ww. bedr. Mnd.
beleden, beleiden. Yan leet, d. i. leed. Leed, sehênde
aandoen. — Ook als wederk. gebruikt. Hem h el e e-
d e n , zich zelven schande aandoen , zich verlagen , ziei
weggooien. || En siedi niet, hoe hi hem soude beleden,
ende es die hoechste vanden lande , ende doet hem
selven die grote scande, dat hi mint soe nederen
wijf, Lansl. 282. — Thans is beledan door be-
leedigen vervangen.
BELEDEN, BELEDEB, BELEDIN6E. Zie be-
leiden, enz.
BELEEFT (belevet), bnw. Eig. p«rf. part act
van beleven. Veel beleef d hebbende , veel ondervindimf
hebbende opgedaan , verstandig , knap. Ons woord be-
leefd is nog ééne schrede verder gegaan , en heeft uit
de bet. verstandig , een juist oordeel hebbende, die vu
wellevend ontwikkeld. || Dese meester Ypocras wai
een al te doghenden beleefden man, Matth. 95.
Een oude wise beleefde broeder, Dial. OreaL 63«.
Hem ghemoetede een gheestelick beleeft priester,
Schaaksp. bOb. Doe die gheestelike vader ende
beleefde priester dit hoerde , ald. c. Dat vier gnede
belevede knapen waren , den de bepalinghe . . vel
kundich was. Racer 6, 123.
BELEET. Zie beleit.
BELEGENHLEIT (belegentheit), znw. vr.
Yan belegen, deelw. van beliggen, in den zin
van belegeren (zie ald. bedr. 3). Belegering in
passieven zin, het belegerd worden. Yerg. bg BC-
leitheit. II Een ygelic sal eten dat vleysch sgns
vrients in hare belegentheit endeinsinen venioje,
JD. B. Jerem. 19, 9. — Ook in concreete opvat-
ting. Eene belegerde stad, vesting. \\ Yergadere van
den lande dijn scaemte, dochter, die woens inder
beleghentheit , ald. 10, 17 (quae habitas ti» obsidione).
BELEGEREN, zw. ww. bedr. Yan leger, d. i
legger, nauwkeurige opgave, h. v. van de grootte
enz. der landeigen. Éene nauwkeurige lijst maken.
II Den leghere van alle den lande ende erve . .
nieu vermaect ende beleghert bg my Adriaen
Noenbroot (een landmeter), ZVl. Bijdr. 1,221.—
Ons belegeren heet in H mnl. beleggen ot be-
liggen (z. ald.).
BELEGGE, znw. o. Hetzelfde als b el e c h. BeU^,
omsingeling eener stad. \\ (Si) maecten daer eea
belegge met veel knechten , Exc. Oron, 299c. Conioc
Yvoryns belegge en achte Galefier niet, wantal
hadden si voor die stadt ende casteel gheleghei
XX jaer, so en souden se die niet ghewonnei
hebben, Euge v. Bord. 67.
BELEGGEN, zw. ww. bedr. en wederk.; verL
tyd beleide, deelw. beleget, belegt of beleit', ii
dial. ook belachte, belaeht. Mhd. belegen.
1) Leggen. || Omme aldaer te makene ende U
belegghene eene brugghe, Invent. v. Brngge 6,
360. — Ook in de uitdr. vast belegghen, in
twee (^vattingen.
82Ö
BELE.
BELE.
83Ö
a) Eigenlek. Vatt leggen^ vast maken, \\ Ene
coerde soude si hebben bereyt an eenre mande vast
beleyt, MLoep 1, 2559.
h) Oyerdrachtelyk. Vast maken ^ klaar maken. \\
Nu sullen wy seinden dese werf bondert nian , die
hem dit segghen, ende ons dit dinc vast be-
legghen, Troyen f. 276c.
2) Bedekken, overdekken, overtrekken. || Salomon
maecte twee cherubin . .; met gonde dat sise wel
beleiden, Rijmö. 11483. Ende hi beleidse {de ark)
mit al te finen gonde, D. B. Exod. 37, 2.
8) Bezetten, — a) Eigenlek, vooral als krijgs-
term. Met gewapenden bezetten, in bezit nemen. ||
Datmen hem van achter soude dien wech belegghen
also honde, Stoke III, 235. (Si) hebben alle die
wege beleit, /^. II', 32, 105. Doen qnam hi met
groter macht, daer Marceus hadde beleit . . met
sinen here al die straten , Alex. lY , 1092. Weghen
ende grachten hadden si al beleghet , Brand. 2038.
Si ghinghen na hem neder ende beleiden die
ghewade (mv. v, gewat) van der Jordanen, D. B.
BecAt. 3 , 28. Coemt neder in Madyans ghemoete ende
belegghet twater Bethbara totter Jordanen , 7 , 24.
Ende al Ephraym riep ende beleide die wateren tot
Bethbara ende totter Jordanen , ald. Die van Oalaad
beleiden die ghewade vander Jordanen , 12 , 5. Die
tamelike steden beleide hi , II Mackab. 8 , 6. Nemet
met n CC mannen ende belegt die wegen ende passa-
gien , Euge v. Bord. 8. Doe dede Bemaert van Naisel
ttie straten wachten ende beleggen, Zorr. fr. I,
759. (Si) hebben belegt die straten met vele lieden
ntermaten, ald. 784.
h) Overdrachtelijk. Vervullen met. Yandaar het
deelw. beleit d. i. vol van, vervuld met, zoowel
met eene aangename, als met eene onaangename
Baak verbonden. II Dattu afdoes de donkerheit , daer
dijn sin es nn mede beleit, Sp. IV, 17, 25. Die
van minnen is ontseyt, mit goeder hoep is hi
beleyt, dat hi sijn doghen sal verwinnen. Vrouw.
e. M. Hl, 1, 6. Welc meer wair mit ruwen
(d. i. louio) beleyt, weder die sijn lief sochte dair,
dan die niet comen en wair, III, 5, 6. Wi doent
met onser bedriechghelijcheit . . die met ontrouwen
is beleyt, dat si met ons hebben mesdaen, Vad.
Mus. 1 , 63 , 199.
4) Belegeren, insluiten, omsingelen, meermalen
met al om me verbonden;, de gewone opvatting.
a) Met eene stad, burcht, kasteel enz. als object. ||
Si wapenden hem haestelike, ende voeren wech
gheweldelike , ende beleiden dien berch in allen
siden, Flor. 123. Hier op YII milen clene so es
ene stat beleit . .; het heftse beleit . . een coninc
om ene wonderlike dinc , Ferg. 3834. Aldus quamen
sy vore die stat , (die sy) . . beleiden ende daden
saen tenten ende pawelioen slaen, ende beleiden
al omme die stede, Grimb. Il, 757. Wy sellen
in allen sinnen die borch beleggen , 1 , 3078. Laet
ons beleggen varen die stede van Mechelen, II
703. Wy willen de borch beleggen comen, 712.
Es dese burch beleit, daer ie dit gheluut binnen
horc? fVal. 4446. Wie den casteel hadde beleit,
7602. Hi beleide ene scone stede, Jlex. lY,
1007. Alse hi die mare hadde gehoert, beleide
hi al om die poort, YII, 211. Alexander ld beleide
die stat al omme uptie fosseide, IX, 831. (Si)
beleiden den tor. Nat. BI. III, 354. Doe theidijn
volc die sUt beleide, J^. III», 60, 30. (SiJ wilden
Jhemsalem beleggen, lY', 21, 41. (Si) beleiden
dat hnus al omme, Ri^b. 1869. So dat men die
hoofstat beleide, 13152. (Sennacherib) beleide
Jhemsalem, 14478. In sijn IXde jaer beleide
Nabugodonosor die stat, 15888. Die stat so beleide
hi al, 14930. 6hi selt in drien daghen sienalom
ende om beleit u huns , Rein. II , 1394. (Arnhem) ,
eyne wiele tijtz heer sweerlicken mit herkracht
belacht ende bestallet (= ingesloten), Nijh. 5,89.
Alstu veel tgds een stede sultste beleggen ende
du vele bolwerken maects, omdattuse winnen sults ,
D. B. Leuter, 20, 19.
b) Met de bewoners als object. || Ghi quaemt
ende beleiten hier sonder redene, her ridder fier,
ende wouten onterven ende ontgoeden, Limb. IX,
485. Met rechte was hi blide (/. onblide) ende
erre, hi was beleid na ende verre, Flovent 222.
Te Graza in die goede stede haddene sijn viande
beleit, Alex. lY, 711. (Die) doot hebben mijn
gheslachte, daer toe belegghen mi met crachte,
Trogen 5734. Hoe die heidine beleiden hare broeders,
Rijmb. 19176. Anthiochus die hadde beleit Trifoene,
20139. Otte qnam daer naer ende beleide ons in
Aken, Lorr. ï, 1286. Du sults worden beleit binnen
dinen poorten in alle den lande , D. B. Deuter. 28 ,
52. Dat si David ende sine mannen belegghen
souden, 1 Sem. 23, 8. — Ook figuurlijk. || Quade
tonge . . heeftene nochtan al omme beleget so
dat sine op hare tonge dreget, Rincl. 1386. — De
onb. wijs als znw. gebruikt. Belegering. || Alsoe als
deden van Brabant alle die ander steden , sijn si daer
na, sonder slach ocht stoot, sonder beleggen , ocht
enegen noot grave Lodewike in handen gegaen,
Brab. Y. YI, 3821. Ende Jan liet dat belegghen,
Rijmb. 20269. Du {Jeruzalem) en sultste niet om-
keren van dynre zeden . ., voer dattu voldaen
sulste hebben die daghen dijns belegghens, D. B.
Ezech. 4, 8.
5) Overleggen, het aanleggen. Kil. componere,
ordinare. || Ie sal in een sermoen u biechte open-
bare seggen, ende dat soe wiselike beleggen, dat
ghi ende u kinder mede nemmermeer te ghere
stede ghenen lachter en selt ghecrighen, Beatr.
1008. Nu ben ie belast seer utermaten, hoe ie
mijn bootscap belegghen sal, Lansl. {H) 799.
6) Tot een bepaald doel aanioenden, besteden,
gebruiken. || Die hoer ghelt onder hem beyden tot
horen baet alsoe beleyden, Hild. 64, 220. Wat
soudic hier af vele segghen, ende vele redenen
daerin belegghen? Amand II, 3109. Zekere ghedeel
van der somme . ., die bi den voors. viere leden
ghewillekuert heift gheziin omme die te belegghene
aut maeczel van den torre van Westcappelle , ZF/.
Bijd/r. 4, 317.
7) Als rechtsterm. Beschuldigen, aanklagen. \\
Ten behoert niemen eerbaers toe , yement in eenen
dootslach te belegghen, daert kenlic of was, dat
hy op dien tyt . . niewert an velde noch an vaerde
en was, Matth. 182. Alle andere Poirteren, die
men in den dootslach beleit heeft, sonder die gene,
die den dootslach op hem neemt . ., men mach
hem geen dach van rechte leggen, ald. 195.
8) Yan schade , nadeel enx. Vergoeden. Ook van een
persoon. Schadeloosstellen, even als in 't mnd.(Lübben
1, 221). II Al want den tnt, dat Megnolt . . den
voorss. schade vol ende all beleget hevet, Warfs-
eonstit. 2. Dat en sullen wy hem nyet schuldig
wesen op te richten of te beleggen. Racer 6,
324. Hem . . van dien cost . . beligghen (/. be*
leggen), quiten ende wael ontheffen, Nyh. 2,172.
Aanm. — Wat belegghen beteekent 3fLoep lY , 642 :
„ Daer sy harde grote sonde an doen , als sy anders
segghen, dan die waerheit mach belegghen," is
niet met zekerheid te zeggen. De bedoeling moet
zyn: „wanneer z^ iets anders zeggen dan de waar-
831
BELE.
BELE,
832
held w/* maar de woorden drukken deze gedachte
niet geheel uit. — Ook Bem, II, 6642: ,,Bude
onbesnode belegghen ende connen gheen wijsheit
gegronden/* is niet duideljk. De Yries verklaart
{Taalk. Bijdr. 2, 84): ntwe , domme {wezens) maken
slechte plannen , leggen hel slecht aan^ en haalt aan
Spiegel, Eer tip. VI, 638: „Gheleerde zgn ver-
keerae, na ons ouders seggen, en hoe gheleerder ,
hoe yerkeerder in *t beleggen," waarin hy eene
toespeling ziet op de spreuk uit den Rein. Het
natuurlijkst zou het zgn , indien belegghen een znw.
my. kon zgn met de bet. domoor, weetniet y ot eene
soortgeiyke beteekenis {ende zou dan natuurlek in
en moeten worden veranderd).
Wederk. — Hem belegghen in eenre
d i n c , zich op iets toeleggen , zich met iets bezig'
houden. || Die wgs sijn hebbent wael ghehoort,
ende die in duechden hem belegghen, MLoep
IV, 2268.
Aanm. — Verscheidene der genoemde beteeke-
nissen vindt men by beliggen, andere bf) beleiden
terug. Deze drie ww. hebben door gelgkheid van
vormen grooten invloed op elkander gehad; de
verwisseUng der ww. leggen en liggen behoeft voor
niemand verklaard te worden; reeds in het Mnl.
zeide men beleit met en belegen met, in volkomen
dezelfde beteekenis, nl. vervuld van, lat. obsessus.
De hoofdtijden van beleggen, nl. beleide en beleit
zijn volkomen dezelfde als van beleiden, en geen
wonder dus, dat men beleggen somtijds gebruikt
vindt in eenen zin, waar men veeleer beleiden
verwachten zou, gel^k dit o. a. met het wederk.
WW. hem beleggen het geval is. Zie verder bij
BELIOOEN en BELEIDEN CU Verg. ook AAN-
LIGGEN en AENLEGGEN, Aanm.
BELEGGINGE, znw. vr. Mud. belegginge. Van
beleggen in den zin van belegeren (zie ald.
bedr. 4). Belegering. \\ Omdat hi anders niet
hebben en sal inder belegghinghe ende gebreke,
daer di dine vianden mede woesten sullen binnen
allen dinen poorten, D. B. Deut. 28, 66. Om
belegghinghe ende om die woestheit, daer di dijn
viant mede bedrucken sal , ald. 67. Du sulste daer
in bescriven die stat van Jherusalem. Ende du
sulste jeghen haer ordineren die belegghinghe,
Ezech. 4, 1.
BELEIDEN (beleden, beleeden), zw. ww.
bedr. en wederk. {beleide, beleit). Mnd. beleiden;
mhd. beleiten.
Bedr. — 1) Leiden.— a)l^n en— . — o) Eigenlijk.
Geleiden , iem. den weg wijzen , hem ergens brengen. \\
Aldus beleet de blende de blenden, Amand II,
2767. Dan mach soe gaen met bliden zinne
om haer vonnesse voor den coninc , als haer beleet
die coninghinne , Praet 386. — ^ Overdrachtelijk.
Leiden, iemands gangen richten. \\ Of een lantshere
groot sinen lieven knape bevale sijn kint , op dat hgt
wale leren soude ende beleiden, Lsp. I, 6, 32.
Den goetwilleghen soe {d. i. Gods gracie) beleet,
Wap. Rog. 488. Die mombore waren in Brabant,
ende tkjnt hadden in de hant, te beleidene
in sire waerde, Orimb. I, 6208; j^het kind eene
goede opvoeding te geven, den rechten weg te doen
gaan^ Verleene mi gracie ende zekere hoede
des Helichs Gheests, cUe mi beleeden moet, ende
alle myn dinge voorreeden, OFl. Lied. e. G.
464, 90. Ie bidde hu, beleede my tot sulcken
state , als daer ie hu behaghelicst in dienen mach,
Belg. Mus. 6, 166. Die wgsheit beleide den ghe-
rechtighen Jacob , B. JD. Boee d. Wijsh. 10, 10. Ie
li>en die here dgn God, di lerende oerbaerlicheden.
beleedende di in den weghe, daer dn wandds,
Jes. 48, 17.
b) Iet — , a) Eigenlgk, van eene rivier g^
zegd. Leiden, eene andere richting geven, verUg-
gen. \\ So wanneer wi of onse nacomelinghe . . .
die vorser. Dijle willen beleiden, soe sal men dat
beghinnen te doen tot Werchtere . . . ende sela
die vorser, riviere vri houden ende onbecommeit
in haren stroem, Brab. T., dl. 2 , bl. 614 (a. 1369).
— I?) Overdrachtelflk. Leiden, richten-, kt &>
gere. || Die sinen wille so beleet, ende doet, dat
de zonden van hem sceet, die helighe gheest daelt
in die, Anz. 4, 70, 33. Si {verstannesse, z» e»ie
ghedinkenesse) beleeden smenschen staet in i|ï
wesen ende in sijn leven, dat hi bekent goetende
quaet, Praet 669. Vander werclt die regutacie
(/. regulacie) mgn aventure moet al beleiden,
Vod. Mus. 1, 306, 67. Die moet die ziele hoeden
ende beleden tot goeder gherechticheden , Lsp. 1,
19, 27 var. In fdlen desen bidde den hoochsten
heer, dat hi in waerheden dinen wech bcleyde,
D. B. Jez. -Sir. 37, 16. TalretijtbenedfitGode.cnde
bidde van hem dat hy dijne weghen beleiden moet,
Tobias 4, 20. Pense om hem in allen dinen weghen,
ende hi sal dgn ganghen beleiden, Proverb. 3, 6.
Eens simpels gherechticheit sal sinen wech be-
leiden, 11, 6. Enen wisen knecht sullen sfn
werken voorspoedich sijn ende sgn wech sal worden
beleidet, 13, 6. (Dat ie) mine siele soe bclededil
ie vander werelt schede, BMmb. Av. 21,^1. —
y) Goederen vervoeren met een geleièilfet, een ht-
wgs, door schepenen geteekend of schepenbrief,
die zelf beleit genoemd werd. || Alsoe die inge-
setenen . . . hen pijnen te behelpenc, te beschnd-
dene ende te beleidene hair goid met lovcnsfe
beleide, Gesch. v. Antw. 3, 678.
— Het beleden te eenre dinc (?), het M
iets brengen. \\ Lanc leven . . es een troest, eea
toeverlaet te comene ter ewichede, die ter (/.diet
ter?) outheyt wUt beleden. Wrake I, 1346.
2) Enen — , aan iemand eene verplichting op-
leggen, hem tot iets verbinden, verplichten. \\
In twelke de vomomde lieden van den weve-iin-
bochte buten redenen ende buten bcsceede beleet
ende bestellet waren meer danne hare gcbners,
Invent. v. Brugge 2, 469. Vgl. het Gloss. , bl. 249.
3) Besturen. \\ Laet ons vasthouden desc drie
doechden . ., soe wort ons cloester wael beleydt,
Ned. Proza 216. (Joseph) bestuerde ende beleide
dat huys, J). B. Gen. 39, 4. Joatham des sconinca
soen beleede tpalaeys ende vonniste tvolc vaoden
lande, n Kon. 16, 6. — In het bij zonder evenwd
gebruikt in de drie volgende opvattingen.
a) Van het burgerlijke bestuur van een land, eeiïer
stad, enz. || Hi maecte in die stat danne hondertraeds-
manne, die die stat souden beleiden met rade ende
met wflsheiden, Z*p. I, 43, 27 (vgl. 44, 69). Ke
goede Octavianus, die dat rike belcidde aldus, dat
hi maecte wijslike van alder werelt een rike, II,
16, 3. Hier aen moghedi leren, hoe men een stal
moet beleyden met sunderlingher wijsheiden; die
ghierich was ende fel en beleyde noyt stat wel ,
Wrake III, 704. Dat si sullen gherechticheit
minnen, die een stede beleeden, Denkm. 3,201,
44. Aldus en doechter geen van beiden geset in
steden te beleiden, Hild. 4, 36. (Die) tvolc mt
macht beleiden, 219, 92. Die vorsten, die dit
volc beleyden, O. H. Pass. 26, 723. Dus was Ie*
leet doe Vrankerike, Parth. 298. Daer siin anuai-
ralen {emirs) in die steden te bestieren dat volc;
die een heefter te beleiden IIIIc, Manief. ^
833
BELË.
BELE.
834
Mer ie beghere die onder mij sijn te beleidene mit
goedertierenhede , J). B, Esther 13, 2.
h) Als krijgsterm , van het aanvoeren van soldaten
enz. II God late ons wille ende zinne so léeden onder
sine vimmen (/. vinnen) , dat wi ghelunschen dare,
daer hi beleet die scare, Wap. Roff. 856. Oic
haddi te beleiden hier van Grimbergen die voet-
lieden , Grimb. II , 4526. Die eerste (scare) beleyde
hi selve ende die here Guyt van Saintpol , Exc. Cron.
145 b. Die grave van Namen , die dachterhoede te
beleiden had, 145 rf. Den anderen (battaelgé) be-
leyde heer Anthonis , die bastaert van Bourgondiën ,
210 A. Naer hem rydt de tweede escadre van den
archiers , die beleedt es by den man van wapenen . .
Ende dan rydt de tweede escadre . . , ende syn
beleedt by den stadthonders , Matth. ^mz/. 1,304.
Willem van Vaemewijc, Willem van Use . ., die
de vorseide witte caproene beleedden in de zelve
bederve binnen drien daghen, dat sij nte waren.
Rek. V. Oent 1 , 351.
c) Van het besturen der gilden. Vgl. by BE-
LEiDER. li Vinders, omme tvorseide ambocht te
beleedene, ZVl. Bijdr. 3, 275. Omme tvornoemde
ambocht te beleedene ten proffite, nutscepe ende
oorbore van denzelven ambochte , aïd. 1 , 282. Dat
de goede knapen vander neeringhe vanden make-
laers . . . znllen hebben dekene ende vinders,
omme de vors. neeringhe te beleedene, 5, 157.
4) Behand-elen. — d) met den 4den nv. van den
persoon ; hetzelfde als mnl. voeren, lat. tractare,
II Aldus zon men dese qnade wijven beleeden ,
iV« noch 165. (Hi) warpse in vanghenessen daer.
Doe worden zeere tonghemake die van Vlaendren
om de zake, alse die alsoe voer dien daghen niet
beleet te sine ne plaghen , VL Rijmk. 4.S87. Doen die
hertoghe sach . . . , dat hi niet wel beleit en ware van
hem , die hem trouwe was scnldich , was hi gram ende
onverduldich , Brab. Y. V, 1889. Dasdane wijs es
die vrouwe beleit ende doghet pine ende arbeit,
Ferg. 3851. — h) Met den 4den nv. eener zaak.
Behandelen^ aanleggen^ overleggen^ inrichten. Vgl.
by BELEGGEN. || (Hi) peinsde dat hi so eerlijc
sijn reysen also sonde beleeden met eeren, datter
met soude breeden sinen name, Denkm. 3, 163,
34. Dat seldi so beleiden met groter ghetimpert-
heiden, dat die vrientscap en mindreniet, Dor^. II,
2375. — Meestal evenwel met het obj. sake(n)
of dinge (dinc). || (Hi) beleede so die dinc
dat hi int scip quam, Bloeml. 3, 13, 192. Dat
hi in aertrike zonde comen, ende alle dinghe so
beleiden . . . , dat sijn leven noch sijn leren niement
en mochte blameren, Lsp. II, 6, 22. Met vreden
ende eendrachtecheiden seldi al u dinghen beleiden,
Ihct. III, 1217. In onbescedenheden (ö«l;«•*/«»^ft^)
willen si alle dinc beleden, Wrake II, 596. Met
groter scalcheiden sijn saken . . . beleiden , X«;p. III,
2 , 55. S^n dinghen . . beleiden met goeder voor-
sienicheiden , 87. Met goeder voersienecheyden
salmen dese sake beleydeu , Melib. 413. Met crachten
no met dorperheden mach men grote dinc niet be-
leden, 170Ö var. Met gherechticheyden . . . haer
saken beleyden, Teett. 1394. Dat ghi die cameren
opreydet, ende alle dinghen wael beleydet teghen
dat mgn wij ff sal comen, MLoep IV, 1207. Here,
beleed anders de dinc van desen volke, of slach
mi doot, want die last es mi te groot, Rijmb.
5586. — Ook met Jiet onbep. object het. Het be-
leiden, te verk gaan. \\ Aldus so waest daer
lange beleet tot opten somer, Velth. VI, 27, 28;
eig. „ zoo wat het daar aangelegd^ d. i. zoo ging
men te loerk,^'*
5) Ten uitvoer brengen, uitvoeren, tot stand
brengen. \\ Omme dies wille, dat groote saken...
ne moghen niet beleedt syn sonder penninghen ,
Matth. Anal. 1 , 247. Binnen viertienachten nae
dat men dat sal hebben beleyt, Brab. Y. Dl. 2 , bl. 314
(a. 1369). Die ghedoechsaem is , hi beleit veel mit
wijsheden, D. B. Spreuken 14, 29.
6) Aanwenden , tot een bepaald doel gebruiken ,
besteden. Vgl. BELEGGEN. || Die man ... sal
bestimmen ende beleiden sijn goet ter bester baten,
Lsp. III, 9, 27 (Hild. 97, 30). Men moet pinen
ende arbeiden ende die tijt met neereste beleiden,
Melib. 959 var. Van daer vrov^exi zï] {d^ penningen)
gedistribueert ende beleedt in de appointementen
den (/. der?) officiers, na den last dat sy hebben,
Matth. Anal. 1, 247.
7) Als rechtsterm. Voor het gerecht brengen. Met
den aco. van den persoon of der zaak.
a) Enen —
«) Voor het gerecht brengen , oproepen ; Kil. dedu-
eer e. \\ Niement en sal beleeden in een proces . .
meer dan XL getugen , Wiel., Instr. 101 , 184. Elcke
partie mach wraken . . de getuge , beleed bij zijn-
der wederpartie, 103, 197. In dien anders binnen
der stede eenighe tuygen beleyt werden, daer op
en zal in rechte geen regart genomen werden.
Leid. Kenrb. 419, 18. Alle de personen, die de
voors. partien . . . up de voors. materye ende
questie produceren ende beleeden wilden, ZVl.
Bijdr. 6, .346.
^) Beschuldigen, aanklagen. \\ (Ik) heb Roelant
beleit met verradenis , beschuldigd van verraad,
Heemsk. 135. Worde yement van al desen punten
beleyt of besaect, ende worde hem daer een dach
of bescheyden. Dingt. v. Delft 46.
y) Overtuigen, iemands schuld naar recht be-
wijzen; lat. convincere; vgl. BELEIT 9). || Wtdien
huysen niet te gaen voir die tijt, dat hy syn
ommesettegelt wel betailt heeft, bij der boeten
van 10 fip , also dicke als yement dair of beleet
wort. Leid. Keurb. 156, 12. Worde hy dair off be-
leet mit twee scepenen off mit drien poirters,
K. V. Brielle, 11, 9; zoo ook 28, 24; 40, 3; 41,
7; 46, 1; 3; 4; 5; 62, 8; 9. Laet hy daermede
dan niet aff, soe bruect hy daeraen, soe ende
indyen dat hy daerop beleyt wordt met twee oir-
conden, thien pondt, O. R. v. Dordr. 2, 271, 69.
Eiken meinsche bi wetten ende bi vonnessen te
beleeden {Eed van den Baljuio), Cout. v. Brugge
1, 487. Zie nog O. K. v. Delft II, 12; 58. —
Ook in het algemeen. Van iets overtuigen. \\ Valsch
was hi, maer met (van) valscheiden en haddene
niemen connen beleiden, soe heiraelic wrachte dat
gelaet, dat al decte die valsce daet. Rosé 11249
(fr. : De fausseté ne 1'eust il (/. on) jamais reté,
Q. i. accusé, arrété).
b) Iet — . a) Voor het gerecht brengen, in rechte
aanvoeren. \\ Hoe men tuychnisse beleyden sal,
Leid. Keurb. 419 opschrift. Dair of sullen die
pertien hoir besceyt ende getugenisse . . voir
scepenen produceren, beleden ende voirtbrengen ,
212, 56. Dat in gevalle die van Dordrecht groote
defficulteyt maicten, ons toe te laten useren van
onser commissie . . ., wy die hoeren zouden in
tguendt dat zy souden willen beleyden , Inform. 494.
— Vooral gebruikelijk in de nitdr. : sine smart e
beleiden, aangifte doen van eene door een and^r
gepleegde mishandeling', 8 'm e smarte beleden op
enen, iemand noemen als d^n schuldige aan eene
mishandeling. || So is die eerste vrage voir wie die
gequetste sculdich is syn smarte te beleeden,
27
83S
BELË.
ÊELE.
^36
Matth. 97. Is hy poirter, die die smarte ontfangen
heeft, ende daerse op beleet is, men sal die par-
tyen tot saterdages ban daghen jeghen malcander,
162. Zie verder 98 pattim^ 315. Die scepenen,
daer die smarte voir beleet ware, K. v. Brielle
26, 17. Die {smarte) sullen zij dair beleden mit
poirters, die «ij dair gecrigen conden, 27, 18.
— Somtyds Tindt men hiervoor b e 1 i ë n (b e 1 i d e n),
deelw. b e 1 ü t (b e 1 i ë t), gebruikt, zooals Matth. 163;
bl. 182 vinden wij de beide woorden belièn en beleden
in één zin gebruikt. || Dairom soscrijftdieclercdie
smarte vanden doden , wie hem die helijt heeft op,
of mit (/. heeft, op of mit?) wien die beleet is off
wie daervoir gheruumt heeft. — Beide ww. kunnen
in dezen zin gebruikt worden, en men behoeft niet
aan het eene of aan het andere de voorkeur te
geven , of aan verwarring te denken , zooals Lubben
doet (1, 222 fl). Zie verder beliên, kol. 850 vlg.
^) Eene saak in rechte behandelen. || Van ge-
lijcke sullen beleet worden saecken van weesen,
crancksinnighen enz. ^ K. en O. v. Delft 31 , 5.
Vgl. Kil. 44: bel ey den het ghedinghe tot
tvonnisse, cnrfttm litit ad t enten tiam perducere.
Vgl. ook BELEIT 8).
y) In rechte erkennen^ voor het gerecht contta-
teeren. || Van beleede scout. Mieris 2, 160 ö. —
Ook hier vindt men de beide ww. beleiden en be-
lten gebruikt. Zie beliën, kol. 850.
d) Beleyden de erve, judicem ad fundnm
nectendum in rem praetentem ducere (Kil.) , den
rechter op een erf brengen om daarop inleiding
te doen (vgl. 10).
8) Ten hoofde beroupen ofte beleden,
ofr. aller a kief (chief) de seTU. Het halen van
recht in eene hoofdstad \ het raadplegen van het
rechtsprekende college in eene daartoe aangewezen
oudere stad^ zooals dit in twijfelachtige gevallen
door de schepenen eener stad, of door partijen
in het proces geschiedde. Zie Invent. v. Brugge ^^
283; B. V. Zutf. VI vlgg. en vgl. beleit 9).
9) Schouwen^ in oogenschouw nemen. ||Und sullen
dusaanige unde andere ontlgfden, die niet natner-
licker wQse vant leven ter doodt gekomen zijn,
niet mogen ter aerden bestadet werden, zy weren
dan eerst van den officier ter plaetsen besichtiget
und beleydet, Landr. v. Vel. 10, 10. Itookt {gaten
in de straten?) te beleedene met scepenen van
Lede, Gendsch Chtb. 106; vgl. LXIII.
10) Iet — . Beslag leggen op {onroerend) goed
voor schuld. Vgl. BECOMMEREN ; beleeden 3) ; be-
leit 10); BELEIDINOE 2) en Kil. 44: beleyden
in tgoet, mittere in possessionem fundi (niet vol-
komen juist), il Des was Clays van Scille sculdich
30 fg tor., daer sijn huus in Reimerswale over
beleet was ende gheeyghent bi scepenen tote mijns
heren behoef. Bek. v. Zeel. 1 , 211.
Wederk. — Hem beleiden.
1) Eig. Zich richten^ besturen^ d. i. xich ge-
dragen. Vgl. Kil. sgn leven beleiden, instituere
vitam. I) {Datjonghe /t^<:^)ghemesijn biden goeden . .,
daersi an sien ende leeren alle poente van eren , . .
ende hen oec alsoe beleiden, Lsp. III, 10, 225.
Eenen lecker, die hem so beleet, dat hi niement
sculdich en si, dit vint men selden, Belg. Mus.
10, 118, 20. Wye hem selven wel beleyden, daer
en staet gheen tijt bescheiden, sine moghen leven
menich jaer, Hild. 70, 249. Hi es wijs, die
hem soe beleit, dat hem sijn herberghe si bereit
na dit leven. Vod. Mits. 2, 191, 427. Beleeden
wi ons als de vroede, Praet 2835. Ommeinqueste
te hoeme, wie hem tonpointe beleed adde in con-
trarien van miin heere van Vlaenderen , IZ^it. v. Gent
1, 400. Ie sal ordonneren, hoe hem de panetier
behoort te beledene int dienen van den monde
van den Prince , Matth. Anal. 1 , 259. — Vandaar
de uitdr. wale beleit, d. i. eig. sieh goed ge-
dragende^ m. a. w. deugdzaam, braaf. \\ Die leefde
in der minnen keer rackelic (d. i. goed) endewail
beleyt, MLoep II, 3302.
2) Zich ophoiulen; het leven leiden, door brengen \
lat. vitam degere. \\ Aldus hebbic mi beleedt
metten boeven onder die cockine. Wint e. S. 386.
Soe hebben si ooc yammerlijc ghevaren , die hem
in onrust hier beleyden, Hild. 170, 80.
BELEIDER (beleidere, beleedere, belee*
der), znw. m. Mnd. beleider.
1) Van beleiden in den zin van leiden (zie ald.
Bedr. 1 /?). — a) Leider, /«éifww». ||God,onsebe.
leder, van omoeden draeght de vane, Belg. Mm.
8 , 449 , 63. Christus , onser alder behoeder , was be-
leider ende stierroeder van der gracien, Am^ I,
2454. Dat hi {Mozes) dar na, soot was anschine,
beleedere wert van Ysraheel , Taf. Lev. Jes. \\ , 7.
Hi is die beleider vander wijsheit, JD. B. Boee i.
Wijsh. 7, 15. So wort hi (<Woz«) eerst beleider van
den kinderen van Israhel, Hed. Proza 125. Daer
gheen beleider en is, sal dat volc vallen, merdaeris
salicheit daer veel raden sijn , D. B. Spreuken 11, 14.
(Joseph) en wonde voertmere hoer beleider niet
wesen, mer hij woudse heymelic laten, Hs. 80,/'.23f.
b) Opvoeder, gouverneur, \\ Coenraet.., die (lal
qui) keyser Henric die vierde (/. des vierden) also
gheheten beleyder ende maertogher (magetoge) plach
te wesen, Matth. Anal. 3, 81.
2) Van beleiden in den zin van besturen {üetXi-
Bedr. 2). Hoofd, regent, bestuurder. |j Ghi bisscoppe,
dekene ende prelaten, beleeders van der helegher
kerken, Denkm. 3, 115, 32. (Si) gaven die
(/. dien) lande den naem Britanien vanden naen
hoers beleiders, die Bryto heite, Barth. 484 «.
De stad van Lovene, de welke haer ghehonda
hadde ende hilt in overhoricheiden jeghen hem,
daerof Pieter Coterel beleedere ende upsettere
ghesgn hadde, Brab. F., dl. 2, bl. 684 («.1361).
De beleeders van het Leprozenhuis, Coui.v.BmggtX,
372. Bereckers ende beleeders van den aennen ende
crancken vomoemt, Diericx, Mém. 2, 543. Hi
sende te hant tot Judea waert Nychanor des
provoost ende den beleider vanden elephanten , ^«^
over de olifanten gesteld vos, II Machab. 14, U
— Voornamelijk evenwel in gebruik in de drie
volgende opvattingen.
a) Van het burgerlijk bestuur eener stad. iV
overheid. || Van den beleyders die daer pogha
dat si der ghemeenten goet van der poort . • •
an haer selves bate legghen, N. Doet. 518. Ali
tfolc ghesceeden was , die beleeders ghinghen r»
snoevens (/. navons) om de heymelichede ter na-
ghenessen, VI. Bijmk, 10134. De beleeders wam
hem contrare , 10145. Mids dat de beleeders vai
Ghent de werrine^he bilden, 10200. So verlorea
hare ghewelt doude beleeders te Ghend int stede,
10327. Die oude beleeders . . bilden hem heymelic
ende huten weghe, 10333. Ende sijne belederesii
wt hem wesen, ende sine prince sal voert cooeB
van midden hem, D. B. Jerem. 30, 21. Hi li<t
beleiders van den volke Joseph . . ende Aztrias
metten anderen heer dat bleef om Judea te b^
hoeden, II Machab. 10, 19. Hi" omhelsde Macha-
beum ende maeeten beleider ende prince van PthoW-
maiden tot Gerzenen, Il Machab. 13, 24.
b) Van de militaire overheid. Cammandantj èerel-
1
1
837
BELE.
BELE.
838
keèèer. \\ Dat ghy beleider ende capiteyn van u
broeders sijt in dit werc, Trayen Vb. éd. Beleders
van den 60 witte capronen, die utetrocken upden
sehen dagh , Rek. v. Oent 1 , 229. Janne van Steen-
beke ende Jacoppe vander Hoyen, die beleeders
ghemaecht waren van den serganten ende met
hemlieden ntetrocken, 479. Die waren ghesent te
Cnrterike metten serganten van Yierambachten ende
vanden lande van Waes , omme haerlieder beleeders
te sine , 490. De vorsz. twee beleders ghesent . . .
met tweevonde serianten, Invent v.Srtiffffe2,S16.
e) Van de gilden. Hoofd van hetffild. \\ Der Jan van
Wiendeke, beledere vanden volle-ambachte , der
Jacop Deinot, beledre vanden clenen ambachten,
"Rek. V. Oent 1, 38; 39. Van der beleders vanden
ambachten cledinghen ende van derselver beleeders
ende der ontfangers pensionen, ald.\ enz.
BELEIDINQE (beleedinge), znw. vr. Mnd.
heleidunge.
1) Van beleiden in den sin van leiden (zie ald.
Bedr. 1). Leiding, bestuur. || Soo es sy dan princi-
palic dner de beleedinghe Gods tot hier ghecom-
men, Bei^. Mus. 6, 157. Omdat hy sal oerdelen
dat oerdel in gherechticheden ende inder belei-
dinghe van herten, in direetione cordis suiy JD.B.
Boee d. Wijsh. 9, 3.
2) Het beslag op onroerend goed of op den
persoon (hetzij als middel van rechtsingang of als
wijze van execntie). |i Alle maninghe, beleydinghe
ende besettinghe, et si mit scepenen of sonder
scepenen, die ghesciet sgn voer dala des briefs,
sint dat gheen gherichte gheweest en heeft, Nijh. 2 ,
123 (fl. 1369). Dat sy daerom die heren unt dier
ander beleydingen daden op Sinte Victoors dach,
omdat hem . . . hoor weert op dien dach niet
tetcn en wonde gheven hoerlic die maeltgt om
twee grote, R. v. Utr. 2, 36. Dat die beleydinghe
mit recht stadicheit hebben sal, want sy voor die
tgt niet voUeyst en hadden, ald. Dat sy daerom
nter leystingen beleydinghen ghedaen hebben van
sunte Yictors dach , ald. Dat hem die beleidinghe
niet scaden en mach, ald.
3) Schouwing^ bezichtiging. Vgl. BELEIDEN 9). ||
Dat oock over dusdanige dooden besichtignngh
ende beleydungh by den scholten, oirkondt, ge-
richtsluyden geschiede, Landr. v. Vel. 11, 12.
BELEIT (BELEET), znw. o. Mhd. beleit. Van
bileiden (zie ald.).
A. Van beleiden in den zin van leiden ^ richten
(Bedr. 1).
1) Geleide. \\ Waer mochte soe {de ir»^/^) hebben
beter beleet om hnlpe, ende wel vertroost te zine ,
dan deze, die emmer es ghereet (nl. het geleide
van Maria)? Praet 389.
2) Overdrachteiyk. Leiding. — a) Van het bestuur
van God. Leiding^ bestuur^ bestier. || Ie bidde n
om een goet beleyt, Lansl. 613. Veel . . . kersten
worden te gader . . gheset in een scip sonder . .
stnerman in die wilde zee . ., mer mit Gods be-
leide qnamen si ten lesten an Marcelien , Ned. Proza
236. Bi den beleide ons Heren so quamen si te
Marcelien an, 236. — Ook by uitbreiding voor
het lot zelf, evenals wy spreken van de leidingen
Gods met den mensch , d. w. z. 's menschen lot-
gevallen. II Of God die ziele voer hem ontbiet bi den
stervene wreet, te hoeme haer beleet, Vap. Rog. 636.
b) Van de natuur. Regel ^ wet. jj (Tfieesch) moet
voetael voert ontfaen , salt in wassene voert vulstaen
nacr natuere bereede, fVap. Rog. 381; /.: naer
natneren beleede ^ d. i. volgens de loet, den regel,
den eisch der natuur.
c) De wijze waarop men iets behandelt \ dat
beleit des lichamen, de levenswijze. \\ Die
dorine ontvarwen of meer varwen nader substan-
cien van den lichame ende naden beleide des lichame,
dat es te verstane van etene, van drinkene, van
pinen , van rusten enz. , Hs. Yp. 22 a.
d) Van den invloed van den eenen mensch op
den anderen. Leiding, invloed, raad. || Al wast dat
hi sint omsloech . . . bi quaden beleide , bi valschen
raet. Rein. II, 6966.
3) In passieven zin. Richting, koers. || Dan ver-
liest zoe {het hart) haer beleet van weghe, ende
ooc van goeder name, soe wort in dole, eer soet
wel weet, Praet 747.
4) Van het leiden der bedding eener rivier (vgl.
bij BELEIDEN). Het verleggen eener rivier, jj Soe wie
den vorser, commer, het si ghemetst oft ghetim-
mert of anders, ende syn overhanghe . . . binnen
den naesten vertiennachten na den beleyde {van de
Dijle) ghedaen, niet en rumpt, Brab. T. dl. 2,bl.
614 {a. 1369).
"B. Van beleiden in den zin van besturen (Bedr. 2).
5) Bestuur. — a) Abstract. Leiding der regeerings-
zaken, regeering, administratie, jj Die ooc beleit
hebben van steden, N. Doet. 613. En sijn princen
noch ander heren, die langhe mochten regneren
souder ertsche rijcheyt: ende al dit ertsche be-
leyt . . . moet mids ertsche rijcheyt weseri,
Melib. 2896. So hebben wi bi onser raden . . . , die
wi heien van den Quaden Belede binnen onsen
1(5 ven dit bezeghelt. Vrouw. e. M. XI , 274 {d. i. het
wanbeheer, wanbestuur ,, d&i vs. 282 genoemd wordt
guade regiment). Welc ghemeen goet sprutende
ende meerrende is van regimente ende beleyde der
ghemeente. Leid. Keurb. 101, 178. Dat si sochten
dat beleet te hebben vanden rike , D.B.1 Machab.
6,66. Dat si {Antwerpen) in goeden regiment ende
in goeden beleide si ende blive, Qesch. v. Antw.
2, 606. — Zie ook beliede.
b) Concreet. Het bestuur, de overheid, jj Jonghe
kintscheit, die nieten weet, maect men wethouders
ochie beleet, O VI. Ged. 2, 110, 86. Dat ware
menegher stat goet, die nu heeft crancken spoet,
ende* cranc van neringhen staet, om dat haer be-
leyt es quaet, Wrake I, 1308.
6) Als krygsterm. Bevel, commando; ook in het
mv. Bevelen, jj Dander tweede schare . . . had don-
getrouwe grave Robrecht van Namen in sijn beleet,
om die achterhoede te bewaren , Exc. Cron. 146 b.
Deerste (scare) behielt hi ende Eduwaert van Ghelre
in hair beleden {onder hunne bevelen) met menigen
vromen man, ald.
7) Bij uitbreiding. Macht, gezag. \\ Dat die her-
toghe ... op goeden troest was uutghetogen . . . ,
den Bossche te crigen in sijn beleit, Brab. Y,
VI, 9896.
C. Van beladen als rechtsterm (zie ald. bedr. 7).
8) Het gaan ter hoffaert (zie BELEIDEN 8). || Van
den beroupe {het hooger beroep, iof van den be-
leede, iof van der sprake {minnelijke schikking),
Cout. V. Brugge 1, 360. Waerd dat deelmans
{personen belast met regeling van scheidingen) be-
roupen worden iof dat sij haer beleed namen als
van diere zake, iof dat partyen in vriendelijcheden
onderlinghe sprake helden van acoorde, Cout. v.
Brugge 1 , 360. Van den ghonen die bedraghen zullen
zyn van moorddade . . zullen scepenen vanden Honk . .
haerlieder beleet nemen an schepenen van Brugghe,
601. Dit zijn de hoven leenen ende mannen , die „haer
hooft halen" (chief de sens, fr.) ter buerch van
Brugghe eist bi beroupe of by beleede, Invent. Vn
Ö3Ó
BELE.
BELE.
840
Brugge 4, 283. Met welken beleede de mond van
schepenen gheheelike ende al ghesloten was , 5,2.
9) Gerechtelijke erkenning{van tchulcT)^ het verlijrlen
van eene gerechtelijke akte daarvoor. \\ Van beleode
{in rechte erkende ^ voor het gerecht geconttaieerde)
scout. Van ghienen beleede van ghesekerde scout
en sal men niet meer nemen dan ses scellinghon,
onse baliu die helft ende die scepenen, die ten
belede comen, die ander helft, Mieris 2, 100 /i.
10) Eene phate van de executie ojt onroerend gotd ^
waarbij den eigenaar het bezit wordt ontrwinen ;
vgl. V. d. Wall 1416. II Van denghenen, die recht
gesproken ende gefordert hebben op huyse ende
erve binnen Dordrecht, soe verde dat recht van
beleyde gedaen is ende den nutganck ende inganck
verboden is, O. B. v. Dordr. 1 , 137. Thoenen alduer
dat scepenen blijcke van trecht van beleide, ald.
(zoo nog tweemalen a//^.). Heeft hidarenbinnen zijn
ghemoede niet, so sal hi recht van beleede ghereu,
209, 11.
11) De ichepenbrief zelf ^ waaruit van die executie
blijkt. II Alsoe die ingesetenen . . hen pyncn te
behelpene, te beschuddene ende te beleiden hnir
goid met lovensge {door de schepenen van Lemen
geteekend^) beleide, Gesch. v. Antw. 3, 577. Die
onbehoirlike ende geveysde beleide, ald. Die be-
leide binnen der mercgreefscape ter execuci«ii te
stelleue, ald. (vgl. bl. 139 en Coxf. v. Ljven^c.1).
12) Oetitigenis; vgl. BELEIDEN 7 A). || Twee witt-
achtighe getaygen, niet suspect zijnde van quade
beleet, K. en O. v. Delft 137, 1.
BELEITHEIT, znw. vr. Van èeleU, deelw. van
beleggen^ in denzin van ^^%^r^ (zie ald. bedr. 4).
Belegering in passieven zin, het belegerd worden.
(De belegering in actieven zin heet in het mnl.
dat belegghen otdie belegghinghe (zie die woorden, en
verg. BELEGENHEIT)). || Si {Jeruzalem) sal wes«;n in
beleitheden ende da sultstese ommelegghen , D. B.
Ezech. 4, 3.
BELEITSMAN (beleetsman), znw. m. Van
beleiden (zie ald.). Hetzelfde als beleider (vgl. ald. 2) ,
en ons znw. leidsman).
1) Van het burgerlijk bestuur eener stad ge-
zegd. Begentf bestuurder^ raadsman. \\ Hi maecte
in die stat danne hondert beleetsmanne, die die
stat souden beleiden, Lsp. I, 43, 27 var.
2) Van het bevel over soldaten. Aanvoerder^
bevelhebber, \\ In den eersten {battaelge) was be-
leetsman heer Adolf van Clevc, Exc. Cron. 210 b.
BELECKEN. Zie belicken (Iste en 2de Art.).
BELEMMER, znw. o. Eig. stam van het werkw.
belemmeren. Vgl. BELEMMERT. Datgene ^ wat iemand
hindert of in verwarring brengt^ hindernis. — Fig.
Datgene wat het menschelijke hart verhindert
het goede na te streven^ zonde. || Mijn herte ie
Gode niet gheven can, want daers te vele belem-
mers an, OVl. lAed. e. O. 600, 267. Suver minen
aermen, verdoolden zin, daer es zo vele belemmers
in, 531, 395.
BELEMMEREN. Zie belemmer en belemmert
en Kil. 44.
BELEMMERT (belimmert), eig. deelw. van het
WW. belemmeren. Als bnw. gebruikt in den zin
van in verwarring gebracht^ verward^ zonder zelf-
standigheid en eigen oordeel^ door and^er woorden
verstrikt en vooringenomen. \\ Wie sijn herte is so
belimmert, dat hi lichtelic ghelooft, dick worden
syn saken seer verdooft , MLoep IV, 182G.
BELEMMERTHEIT (belemmerheit), -iiede,
znw. vr. Van belemmert. Dat wat belemmert^ belemme-
fing, II Van te zuverne de Leye van den lissche ende
andere belemmerthede , Invent. r. Bmgge 4, 369.
Dat de belemmerthede ghewert mochte ▼ordeo,
370. Of thoeft es gheswollen sonder vele belemmert-
heiden, so doet thoeft ierst sceercn, Hs. Yp. 111
c (uitg. bl. 55).
BELEN (bielen), zw. ww. onz. Ohd. bellai
ags. bellan-y mhd. bellen^ billen; hd. belle». \ü hi
Mnl. ook in de vormen bilen en bell^n (zie ald :.
Blaf en, bassen. WD^e honde saghen den evervliea.
Daer was ghebielt so meuechvout, dat ghe»eal
vervulde al thout, Parth. 1179. Die ene alse eea
hont gedaen . . . maer hine heelde niet, Yelti
VII, 17, 24. Dat hi {d^ hond) belde {misteliinu
hier bellen bedoeld) ende jancte, IV, 56,27.0
{wolven) hulen, maer ne beien niet, Nal. Bl. U,
2378 var. — Ook overdrachtelijk gebruikt fis
allerlei onaangename geluiden , b. v. het krijickf%
der duivelen. Vgl. ons bassen. \\ Beien ende hulei
der duvelen ende der verdoemder menschen , BbmI.
3, 259 var. {Ned. Proza 42).
BELENDEN (belinden), zw. ww. om. ei
wederk. Mnd. belenden. Van land. Zie over dit
woord Taalk. Bijdr. 1, 63. vlgg. ; en 2, 22 nwt
Eig. euin land komen, doch hoe weinig de a^ei-
ding van land meer gevoeld werd, blijkt o. i
uit Litcid. Ö90: „Som sijn se int water belent"
In beteekenis gelijk aan bekeren, waarmede bei
ook verbonden voorkomt.
Onz. Beland^en, te l^ind komen, te recht hm^
Behalve in het bovengenoemde voorbeeld oveal met
het vragende vnw. waar verbonden: waer ie b^
lende, waar ik terecht kom. \\ Die in de keilt
sijn geseten , en mogen van der werelt niet vetöu
niet meer dan ons es bekent, waer dat die xlek
belent, Liicid. 5359. Dan dunct (/. danct)hiGo^,
dat hyt {het leed) hem sent, soe waer dat hi \*-
lent, ende nemet in goeden moede , ende danctGödt
van allen goede, 2781. Verloren wart hi oet iaï
ende ende men en weet, waer hi helende, Sp.l*.
40, 39. Ie sal mi gheninden, om te wet»?
waer si belinden, Lanc. II, 27776. No hier »
daer waer ich helende, ne vindic vruecht no troesl
no heil, OFl. Lied. e. G. 212, 18. Nu versta*',
voort . . waar hi helende rechte voort, J»wil,
2826. Waer dat hi helende voort, hebdi hier vorfi
wel ghehoort, II, 15. Ende dat niement en #
bekent, waerwaert dat hi es belent, 545. Dn?
vianden zijn te zware eiken, waer hi belent, w*'
hij zich ook bevindt, Wap. Rog. 210. Waer vij te-
lenden of bekeeren, wi sullen huwer miltieit
ghewaghen , waar wij ook komen , overal vaar p.
komen, Denkm. 3, 224, 56. — Ook met hetb?»
A«t^» verbonden, henen belenden; vgl. hen»
becomen, bij becomen 1). || So dat en wwt
moederbaren, waar si henen s^n belint, Xon-.ll-
2391.
Wederk. — Hem belenden, eig. nfi «*
land begeven , en verv. zich ergens h^en begeven h
beteekenis en gebruik niet verschillende van b«*
onz. belenden. Vgl. bekeren en hem bekeren. \\ Wsf '
waert so ghi ju wilt belenden, ghine moghetuiri
comen ten ende , al voerdi vijf hondert milea A
mere, Wal. 5947. Menne weet waerwaert ^
hem helende, Flandr. V, 36. Du best mir vnieefcdfl
principael, so waer ie mi helende, 0^1. Lied. e. O
106, 31. Waerwaert dat ie mi helende, in su^
an beghin noch ende, 308, 2211.
Aanm. — Z%>. 377 {Comb. Hs.): „Icseggkedit
elc antworden moet, waer hi wulle, vleesch t^
bloet van den scape belende " leze men met bf^
Groningsche Hs. : „Waer wulle, vleesch ende W ^
8ii
BELE.
BELE.
842
van den scape èelende". — Bel^. Mut. 8, 278
(;V. Boet. 383): „Ie hebbe prochipapen belent^ die
selve maecten dat testament^ daer haer prochiane ziec
laghen," leze men: „ie hebbe prochipapen i^ittf»^,"
d. i. ik heb gekend^ eig. ik heb leeren kennen. Yg\.
bij BEKENNEN, en Taalk. Bijdr. 1, 63 vlgg.
BELENDEN, zw. ww. bedr. Van land, doch
door het volk met lende in verband gebracht. Zie
De Vries in Taalk. Bijdr. 2, 14—22. Palen, gremen
aan, met zijn land l^gen naast dat van een ander.
Vgl. ons belendende geboutcen en belending. \\ Een
stucke erfs eude lants, . . ende {en daf) belent
hebben J. G. en P. W. , Weatfr. Dingt. 7. Een stucke
erfs ende lants , . . ende belent hebben P. H. an die
oestsijde, ende P. F. an die westzijde, ende G. H.,
mit anderen goeden lenden, ald. 9.
BELENEN (belienen), zw. ww. bedr. Mnd.
belenen; hd. belehnen. — 1) /» beleening nemen,
geld op iets voorschieten. || Dat van na voirtan
nyemant enige goeden van Godscalck voirs. en cope
noch en beleene, noch hem enich geit daerop en
geve, O. R. v. Dordr.l, 307, 100.
2) In beleening geven, geld op iets opnemen. \\
Wye euich harnas belyent of vercoopt, om dat
nter stede voirt te vercopen of te voeren , die ver-
buert 3 ffi , Leid. Keurb. 164, 13.
BELENGEN, klank wisselende vorm voor be-
langen, z. ald. en verg. het mnl. i^/«»c; het Eng.
U> belong en het tgw. aanbelangen. Bereiken , onder
zijn bereik hebben, verkrijgen. \\ Goeden, roerende
ende onroerende , so waer sy die in steden of daer-
buten mit recht belengen oftebevijnden sal mogen,
^. V. Utr. 2 , 207. — De misse belenghen, de
mis bijwonen. || Hi . . sal eerst alle dagen misse
gehoort (hebbeu), waer hijse belengen mach mit
nochteren monde ende mit ynnicheit, Clerc 91.
BELENT, znw. onz. Van belenden {zie ald.). Eig.
plaats om te belanden, zich heen te begeven, en
vervolgens in abstracten zin uitkomst', lat. efngium.
jl Als die en weet negheen belent, stondic van
groten vare bleec ; menichwaerven ie verzeec , O VI.
Lied. e. G. 284, 1505.
BELES, znw. o. Eig. stam van het ww. ^^/^*^
in den zin van betooveren. Betoovering, bezwering. ||
Ie hebse doen twijfelen op claer beles, als dat
{d. 1. dat het) gheen sacrament en es, Sacr. 349.
BELESEN, st. ww. bedr. Mnd. bele8en;.m}ïA.
belesen.
1) Van lesen in den zin van bidden (zie ald. en
vgl. het znw. lesse, d. i. mis).
a) Eene mis over iemand lezen, een gebed voor
iemand doen. \\ Donreine sacrament . ., dat haer
pape hadde belesen, doe soe ongeloveeh hadde
gewesen, Sp. III', 5, 13. Amand die ghereedde
hem metier spoet , om dat kint kerstin te doene . . ,
ende daer Amand sonde dat kint belesen, also
honde andwoorde hem tkint . . . met vulcomender
voe«en: Amen, Amand II, 2872.
b) Enen, iet — . Door gebeden zegenen , vooral
bij eeyie plechtige inwijding. Vandaar inwijden, wijden,
waarmede het meermalen verbonden voorkomt. ||
(Hi) wij ede dien tempel mede in onser vrouwen
ere ^larien, ende mede belas hijt in dat wijen in
deere alre martelaren, Sp. III', 59, 72. Sinte
Bonifacius . . . wie (/. wiede) den coninc ende
belas, Sp. III», 68, 23 {Brab. Y. I, 1222). Hi
stont vore des tempels dure, ende sparste na der
heidene cnre met watere , dat was daer toe belesen ,
wie dat in den tempel ginc, Sp. II", 29, 107.
Cathecnminus is een kint dat voor die kercke
beleden ia, eer datment dopet, I*ass. (1489) S.
125 a, aangeh. bij Oudem. 1, 481. Als een kint
belesen is voer die kerke, eer ment kersten doet,
Fass. W. 145 e. Alle baden si ende wonden , dat si
doepsel ontfaen souden; hi beseinedse ende belas,
also alse costume was, III ^, 42, 63. Doe hi die
vonte hadde ge wijt, belesen ende gebenedijt, III* ,
39 , 49. Binnen desen suverde hi dien tempel ende
belesen hevet hine ende teere kerken gewijt in den
name Marien, 11% 17, 179. Daer es hi in den stoel
gheset, ende coninc ghewijtende belesen , 5ra3. Y.
11, 5281.
2) Van lesen in den zin van een toover formulier
lezen (zie ald.).
a) Eigenlijk. Een toover formulier over iemand
lezen, hem betooveren, bezweren. In dezen zin nog
in gebruik. Fr. exorciser. \\ Enen vogel hi
belas, die vlooch al daer die coninc waa, ende
brochte hem in droem te voren , dat een kint soude
siju geboren, Alex. I, 229. Die steen, die den
stier in draghet jof caprieornum of die maghet,
dien seghtmen sere cout wesen ghesacreert ende
belesen. Nat. BI. XII, 1175. Die desen steen
belesen can , 539. Sonder manen ofte belesen
siet men daer te hant figuren, 461 var. Met be-
hcndicheit niet clene belesement ende so begaet,
dat sijn vengn niet en scaet, VI, 100. Nu es ene
nature in desen , dat sere scalc {d. i. lastig) es int
belesen, 107. Talreerst moetmene belesen, dat
hi niet en si van felre voere, 380. TAnthiochen in
die stat heeft hi enen afgod gesat met dnvelien
also belesen, Sp. II*, 7, 11. Enen diepen pit, dien
hi . . . dede . . . met toeverien al belesen, II*,
37, 84. So haddene Merlijn belesen, III*, 32,66.
E. ie joncfronwe . . . heeft sine wapine so belesen,
diittere uieman en can genesen, Lanc. III, 13658.
Pieter Debboudt hadde wel een jaer te vooren . • •
te Kousse ghe voert gheweist eude daer belesen,
Cout. V. Brugge 1, 16. — Ook in den zin van
door zijn invloed krachteloos maken, biologeeren.
II Mer der stoutter Troyen hande en const hy niet
also belesen, hy en moester af verslaghen wesen |
Trogen f. 261 d.
b) Overdrachtelijk. Bezweren, smeeken, \\ Ie wil
u belezen ende besweeren, ende manen bij al dat
u mach deeren ... dat ghij zecht, op goeder
trauwen, wat u letten mach of ghebreken, Nu
noch 207.
BELESEB , znw. m. Mhd. beleser. Van belesen
in den zin van betooveren. Toovenaar, bezweerder, jj
Die vrienden leydense oeck tebelesersof tovenaers,
dat si den duvel verjaghen souden, Fass. W. 181 d,
BELET, znw. o. Eig. stam van het ww. be-
letten.
1) Van beletten in den zin van verhinderen, be-
temmeren. — a) In actieven zin. Het verhinderen', de
belemmering , die men anderen aandoet', hindernis. \\
Si en mochten niet passeren door dbelet van den
swarten hoop, Exc. Cron. 273 3. Dese historie is
ghemaect niet om eenich belet van goeden wercken ,
Httge V. Bord. 3. Daer in zij laughen tijd groot
belet ende achterdeel bi dien van der Sinus hebben
ghehadt, ZVl. Bijdr. 4, 73. Vgl. ook onder a)
het citaat uit Nijh. — Sonder belet, zonder
te hinderen, zonder moeilijkheden in den weg te
leggen. \\ In ghelike soude hi mede den coninc
van Ingelant vor waerhede restitueren ende weder-
keeren, sonder belet ofte deeren, sloten ende
steden , VI. Rijmk. 6877. — Vooral gebruikelijk in de
uitdr. belet doen; in twee opvattingen. — «) Be-
lemmeren, verhinderen, beletten. Met den 3den nv.
van den persoon of der zaak. || Te blusschen ende
843
BELE.
BELE.
844
te doen belet alsoe vreseliken opset, Braè. Y.Yl^
1736. Die overhorich ware den deken ende vinders,
yan caeren te zoakene ende zijn sloten niet openen
en wilde, of hem enich belet daerin dade, ZVl.
Bijdr. 6, 167. Soe sullen mijn Yoirscr. genadige
here van Burgondie, van Brabant, etc. ... die
gheen diet tbelet deden , . . bedwinghen , dat selve
belet aff te doen, Nijh. 4, 233 (a. 1448).
^) In ongelegenheid brengen^ hinderen. \\ 'Ken
mach u niet gheven, tsoude my doen belet, V
Ma4tgd. 409.
b) In pass. zin. Ret belemmerd worden y en ver-
volgens bezwaren, grieven. \\ Om groote , cleene , rike
ende mate recht te doene ende wet , updat hi toghe
sijn belet, O Tl. Lied. e. O. 329, 420, „mits hij
aantoone , waarin hij belemmerd wordt." — S o n d e r
belet, zonder bezwaar of zwarigheid, zonder hinder,
gemakkelijk. W^o goecoop was de vytaylge: zonder
belette doe cocht men boven tponds groote een vette
coe, ZVl. Bijdr. 6, 332, 141. (Si) maecten hem
sonder enich belet huter bataelgen, VI. Rijmk.
6384. In ghelike sonde hi mede den coninc van
lugelant vor waerhede restitueren ende wederkeeren,
sonder belet ofte deeren, sloten ende steden, 6877.
2) Concreet. Beletsel, dat wat iets bekt of tegen-
houdt, hinderpaal, barricade. \\ Kistdammen, sta-
kytsen ende andere beletten, Invent. v. Brugge 5, 289.
3) Be persoon die onwettige handelingen belet,
verhindert', m. a. w. wacht, bewaker, beschermer. \\
Die Gode hebben daertoe {bij het vlies) gheset
sulcke hoede ende sulcken {zulk een) belet, als
men daer behoeft, Troyen 398.
4) Eene ingewikkelde , moeielijke zaak. In den be-
paalden zin van oorlog gebruikt. || Want hy had ghe-
noech te doene, den strijt ende dat belet te scry ven ,
<kier menighen in stont te blyven , Troyen f. öl b.
5) Van beletten in den zin van uitstellen (zie
ald. 3). Uitstel, vertoef, pauze. Vgl. onze uitdr.
belet geven. \\ Hier up willic maken een belet, om
dat ghi mi sout verstaen te bet, Amandl\,^blQ.
« BELET , andere vorm voor billet. \\ Een roUe
van parchemine , an twelcke dit belet ghehecht is.
Coat. v. Brugge 1, 580.
BELETTEN, zw. ww. bedr. Mnd. beletten.
1) Verhinderen, de hedendaagsche opvatting. ||
(Si) vernemen wel dat sy op haer reyse ende
vlucht leggen, mer sy en hebbense nye mogen
besetten noch beletten, O. R. v. Dor dr. 1 , 120. Belet
met ongevalle , Flor. 1803. Belet bi andren ongevalle,
1815. Zoo ook 1281 ; enz. — De afhankelijke zin
heeft volgens mnl. spraakgebruik de ontkenning
niet bij zich, b.v. Lanc. II , 34206. — De onb. wijs
als znw. gebruikt. Beletsel , hindernis. \\ So moghen
si sonder eenich beletten vulcommelike in duechden
bloyen, Denkm. 3, 125, 119. — Het verl. deelw.
belet gebruikt in de bet. van er slecht aan toe,
in een ongelukkigen toestand. \\ Die grote Cham sijn
broeder die starf , soe (= zoo dat) al dit lant
belet bleef, Mandev. bba.
2) Verhinderen in de behartiging of uitvoering van
datgene, wat iemand doen moet; hem letsel aandoen ,
lastig vallen. \\ Dat die selve heer . . . van
yemende, het sy onse vyande of ander lude,inder
voirscr. kercke , huze ende toebehoren behindert ,
belet of gemoeyt worde , Oorl. v. Albr. 534. — Van-
daar de uitdr. belet sijn met, in of van eenre
dinc, door iets gekweld worden, behept zijn met. ||
Soe ducke had hyt {Troje) oec ontset, alst van
hongher was belet, ende hem ghewonnen in men-
gher wyse voesteringhe, dranc ende spyse, Troyen
f. 227 b. Alse hi met evele ware belet , ghinc hi
hem baden in dat bat, <S|p. in^ , 50, 10. Al vaer
hi in souden belet , ghi souten te ghenaden bringhen ,
Beatr. 550 (misschien te lezen beslet; zie beslettex
en Tijdschr. 1, 130; doch belet in is ook eene
goede lezing).
3) Vertragen, uitstellen. Yg\. LETTEN. || Hi ginc
sine dinghen besetten, hine dorste sine reyse niet
beletten, Vod. Mus. 2, 388, 283. Vrient.verstaet,
het es in enen vrede gheset van heden over YII
daghe; gaet tote hem; dan eest goet belet, Bel^.
Mus. 10, 79, 114 (de var. Denkm. 3, 477, 124
heeft: „dus eist goet verbeit^\ d. i. „daarom is
het goed te wachten, uit te stellen**).
4) In den weg staan, een hinderpaal zijn voor. \\
Hoe dogt hi . ., dat wijf sijn eere dus beletten,
Rincl. 1003.
5) Een boosdoener aangeven. \\ Wie so terde
breict ende daema belet wert, so dat menne ghe-
cryghet omme rechtinghe mede te doene , Coat. v.
Gent 431. Wiene . . belet, hy sal hebben van der
stede goede hondert pont tomoyse , 432. — Vandaar
BELETTINGE, znw. vr. Aangifte. || Sinencost
dien hy ghedaen sal hebben omme de belettingbe,
432. Van der belettinghen van den gheoen die
ghebannen es, ald.
BELEVEN, zw. ww. bedr. Mnd. beleven.
1) In de nog niet geheel ongebniikeiykc op-
vatting van naleven, in beoefening brengen, t» zij*
leven, zijn handel en wandel openbaren, betraehU%.
II Wilt dat gheloeve so in my stereken, dat iet
beleve metten wercken , Belg. Mus. 6 , 173. Die
(nl. die leringhe der Ewangelisten) die sondea
si predicken «nde leren ende selve beleven dat si
seiden, Hild. 209, 134. Want ghi hier al bele?en
moecht, ghevoecht u sel ven totterdoecht, 187,53;
„daar gij vrij zijt in de inrichting van uw lete»^
u zoowel op de beoefening van het kwade als Taa
de deugd kunt toeleggen, kiest de laatste." Twoort
Gods ghehoort es medicine der ziele, als ment te
belevene pine, O VI. Lied. e. G. 495, 140; ,«^
men zijn best doet er naar te leven.** Ie hope, ie
zal, dat ie nu hoore, beleven al, 496, 167. Dea
staet van religioene te anveerdene ende te belevene,
Diericx, Mém. 2, 461.
2) In den thans nog gebruikelijken zin tm
in sijn leven ondervinden. Thans evenwel bgna uit-
sluitend van onaangename en treurige ervaringea,
in het mnl. daarentegen van aangename atkea
die men ondervindt, waarin men persoonlijk deeli;
vandaar, dat beleven met een obj., dat de eene of
andere feestelijkheid uitdrukt, den zin heeft van
bijwonen, tegenwoordig zijn ^y , riw'öw (vgl. begaES
en het Lat. celeber , dat met het hd. belebt in bet
overeenkomt , terwijl beleven = eelebrare is). ||
Alse ridderscap daer sal wesen, ende die tortoy
beleeft (gehouden zal worden), binnen desen sullö
wi comen hier binnen , Lanc. II , 12497. Ie geloote
dat was eenen name vrolic of genouchlyc geghe^ei
by deliberatien , dat hy houdt den name van an-
ghene, ende dat de houders beleefden de groote
chiere ende vrolichede , Matth. JMal. 1 , 267.
3) In den nog gebruikel^ken zin van eene k-
paalde gebeurtenis of tijd overleven, beleven. II
Waert dat vrou Jutte dien Paeschdag beleeft hadde,
dat hoor die renten van Paesschen mit recktó
verschenen was , R. v. Utr. 2 , 49. Ende sy ««
hor e oudermoeder doot beleeft hebben, 160. Beleetóea
sij hoor doot niet, so en hadden sy niet ghegef»;
ende want sy hoor doot beleeft hebben enz., 1^1-
Den zelven Vos ghegheven van sinen weddea
van den jare van 32, van dat hi beleTede,
845
BELE.
BELF.
846
6 i^, Bek. V. Zeel. 1, 493. Heynric ende Jan,
Yer Hadewien kindere, dat an minen here comen
es, 27 d. tor. sjaers, die maken van 2 jaren, die
zi beleyeden, ende wi hebben betaelt, 4 se. 6 d.,
ald, 500. Heynric Clays s., dat an minen here
comen es, 13^ d. tor. sjaers, fa. de 3 annis, die
hi belevede, ende wi hebben hem betaelt, 3 so.
4^ d., 501. (Een deel der jaarbede is in leen ge-
geven; aan de gerechtigden wordt blijkens de
rekening over 4 jaar betaling gedaan. Twee dezer
, pennincleenen " zijn echter binnen de yier jaar
aan den Heer vervallen door den dood van den
leenman of op andere wijze. Voor deze worden
daarom slechts zooveel jaartermijnen (1 en 2) be-
taald, als hij die de betaling ontvangt, jaren ge-
rechtigd is geweest).
BELEVEREN, zw. ww. bedr. Overleveren ^over-
geven. II Wat beleverstu dij selven ten tormente
voer tijt, Vaderh. Wc.
BELEVINGE. Zie bilevinge.
BELEWITTE (beelwitte , beluwitte). Eig.
een bnw. met de beteekenis zachtaardig^ goeder-
Heren] ags. W/r»/, bilevit (Grein 1, 117), dat b.v.
een gewoon epitheton van God is, de goedertieren
Fader^ bilevet f&der, pater clemene^ mitis.
Over de afleiding zie Grimm, 2). Mgth. 1*, 392 en
Vaa den Bergh, Myth. 13. In de Germaansche
Mythologie werden de Belewitten echter verpersoon-
l^kt tot eene soort van geesten , behoorende tot de
elven of alven , die in de Noordsche Myth. volstrekt
niet voorkomen, maar zooveel te meer in de Bnitsche.
In het Mhd. heeten zij èilwisz^ pilwizy bultoechSy
biltoiht'^ zie Lexer 1, 277; Ben. 1, 127a; Schmeller
1, 230; Grimm 2, 30; V.d. Bergh, t. a.p. 12— 14
en vooral het uitvoerige en belangrijke artikel
over den pilvnz, Grimm, D. Myth. 1*, 391— 395.
1) Oorspronkelijk dns eene soort van elven, van
den mensch genegen geesten , die men zich dacht
Tan het mannelijk geslacht (blijkens het er naast
bestaande vrouwelijke bulweehein) , werden de bele-
»itten door onze voorvaderen al spoedig als vrouwe-
lijke geesten beschouwd, als goede genii, als
penates, ongeveer gelijkstaande met de goede
holden (vgl. Grimm, Myth. 1*, 303) of witte wiven ,
waarmede zij in den Teuth. worden gelijkgesteld.
II Om dat hi meer gheloeft dan hi sculdich is te
gheloven. Als waersaghers of die daer in geloven
of van den nachtemerien of van den gueden ouden
{d. i. holden) of beel witten, Con. Som. 11b.
2) Deze goede geesten verloren , evenals bg onze
hd. naburen , in de voorstelling onzer voorvaderen
langzamerhand hunne goedaardige natuur, zoodat
belewitte de beteekenis aannam van tooverheke^
tooverkol, heks. Kil. lamia, ttryx. \\ Vrouwen die
des nachts pleghen wanderen, die beelwite waren,
L. f. 80tf.
Aanm. — In den zin van toovenoAr (van het
manl. geslacht) vindt men het woord tweemalen
in eene Diep. Theol. van 1648, aang. bij Grimm
en V. d. Bergh: „hominibus . . dictis beeldwit,
quos facultate aut dono videndi spectra noctuma,
speciatim manium et funerum praeditos creditum
est," en „de illis, quos nostrates appellant beeld-
itnt et blinde belien^ a quibus nocturna visavideri
atque ex iis arcana revelari putant."
3) Vervolgens nam belewitte de beteekenis aan
van ieder vrouwelijk monster; zoo wordt het door
Boendale gebruikt in deuzelfden zin als zeemeermin.
II Opten derden dach . . sullen hem die vissche
baren . . ende meerminnen ende beluwiten, ende
sullen 80 briesschen ende criten, dat dat anxtelike
ghescal toten hemele clincken sal , Lsp. IV , 9,15
(zie het Gloss. op beluwiten. Boendale moge door
het Lat. woord bellua gebracht zijn tot het gebruik
van het woord belewite^ en misschien zelfs het
eene van het andere afgeleid hebben, maar voor
ons begrip is belewite hetzelfde woord als het
onder 1) en 2) genoemde, schoon in eenigszins
gewijzigde toepassing).
BELFROET (beelfroet, belfort, beelfort,
balefroet, bellefoort {Hor. Belg. 7*, 10),
bellefroet), znw. o. Van het mfr. belefroi^ berfroi
(Burguy, Qhss. 39), en dit van Mlat. berfredus ^
belfredus (Duc. 1 , 639) , dat op zijne beurt komt
van het mhd. bërcvrit^ bërvrit (Ben. 1, 107^;
Lexer 1, 186), d. i. wachttoren. Vandaar nog het
it. battifredo (Diez 1 , 59) en het fr. lefroi (Littré
1, 324). Van het ww. bergen en vride^ d. i. be-
schutting^ bevrijding.
1) Wachttoren^ torenvormig bolwerk. Kil. arx,
propugnaculum , specula militaris; Hor, Belg. 7*,
10: een toren om te betpijen.
2) Een toren in het algemeen y ook klokketoren.
Dat balefroit van gere stede (JBabel) entie hoge
tor, Sp. I', 5, 13. So ginc hi op een hoghen
toren of op een beelfroet, Pase. S. 81<?.
3) Een bolwerk of kasteel met een toren (van
waar ook de naam der stad Belfort) , en in het
bijzonder van het Romeinsche Capitool. Kil. arx. ||
Enen berch . . , hiet Carpeius (d. i. Tarpejue) , . . daer
hare beelfroet op stont, Sp. II', 24, 5. (Si)
lieten van boven nedervallen . . alle die trappen
neder vanden Capitoele of beelfroede , P<m*. W.4Sb.
4) Ieder voornaam gebouw met een toren; in
het bijzonder van het Stadhuis der Vlaamsche
steden , vooral van Brugge en Gent, anders genaamd
de Halle. || Si voerdene te Brugge waert, ende
Icidene, met hoeden groot, ghevanghen op haer
bellefroet , Edew. 862. Daer omme sloech men hem
af thoot te Brugge, vore dat Bellefroet, 1297. Te
Brucge , drevense grote feeste . . ; dat Belfroet was
80 geordineert, datter die Coninc in logeert. Vel th.
IV, 8, 11. In dierste jaer van sinen graveschepe
verbarrende dbeelfroit ende die halle te Brugge,
CroH. V. Vlaend. 1 , 169. Steene ten beelfroete , Rek.
V. Gent 1 , 78, Jant. 7.) Somme van den werke dat
binnen desen jare ghewrocht es ant beelfort, 103 en
248. Zie nog Diericx , Mém. 1 , 94 ; 2 , 26 , 27 , 46 enz.
BELGADE, znw. vr. Van belgen , met den
bastaarduitgang -a^i2^. Gramschap^ toom. || Wy hebben
liever syns soens belgade, dan hy ons enighe
vrientschap dade , Troyen f. 25a.
BELGEN, st. WW. onz. en wederk. (balch^ bolgen ;
het verl. deelw. komt niet voor , maar moet geluid
hebben ghebolgen\ vgl. ons verbolgen) \ Q\Lè.,belgan\
ags. be^an\ mhd. belgan.
Onz. —Eigenlijk opzwellen , waaruit zich de in het
mnl. gewone bet. heefl ontwikkeld van Toornig worden
{zich dik maken) ^ boos worden ^ zich kwaad maken.
a) Absoluut. II Wisselau (dat.) balch sinen moet,
datti op die were scoet, Vad. Mus. 2, 265, 1.
Bi wilen belghen ende daer na soene, doet de
minne ghestade sgn , Hadew. 1 , 15, 57. (Hi) balch,
alse men begreep dat, dat an hem qualike sat,
Sp. I^, 32, 21. Alexander balch omme dit doen,
36 , 27. Dat ie balch , was ie sot , 3 , 23. Die vrouwe
sere belgen began, I', 5, 48. Ay vri man, ne
belget niet, Lanc. II, 6969. Doe balch God als
hijt versach, Bijmb. 12285. Lichte belghen, ver-
soenen selden dat sijn onspoede, Ruusb. 5, 10.
Selden belchti sonder noet, Parth. 5773. Doe
balch hi harde ende onvro , Flor. 366. — Zie verder
847
BELG.
BELG.
848
Sp. 111% 4, 33; 21, 42; III», 4, 9; IV*, 45,
124; 58, 133; Ren. 1794; Nat. BI. II, 919; Rein.
I, 1749, 3185, 3195. — Enen belgen doen,
iemand boos maken. Vgl. bij DOEN , Bedr. 2 A). || Grodt
seyt, diese {de ouders) belghen doet, dat hem te
pijne worden moet, fTijse L. v. C. 189. Zoo ook
Mor. 304, 313; enz. — De onb. wijs als znw.
Gramscap^ toorn ^ boosheid. || {Ood-e) en gaet geen
belgen ane noch gramschip (es) in hem , Lncid. 5886.
Die onhovesche . . maect belghen ende overmoet,
j^. I", 73, 23. (Si) lieten doe haer belgen staen,
Jlex. III, 1331. Hi was die wreetste van hen allen,
als hi int belgen was gevallen, Lanc. II, 5190.
b) Datgene , waarover men toornig is , wordt uit-
gedrukt door den 2den nv. of eene bepaling met
het voorz. omme. \\ Des balch dabdesse bedi dat
hare trouwe was tebroken, Sp. I', 74, 106. Dies
bolgen die Fransoysen sere , ende quamen up hem
vechten, III», 36, 74. Dies balch Ulixes uter-
maten, Troyen 9830. Dies hare man balch , Lanc. II,
7612. Dies moesti belghen, Rijmb. 10540. Dies
balch die meente vander stede, 28005. Dies bol-
ghen die Zeloten zere, 30339. Dies balch Clarijn
ende grongierde , Parth. 5546. Ghi bolghes dat ics
mi onderwant, 2967. Dat hijs soude belghen hooghe-
like, Jmand II, 4594. Des balch diegrave Ayraijn
Ren. 120. Dies balch Joas van Israël, Rijmb. 13837.
Zoo ook Rijmb. 13345; Sp. I', 67, 70; IP , 5,
28 ; enz. — Daeromme balch dat herscap sere, Theoph.
(BI.) 98, 217. In aertdrike balg hi (6'^m^/«) mede
om sine overhorichede op onser alre vader Adame ,
Nat. BI. II, 3743. Zoo ook Rijmb. 10235, 10793,
18759; Sp. I', 11, 62; I», 2, 7; IP , 9, 35;
III", 43, 68; 89, 175. — De persoon , op wien men
vertoornd is, wordt evenals thans, uitgedrnkt door
eene bepaling met het voorz. op. \\ Langhe bel-
ghen op dat men mint, heeft tebroken meneghc
minne , FroHw. enM.1, 345. Karle ende Lodewijc ! .
bolghen sere op den ouden , dat hi tkeiserrike wilde
houden, Brab. Y. ÏI, 4609 (Sp. IV» , 39, 13). Hier
omme balch die oudermoeder BruniltuptienColum-
baen, Sp. III', 9, 42. Een edel man, daer hi up
belghen began, Sp. III», 43, 79. Dese balch eens
up sinen sone, III», 11, 41. Want hi up hem endo
up hare vrient balch, VI. Rijmk. 3287. Zoo ook
Rijmb. 9436, 13772, 31113, 32246.
Wederk. — Hem belgen.
1) Opzwellen van trotschheid^ zie A dik maken; \n\.
sich brosten. || Edel man die mi dorper noemt,
beliechstu (/. bellechstu) di, dats sere versoemt,
Rincl. 921.
2) ZicA boos maken; hetzelfde als belden, onz.
a) Absoluut. II (Hi) belcht hem utermaten zeere,
dat hi dus qualic es ontfaen, Denkm. 3,208,118.
Bolchdi u, so haddic al verloren beide troest
ende raet. Rosé 2964. Gevalt dat gi verliest, dat
gi u niet belgen en selt, Cass. 1703. Die her-
toghe balch hem sere, Limb. II, 1016. Doe balch
hem die coninc saen, Rijmb. 12748. Met groten
rechte mach ie mi belgen, Rein. Il, 54ü8. Hi
balch hem so met ge welt, *S/>. I', 72, 17. Alexander
balch hem dan, I*, 44, 47. Zoo ook Hild. 205,
97; Mask. 1190; Wrake II, 924; Ruusb. 4, 13.
b) Datgene, waarover men toornig is^ wordt
uitgedrukt door den 2den nv. , of door eene be-
paling met de voorzetsels van of omme. || Des hem
des volcs rijcsghenoet bolghen cleyne ende groet;
want si hem des bolghen sere, dat een vrouwe
soude sijn haer here, JFrake II, 205. Hier omme
so bolgen si hem das, ende wildene steenen om
die dinc, Sp. I', 15, 36. Die hem herde sere
balch das, dat hine doe ne groette niet, LancU^
2586. En belcht u niet das, SegA. 4693. Dat
hys hem bolge , Velth. II , 9 , 34. Dies hem Claer-
wgs balch wel sere , Cass. 759. Wet dat hem diea
onse Here belghet harde sere, Wrake III, 131.
Wies hem bolghe, Fad, Mus. 1, 62, 168. Ie en
saels mi belghen niet , Frouto. en Ml, 82. Zoo ook
Lsp. III, 17, 84; Velth. V, 6, 68; IV, 25, 51;
PartA. 1784; Alex. III, 1199; jy/w^. 6206, 1 0256,
22544, 24356, 18610; Ruusb. 5,10. — Seghelgn
balch hem van dien , dat hi sprac sulc onghevoech,
SegA. 3670. Onse Here balch hem van desen , ende
scaltse om hare dorpernie , Rijmb. 5602. Dies balch
hem God van desen dingen , SegA. 7213. — Waert so ,
dat hijt verbrake, dats hem God bolghe om de
sake, Jmand II, 601 (het vnw. des {s in dats)
wordt in dezen regel, zooals meermalen, expletief
gebruikt). Die hem balch om desen dinghen,
Grimb. II, 2171. Si balgen hen ombe dese wort
sere , Lanc. II , 21308. Hier omme balch hare die
vrouwe sere, Sp. II*, 46, 29. Daer om balch hem
onse erdsce vader, IV», 45, 56. Daerom balch hem
die cenaet sere, Jlex. V, 1127 (Es.; vgl. Tkeoph.
(BI.) 98, 217). Omme dit balch hem Holofernes,
Rijmb. 17533.
c) De persoon, op wien men toornig i», wordt
uitgedrukt óf, evenals thans , door eene bepaling met
het voorz. op, óf ook met van. || Ie en belghe mi niet
op u sonder sake, Melib. 3315. Als hi vernam de
dinc . . ., balch hi hem zeere . . . up den grave
met erren moede. Ft. Rijmk. 5053. En wildi
u niet belghen op mi , SegA. 1399 var. Ay meester,
en belcht u niet op mi, 1544. Die heme belghet
op sinen broeder, hi sal sculdech siju den ordele,
Ruusb. 2 , 9. Bedi balgic mi te meer op di , Lanc. lU,
15363. God belghet hem op ons, ... dat ghi
Flovente waert so feel, Tlovent 228. — Dies balch
hem God van [op) Israël , Bywi*. 13737. En belcht di
niet van dinen heer nemmermeer, SegA. 9670 p«r.
BELGENISSE , znw. vr. Van belgen (zie ali).
Toorn ^ gramscAap^ ongenade. \\ Wie hem des onder-
wonde te doene, die sal weten, dat hy vallet in
swaerliker belghenissen der Hoocheit , Matth. Jm!.
3, 158.
BELGENSCAP znw. o.; belgen scepe, znw. tt.
Van belgen. Voor de vorming vgl. tceddensekap ,
wetenschap. Toom, gramscAap. || Dat op alle die ver-
gadering gheen belgheuscap en worde , D. B. LevU.
10, 17. Soe sal die rechter van Delf metygelicke
poirters, arm ende rijcke, dair varen ende doen
beeteren dat onrecht , sonder mgne belgenscepe of
der mijnre, K. en O. v. Delft 245, 3. — Ygl-
BOLGENSCAP.
BELGINGE, znw. vr. BoosAeid, kicaadAeid. \\
Ich segghe u, dat dit kinderkyne belghinge is,
Faderb. 2^0 d.
BELGIOEN. Zie billioen.
BELICHTEN, zw. ww. bedr. Mhd. èeliuAteM;U.
beleucAten. FerlicAten , kunstlicAt [kaarsen) branden
bij (een voorwerp of eene plechtigheid). || Geg. Peter
Victoersz. 5 st., om onser vrouwen lof mede te be-
lichten, Rek. d. Baurk. 221. Vgl. ook BELUCHTEN.
BELIE, znw. o. Eigenlijk stam van het wv.
bellen (zie ald.). Belijdenis, geloof (vgl. heUi»
bedr. B, «). || Onsen heer Jhesum Cristum be-
kennen wi bi natueren , bi gheboert« , bi der macht
ende bi belie. Pass. W. 150 3.
BELIE. Zie beelde (2de Art.) en beeldensaet.
BELIE. Zie belewitte, Aanm.
BELIEDE (?), O. R. v.Dordr. 1,94: „Omme ^-
meene noot, orbaereude om gebreck, dat die stede
849
BELL
BELL
850
Yoertijts in alrehande beliede gehadt heeft, ende
om te sconwen onraet inder stede". Beliede zal
wel eene verkeerde leziag of dialectische vorm
zijn Yoor beleede of beleide, dat. yan beleet ^ d. i.
bestuur^ adminifiratie. Zie BELEIT, 5). — Vgl. over
de Thesoriers {Kamer van belijde) te Dordrecht,
V. d. Wall 1470; Balen 364.
BELIEFNISSE , znw. vr. Van belieüen in den
zin van goedvinden^ toestemmen (z. ald.). || Ferlof,
vergunning, toestemming, || Dat zij van deser onser . .
gracie, octroy ende beliefnisse . . doen ende laten
der vorser, onser nachten . . rastelic ende vreed-
samelic genyeten ende gebmycken, Nijh. 6, 20
{a. J473). Alle gehilicte borgere . . binnen te
bliven . ., uutgescheyden die castelleyne voerseyt,
die moilenairs ende die gene , die beliefnisse hebben
des raits, A p. l7/r. 1, 343, 6 (a. 1343). — Verg.
de Aanm. by believen.
BELIEFTE (belieft), znw. vr. Van believen y in
den thans nog gebruikelijken zin van aangenaam,
welgevallig zijn. Welgevallen, welbehagen. \\ Opdat
nyemant en wane , dat die compositoor des boecx om
tlant sijnre geboorten te eeren na sijnder belieft en yet
meer daer in gheset hevet, dan die gherechte
waerheit, Exe. Cron, ld. Onderwerpende . . sinen
wüle der godliker belieften, 3Sc. — Te belief ten,
ten gevalle ; overeenkomstig den wensch ; volgens den
wil, het welgevallen van. \\ (Dat) Loven, Bruessel
etc. vergiffenisse bidden sonden tot harer belieften,
als si dat begheren sullen , 146^. Hier heeft gesonden
Koning Carel van Vrankrijk, dat ie te sijnder
belieft u en u broeder gevangen sonde senden in
Vrankrijk, Eeemsk. ö3. So mogen wi onsen wille
hier hebben tot onser belieften , Huge v. Bord. 41 .
BELIEGEN, st. ww. bedr. Mnd. belegen-, mnd.
beliegen. Leugens van iemand vertellen, hem belasteren,
II Die mi {den arts Philippiu) belooch, her Alexander,
die heeft u liever dan een ander, Jlex, II, 559.
Ene grote claghe sy hem doet over den ridder
ereutrijck ende beloechen valschelijck , MLoep II,
480. Des maerghens leverdesine Pylaten, ende
bcloghene sere utermaten, Sp, V, 27, 25. Salech
sidi, alse u de liede maledien, haten ende perse-
cutie doen ende spreken alle qnaet van u ende u
belighen, L. v. J. c. 35. Of mijn ros op n stal
geargert is, suldij ons daerom verraden en voor
den Koning valschelijc beliegen, Eeemsk. 107.
Aanm. — Beliechstu di, Rincl. 921, is eene ver-
keerde lezing voor beliechstu di. Zie delgen
wederk. 1).
BELIËN (belyen, belijen), zw. ww. bedr. en
wederk. {beliede, beliet). Mnd. belten. Van liën
(zie ald.). Ons ww. belijden, dat zijn d ontvangen
heeft door den invloed der vervoegde tijden en
door valsche analogie sterk geworden is.
Bedr. — A) Met den 4den of 2den nv. der zaak.
rt) Belijden, bekennen. Met een of ander bedreven
kwaad, als object , hetzij de bekentenis in of buiten
den plechtigen oorbiecht geschiedt. De persoon, tot
wien de bekentenis geschiedt, staat in den 3den nv.
II Dat hi met onsuverheden ommeginc sint hi die
ordine ontfinc, eude des en haddi niet belijet,/^.
IV*, 80, 65. Doe quam totera al te hant . . al
meest al tfolc van Judea ende belyeden hare zouden,
Rijmb. 22010. God den ghenen^ quijt ende vriet,
die sine sonden hera belyet , 32349. Wildi u offeren
hier, in (/. u) sonden al beliende metten monden,
ende n die sonden dan rouwen, Lanc. III, 2945. Dat
hi sine sonden belien soude , 2906. Om dat si hem
souden castien, ende haer sonden te bet belien,
L,ncid, 3631. Mochtic belyen mine sonde, sowaric
blide, vor mine doot. Wal. 476. Ie wil al de
quaetheit mijn belyen ende ghedechtichsijn,^o^/^«.
38, 73. Hore, vader, mine zonden, die ie wille
belien met monden. Franc. 8425. Ende en weet
gi niet te belien , soe saldi belien iuwe blintheit ,
Stemmen 114. Siedi n selven wel aen, gi selt
ghenoech vijnden te belien, ald. Op dat hy se
{de zonden) mit claerre biechten beliet na synen
vermogen , Ned. Proza 204. In den beghinne vander
missen soe seldi belien ende beclaghen Gode uwe
sonden, Runsb. 4, 68. Gode . . belien sine sonden
in groter bitterheit, 131. — Ook als rechtsterm in
den zin van eene verklaring afleggen. || Voort so
quamen voor ons ter selver tijt Braem uter core-
maerct, ende belyede ende gheloefde voor hem
ende voor joncfrou Gouden zinen wive . . Dirc
van Wulven ende Eerst van Wulven, . . ende
belyeden ende gheloefden elc voor hem selven , alle
dese hillixvoorwaerden . . vast ende stade te houden,
R. V. Vtr, 2, 154. (Si) belyeden aldaer voor ons
ende voor horen erfnamen, 157. Herboert van
Pallas . . oec in den transfixbrief niet geloeft en
heeft, daer hi voor onsen here van Utrecht den
hillixbrief in belyet heeft, 160. — Beliende
woert (wo er de), als rechtsterm. Be woorden,
waarin iemand de eene of andere gerechtelijke ver-
klaring aflegt ; aldus genoemd omdat de partij heeft
verklaard dat „hi wil liën an (des taelmans)
woerden ", die woorden dus als de zijne wil hebben
beschouwd, jj Soe seyt dese man ende ie voer
hem in zynen belienden woorden, Westfr.Bingt.1.
Heer scout, hier staet dese man ende ick met
zynen belienden woerden, ald, 9. — Met den 2den
nv. der zaak of het voorz. van. || Hi belijs selve
ochte hi wille: wat hi belijt, ie swige stille, i2oj*
6559. Wats scoenre dan belien {belijdenis doen) van
desen enttien God dienen daer wi af lesen , die anders
niet is dan al goet? Sp. II', 28, 123 var. {tekst
dbelien).Geloven met groter gewout, die thooft es van
kerstin rike,ende dies belien eenvoudelike, i^anr.
1594. — Ook met een af h. zin of een onb. wijs ver-
bonden. II (Hi) belijede daer ter stede Gode ende sente
Pietre mede, ende alder kerken openbare, dat hi
harde mesdadich ware, Sp. IV*, 76, 55. Dathibi
confessie belijde, brieven ontfangen te hebben van
hertoge Kaerle van Bourgondiën, Exc. ()ron. 233A.
— De onb. wijs als znw. Bekentenis , belijdenis. \\ Wat
hebben wy meer ghetuyghen te doen? Wi hebben
syns selfs confessie ende belyen, Boeck v. d, L. J,
266a. Zie ook boven Sp. II', 28, 123 (zie boven).
^) Erkennen, in zijne waarde erkennen, belijden,
gelooven in. — <z) met den 2den of 4den nv. of het
voorz. ane. || Ie wille kerstindom ontfaen ende
belien des Heeren name, Amand I, 1733. Hi es
die ewelike beliet . . ant kerstenheide, Flandr,
IV, 96. An alle zijn woerden te beliene, Westfr,
Dingt. 6. Wie sal in der hellen dijnre belyen,
G. Groote 54. — Ook in rechte erkennen, consta-
teeren. — Beliede sculden, voor het gerecht aan-
gegane schulden. \\ Soe wie voirt an mit scepene
brieve van sculden, als beliede sculden, verwonnen
sculden, bekende sculden . ., pande an yements
huys ende erve binnen Leyden , Leid. Keurb. 207 ,
48. Wat recht dat men sculdich is te doen van
betalinge van tsheren boeten, van smarten, van
verwonnen of belide sculden enz., Matth. 12. —
Enen eisch belien, een eisch erkennen ; erken-
nen, dat de eisch gegrond is. \\ Of die ander
mach hem so beraden, dat hy den anderen syn
heisch belyt, ende so is des gheschilts einde,
Matth. 106. — Ook absoluut gebruikt, Merl. 2216 ,
851
BELI.
BELI.
doch de woorden zijn daar niet helder, en Maik.
276 vlgg. heeft geheel iets anders.
Aanm. — Ook nog in een anderen zin komt
beliën als rechtsterm Yoor, nl. in dien van
iemand alt den dader (eener verwonding) in rechte
noemen. WDtXiei so kenlic is yan scepenen, datA.
goeds tyts syn smarte voir hem belyt heeft op B.,
Matth. 163. Zoo ook 182. Hoewel beliën in de
bet. yan uitkomen voor iets, lat. profiteri , een zeer
goeden zin geeft, zoo maakt toch de bepaling
met op, die belién in deze opvatting heeft, het
waarschijnlijk, dat in deze nitdr. niet eig. beliën
is bedoeld , maai* beleden , beleiden , voor het gerecht
brengen, dat dan ook in deze nitdr. het meest
voorkomt. Zie beleiden Ib a).
b) Met een afh. zin met dat. || Nu gi des lyet,
dat ie waer hebbe gecastiet, belyet, dat hi si die
gone , Enmannel ende die Gods sone, Sp. IP, 23, 219.
B. Met den 4den of 2den nv. van den persoon.
Alleen met het obj. Qod of Chrittu» verbonden.
Qod belijden, in Hem gelooven. Hem eer en, ver-
heerlijken, Gods naam groot maken.
a) Met den 4den nv. || Ane Cristns wi ons al
keeren, den Gods sone, ende beliën ende eeren,
Sp. II*, 4, 41. Eenen Mellijc ende eenen Jan, die
predeken souden ende castijen ende hem Gode doen
belijen, III^, 10, 12. Vort hi Gode altoes beliede
ende bekeerde theidijn diet, II*, 29, 16. Ie belie
di, Here, metten mont, Boetps. 32, 18. Daer
Christus in ghelovet ende beliet wert, Rs. Ibf. 111 c.
Soe sellen wi voer Onsen lieven Heer nedervallen
ende beliën Hem ende bidden broet der ghenaden ,
Stemmen 121. Als die prophete David seit: Here,
te middernacht stont ie op om dy te beliën, Ned.
Proza 203. Ten vierden male ontfinc si ende ghe-
baerde enen zoon , ende seide : Nu sal ie den Here
beliën, D. B. Gen. 29, 35. Beseleel . . dat be-
diedet bellende ochte glorificerende ; want die
ghehoersaem wille moet altoes Gode beliën ende
glorificeren in allen sinen werken , Rnnsb. 1 ,
67. Wi gheloven ende beliën den almachtighen
God onsen hemelschen Vader, dat hi is inder
naturen enich wesen, 6, 78. — Deze bet. van
loven gaat geleidelijk in die van danken over.
Vgl. onze uitdr. lof en dank; het wederk. hem
bellen 4), en de gelijkbeteekenende ww. hem
beloven en hem bedanken. \\ Here, Vader des
hemels ende der eerden, ie belie di, dattu dese
dinghen verborghen hebste vanden wisen ende
hebstese den kinderken gheopenbaert , Hs. 71,
Luc. 10 , 21. Zoo ook Hs. v. 1S48 , óOd {Matth. 11 , 26).
b) Met den 2den nv. || Gi gebenedide, ghi wert
die gene, die mijns belide, als ie achter straten
ginc . . . ghi cledet mi ende voedet wel, Lncid.
6693. Die mensche hevet God, die in God ghe-
lovet ende syns beliet, dat hi alle dinck vermach.
Gulden Troen f. 31a.
2) Met den 3den nv. van den pers. en den 4den
nv. der zaak. Iemand iets toekennen. \\VLenB%\Q[odi
die macht belyen, soe moechse best in eren dyen,
Hild. 246, 16; „men zal aan God de macht toe-
kennen, overlaten, Gods macht erkennen."*"*
3) Iemand' iets aanzeggen , toezeggen , beloven ; lat.
polliceri. \\ Niet saleghere es dan kerstijn diét,
want hem God hemelryke belyet, Amand 1,2619.
Dan sal ie hem beliën: nye en kende ie u,
scheidet van mi, die boosheit werket, Hs. 71,
Matth. 1, 23. Die tyt der bclovinghe naecte, die
God Abraham beleyt hadde, Hs. 15, Hand. 7, 17.
4) Schijnbaar intrans., door verzwijging van het
object. Fermelden, verhalen, spreken van. Meestal met
het voorz. van verbonden. — a) Met een persoon als
onderw. |i Warie ter weerelt also dn (mnre) s|i
ende ie dan minde den groten prja, alsic di vts
hare hoorde belyen , dien soadic node bi jalosien
gedogen te werpenc onder voet, O VI. lAed. e. G.
324 , 283. — Ook treft men beliën aan , in de nitdr.
als iet belie. || Dese Vrederic was oec die
gone , die desen wan , als iet belie , an smercgnTen
dochter van Lombaerdie, Sp. IV», 45,11. — Voor
zoover de bedoeling der onbeduidende woorden U
na te gaan, zal beliën ook bier mededeelen, fuer
zijn beste toeten verhalen, moeten beteekenen. Is
dit juist, dan vindt men in deze nitdr. het ww.
belten met zijn, meestal verzwegen, obj. het
verbonden.
b) Met eene zaak , met name een boek , een ^
schrift, enz. als onderw. || Ende es een waerachtich
woert als ons die geesten claer belyen, MLoepll,
1822. Some scrifturen si belyen vander moHcdcr
Gods Marien, dat soe upt amder jaer daemaer...
mensceliken ende dede, Sp. V , 47, 21.
Wederk. — Hem beliën.
1) In beteekenis niet veel verschillende van bet
WW. beliën. Openlijk erkennen, belijden, er voor
uitkomen. \\ Bepeinst u wel ende beliet volcomel^c
van uwen sonden, Beatr. 980 (aldus met Jon<i-
bloet te lezen voor besief). Si bellen hem, Gode
te kennen, mer si versaken mitten werken, ^«.75,
Titus 1, 16. Petrus beliet hem, dat hi Christos
is, Hs. 71, Mare. Prol. (Dat) een igclic eneo
silveten penning . . . geven sonde . . . ende hem
also beliën onderdanich te wesen des Roemschei
rikes, Hs. 80, f 2,1 c. Ende worde hi daema veder
ghedaghet op ghetuuch van derselver zake, ende
hi dan hem zelven beliede, verbuert XII se,
O. K. V. Bott. 28, 73; vgl. 23, 49.
2) Zich opgeven, zijn naam opgeven, zich Ute*
opschrijven', lat. nomen dare. \\ Si ginghen alle,
dat si hem beliën souden elc insynrestat, ir#. 71,
Lnc. 2, 3. Opdat hi hem beliën soude mitMarieD
sinen ghetrouden wive, ald. 5. Daerom ghinc
Josep van Nazareth tot Bethlehem . ., omdat fai
hem oec beliën soude mit Marien sinen wgve,Hi.
80 /. 27 c. Zoo pok Hs. v. 1348, 35 r.
3) Vandaar de overdrachtelijke zin zich beseiU-
baar stellen voor, zich voegen tot. \\ Wye minne
draecht off eer begheert, die moet ontschamelheit
vertyen ende hem in schamelheit belyen, Hild.
86, 48.
A.\NM. — In de 17de eeuw bet. hem beliën niet
meer zich voegen tot iets, maar zieA behelpen, xi
tevreden stellen , zich vergenoegen. Zie OudeoL 1 , 4&5
en 486. Voor den ouderlingen samenhang der be-
teekenissen vergelijke men hem beleiden, hem &^
helpen en hem generen.
4) Van beliën in den zin van loven , danken (zie ald.
B, fl); hetzelfde als hem beloven. In zijn sekit,
tevreden zijn. Met den 2den nv. der zaak. || Waerre
yement, die hi yet messeide oft mesdaen hadde,
dat hi quame tote hem , hy soude te siere vromei
hem in restoore so voorsien, dat hi der bate hea
soude beliën, Amand I, 5408.
BELIENEN. Zie belenen.
BELIËR (belyer), znw. m. Jï^/t;difr.|| Die hier
in den druc belyars sijns naems hebben gheweest,
Hs. 15, f. 180 c (Hs. N. T. 117 r).
BELIEVEN , zw. ww. bedr. en onz. Mnd. k-
léven. Goed vinden.
Bedr. — Goedvinden, toestemmen, zijn s*^
hechten aan iets. Vgl. BELIEFNISSE. || Dat sg dsi
selve ver bont mede besegelen ende believen salies;
853
BELL
BELL
854
N^h. 3, 368 (a. 1419). Bisonder hebben wy . . .
mede geconfirmiert , bestedicht ende belieflft alsulken
Yerbont, als dese Toirscr. . . vriende onser stad van
Arnhem mit den anderen . . angeg^ngen hebben ,4,4
(a. 1423). Dat hi alsdan dese hilichsvoirwerden . . .
consentieren , believen , gelaven , besweren end vor-
brieven sall, 4, 12 {a. 1423). Sijn hnisvron beliefdet
hem , dat he hun gaef den bosch , sttmd hem toe, wil-
ligde hem in, Belg. Mus. 5 , 425. Dit is aldns belieft
ende overdragen bij den raet, JB. v. TJtr. 1 , 308, 18.
Onse voervaderen belieft , gegonst ende geconsentiert
hebben, 319, 199 {a. 1335). Belyefft ende gecon-
senteert, O. R. v. Dordr. 1, 315. Soe gunnen wy
ende believen, dat enz., Racer 3, 159.
2) In de nitdr. believen no belasten,
iemand of iets goed noch ktoaad doen , voordeel aan-
doen noch nadeel toebrengen, zich volstrekt niet
met iets bemoeien. \\ Dat nyemant . . en sal die
biemeringhe vander stede moegen believen noch
belasten in geenrehande manieren tot bezwaeringe
vander selfaer neringe ofte tot belastinge van
eenighe brouwers, K. en O. v. Delft 169, 20.
Onz. — Met den 3den nv. van den persoon.
Ongeveer in denzelfden zin in gebruik als thans,
nl. aangemutm zijn , genoegen doen , behagen ; hd. be-
lieben. || Wat ghi doet, dat believet mi wel ende dien
raet dunct mi seer goet, Huge v. Bord. 41. — Door
Bunsbroec als znw. gebruikt in den zin van de
zinnelijke aandoeningen, dat wat den (zinnelijken)
mensch behaagt. || Ie en meyne niet snelle bewe-
ghinghe des believens ofte der ghelost, affectus
vel appetitionis motus, dat nieman beweren en
mach, 6, 40.
BELIEVINGE, znw. vr. Hetzelfde als belief-
nisse (z. ald.). Goedvinden, vergunning. || Óp
behagen ende believinge des raets out ende nywe,
R. V. Vtr. 1 , 323 , 205.
BELIGGEN (belicgenJ, st. ww. onz. en bedr.
{belaeh, belagen, belegen). Mnd. beliggen; mhd.
heligen', hd. beliegen.
Onz. — lAggen.
d) Van personen. Blijven liggen, nederliggen,
hetzg te bed of op den grond. || Scone, wat be-
ligdi dare? Mach enech man gehulpen u? iMnc. III,
18iB42. Dese nacht es utermaten lanc; mi dunct
hine heft engenen ganc; wat beliggic langer hier?
Rosé 2487.
b) Van landen enz. lAggen, gelegen gijn. Ygl.
Diut. 2, 198: beliegen, adiacere. — Vandaar het
deelw. belegen, d. i. gelegen. — «) Eigenlijk. ||
Onderhalf dachmael lants . . ., belegen op de
Rode, Fad. Mus. 2, 68. Dat die vorser. Wyn-
garden aen den Roesenberch gelegen ende den
selven berch binnen der vryheit van Loven be-
legen es, 3, 29. Assize te gheven van alle haren
winen (/. wine), die hen (/. hem) wast op haren
wyngaerden aen den vorser. Roesenberch begelegen
(/. belegen), ald. In allen steden ende dorpen,
beleghen in Delflandt, Oorkb. 2, 327 a {a. 1290).
fi) Overdrachtelijk, in de uitdr. belegen
8 y n , d. i. gelegen komen , behagen. Alleen in
Duitsch gekleurde geschriften. || Na raede unser
beyder vrenden, dey wij dar tho keysen sulen,
dart yme und sinen erven belegen were , Nijh. 3, 4.
Au andere slote, heirlicheide und rente des lantz
van Gelre, dey eme belegen weren, ald.
c) Van water gezegd, eig. blijven liggen, zooals
het is, d. i. dik worden, bevriezen, stollen. \\ Des
anders daghes men ontsach , dattie zee beligghen
mach, want het vroes so oversere, Stoke V, 817.
Bedr.; vgl. voor verschillende beteekenissen
BELEGGEN. — 1) Door de ligging bepalen, beperken,
d. i. palen aan , begrenzen. — Vooral in de uitdr.
belegen hebben, tot grens hebben, en in het
pass. belegen sijn, begrensd zijn door. \\ Dat
Heynen hoven van Velsen . . . dese drie hoven
lants beleghen heeft op die zee zyde , end dat ick
selve Florens voirs. beleghen hebbe mit minen
eyghen erven op die lant zyde, Oorkb. 2, 127 «
{a. 1275). Die twe ander hoven sien (/. sijn) op
alle ziden beleghen metter Heren landen van sint
Pieters van Utrecht, Mieris 2, 227 a. Dat huys
te Poelgeest, daer die eene zijde af is de Maerne
ende die ander zyde belegen heeft Dirk van
Sassenhem, 236a. Alse van goede, dat in den
voirsz. palen beleghen is, 323 b. tAmbocht van
Vleuten . . ., dat hi met zyns selves lande ane
beyden ziden beleghen hevet, 348 a. Een huys
ende erve . . , dat gheleghen is an die oude Delf . .
ende voert beleghen heeft mQns heeren heerstraet,
JHngt. V. Delft 23. Een huys ende erve . . ende
is voor beleghen mit mgns heeren heerstraet . .
ende after beleghen is met der stede vest, a/£^. 25.
Mijns heeren heerstraet . . . die heeft dat voer be-
leghen ende der stede vest heeft dat after beleghen ,
ald. 28.
2) Bezetten. — a) Eigenlfjk. In bezit nemen , vooral
als krijgsterm. || Die van Israël volgden hem
ane, ende belaghen die Jordane, Rijmb. 7275
(oecupaverunt vada). Die Philistiene hadden be-
leghen alle die ganghe van den weghen, die
ghingen tote Belleem, 10731. (Macheus) die de
weghe beligghen sonde, daer Alexander varen
woude, Jlex. IV, 371.
b) Overdrachtelijk. Vervullen met. — Vandaar het
deelw. belegen, d. 1. vervuld van. || Daer na
wort hi vast beleghen mit vuerigher minne in sijn
herte, die him dede menighe smarte, MLoep I, 3046.
Sijn sin was . . beleghen met donckerheiden ,
Sp. IV, 17, 56.
3) Belegeren, omsingelen, insluiten. — a) Met
eene stad, burcht, enz. als object. || De casteel es
stare ende vast sere, ende bewaerd met so groter
were, dat hi nine vreset heden den dach, dat
menne iet beliegen mach , Lanc. IV , 5385. So dat
hi te Surs es geraect; die sloten jeghen hem die
stat . .; (hi) belaecht wiselike ende vaste, Sp.V,
16, 20. Pampelttne belaeh hi . . ende wanse oec
metter aventure, HI", 86, 23. Der quader gheeste,
die belegen adden die stede, Franc. 3272. Doe
belaeh hi Thebes mede, Sp. 1*, 13, 30. Dat si
die stat Parijs belaghen, I V ', 59 , 72. Saus belagen
si metter vaert, dat si ghewinnen niet enmoghen,
64 , 6. (Si) belaghen . . mogendelike menege borch
ende menege port, 65, 6. Ene stat belaeh hi entie
sine, IV», 12, 21. Met desen volke wart Antyochen
die stat beleghen ende vaste besat (d. i. ingesloten),
14, 1. Van dage te dage vort belagen si al omme
die port, 16, 59. Dat si hem beterden saen oec
dat, oft hi sonde beliegen die stat, Velth. VI,
27, 61. Vart met uwen here tAken toe, ende
beliget daer die stat, Lorr. I, 522. Die van buten
gingen na dat die stat beliegen entien casteel,
Lanc. III, 13248. Beverepaer haddi belegen. Ren.
932. Die stadt heeft hi al om beleghen, ende
duerde dair voir menighen dach, MLoep I, 2220.
Zie verder Lsp. II, 48, 675; 1040; 58, 182;
Qrimb. II, 687; 691; Rijmb. 6977, 7161, 12421,
14101, 14238, 20275, 25070, 30425, 30428;
Lorr. I, 1516; Segh. 3992, 6683, 10064.
b) Met de bewoners zelf als object. || Dies es hi
vore Pheson getogen ende heeft sine tenten daer ge-
855
BELI.
BELI.
856
slegen , ende die kindre so vaste belegen , dat si met
sorgen sijn bevaen, Cast. 244. (Hi) hevet mare ver-
nomen, dat sijn casteel was verloren , met crachte so
viel hi daer voren ende belach die Alemanne, Sp. IV* ,
4 , 2. So wreet was hy synen lieden , dat sy alle teghen
hem rieden ende sy hem in syn casteel belaghen,
Troyen f. 263^. Die van Sans dreven die van Rome
in selker plaghen , dat sise int Capitolie belaghen,
Nat. BI. III , 346. (Hi) laet hu vriendelike weten,
dat hi es in groeter noet swaerlike up syn huns
beseten . . .; hi wert wel swaerlike beleghen,
Denkm. 3, 134, 85, 112. -- Die Tuerken diese
winnen wilden, hebbense daer binnen belegen,
Sp. IV*, 4, 51. Onse lieden worden verloost die
beleghen waren sonder troost , 59. Hi belach donse
met crachte, 16, 68. (Si) belaghen met ompayse
den vader in sinen pallayse, Sp. IV', 6, 53. Hi
belaghene in ene vaste poort, Mijmb. 20262. (Si)
worden metter Torken here beleghen in de stat
van Edissen, Stoke II, 390. Groot Kaerle . .
belach die Lorabaerde in een stat, hiet Papia,
Lsp. II, 48, 1147. Zie verder Sp. III», 47, 14;
Lorr. I, 1023, 1146; L. v. J. c. 158; Oorl.v.Albr.
227, 406, 427; Oor kb. 2, 334 en 335; enz. —
Ook in de uitdr. belegen houden, ingesloten
honden. \\ Mine mage . . , die belegen houden wale
. . den coninc Yoene in Gyronvile, Lorr. I, 12.
Dies so bid hem sere nu, dat hise (rf^ wwf^^/) geve
u, ocht gi selten houden belegen in allen siden,
in allen wegen , Lorr. I , *ö37. — De onb. wijs als
znw. gebruikt. Belegering. \\ Laster ende groet verlies
sullen wys ontfaeu, syt seker dies, ist int beligghen
of' in den stryt, Troyen f. 162 J. — Het meerv.
deelw. bel e gen e als znw. gebruikt, in den zin
van de belegerden. \\ Quite die beleghene, dats
bederve, ende ghef ons weder onse erve, y^libera
obsessos ttios^\ Rijmb. 19335.
4) Bevechten^ bestrijding aanvallen. Met den
4den nv. van den persoon. || Sijn here versaerade
hi te hant ende belachse in een foreest, daer si
hem verwerden meest metter dickeit vanden bomen,
«^. III*, 48, 80. Om dit onghevoech hebben si
hem anderwerf beleghen, Seg/i. 1024. Doe quamen
die cocken metter spoet, ende hadden mi beleghen,
alle vier heb icse ghesleghen , 754 var. Aldus was
belegen Seghelijn die roemsche vanden heydijn,
10415 var. (tekst beleit).
5) Lagen leggen , verraderlijk aanvallen. Vgl. het
znw. lage^ en ons belagen^ waarmede het in beteekenis
overeenkomt. || Hi was belegen ende verraden, in
een foreest , daer hi voer jagen , Lanc. II , 46780. Hy
en is van nyemande beleghen noch ghewacht, die
him mach deren, MLoep IV, 106. Die verrader
Gallijn heeft den edelen ridder beleghen, Segh.
8308 var. {tekst belaghet). Si hebben u beleghen
om u te benemen tlijf, 8490.
BELIINGE (belihinge, belydinge, soms ook
ten onrechte belijnge geschreven), znw. vr. Van
belten (zie ald.).
1) Belijdenis ^ bekentenis ^ hetzij dit in of buiten
den plechtigen oorbiecht geschiedt; ook in rechte. ||
Warachtiche, vraye belihinge, Ol^l. Lied. e. Ged.
454, 86. Alle saken, het wair by getngenisse off
by beliinge, openbaer te wesen, O. R. v. Dordr.
1 , 315. ï)ie wortel van beliinghe is dat ghelove
van herten, Pass. W. 6r. Ie ghelove, dattu nu te
hant van deser beliinghe groot loon . . sulste
hebben, Sp. d. Volc, aangeh. bij Oudem. 1, 486.
(Wi) bidden u ynnichliken, dat uwe waerdicheit
ontfaeu wille siin begeerlike beliinge , Clerc
90. Men wort oec bereider tot oetmoedigher
beliinghe der ghebreken in der biecht ende bnten
der biecht, Stemmen 114. Alle de martelie der
martelaren ende de vaste eersame beliinghe der
confessore , Ruusb. 4 , 69. Du beliet hebste guedc
beliinghe voer vele ghetughen, Hs. 75, I r«i.6,
12 {Hs. Epist. 110*).
2) De openlijke belijdenis^ het openlijk afieggen
eener verklaring ^ het opgeven van zijn naam. Vgl.
b e 1 i e n , wederk. 2), en onze uitdr. geloofsbeltjdenis
a/leggen. \\ {Dat elc sonde) belien dat hi onder dat
keyserrijck van Romen waer. . .; men hiel dit
beliinghe of bescrivinghe, Paw. ^. 129é?. Beliinghe
hiet ment, want elc . . seide mit sinen moede,
dat hi onderdanich ware den rvke van Bomen,
ald. — Ook het afleggen eener verklaring ^ het ter-
lijden eener akte. In dezen zin komt beliën meer-
malen verbonden voor met geloven {R. v. Vtr. 2,
154 tweemaal, e. e.). || Want die belydinghe is
ghesciet voor den gheboren ende voor den onghe-
boren , R. v. Vtr. 2 , 155 en 160. Noch sy en
hadden an den goede niet, daert segghea eade
belydinghe of ghesciet soude wesen, 156; e. e.
3) Het belijden of grootmaken van iemands , vooral
Gods naam , lof zegging. \\ Gaet in sine poerten mit be-
liinge , in sinen breden ingangen mit lovesangen ende
beliet hem , Hs. Fs. 105r. Sij songhen tsamen den heer
in soeten sanghe ende belyinghe, want hijgoetis,
D. B. Ezra 3, 11. In allen werken gaf hg be-
liinghe den heylighen, D. B. Jez. Sir. 47, 4.
BELICKEN (üelecken), zw. ww. bedr. Be-
likken. II Die houde quamen ende si belickeden
sine sweren , Hs. Evang.^ Luc. 16, 21.
BELICKEN (belecken), term uit het dijk-
wezen, die eigenlijk beliken moest Xm^tn. Een dijk
gelijk Vlaken door het aanbrengen van zoden ^ ge-
woonlijk likzoden of lekzoden genoemd. Zie G. De
Vries, Dijks- en Molenb. 229 noot en vgl. mod.
beliken , belikenen , d. i. begleichen. \ \ De glenyinge
van den dijk met zooden van de hooge lande te
belecken tot preservatie van den Schoorlsehendjk,
aangeh. bij De Vries , Dijks- en Molenb. t a. p.
{a. 1577). — Vgl. L1CKEN.
BELIMEN, zw. ww. bedr. Met lijm besmeren,
voornamelijk om vogels te lokken. Overdrachtel^k
— 1) Van het gehiat gezegd. Opsieren om te ver-
lokken. II Dansers, springhers, die scoon ghehet
belijmt maect om te vanghene mede, OVl. Uei.
e. G. 448, 225.
2) In het algemeen. Verlokken ^ verleiden. \]SQt
{folie) es tlim van vele souden die menighe ziele
zware wonden , wanneer dat soe mach bezwimei
den mensche ende zinen geest belimen , Praet 1146.
BELIMMERT. Zie belemmert.
BELINDEN. Zie belenden.
BELINIËN, zw. WW. bedr. Mud. belinigen. Vu
litiie , d. i. lijn. Van eene lijn voorzien , eene lij*
zetten op of bij. Met het bijw. onder verbonden:
onderschrappen. \\ Item dat ghi in dit tegen woor-
dich boec vint geteekent tnsschen twee halw
manen, dat is den text van desen boeck ende dat
suldi onder belinien van die een mane tot die
ander mane met een rode linie , Fase. M. f. 5r.
* BELINNEN, st. ww. onz. {bel^n, belm*e%]\
ohn. belinnan (Tatianus , Cap. 81, 4: bilan thcr
uuint, cessavit veutus; c. 138, 12: ni biUtn sia
cussan mine fuozf, non cessavit osculari pedei
meos ; vgl. Graff 2 , 218); ags. belinnan. Vgl. Unnn^
Grimm, Gramm. 1, 940 en Got. ajlinnan^ d. l
heengaan j wijken (Schulze 207). Volgens De Vries
moet in de verzen van den Flandrijs (I, 443;vgL
de aaut.): || „Metten spele esser de gelavie dore ge-
857
BELL.
BELO.
858
ronnen, om Fallax lijf eest al begonnen, want
hem tiser vloech door den buuc", in plaats van
begonnen gelezen worden belonnen] de zin is dan
volkomen juist en bet.: „met het leven van T.
was het geheel en al gedaan," hetgeen met de
bet. van belinnen^ nl. opkottden^ eindigen^ overeenstemt.
Belinnen komt echter noch in het mnl. noch in 't
mhd. en 't mnd. elders voor, en het is gewaagd,
tot het bestaan van het woord uit ééne corrupte
plaats te besluiten, doch wellicht worden er later
meer voorbeelden van gevonden: het was daarom
raadzaam, deze gissing mede te deelen.
BELIOÜ. Zie baliu.
BELIVEN, st. WW. onz. Mhd. i«?/«*«i ; Kil. 45 3 :
„ b e 1 y V e n , vetut. manere."; got. bileiban. Hetzelfde
als ons blijven. \\ Waer . . . dat zake, dat men den
dam toet openisse beteringhe doen wilde, daer of
londe der voerscrevenre ecclesien ghoet beliven
wnder cost, Oor kb. 2, 399 i {a. 1293).
BELKEN (belleken), zw. ww. onz. Kil. bel-
ken, bulken, mitgire ^ boare. Bulken^ loeien. \\
Die koen . . . ende ander beesten . . . bellekeden . . .
allegader ende vloen achterwaert, Bienb. 106 b.
Voer die menschelijcke stemme kreech hi ene
beestelycke stemme ende belkede, 135^. Diealre-
swartste verre . . . liepe (/. liep) daer toe mit
lelijcken bekken , 1 39 d.
BELLE. Zie beelde (2de Art.).
BELLE , znw. vr. Mnd. belle. Hetzelfde als ons
hel^ maar gebruikt in eenige min of meer van het
hedendaagsche spraakgebruik afwijkende opvat-
tingen.
1) In de tegenwoording opvatting van bel\ lat.
tintinnabulum , vindt met het b.v. Lanc. III , 14385;
Grimb. 1 ,3771 ; Wal. 4894; Sp. I» , 26 , 56.- Verklw.
bellekijn (belleken), belletje. Wal. 3522,
3539, 3541, 7806; Fhr. 1529, 1547 ; i2(/»i*. 4914.
II Een lad(^tn«Ie metaal of een clynckende bellekijn,
Getijdeb. S. 70b. — Vandaar de uitdrukking der
valscher bellen volghen, d. i. ziek deerden
klank, het geluid laten misleiden, op een dwaal"
»poor laten leiden, m. a. w. den verkeerden weg op
gaan. \\ Si volgen al der valscher bellen , den rechten
wech ter leider hellen. Vierde Mart. 390.
2) De beP werd ook gebruikt in de plaats van
ons bekken des omroepers. Zie b. v. Belg. Mus. 10 ,
112. II Dien . . sal men openbaerlec . . tot allen
hoiricken (d. i. homecken) hoeken) van den straten ,
ghelijc men den goeden lieden gewoenlike pleecht
te cundighen metter bellen, . . . becunde-
ghen. — Deze bekendmaking metter bellen had
ook plaats , wanneer iemand om wangedrag en door-
brenging van zijn vermogen zjjne zelfstandigheid
verloor. Vandaar de uitdr. In de belle sijn.
II Hy is in sint Antonis ghilde, hy is in de belle.
Spreuken 85; door Meyer verklaard: hij wordt
uitgeroepen, dat hij onder curatele staat. Vgl.
het bij Kil. te vinden ww. bellen iemanden,
j. stadkindt maecken (zie ald. bl. 625 ;Zm^.
Keurb. 170, 56, en het Art. belleman). Doch het
St-Antonis gild heeft in den regel slechts met
armverzorging te maken, daarom is de ver-
klaring waarschijnlijker: hij krijgt bedeeling, geniet
onderstand, is aan d^ diaconie vervallen. — Van-
daar ook de uitdr. op die belle drinken. ||
Somtyts drinken si op die belle, Beg. v. a. Sp.
32; zie Hor. Belg. 6, bl. 215. De bedoeling zou
volgens Willems zijn: „somtijds drinken zij zoo,
dat zy onder curateele gesteld moeten worden."
Doch deze verklaring steunt alleen op de ver-
klaring van Meyer van Spreuken 85 (zie boven).
De bedoeling is : „ Somtijds drinken zij tot zij
„aan den armen" komen', daarbij past vs. 33
uitstekend: y^ somtijds moeten zij zich lossen uit de
gijzeling , waarin zij door hunne schulden geraakt zijn'''.
BELLE, znw. vr. Kelk, beker, slechts op eene
enkele plaats bewaard gebleven, nl. Tondal. 50a.
II Tondalus sachere ooc stellen guldine nappe ende
selverine bekers ende scoone belline, ghelijc den
hivoore, bellen sach hi daer setten up een tritsoor ende
up tafelen. — Het Lat. waaruit deze eenigszins ver-
minkte plaats vertaald is, luidt bij Vinc.(XXVII, 99):
Ponebant enim cyphos et calices aureos et argenteos ,
et pixid^s eburneas super paxillos et tabulas. De
pixides beantwoorden dus aan de bellen. Het Gr. pyxis,
beteekent doos (hd. büchse , eng. box, fr. botte
(Scheler 55)). Nu vindt men bij Duc. niet alleen
bolla, vox saxonica, cyathus (1, 717), maar ook
reeds bella, male pro bolla (1, 641). Het is dit
door Duc. verworpen bella, dat de latiniseering
van het mnl. belle is , waarvan in Tondal. ons
een voorbeeld bewaard is. Het woord, dat één in
oorsprong met ons bol, vinden wij terug in het onr. ,
waar het bolle , in het ags. , waar het bolla luidt , en
in het eng. , waar het het bekende bowl heeft opge-
leverd (E. Muller, 1», 122; Diefenb., Vgl. Wtb.1,
270). De vorm belle staat dus vast , al blijkt ook,
dat de mnl. vertaler van Tondalus het Lat. van
Vincentius niet zeer goed heeft verstaan. Men zal
wel moeten lezen: „Scoone bellen, ghelgc den
hivooren bellen , sach hi daer setten up een tritsoor."
BELLEMAN, znw. m. Van belle (zie ald. 2).
Omroeper. || Ghelijc men den goeden lieden ge-
woenlike pleeght te cundighen metter bellen bi den
belleman van Sente Guedelen, Belg. Mus. 10,112.
Ende sal die voirscreven belleman voir eiken per-
soen , die hi aldus becundeghen sal metter bellen,
te loene hebben tgeld van eender halven gelten
wijns, 113. Dat ne gheen belleman noch bidderse
eten en sal ten lijken . . , noch ten kinderbedde , noch
ten jaergetijden , de helleman of de biddersse en
warens op tien pond ende hare ambacht verloren
dat jaer, 7.
BELLEMUNDICH. Zie balmondich.
BELLEN, zw. ww. onz. en bedr. Van belle
(zie ald. 2de Art.). Mnd. bellen.
Onz. In de tegenw. opvatting (b.v. Sc. en Cl. 201).
Bedr. Iemand bellen, bij Kil. j. stadt-
kint maecken, d. i. (bl. 625) prodigiae condem-
nare. Eig. dus: iemand met de bel laten omroepen,
bekendmaken als een doorbrenger , een ond-er curateele
gestelde. Vgl. bij BELLE (2de Art.).
BELLEN , zw. (of st.) ww. onz. ; mhd. bellen {bal,
bullen, gebollen). Eig. blaffen, geiyk nog hd. bellen,
doch bij uitbr. ook van de geluiden van andere dieren.
Vgl. BELEN en BiLEN. || Doe ghingen die coeyen mit
den wagen briesschen ende bellen, ^. v. 1357 ,112 a.
BELLEX. Zie billen.
BELLEREN. Zie baleren.
BELLONC (bellunc), bijw. Alleen gebruikelijk
in de uitdr. in bellonc; mhd in bellung (Lexer 4 ,
174; Schmeller 1, 229). Van het mfr. bellong,
beslong, barlong; mlat. bislongus, d. 1. tweemaal
zoo lang als breed , en vervolgens schuin. Vgl. Taai-
en Lettb. 2, 210—214.
1) Als term in de wapenkunde.
a) In de schuinte gebalkt, geschuinbalkt , van
een in de schuinte liggenden balk voorzien. Vgl.
Kietstap, Wapenk, 147. Fr. bande. || Syn sciltwas
van zilver wit . . ; een baer van lazuer in bellonc,
Troyen 2140 (Fr. „a une bande de belt"). Syn
rikelicke baniere van tien stucken van kelen, van
859
BËLO.
BELO.
860
goade in bellonc eesnedeD, Grimb, n, 1793. Sgn
baniere fyne in bellonc g^ende, goet ter cuere
beide Tan gonde ende van lasnere, 4954. Sijn
baniere, die rikelic was ende diere, van lasuere
ende van gonde in bellonc dwers . . . wale ge-
sneden, 6027. Met groten banieren, daer dat velt
af was van lasnre . . ., gebanderet met goude in
belanck (/. in bellonc), Merl. 14680; vgl. 28269.
b) Van schuine ruiten voorzien^ geschninru%t\ fr.
lotangé. Ygl. Rietstap, Wapenk.lb^. \\ Vansilvere
voerdi den scilt, vgf ruten van kelen in bellonc,
Qrimb. II, 6108.
2) In het algemeen. In de schuinte ^ overdwars. \\
Daer slonch hi in bellonc teenen slaghe eenen
ruese ontwee, IX Best, 528. (Hi) geraecten op
dassel ter cure ende slouchen in bellnnc dure ,
dat beneden den gordel wtqnam, Limb, lY, 1809.
Daer Godevaerd sloech een rnese ontwe recht bel-
/ lonc, Gelre, Wapenb. 17.
BELOEREN (beloüken), zw. ww. bedr. Mhd.
beluogen. Van hoeken^ eng. to look. Beschouwen^
bezien^ nagaan. \\ En wil niet te nauwe belonken
aercheit van wiven noch besouken, Denkm. 3,
5, 111.
BELOF , znw. o. , in den dat. enkv. en in den
nom. mv. belove. Eig. stam van het ww. beloven.
a) De belofte zelve ^ al wat men iemand op meer
of minder plechtige wijze belooft. || Dus had die
coninc daer een belof van den genen die hem of
daer vore dicke waren geg^en, Velth. II, 17, 73.
Haer belof faelgierde . . , dattie van Ludeke daer
ter stede hem geloef den, IV, 61, 75. Niet lange
en leet naer dit beloef (/. belof), hi ne sciet van
mi ende ruumde thof, O VI. Lied. e. G. 471, 434.
(Hi) ginc hare an met scoenre tale, met belove
scone ende wale, Sp. I', 66, 177. Met belove,
dat ie di dede, 11^, 1, 87. Hier ommequamhem
daer of van God een scone belof, III*, 41, 57.
Van henen vort daedsi niewe belove, III", 67, 77.
Dit es tbelof van minen ghevene, Nat. BI. XIII,
148. Dat hi (Christus) tbelof der propheten hadde
vervult, Lucid. 2127. (Hi) werd . . . bedroeft om
dat belof, Lanc. IV, 669. {De ouders van Joh. den
Dooper) verbeidden sijn (Oods) belof, Lsp. III, 3,
152. Hem al quite scelaen . . van belove, Praet
334. Dat scone belof, dat grote beheet, lAmb. XI,
481. Davids rike wies talre tijd . . , want het es
Gods belof, Bijmb. 9888. Het was al sijn belof,
17844. Papen ende wethouders die houden amien
boven haer belof van trouwen, OVl. Oed. 2, 110,
98. Nootsin breket al belof. Wal. 3385. — Sgn
belof gelden, zijne belofte houden^ Rijmb.
6264. — Sijn b. houden, Rijmb. 6634, 34566;
Franc. 192 ; Vrouw. <?. if. lU , 52 , 3 ; Brab. Y. Dl. 2 ,
bl. 417; Sp. II', 13, 103. — Een belof vul-
doen, Melib. 548 var.\ Rijmb. 11744. — Een
belof nemen, eene belofte ontvangen^ Rijmb.
4138. Zie nemen. — Een belof breken, ge-
breken, laten liden, eene belofte verbreken^
Lsp. II, 49, 101 var.\ Rijmb. 16606; Sp. P, 61,
51. — Een belof doen, eene belofte^ gelofte doen^
Theoph. 559 ; Melib. 2038; Vl.Rijmk. 1617, 1520; Sp.
II » , 20 , 76 ; Gnmb. II , 5400 , 5407 ; Hild. 234 , 202 ;
Lanc. II, 3053 (Van den belove, dat hen dede Wale-
wein); Rijmb. 1960; Praet 4692.- Sijn belof
doen, zijne belofte vervullen y gestoeid doen ^ Rijmb.
7879, 7885; Lsp. III, 3, 113; Lanc. II, 43239,
Pl-agerw. 344. — Op (in) dat belof, onder deze
belofte y op deze verzekering ^ op het eerewoord. \\
Dit sekerden die Jueden te waren ende Metilius
die ghinc of entie sine, np dat belof , iSym^. 27724.
Nochtan willic an (/. in?) dgn belof ghisele ont-
faen hier of, Sp. III*, 8, 23. Dat hise liet gaen
op haer belof ende op haer eede , Stoke X , 808.
Die up anders belof tiet ter merct om te copene
yet, moet dicke keren onghecocht, Lsp. HI, 3,
231. In dbelof van deser dinc met willen ie ater
kerken ginc , i^. II», 13, 67. — In een b. stacn,
eene belofte gestand doen. \\ Dat hi wel stonde in
dat belof, ende des niet en ghinge of, Br<A. 1.
V, 4661. — Int \ii\oï zom^Xiy eene belofte op oA
nemen y iets beloven. || (Hi) quam int belof . . .,
dat hi hem sonde verraden de stat, Sp. lY*, 15,
60. — Tlant van belove, het land van belof U,
Mandev. 1 a. Dat heilige lant van belove , ald. 1 i.
= Opmerking verdient , dat in het Mnl. mg n belof
niet alleen beteekent mijne belofte ^ datgene wat ik
beloof y maar ook dat^ wat aan mij beloofd it^
zoodat men b.v. in het MnL „iemands belofte
houden^'* kan. In deze passieve opvatting wordt hikf
gebruikt op de volgende plaatsen. || Ie wille ign
belof tallen dagen houden, dat hi hem niet dar
beclaghen. Rosé (C) 3135. Hout mi vort mijn belof,
enties ne moeti niet afgaen. Wal. 3402. Dat si
hem daden syn belof, Velth. V, 29, 19. Eer sy
scheiden {l. schieden) uten hof, soe gaf hi eiken
sijn belof volre dan si op hem begheerden, Hild.
260, 87. Dus ghinc hi daer den kindren of haer
besprec ende haer belof, dat hi hem vore had be-
leeft, Velth. IV, 47, 69. God heescht sgn belof
vóldaen, Nat. Bl. III, 1968. Alse die Sassen dit
hebben verstaen, hebben si als vroede liede ghe-
daen ende hebben kerstenheit ontfaen, ende deden
Karle sijn belof, Brab. Y. II, 1048.
b) De vervulling der belofte. || (Hi) eeschtc den
joncwive daer of sijn deel ghelts ende haer belof,
Sp. I*, 62, 20. Den bisscop eyscht hi sgn belof,
II*, 24, 23. Laet mi keren nut uwen hovc te
minen campe, te minen belove. Wal. 1839.
c) De zaak die men beloofd heeft, het beloof de. \\
Noch heetet tlant van Jhemsalem, dat onse erve
es ende ons belof, Rijmb. 1726 (var. C. onse belof).
2) Eene plechtige belofte aan God gedaan ^ eene
gelofte \ lat votum (vgl. beloven, bedr. 1). ||Ten
lesten dedi Gode belof, te stane der werclt of,
Sp. \\ 66, 21. (Si) stonden haers *huweljcs of
ende daden der suverheit belof, I', 86, 7. Doch
daden si belof daer ave, waert dat hem God kint
f ave, dat sijt setten souden ende leren inden
ienst Gods ons Heren, I«, 28, 27. Daer dedi
hi {Jephta\ Gode- sgn belof, Rijmb. 7863. — Iet
int belof hebben, gelofte gedaan hebhenvan,^
Dat si altoos dor gene noot . . des aermoeden ne saeden
(/. scieden) of, die si adden int belof, Franc. 1530.
3) ledere met eene belof te gepaard gaande handeli»^.
— a) Verbond y verbintenis, overeenkomst. \\ Stadi mit
yemant in belove , wildi sgn van goeden love , so hont
hem sijn belofte vast, MLoep II, 3039 (voor den
laatsten regel vgl. onder 1 a) op het einde). Diet
brake {de trouw), daer ne ware ghene onsculde..
Josue die screef daer of in sinen boec dat belof,
Rijmb. 7056. Ten staet op gheen belof danck ende
eer te crighen daer of, Hild. 241 , 89 ; „ d. i. ei^.
y^het staat in de overeenkomst niet uitgedrukt", oi^
zooals wij zeggen: „het staat nergens geschreven,
het is volstrekt geen vereischte."
b) Eene met eene belofte gepaard gaande onder-
neming. Vgl. OELOF. il (Walewein) scaemde hen
als hi dit hoort, datter niemen was soghedaen,
die dat belof durste anevaen van sinen here dei
coninc. Wal. 108.
BELOFNISSE. Zie^ beloefnisse.
864
ËELÖ.
ÈELÖ.
862
BELOFT, znw. o. Hetzelfde als belofte^ maar
gebruikt in den zin van de vervulling der belofte
(vgl. BELOF 1 6). II Mirthoüs diese heeft vercoft,
qoam tot Pelops om 8|jn beloft, MLoep II, 2779.
BELOFTE, znw. vr. en o.
1) In de tegenwoordige beteekenis, maar in
passieven zin gebmikt. Dat wat aan iemand beloofd
vordt; de inhoud der belofte (ygl. BELOF la).
II Stadi mit yemant in belove , wilde sijn van goeden
love, 80 hout hem sgn belofte vast , MLoep II , 3039.
2) Overeenkomst , verdrag , verbond (vgl. b e 1 o e ft e
en bel o f 3). ||Ende is ewelike belofte des sonts
voer den here , D. B. Num. 18 , 19. Ende si sullen
mine belofte breken , Leuter, 31 , 16. Die mijne
belofte hondet, ie salse brenghen in m^'nen heyli-
ghen berghe, Jeeaia 66, 6. Ie sal ghedenken
myns beloften met n , Gen. 9 , 16. (Abraham) was in
beloften mit hem {God\ Jet. Sirach 44, 22. —Vandaar
de volgende uitdr. voor een verbond sluiten^ eene
overeenkomst tref en. — Ene belofte (beloefte)
maken. || In dien daghe maecte God met Abram
belofte (beloefte), D. B. Gen. 16, 18. Dat sy be-
lofte mit hem ghemaect hadden, Jos. 10, 1 {dat
zij vrede met Israël gemaakt hadden). Du en suis
mit hem ghene belofte maken noch mit haren
goden, Exod. 23, 32. ~ Ene belofte doen. ||
Want dese hadde belofte gedaen mit Abram , Gen, 14,
13 (welke Abrams bondgenooten waren). Ie sal
mitti belofte doen , so dattu boven hem allen regneren
siilt8te,II/&m. 3,21. — Ene belofte setten.||
Ie sal mine belofte (beloefte) setten tasschen di ende
mi, Gen. 17, 7. Ie sette belofte mit minenoghen,
dat ie niet mispelsen en sonde van eenre maghet ,
M. 31, 1. Si setten beloften an haer, Boec d,
Wijsh. 1, 16. Hi settede belofte den conincDavid,
Jet. Sirach ^5, 31.— Ene belofte slaen. || Si
sloeghen beide beloften (beloeften), Gen. 21, 32
Ie en slae u dese belofte niet allene, maar allen
denghenen die hier sijn, Deuter. 29, 14. In dien
daghe sloech das Josue belofte, Jos. 24, 26.
BELOFTOCHT. Zie op belooftocht.
BELOKE. Dit woord leest men op eene duistere
plaats, lAmb. II, 1062, waar een ridder op den
eisch om zijn zwaard over te leveren , ten antwoord
geeft: || Het sonde mi alle miin leven scaden,
gavic u een haer uut minen croke ende alsoe vele
te men beloke. Men zal wel moeten lezen: ende
*lsoe Tele {een vingerknip) tenen beloke, en
beloke opvatten als een znw. Vgl. ofr. belloque
(Diez 2, 361), in de bet. aardigheidje ^ cadeautje,
BELOKE. Zie het volg. Art.
BELOKEN (beloke, biloke), znw. o. en vr.
Van beluken (zie ald.), en vgL beluuc.
1) Omheining , park \ fr. eneeinte. \\ So Igd die
hage . . . ende gaet binnen den beloke , Rosé 2842.
2) Beperkt of afgesloten grondgebied^ en vervol-
gens grenzen in het alg. ; Xai.Jines. \\ (Si)makeden
suver die steenroken al omme ende omme binnen
haren beloken , Velth. IV, 3 , 21.
3) Buimte. \\ De meeste p^pe, die binden be-
lokenen van den voors. oorghelhusen staen sal,
Zri. Bijdr. 6, 346.
4) Huis ^ woning^ <^/* II Die huussoukinghe doet,
dats te wetene bin een mans belokene , die beledere
boet LX ^ . . Elc man mach hem verweeren bin
sinen belokene met alrehande wapine up sine ver-
weeringhe, Wetten^ usagien en ordonnancien van
Hasebrouck (Us.). Dat hi qnam in evelen wille
binden belokene van P. , Invent. v. Brugge 6, 81.
6) Gevangenis. WILei lach een Ridder ter biloken,
Velth. IV, 62, 16.
BELOKEN, bnw.; eig. deelw. van het ww. be-
luken (zie ald.).
1) In de uitdr. beloken (bloken) paes-
schen en sinxen (pinxten), eig. het gesloten
p€MSch- en pinksterfeest^ de octaaf van den zondag
na P. , waarop de kerkelgke viering van het Paasch-
en Pinksterfeest gesloten wordt. Kil.: Pascha
clausum; fr. la close Paques; Meyer: post
finitam hebdomadem. Zie Kausler , F/. IZt/mir.
bl. 663 en Duc. 6, 116. || Nader Octave van
Paesschen, dat men heet Beloken Paesschen , JDt'n^^.
V. Delft 22. Des maendaegs ... na den belokenen
Paeschdach, Brab. T. VII, 9991 (ook Mandev.
23a). Opten Belokenen Paeschdach, 12288. Dat men
thuwelic ende de feeste houden sonde . . te be-
lokenen Paesschen , Fl. Rijmk. 8736. Tsatersdages
binnen beloken chinxen, Rek. v. Zeel. 2, 284;
vgl. 394, waar men „beloken pin xstr en" leest,
evenals R. v. ütr. 1, 312, 186. Des Dinxedages
na belokenne Sinxen, Priv. v. Brielle 2, 23. So
dat opten beloken Paeschdach ... die gemeente
weder quam ter merct, Bxe. Cron, 167 a. Smaen-
daechs na beloken paesschen , Brab. Z., dl. 1 , bl. 782.
Twisken dit ende beloken pinxter, Leid. Keurb.
127, 2. Men sel alle jaer die vreden vernuwen
tot vier tyden van den jair, dat sel wesen {o. a.)
upten beloken paeschdach, ald. 218, 30. üp den
Belokenen Sinxendach soe hadden uut gheweest
eenighe gesellen van Gendt, Cron. v, FÏaend. 2,
183. Daer openbaerde onse here sinen apostelen
eerst, doe hi verresen was vander doot opten
blokenpaeschdach , doe hi tot hem seide: „pax
Yobis", Mandev. f. 23 a. Sdinxdaghes na den
beloken Pinxterdach, Oorl. v, Albr. 160. Des
woensdaghes na beloken Pinxter , Hs, 76 , ƒ. 38 d.
—Beloken (bloken) Paeschavont, Sinxen-
avont, de avond vóór den Zondag naP.y zaturdag
avond na P. Vgl. AVONT. || Dat sy te wercken
g^n soelen te Paeschen , te bloken Paeschavonde,
te Sinxene , te bloken Sinxenavonde , ende te Kers-
avonde, te Dertienavonde (6 Jan.) ende niet eer,
Belg. Mus, 4, 78. Saterdachs up den Beloken
Sinxen-avont quam te Gent mare enz., Cron. v.
Vlaend. 2, 146.
Aanh. Nog in het Oosten van ons land in ge-
bruik in den vorm Blokkenpaschen,
2) Van de lucht gezegd. Gesloten; zóó dat de zon niet
door de ioolken kan breken , met wolken bedekt, en ver-
volgens somber, donker. || Tusscen Hijfte ende
Ghent bilden si haer parlement in ere belokenre
nacht, Rein. I, 2269.
Aanm. Nog heden met overdracht op personen
in gebruik, in de uitdr. : er b e 1 o k e n (d. i. somber,
droefgeestig) uitzien (zie Van Dale , Wdb. i, v.).
BELONEN , zw. ww. bedr. Mhd. , mnd. belonen,
Beloonen , komt slechts zei ven voor in H mnl. , als
ook in *t mhd. en mnd. Het gewone woord was
lonen (z. ald.).
Aanm. — Belonen, Vad. Mus. 2, 212 is eene
verkeerde lezing , voor beloven (z. ald. Wederk. 2).
BELOOF (beloef) , znw. o. Van beloven in den
zin van geloven, vertrouwen (zie ald. 6.). Geloof,
vertrouwen. \\ Hier om hebben si sulc beloef, dat
hem die heer betrouwet wel, warwaert dat hi
henen sel, Hild. 168, 362 var.
BELOOFDE (beloefde) , znw. vr. Hetzelfde als
beloefte (zie ald.). Belofte , gelofte. \\ Een osse of een
scaep, die die oren of die staert of hebben, die
moghestu willichiyc offeren, mer hier mede en
machmen beloefde niet ghelden , D. B. LevU. 22, 23.
BELOOFNISSE (belofnisse), znw. vr.Van^#-
863
BELÖ.
BELO.
864
loven. Belofte^ toezegging. \\ Godsdiensticheyt is tot
allen dinghen goet ende heeft beloefnisse des
levens dat na is ende dat hierna toecomende is,
Stemmen AA. Abrahams gheslachte, dien die eerste
belofnisse ghedaen was, Ha. 76, f. 2a. Wair dat
sake, dat yemant enich geit daerroer (voor het
scAoittampf) gave . . , off loefde off dede loven , off
mit enigen saken van beloefnisse dairaen qname,
R. V. Utr. 2, 288.
BELOOFTE, znw. vr. hetzelfde als belofte
[zïe ald.).
1) Belofte, toezegging. \\ So dat wy moeten weer-
dich sijn . . . van siere beloofte seere scoone, dat
es: te commene in den trone, Amand II, 6302.
Ie sal die beloefte mijns vaders in u senden, Hs.
71, Lue. 24, 49. Die beloefte vanden eweliken
leven , Vaderb. 68 c.
2) Verdrag, overeenkomst, verbond. || In dien
daghe maecte God met Abram beloefte , D. B. Gen.
15, 18. Ie sal dien mijn belofte settenin eweliker
beloefte, 17, 7. Ende si sloeghen beide beloeften,
21 , 32. Een eedt sy tnsschen ons ende aengaen
wy beloefte, dattn ons niet qaaets doen en sels,
26, 28. Daerom oom ende aengaen wi beloefte, 31, 44.
BELOOFTENISSE, znw. vr. Van beloven. Het-
zelfde als het nog gebruikelijke beloftenit {Ev. Gez.
182) , doch gebruikt in den zin van verdrag , overeen-
komst. Vgl. BELOF 3); belofte en beloefte. ||
Dat nyemant . . van hem geenerhande beloeftenisse
ofte schuit, die men hem aentien mach, ofte be-
tuygen en sal oft verwinnen anders dan mit
schepenen, Nijh. 1, 235 (a. 1328).
BELOOFTOCHT (beloftocut, -tucht), znw.
vr. Van beloven in den zin van verzekeren, borg
stellen (zie ald. 2). Belofte , verbintenis. ||
Gheviele dat ie of mine nacomelinghe enich van
desen . . . beloeftochten ende voerwaerden . . .
brake, Oorkb. 2, 470 « («.1298). Beloeftochten
ende voerwaerden in enighen ponte, ald. Alle
voerwaerden ende beloeftochten, die voerscreven
staen , ald. b. Zine borghen ontsleghen vander
borchtucht ende beloftucht, die hy over hem
ghedaen hadde, CoiU. v. Briigge 1, 675. Hier
omme wildi (God) sine belooftucht vervullen
ons der mede te leerne, dat wi onse belovinghe
alle weghe in goeden dinghen vulbringhen sullen ,
Hs. V. 1348, \bd. Na sine belooftucht siin wi
ombeidende, ald. .34 a (II Petr. 3, 13). Eene per-
soone ten steene bevolen met een compulsoire
jeghen een vrouwe omme beloftuchte van huwelicke,
Invenf. v. Bntgge 2, 332.
BELOOP, znw. o. Eig. st^m van het ww. be-
lopen (zie ald.). Mhd. belóp.
1) In de tegenwoordige beteekenis van loop, gang;
in de uitdr. : i e t s op sijn beloep laten staen,
iets op zijn beloop laten; eig. iets den loop laten
nemen, dien het wil; den l-oop van eene zaak af-
wachten, ergens niets aan fi?o^. I| Dat laet ie staen
op sijn beloep, Theoph. BI. 82, 271.
2) In de uitdrukking na den beloep, die eig.
beteekent naar den omvang, de uitgebreidheid (vgl.
Lubben 1 , 226 b) , en vervolgens naar evenredigheid,
pro rato. \\ Wat lakene men vindt te cort ghe-
crompen na den beloep . . ., dat sel weseu tot
sgerechts correxie. Leid. Keurb. 76, 34. Wês si
corter {laken) leveren dan 40 of 20 . . , dat selmen
den coman ofcorten in minringhe van den ghelde,
na den beloep, ald. 105 §2. Dat en yghelijc, die
tot hondert pont . . ghegoet sijn , gheven sal acht
pont, ende die beneden hondert ponden ghegoet
siin , die soelen daer nae gheven nae den beloep ,
Nijh. 3, 43 (a. 1377). Rede goet ende coepsclut
dat salmen deylen na beloep des elc daer mit
rechte an heeft, Stadr. v. Zwolle 130, 227. Ni
beloop der erfnis die na verervet were, ald. noot.
Wie te licht broot bieke , elc na zinen beloep off
gay ment, verbuert XV se, O. K. v. Bott. Zb , 1(}&.
heen poirter meer te gheven te maechgelde ran
dootslaghe dan dat afterzusterkint V se, ende
dair(?) na zijn beloop, ald. 19, 35. Na beloop des
wyns, dye hy tapt, Schwartz. 1, 564, 119. Den
clerck (sal hebben) nae beloop zijn* schryrens,
O. K. V. Dordr. 2 , 267. Die heelc witte lakene
zal men vullen op 32 ellen lanc ende die halve
witte lakene na dien beloep. Voirt alle ander hcele
lakene te vullen op 32 ellen lanc ende die balve
lakene na dien beloep, O. W. v. Amst. 51, 61.
3) Omvang, uitgebreidheid. \\ Dat wi vercoft
hebben . . eenen moerdyc . . met alle horen be-
loepe , Mieris 2 , 353 a {a. 1325). — In de be-
paalde bet. van af deeling, fr. section, wordt bet
woord vermeld , Invent. v. Brugge , Int. 356.
BELOPEN , st. WW. bedr. onz. en wederk. Mbd.
belopen. Met dit werkwoord kan in vele opzicbtm
vergeleken worden het ww. begaen, waarmede bet
vele beteekenissen gemeen heeft (z. ald.).
Bedr. — 1) In den zin van het tegenw begaan, ie-
drijven, van slechte daden gezegd. || Daer men die
souden in becoopt, die men in dit lijf beloopt, -ifc/.
VII, 609. Het es groet ongevoech, dattie kindere
dat becopen, dat hare vorders hebben belopen, II,
968. Dat onrecht, dat op Europen dicwile es be-
lopen , 973 ; „ het onrecht, dat jegens E. is bedrepf,
dat Europa is aangedaan.'''' Kets onrecht dat alt Tok
becoept, dat clene menichte beloept , 5f>. I' , 54, 1.
2) Het transitieve loopen, zóó loopen, dat meo
iets bereikt, inhaalt. Vandaar bereiken, inhalen.
a) Met een persoon in den 4dennv. ^rii/wAa/»,
inhalen , vangen , machtig worden , in handen krijgen.
II Daer werd somich gewont van den Fransoysen die
si beliepen, Velth. IV, 54, 34. Dabt ende andre
XX ende viere sijn in cysternen geslopen, maer
doch so wart die abt belopen, Sp. IV* , 55, 68.
Can ie en te velde belopen , ie wane wel , hi saelt
becopen, Ferg. 45. Hi . . soude met sinen sweerde
Boelande beloepen beerde, Roel. II, 43. Mer die
COC heeftet vernomen ende beliepen eer hi ontquam,
Rein. II , 7468. Ie sout diere becopen , mochtc bi
mi daer meer belopen, Bose 3212. Dat hijt sonde
becopen, opdat hine mochte belopen, ii?rr. II,
4454. Dat si souden ... al verslaen dat si wonnei
ende dat si belopen connen, Stoke IX, 1032. Eoe
warf wart hi uptie gracht bi avonture daer b^
lopen, Rein. I, 348. Die hem dicke sullen doen
pant, daer sise moghen belopen, Lsp. IV, 1, ^'
Beliep hine daer, hi haddene vermoort, A)«*.
10406. Wat Renout met sijnen staf beliep, sloe^
hij doot, Ileemsk. 172. Mochte hi den waterconioc
upt velt belopen, hi souden soe inden stride mit
hem ommegaen . . . , dat men eweliken daer of
spreken soude, Clerc 104. — Ook in verbindinf
met andere gelijkbeteekende werkwoorden. || Mea
hadde u heden in onsen baren belopen connen noch
bevaren, Cass. 1201. Uwer kinder doot selen «i
becopen die wy beriden of belopen , Grimb. U , 3714.
b) Met eene zaak als object. — o) Iets bereHfn-
II Mocht hi die feeste daer belopen, hi sonde
sijn goet daer wel vercopen, Flor. 1780; „indies
hij het feest nog y,haalde ,'''' bijwoonde, nog tij^i
genoeg kwam voor het feest." Die ettinghcn na
sprosts couteren die de plouch niet en beloept,
waar de ploeg niet komt, Gendsch Chtb, 54.
1
'I
86^
BELO.
ÈELO.
860
f) Vooral verbonden met den 4den nv. een er
zaak, die men wenscht of gaarne heeft. Verwerven ,
verkrijgen^ bekomen \ vgl. ons ophopen, \\ Al die
have die si ghinder belopen mochten , Rijmb. 1619.
Vader no moeder ne hopen dat si zullen ander oor
belopen, Franc, 8456. Grave Lambrecht was in
der hopen, dat hl den zeghe soude belopen , j^. IV',
37, 29. Can ie beloepen marteleren lichamen oft
^ecoopen, vrouwe, ie salse bringen hare, 11^,
13, 33.
^) Somtijds ook met eene ongunstige, onge-
wenschte zaak in den 4den nv. Zich op den hals
halen. || Die geenre genaden en hoept, hem en roect,
wat dode hi beloept, Alex, VII, 303. Vgl. onze
gemeenzame uitdr. iets ophopen.
d) Ook wordt belopen gebruikt in den zin van
ontvangen^ aannemen^ in de uitdr.: kerstendoem
(doopsel) belopen. || Bes keysers dochter . .
ehenas al ende heeft beloepen kerstendoem ende
dede hare doepen, Sp, II*, 35, 50. Bat si tdoepsel
so hebben beloepen, dat mense anderwerf niet en
sal doepen, II*, 3, 47. Vgl. over deze bet. be-
grip en 3), kol. 718.
e) Ook iêtt bereiken voor een ander ^ bewerken^
veroorzaken^ zoowel met eene gewenschte, als
met eene onaangename zaak in den 4den nv. ||
Twee coninginnen maecten si doe, die hare orbare
souden belopen, Sp. I», 38, 67. Boe dede hi vallen
op hare bi nachte dat huus boven daer si in sliep,
also dat hi hare doot beliep, II',8,48. Bit beliep
ende bewerff hem Lysania sgn neve. Fase. Temp,
62r (ook 63r).
d) In v^andeiyken zin. Aanvallen^ aantasten. ||
Dat men daer bat belopen mochte Barise ende sijn
gewelt dan buten op dat breede velt, Ahx. II,
612. Siere ridders een groot deel waren belopen
inden start, Stoke III, 460. Want hi Eduwaerde
met gewelt beloepen waende op dat velt, Edeio,
705. Bat hi belopen sal die stat, Sp. 1% 30, 24.
Dien hadde Soliman belopen, IV', 15, 24. Omme
te siene oft si connen die kerstine belopen buten
mure, IV*, 16, 22. — Ook met eene zaak als
ondw. Lastig vallen^ kwellen^ pynigen. \\ Ëntene de
derst COC so beliep, dat hi lude na Fransojse
riep, Franc. 3943. Wacht wel dat dat coude niet
belope den siecken , Jan Yp. 92. Soe waer dat de
wind beloept {komt bij) dat bloete been, 60. Zoo
ook 73.
e) Door kracht van redenen voor zijn gevoelen
vfinnen^ iemand overhalen^ inpakken. || Reinaert
sach den coninc belopen , ende wart blide in sinen
moet, B£in, I, 2518. So dat hi {Wolfram) den
Hertoghe Rabbode van Vrieslant so hevet belopen,
dat hi hem wilde doen dopen, Stoke I, 152.
— Ook met woorden vangen ^ verstrikken. \\ Bie
coninc wanedse in dien beloepen, Sp. 11^,3, 104;
lat. y^argumento comprehendere?''
f) Overwinnen^ in het nauw brengen ; laX.domare. \\
Hier omme vielen si {de Carthagers) in wanhopen,
alsi dus waren belopen, want si verloren saghen
de stede, Sp. I*, 54, 43. Bie Sassen hebben
gedaen alse wise lieden, die waren belopen, ende
hebben hem gedaen dopen, III", 86, 10. Bat gi
niet en sult wanhopen, al hevet u daventure
belopen, Alex. V, 741. Bie minnentlike dwanck
beloipt den (/. die) mannen wail soe zere als
vrouwen, ende bg wilen mere, MLoep I, 1162.
— Belopen van wine, door wijn ontzenuwd^
krachteloos geworden] lat. vino domitus. || Bie
kerstine van den Sarrasijnscen wine beloepen waren
harde vele, ende vielen in dorperen spele metten
Sarrasynscen wiven, Brab, T, II, 3706 {Sp, IV»,
24, 99).
g) Onverhoeds aanvallen, overvallen. Met een
persoon of zaak als onderw. || Si wachten al dien
nacht dure , al gewapent . . , dat sise niet belopen
ne mochten, Zanc. II, 34233. Hen hadse belopen
. . en hadde die vrouwe van Lac gewesen , 33907.
Bat si waenden belopen den coninc Artur . . binnen
sinen paulione , IV , 6210. Alsi waren slapen ghe-
gaen , heeft se ülixes also belopen , dat syt
alle moesten becopen, Trogen 9950. So dat hise
in ghenen moede mach belopen sonder hoede,
Nat. BI. V, 527. Bat water . . .beliep die luden
tot veel steden in hare husen, Matth. Anal. 3,
404. Want hem de nacht beliep , Heemsk. 168. Als
si inder processien ghinck . ., wert si mitten
baren belopen . . ende bairde dair ende bleef doot,
Exc. Cron. ISSd. Op een ander tgt . . wort hy
opten weghe vanden duusteren nacht belopen, Es.
88 ƒ. 23b. — Thans nog in gebruik in de uitdr. :
door een storm behopen worden.
h) Met valsche redenen aanvallen, verleiden, ten
val brengen, bedriegen. || Bie duvel die en vant
wech no sake, tijt no stonde, dat hine belopen
conde, Sp. V, 73, 20. Hoe si bedrieghen ende
beloepen elc andren met loeser spraken, N. Doet,
1717.
»') Tref en, raken, en in fig. zin: iemands gemoed
treffen, indruk op iem, maken, hem aangrijpen, \\
Vix justus salvabitur . . . ; dit woort heeft mi so
belopen , dat goede hope mi es ontslopen, Praet 4858.
3) Omgaan , omhopen , met den klemtoon op het
voorzetsel, rondgaan, rondhopen, en vervolgens
onderzoeken, nahopen. || Mundus, die here, dietal
beliep, Sp. V , 3, 42.
4^ Omgaan , omhopen, met den klemtoon op het
werkwoord, omgeven, omringen, \\ Baeromme maecty
grachten diep ende ene haghe, diet al beliep,
Troyen 10415. Bie linde stont in een vrijthof,
mit enen mure al omme belopen, Wal. 5102. Bie
stat hebsy belopen schiere mit eenre muere scoen
ende diere, wel ghetoernt ende ghepoert, als te
sulcker dinc behoert , Troyen f. 232 a. Coninc Jarba
vercoft mynre vrouwe also veel lants, des hefthy
rouwe, als hy mocht uyt ende uyt belopen mit
eens ossen huyt; dien deedsy al in riemen sniden
ende belieps ten selven tyden eenre mylen omganc,
f. 254 c, — Ook in fig. zin. Omvatten, Vgl. BE-
GRIPEN. II Bit hevet 5 Syten belopen, Sp. III*,
17, 20; „dit alles omvat, bevat Scythie."
5) Doorloopen , met den klemtoon op het werkw.
a) Doorkruisen, van het eene einde tot het andere
doortrekken. \\ Bat hi {Alexander) winnen soude
ende oec belopen Asien al ende oec Europen, Sfp,
1% 4, 11.
b) Van eene rivier gezegd. Door hopen, dooT'
sneden. || tLant belopen met ere rivieren, dat Ama-
sonia es ghenant, Nat. BI. 1, 176.
6) Over iets hopen. Meestal gebruikt in het
passief. Met eene bep. met met of in.
a) Eigenlijk gebruikt van vheistoffen. Overloopen,
bedekken, overdekken. \\ Alsoe verre alst beloopen
heeft dat etter, Jan. Yp. 101. Ghi die hinct naect
aen tcruce, ende sere besprinct ende belopen met
uwen bloede, Vil Worde {Ferh. II KI. Inst. 6*,
46, 75). Vgl. onze uitdr. met bhed beloopen, en
beloopen oogen,
b) Figuurlijk ook gebruikt van zand. Met zand
(of aarde) overdekt, bedekt. || Baerof datter be-
loopen es ende te niete geg^en zyn mitten duynen
die verstoven zyn, wel 50 mergen, Inform.AÜ,
28
Ö67
6EL0.
ÊELO.
m
Den Yoorseiden zeedijc viye roeden met aerden
belopen alsso hooghe ende also breet boven als
den goeden lieden . . . goet dincken soude, ZFl.
JSijdr. 6 , 374.
c) Overdrachteiyk. In iets verzonken^ vervallen
tot. II Omdat soe was Arriane ende in ongelove
belopen, deedse die coninc dopen, Sp. III*, 43,
64. Die Joeden die belopen al toes sijn in wanhopen,
Bijmb. 31117. Yaspasiaen die ward belopen om
dese dinc in wanhopen, 28653. Ghelikerwijs alse
siden bi Loths tiden die vyf steden belopen waren
met dorperheden, 25656.
7) Het is belopen, het beloop der zaken ^ de
loop der gebeur tenitsen ie van dien aard geweest^
het wat te voorzien. Ygl. ons znw. beloop en het
loopt er op oï het loopt er op uit. \\ Daventner en
willes niet, dat die dinc aldns ghesciet; langhen
tjt ist belopen , dat Asia ende Enropen onderliughe
souden stryden , Troyen ƒ. 36 b,
Onz. — Een bedrag uitmaken^ bedragen. Vgl.
onze uitdr. „dat beloopt honderd gulden". ||
Offte dat scot so hoge niet en belepe, als Diric
hebben sall, dat de buerrechters dat scot dan dair
na setten, dat Diric sine betalinge kryge; belepe
dat scot hoger, dat se dair dan rekenscap van
doen, Warfsconttit. 93.
Wederk. — Met de bet. van het onz. ww. ||
Alsoo vele goed es uut Meynoltes goede toe bruijcken
voor sijnen schaden . . , als sich de schade be-
lopen mach, WarfMConetit. 2.
BELOBTSEN, zw. ww. bedr. Van lordten of
lorsen ; bij Kil. trahere'.y g\. Oudem. 4, 193, en het
aldaar genoemde lorden en ontlorden. Beet pakken^
vasthouden^ in zijne macht houden. \\ Dat sijt be-
lortsen in allen siden so wat si crighen metier
hant, ten mach hem ontsitten noch outrijden, Sp.
d. J. 326. Vgl. VS. 321: Lortsers^ flortsers, die
zyn op die baen, lieghers, bedrieghers , die houden
tlant.
BELOVEN, zw. ww. bedr. en wederk. Mnd.
beloven; mhd. beloben. Van loven; zie ald. en vgl.
Taal- en Lettb. 2, 18.
Bedr. — 1) Eene plechtige belofte^ eene gelofte
doen; lat. vovere. || Die scrifture . . die seget:
belovet ende geldet dan, Sp.\* ^ 35 , 33 (lat. rot;^^^
et reddite. Het object, inhoudende datgene, wat
men belooft, is in het Lat. zoowel als iuhetMnl.
weggelaten). Bi di selven ongeleert, belovestu eerst
suverhede, I*, 38, 64. Ist dat yemant beloefteen
onsuver beest, die men den Here niet offeren en
mach, D. B. Levit. 27, 11. Ist dat hij den acker be-
lovet heeft te hant van dien jaer dat jubileus begint,
ald. VS. 17. — Ook in rechte. Zich tot iets ver-
binden. II Wil dan die ghast onsen scepenen dier
zaken beloeven, so zoelen die scepeue mechtich
wesen onses burghers ende en wolde die ghast
dier zaken niet beloeven onsen scepenen , so mach
hl {alleen) dien dach bliven binnen der stad,
Stadsr. v. Zwolle 58, 34. Belovende Lievin van
Melanen , Thomase Rencwel ende AVillemme Stoffort,
Invent. v. Brugge 4, 203 (vgl. 204: borchtucht^
Aor^^).— Dingen up beloefde Yi^kni^ aanspreken
onder kennisgeving , dat er eene gerechtelijke ver-
bintenis bestaat. \\ Waert dat yemant dinghede op
beloefde hant of op kennisse van scepenen. Dingt.
V. Delft 14. — Ook in de uitdrukking een wort
beloven, eene gelofte doen. || Beloof den Gode van
Israël, gheeft hi di die coninccrone, te makene
sinen tempel scone . .; dit wort beloofde Darius,
BAJmb. 17768.
2) Eene plechtige verzekering geven ^ verzekeren^
aanzeggen (vgl. BELIEN, 5).^| „Mijn vrient sil doen
dat hi behiet "; tier selver wilen enter stonde ibe
hijt belovede metten monde quam dander Iosmq
sinen pant, Sp. V ^ IS ^ ^2 (van Damon en PipUiasi
(Hi) behiet hem ende beloefde, dat hi hemtkoeft
af soude slaen , hine lyede verwonnen saen , Lont.
II , 4538. Entie sine ghebode braken beloofde hi
. . meneghe maledizie swaer, Rijmb. 5438. Ie
rade ulieden, dat ghi . . nedercomt tot mi . .,
oft ie belove u by mijnder crone . . snlc vier te
makene, dat ghi van den roeke versmoren nlt,
Cron. V. Vlaend. 1 , 63. (Judas) belovedet of Ter-
sekerdet , ^«. 71 , Luc. 22 , 6. — De onb. wps als idy.
gebruikt. Verzekering ^ het zich zelven iets behn»,
ernstig voornemen. \\ Nu wilden dese XL den wech
gaen , daer men hem dede ane verstaen, dattie rovers
die liede roven, dit wasdaer hare alre beloven, de/
namen zij zich plechtig voor^ Velth. Il, 4, 27.
3) Loven , prijzen , goedkeuren (opp. laken). VgL
LOVEN. II Benadab beloefde horen rade ende dede
also y D. B. l Kon. 20 , 25. Yemant .. die ter
laister schouwe belaevet weer van den heijmnedeo,
Overijs. Recht. II', 17.
4) Danken; eig. zijne goedkeuring aan iemaai
t4 kennen geven. Vgl. het wederk. hem heloten en
het gelykbeteekenende hem bedanken. || Dat God
hem, die tsakerment ontfeet, dies danct ende beloeft,
dat hi sinen lichame ontfinc hier inerterike, ^di.
Mus. 2, 431.
5) Gelooven^ toevertrouwen ; lat credere. \\ (Joseph)
bestuerde ende beleide dat huys dies hem belovet
was, D. B. Oen. 39, 4. Also wi van Gode Jh^
proevet sijn , dat men dat ewangelium ons belovede,
also spreken wi, Hs. 75, I Thess. 2, 4.
Wederk. — Hem beloven.
1) Met eene bepaling met van (somtijds ook eea
2den nv.). Iemand of iets prijzen^ loven ^ roeme*,
zijne tevredenheid over iemand of iets uiten ^iemeMi
verhejfeny iemands lof verkondigen {\^.l^^.'ii)'^
Daer oec die coninc scone gichten gaf, daer heA
die heren beloveden af; ende beloeftlea si hem iet
alsoe van sinen gichten . . , si beloefdeu hem nock
also sere van der coninginuen , die . . gaf deder
vrouwen ende joucfrouweu, Merl. 28443. Icsülmi
oec proeven soe wale, dat alle die mi bestaen te
male . ., u alle selt beloven van mi ende prisea
selt ende sere loven , limb. 1 , 1533. Wi selen soe
vele eren doen hare , dat si hare al oppenbare van ob>
beloven vor (lat. coranC) u sal, alse ghi comt, 1601.
Dat ie hare tenegher stad moete dienen, soe dit si
hare moet beloven van mi , VI , 14. Dese twee pointa
{vroescap en vriheit) behouden de stat in znlker
eeren, wie daer in comen of verkeeren, in alla
plaetzen sijs hem beloven: danc hebbe de gruie
Gods van boven, OFl. Lied. e. ö. 486 , 208. Eenei
den vriendelicsten man, van hem ie mi te vnlleo
eau in deuchden nemmermee beloven, 469, ^\
^ nooit zal ik zijne goede hoedanigheden penoiy
kunnen roemen.^^ Die hare sere belooft van n ende
van der eren die ghi hare hebt ghedaen, Ztsii-in,
452. Hi ware die hem beloven soude vin her
Echites emmermere, woudi hem gheven na die
ere, VIII, 1322. (Si) selen hem beloven vannic
meltheit in eiken hove, XI, 609. Inne canmiiiei
beloven van der eren (ik kan niet genoeg roeme%if
eer)^ die ghi mi hebt ghedaen, Limb. XII, ^
(gedeeltelijk aan de var. ontleend). God looe i?
uits wel ghedaen ende des sal hem in allen hovn
met rechte, hopic, mijn here beloven, Lorr.\^^
2733. Dies machtu di van mi beloven, Piv|
4252. Alsic te sere bem verladen soe stien ui -
86Ö
fiELO.
ËELÖ.
87Ó
dese twee in staeden, daer omme beloyic mi
meest van hem , Cois, 1607. (Si) beleefden hen van
van haren wert sere, dat hi hen hadde ghedaen
grote ere, Lanc, II, 27736. Si beloefden hem sere
daer af, dat hem die van Logres . . ere deden,
33792. Dat si bat sculdech te dagene ware van
mi dan te belovene hare, III, 3219. Doet soe van
desen kinde nu, dat hem dit conincrike van u
beloven moge ende tkint mede, lY, 9291. Daer
hem soe af beloofde onse Here (iPonour de cui
Dies »e vanta)^ IUhcI, 1265. 6i moget gereet ver-
dienen . ., dat hem God sal beloven sere, eé/ay
Dieu de ton dan vanter (coupl. 108), 1266. Doe
belovede hem onse Here van dies mans ghelove
Ruusb. 3, 182. — Ook met een afh. zin met
caasalen objectssin met dat. || Mine vriende die
müns scande ghehadt hebben, selen hem beloven
dat ie ghebetert bem, Litnb, IV, 604. — Eene
enkele maal beteekent hem beloven niet prijzen,
roemen, maar zich beroemen op, Ygl. beiiën en
hem eenre dine èeliën; ons danken en het Mnl.
hem bedanken van\ ons loven en het mnl. hem
beloven van, \\ Van meer maghic mi beloven: ie
cusse vrouwen ende joncfrouwen, Eeopet XL, 8.
2) Met den 2den nv. of het voorz. van. Zich ver-
heugen over\ tevreden , in zijn schik zijn met iets ; reden
van tevreden Aeid hebben, \\ Daer bi bleef hi des strijts
te boven ; des mocht hem alsoe wel beloven van Bra-
bant her Godevaert, Heelu 8661. Ie wille dese saken
op mi nemen altemale, ende doense u betren also wale,
dat gijs u selt beloven, Lorr, II , 4583. Da venture,
diet al geeft ... es verbolgen so op mi, dat ie
en weet mi wies beloven, Hein. Bijl, 290, 22.
Dats ene dine , dier ie mi belove, dat gi van Artnrs
hove sijt, Lanc. II, 2820. Dat hy s hem beloven mochte,
dat {de speer) hem wel diende sonder breken,
30311. Het {het paarcT) lichte hem ende spranc
boven, des mochtem Walewein wel beloven , 40007.
Walewein mochts hem wel beloven, dat hi sijn
goeAe ors adde bescreden , Wal, 734. Die hem dies
belovede sere Sp. III*, 60, 46. Ie machs mi be-
loven wel, Cass. 1543. Souds hem elck man wel
beloven, Hild. 23, 168. Syns loons sel hi hem
wel beloven, 104, 78. Zo moghen zij hem beloven
wel vanden spele, Vad, Mus, 4, 119,8. Soe eerliic
besteldi sconinx dine, dat (/. dats) hem wel belove
(/. belovede) die coninc, Limb, V, 1747. Ie sal
mi proeven soe wel , ghi selens (/. seles) u beloven,
VI, 753. Dat ie in dinde van minen dagen mi sal
beloven echte daghen van minnen , ge me voil loer
OU blasmer de bien aimer, Rosé 3176. — Later ook
met 4den nv. in plaats van den tweeden. || Die wert
die ghinct hem sere beloven , Frouio, e. M. II , 67.
— Somtyds ook absoluut gebruikt. || Op een tijt
so was daer ghehovet, so dat een yghelic him
belovet, MLoep I, 619. Si beloven hem harde
sere, ende comen gheme, sem mine ere, Limb,
V, 542. — Ook met een afh. zin met dat. || Ie
(God) sal mi belonen (/. beloven) , dat hi (de mensch)
vol vult heeft die weelde mijns herten, Vad. Mus,
2, 212. — Met eene ontkenning verbonden staat
hem beloven volgens Mnl. spraakgebruik in
kracht geiyk met eene sterke bevestiging en be-
teekent dufi groote smart, droefheid, de treurige
gevolgen van iets ondervinden. Kil, sich quaelick
beloven, dolere,\\'Rei (het herbergen) sal sijn in
suiker maniere, dat gijs u en beloef t nemberm ere,
want gi sulter om sterven eere dat gi van hier
«uit moegen ontgaen, Lanc. II, 17345.
3) jian iemand zijne dankbaarheid betuigen,
iemand dankbaar zijn voor iets (vgl. bedr. 4). De
persoon , wien men dankbaar is , wordt uitgedrukt
door eene bepaling met van; de zaak waarvoor, èf
eveneens door eene bepaling met van, 6f door den
2den nv. der zaak óf door een afh. zin. || O edel
wijf, dies moetic mi ewel^c van u beloven, £sm,
540. Doet verstaen, dat ie mi van hare sere be-
love yander feesten, die si in haren hovemidede,
als ie daer was, Lanc, II, 9924. Mi en was inde
stad niet ghedaen dan al goet ende alle ere, dies
ie mi belove sere, Limb, II, 878. Woudi dit dor
onse bede doen, vri souden u danken mede, ende
wi soudens ons beloven sere, Velth. V, 49, 19.
Ie belove my van u allen , dat ghi my dicke hebt
wel gedient, Heelu 4706.
BELO VENEN , zw. ww. bedr. Freq. van beloven,
Beloven, toezeggen, || (Si) hebben belooft ende be-
lovenen te zamen . . met gheghevenre trouwe ende
met ghezworen ede ten heylighen , Oor kb, 2 , 502 a
(a, 1299).
BELOVINGE, znw. vr. Belofte, toezegging, ||
Die tijt der belovinghe naecte, die God Abraham
belyet hadde, Hs, 75, Hand, 7, 17. Guedertieren-
heit is tot allen dinghen guet , hebbende belovinghe
des levens dat nu is ende dat toecomende is,
I Timoth, 4, 8. In welken God die onbeweech-
licheit der belovinghe sijns rades den erfnamen
overvloedeliker openbaeren woude, Hebr, 6, 17.
Waer is die belovinghe of sinen toecoemste, II Petr,
3 , 4. Zoo ook Hs, v, 1348 , Ibd, — Zie beloof-
TOCHT
BELSEMCRÜÜT znw. o. Bilzenkruid, Vgl.
BELSENSAET OU BEELDENSAET. || Ghelijc eenre
bloemen die wast op belsemcruut, Ruusb. 1, 236.
BELSENSAET. Zie beeldensaet.
BELTOORBOOM (?). In den Navorscher van
1866, bl. 344 worden allerlei soorten van vrucht-
boomen opgenoemd, als kerseboomen,peereboomen en
ook beltoirboeme.
BELUCHTEN, hetzelfde als belichten (z. ald.). —
In het bijzonder. Een licht, eene kaars voor een
gestorvene laten branden, als kerkelijke ceremonie.
Vgl. enen belichten. || (Si) sullen oec mede
onse anderen, die mit hem begraven ligghen . .,
beluchten mit tween lampen bomende aJle wege
beyde nacht ende dach, Ngh. 1, 342 (a, 1335). —
Vgl. hd. beleuchten en ons znw. luchter,
BELÜDEN, zw. ww. bedr. Mnd. beluden, be-
luten ; mhd. beliuten , hd. belauten, — l)Enen b — ;
de klok voor iemand luiden, vooral voor een over-
ledene, hem uitluiden, || Item zo en zullen niet
meer dan 25 menschen gaen enen dode te beluden ,
O, W, V, Amst, 37, 7. Zo en moet nyemant enighe
vreemde doden beluden , . . anders dan die coster,
ald, 8. Die coster zal hebben van eiken vreemden
doden te beluden twee Hollantse grote , ald, Nyemant
en moet dode beluden in den toirne van der groter
kerke , die wile dat die priester upten predicstoele
staet om te prediken . . , by 20 se. denghenen die
eerst lude, ald, 9.
2) Iet beluden, de klok laten luiden bij gC'
legenheid van de eene of andere plechtige handeling,
tot meerdere bekendheid van het feit, Vgl. iet
belichten. || Want hi die husing mit gheaen
ruminghe ghewonnen en heeit, noch die husing
niet en heeft doen beluden ter clocken, doe hem
die ëyghenscap van Ghisebert van der Horst over-
ghegheven wort, B, v, XJtr, 2, 147. Zoo ook 242,
250, 252.
BELÜDINGE (beluydinge), znw. vr. Het luiden
der klok bij de eene of andere plechtige handeling
(om daarop cpmerkzaam te maken en er zoo openbaar*
/
/
m
BÈLÜ.
6ELU.
872
Aeid aan te geven. \\ Na der overdrachten des raets
cnde der beludinge der stat van Utrecht, R. v. Ütr. 2 ,
210. Die overdrachte ende beludinghe ende waerin-
ghe, die de stat van Utrecht fhedaen heeft,
211. Dit sel men tot eiker beludinge voir der
scepen hnys . . . nnthangen, 243. Ist dat die
eygenscap belnyt ende nutgehangen wert, 243.
Eygenscappen , . . die ter clocken niet belnyt
noch nutgehangen en waren ^ ald. Als der scepen
clerck sijn cedell van der beludinge uuthanget
voir der scepen huys, 2öO. Dairoff sel der scepen
klere hebben van eiker beluydinge enen ouden
boddrager, 262.
BELUE. Van het Lat. bellna. Groot ^ monster-
achtig dier. \\ Dat in die zee van India sijn beluen
van live so groot, dat si doen risen selke baren
alse ofte grote zeestorme waren. Nat. BI. IV, 86.
BELUC , zoo de lezing zuiver is , andere naam
voor de belie of beUe^ het beUeruaet^ bilsenkniid,
lat. Ayoseyamut; Nat, SI. X , 294 var. Zie beklden-
SAET.
BELUKEN, st. ww. bedr. (belooc, beloken).Y9.n
luken (zie ald.). Mnd. beluien; mhd. belüchen.
1) Sluiten^ dicht doen, toesluiten. || De man telen
moeten sijn . . beloken ende niet open, Diericx,
Mem. 2 , 35. Sinter dat ie desen boec liet ende
beloec, Brab. Y. V, 9501. Lettel {kindtren) vint mer,
die wel sproken eer hem die monde {de hersenpan)
Was beloken. Nat. BI. I, 21 (lat. „donec fonti-
culus . . in occipite . . desiccetur"). Die gracieuse
borch vorsproken die was so meesterlic beloken,
OVL Lied. e. O. 256, 688. Noch staet die porte
al beloken van paradyse ende oec besloten , L. o. H.
143. Cume was beloken die wonde , Alex. IX ,
1045. Die doren waren beloken omdat si vruchten
der Jueden stoken, Rijmb. 26901. Daer waest be-
loken met cortinen, 4851. In dire avontstonden
van din sondaghe, alst spade was ende de doeren
beloken waren, L. v. J. c. 240. Alle die woerden,
die dn spreecste in belokenen doren , D. B.W Kon.
6, 12. — Ook in de absolute uitdrukkingen (vgl.
Tijdschr. 2 , 190) : — Belokenre ogen, met ge-
sloten oogen , Velth. VII , 16 , 62 ; Sp. II« , 57 , 40 ; 61,
31. — Belokenre dore (dure), belokenen
doren, Rijmb. 13185, met gesloten deur, terwijl
de deur gesloten was. || Doe quam omtrent der noenen
ure vore hem Faulus belokenre dure , Sp. II * ,
20, 35. Vgl. beslotenre duere, -S/?. I« ,38, 18.
2) Omsluiten in eigenlijken zin.
a) Met den 4den nv. der zaak. Besluiten, om-
geven. II In een vel beloken altemale dicke ende
stare ende wel behoet. Nat. BI. III, 1996. Den
telgh van enen boeme, die wille staen in goude
fijn ende in die hant beloeken sijn, XII, 1288.
(Si) heeft hare hande ontploken; die bloeme die
daer in waren beloken, die besach se alle drie,
Belg. 3fus. 1, 329, 101. Hets sulc in muer be-
loken , hi sonde node tegen u stoken orloge , waer
hi op een velt, Velth. V, 21, 21. Al sati in
enen muer beloken, die stalen ware, IV, 10, 56.
Alse of si {de plaats) beloken waer met enen
mure, VIII, 11, 13. Een scone pare, dat was be-
loken in ere mure , Rein. 1 , 334. Die bosch stont
bin enen mure beloken, Sp. I**, 48, 13. In eene
clene graf beloken, Theoph. (BI.) 38, 24 var. Sy
besetten al die toppen vanden berghen, ende si
beloken haer weghen mit muren , J). B. Judtth 4 , 4
{circumdederunt vicos suos muris. De vertaler heeft
dus blijkbaar vias suas gelezen in plaats van vicos
suos). — Ook in de bepaalde opvatting van in de
(tarde^ in een graf besluiten, begraven. \\ Uweren in
die eerde is hi beloken, Vod. Mum. 4, 429, 26.
Zijn siele, daer derde den lichame had beloken
af, 2>. ITar. 3, 163, 199. — Ook in de uitdruk-
king beloken hebben, besloten houden, owtvai
houden, vasthouden. \\ Ie hebbe mgn cmnt ver-
loren dat ie hadde hier t« voren beloken tussches
minen tanden, 6'. en El. 819. — Vooral gebruikt
met toevoeging van in die (sin e) hant, van bet
vasthouden der teugels van het bewind, iet» in zijne
macht hebben, || Die coninc van Ingelant, . . die
wel in die hant sijn rike hevet beloken al , Parth.
3773. (Si) heeft beloken in sine hant arme ende
rike ende al mijn lant, 1682. Daer hi beide borcb
ende lande (tekst: mande) beloken hadde in sgn
lande, Brab. Y. V, 2049. Sommige wanen, dat
si die werelt in haer hant beluken sullen ende
alle dingen in haren handen houden, Barth. 90 a.
— Ook in de spreekwijze enen beloken hebben
in des zwaerts handen, iemand verdelgen wut
de scherpte des zwaards. \\ Om dattu eweiyc viant
hebste gheweest, ende hebtste die kinderen van
Israhel beloken in des zwaerts handen , 2). B. Esed.
35, 5 (et concluseris filios Israël in manus gladii;
Zoo spreekt men ook van des swaerts mont
(zie mont)).
b) Met den 4den nv. van den persoon. Omringen^
omsingelen , insluiten. || Hem laegen so sere an meer
dan si twintich , diene hadden doe onder hen be-
loken emmertoe, Lanc. II, 10476. Soe hebbea
wi dandere alle gevaen, want wi hebbense alle
beloken, Heelu 5152. In Zelant, in selke stede
waren die dike oec tebroken , sodat si daer worden
beloken met watere, dat hem scade dede, Velth.
III , 48 , 54.
3) Figuurlijk. Omsluiten, omvatten, bevatten,
inhouden. Vgl. BEGRIPEN. || Alle die schnrsen S)
eet hidan, die sijn poet beluken can. Nat. Bl.W,
153. Dat siere nemmeer te live en doet sdaghes
dan si beluuct onder den voet, VII, 295; „quan-
tum includere in anteriore possit pede". Alle stedes
beluket hi mede in sine godlicheit , Wap. Mart. III,
184. Alsoe selewi die goutvaruwe der minnen in
ons beluken, Ruusb. 1, 67. Met vruchde zal ie ha
daer croonen, ende met eewigher minne in mi
belucken , V Maagd. 452. — Ook in de nitdr. — m)
beloken hebben. Omvatten , bevatten , omelmtem.
II Soe {de rivier) hevet binnen haren lope beloken
hondert castele ende meer, Parth. 1081. Dit
firmament . . heeft in hem . . beloken als eea
crocht aerde, water ende locht, Lsp. I, 8, 1. Dit
woort heeft in hem beloken {vat samen) al dat hier
voren is ghesproken, II, 41, 181. Wat sonde hier
of meer ghesproken ; dese woorden hebbent al be-
loken, Lucid. 45. — b) Beloken sijn, kevmi,
vervat zijn, gelegen zijn, liggen opgesloten, || Ii
dese scoone victorye es beloken so groot welvarea,
Belg. Mus. 6, 46.
4) Opsluiten. — a) Eigenlijk. || Op een bedde
{ginc hi) ligghen droeflike ende dede hem daer
in beluken, Parth. 1643. Du, die daer bianea £
heefs beloken, Sp. II», 32, 104. — b) Figaiiri|t
Verbergen, wegbergen. || Alse hi niet en ach te <^
hare, belooc sijt al in hare herte, Parth. G406.
5) Afsluiten, begrenzen. \\ Ende Jhercon e^èt
Azecron mit sinen terminen die Joppen sconwet
ende in dien eynde wort hi beloken, D. B. Jet.
19, 46 {de landT^2i\t tegenover Jajo', lat.: cam
termino qui respicit Joppen).
Aanh. — Voor b e 1 o k e n als bnw. , zie Belokek.
BELUSTIGEN, zw. ww. bedr. VgL mnd. beUuie^
(Lubben, 1 227^); hd. belustigen. Vermaken^
\
873
BELU.
BEMA,
87i
iemand genoegen vertehaf en. \\ Dat ie in voerspoede
ende in allen dinghen die tytlyckbelastighen, van
den quade mi afkere, Boec v. d, L. J, 168c.
BELÜWITE. Zie belewite.
BELÜÜC (beluyc), znw. o. Van beluken. Vgl.
BELOKe(n). Hok^ verblijf pUati ^ woning. \\ Hij
maicte daer een beluyck van droeghen steyneu
ende also bleif hij daer vier jaer, f'^aderb. 152b.
BEMACHTE!^, zw. ww. bedr. Lezing van De
Vries, Jlex. IX, 1080: „Wat gode sal ons (dat.)
betnéickfen''\ voor : „ wat goede sal ons benachten^\
ea door Franck in den tekst opgenomen. Bemackten
komt elders in H mnl. niet voor , maar kan bestaan
hebben en moet dezelfde bet. hebben gehad als mnl.
hemaehtigen^ nl. macht geven ^ d. i. beschermen^
ondersteunen^ helpen. Zie Franck bl. 492 ald.
BEMACHTIGEN, zw. ww. bedr. Mud. be-
mecAtigen. Kil. potestatem d^re^ auctoritatem dare.
Macht geven ^ machtigen ^ opdragen. \\ (Wi) bevelen
ende bemachtigen van onsen weghen ende voor
onsen nacomelinghen . ., onser liever ende ghe-
tronwer stede van Dordrecht, dat sij ons ghebot
voorsz. doen gheschien , V. d. Wall 362 (a. 1395).
BEMAENRE, znw. m. Duivelbezweerder. Vgl.
BKMANKN 3). || Hi ouderstont als een bemaenre
ende hi track nut sijnre crancheit macht ende nut
sijnre onmoeghelicheit volstaen, Vaderb. Tó'dd.
BEMAEST. Zie bemasen.
BEMAETSEN (bemetsen), zw. ww. bedr. Be-
utetselenj een gemetseld huis zetten op {eene plaats).
Vgl. BETIMMEREN. || Dat . . F. noch zyne hoirs
ende erfghenamen de voorseyde plaetse niet en
zullen moghen bemaetsen oft ooc anders belemmeren,
Incent. v. Brugge, Int. 3öö.
BEMAKEN , zw. ww. bedr. Mhd. bemaehen ; mud.
bemaken. Bedekken ^ wegbergen, wegstoppen. \\ Omme
dat sendde hise {den schat) te Alexandrien Atha-
nase den heilegen vrien, diese bemaecte in ene
maysiere heimelike, Sp. II*, 29, 39. Dezelfde
bet. heeft mhd. bemaehen. Vgl. bedoen, dat,
als het mnd. bemaken, de beteekenis bezoedelen,
bevuilen heeft.
BEMALEN, zw. ww. bedr.; hd. bemalen. Van
malen (zie ald.). Beschilderen , schilderen. \\ (Si) dede
enen schonen camer bouwen ende dien costelijck
bemalen, MLoep II, 1850. Seven bemailde tafelkins,
Oorl. V. Albr. 42. Waer om en scaemdi u niet, u
kint te bemalen ende te blancketten, Gest. R. f.
XfAd. Die ghelyck syt den bemaelden graven , ^o^c
r. d. L. J. 224^. Dat hij conste pingeren of bemalen
houten tafelen , Pass. W. 224a. In saften bedden ende
in bemaelden slaepcameren , Devoet B. (36) 101 r.
God , die . . dat luchtige middel des hemels bemaels
mitten vuerigen scijnsel, lis. Fs. 142p. — Ook
wederk. Zich blanketten. || Dat si hem bemaelt ende
besalvet hebben, Devoet B. (36) 11 Ir.
BEMANEN, zw. ww. bedr. Mnd. bemanen. Kil.
adjurare , conjurare , erorcisare. Van manen (zie ald.).
1) Van manen, in den zin van als een recht van
iemand eischen, b. v. van een leenheer tegenover
zgne leenmannen, enz. Fan iemand eischen, iemand
krachten* zijn recht tot de eene of andere handeling
aanmanen. || Hier omme bemanic di sere bider
name van onsen Here, dat du getroulike des seges
vort, dat du van mi hier hebs gehort, Sp. IV*,
31, 51. Na bemanic u allengader bi Gode, onsen
gerechten vader, . . dat gi mi secgt ende laet
bekinnen die rechte waerheit, Lanc. II, 44307.
Doe bemaenden die coninc diere , dat hi hem seide
dor wat saken hi ware so sere tonghemake, C. en El.
958. Nu bemanic u bi alle dien, dies goet man
sonde plien, dat ghi secht ende brinct vort die
ondaet, 1205 (de tekst heeft vermaen; Jonckbl.
leest manie, maar bemanen verdient de voorkeur,
omdat be en ver meermalen aanleiding tot ver-
warring gegeven hebben, en bemanen dus de ver-
gissing begrijpelijker maakt. Vgl. vs. 884, waar
ook bemanen en vermanen in varr. afwisselen en
zie ook Troyen 1772 en 7038, vergeleken met de
varr.). Die coninc bemaende den Grave mede tsinen
rade te comen . ., enewerf, anderwerf ende oec
mere, Velth. III, 38, 9.
2) Bezweren, ernstig en dringend smeeken, ver-
manen. II Si bemaenden ende besweert, dat hi
haer seide sijn ghedochte, C. en El. 884 {var.
vermaenden). Dat hij te Metze in der stat doer God
mit heme voere, des bemaender {d. i. hi) heme
voel dnere ecde voele oetmoedelike , /S^v. 1 , 2150.
Hi bemaent u sere ende beswerdt bi vrouwe Venus
der godinnen, . . dat ghi dese rosé, die staet in
desen brieve gheeft uwen alderliefsten lieve , Fad,
Mus. 1 , 369 , 10. Noch bemane ie u meere by den
zonnenboom en bij der manen . . ende bij alle
doode papen, ende ie bemane u bij alle die ghe-
selscape, die te Babelonien leyt up tcasteel. Nu
noch 220. Ie bemaendi ende beswere . . bi Jhesus
Christus, bi sijnre namen: als ghi ghedaen hebt
al te samen den wech, dat ghi keert te mi, ende
doet mi weten, hoe dat si, Brab. Y, II, 4373.
Vander macht Gods van hemelrike ende sijnre
Moeder bemanic u , dat ghi niet nare en comt nu,
Sp. IV', 35, 48. Doe bemaendijt {het hoofd) wel
diere bi Gode vele sciere, dat hi hem dade ver-
staen hoe zjjn leven was ghedaen, Brand. 145.
Hi bemanetse vele saen, bi Gode ende bi zijnre
cracht . . dat sine met vreden lieten, 1848. Ie
beswere di ende bemane di bi den levenden Got,
dattu ons segs ochtu best Christus Gods sone,
L. V. J. c. 226. Daer hij ons in {in den psalm)
noedt ende bemaent, te bidden teghen die ketters ,
Es. V. 1423, 45c. — Ook in den zin van Op het
geweten af vragen. \\ Na dese tale so bemaendic den
kinde wale , oft also ware gesciet alse mi die vader
hadde bediet; dat kint seide: Jaet, Here! Velth.
VI, 4, 87.
3) Bezweren, den invloed verlammen, vooral van
den duivel of booze geesten gezegd, door het uit-
spreken van bepaalde formulieren. || Soe wie die
hope ende troest setten in truffen, in boeten, in
dromen, in waerseggheren , in tooverien, inden
duvel te bemanene , Ruusb. 3 , 244 var. ; vgl. Sp.
d. Maechden (1569) , bl. 154 : Alsoot eenen priester
gebuerde, die den vyant in eenen besetenen mensche
bemaende.
BEMARKEN. Zie bemerken.
BEMASEN (bemaschen, vanwaar bemasche-
ren, zie het volg. art.), zw. ww. bedr. Mhd.
hd. bemasen. Zie MAS en en De Jager, Freq,
1, 378; 2, 376. Bevlekken, bezoedelen, vuil-
maken, bederven. W^iLiL enen mortiere, die ghe-
bezeghet was in mijns heren tsgraven kokenne . .
ende bemaest es in die cokenne 8 soc. , Bek. v.
Zeel. 2, 355.
BEMASSCHEREN, zw. ww. bedr.; ook in den
vorm BEMASCHELEN (Kil. en Plant.). Van het
bij Plant, voorkomende ww. maschelen of
mascheren, d. i. zwart maken. Zwart maken,
bezoedelen, bevlekken, vuil maken. \\ Die buut was
hem ter vaert swart bemasschert ende berompen.
Brand. 990. Soe mach eenidi vanden anderen
cnapen den selven wel bemasscheren ofif met cool-
gruys swart maken, V. d. Wall 791.
875
BEME.
BEMO.
876
BEMERC , znw. o. , stam van het ww. bemerken.
Aamchouwing. — Vandaar de uitdr. In elcx be-
merc, voor aller oogen^ ten aanêchoutoen van
ieder, \\ Hier voortijts plochtic met Toorspoede te
winnene eenen goeden pennync in elcx bemerck,
maer nn , al hebbic soorte van werck, . . ie moeten
voeren tAndwerpen ofte te Brnghe onghespaert,
Zri. Bijdr, 6, 330. — Int bemerc sien, in
het oog krijgen. \\ Ie zye onsen coster ghnnder int
bemerc, Ned. Klnchtsp. 94, 15.
BEMERKEN (bemarken), zw. ww. bedr. Van
merken (zieald.). Nog heden in gebruik, maar in
onbmik geraakt in de twee volgende opvattingen.
1) Beschoufoen^ in oogeneehoitw nemen ^ aanzien. \\
Bemeerct eenen lichame doot, somoghesta verstaen
al bloot sfjns leerens bedieden, JFap. Rog. 313.
Vgl. DOREMERKEN.
2) Besturen^ regelen^ het oog honden op. \\ Dan
wonde hi dat dusent baroene enen conincstavel
coene hadden, die hare dinc bemarke, dat hiet in
Griexen een cyliarke, Alex. VI, 89.
BEMETEN, st. ww. bedr.; hd. bemessen. Af-
meten^ afperken. \\ Drierleye dinck sintschelinge:
lantcoep ofte lantwissel mit schutten {var. sloethSn)
bemeten unde mit paelen beslaegen; uutlovede
bmyt unde gesoende soene, Pro Excol. 6, 694.
BEMIEDEN , zw. ww. bedr. Van mieden (zie ald.).
Huren , omkoopen. Hetzelfde als het meer gewone ver-
mieden (zie ald. en vgl. bemanen en vermanen). \\ Dat
benam die coninchinne ende bemiede met feilen sinne
den bode, dat hi seggen sonde, dat ter vaertdie coninc
woude Antigonuse ghewapent sien, Rijmb. 20347 var.
BEMICKEN , zw. ww. bedr. Van micken (zie
ald). Iemand tot zijn mikpunt kiezen , het op iemand
gemunt hebben. \\ Dat ie die vianden mochteslaen,
die u den lachter hebben ghedaen, ghetorment
ende ghepijnt, alsoet uwen live schijnt, dat si u
seer bemicken, Segh. 6856. Vgl. Oudem. 1, 496.
Doch het Hs. heeft ald. eene betere lezing, die
in den tekst had behooren opgenomen te worden,
nl. bevicken (z. ald. en Tijd^ch. 3, 217.)
BEMINNEN. Zie * benunne.
BEMOEDERT, bnw. Van moeder oi moder{di.\.
modder)^ dat thans nog voortleeft in den samen-
getrokken Yormmoer.Bemoddert, beslijkt. || Om dat si
bemoedert stonden, seide Fransoys te hem met moeten:
vach de muedre van minen voeten, Franc. 8166.
BEMOEDEN (bemoeien), zw. ww. bedr., wederk.
en onpers. Van moeden (zie ald.). Vertnoeden^ ge-
dachte hebben op^ denken.
Bedr. — Absoluut; met den 4den nv. der zaak
of een afh. zin met dat. ||Jhesum Christum, die
mi behoet heeft van sakeo, dies ie niet bemoet
ne hadde, noch ne wiste daer af niet, Amand I,
3313. üuten welken zo te duchtene ende te be-
moedene es, de plaghen van den landen gheresen
zyn. Gout. v. Gent 672. Alsoot te bemoedene es,
Invent. v. Brugge 6, 23. Priam .. bemoeide , datse
dat uut boosheden seyden ende began te suchten,
Trofjen Vb. A6a. Robbrecht seide . . , dat hy wel
bemoedde, dat als de Vlaminghe int castiel
souden sijn, dat dan Richildt tcastiel sonde doen
beleggen, Cron. v. Vlaend. 1, 27. Als icbemoede,
Segh. 8557. (Van wien) men sal bemoeden, dat
hij ze {de brieven) zelve gemaect heeft. Wiel.,
Inêtr. 163, 541. — Iet op enen bemoeden,
iets van iemand denken. \\ Herman, ay mi! des en
haddic niet bemoet opti . ., dattu mi souts sijn
dus wreet, Velth. III, 47, 17. Ie vant mi bezweet
an al mijn lijf van gramscepen, dat dat goede wijf
up mi bemoede vilonie, O VI. Lied. e. Ged. 478, 64*7,
Wederk. — 1) Met den 2den (of 4den) nv.der
zaak of een afh. zin. Hem des bemoeden,
vermoeden^ ged4ichten hebben op. || Si brenese alle in
haer achte , die doot , als sy t hen minst bemoeden,
Brab. Y. VI, 7324 {var. vermoeden). Bloei van
alle wapene, als die hem gheens quaets en be-
moede, Cron. V. Vlaend. 2, 23. Sgn herte hadde
gesijn vol spele, haddi hem bemoet , dat sijn kinder
hadden geweest, die voeren ginder, Aiol-fr. 835.
2) Te weten komen ^ vernemen. \\ (Dan) salie vort
scriven . . wes den heren es ghesciet, die na
hertoge Janne syn bleven . . soe verre als ics mi
conde bemoeden bi wisen meesteren ende bi vroeden,
I Brab. T. VI, 20.
3) Verttand hebben van, ergens van weten, des-
kundige zijn. II Bi goeden rypen rade ende groeter
voersienigbeden up deze zaken ghehebt, bi en
metteghenen, die hem an dnsghedane zaken be-
moeden, Diericx, Mém. 1, 396 (var. bevroeden).
Onpers. — Mi bemoet ene dinc, ik hei
vermoeden, een voorgevoel van iets; het ligt mij op
de leden. \\ Dit vemoi ende dit grief bemoedde
mi van eersten dage, dat ie u nemmermeer en
sage, Flandr. V, 12.
BEMOEIEN (bemoyen), zw. ww. bedr.; mnd.
bemoien, bemoigen, bemogen; hd. bemOhen; ons
bemoeien, dat slechts wederk. gebruikt wordt.
Bemoeilijken, lastigvallen, kwellen. \\ Dat wij oec
mitter gherechticheyt medeliden sullen hebben,
de wij sien dat alsoe ontscamelike verworpen wort
ende alsoe onwüslijcke vemoyt (/. bemoyt) werl,
Bern. S. lic (de druk van 1495, ƒ. 141^ heeft
vermof/f). — Vgl. BEMOET.
BEMOEIEN. Zie bemoeden.
BEMOET, deelw. bnw. van bemoeden of *^-
moeien, d. i. vermoeien; mnd. bemoien. Vermoeid^
uitgeput, a/gemat. \\ Ghy sloecht Priame mynen
vader , soe deed ghy myne broeders alle ende myn
maghe mit onghevalle; van moerden, van storten
bloet wert recht, dat ghy wert bemoet ende van
hersen tecloven , van jaghen ende van goede roven,
Troyen f. 226*.
BEMOYEN. Zie bemoeien, 2de Art.
BEMüRWEN (bemürwen), zw. ww. bedr. Van
morwen, d. i. Z4icht maken, afgeleid van «u^rw, d. i.
zacht, murw (zie ald.). Zacht stemmen , vermunten^
ook overhalen (tot iets). || (Si) badt hem mit
screyenden ogen ende mit swaren versuchten ende
om hem te bemorwen ende te brengen tot ver-
ghiffenisse, viel si neder op haer knien , £xr. Cron.
179*. Hoopende met goetheyt ende met sacbt-
moedicheyt hem lieden ie bemorwen, 201^. Dat
God mit syn re ontfermherticheit sijn hert woude
bemnrwen, Hs. 88 f. 49c. Sinen (/. sgn) harde
stenighe hart en wort niet bemorwet, Pomm. W.
16*. Opdat . . . hoor herten bemorwet moghea
werden tot groter penitencien, 268a. Die kejser
die wert verwonnen ende bemorwet van dat veel
bidden ende smeken, Gest. R. bic. Van binnen
beroert ende bemorwet van medeliden, 2094. DsX
onse herte daer niet van beweket of bemorwet
soude werden al te Uden dat ons mochte opcomea,
Devoet B. (36) 102p. So laet ons {objecf) doch
die bliscap des euwighen levens trecken en b^
morwen, 104r. Die mensch mach hem bedroeven,
dien die gbeselen Gods niet bemorwen mog-hen,
3r. Gheen dinck en bemorwet noch en treckrt
Gode meer tot ontfermherticheyt , Boec v. d. L. J.
106^. Dat si {de hetaeré) so slecht ende slap was.
dat si eens mans herte niet bemorwen en conste,
Bial. Creat.S'ób. Enen totter onreinicheit bemorvea.
877
BEMT.
BENA.
878
«/«. Dat die yamerlike pine ende die minlike
woerde n niet bemorwen en moghen, Brugm. 2,
377. Doe mochten die herten . . bemorwet werden
tot fecreyen , ald. 390. — Vandaar bemorwet, als
deelir. bnw. Zacht gettemd^ bewogen^ aangedaan. \\
Een oemorwet ende een rouwich ende oetmoedich
herte, Oeit. R.f. 21b. Ende hij , bemorwet mit horen
dienstei, volchde hem, D.B. II Chron. 24, 17.
BEMT. Hetzelfde als beemt, z. ald. Weiland. ||
Heeft etn maet man bemt of lant, Wrale I,1AM.
BEMUREN, zw. ww. bedr. Mnd. bemuren] mlid.
bemuren. Bemuren , ommuren. — a) Eigenlijk. Door
een muur omgeven^ ommuren. \\ Scone poorten,
hoghe tonelen bevest, bemnert ende al besloten,
OVl. Lied e. G. 239, 178. Dus weet icket bij
naturen, hce die jonghen den tuyn bemuren, ifZio^jp
1, 9Ö9. So« waendic noch die lieve winnen, die
mi te vaste sit bemnert , dat ie dicwijl heb besuert,
Hild. 93 , 64. Zoo ook Leid. Keurb. 162 , 6ö; e. e. —
Hem bemuren, zich door een muur omgeven^
vertehanten,\\^evi legioen, die bemuurden hem wel
Rijmb. 30903. 'Doe) hijs niet of staen en wonde , so
bemuerden {hen?) die Joden weder. Past. S. 24a.
2) Figuurlijk AU door een muur omgeven ^ ver-
sterken^ verdedigen ^ vrijwaren. \\ Enen schat, duer-
bacr ende wain, hadde hi besloten ende vast
bemuirt , MLoep 1 , 564. So sellen wi ons bemueren
teghen den viant mit ses gedachten , Geest. L. Ibr
{Stemmen 127). — Vandaar het deelw. bnw. be-
mnert, in de beu in veiligheid^ voor aller oogen
verborgen. \\ In des?r minnen parck, daer sy twee
tsamen legghen bemneyrt ende elck den anderen
lieflic ruert, MLoep II, 2266.
BEMÜRMUREREN, zw. ww, onz. D.B. Klaag l.
3 , 39 : „Wat bemnmureerde een levende mensche,
een man om sgn souden ?" — De bet. moet natuurlijk
zgn beklagen y klagen oter, en de vertaler moet weten ,
waarom hij het basttrdw. boven het zuiver mnl.
woord verkoos , doch dan had in elk geval het ww.
bemurmureren (= bekiagen) trans, moeten zijn, en
hg moeten schrijven „vat bemurmureerde een man
sijn {niet om sgn) souden.**
BEMURWEN. Zie bemorwen.
BENACHTEN (bin achten), zw. ww. onz.Mnd.
benachten\ mhd. benahtm. Een nacht overblijven ^
overnachten y den geheeltn nacht b lijven ^ er gent
"'s nacht* blijven y meest van personen, doch soms
ook van zaken gebruikt. HAlsmen hem oerlof geeft,
so en sullen sy nochtans daer niet benachten , Matth.
Anal. 1, 481. Niet danne te comene, noch daer
buten niet te binachten, Nijh. 1,246 («. 1328\ Die
in der scute benachten , dat (om^/) menze bi aaghe
niet scepen en mochte, JLek, d. Gr. 1, 412. Inden
beden benachte hi, Hs. 71, Luc. 6, 12. Hy plach
solcke tyt te benachten in e^n mans huns , P/ut. /S.
62<r. Soe benachte si in onser vrouwen kercke.
Fase, W, 211 rf. Dat si dicke totten grave des
heilighen mans alleen te benachten plach, 272^.
Op een tgt als hij in sgnre bedinge benacht was,
80 clam hij in een scip ende leerde die scaren,
Jis. 80 /. 82^. Als die byen buyten benachten,
8oe slaepen si opten rugghen. Bienb. iV2b. Soe
willen wi op den palmavent mit hem {Jezus) be-
nachten tot Bethanien, Brugtai. 2, 331. (Jezus)
predikende opten berghe of benachtende in den
ghebede, Bern. S. VóOb. Nyemcnt en sal houte
legghen up steghen noch up straten, dat dairup
beoachtet , O. W, v. Amst. 31 , 42. Die daerop be-
nacht, die mach daer op bliven , R. v. Utr. 1 , 187, 16.
AaNM. — Voor benachten, Alex.ïK, lOSO {Hs.\
leze men met De Vries bemachten (z. ald.).
BENADEN, zw. ww. bedr. Van nad-e , d. i.
genade, afleiding van het bnw. nat, neder (vgl.
bat, beter). Begenadigen', genade, gratie schenken.
II Doe hi {Abraham) in Sodoma cam ende verwan
vier coningen, die dar deden quaet, hy gaifse in
Lots handen benaet mede te doene na sijn bestem,
Belg. Mus. 3, 280; „hij stelde hen, begenadigd,
ter beschikking van Lot." Ende want wi synt
der tijt onderwijst syn, . . dat . . Hubert . .
onsculdich was ende noch is, so hebben wi hem
benaidt ende van onsen sunderlingen genaiden
onse landt weder omme gegeven, Nyh. 3, 333
{a. 1415). Omme broecken (d. i. misdaden) , die ich
synen genaden misdaen ende gebroikt hadde, . .
dair sijne genaden my nu mede benaedt, 4, 253
{a. 1450). Eynen ijgeliken . . recht ind vondenisse
te doin ind laten wederfaren ind trecht oprecht
vueren, then were, dat wg dair aver benaden,
tenzij dat wij gracie schenken, 415 {a. 1468).
BENAEMT, deelw. bnw. van het door Kil.
opgegeven ww. benoemen , d. i. famosum reddere , of
misschien juister van naem, d. i. faam. Fermaard, be-
faamd, bekend. \\ Ende dat ie ook niet en wonde al te
seere sijn benaemt mede, om datmen in eenighe
hoveerdichede mochte merken dat ictdade, Amandll,
6353. Midts dat sy verderffelyck beschadight geweest
hadden ende veel haers medegelders uytlandigh ende
voorvluchtigh waren ende anders seere ende kenlgck
benaemt waren , Handv. v. Medembl, 20a (a, 1427).
BENA YEN (beneyen), zw. ww. bear. Mhd.
benaejen.
1) Het transitieve naaien. Een kleedingstuk door
naaien in elkander zetten; zeer nauwkeurig uit-
gedrukt. In de Middeleeuwen naaide men niet een
kleedingstuk , maar men benaaide het. || De caproene
. . coste te lakene ende te benayene, 8 se. gr.,
Gesch. V. Antic. 2, 636.
2) Op of in iets naaien, een kleedingstuk voorzien
van iets. || So wie van dusdanigen cledingen heeft,
benayt mit borduren of van anderen geliken tekenen,
Belg. Mus. 5, 96. Als hi . . sachticheit daer of
ghevoelde , so beneyde hi {Franciseus) den roe mit
coerden. Es, 87 /. 23*. Vgl. Franc. 2278: Als
men hem een roe gaf, daer hi zochteit gevoelde
an, riedde (/. neide) hine met pesen van binnen.
3) Enen — , iet — . Door naaien verbergen,
naaien in. Mhd. einschnüren (Lexer 1, 178). || Vier
besanten van goude, die ik so heimelijk benaeit
hadde, dat hyse niet vinden en konde, Heemsk,
79. Wildij mij geven tien pont , die name ik geeme
en benaidese in myn kleederen, 141. Als dese
Kersteloos . . doot ghebrocht was int voorseide
godshuus, daer mede so en cam niet also vele
{geld) , als dat men hem sonde hebben ghemoghen
decken syn hooft, sonder dat hi benayt cam in
eene matte, Invent. v, Brugge 5, 349.
BENAMEN , bijw. Mhd. benamen of binamen ;
mnd. binamen. In den vollen zin van het woord,
zonder uitzondering (lat. norninatim). \\ Men leitse ghe-
vanghen daer altemet dat si quamen , tot dat mense
hadde benamen, C. en El, {Hor, Belg, 4, 33,) 1113.
BENAREN (bynaren), zw. ww. bedr. Van
naar, d. i. noMw, eng. narr(7i9 , tegenw. uitsluitend
in de bet. akelig, treurig, droevig in gebruik. Vgl.
het dial. een eng (= ntuir) gezicht. Het ww. benaren
(ofri. binera, benera) bestaat thans nog slechts in
het deelw. bnw. benard. Benauwen, belemmeren, mnl.
ook enen iet tonbruuc maken. || Nemande
synen vader ende syner moder an horen goede to
bynaren {var, benouwen) by eenre hovetlossene ,
JTilk, V, Fredew, XV, 26 {Pro Exo, 4).Vgl. Bichth. 641,
879
BENA.
BENE.
88C
BENAÜTE, znw. vr. Van benauwen (zie ald.).
Nood^ verdrukking. W^^nzjiit wil rysen ende weiloe
verduwen, ZVl. Bijdr. 6, 317, 70. De qnaede,
moordadeghe , fenijneghe slangghe, se houdt my
in der benauten bedwanghe, 317, 81.
BENAÜTHEIT, znw.vr. Van ^^«^IM«;«» (zie ald.).
Nood ^ benarde omstandigheden. \\ Dat zy schuldich
zyn 9 Ci^ Hollants tsjaers losrenten . . ., die zy
vercoft hebben . . . uyt benautheyt van der oor-
loghe ende de oncosten van der dgckaetge , Inform.
269 (tf. 1514).
BENAUWEN, zw. ww. bedr. en wederk. Kil.
Mnd. benouwen y benauwen.
Bedr. — 1) In het nauw brengen^ verdrukken^
belemmeren. || Bedi wart si {het Jodendom) also be-
nant , dat soe daer na bleef kindeloos , dats sonder
vrucht, die altoos te hemelrike iet comen mach,
Rijmb. 10136. (Hi) benaude die stadt seer deerlij ck
ende hi benam alle de wegen ende besloot . . .
al die passagien, Exc. Cron, 299 r. Zie ook de
var. by BENAREN.
2) Beperken y inkrimpen. \\ Doe dat haer man . .
vernam (nl. dat zij zooveel aan de armen gaf) , be-
nauwede hij dat ende liet haer alle weken een
seker mate meels gheven , Bienb. 76 d. — Ook
minder juist: Die twaalf cleen propheten die be-
nauwet (lat. contractie d. i. samengevoegd in eene
kleine ruimte)) sgn in een boec, J). B. Trol. v. d,
Cleynen Propheten.
Wederk. — Hem benauwen, zich beperken ^
inkrimpen. \\ So sallic my benauwen ende nemen
paciencie van mijnen luste , Ned. Kluchtsp. 81 , 71.
BENAUWINGE (benouwinge), znw. vr. Ver-
nauwing ^ belemmering e vermindering. \\ Ter benau-
winghe ende verminderthede van den rechten
stroome, Cout. v. Gent 680 {a. 1492). Biechte
sciint siin wesende ene benouwinghe des oordeels
in rechter gheloven, Be. v. 1348, 264 «z.
BENDE, znw. vr. Hetzelfde als band, maar
met klank wijziging gevormd. Got. bandi\iT. bande.
1) Band e boei. \\ Hulpt si mi niet uut sorghen
benden, soe es mijn dienst te male verloren, Vad.
Mus. 1, 365, 55. Ie sit hier in eenen onbekenden
starken stoc mit yseren benden , Vrouw. e. M. VII,
145. — Verkl. bendekijn, -ken. || Mate es bende-
ken mede over die erdsche weldichede, O VI. Qed.
3, 119, 541 (vgl. Sp. I», 75, 57, waar bandekijn
gelezen wordt).
2) Band, streep ; vgl. Oudem. 1 , 499: „ Hebbende
op de slijncke schoudere een bende van fluweele,
vier vingheren breet" (uit Van Vaemewijck,-ff«A
V, België) en zie ook 3). || Wit lakens omme benden
te makene up de vorseide wapenfrox, Invent. v.
Brugge 3, 196.
3) In de wapenkunde. De rechterschuinbalk. Fr.
bande \ eng. band\ hd. rechtbalke\ twee schuine
lijnen, die door het hart van het schild gaan en
uit den rechterbovenhoek naar den linkerbeneden-
hoek loopen (Rietstap 107, waar evenwel ten onrechte
het mnl. band in deze bet. wordt opgegeven, men
leze bende). \\ Sine wapine waren algader wit met
tween roden benden, Lanc. III, 13400. Dat mine
wapine . . . daer met drien benden selen wesen,
IV, 3527. Hi hadde witte wapine , ende inden scilt
twee bende roet, 3835. Hy droech gout, een bende
van kele, Belg. Mus. 6, 106, 16(Gelre, JVapenb. 7).
BENDEN, st. WW. bedr. Hetzelfde als binden.
Zoo vindt men ook venden ndOAi vinden , enz. \\J)dL,tr
na met ketenen yserinen dede hine benden ende
seer laden, Sp. II*, 37, 138. Met keteoen
benden onsachte, Sp. II*, 12, 172. Keemtene,
bentene ende vaet , L. o. H. 2093. Dan vult al iel
van den halse toten hoofde ende bendet, Keukmb.
6, 20. Ende laten ons die minne fijn vri maien
ende benden , Hadew. 1 , 6 , 79.
BÉNECHT. Zie beéneciit, en vgL bédelt
voor BEÊVELT.
BENEDE. Hetzelfde als beneden , z. ald.,l^rz.,
Aanm.
BENEDEN, bijw. en voorz.; lat. infra. Uit he
(zie ald.) en neden (vgl. neder).
BiJW. — 1) In de gewone, tegenwoonige be-
teekenis. Beneden ^ onderaan , onder. || Beneden
tusschen sine been , Rein. II, 7335. Beneden jpt water
{in den put) , 6421 ; enz. — Ook in de thansniet meer
gebruikelijke uitdrukking Boven ende leneden,
ook Mnd. boven unde beneden (b. v. Lüblen 1 , 232:
the boven eme unde benetheme {rechts utd links van
ihm) wonet), eig. hooger en lager gelegen^ dan de per-
soon die spreekt, m. a. w. rechts en linkfvan iemand \
ook overal, overal elders, op andere pUatsen. \\ Dat
zy poertersscap betoenen selen met twsen van boven
ende met tween van beneden , Qesch. o Antw. 2 , 500.
Also als dy vrede boven ende benedei gheleghen is ,
Nijh. 2, 12 {a. 1344). Die tüns sal her Giesbrecht
bueren metten heren van Kuyc, ge\jc als hi boeven
ende beneden doet, 70 (a. 1354). Die beken benenen
(/. beneden) ende boven lage, Bacer 2, 225
{a. 1447). Die wechte {van het brood) sael wescn
soe swaer als booven ende beneden, Racer 5,298.
In elc let boven ende beneder, Wap. Bog. 829.
Eenen zeedijc . . , also hoghe ende alsoe breet
boven ende beneden , als men cvereendraghen sal ,
ZVl. Bijdr. 6, 369 («.1387).— Zie ook daer-
beneden.
2) Van beneden, van ondei. || Doe nam Josne
twaelf man . . die twaelf staene daer ter stonde
beneden namen uten gronde, JRiJmb. 6549 var.
3) Naar beneden, naar otder. \\ Christus, die
van den Vader eerst clam fan daer boven, ende
daelde beneden, Amand II, 2444. Enen bile, die
beneden woet (d. i. viel) ende viel den knecht op
sijn hoeft, dattet recht nidden wert ghecloeft,
MLoep II, 1855. Die coninc lachende ghinc be-
neden, 1894. Si liep beoeden ende ontdede dye
poorte , Hoge v. Bord. 28. — Vooral gebniikel|k
in de uitdr. beneden beten d. i. afstijgen.
{Bose 1368, e. e.). Zie bsten.
Voorz. — 1) Met den 3den nv. Onder, lager dan,
beneden. || Verre benedei den sterren staen sonne
ende mane, Rtjmb. 211. Beneden den papen . .
viel twater al cleine inde groot in die zee, die
men heet doot, 6540. leneden desen kerchove was
noch een van minderen love, 11663. Salomon
maecte een werc diere, dat scone was, beneder
stede {var. beneder d«r stede), 12048. Van ysere
die been beneden den knien , 16326. Als hi beneden
den berghe quam, 22791. Beneden der borst, P^tJk.
5222. — Ook achter sijn naamval. || Besiet al omme
tparadys, ghi mogh«t hem wel gheven prijs . . .
boven alle steden, die den hemel sijn beneden,
V. d. Boute 121.
2) Aan deze zijde van, dicht bij. Vgl. bij Bijw.
de uitdr. boven ende beneden. Voor ees
landbouwer beteekent ook nu nog boven in het
land, ver van zijne woning, en beneden, dit^i
bij de boerderij. |) Beneden der woestinen lacheen
berch, Rein. I, 508. Dit was beneden ere rivicrc,
777 (verandering in beneven (Jonckbl. Glou.) is
onnoodig).
Aanm. — Somtijds vindt men den vorm be-
nede. II Noch ^heerande lette mede van den hoofde
881
BENE.
bf:ne.
882
tote benede, maar van lechamenalghesont, lUjmb,
6243. Dat vyf heren scilde is of daer benede,
Keuren v. Hoorn § 60. Hi corte hem die been
beneden (d. i. benede den ; vgl. buten voor bute den ;
iuler voor buie der) cnien, Wal. 6507. Beneder
(d. i. benede der) stede, Rijmb. 12049. Also vele
alst selver es beneden (voor benede den) goude,
Alex. II , 1082 (öf goul staat zonder lidw. , hetgeen
om altt telver minder waarschijniyk is).
BENEDIDECHEDE, znw. vr. Van het onge-
bruikelijke bnw. benedidechy d. i. zegenrijk. Zegen-
rijkheid^ zegen. || (God) vervuUe u ooc mede met
siere benedidechede , Rijmb. 15681.
BENEDIËN (benendien , benedihen) , zw. ww.
bedr. (verl. deelw. benedijtt^ Lipp. 151). Van het
lat. benedicere. Zegenen.
1) Met Ood (of Chritiui) als ondw. en een persoon
in den 4den nv. Zegenen , zegen schenken , voorspoed
verleenen. || Hi die sterf om onse lieve , die sonde
die werelt dan benedien ende ons van allen qnade
vrien, Hild. 8, 188. Doe seindijt al ende benedyede,
omdat hi wilde dat sijn werc diede, Rijmb. 277.
God, diet al mint, beuedie di, lieve kint, Franc.
2841. Dat in Abrahams zade benedyt alle liede
sullen wesen, Lsp. II, 9, 46. Haerre suster
Phisenien, die onse Goede benedien! Cast. All.
Die moedere Gods, Sinte Marie, segene ende
benedie heer Amoude ende syne ^hesinde, Grimb.
1 , 1017. Met siere hant hise benedide , L. o. H. 4754.
2) Met een mensch als ondw. en een persoon
in den 4dea nv. Zegen over iemand afsmeeken^ Oods
zegen over hem afbidden. \\ Al daer hi (Mozes)
benediede Josephs gheslachte ende vriede,iVrt^. ^/.
Vni, 103. Leert hem dat hi benedien can ende
nieten maledie voort an, Lsp. II, 22,51. Na dese
weerde saen qnam die heilige Anna gegaen , diese
benediende groet, Sp. II», 68, 79.— Rijmb. mU
ironiek gebruikt voor beschadigen , benadeelen. Vgl.
lat. consecrare. || Al te hant benediden si Egiptenlant,
80 dattie hnse ende sconincs zale daer af vul waren
al te male. Vgl. Weiland, Taalk. Wdb. op zegenen.
3) Met den 4den nv. van den persoon of der
zaak. Zegenen ., den zegen over iets uitspreken^ eene
plechtige wijding geven, inzegenen. \\ Daer si vonden
beede tsamen Pietre ende Pauluse, diese wyen te
bisscoppen ende benedien, Sp. I« , 6, 44. (Si)
hebben dien tempel gewihet in Gods name, ende
gebenedihet in sente Peters ende Panlus ere, II*,
17, 21. Te Alexandrien . . . wart hi patriaerc
ghewijt ende bisscop ghebened|jt, III', 60, 65.
Doe benedidemen na dat water ende deedt in een
vat, II*, 23, 519. Hi nam die se ven broet ende
die vesche ende benediedse, L. v. J. c. 121.
4) Met den 4den nv. van een persoon, die
boven ons verheven is, vooral van God, Christus,
Maria of de heiligen gezegd. Loven, prijzen, ver-
heerlijken. II Ay, hoe si Gode benediden die heilighe,
diene {Christus) saghen striden leghen des duvels
brant, Wap. Mart. III, 336. God van hemelrike
ende Maria, maghet fijn, ghebenedyt moetti sijn,
Beatr. 810. Doen benedidi Kaerle den heere ende
dancte hem al der eere , Roel. III , 235. Benediende
onsen Here spranc hi op daer al gesont, Sp. II«,
54, 22. Benedyt Gode van hemelrike voor alle,
die lijf hebben ontfaen. Belyet sijns, hets wel
gbedaen, Rijmb. 15834. Marien, die alle tonghen
benedien, 3653. Dies moet hi {Christus) sijn
gebenendijt vroeg ende spade ende allen tijt,
Christ. 1237. (Hi) benendide onsen Here, D. War. 3,
162, 165. Danct hem . . . ende benendyden euwe-
leke, 164, 232. (Si) benendyde onsen Here, 316,
1181. Dan sullen si benedien Gode van desen
saken, Lsp. IV, 4, 64. Ie wilre omme benedien
ende loven altoes Marien, Beatr. 721. Met rechte
maghic u {3ïaria) benedien, 831. Gebenedijt moete
sijn God selve. Franc. 3199. Bened^ste God van
hemelrijc, Lipp, 151. Ie love di seere ende benedie
diuen name , lieve heere , Amand II , 745. Ghelooft,
ghedanct, ghebenedijt so si die heere, 4981.
5) Gelukkig prijzen, roemen, verheffen, zalig spreken.
Met den 4den nv. van den persoon of der zaak. ||
(Hi) benediede Abrame mede van Gode, die hem
sine viande hadde ghegheven onder hande, Rijmb.
1656. (Wi) benedie//^» de name dijn, want met
dineu cruce heeftu wale verloost de werelt alte male ,
Franc. 1584. (Hi) benediede de broeders zere, die
in gewerke ofte in lere den zondare daden bekeren ,
4119. Die jonghelinc si ghebenedyt, die hem so
weerde in den strijt, Segh. 1044. Dat soch, dat
hi van sier moeder sooch, benedide menich man,
Parth. 5188. Cursont sietse ende benedyt dien
lichame diese droech, 5369. Gebendyt si hope, die
geven can den minneren selken troest. Rosé 2645.
Goeden hope moet syn ghebenedyt, Vad. Mus. 1,
95, 1. — Het verl. deelw. als bnv. Gezegend,
zalig geprezen. \\ Die ziele blies God . . . uut sinen
monde ghebenendijt, Lsp. I, 18, 33. Mit sinen
ghebenendiden bloede. Bed. d. M. 244.
BENEDIïNGHE, znw. vr. Van benedtën {zïfi \iU.
4). Prijs, lof, dankzegging, eer. \\ Die glorie, die
ere ende die benedij nghe . . . gheven den sittende
opten throne, Rs. 76, Openb. 4, 9. Den lamme
benedynghe ende eer ende glorie, 5, 12.
BENEDIXIE (bknedictie), znw. vr. Van het
lat. benedictio.
1) Zegen, goddelijke zegen. \\ Op ons sal comen
algfiider die benedixie ons Heren ende nemmermeer
ons keren, Doet. II, 1608.
2) Plechtige zegening, door het opleggen der
handen. || Die van enen heilegen man begaren de
benedixie in hare wechvaren, 5;|d. II',32, 19. Mine
benedictie heeft hi {Ezau) onthouden, vader, nu
benedie my {Jacob) doch mede, Rijmb. 2396. Des
vaders benedixie can siere kinderre hnys seker
maken, Doet. II, 1612.
3j Van benedien in den zin van loven (zie ald. 4).
Dankgebed. \\ Mettien bepensese haer van binnen,
dat si tierst segghen soude hare benedixie, Limb,
I, 672.
* BENEET. Verkeerde lezing voor beveet,
Mieris 2, 236a. || Dat Ysbrand voorsz. beneet
(/. beveet, d. i. in veden) ware teghen yemant die
hem te macbtich ware. Zie verder by beveet.
BENEMEN , st. ww. bedr. Mnd. benemen ; mhd.
benemen.
1) Met den 3den nv. van den pers. of der zaak
en den 4den nv. der zaak. Iets van iemand of iets
afnemen, aan iemand of iets eene zaak ontnemen. —
a) Gezegd van iets , dat men gaarne bezit , van iets
aangenaams. Il Ghave hem God seghe daer of ende
hare moghcntheid bename: wat so hem te moete
qname . . , dat soude hi slaen ende offren Gode ,
Rijmb. 7864. Hier naer benam hem buten dat here
80 dat water , dat si sonder were up wilden gheven
haer stat, 17551. So dat wel naer hadde benomen
Homighen man . . ., syn leven de grote vloet,
Stoke III, 942. Hoe hi an Medea quam die hoirs
vaders rycheit benam ende voer mit him in
synre aert, MLoep I, 2157 var. Haer snchten ende
haer beven hadden haer teten al benomen. Flor,
578 ; „ hadden haar haren eetlust ontnomen. "
Als hi dit hadde verstaen, swoer hi u te be-
883
BENE.
BENE.
884
nemen dlgf, Segh. 1244 var. U vader die coninc
meende n benemen tleven y 1268 var. Ie beneme den
vogelkinen haren sanc , Wint. e. S. 50. (Hi) benam
hem alle siin goede ende warp hem wt alle siinre be-
sittinge , Clerc 3Ö. Soepen ende goeden , die hem be-
nomen waren by die van Lnbeecke, Inform. 85. Het is
wel het tweede deel van mijn rijk, ik 8alt hen
kortelijk weder benemen, Heemsk. 32. (Hi) benam
mg het geit, 79. Eer ik op konde komen, was
mij een sweert benomen, 120. Des (d. i. dal) en
mach n God noch gheen creatnre benemen , Rnnsb. 3 ,
86. Dat en mach my nieman benemen noch beroven
een oghenblic, 87. Nochtan en hevet hi hem niet
{niets) benomen , mer hi hevet gaven ghegheven den
menschen , ^^n. fr,26b. — Ook met eene bepaling
met van of nte in plaats van den 3den nv. ||
Grimuwaert benam mede van zinen zwaerde die
snede, Huge v. Bord. I, 105. (Hi) benam hem dat
swaert wt sijn handen, Pass. W. 119r.
b) Van iets onaangenaams. Iemand van iets
bevrijden y verlossen. || Omme die Vronwe hoghe . .
die ons benam dat helsce coat, Wap.Mart.l^^^.
Benemt al dat ons mach deren. Vod. ift^. 2,405,
7 {gebed tot Maria). Dat ie qname tote di ende
dgn evel bename, Sp. 1', 18, 65.
2) Enen iet — , iemand iets onthovden, \\ God
heeft mi kint draghen benomen, Rijmb. 1735.
3) Iet — , een einde maken aan iets^ het ver-
nietigen ^ doen ophouden. j| Want grote hitte ende
conde benemen den wint also honde, Natunrk.
1839. Dat begheren die cnnscheit so beneemt
ende dat comt door sijn ghesiehte, Tien PI. 1269.
Dat hoverde benemen can harde edele seden in
den man, Teest. 2072. (Si) baden dat si met crach te
quamen, entie werringe benamen, Rijmb. 27599;
„ qui seditionen opprimerent^ Eene scrifture . . die
tgelove niet benam , nl. het geloof aan d^ waarheid
van het verhaal d-er Drie Koningen ^ I*, 45, 8.
4) Belatten , belemmeren , verhinderen^ de gewone
opvatting in het Mnl. — a) Enen iet — ,
soms ook zonder 3den nv. il Nn ne syt op
mi niet gram, dat ie hier qnam ende n be-
nam n sprake van minnen goet, Segh. 7611.
Maer ie segge, dat goed benomen orloghe ware
ende onvromen, Grimb. I, 1801; „dat het goed
zou zyn, indien de oorlog belet werd." Hem be-
nemen sine vaert voren sine corte beene , Nat. BI. II ,
2593. Disdier hevet hem die vaert benomen, die
in syn gemoet es comen, hij versperde hem den
weg y Flovent 562. Hi benam den scepen den ganc
{hij versperde d^n schepen den doorgang) y Sp. III*,
15, 21. Hoe langhe soattn ons onse zile benemen
(in de Stat.-vert. : Hoe lang zult gij onze ziel op-
houden?), Z, V. J. c. 182. Ne waendic sgndaertoe
comen , datic die bmlocht hadde benomen van Lode-
wike, maer ie en can, Zorr. I, 701. Oec wilde hi te
Egypten waert, maer dat hem benam die vaert
Ysichius met stareker bede, Sp. II", 43, 27; „hem
in de reis belette y hem er van deed afzien'\ Edel
vrouwe , benemt dat striden , want ghi hebbes wel
die macht. Wint. e. S. 484. De moeder benam de
diuc , Franc. 8526. Want hare tghaen niemen benam,
Rijmb. 17625. Newaer die joeste benam . . . .
die coninc, Parth. 4662. Entie nacht an beeden
siden die benam hem dat striden, Sp. I*, 69, 37.
De moeder . ., die benam hem de vlocht sine,
II*, 15, 21. Om Coninc Eduwaerts coemste te
benemen, Exc. Cron. 133^. — Den raet be-
nemen, het plan verijdelen. || Nu weiti wel,
dat Gelloens raet es altemale benomen, Lorr. I,
444. Mettien es Gadifier daor comen eude heeft
haren raet benomen, Cass. 615. — Die wege
benemen, de wegen belemmer en, versperren y be-
zetten. II (Hi) benaude die stadt seer deerlgck ende
hi benam alle de wegen ende besloot . . al die
passagien , £'jr^. Cron. 299r. — Vooral evenwel met
een onbep. vnw. in den 4den nv. (al, het, dat enz.)
II Maer God hevet hem benomen, hine cons niet
te hovede comen, Sp. III», 30, 7. Hi haestem int
riden tier tijt, als die gerne uten bossche qname,
dat hem die nacht niet en bename , Lanc. Il, 6106.
Ie wilde wel dat ware benomen, ende magie daer
te tide comen, ie saelt benemen, 38501. (Doe) hi
vernam gene geruechte ende dat gescal , biet hi den
meyer dat hijt al bename. Doe waest sciregedaen,
38508. Ne hadde/ Gaudijn niet benomen, hiwaerstap-
pans tote hare ghegaen, Parth. 5610. (Hi) wonde hem
varen toe, maer het bename syu maghe, Grimb.
II, 4056. Die rudders sullent benemen mi,
VI. Rijmk. 2500. Ghy sult sijn daer ghy begheert,
ende niemant en salt u benemen, Huge v. Bord.
83. — Zoo ook Velth. III, 44, 56; Lane. Hl,
11361; Lorr. II, 126; MLoep II, 1342, 2144;
Wap. Mart. I, 621; RHn. I, 2452; U, 4475;
Rosé 611, 5180; Wal. 492, 1482, 2281, 10683,
10800; Sp. I*, 54, 6; I*, 58, 49; 1% 58, 23;
I«, 12, 25; II*, 29, 71; II», 4, 89; III», 34, 13;
Rijmb. 3628, 9493, 12368, 13431, 20347, 21148.
b) Met een onb. wijs ende een 4den nv. (ace. c.
inf.). II Die paens Silvester benam iemene hieromme
te werdene gram Constantine, Sp. II*, 32, 259.
Mer die Griecken ende die Troyenc benamen hem
te ghesciene, Troyen 167.
c) Met een ontkennenden bijzin. Benemen,
dat niet, beUttenydat. \\ Ende hi al onghewillech
hevet mine man gemaeet, ende benomen, dat si te
wighe niet en comen, Parth. 1655. Die cmne be-
namen, dat dandere niet in en qnamen, Sp. I',
45, 29. Drie daghe heeft hi benomen, dat hem
geen spise mochte toecomen, II*, 4, 67. Corbohan
te hant benam, dat kerstij nheit nemmee en qnam
ne gheene spisen vander zee, IV*, 16,71. Een
loyfen . ., dat mede beneemt, dat hem alle die
luehte niet comen en mach , die hem comen sonde
na inhout hoors briefs, R. v. Vtr. 2, 109. Twine
haddi sinen vrient benomen , dat hire niet an ware
comen, Sp. III*, 16, 63. Dat niemen en conde tien
tide benemen, en qnam tenen stride, Velth. II.
50, 37. Want sine Uede hebbent benomen, dat hi
dore dwout en vare niet, III, 37, 28. Beneemt,
dat te hare niement en dar comen nare, Lorr. I,
311. Dat hem wart benomen daer, dat hi niet
vulbriugen mochte sulke zaken. Franc. 50. Want
hem gope dinc benam, dat hi ter herberge niet
cam , 7169. Als of hi hem wilde hebben benomen,
dat hi niet eerst voort ware comen, Rijmb. 2221.
Die den onzuvren benamen, dat siere niet binnea
quamen, 11633. Hi benam, dat van der zee gees
nootruft comen en mocht, Exc. Cron. lOld. Benemen.,
dat den Brabanders geen vitalie comen ea sonde,
ISOd. Si benemt, datmen mit soedanighen gheei
ghemenc hebben en sel , Gest. Rom. e. 11.
5) Door de weglating der ontkenning bg dei
afh. zin, ondergaat de beteekenis van beneme*
eene sterke wgziging; het neemt nl. den zin aas
van noodzaken y dwingen. Benemen, dat is nl.
eigenlijk beletten y dat men iets niet doet; déU men
anders handelt. || Dese orloghe die benamen dea
Bertoenen , dat si met vreden lieten der Fransoysea
steden, Sp. IV*, 52, 34. Hoet hem benomen hadde
Keye, dat hi sweech, Lane. lU, 11388; vgl. ts.
11339: (Keye) seide, dat hi swege daer of.
885
BENE.
BENE.
886
Aanm. 1. — Velth. V, 60, 32: „Die ander» die
dit benamen saen", leze men vernamen in plaats
Tan benamen,
Aanm. 2. — Bij Mandev.f. 5b: ^Dine grote ho-
Taerdicheit en mogben wi niet benemen /* is benemen
e^e yerkeerde vertaling van het lat. : f,snperbiam
tnam snmmam tollerare non possnm.** De vertaler
yerwarde tolerare met tollere.
BENEN, bnw. Zie benijn.
BENEN (beenen), zw. ww. onz. Bij Kil.:
,,beenen,j. Flandr. Schimpend Van been in den zin
yan een beenen fluit afgeleid , beteekent h1et eigenlijk*
met een fluitje verlokken (zie Ben. 1 , 102a, en vgl.
erbeinen, ald. en Lexer 1 , 610) ; vervolgens bedriegen
en eindelijk hoonen (dat in het Mnd. ook den zin van
bedriegen had). Vgl. Wap, Mart. Gloss. op ver-
ba enen; Kil., en vooral Taalg. 3, 269—279.
1) Met woorden aanvallen^ schimpen^ schelden. \\
Hierna ghevielt . . dat die heere van Gaesbeke
sat met sier vrouwen ende at , . . ende sprac , dat
niement soe seere int gemeen e hem tegen en was ,
als allene her Everaert Tserclaes . . ; die vron van
Gaesbeke daer op beende , als si hoerde dese dingen,
Brab. T. VI , 9066.
2) Met daden aanvallen^ een aanval doen op. \\
{Die verrader) seide, dat men hdten here liete
ronkeloos enae sonder weere swine loepen een
groot ghetal . . ende hier up sonde seere beenen
van Valkenberghe die pmeusche heere ende pinen
nerenstelike seere te ghecrighene die proye, VI.
Rijmk. 6562. — Nog over in de Vlaamsche uitdr.
duivelen en beenen, d. i. tergen en schimpen
(De Bo 89).
BENEREN (beneeren), zw. ww. bedr. Van
den ongebmikelijken grondvorm neren , mhd. nem.^
neren^ d. i. redden y genezen ^ behouden ^ voeden \\l^.
ndkren. Vgl. ohd. rurjan ; got. natjan , nasjanda ,
d. i. de Heiland^ en onze ww. genezen en zich
generen. Redden , behouden y zalig maken. || Ie ne
mach mi niet beneeren, of ie ne machse queeren,
d. i. „ik kan mij zelven niet behouden , ik kan niet
salig worden y indien ik niet de verzoeking van mij
kan afwenden." Over queeren y zie dat woord.
BENETTEN, zw. ww. bedr. WidL.benetzen.Y9,n
netten y d. i. nat maken. Nat maken y bevochtigen y
besproeien. || Gracie es den reyne (d. i. regen)
g-helike , die dalende benet terderike ende trect ten
wortelen saen , Wap. Rog. 976. Naer dattene doepzel
hevet benet, 1487. Men seghet dat dese fonteyne
benettet ghemenelike die plaetsen van al aertrike,
JVa/. £1. XI, 55. Dese fonteinen 8|jn gewone
tplein te benettene, daer si staen, IX, 124.
Egypten, dattie riviere Nylus daer te siere tijd
benet, Rijmb. 6374. Hoe haer wapen waren benet
metten bloede ende besmet, Velth. IV, 43, 15.
Vanden watere, dattu vins daer, benette dijn ansichte,
Vad. Mus. 4, 320, 286. Dat elc met bloede al
was benet, Belg. Mus. 1, 278, 60 {Sp. II», 14,
60). Eene flume loept uten Paradise ende benettet
in yremder wise, Sp. I>, 21, 13. Met sparswatere
hise benet, II*, 41, 41. Entie adren ontfaen dat
saet ende benettense, M. en Fr. Heim. 1611. Du
salt siin alse een benet hof ende als ene fonteine
der watere, Es. v. 1348, 248<?.
BENEVENE (beneven, beneffens), bijw. en
Toorz. Uit be en neven] Mnd. beneven y beneffens -y
mhd. benében.
BiJW. — 1) In de oorspronkelijke beteekenis.
jian iemands rijde y naast. || Dat hi daer ware doet
bleven, en haddi den pilaer niet beneven, Lanc.
II, 943.
2) Langs iemands zijde y langs. || (Si) vlouwen
van groeten vare in de Schelde , die daer beneffens
liep, Cron. v. Vlaend. 2, 192.
3) In de nabijheid' y in de buurt y nabij y bij. \\
Flandrijs, die daer hilt beneven, Flandr. V, 164.
Abraham groefse daer benevene in die twivoudeghe
haghedochte , Rijmb. 2068. Daer stont sgn broeder
beneven, 9206. Stant in den hole hier beneven,
5132. Int selve laec ende daer beneven was hem
een levende visch gegeven , Franc. 4481. Met andren
reliquien, die dair beneven laghen, Sp. IV', 48,
40 (Janh.y 2de Partie, bl. 535).
4) Tegenwoordig bij y aanwezig. \\ Ghi weet wel
dat ie daer beneven niene was, Rijmb. 24722. Es
gracie metten qnaden beneven , weder heeft hise niet
beseven? )Vap. Rog. 891.
5) Benevens y behalve y bovendien. \\ Oec beloefdi
hem daer beneven . . , dat hi die ghelike doen
sonde dat hi dede, Rijmb. 25978. Ie wilt di
gheven ende andre burghe daer beneven, 20007.
Aanm. — Herhaalde malen ontmoet men beneven
(om te rijmen) op plaatsen waar het zonder den zin te
storen, zeer goed kon worden gemist en waar de juiste
beteekenis moeilijk is aan te geven , b. v. || Scheyden
mach in dier naturen menich blyscap doen teschuren
die van minnen comt beneven, Hild. 116, 11. Ghi
naemt met u te uwen verdoene van uwen rechten
goede beneven ende hulpt der kerken, daer si
moet beven, Oversee 129. Die mi hadden ghesekert
al . . , dat si souden syn comen hier beneven , om
mi te seggene, twaren , hoe si daer hadden gevaren,
Lanc. II, 16058. (Si) cnielden up hare knien al
omme de kerke beneven. Franc. 936.
VooRZ. — Met den 3den nv., zeer dikwijls
achter zyn nv.
1) Ter zijde ra», aan de zijde vany naast. \\
Alsene die waert hevet gehord , ginc hi Waleweine
saen beneven ende sprac, Lanc. III, 19177. (Hi)
sach ten ingange beneven der dore lettren ge-
screven, II, 3487. (Hi) leidse siere ziden beneven
ende hiltse een stic indier gebare , als oft soe sijn
getrouwede wijf ware. Fortier die hem beneven
stont, Segh. 9236. Alle dat met hem was ende
hem beneven, 10388. Emmer blivic u beneven,
Wap. Rog. 1316 Sit hier, Rogier, mi beneven,
1396. Ie wane wel dat si beneven deen den anderen
ter stat waert reden , Stoke IV, 1510. — Beneven
liggen, van landen , aangrenzen , grenzen aan. ||
Hem wart in manscap gegeven dlant, dat hem
lach beneven, Sp. III*, 89, 115. Dat hem die
Grave van Henegouwe . . . leit beneven, Velth.
V, 5, 11.
2) Figuurlijk. Ter zijde y te hulp. \\ Gewan hi hem
beneven die Gallen, hi hopede gheval te hebbene
omme verwinnen al, Sp. I*, 16, 10. Dan sullen
wi ons nemen beneven, ons tot hulp nemen y ons
toevoegen , alle die macht die wi mogen ende sullen
daermede henen togen te Logres waert , Merl. 22407.
— Enen beneven wesen, het ter zijde staan. \\
Mer dat hem Vulcoen was beneven, die coninc
waerre seker bleven, Troyen 1516. Wildi wesen
hem beneven , si wilden hem West Vrieslant geven,
Stoke II, 185.
3) Langs de zijde van , langs. || Doe sprac die here
noch totin knecht: ganc ut op den weghen ende
beneven den tunen, langs de heggen y L. v. J. c. 170.
4) In de nabijheid van iemand y nabij y in de
buurt vany bij. \\ Dat vier scepe . . . van den
besten sitten bleven up den zande hem beneven,
Stoke IX , 894. Hadde hjjs te doene , hem beneven,
met hem te blivene ene stont, V, 868 var, Sire
887
BENI.
BENI.
888
(Gods) jeghenwordicheit es beneven dat was ende
wert , JTap. Marl. III , 205 : „al wat was en wordt
is bij z\jne tegenw. , ondervindt haar". Ghejaghet
hebben sy ons ende verdreven onsen fosseyden
beneven, Troyen f. 78<?. (Si) togen beneven
tstat van Aken ende verbranden ... die dorpe,
die omtrent Aken stonden, Br ah. Y, VI, 10964.
Den irsten die hem trac beneven , die in zijne
nabijheid kwam , wederstont hi stoutelike , Lanc. II ,
3584. Oec ne mach hi niet leven, hine si den
watere beneven, Nat. BI. III, 405. (Hi) hilt hem
selven daer beneven die {d. i. dien) ridders , daer hi
meest tronwen hadde toe, Lanc. IV, 11018. Alse
die coninginne n es beneven, 401. Dies waren si
hem beneven na den doot. Franc. 9602. (Doe)
stac hyne, die hem was beneven, Troyen 1411.
Dat den meinsche sonden ghesciet, es bi faeuten
van gracien niet; soe bleve hem ghcrne beneven,
Wap. Rog. 1080. (Doe) wart soe verheven metten
vleesche Gode beneven, Sp. I', 53, 68. Daer
du Gode zijs beneven, Lett. N. W. 5', 82.
(Si) namen een lant hem benevene, dat langhe
Gallo-Grieken hiet, Sp. I\ 16, 28. Zoo ook ald.
81; Sp. \\ 53, 43; I», 65, 38; II*, 20, 143;
I^ 13, 60; III», 40, 8; 42, 43; IV*, 21, 114;
Franc, 4289 , 4458, 4545 , 5792;i2/;»i*. 11198 , 23632.
— Deze bet kan somtijds in die van o/) of m over-
gaan. II Nemt armoniaco ende mede met melke in
watre gewreven ende doet der borst al omme be-
neven, 'M., en Vr. Heim. 2040. Mijn lere laet di
zyn beneven : hi mach di die ewighe vroude gheven,
Tien PI. 927.
5) In tegentooordigheid van^ in geselschap van.\\
Gheeme so was hy hem beneven tallen tyden,
waer hy mochte, ^«na»£^ II, 3166. Dinenprochiaen
dien seldi emmer sijn beneven, soe mach dijns
wel werden raet, Tien PI. 735.
6) Nabij (van den tijd), ophanden. \\ Dat hi
z|jn eenich kint, dor Sinte Fransoyse, dien hi
mint ende wies feeste daer was beneven, hem
levende wilde geven, Franc. 8663.
7) Benepens^ met. jj Dese Robbrecht quam ghe-
varen ende met hem in der scaren van Bloes die
grave Steven ende Justaes hem beneven, Brab. Y. III,
847. Doe sente Stevene ende ses dyaken hem be-
nevene ghecoren waren, Sp. I«, 25, 7. Dat een
voghel . . . neemt met hem dat jonc verdreven
ende voedet den sinen beneven. Nat. BI. Til ^ 120.
Dat her Wolfaert bleef verdreven ende sine broeders
hem beneven, Stoke IV, 765. Als tgedicht was
ende gescreven , liet ie tstaen den andren beneven ,
Velth. V, 1 , 59 ; „ met en benevens de rest."
BENIDEN, st. en zw. ww. bedr. {beneet en be-
nijdde) ; mhd. benid-en. Reeds in het mnl. begon het
WW. neiging te vertoonen, om zwak te worden,
zooals het thans bijna uitsluitend gebruikt wordt.
1) Met eene zaak als voorwerp. Iets niet kunnen
velen , zich aan iets ergeren. — a) Met den 4den nv.
der zaak; soms met den 2den, b. v. Rijmb. 9336
(als in HMhd.). || Die vader wroegede Martine saen ,
want hi sinen heilegen wille benijt, Sp. IIP , 28, 30.
Die overmoet beneden seere alle die heeren, Heelu
1552. Die quaden beniden doeght, ende die oude
benidet joeght, Doet. III, 507. (Herodes) beneet
verde ende haette recht, L. o. H. 788. Die viant . .,
die smenschen zalicheit htneei^Lsp. 1 , 22 , 9. Quade
tonghen sijn te beniden , zijn niet uit te staan , Theoph.
325; vgl. de Aant. — Vooral gebruikt met een
onbep. vnw. (dit, dat) in den 4den nv. || Dit be-
nijdde dus Reinaert, dat sire waren so vaste binnen,
dat hire negheen ne conste ghewinnen, Rein, 1 , 340,
y^hij kon het met velen ^ het was hen een doom in
het oog.'** Dat sach die jonghelinc, diet benide,
ende hem luttel goet verblide van der vriendeliker
talen, Belg. Mus. 8, 98, 83. Nu seget ons die
aventure, dattie coninc Waleweine beval sijn lant
te achterwaerne al ... ; dit beneet Eeye saea ,
Lanc, III, 18612. Dus quam die Hertoge irst int
lant van Limborch, ende stichte br&nt . . . .;
dit beneden alle nu sere die Heren tusscen Mase
ende Rijn, Velth. II, 44, 41. Hi regnccrde
XXXIX jaer. Dit benijden die kindere sün , Sp. IV' ,
5 , 50. Dat si bekeerden daer ter stede . . . ; dit
benijdden die quade Jueden, I*, 20, 5. Sulke
benijddent sere, R4jmb. 20328. (Hi) trac dat spere
ut gereeet, dat daer sulc beneet wel sere. Lome.
III, 11312. Doe quam een scalc, die viant van
der hellen, die dit benide, Ned. Proza 32. (Hi)
hiet hem willekom met een vriendelijk gelaet. Dit
benijde Aymijn seer, Heemsk. 16.
b) Met een bijzin met dat. || Om dat si {de
viandé) so zere beniden, dat hi {de menseh) ter
froter vruechden zal comen, Lsp. I, 7, 11. Om
at sy benydden zere, dat yemen soude op ertrike
boven hem sijn of haers ghelike. Wrake I, 689.
Omme dat si beneden, dat die hertoghe met
vreden ende met groter rijcheit besat sijn lant,
Brab. Y, V , 3689. Si beniden utermaten , kunnen
volstrekt niet velen ^ dat hi tfolc Saterdaghes ghc-
neest , Lsp. II , 36 , 286. So dat deen benide seere.,
dat die andre met hem was heere, Nat. BI. IV,
167. Die wise man en benijdt niet, dat eneghen
mensche goet gesciet. Boet. III, 636. Hoe die
duvel benide, dat Adam was int Paradijs, Rijmb.
585, o/>*r^n/V.Dit was den arbeiders seer verdrietelgk
en benijden dat hij so vele dede, Heemsk. 181.
— De onb. wijs beniden wordt gebruikt in den
zin van — a) Jaloezie , afgunst, jj Ghi moghet rideo
bi siere siden alle u daghe sonder beniden , zonder
dat men u benijdt^ C. en £1. 1025. Ende ie sach
daer gheset den afgod des benijdens, D. B. Ezech. 8, 3
(idolum zeli). — b) Kwaadaardigheid^ nijd. || Doet
hijt oec up een beniden of in des landsheren
onwaerde, men doe dien te hant ten swaerde,
Heim. 554.
2) Met 'den 4den nv. van den persoon. Behalve
in de tegenw. bet. (b.v. Doet. III, 503, e. e.)
a) Iemand niet kunnen uitstaan , ziek aan iemand
ergeren , het land hebben aan. || Ende oec die esele . .
die goede clerke beniden . . , ende die dwaes be-
nidet den man, die doghet ende wgsheit cao,
Doet. III, 503. Wien eest dattu bcnijds? Rinel.
918. Van den volke . . . bestu sware benijdt daer
mede, „odibilis factus es omni populo^\ Sp. II',
27, 67. Dat hi niemene benide, diene veile, eode
van den stoele hale, fTap. Rog. 1862.
b) Vijandig behandelen^ bestrijden. || Ovcnnoet
ende heer Dangier wouden mi beniden hier, so
daden meest al dander mede, als si de verwaent-
hede van mi saghen also groot, O VI. Lied. e. GeéL
305, 2121. Nu werden si van minnen verweet,
diere dompelike toe tiden; dit doet vrouwen be-
niden, Wap, Mart. I, 923. Si die kerstine ghe-
loove ghewoone worden waren, begonsten beoft
te werdene van den heydenen, Amand I, 3421.
c) Mishandelen, jj Die menscheit {van Christus) liet
hare . . . vaen ende beniden, doerboren hande , voete,
siden , Wap. Mart. III , 326. Soe wart hi versraaet
ende beneden van hem allen als een onghelovich
mensche, die Gode lachter ghesproken hadde,
Ruusb. 5, 219.
BENIDERB (benider), znw. m.; vr. be-
889
BENI.
BENN.
890
NiDERSCHE. Van heniden in den zin van jaloersch
gijn. Mededinger^ — tter ^ naijverige. \\ En wilt niet
aenbeden vreemde goden, die here benidende; die
benider is syn naem, Exod. 34, 14. Die here dijn
God is een verterende vyer, God die benidere,
Beut, 4, 24. Zoo ook 5, 9; 6, 15. God is heilich
ende starcke benidere, ende bi en sal u sonden
noch n misdaet niet vergheven, Jottta 24, 19.
Ende haer beniderssche quelledse en moeydese
anxtelike, also sere dat si haer verweet, dat die
here haer vronlicheit besloten had , I Sam. 1 , 6.
BENIDERSCHE. Zie het vorige Art.
BENIDICH. Zie het volg. Art.
BENIDICHEIT, znw. vr. Van het niet voor-
komende benidieh^ d. i. nijdig^ kwaadaardig^ ge-
vormd als hetculdichy besondich^ enz., van nt;/ (niet
nidich). Nijdigheid^ bootaardigheid, \\ Dat gansche
vervolch der parabolen . . . was teghens die be-
nidicheit der Fharizeen, Bern. S. lO^d,
BENIEMAREN (benieuh\ren), zw. ww. bedr.
Van niemare (zie ald.).
1) In opspraak^ in een slechten naam brengen. \\
Die anderwaerven verstolen goet coept, hi benie-
maert hem selven, Keuren van de vier Ambachten
{a. 1242).
2) Beschuldigen^ betichten^ vooral in het verl.
deelw. beniemaert. Voor den samenhang der
beteekenissen vergelijke men berucht^ dat ook èn
beschuldigd (van beroepen) èn in een sUchten naam
staande beduidt. || So wie dat . . verstolen goet coept
en te voren niet en es beniemaert, hi sal weder hebben
dat hire omme g^f , ald. Waer dat zake , dat eenich
van hemlieden beniemaert ware van eenigherhande
goede te coopene of vercoopene, dat schepenen
voor hem den coopman zullen moghen ontbieden
. . ende zullen den coopman zegghen, dat hi be-
niemaert es, ZVl. Bijdr. 5, 148 (= Invent. v.
Bntgge 2, 47).
3) Verbreiden^ bekend maken ^ rondbazuinen. \\
Hi ghinc ute ende begonste te predekene ende te
beniemaeme dat sermoen, also dat hi (Jezt$s) niet
meer openbare in die stat mochte gaen, Hs. v.
1348, 182a {Mare. 1, 45). — Enen b., het ge-
rucht verspreiden^ dat ^i;. ||Den naesten nacht daer
mier, M. benieumaerde O., dat hij wel hondert
man adde in sQn huus, aangeh. Invent. v. Brugge ^
Qloss. 593a.
BENIJN (beinijn, beinen, benen), stoffelyk
bnw. BeeneUj van been gemaakt. || Hen was bein^u
noch yvoren , Cass. 1684. Waert {het oor) beinen , en
soude niet mogen vouden, Hs. Yp. 134r. — Ook
in de bet. beenig ^ als van been gemaakt. \\ Die
vlssche hebben allegadre benine oghen ende stare
dat vel, Nat. BI. II, 16.
BENNE, mand. Zie bennevisch.
BENNEN, voorz. Andere vorm voor binnen. \\
Bennen desen dat si dus spraken , Cass. 217. Bennen
XX dagen van den tyde sijnre doot, Gew. v. St. Truyen
% 16. Want meer liede heeft hire binnen danre
bennen der stat sijn, Lorr. fr. III, 31. Bennen
achte daghen daerna, Brab. Y. Dl. 1, bl. 768.
Zoo ook Lorr.^ Nieuwe fr. 45,191. — Zie verder
binnen.
BENNEVISCH, znw. m. Visch , die bij de mand
(ben) of het tal verkocht wordt. \\ Die bennevisch
ende mosselen salmen vercopen oostwerts vanden
bancken, K. v. Brielle 36, 11. Alle . . die benne-
visch te coep hebben , 37 , 17. Vgl. 16 : „van vier
ben spierincx." Op beide plaatsen staat de b e n n e -
visch tegenover bacvisch, die bij het stuk
wordt verkocht.
BENNINGE , znw. vr. Anker {?\ || Soe wanneer . .
de sciphere mit rade ende mjt hengnisse der lude
de waren in den scepe, de mastcorve of de
benninghe slippem lete , Overijs. R. I ' , 25 en 125.
De benninghe te ghelden, also guet alse hi si
vallen leet to een ds. des sciphern rechte, ald.
BENODICHT bnw. Van noot (niet van nodich). De
zuivere vorm is benodich, evenals besculdich , be-
bhedich^ besondich enz. , maar deze ging reeds in vry
ouden tijd in benodicht over (vgl. bij besculdich en
besondich). In nood verkeerende, nood hebbende^
behoeftig^ armoedig. || Si die den armen gheven,
en selen niet benodicht sijn, Doet, I, 655 var.
Niemand es zo ryke, hyne mochte noch ryker
werden ; ende niemand es zo benodicht , hyne mochte
noch wat keytivigher zyn, Boëth. ƒ. 52A. aangeh.
op Stoke, Dl. 1, bl. 613. Die borgermeesteren,
scepenen, raedt, hooftluden . . hen zoo benoodicht
ziende, Nijh. 6, 321.
BENOEGEN (benooen) , zw. ww. onz. Mnd. be-
nogen\'K.\\. 46: Benoeghen, j. ghenoeghen,
placere (onz.) et satisfacere (bedr. , vgl. Lubben 1 ,
233). Zie ook Oudem. 1, 506 en vgl. 5,63: onbe-
noegen. Genoegen nemen in iets, tevreden zijn met
iets. — De onbep. wijs als znw. gebruikt. Genoegen,
tevredenheid. (| Dat dye selve tot des jonckeren und
den (/. der) schepenen benogen syne upgelachten
broicke vol uth betalt hefft. Racer 5, 311.
BENOEMEN, zw. ww. bedr. Mnd. benomen;
mhd. benuomen,
1) Enen, iet — , uitdrukkelijk , met name noemen.
II Dat sy in der saken , daer syn Genade in benoemt
ware , geen schout en hadden , Matth. Anal. 3 , 345.
Sy had hoor benoemde goeden ende aenval . .
verbonden . . in hillixvoorwaerden voor den on-
gheboren, R. v. Vtr. 2, 165. Alsoe sy hier myt
namen benoemt syn. Bek. d. Buurk. 55.
2) IJitdrukkelijk aanwijzen. \\ Soe bewisen wi hen
ende benoemen jaerlecx dusentich pont van diere
jaerliker renten, die si ons belooft hebben, te
ghevene viertich jaer naestcomende , die scade ende
dien cost mede te gheldene , Brab. T. , Dl. 2, bl. 619.
3) Bepalen , afspreken , alleen in het verl. deelw.
II Dat sy in syn hulpe quamen op enen benoemden
dach , Matth. Anal. 3 , 83. Dat si op enen benoemden
dach te Leyden quamen, 122. Op een benoemden
dach te vechten om den seghe, 161. Dat hy uyt-
comen woude ende striden tegen hem op een
benoemt velt, 270. Borghe . ., die men lovede
opten benoemden tyt te lossene, 312. Op een be-
noemden tyt by haer gewapent te comen, 362.
(Si) quamen tegen malkander op enen benoemden
dach, Clerc 36. Zoo ook 44 var. (Hi) beloofde
hem te wille te wesen tot eenen benoemden ttjt,
Exc. Cron. 206r. Weer enighen van hem erve off
ghuet off huijs ghegeven , dat in sijnre medeghaven
is op benoemt geit gherekent, Overijs. R. I*, 96
(vgl. bl. 3: op benomt ghelt).
BENOORDEN (benoerden). Zie benorden.
BENOOT (benoet), eig. verl. deelw. van het
WW. benoden. Mhd. benoeten, d. i. in nood brengen,
doch uitsluitend als deelw. bnw. gebruikt. In nood
verkeerende , in nood, in gevaar. \\ Here, waer saghen
wi di benoot so sere, ^(/m^. 25801. So benoet ie se
alle liet, die vive en moghen den sesten nietghe-
wapenen, al droeghen si over een, Parth. 1746.
(Hi) sloech coenlijc in den rinc, daer hi benoet
sach den jonghelinc, 4592 (ten onrechte heeft
Bormans op de laatste plaats het woord benoet in
den tekst door benaut vervangen).
BENOOTEEDEN, zw. ww. bedr. Enen — ,
801
BENO.
ËEPA.
m
iemand tot het doen van een eed diaingen^ hem een
eed opleggen, Ygl. NOOTEEDEN. || Soe salmen sie
doen toeven {gevangen zetten) ter tyt toe dat sy
oer koer beset hebeu ende %y (ace. pi.) voert te be-
noteden na den statrechte ende wilkoer, Racer 6, 87.
BENOOTHEIT, znw. vr. In beteekenis ongeveer
met benauwdheid overeenkomende, maar een ander
woord; zie benoot. Nood^ gevaar^ angst. \\ In
pinen, in benootheden, in anzten, in plaghen, in
karkeren, He. v. 1348, 63^.
BENORDEN (benorde(n), benoorden, be-
kort), voorz. met den 3den nv. Benoorden^ ten
noorden van, || Artar van Bertaengen, die alle de
lande benorden Spaengen . . . vromelic wan metter
hant, IX Beet. 356. Al dat lant dat legbet nu
benoorden berghe van Moniu , Alex. V, 1075. Cume
80 bleef eenege port bewest den Rine, benort den
berghen, sine gingense dore ergen (= eriën),
Sp. III*, 2, 12. Benorder havene, StokeIX,177.
— Soms ook als bgw. Aan de noordzijde^ b. v.
Nijh. 4, 36.
BENOSEN, zw. ww. bedr. Kil. nocere. Van
noeen (zie ald.). Benadeelen^ beschadigen. || Want
ghi benoost ende belast waert seere in desen , dat
hi u wilde bistendich wesen , Brab. Y. dl. 2 , bl. 34,
VS. 45. — Later werd ben oost een bnw. Vgl.
Ondem. 1, 506.
BENOTELEN, zw. ww. htdr. Op schrift brengen ,
stellen; notuleeren. || Dat alle sakeu, die bekalt ind
opten voirgehalden dachfairden benotelt sijn, van
onsen gen. heren voltagen . . weren, Nijb. 6, 55
(a. 1493).
BENOUWEN, BENOÜWINGE. Zie benauwen ,
-INGE.
BENTDIJC, znw. m. Van bent ; ohd. bant ^ banz ,
d. i. gouwy dat nog in enkele plaatsnamen (Tm/^-
bant^ Brabant^ Suifterbant (Lubben 1, 150) over
is (?). In verschillende plaats- en persoonsnamen
komt Bent voor: Benthuizen^ Bentfort^ Bentveld
(bij Haarlem), Bentheim enz. || Alle meynewercken
onder die schouwe gheleghen ende dat meijne-
werck oestwert aen den bentdijc liggende, sullen
die zwoern berichten, Ocerijs. Dijkr. II* , 19.
BENTE. (?) Eeue plaatsaanduiding. || Item soe
•sullen alle dijken bae ven breet wesen XVI voet ende
op die benthe twelff voet . . . Ende die middes-
weterynghe op die benthe neghen voet, ende alle
zeegraeven acht voet , Overijs. Dijkr. II » , 10.
* BENUNNE. Verkeerde lezing Brugm. 2 , 288 :
„Een yeghelic neme dat hi vermach ende can,
ende benunne also vele als hem God gav." De
verklaring aan den voet der bladz. make zich ten
nutte beantwoordt niet aan den vorm van het woord ,
dat geene verklaring toelaat. Men leze beminnen
dat van benunne in de hss. slechts door de punt
op de i onderscheiden is, en vatte het op in de
bet. tevreden zijn met. Vgl. gr. dyanoiv en fr. aimer,
BEOOGEN (beogen), zw. ww. bedr. Verwachten.
Vgl. Kil. beooghen, aspicerejObservare.OntiVfw.
beoogen heeft de bet. van bedoelen aangenomen. ||
Ende wij . . . gene temelicke behulpinge synre
goedertierenthey t beoogen en mogen , noch en hopen
te vercrygen, Matth. Jnal. 3, 645.
BEOOSTEN (beoesten, beoisten), voorz. met
den 3den nv. Ten oosten van^ beoosten. \\ Een dal
beoisten vliete, B^k. v. Zeel. 1, 99.
BEOOSTHALF, bijw. Van be en oosthalf, d.i.,
oostzijde. Zie op halve. Gelegen aan de oostzijde ,
oostelijk. II Anderhalf ymet . . . beoesthalf an die
vive ymete vorseid, Vad. Mus. 5, 287.
BEORDINGE (beuordinge), znw. vr. Waar-
schijnlijk te lezen beordeninge. Hetzelfde als het
bastaardwoord ordonnantie , waarmede het verbonden
voorkomt. || Over mids dese ordenanche endedese
behordinghe, so willen wi Jan hertoghe, dat Jan
Berthout quite si, Brab. Y, dl. 1, bl. 695. Vgl.
het mud. beor leven = veroorloven; beorsaken =
veroorzaken.
BEPALEN, zw. ww. bedr. Mud. bepalen.
1) Van pal-en voorzien, met palen versterken,
vooral tegen den golfslag. \\ Eisen hout ... die
meren binnen mede te bepalen. Mieris 2, 214^
(a. 1319). Dat dese hoij maden . . over mennigen
jaren . . beslaegen ende bepaelt lant is gewest,
Etst. V. Dr. 162.
2) In de tgw. bet. Zie bepalinge 2).
BEPALINGE, znw. vr, — 1) Omtrek, cirkel, ook
grens, grensscheiding; fr. ragon. \\ Binnen der eerster
bepalinge, beginnende an de craen ende zo voort
dezelve zijde alomme, streckende buyten der onder
gracht, zoo voort rondomme commende van Bake-
nesse tote an de craen. Wiel. Instr. 179, 20.
Dander (huizen) staende binnen de tweeste bepalinge,
ald. Dese scheydinge ende bepalinghe van der
voirss. watere. Racer 6, 122. Een twist ende
schelinghe . . . van bepalinghe des watera, ald.
Den de bepalinghe . . . wel kundich was , 123 ; vgL
ald. „dat ghescheyt des waters voirscr." Be-
merende bepaelinge ende uttganck m^ns g. h. van
Utrecht . . . ende den heren van Ruenenlande,
Btst. V. Dr. 212. Wijsen de droste ende etten sulcke
bepaelinge an mynen g. h. van Utrecht, ald,
3) Omschrijving, duidelijke aanwijzing. || Oec
bewijst hijt mitten bepalinghe van sinen brief,
datter Vranc Vroede aen de overside naest ghe-
leghen is mit siinre hofstede, K. v, Utr. 2, 220.
BEPANDEN (bependen) , zw. ww. bedr. Panden
aan , beslag leggen op. Kil. oppignerare, || De lanthere
mach des lantsaten guet bependen voer sine hnere
eer he uten huus , kelner, camer of love vaert , S/adé.
V. Oron. VII, 11. Dat Koep oer geit under Roeleff
Huisinge bependen mach (d. i. beslag mag leggen
voor het geld, voor de vordering), Etsl. v.Dr.b. —
Ook overdr. in de bet. van becommeren (z. ald.). Be-
lemmeren. II Soe moegen de undei*sten de oeversten oer
water niet bestoppen noch bependen , Etst. v. Dr. 148.
BEPEISEN , BEPEINSEN (Hem). Zie hem be-
PENSEN.
BEPENSEN (Hem), bepeisen, bepeinsex.
Wederk. ww. Van pensen (zie ald.). Hetzelfde aU
hem bedenken, met welks opvattingen die vao
hem bepensen groote overeenkomst hebben (zie ald.).
In het Mhd. en Mud. niet in gebruik.
1) Peinzen, in gedachten zijn. || Parthonopeus
verstout se {de tale) wale, ende bepeinsde hem
een lettelkgn; mettien brac van der herten s^n
een suchten, Parth. 2015.
2) Zich bedenken, ergens over denken, nadenken.
II Die hem bepensde ende rieter toe, datmen sonde
kiesen doe den jonghen Grave van Hollant, Stoke
III, 797. Si was hoofse ende goedertiere ende
bepeinsde haer harde schiere ende dachte hoe ^
mochte verwerven, dattie joncfrouwe niet sonde
sterven. Flor. 403.
3) Bedenken , bij zich zelven overdenken. — Ie b e -
p e in se mi, het komt bij mij op, hei komt mèj
voor den geest. \\ Mettien bepeisese hare dats
(/. das), hoe grote scande het ware, Xiwi. 111,691.
Hi bepenst hem menechwerf : O wi , ende oflic na
ware rike, Lanc. III, 25639. Niemen dict »ck
openbare, ne bepensdem niet van dien, dat hen
tselfs soude ghescien, Rijmb, 32894. Twi en haddic
893
BEPË.
6EPI.
894
mi bepeinst te voren, dat ie an enen Jode bet
gheloefde dan ane mine wet? TAeopA. 748.
4) Bedenken , overdenken , overpeinzen , zicA reken-
êchap geven, \\ Die hem wel bepeynsen sonde,
wanen hi quame ende waer hi sonde . . , lii soudem
te bat honden van sonden, Wrake III, 2273
{Teett. 3884).
5) Bedenken^ overleggen. W^e^Qy Bi dn (/. di\
wies wilta beginnen Rincl. 476. Doe sprac een
van hen die Cayphas hit . .: ghi ne wettnitnoch
ghine bepeinst n nit, dattet orborlec es, dat een
mensche sterve vor alt folc, L. v, J. c. 184. Alse
men n levert din gherichte, en bepeinst u uit,
hoe ghi mogt antwerden, want ie sal u gheven
redene ende . . wysheit, c. 195.
6) Bedenken, indachtig worden, zich te Hnnen
hrejtgen. Ie bepeinse mi, ik herinner mij, het
schiet mij te binnen. \\ Mettien bepensese haer van
binnen , dat si tierst segghen sonde hare benedizie,
Limb. I, 672. Doen si hadden gedaen, bepeinsden
si hem saen, dat si nie en gaven haren conine
te prosente ghene dinc, YI, 2557. Hine moehte
niet gepeisen, wie si was nochdoe, soe dat hi
hem bepeisde doe, dat dat die selve jonefrouwe
was , dine van den venine ghenas , Lanc. II, 30389.
(Petrus) begonde te wenen bitterlike ende be-
pensde hem seriehlike, wat sijn mester hadde
geselt, L. o. H. 2298.
7) Zich bedenken, tot and-ere gedachten komen,
berouw hebben. || Somwilen bepeusdem die man,
ende keerde tsinen weldaden dan, Sp. V, 66, 19.
Doch bepensde hi hem ter stede ende keerde tsire
herte daer {hij keerde tot zich zelven in) , ende liep
den andren uaer, ende heeftene mildelike vorsien,
Franc. 184. Bepeinst u wel ende bellet volcomelijk
van uwen sonden, Beatr. 980.
8) Het verl. deelw. bepeinst wordt gebruikt
a) Als bnw. Met ener sake bepeinst,
vttn ie te vervuld in zijn geest, in zijne gedachten.
II Alse nu loepen', alse nu staen, dat bediet, . .
dat een mensche moet zijn gheveinst ende met
quader loste bepeinst, OVl. Ged. 2, 61, 67.
b) Als deelw., in verbinding met de ww. s ij n en
werden (vgl. bedacht sijn en werden).
A. Bepenst werden, een besluit nemen, zich
voornemen, een plan maken. || Bohort werd bepenst
also houde, dat hi eten soude borne ende broet,
soe dat hi water ontboet, ende maeeter soppen in
daer nare, Lanc. III, 6554.
B. Bepenst sijn.
a) Door nadenken tot een besluit komen , besloten
zijn. II Dat herde wel was die conine tien tiden
bepenst van dier dine , ende hi seide , dat hi daer
toe geme wilde acorderen, Lanc. II, 1793. Ghy
en syt hierop niet wel bepeinst; om dat een deel
bevet gheveinst ende vertellet haren droem ende
^hy daerom nemet goem, en varie niet ute!
Troyen 5992; „gij zijt hieromtrent niet goed be-
sloten, op dit punt handelt gij niet verstandig.''^
fi) Door nadenken tot het legrip komen, be-
grijpen. \\ Hi weende erstelike want hi was wel
bepenst das , dat tgene theilege grael was , daer hi
af hadde gehort tale, Lanc. II, 17745. Die jone-
frouwe was bepeinst schiere , Flor. 2943 ; „ zij had
een vlug begrip, wat zeer gevat.^^
Aakm. — Thans is nog slechts het bcdr. ww.
bepeinzen in gebruik.
BEPEKEN (bepecken), zw. ww. bedr. Van ;»<?<?
(in den verbogen nv. peke). Kil. bepeeken,
pieare , pice oblinere.
1) Met pek besmeren. || Dat vat was buten bel ij mt
ende bepeeet ende begrijmt, Rijmb. 3467 {var,
bepect). Dandere {koffers liet hif) buten bepeken ,
Sp. II', 6, 69. Doe dede hi de bepecte ontsluten,
97. Hi hadt daer ghebracht so veel meels, dattet
scheen te sijn eenen groten bereh, ende dat was
in sacken bepect, dattet die regen niet letten en
moehte , Exc. Cron. 285^. Zoo leest men bij Fruin ,
Bijdr. 9 , 37 : y,l^Qii schip te vercalfaten , te bepeken,
te teren."
2) Overdrachtelijk. Als met pek besmeren, be-
zoedelen. II Ende uwen hals niet so haerde swart
bepeket no bezinghet. Brand. 1002.
BEPINEN, zw. WW. bedr. Het transitieve jm»^.
(zie ald.). Met den 4den nv. der zaak.
1) Handenarbeid voor iets verrichten, werk doen
ter verkrijging van iets. \\ De rykepynders waren up
Sint Jan brug ende bepinden het goed van ghe-
wichte, het is te zeggen het goed dat ten weeg-
huse kwam , zij behandelden geheel dat goed ; laadden,
ontlaadden en vervoerden het, Invent. v. Brugge,
Int. 12. Vgl. 4, 439. Die das te makene pleghet
hole, daer hi in rusten sal, so comt die vos ende
onsuvert al; aldus bepijnt menech tgoet, dat een
ander al verdoet. Nat. BI. II, 3903. Die gene die
mit sire pine . . voet den lichame sine ende nuttet,
als bepijnt es, die es salech, Lucid. 3405 (de
bedoeling is blijkbaar: „die (de spijs) gebruikt,
als hij {de landbouwer) er werk voor verricht heeft" ,
maar aan de woorden zal wel iets ontbreken.
Denkelijk moet men lezen: Ende nuttet die spise
alsi bepgnt es). Dat liede zwaer bepinen met handen,
dat eten zi met bloedighen tanden, Praet 2139.
Ie sende u te oestene, die ghi niet ne bepiindet,
maer andere bepiindent ende ghi s^t in hare pine
ghegaen. Es. v. 1348, 85rf {Joh. 4, 38).
2) Moeite doen voor iets, zijn best voor iets doen. \\
Dattu beghers, bepijnstuut yet, OVl. Lied. e. Q,
505, 395. Die daer goet laet, daert es bestaet
ende wel bepijnt, Belg. Mus. 1, 128, 19 (d. i.
die goed nalaat aan hen , b{j wie het goed besteed is ,
en die er hun best voor gedaan hebben, d. i. die
het verdicTien). Dat men . . . den dijescepenen . .
van den scauwene ghelden sal eiken achter dat
hijs bepinen sal, naar dat hij moeite er voor zal
gedaan hebben , d. i. verdienen zal , Z VI. Bijdr. 6 , 368.
3) Pijn, moeite, verdriet van iets ondervinden,
het bezuren. \\ Ende voer tot SintKatrinen dat s^jn
lijf moeste bepinen, Cl-aghe 50 (Gelre, Wapenb.öS).
Vgl. bekermen en besweten.
BEPLATEN, zw. ww. bedr. Van plaet, d. i.
schoeiing (zie ald.). Den waterkant met palen en
planken voorzien tegen het wegzakken en afspoelen
van den grond, schoeien. || Alle erve, die ghelegheu
sijn binnen der vr^hede van Leyden up enige
wateren, die sel men beplaten eer men ze behuyst.
Leid. Keurb. 4, 11. So wie binnen der vrihede van
Leyden maken wil enighe werve uten Riin jof wt
enighen graften . . , die sel dat erve eerst beplaten,
89 , 9. Van erven te beplaten bi den wateren , 90, 11.
BEPLEITEN , zw. ww. bedr. In de latere middel-
eeuwen in gebruik gekomen naast en in de bet.
van bedingen (z. ald.). Bepleiten. \\ Protagoras leerde
hem dat hi ghelijc een goet meester alle saken
bedingen ende bepleyten couste, Proza-Sp. 67a.
BEPfiOE VEN , zw. ww. bedr. en wederk. Mhd.
beprüeven. Van proeven (zie ald.).
Bedr. — 1) Ondervinden, ervaren. Vooral gebrui-
kelijk in het deelw. beproeft, dat als bnw.
gebruikt wordt in den zin van ervaren , die veel onder-
vinding heeft. II Men sal gheloveu den beproefden
mau, MLoe^) 1, 180. Vgl. BESOCilT en de lat.
895
BEQU.
BEQU.
896
spreuk: Experto crede magistro (Limb. XI, 456).
2) Onderzoeken {= het mnl. ondervinden). \\ Dat
£1 (de schepenen) beproeven ende ondervinden souden
in elke jeghenhade ende overscriven den here van
Moermond alle die ghene, die ghegoed waren
tote 100 ©, Bek. v. Zeel. 2, 378.
3) Bewijzen^ overtuigend aantoonen. Fr. protiver;
lat. probare. \\ Wilt oec Verginius ende sijn ge-
slechte wederseggen, dat hi en can, ie wilt be-
proven met menichgen man, Jtose 5400. Meester,
sijn si dan alle verloren, die geit hebben in haer
ghewout? ie weet dat herde wel te voren, dat
ghyt qualijc beproeven soudt, Vad. Mm. 2,
170, 145. Ende dat beproeven si aldus mitten
scriften in hare spraken, niet int latine, Mandev.
30^. Wive, ochte man , die men beproeven mach , dat
kauwetstern {latteraarster ^ Kil.) sijn, zal men bannen
seven jaer, op horen nose verloren , Cor. v. Antw. 6,
26. Also menichwaerven, als ons Bailliu of onse Scout
dat mit rechte op hem beprouven conde, Priv. v.
Brielle 2, 89. Daer ment der (/. ter) waerheit be-
proeven conste, Qesch. v. Antw. 2, 631.
Aanm. Parth. 4791 (Hs.) zal beproeven wel
eene verkeerde lezing zijn. De tekst heeft de veel
betere lezing betpotten.
Wederk. — Hem beproeven, eig. zich ioonen^
bewijzen y en by uitbreiding zich gedragen. \\ Alst
(kind) hem dan alsoe beproeft, dattet boesheit
achterlaet . . ., die vader salt dan bet ontfaen,
dan oft des nye en hadde begonnen , Hild. 115, 140.
Kinder die hem soe beproeven , datse die vader node
siet, dien laughet totten vader niet, 244, 78.
B£QUAM£ (bequaem, ook became (Franc.
9949 e. e.; vgl. het praet. becam van becomen))^
bnw. en bijw. Mnd. beqtieme^ beqikime; mhd be-
qitame van becomen (zie ald.).
Als BNW. —
A. Van becomen in den zin van behagen (6, 2).
Aangenaam, zoowel gezegd van alles, wat door
zijne uiterlijke , als door zijne innerlijke hoedanig-
heden behaagt; van alles, tcat de zinnen streelt,
zoowel als van datgene, toat iemands geest boeit.
1) Aangenaam voor het oog, lief, schoon, liefelijk,
bevallig, mooi. Van personen, dieren en zaken. ||
£en schone maghet, seer bequaem, Pema was
horen rechten naem, 31 Loep I, 829. Hi hadde
een dochter zeer bequaem , lustelyck , scoen , 556.
Irundo, dats der swalewen name, swart van
plnmen ende bequame, Nat. BI. III, 2255. Der
tortelduven, een reine voghel ende bequame, 3377.
£ene scone stad haddic gemaect, vele bequame
ende wel geraect, L. o. U. 4405. Smaragdus es
der mirauden name , van groenre vaerwe bequame ,
Nat. BI. XI, 1025. (Theseus) hadde enen zoen,
wael becant, scoen , ghelatich ende bequaem, MLoep
III, 446. Ie (Simeon) ontfinc, bequame ende scone,
Jhesum Cristum, den Gods zone in mine arme,
Lsp. II, 36, 1385. Mariagnes die so bequame
van scoenheit was boven alle wijf, Sp. I*, 24,46.
(Si) goten een heelde bequame van copere, III",
21, 26. — Vooral in de verbinding scone ende
bequame, waarin bequame nu eens eene ver-
sterking van scone en daarmede gelijkbeteekenend
is, dan weder op de innerlijke hoedanigheden
ziet, en door lief moei worden weergegeven (zie
onder 5). Welke der beide beteekenissen bedoeld
is, is dikwijls moeilijk uit te maken. || Doe God
onse here Adame ghemaect hadde scone ende be-
quame, Doet. II, 1739. Sy droech hem goede
minne, om dat hi schoen was ende bequaem,
MLoep III j 532. Quercus dats der eiken name,
een scoen boem ende bequame, Nat. BI. Y, 743.
Ene maghet ghaf men hem saen, die vroet mg,
scone ende bequame , Rijmb. 2094. (Maagden) die
scone waren ende bequame, 6180. Sjm wyf nis
scone ende bequame, 7952. (Abggail) was wgs,
van woorden soete ende daer toe scone ende be-
quame, 9564. Uwen sconen, soeten lechame, die
so scone es ende so bequame, Fitz/. 8297. (^oiiiai]
scone ende bequame, Franc. 8056. Hoort hier die
selve groete scone, bequame ende soete (nl. Ah
Maria), Lsp. II, 42, 1. Met miraclen scone ende
beauame, Sp. III*, 1, 20. Een voghelkp scone
ende bequame. Nat. BI. TH, 2644. Van pliunen
scone ende bequame, 3130. Cyclada dats der
crekelen name, some vintmense scoen ende be-
quame, YII, 508. Allee dats des harinx name,
een visch scone ende bequame, V, 95.
2) Van onstoffel^ke zaken. Rein, heerlijk. W^vat
claerheit bequame, keerde hi (God) te bant op
Adame, Lsp. II, 36, 1747. Doe voer die ciele
bequame uut Marien lichame, in Jhesus, haen
zoons , scoot , II , 57 , 35. Sijn anschijn , dat be-
quame hemelsche licht, bespuden sij, Vod. Mut.
2, 434.
3) Aangenaam voor den reuk, het reukorga»
s tree lende, lekker, welriekend. || O mme dat sjn
roec es bequame, Nat. BI. V, 1103.
4) Aangenaam voor den smaak, lekker. || Lepu
es des basen name; sijn vleesch es vele lieden
bequame, II, 2564. Ostrea dats des oesters name,
Shesont visch ist ende bequame, V, 815. Momi
ats des moerboems name, sine vrucht die es
bequame, 523.
6) Van het karakter, de innerlijke eigenschappe*
gezegd. Aangenaam, lief, beminnelijk. || Van goeden
seden ende van levene bequame, Sp. 11^, SI, 16-
Vgl. verder het onder 1) bg scone ende be
quame aangemerkte. — Ook in den voc. gebruikt
van den aangesproken persoon , evenals ons Hef. II
Lof ende danc , God here bequame , soe moet u ewelic
toe vloyen, Blisc. v. M. 780. Die ridder seideiNa
segt, bequame, hoe es uwe kerstine name, ^•
V , 74, 41.
6) Met eene door den 3den nv. of een voorz. uit^
drukte bepaling. Aan iemand aangenaam , gezien ^;,
dierbaar aan, welgevallig.
a) Van personen. || (Hi) ware in alre wijs Gode
bequamere dan du sijs. Franc. 2941. Dat hi vele
waerder waren ende bequamer . . . Gode na
hemele onse here, 3154. Om onsen here te sine
became , 9949. Die dochter was hem zeer beqwuntj.
MLoep IV, 1116. Hi (de steen) maectcn behen-
dich diene hout, bequame den lieden, staerr ende
stout. Nat. BI. XI, 1255. — Ook met weglating
van den 3den nv., als bekend voorondersteld oi
anders uitgedrukt. || Hi (de droeve) en es nerjha
bequame. Boet. III, 1364. Hi (d^ agaai) maectei
bequame ende lief, Nat. BI. XII , 57.
b) Van zaken. Aangenaam, dterbaar aan\ iet
is mi bequame, het doet mij genoegen, ^
is naar mijn zin. || Segt welc u bequamer si, sot
tanesiene uwe vriendinne, soe gepens van n»»
sinne, alse gi bi hare uiet en sijt, Ctss. 1551
Daer omme sijn u die selve wort soe bequame . -
dat ghijs wet eiken danc, Beatr. 646. Segt nv»
wille in Gods name, hi sal mi siin herde beqaamf*
Limb. VI, 1541. Dinghen, die den oghen wd
ghelinghen of der herten syn bequaem, Hil^I-
223 , 10. Dat si (de Jeeste) bequame moete we»*"
hem allen diese hoeren lesen, Limb. XI, 7. Ü *«
waren bat bequame, beter, meer naar den fl»j
897
BEQU.
BEQU.
898
scone ghewade ende goede cleder, Beatr, 264.
Selke (bloemen), die haer beqname wesen, Flor.
2901. Dienst, die n beqname doch te, Rote fr.
254, 89. Die dienst, die de goede doet, es
6ode beqoamer, L»p. II, 62, 37. Sijn dienst was
6ode 80 beqname, Bijmb. 21482. Dat u mijn ster-
Ten soe si beqname, Belg. Mu*. 1, 117. God
(1. Oodé) is beqnamer rechten ron van sonden
dan alle die bedevaert, Stemmen 38. Dat woert
was 6ode beqnamer, Ruusb. 3, 93. Ie ontfa . . .
Dwen heyligen lichame, die is my soete ende be-
quame, Rnusb. 5, 14. Boesheit nyemant en is
beqnaem, MLoep I, 3175. Desen name was hem
harde wel beqname, Theoph. 141. Dese wort syn
hem beqname , Bmnn , ende daden hem so sochte !
Rein. 1 , 620. Want si (mildheid) Gode beqname sy ,
Velth. I, 33, 73. — Vooral met het onb. vnw.
het (dat) als ondw. Het is mi beqname, het
M mij aangenaam, het is mij lief, het is naar
mjn genoegen, ik heb lust, ik ben genegen, ik wil.
Alst n es beqname, als het u belieft. ||Waert
dat u beqname ware . . ., men sonde mi niet
verdri?en. Maer es dat sake dat n es leet, ie
mme die berberge gereet, Ferg. 832. Alst onsen
Here was beqname , so wan hi an hare enen sone ,
Rijmb. 15160; „toen het met Gods raad overeen-
kwam, toen God het wilde.^'' Ridder, eist n be-
qname , nn seeht mi wies ghi n gheneert , C. en El.
487. Dat was hem allen wel beqname , dat hi ont-
fine den groten name, Ferg. 249. Dat het ware
hare beqname, dat soene te manne name, Sp. l'',
11, 43. Vrouwe, sint n es beqname, soe doe iet
gheme, jAinb. VI, 1011. Dat ware mi vele bat
beqname, 1321. Ie moneghe jon, dat moete be-
qname Gode s\jn ende sire moeder mede. Wal.
4100. Het es mi beqname, wat soe mi doet, 7733.
Hets mi beqname van jon, mddre, 4580. Dat
was Fransoyse zere beqname. Franc. 4602. Zoo
ook Hild. 1, 37; 58, 172; 119, 185; 202, 265;
Tien PI. 2189; Ferg. 1041; OVl. Qed. 2, 51i. —
Ook in verbinding met andere woorden (bnw. of
znw.), waardoor de bet. van lief nog duidelijker
aan het licht komt (vgl. boven Ferg. 832: u es
befuame — u es leet). \\ Meneghen waest beqname
ende lief, L. o. H. 796. Ie wilde wel, here, waert
nwe bedarve ent n beqname ware ooe, here, dat
ghi ons blevet emmermere. Wal. 2534. Opdat
a wille es ende beqname, ie bidde n, segt mi
nwen name , Lansl. 455. Waert n wille ende be-
qname, so sondie gheme nwe name weten. Wal.
2779. Oft n wille es ende beqname, 5318. £est
hen beqname ochte verdriet {lief of leet), s\ moeien
haer vonnesse horen, Lorr. V, 176.
Aanm. — In plaats van den 3den nv. vindt
men somtgds een voorz. gebrnikt, nl. vore (d. i.
9oor hef aangezicht van) en m e t (d. i. bij) , maar
alleen, wanneer er van God gesproken wordt. ||
Afi dunct, dat weldoen, vrolije sijn, twe punte
8i)n van hoghen naem . . . ; daer om sijn si vor
Gode beqnaem, Vrouw. e. M. VI, 57. Wie na
hem laet goeden name, dat hi vore Gode es be-
qname, Doet. III, 317. Ongheveinst in eiker stede,
dits met Gode beqname sere, III, 1200. Ontfer-
micheit . . , die vor den here es soe beqname,
BlUc. V. M. 983.
B. Van becomen,in den zin van passen (ald. C).
I. Absolnnt.
7) Aan het doel beantwoordende , gepast , geschikt ,
netjes. || So beqname waren haer woert, Wrake
I, 1564.
8) By uitbreiding. Qoed in orde, ongeschonden. \\
Dese heilege lichame was vonden snver ende be-
qname, Sp. W* , 49, 43. Na den brande vonden
si beqname gheheel den heilegen lichame, 11^,
69, 5. (Herodes) maeete eiken (muur) also be-
qname, Bijmb. 31291.
II. Met eene bepaling in den Sden nv.
9) Passende voor, in overeenstemming met. \\ (Den
doode) gaf sijn goede sone alsnlke eere, alsnlke
werden , alse beqname es der erden , Sp. III* , 75, 66.
III. Absoluut of met eene bepaling in den 3den nv.
10) Heihaam, nuttig. || Daerbi en sonde men
niet eten dan vor dat die hongher qname an,
soe sonde die spise sijn beqname ende ghesont
sijn den lichame , Doet. III , 1055. Dat merch hier
of es beqname, wantet ontslunt den lechame ende
es goet jeghen den heten rede, Nat. BI. IX, 235.
So sondet syn soe veel beqnaem, die zuete spise
mit hongher te eten, MLoep II, 1788. Si syn
nntte ende beqname, (hun) die siee syn in den
lechame, Nat. BI. VIII, 331. Wantse (de trouw)
eiken heer is wel beqnaem, dat hi in eren set
sijn leven, Hild. 207, 274.
11) Ook in de thans gewone beteekenissen van
geschikt en knap , kwam beqname voor. Zoo b. v.
MLoep II, 2621; Franc. 8883; Sp. IV, S, 80.
— Ook als znw. gebr. in den zin van geschikt,
knap man, Sp. U" , 38, 72 (het lat heeft geheel
iets anders, nl. duo albati).
Als BiJW. — 1) Met den 3den nv. Gode be-
qname, op eene Gode welbehaag lij ke wijze, \\ Leve
Gode beqname ende wes ghestorven alder werlt.
Stemmen 18.
2) Op eene gepaste, geschikte, waardige wijze. \\
(Die) ghewaden . . . daer men op sacreert be-
qname Gods ons heren lichame, Lsp. II, 48, 26.
Assnria . ., dat van Assur . . ontfine sine rechte
name, ende bleef hem ooe sint beqname, Alex.
VII, 1033.
3) Op eene verstandige, bekwame wijze. \\ Een
epistle sereef hi beqname vander drievoldechede ,
Lsp. II, 44, 188.
BEQUAME, znw. vr. Van becomen (zie ald.).
Genoegen, genot (vgl. onze nitdr. ri;W bekomst eten
met zijn genoegen eten).
1) Van de genietingen des lichaams. Zingenot,
lust. II Ter vierder nacht saltnse ontfaen, (meer)
omme kindre an hare te winne, danne omme dijns
vleeschs beqname, Bijmb. 15635.
2) Van geestelijk genot. Genot, blijdschap,
vreugde. || En es geen hoeeskijn (in den hemel)
oec mede . . . noch in ziele, no in lichame, en
si vervult met alre beqname ; het sal al vol sijn ende
overvloeien van alre bliscap, Velth. Vlll, 32,21.
BEQUAMELIJC (becamklijc. Nat. BI. V,343
var.), bnw. en bijw. Mnd. bequemelik; mhd. be-
gtuemelich. In zyne verschillende beteekenissen
geheel overeenkomende met beqttame , doch minder
in gebruik (zie ald.).
A. Van bequame, in den zin van aangenaam (ald. A).
a^ Absoluut.
1} Aangenaam voor het oog, schoon, liefelijk,
lief, ook in verbinding met scone. || Scone was
hi ende beqnameltjc Hector; Parise haddi ghelijc,
Parth. 219. Dat hi haer so bequamelijc doehte,
dat soene anders minnen moehte , 5746. Men seghet
over waer, dat die nature noyt ne makede so
seonen man ; bequamelijc was hi te seonwene an ,
6218. U oghen claer ende nwen mont . . , n arme
lanc ende slecht ende al n lijf beqnamelike, 7470.
2) Aangentuim voor het oor, welluidend, liefelijk.
Vgl. bij het Bijw. 1).
29
899
BEQÜ.
ÊEQÜ.
900
3) Aangenaam van smaak ^ lekker, \\ Beqnamelic
es hi in sijn eten, maer onverdnwelic , Nat. BI,
Y, 343. fiequ&melic tetene ende ehesont, 614.
Een stic van ere honichraten , die beqnamelic es
te maten, Rein. I, 1117.
4) Aangenaam voor het gevoel^ liefelijk^ prettig. ||
Hoe soete het doeit {doei) ende hoe bequamelic daer
in {in den tuin) te sine, Flor. 2645.
6) Met eene bepaling in den 3den nv.
6) Aan iemand aangenaam ^ welgevallig^ genoeg-
lijk voor iemand. Van personen en Eaken ; ook met
het onb. vnw. het. || Die lucht die zoe {de bloem)
te ghevene pliet, die es hem zeere bequamelic,
on. Lied. e. O. 406, 72. Dats Gode bequamelijc
sere, dat men hem dat gheeft dat heeft macht te
nuttene als men leeft, Sp. 11^, 2, 58. Oftic noyt
teneger stede dat di {Ood) bequamelic was, dede,
Lanc. III , 9826. Also es die ghere nu in 'mi , dat
ie Gode beqnamelic si, i^. 11^, 36, 67. Daticker
80 ghedoe , dat haer iet bequamelic si , Parth. 3286.
Daer thaer lief ende bequamelijc ware, 6812. Daert
der vrouwen beqnamelic ware , 6262. Latent andren
Inden lesen , dien dit donct beqnamelic wesen ,
MLoep III, 17.
B. Van bequame^ in den zin Ynn passend , overeen-
stemmend.
6) Overeenkomend, overeenstemmend. \\ Nochtan
dat vele valsche ghetughen daer quamen . . .,
maer haer ghetnghenisse en was niet bequamelyc ,
Runsb. 5, 217.
7) Met eene bep. in den 3den ut. Nuttig, keil-
saam. \\ Exemplen ... die ghenuechlijc sgn te
hoeren ende bequamelijc sijn den leeken, Belg.
Mus. 8, 273, 93. Ghi selt u tonghe daer toe
breken, dat si oec soetelec sal spreken nadat be-
quamelec si ende goet, Doet. I, 252.
Als BIJW. — 1) Op eene aangename , welluidende
wijze. II Die stimmen soe bequamelike singen ende
soe soete, dat hi bi dien dingen niet ne waende
horen menscelike die stimmen, maer geestelike,
Lanc. II, 4013.
2) Op eene gepaste, geschikte wijze, gepast. ||
Niement en mach hoger noch soeter noch bequa-
meliker grueten of loven die . . . maghet Maria,
dan mitter engelscher grueten , Bevoel B. (36) 84 v.
BEQÜAMELICHEIT, znw. vr. Mhd. beguame-
licheit.
1) Van bequamelijc, in den zin van genoeglijk.
Genoegen, genoeglijkheid , genot. \\ Claerheit ende
vroy licheit, bequamelicheit, scoonheit, enz. O VI.
Oed. 2, 51a. Ay Heere, dese scoonheit en es
niet te grondeeme, hoe groote bequamelicheit
ende hoe groote vroylicheit . . . ende hoe mue-
ghelic eyst in den inghelen coor, 63a.
2) Van bequamelijc in den zin van overeenstem-
mend (zie ald. 6). Overeenkomst. \\ (Si) hebben
een bequamelicheit mitten duutschen van Germa-
nien, mer si en gheren noch en roven so niet,
Barth. 621*.
BEQUAMICH, bnw. Van bequame. Vgl. mhd.
bequemicheit (Lubben 1 , 237a). Geschikt, gepast,
het bijbelsche wel aangenaam. || Nu es die bequa-
mighe tijt dat alle menschen met rechte selen
vresen den lesten dach, Runsb. 5, 103.
BEQUECKEN. Zie beqüickf.n.
BEQUEKEN, zw. ww. bedr. Vgl. mhd. bequicken.
Opkweeken, herstellen, ver f risschen. Kil. re/ocillare,
reficere. \\ Hy moet oec kennen die vervnlicheden
idelen ende de geïdelde bequeken , dat hi den sieken
kan leden te getemperden fuchticheden , Lanfr.
13r. Vgl. BEQUICKEN.
BEQÜELEN, st. ww. bedr. (*^^im/, in den cooj.
bequole, bequolen {Bmel. 341; lAmb. III; 1218; t^I.
Aiol.-fr. , Aant. op ts. 966). Mhd. beqwUi. Yis
quelen (zie ald.).
1) Evenals onze nitdr. htt besterven bet. ie%
gevolge van iets sterven, zoo bet. beqnelen eig. U%
gevolge van iets quelen, d. i. uitteren, verhnjnen,
wegkwijnen ; Kil. elanguere. De door JonckbL ii
LÖrr. Gloss. opgegeven bet. in zwijm vallen is
minder juist. Vooral als het gevolg eener ziekte
of van honger. || Den man die inden moet al verert
is ende verwoet, ende bequolen van siechedeo,
Troyen 7824. Die maget flne, . . die hi waende
dat in tverdriet van hongere sere bequolen wtre,
Sp. 11^, 4, 81. Nochtanne wasse (de Arwwede)
Hongeren cameriere ende diende hare , so dat agt
bequal ende bemende was van hongere al, Km
9526. — Iet beqnelen, ten gevolge van ieU
wegkwijnen , uitteren ; meermalen in verbinding met
sterven of besterven. \\ Miins leets es te vele,hets
wonder dat iet niet en bequele, Idmb. I, 1329. Ie
ben seker, dat iet bequole of storve , en vondicker
niet, III, 1218. Die so groese droeif heide haven,
dat sij id beqnelen . . oif besterven sullen, XII,
1078 var. (deze regels zgn uit de Nederrgnxche
vertaling, maar de woorden zgn Mnl.). Die vrouwe
viel in rouwen so groet , dat sijt enen tg t bequiL
Doch so ginct over haer al, want syt bestiref
cortelike, Lorr. I, 730. Hare soude dunken , sonde
sijs helen , si sont besterven oft beqnelen, BoselZlkl.
2) Bij uitbreiding. De treurige gevolgen van ietx
ondervinden, eene zaak bezuren. \\H.Gntc)ï es doot,
die oec bequal sine gulsicheit, Wap. Bog. 1218.
U minne die moet ie bequelen, Vtzd. Jfia.2,202,
68. — Het bequelen, het bezuren. || Heesters
warent {de heiligen) van goeder scolen ; hare woert,
hare daet, hoe syt bequolen , verlichten die Heilige
Kerke , Bincl. 340. Dat sy niet en connen ghehelen;
. . ie moet beqnelen, Sacr. 1232; d. i. j,ik wtoet
het b. , dat zij*^ enz. Dus moet ghy met my thameer
vleesch derven, ie salt dnchtich bequelen, ^d.
Kluchtsp. 80, 49.
Aanm. — De bet bezwijmen schijnt beter te
passen Ned. Kluchtsp. 91, 45: |i „Wat sal dtn de
reste blijven , berecht my datte, eer ick bequele,"
doch dit stuk dateert uit de latere Middeleenweo.
BEQUELLEN, zw. ww. bedr. Van het intr.
quellen (zie ald.). Eig. ten gevolge van iets ftef-
kwijnen, en bij uitbreiding: de treurige gevolgn
van iets ondervinden, het bezuren. Vgl. BEQUELEN
2). II Can tfieesch niet doen, so ghi secht, so
dincke mi dan groet onrecht, dat bequellen noet
die overmate, die men hem secht (/. lecht), l^sf.
Bog. 352.
BEQUICKEN (BEQUECKEN), zw. ww. bedr. Hkd.
bequicken-. Kil.: refocillare, reficere (ex Plintiool
Verkwikken, verfrisschen. \\ Doe Samson datwiter
ghedroncken hadde , so beequecte (/. beqnecte) ki
sinen gheest ende ontfinc weder crachte, D. B.
Recht. 16, 19. Watere, meer hem daer mede te
beqneckene, dan om te drinckene, Judith 7, 7.
-BER, toonlooze vorm van -boer, die niist
-boer in \ mnl. als in andere ogerm. talen jnto-
malen voorkomt Vgl. Weigand 1 , 142. Het i$
deze uitgang die nog by ons bestaat in dei
vorm — bre (= bere). Zoo vindt men mnl. dém^
{Devoet B. (30) 23rf) ; ondancber, wamdelèer {Bngu-
2, 294, 299); te vmchtberre {Devoet B. (30) ör);
onwandelber (ald. 145r); sienber , onsienber (Bn^
1, 306); enz.
BERADELIJC, bnw. Van hem beraden, d. i.
901
ËEÉIA.
ÖEftA.
902
overleggen (sie ald.). Overleggend^ voorsichiig^ om-
zieAtig, ingetogen. \\ Scamel in haer tale, beradelic
Tsn ghedachten, Èoee v. d, L. J. 14^.
2) Verraderlijk^ valecA, bedrieglijk, || Met ere
beradeliker daet worden die goede cnapen yerslegen ,
Velth. VI, 27, 64. Of heeft men hier te doen met
wne yerkeerde lezing voor verradelike?
BERADEN, st. ww. bedr., wederk. en onz.
Mnd. beraden; mhd. berdten,
Bedr. — 1) Baden^ raadgeven, — a) Met den 4den
nT. der zaak en den 3den van den pers. Raden ^
aanraden. \\ Hi hevet n qualike gbedient, die n
beriet desen ganc , Hein, 1 , 550. Ghegbeyen . . .
den adyocaet . . over de moynesse die bi badde
hemlieden te beradene np den beesch yan den
^ye yan Saint Pol, Invent, v. Brugge 3, 408.
— Ook met een afb. sin, zonder dat de pers.
uitgedrukt wordt. |) Hi beriet, datmen voere np dat
gediet, Sp. I*, 18, 33. Dies si ontbieden Pontiusse
ende doen bem beraden, boe si dmeeste gelove
daden, U*, 16, 84 (zg laten hem rAi^^^;»,boe
zij de grootste eer aan de Gode zullen bewijzen;"
of moet men opvatten doen bem bem beraden,
laien hem giek bedenken'^),
b) Met den 4den nv. yan den pers. Raadgeven^
raden ^ voorlichten, \\ Pointen ... die wel moghen
staen in staden hem , die heren sullen beraden ,
Heim. 1868. (Hi) bat, dat bine beraden sonde ; die
goede man vrageden also boude , waer af hi raet
sochte, Lane, III, 2867. Dus beriet soene ende met
desen sciet soe yan hem wenende sere, ende beyalne
Gode Onsen Here, ParM. 2356. Die lude leerde hg
ende beriet, . . wie sQ Goids rijke souden moghen
erweryen , Serv. 1 , 3104. Ie ben haer gevangen daer,
inne mach u niet staen in staden. Maer radiit, ie
sal u beraden, dat wi selen den pays maken,
IMab. XII, 861; y^ indien gij het vilt, dan zal
ik u raad gevenP Maer God onse here diet al
yeniet, als bi {Josef) dat peinsde (nl. Maria te
verlaten), hine saen beriet, eum inetruxit, L,o.H.
265. {Joxef en Maria) riepen an den hoghen God
dat hise beriede, 339. — Ook met eene zaak als
ondw. Leiden, voorlichten. || En sidatkerebivalschen
rade der niders, die noit doght beriet, Vad.Mtu,
1, 383, 53. — De onb.^wQs als znw., indeuitdr.
Negeen beraden weten, geen raad weien.\\
Wildi mi niet dat helpen draghen, so en wetic
mijns negheen beraden, O VI, lAed, e. (7.255,659.
2) Door zijn raad of zijne aaneporing bewerken,
uitwerken , veroorzaken. Met den 4den nv. der zaak.
a) In goeden zin. Bewerken, tot etand brengen. \\
Die menech goet dede ende daer toe beriet, Sp. W,
34, 2. Diet allene bevet beraden, dat die riddren
daer s^n comen, Parih. 5922. Dat wonde God,
diet beriet, Serv, II, 394. Dat was sgn wille ende
sijn ghebot, dat ment beriet ende began,416.
b) Meestal in kwaden zin , zóó dat de zaak die
het voorw. is , ten nadeele van den een of ander
geschiedt. Bewerken, brouwen, de hand hebben in,
aanetoken, op het touw zetten. \\ Dit heeft beraden
die lede nyt; hi si vermaledijt, diet beriet. Flor.
157. Die beriet strijt up Jonathas, Rijmb. 19820.
Diet alremeest berieden , sgn som van minen liefsten
maghen , die ie node sonde bedraghen , Rein. 1 , 2198.
— Vooral verbonden met een onb. vnw. (dit, het)
en het onb. telw. al. ||A1 warent heidine, die dit
daden, die Joeden haddent al beraden, Rijmb.
26401 (nl. den dood van Jezue), Dit beriet al
Jesabel, die coninghinne, Achabs wijf, 12758.
Maximus, diet alberiet. . . omme die seone keyse-
rinne, daer hi ane leide sine minne, Sp. III*,
28, 15. Twi maecstu also groot gescal; du
heves dit beraden al, III*, 20, 53. Dat beriet
her Robbrecht al, £em. 29. Omme dat wi sine
scade niet berieden , Brand. 1988. — Ook verbonden
met een afb. zin met dat. ||Hi . . maecte ende be-
riet, dat al tlant van Galylee up Josephuse ward
ghevee , Rijmb, 28236. Hy was algader maker des
ende beriet, dat Philochetes, Peans soen , van ons
is los, Troyen 6962.
3) Deze bet. bewerken, veroorzaken in verband
met een pers. gedacht, voor wien men iets goeds
uitwerkt , gaat over in die van iemand iets bezorgen.
— a) Met den 3den nv. van den pers. of der zaak
en den 4den nv. der zaak. Bezorgen, verschaffen,
verleenen. || Oec soe en ghenueghet hem niet die
verewe, die hem beriet die nature van Godes
halven, V. d. Wiven 39. Bidden hem dore ge-
nade, dat hi ons succors berade, also dat onse
jonchere blive in sijn goet, in sijn ere, Qrimb. II,
5318 (vgl. 5362 en 6233). Si minden vrouwen wel
bekent, scone ende edel, up sulc covent, dat hem
God oyr beriede, Wap. Mart. II, 176. Joncfrouwe,
nu moeti beraden mi wapine ende ors . . ; ie salre
u toe beraden ghenoech, Parth. 3287. Doe riepen
si an Gode ghenaden, ende hi gaf hem ende
heefse (l. heeft) beraden Calefs broeder Othoniel,
Rijmb. 7217. Doe riepen si an Gode ghenaden,
die hem enen troost heeft beraden, 7243. Die
ere.., die hem die vader beriet, 13698. Icwane,
u God dit beriet, 3124. Doen riepen si: St. Jan
heeft {d. i. heeft het) ons beraden, Tst. BI. 1616. Ie
sals u also vele (honig) beraden, ghine atet niet
met u tiene , Rein. I, 592. God die mi beriedt den
droem, Rincl. 750. Dien nacht hadden si alder
genaden, die hen {d, i. hem) die clusenare mochte
beraden , Lanc. II , 45347. Beter wapine , dan ie n
sal te desen tomoye beraden al, Parth. 4194.
Daer si den kerstenen werclieden van Trasonne
hare spise berieden, Sp. II*, 35, 13. Sij hadden
hulpe groot, die hon der goede God beriet, Serv. II ,
1524. Doen stichte hij te Gorzlaer . . eyn Goids
huys berde eerlijck; provonden h^ daer toe {d, i.
daarvoor) beriet, II, 2074. Een beter (ors) salie
u beraden, Lorr.-fr. I, 453. Soe als die weert
is, soe beraedt Godt oem {d. i. hem) die gasten,
Spreuken 40. — Hiertoe behoort ook Alez. 1, 1299 :
II Wonde mi God also beraden, dat welctijt soe ie
doet bleve, sulc eAi cleerc mine daet bescreve,
d. i. „wilde God mg dit verleenen, mij dit voor-
recht schenken,'''' Het bijw. also vervangt de plaats
van een onb. vnw., evenals Eng. so en Lat. sic of
ita. Zie bij also en so. — Ironiek gebruikt
Rein, 1 , 638. || Reinaert meende van groten slaghen;
dat was dat hi hem beriet.
b) Met den 4den nv. van den pers. of der zaak,
en eene bep. met van of mede ter aanduiding van
den pers. of de zaak, welke men iemand bezorgt.
Voorzien van, begiftigen, beschenken met, iets
schenken aan, \\ Doe riepen si an Gode ghenaden
ende hi heeft hem (ace.) beraden met enen
prophete, Rijmb, 7445. Na paues Stevene wart
fecoren . . een paues die Gelasins biet, daer God
ie werelt mede beriet, Sp. IV*, 35, 1. Doe waren
vele wel (d. i. zeer goed) beraden die Grimberchsche
heren ende voirsien van vele lieden , Grimb. 1, 2679.
Dat hem niemen en sonde beraden noch van
dranke noch van ate, Sp. II*, 47, 42. Die lijfnere
daer hi mede beraden die goede heeft metten
quaden, tranc. 1433.
4) Met den 4den nv. der zaak. Bezorgen, in
orde brengen, bereiden, pi aepareeren , schikken^
903
BERA.
BERA.
904
regelen^ waarvoor het gewone mnl. woord begaden
is (zie ald. en verg. onder 9). || Sy hadden langhe
daer bevoren haer dinck daer toe beraden, alse
die wijsliken daden, -Sérp. II, 1351. Vgl. Wederk. 3).
5) Met den 4den nv. van den pers. of der zaak.
Verzorgen^ van het noodige voorzien. \\ Dan ward
die werelt als die bruut, die hare vnlwassen toghet
al nut ende met vruchte al vuiladen, als diet al
wille beraden, Heim. 1103. Gelijc een pottere
maect syn vat, sciep God eiken ende beriet na sijn
gevoech , BincL 1013. Dus quani die riddere beraden
sine wapine ende sine gewaden ende syn ors scone
ende groet, dat was al be verwet roet algadermet
sijns selfs blode, Lanc. 11, 42595. Staet in
staden desen cnape, dat hi werde beraden, JAmb.
X, 555. Soe wye gberechte ghecoechte smaect,
dat is die gheen die Gode uaect want hi sellen
wel beraden, Hild. 218, 151. (Dat) hidenlechame
so beraet, dat hi hem sine nooddrufte gheve,
Heim. 1430. Biddet Gode genade, datti u berade
ten besten, Vad. Mm. 2, 42, 63. — Het verl.
deelw. beraden, van het noodige voorzien , toe-
geruit. \\ Dat gi te hove comt also saen so tarnasch
ende so beraden , dat gi mi moget staen in staden,
Roie fr. 248, 47. — Ook gebruikt van iemands
kinderen. Ze verzorgen , hen aan een besf^ian helden,
hun de midelen venchaffen om in hun onderhoud
te voorzien, \\ Sidi mit kindren verladen, die ghi
niet wel en cont beraden, so doetse dan daer toe
keren , datsi haer ambocht leren , Ltp. III , 3 , 323.
— Daaruit ontwikkelde zich de speciale bet. van
6) {Zijnen tinderen) uitkeering doen , een huwelijkt-
gift medegeven , hun uitboedeling geven , hen boedelen ,
hetzelfde als mnl. een kint begeven (welke bet.
bij BEGEVEN niet is vermeld). Ëen onberaden
kint is dus hetzelfde als een onbegeven tint. Van
hier weer de beteekenis uithuwelijken ; vgl. lat. collo-
care. || Onse kinderen dat wy de beraden solen nae
rade des heren van Bronchorst, Nijh. 2, 148 {a. 1360;
vgl. de noot ald.). Waer man ende w{jf to samen
sitten die kinder hebben een of meer, die si be-
raden hebben, Stadsr. v. Zwolle 129, 218. Man of
vrouwe die een kint of twe of meer hebben, dier
si een deel beraden hebben ende een deel niet,
130, 219. Willen die kinder, die beraden sin, dan
inbrenghen dat goet, ald. Mer en wolden dan die
beraden kindere niet inbrenghen, so zolden die
onberaden kindere die voerscreven erffnisse allene
beholden , ald. Die met hem in den huus wonen, daer
die brudegom ende bruut uyt beraden sijn, Stadsr, v.
Zwolle 103 , 152. Vgl. Nijh. 2 , 148 noot. Loveden die
kinder, die men beriede , vader of moeder niet te ont-
gheven of te ontmaken , 131 , 222. Waer man ofte
wijff . . . oer dochter beraden ende boedelinge geven ,
Etst. V. Dr. 16. Als vader ende moeder starven . . .,
die beraden kinderen hebben. Racer 4, 231. So
sullen die geene, die beraden sijn, dat goet weder
inbringen , ¥r. Stadr. 205, 115. Vgl. onbiraden,
ald. — De intrans. opvatting van dit beraden,
zie bij Onz.
7) Met den 4den nv. van den pers. en eene bep.
met van. Iemand beschutten^ beschermen tegen. ||
Dus souden die starke ende die vroede den cranken
nemen in hare hoede ende bewaren ende beraden
beide van scanden ende van scaden , Nat. BI. III ,
3205. Die hoecheit {van Maria^s genade) heeft den
Hemel beraden van den valle die zi daden die nu zijn
helsche keitive , Lett. N. ^. 5* , 80. — De onb. wijs
als znw. gebruikt. Bescherming^ hoede. \\ Of zoedi
minde zo overzeere, dat zoe haer bode (praet.
QOnj.) in dijn beraden, OFl. Lied. e. G. 512, 556.
8) De gewone bet. van iemand beraden is die
van iemand helpen^ bijstaan^ hem met raad en
daad ondersteunen. Vgl. het Lat. consuUre alietn.
a) Met een menseh als ondw. || Hem salmen mit
herten fijn gheven ende staen in staden, helpea
ende ooc beraden, Lsp. III, 22, 14 var. Die
joncfrou was te voren mit anderen saken soe be-
laden, sine conde mi niet wel beraden, Hild.
53, 122. Hi, diese sach in berouwe groet, ont-
faermde hoerre groter noot . . . ende seide: hi
soude hare bersten, Sp. P, 66, 150. Eenvon-
dighen lieden staen in staden, ende onnoselen sal
hi beraden, Jleim. 171. Weduwen ende weysen
die troeste hi ende beriet, Serv. I, 2226. Die
andren lieden stont in st4iden ne mach hem selveo
niet beraden, Rijmb. 26487. (Hi) bat Gode, dat
hi sijn volc mochte beraden, Sp. III ^, 2, 51.
Want si guede gesellen (ace.) beraden als si mit com-
mer sijn beladen, Fr. e. M. XI, 133. Noch hevet
hi mi wel beraden jeghen meneghen viant,Par^.
7681. So bid ie n dat ghi mi beraet als die vader
doet Hjjn kint, Segh. 2878. Hi ne const hem niet
beraden noch ter noot staen in staden, 10279.
b) Met Ood^ Christus^ Maria of een HeiUge ah
ondw. Helpen^ bijstaan ^ genadig zijn. || Almechtich
Vader, ewich here, die de zonderen dus zere
mids sire goedheit can beraden ende bringhea
ter eweliker ghenaden, Lsp. II, 36, 2001. Alau>
ghewaerlike als ie das gheloove, moeti {Marie)
mi beraden, dat ie een deel van uwer ghenaden,
eer ie sterve, ghenieten moete, Parth. 2479. Ea
es sondare groot no clene , ghine {Maria) moetene
beraden . . .; nu staet mi, vrauwe, in staden,
on. Lied. e. O. 51, 45. Want soe {Maria) hevet
al beraden, soe es van dien sondegen die sake.
Sp. I', 66, 164; „«/ zorgt voor^ helpt iedereen,^
Bi Gods gracie, die mi beriet, Flandr. 1, 260.
Gode, . . . die niemen moghen beraden , ^. I*, 15^
27. Maria heeftene saen beraden, I^, 75, 40.
(Hi) bat oec an hare ghenaden, dat soene moest<
beraden, I^ , 77, 69. Dat hem God ahsoe be-
riede, Hild. 175, 71. Hi sal die dode doen op-
staen . . ; den meneghen (4de nv. enkelv. van d*€
meneghe) sal Hi beraden, Wrate I, 1758. God...
die den meneghen heeft beraden , Doet. III , 1001.
Ghi {Maria) hebt den meneghen beraden ende
ghetroest van zericheit, Rijmb. 11. Aenbedet tkint
ghereit . . ; het sal di thant beraden , Lsp. II , 9 , 157.
Sinte Servaes , die mich loeste ende mich dae alsoe
beriet, Serv. II, 2538. Zoo ook Tkeoph. 1371, e. e.;
Franc. 440, 5952; Fad. Mus. II , 404 , 50 ; 66; C. en EL
546 ; 1401 ; fFal. 479 ; Lanc. II , 43135 ; Z. o. H, 3220;
Limb. IV, 1488; Nat. BI. II, 62; Boetps. 32,
52; 130, 52. — Ook als bepaalde formule God
berade mi, di; oi God moete mi, di bera-
den, God zij mij ^ ?«, enz. genadig. Die rike Godt
moet mi beraden, Ferg. 3178. Nu soe moet ai
God beraden, want die scouden die syn mine,
Fad. Mus. 1, 393, 63. Hier es tende: Gv^
moete ons beraden, Rijmb. 27096. Belyn, Gvtd
moete u beraden , Rein. 1 , 3213. Nu berade ons God
van paradijs I Flovent 362. Dat u God berade,
Teest. 465. — Ook met hef gelut als ondw., bf
persoonsverbeelding voor de gelutsgodin. \\ Tgelve
sal u vele bat beraden, tgelt en hulpt n m^i
een slee, Fad. Mm. 2, 167, 61.
9) Ironiek gebruikt gaat de bet. helj^m over
in die van toetakelen ^ waarvoor het gewone woord
begaden is (zie ald.). Vgl. onze uitdr. it s»l jf
wel helpen , d. i. it zal je een duchtig pak siamf
geven j gebezigd tegen iemand die straf heeft vs^
905
BERA.
BERA.
906
diend. || O wacharme, geselle, boe sidi dus be-
raden! Ie vmchte, u ne sal staen te staden ersa-
tere ter werelt nembermeer, Lane. II, 45144.
10) De onder 2) genoemde bet. bewerken, per-
oorcaken^ in verband gedacht met een pers., voor
wien men iets kwaads, i«ts nadeeligs uitwerkt,
gaat over in die van bezorgen, berokkenen. Met
den 3den nv.van den pers. en den 4den nv. der zaak. ||
Twijf beriet hem enen ban , so dat hi was des
lantü verdreven, Sp. IV*, 14, 22. De ghene de
hem dat berieden mochten si haten, waren si
vroct, Stoke V, 838. Die grave, die dit der
coninginnen vri beraden hadde, Limb. III, 911.
Nochtan Reinaert di tal beriet. Rein, I, 1926. Hi
sal ons beraden menegen strijt, Lanc, IV, 4660.
Noch so souden si ter vaert Cristumme de doet
beraden, also die scriben ende die phareseeusche
daden, Teest. 3523. — Vooral gebruikelijk ver-
bonden met een znw. , dat verdriet, ttnart, nadeel,
onheil, sckad-e uitdrukt, b. v. Enen toren be-
raden, iemand verdriet berokkenen, het hem aan-
doen, iem. in verdriet brengen. \\Ddi,et sij mede be-
zwaren haer doghen, groten toerne hem {sibi) beraden
ende hoir herte met drucke laden, MLoep IV,
2196. Hi es die den meueghen ontherft ende be-
raet toren ende scande. Wal. 9006. Hi peiusede
dus , dat hi hem toren beraden soude ende ver-
driet, Segh. 5274. Hi soude hem beraden toren,
Sp. 11^, 35, 48. Dies sal hi hem beraden toren,
Éincl. 1049. Alse u de viant meneghen toren be-
riet, want hi a ziele beneet, Vad. Mus. 2, 402,
20. Een wijf, die na geselscap steit, haer wert
lichte beraden toren, zij wordt Ucht in verdriet ge-
bracht, komt er licht in, 1, 78, 5. (Si) woude
emmer beraden toren haren sone , Wrake III , 2244.
Hoe eens den schalken wort beraden torment,
hoe zij eent gepijnigd znll^n worden, Hild. 33, 9.
81 hadden ons beraden stoot {tegenstand) ende
meneghen man gheslagen doot, Wittek. v. S. 117.
AVat ghi mi al leets beraet, Sp. V, 72, 34. Zoo
ook enen leet beraden. Flor. 1910; Rincl. 1154;
^ad. Mus. 2, 43, 118; JBrab. T. VII, 15315. Enen
noot beraden, Brab. Y. VI, 5893; Stoke 11,797;
Fragm. Carl. 78. Enen arch beraden , Sra^. y. VII,
15325. Enen wee b., MLoep II, 777; Lanc. II,
45383, 45795. So wee. Ren. 1021 en 1067; E.
nose b. Segh. 9214. E. pine b., S^. IV», 58, 45;
G/or. 116; Rein. I, 2976; Amand II, 4621. E.
ongheval b., Parth. 3020. E. rouwe b. , Stoke V,
436. E. pleit (moeite) b., Lanc. IV, 4591. E. ducht
b., £rab. r. VI, 9604. E. vernoyb., ParM. 1756;
Hor. Belg. 12, 39, 319; Bild., Versch. 4, 131.
£. scande b., Theoph. 106; Wal. 5671 ; E. scande b. ,
Heim. 663; Stoke II, 137. E. scande ende scade b. ,
Runsb. 5, 256; Troyen 6960. E. scade ende ver-
driet b., Trogen 6496. E. lachter b., Theoph.
319. E. grief b., Segh. 11512 var., 9791 var.
K. meskief b., Segh. 9791, 11512. Scade ende
Terlies b. , Lorr. fr. III , 288. — Ook met eene
xaak als ondw. || Loghene es ene mesdaet, die
live ende ziele evel beraet, Tien PI. 1845.
Wederk. — 1) Eigenlijk. Met zich zelven te
rade gaan, zich zelven raitdgeven.
a) Absoluut , of met eene bep. met van, op of om,
thans alleen met op verbonden. Zich bedenken , met
zich zelven te rade gaan. \\ (Dal) si hoir woude
beraden ende antwoorden hem met goeden staden,
MLoep IV, 2081. Nu beraet jou van desen. Wal.
4042. Ie wilre my gherne om beraden, Troyen
3140 (var. op).
b) Met een vragenden bijzin. Overleggen, met
zich zelven raad houden. || Die beste van den lieden
hem bespraken ende berieden; si souden hem . .
alle bespreken ende beraden, . . watter Orestes
best toe dade, Troyen 9365. Doen berieden hem
die keytive , weder si wouden hare wive varen besien
ende hare kinder, Alex. VI, 497. Hi ontboet
hem of si wouden, dat si hem beraden sonde,
weder si hem wouden ontfaen, so met stride weder-
staen, III, 593. Die Joden ghinghen hem be-
raden, wat si best metten boute daden, V.d.Houte
615. Oft ghi iet vemaemt, hoe si hem berieden,
waer si souden varen, doe si henen scieden.
Flor. 1896. Dat si hem berieden in welker wyse
dat hi mochte helpen, Amand 11, 71. Soe dat si hem
berieden, wat hem best te doene wa.Te,Bsop. XXIX, 2.
c) Met een byw. van wijze. Het aan/eggen, te
werk gaan, het overleggen. || Nu hoirt hier, hoe
hi (Ulixes) hem beriet, nl. om Achilles te vinden,
MLoep II, 2896. — Ook een besluit nemen, be-
sluiten. II (Hi) hevet hem also beraden, dat hi
hem sette an Gods genaden, Sp. III*, 21, 15.
Des wilde hi hem also beraden , dat hise in paise
upnemen wilde, Rijmb. 29984. Een mocht hem
so beraden, hy mocht den eisscher syn eisch
belyen. Of die heisscher mocht hem so beraden,
hy mocht den anderen onlusts verdragen of qujrte
scelden , Matth. 142. — Vandaar de met het deelw.
gevormde uitdr. also beraden. Zie het volg. art.
d) Met eene bep. met het voorz. met, gevolgd
door een persoon of eene zaak.
a) Met een persoon. Te rade gaan , raad houden ,
beraadslagen. || Dan sullen wi met desen heren ons
beraden ende bespreken , hoe wi ons best ghewreken.
Rein. 1, 434. Een vroet man, die Chusi biet,
daer hem David mede beriet dicken, alse h\js
hadde te doene, Rijmb. 10439. Ghi soutu beraden
met uwen besten vrienden ende maghen, Melib.
2079. Die mitten wisen hem beriede, hi soude
hem seker bet bewaren, Hild. 88, 82. Zo zonde
hem de ziekeheeren gherne bespreken, beraden
ende bevroeden met manlic andren ommegherecht
vonnesse te ghevene , Belg. Mus. 7 , 93. Soe beraet
hy hem mit synen talman ende mit synen vrienden
ende als hy hem beraden heeft, soe komt die
talman mit dier achtinghe in. Dingt. v. Delft 28.
^ Met eene zaak. Te rade gaan, te werk gaan. \\
Redene es nu sere versmaden . . ; woudic met
redenen mi beraden , het soude tallen steden scaden,
Kerk. Cl. 131.
2) Overleggen, het pUn maken, zich voornemen.
II Mettien dat si hem berieden , dat si wonden ten
tornoye varen, Limb. V, 502. Wel si XX.. jonge
lieden hadden hem beraden , dat sy Keyen souden
scaden ende scande doen , Velth. Il , 16 , 50. Ende
wat lande hem beriet jegen Rome te settene iet,
dat heelde verscndde entie belle clanc, Sp.l*,26,
59 (nl. : hem beriet hem te settene, „zich voor-
nam, om zich in een of ander opzicht (iet) tegen
Rome te verzetten^*). Een pape ... die hem te
makene beriet ene muelne. Franc. 8736.
3) Zich gereed maken, zich praepareeren (vgl.
BERADEN 4). || Die heren hem allen scieden ende
hem te slapene berieden, Troyen 568. Grave Dirc
. . vergaderde een groot haer . . ende tooch in
enen harden vorst . . tAlcmar. Daer hadden hem
die Vriesen stoutlic tegen beraet (/. beraden),
zich er op gepraepareerd , zich er tegen voorzien,
maatregelen er tegen genomen , Clerc 48. Amelis . .,
die hem wech beraden vaert, d. i. die wechvaert
hem beraden, Brab. T. II, 327 (Sp. III», 77,68;
die hem woch te beraden vaert).
907
BERA.
BI!:RA.
908
4) ZicA verzorgen. — a) Eigeulijk. Op zijn heil
letten^ voor zich zelven zorgen, || Doe mi til ij c dijn
ghenaden bekinnen , Uere , ende mi beraden , Boetp*,
143, 33. Nu eest tijt, dattu di selven (ChritlM
aan het kruit) beraet«; na soutn weten, bestn
God, qnite di selren sonder spot, L, o. H. 3110.
Die sinen tijt hier wel bedrivet met goeden wille
ende met weldaden, . . hi beeft hem zelven wel
beraden , Praet 687. — b) Zich verzorgen , in zijne be-
hoeften voorzien , zich generen , zijn onderhoud vinden.
Hetzelfde als hem behelpen, hem bedragen en ^^m
bejagen. Zie ald. en vgl. ber.\den in den zin van
helpen (ald. 8). || Tanden borge ende vanden staeden,
daer ie mi wel in can beraden. Base 10962. Dat
wij . . sloten noch steden nummermeer set ten noch
nemen en sullen, noch ons daer mede behelpen
noch beraden, Nijh. 3, 359 (a. 1419).
c) Met een ontk. bijzin. Ëig. voor zich zelven
zorgen, dat iets niet geschiedt, d. i. zich vrijwaren
tegen, verhoeden, voorkomen. \\ Al waric sterker dan
si vive, sone mochtic mi niet beraden , ie ne moet
sieden ende braden: die duvel hevet mi so ghe-
bonden, Wal. 558. — Over het deelw. beraden
van dit wederk. ww. , zie het volg. Art.
Onz. — Het onz. ww. beraden komt hoofdzakelijk
voor in de bet. van het wederk. hem beraden , en bet.
1) Overleggen, zich bedenken. —a) Absoluut. || Sinte
Fransois, staet mi in staden, help mi teser noot
beraden, Franc. 8987; „help mij in dezen nood
overleggen , raad schaffen.'*'' (Hi) hiet die heren beiden
met staden: hi wildem antworden ende beraden,
Sp. III*, 50, 89; d. i. volgens onze woordvoeging :
yfieraden ende hem antworden''^ {bf te verklaren
hem beraden?). — b) Met een onb. wijs met te.
Overleggen, zich voornemen, besluiten. || Ooc waren
si so fel van levene, dat si al die goede metten
quaden ende al die poort hadden beraden t% ver-
dervene ghemeenlike , Rtjmb. 31980 (lat. „ decreverat
perire). — c) Met eene bep. met het voorz. met.
Beraadslagen, overleggen, te ratte gaan met iemand.
II Balaam sprac: Laet mi beraden {of moet men
de woorden opvatten als : laet mi mi beraden ?) met
onsen Here ende blyf te nacht, Rijmb. 6038.
2) Trouwen. Plant, beraden, beraedt doen,
hylicken oft ]iovLweu,semarier.Yg\.BEK\DE'S,
bedr. 6).
Aanm. — Velth. VI, 9, 3: „Dese (ClemensV)
beriet vele dincs eer , vor dat hi dede sinen keer ,
dien hi den Coninc hadde gegeven ^\ is niet duidelijk,
doch beriet zal ook hier wel als overlegde op te
vatten zijn. De door Verdam, Taalk. Bijdr. 1,
139 , voorgestelde verandering is geene verbetering.
BERADEN, deelw. bnw. van hem beraden (zie
het vorig Art.). Het heeft eene opmerkelijke over-
eenkomst met bedacht, zoowel in bet. als in ge-
bruik (zie ald.).
A. Als bnw. , attributief gebruikt.
1) In de uitdr. Bi beraden rade, met voor-
bedachten rade, met voordacht. \\ Omme dat soe bi
beradenen rade Thanne van den Zande haren wet-
teliken man . . . dede jamerlike ende derliken
quetsene, Cannaert 155. Die huussuekinge dade
bi dage mit beradenen rade, en waer op sinen
hantdadegen viant . . ., hi waers om X pont,
Heelu, bl. 543. — Mit beradenen moede, na
rijp beraad, jj Mit wael beraidenen moede ende
voirdrachten synne, Nijh. 3, 223 (a. 1400).
2) In de uitdr. wel beraden, hetzelfde als w e 1
bedacht (zie ald.) ; het tegendeel van ons tegenw.
onberaden, d. i. onverstandig. Verstandig, wijs. \\
^.Ise wise lieden ende wel beraden, Cass. 962.
B. Verbonden met werden of sgn.
1) Beraden sijn, met een bijw. verbonden,
hetzelfde als het meer gebmikel^ke wel be-
raden sijn (werden), eig. goed overUgd hebeen,
d. i. verstandig zijn, een juist oordeel hebben,
gevat zijn. || Der joncfrouwen oom waa wel be-
raden, fTal. 4601. Die garsoen was wel beraden;
hi seide: Van lachtre ende van scade, here, so
verde jou God onse here. Wal. 1881. Die
sciltcnechte worden wel beraden, ende quamen
ghelopen altehant tote Waleweine, 2516: «z^ deden
verstandig, deden er wel aan, dat zg naar Wale-
wein snelden." Die sinen kindren so vele doet,
dat hi hem namaels bidden moet, hi en is niet
beraden wale, Lsp. III, 3, 331. Ygl. ook be-
PEiNST SIJN. — Crankelike beraden sgo,
onverstandig zijn , hetzelfde als evel bedacht sijn. ||
Doen wijs niet, soe syn wi dom; nochtan vintmer
noch wel zom, die cranckeliken sijn beraden,
Hild. 178, 343.
2) Overleggen, overdenken, bedenken. || Ay jonc-
frouwe! nu sgt beraden . . , hoe ghi mi tliif be-
houden moget, Lett. N. R. 1\ 151, 63.
3) Overleggen, besluiten, een besluit newun,
somtijds met bijvoeging van des. Vgl. ons bnw.
vastberaden. \\YWv&Tï sprac: Nu wert beraden ende
gheeft mi antworde van den saken, Maleg. 375.
Heren , sijd beraden ende hebt uwes selfs ghenadeo ,
Rijmb. 32027 {var. sijds beraden). Also dats folc
ward beraden dat si langer niet ne wilden, dat si
die o verbant behilden, 30138. Die van Rome en
wilden nemmee ghedoghen die overdaet . . . ende
worden anders beraden, dat si Pompeiuse sendea
int lant, Sp. I*, 66, 14. Dies was hi sciere be-
raden, dat hi dus sprac te Bruun den bere, Rein,
1 , 478. Here , seit si , bi ure genaden , ie sal weseo
alsoe beraden , Cass. 1355. Bi inspiratien des heylichs
geest so wert hi beraden tot geesteliker ridderscap
hem te geven om eewighen loon te vercrggen,
Exc. Oron. 22a. So wert hi beraden, mit somige
sinen gesellen te gaen int clooster te Groenendale, 37/.
4) Met den 2den nv. der zaak. Amn of over iets
denken. — a) Aan iets indachtich , gedaehtieh sijn. jj
Die keyser es geheet neder, die deser woort was
saen beraden, ende dede af sine diere gewadea,
ende hevet hem ontscoet, Sp. III •, 8,76. — b)Op
iets bedacht zijn. Met den 2den nv. van een aaaw.
vnw. of een afh. bijzin, jj Een ander cnape wis
dies bedacht, ende qnam te Gringolette ghegmen,
daerne Waleweyn liet staen. Wal. 838. Hier bi»
elc mensche beraden, dat een den andren sta ii
staden, Nat. Bl. II, 1092. Ie belove di ooc ghe-
naden, van di selven wes beraden, Rijmb. 33129;
j^wees op u zelven, uw heil bedacht, zorg toot a
zelven."
5) Ergens op verdacht, voorbereid, gepraepetrerri
zijn. Met den 2den nv. des. || Hi sinde om vele
liede, dat siere quamen te sijns soens brnlocht te
samen ; die alle hare onsculde daden , dat sgs niet
ne waren beraden, Rijmb. 25312.
6) Gestemd, gezind zijn; in eene stemming ver-
keeren. Met het bijw. so verbonden: eoo geUemi
zijn , in die stemming zijn of komen. || Isegrgn was
so beraden . . ., hine wilde des laten niet, liiae
vermaende nichten ende neven, dat si Beinaert
bilden vaste , Rein. 1 , 1976. Die wet {de overkeii\
was also beraden, dat si dien mesdadegen bis
leggen wonde in enen ban, Brab. Y. VI, 11564.
(Si) worden also beraden , dat si loveden der kersteae
doen, Sp. II», 10, 88. {Omdat ei) also warea be-
raden , datsi ewelijc in souden bleven . . , so staet
909
BERA.
B ERA-
OIO
hem daer ia sine ewelijc in die pine, Ltp. I, 14,
58. Dat ghi also 8^1 benden, dat n dat van herten
si leet, ende te beteren dat syt ghereet, III, 1 , 162.
Almanien quam hem scone ende Germanien te ge-
naden; Lombardien es {d. t. es des) beraeden,
ende Ttalen al gemene, Mex. X, 1070.
7) Tot iets genegen^ bereid sijn. Het den 2den
UT. des, eene bep. met t a n of het bgw. al s o. || Die
-wise es so beraden, dat hl wijsheyt gherne hoert,
ende met rade werket voert, Melib, 1735. £ene
dinc bidstu ml . . , dat ie mine gode verdreve . . .
4aer af en bem ie niet beraden, Sp. III*, 6, 36.
(81) baden hem ghenaden, doe was hijs te doene
beraden, III*, 57, 34. Hl was dies harde wel
beraden , dat hise hadde doen ontliven , maer hine
wilde niet meenedich bliven, Rijmb, 33470.
Segt Amen, of ghijs sijt beraden, als gij wilt,
34892. Jonfrouwe, des ben ie beraden, al waert,
dat mi sonde scaden, Limb. YI, 151. Da best
beraden, dattn wils van den daden spreken, gij
wDilt over de dadelen spreken, Sp. I*, 47, 42. Si
seiden alle, si waren beraden, dat sM ooc harde
gherne daden, Bijmb. 4677. Si seiden, dat sQt
l^eme daden; si warens saen beraden, 2^/09^1»^ 132.
Amand die was {d. i. was des) saen beraden ende
seide, dat hijt gheenre dade, Amand II, 2671. Si
waren dies scire beraden, ende seiden, dat sijt
geme daden, Imc. III, 18555.
8) Er op uit zijn, zich ten doel stellen, er op
èedaekt sijn. Met het bijw. also (so). || Waerdiso
beraden, dat ghi wout soeken mijn ootmoet . . .
ie wonde di sparen, Bein, II, 7034. Die Hnnen
-voeren doer die lant mit heercracht , alsoe beraden
dat sy groten scade daden , Seru. II , 8. Ware enich
man so beraden, dat hi lant, liede of staden in dis-
corde maken wonde, 3/^^^.3178. Willem, Floreins
acne ende Aden, sijn broeder, was dies beraden,
dat hi HoUant onder hem dede, Sp. lY', 46,217.
BERADEB, znw. m. Yan beraden (zie ald.).
1) Yan beraden, in den zin van raadgeoen,
raden (bedr. 1). Baadsman, en by uitbreiding bestuur-
der , regent. \\ Hondert oude coos hi (Romnlus) mede
die hiet hi beraders vander stede . . . ende elc
Tan den beraders quam . . ., die berechten vyf
daghe die stat van Bome; doe wert daer naPom-
pilins coninc van Rome, ... die hiet die
beraders Cenatnre, Bijmb. 14421 (bü Clignett,
Bijdr. 213.) Hoewel iü de door David gebruikte
Hbs. op de drie plaatsen vaders QxX. patres) lezen ,
200 geeft toch ook de lezing van Clignett een zeer
g'ezonden zin). So wie scout, scepen of raet te
Leyden is , die en sel nietghecoren worden goodshuys-
berader, gasthuysmeester, berader van den heyli-
ghen gheest. Leid. Keurb. 11, 2. Dat die ghasthnys-
beraders {te Leiden) . . . sien (d. i. Bijn) sculdich
jaerlics drie pont . . . der abbedissen van Rense-
burgh, OorJkb. 2, 396 6 (a. 1293). Yan den beraders
der armer hnyssittende Inden , O. W. v. Amst. 35,
49. Den scoute van den beraders . . . betoech te
bringhen, ald. — Ook in den zin van raadsman,
auctor coMt/u. II Lehartes, heer ülixes vader, dat
was Penelopen berader, MLoep lY, 1477.
2) Yan beraden in den zin van helpen (bedr. 8).
Van God of Christns gebruikt. Helper, steun,
trooster. Heiland. \\ Lof hebt dies , hemelsche vader,
want ghi mgn troest syt en bersider, Blisc. v. M.
1702. Jhesus, onser alre berader, quam sonder
vader van Marien, Bijmb. 4380.
BERADICH (in dlal. ook beredich , biredeg),
bnw. Mnd. beredich. Hetzelfde als het meer ge-
bniikeiyke geradich (zie ald.).
1) Yan beraden, in den zin van helpen (ald. 8).
Behulpzaam. \\ (God) wes ons daer toe beradich,
dat wi, eer ons de ziele ontgheit, ghecrighen
sulks vruchbaricheit , dat wi di zien ghenadich,
daert al sal syn verladich, OFl. Lied. e. G. 439,
87. Yan deme heren van Bronchorst, dat uch de
behulplich is ende beredich, Nyh. 3,27 (a. 1376).
2) Listig, slim, \\ Dander dat din vrede stoer t,
dats der lichame ; die vient es vel {zeer) biredeg , hi
gaet met ons slapen ende staet met ons op , Limb.
Serm. 101 d.
3) In de uitdr. beradich syn, met een 2den
nv. der zaak.
a) Ener sake beradich syn, tot iets be-
sl-oten zijn, iets willen. Ygl. beraden, 2de Art. 3). 1)
God es ghenadich; hi mach doen dies hi es be-
radich, on. Lied. e. Q. 497, 206.
b) Sgns beradich syn, met zich zelven raad
weten, niet voor zich zelven vreezen. Ygl. negeen
beraden weten (Iste Art. 1^). || (Maria) nem
ziele ende lyf in dyn bestier, ie bem van zonden
zeere verladich, als ie (/. die ie?) myns niet ne
bem beradich, ald. 29, 76.
BERAEST, bnw. Yan roes (dat in de 17de
eeuw nog voorkomt; zie Oudem. 5, 762), in den
zin van dwaling, afdwaling van den geest, reuemtj.
1) Ferdwaasd, zonder bezinning of bewustheid. \\
Als dwase lieden, als volc beraest ende onbestiert,
Brab. Y. Yl, 4920. lek biyve staende wel soo
beraest, dat ie van my selven en wete hoe noch
wat, Mar. v. N. 6, 116.
2) Bazend, woedend, buiten zich zelven. \\ Ie sta
van herten so beraest, dat ie en weet wat visieren,
Bubb. 35.
3) Benauwd, in verlegenheid. || Nu benic beraest
utermaten, hoe ie mine boetscap seggen sal , Xam/.
820. Ie sta beraest, Plagerw, 105.
Aanm. — Eerst later ontstond het ww. beraesen,
d. i. razend maken (Oudem. 1 , 516 , vgL 510).
BERAET. Zie baraet.
BERAET, znw. o. Mnd. berdi-, mhd. berdt,
1) Yan hem beraden , in den zin van zich bedenken
(wederk. 1 «). Uitstel, vertraging. \\ Waerom soudic
maken lanc beraet, Troyen f. 32 a (Bénott 4478).
— Yooral in rechte. Tijd om zich te bedenken,
bedenktijd, uitstel. Ygl. het by Kil. voorkomende
beraeddagh, en Lubben 1,239a, alwaar d^o^^ en
dach ook als synoniemen verbonden voorkomen. ||
Die rechter nemet op sinen danc {op eigen gezag) syn
beraet, ende settet uut op (/. so) lanc in vorsten , dat
hem des lopens verdriet , N. Doet. 664 en var. Gheen
dach van gnenachte oft beraet moghen nemen , Vad.
Mus. 3 , 336. Enich man , daer een oerdel an bestadet
word van scepene off van schuiten, daer ze to
richte staed, die zyn beraed an de scepene neemt,
Stadsr. v. Zwolle 72, 76. Ende aldus den rechter
yemende beraet te geven {d. i. dat de r. iem. be-
raet geeft) is opcomen eerst, op dat ygelic hem
voirzien sal . ., dat niement hem selven noch
andere en belaste boven recht ende reden, Matth.
143. Geert een beraet, geUkerwys hy geen beraet
crigen en mach, die rechter en oirloft et hem,
also en moet hy mit sinen rade niet incomen, hy
en moeten bieden ende begeren consent des rechters,
syn beraet te seggen,«/fl^. (voor het laatstgenoemde
beraet, zie onder 3). Zoo ook Fr. Stadr, 15 , 18 , e. e.
2) Yan hem beraden, in den zin van beraadslagen
(ald. Wederk. 1 b). Beraadslaging, overweging,
onderzoek, \\ Die daema dan noch meer broeck-
achtich ghevonden worde, daer wolden de scepen
een zonderlinge beraet op hebben , Stadsr, v, Zwolle
911
BERA.
BERG.
9i2
119, 197. Op dat ygelic hem voirzien sal mit
goeden berade , dat niement hem selven noch andere
en belaste boven recht ende reden, Matth. 143.
3) Van hem beraden^ in den zin van hesluiten
(zie ald, \d), De vracht der heraadêlaging ofover-
weging^ het bet luit ^ vooral in rechte. || Syn beraet
te seggen ende dair op syn recht te formeren ende den
scependom by te brengen , Matth. 143. Dat niemant
met geenen berade nut en gaet, hy en come daer
weder mede in , O. R. v. Ihrdr. 1 , 375 (de bett. 1
en 3 loopen ook hier ineen). Dat beraet sal hy weder-
segghen bynnen viertien dagen , ^V. Stadr. 107 , 142.
^Huwelijk. Plant, beraden, beraedt doen,
hy Heken oft houwen, se niamr. Zie beraden,
bedr. 6) en onz. 2), en Ommelander Landr. III , 36,
waar ook de uitdr. een beraed doen voorkomt.
Vgl. Nijh. 2, 148, noot 3), waar dit evenwel niet
geheel juist vermeld wordt.
BERAETSAEM. Zie het volg. Art.
BERAETSAEMHEIT, znw. vr. Van het by
Ril. voorkomende bnw. beraedsaem, ofschoon
in een anderen zin. Beraedsaem afgeleid van be-
raden in den zin van helpen^ bijstaan (bedr. 8)
beteekent behulpzaam^ waarmede het ook in vor-
ming de grootste overeenkomst vertoont. Vgl. hd.
ratsam, Beraedsaemheit bet. dus dienstvaar£gheid ^
attentie^ hulpvaardigheid; in het mv. attenties^ op-
lettendheden. II Sy (de lijfartsen van den vorst)
moghen talier hueren in de camere van den Prince ,
ende syn lieden so notable , so goet ende so groote
clercken , als sy syn moghen , met vele beraedsaem-
heden, Matth. Anal. 1, 255.
BERAETSAMICHEIT, -hede, znw. yr. Bespoe-
diging ^ het bieden van de behulpzame hand in de eene of
andere zaak, ten einde haar tot een goed einde te brengen
(vgl. BERAETSAEMHEIT) || Omme de goede beraed-
zamichede van den voors. appeele, Invent.v. Brugge
4, 361.
BERAETSTER, znw. vr. Het vr. van berader
(z. ald.). Helpster, beschermster. \\ Weset mijn beraet-
ster , helpt my ende leet my of daget (/. draget ?) my,
daer dijne ontfermichede houdt stede , P<f/^nw 68r.
* BERAGEN, verkeerde lezing voor bejagen,
Sp. V, 60, 70 var.
* BERAKEN, verkeerde lezing voor beraden. \\
Syn vader hadde daer te voren verbrandt ende
beraken toren, Brab. T. Dl. 2, bl. 77, vs. 126,
/. beraden toren , d. i. onheil gesticht. Vgl. bera-
den, bedr. 10). De uitgever heeft door de ach-
tervoeging van [berokkenden] , waarmede hy beraken
wil verklaren en redden, het woord als echt willen
doen erkennen , maar te vergeefs,
BERACKEN. Zie bereckkn.
BERAPEN , zw. ww. bedr. Van rapen (zie ald.).
Kil. beraepen, colligere, acquirere, j. behaelen.
Fer krijgen, bekomen. \\ Alle de daghelike vervalle
ende dat hi mitter wet berapen ende ghecrighen
mach, Oendsch Chtb. bl. Clerke ende papen doodde
hi, die hi conste berapen, Sp. II», 13, 13 (doch
daar verandere men lerapen in betrapen , daar rapen
niet met een persoonlijk obj. kan worden verbonden).
BERAÜWEN, BERAÜWENESSE. Zie berou-
wen, berouwenesse.
BERBEER, znw. vr. Hetzelfde als barbier
d. i. baertmaker, chirurgijn. \\ In den welken zeer
vermaerde berbeers gebr^en, Lanfr. 16r.
BERBIENS, i/Zötf^ IV, 383. Zie baersbiens.
BERCH (BERicii , berech) , znw. m. Mnd. berch ;
mhd. bërc.
1) In de tegenwoordige beteekenis. Berg. \\ Die om
Junt pincn ende winnen al ende berich slichten
ende dal, Sp. !• , 15, 33 (in den laatsten regel
merke men een „zeugma** op). Naden oegst die
jaren quamen si te samen daer np eenen berech,
!•, 45, 33. — Vandaar de volgende thans ver-
ouderde uitdrukkingen. — Van berge te dale,
van d€ hoogte af, naar beneden. || Doe Grimbcrt
stout in deser tale saghen si van berghe te dale
Canticleer comen ghevaren , üni». 1 , 283. (Hi) liep
dien dach dore also wale alse ene beke van berghe
te dale, Sp. III*, 34, 9. — Berch ende dale,
op bergen en in dalen, overal, in allé richtingen. ||
In soecse eer mijn leven al, dach ende nacht,
berch ende dale , ie en sal eer horen hare tale ,
ferg. 2130. — Berch ende dal riden, varen,
(adverb. ace). Zie dal. —Te berge ende te
dale, in alle richtingen , in alle opzichten. Vgl. de
uitdr. boven ende' beneden, bij beneden. ||
Te berghe ende te dale horen vryen wille mede
{met den watermolen) te doene tot hore oerbaer,
Mieris 2 , 249 b (a. 1321). — Verklw. b e r g e 1 g n ,
bergelkiin, bergeiken. || Daer es oec dat
bergelyn , daer Aron in begraven wilde syn , Velth. I,
12, 23. Ende die goede sente Quintyn die stont
daer op een berchgelkijn, OFl. Ged. 2, 107, 169.
Hermonium is een berch seer cleine . . . ende dat
alremynneste berghelken, G. Groote 63.
2) Gebergte, berg keten. || Ende hi begrepen in
den berch van Galaad, D. B. Gen. 31, 23. — C)ok
van een bepaalden bergketen gebruikt, vooral vao
de Pyrenaeën en de Alpen (vgl. ons ultramonUanscA ,
d. i. eig. Italiaansch) , meestal zonder lidw. (vgl.
Wap. Rog. IWQ'. Eenen up berch, anderen int dal).
a) Van dePyr«*4ïtftf»»,ookPortiser8d. i. (^orftu
[voor porta] Casaris geheeten). || Ten derden dagbe
wisten si das, dat Karel over berch was,5|p. IV',
24, 71.
ï)Van de Alpen, ook Mo nj u (Uonsjovis) geheeten.
II Artur sette hem dat hiwan alle die horden tei
berge an , Sp. III* , 64, 39 {Lanc. IV, 10087). (Artur)
quam met groter ere ten berge toe , van altemale te
lidene ende te winnen Ytale, ald. 64 {Lanc. IV,
10108). Dat men noit eer voer dien dach in dese sidc
des berchs en plach, Brab. Y. 1 , 1272. Hoe die kcyser
was comen vort toten berge ane dien voet ; nu trac
hi over, Velth. V, 8, 1. — Zeer gewoon is de
uitdr. over berch, over de Alpen (ook in hel
Mnd.; zie Lubben 1, 240). || Sident ward sga
hooft na desen tote Constantinoble ghedraghen.
Sident daer na in corten daghen ward hier over
berch brocht, Rijmb. 23534. Int selve jaer . . .
senddi over berch in Gallen sinen moenc Mannis,
Sp. III*, 54, 63. Over berch so trac die coeoe,
UI " , 82 , 72 (nl. Karel de Groote tegen de Lom-
barden). Berengier die altemale over berch was
coninc, IV*, 16, 6. Zoo ook I*, 2, 2.
3) Burg, burcht. \\ (Si) belaghen dat sterke
casteel, dat doen Grimberch hiet. Die al Doek
den berch siet, mach merken . . ., dat hi noit
meerren en sach, Brab. T. IV, 248. Opten berck
te Montesclare daer es beseten ene joncfrouwe,
Lanc. II, 36998. Die in den casteel woent . . ,
die berch heet van aventueren, Flandr. I, 639.
Doe sweghen si van desen dinghen ende sgn bis-
nen den berch ghecomen, Rein. II, 3864. VgL
Oudem. 1, 527.
BERCH (BARCii), znw. m. Mnd. barek^ Hom-
of korenberg. || Dat Willaem van CnLmmendamBi«
van ons hout drie morghen lants . . . ende hnsinghe
ende barch, ten rechten erfliene, Oor kb. 2, 49i
{a. 1299). Die den torf ende thoy thnus holpei
ende tkoren ende den barch loyden. Rek. d. Gr.
913
BERC.
BERD.
914
1 , 49. Item Heyne Storm van decken an den
barch ende an die molen , 6 daghe, 8 se, 346.
Item soe en sel nyementenichhoy ofongedorschen
coirn noch geenrehande myghte setten noch legghen
in ghenen barghen noch an scelven, dair men
onder gaen mach of dair men beesten onder setten
mach, Leid. Keure. 140, 41. Die van Utrecht
scoten Tier in Ysselstein ende daer bernden vier
bnisen af ende enen berch ende niet meer, Matth.
Anal. 1 , 484. Daer staen 7 huysen leedich mit
berghen ende Hchuyeren , Inform. 302. Gheen hnes
of berghe of gheen dinc dat ontilber is, Racer
6, 74. Drie yseren, den barch mede te heffen.
Rek. d. Cfr, 2, 566. Zie nog Leid. Keure, 140,
4; 147, 67; 278, 15; K. en O. v. Delft 106, 25
en 26; enz.
BERCHNAGEL (barchnagel), znw. ra. Nagel
of fin in de stijlen der hooibergen^ waardoor het
dak hooger of lager kan worden gesteld. Verg.
Saksensp. III, 46, 8; Grimra, JRjI. 675. || Item
van een barchnaghel ,2 d. , Rek. d. Graf. 1 , 346.
BERCHHÜÜS (berchuus), znw. o. Bergplaats ^
schuur . II So wie zijn bergen {hooibergen) binnen
der stede of berchnns zo naer de huusen stellen,
datmen bunten niet om gaen en mach, die ver-
bnert III ^^ , ende sal den borch of berchuus om-
geworpen zijn. Wiel. Instr. 138, 433.
BERCHROEDE (barchroede), znw. vr. Stijl
of paal aan den hooiberg , waarop de kap rust. \\ Item
6 barchroeden en 6 laeu. Rek. d. Gr. 2^ 556.
BERCHROEKE (berchroke), znw. vr. Van
berch en roke, roeke, d. i. rots {zie eld.). Bergrots^
rotsachtige berg. Vgl. den Fr. naam Rochetnont,
II Dea anderdag^ Lanceloet vernam ene berchroeke,
daer hi an quam, daer hi boven ene hermitage
sach, Lanc. IV, 12669.
BERCHSTEDE (barchstede), znw. m.? Plaats
voor een hooiberg? || A. Willekino bij der straten
de uno barchstede lis. , Rek. d. Cam. 2 , 39 en 76.
BERCHTICH (berechtich), bnw. Bergachtich.
II Soe maect hi mi die berechtighe weghe neder
met sijnre alteovergroter oetmoedicheit , Stemmen
137 {Geest. L. 25p).
BERCH VREDE -vriede, znw. m. Toren ^vooral
als verdedigingswerk^ hetzelfde wat in andere mnl.
dialekten b e 1 f r o o t wordt genoemd ; zie ald. || Dat
flchultampt ons Kerspels to Blanckenham mitten
herchvrede inden Hamme, Racer 6, 313. Onsen
bcrchvriede, geheyten die Slynge , 331.Voert sall hie
omme den herchvrede setten ende maken een plancket
ende beyde graven die dair omme gaen, schoen
opraymen, 332. Vgl. Homeyer, Sachsensp. 363, 401.
BERDAX. Zie baerdax.
BERDEEL, znw. o. Klankwijziging voor ^<w/^^/;
Ofr. bordel (Bnrguy, Gloss. 47). || Ambochten daer
Teel lade in sondighen . . , als in berdeel te houden ,
of dobbelscoel of queecscoel of openbaer stoven te
hoaden, Con. Somme 643. — Zie bordeel.
BERDEL, benaming van een visch. j| Drie last
harinck . . , vyf hondert berdelen , Diericx , 3fém.
1, 241.
♦ BERDEN , verkeerde lezing voor berren of
èemen, Lanc. II, 19209: Hi vant daer een vier
berdende (/. berrende of bernende) claer.
BERDEREN, stofl. bnw. Van bert (zie ald.).
Fan houty van planken gemaakt. — Ook in de uitdr.
berderen aensicht of aenscijn, een brutaal
gezicht. Kil. berderen aensicht, os impudtns^
frons proterva. || Ghy hebt een hoeren (d. i. hoornen)
▼oorhooft — Ende ghy hebt een berderen aenschijn,
N<:d. Klucktsp. 05, 38.
BERDÜERWERKER, znw. m. Hetzelfde als
borduurwerker. Gewoner is de vorm bed n er-
werk en (z. ald.). II (Si) ontboden wise verstandel
mannen als smeden , tymmerluden , berduerwerckers
ende ander consten , B. v. 1357 , 50 b.
BERE (beer), znw. m. Hetzelfde als ons beer^
mannelijk zwijn ^ lat. aper^ eng. bóar. \\ 51 Scape,
2\ beer, ^ bake, Rek. d. Gr. 3, 320. Hi hadde
een soch, die wilde gaen te bere, also alse soge
plien, Velth. IV, 55, 14. (Die hont) begonde te
speelne . . metter zoch, oft waer een beer, 18; ««r.
BERE (beer), znw. m. Hetzelfde als ons beer.
Beer\ lat. ursus. \\ Die grave quam als een wilt
bere, hi hadde des anders groten ghere, (rnwi*. II,
2656. Een stare bere , Vod. Mm. 1 , 28 , 14. Ie
sie enen bere, 16. Die bere voert spranc, 19.
Die bere liep in een broec, 21. Hi leide voer
hem die bere, 28; enz.
BERE (beer), znw. m. Een soort van storm-
ram (Kil. vinea y instrumentum bellicum)^ waarvan
de naam ontleend is aan het dier van dien naam,
lat. aper. Vgl. het mnl. soge en catte {Aiol-fr.
849); ons woord stormr2t,m\ Scheler op raous-
quet; Aiol-fr. 849 Aant. en Taalg. 5, 295. i|
Voer Ravenstein , daer hi dede maken eenen beer,
stare ende groot, daer hi met dede groten noot,
die waren binnen Ravenstein, Brab. Y. VI, 5210.
Si hebbent {Bovines) beleghen wel ter core, ende
enen beer ghemaect daer vore, daer si die stat
ontsachtelike met bestormden . . . ; maer die van
binnen . . . daden alsoe groote weere, dat si den
beer, als liede vaillant altemale hebben verbrant,
VII , 17573. (Hi). belach die stede van Ziericzee . . .
mit al te swaren besitte, dat hy mit magnelen,
mit beeren , mit catten , mit evenhogen . . . stormde,
Matth. Anal. 3 , 198. Hi lach dair voer {voor het huis
te Woudenberg) seventien weken, dat hyt stormde
mit beren , mit bliden , 246. (Si) hadden enen beer
doen maken, die poert mede op te stoten . . .,
ende deden dat slot opslaen , ende manneden horen
beer, ende stieten dair mede op dat winket van
der poorten, 403. Die van Utrecht . . . stieten
derdewerff mit machten mit horen beer op die
cleyn poort, also seer dattie poort opspranc, 404.
BERE (beer), znw. o. Eig. dikke weekestofin
het algemeen (zooals b. v. leem, deeg), en ver-
volg ons modder y slijk. Zie Taalg. 5, 293. Thans
alleen nog in gebruik in de beteekenis menschen-
drek (vgl. den beer steken, beersteker). In het
mnl. in de beteekenis van modder. || Daer so stelde
hem God ter weere, ende warpene int helsche
beere , Wap. Rog. 595. Vgl. de uitdrukkingen helsee
pit {Amand I, 13S2 y 35^7) , en helsee sHje {Lsp. llly
14, 182, e. e.).
BERE (beer), znw. vr. Hd. beere y doch beer
in lorbeery bacca lauri. Vgl. ndl. bes en bezie,
wvl. ook beze; en zie Grimm, Wtb. 1 , 1243 en Kil. 60.
Bes y bezie. — Verklw. b e e r k y n , ook in den vorm
beyerkijn. || Wat es dat men soeter vint dan
geperst beerkine, alser dat soete sap ute rint,
Lett. N. W. 5» , 24 {var. beyerkine {Disp. 151)).
BERECH. Zie berch.
BERECHT (bericht), znw. o.
1) Van berechten y in den zin van mededeelen,
inlichten y antwoorden (bedr. 5). Mededeelingy in-
lichting y onderricht, antwoord (ons bericht). \\ Twi
en doedi mi berecht, daer ie hn omme vraghe?
OVl. Ued. e. Ged. 272, 1161. Waer soudic berecht
hebben gheleert up sulc vraghen , Wap.- Rog. 33.
Di sal berecht ghescien van dattn vraghes myen,
1130. Vanden Vader ende van den Sone hebbic
915
BERE.
BERE.
916
bi di . . Bcone berecht vereest , Wap. Mart. III , 397.
Wat wil icz u doen berecht; met mi eest soe , ie blive
knecht , Sêgh, 556 ; „ wat zal ikeru veel van zeggen ?'^
Den sotten behoeft veel berechte , Spreuken 101.
2) Van berechten^ in den sin van aanmerkingen
maken (bedr. 6). Aanmerking^ terecAftvijzing. \\ Wie
by den wech timmert, die het {heeft) voele berichts,
Spreuken 64. — Ook later in gebruik (Harreb. 1, 47).
3) Tan berechten^ in den zin van besturen (bedr. 7).
Bestuur, macht, beschikking. || (Hoverde) onneert
alle weldaet slecht; het moet al staen na hare
berecht, Bind. 1098. Al moechs dn winnen mit
dinen werken dnsent merc , die weren al in die macht
ende in alle (/. allen) berichte dijns mans, Ned.
Proza 367.
4) Van berechten, in den zin van recht doen
(bedr. 15). Becht. — a) In den zin van gerechtigheid. ||
Ene weduwe qnam hem voren , die haren sone hadde
verloren , ende heeft hem om berecht gebeden ende
hi berechtese tier steden, Sp, JV, 25, 37. Twee
lichtwive quamen daer naer omme berecht ten
coninc daer, Bijmb. 11169. Wet ende berecht te
doene van allen sculden, ZFl. Bijdr. 3, 276.
— b) In den zin van rechtsmacht o[ rechtspraak. \\
Oeschille ende gevechte . ., dat alleen onder
tberecht van den bailiu van Rijnlant staet, Leid,
Keurb. 221, 36. Van der doot van mannen van
buten, die binnen ghevallen ende ten berechte van
binnen toebehort, Cout. v. Brugge 1, 382. Tewien
men vertrec hebben zoude moghen omme berecht
te hebbene van zaken, Invent. v. Brugge 3, 510.
Alle de vonnessen, die men daghelicx wyst . .
voor scepenen, sittende ten berechte van partyen,
6, 113. — Int berecht sitten, rechtszitting
houden , hetzQ dat berecht op te vatten is als recht-
spraak, dan wel als de plaats waar recht gesproken
wordt. II Te zittene int berect (/. berecht), omme
tvolc dat voor hemlieden quam te berechtene,
Invent. v. Brugge 4, 178. Ygl. berec, zooalsmen
hier ook zou kunnen lezen.
5) Van berechten in den zin van door een gevecht
beslissen (bedr. 16^). Gevecht, kamp en hï] uit-
breiding veldtocht', vgl. bataille en berec. jj
Oec hadde die hertoge, te dien berechte, baen-
ritsen , riddren ende knechten , Brab. Y. YI , 5657.
Alsoe lange in dien berechte als s^n ridders ende
sijn knechten daer bliven souden, 11715.
Berecht, deelw. bnw. van hem berechten,
(z. ald.). Vooral in de uitdr. wel berecht.
1) Eigenlijk. Zich zelven goed besturende, en ver-
volgens wijs, verstandig. Ygl. wel beraden en
wel bedacht. II In desen tiden was Hyldebrecht,
een wys clerc, een wel berecht, die vele goeder
bouken dichte, daer hi die kerke bi verlichte,
Sp. lY*, 26, 59. Yan Gembloys Zegebrecht, een
wys moenc ende wel berecht, lY', 31, 63.
2) Bedacht op iets^ ergens op verdacht, opmerk-
zaam. II Of gine siter op wel berecht, als gijt
maect, dat gi wacht, dat gijt niet en bernt, Hs.
Tp. 138/^. Yan welken gi sijt altoes so berecht
op u wachte, dat gijt in tijts moget weren, a/^?. 139.
BERECHTEN (berichten), zw. ww. bedr. en
wederk. Mud. berichten-, mhd. berihten. Vgl. BE-
RECKEN, en het lat. regere.
1) Bichten, eene zekere richting geven, sturen. \\
Dat ie vor hem sal gaen ende liden, berechten
haren ganc. Franc. 9612. Dat ons der heilighe
gheyst onsen sen berichte, Serv. 1 , 5. Hem wonderde
das, hoe dat si berechten mochten die beesten, die
si gereden brochten, Lanc. III, 3954. Dat scip . .
berecht van enen stierman, Franc. 6555.
2) Met den 4den nv. van den persoon. Tertckt-
wijzen, iemands gangen richten, hem leiden, opie%
rechten weg brengen of houden, in het goede voor-
gaan. II Die werelt wert bi haren scouden bederft,
die ons berechten souden , BineU 388. Men mag^her
coninc ende heren sien, ende middele, die die
jonghe berechten. Nat. BI. VII , 84. Somech meester
volghet mede, diese berecht, YII, 126. Enes
voget hadde die gone, diene berechte, ^. IU^
42, 110. Entie si bekeren conden . . , dat sim
souden berechten mede, Franc. 4058. Dat hoir
Heer niet te berechten en was, hy eo bleeffii
der herdicheyt voert, hoe qualic dattet hem tct-
ginc , Matth. JnaL 3 , 329. Den greve van Gnllck . .
tberichten {er toe te brengen) . . dat he dat .. ia
dier vire heren hant setten wille, Nijh. 1, 172
{a. 1318).
3) Te recht helpen, eig. iemand die naar den
weg vraagt; iem. de juiste richting aanmjzen, tnh^
uitbreiding iemand behulpzaam zijn, helpen, hij-
staan. \\ Mach hi , dat hi dan sal uwen wille vor-
dren ende u berechten. Flor. 2654. Hovesackea
biddre es wel recht, dat menne hovessceUie
berecht, Limb. IX, 1. Dies nam hi {CAriittu)
vleesch van minen {Maria's) live , om te berechteae
die keyüve, Sp. III», 86, 33. Ygl. de thans ii
dial. nog gebruikeiyke uitdrukking: „ Berecht, A.i
help mij wat gauw,*^ tegen een winkelier gezegd,
TtuUg. 4, 29. — Met de voorz. van of j egen ter-
bonden. Beschermen, beschutten, verdedigen tegen ^
vrijwaren voor. \\ Diet kerstenheit al te gader...
berechten sonde ende beweren van al dat hem
mochte deren, Brab. Y. III, 121. (Dat) soe di«
kerke niet en berechte van pinen ende van ghe-
vechte, Sp. III*, 92, 43. Dat hi den paeus wilde
berechten van den Roemscen valscen knechteo,
91 , 97. Dat hi berechte wel s^n land jeghen scalkeit,
jeghen viand, Heim. 1437. — Vgl. 16*.
4) Eene zaak te recht brengen, haar verhelfen^
verbeteren. \\ Ie vruchte, het wert al versligeB,
God en wilt berechten, Vierde Mart. 299. (lirtoi-
ten) te doene berechtene van dies datter aa ghe-
brac, Invent. V. Brugge 2, 402. — Ook eene
wet, enz. berechten. Haar verbeteren, «»-
vullen. II Hie machse {de keuren) keren ende
bedwinghen ende berechten omme der meentncht
bedarve {ajousteir in de oorspronkelgke vertaling),
Cout. V. Brugge 1 , 253. — Ook verbonden met
de eene of andere ondeugd of misbruik. Het verhelff,
verbeteren, een einde er aan maken. Hetzelfde als
vellen (zie ald.). || Wildi u dies onderwinden ie be-
rechtene die onsede , het sal u costen l^f eidc
lede, Lanc. II, 43602. Dies bolgen die Fransojsei
sere ende quamen up hem vechten omme salke
overdaet berechten, Sp. lïl*, 36, 74 (den ItttMei
regel kan men ook verklaren: om deze misdaad
te wreken , te straffen ; vgl. onder 15 ^). — Ook eaei
berechten, iemand in een beteren toestand brenffn,
te recht brengen, maken tot. \\ Dn heefs mi, eaeii
quaden cnecht, teenen eweliken oere {wettife»
er/genaam) berecht, Sp. W, 13, 125.
6) Iemand met woorden te recht helpen; ke»
inlichtingen, opheldering geven. Het tegenwoordige
berichten.
a) Inlichten, onderrichten. Met den 4dennv.nB
den persoon. Vgl. bg betalen, waarmede hert^
ten verscheidene punten van overeenkomst heeft;
het' Mhd. berechten heeft ook den zin van het Hal.
betalen of gelden. Vgl. Lexer 1 , 192. || Daernevis
niemen, die hem conste berechten; sine wisteai
niet, Ifal. 7580. Hi vant in gere steden maa «>
917
BERE.
BERE.
918
▼rouwe, dat secgic n, diene mochten berechten
nu, Lanc, III, 11478. Jacop, vrient, ie moet n
▼rsghen van hoghen dingen ende clagen ; seldi mi
berechten? Vierde Mart, 286. Op dattnse Toert
moghen berechten, Trouwen, ridderen ende knechten,
die niet weten wat minne sy, 3/Xo^/)1, 123. Aldus
berecht sone was ie nie, Caes, 1626. Als hi mi
hadde berecht , Wal. 3219. Jacob , du berechts mi
scone , Wap. Mart, III, 391. —Meestal met bij voeging
▼an een 2den nv., het yoorz. van of een afh. «in.
Iemand aangaande tem, of iet» inUehten^ mededee-
lingen doen. (| Of hi hare berechten soude van den
ridder, dien si sach draghen den witten scilt.
Terg. 4004. Berecht mi , soe doedi wel , van Wale-
weine, den ridder snel, dan salie u berechten vort.
Wal. 5795. Dus es Walewein van deser sake
berecht, 1930. Dat ghi berecht sijt, dies ghi
mi vraghet, 3140. Nu hebbic u dies ghi mi
vraghet berecht, wat wildi weten mere, 7146.
Berecht mi . . . dies ie di sal vraghen, Vierde
Mart 229; Vrouw. e. M. IV, 169. Mi so hebdi
berecht vriendelike van al dat ie hebbe gevraght ,
aki. I, 841. Van stride . . . en constic u berechten
niet, Heelu 3030. Yan dien menichfouden ghe-
rechten mochtic u vele berechten, Troyen 3049.
Martijn, nu berecht mi dies, Wap. Mart. 1, 131. Ie
bids u, berechte» mi, Teett. 1465. Berecht mi,
hoe dat des vols staet so loes mach sijn, 141.
Nu berecht mi . . ., hoe so maeght comen dan,
574. (Hi) bat, dat men hem wilde berechten, oft
si in hant wilde gaen, Yelth. lY, 14, 62. Dattu
mi berechts, waer bi dattu hier heefs ghewoont
tote nu. Lep. II, 61, 40. Dat hine berigte van
genden, regte alse of hi sprake: Here, berigt mi
dat ie nit en sondege, ende geft mi terkenne din
weg der heileger lide , Limb. Serm. 31 c. Zie verder
Teest. 636 , 842 , 1960 j Farth. 3641 ; Wap. Bog. 420 ;
Lep. I, 1, 51; II, 47, 25; 32; Ferg. 3284; 3692;
Wal. 6916; 8013; Wap. Mart. 111,392; Wrake
III, 605; lUjmb. 15520; Mor. 444 vlg.; em.
b) Onderriehten ^ leeren, onderwijzen. \\ Q:]ii BXiltae
(de geboden) bat verstaen , dan icse u metten dichten
bedieden can ochte berichten , Tien Fl. 38. Dichters
die in haer dichten al aertrike willen berichten.
Lep. III, 15, 223. Wat woudic veel die werelt
berechten van saken , die mi self anvechten ? . . .
so waert beter dat ie sweghe, Ksin. II, 7711.
Te sticken breken , dattu biden broeders mijn . . .
heves gemaect ende berecht, .FV-aik;. 4133. Nochtan
hadden (kad kern) binnen berecht ende verclaert
thewelike lecht, 5703.
c) Op eene vraag antwoorden, haar beantwoorden. ||
IHe coninc vraeghde den clerc menigherhande
Traghe sterc, die hi hem berechte wale. Lep. lY,
1 , 13. Een sot soude meer vraghen , dan twaelf
▼roede berechten souden , Teest. 2083. Berecht mi ,
joncfrouwe wael ghedaen, een quaestie, die ie u
brenghe aen , Vrouw. e. M. I Y , 65. Dan sal ie na
u vraghen berechten, soe ie best bevroede mi,
I, 851. Deen vraget ende dander berecht , ^. IIP ,
18 , 82. Die hem weder antwoorde wel ende be-
rechte hem, Bijmb. 15494. Berechtti mi dis ie u
▼rage, so salie u oc berechten, in wat machte dat
ie dese werke werke ,L.v.J. c. 167. Deen vraeghde ,
daiider berechte, Flandr. I, 236. Entoe Flandqjs
dies berechte {daarop antwoordde) Ingelbeerte , was
hij0 vro, lY, 90.
<l) Verhalen, mededeelen. || Plinius horic be-
rechten, dattet hem eerst na winter toghet, Nat.
Bi. YI, 146. Daer ie der (/. die) namen af be-
richte, Ueeln 8540. Si die nu dichten, willent al
berichten dat gheschiet te deser wilen. Lep. II,
38 , 81. — Meestal met den 3den nv. van den pers.
en den 4den nv. der saak. || Dus scrivet ons Sege-
brecht van Gembloys, diet ons berecht, Sp. III",
39, 7. Dat berechte hi hem aldare vriendelike,
Amand I, 2193. Berecht mi ene dinc, her ridder,
dies ie u vraghe, C. en El. 450. Claer hebdi mi
dit berecht, Wap. Fag. 345. Nu hebbic u berecht
al , Wal. 5794. Du heves mi wel berecht dat ware ,
9488. Berecht mi dat, Teeêt. 1277. Bericht mi. . .
die beste waerheit die gi wet, Zan^r. 11,42991. —
De onb. wgs als snw. Onderrichting , beantwoording
van vragen. \\ Scoen berechten ende edel vraghen ,
die hoerdmen daer in reynre tucht , Hild. 18 , 160.
Het dincke mi so vremde een liet, moestic sberech-
tens ombeeren, ie hielt al over sceeren, Wap.
Fag. 570.
6) Terechtwijzen, giepen, beriepen, aanmerkingen
maken op. || Someghe lieden berechten (/. berichten)
ende blameren mijn dichten , Teeet. 3088. U ooghen
suldi altijt swechten ende op niemant meecke (micke)
slaen ; wat ander doen , wilt niet berechten, Sp. d. J.
389. Dus eist , die recht omoedich si , hine berecht
no bespreect , waer omme dat menne verspreect ,
Franc. 3014. Die meyster sprac: . . . Ylye qnade
gheselscap; niet en berecht, dat dy bevolen is,
Ned. Froza 231. Niet alleen en willen si berechten
ende oerdelen die dinghen , die haer overste doen.
Stemmen 55. Dese menschen willen van alle dinghen
weten ende te allen dinghen spreken ende alle
dinc callingieren ende berechten, Ruusb. 6, 96.
7) Regeeren, leiden, besturen, het opzicht houden
over. II Wat so men qnalike berecht, dat en ge-
duurt in geen gevecht, Sp. I*, 19 , 65. (Hi) lovede
God diet al berecht, III", 31, 86. Daer moetict
berechten al van erderike dat geval ende al dat
doen van hemelrike, AUx. X, 1395. Want hi moet
alt huis berechten , Boee d. M. f. 4. Dandre (Hen)
. . berechten die bedaerve wel , Nat. BI. YII , 102 ;
^besturen, zorgen voor het eten.*^ Knechten diet
fhetelde daer berechten. Willek, v. S. 129. Dat
i die waghenars ende die scuutlude birechte.
Rek. d. Cfr. 2, 514. — Yooral gebruikelijk — a) Yan
landen, steden, enz. || Ie (Ahxander) hebbe ge-
noech tot nu die werelt berecht . .; ie moet be-
rechten nu den troen , Alex. X , 1387. Hoe Aristotiles
. . sinen jonghere Alezander leerde die werelt be-
rechten, Heim. 11. Spaengen viel hem te berechten,
Teest. 1360. Met wijsheden berechte hi . . tlant
van Brabant, Grimb. I, 379. Omme te berechtene
Egypten al, Sp. II*, 57, 1. Karel Marteel . ., die
Yrankerike berechte met eeren, lY^, 1, 63. Die
werelt en mach men niet berechten met tween heren
sonder vechten, I*, 26, 49. (Hi) berechte dat
(Brabant) oec herde wel , Yelth. 1 , 39 , 57. Seven-
hondert baroene , die berechten die stat entie veste,
Flor. 2377. So dat quam een vreemde diet . . ,
ende ghinghen die steden berechten, Lsp. I, 34,
68. Elc van den vaders, quam ende berechten elc
vijf daghe die stat van Rome , Btjmb. 14426. Geeftse
(de crone) enen anderen . ., die d^'n rike mach
berechten, Aleae. YI, 976. Hoe si berechten soude
haer rike, Limb. X, 1327. Alt rike dat hi be-
rechte keyserlike, Lsp. II, 15, 27. Na hem be-
rechte trike Hyrene met Óonstantine haren sone
gemene, Sjp. III*, 86, 63. Sodat ik voortaen . .
niet wel . . mag . . de groote heerlgkheid, daer
ik in ben, berechten, Ileemsk. 13. Die een vr^e
stat berechten. Wrake II, 1290. Een lantscap, dat
een landshere wel berecht, Heim. 1517. Dy graef-
schaepe . . wale handen ende berichten, Nijh. 1,
919
BERE.
BERE.
920
184. — In het bijzonder gebruikeiyk, verbonden
mei lant. || Na Abymalech so was Tholarechire,
. . . , hi berechte XXIII jaer tland in vreden ,
Rijmb. 7161. Sulken man , dien wi ghetrouwen ,
datti tlant berechten moghe, PartA. 3170. Dat
ghi te lande comt haestelike te berechtene u lant
ende n rike, om de teugeU van het bewind in
handen te nemen ^ Fhr. 3924. Willem siju sone
berechte tlant sonder voghet, Sp. IV', 46, 247.
Zoo ook IVS 37, 70; Up, I, 43, 4; III, 13,
55; 16, 71; Heelu 548; Velth. IV, 69, ^O.Ferg,
5050; Tee9t. 1009, 1012; Stoke III, 1355;%»!*.
8568; Alex, VII, 63; Heim, 1517; Brab. Y. IV,
1105; Parth. 314 (Clandes sijn sone, die doghende-
like berechte syn lant ende sine bede (/. sine liede)).
— Ook in de uitdr. die crone berechten,
het rijk betturen^ de kroon hebben. \\ Int eerste jaer
dat Constantijn alleene berechte de crone sijn,
Sp. III», 90, 2.
b) Enen b. , over iemand te zeggen hebben ^ hem
betturen, regeeren. || Ghi en selt niet willen domi-
neren, ander menschen berechten ende regheren,
Rausb. 6, 132, 19. Die here wille wesen dan, ende
ander liede dan berechten , Helm. 1426. Martijn,na
berecht mi dies: berecht een God, die nienewies,
alle creaturen , fFap. Mart. 1 , 131. Hoe men die ghe-
meente berecht, ^iniii. 410. Cleene menechte . . . vint
men berecht sijn met rade, Sp. I", 61, 45. Dat
men vele volcs ghemeene berechten moge met pine
cleene, P , 19, 63. Toter tijt dat Delbora wel
berechte tfolc van Ysrael, Rijmb. 2239. Dan {de
zoon van Jacob) die sal syn volc berechten, 3313.
Tfolc te berechtene al ghemene, 4467. Twintich
jaer berechte hi (Simson) wel al dat volc van
Israël , 8223. Ut di sal comen die richtre , die be-
richten sal myn volc van Israël, L. v. J. e. 16.
c) Van een leger. Aanvoeren ^ het bevel voeren
over. II Enen die, na sine doot, berechte dat here
groot, Rijmb. 6239. Die coninc sat np enen vaer-
digen henxt ende berechte selve die ander betaelge,
Clerc 112.
d) Van geesteliike of kerkelijke betrekkingen. ||
üec gaf hi hem die abdie te berechtene van Toers ,
Brab. Y. II, 1314. (Want hy) die basscopdome
berichtede Colne ende ïryere , ende Tongheren . . ,
die drie berichtede hij al tsamen mennich jaer
ende menghen dach, Serv. I, 1007. Dat busdom
hy berichtede mit keersteliken werken, II, 469.
Die heilighe Sinte Monulphus berichtede wale syn
Gods huys, 534. Een priester . . . berechte die
prochie sine met sorghen ende met groter pine,
Sp. III' , 38, 34. So wart bisscop . . sente Remakel
te Maestrecht, dat sente Amant teerst hadde be-
recht, III', 26, 2. Dat hi berechte met sire pine
dabdie van sente Quintine, 111% 36, 21. Sinte
Remijs , die de kerke te Riemen daer berechte
tweendeseventich jaer, Ltp. II, 48, 616. (Hi)
berichte sijn prochye wale, Lutg. 1501.
e) Van goederen. Ze beheer en ^ besturen. \\ Eist oec
datmen hnwelijc doet om te berechtene een goet,
hoe vele bet so es berecht een goet met eenen
getrouwen knecht, Sp. I», 3, 1. Ende nu alsi
waren groet, eysten si hem weder haer goet; si
wildent selve berechten nu, Velth. IV, 69, 21.
Die kerken goet ende Heylich Gheest {diaconiegeld)
berechten ende hanteren meest, ÏFrake III, 401.
8) Regelen^ in orde brengen^ inrichten^ klaar
maken. Vgl. b e g a d e n , waarmede berechten in bijna
al de verdere beteek enissen eene groote overeen-
komst vertoont. || Al se wi bericht hebben die port,
Troyen 1336. Men dede die zale wardelike berechten
herde rikelike, Lanc. II, 15133. Omme tfosseittc
delvene ende te berechtene , Invent. v. Brugge^ 1%L
350 (vgl. ald.: te delvene ende te makene\ UI:
fodiendis et faciendiê). Eenen {heemraad) kieaea,
. . die hem dochte dat lant mede bericht (jerepgli,
goed bestuurd) ware, Nijh. 2, 258. Van datande
kerke ghewrocht was ende an den steegher ende
an den ommeghanc {torenomloop) te slichtene
ende te berechtene , Invent. v. Brugge 1 , 303 (vgL
2 , 431 vlg.). Nu ne hevet landshere den sin (d. i.
verstnnd genoeg), dat hi sijn ende ende siJD beghio
van sinen wandel . . allene mach berechten alle,
Heim. 1537. Eyn ellendich arme man . .,dieonse
lant nyet en berichtet, noch slote noch burgheeD
stichtet, Serv. I, 904. — Vooral in verbinding
metdinc. Die dinc heTech.ien,tie zaken regele».
II Alle dinghe wonde hi berechten sonder orloghe
ende vechten , Brab. Y. II , 4484. (Hi) hccfl line
dinc berecht; ter doot gerede hi hem echt, JVmc.
5883. {Karel trok naar Rome) om dat hi die dinc
wilde berechten, Sp. III», 92, 5. Deerstc mcsse
suldi zinghen ende berechten al huwe dinghen,
Denkm. 3 , 193, 203. — Ook van spijzen. Ze bereidt»,
klaar maken. || Sijn cost die was wonderlike groot
in vleessche, in vissche ende in broot, ende daer-
toe waest wel berecht, Rijmb. 11209. — Het so
berechten, hét inrichten, het deuvrheen hrengtn^
het zoover brengen, het zoo regelen; hetzelfde als
het so begaden (zie ald.). || Gonst {d. i. conste
het) die hertoghe soe berechten, dat hi hem Rode
wonne ave . ., dat hi er here af blcve dan,
Brab. Y. V, 3552.
9) In orde brengen , verrichten , ten uitvoer brenfen.
II Over hem {de diakenen) baden si in haer gebede
dapostelen, ende leiden hem mede die hant npt
hooft ende hebbense bracht te berechtene haer
ambacht, Sp. V , 43, 49. Van dien dinghen, die
hem bevolen syn ende dien (/. die) sy bercchlea
moeten, Ruusb. 3, 191. Si syn . . . onledirh ...
mit dien dinghen, die si te berechtene hebben,
4 , 37. Niet en berecht dan dy bevolen is , Stemme»
122 (vgl. de betere lezing dezer plaats onder 6),
Ned. Proza 122). Dat die moenc saen heeft be-
recht, iSj». II', 48, 21 (lat efficere).
10) Inrichten, instellen. \\ Vort heeft hyt(/.hi)
bericht in Kerstnachte die misse, <S^. II*, 48,50;
„constituit, ut noctu misse celebrarentur."
11) Aan iemand of iets zijn recht, zijn eisei
geven; hem {het) van het noodige voorzien.
a) Van beesten. Ze toeiden, het opzicht Aoade»
over. II Enen knecht, die die scaep up tfelt berecht,
Rijmb. 9098.
b) Als krijgsterm. Uitrusten , toerusten. || Emoit
voer te Marberoen ende berichte dien «steel,
Parth. 6375. Die Hertoghe . . . wonderde, dathi
ter were brochte so wel berecht een here, Stoke
III, 397.
c) Verzorgen , bezorgen , van het noodige voorzie», ij
Vier saken doen creaturen striden: deerte es fie^
heit, die haer verheft; ... die vierde, om hare
vrucht berechten. Nat. BI. IV, 068. Uwen scep-
pere hier boven , die u met plumen gecleet heeft . • -
ende berecht zonder uwen ducht, Franc. 64^-
Doe brachti vort dat scaespel, in een ziden forel
{foudraal) berecht wel, Lanc. II, 18540. Als«
hare perde bericht waren, 27940. — Van wmde*
gezegd. Ze verzorgen, behandelen, verbinden. VgL
BEGADEN. II Si Ontwapende?» tien stonden ende dede
berecten (/. berechten) sine wonden, Lane. II,
28918. — Ook van het verzorgen zijner kindere»,
hen aan een bestiian helpen, hun een uitzet geve»
hd.
921
BERE*
BERE.
922
autstatten. Ygl. BERADEN. || Waer man of wijf
kindere berichte ende dien loeven , dat si hem niet
ontgheven of ontmaken en zoelen , dat hem onstade
doen mach an oerre erfnisse, Stadsr. v. Zwol/e
131, 222.
d) Met het voorz. van. Voorzien van. \\ Beide ridders
ende cnapen waren wel bericht van wapen , Lanc. lY,
8201. Enen casteel . . . stare ende scone bemnert
al, ende wel berecht van cantelen, II, 7403. Hi
stont op ende bat na das, dat men hem tetene
gave; men berechtene . . . daer ave, 111, 4398.
Doe dochte coninc Zegebrechte , dattene God niene
berechte van kinderen, die naer syn leven inden
rike waren bleven, Sp. III", 34, 11; „dat God
hem geen kroost, geen kinderen geschonken had."
e) Iet b — , iets verschaffen^ bezorgen. || Hier na
worden si beide saen in enen feilen kerkere gedaen ,
daer onse Here saen heeft berecht sueten roke ende
lecht, i^. II*, 37, 191. Ie wilt al gaeme doen,
in dien dat ghi mij berecht scepe, ridderen ende
knecht , MLoep 1 , 660. Ende dat hem {den clerken)
gebrect . . . selen die leken berechten al, Yelth.
YII, 23, 52. Also groet ghebrec . . ., dat men
horen nootroft niet berechten en mochte, Hs. 88,
ƒ. 30a. Ende si en werken, ten waer of si horen
beesten teten berechten, Mandev. f. 16^.
f) Met eene ongunstige zaak als voorw. Berok-
kenen^ bezorgen. \\ Mocht ich hoir dan berechten
wee, men gonde myns lichte mee, MLoep II,
2457 var. (de tekst heeft eene andere lezing,
maar ook beraden heeft de twee bet. van ver-
schaffen en berokkenen. Ygl. ald. 2) , 3) en 10).
12) Iemand van hetnoodige voorzien. Met een onder-
geschikte^ bediende enz. als ondw. Bedienen^ ten
dienste st€um. || E vele mote di gescien, dattn [beer)
ets, dar wi toe sien onsen coc ende onsen knecht,
die ons dicke wel heeft berecht, Vad. Mus. 2,
278, 478. (Hi) hiet den sciltcnechten , dat si den
radder souden berechten ende helpen, dat hi slapen
qname. Wal. 2613. Doe brocht men hem een
orcussijn ende een hooftcleet scone eude sochte ,
si berechtene als si best mochten, 2634.
13) In iemands zieUbehoeften voorzien , zijne geeste-
lijke behoeften vervullen. Yooral van het toedienen
der sacramenten aan stervenden^ hetwelk tegen-
woordig in Nederland iemand bedienen y in Ylaan-
deren nog berechten genoemd wordt. || Als die
ridder was gebiecht ende Goede ontfaen hadde
ende berecht, Lanc. II, 5053. Dat ware grote
sonde, lietmense sterven sonder sacramenten . . .
Doe sprac die diaken: Here, waert u lief, ie
woudse berechten, D. War. 6, 393. (Hi) sterff
daemae . . ., wael ghebicht ende bericht, 7,111.
14) In een zekeren toestand brengen , behandelen ,
met iemand of iett handelen; hem geven ^ wat hij
verdient. Vgl. beoaden. — a) Van personen,
vooral in slechten zin. Toetakelen , in een treurigen
toestand brengen. || Hier is schandelic ghevaren;
hoe heeft mi desen dief berecht! Hild. 61, 194.
Haddic dl hier, ie soude di so berechten dan,
dnne daets nemmerme edelen man scande no
lachter, Wal. 9192. (Si) berechtene soe, datmen
ter stont niet bekennen mochte nese noch mont,
Lanc. II , 21624. — Ygl. verder bij berecken , dat
door de overeenkomst in vorm verscheidene der
beteekenissen van berechten heett overgenomen, en
meermalen in de Hss. met berechten wordt verward.
De Oostvlaamsche aspiratie der k voor t {berecht voor
berecC) vergroot de moeilijkheid. — Ook verbonden
met bgw., die de smadeiyke behandeling nog
duidelijker aantoonen. — Jammerlike^qualike,
onsochte, onwerde(like) berechten, deer-
lijk toetakelen. || Dieue jammerlijc berechten , ende
hebben hem daer . . afghesleghen sinen voet , ende
sijn tonghe in sinen mont ghecort, ende bitterlijc
ghewont, Brab. Y. YI , 9124. (Hi) hadde mi qualjc
bericht saen, en had min grote sin gedaen, daer
ie bi jegen hem began den strijt, Xa»^. III, 4347.
Mettien slage, die hi hem gaf, berechte hine soe
onsochte , dat hi een wort niet spreken en mochte ,
II , 19105. {Uet paard) warpene-vor hem op die erde
ende berechtene sere onwerde, j^. II», 49, 109. —
Het verl. deelw. berecht bet. dus in een zekeren
toestand y er aan /o<f, steeds verbonden met een bQw.
van graad of wijze, b.v. bat, so, also. || (Si) leiden
onder die liebarde mi . . (ende) Onse Here . . halp mi
ter steden , datsi also bericht vonden mi , als icker
geleit was, Lanc. II, 24349 {in denzelfden toe-
stand ^ als toen zij er my brachten). Echites was
oec om dese sake herde sere tonghemake, dat hi
niet bat berecht en si, ende hi van derjonfrouwe
vri nu nochtan daer sceiden moet, lAmb. I, 2425.
Demophon was te moede wee, dat hi niet bet
berecht en was, IX, 240. Dat al mijn lant bat
dan nu was bericht, Parth. 6750. Alse hi hem
gevoelde also berecht, dat hem dochte dat hi
vallen moeste, Laju:. II, 20230. (Als) hi hem sach
so berecht dan, dat hem gene bliscap ginc an,
III, 2847.
b) Yan zaken. Er mede handelen. || Cortelike
na dien waest {lichaam) so berecht , dat mochte
geduren, Sp. II*, 32, 80. (Hoe hi) sinen lechame
oec berechte , dat hi in ghesonde blive , Heim. 1440.
Ende daema . . dede hijt al toten gronde neder-
werpen ende maken slecht ; dus was Hejmersbach
berecht, Brab. V. YI, 5399. - Ook als term bij
de muntvervaardiging. Op het te mttnten metaal
eene bepaalde bewerking toepassen. Maar welke? ||
Tvoorsz. werk van VIII marck silvers . . . moet . . .
loffelyck opgemaect worden . . ende met drij wercken
gewrocht, te weten quetsen, berechten ende
legieren in YI marck silveren gehaeft in platen
ende metten sonne gepasseert, Y. d. Wall 793.
Dat men wercken moet stuy vers ende andere dier-
gelijcke soo in gout als in silver drij wercken, te
weten quetsen, berechten ende legieren
naar de oude costuymen, 794.
15) In juridischen zin. Het transitieve rechten ^
richten. In eene zaak recht dcen^ haar door eene
gerechtelijke uitspraak beslissen , beslechten, uitmaken.
a) Met den 4den nv. der zaak. — a) In eene zaak
vonnis vellen , haar in rechte beslissen , beslechten. \\
Dat alle zaken ghevallende binder vors. steden . . . ,
dat die behoren berecht te zine bi der wet van
derselver stede, Invent. v. Brugge^, 541. Ghesent
hevet hi om sente Remy , dat hi te Lodine quame ,
bidi daer es sulke dinc gesciet, hine caent be-
rechten niet, Sp. 111*, 8, 45. Of God tenjoncsten
daghe sal ghepeins ende wort berechten al, daer
wi oy t in mesdaden , Wap. Mart. 1 , 274. Gescieter
enech vechten, Aaron ende Hur sullent berech-
ten, Rijmb. 4701. Die grote sake berecht allene,
Rijmb. 4475. Claudius hoorde hare tale ende be-
rechte die sake wale, 27313. Dat hyt soude be-
rechten comen, Brab. Y. II, 1535. Dat souden
die rechtren berechten. Rosé 5269. Wat gesciet
binder vriheyt van Aemstelredamme , dat sal men
berechten bi den scepenen van binnen , O. R. v.
Amst. 9. So moeghen wi dien poerter weder binnen
halen ende die misdaed daer binnen berechten,
16. Alle . . . quetsinghen sullen ambochts heeren
berechten bi scepenen, Oorkb. 2, 334, 39. Alle
923
BERE.
feERE.
924
excessen, die daer gescbien, worden berecht by
den schout yan Hoorn, Inform. 86. 8o wat so
geschied bin Ame . . ., dat sal men berechten
bin Middelbnrgh , Ned. Proza 4. Dan soelen wy . . .
dat berichten ende affdoin bynnen den neisten
yierthien dagen, Ngh. 4, 180 (vgl. 2, 287). Dat
hl dat berichte ende daer over richte, 2, 287. —
Ook met een 4den nv. duidende op den inhoud
van het vonnis, in den zin s9Si alt recht uittpreken,
II Die scepen of raet sloeghe, daer si waeren van
der stad weghen of om dat si bericht hadden van
der stad weghen, Stadtr. v. Zwolle 57, 32. Op
dat se bericht hebben van der stad wegen, «x/^^. 31.
^ Richten ^ ttraffen. \\ Men heeft geseit te menigen
tiden , dat men om onrecht soude striden ende om
eten sonde men vechten, ende dan {dat en) sonde
geen baliu berechten, Yelth. IV, 17, 13. Roef,
cracht ende ghewont , dat de heren van rechterscont
over al souden berechten ende scarpelijc daer over
rechten, Teest 894 {d. t. met den gewonen pro-
thusteron: „scherp zouden vonnissen en overal
ttraffetC*), Overdadighe sware hovaerde salmen an
enen maten man al anders berechten . ., dan an
enen groten here, ende so berechten {yar^^ dat
elc lere tombeme suiker overdaet, Èeim, 636.
Dat een here ne mach altoes . . . dinc berechten
die hem wel cont es , ende niement el , Rijmb, 1841 ;
„quod judez sibi soli notnm crimen punire non
potest. Al dat ghesciet binnen deser chore, dan
sal men niet hoegher berechten, dan vierscatte
{var. beteren), OarH, 1 , 247 6 (a. 1248).
b) Met den 4den nv. van den persoon.
a) Iemand recht doen, hem recht verêchaffen, ||
Om me tvolc dat voor hemlieden quam te berech-
tene, Invent, v. Brugge 4, 178. Dat hi van
gheere zake tien tide wilde horen sprake, eer
dat arem w\|f berecht ware . . , ende (hi) berech-
tese alsoe dat soe hare wel ghepait van hem
bilt doe, VI. Rijmk. 2507. Du souts uut kiesen
saen moghende Inde die Gode ontsien . . , die
dit volc van cleden saken berechten ende vreden
maken, Rijmb. 4470. Sie mogen wel wesen
zonder plecht, die in dat vonnesse zijn berecht,
Anz. 4, 71. Als hi die weduwe maete vro, die
hi berechte van {in de zaak van) haren sone, Sp.
11^, 84, 7. Omdat mi dese wedue nit met vreden
en laett, so salie se berechten, dat syt mi ten
yoncsten daghe nit en hebbe te verwitene , Z. v. J.
c. 166. — Ook met den 3den nv. |i Van dat zy
berecht hebben den voochden van weezen ende haer-
lieder partyen, Invent. v. Brugge 4, 415.
ff) Straffen, tuchtigen. || Si ne wilden niet be-
rechten sine viande, Yelth. II, 14, 31.
16) Bg uitbreiding. Als ridderterm.
a) Met den 4den nv. van den persoon. Het voor
iemand opnemen , sijne partij kiezen , hem beschermen.
Ook met eene bep. met jegen, ter aanduiding
van den persoon, waartegen, of met van , ter be-
paling der zaak, waarin men iemand verdedigt. ||
Want daer een ridder comen ware, die de jonc-
frouwe wonde berechten jeghen hem ende over hare
vechten, Lanc. II, 9378. Soudi Lionele willen
berechten ende den camp vor hem vechten, 23884.
Wildi dese joncfrouwe berechten oft van hare
sceden, oft jegen mi vechten? 44021. Dat mi enech
ridder berechte ende jegen Bridanne vechte, III,
6619. Dats mi leet, van derre sake en salie u
connen berechten, Ferg. 4372.
b) Met den 4den nv. der zaak. Voor een gerech-
telij ken tweekamp bewijzen of bezlechten. \\ Of ghi
wilt 8^11 hare campioen, so comt voert ende laet
1
ons vechten. Fergnnt sprac: ie salt berechten,
Ferg. 4696. (Ic^ wiUe der Diaget recht berechten,
nu eist tiit, aat wi vechten, Umb. UI, 297. Ie
soude over mire nichten vechten ende hare claege
in deseu berechten, Lanc. II, 8741. Van den rid-
dere die . . . wilde berechten haren noot enten camp
vechten , jegen die haer leit op den moort, FUndr.
lY, 138 (Martin leest verrechten, misschien wel
de ware lezing). Hi wille vorden coninc vechten
up Harderike , ende dat berechten , dat hi looch
als een valsch man, Sp. III", 78, 16. — Ook b|
verdere uitbreiding. Door een (niet gerechtelgk)
tweegevecht of gevecht tutzchen meer perzonen be-
slechten , uitmaken. || Echter ontbeet (/. ontboet) nu
hierenbinnen die ander: Of hy tselve wilde be-
rechten met swerde ende met scilde ? Yelth. 11,7,
51. Doe wilden t die gonen berechten, died^v^fte
porte bilden, ende sloeghen up Waleweine, Wal.
6606. Ygl. becorten 2), dat hiervoor de gewone
uitdr. was.
Wederk. Hem berechten.
1) Zich besturen , zich beheerschen (vgl. bedr. 7). ||
Lanshere ne dooch niet, die hem selven ende sjn
diet mildelike niet ne berecht, Heim. 45. Die
hogheste vroescap eist echt, dat een hem selven
berecht, 355.
2) Zich gereedmaken, toerusten ten strijde, zich
voorbereiden (bedr. 11 b). || Up enen dach so
soutmen vechten: die Eerstine ghinghen hem be-
rechten, als den wgch te vangene an , iVoiir. 5797.
3) Zich inrichten, zijn leven inrichten, eene ge-
dragslijn volgen (bedr. 8). || Het was een ridder
rike ende vrome, die also berechte home, dat hi
huwelijc ontseide, Sp. V , 74, 1. O vuel onreine
knecht, hoe hebbedi u selven dus berecht? Base
3618 : ' hoe hebt gfj deze gedragslgn kunnen volgen,
hoe hebt gij u zelven zoo misdragen.^* — Ook iu den
zin van schikkingen maken, beschikken omtrent zich
zelven. || (Daer) woud hi berichten, als hi dede,
hem selven ende al syn goet oec mede. Als dat
gedaen was . . . so lacn hi neder ende was doet,
ChrUt. 1460.
4) Zich verzorgen, voor zich zelven zorgen (bedr.
11 c). II (Hi) aventnert s^n leven ginder om te
bescermene sine kinder , ende hine beghevetse nacht
ende (/. no) dach, tote dat hem elc berechtea
mach , Nat. BI. III , 207. Hi {de arend) const hen
wel berechten , dat hi die voghel al verwan , Segh.
1798.
5) Zich verdedigen, zich verweren, zijn reehi
handhaven (bedr. 15^). || Hi ne can hem selven
niet berechten, wat soudi dan over mi vechten?
Yelth. II, 18, 35. Het welt (vt/) menech vechten ,
daer hi hem qualyc can berechten, Torec 1542.
Het gaf hem op groet ende smal ... al sonder
vechten , sine mochten hem niet berechten, Aiol^fr.
895. Nu sal hem Baselie moeten berechten met
anderen volke, 907. Hem selven sullen si berech-
ten, ende oec vor al dander vechten, Ben. 1768.
(De verklaring in het gloss. zich gereed
ten strijde is de ware niet. Ygl. Clariase op Hé
bl. 133 — 136). Want gi nu saen moet vechten
camp ende u berechten, Lanr. III , 12985. Gi moet
u andersins berechten; laet n scelden ende laet
ons vechten, 18401. — Ook in den zin van reeit
krijgen. \\ Neemdi mijn ors, hets mi leet, ende
mach ie mi niet berechten, eer iet verliese, it
sal eer vechten, Ferg. 2519.
6) Een tweegevecht houden, met iemand kmmpen
(bedr. 16). || Nn segt, weder soe wUdi beide
tenenmale nu yechten of wilt hem elc allene be-
d25
ÊEtlÈ.
BERE.
926
rechten legen mi ? nu kiest dat ene , Lanc. II , 38086.
B£R£CHT£R£(berechter, berichter), znw.m.
1) Ton berechten in den zin van besttvrett (bedr. 1).
Bettmrder, opeicAter, regent j zoowel van God,
als van allerlei wereldiyke en geestelQke betrek-
kingen. II Om dat dit rike hanget an u, ende es
Bonder berechtere nu, Lane. lY, 7975. Nochtan
so ne sonde ... die Bruut, die Heylighe kerke
myn, daer bi niet gesconfleert syn, al es dathaer
bwechters quaet niet en doen na haren staet, Yelth.
YII, 17, 40. Dattie berechters van eenre stat...
gkèmenen oorbaer achterlieten, Lep. III, 16, 128.
Soe wanneer Gherarda van Leyden ghebrake, be-
rechter der voerseyder kerke , Mieris 2 , 66 ^.
Want hi is berechter alles dyes dat hi ghescepen
hevet, alzoe dat oec een blat nyet en valt up der
arden zander hem , JSoee d. Jf., /. 14. Dat aen dien
berichters (der orde?) die twee zolen zQn mildichlike
radende ontfennicheit , D. Orde 238. — Ook in den
bepaalden zin van landvoogd^ gouverneur^ door den
wettigen vorst met de macht over een gewest be-
kleed. II Dien maecte Anthonis bi hem berechtre
in tlant van Jhemsalem, Bifmb. 20721. Hi voer
over in Ingbelant, daer hi Willemme van Loe
vant, die borechtere was gheheelike van algader
den conincrike, VI. JSijmk, 4678. Die wiledatwy
Tan ons lieven boelen weghen shertoghen van
Oelren sijns ende ons lants meyster ende berichter
wesen zuele, NQh. 2, 65. Want . . . onse lieve
here, her Reynout hertoghe van Gelren . . . ons
overste meyster ende berichter s^ns alinghen lants
van Veluwen ghemaect hevet, ald. 93.
t\ Yan berechten^ in den zin van recht doen
(bear. 8). Bechter. \\ Wine sgn niet wroegeren
Tan den sonden no berechters, 7et. BI, 4097.
Entie dat volc souden besyen, diere waren ses
dnsent . . berechters ende beschrivers , Bijmb. 10980 ;
„judiees au tem et scribas sez millia.'' Berechters
hadden si (de Joden) vorwaertan (na Jostia), nl.
de Bichteren, Sp, I», 11, 27.
3) Yan berechten in den zin van verschafen,
hetórgen (bedr. 11 e), Begorger^ bewerker, \\ Wel-
ken dach die berechter onser salicheyt maecte,
vercoes ende heyUchde, Paee. W\ 123 f.
BERëCHTICH. Zie op berchticu.
BEREOHTINÖE, znw. vr.
1) Yan berechten^ in den zin yaü besturen (bedr. 7).
Bestuur^ opzicht. \\ Dat hoer Igf ende hoer goet
der broeder berechtinghen zi onderdaen, D. Orde
237. Dat hi also die berechtinghe des huses ende
den ordene versie, 278.
2) Yan berechten j in den zin van verzorgen
(bedr. Wc). Zorg^ verzorging. \\ Yan dier berech-
tinghen der zieker broedere, ald. 243.
3^ Yan berechten^ in den zin van terechtwijzen
(beur. 6). IWechtwiJzing , voorlichting. || Der mensce,
di den geest der berigtingen wilt bekennen , di mnt
sig in sig solver trecken ende mut sich sonderen van
allen uttersten dengen , lAmb. Serm. 31 d.
= Thans nog in Ylaanderen algemeen In gebruik
in den zin van toediening der laatete Sacramenten
(zie bedr. 16).
BEREDEN. Zie bereiden.
BEREDEN , zw. ww.Yan rede^ d. i. tale. Alleen ge-
bruikelgk als rechtsterm. Mhd. bereden ; mnd. bereden,
. 1) Met den 4den nv. van den persoon. Bewezen
tegenover iemand. \\ Mach bene (hem) dan die ancla-
gher betttghen (var. bereeden) met tween onsen bur-
gheren , so is hine naerre over te gane dan die andere
te ontgane , ende en mach hi hem niet bereden , so
sal M hem daer ontsculdich maken, Stader. v. Zwolle
86 , 112. Mach oene (hem) dan die anclagher bereden
mit tween goeden Inden of knapen . . , d^t hi die jare
daer an hee^, 150, 263. Mach hi hem des niet bereden,
so mach die ander s^n onschult daer voer doen,
ald. Worde hy des bereet (= beredet), so weret
en voersaet ende twivolt cure, B. v. Zutf. 13, 39.
2) Met den 4den nv. der zaak. Bewijzen^ dat
men recht heeft iets te doen, het gerechtelijk
bewijs leveren dat men bevoegd is tot de eene of
andere handeling , of recht op iets heeft. \\ Alle die
voersz. keure ende boete sal ick hebben twee deel,
ende die poorte tderdendeel , ende die salmen nemen,
waer mense mit scepenen ofte mit poorteren bereden
mach. Mieris 2, 2026 (a. 1318). Twintich grasen
landes . ., van welker Herman ende Asingeden
narcoop beredet hadden, Warfsconstit. 139. Want
Hindrick Schuttrop den naercoep van der hoffstede
beredet hevet, . . so wyzen wg hem den naercoep
toe , Etst. V. ihr. 39. Oft de weddescat der vrowen
eman breken muchte, den se mit scepene bereden
muchte , B. v. Zutf. 73 , 84. Ende er neman breken
en muchte, want seys in were was ende mit
scepene bereden muchte, ald.
BEREDENEN, zw. ww. bedr. Yan redene (zie
ald.), en vgl. het vorige Art Bepalen ^ afspreken,
Ygl. het mhd. znw. beredenunge ^ d, i. besprechung. ||
In alder maten als dat boven beredent es , Brab, IT.
Yll, 2907. Te aenhoome sconincs uutsprake,
alsoet beredent was te voren int tractaet,zoeghyt
mocht hooren, 3411.
BEREDENISSE (beredenis), znw. vr. Yan^^-
reden (z. ald.). Getuigenis^ het aanbieden van het leveren
van het gerechtelijk bewijs. \\ Zoe en zal en gheen
tuech noch beretenis (/. beredenis) gaen over dobbel-
ghelt van scepenen, Stadsr. v. Zwolle 76, 87 var.
BEREDINGE. Zie bereidinoe.
BEREDINGE, znw. vr. Mnd. beredinge; mhd.
beredunge. Bewijsvoering. || Is ghewgst Fennen den
naercoep toe , na hoere beredinge , Etst, v. Dr, 202.
* BEREEDE, Fop. Bog. 381: lees beleede. Zie
BELEIT 2b).
BEREESCAP. Zie bereitscap.
BEREET, BEREET8GAP. Zie bereit, be-
reitscap.
BEREGENEN. Zie bereiken.
BEREIDE, byw. Mhd. bereite , bereit. Volgaarne,
bereidwillig, \\ Altoes offert hi hem bereide, ist
saeck dat hi mi bereide (bnw.) vyndet , Stemmen 32.
— Zie over een tweede plaats, Qrimb. I, 5390,
bij bereiden , 3^).
BEREIDE , bnw. Zie het vorig Art. en bereit.
BEREIDELIJC (bereedelijc), bnw. Ygl. mhd.
byw. bereitecUche. Bereidvaardig , gewillig, voor-
komend. || Hi sal wesen bereedelic, blidelic, sim-
pelic, haestelic, vromelic, puerlic, ende gemeenlic,
Con. Somme llbb.
BEREIDEN. Zie breiden.
BEREIDEN (bereden) ; later ook in den samen-
getfx>kken vorm bereen (T ifatf^^. 417)), zw.ww.
bedr. en wederk. Mhd. bereiten; mnd. bereden,
bereiden,
Bedr. — 1) Oereed maken, klaar maken, in
orde brengen,
a) Iet — . II Dat hi door hem woude pinen ende
bereeden sonde alle saken die hem bedorsten,
Amand II, 3613. Daer schiet die abdt endeghinc
al bereeden groot ende smal, dies ter saken toe
bedurste, 8649. Ghi moet u simpeliken cleden
ende helpen alle dinck bereden, so wes hier in
den hove valt, MLo^ lY, 1173. Si ghiac sonder
groot gheschal ende bereyde die cameren al teghen
927
BERE.
BERE.
928
die coomste vander brnyt, 1227. Soe is bem sonder
twy bereet hemelrgc ten lesten tyden, Hild. 126,
236; ,,hem is bereid^ tpeggeUgd het bemelrgk."
Wie dien tornoy tral bereden ende begomen , Parth.
3466. (Hi) bereide al, dat hl daer toe behoeven
sal , Limb. II , 79. Gaet ten vercoopers ende doet
hu ander {olie) bereen, V Maagd. 417. Ie hebbe
yeghewelken sine stat bereet na weerden ende na
Terdienten, Rnnsb. 5, 23. (Dat men sonde) alle
dinc bereyden met groter voersienicheyden , Melib.
2468. — Een hof bereiden, toebereidselen ma-
ken voor het houden van een hofdag {cour plénirre ;
vgl. bg hof). II Sent dede die here een hoef be-
reden costelijc, als hi was ghewoene, daer hi gheen
goet jeghen en spaerde, Belg. Mt$s. 10, 77, 44. —
Vooral gebmikeiyk in de uitdrukking Sinevaert
bereiden, toebereidselen maken voor eene reit. ||
Si bereiden hare vaert ende voeren ter bmlocht
waert, lAmb. XII, 1315. Sibille die met deinen
doene bereide hare bedevaert, Limb. VI, 1588.
(Hi) bereedde sine vaert, Bloeml. 3, 9, 19. Dus
es der coninginnen vaert al bereet te Norwegen
waert, Lorr. I, 971. — Het bereiden, het in-
richten, het aanleggen, ook met bijvoeging yan
also. II Die keyser selt anders bereden, Velth. V,
29, 16. Doe wert daer also bereit , dat die meester
logicien kersten wert thant na dien, Sp. II», 33,
64; „toen wert het daar zóó ingericht, geregeld,
toerd er bewerkt?"* Dat so wert bereit, dat men
hem te voren brachte, II', 1, 28; „hij had het
zóó aangelegd, zóó bont gemaakt, dat h^."
Aanm. — Up. I, 19, 27."„Dien moet die ziele
hoeden ende bereiden^\ leze men met de Variant
beleiden, d. i. besturen, leiden. Zie BELEIDKN, 1).
b) Enen — , iemand klaar maken , gereed maken ,
toerusten, mVn^^^it. || Moeder, bereit mi, t waren,
ie wille om aventure varen, Limb. IV, 675. Hi
quam weder in sinen sin ende dede hem baden
ende bereiden ende met verschen cledren cleiden,
VI , 636. Gallicaen voer blidelike ten Syten wert . . ,
die derwert met hem heeft bereet twee sonderlinge
vroede man, Sp. II», 30, 18. Haer volc dede sy onder-
sceden ende te vechtene al bereden , Troyen 4332. —
Ook met eene bep. met sonder. Eig. iemand nit-
r tuten zonder {met uitzondering van) ietê, d. i. hem
van iets verstoken laten. \\ Macharise moete God
verdomen, dat hi dus sonder kerstenheit dese
kinder wonde hebben bereit, Aiol-fr. 1\1.
2) Verzorgen, van het noodige voorzien. Vgl. BE-
RECHTEN en BERECKEN, waarmede bereiden ver-
scheidene punten van overeenkomst heeft; zie ook bij
3). II Ende dat menne warme decke ende bereide
ende berecke, Lanc. II, 42625. (God) die ouch
dat Ysrahelsche diet uut Egipten leyde , ende hon
wael bereide, Serv. II, 1526. — Ook van wonden.
Ze behandelen. \\ Emmer soe bereedet dat been, dat
die hersenen ghesuvert werden van horen etter,
Jan yp. 74. — Vooral gebruikelijk van de zorg
voor overledenen. Hen voor de begrafenis in gereed-
heid brengen. \\ Doe Joseph uwen sone bereiden
halp, ende Nycodemus mede, O. Vr. Droef h. 27
(Verh. 2de KI. Inst. 6», 17). Als sente Bave dus
was verscheenen, so dede menne saen bereeden,
also den doden lichame behoort, ^wmn^;? II, 4097.
Si droegene van deer stede tere ander stat, daer
sine ontdeden ende balsemden ende bereden ende
leidene in een scrine, Stoke V , 89. Alse hi Luduse
versach doet liegen . . . , biet hine balsemen ende
deiden ende hoverdelike bereiden , Z«»<?. IV, 10060.
3) In een zekeren toestand ^«i^^»; vgl. BERECH-
TEN en BERECKEN. Alleen (of vooral) in gebruik van
het brengen in een slechten toestand. Ia nirer
mnl. steeds met een bijw. van graad (so, tlso
al das), of van w^ze verbonden.
a) I e t — , vooral eene landstreek. HMorverwonln^
plunderen. || (Hi) heeft dit lant aldas bereet, ob
dat hise {de dochter) den coninc wilt dviage&iTe,
TW^r 1099. — Het bereiden, A^/ó<w/a«iM.||Hi
had so over al . . . bereit, dat hi dar niet al te lade
varen iet, Lorr. II , 272. Laet ons opsitten met geweh
ende varen in Brabant so bereide , dat hem leet wis,
eer wy daervan scheiden, dat sy ons oyt sagen aae,
Grimb. 1 , 5389 (men leze : bereiden. De zin is , laten
wij den boel in Brabant eens zoo gaan opseieppen , kei
eens zoo gaan roeren , dat , enz/^ Bereide bet ^•
reed, bereidwillig, maar wanneer men aldns leest,
ontbreekt het doel van den tocht naar Brabaat).
Aanm. Het gebruik van bereiden , Fats. W.Vt&'.
„ soe bereyde een yselyc storm den hemel,** verdient
afkeuring; de beteekenis moet hier zynM/nKm,
beroeren, in strgd met den aard van het woord.
b) Enen — . Hem toetakelen, mishandelen, ud
iemand leven,
a) Met een b^w. van graad. || (Hi) heefl die
vijf also bereet, dat si nemmeer ghedoen ie
connen, Toree 288. Laet ons dese aldns b^
reden, dat hem bi ghenen dulheden kerstenmu
en sal dorren nemmermeer jeg^n ons porren,
Limb. IX, 345. Elc bereidde audren soe, dstter
engeen was van hen beden, hine hadde gebloette
diere steden , Lanc. II , 9766. Walewein hadse ii
suiker manieren bereit, sine mochten niet mere,
3142. Qualike moetti hier comen wesen,lioeW-
reiddi minen naen also , 5286. Hi sloech op die
gene sere doe, die sinen broder beredden soe,
21634. Hine bleef doet oft so bereet, dat hemdst
keren wert ontseit, 39174. Hine hadde cleder,
cousen no scoen . .; doe vragede hem die riddere
gereet, wanen hi quame al.so bereet, zoo vreeai
toegetakeld, in dien toestand, 17006. Selve was hi
soe bereet , wat hi hadde anegecleet . . , was gescort
ter meneger staden 44819. Also bereit aisi daer
was , nochtan kindene Gringolet , 45184. Hi ginckeie
daer also bereiden, dat hi bidden moeste genade,
46642. Daedse, also hi wilde , bereiden , sine daden
an die maget niet, Sp. II*, 28, 62. Hine keert
nemmer in die stad, ie bereidene soe enz., Iam^-
II, 998. (Hi) sal u, seiti, alsoe bereiden, alsoe
hi dede hem beiden, VI, 2289. Aldus bereidense
haren waert. Rosé 11502.
/?) Met een bgw. van wijze. || Hadden wioe
{hem , d. i. Ood) van hemelrike , wi soudenc alsoe
qualike bereiden , alse bereit waren onse ghesellea,
die liggen in baren, Limb. l, 423. God van hemel-
rike , en hebben mi niet dorperlike bereit die portre»
van binnen ! II , 1503. Men sloech hen af haode
ende voete, ende bereidese harde onsoete, Jl^-
VI, 435. Die n bereiden sonde onsochte ende
stucken slaen. Rosé 13104. Hi sacher selken qnal|c
bereet, die waren ontwapent ende ontcleet, L»e.
II , 45027.
c) In de bepaalde opvatting van Iemand in «*
zekeren zielstoestand brengen, betx>overen\ vgl- BE-
RECKEN 6c). II Die tovemie die ghi hebtinne ende
onsen sone mede hebt verleit, ende so daer mei
bereit, dat hi (/. hem) moeder ende vader He^*
voeren beidegader hinderwert vele dan ghi, /<"^
I, 1770.
Wederk. — 1) Zich gereed maken, zich ww;
bereiden, toebereidselen maken. \\ So wat poertersi
outfaen, die hevet zes weken hem te beredene, ende
dan binnen comen te wonen, Racer 1, 117. Alleténe
929
BERE.
6ERE.
930
bereidde si hare , alsocht si henen yaren sonde van
ertrike tehant, IaUq, II , 287. Dat si soude van ertrike
scedeUf ende ginc har daertoe sere bereden, 296.
Doe bereiden hem de payene om te ridene baten
mure, Aiol-fr. 861. Die vronwe . . bereide hare
al te hant dat si sanderdags porren soude, Limb,
VI, 1678. Des andren daechs bereydem Seghelijn
ende die vyf neven sijn; si namen oerlof aen
haren vader, Segh, 3379 par. Dns wildu om sterven
bereeden , Sacr. 706. Smargens als die dach ontbrac ,
benden (/. bereiden) si hen ende wilden riden,
Lanc. II, 38176. Doe hi was int graf geleit, hebsi
hem daertoe bereit {maatregelen genomen om), dat
si mine ridderen daden wachten tgraf , iSp. I', 96 , 41.
2) Met te verbonden. Eig. ziek gereed maken om
f e gaan tot of naar, en verv. zicA begeven naar
(vgl. Gr. mtQaGxevd^ead'ai). — Ook in fig. zin.
ZicA zetten tot. \\ Hoe hi noch ter doget wert soude
hem bereiden, Limb. IV, 367. (Si) bereidem daer
ten riemen in de galeide met croeter vaert,
Aiol-fr. 971.
3) Zich toer tuten, zich uitrukten, en wel bepaal-
delijk zicA uitdossen, zicA kïeeden. \\ Op een tijt
ghinc so hoer bereyden mit enen hencke oversla-
ghen, als doen die ghene die rouwe draghen,
M.lA)ep II , 3368. Hi toech der vrouwen cleder an ,
ende bereyde hem als een wyflf, 3676. Doen
dese jongelinc opstont ende sine gheselle, bereiden
si hem cierlike, Limb. IV, 462. Die coninc es
scoenlec gecleet ende conincliic bereet, wel ghe-
wapent na coninx seden, X, 861. Behageliic was
si gecleedt, ende cierliic bereet, alse coninx kindren
wel betam, 981.
Aanm. — Somtijds wordt bereiden verward met
berieden, verl. tijd van beraden, zoo b. v. Amand
II, 2096: II Mettien bereedden hem die Jueden
saen , wie daer spreken soude vooren ; Ues berieden
hem; en Limb. VIII, 189: Eens smargens vrouch
tilike stont op die here rike ende bereidem son-
der sparen , waer si wouden savons varen ; lees be-
rieden hem , en vgl. vs. 200 : „Ende daer souden si
hem beraden, wat si wouden doen."
BëREIDER, znw. m. Van bereiden in den zin
van verzorgen (ald. 2). Verzorger, bestuurder. \\
Doe hijse gesien hadde . . ., so beval hi den be-
reider van sinen huyse , ende seide, D. B. Oen. 48, 16
(Stat.-vertaling: Aem die over zijn Auis was). Om dese
sake gingen si in die dore totten bereyder, ald. 19.
Joseph beval den bereider van sinen huyse ende
seide, 44, 1. Doe dede Joseph den bereider sijns
hnys voer hem comen, ald. 4. — Vgl. bereit.
BEREIDINGE (beredinge), znw. vr. Mhd.
bereitvnge; mnd. bereidinge.
1) Bereiding , Aet gereed maken. || Du hebste
bereet hoer spise, want also is hoer beredinge,
Hs. Ps. 69r (Ps. 66, 10). Vgl. bereitscap 1).
2) Versiering. || Gherechticheit ende oerdeel is
een beredinge dijns stoels , Hs. Ps. 96 r {Ps. 89 , 16).
Vgl. BEREITSEL. — Ook in den concreeten zin
van sieraad. || Hi {CAristus na zijne opstanding) hadde
bereidinghe ende schoenheit aenghedaen, ende hi
was verciert mitten lichte als mit enen clede,
Bern. S. 62 a.
BEREIKEN", zw. ww. bedr. Mhd. bereicAen.
Bereiken. — Ook in de uitdr. metten swerde
bereiken, hetzelfde als het meer gewone bevaren
metten swerde, of bevaen binnen slage (zie BEVAEN
en BEVAREN). Binnen Aet bereik van Aet zwaard
krijgen. || Wat hi bereicte metten swerde ; moeste
emmer sterven daer, Lorr, II, 880.
BEREIT (bereet; ook bereide; zie het tweede
voorbeeld bij bereide, bijw.), deelw. bnw. van
bereiden of Aem bereiden (zie ald.). Mhd. bereite,
bereit. Mnd. berede, bereide.
1) Klaar, gereed, bereid. \\ Smargens doe si
souden riden ende bereet waren hare rossiden,
Lorr. fr. 1 , 622. Ende ene tafele hadde hi ront . . .
beide nacht ende dach bereet, Sp. II*, 7, 81.
Waric soe vroet dat ie u mochte gheraden . . ,
daer willic emmer sgn bereet, Troyen 3236. Des
sinxen dages was al bereet tsinen bouf, Limb. II,
81. Here, hets al bereet, wildi gaen eten, V, 671.
Tot alle die brieven bereet waren, Brab. Y. VI,
6848. Dat sy te bliven sijn bereet, ifXoéy II, 2817.
Gaet , maect ghy heet vier bereet , Sacr. 673. Be-
reet . . . hoer onrecht te wederstaen , BartA. 761 b.
Soe is hi bereet enen gheliken te doen dat men
hem ghebiet, Ruusb. 3, 31. Bereet te doen dat
God . . wille, ald. Soe wie die sonden groter
wegen, soe si God bereyder is te vergheven , 104.
So heeft hi een scoon linnen cleet bereet ghehadt,
Boec V. d. L. J. 287 d. — Bereet ende be-
raden, klaar en gereed {eig. gereed en besloten). ||
Al haer edelen waren bereet ende beraden wech
te trecken , Ej?e. Cron. 306 a. — Vandaar de uitdr.
Bereit syn (werden). Met den 3den nv. van
den persoon. Eig. voor iemand klaar zijn. Met een
persoon of eene zaak als ondw.
a) Ten diertste staan, ter vrije bescAikking van
iemand zijn, gemakkelijk voor iemand te verkrijgen
wezen, ter dispositie zijn. || Want so wat dene weet,
is den anderen al bereet. Vrouw, e, M. X, 9. XJ
hulpe si hem bereit, SegA. 1629. Den rikeu man
es men bereet van allen gheesteleken dinghen:
men singt hem, men leest hem, ende aldat de
heileghe kerke van buten ghedoen mach, dats
hem bereet, Ruusb. 2, 174. Vgl. het tegenover-
gestelde ONOEREET SIJN.
b) Gemakkelijk vallen. \\ Syn inkeer is hem
alsoe bereet te Gode, Ruusb. 3, 63.
c) In bijzondere toepassing gebruikt van de
vleeschelijke gemeenschap. Iemand te wille zijn. \\
Natuer die prijst die duusterheit, hoeneer deen den
anderen wert bereyt, daert verborghen hoert te
wesen, Hild. 224, 106. — Vgl. MLoep IV, 970: Hon-
dert off twee hondert wive, altoes bereyt te haren live.
2) Evenals ons gereed in dialecten, zoo heeft
ook bereet de bet. van ^^«rAti(/. || Oec en is gheen
bereyder (de vertaling van Surius heeft aptius)
werc ter volmaecter doecht te comen, want wi an
Gode hangen met minnen ende met love. God
stortet alle goet in hem, want hi is alrebereetste
die gracie Gods tontfane, Ruusb. 3, 62.
3) Geneigd. \\ Si sijn also bereet ende ter wraken
also heet, dat si hem selven sonder noet werpen
in vemoeye groet, Melib. 29. Bereet tote allen
manieren van dogeden, Ruusb. 1, 94. Si sijn
altoos lichtere beweecht, ende beredere op te
stane dan andere menschen, 3, 204. Also als si
bereder sijn ten quaden, also sijn si oec bereder
ende vaster tot penitencien te doen , Ned. Proza 96. —
Bereet sijn tot enen, neiging tot iemand ge-
voelen, van hem willen weten, zin Aebben in. \\ Si
mint ene creature heimelike, daer ie niet af eu
weet, want si en es emmer niet bereet tot eneghen
man die nu leeft, Esm. 414.
4) Bereidvaardig , Aulpvaardig. \\ Dat ghi . . .
eiken van hen . . . bistendich, gehulpich, gera-
dich ende bereet sijt, Brab. Y. II, bl. 723.
BEREIT , znw. m. Van bereiden in den zin van
verzorgen (zie ald. 2). Verzorger, bestuurder. Vgl.
beAoet, behoede, d. i. beAoeder; beleit,(i.\. beleider^
30
93i
BERE.
BERE.
932
e. a. II Omme Eleasar hiel hi vraghen, die al
was sijns huus hereyt , Rijmb. 2074 6'; „ad Eliezer
proeuratorem domüs süae". Vgl. bij BEREIDER.
BËRëIT, znw. o. Alleen in de nitdrnkkingbe-
reit van stratenf straattchoitwing, \\ Boeten tot
drien ponden parisyse ende daer onder , nteghe-
leit twist ende bereyt van straten , Gendsch Chtb,
124. Vgl. Gloss. ald., bl. L7.
BEREITHEIT (bereetheit; ook in den vorm
BREETHEIT). Gereedheid ^ ontvankelijkheid voor goede
indrukken. \\ So sullen wy hem dan onse herte
bereyden tot enen hoye , want daer staet gescreven ,
dat die wise wandert in breetheit of w|jsheit sijns
herten , Brugm. 1 , 305.
BEREITSCAP (bereetscap), znw. vr. Mhd.
hereitschaft. Van hereit of hereet (zie ald.).
1) Gereedheid^ bereidheid^ beretdvaardigheid ^ ge-
neigdheid. II Als hi aen hemlieden gheen bereet-
scap en yant, so ontboot hi hertoge Jan dat hi
sijn best dade , Exc. Cron. 128 a. Soe hebben si veel
bereescapen tot sonden , Boec v. d. L. J. 88 c. Si be-
voelt in haer een bereetscape ende een gheneych-
licheit liever te doen, datmen haer heet, dan dat
si van hoer selven aenghenomen heeft, Rnnsb.
8, 37. Aldus maect men ene bereetscap ende ene
bevallijcheit (d. i. bevatlijcheit) ^ een inwendich
begheerlic leven tonfane, 6, 69. Liden dat die
mensce dicwijl ontfaet van binnen ende van buten ,
ende ene bereetscap maect {getchiktheid veroor-
stiaki y aanleiding geef f) tot nienigherhande beco-
ringhen, 3, 68. Dat een mensche alsoe grote be-
reetscap hadde , dat hem God siin sonden soude
vergheven . . . , soe waer nochtan die bereetscap als
nietjegen dat God is bereet onse sonden te vergheven,
103. — Ook in den zin van het gereed zijn. \\ Doe
was die scrifture voldaen . . . ; waters is vol Gods
vloet, want sine bereetscap is alsoe, //»p. Il, 31, 60
{Pt. 66, 10: „ flumen Dei repictum estaquis" enz. De
vertaling heeft: „Wanneer gij hetalzoo bereid h eb t^^).
2) Toebereidgelen. — Ook in de uitdrukking be-
reetscap maken, toebereid sel en maken ^ maat-
regelen nemen.Y g\. hem bereiden, wederk. 1). || Ghi
helle, hoert . . ; maect u bereesohap en comes af ,
sijt blide en vro, Blisc. v. M. 668. (Die) hare be-
reescepe maect echt te vaenic in den Griecschen
dan, f^l.Rtjmk. 6247. Dat vanGloucestre diehertoghe
bereetscap maecte . . ., om met Jacoppen der Vrouwe
te comene int lant van Henegouwe , Brab. Y. VII ,
14406. Bereetscap maken, uni den hertoghe van
Gloucestre ... te wederstaue met synre macht,
16839. — Ook met den 3den nv. v. d. pers. Enen
bereetscap maken, voor iemand* ontvangst
toebereidselen maken ^ hem plaats bereiden. || Dit
wilt ons Christus altoes gheven gheestelike, alsoe
dicke alse wi ons aldus oefenen, ende hem in ons
ene bereetscap maken, Ruusb. 6, 126.
3) In concreeten zin. Vat tcat voor ons gereed^
beschikbaar is; hetgeen men voor een bepaald doel
noodig heeft \ ook voorraad^ materiaal. Vgl. ons
znw. gereedschap , welke bet. bereetscap in het Mhd.
heeft. II Oft si bereetscap souden vinden van boute,
om t water te beiden inden te overpalene,J?ra^. Y. VII,
8639. Dat si daer . . . bereetscap vinden souden van
houte. Noch seide hi hem . ., dat daer houts ghenoech
ware ende alle bereetschap na haer ghevoech toten
palen ende bolwerke, 8661. Als sy die (onze residentie)
gevonden hadden, dat sy dan alsulken bereescap
van onsen mannen van leen niet en vonden aldair, als
totten hoetvonnisse behoefde , Geseh. v. Antw. 2, 526.
BERKITSKL, znw. o. Van bereiden (zie ald.).
Toebereidsel. Kil. apparatus.
1) Toebereidsel^ ook in den zin van wutatre^el,
plan , voornemen , voorbereiding. || Hoe die ghi onbe-
reyt oft met cleyn bercytsel ten heylighen atcn-
mente gegaen hebt , F. m, f. 74 r. Dat hj sjn
opset ende bereitsel metter macht den van Bommel
te spysen . . . nyet en heeft konnen volbrengen,
Gedenkst. 3, 30.
2) Bevordering. || Sijn heylicheyt heeft menign
mensche een goet bewijs gheweest ende een be-
reytsel tot profite sgnder sielen salicheyt , Ere.
Cron. 26rf.
3) Van bereiden , in den zin van toerusten , kleeée»
(ald. 1*; vgl. Wederk. 3^. KUedij, toilet. \\ Endebe-
saghen hem hoe dat haer bereitsel hem stoot,
Proza-Rein. 81 ; vgl. Rein. II, 6900: Ende sighea
hoe haer steertgens hingen ende hoe hem luer
muulken stont.
BEREC, znw. o. Stam van berecken; vgl. be-
rechten.
1) Van berecken, in den zin van in orde brengen,
bereiden (ald. 3). Toebereidselen; concreet: vmi toe-
bereid is, gerei, praeparaat. || Men neme sniphar
ende pee ende smout, al dit berec salmen docB
wallen over een, Segh. 10107. Vgl. gerec, dit
hier als var. voorkomt. — Ook in de uitdr. Op
sgn berec sijn, op orde , op streek zijn. Met een
bepaling met van. Op streek, op stel zijn vet iets ^
van iets voorzien zijn, Vgl. te gereke. || Walcwei»
was comen int strec, die wel waent wesen opsgn
berec van goder herbergen optien nacht, X«ii^. Il,
44237.
2) Hetzelfde als berecht 4). Rechtspraak, recht»-
maaht. il De vonnessen . . , die scepenen ghevei
zittende daghelycx ten berecke van partien, f W.r.
Brugge 2, 23. Daer men te berecke zit, Intent.t.
Brugge 1, 435. Clerc van den berecke,
hetzelfde als scepenclerc (z. ald.), Invent. v. Brnfff
6, 149. — Ook in den zin vun de pl/utts waar rffit
gesproken wordt of het bestuur zitting hondt. ||
Fransiins ghecocht te Brugghe omme te scrivfiie
den missaelbouck up tln:rec {Ie missel desiïni i
P-hdtel-de-ville)?, aangeh. Invent. v. Brugge,(j\os&. fl.
3) Hetzelfde als berecht b). Gevecht, kamp ^tnM^
uitbreiding veldtocht , welke bet ook bataelge)iett^
(z. ald. 2). II Hier na soe quam cort na dat binnen
Bruessele . . van Brighe hertoghe Lodewijc . .;
ooc quam daer met in dit berec heer Willem fl*»<
van Waldeck, Brab. Y. Vil, 6146.
* BEREKEN. Verkeerde lezing Velth. I, 54,
69, voor berecken, zooals het Hs. ook heeft Zie
BERECKEN, Wederk. 1).
BEREKENEN, zw. ww. bedr. Mhd. berecienn
(d. i. rechnung ablegen).
1) Rekenschap afleggen van iets, veranttPOorH^f
doen aangaande iets, het verantwoorden. \\ Lo^
meyeren ende loese schepenen , die moetent na hier
berekenen , Brand. 667 {het , d. i. het km toe-
vertrouwde; tenzij men misschien verkieze de / t»
moetent te laten vervallen, en berekenen op étv
plaats als onz. op te vatten , evenals het mhd. ^
rechenen). — Ook enen iet — . || Wat Lambert
Oedeken niet bewijzen kan ende bereeckeneo, dst
mach Oedeken vorsz. verhaelen in Lambertzgvet,
Etst. V. Dr. 93. Wes he hem bereeckenen kende,.-
daer voer sol he hem vuldoen ende betalen , ald. ^>
2) Ter verantwoording roepen , rekenschap doen »J-
leggen , en bg uitbr. op een tekort betrappen. \\ Ea
dienre die berekent wart, die mach wel billics ^i
vervaert, Hild. 161, 106. Sel den mach ment so gke-
nesen , die voerden heer berekent is , hy en moeter
borghe ende wis {vaste, zekere inkomsten) seiteii,i&^
933
BERE.
BERE.
934
scheydt Tan daen, 146. Doe die here rekeninge
begeerde van hem, wart hi menicli dusent mare
berekent, Schaaktp. 48^. (Hi) gaf hem te kennen,
hoe hi berekent was ende ymmer alsoe veel ghelts
hebben moste, of hi most daerom sterven, 49a.
BERECKEN (beracken), £w. ww. bedr. en
wederk. Van denzelfden stam als berechten ^ waar-
mede het dan ook dikwyis door de copiisten wordt
Tcrward. Bereden en berechten hebben eene zeer
groote overeenkomst in beteekenissen , doch dit
verschil, dat van berechten de meest gewone be-
teekenis is besturen, regelen, en van berecken die
van gereed maken, in orde brengen. Vgl. RECKEN
en het met beide ww. verwante Lat. regere.
1) Leiden, voorgaan in het goede, onderrichten.
II Dese heilege man alse hi ierst plach moenke
te bereckene, Sp. II*, 64, 2.
2) Besturen, regeer en. \\ Al dat die lichame doet
of sprect, dats mids der zielen diet berect, Lsp.
I, 18, 61. Naturen crachte si doet hem doen, die
alle erdsche dinge berect , 'Base fr. 251 , 135. Hoe
sonde die werelt varen dan, ofte si niet en ware
berect met vroetscapen? Sp. W, 12, 60. Vlcesch,
alsic {de ziet) di sonde berecken, began die werelt
ane di lecken , Z. ende lAch. 169. — In het bgzonder
gebruikt. — a) Yan het bestuur van landen, enz.
II Al tlant was sijn, hi moest berecken , F^y. 286.
Met meerre weeraden . . ontfinc tkeyserike Galba,
dan hi dat berecken conde, Sp. II*, 86, 23. Hi
coes te sinen geselle Valente sinenbrueder, dathi
Oriente berecke, II*, 45, 15. Dat hi berecken
sonde tlant in Germanien, daer hine sant, III*,
58 , 55. Ghi heeren , die de werelt berecken , entie
die lieden snit betrecken, wedewen, weesenmoetu
ontfarmen , Bouc r. Sed. 793. — b) Van geestelgke
waardigheden. || Hoe hy dbisscopdom mochte be-
recken, Amand II, 3419. Dese heilege man heeft
berect sinen stoel bi der g^cien ons Heren, Sp.
Il', 39, 16. Dat si hare gepeise decken hen
diese geestelike berecken {patribits spiritualilus),
II*, 60, 23. Wel te bereckene der kerken staet,
II-, 44, 52.
3) In orde brengen, klaar maken, inrichten (vgl.
berechten 8). || Men name den oppenbaren scat . .
ende men daermede den tempel berect, II*, 39, 22.
Dat die Joden hebben berect dat fondament, 33.
Alsemen slapen soude gaen , die wert dede berecken
saen elkerlijcs bedde , Lanc. II , 28186. Opten selven
dach deden berecken . . die twee coninge . . stoedsen
(/. staedsen) ten venstren, 14274. Si dede berecken
met minnen in hare selfs camere binnen datter die
joncvrouwe in mochte sijn, 35521. Doe hgt wel al
hadde berect, heeft hi hem in den pit gestrect,
Sp. II*, 25, 39. Een fornayse wert doe berect
ende met stiurken viere geheet, II*, 18, 74. Doe
dede si haesten ende berecken haren wagen, Bose
13621. Om sijn orloge te bereckene wel, Sp. II*,
*19 , 15. Dus wonde Jan in Limborch trecken ende
sijn lant daer berecken , Brab. T. IV , 1237. — Het
deelw. berect met wel verbonden, wordt als
bnw. gebruikt in de hei. goed in orde, sierlijk,
netjes, jj Hi vant die straten scone ende wel berect
ntermaten, behangen met sidinen cleden , Za»c. II,
13251. (Hi) leidene in die zale, die scone was ende
berect wale , 16744. Si {de fonteine) dochtem scone
ende wel berecht {d. i, berect) ende met bladren van
pinneboomen gedecht {d. i. gedect), 22186. — Het
8o berecken, het zoo inrichten. j| Doe wert het
also berect , dat mer ons Heren cruce op leide , Sp.
n*, 50, 152.
4) Fan het noodige voorzien, verzorgen (vgl.
berechten 11). || Nu quam te sinen dagen die
coninc, dien wel hadden berect van kinde dese
twee, S^. IP, 51, 62. Ende alsine hadden berect
soe si best mochten , sijn si getrect nten palayse ,
Lanc. IV, 9063. Aldus quaemdi alsoe wale in
die queste berect van den grale, als gi sculdech
ward te sine, III, 2049; y,van het noodige voorzien,
toegerust.'''* Ende dat menne warme decke ende
bereide ende berecke, U, 42625. Si, die sine
nichte was , dede saen hem wel berecken ende wel
ontfaen, III, 3151. Siln paert berecken, Cout. v.
Brugge 1 , 385. — Ook met het voorz. v an of m e t.
Voorzien van. \\ Si dede berecken na desen die muren
ende die vesten vander stede van ridders ende seriante
mede , Lanc. II , 33572. Hi sal n wel beraden . . ende
sal u wel berecken van al , III , 10878. Si vonden die
tafle berect doe metter spisen, II , 25691. Die orsbare
was bedect met dieren samite ende berect , II , 339.
Ene bare . . met pellen ende met samite wel
berect, 5561. Met enen roeden samite verdect,
geiyc ere dwalen berect, III, 10657. Van den
selven {wapenen) was verdect sgn ors ende wale
berect, Orimb. II, 2691. Met sinen wapenen was
berect sine ors ende wel overdect, 4815. — Ook
in de bepaalde toepassing van — a) uitrusten , toe-
rusten ten strijde. \\ Op een swart ors van snelre
vaert sat hi met wapenen overdect; selve was hi
wel berect, Orimb. II, 2091. Alsi gescaert
waren ende berect , sijn si ter bant voort ghetrect,
I, 4210. Dus quamen dese ghetrect enten stride
wel berect, Limb. VIII, 1023. Ende si voren uut
dar nare wel berect ende wel gescaert, Lanc. II,
10550. (Si) saten op haer parde verdect met ysere
ende wel berect, 17659.— Die scaren berecken,
het leger in orde brengen, toerusten. \\ (Hi) dede
sijn volc daer berechten (/. berecken) ende vaste
op ten berch trecken, Velth. V, 16, 17. tVolc
ginc hi al te hant beracken, bestieren tien tiden,
ende w^sde hem hoe hi soude striden, Grimb.W,
1381. Te handen ghinck men die scaeren daer
berecken, I, 5501 var. — b) Kleeden, toerusten. ||
Doe vraechden si hare . . , waeromme si haer hoeft
niet daermede en dect, daer si Pauluse mede
hadde berect, Sp. II', 20, 8. Si wilde haer daer
nare doen berecken na enen man, ende also hem
volghen an, Belg. Mus. 9, 421, 108 {Sp. IV, 45,
45). Hi was gecleedt ende berect wale (sierlijk ge-
kleed, uitgedost) , Lanc. II , 13258. — c) Van zieken.
Over hen gaan, ze behandelen, genezen. || Daerna
soe beraete (/. beracte) icken . . metter oliën van
rosen. Jan Yp. 72. — d) Van de zorg voor gestor-
venen. Hetzelfde als het meer gebruikeiyke be-
gaden, waarmede het verschillende punten van over-
eenkomst heeft. Hun de laatste eer betoijzen , hen voor
de begrafenis gereed maken. \\ Si daden berecken daer
naerder joncfrouwen lichame aldaer ende balsemen . .
rikèlike, Lanc. lU, 9409. (Hi) sach doot liggen
dien clusenare . . , ende als sine selen berecken, so
hebben siere een wijf ane vonden, II', 36, 149.
Also men doode na recht berect, Sp. W, 46, 10.
Si namen den doeden ridder doe ende leiden wel eer-
like in een scoen coffer rike, met dieren pellen bedect,
ende droegene also berect inden midden van den sale ,
Lanc. II, 7670. Dat hi met eeren wert gevoert te lande,
ende met groeter have berect eerlike , te wies grave
Onse Here dede ende doet menech sonderlingo
wonder goet, II*, 63, 58.
5) Iemands zielsbehoeften voorzien , zijne geestelijke
behoeften vervullen, hem de laatste sacramenten
toedienen (vgl. berechten 13). || Binnen dat hi
daer om sach, ontboet si den heyleghen man
Ö3S
BERE.
ÈERE.
936
Njchomedise , diese dan heilichlike heeft berect;
op haer bedde si haer strect ende God hevet die
ziele ontfaen, Sp. U\ 36, 29.
6) Jn een zekeren toestand brengen^ behandelen^
en wel in een goeden, zoowel als in een slechten
zin. Vgl. berechten 14). — a) In goeden zin. Ver-
tieren^ mooi Vlaken. — «) Van personen, Yooral
van gestorvenen, zooals men de meeste plaatsen
bg 4d) kan verklaren. — P) Van zaken. || Hare werc
heeft God also berect , dat niemens werc so scoene
en bleec , ^. II*, 4 , 16. Ensebie deedse (de nagelen)
nuttrecken ende deedse werdelike berecken ende
hieltse over reliqnien gave, 49, 73; „zij liet ze
eerbiedig behandelen, sierlijk in orde brengen." Dat
heile (/. heilege) vat . . . met enen roeden samite
verdect, harde werdelike berect, Lane. III, 9844.
Breidel, sambnwe ende gereide, die diere waren
ende rike ende berect mede cierlike, II, 11450.
Alselc was oic syn banier ende sijn tomekeel
berect, Orimb. II, 3269. — b) In slechten zin.
In een slechten toestand brengen, slecht behan-
delen, mishandelen, toetakelen. Vgl. begaden en be-
rechten. II Nn ducht dese heilege man , dat sijn
sculen ende sQn decken iemene qnalike mach
berecken, iemand in moeilijkheden zal brengen, Sp.
II*, 5, 32. Doe dede hi die berecken mede also
men Arriane ierst dede , ^.11*, 20, 131 ; „in quatuor
aliis saccis panter in mare projecti sant." Tsaade
hadse soe berecht (/. berect), dat die sesse laghen
ghestrect opten vloere hier ende daer, Segh. 4623. Si
bleven ghestrect in den sande ende so berect in
'onmacht, 701. (Ei) dede de maecht swaerlec be-
recken met slagen ende die wincbraewen nuttrecken,
S^. II*, 12, 37. Dien hi met des perts voete
berecte harde onsoete, Lanc. II, 29055. Soe dat
hire drie doet sloech doe ende dandre berecte alsoe,
dat si hem niet weren ne mochten , 29062. Sconincs
Arturs liede . . waren soe berect in den stryt
groet, dat si meer dan halflagen doet, IV, 11425.
— Ook in den zin Y&n toonden. \\ Mijn here Ywein
was berect soe, dat hi wel waende sterven doe,
want hi sulke seven wonden drocch , Lanc. II , 16336.
Hi nam twee ysere te handen, dar hi hem mede
berecte soe . . ., dat hem die vingere gevleescht
waren, 23482. (Hi) leende doe op sinen scilt soe
berect, soe onvermogen, hine mochte niet vele
meer gedogen, IV, 9630 (in de laatste aan-
haling kan men soe berect ook verklaren als: in
zulk een (treurigen) toestand, evenals soe berecht,
maar ook dit laatste kan vaak als zóó gewond,
getroffen vertaald worden (vgl. onder 14a). — c) In
de bepaalde opvatting van in een overspannen
zenuic toestand brengen, betooveren. \\ Hi berecte die
ridders saen . . bi sire toverien alsoe, dat si
danen niet wouden sceden doe, entie joncfrouwen
.... berecti dies ghelike, Lanc. II, 18352.
Wkderk. — 1) Zich zelven beheerschen (vgl.
hem berechten 1), en berecken 2)). |j God gaf n sin
ende wijshede ende verstannesse , daer wi ons mede
berecken souden in elke stede, Z. ende Uch. 217.
-— Ook in den zin van zich besturen, zijn leven
inrichten, lat. instituere vitam. || Gebruke sijns
{God), ghelijc dat hi gerne dade dijns, opdattu di
daema wils berecken (/Z*.), Velth. I, 34, 67.
2) Voor zich zelven zorgen (vgl. hem berechten 4),
en berecken 4). Hetzelfde als hem beraden. \\ Dat
nieman te hemele comen mach, het ne si dat hi
hem berecke ende sine souden niet en decke met
biechten, Lanc. III, 6458.
3) Zich ten strijde toerusten (vgl. hem berechten 2) ,
en berecken 4tf). || Si bereden hen bi stade ende
saten elc op syn pert, van allen wapenen wel
bewerd, IV, 4592. Die wilc dat hem Walewcia
berecte , gordijt {het zwaard) hem an sine side ,
II, 44644. Dus heeft hi wiselike hem bereet
(/. berect) ende es coenlike vortgetreet (/. vort-
getrect), Velth. V, 4, 27. Ghi moest u here achter
doen trecken ende wi souden ons berecken, Ferg.
4271. Doe ghinc hem Artuer berecken ende dede
stappans te velde trecken, 5431.
4) Zich uitdossen, zich kleeden. \\ Cortelike si
hare berect na eenen man, ende also wech trect,
% IV, 49, 11.
BERECKER, znw. m. Hetzelfde als bereehier
en beleider (z. die woorden). Bestuurder, regent,
verzorger. \\ Ter ootmoedigher begeert* en sapplicatie
van den deken , bereckers ende tgemeene geselschip
van den heylighen crujce ons Heeren, Belg. Mus. 3,
11. Besorghers , bereckers , proviserers , ghecommit-
teerden , (en) regierders van den gilde , Vod. Mns.
5 , 14. Bereckers ende beleeders van den aermen ende
crancken, Diericx, ifó». 2 , 543. Dienstlieden Jhesus
Kerst ende bereckers vanden hemeliken dinghen
Gods, Hs. V. 1348, 9a (I Cor. A , 1 : dispensatores ,
uitdeelers). Die bereckers vander deemsterheden van
deser werelt, ald. 198* {^Ephes. 6, 12: rectores
tenebrarum harum).
BEREINEN (berenen), zw. ww. bcdr. en om.
Samengetrokken vorm voor beregenen. Mhd.
bereinet. Vgl. mul. rein, d. i. regen (zie ald.), en
Eng. rain.
Bedr. Beregenen. — Vooral in het verl. deelw.
bereinet (bereent). || Doe die huut, hart ende
dinne, wart bereinet ende besceenen, Sp. IV',
59, 72. Joncfrouwe, hadde mi ieman geleent sya
huns, In ware dus niet bereent, Ferg. 740.
Onz. Jan den regen blootgesteld sijn , nat worden
van den regen, nat regenen. || "Welc tyt dat reinde
ende hoe gedichte, hi en bereinde niet een twint,
Sp. II* , 33, 77. Het gesciede, daennen ougesteji
soude haer coren, dat dlant bereinde al gemene
sonder haer coren alleene, III*, 16, 109. Ende
daertoe bereinen zy snachts np haer bedde, dat
zire omme ondertiden up moeten staen; nochtan
heefter gheleghen stoffe wel tien jaer lanc, omme
den zieken een huus af te maken, Belg. Mus. 7,
93 (de door Willems gegeven, en door Oudem.
1 , 524 , nageschreven verklaring bevuilen met drek,
die op niets steunt en waarbg op overtollig zou
zijn, moet natuurlijk worden geschrapt).
BEREN. Zie baren.
BEREN, st. WW. bedr. {bar, geboren). Got
bairan; ohd. beran; mhd. bém; skt bhar\ lat. /Ww;
Gr. (jDfi^(i>; eng. to bear. Dragen. In het MnL
weinig meer in gebruik , maar de bet. dragen blykt
nog Belg. Mm. 6 , 202 , 524 , waar , in een raadsel,
welks oplossing Cain is, gezegd wordt: 3f|i
moeder droech mi , eer si gheboren was , d. i. Eta,
die wel ter wereld gekomen, maar niet door eeat
moeder gedragen was. In dien zin kon men ze-ggvo^
dat Eva nooit geboren was. — Die buken die ni<^t
ne hebben gheboren ende de borsten, die niet
ghezoghet en hebben , Hs. v. 1348 , 293 d. Zoo o»k
in 't hd. : die mutter, welche vUch geboren ke^-
BERENEN. Zie bereinen.
* BERENEN, verkeerde lezing voor bereves
{Inform. 177); zie ald.
BERENNEN. Zie berinnen.
BERENT, deelw. bnw. van berenten; mhd. ^
renten (vgl. De Bo 108); of van het znw. renif
afgeleid. Met rentebrieven bezwaard , gehjfpothekferd.
Ten waere tselfde lant herent, bela^it ofl besa$t
037
BERE.
BERG.
938
(/. betijnst) waer met schepenen brieven, onde
wilcoren oft geestelicke renten, O. IL u. Dor dr,
2, 308.
BERËPSEN. Zie berispen.
BEKEREN, zw. ww. bedr. Mhd. berére , d. i.
benetze. Van reren^ d. i. loeenen (zie ald.). Betreuren^
beweenen^ beschreien^ verdriet over iets hebben. \\
Meneghe vrouwe salt bereren in heydenesse uwen
criich, Limb. IX, 362. Hijs saechte gecastijt, ge-
leert, die souwet, dateenander bereert, JRinr/. 631.
Pat menech ridder sal bereren, want wat hi vant
clene ende groet in die boreb, dat sloechi doet,
Lorr, fr. III, 12.
BERESP, BERESPEN. Zie berisp, berispen.
♦ BERETEN, OorkbA, 311. Lees beteren (zie ald.).
♦ BERETENIS, znw. vr. Stadtr. r. Zwolle 76,
87 var. Verkeerde lezing voor beredenu (z. ald.).
BERE VEN, bnw. Mnd. bereven. Hetzelfde als
bet aldaar ook genoemde berevelt. Ybjï reveoïrive^
d. i. hoepel (zie ald.)? Vgl. Taalg. 9, 275. Of
deelw. van een niet voorkomend ww. beriven, om-
hoepelen ? De vorm van het deelw. is althans sterk ,
doch vgl. geleien^ d. i. gerimpeld^ T. en Lettb. 4,
190. Omhoepeld^ met hoepeU betingen. || Een be-
renen (/. bereven) vat 4 st., Inform. 177, waar
bl. 651 nog eene plaats wordt aangehaald uit Handv,
V. Amsi. 245. Een werkvat, bereven ofonbereven,
aangeh. Taalg. 9, 275.
BERF (berve) , bnw.; samengetrokken vorm voor
bederf y bederve^ d. i. nuttig. Mhd. bidérbe^ biderbe,
mnd. bederve^ berve ^ birve. In min of meer duitsch
gekleurde stukken vindt men ook den vorm bierve
of birve. Hd. bieder, vanwaar biedermann. Vgl.
ook het in MLoep voorkomende bederman.
1) Van zaken. Goed, goed in orde, bruikbaar. \\ Ach
leder, ie en sach nie sint soe berf een scep, OFl,
Qed. 3, 110, 417; var. goed).
2) Van personen. Braaf, deugdzaam , rechtschapen,
eerlijk. Voor den overgang van beteekenis ver-
gelijke men het lat. frugi en frugalis, van fruor,
en het Gr. XQTjajóg van j^gójfiai, \\ Enenbervon
man, daer wijsheit ende doecht leit an, Hild. 73,
33 var. (nalezing). Die berve provoest was oec
verblijt , dat siin woort . . voldaen wort. Pass. S. 7 c.
. . . Soe selen wi ende onse borghen . . manlic enen
goeden bierven man . . in die leystinghe voer ons
seinden, Nijh. 1 , 437. Beseghelen mit seghele birver
lude, aangeh. «/<;?. 438. Dit ghesciede ter Nierborch ,
ende daer weren aen ende over gherichtslude her
Dirc van L^ienden, heer van Hemmen, Gherijtvau
den Haghe, die jonge, ende meer berver lude,
3 , 338 (de door Kijhoff gegeven verklaring uit
heérfde moet geschrapt worden). Hy wort op mi
toernich ende dreef mi van hem ende hi hielt dat
mijn tutten sinen, aldus berf is hi {Ueinaer^X
Proza-Eein. 28 r. Dat syn die berve rackelicke
coeplnde , Con. Somm. 67 b. Reyn van herten . . ,
puer van consciencien , berve van leven, Brugm.
2, 391. Vermits der hulpe Godes . . ende . .
berver manne, Racer 3, 119. Vgl. verder Oudem.
1 , 526.
BERFT , bnw. Samengetrokken vorm voor bervoet,
baervoet, d. {.blootsvoets, barrevoets {yg\. ons treeft
uit drievoet}. \\ Soe wanneer imant, boven sgn echte ,
kijndern maickt, soe sall deselve den kaeck verboert
hebben, gelicx die naect en berfft bevonden worde ,
Overijss. R. V , 107.
BERGEN, zw. ww. onz. Van berch, In de
hoogte gaan, rijzen. Vgl. fr. monter, van mont\ het
tegenovergestelde dalen, van dal-, en onze uitdr.
te berge rijzen, \\ Groten wysdom die meester conste,
die sodanech werc ierst begonste ende dat water
berghen ende dalen dede. Flor. 2422.
BERGEN, st. WW. bedr. (barch of berch, borgen,
geborgen). Got. bairgan; ohd. bergan; ^gs.beorgan-,
mhd. bergen ; mnd. bergen , bargen. Bergen , in veilig-
heid brengen. In het Mnl. geheel in de bet. van
ons verbergen. In de 17de eeuw sterk, in debet.
verstoppen', zwak in die van in veiligheid brengen
(Oudem. 1, 527). Zie Aanm. 2). Van personen en
zaken. i| Ie barchene met haesten doe onder onse
bedde int bedstroe, Teest. 2862. Dat hem blgftvan
siere haven , en sal hi berghen noch graven , Doet. II ,
2935. (Si) quamen getrect uien hagen, daer si in ghe-
borghen laghen, Sp.lY', 24, 73. Endebaerchene (rf«»
gordel) onder zijn ghewant. Brand. 802. Diere
namen ie u niet en berghe , Orimb. II , 5724. Hine
wonde sinen raet niet berghen, I, 738. Ie en sal
u niet berghen Gods sacramenten, D. B. Boee d.
Wijsh. 6, 22. Ghelikerwijs , . \ii (de zon) dan
beghint te daelne ende dat inschinen siregodliker
rayen te berghene ende den mensche te latene,
Ruusb. 6, 89. Berch dine doeghetlike werke soe
du naest moghes, Oeest. L. 17». — Sonder
bergen, hetzelfde als sonder hale, openlijk,
openbaar, een weinig beduidend toevoegsel voor
het rijm, Orimb. I, 3739 var.-, 3957 var.-, 4715
rar.— Wat berghen beduidt Grimb. II, 4122 var.-,
„ende was daer heere, so ick berghe," is niet
duidelijk. Waarschynlijk is het door den schryver
slechts gebruikt om te rymen. — Ook wederk. ge-
bruikt. Hem bergen, zich verbergen , zich verschui-
len, toegschuilen. || Myn heere Geeraert van Grimber-
ghen, die hem noode soude berghen, die (/.daer^ goede
lieden waren te doene , Orimb. 1, 4766 var. (Hi) berch
hem daer in langhe daghe beide in bosch ende in
haghe , Lsp' I ï 42 , 15. Doe si hem alle borghen dus
toende hem allene Nichodemus, II, 36, 795. Si
{de eomeet) bercht haer weder zaen, alsi enen tijt
heeft ghestaen, I, 10, 71. Dat hi int scip quam
sekerlike ende barch hem daer heymelike , .B/o^»»/.
3, 13, 193. Die cuape metter bloter huut barch
hem ende scaemden sere, Limb. VI, 2747. (Hi)
barch hem in een lanccruut, J-Vry. 95. Doe scoerde
die stienroets ende in die schore berch hem onse
here, Mandev, f. 21c. Doe si vernam dat si ontfaeu
hadde, so barch si hare ende schiwde hare van
den volke, L. v. J. c. 2. Mar Jhesus ontghinc
hem ende barch hem ende ghinc uten temple,
178. Alse Jhesus dese wart ghesproken hadde, so
ghinc hi ende barch hem vor hen, 193.
Aanm. 1) — Lanc. II, 7847: „Hi sach omtrent
ende sochte, ocht hi iewerinc bergen mochte", leze
men herbergen, d. i. overnachten ',Yg\, Tekstcr, 74.
Aanm. 2) — Somtijds vindt men bergen zwak
gebruikt, zooals meermalen in het mnd. || Ende
als Adam ende Eva hem aldus hoerden, soe
berchden si hem, Boec v. d. L. J, f. 10c. Waer
syn dochter haer gheberghet hadde , Pass. W. lOöi.
BERGEN, bnw. Zie bergijn.
BERGICH, bnw. Bergachtig. \\ Tlant is berchich
ende veldich ende is wel gewatert mit ryviren,
Barthol. 499^. Het is een zeerp ende alte coudeu
lant, berchich ende boschich, 513^. Burguendia
es . . een starck berchich lant, 490ö. Ten westen
waert ist berchich ende ten midweghen zandich,
496*. Sonderlinghe daer die bosschen berchgich
zijn, 667*.
BERGIJN (baroijn , bergen) , bnw. Mhd. bergin.
Van berg. Kil. poreus castratus ; mhd. bare, barg, park,
d. i. gesneden varken , verwant met ons beer. Ook berin
genoemd. Vgl. bebinswel. |1 Nem bergin smout
939
BERG.
BERG.
940
ende bargin spec, ende braet in eene panne , Ht.
aang. bij Clarisse, Heim. bl. 428. Nemt bergen
smout , saet van beylden . . ende doeter toe bergen
smout, Hs. Tp. 8a.
BERGINGE, znw. vr. In concreeten zin. Wat.
geborgen loordi^ provisie^ wintervoorraad. \\ Aldaer
haers vaders berghinghe leit , pliet altoes een leder
te stane, Belg. Mm. 3, 113, 188; Tgl. Diut. 2,
197: berginge, abtcontio.
BERHUÜT, beter beerhuut geschreyen, raw.
yr. Beerenhuid. \\ Men leidene saen op ene berhunt
ende sleeptene tbere al nat ende nat, Yelth. Y,
17, 9; Ygl. Ys. 15: „optie kunt sleepte men so."
* BERICH, rrouio. e. M. IV, 133, /. besich
(z. ald.).
BERICH. Zie berch.
BERICHT, BERICHTEN, BERICHTER. Zie
BERECHT, BERECHTEN, BERECHTER.
BERLDEN, st. ww. bedr. Mnd. berid^n^ mhd.
beriten.
1) Het transitieve riden. Rijden op^ berijden. \\
Datter veel komen sullen Beijaert te sien berijden,
Heemsk. 74. Zoo ook 80.
2) Met den 4den nv. eener plaats. Met ruiten
bezetten y rijdende afleggen (vgl. onze uitdr. wegen
a/loopen). || Tierst dat si quamen int lant van
Grimbergen, . . . bereden sy heiden, hage ende
velt, bosschen ende straten met ge welt, Grimb.
I, 2523. Wapenen dede bise ende hietse varen
op die montoenghe ende beriden die weghen, die
straten in allen siden ende roven die pelgreme of
sise vonden, Flor. 117. Oec sach mer Brabant
om beriden van den heeren van den Rine, die
hem daden menege pine, F/. Rijmk. 8058.
3) Met den 4den nv. eener stad. Haar aangrijpen,
aantasten, bestormen, bestoken. || Lieden die in
cnrten tijden de stede sterkelic souden beraden,
9131. Met meer andren, die met ¥n*eetheden die
stat souden hebben bereden van Bruecel , Brab. Y.
YI, 11639. Yan daer sant hi die heeren moye . .
om die stat van Berghen te beriden , YII , 15486.
Daer toe wert hi weder viant der stadt van Tricht
ende bereetse vroech ende spade , Exc. Cron. 126 a.
Hi dede die borch van Yylvorden sterck maken
om dye stadt van Bruessel te ber|jden ende te
quellen, 154 3.
5) Met be in de bet. van bereiking samengesteld.
Rijdende, te paard inhalen', in handen krijgen;
achterhalen. Ygl. BEOAEN en BELOPEN. Als krijgs-
term, de gewone Mnl. opvatting. || Hine begh eerde
els ghene saken . . dan hine op een velt berede
op sulke plaetse, op sulke stede, dat hine opt
herde mochte beriden, Stoke III, 1291 (vgl. be-
neden Clerc 105). Weltijt sal ie den keytijf den
here van Percen ende sine gewelt beriden mogen
up een velt? Alex, I, 436. De Ylaminge sach
men beriden van den Fransoysen so over zeere,
dat si worden uten keere, VI. Rijmk. 8030. Doen
hi sach straten ende grachte liden den hertoge,
daer menne mochte beriden, Heeln 4851. Elc sal
poghen om anders scande , waer so si moghen
andren beriden , Wal. 10447. Al dat sire mochten
beriden, slogen si doet te dien tiden, Lanc. lY,
12577. Mochte wi bi enegen engiene beriden die
edele heren, II, 43336. Sy sloeghen al dat sy be-
reden, Troyen 2612. Die swoeren, dat metten
swaerde becopen selen die sy beryden , 6235. Die van
Cassidonien , die niet en meden {spaarden) , dat sy opt
velt beryden mochten , 4457. Ofghy Troylus moghet
beryden, wacht wel, dat hy u niet en ontvliet,
froyen f. 173 b. So ^ien hy beryden mochte
sloech hy doet al sonder wéér, 268 6. Die moesten
doe waer sise bereden, vore hem daer bliven doet,
Yelth. ni, 15, 84. Die grave van Clcermont ...
bereet mitten grave van Nygel grave Florgs
an allen siden ende sloegen alle gemeenlic ap
him mit groten nyde, Clerc 86. Dat hine be-
riden mochte npten harde velde, 105. — Ook
met andere gelijkbeteekende woorden verbonden,
b. V. begaen, belopen. \\ Het sal u beeden costeo
dieven, magie u begaen of beriden, Aubry 195
(Lett. N. R. 7», 136, 195). Uwer kindcr doot
selen si becopen, die wy beriden of belopen,
Grimb. II, 3715. Also dat hij niet en spaerde
geestelijk noch wereltlgk, waar hgse mochte be-
rijden of begaen, Heemsk. 6. — Schijnbaar onr.
gebruikt als synoniem van strijden, oorlog voeren,
met weglating van die viande. || Sine souden niet
so vele striden noch orlogen, noch oec beriden,
Alex. YII, 657.
5) Achterhalen, narijden, vervolgen. \\ Dat si
betalen voer donresdaghes avond . . , jof men sont^
beriden ende bedriven met den nausten rechte,
Rek. V. Z<?^/. 2 , 284. — Yooral in de uitdr. ballin-
gen beriden, d. ^i. hen , die ond^r den ban
liggen , door gewapende ruiters doen vervolgen en
opsporen, om hen aan hun lijf , of, indien zij niet ge-
vonden werden , aan hun goed te straffen. Yandaar dat
de uitdr. de twee beteekenissen heeft van de ballingen
vervolgen, de schuldigen opsporen, en hunne weer-
spannigheid {contumacia) aan hun goed wreken. YgL
Huyd. op Stoke Y, 1173; Invent, v. Br. Gloss.
592—596, en vooral Yan Dale, T. en LeUb. 3,
195 vlgg.
d) De ballingen, de schulden opsporen en maaJ-
regelen van executie tegen hen nemen, bepaaldel^k
met marechaussees of berijders (zie dat woord). |)
So wanneer als die grave of die burchgrave of
die baeliu sullen rechten off baUinghe beryden,
daer sullen si des anderdaghes te voren leggei
ghebot binnen der vorschen (?) ende die ballinghe
heysschen te steene, die men wil beryden; die
daer dan niet en comen, so sal die grave of die
burchgrave of die baeliu des anderdages riden tot
siere prochikerken ende heesschen, die sy willen
beryden, Oorkb. 2, 336, 59. Als men Icgghct
ghebot ballinghe te berydene, so en machmen
gheene vierscarre houden bin dien daghe, a^60.
Wie in sinen banne vernacht, die es sculdichdrie
scellinghe . . ; so wie die dycgrave beryd, es sculdich
drie pond. Mieris 2, 312a. So wie den anderen
doet daghen voer den grave of voer den burch-
grave of voer die baeliu, ende te banne wort
ghedaen of bereden, hi sal int ghiselhuys gaen,
Oorkb. 2, 336, 58. Laet hi {de gedaagde) hem te
banne doen, men salne beriden ende doen npt
ghiselhuus, 335, 50. Die niet en quamen, bereet
men al ende woestetse groet ende smal, Stoke V,
1173. Worden sy daer ghysel, so sgn si quite
van den beryde; doen sys niet, so sal hy se
beryden ende hebben van elcken drie pont , Oörü.
2, 336, 59. Ende komt hi {de gedaagde) niet binna
onser poirt . ., soo willen wi, dat mene dage
tvierscare aldaer, ende te bannen houde tot onser
coemste in Walcheren; so sullen wi hem dar over
beriden sonder verdrach. Mieris 2, 276tf (o. 1322).
— Ook met den 4 den nv. der bezitting , waarop mea
' de weerspannigheid van den eigenaar verhaalt. (1
Ende en vonde hi enghene have te panden, so
sonde hi des mans land beriden ende eyghen.
Mieris 2, 312fl. Ygl. verder D. War, 5, bL 5fi^
en 573,
941
BERI.
BERT.
942
6) In rechte. Bene landstreek {bedrijft di»tric£)
ie paard doortrekken^ om er de rechtsmacht uit
te oefenen^ dijken en wegen enz. te inepecteeren ^
enz. ; in het alg. een district berechten , met
welk laatste woord het in deze bet. synoniem
is. Zie vooral T. en Lettb, 3, 190 vlg. || Als
dat onse goede luyden van Middelbarch berijden
zullen mogen over al Bewesterschelt in Zeelandt,
Chart. aangeh. T. en Lettb. t. a. p. Men sal die
lantweren in onsen lande van Twenthe holden ter
Huhouwe ende beryden als in Sallant, Racer
3, löö.
7) Bij aitbreiding ook gebmikt in den zin van
berechten in het alg. — a) eeue stat, een lant
b e r 1 d e n f het regelen , regeeren (vgl. berechten 8).
li Odonacer hi bereet onder hem alt lant van Ytale ,
ende Rome die stat also wale, Sp. III*, 33, 76
(bij Martinas Polonus , bl. 244 : „ Et sic Odenatas
urbem Romam ingressus totius Italiae regnum
habint.^^ Vgl. Sp. Inl.^ bl. XX ; ten onrechte brengt
Halb. , Aant. 174 , dit ww. bereet in verband met
beraden). Dat wi selve selen vore varen ende selen
die stad wel bewaren, ende dageliics die stad
beriden ende buten tote hem tiden, Limb. VIII,
173. Als Pontus Pylatus procureerde ende bereet
tiantscap van Judea, H.s. v. 1348, WLd. — ^) Een
tornoy (velt) beriden, een steekspel inrichten ^
regelen^ organiseeren.^^xt dien tornoy sal beriden
ende begomen in beeden siden, Parth. 3464. Ay
God, hoe loeslike was gehouden tvelt van dien
verraderen heden , diet begonnen ende bereden !
Parth. fr. 168 (dat deze bet. van beriden stand
hield, is waarschijnlijk veroorzaakt door het er
op gelijkende ww. bereiden oi bereden ^dizXyoWomen
eennlaidend was met het praet. van beriden ^ en
dat o. a. Parth. 3464 in den tekst gelezen, maar
door het rijm verboden wordt).
6ERIDERE (berider), znw. m. Mhd. bertter.
Van beriden in de juridische bet. (zie ald. 6). De
persoon j die door den baljuw gemachtigd wordt ^ om
in een bepaald berijt (d. i. district) de rechtsmacht
uit te oefenen en hen die in gebreke waren n& te
rijden (in deze uitdr. leeft het oude begrip nog
voort). Berijder. \\ Eenen Cristiaen de Blye, sergiant
ende berydere geweest van den bailli van den lande
van Aelst , Cron. v. Vlaend. 2 , 156. — Vooral in de
Ylaamsche gewesten komen de beriders voor, en
nog in de 17de eeuw vindt men «e vermeld. Zie
Invent. v. Brugge, Gloss. 27^; T. en Lettb. 3,
199 — 201. Het best zijn de beriders te vergelijken
met de gendarmen of marechaussees van den nienweren
tijd (ald. 201). — Ook in het alg. gebruikt van
de dienaren van den baljuw. \\ Bi den beryders te
doen onderzoukene . ., of men yewers bin den
Vryen {van Brugge) de contrarie doet van den
voorseyden appoin tementen, Cout. v. Brugge 1 , ^SS
{eed van den Baljuw). Ghegheven D. , H. , ende haer-
lieder ghezellen, beriders, over de moynesse die zy
hadden de haghepoorters te constreingeime omme te
betaelne, Invent. v. Brugge 3, 267. Ghildolf Waye,
g'hesendt int Vrye met MichielFey beridere, omme
kariin waghenen ten orloghe, 4, 105; vgl. 3, 537:
{zij moeten) „enquerir diligemment, saucune chose
c8toit faite au contraire de ce qui dit est {in eene
êcAikking van een geschil tusschen Brugge en Sluis),
et tontes les fois quil leur vendra a cognoissance
oa qnilz en seront requiz , executeront les amendes
et fourfaitures."
BERIE (berrie), znw. vr. Van i^rw, in den zin
▼an dragen (zie ald.). Berrie^ bitrrie, draagbaar. \\
Qft ^hi metier ploech niet wilt gaen, so draghet
mes met berien saen, Ferg. 400. Sporren (d. i.
sparren) ende spykcren toter beryen, Oorl.v.Albr.
237. Item 20 berien, tstuc 5 gr., Bel. o. L. 333.
Ontfaen van der berie tot Ammers van der selver
termine voers. 18 se, Bek. d. Gr. 1, 131. Mit
beryen ende tobben daerop, O. K.v.B^tt.^^ ,lVd.
Eene berie boven met eenre cappe, . . daer men
ten feesten van den processien de selve heelde
inne ommedragen sal, Diericx, Hém. 2, 339. Een
cordewagen oft pypegale; een berrie, Gesch. v.
Jntw. 2 , 649. — Aldus ook te lezen voor bonrij, Bek.
d. Baurk. 212(?). i| Zyen fraengen aen die 2 cleder,
die aen die bonrg hangen sds men onse lieve
vrouwe draecht. Vgl. de plaats uit Diericx, Mém.
— Samenst. bierberrie (z. ald.).
* BERIEFT, verkeerde lezing voor be brie ft,
MLoep II, 324. Vgl. de var.
BERIEKEN, WW. bedr. Kil. subolere, persentlscere.
Mhd. beriechen. Aan iets ruiken. Van de lucht
gezegd: haar inademen. || Some wouden si varen
in Grieken ende haers selfs lucht berieken; ende
somé binnen Asien bliven ende daer haren rouwe
driven, Alex. VI, 501.
BERIJF, znw. o. Hetzelfde als gerief {jgerijf),
nl. voorraad, gemak. || Sie en hadden gheen huysraet
of al te weynich ende wenich berijff van husen,
D. War. 7, 33.
BERIJT, znw. o. (verb. nv. beride); mM.beriz,
beriz, d. i. umkreis, gebiet (Lexer 1, 194, waar-
schynlyk uit het Mnl. overgenomen); hd. beritt
(Grimm 1 , 1525 : bezirk, den ein forstbereiter {bosch-
wachter) wegebereiter zu bereiten hat , evenwel zonder
bewysplaatsen). Van beriden (zie ald. en verg. het
uitvoerig artikel van Van Dale, T. en Lettb. 3,
187—203).
1) Van beriden, in den zin van aanvallen, bestoken,
(ald. 3). Aanval. \\ Vul smetten es ons vleeschich
cleit: Maria, ad nos conuerte stide; fel es die
viant van beride, OVl. Lied. e. G. 36, 208.
2) Van beriden, in den zin van vechten , strijden
(ald. o, en zie vooral Alex. Ylï, Gb6). Strijd, veld-
tocht. II O Pandro, willecoem sijt . .; ghebenedyt
moet sijn den tijt, dat wi te samen in een beryt elc
anderen als wapenbroeders vercoren, Troyen Vb. 24<r.
3) Van beriden , in den zin van opsporen van
ballingen of gedaagden en in 't alg. van hen, die
niet aan hunne verplichtingen voldeden (contumaces)
(ald. ba). Het opsporen van hen, die in gebreke
waren. || So wie ghedaghet wort om des tsgraven
claghe , hi mach hem recht doen sonder ghiselinghen
voeït beriit. Oor kb. 2, 335, 50. Dit es dat C.
ontfanghen hevet van forfaiten van sinen beride,
Invent. v. Brugge 1, 190. — Evenals ballingen
beriden ook bet. bij gebreke van verschijning
der gedaagden hunne goederen aanslaan {bb), zoo
ook de uitdr. berijt doen op enen. In fig. zin
toegepast op den tijd lezen wij haar, Praet 674: ||
So hout ghedinghe, up hare ballinghe doet soe
berijt; d. i. „de tijd wreekt zich op hen, die zich
aan hem vergrijpen, hem onnut besteden."
4) BerijdJag, rechtsdag waarop zij die door den
berijder beklaagd waren, voor de vierschaar van het
Vrije geroepen werden, om zich te verantwoorden.
II Dat van nu voortaan gehouden zullen worden
ten Vrije drie wettelijke berijden in elk jaer . .,
vóór middewinter teerste, tandere vóór Paschen
en het derde vóór Sint-Magdalena'sdag , aangeh.
T. en Lettb. 3, 194 («. 1542). Indien de verweerder
ten berijde niet en komt, zoo zal hij blijven van
de schuld hem geëischt in tvoorzeide berijd, ald.
195; vgl. 199.
943
BERI.
BERI.
944
Ö) Van beriden {ald. 1). Het berijden ^ het te paard
doortrekken van een district^ om er de rechtsmacht uit
te oefenen; fr. chevauchée.Ygl. Gheldolf, Hiêt. const. et
adm. de la vil! e de Bruyes^ en T. en Lettb.S^ 196. ||
Voert soe verclaren wij van den berijdeoYer beyde
zijden, als dat onze goede luyden van Middelburch
berijden zullen mogen over al Bewesterschelt in
Zeeï&üdX ^aanff. T. en Lettb.S, 190. — In deze en de
andere juridische beteekenissen voornamelijk in
Vlaanderen en Zeeland in gebruik. — Ook in 't al-
gemeen. J)e berijding , de oproeping door de berijders
om zich in rechte te verantwoorden. Vooral in de
uitdr. ten onrechten beride ^beclaecht,
voor een onbevoegden rechter „ bereden " en aan-
geklaagd. Zie eenige voorbeelden T. en Lettb. 3,
196 vlg.
ö) De rol, de lijst, waarop de namen der be-
klaagden waren geplaatst. || Beride (mv.) van den
proosschen (prévótés) ende bannen ten canuenicschen
ende proosschen de anno 1409 tot 1435, Invent.
v. Brugge 5, 76. Comt metgaders 3 sch. gr., die
zij betaalden den clerken sbaillius ende vander
vierschare van den Vrijen van zekeren porters der
uut {ute den beride) te doene , T. en Lettb. 3 , 197.
Vanden poorters daer beclaecht, uten vors. beride
te doene casseren , ald. — In dezen zin komt ook
BERIJTROLLE voor, Invent. V, Brugge, (}\088.594:b.
6) Het district , waarover de op de onder 4) ver-
melde wijze uitgeoefende rechtsmacht zich uit-
strekt (vgl. bedrijf). Rechtsgebied, district, land-
streek welke men bereed. \\ Die scouthate ... in
toude berijt, aang, T, en Lettb. 3, 193.
7) Bij uitbreiding. Macht, heerschappij. Ygl. be-
dwang. || Want al dat mensceliken name voert aen
aal dragen na des en tijt . . , die worden van mi
vermalendijt ende geefse u over in u heriji, Blisc.
V. M. 632. Ghiericheit, loosheit ende nijt dese
hebbent al in haer berijt, Kein. II, 7681. Als ghi
(Amor) de herten belovende zijt jolyt, endetrectse
al lachende in u beurijt (/. berijt) , Troyen Vb. 303.
Binnen thien dagen keer ick vry als u eyghen in
u berijt, Z\ d. Ende brenct dat vroulic wesen onder
ons berijt, 23 a.
8) Omvang, uitgebreidheid. Vgl. BEDWANG. Met
den 2den nv. eener zaak verbonden, kan het door
het bnw. groot, ruim worden weergegeven. || O
schoonste van vrouwen, wilt naer jolijt talen,
sdrucs berijt smalen ghi alomme doet , Boomd.Scr.
15, 293. Om met hu te levene in sweerels berijt,
ie storve liever in corter spacie, ZFl. Bijdr. 6,
334, 234.
9) Uit de bet. district (6), ontwikkelt zich die
van plaats , waar iemand te zeggen heeft, grondgebied,
terrein. Met een bezitt. vnw. verbonden bet. het dus
iemands terrein. In (uut) enes beride, bet. dus
op iemands terrein, in {uit) iemands nabijheid. \\ Ach
twifel, twifel, wacker strijt, die altoos sijt in mijn
berijt, dat salie hopen, daghen, OFl. Lied. e. G,
224, 31. So wil ie secretelic dan en stille gaen
spreken mijnder nichten ende nemen tijt, dat ghi
moecht comen in haer berijt, daer ghi u tsamen
moecht avlseren van deser sake ende acordereu,
Troyen ( Fb.) 29 c. Mer die anxt maecte mi so snel
die ie had van der doot, dat ie altemale ontscoot
ende maecte mi uut sijn beride , Rein. II , 3544.
10) Eindelijk heeft berijt de bet. van moeielijke
toestand.Ygl. BEDWANG, 2). || In my groeyt zulc-
ken nijt, . . dat ie quaet genoech sitte in dit be-
rijt, my self tot deewige maledictie te bringen,
Jfar. V. N. 1, 135.
B£)RIKEL (uericole), znw. m. Hetzelfde als
beril, dat ook in het mnl. werd gevonden (b. v.
Sp. IV*, 26,22;J?flr^Aö/.344a;iVa/f.J?/.XII,460).
Lat. berylltts; Gr. ^rjffvkXog- Ook in het mfr. had
men den vorm bericle (b.v. Ft. e. BI. 659) , van
een verkleinden vorm beric{u)lus afgeleid (Duo.
1 , 659). Beril, edele steen van zeegroene kleur. \\
Achter in stonder . . ende voren een daer behkel,
Troyen 852. Mirande, bericolen ende sardonen,
Flor, 1029.
BERIL. Zie het vorige Art.
BERIMPELINGE, znw. Tr.Rimpeligkeid.\\lh£t
grote berimpelinge is der overster huut beteykent
ghebreck van binnen, Barthol. 110a.
BERIMPEN , st. WW. onz. {[beramp , berompen] ,
berompen). Mhd. berimpfen, d. i. zu etwas die stime
runzeln. Van het ongebruikelijke rimpen; mhd.
rimphe , ramph , gerumphen ; ohd. rimfan ; ags. rimpam.
Nog over in het znw. rimpel, vanwaar rimpelen.
Het mnl. ww. berimpen wordt slechts gebruikt in
het verl. deelw. berompen, d. i. gerimpeld, ver-
schrompeld. Zie Tijdschr. 3, 110. || Die huut was
hem . ter vaert swart bemasschert ende berompen ,
Brand. 990. Een harde out man, die een berompen
aensicht hadde, Fass. W. 55 d, — Vgl. ook be-
ROMPELT.
* BERINGE. Onzekere lezing, Gerl. Peters 222 :
„Daerom is onse opclimmen ende loep stadich,
altoes beringhe ende vri." — Dat heringe naast
geringe zou bestaan hebben , met de bet. van dit
woord, nl. snel, is niet waarschijnlijk. Men leze dus óf
geringe, öf hetgeen nog meer met de lezing van
het hs. overeenkomt, veringe (== varingé)', zie
VARINGE.
BERINGELEN, zw. ww. bedr. Van het nog
gebr. ringelen , freq. van ringen ; zie ald. , en vgL
De Jager, Freq. 1, 516 — b\%. Bedwingen, tevtvten,
aan banden leggen. — Vandaar de uitdr. met dorste
berin geit, door dorst overmeesterd, gekweld. \\
Een walpuyt biers en heet {d. i. heelt) niet vele
ane als mensch met doerste es beringhelt,
Playerw. 351.
Aanm. — Als freq. van beringen in den zin
van omringen vindt men beringein, bij Lexer 1, 193,
BERINGEN, zw. ww. bedr. Van ring, in den
zin van kring (zie ald.). Mnd. beringen ; mhd.
beringen, omringen,
1) Omringen, omgeven, omsluiten, zoowel met
den 4den nv. van eene zaak als van een per-
soon. II Si hadden met waghenen haer here al
beringet, S^. V, 65, 36. Doe nam hi eens
ossen huut, die sneet hi alle uut ende uut . .
ende beringheder in teere somme ene grote
wide stede, III*, 8, 33. Hem dochte, daer hi in
slape lach, dat hi enen libaert vor hem comea
sach met sterren beringet scone, Lanc.Hl , 5185. Opt
lant sloeghen sy haer teutte, ende beringden ees
groene mentte , Troyen f 258 b. Die Jendea
hebbene (Jezus) beringhet, ghevraget vele ende
ghedinghet, Sp. V , 16, 5. Die Jueden, die sere
waren fel, beringden onsen Here Jhesus ende
seiden, Rijmb. 24660. Doe stonden alle die dodea
op nut horen graven mit scone blenckende wapes
ende beringheden dat .kerchof al om, Devoet B.
(36) 26 V. So woonder een Kersten prince ende
coninc, al omme beringhet van den Turcken,
rondom in de Turken, Huge v. Bord. 18. — Be-
ring hen, als znw. gebr. Kring, omvang. |j Daer
vonden si staen in een beringhen alle vive die
camerlinghen, OFl. Lied. en O. 270, 1107. In
diveerschen passagen, binnen stands berynghea,
lied. Kluchtsp. 90, 10.
945
BERI.
BERI.
946
2) In vijandelijken zin , omsingelen , insluiten. Met
den 4den ny. van een persoon of eener plaats. |i
Dattie coninc entie viande comen wilden te Ylaendren
werd met al der macht . . eude daer met Ylaendren al
beringen, Velth. IV, 46, 6. Dat die conincghe
Tan Ègjrpten bilde waren , dat si {l. sine ?) beclipten
ende si beringheden met menegen nam , Limb, Yll,
795. (Si) hebben {d, i. hebbeu en) berinct so sere , dat
hem niet en conste die here verweren in die grote
noet, Lorr.fr. III, 32Ö. Biden rade van Abyaterre
volghedem dat Juetsche diet, ende beringedse daer si
saten , die van Amalech , ende aten , Rijmb. 9726.
Fabius Gurges wart beringet met menegen spiete ,
Sp. I*, 6, 29. Want die Gallen alle waren
beringhet metten Roemscen scaren, !•, 6, 27.
Die Sarrasine . . beringeden . . gheent scip . .,
80 dat nieweren ontgaen en mochte, IV*, 16,63.
Berinct hadden sy se al sonder hoede, Troyen
1731. Dat mense over dys waeude bestaen al
heymelyc ende so beringen , Velth. 1 , 38 , 32. Dus
hebben sise van achter berinct, III, 13, 19. Dus
eest al beringet al omme groet ende smal, VI,
15, 65. Doe hi sach, hoe dandre ghinghen, diene
al omme wilden beringhen, Stoke II, 1091. (Si)
reden hem ane doe mettien eude beringhedense
an beden sideu, VII, 904. (Sanl) beringde met
ere somme ghenen hoghen berch al omme, so dat
David in sorghen was, Rijmb. 9479. Saul dede
sijn huns beringen , 9339. Die ridders . . , die van
den Joden beringht waren, 31901. Die Romeine
ontsaghen die zaken, dat si beringet waren met
viere, 32576. Zie verder i^. IV», 36, 9; Heelu
7284; AUx. lY, 691, V, 276, 280; VIII, 1180,
1184; IX, 366; Rein. 1,779.
Aanm.— Velth. VIII, 16, 1780: „Menseitdat
Christus verrisen die sake was van onse wisen:
alse een teken daer af maken van beringen eniger
saken," is onherstelbaar bedorven. Ook de ver-
gelijking met Vincentius (op het einde van diens
werk) geeft geen licht. Daar staat : „ Dicitur autem
resurrectio Christu cauja nostre resurrectionis fore,
qnod quodammodo causa motiva est liberalitatis
patris, ut amore Christi faciat fatres ejus resurgere
gloriose."
BERINGEN , zw. ww. bedr. Van ringen, in den zin
van dwingen (zie ald. en vgl. De Jager, Freq.
1, 516). In beteekenis gelijk aan het mnl. bedwingen ,
d. i. dwingen , noodzaken , iemand ergens toe krijgen.
Blise. V. M. 201 zegt de slang van Ë va : „Canicser
toe beringen, si salre Adame wel toe bringen. "
Vgl. VS. 98: „ie weet te n«^^tf" en beringelen.
BERINGET, bnw. Van nng in onze bet. Met
ringen voorzien. \\ Hy toech aen dat pansyer . .
met tien veteren , alsoe beringhet ende besloten . . ,
dat ment . . gheensins of crighenen soudemoghen,
Pass. W. 271<?.; vgl. b\ (hi) bereyde veel yseren
ringhen, tien veteren ende daer toe veel banden.
BERINNE, vrouwelijk van bere, beer , lat. ur«fi«
z. ald.). Berin ^ wijfjesbeer. Mhd. birin^ bdrin. ||
'od sendde hare ene berinne, die bescudde sine
vriendinne, Sp. II*, 38, 47; e. e.
BERINNEN, st. ww. bedr. en onz. {beran^ be-
ronnen, beronnen). In de latere Middeleeuwen ook
zwak (b.v. Brab. T. VII , 13006) , zooals steeds in het
tegenw. ndl. en reeds in het Mud. deelw. berent
of berant. Mud. berennen\ mhd. berinnen. Van
rinnen, d. i. ioopen (zie ald.). Eig. zijn twee ww.
berinnen (st.) en berennen (zw.) door elkaar ge-
loopen. Beloopen, over Ioopen.
Bedr. — 1) Berennen, bestormen. Met den 4den
nv. van eeue stad, burcht enz. || (üi) heeft belcit . .
^
tslot Ter Vaez . . ende beronnen , nedergheworpen
ende ghewonnen , Brab. Y. VII , 3049.
2) Met eene vloeistof, vooral bloed, overdekken. Met
bloet beronnen (berant), met bloed beloopen. \\
Grote slaghe ende gedichte gaf hi hare ende harde
vele, dat hare haer hals ende hare kele met den
bloede al was beronnen , Wal. 3706. Doe ghi saecht
hanghen vor u oghen u kint beronnen al met bloede ,
O. Fr. DroefA. 13. Ic waen, hi selve in smerten blijft
of beronnen mitten bloede , Hild. 252 , 136. Hi lach ,
met vieregen bloede beronnen op den roestere , Rincl.
308. U kint met bloede beronnen, OFl. Lied. e. G.
27, 44. Al over die merct, daer noch lach tsant
met harer maghen bloede berant, Brab. Y. VII,
1.3005. Hi hinc daer uaket eude bloot, mit bloede
al over beronnen, Hor. Belg. 10, 203. Zoo ook
Limb. Serm. ^4m, 97<r, 155c; Hs. Ps. 202r; mit
bloede ende mit spekel beronnen, ald. 20Zv.
3) Het deelw. beronnen in ^g. zin. Bedekt met. \\
Die locht wert met nevel beronnen . . ; die swercken
vielen uytter locht al geheel , Troyen f. 2S2d.
4) In overdracht, zin. Fan iets vervuld. WRi wort
beronnen metter vaert met ontfermenisse te hem
(/. hare) waert, Wrake III, 1590.
Onz. — 3ret iets, vooral met bloed, overdekt,
beloopen zijn. Vgl. bedr. 2). || Dat hem die lichame
ende die lede met bloede beronnen menichfout,
O. Fr. Droef h. 10 (FerA..2de kl. Inst. 6*, 51).
BERINSWEL , znw. o. Mnd. berswel. Van b e r ij n ,
bnw. van beer, d. i. gesneden varken', hetzelfde
als bergijn of bargijn (zie BERGIJN), en swel,
d. i. zwoord, in het gewestelijke zfw7, d. i. zwoord,
eelt, vel, nog voortlevende. Eig. varkenszwoord,
en bij uitbreiding ook varkensvleescA , spek. || Grouve
spise ende berinzwei ende ossinvleesch , Heim. 1361.
Vgl. de Aant. van Clarisse op dit vers.
BERISP (beresp), znw. o. Eig. stam van het
WW. berispen. Iets, waarop aanmerkingen kunnen
gemaakt worden, gebrek. Iet beresp s, iets be-
rispelijks. \\ Ane hare en was niet daer ave iet
beresps weder of vort, Limb. YIII, 1126.
BERISPELIjfc (beruspelijc), hnw. Berispelijk,
af te keuren, verkeerd. || Die mensche . ., die
zijn gerufte quaet eude zijn leven beruspelic is,
Bern. W. 49<r.
BERISPEN (berespen, beruspen), zw. ww.
bedr. (slechts op ééne plaats vindt men het sterke
praet. berasp, nl. O. H. Pass. 26, 736). Mnd. be-
rispen; mhd. berespen. Het simplex respen o{ rispen
komt , zoo ver bekend is , in het Mnl. niet voor.
De oorspronkelijke vorm was berepsen, waarvan
ook nog één voorbeeld bekend is, nl. Limb. Serm,
188ö: „Als onse here bereepts (/. bereepst), dat
wi alle denc bat mogten dueu ende volcomeliker ;"
ohd. rafsjan of refsjan ; mhd. refse en berefse ,
d. i. corripere. Waarschijnlijk hetzelfde woord als
het bij Ben. 2 , 729a opgegeven rispe (st. en zw. ww),
d. 1. zusammenraffen (in dial. rapsen); ook dit kan
in het Lat. door corripere worden weergegeven.
Misschien was repsen of respen sterk in den eig.
zin, en zwak in zijne fig. beteekenis. Op deze
wijze zou het praet. berasp verklaard kunnen worden,
al zou ook de fig. zin , waarin het t. a. p. gebruikt
wordt, de zwakke vervoeging vereischen.
1) ScAelden, tegen iemand uitvaren, mei woorden.
II Alsi sach dat haer nyen mocht bescieten, so
beresspese Gode ende bieten, dat hi herd ende
pilec ware, Lntg. 140. Die uutstortinghen vander
zee openbaerden, ende die fondamenten van der
. . werelt worden gheopenbaert van sheren be-
rispeuen (/. -eue), ab increpatione Domini, D. B.
947
BERI.
BERG.
948
II Sam. 22, 16. Dat hi den levenden God lachieren
sonde ende berispen met woerden , II Kon. 19, 4.
Die knecht die {sijn) talent in der eerden groef,
was seer beruspt ende een qnaet traech knecht
ghesconden, Stemmen 74. Die scepenen off raed
bemspede om vonnessen, die zi ghewyst hadden,
O. Keurb, v, Rott 32, 88.
2) Iemand onder handen nemen , met daden ,
kastijden^ ttraffen. \\ Here, en berespe mi niet in
dinen tome, noch en begripe mi niet in dijnre
gramscap, Vad. Mu», 2, 438. Biden ondersoeken
ende biden bemspen mijnre heymelijcker sonden.
Pass. S. 37a. Dat seit Ezechias: dese dach is die
dach van berispene, D. B. II Kon. 19, 3. Ende
al is onse heer een luttel yertorent om beryspen
ende castien, II Macchab. 7, 33. Salich is die mensche
die vanden here berispt wort. Daerom en lachtert des
heren berispen niet, Job 5, 17. Hi berispten oec
mit pinen inden bedde, Job 33,19. Hi sal rechten
onder veel volken ende sal berispen die stercke
volken tot int verre, Mieha 4, 3. Hi berispt die
zee ende maectse droge , Nahum 1 , 4.
3) Beschuldigen^ verwijten. Meestal met den
4dén nv. van den pers. en eene bep. met van. ||
Die sullen my berispen van dieften, D. B. Gen.
30, 33. Datse vesschen moghen . . in de rivieren
. . sonder calengieren ofte berespen van iemenne,
zonder aanmerkingen of verwijten van iemands zijde ^
Willems, Meng. 460. Zie ook het boven aangeh.
voorbeeld uit Limb. Serm. — Ook met den pers.
in den 3den, en de zaak in den 4den nv. || Om
dat zy hem siin onnutte leven ende wreetheit be-
ruspten, Clerc 5.
4) Ook van het beschuldigen van het geweten,
vroegen (vgl. bij wroegkn , dat vroeger beschuldigen
in het alg. beteekende). i| Die worm der consciencien
en sal niet sterven, mer hi sal altoes knaghen
ende berespen , Ruusb. 3 , 255. Want hi niet berespt
en wert {hij heeft geen wroeging) van dootsonden ,
daer omme eest hem licht al dat God met hem
ghebiet, 6, 29.
5) Ook reeds in de verzwakte beteekenis van
iemand over iets onderhouden , onder handen nemen ,
de les lezen y berispen , laken. \\ Beresp, fieewe,
bescelde, Us. v. 1348, 233^. Doe dat die ander
scaker hoerde, berasp hi hem mit desen woerde,
O. H. Pass. 26, 735. Die wise beresptense doe
ende seyden openbaer, dat haere raet niet goet en waer,
Melib. 376. Wie enen anderen wil bere.spen des , des
hi self niet claer en es, F rouw. e. M. III, 7, 1.
Yan heimeleken sunden ende quaetheiden berespese
meneghen in heimelecheideu ende brachtse te
penitencien weder, Christ. 971. Die pharizeen,
die hem bemspen wouden, omdat hi at metten
sondaren , Gest. R. f. 2Qb. (Hi) wordt swaerlijken
van hem beruspet, Pass. W. 11 a. (Hi) beruspten
{den duivel) ende seide: Ganc van der coe, 24i.
Zie verder Teest. 3436; Christ. 1017, 1367;Velth.
VII, 18, 89; VIII, 22, 2 ; Z*;^. II , 21 , 12; Ruusb.
4, 164, 168. — Ook als wederk. gebruikt. Hem
berispen, zich zelven onder handen nemen , zich
zei ven beschuldigen. \\ Sonder gebrec enesnieman,
elc berespe hem selven dan, Doet. II, 755. Alsi
dat hoerde van onsen Here , berespte si haer selven
sere, Ltitg. I, 1425. Berespe di selven eer een
ander. Stemmen 179.
BERISPINGE, znw. vr.
1) Van berispen in den zin van kastijden (ald. 2).
Kastijding y bestraffing. \\ Dat men mtV berespinghen
ende mit vroeginghen ende mit herden boeten die
wederspenghen siichte, D. Orde 258. Die here sal
op di senden hongher ende dorst , berispinge van ille
dy n werken , die dn doen solts , D. B. Denier. 28 , ^.
2) Van berispen , in den zin van wroegen (tld. 4).
Wroeging y zei f beschuldiging. \\ Ende als wi daer
{ten heylighen Sacramente) gheweest hebben , vyndea
wi ons dan niet minliker ende bereider tot ghehofr-
saemheit ende berispinge ende tot allen diogeo,
die Gode toebehoeren , soe moeghen wi anxt hebben,
Stemmen 111.
BERG (BARC), znw. Kek. d. Gr. 2, 70 le«t
men: „Om berc te halen in Berkenrgs ende in den
Coecamp te setten." Is berc hier het bg KiL voor-
komende barCy bercy d. i. boomschors (eng. bta-k),
of bet. het berkenhout? Het ww. setten doet aan
het laatste denken. — Boudgn die berchonwer,
ald. 88, lees: berthouwer (z. ald.).
BERKE, znw. vr. Berk. || Ghi snit daer vinden
jonghe berken, here coninc, dit saldi merken : die
alrenaest den putte staet, coninc, tote dier berken
gaet, Hein. I, 2583.
BERKE. Zie Barke.
BER-CLOCKE ^borclocke, buerclocke), inw.
VT. Van berren (zie ald.) en clocke. Braniklok.
II Dat enich onser borgher de borclocken slocge
op enich borger off dede slaen, alarm liet meh»
tegen een burger, Overijss. R. I', 42. Slaen die
buerclocke op enen gaste, ald. 150 (tweemaal).
BERKOEN. Zie Barkoen.
BERN, znw. o. Eig. stam van het ww. benen
(zie ald.). Vgl. mhd. büme, d. i. brand. Alleen in
de uitdr. in berne werden, in brand vliegen. \\
(Hi) bant hare sterte tsamen saen, ende tusschea
twee enen brant; ende die liepen int coren te bant ,
80 dat tcoren in berne waert entie bome entie
wijnghaert, Rijmb. 8084.
BERN, BARN. Zie op born.
BERNECAMER (barnecamer), znw. vr. Mnd.
bernekamer , anders brenngaden genoemd. Vgl. Mkd.
burnegadem. Smelt kamer, de plaats waar metaal
gesmolten wordt. || Waer dat zake , dat tghewichte
int weghehuus ende in die berncamere te ykene
stonde, dat zoude men betren in merren,in minderen,
op zinen rechten staet, ZFl. Bijdr. 5, 149 (hier
dus de ijkkamer; vgl. BRANDEN). — Vooral ^
plaats, waar edele metalen gesmolten en tot geld-
stukken gemaakt worden , de munt. In het byzonder
in Vlaanderen zoo genoemd. || Doen reedt Mer Joes
voer de barnecamere , sprinchen hovc waert, Otm.r.
Vlaend. 2 , 75. Van 108 pont coprins gewichten . .ter
bemecameren , Rek. v. Gent 1 , 83. Van niewea
ghewichte , dat ter bernecameren bouf ghemaect
was, 214. Somme vanden werke ande bernecamere,
250. Van twee maelsloten ten busse bouf die
hanghet in die barnecamere, Invent. v. Bmffe
4, 263. Vgl. CJout. V. Brugge 1, bl. 458 en 459;
Invent. v. Brugge, Int. 184; Berren, bcdr. 3),
en Branthuus.
BERNELIJC (BERRENDELIJC , BERNENTLIJC,
BARNLIJC), bnw. en bijw.
Als BNW. — 1) Van bemen, in eig. zin (zie ald.
Onz. 1 a). Brandbaar, ontvlambaar. || Vies ver-
gaderinghe des lichts den spiegel ontfengt eade
maecten lichteliken bamlic, want hieltmen dair
een dorre licht spongi teghen of een ander bamlit
dinc, het sonde vluchs bamen, Barthol. 809^.
2) Van bemen, in fig. zin {ald. \b). Brandeni,
gloeiend, vurig. || Die mit bamen tliker gheer ai
Samiten liefde ranck, MLoep U, 3326. Dat si mit
bementlike minne horen broeder droech in sinn«,
III, 985.
Als BIJW, — Furi^lijk^ met aandrang^ iêrtt
949
BERN.
BERN.
950
toehtelijk, II (Hi) anesochte dieblyscip groot van
daer boven van hemelryke met al siere herten
berrendelike , Jmand l, 1357. (Hi) Tiel in sijn
ghebede so berrendelike met heeten sinne . . , dat
hi hem seWen al vergat, 2517.
BERNEN (berrenen, barnen , barrenen,
bornen), st. en «w. ww. , onz. en bedr. (barn^
bomen ^ gebomen). Oorspr. was het als bedr. ww.
zwak (got. brannjaHy ohd. mhd. brennen^hd. brennen),
en als onz. ww. sterk (got. brinnan)^ doch het
trans. ww. heeft het intr. brinnen bijna geheel
verdrongen, evenals b. v. ook met het intens.
rennen (got. rannjan) ten opzichte van rinnen het
geval is. De vormen met metathesis komen ook
voor in ags. biman; mnd. bemen^ bixmen\ bumen^
eng. bum ; mhd. naast brennen ook bemen , burnen ,
bornen. Het onr. heeft brenna ook als intr. Ygl.
BERREN en brinnen.
Onz. — 1) Eig. van zaken. Branden, van al wat
vlamt of in vlam staat, ook van de hel. || Hi
sach bemen bi hem claer tortijtsen ende stallichte
vele, JTaL 4760. Droghe hout ontstect saen ende
bemct sere , Vrowo. e. M. 1, 665. Daert (vier) up
die zee viel , berrende twater alse stroe , Brand.
1492. Daer sach hi een colnmpne staen, die docht
hem an den hemel gaen bamende ontsteken als
een vuer, O. H. Patt. 34, 60. Alst bam,^o«t(?r
brand wat, Invent. v. Brugge 3, 144, 145 (vgl. 4,
198: alst bernede). Soe sal bemen (nl. de
stad), Rijmb. 1890. Die doren, die daer bemen
dochte, 3651. Die lampen hamen daer, MLoepïl,
71 var. Of hi bamende vier waer, Rein.Jl, 5370.
Twee tortytse bomen daer, Troyen 627. Doe hi
den doembosch sach bemen. Stemmen 151. Die
cracht des bomenden vners, ifed. Proza 330. Een
bemende stallecht. Rein. I, 303. Ghelijc den viere
dat berrent lichte, Praet 1514. (Eene) lampte,
die daer berrende , Franc. 1879. Een licht bemende
ende lichtende , L. v. J. c. 120. Datt (intur) beme,
149. Ene tomme . . die bemede in allen siden.
Vod. Mm. 4, 317, 153. Dat vier dat nu bemet,
318, 201. Yander bemender hellen. Lep. 1,4, 35.
Vanden hemenden viere , 1 , 13 , 37. Se ventien daghe
achter een bemde die stat, Sp. I*, 55, 53. Water
. . dat berrende oft olye ware, II', 5, 25. Een
velt esser bi gelegen, dat berrent, II*, 36, 17.
Die hemel dochte bemen, III*, 28, 58. Dat die
laceme altoes berae , Rnusb. 1 , 14. Hieromme
bemt dat vier in eiken sondaer (in de hel), 3,
258. Bemende heet, 5, 71. Bemende colen, ald.
Bemende blixemen, 104. Ene bemende gloet, 116.
— Spreekw. Als thnys berrent, aen de colen waermen,
jeuken 92. So wel berrent een erom hant als
een rechte, 94. — Ook van vtwrepwoende bergen. \\
Ten berghe, die berrende dan. Brand. 1811. In
Cylicien . . bernen berghen talre stont, Sp. III',
43, 1. — Het deelw. ba rn en de komt ook voorin
den samengetrokken vorm b a r n d e (vgl. het woord
Bamdesteeg , naam van eene straat in Amsterdam).
II Doe droech Sinte Briccins bamde colen inden
scoet tot Sinte Martijns tnmbe , . . ; ende hi
w«rp die bamende colen neder, Paes. W. 26c.
Der maghet dochte dat doer hoer strote ghinc
enen bamden brant , 34^. — In geestelijken
of mystieken zin van het vuur der liefde, en van
den geestdrift. || Een vier der minnen, dat . .
berrent inder ewecheit, Bnnsb. 1, 47. Vier . .
dat . . berrent nte den heilegen geeste, 50.
ff) Van personen, vooral van hen, die de pynen
der hel ondervinden, jj Soe (de stad) sal hemen ende
jü tfolc mede , Rijmb. 1890, Die in nyde leveu hier,
ghinder barnen sire om int vier, Hild. 231,121.
Ende na dit knaghen hier, bemt hi int ewighe
vier, Lsp. I, 27, 101. Daer omme bernstu in
donreine hille, L. o. H. 2111. Hoe daer die moeder
metten kinde berrent ewelike, 4101. (Si) bernen
in dat heete vier, Litp. I, 14, 20. Bernende in
groter pine, I, 4, 39. Bemen int helsche vier,
Amand I, 2852. Hi wert gepijnt ende bemt in die
helsce vlamme, Rnusb. 4, 10. Daer si (de ziel)
eweliken bemen moet, Tien PI. 2016. Wijn . . .
smaect in den monde ende bemt in den buke,
D. War. 6, 204.
b) In fig. zin, van alles, wat met eene vlam of
een gloed wordt vergeleken. Branden, gloeien
(vgl. onze dichterlijke uitdr. het barnen der gevaren).
II Ende die here brocht voert een bomende wint,
D. B. Exod. 10, 13. Van groten druck ende
bemender pijn, MLoep III, 410. Als die bemende
zonne, 1188. Tfenijn hemde gelijc den viere,
Sp. IIP, 54, 58. Begherende die bamende maghe
met wijn te vercoelen, Pass. W. 20c. — Ook van
onstuimig water (vgl. ons znw. branding). \\ Over
die riviere, die berrent altoos ghelyc den viere.
Wal. 5125. Dat herte eens quaden menschen is als
een bemende see, dat niet msten en mach, Stemmen2.
— Vooral van alle, goede zoowel als slechte,
gemoedsbewegingen, van alle mogelijke driften,
zoowel van den drift der gramschap en van den
zinnelijken lust, eJs van den geestdrift voor het
edele en verhevene, van de liefde. Zoowel ge-
zegd van den hartstocht zei ven, als van den
persoon, in wien hij werkt. || Daer die gonst
(liefde) . . . bemende wasset tallen stonden,
MLoep II, 1721. Sine begerte ende sine sinne
meer sullen bemen in hare minne. Rosé fr.
253, 286. Alse twijf ontsteken es . ., so bemt si
meer ende verhet, geljjc dat yser bemt sere
(d. i. seerre) dan tgout doet, M. en Fr. Helm. 1593.
Karitate, . . daer hi mede bernede. Franc. 4686.
Als die van der minnen viere bamede , 4962. Want
si meer bemen in minnen, Runsb. 4, 183. Daer
eest heetst, daer onse gheest berrent ende ghe-
doghet die minne Gods, 5, 125. Hoe ie meer
smake, hoe ie meer beme, ende hoe ie meer
begheer te hamen , Ned. Proza 141 , 63. En waren
onse herten nit bernende in ons selven , L. v, J. c.
239. Als si saghen die tenten van haren mede-
broederen al om bevangen van den Turcken, . .
80 begonnen si in haren moet te bemen , Exc. Cron.
99c. Oec doet soe (minne) bemen die zinne, i^.I',
46, 49.— Zie ook bernende.
2) Verbranden, tot asch verteren of vergaan,
II Want hi sine hant nine mochte daer an gedoen
(aan die bemende tomme) . . , sine moeste bernen
ter vart, Vad. Mus. 4, 317, 159. So wie in ander
liede huys woent, dat berrent, Belg. Mus. 1,253.
3) Flikkeren, fonkelen, glinsteren. \\ Pauwelioene,
some roet , some groene , some bemende van gonde ,
Alex. IV, 1135. Dat si (de helmen) enen hemen
dochten, gelijc dat heet yser doet, X<i«c. 11,44050.
Sijn oghen bamden als een vier. Rein. II, 3621.
Claer sijn si (die steenen) ende bemende roet.
Nat. BI. XII, 450. Syn oghen bomden als een
vuer, Segh. 8342 var. (tekst bornen). Hare oeghen
bernen als een robijn, Vr. Heim. 257.
4) Aanbranden, van spijzen. || Roeret altegaeder,
dat niet en berne, Keukenb. 12, 11. Doet er ineen
luttel water, dat niet ue beme, Jan Yp. 182.
Bedr. — 1) Branden. — a) Yan vuur, licht en
brandbare stoffen. \\ Het gheviel op enen dach an
den avont , dat men iut laut bernen sach meuighei)
951
BERN.
BERN.
952
brant {fakkel) up de hnse harentare . . . , want
men bemde (nl. vuur) al Scouden dure ; te Borden-
damme bomde men mede hier niet verre yan der
stede . ., daer berndemen ter selver wile viere-
baken al de nacht, Stoke YIII, 1281. Dat mene
dorste bernen daer int palays kersen of vier,
Parth. 613. Hi hadde vergadert eenen hoop honts
te bamen, Segh, 3168. Colen bernen metter spoet ,
Franc, 2364. Dat mer in bemen dadelecht,!?/;»!^.
1919. Dat qyement bynnen Leyden smeer barnen
en moet, dan in verwulfden kelneren , 7>iV/. JTwrrA.
141, 43. Daer men niet en berrent dan snlfer
ende pee, V. Maagd. 709. — Het branden van
vuur in den haard was ook eene symbolische
handeling, waardoor de bewoner van een huis het
inwydde en zich feitelijk tot eigenaar van dat hais
verklaarde. Zie de breedere verklaring van dit
vier bernen (in Drenthe vuur ^0(?/(?» geheeten),
T, en Leitb, 1 , 32 en 33. Vier bernen komt dan
ook voor in denzelfden zin , waarin elders wordt
gesproken van eigen vuur en rook hebben , d. i. een
eigen huishouding hebben, in tegenstelling van,
bij iemand inwonen; vgl. Cout. v. Brugge 1, 382:
Dat die van binnen ncgheenen man van buten
bescudden over portre . . ., hi ne hebbe jaer
ende dach ghewoend binder stede van Brucghe
ende vier ghebarrent, eer hi siin porterscep
cochte ; ende zo wat portre die buten woeuachtech
es , dat hi drie waerven tsjaers ende telken viertich
daghen binder stede woenen . . ende vierbarnen
moet, andere werd hij niet meer aU poorter beschouwd.
b) Een brandoffer brengen. \\ Dat si se {^het dier)
sloghen npten outaer ende bernedse , Rijmb. 1989. Int
tempel . . bernede hi zine specie diere, /*Va»c. 4899.
Daer men up plachte berne daer diere specitf,4880.
So bernede hi die werdeghe specie, Rnusb. 6, 95.
(Si) bernden twierooc upten outaer, Rijmb. 4773.
(Si) bernden in den tempel ons Heren wel diere
specie, 11709.
c) Van kalk. || Bemets calx, Nat. BI. VI, 397.
— Zie verder by brinnen.
2) Verbranden , tot asch verteren. — a) Van voor-
werpen. II Ende van den vissche saltu mede die levre
bernen, Rijmb. 15623. Wien so sulke smerte pijnt,
barne te pulvere hare hovet (nl. van lampreien)
Nat. Bl.Y ^ 714. Datmen desen te bernen pleghet te
pulvere , VII , 925. Niet lichte en laet hem bernen dat
hout , VIII , 834. Hen (ebenus) ne mach bernen gheen
vier clene, 308. (Si) bernden . . sinen lachame,
Sp. I«, 16 , 30. Die bemen sal . . deser papen beene,
Rijmb. 12172. Als menne hernei {den boom), 15597.
(Hi) bamde, dat hi niet met hem en mocht vueren ,
£xc. Cron. 273c. Doe hi {de brief) overluut ghelesen
was, doe deden die bisscop hamen, iV^/^.Pror« 314.
So wie valske laken maecte . ., dat laken selmen
barnen. Leid. Keurb. 104 § 22. Zoo ook 71, 15.
b) Van personen. || Hier af soe wil ie nemen
wrake, ende elke hemen aen een stake, Segh.
5573 {var. barnen). Acgravein ende Mordret wiseden
dare, datmense sculdech te berne ware, Lanc.lV,
4509. Daermen die coninginne bernen sal, 4540.
Tfier . . daermense in bernen sal, 4578. Datmen
u hemde {var. bamde) , waerdi waert 4710. Ie sal u
doen hamen in een vier , Segh. 2610. Ie sal u bamen
aen een stake, 2623 var. Alse de wyfs ghepiint waren,
ende up den dach dat sie ghebarrent waren, (?o«^.
V. Brugge 1, 409 Jant. Men bernse {dat wijf),
dats mijn raet, Sp. I', 65, 152. Doe gheboeten
die rechter te hamen ende int vuyer gaf hi sinen
geest, Tais. W. 20c. {Sardanapalui) bernde hem
selven, Rijmb. 13905.
c) Van huizen, steden, landen enz. In de asei
leggen, te vuur en te zwaard verwoetten. \\ Die ghene,
die ute om voeder reden, bemeden soe al ombe-
streden Vrihoutheem, Heelu 713. Teerst dat hi
quam bi Flaminine bernede hi omme hem dat lant,
Sp. I», 30, 32. (Hi) berrendene {den eatteel) tot«
in den gront, ende hi berrende te dier stout meer
danne hondert ouder wyf ende man, VI. Rijmk. 3990.
Hem was gheberrent een cleen husekin , 3447. Doe
ghinghen si bemen ende storen des bisscops Ananyas
.sale, Rijmb. 27630. Hi deedse {Thebe) al bemen
ende breken, Sp. I*, 20, 26. (Hi) quam dor
Tsampaengen getogen tlant bemen ende orloghen,
Iir, 8, 11. Doe dede die Hertoghe . . dit
blochuys . . ansteken ende bemen, Matth. ^iiai. 3,
370. Om de steden te bemen ende te verraden,
N. Doet. 634 var. {OVl. Ged. 3, bl. 151a). Om die
{steden) te bernen, Oorl. v. Jlbr, 146. — Bij uit-
breiding ook van de personen, wier bezittingen
verbrand worden. Door brand benadeelen , kun br^td-
schade toebrengen. \\ Die andere . . lude . . vienghe,
rovede, bernde of moerde, Nijh. 2, 115. — Sckgn-
baar intr. wordt bemen gebruikt, meestal in ver-
binding met een ander dergelyk woord , door weg-
lating van het obj. Het bet. dan brand stichten, jj
Oec voeren sy . . dicke bemen ende roven in den
hogen lant, Grimb. I, 2714. (Si) trocken te
Bruessel waert ende ginghen bemen in de vaert,
2705. Doen ghinghen si bernen ende slaen, ende
vanghen dat si wilden vaen, Parth. 159. Hter
vader bamde opt huys ende siin sone wort dar
doot geslagen, Ned. Proza 343. Quadyen . ., die
houder barnen dan sy bliscen, alle die soegaenie
bomen, ie woud mense greep by horen goraen
{lendenen), Hild. 127, 32. Roven, bamen of Inden
te vanen (/. vane), O. R. v. Amst. 8.
3) Iemand eene brandwond toebrengen. \\ JanBufTele,
van dat hi bernede Hannine Smaerseel up die
marct in sine cake met een ysere , Cout. v. Bmgp
1 , 408 Aant. — Ook als term in de geneeskunde.
Door branden eene wond maken; mlat. cauterizare.
Het obj. wonde wordt verzwegen. || Alse die goede
ersatre doet, (die) nu bemet ende nu snijt ende
niet sinen zieken en spaert, Sp. III*, 69, 81. — ■
Ook met den persoon als obj. || Diemen bernen
sal of sniden. Nat. Bl. XII, 850.
4) Door branden doen ontstaan, veroorzaken. ||
Die sneewitte heete brant bemede in zyn vleesck
tehant, ende bemedem ene vure {vore) van den
ogen ten oren dure , Franc. 2635. — Met het voorx.
ute verbonden. Door branden doen verdwijnen, \\
Die minne die hi hevet te Gode . . die berrent
die smetten ute den cleede sijnre goeder werkc,
Ruusb. 2, 60.
5) Afbranden , van land gezegd. || Item in Waerder
van landhure, die verhuert is . . te 6 jaren, al
vri ghelt. Ende zi moghen tvierendeel bamen , Bek,
d. Gr. 1, 220.
6) Het verl. deelw. gebernet heeft, even als ons
deelw. gebrand, de bet. van door branden zswM,
of bruin gemaakt. Verg. gebrande emutndelen, ge-
brande koffie, enz. II Gheets home . . . ghebernet
ende ghebonden dan optie nesegate van den man,
Nat. Bl. II , 991. Ghebemet loec . . met aisine, VII,
829. Ghebemedeplumen; ghebernede vilt. Jan Tp.5a
7) Van metalen gezegd. Smelten. Vgl. berne-
CAHER.
BERRENDE. Zie Bernent.
BERRENDELIKE. Zie bernelijc.
BERNENT (bkrnende), bnw. Eig. deelw. t«
bernen (isie ald.), doch bnw. geworden, blijkens dea
953
BERN.
6ËR0.
9S4
snperl. bemenst. Van het onz. bemen in den fig.
zin van voor iets goedt of edeU gloeien (ald. 1^).
Oheiend^ bezield, vurig. || Ie seght u met gremmen,
met snete bernender stemmen, TienJ*l. 1334 (^r^m-
men bet. hier droef Aeid; zie de Aant). Omme God
dincken allene met bernender herten rene , Doet III ,
1805. In bernender minnen , 1847. Sinen hemenden
belegen wille, Franc. 1353. Gewillikc met hemenden
moede , 2189. Mit ynnighen ghehede , met hemender
dcTOcien, Ruush. 5, 67. Al hadde hi grote denchden
ende seer bemende devocie, Kal. 7, 167. Mit
alderbemenster minnen, 2). È. I Kon. 11 , 2 (arden
Huivu) amore). Bemende min heeft menich man
Hild. 254 , 63. Haer bemende gebet dat heet was
rejne ende onbesmet, Lutg. II, 942.
BERNIER, znw. m. Ofr. bemier: „celni qui
était chargé de la nonrritnre des chiens de chasse^
(Düc. 7, 61). Ken opzichter over de jachthonden. \\
I)it8 goet gamement ende fier, dit en droech
noit knecht no bemier, noch oec onedel man
mede, Lorr.fr. I, 83.
BERNINGE (barninge, borninge), znw. vr.
Mnd. beminge, bemunge. Vgl. berringe en Mhd.
bwmunge.
1) Èet bemen, hei branden, branding. || Die
droemen vele van vuere, van hlixem ende van
anxteliker baminge der lachten, Barthol. %%b. Hi
boerde dat gloyende yseren op mitter bloter hant
ende handelde clat sonder enighe berninghe of
sonder enighe qnetsinghe z^ns lives, Bienb.
119 a.
2) In concreeten zin. Dat wat men brandt, brand-
stof (zoo ook in het Mnd.). || Ie gadere berninghe
ende bont ende make pelsen jeghen tcoud, Heim.
813. Andere bemynge . . en wasser toe dan nappen
van pladen , Heeln , bl. 348. 2^ last ketenhouts
omme de beminghe van scepen hnus, Invent. v.
Brugge 4, 263. Als die berninghe ghebreken, so
moet dat vuyr nntgaen, Bern. W. 85<?. Vier last
zwarts torfs elcx jaers tot sijnre borninge, O. R.
V. Dordr. 2, 62, 80. Dat gheen hacker no brauwer
no vaerwer enighe baminghe legghe binnen viertien
voeten ghehende sinen ovene , Cout. v. Bntgge 1 ,
361. Van te copen ossen, peerde, zaet, beminge,
etc., Stadsr. v. Zwolle 170, 336. Verkenen, zaet,
hnde, beminge, noch gheenrehande gnet, ald.
Bat hl scaerselic leve mit alle sinen ghesinne, in
eten, in drinken, in beminghen, in cledinghen,
Ned. Proza 176. Omme hare baminghe daer uyt
te delvcne. Mieris 2, 238tf.
BERNINCHOÜT (barninchout), znw.o.Pleo-
nastisch gevormde samenstelling uit berninge, d. i.
brandstof (zie ald.) en hout. Men moest óf zeggen
beminge, óf bemhout, welken vorm Kil. en Plant,
ook opgeven. || Es hi {de wagen) gheladen met
baminckhoute , Lett. N. JT. 6, 86. Van elcke
sconwe turf . . 1 stuver. Van barninckhout den
208ten penninck, Inform. 84. Alle aelmans, die
mit turf of mit bamincxhout binnen Leyden comen,
Leid. Keurb. 238, 61. So wye voirt an turf of
beminchout bynnen Leyden brecget, 52. Do helft
van al den berninchoute , dat commen sal van den
selven goede, Gendteh Chtb. 195 noot. Zoo ook
K. V. Vtr. 1, 120, 69.
BERNIXCSTEEN (BARNiNCSTEEN),znw. o. Mnd.
benutein, bamstein. Gevormd als barninchout (zie
ald.). Barnsteen. \\ Een tonne baraincstecns 2 st.,
Inform. lil.
BEROGHT. Zie berucht.
BEROCHTEN. Zie beruchten.
♦ BEROEDEN (Hem-). Verkeerde vorm voor
Hem becroeden, MLoep II, 2780. Zie dat woord,
en verg. De Jager, Arch. 4, 146, waar zonder
genoegzamen grond de vorm beroeden verdedigd
wordt.
BEROEM, znw. o. Mnd. beróm. Pralerij, groot-
spraak, hoovaardij. \\ Idel beroem es scande groet,
Lanc. II , 42824. Opdat hi met enen deinen berome
ofte hoverdie niet besmet en werde, Ruusb. 3,
18 Aant. Horen geliken niet benidende, beroem
schuwende , Hs. 80 /. lAd.
BEROEMELIJC (beromeluc), bnw. en bijw.
Als bnw. — Trotsch, pralend^ blufferig, hoovaardig.
Vooral met woorde en sprake verbonden. ||
Dus siet men beroemelike tale (grootspraak)
selden vergaen met eren wale, Heelu 6011. Grote
beroemlike worde men daer onder hem secgen
horde, Velth. IV, 62, 27. Walewein hevet onder-
vonden . . . sine beroemelike tale. Wal. 1729.
Diene logenare soude maken van sinen beromeliken
spraken, Lanc. II, 4857. So dat uwe beromelike
onwetenhede daer mede selen inden ter stede , III,
20704. Nu moetti heden u beromelike worde be-
copen, 26448.
Als BIJW. (Beroemelike, -lyc, -lic). — Met
pracht en praal, in glorie. \\ Op dat hi hem be-
roemelic tonen soude te wesen die Gods soen , Hs,
80 ƒ. 614.
BEROEMELIJCHEIT (beroemlijcheit ,) znw.
vr. Vgl. BEROEMELIJC. Hoovaardij , praal, bluf. \\
Hetine melde, die geit gevet . . of . . al dat ter
wereld hord gemene? . . hets gene melthede, en
es maer ene beroemlijchede, Velth. I, 33, 11.
Als si wanen mit vermetelre heroemlicheit verheven
te worden, so vallen si ende dalen ter hellen,
D. War. 6, 197.
BEROEMEN (beromen, berommen), zw. ww.
onz. en wederk. Mnd. sik beromen; mha. berüemen,
beruomen en sich b.
Onz. — 1) Roem dragen op, roemen. Met den 2den
nv. of een zin met dat. || Van desen tween {nijdigen
en moordenaars) mach men cleyure doeght beroemen.
Hand. Lett. 1867, bl. 34, vs. 47. Dune moets
oec niet . . . dine (/. dire) quade daet beromen,
Bouc V. Sed. 1067. Vrouwe, ghi moghet wel be-
roemen, dat die naturen van uwen blomeu den Gods
zone daden comen, Praet 141.
2) In ongunstigen zin. Pochen, pralen. Slechts
in de onb. wijs als znw. Dat beroemen,
het pochen, pralen, pedanterie, ijdelheid, groot-
spraak, trots. Il Alse Taganas amie quam ende si
dat beromen vernam, si spraker toe al sonder
beide , dattie joncfrouwe niet waer en seide , Lanc. Il,
3089. Beroemen is grote dorperheit, Troyen
3916. Ende hiltmen^ over beromen niet, Cass,
1480. Dit was sijn {des duivels) sonderlinghe be-
romen, Wap. Mart. III, 280. So men hooren
mach an hu berommen, ZVl. Bijdr. 6, 332, 151.
Bi beroemen werden vrouwen gescent, 390, 211.
Naer mynen berommene quaet , D. War. 1, 422, 495.
Vele bcroemens en es gheen prijs , ^»m»«? Il , 2244.
Wederk. — Hem beroemen.
1) Met den 2den nv. der zaak. Roemen, prijzen.
(Vgl. hem beloven, hem bedanken, hem belien e. a.). ||
Van sinen (nl. van Alphonsus) worden hem menech
beroemt, diese in bouke hevet bescreven, <§?. IV',
27, 58.
3^ Zich verhoovaardigen , zich beroemen, trotsch zijn.
a) Met een bijw. van wyze. i| Wie dat hem te
hoghe beroemt, Glor. 15. Dat hem nieman te hoghe
en sal beroemen, 27. Jonge lieden en souden dus
hen selven so sere beromen niet, 524.
955
BERO.
BERO.
956
>
b) Met een bgzin met dat || Hi en darf hem
niet beromen, dat jet dien sal syn vryen, Vrouw,
e. M, YlIIf 16. Nemmermeer hadden hem beromt
die van binnen , dal si ghedomt den hertoghe hadden
inden stryt, Val. 10661.
c) Gewooniyk met een 2den nv. of eene bep.
met V a n. II Dat hi hem beromda das, Jler. IX, 7.
Ic darfs me berommen, ZFl. Bijdr. 6, 325, 364.
Van den yianden gheen man van miere doot hem
beromen can, Rijmb. 27837. So mach iet (/. ics)
mi bet beromen, Praet 1798. Daer ghi so fiere
jon of berompt, 3566. Sy beroemen hem eens al
te armen roems, als bj hem beroemen van hoerre
edelre gheboerten , Ned. Proza 179. Eenighen dienst,
dien (/. dies) ic mochte mi beroemen in myn ghe-
dochte, Amand I, 5176.
BEROEMER (bekommer), znw. m. Bhifer^ groot-
spreker. \\ Een beroemer is recht als een kockoc,
die niet singhen en can dan van hem selven , iV>d?.
Proza 152. Wat moetis van dien berommer hooren !
tDynckt hem al zyne, ZVl. Bijdr. 5, 320, 191.
BEROEMICH, bnw. Hetzelfde als beroemelijc
(zie ald.). Blufferig ^ hoovaardig ^ laatdunkend. \\
Menech sprect . . . scoene, beroemeghe, onstaende
woort, Vad. Mut. 1 , 69 , 45. Om eenighe beroemighe
woerden, Cron. v. Pletend. 2, 65. Onhovesche ende
beroemeghe wort, Vrouw. e. M. I, 356. Dat si
beroemeghe manne ylien , 357. Als een hovaerdich
ende beroemich lastede (/. lasterde) hi tgebot syns
heren, Barthol. 198a.
BEROEMINGE, znw. vr. Mnd. berominge.
Hoovaardij , bluf^ voornamelijk in woorden, groot-
spraak. II Wat heeft ons die beroeminghe der
{bluf op) rycheit ghegheven ? i)«?ro^/ 5. (36), 120 v.
Die vierde sonde van verweentheit is beroemminghe ,
die ghehaet is van Gode ende vanden menschen, want
een beroemer is recht als een kockoc, die niet
singhen en can dan van hem selven , Ned. Proza 152.
BEROEP (BEROUP), znw. o. Eig. stam van het
WW. beroepen (zie ald.).
1) Yan beroepen, in den zin van m/<!^^ (ald. 3).
De gerechtelijke uitdijing , die men tot iemand riekt,
wanneer hij tegen plicht en geweten gehandeld heeft,
uitdaging tot een tweekamp. \\ Mador, dn hefs ene
clage onderstaen , daer du onteert moets wesen bi . . ;
hierombe radic di nu twaren dattu dijn beroep
laets varen, eer di arger daeraf gescie, Lanc. IV,
3972. Dattic van den berope quite ware, dat gi
te miwaerd hebt gedaen. Bedie ic hebbi mi . . .
bescermet in desen tide jegen n totes vespertide ,
9470. Dit hi mi al van desen berope bescermen
sal, 3455.
2) In rechte. Appèl, het zich wendden tot een
hoog er rechtscollege, om hernening van een vonnis.
Thans vooral in de nitdr. in hooger beroep.
Vgl. BEROEPEN 6). II Worden scepenen achter-
volghet van den beroepe, dat si ghepriveert
sullen wesen van haren scependoeme, Cout. v.
Brugge 1 , 308. Die terme van den beroupe , 350.
Diese {de deelmans) beriepe ende achterbleve van
sinen beroupe, dat hi verbuerde XX sceleghen,
351. Dat de . . scepenen . . tvoorseide beroup te
nieuten ghewijst hadden, 423. Niet wederstaende
den voorseiden beroupe, ald. Zo wat wettelic be-
roup, dat voordan ghedaen wort binder Sinus,
ZVl. Bijdr. 6, 7. Dat die scepenen van der banc . . .
souden moeten comen binnen den genechte tot haren
beroepe, Coerb. v. Antw. 86, 11. Want N ij etappe dat
rocht beriep , op die wijsheit van den lande , ende die
se ven buren dar van tuigeden , boven dat beroepen, dat
idt tuich niet stantaftich wesen soll, Etst. v. Dr. 14.
BEROEPEN (beropen, beroupen), st. cnzw-
WW. bedr. (fieriep , beroepen (beropen) en (zw.) beraft,
berocht, en berucht, uit ♦ beroept of * beroepef). Vgl.
gewrocht van werken , verknocht van knoopen , gesoeki
van zoeken, enz. Mnd. beropen (sterk); mhd. i^
ruofen (sterk en zwak); ohd. hrofa» (st.) en
hrofjan (zw.), zonder verschil van bet; goL
slechts hropjan (zw.). Ohd. bihruofjan. Terg. BE-
RUCHTEN.
1) jl?r bij roepen, oproepen, uitnoodigen. \\ Yu
alle desen daer gi ende wi beroepen af sjn, set
ons daeraf een termyn, Velth. II, 20, 56. Begeert
van hem dat si hem beroepen willen tot ridder-
spel te hanteeren, Bxc. Cron. 245 a. (Si) b^
riepen eene pronve . . van yiere vroeden, AaioMd
II, 1489.
2) Van een afstand. if<p^ roepen afleggen, roepenie
bereiken. \\ Nochtan machment beroepen al (^
afstand tot den hemel) met enen roepe . ., dis
eest min dan een roepmael, Segh. 7885 {Rs. roepen).
3) Uitroepen, aankondigen, meestal door middel
van een omroeper of heraut, lat. praecomsem. H
Een erant in des coninx zale vore die heren alt^
male beriep enen tomoy groet, lAmb. V, 483. Die
feeste in de Haghe, die hi hadde doen beroepen,
Bek. d. Or. 3, 283. Dat te Pisen beroepen
was een spel van wapinen, Sp. 1* , 7 , 3. Beroepen
grote heren spel, Hild. 195, 19. Artur wm so
blide daer of, dat hi dede beroepen \ïot,Lane.\\y
47081. (Hi) quam gereden doen na das, daer een
tomoy beropen was, Torec 1026. Die lantshere
dede op enen dach ene feeste beroepen , den ridder
teren, Belg. Mus. 10, 66, 53. Dat si horen man.,
bat , . . of hi enen hof tot Oleermont wonde doen
beroepen, eene cour plénière aankondigen, Ckrt
85. (Hi) heeft een costelic hof doen beroepen door
alle sijn landen van allen den princen, baroenen,
heren ende ridderen, Exc. Cron. 213^. Soe salick
u sonder merren ghaen beroepen die bruloft , &^-
R. f. 187tf. So waren daer twee heren, dye e«a
steecspel beroepen hadden, Etc. Cron. 280p. B»t
te Pisen een spul was beroepen van wapenen, iV>^-
Proza 351. — Enen camp beroepen, een strijd
(meestal tweekamp) aankondigen, (iemand) tot een twee-
kamp uitdagen, hem provoceeren, \\ Here, nu hebkic
enen camp jeghen hem beroupen vor den coninc, ÏÏsl
1460. Nu hebbic enen camp ieghen hem beronpei
om dese dinc , 1834. Omdat ni (Porus) dien ctmp
beriep, Alex. IX, 615. W^ie de kampioen we»«
sonde, die den kamp beroepen sonde , ^^am^. 17&
3) Uitdagen; lat. provocare. Met den 4den ht.
van den pers. Bijna alleen in de uitdr. te camp e
beroepen, tot een tweekamp, tweegevecht ml-
dagen. || Gi wet wel in wat maniren Walcwein be
ropen es van mi te campe, Lanc. II, 38480. Pat
nieman . . . engeen porter van den Bosch oa
enigher reden te camp sal mogen beroepen , Brah- f-
Dl. 1 , bl. 784. Dat niemen poortre beroepen maci
te campe , Cout. v. Brugge 1 , 298. Ende zo wat
poortre die andren beriepe te campe ofziinveddj
bode, ald. Vgl. Bein., ed. Willems, bl. 180 Tlf.
noot. — Ook met eene bepaling met van, ter
aanduiding van de zaak, waarom iemand Yordt
uitgedaagd. i| Hi es beroepen van mordade te
campe , omdat hi met sinen rade enen cnape oaa
sijn leven, IVal. 1897 (hfj heeft eene uitdaginf
ontvangen om zich door een gerechtelijken tveelanp
te zuiveren van de beschuldiging van moord. Later
werden de gerechtelijke tweekampen vcrbodea;
zie de zoo even aangeh. voorbeelden). — Ook wordt
te campe verzwegen. || Alse die cosiogiaM
957
BEllO.
BERO.
958
werd geware dat hi so stontelike beriep hare, si
werd tongemake om dien, ende begonste daer
alomme sien , oft daer enech Mddere doe ware ,
die sonde willen bescermen hare, Lane, lY, 3439.
— Meestal evenwel met eene bepaling met yan.
Enen beroepen van ere mesdaet, iemand
van een miedrijf betichten, \\ Gi sijt an ene sot-
heit comen, dat gi mi beroept . . van selkerdinc
alse gi sprect nn . . ; ie weet mi selve nn so goet
ende van deser dine so claer, ie ontsie n niet een
haer, Lane. III, 22874. Gi hebt gedaen grote
dompheit; ie beroepe n van dorperheit: gi hebt
mins oems ban tebroken, Lane. III, 18911. Datsi
al van mordade beroepen . . den genen , Lorr. II ,
3608. Des conincs drossate Ansart, die beroepen
was van sconincs soens doet, Lane. II, 32679;
vgl. 40699. Voor den coninc onsen heer, daer
beroepic di hier of, Bein. II, 4942. Die Ritsarde
beroepen van der mort hadde, Lorr, II, 3690.
— Yooral in de nitdr. enen van verranessen
beroepen. II Alse ieman heropen es van verranessen
. . ende hi hem daer af nine verweerd , Lane. lY,
8541. Ie wille met n varen aldaer, ende den dief
heropen daemaer van valsheide ende verranessen ,
Toree 1850. Een gravc van Boloengen . . waert
berucht . . van verranessen, VI, RiJmJt. 5429.
Die van verranessen beroept man, hi moetene
vore vespertyt dan hebben verwonnen, Lane. lY,
9475. Zoo ook II, 19398, 23569, 23977, 24006;
lY, 3426, 3430, 8440, 3695, 3857, 8536.
4) Yandaar dat beroepen de bet. aanneemt van
betchuldigen y betichten. — a) Als niet-gerechtelijke
handeling, buiten rechte, alt den dader aanwijzen.
(deelw. berucht, beru/ty berochf). Yerg. vooral bk-
RUCHTRN, waartoe deze uitdrukking ook kan worden
gebracht. Slechts in het pass., in de uitdr. berucht
sijn of worden, beticht worden van, onder verden-
king liggen van. \\ Hine ware tierst van siere mesdade
berucht int openbare. Lep. II, 44, 260. Die meyere
wart berucht vor sinen here , dat hi sjn goet qualec
hadde bekirt, L. v, J. c. 148 {^Ltic. 16, 1). Zowat
manne . . berucht ware, dat hi huns ende hof
bilde met eenen anderen wive, ZF/. JïyV/r. 6, 168.
Twas hem leet dat hy beruft wair . . ende wouden
hem alleweghe verantwoerden , Matth. Anal, 3,
352. Wort hi berucht mit quader daet, Oorkb, 2,
338 en 344. Quadien, die hem (den rechter) ge-
wroecht syn van quaden fayten, dair sy mede
bemft syn, Matth. 200. Om hem voir ogen te
leggen die feyten, dair hy of beruft is, 201.
Dicwile wanen wy van sommighe werken of woirden
onder de Inde beruft wesen, dair sy nochtan niet
op en achten, Stemmen 76. Worde yemant beruft
van desen saken , die zoutmen ter antworde onbieden
voer den raet, B, v, ütr. 1, 51. Deghene . .,
die daer of beruft waer, ald.
b) Als gerechteiyke handeling. Beschuldigen , euin-
klugen (deelw. beroepen en berttcht). \\ Wair dair
yement berucht {gedoodverfd) van dootslage ende
dair af wordt beroepen voert gericht, Brab. T. , dl. 1,
bl. 784. Berucht van dieften, ZVl. Bijdr, 6, 165
en 174. Dat hi wel vri waent henen gaen sonder
van iemen beroepen te sgn, Bein. II, 6252. Des
ander daghes wert hi brocht vore Pylatus ende
berocht, dat hi sculdech ware der doot, F. d.Houte
715 var. Een bisscop, die daeraf (van den moord)
berucht was, ende . . die oirkonden, die hem be-
dragen hadden, wonde . . omkoopen mit gelde,
Mattb. Anal. 3, 86. Ghecalengiert iof beroepen
Tan valschen vonnesse , Cout. v. Brugge 1 , 308.
Vgl. Cout. V. Oent 469; Y. d. Wall 108 en 400;
Overijtt. 12. 1 » , 136 ; Wiel. Inetr. 75 , 33 ; 127 , 353 vlg.
5) Bij uitbreiding. Smadelijk bejegenen, barsch
toespreken, beschimpen, jj Die nonne . . screyde
ende was seer droevich, dat si onse lieve vrouwe
so beroepen hadde, Ned. Proza 311. Waer dat sy
eenen minre zien, si beroepen, bespotten dien,
D. War. 7 , 390 , 199. Des dogen rechte minre pijn ,
dat sy aldus heropen sijn, 203. Die enighen . . .
versprak oft berepe om stucke, de van der stat
weghen gherichtet waren, Overijs, R. I*, 1.
6) Als rechtsterm. Zich in hooger beroep wenden
tot een hooger rechtscollege , appeleeren (Sp. II ' , 5 ,
66 reeds wederk.: hem b. vore den keyser).
a) Met den 4den nv. van den pers. of het rechts-
college, van welks uitspraak men in beroep komt.
Het gebruik van dezen 4den nv. staat in verband
met het oude begrip naar hetwelk het appèl was
gericht niet tegen de partij , maar tegen den rechter
in eersten aanleg. Deze beteekenis van beroepen
volgt onmiddellijk uit 4 b). De rechter in eer-
sten aanleg wordt beschuldigd een ongerechte
uitspraak te hebben gedaan. || Waert dat sake
dat . . deen partye die banck beriepe, dat diescepenen
van der banc . . souden moeten comen binnen den ge-
nechte tot haren beroepe, Coerb. v. Antw. 86, 11.
Diese (de deelmans) beriepe ende achterbleve van
sinen beroupe , dat hi verbuerde XX sceleghen , Cout.
V. Brugge 1, 351. — Ook in het pass. Die beroepen
scepenen, de schepenen, op wie men appeleert.
II Jeghen eiken scepenen die beroepen sal syn
tien pond , Cout. v. Brugge 1 , 308. Yan den costen,
die die beroepene sccpene doen sullen, ald.
b) Met den 4den nv. van het znw. vonnis (pleit),
of eene daarmede gelijkstaande uitdrukking. Van
een vonnis appeUeren. || Zoo wie een vonnis beroept
voor den bailliu ende voort opbrengt voor den grave,
Mieris 2 , 306. Dat die scepen deilen (= wijzen) over
recht, dat en mach onse scoute niet beroepen , mer
die clagher ende houder moghent beroepen op hore
boeten, wilsi, Oorkb. 2, 376^. Dat zg vonnesse,
dat scepenen van Dixmude in haren mont hadden ,
wetteliken beroupen hadden tonser wet van Brucghe,
Cout. V. Brugge 1 , 423. Alsoe sal ment (vonnis)
te hoeve brenghen, alst gewijst en beroepen is,
zooals het in eerste instantie gewezen is en er van is
geappelleerd ,y . d. Wall 119. So dat wert bedreven
Paulus, dat hi tpleit beriep vore den keyser,
Sp. II' , 2, 34. Ie beroep dat vonnes van Alexander
den grammen ... tot enen meerren heer, als tot
Alexander als hy ghesaet ... is, Matth. 40. —
Beroepen vonnessen, vonnissen waarvan men
in hooger beroep komt. || Yan allen beroepenen
vonnesse te richten, alst haer toe comen es (d. i.
haercomen, gebruikelijk) , Mieris 2 , 30 d; Y. d. Wall
119. Alle heropen vonnesse die men beroepen sal
binnen onser vierscare van Zuthollant , ald. 275. —
Ook met het onbep. h e t als voorwerp (nl. het als
bekend vooronderstelde vonnis). \\ Paulus seide dat
hy t beriepe voerden keyser te Rome saen : vor den
keyser tote Rome hevesstuut beroepen . . ende du
moets oec emmer daer, Sp. I*, 26, 16.
BEBOEPERE (beroeper, beropere, berou-
per(e)), znw. m. Mhd. beruofer. Heraut, \\ So
quamen daer in die bane dye heere van Beaurains
ende dye heere van Souzelles , die beroepers vanden
steecspele waren, Ejec. Cron. 280c.
2) Uitdager, hij van wien de uitdaging tot een
tweekamp uitgaat. \\ Die beroepere es achterbleven ,
die den camp jeghen hem heift ghenomen, ende
ne dar niet te crite comen, JVal, 1900. Ie ben
beropere van desen ende gi snlter verwerre (ver*
959
BERÖ.
6ER0.
Ö60
weerder y verdediger) ' iS wesen, Lanc, IV, 8831.
3) In rechte. Appellant. \\ Dat die beroepere
moet seker doen te achtervolghene syn beroep,
CouL V. Brugge 1 , 308. Wordt die beroepre achter-
Tolghet van sinen beroepe, hi sal verbueren zes-
tich lib. , ald. {Schepenen) sullen gehouden sijn te
gheldene de beroepere sinen C08t bi sinen eede,
309. Dat men dat {beroep) achtervolghen zal ten
coste van den beroupere . . . Ende daernaer , opdat
den beroupre medegaet, hi zal moghen verhalen
zine scade up den ghonen daert behoren zal,Zr/.
Bijdr. 6, 7.
BEROEPINGE (beropinge), znw. vr. Mnd.
beropinge.
1) Oproeping^ vooral in rechte, oproeping om
voor hei gerecht te verschijnen^ het voor het gerecht
dagen. \\ Alse dese beroepinge quam te voren der
reinre maget untvercoren , bedroevetsi hare om dien
pleit, Merl. 2231.
2) Eitch. II Dat men den aenclager eher nicht,
off boven de beroepinge , schuldich sy voor yenigen
rechte te antwoorden, Fro Excol. 6, 67ö.
3) Appèl ^ hooger beroep. \\ (Doe) word de be-
ropinge doet ende to nichte ghewiist, de Albetto
Inaldigum tegen Itke Redekum heropen hadde,
omme des wille , dat Albet de beropinge den rech-
ters nicht ghetoent en hadde bynnen teyn dage
na den tiit, dat em de doem in schrifften ghe-
gheven was, Warfsconstit. 35.
BEROER, znw. o. Beweging^ in den zin van
lawaai^ geraas^ opschudding. \\ Des tvolc van
vruegden maecte beroer, Sacr. Prol. 14. Tvolc
maect van vruechden een beroer , omdat si vanden
sacramente hebben vernomen, 182.
BEROEREN (behoren , berueren , berüren),
zw. WW. bedr. en onz. Mud. beroren; mhd. berueren.
Bedr. — 1) Aanraken, aanroeren, aanpakken.
Nog heden niet geheel in onbruik ; vooral gewoon
in het hd. berühren. — Figuurlijk. Een plan, eene
saai aanpakken. || Soecti dan raet . . . ane enen
vrient ongheproeft dat es sere ter avonturen , hoe
hi dat sal beruren, Melib. 1606.
2) Verroeren, betoegen. || Hine conde beroren
niet een let, Lanc. Il, 45981. Dat hi beroeren en
conde een let, Merl. 34816. Dat dat kint alle sijn
leden des lichaems beroeren mochte , H*. 88/. 55 a.
— De onb. wijs als znw. Betoging. \\ Dat vanden
meesten beroeren is . dat is bequaemste in den
verstande, Barthol. 82 «. — Beroeren geven,
zich bewegen. Vgl. een gil geven, een scach geven
enz. II Waert dat sake dat het hadde leven ende
beroeren mochte gheven , Amand 1 , 1677 (= Sp, II»,
10, 17). — Ook wederk. Hem beroeren, en
in het pass. beroert worden, zich betoegen. \\ Niet
en beruere di te stride, J). B. Deuter. 2, 19. Si
{de long) werket altoes ende beroert hare, Ruusb.
1 , 121. Crupende dieren die beruert worden inder
aerden, of visschen die onder der aerden inden
wateren worden beruert, D. B. Beuier. 4, 18.
3) Figuurlijk. Boeren, bewegen, indruk maken op,
lat. movere. || Exempele beroeren meer somwile
dan leringhe, Ruusb. 3, 41. Op dat hi daermede
haer herte beruerde, dat si bade voer al syn
sunde Gode genade, Christ. 1454. So dattie duvel
niet en vonde stede, stade noch oec stonde, daer
hi tfleesch mochte beroeren bi. Lep. III, 25, 51.
Siet hoe hem dese joncfrouwe beroert heeft, dye
wi niet en mochten beroeren. Pass. W. 63 <i.
4) Opwekken. — a) Met den 4den nv. van den
persoon. Aanzetten, aandrijven, aanprikkelen.\\ Soe
en conde hi . . . gheondervnsen sinen sone van
Gelre, noch daer toe berueren dat hi sgn seggen
wilde volvucren, Brab. T. VI, 8093. Daer hem
groot wijsheit toe beruerde, 337. Wat mocht u daer
toe berueren , dat ghi een orloghe ghinct vneren op
een weduwe, 10007. Om andere zekere redenen
hem daer toe beruerende {moveerende),YYL, 15868.
Ghi en selt oec ter gheenre uren u wgf ter gram-
scap berueren, Doet. II, 1925. Doe . . hi datvolc
tot sinte Peters vrientscap beroert hadde , Pasi. W.
A2 d. Berurt int herte mijn van hogen gepense,
om te hogen e minen name, Caes. 1503. — Beroert
worden, zich opgewekt gevoelen, lust krijgen. ||
Om dat sijt niet en wouden, . . wert hi bemert
viant te werden vtou Johannen, Brab. T. VI,
7624. Soe wert beruert die . . keiser . . neder
te comen in Brabant, 6970. (Doe) worden vader
ende moeder beruert, datsi wouden zonder sparen
te haerre dochter spelen varen, Lsp. III, 3, 732.
b) Met den 4den nv. eener zaak. Opwekken ^
verwekken. \\ Hi sonde minnen al met minnen be-
rueren , Hadew. 1 , 149, 9. Tberueren des groylikea
levens, Barthol. 569a.
5) Op het touw zetten , aanstoken , de hand hehhen
in, veroorzaken, aanleiding geven tot. Lat. movere
(b. V. bellum, litem, sediHonem). \\ Ghi hebt een
evel spel beroert, Wal. 6289. In desen tiden be-
roerden . . die van Aquitaengen gevecht up Pippine,
Sp. III*, 74, 13. Dat sullen si vierscattc gelden.
die den striit beroeren, Oor kb. 2 , 333 , 24. Wanttet
hem {nief) genoech en was, dat hi twee stride
beroert hadde sonder enige reden , Clere 146. Wie
jeghen enich van den voirscreven pointen hem weder-
speenich maecte oft eenich opzette beruerde om
die te brekene, Belg. Mus. 10, 113. Her Jacop..
ende Floete . . , die (/. diet) beroeren , met groter
anxt si daer ontfoeren, Velth. IV, 16,34.Pictew
wive . ., dewelke up de stede van Brncghe pleit
ende ghedinghe beroerde, Invent. v. Brugge i^*^.
Onz. — 1) Zich bewegen, leven. || Benedict God,
walvis ende al dat daer beroert in den vater,
B. V. 1357, 208fl.
2) Eigenlijk. Bewegen, in beweging geraken,
bewogen worden, schudden. || Als hemel endeaerde
beroeren sel, Hild. 45, 64. — Ook in de nitdr.
doen beroeren, schokken, in beweging brengen.
II Scaemte dedem syn bloet berueren, Brab. T.
VII, 3250. — De onb. wys als znw. Beweging.W
Ie mercte wat in de werelt si, dat het ü heeft
een beroeren , ende also verstond ie bi der voeren, dii
die , diet beroeren hem geeft. God si , Sp.W, 19, 28.
3) Figuurlijk. Bewogen, euingedaan, gesckoit
worden. || Mijn synnen beroeren duer den grootei
clap van den wyven, Sacr. 1266. Die {engelen) stiti
beroren , maer niet om die vervemesse vandcr ge-
rechter doemnesse , Velth. VIII , 18 , 29. — Ook in de
uitdr. doen beroeren, schokken, m betceginf
brengen. \\ T verlangen tsalmyn hert te doen bemcren,
Plagerw. 70. Sint ie u . . hebbe u herte doen bernra»,
ende van haerre minne hebbe geseit , Bose 4713.
— De onb. wijs als znw. — a) Gemoedsbevegins,
hartstocht, aandoening. \\ Al heeft die yoecht eei
starck berueren, Hild. 70, 245. Heeft die fi<'l
alsulck beroeren entaertoe redelic verstaen, 106,
68. In een ewelgck beruren (?) , 161 , 357. —
b) Stemming, zin, gemoedsgeste IdAeid. || Ie !*•
gonst te zinghen mede in een vroilic bemerei.
O VI. Lied. e. O. 293, 1763. Mit stilre htte int
berueren, N. Boet. 171. God wille hem geven s«k
berueren, dat hi hier in desen leven . . drag«
moet sulc regement, dat hi met Gode si beleat
ten ordele, Brab. Y. VI, 11970.
96i
BERÖ.
IBËRÓ.
962
4) Opgewekt^ geprikkeld y>orden,
n) Van personen. || Die crancheit der natueren,
die den mensche doet bemeren, dat hi in al des
Ood beyelt, sinen wille niet en stelt, ald, 497.
b) Van zaken. || {Adam en Eva) ondaden haer
ogen . .; niet dat si blint hadden gewesen, maer
haer kint {kunne ^ geslaehttdrift?) beroerde in
desen . . in haren natnerliken lede, Lucid, 1087.
BEROERICH (beruerich), bnw. Beweeglijk
{vtm gemoed), lichtgeraakt, spoedig in drift ont-
vlamd. Vgl. Diut, 2 , 199 : b e r u r e g, agilie. || Dattet
volc yan Yasconien licht is ende beruerich Barthol,
533^. Een wyf, die draecht een knapelk^n, . .
licht ende beroerich sal soewesen, Vr.Heim.ll^b,
BEROERICHEIT , znw. Beweeglijkheid van ge-
moed, lichtgeraaktheid. \\ (Die) . . maect lichticheit
ende beroericheit , ende is oec haestelic verweet
totter gramscap, 88a.
BEROERINGE (beroringe, berueringe),
inw. vr. Mhd. berOerunge.
1) Van beroeren, in den zin van aanraken (bedr. 1).
Janraking. \\ Die kloeken van der kerke wort
ghelnut sonder beroringhe van menscheliken handen,
Jjeg. 2Sb. Met den vinghere ons Heren Jhesn . .
soe yerstaen wi die cracht sfjnre bemringhen,
daer hi ons yan binnen mede beweecht, Rnnsb. 2 , 27.
2) Van beroeren , d. i. bewegen (onz. 1). Beweging ,
het vermogen om van plaats te veranderen , ook bewe-
ging, schok. II Broecheit doet die beroeringe tragen,
Barthol. 12b. Om die beroeringe der vnchticheit, 82fl.
Soe en is hier (in den hemel) tgt noch stat noch beroe-
ringhe, noch nemmermeer yerwandelinghe, Rnnsb. 6,
126. Tusschen twee . . beroeringen, 1, 120. Een
starcke berueringe . . , dair die bergen af spliten^nde
schoren, ^<xr/Ao/. 460a. — Ook in den zin van be-
^fging , gebaar. || Alsoe of alle iuwe beroeringe ende
seden riepen ende seyden mit Cristo : mgn rike en
is van deser werlt niet, Gerl. Peters 204.
3) Yan beroeren (onz. 2). Oemoedsbeweging. \\
Wy sullen . . . den toemighen ende beroerden
menschen . . na sQnre beroeringhe ende toernicheyt
niet antwoorden , Stemmen 66. Die . . . volghen die
sinlike beroeringe sonder wederseggen der reden, 88.
BEROER(E)LIJC (beruerlijc), bnw. Mnd. be-
rór lic. Beweeglijk. || In allen sinliken ende beroerliken
instrumenten des lichaems, Barthol. 76b. Die
iuncturen der leden ende die andere beroerlike
delen , 86«. (Tlicht) is alte seer beroerlic ende schiet
doer los ende vry, 338*. Alle dinc dat inderlnchten
vliecht of is ende beruerlic (is) , 4ö8i. Die levende
longe . . es beroerlec ende licht, Ruusb. 1, 121.
Den groten walvis . . ende alle ander visschen
beroerlic in den water , B. v. 1367 , la {Oenes. 1 ,
21: wemelend). Ende al dat beroerlic is ende be-
wcghelic wert in der eerden, ald. d. Die wijsheit
is beruerliker dan alle beruerlike dingen, D. B.
Boec d. Wijsh. 7 , 24.
2) Van goederen. Boerend. || Alle onse goide,
beruerlic ende onberuerlic, Brab. T. Dl. 2, bl. 676.
3) Oproerig, roerig. \\ In materie van beroerten
sftl de scout . . vangen de beroerlicxste ende
tcrstont den hals of doen bauwen. Wiel. Instr.
167, 670. By zekere beroerlike woorden by hem
ghesproken, Invent. v. Brugge 6, 291. Gheweest
seer beroerelück in dese leste commotie, ^tfi^.Jfm.
8, 896.
BEROERNISSE, znw. vr. Hetzelfde als be-
roeringe ; zie ald., en vgl. Diut. 2, 207 : b e r u r n i s s e,
commotio. Beweging. || Cleyne zenen daer die leden
mede op ende toegaen, oft haer beroemis door
hebben, F. m. f, 22v,
BEROERT (beruert) , deelw. bnw. van beroeren
(z. ald.).
1) Los, beweeglijk. \\ (Mbses^) tanden en waren
niet beroert, D. B. Deuter. 34, 7.
2) Aangedaan, bewogen. \\ Die wort . . also
beruert in sinen gront, dat hi hem keerde tot
onsen Here , Brab. T. VI , 2449. Van desen woorden
wert dedele here corteliken beroert sere , Mask,
768. Die suete Moeder der ontfermharticheit wort
mit medeliden beroert, D. Far. 6 , 394. Dat hi door
das een ghedeel beroert was, Amand II, 4463.
3) Ontsteld, verlegen. \\ Hen mochte geen evel
wesen, sine warenre saen af ghenesen. Ten lesten
worden si beroert daermede , Sp. III", 73 , 27. Dat
mooncskin waert al ondaen ende beroert in zinen
sin, Denkm. 3, 189, 112. Soe verwonderden si
hem seer, dat die scoene vrouwe so vrilick onder
die broeders ghinghen. Ende si worden daer in
beroert, want die broeders waren vervaert van alle
vrouwen, D. War. 6, 388.
4) In heftige gemoedsbeweging, toornig, ver-
bitterd. II Die hertoghe dit horende . . wert . .
beroert ende hi swoer dat hi dat wreken soude,
Exc. Cron. 113rf. So wert hertoge Jan toornich op
dye ghemeynte van Bruessel . . ; so wert dye hertoge
seer beruert, 123*. Daerom wert hertoge Kaerle
soe toornich ende so beruert op Mechelen , datmen
seyde, dat hi die stat . . verderven wilde, 208<r.
Dese twee worden soe beruert ende verhit, met
worden swaer, Brab. T. VI, 6760. Wy sullen . .
den toemighen ende beroerden menschen wiken.
Stemmen 66.
6) Van de geslachtsdrift gezegd. In zinnelijken
lust ontbrand, || Van den hersenen wordt dit saet
meest genomen . ., ja, als die mensche beroert
ea, M. en Vr. Heim. 717. Terstont waert dat wijf
beroert totten jonghen monic . . ende vraghede,
ofte hi sodanighen (^nd) hebben wolde , Bienb. 119a.
BEROERTE, znw. vr.
a) In den zin van oploop , oproer. Vgl. het latere mv.
beroerten, b.v.in de raad der beroerten, d. z. troebelen.
II Curtelike daer naer quam tYpre eene beroerte
zwaer, dat den meneghen coste tleven, Vl.Rijmk.
8966.
b) In den zin van terechtwijzing , ons gemeenzame
woord een uitbrander. \\ Sy heeft de beroerte te
dege opgesopen , zich het standje erg aangetrokken.
Mar. V. N. 9, 180.
BEROERTHEDE, -heit, znw. vr. Standje, be-
roering, opschudding, lawaai. \\ Daer hoerde Paulus
(in lacu mortis) een grote beroertheyde van mannen
ende van wiven, Devoet B. (30) 130p.
BEROEST (berost), \mw. Met roest bedekt, ver-
roest, roestig.
1) In eig. zin. || Dat beroeste swaert, daer ghi
my te Mombrant so wel mede dyende, Huge v.
Bord. 66. Een swaert, dat men niet en roert of
besicht, wort beroest, D. War. 6, 196.
2) By uitbreiding. Vuil, versleten , smerig. || Haer
cleder dorscuert ende al berost , haer scoen dorgaet,
haer cousen vermost, Blisc. v. M. 1036.
BEBOESTEN, zw. ww. onz. Verroesten, door
roest bederven. || Hy soude den sloetel node laten
sere beroesten ende bederven , Hild. 167 , 260 var.
BEBOET. Zie berucht.
♦ BEROGISE. Bij Kausler, Denkm. 3, 47
(Wap. Rog.) 911, leest men: || „Beroghise der
gracien eerst uutgoet buut des hemels vaders
scoet, wie kent daer af yet?" De eerste regel is
bedorven. Men leze: ^Beghinsele der graciën eerst
uutgoet, enz.", d. i. „ De oorsprong der genade is uit
31
963
BERÖ.
BERO.
961
den Hemelschen Vader." Zie Taali. Sijdr. 1, lil,
BEROYT (beroeyt), hetzelfde als ons berooid:
Mar. v,N.9, 174, Boom d. Scr. 17, 330; vgl. Oudem.
Bijdr, 1 , 534 en Dial. Oreat, 10a : „BeUel ml dat
loen Taji dijure woninge ende ganc yan mi, of ie
sa] di al beroyt van mi werpen." Kil. beroyt,
j. berooft, depanperatns. Deelw. van heroyen^
in den zin van uitroeien y van royen^ roden , hd.
rotten ?
BEROKEN, zw. ww. bedr. Mhd. beroueAenjhd.
heraucheren.
1) Yan rooCy in den zin van Vfahn. Bewalmen.
— Vandaar het deelw. berooct, eig. bewalmd,
berookt, en bg uitbreiding mtil, tmerig. \\ Haren
roe die es dnnne versleten ende beroect es haren
hoet, Vod. Mus. 1, 86, 110.
2) Van roke, in den zin van geur. Ben geur doen
inademen van (mnl. met). || Dat mense beroke, es
goet . . ., met ogen van gesonten vlesche, ende
met den clauwen van perts voeten ; daer met beroect
met goeder moeten , dese doen snveren die secundine
M. en Fr. Heim. 2141 ; vlg. 2009.
BEROCKEN, zw. ww. bedr. In de 17de eeuw
zeer gewoon (vgl. Oudem. 1, 539). Berokkenen , op
het towo zetten. \\ So hebdy quaet spel beroct,
Boom d. Scr. 28, 547. — Vgl. rockenen.
BEROMMEN, BEROMMER. Zie beroemen,
BEROEMER.
BEROMPELT (BERUMPELT),bnw. Hetzelfde als
berompen (zie berimpen). Gerimpeld^ verschrompeld.
II Zwart peper die van den vyere verbrant is ende
berumpelt, Barthol. 659^. Die peper scijnt van
buten een vuyl choem te wesen ende zwart be-
rompelt, 660a. Als ie out ende berompelt bin
worden ende gr^s ende blont, so makic my daer
mede claer ende blenckende, Felgrim 65^.
BEROMPEN. Zie berimpen.
BERONNEN. Zie berinnen.
BEROOFT. Zie het volg. Art. en beroven.
BEROOFTHEIT, znw. vr. Van berooft, deelw.
van beroven, d. i. eig. beroofd, geplunderd en
vervolgens ellendig , ongelukkig. Ellende , rampzalige
toestand. Vgl. bi) beroyt. || Sexagesima be-
teykent der kercken beroeCtheit ende hoer droef-
heyt, Pass. JT. 20Sc.
BEROST. Zie beroest.
BEROUNESSE. Zie berouwenesse.
BEROÜWE (beroü, beru), znw. o. (en ml.?).
Berouw. Mnd. beruwe, berouwe, berou. \\ Ie vergheve
u die misdaet . . ., want ghijs hebt berouwe ont-
faen, Grimb. II, 3250 var. (vgl. die xkitdr. berouwen
ontfaen, onder berouwen, onpers. b), en be-
rouwenesse ontfaen). (Si) stervene ... sonder
kinnesse ende beru. God make ons hoverde schu!
Boet. III, 464. Men heeft dicke gheseghet vore nu: na
haesteghen raet goet (groet?) berou, Melib. 1552
(men leze beru, tenzij men ook toen ft» uitgesproken
hebbe als nou). Doe creech hij rechtevoert berouwe
voer die sunae des dootslages , Bienb. 19 d. Ie
en hadde . . . gheen berouwe, noch ie en biechte
niet , 145 a. Ie ghecreech alste groten berouwe ,
ald. Si sQn gescoert ende en hebben geen berouwe,
Us. Ps. 39 V. Op dat een berouwe des herten wart
gheboren , Mandev, 30 b. Heeft hi berouwe , Theoph.
1038. Dattu berouwe heves, 1330 (fl>. berouwe-
nesse). Want hi hevet recht berouwe ende hidoet
grote penitentie, Theoph. bl. 162. Met berouwe
groet, Sp. V, 66, 137 (»ar. berouwenisse). — Zoo leze
mtia.oo\iAmandl, 177, berouwe voor betrouwe.
BEROÜWELIJC. Zie het volg. Art.
BEROUWELICHEIT , znw. vr. Van het niet
voorkomende berouwelijc (vgl. ons onherouweUji) ,
hetzelfde als berouwieh (zie ald.). Berouw, ootwwed. jj
Mit oetmoedighen belien coemt men tot berouwe-
licheit des herten ende alsoe veel dienen ons die
Sacramenten, als wi se mit berouwelicheit ende
ynnicheit ontfangen, Stemmen 111.
BEROUWEN (berauwen, berüwen), stww.
bedr., onz. , en onpers. {berieu en berou {beroH)\
beriewen en berouwen; beroitwen). Berouwen.
Aanm. — De oorspronkelgke vorm was niet berom-
wen, maar beruwen, dat thans beriewen of bermwen
{berau of berou , mv. berouwen , deelw. berottwen), zon
luiden. Mhd. beriuwen ; ohd. bihriuwen ; mnd. berouwen
of beruwen (praet. berau); vgl. mnl. blouwen, ohd.
bliuwan, mhd. bliuwen, got. bliggvan; zie ook SPr-
WEN en DUWEN. Er zijn dus in het mnl. twee ver-
voegingen door elkander geloopen. Door deze ver-
warring treft men bg berouwen hetzelfde verschynsd
aan als bij werden, nl. dat praes. en impf. 8ch|B-
baar met elkander verwisseld zijn, vgl. Taalt.
Bijdr. 1 , 139 ; Bsop. Gloss. De zwakke , in H mhd. ea
mnd. voorkomende vervoeging kent het mnL niet
Bedr. — Een reden tot droefheid of berouw aiu
voor iemand. Met den 4den nv. van den pers. (somt^ds
onz., met den 3den nv. , b.v. : Allen sonderen . .,
dien haer souden berouwen, Ruusb. 3, 296). || Die
mageden entie joncvrouwen , die dicken hare aonden
berouwen ende heimelike bijechte spreken, Sp. IH^,
36, 125. U berouwen u mesdade, Ben. 1187. Dien
jammerlike berau die vaert, Heelu 4814. Doe
beriewen hem sine souden, IFal. 4570. So beram
hem die weldaet , /Sjp. I' , 6 , 47. Alse hem berau hare
mesdaet, I', 66, 159. Dinc, dieu berau also sere,
Lanc. II, 11690. En gene dinc, die hem beroa
also sere, 26518. Lancelote berouwen (impf.) sine
sonden, III, 3137. Orloge, die hem berau so sere .
IV, 7488. Doch dat hem berau die tale, Bipmi.
8409. Alse Judas sach dat dus ghinc, berma hem
sere die dinc , 26213. Noyt scheyden mi so seer
en berieu, Troyen (Fb.) 31.
Onz. — Met den pers. in den Isten nv. eneene
bepaling met van of in den 2den nv. Berouw hebeen
over, betreuren. \\ Si en wil van hare oncuoscbeit
niet berouwen, Hs. 75, Openb. 2, 21. De coni^
beraus tier steden, dat hijs Waleweine provea
dede , Lanc. III , 239. Het es oec sulc , die mesdoet ,
dies na berouwet, Wal. 5896. Het es mi leet
ende berouwes, Segh. 2295. Dies Brabant noch be-
ruut, Brab. T. IV, 774. — Zie ook bij bedr.
Onpers. — a) Met een onbep. vnw. als ondow.
of een snbjectszin. || Hem sal so seere berouwei
ende leet sijn . . . dat hi so lettel pin«i he^
ghedaen, Amand II, 5755. Dat sint berma sere
hem beden, Velth. II, 34, 38. Al te bant bem
den man , dat hi sulke dompheit began , Frame. 8493L
Doe berau hem . ., dat hi dor der quenen bede
hadde gedaen , Lane. II , 16722. Het berau thaot
den coninc , dat enz. , III , 10007. Ende {hef) bcna
hem, al waest te spade, Sp. I*, 48, 28. Daer
naer berau hem dat hijt liet, I^, 24, 39. En beru
den abt niet , dat hi so swaer gebot hem biet,
III \ 34, 59. Doch dat hem berau die tale , Je^rai.
8409. Dan berout hem eerst vele, Kose C. 8884.
Oft mynen man beryeuwe , dat hy ghist«ren vigeüe
bilt, Ned. Kluchisp. 86, 218. Hem berieu . .^dsl
hi den grave hadde gheloeft, Stoke VI, 98. Hen
berau . ., dat. Brand. 1836. Het berou hem so
sere, dat hi en at min noch mere, Alex. LX, ló.
Dat berou hem harde sere, X, 763. So berau hes
dat hine vercocht hadde, L. v. J. c. 226. Laet ka
berouwen , heb berouw, Amand II , 946.Verg. oaderl U
965
BERO.
BERO.
966
b) Met den 2den nv. der zaak en den 4den
van den pers., evenals in het lat. || Teersten dat dat
sach Judas, beran hem alte sere das, Sp. 1^,27,
27. Toent aen hen (de vrouwen) altoes uwe ghe-
naden, ende des en laet u niet berouwen, Salad.
209 {y^heh daar ^en verdriet in, berouto over.'*
Laten is zuiver hulpwerkwoord ; ygl. Tekstcr. 47
en het laatste citaat onder a). Daerna berau hem
siere weldaet, Eeop. Liy,6. Hem berieu der mesdaet,
Franc, 3370. Dien des strijts sere berou , Brab. T,
II, 5349. Dies Brabant noch beruut, IT, 774.
Dies hare herde sere bernwet, Limb. IV, 1360.
Mi berouwet ere zaken, £t;«n^. 13865. Mi berauwes
weder sciere. Brand. 1432. Joncfrouwe, mi en
berouwes twint, Fr, e. M, I, 777. Hemberaus..,
dat hi die sotheit hadde gedaen, Lanc. II, 925.
Dies hem berau sciere ter stede, 45970. Dats den
coninc minen here berou, Lorr. I, 1887. Daer na
80 berau hem des ende hi ghinc werken in den
wyngart, L v. J, c. 168. Dats hem beruwet , ^«ojt?.
XXXIV, 24. Zoo ook Sp, II*, 82 , 12 ; «w. — Het
deelw. berouwen wordt uitsluitend gebruikt , met
8 y n verbonden en een 3den nv., en heeft de bet. van een
tgw. tgd:mi es berouwen, t>Er ^^3 dtfrouio. || Es di
dine hoeveerdichede berouwen ende du wils ont-
faen penitencie , Amand 1 , 1169. Diet hare dede , hem
es berouwen , Wal, 4565. M^n biechte sprakic tot u
in spotte . .; hets mi berouwen , Vad, Mus, 1, 55 , 189.
Het sonde den enen sijn berouwen , Cats. 942. Dat
hem namaels was sere berouwen, als die saken
waren ghesciet, Laml, 130. Het es hon ouch be-
rouvren, Serv, I, 2518. Nuchtens eest berouwen
hare, Sp, II" , 49, 25. De coop was hem berouwen,
O VI, Lied, 243. Doen wast hem seer berouwen,
ald. Doen was hem berouwen seere , dat hi sijn . .
cronen hadde gheleent, Brab, T, YII, 6648. So
was den paeus berouwen, dat hi den coninc . . .
gheroepen hadde , Esc, Cron, 263 b. Omdat den
Here berouwen was , dat hi Saul coninc had gheset
boven Israhel, D, B. I Sam, 15, 35. — Ook met
den 2den nv. der zaak. || Also hadde hi mi ont-
faen, waers mi berouwen. Brand, 1375. — De
onb. wQs als znw. gebruikt in de bet. berouio,
meestal in de uitdr. berouwen hebben, ge-
winnen of ontfangen, berouw krijgen^ en mi
wert een berouwen, hetzelfde. || (O^m^uj) liet
hem an dien cruce slaen , omdat Mne {den zondaar)
minlike ontfaen wilde , als hi berouwen ontflnghe ,
Amand 1 , 4382. Als Bave hoorde dese tale , wert hem
een berouwen wale, 4334. Updat hi berouwen heeft,
4394. Bi desen soudi . . . hebben berouwen van
uwen mesdaden II , 713. Oft niet een bal doech hem
huer berouwen , Diep, 167. Hi ontfinc den scaker dan
omdat hi berauwen ghewan, daer hi an den cruce hinc.
Brand, 1371. — Als bnw. wordt het deelw. be-
rouwen gebruikt in de uitdr. Een berouwen
hert e, een berouwvol gemoed, \\ Ghi hebt niet
onwert berouwen herte, die dgns \>e^\ï!tri^Boetps.
51, 71; vgl. Ben. 2, 750 d: „daz berewt und daz
gediemuotigt hertz, eonfritum et Aumiliatum cor,^^
BEROUWEN, bnw. Zie het vorig Art., op het
einde.
BEROUWENESSE (berauwenesse , berau-
NESSE, BEROUNESSE), -ISSE , znw. VT.
1) Berouw ^ ootmoed^ bekeering. \\ Yan Beyeren
LodewDC . ., (die) berouwenesse had ont&en van
dien dat hi had mesdaen jeghen den stoel van
Romen, Wrake I, 593. Penitencie ende beraunesse
(ende^ biechte, Fland/r, II, 130. Want hi hembe-
waerae . . met penitencien, met berounessen, dat
hi der eweliker verdomenessenontvlo, JPra»i7. 5900.
Fransoys die sach anden man . . berounesse in
rechter waerhede {oprecht berouw)^ 3351. Entle grote
omoedichede vander berounesse, 3371. (Doe)sinde
haer God int herte saen berouwenesse , Beatr, 485.
Met compassien quam hem groete berauwenesse ,
Bloeml, 3, 15, 274. Met goeder berouwenesse fine,
Praet 624. Met berauwenessen stille, Wap, Bog. 1020.
Hevestu claer dine berouwenesse over waer, du
sult dan van Gode ontfaen vul aflaet, ^, I", 4,
65. Naer sine doot quam mi berouwenesse an,
in*, 50, 78. Byechte ende berouwenesse groot,
III* , 41, 41. (Hi) bleef doot in berouwenessen
groot, IV', 22, 67. Zoo ook L. v, J, c, 134; 168;
Buusb. 5, 220; Lueid. 3745; Vl, Bijmk, 3729,
3735, 3739; Beatr, 641; Bijmb. 22957; 33119;
Zanc, II, 31842; Ned, Froza 96, 97; Amand II,
4998; D. B, Deuteron, 30, 10; J2»<?A/. 21 , 6 ; I Zo».
8, 33; Geest, L, 79»; Sp, 1% 66,137»ar.; Theoph,
1330 {Hs.y, enz,
2) Boetedoening^ boete. Ygl. ons penif-entie, van
het lat. penitentia. \\ Predeke ende castie mede
berouwenesse in elke stede, j^. III", 27,93. Ende
omme berouwenesse daer af {als boete daarvoor)
voer hi . . over mere, lY*, 56, 14.
BEROUWICH (berauwich), bnw. Berouwvol,
ootmoedig. || O Here , stiert in mi berauwich ween,
OFl. JAed, en O, ^1, 31. Die berouwighe sunder,
Bienb, 145^.
BEBOÜWICHEDE, znw. vr. Het woord zou , in-
dien het voorkomt, slechts berouw^ ootmoed^ kunnen
beteekenen , maar op de eenige plaats , waar het ge-
vonden wordt, kan het dien zin niet hebben, nl.
Amand II, 4490: || „Daer dede hy . . voor oghen
legghen van den Sarrasinen die berouwichede ,
ende dat by hare {der Christenen) nidichede kerstin
gheloove mochte te nieute gaen." De Sarrasenen
lagen op hun loer, om van den tweespalt der
Christenen gebruik te maken (vs. 4435). Men zal dus
misschien moeten lezen: ontrouwichede,
BERO YEN (beroeven), zw. ww. bedr. Mud.
beroven; mhd. berouben,
1) Met den 4den nv. der zaak. Stelen, rooven,
buit maken. Ook met eene bep. met op. || Eer die
knaep mit nauwer liste den enen baec aldus be-
roefde , Hild. 32 , 144. Provanchie , die men op die
Yriesen beroevede. Bek. d. Gr, Z, 319.
2) Met den 4den nv. der zaak en den 3den nv.
van den persoon. Ontnemen, ontrooven , a/nemen, \\
Der doot bedrueffenesse beroefde hem cort tnatuerlic
leven, Brab, 7, VI, 11118. Vier dine, die beletten
ende beroven alle doechdelicheit , Ruusb. 4, 199.
Dat hi (/. hem) van ouder ... al sine tande waren
berovet, Fersl. en Ber, 5, 20. Dat hooft, dat sy
horen vader hadde beroift, MLoep I, 2321. Nu
was dair een eerbair w^ff die horen knecht be-
roefde tl^ff, II, 1829. Eer hem dat cleynoetwaer
beroeft, 2792. Een deel der hogher salicheit, die
hem nyemant en can beroeven, Hild. 32,144. Sgn
hulde . ., die ons niement beroven en can, lap.
III , 1 , 75. Hi hadt (nl. zijn kind) Macheuse be-
lovet; heeft hi se hem nu berovet? .i/^'dr.IV, 355.
Dat en mach my nieman benemen noch my beroven,
Ruusb. 3, 87. Sijn twee oghen, die hem die sondaren
berovet hadden, Pms, W, 90a, — Somtijds ook
met den 4den nv. van den pers. en den 2den der
zaak. II Si en salse niet beroeven haers wercs,
Ruusb. 2, 242. Daerom en sal die mensche niet
wanen, dat hy enichs goets in desen sal beroeft
syn, 3, 91. — Thans is de 2de nv. steeds door
eene bepaling met van vervangen. Zoo ook reeds
Rein, II, 4644.
967
BEKË.
6ERR.
968
3) Berooven, uiiplunderen. || Die beroeft hier
TOre waren, Yelth. Il, 4, 25.
Aanm. — Bein, II, 3592, leze men met Martin
verdooft.
BEBREN (barren), st. en zw. ww. onz. en
bedr. (bar of ber, borren^ geborren, doch meestal
berde, geberd). Boor assimilatie ontstaan nit dérfMw,
waarmede het in bet. geheel overeenkomt. Zie ald.
en vgl. borre voor bome,
Onz. — 1) Branden.
d) Eigenlijk. — a) Yan zaken gezegd , van vuur en
licht, en verder van al loat vl^mt oï in vl-am ttaat ,
ook van de hel. || Een vier, dat qnalike beert
(d, i, bert) van qnaden groenen eisen )io\xie,Belg,
Mus, 10, 52, 32. Ghi moet hebben berrende licht
in hu handen, Amand II, 6170 (vgl. 6191). (Hi)
vant daer een vier berdende (/. berrende o/bemende)
claer , Lane, II , 19209. Van der tnmben die berde
soe lecht , die in lichter laaie stond, 21241. Dat
dat vier berde claer , 21699. Ses dage berret {Bome)
ende ses nachte , ^. II * , 8 , 75. Een lampe berrende ,
Sacr. 1260. Daer si clare lampten sach herren , Beatr.
836. Twee rikelike stallicnt al berrende, Fartk.
636. Ende die {lampten) horren al den nacht over ,
Bnusb. 2, 89. Dat helsche vier sal herren, lY,
252. Die gheinsteren . ., die herren moeten, 5,
92. Des viertienden daghes . . snllen hemele ende
aerde herren, Ltp. IV, 9, 79. Tvier bert schoen
ende claer, Sacr. 685. Berrende lampten, Sp. II*,
37, 66. Gelike al vier . . ., maer en ber niet,
Yelth. YII, 18, 6. — Ook van vnnrspuwende
bergen. || Den berghe die bert ende heet Etna,
Nat. BL 1 , 423 var. {teksthe. barnet). — In geeste-
lyken of mystieken zin, van het vnnr der liefde
en van den geestdrift. || Daer dat vier der liefde
eweleken . . . herren sal , Rnnsb. 1 , 133. Soe wilt
God , dat syn vier . . . altoes berre in die enecheit
ons herten, 158. Hier af wert dat rike onsteken
ende berret al in vnericheit, 4, 243.
^) Van personen, vooral van hen die de pijnen
der hel ondervinden. || Si sal daer omme herren
in een vier , Olor. 759. In den helschen vliet . . ,
daer die du vele herren. Vierde Mart. 124. Die
nn barren in die hille, L. o. J7. 3572. Daer sonder
inde kaitivighe zielen in herren, wallen ende
wielen , 3955. Daer berret die moeder metten kinde ,
4033. Si selen herren in die hille, 4833. Dat elc
lichame metter sielen sine, sal barren in die helsche
pine, 4836.
b) Fignnrlgk, van alles wat met eene vlam of
een gloed vergeleken wordt. Branden, gloeien. \\
Den berrenden dorst, dien du nu dreechs, en
bluschste niet , droncstu den Rijn , Bind. 554. Soe
mense {jaloezie) meer jaegt, soe si vele te meer
berret. Lep. III, 6, 72. Haer vlamme, die mi
herren doet. Vod. Mus. 1, 74, 14. Die ynnichste
gront des herten berret in woede, Ruusb. 6, 85.
Hi berret swaer in hope ende in vaer , Hadew. 1 ,
52 , 19. Mijn herte dat bert al een geloet , Lansl. 192.
— Zie ook BERRENDE.
2) Aanbranden, van spijzen. Vgl. bernen (bedr. 4).
II Ferguut mach wel so lange merren, dat s\jn
rapen selen herren, Ferg. 4983.
Bedr. — 1) Branden. — a) Yan vuur, licht en
brandbare stoffen. \\ Men berde daer stoppelen sonder
hout. Boerden III, 54. — Vier herren, ook
als symbolische handeling (vgl. bij bernen , bedr.
la). II Dat hy telcken veertich daghen binnen der
stede wonen moet ende daer vier herren, Cout. v.
Brugge 1, 583.
b) Van brandoffers en andere zaken , die men op
het vuur legt. || Dat men op coelen cnbebe berre,
Nat. BI. IX , 300 var. Yan cruden ende van selken
dinghen, diemen berde in die eere Goods, Ruusb.
2, 22.
2) Verbranden , tot asck verteren. — «) Van voor-
werpen. II Grote vlamme, daer hi mede hare cleder
herren dede , Lanc. II , 19010. Ie sal n . . . dmeerck
doen hemen uten schenen. Wint. e. S. 350. Te
pulvere hemt mense {de tanden) in viere , Nat. BI.
n, 1392.
b') Yan personen. || Hoe dat wy n sullen . . .
zieaen^ herren oft roosten, Sacr. 656. Ay hoere,
dat men n herren moete! Truto. 11. Nn sal mense
{de koningin) herren heden, lAmb. III, 877.
c) Van landen , kasteelen enz. In de aseh leggen^
te vuur en te zwaard verwoesten. \\ Ie hebbe hare
gedaen menech verdriet ende geweest ende geberd
haer lant, Losm. III, 11654. Die Brabantre . . .
wonnent ende berdent {het kasteel), Brab. T. VI,
2639. Barrende ende destmeerende dlant, Ortm.
V. Vlaend. 1, 66. — B^ uitbreiding ook van de
personen , wier bezittingen verbrand worden. lemamd
brandschade toebrengen. \\ Hi bar, hi rovede die
viande ende nam al dat hi vant, Velth. VI, 11,
52 {var. hemde). — Schijnbaar intr. , door weglating
van het obj. , wordt berren gebruikt in den sin
van brandstichten, meestal met roven verbonden.
Vgl. Gr. oiysvv xaX qiéqevv xaX xaeir- 1| Als sy
hier stade saghen yet, voeren si roven ende berren,
Grimb. 1, 2540. (Si) ginghen berren ende roven, 5578.
3) Yan metalen. Smelten. Vgl. bernecahere.
II Dat negheen mersman berren en sal noch doen
berren silver, Willems, Meng. 350.
4) Te vuur en te zwaeerd uitroeien , de overdracht,
bet. van Ie). \\ Omme dat {ongeloof) te beme
algader hevet die panes Martgn genomen ene
consilie, Sp. III«, 29, 94.
BERRENDE. Zie berrent.
BERRENEN. Zie bernen.
BERRENT (berrende), bnw. Deelw. bnw. van
berren (zie ald. \b). Brandend , gloeiend , vurig. || Mei
innigher herten ende met herrender begherten,
Wrake III , 1460. Met berrender minnen , 1453. Dat
vier der berrender minnen, Vad. Mus. 2, 213.
Met berrender minnen te Gode, Ruusb. 4, 49. In
berrender minnen, 55.
BERREWORTE , zuw. vr. Benaming eener ge-
neeskrachtige plant; eig. brandkruid. Vgl. wORT.
II Branca urcina dats berrewortte . ., ende si maect
harde apostemen mom ende rgpse, die sün vu
couder naturen, Hs. Tp. 9Sd.
BERRIE. Zie Berie.
BERRINGE (barringe, borrikoe), niw. tt.
Yan berren (zie ald.). Vgl. Berninge.
1) Het branden, verbranden. \\Yij f y^>edeT{vradkt ,
turf nl.) te herringen, R. v. Uccle 6, 22. En bleef
dorp staende doe al dore berringhe in sgraven last,
si en worden alle doen verbrant,-Brtfi. F. V, 3638.
2) Concreet. Dat wat men brandt, hremèstof.
II Logys ende berringhe om niet, Spreuken 81.
Die mach barringh winnen uit sijn selfs grondt,
Friv. V. Briel 2, 233, 4. Dat men . . . vercocpoi
sonde . . alle manieren van barringhen, ghelgc
dat se gegolden hadde voer dorloghe, (>xm. v.
Vlaend. 2, 137. Dat men den . . armen . . b«-
werven mach pottaeds, scherbier ende borringke,
D. War. 6, 152.
BERSCIP. Onder allerlei benamingen van vaar-
tuigen (hulke, balenier, caraque, coggeseip e. a.)
komt Invent. v. Brugge 6, 277 ook berscepe ?oor
(wel mv. van berscip , hoewel de andere benamingen
969
BERS.
BERS.
970
in het enkv. staan). Het woord is 6f eene ver-
bastering van bariucMp^ gelgk in het Gloss. wordt
aangenomen, óf eene yerschrijving voor Óerseseepe
(barseseepê). Zie baerdse.
BERSEN, zw. WW. onz. Mnd. lerten^ barsen]
mhd. èirsen, pirsen\ hd. birschen. Van het ofr.
berser of bercer, mlat. bersare (Duc. 1, 663). Over
de vermoedeigke afleiding, zie Diez 2, 221. Eiff.
(in het ofr.) jagen mei pijl en boog^ in het mnl.
meestal opgevat als /o^^» met speur Aonden, Zoo ook in
het mhd. en mnd. || Of ghi wilt varen in rivieren
of bersen int wont ten wilden dieren, ParM. 1114.
— Evenwel wordt het ook van de vogeljacht (mnl.
vliegen) gebmikt, waarvoor in rivieren varen of
Beten de gewone woorden waren. || Wat vaerdi in
desen daghen met valken bersen ende jaghen.
Overzee 222. — Ook van het jagen ^ het opsporen
▼an het wild door de honden. i| Hi berst ende
jaget alse een hont, Bose 6072.
fiERSTE, BARSTE, wisselvormen van borst ^
lichaamsdeel. Zie ald.
BERSTE (borste, barste, burste), znw.vr.
Ook in den manl. vorm borst. Mnd. borst ^ burst;
mhd. brêsty brêste^ brist, brust\ ohd. dr^^^o (manl.)
en bresii (vr.). Vgl. lat. frustum. Voor den overgang
van berste in borste^ ▼erg. persse en porsse, verste
en vorste (ook vurste), gerden en gorden^ vermen
en vormen^ werden en worden. Zie Taalg. 1,255 — 269;
Ciarisse , Natuur/t. 379 vlg. ; Taal- en Lettb. 1 , 203.
1) JBarst, berst, in het alg. het een of ander
ffebrek {defeef) aan eene zaak. Ook van onstoffelijke
zaken gebmikt. || Nu doen wi af den ouden Adam,
die noch in desen es met berste, Sp. 111^,46,72.
2> Oebrek^nood, ongemak, behoeftigheid, armoede.
II (Die hier) gedogen grote berste van coude,van
honger ende van dorste, Lueid. 2826. Yan hongre
ende van dorste {var. derste) te doghene smertelike
borste, Bijmb. 28666. Si hadden berste . . groot,
29829. Van groten hongere ende van dorste ende
van swarre borste , Lanc. II , 44186. In die stede ,
daer men Kerste diende , daer en was geene berste,
Sp. n», 10, 96. — Ook in alliteratie verbonden met
het geiykbeteekenende b r e k e. i| Dat deen den aodren
nine begeft, alse hi breke ende berste heeft, iSo^tf
4609. Doeght met uwen evenkersten als hi in
breken es ende in bersten , Doet. III , 589. Zoo ook in
het Mnd. Ygl. bg breke. — Meestal verbonden met
een 2den nv. of eene bepaling met van. Oebrek, be-
hoefte aan. \\ Hadden si van cledren berste ende oec
honger of dorste, Lucid. 3901. (Si) hebben slapens
groten borst , Versl. en Ber. 4,9. Ie hebbe berste
van selken rade , als . . aen u allene leghet, Theoph.
440. Moraet, clareit . . daer of en hadsi enghene
berste, fFal. 10284. In de stede, daer pais no lechts nes
^ne barste, Franc. 7678. Waters moestsoe ebben
barste, want . . daer was harde drooch, 10148.
Daer bleef menich doot van dorste, omdat hi
waters hadde borste, Alex. Y, 697. Om dat daer
es waters berste, stervet van . . derste. Nat. BI.
11, 3072 (vgl. 3078.) Entie broeders van Jhesum
Kerste hebben cout ende cledere berste, Sp. III*,
61, 67. Alse der goeden sal si}n berste, <^. I*,
12 , 26. Die rike vrecke heeft broot borst (/. broots
borst? in geen g^val als samenstelling op te vatten ;
zie T. en Lettb. 1 , 202 vlg.) , Boet. II , 690 var. Zoo
ook Segh. 9718. — Ook met onstoffelQke zaken ver-
bonden. || Eer du berste hebs s^tif^ts , eer het leven
u ontzinkt, Wap. Bog. 286. Die daer te voren . . .
in stride warenjegen Jhesum Kerste, enter (=m£^
der) zalicheit hadden barste , geene hoop op s, hadden,
Franc. 1064.
Aanm. — In samenstellingen wordt in het mnl.
niet borst gebruikt (wel in het Mhd. (Ben. 1 ,
237a)) , maar broke (zie ald. , en vgl. T. en Lettb. 1 ,
201 vlgg.).
3) Oemis. || Hets zwaerre pine ende meerre
berste, dat anscijn van Jhesum Kerste te verliesene
ten joncsten daghe, dan es al die helsche plaghe,
Sp. III*, 6, 149. — Eens of ener sake es
berste, een persoon of eene zaak wordt gemist.
II Daer men Jhesum Kerste niet en noemt ende
sQns es berste, Sp. I', 32 , 63. tYraje gheloove . . ,
so waer hi vant , dats eenighe berste mochte wesen
daer omtrent, Jmand II, 1041.
4) In jur. zin. Eet in gebreke blijven, het niet
kunnen volhouden of volvoeren van eene aanklacht,
door het niet nakomen van de formaliteiten; in
dezen zin ook mnd., b^ Lubben 1, 399. || Weret
zake dat een man den anderen wapen overriepe
voer onsen gherichte , volghede he der klaghe njet ,
die verloere vier scillinghen pajrments voerscr.
tieghen dat gherichte, ende dat is gheheten eyn
berst. Racer 3, 37.
BERSTEL, wisselvorm voor borstel, verkl. van
borst, ohd. borst, burst, bursti, bursta. Ygl. mhd.
bëm (mnd. beren), d. i. te voorschijn komen,
groeien. \\ Met herstelen swart ende wit so es be-
hanghen dit {stekelvarken). Nat. BI. II , 2063.
Yan desen herstelen eest ghesciet, dat menre
hechte van messen af siet, 2062.
BERSTEN, zw. ww. bedr. Ontborstelen , van de
borstels ontdoen, villen. Mhd. bürsten (in anderen
zin). Ygl. BERSTEL en borstel; mhd. bürste. ||
Dat noit en was geberst so bere, noch so gevilt
in genen sinne, Bose 9618.
BERSTEN, st. ww. onz. {barst of berst, mv.
borsten; geborsten). Ohd. brestan; mhd. bresten;
mnd. bersten, barsten, borsten.
1) Vaneenscheuren, bersten, breken. \\ Hi wert
swert gelijc der aeide, also als hem dat venijn
daerde ; terstont berst hi op die stede , Segh. 9049 var.
Die stave scorden entie (/. ende) borsten, Yelth.
lY, 30, 16. Dat serpent barst doe saen, ^. III*,
46, 64. (Hoverde) borste, quame si daer si verseit
worde {aldus leze men) , Bincl. 896. Opten IX. dach
van Oct. dede die Turck twee gaten bersten . .
neffens eenen toren den heelenmueren wech nemende,
Bxe. Oron. 308a. — Ygl. ons znw. bres , dat wel voor
brest (berst) staat en waarvan het fr. ^^^^ af komt.
2) Voortkomen, voortspruiten. Ygl. voor den
overgang der bet. de ww. spliten en afspliten en
het znw. seheidinge, d. i. rente. \\ Bi avontuer die
helle is geschoort ende dit volc isser wt geborsten,
dit volc is van daer gecomen sonder eenige com-
passie, Exe. Cron. 1046.
3) De bet. ontbreken, gebrek hebben, waaraan
het znw. berste zijne beteekenis ontleent, heeft
het WW. bersten slechts hoogst zelden in't mnl.;
op ééne plaats vindt men het ww. in deze bet.,
doch als onpers. gebruikt. t| Sute Oot, mi es ge-
borsten, dat ie verderven mut, gin trostet mi,
Limb. Serm. 21a. — Zooveel te gewoner is in 't mnl.
het WW. gebersten, Ygl. ald. en Graff 8, 271.
BERT, een zeevisch. Zie bart.
BERT (bort, bart), znw. o.; mv. bort, berde,
bar de, borde, borden; en berdere, border; verkl w.
berderken, barderken; mnd. bret; mhd. brët; ohd.
bret (mv. bretir); (hd. breti). De oude vorm bert
leeft nog slechts in de uitdr. te berde brengen;
thans is het verwante woord bord het gewone
geworden. Ygl. Kluge op bort en brett.
1) Plank, lat. \\ Dat hi . . van der arke een
971
BERS.
BERT.
972
bort nam ende brocht neder ende daer na maecti
anen clooster . . ende dat bort is noch aldaer,
Sp, ly, 42, 41. Entie onde holte kerke . . .
braken die poerters af, ende ghaven die holte
ende berderen dien aermen Goits hnse to Delf,
Ned, Proza 6. Datmen tot egheenre moelne , op de
Dij Ie staende , over berdere malen en sal . . , maer
over die slechte platen van den onden bedde,
Braè. T. Dl. 2, bl. 615. Alrehande hoechsel yan
plancken . . die metten stutberderen niet op en
gaen , bl. 616. Dat dan die ghene . . selen hare
berderen insteken, . . omme water te hondene,
bl. 440. Vanden zantkerren is overdragen, dat zQ
hoer border after hoge hebben zeilen, R. v. Utr.
1, 350, 9. Recht als ene scrine gevoeget es met
al haren berderen in hare stapele , Runsb. 1 , 109.
Gescntsele Yan berderen , al omme ende omme den
tempel , D.B.l Kon. 6,15. 224 voeten willige borts ,
Hermans , Oesch. d. Red. 251. Doet men bont of berde
nten scepe npt land toten Damme , ende ment ver-
coopt , die mare ghelt II d. , vercoopment int water ,
het ne ghelt niet, ZVL Bijdr. 5 , 59 {a. 1252). Item ,
dat niement bardereu of datter toe behoort gronven
en mach , hi ne zy vry temmerman , 6 , 343 {a. 1441).
Ende daer pleechmen overdwers latten of barderen op
te nagelen , daermen dat hnys op decken sal , Barthol,
678tf. Twee viercante barderen , daer scerpe prickel-
kens in geslagen waren, bonden si hem aen, als
wanneer hi voortginc, die slogen beneden aenzgn
voeten, Fatc. M. f, lOOa. (Die bnig) is drye
borden breet, Bern. S. IZ^d (135a: plancken).
Ene lade van drien bardren gemaect, He. Tp.
146a. (H)alve berderen, Diericx, Mém. 2, 62
{tweemaa^. 6 ghesaghede bort, die trappen mede
te tnskenscieten , Rek. v. Zeel. 1 , 141. Om 72
ghesaghede bort, 27 onghesaghedebort, 150achte-
voet bort, 25 zesvoete bort, ald. 140. — Ook van
de plank , waarop een kind te vondeling werd ge-
legd. Verg. Grimm, RA. 459—60. || Dat mnn
moeder mijns vergeten hadde in den voetgeterde, ende
vonden ware op enen berde vondelinc, Rincl. 931.
2) Paneel^ houden bord waarop men schildert.
II In Constantinoble was een Juede, . . die in een
berdt sach gescreven onser Vrouwen, scone, ver-
heven, ende ghenaghelt au eene want, <^. 1^,93,
1 {var. bard). Doe wart hi al in frenesien van tome,
enae liep met genen barde ten naesten huse met
groter onwarde, . . ende warp gheent beelde in
dat drec, ald. 10.
3) Houten bord, voor afkondigingen of bekend-
makingen. II 8o hevet Pilatus boven Jesus hooft een
tafel oft bert doen nagelen , Boee v. d. L. J. 2Sld. Dat
men dat uutgescrefte . . op berdere genichelt hangen
sal te vgf steden, Bel^. Mus. 10, 117. (Si)scriven
op een berde au die poerte, Ned. Proza 5. Indien
yemend bevonden worde zulcke barderen oft scrift
ghesneden, gheclatert, verdonckert . . worde (?), dat
die zal ghepugniert werden, Cout. v. Brugge 2,
165. Van kosten van de barderkens alle avonden
af en aan te doen , 2p. , 6 sch. , ZVl. Bijdr. 4 , 96.
Den kosters van Sint Donees in Brugge, van dat
zy de barderkins van de lotinge af en aangedaan
hebben, gegeven in hoofschheden 20 gr., a/rf. 100.
4) Scherm, vuurscherm. \\ Die rike hevet so
werm int vier . ., hem en helpt bert, scadue no
scerm, Rincl. 587.
5) Bed^laarsclep, houten klep waarmede de bedelaars
klepperd-en (c 1 a t e r d e n) , o»i ^ aandacht der voorbij-
gangers tot zich te trekken. \\ Ter porten claterde
hi sjjn hart, ende riep dat hem die kele smart:
„Ghef broet, mi honghert bovea pas'\ Rincl. 523.
6) foetenplankfe , voetenbankje. || Waer mjn
here sit dan . . , ie legge hem onder voet een bert,
Sc. en Cl. 121.
7) Speelbord, voomamel^k voor het schaakspel.
Kil. spel berd, magis. || Tsaecspel . ., dat was
so diere ende dat bert, fFal. 11062. Dat bert, dat
bulten wesen sonde, dat was al van flnen goude
wel gemaect te poente CToet, Cass. XVIII, 18^.
Vgl. SCAECBERT eu Huyd. op Stoke , DL 2 , bl. 624.
— Vgl. OKBERDERT CU BERDEREN.
BERTHOÜWERE (barduouwer), raw. st m.
lemand die planken gereed maakt of houwt, een
plankenzager. || Dat ter Sluus zullen moghen x^n
bardhauwers, ZVl. Bijdr. 6, 344 (a. 1441). Dat..
de vors. temmerlieden ende bardhouwers ter Sinus
hem niet verder bewinden en zullen moghen , dan
dat den temmerwercke ende barthauwerscepe toe-
behoort , ald. — Aldus wel te lezen voor berehouwere.
Zie BERC.
BERTHOÜWERSCIP, znw. o. Het awibachtva»
bert houw er. Zie het vorige Art
BERTEREN , BERTERINGE. Zie barteren ,
BARTERINOE.
BERTSAGER, znw. m. Van bert (zie ald.).
Plankenzager. \\ Ligier de bertsagher, Legier k
soieres dags, Hor. Belg. 9, S6b.
BERTSPIKER (bortspiker), ook bertspikingc
(bortspirinoe) , znw. m. Spijker, om in een plank
te drijven, in *t alg. spijker. || 300 laschysers,
600 bortspikers, 100 middelnagle enz., Rek. v.
Zeel. 2, 279. Twee hondert bortspikinghe , 700
lascysers ende 100 middelinghe , ald. 1 , 140. Van
1500 bordspikinghe , 700 lascysers, enz. ald. 141.
BERTOEN (bortoen), znw. m. Een engelsch
schip (breton). Zie Invent. v. Brugge Gloss. 391.
BERU. Zie berouwe.
BERUCHT (berocht, beroft), znw. o. Van
beroep gevormd door het achtervoegsel -t. Vgl.
gehucht van hof en ons znw. gerucht. OerucAt ; kt.
fama; ook de inhoud van dat gerucht. || Datyement
van den porteren bezeghet worde met dootslaghe, van
rove, van dieften of van enighen andren zwarea
berofte. Mieris 2, 149a (ook 56a).
BERÜCHTEN (berochten, beruften), zw.
WW. bedr. Van berucht, beruft. Mnd. beruchte»,
berochten.
1) Berucht, verdacht maken; in een slechte»
naam brengen. || Ander lude mit souden te be-
ruchten, d. i. te belasteren, Hs. 75, II Tim. 3,1
— Vooral in het deelw. beruchtet (berucht,
beruftet, beruft), verdacht, in een slechten noém,
onder verdenking, door de openbare meening aange-
wezen als de dader, gedoodverfd. || Eeneghen die
berucht waren van moortbrande , Invent. v. Brugge
4 , 412 , vgl. 413 ; 6 , 25. Doe began hi te nomen die
gheen , daer si mede beruftet was ende daer hare man
die ridder suspicie van hadde, Gest. R. f. öOd.Dai
si den anderen, dair si van beruftet was, veel
liever hadde dan haren eyghen man, ald, Alsoe
wert die mensche beruft niet alleen van sjn eyghea
wijf . . . mer oeck met anderen ghebueren, 156i.
Beruchtede lude die bardiel opbolden of qnade
ede gesworen hebben, Overijs. R. I', 199. Dicke
wanen wy van sommighe werken of woirde onder
de lude beruft wesen , daer sy nochtan niet op en
achten, Devoet B. (30) 109v.
2) Beschuldigen, aanklagen. \\ Des anderen dagh»
. . berufiften die papen Susannam om haïr ter doot
te brenghen, Matth. 148. Dat hie an der deemea
gien scholt en bedde, dar hie mede berochtpt
weer, R. v. Zutf 142, 14. Dat si dese graye voer
973
BERÜ.
BERV.
974
den keyser herufte, Pass, W, STc. Dat wgf , die godes
deerne benift hadde, wort mitten davel beseten , %^d.
Dat men alle bemchtede lade yan ondade . . antasten
sall , Overijs. K. I* , 167. Om te vane die met quaden
ghelde berucht waren, 'B£h, v. Zeel. 2, 204.
Aanm. — Het is somtQds hoogst moeilijk, ja,
in het geheel niet uit te maken, of men bij aen
samengetr. vorm berucht te doen heeft met het deelw.
van het cw. ww. beroepen , dan wel met dat van be-
ruchten. Misschien zelfs is berucht oorspr. slechts
deelw. yan beruchten , maar langzamerhand door de
gelijkheid der bet. ook bij beroepen gebruikt. Zeker
is het dus niet of niet misschien sommige der
onder beroepen 4) opgegeyen yoorbeelden , eigenlek
onder beruchten te huis behooren. Ook het tegenw.
berucht zal wel eig. deelw. yan dit laatste ww. zijn.
Ygl. ook ons luidruchtig,
BEKÜCHTICH, bnw. Mnd. beruchtieh, beroeh-
tich, Yan berucht , deelw. yan beroepen of beruchten
(zie ald.). Verdacht^ onder verdenking liggend-e^ in
een slechten naam (of roep) staande, \\ Die met
hem waren aen weghe ende aen yelde , daer Heju-
rich die Ylyegher doet bleef, ende die daer mede
bemchtich sijn of in enygen saken daer mede be-
ruchtich moegen werden, Ngh. 3, 96. De clufte,
daer de beruchtighe misdadige angheyanghen is,
Stadb, V, Oron, I, 16.
BERUCHTIGEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als
beruchten (z. ald.). || Yoert mehr sal men wroeghen
(aanilagen) yoer een gheluit (fama, het midden
houdende tusschen notorium en rumor), dye mit
desen saecken yoerscr. openbaer niet yan haeren
▼ianden sinnen gewroegetoffteberuchtiget,Magnin
Beet. V. Dr. 2\ 272.
BERÜMFELT. Zie berompelt.
BERÜSP, BEEÜSPELIC, BERUSPEN. Zie
BERISP, enz.
BERUSTEN, zw. ww. onz. Mnd. berusten,
1) Rusten^ blijven liggen ^ niet behandeld worden
(Tan eene rechtszaak b. y.). (| Alsoe alle recht-
Torderinge na den afganck yan den ouden scepenen
plegen te berusten zess weken, die en zeilen yoirt-
aen nyet langer berusten dan den yersten recht-
dach, R, V. Utr. 2, 801.
2) Busten, uitrusten van, ophouden met. \\ (Wi)
hebben ghegheyen yrilicken te berusten yan aUen
ghemeenen wercken ende yan allen dyckinge , Oorb.
2, 204 tf. — Yooral gebr. in de uitdr. enen laten
berusten, iejnand met rust laten, laten blijven in
den toestand waarin hij is. || (Dat hi wilde) sijn
jonghe yrouwe nichte . . . laten rnsteiyc yoortane
berusten yredeigc, Brab. T. YII, 8374. Yoert be-
loyewi . . . zijn blsdoem ende zine lude te laten
berusten in alsulcken rechte . . . alst was bi zire
yorder tiden, Oorb, 2, 388 6. Die mit reden waer
te custen, die heren lieten wel berusten, Hild. 211,
329 var. Dat hi die Yriesea altoes in roere houden
sonde ende nymmermeer laten berusten mit seker
ghetal yan cloecke mannen , Clerc 99. — Het yerl.
deelw. berust in den zin yan ongemoeid, rustig,
gerust, \\ Alsdat Aemt ... sal berust ende onge-
moyt bliyen inden besit yanden 10^ marghen lants ,
O.B. V. Dordr, 2, 68, 87.
BERÜT , bnw. Berooid, geruïneerd, aan lager wal,
op, II Dronckenscap maect menich mensche berut,
Ned. Kluchtsp. 93, 113. Ygl. onze schertsende
uitdr. t^ ben rut, ik heb niets meer, ben lens, bg
het spelen (De Bo 963). Misschien met ruten,
plunderen, ons ruiten, samenhangende.
BERUUM (beruim), znw. o. Eig. stam yan het
niet yoorkomende beruimen] mnd. berumen; achooü
in een anderen zin. Vertrek, aftocht. \\ Soe soude
hem onse . . . rechter ene tyt setten by scepenen
ende raden . . ute dien yoorsz. kercken te gaene,
joff selye daer uyt te geleyden war dat hys be-
geerde op syn seecker beruym, Mieris 2, 302 tf
(Y. d. Wall 166; ygl. ruim, ald. 166).
BERYE. Zie berf.
BERYOET. Zie baervoet.
BERVOETS. Zie baervoets.
BES, yoorz. Mnd. bet-, mhd. en hd. bis; in
het mdl. slechts in duitsch-gekleurde stukken;
het gewone woord yoor tot was te of tote, en yoor tot-
dat gebruikte men tote dien dat, tote dat, tote of
onthier ende; in dial. ook want (went) , hent en ment.
Zie die woorden. || Bes up desen dach toe , Ngh. 2, 84.
Aanh. — Bes sine te bedde hadden bracht
{Hor, Belg, 12, 34, 164), leze men met Farth,
1062: Tes sine enz.
BESACHTEN (besaften) , zw. ww. bedr. Ygl.
hd. besdnften en besanftigen. Verzachten, bedaren,
kahneeren, \\ Yan wes bloet syn toem besaft sel
werden, JHal, Oreat, 69d,
BESADEN, zw. ww. bedr. Ygl. ons bezadigen
(17de eeuw), yanwaar bezadigd, ioi rust gebracht;
mnd. besadigen en hd. besattigen. Verzadigen, ver-
vullen met, II Dat ander yolt ende bezadet mit
Gode in warachtiger yertroestinge , Con, Som, 161a,
BESADEN, zw. ww. bedr. Bezaaien, en bij uit-
breiding het zaad in den grond werken, \\ Metten
ossen, die dlant besaden, lUncl, 134. — Ook in
den zin van zaaien, || De someryruchten die in der
houderigghen gront besaet waren, Cout, v. Oent 689.
BESAEDDE, znw. yr., thans nog in W.-Ylaan-
deren bezaaidte of bezaaite geheeten (De Bo 123).
Te veld staande oogst. Slechts in Ylaamsche
stukken. i| Alsulken prijs , leeninghe, latinghe ende
besaedde, als den pachtere . . gheleent is, Cout.
V, Gent 666 {tweemaal), Dehuussinghe,boemeende
besaedden, ende dat die besaedden sculdich syn
enz. , 668. Yan allen den huusen , boomen , cateylen ,
besaedden , leeninghen , . . achterstellen yan pachten
of renten , 661. Het is het fr. emblavure otsemailles.
BESAEIEN (BESAYEN), zw. WW. bedr. Eig.
hetzelfde als besaden (z. ald.). — Ook gebruikt
in fig. zin. Bezetten, bestrooien, opvullen met, in
het yerl. deelw. besait met. || Die raetcamer
sal binnen suyerlic ghemaect wesen ende besait
yan poortraturen, Matth. 80. Zoo ook meermalen
„ een cleet besait met sterren " en dgl. uitdr. , in
Invent, v. Brugge, — Ygl. doresaeien.
BESAEN, znw. yr.fr. basane. Het woord is yan
Arabischen oorsprong. Zie Littré 1 , 603 , en Duc,
Suppl., ed. Carpentien b e s a n e, vituHnum vel ovinum
eorium subactum. Gelooide schapenhuid, meestal eyen
als het cordewaen uit Cordova, aangevoerd uit
Spanje. Zie ZVl. Bijdr, 6, 78. || Een dosine corde-
waens of besaens, ald, 36. Yan elke douzaine
besaens, Invent, v. Brugge 2, 68. Zie ald. Gloss,
27 b, waar nog yermeld worden, swart besaen,
en besaenleder.
BESAESOE. Zie besaetse.
BESAET. Zie besate.
BESAETHEIT (besaeitheit), -hede, znw. yr.
Hetzelfde als besaedde (zie ald., en yerg. bezaaid-
heid by De Bo 123). Te veld staande oogst, \\
Yan eeneghen leeninghen, latinghen, prisien ofte
besaetheden, Cout, v. Gent 668. Up dat den pachtre
yet gheleent es . . . , sy in beesten, ofte andren
cateilen buten denhe8tieïhedeji,ensusdessemailles,
ald, Metgaders den leeninghen, latinghen ende
besaetheden, die de pachteren up de goedinghei^
1
975
BESA.
BESA..
976
sculdich syn te latene, 590. Een thiende van
bezaeytheden , Invent v. Brugge 4, 391.
BESAËTSEL, znw. o. Hetzelfde als besaedde
en beêaetAeit; z. ald., en Tgl. het nog in W.-Vlaan-
deren gebruikelijke bezaaüel (De Bo 123). || Met-
ghaders de leeninghen , latingnen , bezaetselen ofte
achterstellen van pachten, Cout. v. Gent 579.
BESAETSE (besaoe, besaesge, bisaetse),
znw. vr. Yan fr. besace, it. buaccia. Bedelzak, ||
Ene bisaetse datsi vonden inden wech . . . , als of
soe Yul penege ware, Franc. 3595. — Be sage,
B£k, ^. ^.3, 134; 166; 349; besaesge, a/^f. 151.
BESAFTEN. Zie besachten.
BESAKEN (besaecken) , zw. ww. bedr. (deelw.
betaeci, en soms betaecht), Mhd. besaJten. Het mhd.
besacAen heeft evenals het hd. de bet. van verzor-
gen , eig. zich met iemand of iets bezig houden, Yan
8ake, evenals bedingen van dinc.
1) Hetzelfde als versaken of misëaken. Ver-
loochenen, verzaken, nalaten. || God heeft mi . . .
om n salicheit hier ghesent, om dat ghi dafgode
sondt laten . . . ; ie rade u dat ghys niene besaect ,
Yst. BI. 3269. Die wercken ons heren Jhesa, die
si gheloochenen konsten ende die sy niet en konsten
gheloochenen noch besaken, Boec v, d. L.J.ll7b.
Dat ie der waerheit besaecte, /^. II , 44 , 550 par.
(2 Als rechtsterm. — a) Met den 4den nv. van
den pers. In rechte betrekken , aanklagen , voor het
gerecht dagen. \\ So wair die rechten . . . besaken
wonde yement van enighen moortwapen, O. K, v.
Bott, 18, 29. Worde enich lantpoirter bezaect van
den baliu van Zoithollant, Y. d. Wall 358. Alle
die gene, die van den ongeval ende opsette . . .
besaect sijn off besaect sullen worden, 396. Soe
mach hij daer in of uyt legghen een, twee off
meer luden ende voert daer in besaken een, twee
off meer luden ende begheren daer af een vonnis ,
Dingt, v, Amtt. 6. Yan denghenen, die hij daer
thans ingheleit ende besaect heeft , ald. Of hy den
enen wel mach noemen ende die anderen besaken
in zQnre claghe , des gheert hy een vonnis , Dingt.
V, Delft 18 (tweemaal). Worde yemant van al
desen punten beleyt of besaect, ende worden hem
daer een dach of bescheyden vanden hoechsten
recht, ald, 46. Dat yement bruecte binnen der
stede . . . ende dair besaect worde ende vervolcht
vanden ghenen, die missdaen ware, Oorl. v. Jlbr,
524 en 536. Die clerc is sculdich, die man die
verwonnen is, te scriven ende jegen wien hy be-
saechtwort, Matth. 141. Ontsculdich in allen saken,
daer mense mede mochte besaken , MLoep II , 3987
var. Fineus verloor sijn sien, om dat hi blint
hadde ghemaect sjjn kinder ende valschelic besaeckt,
III, 580 (aldus leze men), — Het deelw. besaecte
als znw. gebruikt. Gedaagde, aangeklaagde. \\ En
coemt die besaecte niet ter antwoirden , Matth. 99.
En can die besaekte niet antwoirden, so moet
hy een verantwoirder hebben, om trecht te vor-
deren, 105.
b) Met den 4den nv. der zaak. Aanslaan , beslag
leggen op. || Dat imboel voirsz. salmen mitter stede
bode moghen besaken om sekerheit van den voirsz.
huyshuer, O. K. v. Delft I, 24. Alsoe hier sijn
goet besaecht is ende mit recht toeghesproken is ,
Dingt v. Delft 27.
3) Schijnbaar intrans. door weglating van e n e n ,
of met bijvoeging van een infin. Bene zaak tegen
iemand in rechte behandelen. || Wair dat saecke , dat
men eer besaecte {eene terechtzitting hield) binnen
ses weecken van dyen , datmen besaecte {over zaken
als waarover de aankl<icht hopt), eenen dach te
leggen off quyt te laeten. Mieris 2, 236^ (o. 1320;
aan de woorden zal wel iets haperen).
4) In het alg. bestrijden, door heien. \\ Non we
boeke . . . , daer hi in al besaecte hare {der vumniken),
leven. Base 10773.
Aanm. — Hem bes aken in den zin van zich
gereed maken komt in het muL niet voor ; waar dit
gelezen wordt, nl. Clerc 109 en Oorl. v. Albr. 332,
verandere men het in hem besaten (zie ald.).
BESACKEN, zw. ww. bedr. Laten sakken-, vaa
hartstochten , tot bedaren brengen, \\ Jhesus . .
ghine van daer, om dat horen toeren tebatbesact
sonde werden, Lijd. o, E. 3.
BESACKEN, zw. ww. bedr. Mnd. beeaeken. U
zakken doen (met weglating van het obj.)? Zakken
maken? || Den pinres, die die sacken versetten als
sijs noet hadden , ende te boeten ende te besacken.
Bek. V. Zeel. 1, 143.
BESALÜWEN (beselewen, beselwex), zw.
WW. bedr. en onz. Mhd. beselwen; mnd. èesolen,
besalen. Yan saluwen; zie ald., en vgl. SALUwen
Kil. 50: beseuluwen, Flandr. j. bekladden.
Bedr. — Bezoedelen, vuil maken. \\ Si dwaea
hare die vute ende besiese nauwelike, ogse iwergen
beselwet sin, lAmb. Serm, llhe.
Onz. — Vlekken, vuil toerden. \\ Dat hare
witheit uit en beselwe van haren anschine, Xtn^.
Serm. 141a.
BESALYEN, zw. ww. bedr. Mhd. beuUben.
Met zalf of eene andere vettige vloeistof insmeren,
bestrijken. || Daer dwoech si sgn voete mit tranen
ende besalvedese mit salve; want die lude van
dien lande plaghen hem te besalven voir tbaden
om die grote hette, Ned. Proza 234. Als ie mi
mitter edelre salve besalve , soe warde ie ghesont,
Stemmen 136. Simon hadde eenrehande salve ghe-
maect ende daer mede hadde hij s^n aensicht be-
salvet, Paes, W, 42d. Soe besalvet hijt {ouiaer)
mit cresame (= chrisma), 66d, Des eens lichaeai
besalfdemen met hoenich . ., datten . . die byea
steken sonde, 157a. Oly . ., daer hl sgns vaden
lichaem mede besalven sonde. Pass. S. 2A6. (Hi)
besalvede met olyen dwijf, Sp. II', 57, 160. Mit
costelike salve besalvet, Hs, 88 ƒ. 34c. (Hi) bc-
salvedse al om ende om mit salven, 686. (Judith)
dwoech haer lichame ende si besalvede haer mit
. . mirren, D. B. Judith 10, 3. Ende besalven
dijne oghen mit blanckette, Ezeeh. 23, 40. Daer
met besalvet dat seer, dat gheneset, JanYp. 17S.
Hiermede besalvet dine wieke, 176. Zoo ook 165
en 166. Die cnopen te bezalvene ende te spalkene
die darmen , Hs. Yp. 142^^. Sulke meesters bexalvea
dbeen met poplione al omtrent of met angaentam
fuscum, 147a.
BESAMENEN, zw. ww. bedr. Mhd. beseuune*;
mnd. besamnen (Lubben 1, 2566; vgl. besamwulen,
ald. a). Verzamelen , vergaderen, oproepen ; alleen ia
duitsch gekleurde geschriften. || Zo salmen jaerlics
f roet capitel houden, daer toe zalmen besamenea
ie commendur van Ermenien ende van Cypre ende
andre, D. Orde 284.
BESANDEN, zn. ww. onz. Verzanden , door zend
verstopt of met zand overdekt worden. \\ Die reede , . .
en mochte Symon niet dire verhueren, omdat li
besant was. Bek. v. Zeel, 1, 100.
BESANT. Zie bisant.
BESARKEN, zw. ww. bedr. Yan sare (a. ald.).
Van een zerk voorzien, met een grafzerk dekken.
II Worde dat graff bynnen jaers nyet besarkei,
soe is de grove der kerke weder verschenen , mer was
besarket is, ende wedergeopent wort, enz. Bacer 6, Sa.
977
BESA.
BESA.
978
BESATE (besaet) , znw. yr. Mnd. besate. Arrest^
h9ilagUgg%ng y imheilagnevnng \ alleen in duitsch ge-
kleurde geschriften. || Ende men sal hem ende sijn
gnet Tervolgen mit besate als gasten gnet, Ooerijs, K
I', 158. Men sall gheven van elcker besate enen
oelden Ylemssche ende van der ontsate II olde
Ylemssche, R. v. Zutf. 45, 142. Wanneer yemandt
eenich gereet goedt wil laten besetten, die sal
salcken besaet maer een reys derven doen laten,
Landr, v. Vel, 21. Geholden zijn tot Tersekernngh
yao sgne gedaen besaet, ald. Soo sal men de
besate met twee nabniren mogen doen, edd. 22.
Dat de besate de Reintken gedaen hefft aen Roeleffs
haes, tho onrechte gedaen hefift, EUt, v. Dr. 45.
Item en sal nyement bespreek oft bezate of pandinge
doen op enich erve ofte guet enz., Racer 3, 157
(tweemaal). Die snllic bespreek ofte besate gewonlike
gedaen hadde, ald, Wolde hye der besate niet
achten, soo mach hem die richter antasten , Za»»^.
V, Wedde 140, 177.
BESATEN, zw. ww. bedr. en 'w%^%Tk. {betatede
en betaette (Jbetaté)). Mhd. besdzen] mnd. besaten.
Verwant met besetien, als afgeleid van een znw.
saté van sitten.
Bedr. — 1) Besturen, regelen. || Wysheit besaet
alle dinc snetelijc , disponit omnia suaviter , 6. Groote
89 (Boec d. Wijsh. 8, 1). Vgl. hem besetten, Lsp.
Gloss., dat ook met hem bestieren in de var.
afwisselt.
2) Bezetten, beschermen, afzetten, door eene
heining enz. afsluiten. \\ Ein man mach sijn koren
and hoylandt besaten ofte bevreden voer der naber
beesten, Landr. v. Wedde 202, 283.
3) Beslag leggen. \\ Of daer ein man besatet
worde mit sijnen gnde, dat mach hie vrien mit
einen borge enz. Landr. v. Wedde 192, 265. Zie
ook BESATINOE.
Wederk. — 1) Zich {zijne zaien) regelen, zich
toerusten, zich voorbereiden, toeberetdselen maken,
maatregelen nemen. || So die reyse afterbleef , daer si
kim jeghen besaec (/. besaet) hadden , Oorl. v. Jlbr.
332. Daer hem die grave . . mit sinen broeder tegen
besateden, Clerc 36. So dat die grave van HoUant
mit sinen volke him daertegens bezatede, ald.
Grave Florijs . . bezate {d. i. besaette) hem daer
tegen ende nam den grave van Cleven tot sinen
medegeselle {om naar Clermont te reizen), 85. Om
deser vermaninge besaecte (/. besaette) hem Coninc
Willem over berch te riden als pelegrim, 109.
(Hi) liet of dat hi voir hadde te doene ende bezatede
hem mitten volke thnys te beclimmen, 140. (Hi)
besatede him daer tegen ende quam mit groter
menichte van volke tAlcmaer, 144. (Die grave)
besate {d. t. besaette) him mit alle siin macht
daer tegen, 151. Daer him grave Jan tegen in
stilre waer bezatede, 153. Doe hem die confirmatie
gecomen was , besatede hy hem om tsinen gestichte
te comen, Matth. Jnal. 3, 294. Doe besatten
(/. besaetten) hem die van Utrecht dair toe, . .
om horen Heere ende den sinen dair te misdoen,
298. (Si) namen enen sekeren tyt hem elc te
besaten ende dan in den velde te comen, 323.
Hertoghe Wiliam . . besatede hem . . ende voer
in den selven jaer . . in Engelant, 351. (Si) deden
als getrouwe jonckers . . ende besateden hem dair
toe den casteleyn te hulpe te comen, 357. (Si)
wonden striden . . ende elc van den partien besatede
hem hart, 364. Die hem daer toe besaten dat te
doen, 389. — Vandaar besaet sjn, tich voor-
bereid hebben, toegenist zijn. \\ Doe die besaet
waren ende den wynt mochten crigen, quamen
(si) ter Eem mitter provande, 389. Die van den
huse niet wael besaet en waren, 357.
2) Zich toeleggen op, zich zetten tot. Vgl. HEM
BESETTEN. i| Dat sv hoer boesheit mosten laten, ende
totter doecht hem besaten , Hild. 101 , 21. Dat vierde
point is , dat een taelman hem besaten sal , wel gesien
te wesen mitten rechter , Matth. 102. Die rechteren
snllen altoes hem dair toe besaten , yghelic bereet
te wesen , 124. Omdat ygelic . . die scarpheit des
rechts wel weten sal, ende besaten hem, dat hy
dair in niet bescadicht en worde, 152. Als die
jonghen in den scependom hem besaten te wesen
van manieren als voirs. is, so sijn die on de hem
scnldich te eeren, 49.
BESATINGE , znw. vr. — 1) Hetzelfde als besate
(z. ald.). Arrest, beslaglegging , doch slechts in
duitsch gekleurde stukken. || Und sullen de scholten
alle peyndingen, besatingen und badingen . . in
eygener persoonen doen, Landr. v. Vel. 22. Alle
besatingen op yemants persoone ofte goedt gedaen,
sullen ontslagen zijn onder behoorlicke ontsaet
ald. 23. Fan besatinghe, titel, ald. 20. Schuit,
daer voor de besatungh gedaen sal zgn, 21.
2) Bezitting (of moet worden gelezen besit-
tinge?). II Innocentius . . heeft dese . . cloosteren
ontfaen totter heyliger kercken van Romen mit
horen besatingen die sy nn hebben of namaels
hebben moghen mit eygendomme, Matth. Anal. 3, 96.
BESCADEN , zw. ww. bedr. Mhd. beschoten, gew.
beschatewen; vgl. JHut. 2, 198: be se aden,
adumbrare. Van scade, d. i. schaduw. Beschaduwen ,
overschaduwen, IbX. obumbrare. || Schade die menich
velt bescaet, want sgn volc dat rust daer onder,
Hild. 214, 84 var. De cracht des almegtegs sal dl
beschaden, L. v. J. c. 3 (vgl. Luc. 1, 35). Een
bleckende wolken, diese bescaedde, Hs. v. 1348,
72a. Sine scade eiken van dien bescaedde, 1516
(Hand. 5, 15). — Ook bescadüwen komt voor. ||
Mit sinen sonderen sel hi di bescadnwen ende
onder sgn vlogelen selstu hopen, Qetijdeb. S. Iba
(ook Ibd en lid).
BESCADEN, zw. ww. bedr. Mnd. beschaden.
Schade doen, benadeelen, \\ Och hoe qualic sijn sy
beraden , die hem selven soe beschaden , MLoep IV,
1669. Die hem selven soe bescaden ende allen
vrede van hem trecken, 730. Omme der copmans
wille . . ., die van voer Zwen verdreven ende
bescaet waren. Bek. v. Qent 1, 305. Op dat hy
wapentuers genoeuh versamenen wonde, die Inde
mede te bescaden, Matth. Anal. 3, 175. Die . .
him genomen hebben een scip . . daer si him
mede bescaet hebben tot Xllc scilden toe, O. K,
V. Bott. 35, 104. Dies {door den watersnood) de
meneghe wart ghestoert ende bescaet so bitterlike,
ri. Rijmt. 6691. Al syn mijn oren ofghesleghen ,
dat bestaet (/. bescaet) niet (/. mi) twint, Segh.
4444 var. {tekst scaet). Eer hy van sijn erff be-
scaet, in de uitoefening van eigendomsrechten be-
lemmerd wordt, ende daerofif verscheyden sal , O. B,
v. Dordr. 2, 305. Daer of instaen . . up dat syre
by bescaet worden , Diericx , Mém. 1 , 568 («. 1405).
BESCADEWINGE. Zie bescaduwinoe.
BESCADIGEN, zw. ww. bedr.; in H Mhd. noch
Mnd. in gebruik. Vgl. bescaden, 2de Art.
1) Met den 4den nv. van den ^era. Benadeelen ,
schade doen, afbreuk doen, belemmeren, leutig
vallen. || (Si) branden in der selver reyse ende
bescadichden den hertoge al tot 's-Hertogenbosch
toe, Clerc 158. Of die mombair dat niet en dede
. . ende die kynder dair ofif by hem bescadicht
worden, B. v. Vtr, 2, 272. Aen horen sculden
979
BESC.
BESC.
980
ende renten niet bescadicht en werden, ald.
Na inhont der hantvesten so mach men gheen
poirter bescadigen , die buten den ban is , Matth.
162. Om dat ygelic . . die scarpbeit des rechts
wel weten sal, ende besaten hem, dat hy dair
in niet bescadicht en worde, ald. Dat hy sinen
nabner van sinen water niet en beschadich , O. R, v,
Dordr. 1, 308, 1; vgl. 309, 3.
2) Als rechtsterm. Enen — , iemand in rechte aan-
tp reken^ vervolgen. Iet — , goedergen* voor aanepreken^
er beslag op leggen. || Dat hy hem te bet sal verhoeden
te seggen of te doen , datten rechter, den scependom
of der steden recht tegen droech, dair hy om
begrepen ende bescadicht mocht worden, Matth.
143. Dair ment mit recht voir beschadighen mach ,
ald. 118.
BESCADINGE, znw. vr. Van óescaden {U Jltï.).
Betchaduwing ^schaduw . \\ Die bescadinge des daechs
yander hitte, He. v, 1348, 127a.
BESCADINGE, znw. vr. Van bescaden(^%A.Ti.).
Schade^ nadeel. \\ Alle die doden, rovinge, brant
ende ander bescadingen, die inden orlogen geschiet
waren, Exc. Oron. 148^.
BESCADÜWEN. Zie bescaden, 1ste Art.
BESCADÜWINGE (bescadewinge), znw. vr.
Schaduw. \\ Te wien negheene verwandelinghe ne
es noch neghene bescadewinghe der warefte {d. i.
waerfte), echaduw van omkeering y Hs. v. 1348,
139a {Jac. 1 , 17). Hi was hem ene bescadewinghe
des da^es ende een licht der sterren bider nacht,
ald. 252d.
BESCAEMT, bnw. Van scame (zie ald.). Mei
schaamte of schande gepaard gaande. \\ Eens nachts
lagen si so lange tsamen dat si te spade haerre
scamen worden geware, entie clerc siet, dat al
bescaemt es (dat het noodtoendig op zijne schande
moet uitloopen) ende hi niet ontgaen en mach,
Sp. IV", 46, 66.
BESCAEMTE, znw. vr. Schaamte, schande. ||
O gheboerte {uit eene maagd), die alleen is sonder
wee, alleen sonder beschaemte, Bern. W. 26a.
BESCAEMTENISSE , znw. vr. (verg. het meer
gewone bescamenisse). Van bescaemt, deelw. van
hem bescamen ; vgl. gedachtenis , ontsteltenis. Bescha-
ming, schande. \\ Tot zyn meerder confays ende
beschaemtenis zyn met hem wtgheleyt twee moorde-
naers, F. m. f. 101».
BESCAERM, BESCAERMEN. Zie bescherm,
BESCHERMEN.
BESCAERTEREERT. Zie op bechaertereert.
♦ BESCALLEN. Verkeerde lezing voor 3«^a/^,
Oudem. 1 , 668. Zie bestellen.
BESCAMEN , zw. ww. bedr. , onz. , onpers. en
wederk. Mhd. sich beschamen.
Bedr. — Beschaamd maken, te schande maken. \\
Wye den anderen beschaemt, die wert ghegecket,
hoement raemt, MLoep I, 2681. Daerom ontsach
ie mi hem te bescamen, Ned. Proza 282.
Onz. — Beschaamd worden. \\ Eens onghemaniert
menschen gave dnet die oghen bescamen, D. B.
Jezus Syr. 18, 18 (het lat. heeft iets anders, nl.
tabescere).
Onpers. — Mi beschamet, ik schaam mij, ik
word te schande gemaakt. || Di en sal niet bescamen
{non te pttdebit) want du sultste vergheten des
lachters dijnre joncheit, B. B. Jes. 64, 4 (wel als
latinisme te beschouwen).
Wederk. — Hembescamen, zich schamen", van
het gelaat gezegd, blozen. \\ Jacob en sal nu niet
bescaemt worden, noch nu en sal hem sgn aen-
sicht niet bescamen, D. B. Jes. 29, 22.
BESCAMENISSE (bescamenis), znw. vr. Be-
schaming, schaamte, schande, lat. amfusio. VgL
BESCAEMTENISSE. II Een bescamenisse der sonden.
Gulden Troen f. 6 c. Here , in diis gherechticheit,
mer ons is huden bescamenisse, B. B. Dan. 9,7.
In bescamenisse des aensichtes, Esra 9, 6. Dese
bescamenisse en sal ons niet aanvangen, Micia
2, 6. Myn viant salt aensien, ende sal bedect
worden mit bescamenisse, ald. 7, 10. Hi is ver-
volt met bescamenisse, voer glorie, Habac. 2,16.
Den here onsen God is rechtvaerdicheit , mer ons
ende bnsen vaderen bescamenis des aensichts,
Barueh 2, 6.
BESCAMPEN, zw. ww. bedr. Van scamp-, zie
ald. en verg. ons beschimpen. — 1) Bespatten, be-
driegen. II Die princen ende die overste van der wet
die bespotteden ende bescampten Jhesus , Lijd. o. E.
40. Die Joden spotten mit hem ende lacheden ende
bescampten hem, 41. Jhesum te pinen , te bespotten
ende te bescampen, 43. Aldus bescampten die
meesters die discipulen, 70.
2) Benadeelen. \\ Datter vele meer personen bi
ghequetst zyn ende bescampt, dan yervoordert
ende bescudt, Cout. v. Gent 607.
BESCAMPEN , zw. ww. bedr. Niet te verwarrea
met het vorige woord; van scampen; ir. eseamper;
it. scampare (Scheler 170); mlat seampare (snppL
Duc: scampare, liberare, servare). Kil. scampen,
elabi , evadere. Van lat. ercampare. Vgl. fr. déeamper
en Wn. ontschampen (De Bo 776). Het is van
dezen stam, dat het ww. a/seampelen af te leiden
is. Bevrijden, in vrijheid stellen (eig. het veld doen
ruimen), vrijstellen van eene verplichting. \\ Dat men
niemene sculdich en es te bescampene, noch dea
enen borghe ute te doene omme den anderen te
verzwaeme, Invent. v. Brugge 1, 492.
BESCAMPINGE , znw. vr. Van bescampen, Ic Art
Smaad, bespotting, hoon. || In grote onsprekelile
bescampinge of verworpenheyt. Fase. M. f. 9ör.
BESCANDEN, zw. ww. bedr. Mnd. beschanden.
In schande brengen , schande aandoen. — Vandaar h^
deelw. bnw. bescandet, bescant, schandelijk^
aan zonde schuldig, strafbaar. || God sal tvleeseh
niet bescant reken . . . maer soe {de eief) , an wien
dat {het vleesch) clevet, Wap. Rog. 666.
BESCAREN (besceren), zw. ww. bedr. Mhd.
bescham. Van scaren, d. i. tf» slagorde stellen.
1) Opstellen, ordenen, regelen, van troepen, jj
Dus bescaerde hise . . ende droech selve . . hier
lieder standaert, Grimb. I, 4966. Wel bescaert ia
twe scaren , II , 2886. Als die van Utrecht . . staen
beschaert om té vechten, Matth. Anal. 1, 437.
2 Met scharen, troepen omringen. \\ (Si) haddease
bi na al omme besceert, Clerc 64.
BESCAREN, andere, slechts by Hild. Yoorkome&de
vorm voor besceren (zie ald.).
BESCARM, BESCARMEN. Zie bescerm, be-
SCERMEN.
BESCATTEN, zw. ww. bedr. Mnd. beschotten;
mhd. besehatzen. Iemand met geldelijke lasten he-
zwaren, hem eene schatting of belasting opleggen,
geld afpersen. Steeds gezegd van een meerdere tea
opzichte van hen, die hg in zgne macht heeft
Ook tot afkoop van plundering. Brandsehattmg
eischen. \\ So moeten die weduwen sgn bescat,
ende gelden mede dit ende dat die mageden ende
die joncvrouwen, Sp. III*, 36, 123. Dat hi tfolc
van sinen rike bescatte sere ende zwaerlike , III*,
49 , 33. Ic sie den gherechten vaen beede bescattea
ende vaen , Wap. Mart. 1,10 var. Dat hise {de lieden)
niet 80 sere bescatte, dat sine vloaken omme datte,
98d
BESC.
BESC.
982
Heim. 137. Dat hi sine ondersaten niene bescatte
bnter maten, 147. Dat hi sine ghebnren bescat,
N. Doet. 621. Kejser, coningben, ander heren,
die hoir eyghen volck beseren ende helpen be-
schatten boven reden, Hild. 76, 107. Paep nochte
deken, diese {de kuitüeden) tonrecht sonde be-
schatten, 211, 349. Men setter desen, men setter
dien, die tfolc beschatten ende castjen, 226, 30.
Als die lenwe om sijn profijt den goedertieren
beesten beschat , scheeret of onder die yoete dmct,
Seiaaktp, 2b. Dat wy se nummermeer beschatten
en snllen off bidden, dat aen oir goet dreecht,
Njh. 1, 239. Heynric die casteleyn yan Hagen-
stejne . . . bescattede die Stichtslnde onredelic,
Matth. AnaL 8, 221. Die bnrchsate van Lienden
des Stichtes Inden al in een bescaten (/. bescatten
of bescaetden?; sie bescaden, 2de Art) ende
moyeden, 210. Voert en sal ick myne poorte
noch beschatten noch mit beden beswaren, 596
noot. Zoo ook Srab. T. V, 1053, 1055, 1057;
ri. Rijmt. 5484; Mieris 2, 200a; 345<z; O. K. v.
Delft II, 28; R. v. Utr. 1, 383, 5; Oeseh. v.
Jniuf. 4, 520.
BfiSCATTER, znw. m. Mnd. hesehatter. Hij die
iehatting int^ die geld afyerst^ lat. exaetor, \\ Si
sollen .sQn vaende die ghene, die hem vinghen
ende sy snllen haer bescatters {in^^'^tti.drijvert)
tonder doen, D. B. Je*. 14, 2. Hoe ghecesseerde
die bescatter ende hoe gemstede die tribnnt?^/^:?.
YB. 4. Du hebste verwonnen die moghentheit des
geweldighen bescatters als in den daghe Madian,
Bern. W. 22*.
BE8CATTINGE, xnw. vr. Mnd. bescAattinffé ;
mhd. beaekatsunge. Schatting^ belasting ; lat. tributum,
li Dat si sullen wesen vriende, bewart van allen
nntwarden. bescattinghen ende beden, Y. d. Wall
52. Yan dien drien landen goet te nemene of be-
scattinge te doene, D, Orde 312. Yri ende bewart
van allen nntvarden, bescattinghen ende beden,
Oorib. 2, 135*. Wat orbore wy doen . . met be-
scattinghen . . in des graven lant van Gelre , 260*.
Yry . . van alre beschattinghe off lot van gneden,
494 tf.
BESCAU. Zie bescouw.
BESCAUWEN. Zie bescouden.
BESCAÜWEN. Zie bescouwen.
BESCAYEN , st. ww. bedr. {[beecoefj] beseaven).
Mhd. beeekaben. Yan scaven ; zie ald. en vgl. T. en
Letib. 1, 234 vlg. Eig. afsehaoen^ afkrabben en
by oitbreiding van landen en personen gezegd,
ee mtphtnderen , uitmergelen ^ uitklèeden , berooven. \\
Fellz die baelin die ierst hielt der Joden bu
{sijde), also lange als si hem miede gaven, ende
als hise hadde wel beseaven, es hi an dander boert
gehelt, S^. II', 2, 13. Rovers, {die) wildentlant
beseaven, Bijmb. 13781. — Yandaar het deelw.
beseaven.
a) Yan zaken. Kaal, versleten, in waarde ver-
vttnderd (vgl. eng. skabby). \\ Sone sceen hi niet
rike van haven: sQn cleeder waren so beseaven,
D. War. 8, 79, 35 (vgl. Belg. Mus. 8, 97, 36).
Haer juwelen die sijn soe beseaven, men machse
oec niet met eren loven, Belg. Mus. 10, 65, 30.
b) Yan personen. Kaal, armoedig, berooid. {iDai
hi sijn goed achter hem laten moeste ende gaen
siere straten, beseaven, aerm ende bloot, Amand
I, 3860. Al bestu arem man van haven ende van
rychede sere beseaven, D. Cat. 127. Elck wilden
horen (nL kun eonvenC) houden vet, ende dan die
ander sQn beschaven, Hild. 11, 484. Oec schene
ie alsoe beschaven, dat sijt wel halff verloren
gaven, 29, 207. Al schinen wy hier aldus beseaven,
tcomt al buten onse scouden, 204, 78.
BESCEDEN. Zie besceiden.
BESCEDEN. Zie bescieden.
BE8CEEPT. Zie bescepen.
BESCEERNEN. Zie bescerenen.
BESCEIDEN (besceden) , st. en zw. ww. bedr.
en onz. {besckiet en besckeide, betckeiden of be-
sckeden). Mnd. bescke{i)den] mhd. besckeiden.
Bedr. — 1) Scketden, afsckeiden. \\ Haer lant
bescied hi ghinder van Ysaacke, separavit eoe ab
Isaae, Rijmb. 2116. Omdat Constantinobele sciet
van den roemschen kelserike, ende bleef besceiden
ewelike, Brab. T. II, 1632 {var. gesceiden). Met
lode ende met viere bescedement {var. sceedment,
{nl. dat selver). Nat. BI. XIII, 117.
2) Onderseketden', afdeelen. \\ Een orloy {korloge\
. ..daer in twaelf wilen besceden waren, Sp. lY^^
15, 93. — Ook in bijzonderkeden noemen, specifi-
ceeren. \\ Yan deinen costen die staen verclaert
ende besceeden in den moederbonc , Invent. v. Brugge
2, 92. Daer ie die rekeninge mijn af hebbe ge-
daen ende besceiden, Brab. T. YI, 4702.
3) Af deelden, verdeelen. \\ So dat hi sinen tyt
besciet in drien . . ; dus besciet hi nacht ende
dach in drien, Yelth. I, 21 , 3. — Ook in den zin
van korten, klein maken, met het obj. tyt. || Met
vederslaghe no met sanghe besceet hi {de kapoen)
niet die wilen langhe. Nat. BI. III, 2067.
4) Toedeelen. Ygl. onze uitdr. mijn besckeiden
deel. il (God) beschiet ons . . . elke nature na mensche-
lychede , M. en Vr. Heim. 982. Dalmachtige God
besciet {of te lezen besciet?) allene hemelsce rycheit
algemene , maer en gene eertsce dingen en horen
te hem, Yelth. YII, 22, 33.
5) Ondersckeiden, juist beoordeelen, onderling ver-
sckillende zaken goed uit elkander kouden ; lat. distin^
guere, discemere. || Daertoe hoert vele w^sheden,
salmense {de zaken) alle wel bescheiden , Lsp. III ,
12 , 65. Daniel die saken wel besciet , Sp. II*, 56 , 24.
(Hi) gaf hem oec die mogenthede , dat hi bonde
ende ontbonde naer dat hi besceden conde, III*,
91, 10 {Brab.- T. II, 1466, waar ten onreckte
besteden gelezen \oordf). Diese {de zaken) al sal
bescheeden, hy moet hebben vele wgsheden, OT/.
Qed. 2, 66, 38. — Den tjt wel besceden,
de gebeurtenissen goed uit elkander kouden, ervaren
sijn in de ckronologie. \\ Een Flegon , een wgs man,
(die) dien tijt wel besciet, i^. I*, 31, 31.
6) Beslissen, besleekten, uitwijzen, uitmaken, hd.
entsekeiden , zooWel in streng juridische opvatting
als in algemeenen zin.
a) Met den 4den nv. der zaak. || Doe niemen
dat besceden conde, besciet die coninc in corter
stonde , want hi hiet bringhen een swerde , ende dat
kint deelen metter verde, Rijmb. 11185. Diegene,
die dat al beschieden (/. bescheiden) ende betuyghen
konde, Handv. v. Medembl. 62*. Dat ghi den meter
dort verbeiden, die alle mate sal bescheiden , Hild.
18, 233. Die grote consten van hem beyden, die
en mochtent vreden noch bescheiden, 47, 263. Hi
die alles dincs hevet (/. heeft) macht, die seltint
leste wel bescheiden, 82, 100. Woud elc man sinen
meerren wijeken . . , tworde licht al anders be-
scheiden, dan mit oerloghe off mit stryden, 251,
56. Tgoent dat uwer sonveraineteit toebehoort te
bescheedene, Invent. v. Brttgge 3, 510. Ie sonde
vonnesse wisen . . ende dat wel besceiden, O VI,
Ged. 2, 119, 164. Ten is herte no ghedochte , die
dat wel besceden mochte, TVoym 5410. In so corten
uren . . werd besceden {opdenoordeelsdag),Ye\ilL,
983
BESC.
BESC.
984
YIII, 17 1 40. So qaam soe tot Salone (Solon)^
die besciet die redene scone {bijw.), Sp. I*, 49,
29. Bisscoppe, die dit recht te bescedene namen,
III^, 7, 11. Die quam in Ylaendrea ende besciet
met wighe, wies tlant wesen sonde, III', 89, 180.
So sullen wi allene, wi twee, die dinc besceden
metten swaerde, lY*, 66, 104. Men sonde elx
recht besceden, IV*, 75, 6. Datmen Gode aen-
roepen zonde, dat hi dese dinc bescheden wonde,
Ztp. II, 5, 43. Dat men (/. ment) te campe be-
sciedde, £eiff. Mus, 1, 27, 25. Dat sonde be-
scheyden ende verricht warden bi hem vieren van
onsen rade, Nijh. 2, 151. Dat si dat beschejden,
Mieris 2, 213a. Item zal hi bescheiden mit den
scepen van Medemblyc dat parlement tnsschen
Harken ende Martyn, ald. b. — Schijnbaar intrans.
staat besceiden, door yerzwggin^ Tan het obj.
twü£, oneenigheid^ op dezelfde bladz. || Dat haer
Dieric van Outshome bescheyden zal tnsschen
Nannekin ende Zivekin.
b) Met den 4den nv. des persoons. Tot een vergelijk
brengen^ verzoenen, \\ Uns tbescheden ende over ene
tn bringen van allen twe3nigen (d. i itningen, on-
eemghêden). — Ook in het pass. || Wine willen niet
syn bescheiden, dat uitgemaakt worde ^ welc onser
dattie meeste es, Tet, BI, 1466. Tote der papen
behoef, die omme die kerke twien ter tyd toe , dat
si (de papen) besceyden {verzoend) sien (/. sQn), Mieris
2, 234a. — De onb. w^s besceden, als znw.
gebrnikt. Beslisnng^ verzoening^ vergelijk. || (Mijn
heere) es in groeier noet om eenen man die
hi heeft doot; vaert tote hem met hawer macht
ende helpt hem om een besceiden, Denkm. 3,
134, 86. Vgl. Belg. Mus. 10, 78 , 82 : „Helpt hem
doch tot enen besceide." Zie besceit 7).
7) Bepalen, vaaittellen.
a) In den zin van beslissen, verordenen, \\ Ende
(hi^ heeft hen sacrificie geset van beesten , also die
onae wet bescheeden heeft in haer gebode , ^. II * ,
23 , 421. Hermitagie wilde hie pleghen ende nanwer
leven leden, dan die cloestre besceden, 111% 28, 14.
Vogle bescied hi hem daer ter stede, die niet
waren van vier voeten, dat sise. daer wel eten
moeten, Bijmb, 5346. Dns wast besceiden . .,
datten de grave of her 6hy mochten ontseggen,
Stoke Vin, 448.
b) In den zin van duidelijk aanwijzen , uitdruk-
kelijk noemen. Ook met bijvoeging van den 3den nv.
des persoons. || Daer en staet gheen tijt bescheiden,
Hild. 70, 250. Wat boeten hier niet claerlQck
besceyden zyn, die sullen bescheyden die scoute
metten scepenen, also hun best ende witt^lyck
duncket. Mieris 1, 545a. Den dach can ie niet
besceden, Stoke VIII, 471. Die coninc besciet
hem enen dach, dat hiere sonde wesen dan, III,*
1316. Stede ende stonde . . heeft si him bescheiden
wael, MLoep I, 2884. Den tijt bescheyde si hem
also, II, 1453. (Si) bescheyde hem ene stonde,
IV, 1981. Opten dach, dien ie hem beschiet,
Mask, 180. Oec zolen zi hem besceden ene tijt,
binnen welker hi weder come, D. Orde 312. So
besceidet hi anderwerve enen dach, Hs, 75, Rebr,
4, 7. Des besceide hem die coninc enen dach . .
ende sat te ghedinghe ende settese te talen, ald.
Hand. 12, 21. Zoo ook Dingt. v. Delft 56. — D At
jaer besceiden, Aet jaar, den duur van het
jaar bepalen , vaststellen ; de tijdrekening bij jaren
bepalen. \\ Deerste die oint jaer besciet . . dat was
Romulus . .; ne maer tien maende maecti int jaer,
Sp. I', 14, 17. — Het verl. deelw. besceden in
de bet, bepaald aangewezen, bepaald, vastgesteld.
II Int besceden ambocht van Amemnden, Mieris
2, 306a (m den tekst besteden).
8) Orde stellen op, regelen, regeeren, besturen.
Met den 4den nv. van den persoon of der zaak. ||
Grote heren die arbeiden, om hare liede te be-
scheiden, Lsp. in, 25, 75. Hets eene sake sware
omberecht volc te bescedene ende in orloghea
te leedene, Sp, I', 19, 58. Doch en consten si
niet met vreden tlant besitten noch besteden (/. be-
sceden), sine worden onder hem drien orlogeade,
III -», 21, 65. Sonder hoghen ofte meerren wort ni
comanscap bescheiden, Hild. 41, 128.
9) Foor een ander duidelijk onderscheiden.
a) Verklaren , duidelijk maken , synon. van hedUden
(vgl. ald.). II Gheene herte en can verstaen noch
tonghe besceden daer bi te vullen wel, wat God
si, Sp. I*, 1, 4. Sine grootheid , sine lingde bcede,
wanic dat nie man besceede, I*, 26, 9. Mine
redene blivet onghesont, mine bescede dit d|B
mont, Wap, Mart, I, 660. Aldus ontbant mi ende
besciet mgn meester, II, 245. Van den liebarde,
dar hi hem sine doet in besciet, Lane. II, 21269.
Letteren . ., die hem bescieden al oppenbare vai
den bedde wat dat ware, III, 8810.
b'j Omschrijven , beschrijven. — o) Met den 4dea
nv. van den persoon. || Daerom bescedicken i
alsoc, Velth. I, 35, 5. — ^ Met den 4den nv. der
zaak. Eene definitie geven van, definieeren , awucirij-
vm. II Gherech tichelt es ene doghet, die ghi aldas
besceden moghet . ., dat men eiken dat sine gheret,
Beim. 1447. — c) Uiteenzetten, in bijzonderheden
verhalen of mededeelen , nauwkeurig vertellen of be-
schrijven; ook in de verzwakte opvattingvan verhaJen,
berichten, mededeelen. || Eer ie n dat bescheede, hoe
grote pine ende hoe leede Bellizarius den Goten dede,
eer so willic die waerhede besceden van JnsHniess
jare , Sp. III», 27 , 14. Van dingen ende van wonder
mede . . sal ie u hier besceiden voort . . ; die vnfte
boec sal u besceiden , hoe Heinric qnam in werdic-
heiden, IV*, 52, 79. Vandien regene . ., sonc
bescedet niemen anders dan die ystorie Alexanders,
1% 19, 43. Dorloge besceet aldus Oro8ins,I*, 19,
10. Alse u dbeghin van desen boeke besceet, I*,
28, 5. Indie ystorie hier nare salmen n bescedea
tware, III*, 16, 65. Alse u deerste partg e beachiet,
111% 4, 11. Alse u die boec besciet hier vorea,
III*, 32, 3. (Hi) besciet ons openbare hare gedane
referebat nobis vultum, III*, 47 , 45. Doch ^kelovet
die redene mine . ., want soet met redene bet
bescede, III*, 31, 67. Entie bisscop besciet..
qualike die drievoudichede , male distinguene ,lïi^,
2, 73. Alsemen besceden sal hier naer, 111*, 12,
69. Ie en vinde 'niet wel die jaer besceden . . , hoe
lange elc kint na den vader regneerde, lil'', 55,
100. Nu moeten wi cortelike besceden van dea
Vrancscen rike, III", 36, 51. Nu salie n hier
vort besceden, wat live die Vrancsce heren leden,
ald,,^Z, 43. Hier moetic der Bulgren rike bescedes,
hoet stont mogendlike, 44, 23. Alse n die jeestc
besciet hier voren, 52, 13. Agolant bevragede
dat . ., ende men hevet hem besceden, IV', 20,
59. Alsic hier voren besciet wel, IV', 23, 97.
Alsic hier na sal besceden, IV», 55, 71. Oec be-
scied hi {Jezus) , dat dan sal wesen drierande vole,
Bijmb. 25669. In cant u allen (/. alle) niet wd
besceden , dat daer was in die stat gedaen , Vehk.
V, 11, 8. Also alse besceeden die clerke , Aa/, 2?/.
III, 1457. Nnmeer sal ie besceiden voort vandai
Hollanscen graven die woort, Stoke I, 1285. (£fr)
besciet hen lieden . ., hoedane wapine hi droecb,
Lanc, II , 24124. So besceyden . . die onde recktos,
985
BESC.
feESC.
Ö86
Teest. 1977. Sint ie u die waerheit al besceden
moet, Vod, Mm, 1^ 29, 46. Dat ie al niet can
beaceiden, maer som so sal iet bringen te voren,
Velth. V, 14, 60. Ie sal bescbeeden u alle drien,
hoe dat eiken sal ghenoeeh gheschien , Mask. 1256.
Ie hebt al besceden te voren, haer gheslachte ende
haer rike, Parth. 6661. Daer sal n dander boec . .
af besceiden treehte ware, 11939. — Dus eist
besceden, seoo is het beschreven, te hoek gesteld,
d. i. volgens de kronieken, \\ Dese twee en mochten
wesen niet langer heren ...,dan XXYIII jaer,
dus eist besceden, Sp, III", 89, 74.
10) Bedoelen, heteekenen, synon. van bedieden,\\
Flandrgs woort . . verstont hi {de centaur) wel,
wat si bescieden, maer gene andworde consti
bedieden, Flandr. III, 166.
11) De onb. wgs als znw. gebruikt.
a) In den zin van grens, \\ (De) Tanais, die int
besceden gelegen is tusscen Bacteren ende Siten
lant, AUx. VHI, 848.
h) In den zin van afstand, \\ Tusschen onsen
Here ende die goede ziele en is niet vele bescedens,
Siemmen 27 (Qeest, L. 16r).
Aanh. 1) — La%c, II, 16230: „ Diet wel
beseiet," verandere men in: „Diet wel besiet f"*^ ósat
een tgw. tQ d vereischt wordt. — Hem besceden,
IL v.ütr.1, 242, 11:1, hem besteden (z. ald.).
Aanm. 2) — Niet duidelgk is de bet. van be-
sceiden, Oorkb. 2, 218a {a, 1284): „want die
mensche vergetel is ende dit leven cort is , zoe ne
moegewy niet lichtelicken op onse geste ofte op
onse daet besceyden die gene die na langer tyt
nae ons comen selen, wy ne latent hem in schrifte,
dat zy (?) daerop besceyden mach." Yermoedelgk
is de beteekenis hier verwijzen naar,
Onz. — Scheiden, vertrekken. || Wi drinken hier
so goeden w^n, wat souden wi noch besceiden
dan, on. Lied, e, Q, 231, 16.
BESCEIDEN (besceden), bnv. en bjlw. Eig.
deelw. van het geiykluidende ww. Mnd. bescheden;
bescheiden', mhd. bescheiden,
Bnw. — 1) Van bescheiden, in den zin van af-
scheiden (bedr. 1). Afgescheiden, afgezonderd ^ een-
zaam. II Der woestinen daer een gheestelic of een
besceiden leven bi beteykent is. Stemmen 147.
Meer gewoon is ^m begeven /^^ (zie Begeven).
2) Van bescheiden, in den zin yzji onderscheiden
(bedr. 6). Met oordeel des onderscheids toegerust.
— Vandaar
a) Redelijk, met rede begaafd, \\ Dat ghi naden
godliken heelde gheformet sgt als een besceyden
ende verstandel creatuer , Gulden Troen f. 2a, Den
heilegen geest, daer die mensche af redelic mede
es ende besceden in elke stede , M, e. Vr, ffeim. 96.
è) Verstandig, wijs, met oordeel handelend. \\Qi\A
. . sQt so wijs ende so bescheiden , dat ghi so niet
en sijt te verleiden met loosheit, Rein, II, 4326.
Die was een besceiden man, Stoke II, 744. Dat
hi senden soude besceidene boden ten coninc
waert, Brab, T. V, 2203. Daer hi goet es ende
bescheiden, Lsp. III, 9, 29. Vroetscap ende be-
sceden sin, III, 12, 67. Besceiden dat zegghet .. ,
dat elc man altoos met maten gheven sal ende ooc
te tide, III, 23, 7. Niet allene den spoeden ende
den bescedenen maer ooc den ombescedenen , J2«. p.
1348, 138a (IP^r.2,18). Oude besceiden mannen,
R. V. Vtr. 2, 101. {Nu) bevroedic wel, dat ghisjjt
irijs, ghetrouwe ende bescheyden, Melib, 820. Al
dat oyt maecte sine (Oods) bant, dat minnet sire
herten bant met bescedenen sinne , Wap, Mart, II ,
279. In allen dogeden motewi besceden s)fn ende
melde van gronde ende vol van karitaten, Ruusb.
1, 66. O besceidene mannen, o wise der eerden,
hoirt nu, Ned. Proza 242. Int spreken was hi
bescheydt (/. bescheyden), Exc, Oron. 22d, Be-
scheydene ende vroede voirsienicheyt,i$^tf7n)»^87.
Haer naeste vriende . . ., de beschedenste ende
gestentichste (lat. constans), Belg, Mus. 10, 106.
Bi rade huerer bescedenster ende naester vriende,
107. Eenen anderen gueden ende bischeiden (nl.
scheidsrechter) weder in die stat setten, Nijh. 1,
246. Dat hi (de baeliu) enen bescheyden man
setten mach in siere stede, Mieris 2, 269a. Der
ander bescedenre broedere , i>. Orde 283. — Vgl. de
nog in de vorige eeuw gebrnikelijke uitdrukking
„ de bescheiden lezerJ*^ — Vooral in de uitdr.
beschedene miltheit, verstandige mildheid,
onbekrompenheid, die met oordeel te werk gaat. \\
Beschedene miltheit can waerden ende hoghen
haren man, Lsp, III, 3, 703. Onder alle duechden
ghemene so es besceiden miltheit ene, die te
prisene es zere, III, 23, 1. WQsheit scuwet
hoverde . . ; si soeket bescedene miltheyt , Melib.
847. Gherechtecheit ende goedertierenheit ende
daer toe bescedene meltheit, Doet. II, 3732.
— Besceiden met eene bep. met te verbonden.
Verstandig, knap in, || Oec was hi besceeden sere
te kinnene goede geeste ende quade, ^. II*, 49, 118.
3) Matig, ingetogen, eene bet., die zich uit die
van verstandig ontwikkelt , en tot de hedendaagsche
nadert. || En zoude els niement drincken wün,
dan die van naturen sgn voordachtich in allen
goede, bescheiden ende zachte van moede, Lsp.
I, 32, 91.
4) Van besceiden, in den zin van bepalen (bedr. 7).
Bepaald, duidelijk aangewezen, \\ {Hi hevet) enen
besceiden dach gheset , dat hire mach comen , Stoke
VII , 296. Elc {der bijen) heeft besceiden ambocht,
Nat, BI. VII, 163. Int besceyden ambocht van
Amemnden an die Zuytside, Mieris 2, 310a. —
Vandaar
6) Duidelijk, helder, klaar. \\ Wat doech daer
langher beiden {stilstaan bij) dat hi (/. bi) hem
selven es besceiden, dat uit zich zelf duidelijk is.
Bed, d. M, 908.
Bij w. — Op eene ver standje wijze , met oordeel. \\
Of hi besceden milde si , Eeim. 664. — Gewooniyk
besceidenlike (zie ald.). Tegenover dul milde, ald. 111.
BESCEIDENHEiT (bescedenheit), znw. vr.
Mnd. beschedenheit', mhd. bescheidenheit. Van het
bnw. besceiden (zie ald.).
1) Het oordeel des onderscheids, het vermogen der
onderscheiding. Vandaar
a) De rede, redelijkheid. j| Vanden heilegen geest
dar hem {den mensch) bescedenheit af comt, M.en
Vr. Heim. 148. Nochtan dat ons es gegeven be-
scedenheit {Hs.), Velth. II, 1, 6.
b) Verstand, juist oordeel. || Een bloete borst . .
diet besceedenheit , O VI, Oed, 2, 62, 167. Also
alse tfolc van aertrike in beschedenheden sgn on-
ghelike, Lsp, 1,1, 43. Bescheedenheit volght daer
nare, III, 4, 482. Dat hi {de wijn) hoer sinne
niet en leide ute rechter bescheedenheide , III , 12,
76. Dan sal u bescedenhede . . merken, hoe men
daer in sal werken, Melib. 1913. Eneghen goeden
man . . verleyden ute sire beschedenheyden , Teest,
2717. Overmids willege gehoersamheit ende clare
bescedenheit, rationem seu intelligentiam, Ruusb.
1, 62. Verlichte redene ende clare bescheedenheit,
dilueida discretione, II, 121. Wie tot rechter be-
sceydenheyt comen wil , die vlye der werlt wQsheyt,
Stemmen 81. Zie ook Rosé C 4380; Ned. Proza iiU
Ó87
BËSa
BESC.
988
Mattli. 40; enz. — Vooral in de nitdr. met of
na (groeter) bescheidenheit, met verstand^
met oordeel des ondertcheid*. \\ Ghi selt met be-
Bchedenheden OYerpeinsen wat ghi hebt leden , Lep.
III, 3, 869. Tkint . . dwinghen met bescheeden-
heden, III, 10, 35. Daeromme selen si leiden met
groeter bescheedenheiden al hoer dinghen ende
met rade, III, 12, 81. (Die^ sijn gheven wille
leiden met groeter bescheedenneiden , III, 12, 133.
Die qnadien . . van hare qnaetheit castien na be-
Bcedenheyt . . , dat tfayt groet ende swaer es , Melib.
2610. {Een rechter) sal . . wreken wel die qnaet-
heit, ja, na goede bescedenheit ende na usage ende
wet, Doet, II, 3436. Ghi moet . . ghehoirsam (sgn)
Gode ende nwen perlaten . . na nwe vermoghen ende
na rechter bescedenheit , Rnnsb. 4 , 32. Zie verder
Vrouw. e. M. XI , 250 ; Xjrp. II , 49 , 28 ; Wrake III , 8.
— Te besceidenheden comen, tot jaren van
ondertcheid komen. Ygl. Mhd. evo tinen bescheiden
jdren komen (Lexer 1, 204). || So sel een yghelic
mensche, die tot sinen jaren ende tot synre be-
sceydenheit gecomen is, . . eens in een jaer onsen
Heer ontfanghen, Oulden Troen f. 40a. Die jong-
here, die sonder doepsel sterven, eer si tot be-
sceydenheden comen , Rnnsb. 3 , 254. Die kyndere,
die sterven eer si te besceydenheiden komen , 4 , 255.
c) Matigheid ^ ingetogenheid^ zelf beheer schvng. ||
Sine leringhe salne leiden tote alder bescheden-
heiden , want beschedenheit . . . moeder van allen
doeghden es, Doet. I, 108.
2) Oordeel^ beslissing y in jnridischen zin. || Ten
si dan zo vele dat de besceidenheit des lands
commendures anders ordeniere, D. Ord^ 217. Zo
bevelewi die ontfengnisse (der rechtszaken) des
bescedhede (/. bescedenhede^ den (aan het oordeel
van hem , iden) alsodaen am Dochte bevolen es , 237.
— Tot enes besceidenheit, volgens iemands
beslissing , goedvinden ; lat. secundum liberum arbri-
trium ,tT. è la discretion de quelgu'un. || Alle laken . .
sullen bezeghelt wesen totter waerdeyns besceiden-
heit, Leid. Keurb. 74, 27. Dat soudmen corrigieren
tot des rechts besceidenheit, want sulke brueken
niet en hoeren te recht geset te wesen, 216, 5.
Dat sal staen totter scepenen besceidenheit , 216 , 8.
3) De uitspraak of beslissing van het geweten ^
overtuiging y het geweten. \\ Die bescedenheit (conscien-
tiae libertas) es so vri , up dat hare trecht mede si,
Sp. UI', 11 , 47. Al wroeget hem siere herten
bescedenhede , dat hi es een recht zondare, III ^,
36 , 89. Sine stille bescedenhede (tacita conscientia)
soene lach in die ydelhede, III*, 36, 35. Dat hi
ghehoirsam moet s^n in allen dinghen Gode . .
ende sQnre eyghen besceydenheit, Bunsb. 6, 196.
— Op sine besceidenheit, volgens zijne over-
tuiging, op zijn geweten. || Dair nair selen die
scepenen alle die daghen termineren op hare be-
sceidenheit, Belg. Mus. 10, 112. Also verre als
hem op hare besceedenheit dinken sal dat onser
beider beste es, Brab. Y, Dl. 2, bl. 477. Mom-
boiren, . . die hen op haeren eede ende be-
scheydentheyt duncken sullen oirboirlijckste . .
te wesen , ald. 651. Op haren eed ende bescheiden-
heit, 660.
4) Duidelijkheid. \\ Ist dat die persoen, daerdie
cracht aen geschiet is, selve geclaecht heeft, sy
sal . . mit bescheidenheit van teykenen ende smarten
dat also bewyst hebben mit eerbaren vrouwen,
dien des bevolen is . . te ondersoken , Matth. 208.
5) Ook gebruikt in den zin van onderscheidend
kenmerk, karakteristiek ,\),y. ^. IV», 52, 17: „Toghe
4at8 die bescedenhede van sroenscen zinne, van
smenscen zede;*^ thans zeggen wg: «Het oogisif
spiegel der ziel."
BESCEIDENISSE, znw. tt. — 1) Hetzelfde ah
het meer gewone bescheidenheit (zie ald.). Oordeel^
verstand, oordeel des onderscheids , het denkvermogen.
II Sulc begheerten der zielen hebben een beghiasel
van der hemen (hersenen), ende warden alaoevol-
maect als verbeeldinghe , besceydeniase ende ghe-
denckenisse, Ned. Proza 346.
2) Bepaling, \\ Onder sulken vorwarden eide
besceydenesse , alse in desen brief bescey den staen,
duidelijk staan uitgedrukt, Oorkb. v. Oeld. lOSSfo.
BESCEIDENLIJC (bescede(n)lijc), bnw. ea
bgw. Mhd. beseheidenltehe(iï) ; Mud. beschedeUke{i).
Als Bnw. — 1) Passend, redelijk, voegtaam^ Hll^L
Ygl. BESCEiT. II Als ons ende onsen rade . .
denct . ., dat moeghenl^c ende besceidenlgc si,
Nijh. 2, 37. Enen ygheliken te doen, dat recht
ende besceidelic is, 73. Alse onsen rade . . .
tytlic ende bescheidelic dunct, 188. Na«r goedea
ende bescheedeliken weghe van redene ende rechte,
Invent. v. Brugge 6, 146. So dattet den gheieeht
besceidelic dunct wesen, Leid. Keurb. 51. Die sel
f heven sulke boete, als den rechte besceydelie
unct, 110, 131.
2) Duidelijk, zichtbaar. \\ Die (kannen) seUen . .
geijkt wesen ende mit sinen besceideliken , kenlikea
teyken geteykent , ald. 225 , 19. Soe en moet nyemast
gerst noch haver backen onder tarwe of rogge,
hg en sel een besceidelic cmys op dat broot
backen, 233 § 8. Gheen dier, dat egerende is,
heeft oren die bescheydelick sgn ; nochtans hebba
alsulke dieren heymelike wegen, Barthol. llli.
Als Bij w. Besceidenlike, -Igc, -lec, -lec
— 1) Met oordeel des onderscheids; op eene ver-
standige wijze; met oordeel, verstatul, beleid, over-
leg. II Die goede vrouwen salmen minnen . . .
besceidelgc ende in maten, Lsp. I, 22, 71. (Dit
Romeinen) als sgs . . hadden noot, be8cheidel|c
daer toe (tot hun schat) ghinghen, I, 34, 30.
Over mate ende over rike rechten . . wel ende
bescheedelike , III, 11, 42. Hem die bescheidelgc
gaf, III, 23, 6. Somen gaf hi meer, somen min,
dat conste hi wel bescheidenlike , Flor. 186.
Die vrome van uwen lande es goet vorsien be-
scedelike , Lanc. lY , 5278. Dat men cracht inrt
crachte sal bescheidenlec weren over al , DocL U ,
3485. (Dat) hi vort alle sine dage bescedenlike
sonde gheneren, Bein. I, 1688. Hoe ghi . . uwei
huwelike soe bewaert, dat ghi besceydelike daer
in vaert, Tien PI. 2248.
2) Op eene duidelijke wijze, duidelijk, blijkbaar. \\
Als hij redelic ende bescheidelic bewisen mach,
Nijh. 2, 53. God van hiemelrike dede daer beacbeide-
like Sinte Servaes groet eer, Serv. 1,690. Tnascben
Ylaerdinghen ende Sciedamme sachmen beaceldelic
de vlamme, Stoke IX, 545. Segtmi . . beacedelike,
wat wijsheit si, Melib. 832. Dat mach men beschede-
liken sien , ist datmen daer nauwe op merct , BarthU.
544 3. (Eij) sprac . . . besceydelie „Gloria Patri
et Filio", mer hi en mochte niet spreken „£t
Spiritui Sancto", Matth. Jnal. 3, 86. Hoe be-
scheydelike dat hyt hem onderwysde, ald, 305.
3) Op eene nauwkeurige wijze, nauteieurig, »
het klein, in bijzonderheden, || Doe h^i (het besimar)
beset hadde . . bescedelec ende wale, ZémkYJU,
1729. Die woude verstaen . . de questie . . Iie-
scedelike, XI, 861. (Sy) beschickede al hoir sakea.
als sy bescheydelicste conde maken, MLoep H,
1987. Hoe hy bescheydelic sonde weten, wy*
Achilles waer oiT niet, 2894. Doe seide hgt hsef
980
BESC.
ÊESC.
990
bescheidenlike , Flor, 228. Soe ghi dat hier-
Yoren bescheideljjc hebt mogen horen , ^rad. F. YI,
2487. Merct dese yennaninghe besceydelike , niet
in enen corten overloep, mer mit vlite, Stemmen
119. Die Borgemeesters sullen . . alle voirwairden
ende saken bescheideliken onderscheiden . ., ende
onderspreken besceideliken , wes den hnerman of
coper Rcnldich is, Matth. 173. Ende dat . . . be-
sceidelic te bewisen ende hem goede rekeninghe
of {daarvan\ zie bij DA er) te doen alle jair, Leid.
JCeurè, 17, 17. Dat ie al mifn avonturen sonde y er-
halen bescheelgc, JUar. v. N. 39, 941.
4) Op eene bill^ket rechtmatige wijze, \\Yfi^ hie
die heerlicheit , . van Boetgenbach . . redelic ende
besteidelic (/. besceidelic) yercregen hadde weder
onsen lieven neve, Brab, F., Dl. 2, bl. 641.
BESCËIDICH (besceedich) , bnw. ; van èescAeit
(xie ald.). Ferstandiff, yfij*-, overleggend. \\ (Hi)
screef . . . den wille sQn met besceedigher be-
^heerten fijn, also die saken waren, Jsnand II,
1619. De plaats is niet dnidelgk, maar ygl. het
afgeleide
BESCEIDICHEIT (bescedicheit), -hede, znw.
▼T. Mnd. bescedicheit. Hetzelfde als beseheidenheit
(zie ald.). Oordeel, verstand, overleg. || Spreken met
besceedicheden, OFl. Lied. en O. 289, 1648. Be-
scheedlc hede seg ie daer bi, Lsp. III, 23, 1 var.
Dan sal nwe bescedechede voersienlike merken hoe
men daer in sal werken, Melib, 1913 var. Die
qnadien . . . castien na bescedicheit, 2610 var.
BESCBINEN, zw. ww. bedr. Causatief van be-
seinen. Mhd. bescheinen\ ohd. piseeinan] mnd. be-
seénen; hd. beseheinen. Ygl. Grimm, Wtb. 1 , 1569.
Toonen, eum den dag leggen. || Gj ende in gesellen . . .
hebbet hier valsceit bescheinet, Merl. 29103 (^«.;
in den tekst ten onrechte bescenen).
BESCEIT (besceet, besciet), znw. o. Mhd.
èeseheit] mnd. besehét, bescheit. Eig. stam van het
nrw. bescheiden.
1) Yan besceiden , in den zin van scheiden , af'
scheiden (bedr. 1). Scheiding, afscheiding. || Fares
(Upharzin) bediet besceet, Alex. II, 1203.
2) Yan besceiden, in den zin van scheiden, af'
deeUn , van landen gezegd (vgl. onz. 1 d), Qrens ,
grensscheiding, scheiding. || (Si) waren omtrent
Nenwendike ende int besceet tnsscen Ylaen-
deren ende Artoys, Yelth. lY, 46, 67. (Hi) hietse
Gardeterre, om datsi stoet op tbesceet, ende si
bescndden sonde . . . dat lant, Lorr. 1,2126. Dat
derde mare of besceyt loept vanden voersz. palen
tot een ander pale, Oorhb. 2, 410 a. Dat vierde
pale of besceyt gaet voert van. den voorsz. pale , ald.
3) Yan besceiden, in den zin van afdeelen, ver-
deelen (bedr. 3). Verdeeling. \\ Yan den seven een wen
ende van des tg ds bescheede, Lsp. II, 64 Titel,
4) Yan besceiden , in den zin van toedeelen (bedr. 4).
Aandeel, bescheiden deel. \\ Zo wanneer die van
Ardembnerch . . . haer besceet ende tax van den
Torseiden laste getaxeert wort, ZFl. Bijdr. 4, 70.
5) Yan bescei&n, in den zin van onderscheiden,
»U elkander houden. Onderscheid, verschil. || Nohine
-wiste besceet ne geen tnsscen der broke ende tander
been, Franc. 10283. Logike die leert openbare
dat bescheet tnsschen valsch ende ware, Lsp. III,
14, 79. Dat hi besceet ne wiste engheen vander
minnen vanden tween, van Lancelote ende van
Ginoyren toe , hi minnedse beidegader soe , Lanc. II ,
S1166. Een dier dat best weet . . dat besceet van
siere spise, weder dat soe draghet venijn of gans
den mensche moghe syn. Nat. Bl. II, 2966. (JW
tafelè) die stont sonderlinge sonder bescheet beide
nacht ende dach bereet ,i^. II',7,81. — Negeen
besceet sien, geen onderscheid zien , niets dutdeliji
onderscheiden. || Siende Inde comen daer dicke weder
nat, dat hem haer oghen staen als enenverdronckenen
calve ende dat si inttel of ghene besceyt en sien ,
Ned. Froza 172. Tis als doe (/. alsoe) naer ver-
sleten, dat men gheen bescheedt daer an en ziet
noch haer mans wapene nochte name, Vad. Mtts.
6, 302.
6) Yan besceiden, in den zin van onderscheiden,
juist beoordeelen (bedr. 6.). Oordeel des onderscheids ,
verstand, inzicht, oor^^^/. || Arpien, die oec spraken
na den man, maer gheen besceet so ne esser an.
Nat. Bl. 111,276. — Een woert yan besceide
(beschee), een met oordeel uitgesproken woord,
een woordje van pas. \\ Dats een wordt van be-
schee, Saer. 408. — Yooral verbonden met voor-
zetsels. Met, bi besceide, met oordeel, op eene
verstandige wijze, met verstand. || Dat de mensche . .
syn goet gheven . . sal . . met bescheide , Doet. 1,
881. (Dat sal hi) deilen met bescheide Gode ende
den vrienden beide , II , 2936. Dat sal met bescede
wesen , MeUb. 3234. Den vierden graet en sal gheen
man mit bescheyde hem nemen an , MLoep II , 1691.
Doe sy niet meer en mochte verhnden mit bescheyde,
lY, 1522 var. Yan den tween, die hoer bederff
alsoe wrochten mit bescheide, Hild. 64, 266. Wel
te leven by bescheide, dat brenghet oude ende
w^sheit beyde, 69, 139. Dit moechdi proeven by
bescheide, 187, 9. Opdat si alle mit bescheide
horen sta«t hantieren souden, 208, 90. Mit be-
scheide voortgaen, Rein. II, 4383. Den Boomschen
coninck . . . met bescheyde onderdanech te wesen ,
Clerc 114. In redelicheden ende by beschee, Cron,
V. Vlaend. 2, 52. Dienst te lonen bi bescheide,
D. War. 7, 874 (Esop., bl. 8), 36. Hoor mi bi
besceide, OVl. lAed. en O. 496, 163. By bescheede
is goet gheleefl; redene is goet tallen spele,
Spreuken 88. Dit orloghe hevet ghevelt Yrouwe
Bedene bi bescede , Wap. Mart. 1 , 729. Daer men
aenroept met besceide Maria en Janne beide, Lsp,
II, 61,68. — Sonder, buten bescede, zonder
oordeel, zonder verstand. \\ Wel hebstu gesproken
als een nuboren kint, sonder besceit, D. War. 6,
197. Ie waent den sulken luttel vraemt, die tsQn
enwech ghift sonder bescheit, Hild. 79, 49. Alsic
hem van dien ende van desen dichte . ., dat hi
daer yet mochte venden, dat buten bescede waer
ghemaect, Teest, 93.
7) Yan besceiden, in den zin van beslissen (bedr. 6).
Beslissing; meestal in juridischen zin, uitspraak,
vonnis. \\ Die vader gidT hem geheel macht te doene
dat oordeel na sinen wisen bescheide, Lsp. lY,
10, 5. Doet U)i ghenen bescheide en conde comen
wat si rieden, Mein, II, 4992. Si beloofden beide
hen te hondene an sinen bescheide, Sp, II*, 30,
26. Haer en gesciede gheen bescheet, ^ra6. J*. YI,
8896. Dat wi up onse ziele ende bi onsen ghe-
sworen eeden ondervinden nouden een besceet van
den vene, dat gheheeten es de Gheer, Oorkb. 2,
418a. Dat (si) besceyd nemen zullen alse van der
costerien, daer si omme twien. Mieris 2, 213a.
Item zal die baeliu . . versien tusken den buren
Van den eestende van Zwaech . . ende daer een
bescheyt of maken, ald. b. Dat ylken mynsche
recht bescheydt ende vondenisse gheschye, Nyh.
2, 4. Helpt hem doch tot enen besceide, een ver-
gelijk, eene verzoening, Belg, Mus, 10, 78,82. Om
te yisiteren de bescheeden aldaer rustende, iftvm/.
V, Brugge, Int, 69. Te sien of men niet en vindt
eenighe bescheeden, ald, — Ook in het al^.
994
6ËSC.
ÊESC.
992
Bewijtgrond ^ argumenL \\ Jhesns seyd hem: Hebic
misseit, bew^s mi dat mit goet besceit, O. H.
Past. 16,336. — Vandaar de aitdr. Int bescheit
g a e n , komen om te betlisten , tuttehen beide komen
(Kil.: intercedere, conciliandi gratia intenrenire).
II Och lieve vrientf gaet int bescheit om Gods
wille, de slagen maken mQ so mat, Flayerio, 401,
8) Foorwaarde y aftpraak. Kil. conditio. || Soe
wye enich ander bescheit makede in sijnre comenscap
yan enigen anderen gelde , dan alse voerscr. steet,
die weers op vier pont, Nijh. 2, 268.
9) Rede lij kAeid; billijkheid \ wat rechtvaardig^
billijk en goed it. Vooral met re den e verbonden.
II Scaemdi, mensche, die redene ende besceet
verstaes, Nat. BI. III, 1789. Volgen redene ende
besceet . .; niet besceet dat men hier priset,maer
dat Cristns heeft gewiset , Franc. 2666. Dan beraet
n selven wael, hoe ghi recht na tbeste bescheit,
Rein. II, 6236. Die van redene weet besceet, {die
een juist oordeel vellen kan ; vgl. 6) , hi mach weten
dat onse Here dit wel doen mach ende mere,
Segh. 6990. Baten redenen ende bnten besceede,
tegen recht en billijkheid^ Invent. v. Brugge 2, 469.
10) Wettelijk beynjt\ vandaar ons mv.betcheiden
d. z. documenten, bewijtttukken. \\ Binnen wat
tijt partyen haer bescheyt van kenningen bereet
zullen hebben. Leid. Keurb. 340, 17 titel. Hoor
bescheyt ende getnychnisse . . voor scepenen be-
leden ende voortbrengen, ald. Sonder hoir tngen
of besceyt voirt te brengen, 212, 66. Ende hen
voir . . scepenen met openbaren waerheit ende
bescede des niet verantwoirden en connen, Belg.
Mus. 10, 112. Elck vermat hem recht ende bescheyt
te hebben, thonende haer brieven, £xc. Cron. 166c.
Dat hi die {brieven) mit recht ende mit bescheide
wederleggen moecht, Ngh. 2, 193.
11) Bg uitbreiding. Recht, vooral verbonden met
het gelijkbeteekenende recht. ||Dat dier stat ende
dien luden . . bescheydt ende recht gheschye, Nijh. 2 ,
6. Dat . . alremalc . . van den anderen recht ende
bescheyt nemen ende gheven sal, 113. Also verre
als men oen die {brieven) mit recht ende be-
scheide sculdich is te handen, 81. Dus mach
een heer wel maken zoen mit goeden rechte ende
bescheide , Hild. 246 , 60. Niemen hi {de heer) ooc
beswaren sal, . . buten recht of baten besceide , iC^»».
II , 4766. Reinaert, die felle, was diese verbeet sonder
bescheit mit valschen laghen, 491. Of die geen . . .
daer toe {tot dien twist) bescheit hadde of niet ; heeft
hi daer toe geen bescheit . . , dien selense doen aflaten,
Brab. F., Dl. 2, bl. 709. — « Te besceide (be-
sceit s) helpen, iemand recht doen, recht doen
wedervaren. \\ Den ghenen, dien misdaen were . .,
helpen te bescheyde, Ni|h. 2, 124. Nu hulpt mi
noch te minen besceit, dat ie onsculdich moet
vonden sijn, £tm. 404. Hij sal ons . . besceits
helpen van alsulken saken, als onse moeder ende
wij . . te vorderen hebben, Nijh. 2, 86. Van den
inlaghen . . zullen wi besceyt doen toet der tyd,
dat wi weder comen. Mieris 2, 212^. Dat hi
Sticken . . bescheyt doe van den ponde , dat hi
hem eyschende es, 213^. Dat men den greve van
Cleve na sgnnen brieve bescheyt doen sall, Nijh.
2, 106. Dat elck amptman in sgnnen amptelcken
manne recht vonnisse ende bescheyt doen sal , ald.
— Besceit doen hebben, hetzelfde. || Item zal
die baeliu Yeghen van Wiedenesse bescheyt doen
hebben van Grote Reyneken, also alset in die
ander reyse ghesproken was, Mieris 2, 213^.
— Ook wordt besceit in deze bet. gebruikt als een
bnw. , in den zin van billijk , rechtmatig , hetzelfde
als het meer gewone beteheidelije; zie ald. en vgl
behoe f {inw.) in den zin van noodig (bnw.). j| Also vele
alse heren Johanne van Moersse . . bescheit duchte,
Nijh. 2, 212. Dat twee van haren vrienden ende
twee van minen vrienden moegelic sal duncken
ende bescheit, 271. — De twee beteekenissen
recht (znw.) en billijk ( bnw.) vindt men vereenigd
ald. 181: Die sal van onsen . . boele nemen also
vele bescheits als twe van sinen ende twe van
onsen raden recht ende bescheit sal dnncken.
12) Van betceiden , in den zin van verklaren,
duidelijk maken (bedr. 9).
a) Verklaring, inlichting, onderrichting. Vgl. voonl
bediet en bedieden, waarmede het ééne enkele mail
verbonden voorkomt, en onze uitdrukkingen iemand
goed, tlecht bescheid geven ; nieuwsgierigheid wacht
kwaad bescheid; enz. j| Des hebdi vanden driea
ghehoert veel bescheits ende goede woert, MLo^
IV , 16Ö. Dat ie gheme soude weten dbesceet ende
dbedieden van menegher(?) der lieden, 2Vef/. 1705.
In luttel woorden veel bescheedts, Spreuken 109.
b) Mededeeling, antwoord. \\ En es dit niet een
scoen bescheet? Lipp. 36 (de verklaring aan dei
voet der bladzyde is onjuist).
c) Beschrijving', nauwkeurig, omstandig verhaal.
II Nu sullen wi besceet seggen een , wie dese twee
Jacobpe waren, ^. I', 27, 14. Hi maecte har
besceet, hoedanech sine wapine waren, Lomc. II,
24147. — Besceet doen, beschrijven. \\Figuei\k
. . doen bescheet die (/.der?) eerste bli8cap,^/uc.
v. M. 36.
d) Bericht, mededeeling. \\ Hier in mgn onder-
soeken sone vindic ander bescheet, daer ie of
dorste dichten. Nat. Bl. XII, 1144. Om te ver
nemen daer off bescheyt, MLoep III, 1004. Van
welcken lande van Amasonia veel bescheets staet
in die historie van Jason , Troyen, Vb. 446. Om een
goet claer bescheit te vememene van Sandergn,
Lansl. 614. Noit en quamic daer ie vant soescone
bescheet, als ghi mi doet, 684. Dub ga ie u
Nimmegen . . van haer te hooren recht bescheet,
Mar. V. N. 16, 336. Ie gae haelen bescheet te
weten watter noch achter staet int brief ken, 28,
667. Verstaet wel tbescheet, hetgeen ik u zeg, Nb
noch 34. Hort van Adam dat besceet {ketselfde alt
dat bediet), hoort, wat ik uvan A. verhaal , Bijmk.
421. — Na recht bescheit, zooals men naar
waarheid verhaalt. || Daer die keyser stont gedeet
rieselike , na recht besceet , metten veile Tan enen
liebarde, Sp. II», 68, 7. — Besceit doen,
bericht geven, mededeeling doen. \\ Wi sellentebaa
doen ende vloeken in allen kerken, dier of w^t,
tot daer (/. dat) hi daer of doet bescheet, Rein.
II, 6300. Hier off wil ie u doen bescheit, JfZo^
I, 1710. Dair aff wil ie u doen bescheit, 1860.
12) Zeker bericht, zekerheid, waarAeid, \\ Naer
die Godheit . . so was onstervel^c sijn ere, dit es
een besceit, Wap. Mart. Hl, 319. Dit es een be-
sceit , Rosé C 4616. — Vooral in de nitdr. bescheit
weten, sekerheid hebben , de waarheid weten. \\ Ie
weet soe goeden bescheet van eenre coe,dieiedoe
vercocht, ik weet het zeker aan eene koe, eiu.,
Rubb. 71. Hoe hij bescheyt soude weten, wye
Achilles waer off niet, MLoep II, 2894Mr.Gheefl
bescheit en wisten sg, 3233. Het hebben my die
ghene gheseit, die daer aff weten gaet bescheit,
IV, 1731.
BESCELDEN, st. ww. bedr. en ons. {beteak
of bescout, bescouden of beseouwen). "Miud, bescheiden;
mhd. beschelten.
Bedr. — Met den 4den nv. van den persoon.
993
BESC.
BESC.
994
1) Iemand uitschelden^ tegen iemand uitvaren^
hem beriepen. \\ M^n moeder beschelt mi seere,
om dat ie mi yerslapen baen, OT/. Zê^e?. 265. Hebt
lieyer den yrient die u bescelt als gh^s yerdient,
dan diet al prijst dat ghi doet, Melib, 1800. Dicke
hebbic die genen besconden , die hem an die boeke
houden , daer si cleene orboer in leren , T. en Lettb.
3, 65, 1. Al was ie een deel bescouden, jans mi
God, ie salt onthouden, OVL Lied, e. O. 280,
1387 (ygl. 78: begreep mi). En wildi niet sijn
besconaen van haren magen . . , so moeti minen
raet bestaen, Ben, 505. Wel te rechte sgn si be-
scouden die ghene, die niet en willen hondenden
dienst Gods, Lep, I, 26, 101. Die goede ghesellen
die mi Telden, die soldich node waerlic bescelden,
Vrouw. e. M, YII, 132. Vanden besceldenden ende
Tanden spuwenden in mi, He. v. 1348, 109r.
Beresp, neewe, bescelde in alre yerduldicheit,
233ff. Jalosie heft ons bescouden, daer wi af sgn
sere yersaget, Rote 3752. Die selken willen sijn
bescouwen, ende die selken al haer lijf gheblou wen,
3 Dag. H. 127. Ghi waert wel weert, dat ghi
waert besconden, dat ghi yan uwen wive wilt
spreken lachter, Rubb. 63. Yan mi en werdijs
{er over) niet bescouden , al sceeddi van hier, Lanc,
II, 32215. Doe bescalt hine te sinen scerne,l2fm.
I, 936. Do settede die apostel hem selven als een
^et middelaer daer tusschen ende bescoutse an
beiden siden ende vergaderdese tot eendrachticheit,
H». 75 f. 2c, Amgs heeftene seer bescouden , om
dat hi hem dus heeft ghehouden, £rab, T, II,
343. En wil mi niet als een onsinnich mensche
bescelden, mer berispe dy selven, Rt.Lett. (11635)
f. 290rf.
2) Vermanen ^ taaarschuwen , bestraffen met tooor-
den. II Na dattie apostel seit: bestraffe, bidde,
beschelde, Sp, d. VoU, f. 219r. Hi bescoutse {hij
gebood hun scherpelijk) ende gheboet hem dat sgt
niemant en seiden, Ès. 71, Luc. 9, 21. Jhesus
bescout den onreynen gheest ende maecte dat kynt
ghesont, ald. vs. 42. Hi bescout dat rode meer
ende het wert droge, He. Fs. lllr.
3) Bestraffen met daden, tuchtigen, \\ Mocht ie
noch syn ons heren vrient . ., ie sonde my soe
houden, daer ie af bin beschouden, dat mi en
gheviel nemmermeer, Segh. 5490 var. Heer Loef
de hadder twe (moordenaars) ghehouden, hgn
waender niet om sgn bescouden, Stoke Y, 387.
4) Op iets aanmerkingen maken y het afkeuren,
laken , er iets op zeggen hebben. — Als rechtsterm.
Appeleeren , appel aanteekenen (ook mnd. en mhd.). ||
So wat de meere deel des rades voer recht vindet , dat
en sal nemende bescheiden, sonder eens weder int
boec, Stadb. v. Oron.I, 11. Yan enen ordel to be-
scheiden op datraedhuus,a/^. 14 titel. Soe we beschelt
een ordel dat de raed voer den hove voer recht ghe-
Tonden hevet, 14. Men ne sal ghene sake be-
scheiden op dat raedhuus eer die raed vor den
hove een recht gheseghet hevet, a/d.
Onz. — Schelden, ergens tegen hebben en dit
doen blijken, || Dats hem te bet soude sijn te
moede, ende te min soude bescelden, die de
penninghe soude gelden, Stoke lY, 1352. — Be-
schelden teghen enen, tegen iemand aangaan,
uitvaren; met hem twisten. || Sy stonden teghen
Moysen ende seiden : Ghif ons water dat wi drincken
moghen; ende Moyses seide: wat bescheldi teghen
mi? J). B. Exod. 17, 2.
BESCELDINGE, «nw. vr. Mnd. bescheldinge.
Bestrafing, kastijding, \\ Yan der stercheit dyns
hants ontbrac ie in der besceldinge, Hs, Fs, Air
{Fs. 29 , 10). Die fundamenten des ommegancs der
aerden sün geopenbaert van dynre besceldinge,
here, ende van dgn ingeestinge des geests dijns
toems, ald. 16 r.
BESCEMEN (besciemen), zw. ww. bedr. Yan
scheme, d. i. schim, schaduw (zie scheme). Mnd.
beschemen, vgl. Eil. en Plant. Beschaduwen', over-
schaduwen. II Die cracht des aireoversten sal di
bescemen, Sp. d. Volc. f. 150; vgl. Luc. 1, 35.
God die heer heeft bereit ederen (lat. hedera) ende
clam op Jonas hoeft, op dattet s^n soude een
scaduwe op s^n hoeft , ende hem bescemen soude ,
D. B. Jona 4 , 6. Dat die heilighe gheest die . . .
maget Maria beschemede, Bern, S, &«. Nochtans
wort si {de vuurzuiP) des daghes mitter doncker
woleken bescyemt, Bienb. 149 d.
BESCEMERT, eig. deelw. van het ww. be-
schemeren, d. i. donker, avond worden (vgl. b); en
vervolgCDS bnw. met de bet. schemerdonker, donker, ||
Eer men die dachcloc ludet ende after dien dattet
bescemert is. Leid. Keurb. 61, 33. In den avont,
alst beschemert was , quam een soge dair an stoten ,
Matth. Jnal. 3, 335.
BESCEMPEN, zw. ww. bedr. Mnd. beschempen.
Beschimpen, smaden, hoonen, bespotten. Ygl. BE-
SCAMPEN. II Die voerbi ghinghen bescemptenen ende
scudden hoer hoeft , Hs. 71 , Matth. 27 , 39. —
Ook bescimpen komt voor, b.v.ifZo^;? III, 140.
BESCEMPT. Hetzelfde als beschaemt {zie ald.). ||
Des bescempt sgnde, hebbende hier vaeraf, Sacr.^&l.
BESCENDEN (bescennen, bescinnen), zw.
WW. bedr. Mnd. beschinden; mhd. beschinden. Een
doode uitschudden. \\ Die enen reroeff doet, dat is,
die enen doden man beroefift ind beschennet, als
hy doit is, R, v. Zutf. 100, 33. Stratenschinres
ende de kerken of kerchove beschinen (/. beschinnen),
Stadb. V. Oron. YIII, 19.
BESCENDINGE. Zie bescininge.
BESCEPEN , zw. ww. bedr. Inschepen (nl. waren),
laden , een schip bevrachten met iets. \\ Yan sulken
schade, als onse viande gedaen hebben aen tscip
ende aenden guede , daerin bescheept , O. R. v. Dordr.
2, 53, 71. Dat hi . . tot Sluys besceept hadde . .
in sinen scepe, dat hi doe voerde, achte hondert
wagenscots, ald. 71, 94. Noch gheenrehande goet
salmen moegen . . bescepen zwaerdereoft diepere,
dan daer men wel over den boom voersz. mede sal
moegen vloeten, K. en O. v. Bel ft 119, 2.
BE8CEREN. Zie bescaren.
BESCEBEN, st. ww. bedr. Slechts in gebruik
in den tegw. tijd en het verl. deelw. bescoren.
Mnd. bescheren; mhd. beschërn.
1) Het haar wegscheren, afscheren, scheren. Yan
mannen en schapen. || Alst (Aoor) was bescoren, .
hadde hi al sine cracht verloren. Rosé 8697. Hem
s^n noch die claeuweu voren so seer, so hi was
bescoren, doe hise door mi moeste ontscoeien,
Rein. II, 6757. Dat hi also bescoren quam ende
over al sijn vel ghesmeert, 6902. Dat si die hoefde
besceren, Hs. Ib, f. 1616. Een scaep niewinge
bescoren, Sp. III*, 45, 58. Waer "ie over sot
bescoren, D. War. 8, 85, 66. — Yooral van de
tonsuur, het wegscheren van een gedeelte van
het hoofdhaar by personen , die in den geestelijken
stand gaan. || Die bescoren draget sijn vlies. Kerk.
Cl, 119. Dat hi {de monnik) boven es bescoren , iÜ47«^
10385. Als een pape was hi bescoren, Heelu 8848.
Daer saghic enen clerc bescoren, Sp. III", 40,
79. (Si) hebben hem {den vader) crune bescoren,
lY* , 5, 53. Daer was si moenc bescoren, IV* , 9,
55. Yan den hoghen totten laghen , die sinte Pieters
32
995
ÈESC.
ËESC.
996
y
sloetel draghen, sijn si ghewyet of beschoren,
Hild. 171, 127. Als een pape was hi bescoren,
Velth. III, 21, 18. Sidi abt, so prihore ? Hi ghinc
u harde na den oren die u die crnne hevet be-
scoren, Rein. I, 945. (Doe) hi te monke wart be-
scoren , 2692. Al die broedere zolen hoer haer . .
geestelike bescoren hebben, D. Orde 224.
2) Oyerdrachteiyk. Berooven^ afzetten^ plukken.
II Snlc wert dan bescoren ende bescont (gebrand) ,
dat hi goet noch eer en hout, Bein. II, 7625.
Want si (ecalke) u eere ende lant besceren zwaerlec
ende onteeren, Sc. en Cl. 72. Dat sj tonrecht sijn
beschoren off hoir goedekijn off ghebroken, Hild.
18,182. Beschermen was dit woert ghenaemt , . .
De M. is aten woerde ghetoghen . . ., wanttet
spellet na beschoren, 25 , 65. Op datmen tvolck
bescheren wonde ende placken daer men mocht,
26 , 96. Enen schalken knecht , diet yolc mit onrecht
zeer bescheert, 46, 138. Entie dan mit onrecht
gaen besceren hier entaer hoers heren liede, 96,
112. Sine connen hem anders niet gheneren , danne
tleke volc bescheren , Hor. Belg. 12 , 23. Hi hilde,
dat hi Yonde , bescoren liever dan hyt Tor gode
sperde, D. War. 4, 46, 47.
BESCEREN (bescaren) , zw. ww. bedr. Slechts
in gebraik in het deelw. besceert, be-
s c a e r t. Mhd. beschem ; mnd. bescheren. Nog heden
in het hd. In het Ndl. is yan dit ww. in ge-
bruik het te onrechte sterke deelw. beschoren.
Toedeelen, beschikken^ bepalen, oorspronkelijk van
het noodlot of de voorzienigheid ïn gebruik. || Hebdi
ghesproken, wanneer u yet toequam: „dit is be-
scheert?" dit is eene beschikking van het noodlot,
Moll, Bijdr. Bijg. 2. Ten weet nyemant, woe (toaar;
hd. wo) hem syn doodt bescheert is, Spreitken 5.
Der boesheit is beschaert int leste te varen hinder-
waert, Hild. 136, 233. Den wormen wortet vleysch
ghegheven, dat hem langhe was beschaert, 163,
176. Tsterven is ons al bescaert, 156, 77. Der
doot soe mochten si wel vermoeden , want si waer
hem al bescaert, 222, 208. — Mi es bescheert,
voor mij is weggelegd, mij wacht.
a) Van gewenschte omstandigheden. || Mi es be-
sceert dit nieuwe jaer, OFl. Lied. e. O. 226, 4. Grose
eer is . . der vrouwen besceert , Frouw. e. M. XII ,
81. Waer hem heil af is bescaert, Hild. 137 , 75 var.
b) Yan onaangename ervaringen. || Menighen
arbeit, menighe scande is den dieven oeck be-
schaert, Hild. 10, 420. Die langhe pine swaer,
die naden oerdeel is beschaert den sondaer, die
ter hellen vaert, 15, 146. Want hem die helle
was bescaert, 158, 98. Wat een in minnen meest
begheert, daer is hem dicwijl of bescheert sonder
twifel meerre lyden, 192, 14. Dien is schade ende
anxt bescaert, 248, 58. God di laet mi bet vergaen
dant mi bescheert is, Proza-Rein. 14r. — Iet is
bescheert in, iets gaat gepaard, is onafscheide-
lijk verbonden met. \\ Doch ist beter openbaert,
daer schade of scande in is bescaert, Hild. 138,
125 var. Soe ghiet ie loot van finen goude, daer
groet verlies in is beschaert, 161, 428.
BESCEREN (besceriên), zw. ww. bedr. (vgl.
keren en kerien, eren en erien, ver heren en ver-
kenen). Voor den gek houden, bespotten, ledriegen.
Vgl. mnl. sijn se eren houden, en on» gekscheren. \\
(Hi) ginct (het geld) in sine hant daer tellen , om dit
besceerriden deen doe, Velth. I, 39 , 26. Die woent
in den hemel, selse besceren ende die here selse
besceren. Es. Ps. Sv {Ps. 2,4; Statenvert. be-
spotten). Besceren ende bespotten, Qetijdeb. S. 113<r.
— Zie ook het volg. Art.
BESCERENEN (besceernen), zw. ww. bedr.
Freq. van besceren (zie ald.). Voor den gek houden,
bespotten. \\ Verstoede siit in spotte, soe wahc
bescerent geliic den sotte , Limb. V , 1427. Phesonie
bescemede dien here, Cass. 1766 (vgl. 1781: si
scorende op hem). Hem dinct , dat hi bescerent si ,
putans se irrideri, Sp. II •, 14, 67 (^Belg. Mtu.
1, 279). Zeere ghequest, bescerent, bespouwen in
u anschijn, Kal. 6, ^{Verh. I 1de KI. Inst. 6», 46,
58). Niemene besceernen noch onweerde bieden
met woorden, Ruusb. 4, 12. (Jezus) wart ver-
raden, bespot, bescerent, ghegheselt ende ghe-
slaghen, 6, 15. Si sonde mi scelden ende be-scemen
( : wemen) , mesdadic een twent jegen hare , Rosé
3478. Hoe waenstu bescemen dwoert, dat alle
salecheit bringt vort? Sp. W, 27, 77 {var. be-
stri ven, zie ald.). Doen Herodes sach dat hi was
bescerent vanden drien coninghen, was hi sere
gram, Hs. v. 1348, 39rf. — Enen bescerenen
van, iemand plagen met. \\ Dat hine bescemea
sonde van Pelles dochter, iMnc. II, 32605.
BESCERM (bescaerm), znw. o. Mhd. beschirm,
bescherm. Bescherming, hoede. WJitX beyde HoUant
ende Gelrelant sonder bescerm ende sonder harde
(herder) waren, Matth. Anal. 3, 117.
BESCERME (bescaerme), znw. vr. Vgl. be-
HOET en BEHOEDE, BEHOEF OU BEBOETE, enz.
Bescherming, hoede. \\ Hout altoes in n bescaerme
. . die heleghe kerke, Parth. 1271. Dugghcdane
bescerme der ecclesien . . niet en wil jeghen dea
rechte z\jn, D. Orde 216. — Ook van een persoon
gebruikt. Beschermer, regent. Vgl. behoede. ||
Kaerle Marteel . . ., bescherme van Vranckergck
datmen hem coes, Vad. Mus. 3, 439, 41.
BESCERMELIJC, bnw. Slechts in de uitdr.
beschermelike wapene, wapenen van ver-
dediging. II Also dat al ziin lijf mit bescermelike
wapen wel bewaert si, Ned. Proza 82 {Schaaksp. iSb).
BESCERMEN (bescermen, bescarmen, bk-
SCAERMEN), zw. ww. bedr. Mnd. bescAerwun;
mhd. beschirmen, beschermen.
1) In de tegen w. bet. Beschermen, beveiligen. \\
Hi soude . . sinen broder . . bescarmen , Lanc. III ,
6831. Ne conste ons wachtre nochtc hont no be-
wachten no bescaermen , Rein. 1 , 404. Ghi jaechsc,
die ghi soudt bescarmen , Kerk. Cl. 154. IMt is van
beschermen , Gedicht bij Hild. , bl. 25. Of mi de
mogentede van Gode bescermet, Frane. 5209. —
Bescermen vore of van, beveiligen t^gen, vrij-
waren voor. II Te hem, diene van messciene al
besceermet voer die honde, Nat. Bl. XII, 756.
Dese steen besceermt kindre in hare jonchede voer
onghevalle, 858. Bidt Gode, dat Hi n beware
ende bescerme voor uwe viande, Salad. 223. Dat
hy mit synen lyve dusent scepe . . bescermt hadde
van den brande teghen alle onse viande, Troyen
7694. Dat si hare kimpen alle beide moeste be-
scermen van leide, Lorr. II, 3548. Daer mede die
mensche bescermet wert van neyghingbe inden
souden , Gulden Troenf. 27 i. — Ook met den 3den nv.
van den pers. en den 4den der zaak. Enen d at 1 g f
bescermen, iemands leven verdedigen. \\ Wedewei
ende wesen mede, die seldi met live ende met
sprake bescermen haer l^f ende haer lede , Salad. 166.
2) Evenals het lat. def endere vereenigt het mul
bescermen als krijgsterm de beide beteekenissei
van verdedigen en afweren.
a) Verdedigen. \\ Oec beval hi oppenbaer . . •
Reynaude van den dorne wit met III* ridders
coene, ochts daer iet ware te doene, datsgt soada
bescermen wale, Lorr. II, 3561.
Ö97
BÊSC.
BESC.
998
b) Afweren. \\ Neemt den scilt . . daer mede dat
elc man bescermen mach ende bestriden die yiande
tallen tiden , Melib. (E.) 1347 var, (bl. 687). {Die
steen) besceermet die gadoet, a eubitunea morte
defendit, Nat, Bl. XII, 977.
3) Afweren^ beletten ,^ verAoeden.Ygl. BEHOEDEN
6). IjWaer die Heiligbe kerke beeft noot , moeti
bescermen hare scade, Salad, 129. Dies moetewi
alle verdienen hier, dat ons bescermt moet sijn
dat Tier {dat van ons geweerd wordt dat vuur)^ ende
dat torment ende alle die sere, L. o. H. 4842.
BESCERMENEN, xw. ww. bedr. Freq. van be-
êchermen^ met dezelfde beteekenis. — Vandaar het
mhd. znw. beschirmenunge (Lexer 1 , 208). || O
heilich sacrament, al m^n hoope, ghy hebt mi
bescerment desen dach, Saer. 794.
BESCERMENE8SE , -ISSE, znw. vr. Mnd. be-
êckermenüse'j mhd. bescAirmenüse.
1) Betchermingy hoede. \\ In sine bescermenesse
snldi flijn, Parth, 1990. (Hi) nam den joncheer
"Willam van Hollant in synre bescermenisse , Matth.
Anal. 3 , 148. Bliven inde protectie ende bescher-
menisse van onsen vors. gheduchten heere, ZVl,
Bijdr. 1 , 324. Nu , helich Cruce , ie gheve mi in
die (/. dine) bescermenesse nu voordan , Amand I ,
3661. Bescermenesse ende goet ghewin es hi {de
steen) den ghenen an die hant, die verre gaet in
vreemde lant, Nat. Bl. XII, 710. So settic inder
helegher kercken bescermenesse al dat ghoed . . . ,
ende sonderlinghe in de bescermenesse . . tsbis-
scops van Doemike, Fad. Mus, 4, 359. Bi deser
beschermenissen {nl. Gods), Exc. Cron. 13r. Daer
toe ooc 80 hebben si (nl. poorters) vrihede ende
vele beschermenissen {gen.^ afh. van vele), dies
si te dorpe missen, Lsp. III, 26, 24. Buten be-
Hchermenisse der steden, Matth. 128. Ghenomen
hebben in hare beschermenesse de goede coopliede,
Invent. v. Briigge 4, 292.
2) Verdediging^ zoowel als krijgsterm, als door
middel van een tweegevecht. || Gelyck hy . . bevinden
zal . . oirbaerlixte voor die bewaernisse ende bescher-
menisse van tlandt te wesen, Meyl. Delfl. 28.
Tsurplns es besteet in de defensie ende beHcher-
meni.Mse van der stede, Inform. 9. Tot defensie
ende bescermenisse van den lande, 420. So benic
comen na dus nare hier in harre bescermenessen ,
Lanc. IV, 3870. Ie ben gereet te bescermenessen,
sprac Lanceloet , dat si ongetrouhede noit ne dede ,
BO verranesse mede, 3880.
3) In concreeten zin, zoowel van zaken als
van personen.
d) Van zaken. Borstwering ^ verdedigingswerk. ||
Welc es die bescermenesse hier of, die dam, die
vesten jof die mure, diere of weren die felle
g-hebure? Heim. 1610.
b) Van personen. Beschermer^ verdediger. Vgl.
bg BESCHERM. || (Hi) sant dair tot beschermenisse
ende tot eenen regenten vander stadt . . eenen
Erefect, Bxe, Cron. 218fl. (Hector) is haer borch,
aer casteel , haer bescermenisse al geheel , Troyen
f, S7c,
c) Van plaatsen. Het gebied eener stad , ongey eer
g'eiykstaande met vriheit (zie ald.). || Binnen der
stat vryheit of binnen der stat bescermenesse,
22. r. Utr. 1, 9, 19.
BESCERMER. Zie het volg. Art
BESCERMERS8E, znw. vr. Vrouweiyk van be-
sehermer. Beschermvrouw^ beschermster ^ patrones. \\
Sinte Katrine, die bescermersse des cloesters es
ende patronersse, Lutg. I, 94.
BESCERMINGE, znw. vr. Gebruikt in de con-
creete bet. van verdedigingswerken. \\ Dat sy alle
die heren verjagen wouden, ende hoer casteel
nederwerpen ende hoer bescerminge breken , Matth.
Anal. 3, 173.
BESCëRMSEL , znw. o. Beschutting , bescherming,
II Mynen schilt, mijn beschermsel zide ghy, Vaii,
Mus. ö, 389. — Vgl. SCERMSCILT.
BESCERMTE, znw. vr. Hetzelfde als het meer ge-
wone bescermenesse. Bescherming^ hoede. \\ (Dat)
elc coepman daer moghe comen ende keren mit
haren goede in sokeren bescermten ende in goeden
payse, Mieris 2, 156 a. Dat wi dat Bagijnhof . .
ghenomen hebben ende nemen in onse seker be-
scermte, 250a. Zo doet hem alsulc recht ende
bescermte, als ghi doet uwen anderen poirters,
311^. Alle hoir goed . . nemen . . in onse be-
scermte, 323^.
BESCERNEN. Zie bescerenen.
BESCIEDEN. Zie bescien.
BESOIEN (besceen, ook in den anorg. vorm
bescieden), zw. (en st.?) ww. onz. Mnd. 2^«r^^» ;
mhd. beschèhen. Geschieden^ gebeuren^pUats grijpen. \\
Nie en seidhy sake noch behiet, sy en es te hare
tyt beschiet; ie weet wel dats niet en ghebrac,
wat so mijn vader voresprac, Troyen f. 29^. Die
Paus orlovet niet , dat sgn cronen (in/*.) daer besciet ,
Velth. V, 29, 57. — Met den 3den nv. van den
pers. Overkomen^ wedervaren. \\ Wat hem daer weder
bescede, dat waer sonder broeke tegen die stad,
Stadsr. v. Zwolle 66 , 57. So wes dat hem bescede
van den waker, 67, 61. Wes dat hem daer be-
schiede, dat is broekeloes teghen die stad, 100,
146. Wat u dan beyegent, dat nemet voer dat
airebeste, dat u bescheen mach, Gerl. Peters 212.
BESCIET. Zie besceit.
BESCIETEN (in den Lanc. ook besciten ge-
schreven), st. WW. bedr. , onz. en onpers. Mnd. be-
scheten] mhd. beschiezen.
Bedr. — 1) Boor schieten beproeven , afschieten. \\
Den ghenen die der stede boghen bescoten, doe
mense leverde meester Arnoude, Rek. v. Gent 1 , 91.
2) Er bij inschieten ^ verliezen. \\ Der siere [van
Darius) blevere vele doot, ende Alexander die
bescoot inden wijch IX man te voet, ende Cende
XX ridders goet, Sp, I», 19, 39.
3) Bedekken^ afschieten^ afsluiten^ beschieten. \\
Die scoel te bescieten myt plancken daer sy open
was, B^k. d. Buurk. 61. Die tabernakel was binnen
al om bescoten mit hout van cethim, B. v. 1357,
46^?. — Vandaar beveiligen , baten , helpen, steeds met
eene ontkenning. Een zelfden overgang van bet.
vertoont besluten (zie ald.). Vgl. ook Onpers.
II Onse gepense groet en bescieten ons niet tegen die
doet, Velth. II, 35, 30. Dat hem sijn plate niet en
quam te stade noch en bescoet, Grimb. II, 4612. Dat
hem niet bescoet al . . noch stegereep noch gereide, hi
en keerde die been opwert beide, Lorr. 11,369. So dat
hem niene mochte bescieten dat gewere in genen din-
gen, Velth. II, 52, 72. Onse gepense groet en be-
scieten ons niet tegen die doet, II, 35, 30.
4) Overvallen f bevangen, \\ Dese bruederen worden
mit desen wondere soe bescoten, dat sy van
vresen ende van wonder in twyvelinghen woerden,
Faderb. 229b,
Onz. — 1) Opschieten, gedijen, Vgl. mhd. jj Wi
lettel hier bescieten, OFl. Lied. e. Oed, 381, 32.
Oec gaven hem vuile hande sine vianden altoeste
doene, dat noit conste bescieten soene, Lorr. I,
1722 {baten, helpen is hier de ware bet. niet).
2) Door weglating van het bij Bedr. 3) bijge-
voegde obj. verkry gt bescieten de bet. van helpen^
999
BESC.
BESC.
1000
hêvoordeêUn ^ haten. Steeds met eene ontkenning. ||
Ghene bede soe en bescoet, Brab. T. Y, 695.
Engene bede noch geen ocsoen en mochte daer
besciten niet, Lanc, III , 16147. En geen gheweer en
conste bescieten jeghen den hertoge entie sine, Heela
3548. (Dat) dat schelden niene besciet, Lsp. III, 9, 77.
Archernie (/. Acherme) ! en besciet geen plardecken ;
al waensta heymelijc doen dine dinge, hi {God)
anesiet al sonderlinge , Yelth. 1 , 34 , 70 (het woord
plardecken is cormpt, maar de beteekenis moet zijn
scAuil houden^ verbergen^ moet er een comp. van
deden staan ?). Doe Pylatas sach, dat niet en bescoot,
dat niets (of Aet niet) baatte, Hs. r. 1348, 303^.
Onpers. Het besciet, het baat, het helpt
(ygl. bedr. 3), steeds met eene ontkenning ver-
bonden, of in een ontkennenden zin gebruikt.
a) Absolnut. || En bescoet niet een ylas, Yelth.
Y, 5, 26. Niet ne besciet, dat hi verdraecht , I Y,
6, 39. Ende (/. en) bescoet niet wat si ran, 57,
46. Alse Bmne sach, dat niet bescoet, 24, 25.
Algader dese dinc en bescoet daer niet van enen
ase, II, 47, 28. Dat en beschiet niet enen bast,
I, 48, 93. Nochtanenbescootnochniet,II,50,27.
Dan bescoet min no mere, Lanc. III, 23632. En
bescoot niet wat hi pogede, Sp. lY", 43, 16. Sint
niet besciet, lAmb. III, 137. (Dat) het niet en
beschoot , wat hi dede , Hild. 43 , 83. Dit en bescoet
cort noch lanc, Brab. T. Y, 4615. Doen si saghen,
dat niet en bescoet, Fad, Mm. 1, 60, 81. Dat en
besciet no min no mere. Rosé 3181. Nochtan en
bescoet algader niet, Teest. 3596.
b) Met den 4den nv. van den pers. || Dat hem
namaels clein bescoet, Yelth. I, 3, 36. Dat hem
niet bescoet een haer , II , 35 , 12 (zoo ook Lsp. I ,
23 , 38 var. ; Yst. BI. 2340; Lanc. III , 16461 , 22238).
Gene onscont en mocht haer staen in staden , dat haer
yet bescoet , II , 40 , 36. Dat hem lettel goet bescoet ,
II , 46 , 46. Anderwerf den spere hi biet, maer en be-
scoet hem niet , III , 30 , 15. Dat en bescoet den grave
niet, dat hi hem mach ontsculdigen yet, Y, 5,
17. Al had daer yemen willen weren . . , en hadden
bescoten niet een haer , 22 , 52. Oec en saelt u
niet bescieten, Limb. II, 1646. Dat hem eentwint
niet en bescoet, I, 1213. Hem bescoet niet wat
mer toe dede, YI, 1680. Maer nu en bescoet mi
twint, YIII, 1631. Dan mochte mi bescieten twint,
XI, 273. Wat besciet ons dat wi striden ten tween
staden ? soe en can niet deen den andren gehelpen
iet, XII', 504. Hem en beschoot niet nochtan,
Lsp. III , 4 , 202. Dat hem nochtan niet en bescoet,
Wrake I, 861. Dat en bescoed har doen nyet een
twintekijn, Lutg. III, 810. Maer en conste hem
niet bescieten, O VI. Ged. 2, 106, 114. Dan bescoet
hem niet ene pere , Flovent 553. Soe sire meer na
siet, soet haer min besciet, Buusb. 4, 201. Alse si
siet, dat hare niet en besciet, maer altoes pine
verloren, 205. Haestelic si ten wapinen liepen,
maer en mochte hem niet bescieten, Vl.RiJmk. 10084.
Aanm. — Meermalen vindt men in plaats van
bescoet, door het verkeerd lezen der Hss., in de
teksten bestoet. || Doen hi sach dat niet en bestoet
(/. bescoet)", Wrake 1, 196. En bestoet (/. bescoet) hem
min noch mere , Brab. Y. II , 6220. Al ware een here
milde ende coene . . , en bestoet {l. bescoet) al niet een
vinde {een pion) , op dat hi gherechticheyt niet en
kinde , Teest. 1062. En bestoet hem niet een spaen ,
Segh. 3634 (/. bescoet ; Hs. besloet , van besluten , dat
dezelfde beteekenis heeft als hescieien-, zie besluten).
BESCIJN, znw. o. Mnd. beschin. Eig. stam van
het WW. bescinen (zie ald.).
1) Het schijnen, het lichten. \\ Mettien sach ie.
des lichts beschgn so overclaer, OVl. Ued. e. G.
242, 274. — Ook in de bet van licht. || In een
beschijn hebbic beseven een zoete minlic scieteo,
280, 1397.
2) Bewijs. Ygl. bescinen 2) , en bescinigen. ||
Want wy gheen byschiin off bewQs en seen,
Warfsconstit. 29. Alle (eigennaam) sal Sgwert . .
daer beschijn van geven, van de gaede eweliken to
ghebruken , ald. 87. Waer op die van Ghenemudea
ons hebben angebracht met waerachtigen beschyene
ende hebben ons hoere privilegiën ghetoent. Racer
6, 200.
BESCIJNSEL , znw. o. Licht, schijnsel. De plttti,
evenwel waarop dit woord voorkomt, is niet rol-
komen helder. || Den selven scoutiten . . bj be-
scijnsel der voerseide ghemeynten vesticheit ende
statnt«n by hen ghemaect, mesdaen ende over-
treden, . . qnyteren wy ende quytschelden, Gtw.
V. St. Truyen I, 8.
BESCIJNTE , znw. vr. Schijnsel, licht. \\ Dm
dolende wordic gheware van verren ene bcscynte
clare int ende van der prayerie, O Fl. Lied. e. Gei.
238, 146.
BESCICKEN, zw. ww. bedr. en wederk. Mnd.
beschicken. Het Mhd. beschicken heeft eene andere bet
Bedr. — Regelen. || Hoe ie best mgn volc scare
ende bescicke mijn orloge , Rosé 10012. Hoer erf-
namen sy bijeen nam ende bescickede al hoir zaken,
als sy bescheydelicste conde , MLoep II , 1986. Si
sullen eiken sjjn werc bescicken, aanwijzen, D.B.
Num. 4 , 27. — Ook enen iet — , toedeelen. Zie
by besceiden, bedr. 4).
Wederk. — Hem bescicken, ach gereed
maken, aanstalten maken. \\ Als hy een groot stie
gegaen was, bescicte hem die knecht, dat die
coopman wel vernam an sijn gelaet, dat hine wilde
moorden, Matth. 200 noot.
* BESCICT. Exc. Cron. 140rf., lees: bescM
d. i. verstand, oordeel. \\ Also dat gewoonlic is
van allen gemeynten dye bemert sgn ende overeen-
lopen sonder eenich beschiet. — Misschien ook
moet men beschiet lezen, dat graphisch nog dichter
by besciet staat, en ook Rosé C 4516 gelezei
wordt voor besceit of besceet (zie ald. 12).
BESCIMPEN. Zie bescempen.
BESCINEN, st WW. bedr. en onz. Mnd. 4*icil««»
en Mhd. bescheinen hebben de trans, bet van<^
blijken. Ygl. Grimm , Wtb. 1 , 1559 en besceineS-
Bedr. — 1) In de tegw. bet Beschijnen. || Upene
nacht . . wart soe bescenen . . met enen salegen lichte,
Franc. 9845. Themelsce licht bescenge (d. i. besckee*
haar ; vgl. Christ. bl. 631) doe , Lutg. III , 5. Dal (die)
sonne beschinet, Parth. 8398. Der beste een, die
die sonne ie besceen , Ren. 1363. Zoo ook O Fl. liei. e.
Ged. 66 , 9 , 1. — Zwak vervoegd , Segh. 2166. — Als
znw. gebruikt. Schijnsel, licht. \\ Uut elcker vcinstei
sach ie risen een claer bescinen naturael , dat docht
mi seinen als een stael, OVl. Lied. ^. (r. 250,^l<•
2) In jur. zin. Enen — , als schuldig bewijze» ^*^
rechte overtuigen.^ g\. hd. schein, d.i. bewijs,tTLi\t\^
volg. art. II Were yenich man oft vronwe, d«
rogghen molt {motten, d. i. mouten) hadde, ende des
beschenen worde , de brake vyf marck ende dit
saet, Stadb. v. Gron. Y, 63. Wort yemant hjjra
boven beschenen, de sal breken vyf marck, Ut
27. So wel {wie) beschenen ende vertnghet wort,
30. By een pene van X marck soe vake he beschenei
wort, 44. Mocht men den beschinenoflebewj»»!
JEtst. v. Dr. 118. Demen dar warha£fticb van ke-
schinen kan , 147. Dat men se daerbovea beschraes
mochte, dat se des nyet en lieten. Racer 5, 3^-
iOOl
BESC.
BESC.
1002
Worde wel (d. i. loer^ iemand) hiermede beschenen,
dat twe hoyedinge of . . twe borgen vertngeden,
Pro Exeol. 5*, 221. — Ook Iet —, in rechte
èewijzen, het gerechtelijk beunje voor iets leveren;
lat. prohare. \\ Dat men beschienen mochte myt
twe gude mannen of die ghene, den die fuken
weren, Racer 6, 83. Die dat mocht beschinen self
ander, ald, — Slechts in de Saksische proyincien;
in de Frankische zegt men bedragen (z. ald.).
Onz. — In het Limbnrgsch in bet. gelijk aan het
mnl. seinen^ d. i. ons b lij ken ^duidelijk zijn. \\Qod
hij hneden ende beryet, als hoem decke wale
beschejn, Serv. I, 1453. Bes der goede Sinte
Servaes een sterck honffcman was, als decke wale
bescheyn, 824. Dat nyemant en richte noch en
wrack, alst herde wale bescheyn, II, 1560.
BESCINIGEN (besciningen), zw. ww. bedr.
Mhd. beseénigen, vermeld by Grimm, Jrtb.l\ 1559;
hd. beseheinigen; ygl. mnd. beschinen, dat eyenals
het mnd. bescinigen in het dykrecht gebruikt werd.
Overtuigend bewijzen (hd. durchaugensehein bezeugen).
II So yaeck als hem die zwoem dat beschijnijnghen
moeghen, sal hie die boete gelden, Overijs. Dijkr,
!!■, 11. Weert sake dat hie . . ghenen dienst en
dede no orber slands , soe moegen hem die zwoemen
. ., wanneer sQt hem beschijnijnghen moeghen,
afsetten, n>, 29.
BESCININQE , znw. yr. Van bescinen (ald. 2).
Het leveren van het gerechtelijk bewijs. || Wo men
vechtinge na beschinynge berichten sal, Stadb.
V. Gron. V, 10 titel, — Of yan beschinnen, d. i.
besckenden (z. ald.)? Het zon dan beteekenen
slretatschenderij. Deze bet. komt meer overeen met
de woorden nit het bovengenoemde artikel, waar
men leest : jt^M^ vechtinge ende alle beschinninge
salmen holden ende berechten bi der beerclocke."
— Zoo komt ook beschinen voor beschinnen voor,
en wel Stadb. v. Gron. VIII, 19.
BESCINNEN. Zie bescenden.
BESCINXINGE. Zie bescininoe.
BESCITEN, st. WW. bedr. Mnd. beschiten-^mhd,
besehizen, Eig. coneacare, en verv. bij nitbreiding
bezoedelen, bevlekken, onteer en. \\ Sine heilicheit
heeft hi nn besceten, Truw. 85. Nonnen minne,
beghinen tonghe, morwe eyere, kinder jonghe . .
beseiten meneghen op eertrike, Belg. Mus, 1,11S,
7 (hier loopen de eig. en de flg. bet. dooreen). — Het
▼erl. deelw. besceten wordt als scheldwoord
gebruikt, om de grootste verachtelükheid uit
te drukken. Allerveraehtelijkst. || Quade besceten
horstront, hoe sprectstu soe te mi ward ? X^Mf . III ,
19744. Vgl. Grinun, Wtb. 1, 1560, en vooral de
aanh. uit de Lex salica: „ si quis alterum concacatum
clamaverit."
BESCIWEN. Zie bescuwen.
BESCOET. Zie biscoet.
BESCOLTSCATTEN (bescolscatten), zw. ww.
bedr. Van scoliscat, d. i. scultscat, m. a. w. de ver-
schuldigde som. Vgl. Mhd. schultsehaz (Lexer 2, 815).
Het den 4den nv. eener vrouw. Haar onder het
storten van eene bepaalde som plechtig aan iemand
verbinden of verloven. Hetzelfde als besekeren (zie
ald.). II Weert sake dat een (dat,) onser borger een jonf-
frouwe off een vrouwe besekert off bescholscattet
worde ter echtscap, Overijs. R. V, 105. Dat een
onser borgher een joncfrowe oft eene vrowe besekert
of bi schoelschacker (/. bischoelscattet) woerde ter
echtscap, ald. 8.
BESCOMPEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als be-
schempen (zie ald.). || Doe dusdanighe woirde
kundichde die heilige man mitten gheest derpro-
phecien, bescomten si en uutten bosen gheeste
vol verbolgenheits , Ned. Proza 241.
BESCONEN, zw. ww. bedr. Mnd beschonen-,
mhd. beschenen. Sparen, verschoonen. \\ Hi seide,
dat si {de avonture) somwile ter cure den quaden
sine quaetheit loont, ende dat soe nieman en be-
scoont, Alex. III, 568.
BESCOOPT, bnw. Van scope, scop, d. i. deksel.
Zie vooral Schuermans , Idiot, 596, en vgl. Kil. 570 :
schop, tegumentum, quidquid tegit (Becan.), en
het eng. shop, Eig. van een scop of deksel voorzien ;
in het alg. gedekt, bewaard, beschermd. Van het
gehoor wordt OVl. Lied, en Ged. 462 , 170 gezegd dat
het is : II Bescoopt vor alle vremde lette , wel bewaert
van alre smette, van allen quade wel behoedt.
BESCOP. Hetzelfde als bisscop, Christ. 72;
L. V. J, c. 21, e. e.
BESCOPPEN, zw. WW. bedr. Van het weinig
gebruikte ww. scoppen, d. i. spotten. Kil. : Eland.
vetus', j. schobben, spotten. Vgl. het znw. SCOP.
Bespotten , een loepje nemen met iemand. \\ Segt , dat
iet hem ontbiede , dat hgs sal hebben sine miede . . . ,
dat hine bescopte, Ferg. 849. Vgl. het Gloss. ald.
BESCOTEN,zw.ww. bedr. Turf, co ren enz.—,
de hoeveelheid der lading (van het beschot) aan-
geven, begrooten. \\ Indien eenich cooren vercoft
ende te hooch bescheet wordt, sulcx datmen dair-
omme moet cavelen, K. en O. v. Delft 150, 16.
Ten waere dat die coopman zyn goet niet al be-
schoeten en mochte, 151, 20. Omme tgelt dairoff
te ontfangen van tcooren te beschooten ofte anders-
sins, 154, 6. Gheen turftonster of draegere en sal
hem moeten onderwinden vanden turf te vercoopen
ofte te bescoeten, 200, 4 (Oudste K. v. Delft 27,
22 (turftelster)).
BESCOUDEN, zw. ww. bedr. en wederk. Van
seouden, d. i. broeien met kokend water, zengen, eng.
to scald; zie ald.
Bedr. — 1) Met heet water overgieten (Kil.
calida perfundere). \\ So sceppense water in nese-
gaten ende makent heet seere utermaten . . ende
bescouder mede die honde. Nat. BI. II, 3018.
2) Bij uitbr. ook van vuur. Zengen, branden,
schroeien, vooral van het helsche vuur. || Dat
thelsche vier hem niet bescoude , Praet 1523. Dattu
di niet ne laets bescouden in de vlamme van
helschen viere, 4393. Dat mi dat (helsche) vier
niet en bescoude, iSJp. I*, 47, 12. Ist datmen
desen (steen) duwet sere, dat hi smenschen hant
bescout. Nat. BI, XII, 936 (lat.: pressus nimium
digitos . . adurit;Yg\. Alex. VII, 1057). Over sine
smerte die hQ adde, daer hg bescaut was inden
dienst vander stede. Bek. v. Gent 1,457. Dat men
de stede (de wonde plek) hamen sal met goude
toten bodem van der siecheit ende gheneset niet
achter dat beschanwen, Jan Yp. 115. Dan soe
bescout die stede met eenen instrumente van gaude ,
131. Daema soe bescut (/. bescout) de wortelen
met eenen gloeiende isere, 104. Dat dat ansichte
niet worde bescont U. bescout), ald. Tote dat be-
schonde (l. beschouae) stuc hute vallet, ald. Alse
die mensche es bescaut van viere ofte van water
of andersins, 173. Cauteriseren ende beschanwen
den darme, 194. Si bement met ysere ende bescou-
went, ald. Die ogen si tranen hem ende siinheet
ende bescouden die liere, Hs, Tp. 58^. Zoo ook
129 ff, 137 rf, 141 rf.
Wederk. — 1) Zich branden, zengen, schroeien, \\
Ghi sult u houden vrolic ende verhouden in der
minnen gloet. Al souddi u bescouden , ne latet niet
vercouden, OVl. lAed, en G, 115, 29,
1003
BESC.
BESC.
100(
2) Figunriyk. ZicA branden, ziek de handen
branden, de treurige gevolgen van iet* ondervinden. \\
Hi wilde wesen uter port , alse men doDgelt roepen
sonde, daer hem menich ane besconde, Yelth. lY,
8, 50 (vgl. het volgende hoofdstuk).
BESCOUDER. Zie bescouwe.
BESCOÜDICH. Zie besculdich.
BESCOUDIGEN. Zie besculdioen.
BESCOUDINGE (bescouwinge), znw. vr. Het
branden; concr. in den zin yan brandwond, || Na
willen wy jou leeren Tan beschonwinghen ende
alse die mensche es bescaut van viere ofte van
water of andersins, Jan Yp. 172.
BESCOUT (bescult) , bnw. Yan scout, d. i. tchuld
(zie ald.).
1) Yan icout in den zin van geldschuld, lat. aes
alienum. Met schulden bezwaard , schulden hebbende,
armoedig, behoeftig. \\ Omdat si souden . . . alle
die bescout (egenos) waren vergadren jegben die
rike , Rijmb. 27637 var. (het teksths. heefl besculde).
2) Yan scout in den zin van moreele schuld , lat.
culpa. Met schuld beladen, schuldig, misdadig. \\ Hi
salre in {in de hypocriten) vinden selke dinghe,
daer hi mede wert bescout, eest dat hi hem daer
ane hout, Nat. BI. II, 543.
BESCOÜTHEIT (bescautheit), znw. vr. Het-
zelfde als bescoudinge; zie ald., en vgl. mnl. belemmert-
heit met ons belemmering. Het gebrand zijn, en in con-
creeten zin brandwond. || Yan bescautheit van heten
water ofte van viere, Jan. Yp. 178.
BESCOUW (bescau), znw. o. Eig. stam van
bescouwen. Het zien, het beschouwen. \\ SQn haer
was scoon, syn leden groot, sijn anschgn manlic
int bescau , voor het oog , om te zien , O VI. Lied, e.
O. 265, 960. — Een besconw doen, in oogen^
schouw nemen. || Daer so dedic een bescau up den
zevensten, ald, 310, 2268.
BESCOUWEN (bescauwen), zw. ww. bedr.
Mud. beschouwen; mhd. beschouwen.
1) Zien, opmerken. || Soe moeti hen dienen met
trouwen, als ghise in doghene selt bescouwen,
Salad. 206. Also mach men daer bescouwen starker
boven manne die vrouwen, Nat. BI., aangeh. Natuur k.
bl. 368. Die moeder . . der ontfaermechede , die
haer suchten heeft bescouwet entie mesdaet die
haer rouwet, Sp. I', 66, 186.
2) Voorzien in , ergens voor zorgen , er op letten, \\
Bedi so hiet hi (Abraham) die stede: God salt be-
scouwen, Dominus videbit, Rijmb. 2010.
3) Aanzien, bezien. \\ Als die ghebure ghe-
vreischten dat, liepen si dat wonder bescouwen,
Rein. I, 1583. Indien tiden bescaude Jhesus sine
jongheren {Es. i n sine jongheren, latinisme) , ende
seide. Es, v, 1348, 82^.
4) Wederzien, terugzien, \\ (Hi) maecte dennaen
vroeder, hoe dat hi vader noch moeder nemmer-
meer en mach bescouwen, Segh. 3281 var,
5) In genade neerzien op, beschermen. \\ Dat hij (God)
ons ghenadelike bedencken wille ende bescouwen,
Serv, 1, 3214. Die mijns behoeven ende mi ge-
trauwen, die comic nu aldus bescauwen, Sp. lY*,
113 (vgl. 112: bescermic). Ie sal bescouwen
dese stede, di ende dit volc ooc mede, eist dat
ghi doet dat ie u hiet, Rijmb, 11765.
6) Eet oog houden op, iemande gangen nagaan. Met
den 4den nv. van den pers. || Die twee ouderen . . , diese
(Suzanna) bescau weden , Us. v. 1348, 86 c. Ie sal den
Here van Awans bescouwen ende wederstaen , Yelth.
lY, 59, 18. Dese homans sullen horen eedtdairtoe
doen , dat sy een ygelic bescouwen sullen ende dat
D^emant verdragen,^i;7*r//^/fi^«f , leid. Keurb. 237, 48.
7) Nagaan. Met den 4den nv. der zaak. — Yaa
dijken, weteringen, enz. Nagaan, of ze in behoor-
lijken staat worden onderhouden, schouwen, intpee-
teer en. \\ Die sluysen ende die damme selen wj
bescouwen, gelycke dat men andere dycke besc&uwet,
Oorkb. 2, 219 ö. Yoert soe willen wy, d&t die
geene die dese brugge te vooren dede maecken,
voertaen maken ende beschouwen sullen, 232 i.
Dat onse bailiu . . . desen dyc ende de slozen . . .
bescouwen sal ende berechten, 257a. Dese vore
ghenoemde watergange , dat si die bescouwen selea
met haers selves rechtere , 390 b. Dien {dijk) sullea
sy selve bescouwen mit haren scoute , 506 b. Haere
waeteringe sullen si gemeenliken doen beschouwea
binnen haeren ... lande. Mieris 2, 151a. — Ook
ene core bescouwen, inspectie houden, of de
bepalingen eener keur worden nageleefd. || Ende
sal dese koere naeden tijt onderhouwen worden
ende byden scout ende scepenen bescouwet, K. en 0.
V. Delft 67, 2. Ende dit sullen moegen bekoerea
ende bescouwen die scout, die vanden gerekte
ende oick die boodens ende sheeren dienres , 109, 36.
Zoo ook O. K. V, Delft 1 , 35 passim ; 36.
8) In mystieken zin. Zich aan overpeiHsi»gen
wijden. Meestal in het deelw. bescouwende
gebruikt, b. v. dat bescouwende (ook scou-
wende) leven, het kloosterleven. || Dan wil ie . . .
hoghe dimmen in bescouwender contemplacien , »
afgetrokken beschouwing van het hoogere, Rem. H,
4144.
Aanm. — Yoor bescouwen, Jmand H , i597 :
„Als die mensche heeft ontfaen in souden die
doot . . . so wert onmoghelic sgn bescouwen ,*^ leze
men berouwen, d. i. berouw (zie ald.).
BESCOUWEN. Zie bescouden.
BESCOUWER (BESCOUDER, evenals omgekeerd
het deelw. bescouden ook bescouwen geschreven
wordt; zie bescelden), znw. m. Mhd. beeehouwmre,
beschouwer. Yan bescouwen 6 en 7). Opzichter^
opziener; het Gr. èniaxonog. \\ Jugen ende wet-
houder makic bescouders, Praet 3329.
BESCOUWINGE (bescauwinge) , mw. vr. Mnd.
beschouwinge; mhd. beschouwunge,
1) Schouwspel. II Al die scaren die te gader daer
waren te deser beacauwinghe ende saghen datter
ghesciede, sloughen hare borsten, Hs. v. 134S,
119^.
2) Godsdienstige overpeinzing (vgl. BESCOUWEN 8).
II Si sach oec die wijl in haere bescouwinghe ende
in haer gebede hemelsche vysioen, Paee. W.^le.
BESCREIEN (ook minder juist bescreidek),zv.
WW. bedr. ; vgl. mnd. besckrien ; mhd. besckriem
(beiden st. en zw.). Beweenen, Met den 4den nr.
van den pers. || Die derde scaer waren sine vrien-
den , die hem {Jezus) bescreieden , He, 80 f 1461.
Hem te bescreien mit sgnre gebenedider moeder,
175^. Nyemant en dorst hem bescrejden, die ii
zijnder passien alsoe zeer hem verblide, Bern. W. U.
Die ffemeyne kinderkens die bescreyden dftt zware
iuc , dat op Adams kinder gheleyt is , mer Cristus die
bescreyet die sunden, die Adams kinder hebben ghe-
daen, 57r. O mine siele , bescreye dinen Here , dLiea
beholder, Brugm. 2, 376. — Als anw. Droefheid,
geween. || Och wat bescreyens moste daer wesei
onder die devote herten nu over Jhesum, . . ut
mit Marien , ald. 379. — Thans nog met den 4dei
nv. der zaak , vooral met het znw. eene faut.
BESCRIDEN, st VfW.\iQ^v.{besereet,heeereiem\
Mhd. beschriten; in het mnd. schgnt het woord ai^
voor te komen. Yan scriden (zie ald.) en verg. BE-
STRIDEN (2de Art.).
4005
BESC.
BESC.
1006
1) BetHjgen^ èeiUmmen, vooral yan lastdieren
gebmikt. || So yloech Joab in den tabernakel ende
bescreet den horninc van den ontaer, Hs, Lett.
11636,/. 165(7. Enen den vroemsten here , die nie,
wanic, ors bescreet, lAmb, lY, 1872. (Hi) bescreet
Fyauwen saen, dat grote ors, Lorr. II, 678. Tien
tiden daden si hem Fyanwe bescriden, 3666. Die
stiere can hi wel bescriden ende gaetne op den
rugghe riden, Nat, BL II, 3830 var. Zoo ook
Lane. II, 37666, 37691, 38837; III, 16649; Wal.
8660, 8414, 10133; Ferg.2^^1 \Bén.\Qn\J)eitkm.
3, 206, 28; f7a>Mlr. I, 603, 714; «i«. — Bescreden
hebben (een ors), ie paard zitten^ op een paard
rijden, \\ (Hi) hadde een wit pert bescreden ,
Lanc. II , 4426. Daer die een af hadde bescreden
een roet ors, 46014. Elc hadde enen duvel bescre-
den, reed op een d., III, 17607 (zoo ook II,
46962; HI, 11557, 17178). Dat hi syn goede ors
adde bescreden, Wal. 736. Tors es stare ende
goet; haddict bescreden gelijc dat gi doet enz.,
Zorr. II, 3663. Alse die den waghene hadde ver-
loren ende bescreden hevet een paert , Sp.I'^^ld, 36.
(Si) hebben maer een ors bescreden, zij zitten op
één paard, Ren. 282. Zoo ook Eleg. 317 , 824. Ene
ezelinne . . . soe hadde die Here met ween be-
screden. Vod. Mus. 2, 409, 12. — Bescreden
hringen, komen aanrijden op een Uutdier. Zieby
BRiNGEN. II (Polifemns) brachte enen drommel-
dael bescreden, Limb, YIII, 1494.
Aanm. — Schrijden, lat. gradi, is wat de bet.
betreft, slechts eene wijziging van loopen. Het is
das verklaarbaar, dat het samengestelde bescriden
den invloed van het gelijkgevormde beloopen onder-
vonden , of althans sommige der beteekenissen van
dat WW. heeft. Zoo bet. bescriden
2) Zich op den hals halen, ontvangen, ondergaan
(vgl. BELOPEN 2, b, y). \\ Die de doot niet en
hadden bescreden, worden dmeestedeel al blent,
Sp. II*, 10, 60 {bf te lezen hadde? Dan is de
doot ondw., en behoort de plaats bg 3).
3) Aanvallen, aantasten (vgl. BELOPEN 2 , £^). ||
Wanneer si werden dns bescreden, soe syn die
sinnen ende die reden soe belast, dat si vergeten
ander salicheit te weten, Hild. 2, 87 (vgl. vs.
82: si syn belegen van hem drien, die op hem
scriden al in een). Die vreese van der doot ende
tsceiden van den eerscen goede . . ende dan die
ziecte . ., dese drie hebse also zeere bescreden,
N. Boet. 2321 {var. bestreden). — Bescreden
met ter doot, tot den dood vervallen, eigendom
van den dood geworden, in het niet verzonken. \\
I>ie tide die wi hebben leden , die es metter doot
bescreden ende die en keert nemmermere, ghelijc
dat die doot niet en keere, Sp. I*, 64, 11 (Vinc:
quicquid etatis retro est, mors tenet).
Aanm. ~ Franc. 10376: „Van den hoofde toten
Toeten bescrijt hi (Franciscus) hem (den zieke) vele
soete,*^ is bescrijt cormpt. Men leze bestrijct. De in het
Gloss. opgegeven bet. van langs gaan is noch met
bescriden, noch met het zinverwante belopen te rijmen.
BESCRIEÜWEN (bescriewen) , zw. ww. bedr.
Van het ongebruikelijke seriewen, waarschijnlijk
verwant met het mhd. schrawe of schraje (Ben. 2,
201; Lexer 2, 784), d. i. sprenkelen, sproeien ',yg\,
het Vlaamsche bnw. schrauw, vuil, smerig (Schner-
mans 601). Besproeien, besprenkelen , bevochtigen. \\
X>ie vnnsch coren minghet met niewen, of dat
droghe met water bescryewen, soe dijnt het ende
-waert te mere vele, N. Boet. 661 en var.
BESCRIVEN, st. ww. bedr, ^nd. beschriven;
xnhd. besehriben.
A. Yan seriven, in den zin van schrijven,
1) Schrijven, beschrijven, opschrijven. \\ In sQn
graf so was bescreven, t^. 1^, 43, 14. Dat
hevet mi wonderlichede , twi dut niet heves be-
screven, III ^, 42, 24. Dattn heves in Mart^ns
leven vaste beset ende bescreven, dat hi seide
enz., III ^, 42, 3. Ie segt, als die mi niet en
vermide . . ; dit dar ie wel bescriven , Vierde Mart.
688. Wat sidi nutghegaen in der woestinen te sien ?
Dese woorde bescrijft sinte Matheus , Stemmen 146.
Dat gi mine leringe altemale vaste in u herte
bescr^ft. Base 123%. Sente Panwels . ., daer wi
af be8(ï^even horen, die teerst een moordadich man
was, Rijmb, 3347. Sinte Pauwels . . in sjjn eerste
epistel, die hi bescrivet totten Corinthen, Oest,
R. f. 24tf.
2) Opgeven (in een boek, een geschrift). || Enten
beesten , daer gheen ghetal gheen boec af bescriven
sal, Rijmb. 4107. Die coninc van Trojen hietPriamus,
sinen name vinden wi bescreven dns, Parth. 1.
3) Iet — , het opschrijven, boek houden van, op
schrift brengen. Deze bet. is bewaard in ons znw.
boedelbeschrijving. || Telken dat die mensce misdoet ,
die duvel bescrivet also saen, als hi die sonde
heeft gedaen, Lucid. 4328. (Ber stede clerc) sal . .
die brieven, die an hair ghesent worden, . . be-
scriven , of die antwoirde dair op bescriven , Matth.
74. Alle die broken . . te bescriven, 76. Des-
ghelycx sal hj bescriven die vreden , die ghenomen
worden; . . oic is hy sculdich te bescriven, wie
die vrede nam, ald. Bescriven die poirteren, die
malcanderen doen daghen, 137. Die excysenaer die
dexcyse vander bronwerie hujert ofte bescryft,
K. en O. V, Bel ft 172, 13. Men ginc besegelen
ende bescriven die soene , Lorr. , N, fr. 26 , 806.
— Ook enen bescriven, hem opschrijven, zijn
naam opnemen, in een bepaald boek noteeren, recen^
seeren. j| Int bescriven van al den volke van der
stede , Invent. v. Brugge 6 , 476. Dat alle die saud
wilden winnen, datse hem zouden commen doen
bescryven , aangeh. Gloss. ald. 28 d. — Ten
Santen bescriven, onder de Heiligen opschrijven,
opnemen. \\ Dits hoe hi was met Sinten bescreven ,
ende hoe dat hi was verheven , Franc. 7731. — In bg-
zondere toepassing gebruikt van het „boek des levens"
(vgl. Openb. 6) , waarin , volgens de voorstelling der
eerste Christenen de namen waren opgeschreven van
hen, die tot de eeuwige zaligheid waren bestemd (vgl.
Ev. Qez. 51, 3). Vervolgens ook in andere gelijksoor-
tige uitdrukkingen. || Dat ick na dit corte leven tot
sgnre blyscap werde bescreven , i&^i. 2666. Helena,
die ten rijcke ons liefs Heren is bescreven, 11770.
Ons bescriven {aldus leze men met de uitgevers) in
des conincs ridderscap sonder enden, Sp. II*, 18,
40. Bescreven te sine . . in Q^ods ons Heren ridders
scare, II*, 19, 60. Ie moet sgn bescreven mettien,
die Cristns gevet dieven, 11^, 16, 16. — In
des dorpers brief bescreven worden,
met een ^ dorper ^^ worden gelijk gesteld, er voor
doorgaan , gehouden worden. || Want woordic logenare
gescouden, so waer mijn ere ende mQn leven in
des dorpers brief bescreven , zoo zouden mijne eer en
mijn leven met die van een dorper worden gelijk'
gesteld, zou er een vlek op mijne eer en mijn leven
geworpen worden, Flandr. I, 781. Zie vooral de
Aant., waar verscheidene soortgelijke voorbeelden
worden aangehaald, en ywg, brief. — In na-
volging van het Lat proscribere ook gebr. in de
bepaalde bet. van op de lijst (der vogelvrfj ver-
klaard en) plaatsen, vogelvrij verklaren; zoo ook in
het Mhd. || Elinatus sprack: Ghi s^jt bescreven
■1007
BESC.
BESC.
1008
ende n lijfis op een groot ghelt gheset. Appollonius
vraechde: Ende wie sonde den prince van sijn lant
bescriven of op geit setten te doden ? Oeat. R. c. 163.
4) Schriftelijk toewijzen. Met den 4den nv. der
zaak en den 3den yan den persoon.
a) In de hoedanigheid yan machthebber. || Dgn
bisscopdoem bescrivic di, Rijmb. 19943.
b) Bij testament vermaken; ygl. ons bespreken ^
en eng. beque^th. \\ Sijn testament verkeerde hi . .
ende bescreef Archelanse trike, 21746.
5) Door een geschreven stuk bewijzen^ of daarbij
verklaren. — Ook in algemeener zin verklaren^
uitmaken, erkennen. \\ Hi (de duivel) salse alle oyer
sijn bescriven, voor de zijnen verklaren^ Praetll77.
Tgoet wil meyster siin bescreven, tot heerseher
verklaard^ als zoodanig erkend loorden^ Fersch. 3,
166, 18 (vgl. bl. 170); Esop. bl. 12, vs. 18.
Wie hem met gheven maect soe bloet, dat beide
sijn hande ydel bliven, men mach hem wel vor
ghec bescriven, OFl. Oed. 3, 108, 218.
6) Door een geschreven stuk, schriftelijk ge/asten
te verschijnen] voor het gerecht dagen; dagvaarden.
Kil. scrip to in judicium vocare. Ook convoceeren. \\
Hoe dat onlanx . . wij mit onsen apenen bezegelden
brieven hebben doen beschrgven op eynen zekeren
dach onsen . . here Adolff . . om crachten end
gebrecken willen, Ngh. 4, 441. Als die Inden
sijn onbekent ende dicke vechten ende kiven, soe
mach die rechter meest bescriven, Hild. 160, 30.
Midsgaders den ghedepnteerden . ., die aldaer
bescreven waren by onzer ghednchte vrauwe,
Invent. v. Brugge 6 , 103. Daer de drie staten van
den lande van Ylaendren vergadert waren np tbe-
sceven (/. tbescriven) van onzen ghednchten neere,
Invent. v. Brugge 6, 32.
7) Toeschrijven, op iemands rekening stellen. \\J}
doot sal men op my bescryven, want had ie by
nwer syde ghewest ten vreselicken stryde , ghy en
waert dus niet vermoert, Troyen 2321.
8) Omschrijven, beperken, navolging van het
Lat. drcumscribere. || Soe machse haer tot hnweliken
state keren oft in suverheden haer selven bescriven
Blisc. V. M. 1901 (vgl. Wdb. op Bredero 496).
9) Uitschrijven, verordenen, vaststellen. \\ Dat
men in den zelven husen hoerjaerghetidebescrive
ende die bega vlitelike, D. Orde 222 en 274.
Melchiades, die bisscop, hiet dat men bescreve haer
jaergetide . . op die seste yde van November,
8p. II*, 4, 137. — Ook in den zin van gelasten,
schriftelijk bevelen. \\ (Een geschenk) ghesonden ter
bmlocht van Michelet Desprez ten bescrivene
{volgens ordonnantie) van mynen heere van Middel-
bnerch Pieter Bladelin, Invent. v. Brugge 6,118;
vgl. de noot aldaar.
B. — Van scriven, in den zin van schilderen.
10) Beschilderen. || Die kemenade, die metgonde
was bescreven altemale. Wal. 2620. Sine camere
{moet zijn) scone bescreven, Sp. III*, 36, 120.
Dat pinioen aen sinen scacht met joncfrouwen
hoefden bescreven, Segh. 4910. Een vergier . .
met beelden bescreven wale , Rosé 137 var. J. den
scildere, van dat hi bewoorpen {geverfd) heiftmet
olyevaerwen tcamerkin . . ., enae dat bescreven
heeft (beschilderd) met scilderien van der wapene
van Vlaendren, Invent. v. Brugge 6, 314. Van
hondert taergen te bescrivene metter stede wapene ,
ald. Int. 132. Van twee beelden te scriveneanden
muer . . ende den mner te bescrivene , ald. 1 , 436.
Van den appelen van den beelefroote te bescrivene ,
3, 173; zoo ook 488. Van den voors. schilden te
bescrivene mpt der stede vapene , 5 , 314. — Een
bescreven cleet, eengekleurd^ veelkleurig kleed,
Zri.Bijdr. 6, 66.
11) Jf schilderen , uitschilderen. || Doe sach hi
bescreven daer, hoe hi ene wednwe berechte, die
haren sone in enen gevechte verloren hadde met
ongevalle, Sp. III', 16, 6. Die ymagie van onser
vrouwen . . , die bi miracle was bescreven, UI*, 5, 65.
12) Bg uitbreiding. Afbeelden, (in kleuren) voor-
stellen. II Dat hi Alexanders ghedane wel bescrive
ende hi hare dat heelde bringhe, Sp. I*, 43, 8.
Ie sende dl in een cleet bescreven mine ghedane
in mijn leven, I^, 17, 17. Na Nidecheit so stoet
verheven Sericheit ende wel bescreven, Bo9e 302.
In dien voet oec van den schilde stoent bescreven . . ,
hoe Daris dat rike van Meden wan . . ; Balthasar sat
daer bescreven (Franck: ghescreven), die tien uden
coninc was bleven, Alex. Il, 1162. — Het vcrl.
deelw. bescreven wordt verbonden met bi. Zie
Tekstcrit. 89. || Hoerre G-oden ende heerscappie
ende alle datsi bedreven , daer was die duv<d bi
bescreven , MLoep III , 229 ; d. i. : , Door al hunne
daden werd de duivel , het toppunt van slechtheid
uitgedrukt; al hun daden vertoonden het uitgedrukte
beeld van den duivel". Leren si oec wel ende
leden quaet leven , so sijn si bi der clocke bescreven,
daer scone lucht nut gaet ende haer selve metten
clepel slaet soe sere, dat so breket ontwee . . ;
leren si qualic ende qualiken leven, so s^n si
biden roeke beschreven, die tfier verdoemt ende
verblint, datter geen lucht en werd heïojii, Luód.
3196. De 2de en de 7de regel beteekenen: ,zj
worden door de klok , den rook afgebeeld , verioonen
het beeld van de klok en den rook , zgn bij de klok^
den rook te vergelijken, er aan ge lij k.^^
BESCRIVER, znw. m. Mhd. besehrUer. Van
bescriven (zie ald. 1). Schrijver. \\ Berechters ende
beschrivers, judices et scribas, Rijmb, 10981. Die
bescriver van desen Croniken, Clere 4.
BESCRIVINGE, znw. vr. Mnd besekrivimge \
mhd. beschribunge. Nauwkeurige opgave; TgL ons
znw. boedelbeschrijving. || Niet daer hnte (uit de
gevangenis) te commene , tote der wilen , dat hy . . .
sine bescrivinghe ende sine brieven np hadde ghe-
f heven , Cout. v. Brugge 1 , 330. Tote der tyt , dat
ie bescrivinghe ende die brieven ghegheven waren
ende vulcommen, ald. Ende hy binder maend . .
de vorseide bescrivinghe ende brieven niet np en
ghave, ald. (vgl. bl. 329: in brieven bescreven al
tgoet dat den deele toebehoert}. — Zie nog eei
voorbeeld op beliïnge.
BESCROMPEN. Eig. deelw. vau het ongebruike-
lijke st. WW. bescrimpen (beschramp, beserompen). Vaa
scrimpen, d. i. samentrekken, verschrompelen; eng.
shrimp. Zie vooral E. Muller 2, 382 vlg. en v^
mhd. schrimpfen (Ben. 2% 217). — Als bnw. ge-
bruikt in de bet. van mismaakt, onkenbaar ,Uekjk;
van het gelaat gezegd. || Sijn aensieht scheen be-
schrompen van tranen, JPau. S. 79c.
BESOROVEN. Eig. deelw. van bescruven, in
bet. gelijk aan het meer gewone verseroven. Zie
VERSCHOVEN en VERSCRUVEN. Achtera f gesst, terug-
gedrongen. II Si twee en mogen niet met vredea
heren stjn van eere steden, want elc wille wesea
boven: deen ofte bede moet sijn bescroren, ^.
I», 78, 37.
BESCUDDEN, zw. ww. bedr. Knd. óeseJkudden ;
Mhd. beschüten. Van seudden, d. i. schudden, lat.
vibrare, quassare (blgkens den ohd. vorm leut^
(Graff 6, 426). De mnl. vormen beseudden en be-
soutten hebben even weinig met elkaar te makea
als de mhd. beschüten en {be)schüt:fe. Oorspronkel^k
4009
BESC.
BESC.
1010
was de bet. van bgseudden , die yan door lichamelijke
aanraking^ handiasielijk^ opmerkzaam maken op de
aamoezigheid van gevaar^ tem. wakker schudden,
hem goed (aan alle kanten = bé) schudden. Ygl. ook
ANESCUDDEN.
1) Beschutten, — a) In het algemeen. Beschermen ,
in bescherming nemen. || (Haar vader) diese na rechte
besendden sent, Lorr. I, 670. Datten bescudde
die reyne maget, Sp. I', 67, 82 var. Die wille
besendden den mensche qnaet, hi orlovet sine
ondaet, II', 87, 188. (Doe) bat si nerenstelike
Gode, dat hise besendde in alle node, IP,46, 67.
Die onscoldech es der daet, salmen besendden met
tronwen, Doet. II, 1364. Hoe hi Jhesus besendden
mochte, Rijmb. 26367. De (dié) dese (moordenaars)
bescnddet, dat hi es haer helper, Stoke Y, 346.
Soe sal onser jeghelic . . den anderen . . helpen
besendden mitter macht, N^h. 2, 116. Die si
bescudden sonden ende te rechte honden, dien
nemen si thaer, Praet 2029. Als onse Here Maria
Magdalena bescnddede (in bescherming nam, ver-
dedigde met voorden), Ès. 80 ƒ. 104<2. Si willen
haer dolinghe besendden met Sinte Panwels leringe ,
Lutg. I, 711. En daet God, hi ware bleven,
diene besendde met siere cracht, Limb. II, 364.
Dat die yan binnen negheenen man yan bnten
besendden oyer portre (iemands aanspraken op het
burgerschap ondersteunen) , of hine hebbe syn porter-
scep ghecocht wettelike ende hine hebbe jaer ende
dach ghewoend binder stede yan Bmcghe, Cout.
V. Brugge 1 , 382. Die misdaden te corrigiren ende
die doghenden (dogheden?) te besendden, Matth.
60. Hi yermeerde seer tkersten geloye ende be-
schndde die heylige kercke, Exc. Cron. b2b. Dat
hi der heyliger kercken rechten beschndden wilde,
67r. Die wel ende yromelike besendden die Roomsche
kerke beide mit rade ende mit werke, Lsp. II,
49 , 68. Te bescnddene al kerstinhede , Amand II,
2012. — Enen iet bescudden. || Hi besendde
hem dat hare ende sochte hare profijt, Vl. Rijmk. 2908.
tScependom is scnldich mit yonnis yghelic syn \yf
ende lit te besendden , Matth. 64.— Ook meteene zaak
als ondw. Nuttig, heihaam zijn. || Wat meest bescud
dit arme diet , quae sunt . . salutaria , Rijmb. 33767.
b) Als rechtsterm. Beschermen, verdedigen. \\ Om
den mensche te bescnddene yoort, sprac ont-
farmicheit dese woort, Mask. 1133. Icbenghereet
jeghen den qnaden, die al hier steet , te bescnddene
den mensche, 377. Wi sonden ohs besendden bat
Tor den keyser int gedinge , dan wi sonden sonder-
linee, Lorr. V, 80.
r) Als oorlogsterm. Gewapend verdedigen.
et) Met den 4den ny. yan den pers. Te hulp
komen, ontzetten. || Om te bescnddene sinen oem,
Cass. 962. Gandgn . . bescudden (d. i. -dene) , datti
danen ontfoer , Parth. 6636. Als die wilde besendden
geme sGrayen dochter yan Paleme, Maleg. 187.
Ie com di bescudden saen, Ferg. 190. Die yan der
stat lieten naer slaen ende bescudden Pennevaren ,
4188. Varen wi bescudden den goeden man, 4166.
Dat se (obf.) hare lief bescudden mach, 4627. Die
portren . . yromelike bescudden den ridder coene,
Idmb. II, 1170. Vaerten bescudden tilike , V , 2146.
Dat si hem helpen yromelike bescudden die
conincginne rike, XII, 327. (Hi) sondene be-
scadden . . jeghen dien coninc entie sine, Ifal.
2348. Dat hi ons te deser dine besendde, of wi
sgn verloren, 7092. Dat hi yan sinen ghesellen
bescnddet niet en was met zwaerden, Sp. iy>, 16,
44. Elc pgnde sere te bescudden sinen here , Qrimb.
II, 2377. Dat ie u jegen die gene al, diet weder-
seggen, besendden sal, Lanc. II, 4969. Die jagers
waren in groten yare, maer Walewein bescuddese
daer nare, III, 11771. Hi sleet daer ene joncfrouwe
soe sere , yaertse bescudden , des biddic n ! 14814.
Omdat ie u bescudden sonde nu. Goddanc, ie
hebbe bescud u, 14884. En yindi niemanne daer,
die u wilt bescudden . ., comt weder te mi,
16876. Dat sine gesellen echt qnamen toe ende
Keyen bescudden aldaer , 19900. Lancelote , die hier
comt met siere rote bescudden die coninginne,
IV, 4601. — Ook met eene bep. met yan. Be-
schermen tegen. \\ (Hi) besendde sinen yader yan
den Sarracinen, Lorr. II, 727. — - Ook wederk.
gebruikt. || Den genen die om last ende nootsaken
wil hemselyen te bescudden, brokich worden,
Matth. 40. Bescut u selven , of u naect toren , Rein.
II , 6796. Hi ware geyaen nu ende doet , en haddi
hem selye bescud niet, Lanc. II, 38492.
^ Met den 4den ny. eener plaats of eener zaak. ||
Verdedigen, besehermen. \\ Die heer Amoude syn
lant wouden helpen bescudden, Grimb. II, 792.
Het lant helpen . . bescudden jeghens elcken man,
793 var. Soe allene met haerre bede bescudde
Parijs . ., dat die Hnnen met gere saken der stat
niet en consten genaken, Sp. III*, 46,16. üholpe
geme die graye yaeliant bescudden . . goet ende . .
lant, Lorr. II, 1067. Omdat de mensche sal sgn
lijf bescudden oyer al, Doet. II, 3299. Naturlee
recht gheorloeft oyeral dat men dat IQf bescudden
sal, 3171. Men sal . ., yeehten om te bescnddene
dat lyf , Melib. 3218. Als die man bescndt sijn
leyen, 3223. Als een her scnldich is sijn open
huns te yerweme, te bescudden ende ontsetten,
Brab. Y., dl. 2 , bl. 460. Een graefscap te bescudden
mitten zwaerde ende . . een gestichte te besendden
mitten ernce, Clerc 4. — Ook met eene bep. met
yan. Beschermen tegen. \\ (Hi) bescudde Bordeeus
die stede mettien stocke yan brande fel, Sp. II* ,
38 , 66. — Met eene zaak (een burcht of ander
verdedigingswerk) als ondw. || Om dat (de burcht)
. . . bescudden sonde dat lant, Lorr. I, 2127.
— Ook wederk. gebruikt in den zin yan zich ver-
dedigen, zich verontschuldigen, || Waert dat yemant
yan ons hieroff siin trouwe yerbrake, . . daer-
mede en moghen hem die ander niet bescudden,
sy en sullen doen alse yoorscreven is , R. v. Utr. 2, 8.
— De onb. wys als znw. gebruikt in de uitdr.
In enes bescudden sgn, toeschieten om iemand
te verdedigen (ygl. bij IN). || (Si) souden hebben
min her Waleweine wech gevord met harre macht . . ,
maer die yanden here binnen desen hebben in
sgn bescudden gewesen, Lanc. IV, 6494.
2) Beveiligen, bergen. — a) Met den 4den ny.
yan den pers. en eene bep. met yan. Redden, be-
vrijden, verlossen. Vooral yan den dood gebruikt. ||
Om hem te bescnddene yander doot, C. en El.
978. Omdat hi yader ende moeder sijn besendden
wonde yan der doot, Segh. 11786. Gi snit van-
der doet bescndt wesen, bedi, haddi gedoet
desen, niemen mochtu bescudden yander doet,
Lanc. n, 6997. Siin pert lach op hem tier stont
Si bescnddene yanden perde , ende hievene yander
erde , 6068. Dat «se yan dode nu ter tide bescndt,
12637. (Die) eneberinne . . besendde yan der doot,
Sp. III*, 46, 26. Dat hem die mensche telker
stat bescudden sal yander doet, Melib. 3227. —
b) Met den 4den ny. der zaak In veiligheid brengen. \\
Die in den yelde syn, dat si nit weder en kiren
omme cleder te besehuddene , L. v. J. c. 196. Hine ga
niet af om iet te besehuddene dat in syn hus es, 199.
3) Bewaren, behouden, zoowel voor een ander
1011
BESC.
BESC.
1012
als Yoor zich zei ven. || Soe wie dat des ^eens ^et be-
scadt ofte onderheett , die gernamt es, Brab. T.^ Dl. 1,
bl. 778. Dat hi des geens goet onderhadde ofte be-
scndde , die geraamt ware , ald. Elc poortre mach
bescadden ziin poorterscip met driewaerf yiertich
daghen te hondene woenst . . . binder stede , Cout,
V. Brugge 1, 299.
4) Lotsen {van verpande goederen). || Dat wi die
Yorgenoemde veerscip ende tyenden alle jare . . .
op sente 'Walbnrghe dach . . loessen ende bescudden
moeghen van den vorsz. heren Jacop ende sinen erfge-
namen, N|)h. 2, 47. Alle jare op sente Peters dach . . .
soe moeghewi se {de tollen) loessen ende bescadden
omme die vier ende twyntich hondert aude schilde
vorser., 50. Dese voergen. tolle . . weder loesen
ende beschudden, 140. Beschndden sijn gepeynde
goedt met geit off met recht, Landr. v. Vel, 28.
4) In beteekenis aan het Mnl. beacutten gelijk
(zie ald.). Schutten^ toeren^ beletten^ verhoeden. \\
£s hi soe vrome, dat hi om sinen broder come,
ende bescndde hier, oft hi mach, den menegen
swaren , groten slach , dien hi ontfaet al hier ter
stede, Lane. III, 11973. Hy wille syne doot
bescadden , dat sy niet en ghesciet , Trogen 10388.
Daer omme nam hy syns goem omme te bescadden
synen droem, om de vervulling er van te beletten^
10403. Dat hy bescadden sal , dat niet opghenomen
en werde by den ghemeenen rechte yet te ghescien,
dat der steden recht teghen draghet, Matth. 62.
Die wysheden . . ., dair men grote laste mede
bescnt , voirhoet , enz. 64. Enich man ... de onscont
aenghenomen heeft te done voer gherechte, de mach
de onscont besendden, eer hi se doet, mit dien
ghelde daer hi om beclaghet was , B. v. Utr, 1,16,5.
— Syn scade heBCuddeHyinaken^datmengeene
echode ondervindt'^ de ondervonden schade {door ver-
goedin§^ te eiachen) herstellen^ keeren. \\ Die rechter
heeft by den boden over al langes der steden doen
condigen, dat ygelic syn scade bescndt, Matth. 162.
BESCÜDDENESSE, -isse, znw. vr. eno.Mhd.
beschutnitee. Bescherming , verdediging. \ \ Ter bewaer-
nesse , bescaddenesse ende bescermenesse van onsen
persoone, landen . . ende ondersaten, Cout. v.
Brugge 2 , 74. Ende hy daer of bescnddenisse der
heyliger kercken begeerde, Mieris 2, 302* (V. d.
Wall 155). Van eenen rechten bescaddenesse myns
lants van Hnesde , dat men heyt ten lantweeringhe ,
Meyl., Belfl. 132. — In onganstigen zin gebruikt.
Het zich verschuilen achter , het listig te baat nemen
van. II Argelist . ., qnade behendicheit . ., be-
hnlpenisse off beschnddenisse geestliken off werlt-
liken rechten , Nijh. 4 , 45. — Zie ook bescutnisse.
BESCUDDER, znw. m. Beschermer^ verdediger.
II Bescndder vanden heyligen gelove, Exc. Cron,
S05b. Die van binnen . . coren minen here Waleweine
tenen bescnddere alle ghemeine, JFal. 10448.
BESCÜDDINGE, znw. vr. Mnd. beschuddinge \
Mhd. beschütunge.
1) Van bescudden^ in de bet. 1). Bescherming,
steun. II Veden . ., dair inne wij ons in bescuddinge
ende beschermnisse onser stede . . gemengt hadden ,
V. d. Wall 550. Oft ons den stryl te swaer viel,
dat wi dan moghen hebben een vaste bescnddinghe,
Troyen Vb. \%b. Off yemant . . der beschnddongen
gesonne, maatregelen van tegenweer, bescherming
begeerde, Njjh. 4, 210.
2) Schutting, heining, verdedigingswerken. || Alle
die bescuddinge der dochter van Jnda hevet hi
neder in die airde geworpen. Es. Ps. 193a. Hi
heeft al hoir tanen nedergeworpen , hi heeft al
hair bescuddinge gesceifelt, ald. 194r.
3) Yan bescudden , in de bet. 4). Lossing van te pand
gezette goederen, inlossing. \\ Wanneer wi . . . die loes-
singhe ende bescuddinghe ghedaen hebben . . , soe
soelen die vorscreven tyenden . . weder aen ons . . .
comen, Ng h. 2, 47. Heen {d. i. bent) de veerthien dagen
der beschudding om gekomen zgn , Landr. v. VeL 29.
BESCULDEN, zw. ww. bedr. Mhd. besehulden.
1) Beschuldigen, aanklagen. || 6hi beschuit mi
hier al thant, dat ie u niet ghelijc en draghe,
Hild. 183, 49. Wilt my voor die lude besehulden,
MLoep II, 3357. Yan eenygher . . mysdaet . .
bescult , Oevf. v. St. Truyen § 47. Wie in liden is
onverduld, ende daerin sinen God bescult, dien
is gheen lof te gheven, D. War. 7, 382, 38.
2) Zich schuUüg maken, begaan, bedrijven. \\ ïy^i
hi desen jongen grave ymmer meer lasts ende
onleden andoen woude , die nye onduecht tegen hem
bescult en hadde, Clerc 145.
BESCULDICS (bescoudich), -ech, bnw. Mnd.
beschuldich. Yoor de vorming vergelijke men be-
bloedich, besondiche. a. Meermalen ook vindt men den
minder zuiveren vorm besculdicut , ontstaan door
verwarring met het deelw. van besculdigen (vgL
de beide vormen besondich en besonduhf). De ver-
bogen vorm besculdichden (d. i, den schuldige)
stelt dezen vorm buiten allen twjfeL Schuldig. \\
Die hem besculdich kent, ontsiet, Bein. I, 53.
Want ie kende mi beschuldich, O VI. Lied. e. Ged,
313, 2350. Weet dat hem daer menich bekende
besculdich, Amand 1, 2922. Die ghene, die in den
voirscreven daghen besculdicht vonden werden,
Belg. Mus. 10, 112. Al waren zy lieden besculdich,
Cout. r. Brugge 2, 159. Dat ie den besculdechden
proeve, ui reus prodatur (de vertaler las bg jer-
giasing probatur), Sp. II*, 15, 58. Syt verduldeelL,
hoe groetelec ghi sijt besculdech. Vod. Mus. 1,
57, 247. Die canoniken die des dootslagfaes be-
sculdich waren, Bienb. ISb. Entes ie bin be-
scoudich {Hs. scoudich; varr. bescouden), dat ea
gheviel mi nemmermere, Segh. 5494. — Met den
2den nv. of het voorz. van. Schuldig aan. \\ Mea
soudse besculdicht houden van den quaden opsette,
Brab, Y. YII, 12027. Yan desen boosen opsette
quaet sijn besculdicht vonden . . een groot deel
riker liede, 12671. Besculdicht worden vonden der
dinghen de here van Haverets enz., 15764. Die
zi besculdicht vonden . . van der onrechter infor-
macien, 17348. Hi hem besculdech t kindedoevan
al dattie cnape seide daer, Lane, III, 4722. Men
sal al clare weten . . dat gi bier af besculdecht
sijt, lY, 8517. Dat hi besculdich wesen nAchvaB
deser begripenesse {vergrijp), Amand I, 54tö.
Want hi besculdicht kende hem dies hi daer
hoorde, II , 5590. Men mochter in verstaen dat
ghijs besculdecht waert mede, Doet. II, 1343 ror.
— Hem besculdich geven, ziek schuldig be-
kennen, verklaren', schuld bekennen, jj Ie gheve
my besculdich , man. Eens hebbic begeven , Belg.
Mus. 6 , 57. So wie dat hem besculdich gheefl vam
dat hi mesdaen heeft, es ghenaden dan wel weert,
Melib. 3432 var. Besculdicht van sonden hi hen
geeft, Sp. II», 13, 45.
BESCULDICHT. Zie besculdich.
BESCULDIGEN (bescoudigen , ook minder jnist
bescultigen), zw. WW. bedr. Mhd. beschuldigen,
1) In de tegenwoordige heX^tketnA-Besekuldigen. \\
Waer een man ghewont . . , daer sal die rechter ende
die ghesworen toecomen , die wonde . . besien , ende
by haren rade dat te bescoudighen , alstmogheljc
is. Mieris 2, 90a {Oorkb. 2, 375a lezen w^ op
deze plaats bescultigen). — Enen besculdigen
4043
BESC.
BESC.
4044
jegen, iemand verdacht maken bij. || Die doe iet
waande hebben mesdaen ende bescaldecbt was
jeghen den ammirale , Flor, 3427. (Si) besculdicbden
den grave Tan Charloys also tegen sijnen yader . . ,
dat lu hem sien noch horen en wonde, ^;irc. Cron. 196&.
2) Iet — . Een onroerend goed met eehulden
bezwaren , geld opnemen op eene onroerende bezitting,
hetzelfde als het meer gewone becommeren (zie ald.).
II 6o wie 80 hans hevet staende np ander mans
(h)erYe, dat huns ne mach hi niet besculdeghen
no becommeren, Cout. v. Gent 478. Zonder dat
(Auie en erf) in eenigher manieren te yercoepene,
ie bescholdighene oite te becommerene, Diericx,
Mém. 2, 541.
BESCÜLDINGE ; ook minder jnistBESCULTiNOE,
znw. vr.
1) Beschuldiging ^ verwijt. \\ Sonder angel der
bescnldinghe teghen de clercken als onvolcomen
byen, Bienb. 41b.
2) Miedrij/, misdaad. || Van allen brneken , mis-
daden ende bescnltingen , Y. d. Wall 400. Dat wij
alle hoir poorteren quytgesconden . . hebben alle
bnieken, misdaden ende bescnltingen , 401. Zoo
ook 376.
BESCÜLEN, st. WW. bedr. Vgl. Mnd. beschuHnge.
Wegbergen, verstoppen, doen verschuilen, in het
pass. zich verschuilen, \\ Datte soe {de kat) bi nachte
in donkeren holen yint mnse, die hare sijn be-
scolen, die zich voor haar hebben verborgen, Nat.
BI. II, 2849 var. (yarr. bestolen, yerstolen).
* BESCULNESSE. Heelu 4822. Verkeerde lezing
voor beseutnesse; zie ald.
BESCULT. Zie bescout.
BESCULTIGEN, BESCÜLTINGE. Zie bescul-
DIGEN, BESCULDINGE.
BESCUMET, bnw. Yan scume, d. i. schuim {zie
ald.). Besehuimd, met schuim bedekt. Met spuwe
bescnmet || Die mont . . was met spnwe al
omme bescnmet, Sp. V, 64, 16 (eig. pleonasmus).
BESCÜT (bescud, bescudt), znw. o., stam
▼an bescudden, en niet yan bescutten, bljkens de
verschillende schr^fwijzen en den yerbogen Vorm
bescudde. Mnd. besehut', mhd. beschut.
1) Beschutting, bescherming, verdediging. Yan
BESCUDDEN 1). || Ten bescndde yan zinen palen
ende yerwaemessen yan zinen lande yan Ylaenderen,
ZVl. Bijdr. 4, 65, Te desen bescndde . . wart
^equetset menech man, Merl. 11164 (ygl. *60 en
'68). Den onderseten ende coiplnden te hnlpen
ende te beschndde kommen, N|jh. 3, 209. (Wi)
hebben hem . . ende sjjn ondersaten . . in onse
^nade, schirm ende beschndde genomen, 4, 73.
Ie wille , dat in n drie si {aan u zij toevertrouwd) al
m^n bescndt, Zanc. II, 10269. Of hem iemen
▼olgede naer , dat (l. dien ?) hi besend doen mochte ,
Maleg, 550. (Hi) yloe in de kerke om te hebbene
bescnt yan sinen liye, Cron. v. Vlaend. 2, 163.
(Maria), die een bescut yor toren es, Blisc, v, M.
2037. Dat hj {de brief) alleen gemaect was tot
enen bescndde, O. R. v. Dordr. 2, 122, 159.
2) In concreeten zin. Bezetting, versterking, ||
Yaerdelike blaset den horen om meer bescnds yan
daer binnen. Wal. 6348. Wine hebben bescnt yan
binnen, 6802. Also tbescudt yan binnen comen
was, worden gescoffiert die van buten das, ende
en mochten jegen hen niet gestaen , Lanc. II , 10497.
3) Exceptie, uitvlucht, voorbehoud. Yan bescudden
6). II Elc ysHUwe betalen zonder eenich bescud,
sans quelque recours, Cout, v. Brugge 1, 586.
BESCUTNESSE, -isse, znw. yr., andere yorm
Toor het meer gewone bescuddenisse (zie ald.).
Verdediging, versterking, steun, \\ Broec, straten
ende graye, ende al daer qnam bescolnesse (/. be-
seutnesse) aye, dat was hem al onweert, sonder
platen, helme ende s weert, Heeln 4821. — De
bet. blaam onder aan de bladz. opgegeven , komt
met den zin niet overeen; bovendien zou de vorm
dan besculdenesse moeten zyn.
BESCUTTEN, zw. ww. bedr. Mnd. beschutten.
Hetzelfde als bescudden 5); zie ald. Schutten, ver-
hoeden, afweren, den voortgang stuiten. \\ Die scnlde
betalen ende die vercoplnge bescutten , Leid. Keurb,
199, 25; zoo ook O. K. v. Delft 1, 22. Daerby
veel pericnlen beschut sullen mogen werdden,
Inform. 264. Als hisach . . die grote . . misdaet,
. . om dat te besentten, soe heeft hi snbtilijcken
nutghescrappet daer ghescreven stont: ghi selt
dat kijnt . . doden , Gest. Bom, c. 20. — Ook met
den 4den nv. der zaak en den 3den van den pers.
of der zaak. Iemand iets afsnijden, onderscheppen,
lat. intercipere. \\ Want die berch bescuttet hare
tlicht, die daer tnsschen staet, Lsp. I, 9, 72.
BESCUTTENISSE, znw. vr. verweermiddel,middel
om vrij te komen van eene op te leggen straf. || Die
en sonde ghiene bescuttenisse hebben van dien
bueten, omdat die bmeke ende die zake upten
kerchove wair ghesciet, O. W. v, Amst. 39, 25.
BESCÜTTINGE, znw. Wenng, demping. \\ Tot
bescnttinge van brande, Wiel Instr. 138, 430. —
Ook in den zin van het afsnijden van den toevoer va»
water ijl). \\ Van slooten ie ruymen, Soo wie beclaget
wort om beschutten , die sal hem moeten (?) binnen
seven dagen , ende en moet hy niet binnen 7 dagen,
soo sal die schoute gaen opten sloet met den
schepenen ende den sloot schouwen , O. K. v. Enkh,
22, 106.
BESCUWEN (besciwen) , zw. ww. bedr. Yan
scuwen (zie ald.).
1) Schuwen, zich verre houden van, een afschuw
hebben van, \\ Sniten af ochte stecse nt, dats be-
schiwe sine gheselschap, L. v, J. e. 133, Aant,
2) Ontgaan, vermijden, ontkomen. || Die wyf...
neemt, om eenlychede te bescnwene daer mede,
i^. I*, 3, 21. So mach hi Uden ongescaet dordie
werelt ongepaet, oft bescuwen oft beweren, al dat
hem mach comen te deren, I", 41, 11. Men mach
bi neghenen wette bescuwen alrehande lette, I*,
73, 13. Hem volgde na die doot ende tongheval,
dat gheen man die levet bescuwen can, Jtijmb.
33046. Om te bescu^vene al wee, sal men drincken
den dnntschen traen (d. i. den wijn), Denkm. 3,
223, 26.
3) Beletten, voorkomen, verhoeden, tegengaan. \\
a) Met den 4den nv. der zaak. || Blentheit maect
den menegen vri, want vele armoeden bescuwet
hi er bi, Sp. Il», 87, 141. (Hi) dede den ontsten,
om dit bescuwen, tlant van Ëenegonwen behuwen,
lY*, 62, 69. Maer hy wille syne doot bescuwen,
dat sy niet en ghesciet, Trogen 10388 var. Om te
bescnwene de zware plaghe van roeve , van branden,
ende doetslaghen, VI. Bijmk. 4931. Haestelic soe
wart ghesant van den paeus een legaet . ., om te
bescnwene tgrote quaet van den tween coningen,
5157. Om te bescuwene orloghen ende scade van
haren kindren , 5796. Om te bescuwene meere scade
van orloghen ende twiste, 5823.
b) Met den 4den nv. van den pers. Beletten,
tegenhütiden. \\ Dese dinghen segghende, mochte
hi nauwe die scare bescuwen, dat si hem niet en
offerden, Hs. 16, Hand, 14, 18.
BESDOM, znw. o. andere vorm voor bisdom, ||
Uten besdom van Ludeke, Lutg, I, 843.
1015
BESE.
BESE.
1016
BESE, znw. vr. bes, bezie, mv. beten, Vgl.
BERE, 6de Art.). Nog heden in het W.-Vlaamsch
(De Bo 1 , 124). || Hy smaect een frojt yan soren
besen, Hild. 116, 54. — Zie ook besie.
BESEBUC, Terbastering van het hebr. BeeUebul,
en gebmikt als naam yoor een Tan de geesten der
hel. II Hets Besebucs cnape of sijn gheselle,
Wal. 8243.
BESEELEN (bezeelen), zw. ww. bedr. (?). ||
Yoirt en moet niemandt brieven doen schreven
dan den stedeclerck, die scepenen bezeelen, O. K.
V. Delft II, 27, 9. — De woorden z^n niet
dnidelijk en misschien niet jnist overgeleverd;
bezeelen zon knnnen zyn öf een andere vorm
voor beeedelen (z. ald.) , óf eene verkeerde schrgf-
wijze voor bezegelen.
BESEENDEN, zw. ww. bedr. Van seent d. i.
iynodtu (zie ald.). Door eene kerkelijke vergadering
beboeten. \\ Dat hi se nutroept, verwaten of be-
zeend , excommuniées ou toumites aux peinet syno-
dales, ghelike haren andren prochianen, Cout. v.
Gent 606.
BESEERT, bnw. Van het znw. seer (zie ald.).
Hetzelfde als beterieht (zie ald.). Bedroefd, ont-
steld, beangst. || Doe hi stont alsoe bezeert, ver-
dnldeiyc an tcrüce al naect, Hild. 236, 68. Des
wort hi beseert int leste, Stoke V, 1110. Die stat
bliift wel verwaert met goeden lieden, tes ghi
keert, en siits een twint niet beseert, Limb. VII,
1668. So 68 hem mede die boetscap comen, dat
die coninc es afgekeert. Doe werd die grave seer
beseert, Velth. VI, 20, 20.
BESEFFELIJC, bnw.
1) Van besef en (zie ald. 3). Voelbaar , merkbaar.
II Siedi dat (^et gezwel) es brunn ende zwart ende
niet beseffelic van (door) den siecken , Jan Yp. 132.
2) Van besef en (zie ald. 4). Begrijpelijk, ver-
staanbaar. II Dns eist beseffelic, alsoet welgheseit
es , ITap. Rog. 322.
3) Gevoelig. \\ Waret (liS) beseffentliken, het sonde
dogen grote pine, Za»/r. itr.Van besef en {zie ald. 4).
Begrijpelijk, verstaanbaar. || Dus eist beseffelic,
alsoet wel gheseit es, JTap. Rog. 322.
BESEFFELIJCHEIT, znw. vr. Mhd. besebelicAeit.
1) Van besefelijc, in den act. zin van verstandig, if^^e
bet. o. a. nit het tegenovergestelde onbeseffelije is
af te leiden (zie ald.). Verstand, inzicht. \\ Die
ziele die den wille en heeft, daer beseffelicheit an
cleeft, 80 moet al ghedoghen die wrake , die quaet
doen gheeft, Wap. Rog. 404.
2) Van besefelijc, in den zin van gevoelig. Ge-
voeligheid, het ontvangen van indrukken, indruk.
a) Van het lichaam. || Bider beseffelicheden der
natneren van den mnsen , die ligghen in de handen.
Jan Yp. 67. Se {de tanden) hebben beseffelicheden,
die welke dat niet hebben andere beeuen , 109. Van
den welken hem {den tanden) toecomt die beseffe-
lichede, 116. Dat mochte seer quetsen die beseffe-
licheden vanden sennwen, 120.
b) Van het gemoed. || Menich heilich mensche . .
die . . bi den hoorne , dats te verstane , sonderlinghe
beseffelicheit nam ane, een buitengetoonen indruk
ontving, Amand II, 3651.
BESEFFEN (beceffen) , onr. ww. bedr., onz. en
wederk. (praet. besief, besoef, besef en besaf, mv.
besieven of beseven, deelw. beseven; vgl. heffen,
(hoef en hief) , en ontseffen (ontsoef)). Mhd.
beseben. Van het ongebr. s effen; Kil. vetus, com-
prehendere, simul capere; mhd. sebe, suop, suoben,
gesaben (Ben. 2, 233a); lat. sapere; gr. óinietv,
Ohd. slechts antseffan , antsebban (Graff 6 , 168) ;
osa. afsebbian {Heliétnd, bl. 2906). Vgl. Halb.
Jant. 230 en Grimm, Gramvi, 2*, 8. Zie ook
beseven.
Bedr. — 1) Met den smaak toaamenen ^ smaken,
proeven. Lat. sapere. Deze bet is in het mnl. reeds
zeldzaam; men vindt haar Belg. Mus. 9, 151,69:
„Daer heeft liefs mont den mont beseven" even
als w^ spreken van het ^proeven van den liefde-
kns" (of moet men het als aanraken opvatten?
vgl. Gr. dnx8i¥) ; en Pelgrim 63rf: „Welcke smaecke,
als hi beseven heeft dat lecker morseel , dan heeft
hi so groot riveel , ... al waert dat dandere niet
en besieven."
2) Figuuriyk. Smaken, ondervinden, ervaren. \\
Helich vader sonder ghelike bekent met Gk>devan
hemelryke . ., dat so hebben wy hier beseven,
Amand IX, 3063. Dat heeft die menighe wel beseven,
Hild. 184, 117. O Troylns, vrient, lek hebbe
beseven een nyen ghepeys, Troyen Vb. 30rf. —
Meestal evenwel öf van aangename öf van onaan-
gename gewaarwordingen.
a^ Van aangename ondervindingen. Smaken,
genieten. \\ Dyne goetheit hebic wel beceven,
V Maagd. 484. Waert dat ie dat (n1. minne) bezieve,
O VI. Lied, e. Ged. 612, 663. Haddi in minnen bet
(/. hiet, iet) beseven, 262, 867. So haddestn Uever
tghewin van ghelde beseven, JVap. Rog. 863. Hji
meer verdoemt, die hem verheft, alse hi die ghifte^
Gods beseft, i^. III*, 65, 63.
b) Van onaangename gewaarwordingen. Onder-
vinden, smaken, gevoelen. j| Dat hi cnme in alsfn
leven eenege siecheit heeft beseven, Sp. I', 28,^
En geen rouwe en mach daer si|n beseven, II*,
6, 72. Nochtan dat haer negheen vor die doot
wee en besief, III ^, 6, 62. (Hg die) anders niet
en hevet beseven dan gevancnesse ende kaerker-
leven, 37, 27. Alsi siecheit beseffen sware, Nat.
Bl. II, 1080. Niene besief (ptfr. besoef) hi demster-
hede {in zijn geziehf), Rijmb. 6442. Hylarion eer
iet lanc besief daer al selken stanc, dat h^s niet
en conde verdragen , II", 18 , 59. Besefstn dan den
vulen stanc niet? ald. 66. Dat vlejsch beseft
gheene qnale, Wap. Rog. 368. Beseft tverlies on-
vrame, 806. Maer wiltn doen sine (sduvels) bede,
dn snls beseffen den onvrede, 1773. Van der smerte,
die hi besief, O VI. Zied. e. Ged. 359, 1305.
Zeericheit . ., die ghi {Maria) beziefl, als ghine
al naect ant cmce zaecht hanghen, 452, 52. Die
coninc groten ronwe besief, Velth. IV, 40, 43.
Ende hevet {de basilisk) die roeke {de reuk vmn mie)
iet beseven, et cost hem te hant s^n leven, Nat.
Bl. X , 697. Naer dien dat ie door di besief de
bittre doot , als martelare , Praet 4548. Si . . moesten
beseffen bede, dat in harre beider lichamen die
ysere vanden glavien qnamen, Lane. IV, 6460.
Die vierde pine, die ghi daer naer ontfinct,
vrouwe, ende besievet, Segh. 8456. Het en besief
alsulck abuselijck meskief noyt herte , Troyen VI.
S5d. Ter hoochster glorien . . , daer gheen contrarid
noch verlangen nymmermeer en wert beseven,
Hild. 160, 296. •— Ook beseven hebben beeft
de onder 2) opgegeven beteekenis; eig. geswtaakt,
met de tong waargenomen hebben, en vandaar
proeven, ondervinden. \\ Es gracie metten quaden
beneven , weder heeft hise niet beseven , Wap. Rog.
891 . Dies heeft hi over {voor) dit verganghelike levei
een gheduerich (d. i. eeuwig) in blyscepen besevea,
Amand U , 6038.
3) Gevoelen, voelen. — a) Door aanraking. IJ Als
nieman bi hem besief, wert hi sere tongemake,
Lanc. II, 5436. Als hi was gelegen ende sIjk
1017
BESE.
BESE.
loló
besief , si waende dat hadde geweest haer lief, 7913.
b) Door werkingen , waarvan de uitwerking zich
in iemand doet gevoelen. De uittosrking in zich
bemerken,
a) Het betrekking tot het lichaam. || Alse Bohort
den slach hadde beseven, Lanc. II, 22016. Dathi
clene quetsinge daer besaf oft negene, III, 3575.
Soe besef hi ene wintswede , die qaam gereet ende
sloech hem int ansichte so heet, oft vier ware,
9880. Stee dine hant in dwater dat siet , ( Jupiter)
en doet (d. i. doe het) di beseffen niet, Sp. 11^,
7, 101. Die heilege lieden heeft hi werpen doen
daer in (d. i. in de kokende olie), dies si en be-
sieven meer no min, 11^, 53, 58. Dies niet en
twint besief dat dier, 11% 18, 68. Zo bezief ie
een scote tot in mir herten gront, OFl. Lied. e»
Oed, 464, 247. Wat hi mach met tanden slaen,
en laet hi altoes niet ontgaen, eer hi beseft den
tant al dare. Nat, BI. II, 823. Alst slne dracht
hevet beseven binnen in sinen buke leven, IV,
566. Wie so steken beseft, X, 687. Als hi hem
daer besief vanden {voelde «6^];itf») metten heiegen
dorboorden handen , voer daer hene al de stanc ,
Franc. 8269. (Si) dwouch hare ogen in dat, die te
Toren donker waren ; te hant besief soe verclaren ,
10178. Nacht ende dach hebbic beseven dyn hande
op mi, dat ie moet beven van anxte, Boetpi. 32,
13. Als hy die wonde heeft beseven, Orimb. II,
5166. Porus versaechde hem een deel , alse hi dien
slach besief, Alex. IX, 646. Die coninc spracmet
staden tierst dat hine tasten besief {hem voelde
aanraken): vlie enwech, onrein dief! sine slaghe
doet hi hem beseffen, Wal. 9906. — Ook met
den 2den nv. of een af h. zin. || Mettien besief ie
dat mi wee de wonde dede die ie droech, OFl.
lAed. e. Ged. 308, 2218. Hi besiefs, dattene vele
hande uter cameren drogen, Lanc. III, 9891.
Tirsten dat Mordret besef das , dat hi alsoe gewont
was, IV, 11989.
^ Met betrekking tot den geest. || Ie sal hem
dranc drinken geven, als hine heeft beseven in
sine herssene, hi sal dan doen minen wille al,
Lanc. II, 15125. Dat bloet liep at sinen wonden,
ende die dode jonge . . ontfingen alle gadere
dieven, alsi dat bloet hadden beseven, III, 6533.
Dat ie besief . . m|jn herte metten wederlichte
ontsteken vierlgc als een brant, OVl. lAed. e. Oed.
320, 171. Die int herte der minnen strael van
Floretten hadde beseven , Segh. 7678. Suete ontfaen,
die den brant van Yenuse heft beseven, Bote C
3521. Beseftet vrese, . . et (stekelvarken) wint
hem te gadre als een bal. Nat. BI. II, 1774. Die
erde beseffet (nl. de macht Oods of Gode), Lucid.
446. Snee, haghel ende wint beseffen al der
maechden kint, gevoelen den machtigen invloed van
Ood, 453. Die dode beseffen mede Gode , 455. Die
hüle beseffet oec eenparlike die macht Gods, 457.
Oec alle vreeselike dieren beseffen Gode na haren
manieren, 461. — Ook met een afh. zin. Inzien. || Als
ie aensach die bloame zoet , bezief ie , dat mir herten
bloet beroert wart, OFl. Lied. e. Ged. 404, 40.
Selve heefti wel beseven {gevoeld of ook ingezien]
ygl. 4), dat hi te spegele es gegeven endetexem-
plen andren lieden. Franc. 1261. In mi hebbic
beseven, dat hnwe woerden stichten, ÏTap. Bog.
1317. — Als wederk. gebruikt, met betrekking
tot lichaam en geest beiden. || Ay mi, ie be-
seffe mi zwaer, gravem me sentioj Sp. 11^, 36,
10. Nye zident bezief ie mi ghezont, OFl. Lied.
e. Ged. 464, 249. Die hem een deel siec heeft
beseven, Lanc, lY, 1143. Gi hebt so verre genesen
mi, dat ie mi beseffe alsoe gesont, als icoitdede
teneger stont, 2169. Dat gi in engenen maniren,
dat orloge en begint antiren , gine beseft u van
desen van algader te boven wesen, 5303. So men
(den nederige) te meerre eren heft, so hi hem
onwaerder beseft. Franc. 3021. — De onb. wijs
als znw. gebruikt in de bet gevoel y indruk. || (Si)
exponeerde se {de woorden) hem so vray, dat hi
begonste eenen ommedray ende een beseffen te
ghecrighene, Amand I, 4292.
4) Begrijpen y inzien, vatten, bemerken ; Iaï. eapere,
II Als hi besief, dat hi hadde mesdaen , Fl.Bijmkr,
2901. Gierbeert hevet dit beseven ende merkte
waer sine scade lach, Sp. lY*, 29, 22. Nu hevet
beseven die bisscop ende claer vereescht , dat hem
seide de heilege geest, dat si martielie hadden
ontfaen, II*, 17, 52. Dat si beseven wel ebben .. ,
dat Fransoys was mettem daer, Franc. 8908. Dies
hi bezief, dat hi van dan cortelike zoude moeten
varen, OFl. Lied. e. &«£^. 460, 115. Doe si beseven
ende sagen , dat se God van diere plagen gehouden
hadde te siere glorien , Litcid. 652. — Yroetscap
beseffen, verstand, begrip hebben. \\ Die noeyt
vroetscap twint en besief, mach weten, dat dat
niet en betaemt, Sp. II', 20, 56. — Dikwgls
ook in de uitdr. beseven hebben, d. i. eig.
gevat, in de hertenen opgenomen hebben, en vervolgens
a) Begrijpen, doorzien , kennen. || Ghine hebt niet
dat spul beseven der aventure, Maleg. 25. Als ie
die waerheit hebbe beseven, aU ik het goed inzie,
die leiden souden tgemein gediet, sy sien wenich
ofte niet, Hild. 6,16.
b) Weten. \\ Oec heb ie die waerheit beseven,
datse duerbair cleder draghen, Hild. 210, 264.
Daer zi noyt af . . profijt ghecreech van eenen
boeteene, dat z^t weet oft heeft beseven. Overzee
121. Sine en hebben savons niet beseven wiet hem
lonen sal oft gheven, dat si smorghens selen eten,
Fad. Mus. 1, 85, 105. — Ygl. bekent hebben,
bij BEKENNEN , bedr. Ib). Met bekennen heeft beseffen
meer dan één punt van overeenkomst.
5) Bemerken, iets wat buiten ons plaats grijpt,
opmerken, gewaar worden. \\ Dies rieden die sonen
bede heymelike omme tsfaders leven, dat heeft
Herodes beseven {^uod praesentiens) , Bijmb. 2Ö932.
Bruun swam , dair hi besief den meesten stroom ,
Bein. I, 851 var. Alse ghi dan hebt beseven, dat
si u meer prisen willen geven dan ghi wert sijt,
Melib. 1763 var. Als hi die sonne beseft, die danne
hebben so starke oghen, dat si die sonne connen
ghedoghen. Nat. BI. III, 104. An die duve men
beseft, dat si hare somwile verheft, om hare
plumen te makene scone, 1097. Alse hi een nat
swerc siet heffen , hi wille dat alle dandre beseffen,
1849. Yan danen over XL milen machmen beseffen
. . haren stroom al in die zee , Alex. YII , 1433. Met
dien heeft hi beseven sinen broeder ende ghesien,
Belg. Mus. 10, 81, 163. Ooc besieven si daer
binnen licht. Franc. 1630. {De tasch) daer si dat
goet in bezeffen, 3599. Ie heb an mine liede
beseven, dat si gerne souden striden, Yelth. II,
10, 36. Daer men in besief bate oft winninge,
YI, 3, 28. Als Bave dit hadde beseven, beide hi
toot sermoen was ghehend, Amand I, 5524. Als
die keyseren dit hebben beseven . ., wilden si
in de were sijn, Sp. II», 47, 4. Die wachters
hebbent beseven, II ^ 47, 63. Dat widoch hebben
beseven, dat hi al noch heeft s^n leven, III*, 32,
71. Alse die bisscop dit heeft beseven, lY*, 50,
64. (Si) en hads twint beseven, dat si te sceeme
was gedreven, Lanc. Tl, 7943. Alse hi sine bcn^
1019
BESE.
BESE.
1020
hief uten watre, hi besief, dat si ges wollen waren,
18769. Dit wert ghewaer die koene deghen ende
heeft den kngf beseven, Segh, 3177. Dezonne,die
znndwart was, wert int oosten weder beseven,
Taf. Lev, Jez. I, 7. Als dit beseven, die ghene
diere buten waren, so waest hem leet, VI. Rijmk.
9144. Hi sloech af in slaghen twee mine arme,
des heb ie grief; si waren af, eer iet besief,
SeffA. 1002. Alse onse Here met sinen ropen
(/. roten) in den Hemel hem verheft . ., alse
dit die mane beseft enz. , Velth. VIII , 27 , 12. — In
het pass. beseven worden, blijken. || Si es de
sorchfuldichste . ., soet es besceven, Bits. v. M.
1872. Datter bi soude sijn beseven, dat over-
horichede dede beven den inghel Lucifeere, Wap.
Rog. 1627. — Het verl. deelw. beseven wordt
met s ij n verbonden tot ééne uitdr. beseven sün,
in bet. gelijk aan bekent sijn (zie ald.), d. i.
het zijn^ in verband met den toaamemer gedacht^
m. a. w. zijn in het alg. || Wy brynghen hem een
suver maecht , die een conincghinne ooc es beseven.
Taf. op 3 È. 46. Gheen meerder vruecht ter
weerelt en is beseven , dan daer man ende wyf in
payse leven, Spreuken 7ö. Bat ie yet moet hebben
ghescreven . ., daer doghet in mach zijn beseven,
JVap. Rog. 1391. Wye dat vroljjc waer beseven,
ende onreyn waer sijn werc, sijn woert, Hild. 78,
93. Waer is Harsilles, die lichste man, beseven?
Fad. Mm. 4, 122. De snlke werdt scepene . .,
daer lettel wijsheit in es beseven, 07' l. Oed. 2,
67, 174 (vgl. Huyd. op Stoke I, 122). — Zoo
vindt men op ééne plaats beseven hebben,
in den zin van hebben^ bezitten^ maar dit voor-
beeld verdient geen navolging. Waarschijnlijk
heeft ook het rijm er invloed op gehad. || Al
heeft hi {een mensch) heilecheit beseven, hets
beter der werelt oncont leven, ende voer Gode
sijn bekent, Sp. III*, 55, 93 (de verklaring van
Halb, Aant. 230: in zich ontdekt^ is onjuist).
6) Evenals zien de bet. van trachten^ beproeven
aanneemt, zoo ook besefen. \\ Nu gaet vort ombe
beseffen , oft gi die tombe op mocht heffen , Lanc. II ,
25226.
7) Gelijk vernemen eerst waarnemen met den geest
beteekent , en vervolgens ook van het waarnemen met
het gehoor wordt gebruikt (vgl. vernuft en hd.
vemunft)^ zoo heeft ook beseffen de bet. van
vernemen^ hooren. || Alsi syn word dus hebben
beseven, Velth. V, 20, 48. Doe die gone dat
beseven, audita factione^ Rijmb. 34554. Als dit
Nero heeft beseven, vlo hi uter port, Sp. II',
85, 104. Als sij die mare hebben beseven, VI.
Rijmt. 8610. Alse Hyrtacus dit hevet bezeven,
80 es hi an Matheuse comen, Fersl. en Ber. 3,
68. Bi der bybele eist wel beseven, uit den bijbel
verneemt men , in den bijbel leest men , Wap. Rog.
1251 ; vgl. 1260. — Deze bet. heeft beseffen ook
in de weinig beteekenende uitdr. heb ie beseven.
II Dese hope langhe te leven, ist vierde punt,
heb ie beseven , dat ons den zoeten smaec beneemt,
Hild. 212, 103. Dus op ende neder proefden si
hem, hebbic beseven, Velth. IV, 61, 64. Een
goet herte en mach niet uutgeven, daer quaetheit
in si beseven, Sp. II", 74, 173.
8) Even als bekennen (bedr. 2) , zoo heeft ook
beseffen de bet. van kennis hebben aan, en verv. in
bijzondere toepassing van den omgang tnsschen
man en vrouw. Fleeschelijke gemeenschap hebben.
II Diene drouch es maget bleven, sijn vader heeft
geen wijf beseven (feminam nescit) , Sp. III" ,
12, 43.
Aanm. — FUvyerw. 18 wordt b es e f f e n gebruikt
in de bet. van doen beseffen ^ d. i. vtededeelen,
doen kennen. || Ie en mach n myn verdriet niet
beseffen. — Of moet men lezen doen beseffen?
Onz. — 1) Qevoel hebben. \\ Wert dat {deksni\
besieve gheliic eenre zenuwen, Lanfr. 19r.
2) Denkvermogen, verstand, begrip hebben. \\ Dat ri
noch sien , no hooren noch beseffen , Amnnd II , 3549.
Fierheit die haer verheft in al dat levet ende beseft,
Nat. BI. IV, 669 var. — Ook de uitdr. beseven
hebben, heeft den zin ya-n besef hebben. \\ Dingen
die sijn sonder leven gelgc als of si adden beseven,
dienden hem, Franc. 6583. — De onb. wijs als
znw. gebruikt. Besef, begrip, oordeel des onder-
scheids. \\ Sint dat hy eerst beseffen ende kennesse
had de, Belg. Mus. 1, 89. Al dat Ood maecte,
hevet kennisse? Jaet . .; al hevet beseffen ia
Onsen Here, Lucid. 438. Dat hi daelt die hem
hogher wil verheffen, dan redene gheift in zgn
beseffen, OVl. lAed. e. Ged. 306, 2164.
Wederk. — 1) Zich gevoelen, van het lichaam;
hem qualike beseffen, zich ziek, naar voelen;
zeer ziek zijn, er slecht aan toe zijn. || Een van
Centurioens cnapen bezief hem qualike ende sonde
hebben ghestorven, ^j. v. 1348, 195tf {Lue. 7,2).
2) Hem bese f f e n , besef, begrip , verstand hebben
(vgl. HEM bedenken). || Ooc 80 keunic u avgs een
deel, so ie mi can beseffen, indien ik het goed inzie ,
dat ghi niement sout verheffen, hi en ware enz.,
OVl. Lied. e. Oed. 286, 1557. Waneer dat zi hem
wel beseffen, aU zij goed bij hun verstand zijn,
so willen zi hem met mi verheffen, Praet 3274.
BESEFFENINGE, znw. vr. Van het freq. he-
seffenen, waarvan evenwel geen voorbeeld is aan
te wijzen. QewaaruHtrding. || Waer omme hets
{de hersenen) een ledt principael, daar alle de be-
seffeninghe hute sprinct. Jan Yp. 39. Hute de
hersinen spruten tule die beseffeninghen van den
mensch, 69.
BESEFFENTHEIT, znw. vr. Van het deelw.
beseffent, d. i. gevoelend (vgl. BESEFFEN 3). Ge-
voeligheid. \\ Onderwilen eist (depolyp) van bruunder
verwen ende lettel beseffentheden ende seer hart,
Jan Yp. 104.
BESEGELEN (besigelen, in dial.) zw. ww.
bedr. Mnd. besegelen; mhd. besigelen. Van segeL
1) Zegelen, het zegel op iets drukken. \\ Waert
dat men onreinleecheden met hare {den zmaragé)
beseghede (/. beseghelde) . . , si splete ende brake
te hans ontwee, Vad. Mus. 1, 395, 25.
2) £ene akte met een zegel voorzien , ten einde die
bewijskrachtig te maken. Dikwijls in de nitdr. be-
segelen ende bescriven, d. i. wtet een segel be-
krachtigen of doen bekrachtigen.Ygl. de uitdr. s e g e 1 e
ende brief. || Men ginc besegelen ende bescriven
die soene , Lorr. , N. fr. 26 , 303. Want den Coninc
goet dat dochte, dede hijt beseghelen ende be-
scriven, Stoke III, 1458 (de var. beseghen is
onjuist; vgl. boven Vad, Mus. 1, 395, 26 ea
MLoep. II, 576 var. Ten onrechte ontkent Hnyd.
daar het bestaan van besegen of beseggen). Kochtaa
wert hoir leven nye beseghelt noch bescreren,
alsoe die menighe dat glosieren, hun leven veri
nooit op zegel geschreven, geautoriseerd, MLoep II,
577.Voirt en sullen die scepenen gheen comenscap be-
segelen, dair enich bant tnsschen gaet ende daer
zy den scepenen in lieghen, O. K. r. Delft I, 5.
— Zoo ook wel te lezen voor bezeelen,«M II,
27, 9. — Ook met den 3den nv. van den pera. ei
den 4den nv. der zaak. Enen iet besegelen,
iemand iets toekennen bij gezegelde akte. || Alsilkei
i02i
BESE.
BESE.
1022
verbonden . . , als ons onse lieden van onser . .
stad besegelt hebben, Brab, T., Dl. 2, bl. 683.
Daer voer besegelden bem . . Wencelijn ende vrou
Jobanna . . . een seker jaergulde, Brab. Y. VI,
7686. {Margareta) droecb hem ( Willem V) op . . .
dese twee lande met ripen rade ende bezeghelde
(nl. hem) die stade, Wrake III, 2238. — Het verl.
deelw. besegelt wordt gebruikt als bnw.
a) In den zin van op zegel^ in de nitdr. besegelt
hebben. || Op snlke alde rechten . . als sij van
onsen voirvaderen . . ende van ons besegelt hebben ,
Nyh. 3, 298.
b)AfgesloteH^ aan het gemeene gebruik onttrokken. \\
Der besloten boegart ende der besigelt bome,
lAmb. Serm, 22b d.
e) Figuurijk. Fatt, bestendig. || Ach, hoe edel
was die lieft! Hoe vast bezeghelt ende bebrieft
was sy! MLoep II, 576.
BESË6ELTE , znw. vr. en onz. Bevestiging onder
zegel y bezegeling^ waarmerking door zegeling. Ook
in concreeten zin gebruikt. Dat wat met een zegel
voorzien i*; gezegelde akte, overeenkomst. Alleen in
de zuidelijke gewesten in gebruik. || Beloeft bi
sekerheden ende beseghelten te hondene ende te
▼ulcommen, Brab. Y. Dl. 2, bl. 416. De copie
van zulken beseghelte ende verbinde, 427. Naer
der ordinancien ende bezeghelte, dat ghi onder-
linghe te gader hebt, 616. Alsulken verbonden
endfe besegelte als ons onse lieden van onser . .
stad besegelt hebben, 683. De betalinghe van . .
achterstellen, daerin dat de stede met beseghelten
Terbonden is, ZVl. Bijdr. 4, 9. Dat die van der
Sluus den lande vanden Vrijen hare beseghelten
overghegheven zullen hebben, 67. De remissie
ende besegelte van den privilegiën , Cron. v. Vleiend.
2 , 63. Mids den bezeghelte van diversen personen,
Invent. v. Brugge 4, 66.
BESEGELTHEIT, -(h)ede znw. vr. ; mv. bezegelt-
hedé. Hetzelfde als het meer gebruikelijke besegelte
(zie ald.). Zoowel in abstracten als in concreeten zin
in gebruik, in dezelfde beteekenissen als besegelte
(z. ald). II So wat letteren . . of besegheltheiden
die hier of zün, Invent. v. Brt^gge 2, 470 (vgl.
Despars 2, 2.). (Dat) die eenige van hem ge-
^heven {hebben) huere bezeghelteden int particuliere,
Nijh. 6, 179. Dat dekin of vinders of bezetters
eeneghe personen bezegheltede gaven of ghescrilten,
Cout. V. Brugge 1, 372. Ontkennen hoerluyder
bantgescrifte ofte besegeltheit ^K.enO. v. Delft 30 ,
4. — Ook in den zin yem het bezegeld zijn , Diericx,
Mem. 2 , 275. — De abstracte bet. bevestiging onder
zegel, vindt men nog bij Hooft; zie JJitl. Wdb. I, 154.
BESEGELINGE , znw. vr. Verzegeling. \\ Metten
zeghele van Sente Jans hoefde gheordonneert ter
bezeghelinghe van den maerctlakenen , Diericx,
Mém. 2, 174.
BESEGELTOCHT (besegeltucht), znw. m.
Hetzelfde als bezegeltheit en bezegelte (zie ald.).
Gezegelde overeenkomst. \\ Dat Jooris van Herts-
berghe . . . sculdich ware te vernoughene de voor-
seide voochden naer tinhouden sjns voorseits be-
zegheltuchts , la lettre qu'il avait scellée, Coitt. v.
brugge 2, 213.
BESECH. Zie besigh.
BESECHEIT. Zie besicheit.
BESEGEN (klemtoon op be). Zie besigen.
BESEGEN. Zie beseggen.
BESEGGEN (beseoen , biseoen) , zw. ww. bedr.
(praet. besegede, beseggede, besegde of beseide;
deelw. beseget, beseecht of beseit). Mnd. beseggen \
mhd. besagen.
1) Iets van of over iemand zeggen, bepaal del^k
in ongunstigen zin, iem. iets te laste leggen, hem
beschuldigen. Met de voorz. van of met. || Hoe
TJlyxes wert beseghet van den moert ende ghe-
leghet op hem oec van Thelamon , Troyen 231. So
verre gaet dat niet en blivet, die paeus Paschalis
en wart beseget van derre dinc ende up hem ge-
leget, Sp. IV*, 36, 62. (Hi) was van erisien be-
seit te Rome ende in hoeden geleit. Franc. 9299.
In hadde hier nembermere u met so hoger dinc
beseit, in hadde wel die waerheit geweten, Lanc.
III, 22897. Worde enich vreemt man . . vanenich
van den poenten voirs. beseeght . . ende hi metter
waerheit onsculdich daer af vonden worde, ^ra^. F.
dl. 2, bl. 618. Waert dat yement van den poer-
teren beseit worde met doetslaghe, van roeve,
van dieften of van enighen anderen swaren be-
roften. Mieris 2, 66a (vgl. 149a, waar men bezeghet
leest in plaats van beseit). Ist dat men hem hier
of besecht ende nyet bewysen mach, Schwartz. 1,
687 b. Si worden ghesteent , si worden beseit ,
si worden becoort, Hs. v. 1348, 263^ (hier schijnt
beseggen absol. te staan in de bet. belasteren , doch
de lat. tekst heeft een geheel ander woord, nl.
secti sunt, d. i. zijn verwond, Eebr. 11, 37).
2) Van seggen, in den zin van scheidsrechterlijke
uitspraak (zie ald.). Door een zeggen beslissen. \\
Hoet dan die gheswoeren scheitslude scheiden ende
beseghden . , . , dat sal ellic handen ende voldoen
sonder arghelist, Ngh. 3, 36. — Ook met den
3den nv. van den pers. en den ace. der zaak.
Iemand door eene scheidsrechterlijke uitspraak iets
opleggen. \\ Wonde die ghene, daer men op claeghde,
der saken aan den ghesworenen niet bliven; of
bleve hi wael der saken aen hem ende richte (d. i.
herstelde) doch niet des si hem beseeghden , Nijh. 2 ,
114 (vgl. 8, 33). So wes hem die geswoeren
richtsluden beseggheden of bezegheden . ., dat
sal hi houden in allen vormen ende vorwarden,
3, 36; vgl. scheiden ende beseghden, ald. — In
het pass. gebruikt. Door eene scheidsrechterlijke
uitspraak in het ongelijk gesteld worden. \\ Wilker . .
van ons beyden biseghet wert, die sal bi siinen
eyde dat richten . . sonder wederseggen, Ngh. 1,
246. So wat die ghesworen segghen binnen der
vorgen. tijt . . , dat sal die ghene van ons . . .
die beseecht wurde , handen ende daer af voldoen
in allen manieren . ., alse hi des van den ghe-
sworen beseecht wurde, Nijh. 2, 120. So wes wi . .
in der maten voir geclairt van den voirscr. punten . .
beseegt selen werden , dat onser yegelic den anderen
dat volcomelic houden ende voldoen sal, 3, 219.
Met den 3den nv. van den pers. en den 4den der
zaak. Iemand iets toewijzen, toezeggen, beloven
(vgl. Lexer 1, 200 en Graff 6, 102; bisagen,
aMicere). Hetzelfde als het meer gebruikeiyke
beheten (zie ald.). || Desen beseide Godteghevene
dat lant, dat hi in haren levene Abraham, Ysaac
ende Jacob mede belovet hadde, Sp. I*, 8, 43.
4) Het verl. deelw. beseit of beseget wordt
in het Mnl. gebruikt in denzelfden zin als het
meer gewone be va en (zie ald.). Beeds inhetohd.
komen de twee deelw. bisaget en bivangan vereenigd
voor (Graff 6, 103). Zoo ook beseit en bevaen in
volkomen denzelfden zin, Z. o. U. 1697 : „Dat daer
ne was niemen, hi en ware doch met souden
beseit ende bevaen." By Graff wordt de vereenigde
nitdr. vertaald door irretitus , d. i. verstrikt, hetgeen
den zin van de plaats uit L. o. H. zeer juist
weergeeft, en ook volkomen past Stoke V, 1107
var.'. ^Her Jan voer, ende voerde mede van sinen
4023
BESE.
BESE.
1024
Treenden . ., die hi betronwede alre beste; dns
bleef hi beseit int leste.^' — In den goeden zin van
b e y a e n , nl. voorzie» va» , begaafd met^ vinden wj
beseget, Sp, III*, 45, 43: rt^\^ met crancker
spisen daer gheleyet hadde LXXX jaer, endeyan
snlker doget (d. i. kracht) beseget, np wien bi
die bant leghet . ., dat hine van alre ziecheit
quyt, lat. (summam gratiam eonteeutut).'''' De ver-
klaring yan De Jager, Freq. 2 , 855, als zon beseget
hetzelfde zyn als be^ege»et^ d. i. gezegend ^ is
onjuist, daar he»edictio nooit eege is, maar wel
eege»,
Aanm. — Beiegge» kan niet de bet. hebben
yan weigere»^ ontzegge»^ die met de gewone
opvatting in l^nrechten strijd is. Bmgm. 2, 255:
„Die mensche mach hem wel beanxten, dat hem
God sinen (/. sine) barmherticheit beseggke» of
weygheren sal,*' leze men daarom versegghe». Be
en ver worden meermalen in de Hss. verward of
voor elkander gelezen.
BËSEIKEN (beseken), zw. ww. bedr.Mnd.3f-
seieAe»] mhd. beseicke». Yan het nog heden in de
platte volkstaal gebmikelyke zeike». Bepiste»^ be-
watere». \\ (Dat hi) mine kindre so (hevet) mes-
voert, dat hise besekede, daer si laghen datter twee
noint meer ne saghen , B£i». 1 , 74. Nat beseyket, II ,
6535 var. — Ook als wederk. gebruikt. || Die
ghene die hem beseiken op dbedde, M, e» Vr.
Heim. 1971.
BESEINDEN. Zie besenden.
BESëINEN, zw. WW. bedr., andere vorm voor
besege»e». Vgl. rei» voor rege», berei»e» voor be-
regene»^ enz. Knd. be»ege»e», Yan sei»^ in denzin
van hei teeke» det kruites (zie ald.). Het teeke»
dei kruitet make» over iema»d of iete.
a) Met den 4den nv. van den pers. Zege» over
iema»d afsmeeke»^ vooral bij eene plechtige wijding,
wijde», jl Alle baden si ende wouden , dat si doepsel
ontfaen souden, ende hi beseinedse ende belas,
also alst costume was, Sp. III*, 42, 63. Ygl.
BELESEN en BENEDIËN , en Halb. Aa»t. 94.
b) Met den 4den nv. der zaak. Eer aa» iet» be-
wijze» ^ het vereer e». \\ Dat vule, dat in haer ore
stac , beseinden si indier gebare , alse oft sacrament
dat ware, lY», 70, 62.
BESEKEREN, zw. ww. bedr. Mhd. besicher».
Yan eekere» (zie ald.). Iema»d of iets zeker maken,
verzekere».
1) Iet — , beveilige». || Een goede slnyse . . alsoe
sterck ende vast , dat ons ende onsen raeden dunct
datter onsen lande wel mede beseeckert is, Mejl.
Delfl. 66.
2) Enen iet — , Iema»d iet* verzekere», hem
zekerheid geve» va», hem plechtig belove». \\ Dit
besekerdense hem aldaer ende vele stucken over-
waer, die si onlange selen houden, Yelth. lY,
63, 27. — Ook met een ace. c. inf. , in navolging
van het Latgn. || {Wij) besekeren, ons ende onse
erffnamen . . ummermeer te saeme te blyvene ende
een man te wesen, Oorkb. 2, 2196. Dit hebbewi
gelovet end besekert bi kurstenliker trouwe , Oorkb.
V. Qeld. 1038 quater.
3) Met den 4den nv. van eene vrouw. Verlove»
aa», o»der eene plechtige verklaring met iema»d
verbi»de».\\'D9X een {dat.) onser borgher eenjonc-
frowe off eene vrowe besekert oft bi schoei ^cacker
(/. bischoelscattet) woerde ter echtscap , Overijs. R.
I', 8. Weert sake, dat een onser borger een
jonffrouwe off een vrouwe besekert off beschol-
scattet worde ter echtscap , ald. 105. Ygl. sekeren ,
YERSEKEREN en Toalb. 2, 18.
BE8ELEWEN. Zie besaluwen.
BESELSGAP, znw. o. Eig. gezelschap: ook ^
bruikt in de bepaalde bet. van huweliji. |] Dat
vrou Jacoba onbehoorlic gescheyden was Tan hertogv
Jans beselscape, Exc. Oron. 171c. Ygl. het md.
WW. sik beselschoppe» en het mnl. hem vers ellen,
d. i. trouwe».
BESEN, zw. WW. bedr. Hetzelfde tls htafen.
Oebruike», aa»wende». \\ Yan een kercsperre, die
hy op den toern beesde , Eek. d. Buvrk. 201.
BESENDEN (beseinden), st. en zw.w^.bedi.
besa»de en bese»de, besant en besonden)-, Kbd. k-
se»de».
1) Enen iet — , aa» iemand door et% hnèi
late» wete». \\ Dat ghy al denghenen . . van onsen
weghen beseynt, versoeckt ende beveelt, dat si.,
sonder vertreck . . die grechte . . doen volcomeUcke
ruymen, Gesch. v. A»tw. 1, 480.
2) Enen — , omienui»dze»de»,henio»tbietléiL\\
Die heeren hy doen besande , die gheme tot hem
quamen , doen si die reden vernamen , Sen. Il,
1094. Soe hat hi . . sinen heere, sinen broeder
besonden ende die vreemde heeren, Brab. r.YIl,
12452.
3) Enen — , iemand zenden, afvaardigen. \\ Oec
machmen besenden die comendner van Ermenien
ende van PuUe , D. Orde 275. Die coninc . . sende hea
Y galeyen mit veel groter scepen , daer hi hem mede
besende siin ammirael, Clerc 158.
BESENGEN (besinoen) , zw. ww. bedr. en oni.
(deelw. besing(e)t en besinci); mhd. besengen.
Bedr. — Zengen, verzengen, verschroeien, z»tri'
branden. || Het {dier) warp tfier nt so groet, dat
hire hem met besingede . . den scilt enten hals-
berch bede, Lanc. III, 3869. Datter een hser af
besinget si, 4904. Yan ere blixeme . . sowerdhi
daer al besinct ende verbemt te pol ver al, Yelth.
YIII, 9, 43. Die blixen si doet al, want tlitekei
si mede bring^t, want et is altoos besinget daer
dusdane dinc gesciet. Natuur k. 774. Nochtan ae
was hem daer selfs niet besingt een haer, Frsac.
9391. So en ware . . huwen hals niet so hacrde
swart bepeket no bezinghet. Brand. 1001. —Het
deelw. besinget wordt ook als bnw. gebrnikt
in den zin van pikzwart (vgl. in het laatste tow-
beeld: bepeket no bezinghef). \\ Eenen Sarra^a
swarter dan een besinget sw^n, Sp. TV*, 25,19
{Brab. T. II, 3744). Die bezgnchde capellaei,
Brand. 1007 en 1485 (in H. vs. 948 en 952 staat
ten onrechte besinghelt). Die scillen van den boe»
die is al swart besenghet, Mandev. 29d,
Onz. — Zengen, door de aanraking met vitnr of
vlam zwart worden. || Dan hem die vederen be-
singhen. Nat. BI. YI, 178. Daer soe grote Tlanane
of quamen doe , dat haer scilde besingeden , X^-
III, 7639.
BESEREN, zw. ww. bedr. Mhd. besiren.Ya
het znw. seer (zie ald.). Zeer doen; leed, snert ^
verdriet veroorzaken; pij»ige», kwellen.
a) Yan lichamelyke smart, van pyn; noghedea
de gewone bet. van bezeere». \\ (Honde) die enes
man aldus beseren heymelike sonder hoede, Hild.
87, 22. Ghi beteret (/. beseret) mi 80C8er€',(»D«B
vliegen soe sere biten? lAnib. IV, 1036. — ^
onb. wgs als znw. gebruikt Pijn, smart. |] Si
volgen al der valscher bellen den rechten wech ter
leider hellen in dit lange beseren , daer die doTelea
. . . die sielen swarlec scellen , tierde Mart 3^
Alse dat vuele valsche bloet liegen sal in dife
gloet in dat lange beseren, 488. — Een ziecte
van beseren, eene pij»lijke ziekte. |) Daer k«p
^\
^025
BESE.
BESE.
1026
is neghien, dats een riecte yan beseren, Hild.
242, 28.
6) Schade doen, henadeelen. \\ Bie jnecht heeft
menich man beseert, eer hi wiste waer M was,
Hild. 70, 222. Wat der zielen (/. die ziele ?) mach
bezeren, dat wil ie schnwen ende ontberen, 260,
74 Als ehi om myede recht yerkeert, daer ghin
ziele mede bezeert, 121, 137. £e7ser,coninghen,
ander heren, die hoir ejghen volck beseren, 75,
107. Haer mesdaet heeftse ghenoech beseert. Vod.
Mum, 1, 69, 71. Die netel ... planten onder tgoede
ceem, daer die vrucht om wert beseert, 84, 21.
— De onb. wijs als znw. gebmikt. Schade , nadeel, \\
Dats een anxtel^c bezeren ende onyerwinlike schade ,
Uild. 234, 244. — Ook als wederk. gebmikt. H e m
bes eren, zich benadeelen, zich rampen op den haU
halen. || God late hem maken selc gespan, dat hi
ijde Hertog van Brabanf) winnen moet den dan,
ende hi hem niet en hesere. Vierde Mart, 623.
BËSERICH, ook (in minder zniyeren vorm, op-
gevat als het deelw. yan beeerigen) besericht (ygl.
óeseuldieht^ besondicht). Hetzelfde als hetbnw.be-
s e e r t (zie ald.). Bedroefd , onteteldj beangst, || Dinct
oyer die s^n leden , ende laet msten dinen sin , wes
niet bezerich altoes daerin, bedroefd daarover,
OFl. Ged. 3, 113, 38. Ie ben kejrtiyich worden
ende . . erom . .; besericht ghinc ie alden dach
inne, Vad. Mue, 2, 440. Eens heylichs mans hart
wort besericht, als hi penset waer hi was, waer
hi is ende waer hi wesen sal, Faee, W, 70c.
Samuel wort besericht ende riep totten here al dien
nachte, J). B, I Am. 16,11. Dit en mach Jonathas
niet weten, dat hg machschien niet en worde be-
sericht, 20, 3. Jonathas wort bezeericht om Dayids
wille, ald, vs, 34. Dayid wort seer besericht, want
tTolc wonde hem stenen, 30, 6. Dayid wort be-
nericht, om dat die here Ozam gesleghen hadde,
II Sam, 6, 8. Gkmck eweech in payse ende en werde
niet beseericht, Vaderb, \llc, 6hi snit bezerecht
w^erden, maer nwe zerecheit sal werden ghekeert
in bliscepen, Hs. v. 1348, 138^.
BESERIGëN, zw. WW. bedr. Hetzelfde als het
meer gebrnikel^ke beseren (zie ald.).
Kwellen, bedroeven, overlast aandoen, || Dn en
salste den toecomelinghen niet bezeerighen noch
qnellen, J), B, JSxod, 22, 21. Hi sal mitti wonen
in die stat die hem ghenoghen sal, ende hi sal
rusten in een yan dinen poorten, ende en be-
xeerichts niet {ne contristes eum), Beuter, 23, 16. Den
w^esen {enJtv.) ende die wednwe en wilt niet beserighen
noch en yerdrnctse niet ongherechtelijc , Jerem, 22, 3.
Si hebben . . die weese ende die weduwe besericht ,
Szeeh, 22 , 7. Dat hi besericht den maten ende den
armen mensche, 18, 12. Dat menne nyrgherincks
in en beseerichde, Vaderb, 147a. Palemon en
w^onden nyet beseerighen, als sijnen lieyen sone, 166^?.
— Enes saken beserigen, iemands zaken be-
AeKTtigen, ter harte nemen (eig. door iemands toe-
aiand verdriet gevoelen) ; yertoling yan lat. aliaffus
vicevt dolere, || Nieman en is yan u Inden, die
mioe sake besericht (in onze yert. dien het wee
doet van mijnentwege), D, B, I Sam, 22, 8. Ghe-
benedyt soe moeti wesen yanden Here, want ghg
besericht mine sake , dat gij u over mij ontfermd
Aebe, 23, 21.
BE8ET, ook besette (de yerb. yorm besete
behoort by besit (zie ald.)), znw. o. Mnd. beset\
mhd. beséz.
1) Van besetten, in den zin yan met gewapenden
voorzien (bedr. la). Bezetting , garnizoen ;\eii. proest-
dium. II Dat beste besette . . dat s^n goede liede
ghetrouwe ende sonderlinghe ... int besetten yan
eenre stat, Melib, 2422. Ygl. het fr. establie, d. i.
garnizoen,
2) Yan besetten, in den zin yan een ambt ver-
vullen (bedr. \b\ Benoeming, \\ Dit bezet {van
twee priesters) bliyet staende an ons ende an ons
oer, Oorkb, 2, 411a.
3) Yan besetten, in den zin yan omsluiten, be-
legeren (bedr. 3a). Beleg. \\ Oec waren daer andre
redenen toe, dat men dbeset liet yaren doe,
Brab. T. Y, 2867. Soe was dbeset te hondene
zwaer, 2866. Na topbreken sbesets, YII, 8891.
Beide yoetganghers ende te paerde, als behoort
ten beset yan Malpertuus, Éein, II, 3764 (uitg.
Willems).
4) Yan besetten, in den zin yan beslag leggen op
een persoon of zijn goed, arresteeren (bedr. 4tf).
Gijzeling, arrestatie, beslag, || Gheen pander en
mach hebben meer dan II se. yan elcker maningen ,
II SC. yan eiken beset, Recht, v, JJccle 8,41. Fan
beset. Wie den anderen beset enz. , Leid. Keurb, 26,
7. Noch beset, So wie men beset enz., ald,
6) Yan besetten, in den zin yan beschikken,
regelen- (bedr. 9b), Bestel, beschikking, beleid,
bestuur. II Omme raet te ebbene . . up dbeset yan
den orloghe. Bek, v. Gent 1, 418.
6) Eene iemand bij uitersten wil opgelegde ver-
plichting, verbonden aan eene ten gunste van hem
gemaakte bepaling (modus). Zie besetten 6^ en 8).
II Oyer tbeset yan eenen disch alle iaere te rech-
tene yan hondert ende twintich broden , Invent. v,
Brugge, Gloss. 66a. — Ygl. DiSCH.
BESET , bnw. Eig. deelw. yan het ww. besetten
of hem besetten,
1) Yan besetten, in den zin yan van menschen
voorzien (bedr. 1 a). Met menschen bezet, bewoond. \\
Eist dat tlant sal sijn beset, tfolc moet houden
Moyses wet, BJjmb. 14174. — Ygl. beseten.
2) Yan besetten, in den zin yan vastzetten (bedr. 4).
Met eene bep. met in. Vast in iets, in iets ge-
worteld. II Tfolc en was nie so wel beset beyde
int gheloye ende in die wet alst heden es op desen
dach, Teest. 490.
3) Yan besetten, in den zin yan in orde brengen
(bedr. 9). In orde gebracht, ordelijk, en bg uit-
breiding
a) Kalm , waardig , wijs , deftig, Ygl. Kil. beset,
compositus, decens, en het lat. compositus yan com-
ponere. || Almeest hebben si (de hoovaardigen) een
zwaer (jgravem) wesen yan buten ende een rgp
besedt aenscgn , Ruusb. 4, 278. Blide yan herten, wijs
yan rade, yrolijck yan woerden, beset endewiselijc
in allen seden , Pass. W, \9c. So hoert mi , gi besette
mannen (lat. sapientes), D, B. Job 34, 2. Besette
woerde zgn als een hoenichcoene (/. roete? coeke?
lat. /awM meilis), Hs. v, 1423, n&d(Proverb. 16, 24:
composita verba). Die sotte en betamet niet besette
woerde, 177* (Proverb. 17, 7). (Hi) waert soe
beset in seden ende alsoe yeryult mit gracien,
Vaderb. 12b,
b) Netjes, beleefd, beschaafd, \\ Si {de minne)
es soe hoyesch ende soe beset, si sonde mi onst
yan herten scincken. Vod. Mus. 1, 383, 69. Ygl.
onbeset, d. i. plomp (Yelth. I, 38, 43; e. e.).
4) Yan hem besetten, in den zin yan zich plaateen,
zich vestigen (ygl. bedr. \\d). Gevestigd, woon-
achtig. II Maria bleef daer beset met haerre nichten
Elyzabeth, Sp. !• , 40, 33. Ygl. beseten. — Ook
in fig. zin gezegd yan den nijd, die in iemand
huist, zich ophoudt, \\ Sonde yan gheenre zake en
heeft zo gherechte wrake als niit, want hi dien
33
1027
BESE.
BESE.
4028
zelven et, daer ld mede is beset, Lsp, I, 27, 97.
BESETEN, deelw. bnw. yan betittm. — 1) In
de uitdrukking Beseten baeren, Ingezetenen'^
pertonen die hoewel geen burgers , aU inunmers der
stad zijn toegelaten^ hd. en mbd. besëzzen] mnd.
beseten. Ygl. BESITTEN, onz. 2). || Dit machm^n
yertugben ofmen yersaken wilde mit enen raet-
manne of mit twe borgbere of mit yier besetenen
baeren, Stadb. v. Oron. YIII, 28. — Elders en
gewoonlijk goede liede genoemd.
2) Bevolkt y volkrijk, \\ Dese stad, nocb doe si
was beseten wale , multa plebium generositate referta^
Sp. !!•, 36, 31.
3) F'an den duivel bezeten ^ bezeten ^ krankzinnig.
Vgl. BESITTEN (bedr. 6). || Van enen beseten
menscbe, daer die yader om bat, L. v. J. c. 129
opschrift (ygl. ald.: de qnade gbeest heften
beseten). Jbesns ghenas beseten liede yele, Lsp.
III, 36, 497. — Ook als znw. Een beseten (in
den sterken yorm), een krankzinnige. \\ Die enen
dnyel nat enen beseten sijns yaets {lichaam) eens dede
yergeten, Sp. III ^, 26, 3. Eenen besetenen, i^.
m«,9, ö.
BESETHEIT, znw. yr. Van beset, in de bet.
deftig y waardig (zie ald., bnw. da). Waardig-
heid, wijsheid y deftigheid. \\ Hi gheyet hem oec
besetheit in heylicheit om te leren, Pass. S. Sla.
Si was orberl^c den anderen in wandelinghen , ende
eersam in besecheit (/. besetheit) yan seden ende
Gode ghennechl^c oyermids hemelscher bescoa-
winghen, Ned. Proza 281. Mit besetheden aengaet
men den strQt, Hs. v. 1423, 183 c (ygl. D. B.
Proverb. 24, 6: Mit besetheden ontgaet men enen
strijt).
BESETMAN , znw. m. Persoon aangewezen als ver-
tegenwoordiger bij het verlij y de hulde, eed en man-
schap , van een beleende, die om zijn stand , leeftijd ,
kunne, zelf daarbij niet kon optreden, b. y. eengeeste-
lijke, eene vrouw, een minderjarige', ygl. Bort,
Tractaat v. h. Hall. Leenr. VI, 2, § 38 ylg. Het
woord zal komen yan besetten, in den zin yan be-
kleeden , nl. iemands plaats.
BESETTELGELT , znw. o. De kosten van het
arresteeren van een persoon otvan het beslag leggen op
goederen. || Enich man of yronwe die bezat worde ende
qny t ghededinct worde yoer den scnlten , die sal qait
wesen , ende wye yellich wort yoer ghericht , die sal
dat besettelghelt gelden , Stadsr. v, Zwolle 165, 317.
BESETTEN, zw. ww. bedr. en wederk. (deelw.
beset of besat). Mnd. besetten; mhd. besetzen,
Bedr. — 1) Bezetten, vullen. \\ Elc yan desen
{partien) ... es beset met maenden drien, bevat
drie m. , Lsp. U, 64 , 66. — Vooral in de yolgende
opyattingen.
a) Van steden , landen , enz. Bezetten met mensehen,
bepaaldelijk met gewapenden, zooals nog heden. ||
Dat hi yare te Marberoen ende dat besette, Parth.
6352. Doe dede die coninc die stad besetten ende
yoer wech, lAmb. V, 455.
b) Van ambten, posten en derg. Vervullen. \\ (Hi)
besette die sciltwachten ende hietse wale wachten,
Alex. rV, 1293. Doe ginc men . . . hare wet be-
setten met coningen , hunne overheidsposten vervullen
door de verkiezing van koningen. Vierde Mart,
660. Commodus beyal Philippe, enen groten here,
dat hi der baelgie ere t Alexandrien besetten yare ,
de rechtsmacht ging uitoefenen, S^. II*, 57, 2. Meester
Gillise . . , die yoer te Parys ward smaendages . .
omme daer te hondene ende te besettene tghedinge
yan Risele , Douay ende dat daer toe behoord ,
Bek. V. Gent 1, 53.
c) Toerusten, van het noodige voorzien, || Andre
yele coninghe goede heyet Paris al ghescaert wel
beset ende bewaert, Troyen 5783. Die orssen wel
yerdect , die banieren wel beset , goed voorzien, goed w
orde , 5787. Die warenesse daer men met een huns of
een stat beset, die snn in yele manieren, MelU.
2418. — De onb. w^s als znw. || Dat beste besette . .
dat syn goede liede ghetrouwe ende sonderlinghe . .
int besetten yan eenre stat, 2422.
d) Vervullen, voorzien. \\ Den heiegen scat met
ons heren bulle besat, Franc. 7985. Onse Hen
hadde u so wel beset . . yan allen dogeden , Lome. IT,
5070. (Die Sassen) bekenden hare schulde . . ende
lieten hem besetten ghewillichlike met {zij lieten ziek
gewillig geven) kerstine wetten, Sp. tH', 90, 65.
2) Bezetten, in bezit nemen, aanvaarden. \\ Dit
is des süsmeysters eedt yan den hoppensps ende
sell hy doen als h^j snnen sgss beset, IL v. Utr.
1, 288. Satanas kynder . . . hebben die moai-
borie allene beset, Overzee 20.
3) Met de praep. be , in den zin yan otmringiitg
(ygl. BE6RIPEN e. a.). Omzetten, owuingelen.
a) Van steden, burchten en derg. Belegeren,
insluiten. \\ Dus waert Anthiocien die stat beleghea
ende yaste besat, Brab. T. III, 1183. Den tempel
te besettene al omme met al den here , Bijmb. 33523.
So nauwe was besat Brugge ende oec elc gewat,
dat hi niet oyer comen en mochte, Sp. IV*,
56, 90. Met desen yolke wart Antyochen . . .
beleghen ende yaste besat, IV', 14, 2. — De onb.
wgs als znw. gebruikt. ^^£?ymM^. II Énen casteel.,
soe stare, soe yast, dat hi bidien no besett«n noch
here ne darf ontsien , Lanc. TL , 24551.
b) Van de belegerden zelf. j | Dat hi besetten wilde . .
die in Dayids torre waren , Bijmb. 19323. Adelaeri
wert geleit in een kamer en beset yan de heeren,
omdat hi hen niet ontgaen sonde, Heemst. 37.
c) Fig^urlyk. Omeluiten, afbakenen. \\ Recht
yonnesse dat es beset ende ombeloken metter wet ,
Heim, 1515.
d) In het nauw brengen, benauwen. \\ Alse
Lanceloet gesceden was yanden castele yan der
Charette , dame Morguein soe besette met dreigea
ende met herden worden . ., dat hi maecte sine
yart recht yort te Earmeloet wart, Lanc. II,
19597. (Doe) wert al Judea jammerlike met orlogea
al omme besat, Sp. II*, 3, 5.
e) Beperken, bekrimpen, inkrimpen, \\ Men yint
dit yan Tpocrate, dat hi beset adde sgn eten so
nauwe met ende beseten {var. met yasten nanwei
dyeten), dat hi so clene at ende dranc, dat hi
ward yan liye cranc, Heim. 916.
f) Kwellen, overlast aandoen. \\ Een engel te
hem quam ende heyet genomen s^n let {die man-
lichede), dattene also swaer beset, Sp. ILI*, 23,8.
4) Fasthouden, vastzetten. Met den 4den ny. fu
den pers. of der zaak. Uitsluitend als rechtstera
in gebruik.
a) Met den 4den ny. yan den -pers. Besltig Iste»
leggen op den persoon, met wien men prod^eerem
wil, hem gijzelen, arresteeren. Somtijds kon door
het stellen yan een borg de „besette** peraoea
op yr^e yoeten blij yen. Vgl. Leid. Kemrb. Glos»,
bl. 553. II Soe wie den anderen doet beaeiten,sal
gheyen den baliu drie scellinghen , Mieris 2 , I60é.
Buyten de poort en mach men egeen poorter be-
setten noch beclagen, 2006. So wie enen anderei
doet besetten in der poorten tot Cnlenborch, die
sal hem syns rechtens yersien aen den rirhtcr,
202a. Dat men onse poorters yan Oudewater . .
nergens en besette yan schade, noch yan schalde
4029
BËSE.
BESE.
1030
binnen onsen landen, 281 d. Men mach Inde be-
setten also wail in tavernen als op die strate,
Overijê. B. I', 163. Soe wie men beset, die sel
een borghe setten te recht te comen, Leid. Kewrb,
25, 7. Wie den anderen beset binnen der yrihede
van Lejden, die sel segghen voir den bode ende
Yoir poirters, yoir hoeveel dat hi denghenen be-
daghen wil, dien hi heeft doen besetten, ald.
Een poirter mach doen daghen ende beclaghen of
besetten, so wien hi wil die gheen poirter en is,
ald. 8. Poirters malcander bnten te besetten. —
Wat poirter . . enen poirter . . buten der stede
besettede, ald. 9. Als die geen aldus beset worde,
80 sel die beset is rechtevoirt een borge setten,
ald. 196, 12. Wairt dat die geen, die becommert
ende beset wair, binnen een ure geen borge en
settede, ald. Wairt dat die geen, diemen also
besettede, van den bode ende twee poirteren
noch beset noch gehouden en wonde wesen, ald.
Wanneer een bode yermaent wort yemant ie be-
setten, so sel die bode twee polieren dair bQ
nemen ende gaen mitten tween poirteren totten
genen , die hi besetten sal , ald. Als die gast recht
ghedaen heeft, so en selmens op dien dach niet
besetten van de zelver sake, O. K. v. Bott. 24,
60. So wie bezet wert ende uter stede toghe, eer
hij zekerhede ghedaen hadde, ald. 61 (zoo ook
23, 49). Mede en sal nvemant van ons . . den
anderen becommeren noch besetten binnen den
termim dea YerfaontB , Nfj h. 2 , 123. Bezet laet (znw.,
Jkoorigè) en mach nieman erye ontwisen, Beeht. v.
Ucele 8, 40. Met besetten man en mach men
niemen leen ontwinnen, ald, 14, 88. Zoo ook
Stadr. V. Zwolle 166 , 166 paetim , 167 ; K. en O.
V. Delft 64, 4; 266, 62; O. K. v. Delft I, 10;
14; V. d. Wall 438; Dimgt v. Delft2^S,6,e,S; enx.
Tgl. ook BECOMMEREN, waarmede het meermalen
verbonden voorkomt.
b) Met den 4den nv. der zaak. Beelag leggen
op het goed va» hem , tegen wen men wil proee-
deeren. Ygl BESTELLEN en becommeren. || Worde
oer goet met hem bezat, van dier bezettinghe solde
die sculte of s^n hoede hebben XII penninghe , Stad.
V. Zwolle 166, 316. Worde eenichs mans of vrouwen
ghoet bezat, . . daer solde die schnlte van eiker
besettinghen hebben XII penninghe ende die schnlte
nalt verhoeden an dien ghenen , die s^n g^et bezat
is, 166, 318. Dat (goed) en mocht men hem niet
of panden of bezetten, hi en hadde dat zine {ald. 144:
«yn verdiende loen) daer af te voeren, 99, 142. Ten
weer dat hi den scoef of dat goet opten lande
besetten dede of bespreken, betlag deed leggen
op het gewatj 149, 262. Soe bestellen ende be-
setten die schout ende goede Inyden vanden
^recht alle alsulck verdient loen . . totter Üjt
toe dat sy {de dienstboden) huer hooftgelt betaelt
sullen hebben, O, B. r. Dor dr. 1, 332. (Die) enen
poirter of s^n goet . . besettede. Leid. JGnir^. 26,
9. Dat men onse poorters van Ondewater noch
haer goet nergens en besette. Mieris 2,281^. Dat
nyemant van ons . . in des anderen heren lande
fiyn gnet, erfnisse of reynten besetten of becommeren
noch daer over richten en sal, NQh. 2, 123.
Kiemens poorters goet en mach men besetten, hi
en ware vluchtich, Ch. v. Wael-h. 8. Zie vooral
O. JB. 9. Dordr. 2, 314 en 316.
6) Beletten , verhinderen. Yan personen en zaken.
II Waert dat si wouden ons wederstaen ende dat
besetten , soe laet er ons so jegen setten , dat wi
castien die ons sijn swaer, Qrimb. I, 3933. (Si)
Tememen well dat sy op haer reyse ende vlucht
leggen, mer sy en hebbense nye mogen besetten
noch beletten , so sy poorteren sgn , O. B. v. Dordr.
1, 120.
6) Vattetellen. — a) In het alg. Faststellen, bepalen^
inzetten j beschikken. || (God) he vet beset met redene
alhoe men die wacheit temperen sal, Heim.
861. Dat hem int herte ghenoeghet al dat God
doet ende beset, Sp. I*, 70, 90. Dat God dus in
sine wet ordineert ende beset, 71 , 30. Die (statuten)
te veranderen ende te besetten, ende die inghesat
sQn te modereren, Oew. v. St. Truyen § 39. En
doestu des niet, so selstu van ons ontfaen, dat
die keysers beset hebben teghen die rebellen,
Fass. W. 198«?. {De) Phariseen . . hadden hare
regie beset, wij nadden regels ingesteld^ d. i. ge-
regelde inzettingen , instellingen, Bijmb. 22047. Soe
zoelen die nyge scepenen . . rechtevoert eer si
van den hnys ghaen, oer ampte bezetten onder
hem {de funetiën onder elkander verdeelen) sonder
arghelist, Stadr. v. Zwolle 163, 309. Hi besette
bescedelike al snn recht ende sine (/. sire) baroene,
als coninc sculdich was te doene, Farth. 280.
{Doe) elke dinc {hadde) thare ontfaen , also hp
{Ood het) hadde beset, Wap. Bog. 1146. So datter
ene soene wert beset, MLoep II, 3282 var. Dit
was al beset met vorrade, Yelth. III, 41, 12.
b) Instellen^ lat. instituere. Ygl. i^Rm. bl. 160. ||
Daer aff een schoon memorie ende feeste van onser
liever vrouwen beset is te Bruesel in sinte Goedelen
kercke, Bsfc. Cron. 119 «.
eyWattttêlleny overtuigend bewijzen , eonstateeren.
II Weygert h^s derde werven, soe verbuert hy
vQftich pont, alsoe verre alst beset ende betuycht
wordt mit drie getuygen, Y. d. Wall 437.
d) In het bgzonder gebruikt van alle bepalingen
of beschikkingen, die iemand maakt bt) uitersten
wil. Bij testament bepalen. || Zo wat die sieke
van sinen goede ordeneert, ende beset, dat sal
men , also verre als men mach , behouden , D. Orde
217. Item besette ick , myn eerste jaergety de gedaen
te worden binnen Middelburch, Matth. Jnal. 2,
289. Wat hem let des {van hetgeen) hi te sijn
testament beset, N. Doet. 2603. — S^'n testa-
ment besetten, zijn testament maken. || Si en
had gheen behoef, haer testament te besetten,
D. War. 7, 385, 36. Onrechtveerdige menschen,
die welcke die testamenten niet en volbrengen,
also is gheordineert werden van den ghenen diese
besetten , Exc. Cron. 74a. Ie heb beset een testament
minen uutvercoren, Getijdeb. S. IB^d.
e) Ook met den 4den nv. eener geldsom, ffcuir
vastzetten , zekerheid geven voor eene vordering, door ze
te vestigen op een onroerend goed, dat er voor mag
worden uitgewonnen (het geldt meestal het vestigen
eener rente). Somtnds met den 3den nv. van den
pers., ten wiens behoeve de handeling geschiedt. ||
Sine wednwe behilt . . duwarie up dlant van Curtrike
ende up de stede , ende vort met was soe {de duwarie)
upt wout van Niepen beset, VI. Byw*. 6864. Yort
moet Willem . . bewisen ende besetten herfelike
in de Hasselt vi pont parisise tsjaers, Fad.Mus.
4, 338. Dat joncfirouwe Agnees van Zenelghem
. . . heeft ghelooft joncfrouwen Grielen . . te be-
zettene ende te versekeme . . twalef ^ parisise
sjaers up herfachtechede har toebehoerende , 339.
De vorseide twalef G parisise tsjaers te bezettene
joncfrouwen Grielen . . vor de wet, ald. Uptvor-
seide leen, daer dese rente up beset es, 343. Yan
den vorseiden leene van viertiene pont parisise
tsjaers ende up wies leen dat sjj beset sgn, 344.
(Het) es ooc vri poortgoet te Doynse,ommedesen
i03l
BESE.
BESE.
4032
vorseiden erveliken tseins {thijns) mede te be-
settene ende te yersekerne, 355. So ghivec ....
minen bastaerden kindren, eiken twee pont grote
tornoyse tsjaers te sinen leve (/. live ?) , ende wille ,
dat mense hem wel yersekere ende besette np tgoet te
Sconbronc 357. Dese Yorseide tien pont . . hevet
ver Lisebette . . . bewist (/. bewiset) ende beset
wettelike np hnns ende arve darsoe woende,Zr/.
Bijdr. 4 , 208. Dese vorseide rente mach men setten
np ander huus ende arre, daer soe wel beset es,
ald. Dat die coninc behonden sonde . . Risele ende
Duway . . tot dat hem viii"> ponden erflicken renten
np Vlaenderen wel beset waren, Exc. Cron. 122A.
Dat Lanweryns Eeyster bezetten sonde erfelicke
ende eewelicke teere lampten vier schellinghen gr.
tonmoise sjaers, dewelcke lampte hanghen sonde
by de palloere voer de kercdnere in den cloestero
te S. Baefs, Diericx, Mém. 2, 390. Tien schelen
groeten tjaers , erfelic beset np twee hnsen by der
geldmnnte , 1 , 466. So hebben, wy hemlieden . .
bewijst, beset ende yersekert np ons, np onse
nacommers ende np al onse goet, wij hebben ont^
ome nakomelingen en al onê goed hiervoor verbonden
verklaardy Qendtch Chtb. 39. Zoo ook Oeich. v. Antv.S,
518 vlg. e. e. — Nog heden is deze bet. in Vlaan-
deren in gebmik. Zie De Bo 124 ; Schnermans 51. —
Ook op andere dan lichamelijke onroerende goederen
kon eene vordering, eene rente of pacht worden
vastgezet, \\ CCC realen, op die renten yander stadt
yan Tshertogenbossche wel beset, Exe, Cron. I26c.
Daer men beset (sch^nbaar intr. door weglating
yan het obj. eene geldeom; wanneer men geld vast-
zet) op erye, geit of coren, dat salmen noemen
metten monde op dat erye, ende besetten metten
cleeden den pacht of geit (ygl. heergewaden en
verheergewaden), Beehi v. Uccle 8, 52. Wi
bewisen se ende besettense (de 200 r€) h®™
jaerlix . ., tontfanghen op onse tollen te Machelen,
Mieris 2, 232/x. — Ook met den 4den ny. der
zaak, in de nitdr. Ene boete (of ken r) be-
setten, zekerheid stellen voor eene boete. \\ Om dat
die poerter mach hem rechtevoirt die boeten be-
setten, Matth. 136. Als hy yerbannen is, dat
niement die boete yoir hem beset, 140. So yraecht
die rechter of yement die boete yoir hem besetten
wil? Is dair yement die se beset, die clerc teikent
hem ; beset niement die boete yoir hem , die rechter
bedinget mit yonnes, 165. Die in bmeken ver-
wonnen syn . . of die hair boeten yoir tscependom
beset hebben, 169 (zoo ook 218). Enich onse bnrgher,
die des anders erye anspreket binnen onser yriheit,
als men die ansprake doet, so sal elc sinen koer
besetten, Stadr, v. Zwolle 119, 199. Waer enighe
yronwe die oeren koer yerloeren hadde ende dien
niet besetten en wolde of en mochte, 155, 283
(ygl. Racer 5, 379). En besette hi sinen koer niet
ende bleye in der stad, 157, 288.
7) Een yonnes besetten, in den vereischten
vorm constateeren, dat het vonnis aldus gewezen is. Zoo
ook het mnd. een oordeel besetten, gerichtlich be-
glanbigen. || lek seg, dat gYïï^i {het vonnis) besetten
sult naeden recht yanden lande binnen staenden yier-
schare met zes bneren daertoe, als recht es , O, R. v.
Bordr. 2 , 318. Soe besedt ick dat yonnes geweesen by
N. ende die twee yolgers ende wederronpen by N. , dat
besedt ick yan sheeren weegen een, twee, drie
ende vierwerflf. Ick yraech n , N. , off ick dat yonnis
besedt heb, alst recht is, offte niet, ald.
8) Met den 3den ny. yan den pers. wordt de
bet. bd) die yan Eene testamentaire beschikking
fnaken ten gunste van iemand^ d. i. hem iets ver-
maken^ legateer en. || Dat ons Ghristns opten Witten
Donderdach gelaten heeft ende bezedt in testamente,
dair ons al der salicheit aen lach, Saer, 947. Dit
sy {de heilige vaders) . . armoede hare yriendyviK
heyten ende besettense haren lieyen yrienden tot
eenen testamente , I^ed. Proza 256. Voert so ghere
wi ende besetten . . der ebdissen . . hondertpont
sjaers, wij zetten vast op naam van, vermaken aan
de abdis, Nyh. 1, 340. Zoo ook 2, 342 en 343
passim.
9) Met den 3den ny. yan den pers. wordt de
bet. be) die yan Eene gunstige geldelijke beschikking
maken voor iemand, en bij nitbr. aan iemand toe-
deelen , toevoegen , hem voorzien van. \\ Den senatnren
die . . yerarmt waren, besette hi renten vanjaren
te jaren ghevoechelike te haerre noet, Sp. IP, 1,
44. Den veraermden senatnren besette hi rente,
daer si . . eerlike op mochten leven, II*, 5, 19.
Hi besette hem te voren cleeder ende rente , Bijmh.
8268. Nabnsardan besette hem spise ende gbaf
hem ghifte, 15044. Hi gaf hem een hnys ende
besettede hem sijn lijftocht, B B.\ Kon. 11,8. Si
bezetten hem {aan Judas) 30 zelverine, Rs. r.
1348, 105*.
10) Vaststellen door iets op schrift te brengen,
te boek stellen, beschrijven; lat. eomponere. Meestal
met bescriven verbonden. || Oec bescreef hi ende
besette XXXIII capitelen van wette, Sp. IV*, 4,
9. Dattn heves in Martijns leven vaste beset ende
bescreven, dat hi seide enz., III ^, 42, 3. Nn sal
ie die reden besetten ende daventner scriven voert,
hoe dat nteqnam die moert, Segh. 11332.
11) Vaststellen, iets op de daarvoor hepaaUe
plaats brengen, schikken, ordenen; ygl. 5a).
d) Ordenen, regelen, rangschikken, als krggstenn.
II Doe tfolc nten tenten varen ende dan besette
dine scaren , Alex. 1 , 589. Hi besette sine scaren,
IV, 1625. Op dander side hevet Mordret sine
batiüge mede beset, Lanc. IV, 11007. Malart besette
dat cembeel (d. i. den slag), Lett. N. 'R. 7\
146, 81. Beset in ridder ende in baroene, Merl.
8438, e. e.
b) In orde brengen, regelen, orde stellen op, en
wel 6f met het obj. sak en (dinc) of met het obj.
1 a n t (r i k e). II Dat hi hem thnns sonde maken ende
besetten sine saken , i^. I', 13, 53. Metten Vranken
Memvinc voer woch besetten sine dinc, III*, 24,
117. Dat hi die dinc yanden keyserike besetten
wilde wiselike, IV*, 60, 11. Beset dine dinc,
{wané) dn sondet sterven, Bijmb. 14349. (Hi) besette
alle sine zaken, Limb. VI, 1440. Des gheve m^
ere snlken man, die dus syn dinc besetten cao te
poente wel, Parth. 6562. Wy moeten varen cade
besetten onse dinc, Troyen 3652. Na heeft coniae
Willem alle saken den rycke aengaende wgslic
ende wel beset, Clerc 110 en 136. Bezette düo
huns, want dn salt sterven, Us. v. 1348, 60r
{Jesaia 38, 1). Entie coninc hi besette siin laat
ende maecte Evax drossate daer ave, Limk. V,
1732. Ie sal besetten miin lant ende laten in minneer
VIII, 1677. Grote noot hebben wi ooc mede te
besettene onse lant, Rijmb. 19396. Nu hoert vat
die Joeden driven, die haer lant besetten dss,
28144. (Hi) maecte rechtre Domitiaen in Some . .
tote dat selve qnam diegone {Vespiuiaen) ejkdehj§i'
besette na sijn ghebod , 30768. Besettet wiselike . .
der Wandelen rike, Sp. IIP, 29, 49. (Hi) voer
weder te Zeelant waert ende besette daer s|b laat
Stoke X, 908. Teersten dat de boetscap qnam . ..
besette hi tlant van Zeelant wale, 925.
c) In orde brengen^ gereed maken, || Ie caa
i033
BESE.
BESE.
4034
yesschen met netten ende een eten wel besetten,
Aiol-fr, 762. Want her Reynoat . . ons macht
ghegheven hevet, sQn lyf, sijn zegel ende sine
herbiBrghe te besetten, N^h. 2, 94; verg. de Aant.
d) 1% orde, ten uitvoer brengen \ uitvoeren, \\
Beset u bootscap met hen tween, Parth. 6326.
e) Schikken y inrichten, || Hi bat hem, . . dathi
die dinc besette also, . . dat hi in Jhenualem
s|jn heelde setten niet en liete, Sp. V, 101, 35.
Wi üelent hebben so beset . ., dat ie bi n si,
Farth, 6337.
f) Beeehikken over, besturen, verzorgen.
o) Met den 4den nv. der saak. || Al dates in elke
stat, dat behoet hi ende besat (0^. t. beset) met god-
liker hoede , Wap. Mart, 1, 160. Die dat volc berechten
can entie renten besetten, Heim. 1465. Icbenhaer
man van den goede van Athenen ; maer ghi , heren,
selt keren henen ende selet besetten wide tote
dier wilen . ., dat miin jonfronwe verledicht si,
Umb, VII, 1640.
^ Met den 4den nv. yan den pers. Leiden, be-
sturen. II Wise lieden . . wijs van zeden ende van
wetten ende {in de kunst) hoemen heren sonde
besetten, Heim. 1640. Doen coninc Willem doet
was bleven . ., so voer die hertoge Heinrjc te
Hollant ward . ., om dat hi tkint wilde besetten
recht na sede ende na wetten, ende vermonboren,
Velth. I, 39, 1.
12) Vergoeden , vergelden , schadeloos stellen ; hd.
ersetsen. \\ Dien sullen bezetten Hanne . ..enz.,
ende snlne ghelden twiscat. Mieris 2, 21a. Leden
se oec eneghe schade an peerden ofte an wagenen ,
HO sal men se besetten ghelljc enen borgher ofte
bner. Pro Excol. 6* , 218. Ten zy dat hy den dooden
off misdaede bysette , die hy gedaen heeft , Schwartz.
1, 559, 71, en 680a.
13) De nu volgende beteekenissen zijn variatien
van het begrip van het enkv. zetten.
d) Zetten, bevelen. Met den 4den nv. der zaak
en den 3den van den pers. (vgl. b. v. : „ het is den
menseh^As^^te sterven*^). j| O aldersuetste lichame . . ,
torment ende doghen, arbeit ende pine, die n be-
aette te doene mine geest, dat deeadi willechlike,
Christ. 1613.
b) Opdragen, overdragen, aanbevelen, meestal
met het voorz. ane. || (Christus) wonde hem (zijn
apostelen) besetten ende bevelen sine sacramente,
8i|n volc ende sijn rike, Bnnsb. 3, 151. Sgn rike
liet hi niet gheheel , maer hi maecter af XII deel
ende besettet an twaelf heren , Bijmb. 18475. Soe
wie hare thiende niet versocht en hebbe, noch
l^heene brieven daer af en hebben , die sal daer noch
brieven af nemen , ende versoecken aen onsen heere
den Grave, ofte aen den gene, daert aen beset is,
Mieris 2, 154 a. Hier bi sal dit voorseide cloester
onsen dienst besetten an enen man, daer wi zeker
an (af?)8ien (^. t. sijn) ons te dienen . . , in alre
maniere, alse onse goede Inden ons dienen, 2,
164 d. Hi besette harde scone keyser- ende coninc-
«sTone an sinen sone Loduwike, Sp. lY* , 32, 59.
Ie besette n dat rike, also het mi de vader bezette,
Ms. V, 1348 , 117a (Lue. 22 , 29 : ordineeren). Dat ghy
myns niet en verghet, ende die wapen aen my
beset , Trogen 7954. Die ghene , daer men die vrede
an neemt, die sel binder poorten bliven ter tijt
toe, dat hem die vredebrief ghegheven is, off an
jemant besetten, dien ontfaet, O. K, v, Batt. 13, 9.
In onsen dienste ende in onsen orbare, dien wi
hem andersins beset hebben met onsen hnsen , met
onsen ambochten. Oor kb. 2, 174 a.
c) Opdragen , eene zaak ter overweging of ter be-
slissing in iemands handen stellen. || (Karerj sach
tverlies van sinen lieden ende hilt, dat hijs up
hem wan, ende besettet an sine man (leenmannen),
5jB. IV», 18,62.
d) Zetten, plaatsen, \\ XV sonen . . die hi al hevet
wel beset in groter heerscapien ende in rijcheit,
Velth. I, 7,6. Dat wi . . somege broedere . . .
in onse ridderscap besetten, Sp. III ^, 41, 10.
e) Uitzetten , besteden, van geld. || Die^e {rijcheyf)
onneerlike beset, es onwert in elke stede, Melib. 2889.
ƒ) Aanzetten, aansporen, ergens toe brengen, Ygl,
het wederk. hem besetten. || Doe si leveden,
soe besetse dye heylighe gheest tot allen goeden
wercken. Pass, W. ha,
g) Van landen, steden, enz. gezegd. Met eene
bep. met ane. Brengen op de hand, tot de partij
van. Il Eerst besette hi an sine partie Egipten ende
Alexandrie, Bijmb, 30713. — Ook in denitdr. na
(te, ane) sine (enes) hant besetten, een
land, eene stad aan zich of een ander onderwerpen,
Vgl. onze uitdr. iemand naar zijne hand z e 1 1 e n. ||
Toen qnam te Bordeas . . ende besette na Bitsarts
hant beide stat ende land, Lorr. I, 1411. Voert
voer hi te Nerboene; daer qnam Aymeri die coene
ende deet hem besetten wale na sirer hant, 1415.
Te Sent Gilijs voer hi vort ende besette tsire hant
die port, 1419. (Si) snllen winnen al dat lantende
besetten van (/. an) hare hant, Lsp. IV, 1, 75.
h) Zetten , richten, || üptie Hongren daer hi mede
comen was al bnten vrede, so besetti sine vaert,
daer hijs lettel te boven waert, Sp, IV», 41, 23.
Wederk. — Hem besetten.
1) Zich beperken , zich beheersehen (vgl. BESETTEN,
Ze), II Int beghin van ertrike besetten hen tfolc
so cranckelike: wie best mochte, hi dede pine
den andren, Teest. 1040.
2) Zich bekrimpen, zich inkrimpen , zuinig voor zich
zelven zijn (vgl. bedr. 3^). || Snlc here hem nanwe
beset ende es den sinen milder bet , Heim. 31. Het nes
ghene mesprise tale, dat here hem selven nanwe
beset, doet hi sinen lieden te bet, 36.
3) Zich gereedmaken , zich toerusten, ook vankrggs-
toerustingen (bedr. 9, d en c; vgl. \ e).\\ En haddic
mi niet verlaten . . np n, ie hadde mi bat beset
te desen stride, Velth. III, 60, 46. Dns voer deen
in Beyeemlant . . , ende die ander in Oestrike . . .
om hem te besettene daer te bet, VI, 2, 49.
Tanthiochen keerde hi echt ende besette hem te hant
om starkre te comene in tlant, Bijmb. 19074. Oec
moet hem die coninc vorsien, wat weselijc si, wat mag
ghescien , ende hem der jeghen besetten , zich daarop
wapenen, Heim, 343. — Vgl. vooral HEM BESATEN.
4) Zich tot iets zetten (bedr. 11).
a) In de tegenw. bet. Het plan vormen, zich
gereedmaken om iets te doen. || Die Wandelen hem
besetten ende gevoughen van Aff^ike tlant te be-
stane, 1^. III*, 1, 18.
b) Zich zelven ergens toe brengen. — Hem be-
setten te gheven, zich tot geven zetten, blijven
geven. \\ Alsoe lange . . . , alse ghi te gheven u beset,
salmen u minnen, Vad, Mus, 2, 195,639. — Van-
daar het pf. hem beset \i%h\i^Ti, ergens toe komen.
II Wouter, hoe hebdi u beset (hoe komt gij ertoe,
hoe is het mogelijk) , dat ghi aie X ghebode niet
en wet? TeesL 2649.
e) Zich op iets toeleggen , zich bekwamen in, zich mei
iets bezig houden. \\ Soe siet, dat ghi u kint tiet
ter scolen om clergie leren ; want daer af comt
vele eren ende vordeels te meneghen male hen die
hen besetten wale, Lsp. III, 10, 64. Daer naer so
riet hi hem saen kersten te sine Nestoriaen, also
1035
BESE.
BESE.
1036
dat hem Mabamet daer mede hem he?et beset , ende
Sergias jongre was, Sp. III' , 14, 28.
BëSETTËR, znw. m. — 1) Een Blechts in Ylaam-
Bche oorkonden voorkomende yorm yoor bijzitier,
asêessar in eenen raad, vooral in een rechtbank. ||
Es hl vindere of bezetter , zo verbnert hy . . twin-
tich Bcellinghen, Cout. v. Brugge 1, 371. (De)
voorseyde vinder of de bezetter (verbeurt) twaelf
scellinghen , ald. Dat deken of vinders of bezet-
ters renten . . verdonkeren , ald. Dat dekin of vinders
of bezetters eeneghe personen bezegheltede gaven
of ghescriften, 372. Dekin ende zine (h)eet ende
bezetters , 377. Gheen zieke en mach honden hnnt
zine hnnse gaende, meer dan twee dappers, ten
ware dekin, vinder of bezewer (/. besetter), die
macher houden drie, 369.
2) Hij die beslag legt op iemands goed , of iemand
doet arresteeren. \\ Wair dat sake dat yemant van
des schouten knapen enigen persoen beset wonde
hebben, so sell diegene, die de besettinge begeerde ,
mit des schouten knecht gaen tot dengenen, dien
hy beset will hebben . . Ende waert dat die besette
persoen geen borgen setten en wonde, ende hem
die besetter rechts versage aen des scouten knecht . . ,
80 sell die besetter syn hant mede aen den besetten
slaen om die te houden ende in vangenisse te brengen,
off des besetters gemoede te hebben, H. v. Utr, 2, 277.
Die besetter mach zijn recht dairop vervolgen , ald.
BESETTINGE, znw. vr. Mnd. besettinge \ mhd.
besetzunge,
1) Van besetten, in den zin van beslag leggen
(bedr. 4).
d) Gijzeling, arrestatie van een persoon (vgl.
BESET 4). II Of si tot ons . . . yet te segghen
hebben, et si van besettinghe of van enigher-
hande anderen saken, daer af sulen si ons . . . .
te voren quyt scelden, Ngh. 2, 342. Alle
maninghe, beleydinghe ende besettinghe, et si
mit scepenen of sonder scepenen . . ., dat sal
doet sijn ende niet duden, 132. Dat alle dagingen
ende besettingen binnen der selver steede vriheit
vallende , geschien sullen by den schout , K.enO.
V. Delft 13, 1. Dat alle dagingen ende besettingen
inhouden sullen die naemen ende toenamen van
den eyschere, mitsgaders des ghene, diegedaeget
ofte besettet wordt, ald, 3. Teerst dat £e scout
dinghet van besettinghe, J>ingt. v. Delft 3. Zie
vooral Leid. Keurb, Gloss. en E. v. Utr, 2 , 274—278
(van besettinghe).
b) Beslaglegging op de goederen. || Daer solde die
schulte van elcker besettinghen hebben XII pen-
ninghe, Stadr. v. Zwolle 166, 318. Dat die be-
sette lakenen . . in besettinge bliven totter tüt
toe, dat joncfrou Aleyden . . . volle recht ende
uutrichtinge geschiet wesen sall, O, R, v. Dordr.
2, 108, 144. Aisoe N. besettinge begeert , wat ick
hem schuldich ben te doen met recht ; . . legter u
handt op dat ghy besedt wilt hebben, ald. 315.
Zoo ook Rek. d. Cam. 3,21; enz.
2) Van besetten , in den zin van geld vastzetten
(bedr. 6^). Vestiging van eene schuld of rente op
onroerend goed ; ook de aldus verzekerde vordering of
rente. \\ Dat scepenen over ghene ghifte staen zullen
van hnse , no van erven , no over besettinghe , daer
enich man ghifte gheven wille, Cout. v. Brugge 1,
402. Te betalene zo den chaertre van besettinghe
danof zynde dat wel verclaerst, 2, 189. Ware so
sake dat joncvrouwen Grielen . . coste ofte scaden
quamen, als omme de vorseide bezettinghe te ver-
volghene, Vad, Mus. 4, 339. Van der besettinghe
van 30 S par. siaers, die G. beset heeft teenre
capelrien bouf , Invent. v. Brugge 2 , 361. YgL 6, 399.
BESEVEN, zw. ww. bedr. ^het praet komt niet
voor, deelw. beseeft). Hetzelide ais het veel ge-
bruikeigker beseffen, doch zwak vervoegd. Het
omgekeerde geval zou minder verwonderen, daar
beseffen eer een afgeleide vorm van beseven \a,^xs.
omgekeerd. Ygl. trekken (jetreet) met treken (trae,
getroken) ; bakken met baken ; enz.
1) Smaken, ondervinden (vgl. beseffen 2). ||
Hijr en can ie niet beseven, dan rouwe, droef heit
ende mesweinde , Versl. en Ber. 5 , 21.
2) Voelen, gevoelen (vgl. beseffen 3). || Ie
hebbe uwer slage gnoech beseeft: ie geve mi op,
ie ben mat, Lanc. III, 26690.
3) Inzien, begrijpen (vgl. beseffen 4). || I>at«
niet waer, diet wel beseeft, Doet. TL, 2Ö06. Hier
aen moghen wi beseven, dat God die zonden macb
vergheven, Lsp. II, 41, 123.
4) Beproeven (vgl. beseffen 6). || Om dit so
ducht ie mi te mere , omdat van n {Maria) in allen
kere elc svn dichten heeft beseeft, Yelth. YIII,
34, 20 (vgl. VS. 25 onbeseefe).
5) Vernemen (vgl. beseffen 7). || Hi en acht
ons int ghemeyne syn knechte niet aUeyne, mar
syn kindere, wildyt beseven, Wrake III, 1236.
Sonder die welke (vitaelgie), wildyt beseven, die
lichame niet en mochte leven, Doet. II, 2205.
BESE YEN, bnw. Yan seve (in oorsprong één
met seffen) , d. i. essentia, geest, pU, merg (Snellaert,
Alex. Dl. 2 , bl. 416) , of smaak (De Bo 1021).
De vorm zon eigenlek besevet moeten s^n, doch
door de gelnkheid van het vaak gebruikte deelw.
van beseffen (?) werd de vorm gewyzigd. YgL geUsen
d. i. gerimpeld, van lese (Taa/b. 4, 189—191),
en Tijdsehr. 3,110. Van levenskracht voorzien , levens-
sappen hebbende. \\ Also moeten die kinder yerst lerea
dat minder ende daer na ten meeren cleven , dan es
haer const yrst beseven ende uut eenre wortelen gbe-
porret, die nemmermeer enverdorret, JKr/ió. 109S.
BESE YEREN , zw. ww. bedr. Yan sever , speeksel.
Mnd. beseveren. Bezeveren, bekwijlen. \\ Dat scuum
van des draken mule besevert mi mijn aensichte,
Oreg. Hom. 46r.
* BESEWEB, bezewer. Yerkeerde lezing voor
besetter, Cout. v. Brugge 1, 369. Zie besetteb.
BESIBBET, bnw. Yan sibbe, d. i. famUUbê-
trekking (zie ald.). Mnd. besibbet; mhd. betippe.
Verwant, door bloedverwantschap verbonden, en bg
uitbr. verbonden. \\ Yan kinderen, welcke van be-
sibbede olderen, dessen onwietens, gebooren sint.
Pro Excol. 6, 680. Sonder onsen raet ende onser
vrienden, die ons besibbet syn, Cran. v. Vimend.
1, 134. Ygl. De Jager, Freq. 2, 511.
BESIBBEREN, zw. ww. bedr. Bezoedelen, be-
vlekken. II Haerlieder ziele , die metter zei ver sande
van . . simonie zo leelick besibbert ende besaet
zijn, Despars 1, 145. Yan «^^^i». Zie beseveren.
BESICH (beisich, besech), bnw. Mnd. ^««tol;
eng. busg. Over de afleiding zie E. MuUer 1 , 165.
In het Mnl. gebruikt zoowel van personen als van
zaken, thans alleen van personen.
A. Met een persoon als ondw.
1) JVerk hebbende; hd. beschaftigt. \\ Over haer-
lieder dachvaerden die zy bezich waren metten
Inghelschen, Invent. v. Brugge 5, 297. Onledirb
of besich, Proza-Sp. 18^. — Ook in de bfjsoDdere
opvatting van besich sQn met enen wive,
gemeenschap met haar oefenen. \\ Waert dat eea
man van eeren vonde eenen snooden mensche . . .
besich mit zijnen wive, Wiel. Instr. 142, 457.
Een vader mach dootslaen . . . den man, diea
1037
BESI.
BESI.
1038
hi| besich vint mit Eender dochter, 143, 461.
YgL BESIGEN, Iff), en lUchL 19, 25.
2) Druk, betDeeglijk, dairUl. \\ Lnstech ende
bericli (/. besich) mede, es garen der yroawen
sede, Vrouw, e, M. lY, 133. Die mane can wel
die kinder maken snel ende besich in baren wesen,
Vr, Heim, 388.
3) Druk, veel te doen hebbende \ in de nitdr.
Hem besich maken met iet, zich druk met
iett maken, snch veel moeite voor iete geven, zich
in^tpannen, evenwel met het bgdenkbeeld, dat die
moeite niet gewaardeerd wordt of onnoodig was
(ygl. onze nitdr. drukte maken, hetzelfde als be-
veging, leven maken). \\ Yronwe, ghi maect sere
besich n met uwer talen, si es so lanc , ghi siughet
al enen sanc, Melib. 3107.
4) Vervuld met, met hart en ziel bezig met, zijn
geheeU aandacht richtende op, || Mackt mi so besich
Yoort met di {God), dat ie d^ns nemmermeer ledich
en si, O VI, Lied, e. Oed, 11, 234. Ie seide min
geilde . ., daer ie besech over sat, daer ie haers
bi al vergat, Lanc, 11, 43566. En wisti niet dat
mi behoert te werkene de werke myns vaderende
daer in besech te sine, L, v, J, c, 20. Wes
besich met desen ghespinne, dat mach dicommen
ta ghewlnne, Wap, Bag, 1141.
B. Met eene zaak als ondw.
5) Druk, veel werk gevende, \\ Ander dinc dan
grote tale behoeft daer mense winnen süideetad)
. . , miin here besoncse merghen vrouch , nochtan
werdet besich ghenonch, er zal genoeg te doen
sijn, het zal er spannen, lamb, YU, 121. Hoe sal
men hier (m den bogaard) gedienen mogen ? Wine
connen conde niet . gedogen ; het worde ons besich
in dien sale ende bi viere, het worde druk voor
ons in de zaal, d. i. er moeten toebereideelen voor
onz gemaakt worden in de zaal, Yelth. I, 26, 78.
6) Nuttig, noodig, Ygl. BESIOEN 2). || Hi vant
die taflen gedect eerlike, ende daertoe genoech
spisen rike , ende hi vant evenen genoech mede . . ;
hi vant al dat hem besich was ende sinen perde,
Jjonc. II, 7860. Si daden des conincs gebot al
ende loetgeerden daer hi beval, ende bereitden
hen daer mede van dat hen besech was daer ter
stede, lY, 10825. Men sal hem geven dies hem
besich wort, D, B. 1 Machab. 10, 44. Eemeels die
droghen . . datten heere besich sijn sonde, Judith
2, 8. Al waric stare gelgc Sampsoene, soe ware
mi beisich mine macht (/. cracht) , Fland, 1 , 775.
BËSICHEIT, -HEDE, znw. vr. Yan besich
(zie ald.).
1) Yan besich (ald. 1). Drukte, bereddering, \\ So sal
hi opstaen omme des anders besegheit, die hi
makt met roepene ende met cloppene, L, v, J, c,
48. Be pharisense stonden en vragden met groter
besegheit, wat hi daer toe seide, c, 148.
2) Yan besich (ald. 2). Drukte, overkroptheit met
werkzaamheden. \\ Noch sorghe nochte besichede,
noch oec ghene onlede mede , nochte verghetelhede
en nam hem dat, ^. I' , 58, 7. Nochtan alsoeter
kerken ginc, plach soe emmer eene dinc, wat be-
sicheden hare overlach {var, onlede), I', 72, 3.
Das werd grote besichede int land te herde , meniger
stat {men kreeg het verbazend druk), Yelth. YI, 21, 38.
3) Ook in concreeten zin van Eene zaak die moet af-
gedaan worden, taak, \\ Sine miraclen . . . dedi
scriven . . . ende ondersooken harde wale met
somegen cardenale, die te suiker besichede mynst
jonsten dochten ebben mede, Franc, 7952. Die
onghetrauwe boden mede, die niet hadden hare
besichede tharen wille gedaen, VI, Rijmk, 3479.
Nn lach np eene besichede (hij had iets te doen-,
verg. onze nitdr. op reis liggen) Herodes , dat hi nter
stede van Jhemsalem moeste varen te Cesarien waert,
Sp, I*, 10, 1. (Hi) gaf hen enen hamel mede , dat
si met pinen hare besechede sonder bate niet liden
en souden, ne eis inanis noetuma cederet oecupatio ,
II», 34, 43.
4) Evenals het lat. negotium neemt besicheit
ook de bet. aan van z€iak in het algemeen. || Laet mi ,
seltsi, gebrugen daer mede, ie sal wel doen dese
besichede {dit zaaJkfe) , Lanc, II , 14997. Gi sp hier
comen tote mi om ene mine besichede , daer ie u ombe
versoeken dede, die willic u ontecken algader,
17499. Ie moet varen in ene besichede, dar ie u
niet en mach leiden mede, 19612. Gl hebt gedaen
qaade besichede ende meneghen man gescaedt,
25652. Om wat besicheden quaemdi hare? 26003.
Yronwe, ghi hebt . . quade besichede gedaen,
{male egisti) , dat ghi wech jaghet daer fellike den
besten rudder van ertrike, 35741. Ie sal uwes
grote breke . . hebben in dese besechede ! lY, 3677.
Als die wille hadde te verstane van andren besic-
heden, als hi quame binnen der stede, VI, Rijmk.
3392.
5) Yan besich (ald. 3). Eene zaak waarmede men ver-
vuld is, datgene wat iemands gemoed bezig houdt, \\
Eens messciede den keytQf teere hoghere tg t, dat hi bi
haer sliep. Die keyser wist, doch hine riep dat
hi ter ewangelien ghinge, want het ghenoucht
hem dat hi singe. Hi ontseit hem, alsè dien be-
drouch sine besicheit ghenonch, abnuit ut male
sibi conscius, Sp,iy*,i6, 92 (vgl. ook bg BESICH 1).
6) Yan besich (ald. 6). Hood, noodzaak, noodzakelijk-
heid, II Ie weet wel, dat gi nte uwen lande niet
sonder grote besichede ne sciet. Si seide: die
besechede, here, ne secgic n in ghenen kere,
Lanc. II, 26004.
7) Yan besich (ald. 6). Nut, nuttigheid, belang, syno-
niem van bederve (zie ald.). || Dat gi wilt met
hare varen in hare vrouwen besichede, Lanc, II,
11050. Alsic ben genesen , moet ie met deser vrouwen
gaen ende hare besicheit onderstaen , hare belangen
voorstaan, 12336. Dat hi der joncfrouwen besechede
doen sonde jegen wien dat ware, hare belangen
behartigen, hare zaak verdedigen, III, 13386. Ay
God here, nu moetti mi onnen eere te done mine
besichede, II, 16474. Du suis goets genoech voren
mede te hebbene te mire besichede {te mijnen
behoeve), II, 35281 (vgl. 35288, waar bederve ge-
bruikt wordt). Om dat geen bode . . . bet eBSt-
lovet te gere stede van sijns heren besechede, dan
die here selve es, lY, 2856. Hi voer mede om
des paues besichede, dat hi pine, hoe hi belet
die dinc daer hem Aystolf toe set, Sp, III*, 68, 69
(vgl. lat. alqd. est e re mea), — Negene be-
sechede doen, hetzelfde als negene bederve
doen, niets van belang doen, niets uitwerken.Ygl,
BEDERVE 2 ^. II Die besondicht daer in {in die
queste) wilt gaen, sine doen gene besechede dan
sire an doen dulhede, Lanc, III, 5082.
Aanh. — Besecheit vanseden,Ned,Froza2Sl,
is eene verkeerde lezing voor besetheit (zie ald.).
BESICHTIGEN , zw. ww. bedr. Schouwen , inspec-
teeren, bezichtigen, \\ Und sullen dusdanige nnde
andere ontiyfden . . . niet mogen ter aerden be-
stadet werden , sy weren dan eerst van den officier ter
plaetsen besichtiget undbeleydet, ZaïMfr. 9. Vel, 10,
BESICHTIGING, znw. vr. Schouwing, lijk-
schouwing, II Dat oock over dusdanige dooden be-
sichtigung ende beleydnnghe by den scholten • •
geschiede, Landr, v. Vel, 11.
1039
BESI.
BESI.
lOiO
BESIDEN (BESiDE,ook besiden), bijw. en voon.
Mnd. besiden] mhd. bestip besite^ bestten, èesitet\ eng.
beêides] ndl. bezijden. Uit het voorz. be enhetznw.
side (ygl. het hd. bei teite). De samenstelling wordt
nog duidelijk gevoeld in het by w. nitdr. b e s i d e n
w e g e 8, d. i. ter zijde van den weg (Lanc. II , 37680).
Bijw. — 1) Ter zijde y op zijde. || Aldas hebben
si hem bestaen . . ., voer achter ende besyden,
SeffA. 985. Die vronwe ginc besiden staen » Lorr./r. I,
425. Hine keerde hem niet besiden, maer hi leit
of hi ware doot, Lsp, ^i ^^i 76. £lc doen van
hem besiden scoet; hare scachten si vernamen,
sere si weder te gader quamen , Ferg 1828. (Jadas)
ontfangre was, . . ende hadde besiden sinen zac,
aidaer hi sine diefle in stac, Sp. V, 21, 32.
Lanceloet was doe daer besiden in den bosch be-
dectelike, Lane. IV, 4566. — Van besiden,
van ter zijde, \\ Van der lacht die daer in qnam
van besiden, Rein. II, 6511. Dit siende Huge
qnam van besiden ende gaf Agapaert eenen slach ,
dat hi metten paerde ter aerden viel , Rv^e v. Bord.
62. — Ook in de volgende uitdr. — Enen besiden
leiden, voeren, trecken of nemen, t^maM/^
ter zijde , apart nemen tot een af zonderlijk gesprek of
geheim onderhoud. || Doe nam die riddere . . sire
raoder besiden tenen rade, Lanc, III, 18211 (vgl.
Limb. 1 , 1386). Die hi niet bescreven en siet , trect hi
besiden, ende an hen vant hoeftsonde, daer hiseaf
ontbant, Sp. II*, 61, 10. Doe hi dit sach geselen ,
hevet hine besiden gheleet ende beswoerne onder
eene heet, dat hi hem dade verstaen enz. , I^ , 87 , 78.
Ganres die verrader fel voerde die joncfronwe
beside ende hietse wesen blide, Segh. 8778. Doe
hevet hine besiden gheleet, Sp. I', 77, 79. —
— Hem besiden doen, ter zijde ^ opzijgaan.\\
Sere wondert hen lieden des, ende bidden dat hi
hem doe besiden een stuc, si latenne alBo Uden,
Sp. II*, 66, 38. — Besiden steken, op sijde^
in den zak steken (vgl. het boven aangeh. voorbeeld
Sp. I^, 21, 32), d. i. zich iets toeëigenen, iets ver-
duisteren, wegmoffelen. || Vroech leren vele spreken
ende vroech leren besiden steken, sijn twee dinghe . .
die tontleerne sijn berde quaet. Lep. III, 10,173
(de opgegeven beteekenis in het Gloss. ter zijde
stooten is niet juist).
2) Op zijde af, achter af\ hetzelfde als mnl.
op h o e r (z. ald.). || Ie weet enen wech besiden , daer
wi dat here moghen liden sonderscade, «S^^^. 4117.
3) Naast, nevens. \\ Stant in den hole hier be-
neven, an desen steen hier besiden, Bdjmb. 5132.
Die sommier daer besiden, Segh. 9682 var. Boven, bi-
siden ende onder, Lsp. 1, 11, 53. Een huys . . besiden
aen desen hnse staende, O. R. v. J)ordr.2, 103.
4) Afzonderlijk; lat. seorsim. \\ Soe sal hi nemen . .
drie thiendendeel blomen in sacrificie , die besleghen
sy mit olye, ende besiden een sestendeel olyen,
D. B. Levit. 14, 10.
5) Buiten, in de uitdr. besiden staen, d. i.
eig. buiten staan en bij uitbr. niet meedoen, by
eene deeiing b.v. ; m. a. w. er treurig, slecht aan
toe zijn. \\ Haddic minen stoc ghespaert, doe
hi was stijf ende wael gesnaert, so ne stondic niet
besiden, O VI. Lied. e. Oed. 201, 9.
Voorz. — Met den 3den nv. of eene bepaling
met van (in het laatste geval is besiden zelf eig.
bijwoord).
1) Ter zijde van, naast. \\ Dus waren die mure,
besiden den duren V cubitus breet, Rijmb. 11473.
Die somier liep haer besiden, Segh. 9682. Besiden
{d. i. beside den, vgl. bij benkden en buten)
scilde es hi {de beer) gescotcn, Flandr. 1,815.
2) In de nabijheid van, langs. || Besiden der
woestinen lach een berch, Rein. I, 507 ror. (de
tekst heeft beneven; zie ald.). Dese wech, . . die
hier besiden den bosche gaet, Lanc, II, 38046.
3) Buiten, \\ Die gulsighe monike . . , die dicwi|l
besiden van den convente aten, omdat si sonder-
linghe spisen eten wouden , Bnusb. 3 , 257. —
Besiden staen van ere dinc, verstoken sijn
van iets. || Van desen tween sta ie besiden: in hebbe
VTuecht, no ie en gheve, O F l. Lied. e. Oed. 317, 90.
4) Elliptisch staat besiden voor besiden
der waerheit || Die bode bat genaden sciere,
want hi en hadde niet mesdaen. Agulant andworde
saen: gi segt harde sere besiden, Lorr. 11,1284.
BESIE , znw. vr. Bes , ook van de ebruif ge-
zegd; vgl. hd. weinbeere. || Die rijpe besien van
goeder aert, Denkm. 3 , 222, 10. Enen wgngaerd . .,
gheloverd ende met besien, Velth. I, 26, 97. —
Ook in den zin van tros druiven, welke bet. ook
mnl. druve heeft (z. ald.). || Die vos sach ene besie
hangen, £sop. LV, 1; zoo ook vs. 4 en 6.
BESIEDEN, st. ww. bedr. Mnd. beseden; hd.
besieden. Met kokend water begieten, broeien. Het-
zelfde als het meer gewone bescouden (zie ald.). || Van
zwine te besiedene , van den hare te doen snidene ,
ende van verkine te buerene (/. vuerene), aangeh.
Invent. v. Br. Gloss. 43 b. Recht als die honden
ghinghen lopen van den hont, die was besodea,
so laten si hem in den noden, Rein. II , 7534.
BESIEKEN, zw.ww. onz. Hd. besiechen.Ziek worden,
in eene ziekte vervallen. \\ Ende daer die garsoenbe-
ziekede ende weder thuus quam , Rek. v. Zeel. 2 , 372.
BESIECT (besieket, besiecht), dcelw. bnw.
van besteken , d. i. ziek worden (Lexer 1, 215). Ziek
geworden , en als bnw. gebruikt siek,
1) In het algemeen. Ziek, krank, van menacheB
en dieren. || So dat deen wart besieket sware, Sp.
I* , 52, 12. Binnen dien . . ward hi sware besiect,
Rijmb. 21679. Te gansen alle die ghene die besieet
waren , Es. 80, /. 71 a. Om dat soe so wale ri«t
die diere dan (l. die) soe besiet (/. besiect) w^t
of hebbende arech. Beest. 184. Van eenre beesten
die besiect es, Doet. Il, 905 var. — Ook met eene
bepaling met van of met. Ziek , lijdende aan. || Alle
die besiect waren van enigher siecten worden
ghesont, cropelen ende blenden, stommen ende
doven, Fass. JF. 177 c. So was die heüege noArte-
lare van artentike besiect so sware, dat hi en
mochte gaen no staen, Sip. II*, 18, 181. Die keyser
Constantius, besiect sere van sware gepeise ende
meere van apoplexien swaer, II*, 22, 2. Hy wert
besiect van der saghen langhe iyt,/ebre quastaius,
Matth. Anal. 3, 32. Malaetschap daer men mede
besmet ende besiect is, Bern. S. 17a,
2) In het b^zonder van enkele hevige of afzichte-
lijke ziekten en kwalen.
a) Jichtig , rhumatisch. \ \ Hi was besiect ende km ,
r. d. Houte 438 var. (de tekst heeft gichtech).
b) Bezeten, waanzinmg. \\ Enen besiecten gansU
hi, hominem demonio vexatum, Sp. II*, 52, 88.
c) Melaatsch (vgl. het fr. malade, hetzelfde woord
als melaatsch). || Ghelijc datmen aen die besiecte vent:
gaet die besiecte tenegher stede, sine beaiectheit
dracht hi mede, Mask. 80. Anno 1321 doen vont ma
die besiecte Inden in Vrancryk, Matth. Anal,l,^
Ysoreid die besiecte (Ie mesel) es ghevonnesl
beziect (comme meseaus), Livre d. Meet, 41. £ei
lazers mensche quam . ., ende Jhesas recte sise
hant ende ghereen den besikden . . ende altehaat
wart hi ghesuvert van sire lazerien , L. v. J. r. 58.
Soe si van noots weghen van hem moet scheids
1041
BESI.
BESI.
1042
na allen gestande, mits dat hi besiect is, O, J2.
V, Dordr. 2, 70. Yan der mondborien yan den gast-
hnse . . ende yan den hnse yan der banc der be-
siecter lieden, Brab. T, Dl. 1, bl. 734. Van den
bnse yan der banc bi Loyene, daer die besiecte
wonen, DL 2, bl. 612. Dat engbeene beziecte liede
yor tayerne drincken en selen nocb sitten, Belg.
Mut. 1, 263. Int jaer 1309 so worden oyer al
gbebrant de besiecte lieden , ende haddent ingbeset
oyeral tyolc te yergheyen, Belg, Mue. 4, 206.
Daer woende Sjmeon die besiecte, Mandeü.f,^^,
In die riyier bade Namana yan Soryen, die was
besiect ende hi waert ghesont, 26c. So was be-
yonden , dat de beziecte lieden yenniedt waren . . ;
dat sy fenQn sonden werpen in de fonteynen . .,
daeromme soe wordden al Vrankeryke dore de be-
siecte lieden gbebarrent, Oron. v. Flaend, 1, 173.
Becht ende cuers yan der Lazerien yan Brnghe:
als een parsoen . . es beziecbt, Cout v, Brugge X ,
368. Yan ere onser portericgen, die men yoerde
... te Bmcgbe omme te proyene of soe besiect
ware, Rek. v. Geni 1, 167. Besiecter, Jan Yperm.
164. Besiect zQn en besiect gaen , Invenl. v. Brugge
6 , 105. Besiect ende lazams , aangeh. Gloss. ald. 286.
— Ook siec zelf komt in deze bet. yoor, ald. 6^
106 (den zieken lieden).
BESIECTHEIT, -hede, znw. yr. — l)^tó. ||
Besiectbeit die yan conden comt, He, Yp. 18<;.
2) In het bijzonder. MeUuUeehheid. Yerg. be-
siect 2r). IIGaet die besiecte tenegher stede, sine
besiectbeit dracht hi mede, Miuk. 81. Omme de
ghene te yisiterene , die berucht zQn of fame hebben
yan beziecktheden , Cout. v. Brugge 2, 111. Hets
goet jegen alle besiectbeit ende jegen zeter ende
single, He. Yp. l%c. Zoo ook 21a.
BESIEN , onz. ww. bedr. , onz en wederk.
(b0*aeh^ betogen ^ beeien; imp. enky. besicA, my.
èesief). Mnd. besén; mhd. beteken.
BEDR. — 1) Zien, aantekouwen.
a) Met den 4den ny. yan den pers. of der zaak. ||
(God), diet albesiet, Frane. 703. Hets mi ghenoech
na doch, dat ie besien mach di (Jotepk), Bijmb.
3230. Dat hi tlant besaghe . . , eer dat hi smaecte
die doot, 6233. Doe ghinghen si den yolke so
na . ., dat si tfolc mochten besien. 6109. God
toogdem dat lant mettien. Jüiracle waest, dat hyt
besien al ghader mochte, het was so groot, 6431.
Dat soe doch yan derre steden wel besien mochte
haer lant, 16582. — Ook met yerzw^ging yan het
obj ; sch^nbaar intr. || Die scepenmakers niet
langher te wercken, dan ze bi den daghe bezien
moghen, O. K. v. Boit. 42, 124. Die mande-
makers zeilen wercken anders niet dan zi by daghe
besien moghen, ald. 125. Keer d^n oghen al om
ende om . . ende besich, J). B, Deuler. 3, 27.
Hi ghiDC besien ter stede, daer hi liet den doden
lyoen, Bijmb. 8012. Besiet {zie), daer qnam een
scone eerbaer man, Bienb. 150a. Bezie , dg n geloye
heyet di behonden gemaect, Ht. v. 1348, 59c.
— Laten besien, laten zien, verkalen, ver-
klaren. II Apollodijn, die yan den beesten die
dragben yen^jn in sine boeken laet besien. Nat.
BL, Prol. 59.
b) Met een afh. zin. Zien, bemerken. \\ God be-
sach, dat het was goet, Rijmb. 197. Als hi heeft
beaien dat, dat soe daer qnam, 18214. Tri^anns
die besach daer wale, dattie poort was sonder man,
29028. Alse panthera dat besiet, . . datmensinen
hovede yliet, Nat. BL II, 3226.
2) Bezien, betehouwen, bekijken. \\ Sich np waert
ende besich de sterren, Sp. I^, 5, 25. Betaste
ende besich mine bande, L. v. J. e. 240. Stant op
ende besich mi wale, in hoe arm ene sale ie yan
erden ligghen moet, D. War. 2, 352, 9. Entie
saken . ., die waren in sancta sanctorum binnen,
dectemen, dat mense bekinnen niet ne mochte, no
besien, Rijmb. 5510.
3) Zien, bezoeken, opzoeken, || Wouden si in
Grieken yaren ende besien wijf ende kinder, hi
gaf hem sinen orlof, Jlex. YI, 494. Dese riddere
opten tsinxendach tote u qnam ende u besach,
Lane. Ui, 3377. D3ma . . Inste mettien, dat yolc
yan den lande besien , Rijmb. 2677. Te yaeme daer
hi wonde . ., ende sQn gheslacbte besien, 15181.
(Si) bat Sinte Fransoyse mettien, dat hi den on-
scnldegen moeste besien, JPrane. 9221. Hadde mi
gestaen mgn moet, die hermitagien niet te besiene,
Sp. III*, 27, 90. (Die) met siere mayseniede so
geme besach daerme liede, III', 71, 17. Ie wille
yaren ende mgn w\jf besien, III*, 77, 3. Hierom
Amasias die coninc . . heeft ghesent tot Jojas . . ,
segghende : com ende laet ons malcanderen besien,
J). B. II CAron. 25, 17.
4) Aanzien, aankijken. || Ogier . • besag hem
met een wreet gesicht, Heemtk, 123.
5) Het oog vettigen op iett, betehouwen; in fig.
zin, opmerken, letten op. || Die mensce (sal) besien
alt gut dat heme g^t gedaen heft. Dit besinnesse
brenct den mensce te Gode, lAmb, Serm. 62c.
Neghene dinc maecte haer seWen . ., dat willic
dat elc besie, Naf. BL, Prol. 95. Besich Maerten
ende Marien , die twee ghesustren waren , Wap. Rog.
1417. Dat si lesen mochten die worden , ende
daer in oec besien , wat si doen souden ende ylien,
Sp. I*, 14, 68. Dit siet men alle dage gescien,
hier op sondewi alle besien, lY*, 45, 41.Alsghi
hierna wad horen sult, wildyt besien, MLoep I,
2189. Besich oec ende merke dat onderscheit,
Sp. d. M. 1 , 62c. — Ook zonder dat het obj. staat
uitgedrukt, meestal in den imp. besich, besiet,
d. i. let op, merkt op. \\ Yan dane telle ende besich,
ende nem emmer elc yort op s)|n wort, Natuur k.
106. Besich, aldus yendict yertogen in de Éwangelie,
Rinel. 1029. Om dit, besiet, dat men te bat
sonde wedersecgen daer sQn cronen, Yelth. Y,29,
34. Ghi eerbaer yronwen, nu besiet, ten hoirttot
uwer oerden niet, MLoep lY, 949. Die selyerine
Êaenre, besie, meent Abylon, Sp. III*, 17, 68.
lesich, dit gedoechde ie doer di, Luód, 1880.
6) Enen — , iemand in het oog houden, op
iemandt bewegingen letten. \\ Daer nam hi nte ridders
mede, die de hoede also besaghen yan dien die
in den torre laghen, Rijmb, 190^34.
7) In oogentchouw nemen, itiepecteeren in fig. zin;
onderzoeken, onderzoek doen naar. Ygl. onze uitdr.
zien of. Met een 4den ny. of een i^h. zin; soms
ook met eene bepaling met een yoorz., b.y. na,
omme. || Omme te beziene achter de stede tgrote
ghebrec ende de nood yan wercke,/i»9«»^.p.^n<^^^
2, 347. Omme tweerc te henene , Invent. v. Brugge
3 , 333. Eenen yroeden wiye die een wyf besach . . ,
joef soe kint drouch, 5, 484. Die een meiskin
bezaghen dat yercracht was, ald. Eenen bode
ghezendt te Parys omme te beziene omme jnweele,
ald. 2, 408. Die spierres hadden .... besien
dat helighe lant, Rijmb. 5868. Tien man . . . .,
diet {land) maten ende besaghen beede, 6923.
Nu besich, sone! na die waerheid, Yelth. I,
36 , 6. Dat hi te Paqjs wilde yaren om te besien,
oft hi aldare eenigen meester yonde, YI, 3, 35.
Ie woude ghi sendet nu om te besiene of u oem
quame, Limb. III, 218. (Hi) heeft dese heren
1043
BESI.
BESI.
1044
gesent tote a , om te besiene ane n (u te polten) . . ,
of ghiere hem selt gheonnen, XII, 1053. Besich
dine herte al omtrent, Wap. Mart. I, 218. So die
mensche hem selyen minder besiet, so sy hem
selyen min mishaget, 6. Troon 29a. Nym die
poëten in dijn memori, ende besich menigherhande
historie, MLoep I, 119. Hoe ghi snit te hilic
keren, . . dat suldi yragen of besien, Tkeoph.
(BI.) 89, 184. Aldas machmen sine cracht besien ,
Nat. BI. XII , 668. Om dat si niet wilden gehingen,
datmen meer besage daernare {joX. naar het graf van
Jlaric), S^, III ^, 13, 44. Als hij daer quam,
besagen sg, hoe yeel yolks sg yerloren hadden,
Heemtt. 170. Besich, oft dgns zoons rock is of
niet, D. B. Gen, 37, 32. — Ook in den zin yan
keuren^ yan vee of waren. \\ Zo wie . . heeste
daden slaen . . , eer datse de wet yanden ambochte
besien hadde, ZVl. Bijdr. 6, 173. Yan enen bere
te bezien, twe placken, R. v, ütr. 1, 122, 78. De
zine yercken . . nyet bezien en liete, ald. — Dat
besien ambocht, de betrekking van keurmeester ,
ald. (tweemaal). Zie ook besienre.
8) Naar iet* uitzien. \\ Oec dede Constanten be-
sien om n^emare ende ateriden, Segh. 11370.
Wanneer die mensche beghint te laenwen, so
ontsiet hi enen cleynen arbeit ende beghert ende
besiet nutwendighen troest. Kal. 7, 162.
9) Overwegen^ overdenken^ overleggen. \\ Soe be-
siet, wat ghi begaert, ie sal a helpen an die
yaert, Limb. YI, 1573. Doe antwoerden si: Wat
gaet ons dat ane , besich da , dat moet gij zelf
weten, Rausb. 5, 220. Si seiden hem: wat gaet
ons dat aen , dat staet di te besien , Et. 71 , Matth.
^"^i ^ iy^^' onze nitdr. dat ttaat te bezien, d. i.
dat is nog niet zeker, kan nog een punt van over-
weging zijn). Dat hi besaghe, wat hi hadde te doene.
Wal. 10489. Hoe men die worde sal besien, daer men
te beden met sal tien , Yelth. 1 , 20 , 35. Nu besich
wale . . , of dese stat hadde yerdient desen torment ,
Alex. YI, 469. Wonddi sgn goetheit noch besien,
ghi en soud yan heme so sere niet ylien, Christ.
1217. Die coninc sprac: besiet wie draghet beide
lettren ende brieye, overlegt wie zal dragen^ Ferg,
3004. Here, besiet, wat ghi doen wilt, 4968. Na
besiet, yroawe, of ghi awe cleder wilt wisselen
jegen mi , Limb. YI, 1723. — Ook als rechtsterm. Een
onderzoek over eene zaak instellen. \\ Dat die scepene
besien sullen , weder die scout . . yan Mathijs den
yolen roert dan en doet, R. v. Utr. 2, 16. Dat
die scepene besien sullen, of die scout roerende
is yan M., 17. Ende doe besaghen die scepene
ende kenden na yooroirdel enz., ald. — De onb.
wgs als znw. gebruikt in de uitdr. Besien doen,
hetzelfde. || Dat die scepene yan deser sake gheen
besien doen en sullen, mer recht oirdel gheyen
tusschen hore twier tale, ald.
10) Toezien op , zijne opmerkzaamheid schenken aan ,
acht geven op, zich iets aantrekken, ergens zorg voor
dragen. || Diat hi (Pepijn) . . die Roemsce saken
besaghe, die sere tegingen in dien dage,i^. III*,
68 , 85. Die paues yan Rome sendde na dat boden,
diet besagen bi wetten, lY*, 27, 130. Echtheyet
Cosdroe ter were yersament een mekel here; enen
die Raxaces hiet, gheboot hi, dat hi besiet, III*,
6 , 93. Sijn lant besien ende achterwaren , Yelth. I Y,
69, 3. Entie dat yolc souden besyen , J^ym^. 10980.
11) Verzorgen, voorzien. Met den 4den ny. yan
den pers. || Elkeriyc pijndem yan dien, hoe hi
hem dienen mochte ende besien, soe dat hem ne
gene saken, yan die hem bedorsten, gebraken,
Jjanc. III, 9059. Die ander werclude die sal hite
werke schichten (d. i. schicken) ende sal die be-
sien an hore noetaorften, D. Orde 291.
Onz. — Toezien, zorg dragen. \\ Besiet, dat
Beinaert met u come, Rein. I, 1017. Besiet, dat^
hebt een sweerd, Lane. III, 18464. Ie can bet in
alre wysen besien om ons heer te spysen, Troge»
f. 84^. Besich, dattu alle dieteykenen . . doeste
yoer Pharao, D. B. Exod. 4, 21. Besiet, dat ghi
mijnen saterdach wachtet, ald. 31, 14. Ondersoect
ende besiet , dat onder u nyemant en si yan sheren
knechten, II Kon. 10, 23. Yaert wech ende besiet,
dat u here morghen come, Limb. YUI, 1468. —
Ygl. ook bfl be&. 1), 5) en 7).
Wederk. — Hem besien.
1) Zien, uitzien, uitkijken, een kijkje nemen. ||
Hi sende enen bode tot yor de stede heymelicdie
hem besaghe, hoe dat there ghelogiert lagbe,
Limb. YIII, 274. Ie wille mi noch bat besiea,
eer ie mi te huwen wille tien, X, 313.
2) Inzien, bemerken. || Wel besiet hem des de
yader, dat wederroupen dans niet algader, F^om.
705. Ten keeme, eer hi hem besach, ontftnc hi
scade al ombewaert achter in sgns heren staert,
Sp. lY*, 24, 58.
3) Zich onderzoeken, en hg uitbreiding to/ «litffr
komen. || So die mensche hem seWen minder besiet,
so hy hem selyen min mishaget, O. Troem 29a.
Wiltu di selyen niet besien? Theoph, 1068. Alsta
beghins di te besien, waenstudanyindenghenade?
1100. Twine besiestu di, sondich man? 1106.
4) Zich in acht nemen. || Al dies selfs u vel
besiet, Rijmb. 25686 (lat. vigilai^). Dat ghi ■
selyen niet bat en besiet! Lansl. 182. Lanseloet,
ie wille, ghi u bat besiet, 196.
5) Toezien, opletten. || Besiet n, yraer ghi ■
fundament op sticht, MLoep I, 3224. Dat ghi u
claerlick moecht besyen, eer ghi mit desen of mit
dien in minnentliken banden trect , 3233 var. Coemt
yoert ende besiet u bet, Segh. 437.
Aanm.— l)Besien, 7Vï/'.<>p3ir. 71: «Decroone
die met yijf tacken wert ghezien , die mach men
up eenen coninc dé'jnAft,"yerandere menin betien,
d. i. betrekken, betrekkelijk maken, toepassen. Zie
bij BETIEN.
2) Hem besien, Beatr. 980: „Bepeinst u wel
ende besiet yolcomelijc yan uwen souden ," yerandere
men in hem belién. Zie HEM belien, kol. 85S.
BESIEN, deelw. bnw. yan besien (zie ald.).
Gezien, geacht, geëerd; lat. conspicuus. || Die Zee-
landers deden daer yeel manliker daden , ende die
Hollanders warden daer so wel besien, datmeas
hem menigen (/. menige) eer sprac, zij lieten siek
van eene zoo gunstige zijde zien^ kennen, Clere
126. Die ayenturen die hen gescieden teldi daer
yoer al die lieden, dies was M daer sere besiea,
Lanc. II , 47093.
BESIENNESSE, znw. o. Beschouwing. Zie eea
yoorbeeld b^ besien, bedr. 5).
BESIENRE (besiere^, znw. m. Van ietiem.
1) Opzichter. || Den tolscr^yer ende besiere bb
ther tgt wesende, Nijh. 4, 318. Tolners , besieres,
schrQyers, tolknechte, 321. B^ onsen tolner, be-
sierre ende tolschryyer ... tot Lobeth , 259 twee-
maal. Dat die misyoerders misse sullen moegen ladei
alle die weecke door, uytgesondert den lestea
werckdach, ten waere of die besienre een andera
dach leyde, K, en O. v. Delft 122, 47. Ten xi
dat hij eerst . . den besienre yander stede wegei
te kennen gegeyen sal hebben, enz. , 113 , 48. Dat die
misscheyoerders . . den besienre gehouden snUen s§«
hoerl. geit . . te brengen binnen sijn hnyB,«/i^^.
1045
BESI.
BESI.
4046
2) Kêurmeetier, vitUeur. \\ Dies sal de beziere {van
de beêtten die getlaeht worden) yan den ambochte
hebben van eiken vetten zwine, dat hi beziet,
twaelf gnroten parisis, ZVl. Bijdr, 3, 278. Waert
dat de beziere voorscreyen meer name,tfM. Yoert
selmen dien bezienre eden . ., ende gheyielenich
ffhebrec daerin, also yan dien beren ofte yercken,
de bi bezien badde, dat sonde die bezienre ver-
beteren, K V. Utr. 1, 122, 3. Eer hi den bezienre
yoldaen hadde, ald. Des die besienre goet geschonwet
heeft yoir den knoep ende qnaet viel yoirden knoep,
so sonde die besienre dat den Inden yerstoeren,
123, 78.
BESIERE. Zie besienre.
BESIGEN (besiogen , besegen ; wel te onder-
scheiden yan beiden, d. i. beteggen (zie ald.)), zw.
irw. bedr. (niet b^ Lubben).
1) Gebruiken.
a) Gebruiken^ aanwenden tot een bepaald doel,
gebruik maten van. Met eene concreete zaak als
yoorw. 11 Alle die vaten die te besighen behoerlic
vraren, D. B. Exod. 38, 3. Een man en sal eens
wijfii cleet niet bezighen, Beuter. 22, 6. Daer hi
in die sacristie was, so en besichde hi nye des
biscops zetel, Ned. Prosa 232. Die colomme
ende dandre chlerhede hilt hi te beseghene tere
ander stede, Rijmb. 10067. Elc bezeghe sine
bande ende laet ons slaen elc andren doot,
34722. De selveren lepels , die men in den reefter
besicht, Belg. Mus. 6, 163. Eenen silveren croes ,
om te beseghene als sy siec waren, ald. Oec ne
connen zQ niet gecrighen kerssen, slapen mede te
gane ofte te wat zaken dat z^se te beeseghene
hebben, 7, 89. Noch yier noch panne te beseghene,
ZFl. Bijdr. 6, 164. Die meede bezichde ende
yrrochte zonder alnnn, ald. 171. Met den besten
ammelakene . ., potte . ., nappe . ., scotele . .,
lepel . . , scrine . . , kiste . . , stoel . . , cnssen . . ,
ketel . ., dat men pleght te beseghene, Cor. v.
JMw. 61. Het doet minne ende niet el, die n
besegen doet die oeghen, Limb. XI, 830. Dat
ghi . . nwe oren (selt) beseghen mere dan n
tonffhe. Boet. 1 , 305. Behouden , bezitten , bezingen
(/. besighen) ende ghebrnken . . dat yoersz. goet,
Oorkb. 2 , 410d. Anders en sonde dese wjjse meester
. . dese costele medicinen daer niet aen gebesiget
hebben, Bern. W. 58a. — De onb. wQs als znw.
Gebruik. || Dat gheene voercoepers . . plancken
coepen en selen . • ., het en zQ te haers selfs
beseghene, Cor. v. Jntw. 60. Yan der . . aerde
maeS hi vaten te besighen (ad usus noetrot) , D. B.
Boee d. Wijih. 15, 7. Alsnlken dinc en saldi tot
nwen besighen niet maken, want het is heilech
den here, Exod. 30, 32.
b) Gebruiken, eten. || Den genen die steeds veel
heter cmden besighen, Barthol. 91b. Dat sy niet
gebesicht en heeft anders dan als voirscr. staet
ende nn niet en besicht, D. War. 3, 83. Die
wormen en sonden dat plaester niet znghen noch
beslgen, 84.
é) Gebruiken, betteden. || Hoe men r^cheit be-
eeghen sal, Boet. II, 2511 titel. Ach . . hoe
beeeghet tvolc sinen gheleenden tyt, OFl. Z4ed.
e. Ged. 436, 1.
d) Gebruiken, toepasten, in praktijk brengen, uit^
Oefenen. Met eene abstracte zaak als voorw. || Men
besicht mi \^edene) zelden daer men mach, OVl.
Lied. e. Ged. 399, 92. In allen tiden ende overal
men gherechtecheit beseghen sal. Boet. III, 55.
Ic sal an n tronwe groet beseghen tote in mine
doet, lAmb. YI, 1405. In can nerghent vinden
minne, daer men in besecht tronwe, Vad. Mut. 1,
310, 91. Over de fortse ende wille, die hy sinen
molensere hadden ghedaen bezeghen te Untkerke,
Oron. V. Vlaend. 2, 69. Zonder ongheordineerden
wille {willekeur) of jonste derin te beseghene,
ZVl. Bijdr. 4, 5. No datter niement wille of jonste
in beseghe, ald. 6. Dat negheen van hem beeden
hier in eenighen wille besigghen of voorderen zal,
Invent. v. Brugge 3, 382. Dair moet die priester
snbtylheit ende synnicheit in besigen , V. War. 3 ,
84. Die wreetheit sgnre gherechticheit, die hg
ghebesicht heeft yeghen die sondaren sQne vyanden,
B. B. Prol. b. Daer van eren ende van wgshede
te besighen was, waar het zaak wat in eer en
wijtheid te handelen, Bein. II, 4822 (nitg. v.
Willems ; bt) Martin 4810). Nemt ware , dat ghi
nwe ghereghtheit nin besegt vor de menschen op
roem, Z. v. J. e. 42. Yan der . . neringen, die
menege onteert (/. anteert) ende gebeseecht (/. gebe-
secht) heeft, Brab. Y. Dl. 1, bl. 724.
e) Even als het tegenwoordige ^^^nft^M , met den
4den nv. eener vrouw. Vleettchelijke gemeentehap
met haar uitoefenen. || Lichte wi ven , die hen laten
besighen om geit, Betchr. v. Haarlem I, 178,
aangeh. door Yan Hasselt op Kil. 63. Ygl. bQ
BESICU, 1).
2) Evenals het hd. brauehen de bet. van be-
hoeven, noodig hebben heeft aangenomen, zoo ook
het mnl. betigen. \\ Mgn vranwe ne gheeft gheen
werc so cleene, ten besicht de zinnen wel alleene ,
OVl. Lied. e. Ged. 358 , 1279. Wye dat poot alsnlken
boom, men bezichter nanwe toe te sien, Hild.
176, 101 (vgl. het öloss.). Indien de voors. van
onse stede van den Brielle dat selve afgesteken
land niet en behonfden of besichden tot hare
voors. boosem . ., mair dat lieten liggen ver-
landende ende niet besygende {gebruikende) , Priv. v.
Brielle 2, 100.
BESINÖELEN, zw. ww. bedr. Yan tingel, d.i.
kring. Omtingelen, omringen, int luiten. || Hier en
binnen qnamen die hertoge aen deene syde ende
die here van Bavensteyn aen dander side ende
besloten ende besingelden dat here al omme,
Exe. Cron. 211a. (Hi) heeft ter stont een deel
volcx genomen ende heeftse al omme besingelt ende
verslagen, ald. b. Mer sy en besinghelden Tymo-
thenm in dien steden niet, D.B.UMaeeab. 12, IS.
— Ook in fig. zin. || Dat die hoecheit der werelt
alomme mit verdriet besingelt (is), D. Fisr. 6,199.
Aanm. — Besinghelt, Brand. {H) 948 en
962 moet veranderd worden in besinget, d. i.
besenget, zwart gebrand, vertehroeid. Zie op
besengen.
BESINGEN. Zie besengen.
BESINOEN, st WW. bedr. {betanc, betongen,
betongen). Mnd. betingen; mhd. betingen.
1) Een liet besingen, een lied zingen {ten
einde toe). \\ Daer na moest {het lied) bezongnen
wesen, OVl. Lied. e. Ged. 296, 1844.
2) Ene kerke besingen, den dientt in eene
kerk waarnemen, er de mit bedienen. || Die kerke
die bezanc aldare > Jheronimns , Sp. III*, 27, 16.
Dat Allaerd van den stienhnze die kerke van Oest-
wonde besinghen doe. Mieris 2, 211 a. Waer enich
pape, die sine kerke niet en besonghe noch be-
singhen en dede , so sonde die deken in die kerke
enen anderen pape setten, 213 a.
3) Ene capelrie heBingen, voor eene gettor-
vene eene lijkmie zingen. Deze mis werd gewooniyk
gebonden in de kapel waar de doode begraven lag ;
in de kosten daarvoor was voorzien door den over-
1047
BESI.
BESI.
1048
ledene, op wiens verlangen de mis werd gehouden.
Vgl. Lexer 1, 216. || Twintich pond sjoers, . . .
tote ene (/. ere) capelrie behoef, te besinghene
alle daghe in die capelle, daer hi leghet,yorsine
ziele. Mieris 2, 197a. De capelrie ... die ver
Lisebette Buekels . . . sette te besinghene in die
kerke te onser Vrouwen te Biervliet, ZVl. Bijdr.
4, 216. (Si) gaven viere gemete lants ... ter
capelriën boef in die kerke van Watervliet, ende
tsgeens boef diere (/. diese) besinghen sal ende
diere toe gewiet wort, Vod. Mus. 2, 369. Welken
tiden dat die capellaen gewiet es ende hise be-
singhet, 370. Van eenre halver tienden . ., de
welken miin here miin vader . . gaf . . der vor-
seider abdiën van Bodelo ervelike teenre capelriën
bouf te besinghene ewelike in den vorseiden
closter over zine ziele, 3, 436. — Enen
doden beslngen, voor een gestorvene eene
lijkmis zingen^ mjne uiioaart vieren. \\ Met dien
besinghen sy den verstorven ende zgn siele
sonde also wel geholpen zfjn, Seb. Franck,
aangeh. bij Huyd. , Froeve 3, 36. Vgl. Rein, I,
440—460.
BESINNEN, st en zw. ww. bedr. en wederk.
Mnd. èesinnen; mhd. besinnen.
Bedr. — 1) Verzinnen^ uitdenken. \\ Datnyemant
inden hemel noch inder eerden groters bedencken
noch besinnen en can, O. Troen 33 <^.
2) Begrijpen^ bevatten. \\ Die dit al bezinnen
wonde . . ., synre herten wert een razen , V Bomen
163. Wie mach die ghenoechelicheit besinnen of
bekennen, G. Troen 61a. Al snlkes wonder des
groten heer, ten can gheen man besinnen, Ror.
Belg. 10 , 62.
3) Zijn zinnen op iets zetten, beminnen. \\ Van
tghene dat ick meest besinde . . . , dat is dat ick
gheen beter en vinde dan wel te doen ende vrolijck
te sijn, i§>. d. J. 213. — Condijt te rechte besinnen ,
lief ende leet ghetroost te sQn ende God alleen te
minnen. Hor. Belg. 10, 107. — In de 17de eeuw
algemeen. Vgl. Oudem. 1, 688.
Wederk. — Hem besinnen, {ergens op) be-
dacht zijn, gedenken. \\ Op dat die mensche mit
vrien moede hem soude besinnen ende leren Gode
te dancken ende te eren, N. Versck. 4, 84, 4. —
Het verl. deelw. besonnen wordt volkomen in
denzelfden zin gebruikt als bedacht (zie ald.).
— Vandaar de uitdr. besonnen syn, d. i. be-
dacht zijn; zie ald., kol. 609, *). || Merct hoe sijn
si dan besonnen, dien selve te voren es ghe-
wonnen beide van moeder ende vader, ende nu
verdorret staet alle gader, Hild. 30, 293. — Thans
alleen als bnw. in gebruik, uitsluitend met de
ontkenning, onbezonnen, d. i. onbedacht.
BESIT, znw. o. , in den verb. nv. besitte en besete;
mv. beseten en besitten.
1) Van besitten, in den zin van belegeren, zie ald. 8).
Beleg, belegering. Vgl. beset, znw. 3). i| Beide voet-
ganghers ende te paerde , als behoort ten besit van
Malpertuus, Rein. II, 3746 (de uitg. v. Willems
heeft VS. 3765 besef). Al was dat besit lanc,
Brab. Y. V, 3786. Men soude die stat harde saen
van dien groeten besitte ontslaen, Edew. 1731. So
dat die grave van Hollant daer om siin besit van
Utrecht brac , Cl^c 69. Boerende van den besitte ,
Oorl. V. Albr. 64. Enen scipman die . . . alle den
tijt mede binnen Dockem in den besitte bleef, ald.
226. In onsen bezitte voir Haegenstein , V. d. Wall ,
391. (Hi) brac van den besit van Utrecht ende
quam mit groter macht ende besat des Hertogen
Bosch, Matth. Anal. 3, 117. Boelof . . . bracsyn
besit van Groningen, 137. Die Kennemaers brakei
op van den besitte, 176. Grave Ghye leeghden
voor Zierickzee met al te zwaren besete , Belg. Mus.
4, 204. In reysen, in daghelixen orloghen ende ia
beseten, Nijh. 2, 116. Daer toe snelewi ... tot
desen besete seynden driehondert manne, 127.
Wilke . . ghewapende lude . . suelen mitten gbenen . .
die den hulpen ghesonnen heeft . . in den besete
ende in der reysen ende in den daghlixen orloghe
bliven, dat beseet (/. besif) ende die reyse ende
dat orloghe uyt, 129. Dat besit van Culenborck
breken of beletten, 164. Oft zaec weer, dat enniek
besette (/. besit) van ons verbonden . . gheviele,
3 , 44. Ander werken ridderlike bedreef men daer . . ,
als in selken besitten altgt die coene gheeme
ghewoonlijck sgn te doene, Brab. T. VU, 15501.
Binnen den tiden van desen besitte, 16505.
2) In de tegenw. bet. Bezit. |) So sullen wy heren
Gheryt ende sinen erven in den bezete van dea
voirscreven lande . . . stareken ende gehulpick
wesen, Mieris 4, 413. Ende man, w^f, dochi^
voorseyt siin in helen besete hoor echtscaps ende
goeden naems tot in hore alre doot, R. v. üir. %
148. Van allen goede, des die persoen ... in
besitte ende in were was, 5. Ende Willam . . .
des eyghendoms ende der husinghe lange jarea
in besit ende in weren gheweest heeft, 47. Also
alse hi besitte daerin was, ald., e. e.
BESITTELIJC. Zie het volg. art
BESITTELICHEIT (besitlicheit), -hede ;anw.
vr.; mv. -heden. Van besittelgc, d. L üo^ i«^
bezit behoorende. Vgl. Lexer 1, 218: betitzUck fmoL
Bezit, eigendom, bezittingen. \\ (Hi) ghinc . . al
droevich heen, want hi hadde vele besitlichedea,
Hs. 71, Matth. 19, 22 (vgl. Hs. Svang.^ Mare.
10, 22: Hi was vele besittelicheit hebbende; aUL
Matth. 19, 22: vele besittelicheden). — Ook in
den zin van gehechtheid aan bezit va» aewdsche
goederen, aan het aardsche. \\ Also snlstu alle besitte-
licheit . . uut d^nre woestinen des herten pinen
te verdriven, Stemmen 148.
BESITTEN, st. ww. bedr. en ons. {besai, be-
saten, beseten). Mnd. besitten', mhd. besitsen,
Bedr. — 1) Het trans, zitten. Op iets zitten. \\
Negheen wilt voghel sonder dit, leest men dat
te wintere besit sine eier, NtU. BI. UI, 521. Als
si drie weken beseten siin {de eieren)^ soe comen
daer enken uut, Mandev. /. 126. In die steei-
roetse is een voghel, die altyt sinen nest bent,
Qest. Rom. e. 17. — Enen stoel besitten,
in fig. zin , op een troon zitten. \\ (Dat) hi omtrent
derdalf jaer den Boemscen stoel besat, cf dem
pauselijken troon zat, Sp. UI*, 63, 19.
2) Voor een of ander doel zitting houden ; eig.
bij {be) iets zitten. In deze beteekenis komt U-
sitten met houden overeen. Vgl. Noordew. 333,
337, 364, waar men o. a. de uitdr. heewutede
besitten ende houden vindt. |] Venus, wacr
ghi u hof besit (d. i. hof houdt, uwen zetel hebt
opgeslagen) , ocht waer ghi soe machtich snt , daer
moetic emmer tenegher tyt comen oec ende bi a
wesen, Fad. Mus. 1, 312, 174. Die keiser wart
beraden also, dat hi wonde besitten doe om
keiserlike consistorie, Edew. 312. De manne die
de wettelike gaderinghe besitten ende horen sulln,
Gendseh Chtb. 21. Zoo ook 85. — Vooral als reeht*-
term , met verschillende obj. verbonden , b. v. r e c h t,
oordeel enz. j{ Om daghelix recht van aculde
of van slechte smarte te besitten, Matth. 46. Dair
men daghelix tot gheteekenden behoirliken tydn
recht besit, 76. Dair men recht besit, 123, 179.
i04Ö
BESt.
ÊÈSl.
i05Ö
Yan leemten sal men trecht besitten ende dinghen,
als . . yoren wel gheseit is, 312; vgl. D. War,
2, 117: Oock sal men van sheeren vege recht
besitten met sonnendaegschen ban, als yemant
recht begeert (a. 1666). De heeren ende de stad
op morghen, omtrint der tweeder neren nader
noenen, besitten snllen een eninghe op {ziUvng
Aoudgn voor een overeenkomst mei) de ghene die
honden ende leyen op vronwen van lichten leven
enz., Fad. Mus. 3, 67. Te Josepat in dat soete dal,
daer God sijn oerdeel besitten sal, Olor, 33. Dan
sftlment (vonnis) besitten metten rechter ende ses
mannen. Mieris 2, 305. Hy verzoende binnen den
tyt dat scepenen tfaict bezaeten , Cout v, Oent 664.
— Die waerheit besitten, soms ook ene
stille waerheit besitten, eig. zUting houden
voor het doen van een onderzoek^ het houden van
eene enquête (zie WAERHEIT), het nemen vanpreee-
dente informatie. Dit geschiedde over bepaalde
zware misdreven, alleen door *s Graven baljnws
of rechters, soms ook door schepenen, die in
de plaatsen , onder hnn gebied gelegen , een plech-
tigen omgang hielden en hier en daar zochten
uit te vorschen , wat er tegen *s Graven recht en
hoogheid was geschied. Zie Y. d. Wall 80 ; Hnyd.
op Stoke YI, 297; Yan der Eyck , .B«<?)ir. r. Zuirf-
Holland 119, en een voorbeeld van het „bezitten
eener (stille) vraarheid,^' ald, 389. || Yan vrede-
brake, van bemfter dieften, van moorden, van
kraften van vronwen , van alre overdaet ende feyten
honden wy aen ons selven of wien wyt bevelen,
de waerheit daer af te besittene mitten scepenen,
die daer geene partie in en dragen. Mieris 2,
6d9« (a. 1340). Waert dat hem yemant ter waer-
heit verwillekenrde . ., soo sonde onsen baillin
die waerheit besitten mitten ambachtsheren, 7105
{a, 1346); vgl. 7125. Die waerheyt sal onse baillin
besitten met synen clerck ende metten ambochts-
heeren, Ilandv. v. Watert, Aa, Yoort en snllen
wy, ofte niemant van onsen wegen, stille waerheit
besitten binnen onse landen, het en waer,dathen
eenigerhande Iniden onderlinge of tegens ons ver-
willekenrden ter waerheit te blyven enz.. Mieris
2 , 7105. Dat hem lief si , dat men hoert ene stille
waerheit van swaren dinghen ; de scepene wondent
wel ghehingen . ., op ene vorwaerde, dat scepene
de besitten sonden, Stoke YI, 296. Soe waer
datmen die waerheyt {in een dootslag) besitten
sonde , . . dattet sonde sijn in een hnys of in een
kerck besloten met eenre opene doer, ende dathy
daer voren staen sonde met synen magen ende
vrinden, O, B, v. Dordr, 2, 302. Dat die baelin
die waerheyt, dien hy daer beseten hadde , datmen
die aldaer inder selver vierschaer openbaeren ende
nnten sonde, ald, Ygl. ald,: „als een baelin over
die waerheyt ginck si t ten." In elcken ambocht sal
die baelin een stille waerheit besitten , eens sjaers
ende niet meer. Mieris 2, 315 {a, 1303). — Ook
in bet pass. wordt besitten in deze bet. gebmikt.
11 Die waerheit was doe beseten, Stoke YI, 316.
Andere qnade faicten ende die beseten worden
met zeven scepenen, qtn se jupentpar sept éehevins^
d. i. : waarover zeven schepenen ffezeten, zitting
gehouden hebhen y Cout. v, Oent 663. tScependom,
dair die vierschair mede beseten was, die in de
vierschaar gezeten hadden ^ sal die clerc al be-
flcriven in der steden boec, Matth. 218. — In dit
Toorbeeld komt beseten in bet. ongeveer overeen
met bes et, van besetten\ z. ald. en vgl. Heim,
917 en 918.
3) Ve ruimte van iets innemen^ eene plaats beshum^
in iets zijn] ook bewonen, || Een serpent den corf
besat, was in de mand, Sp, UI', 83, 44. Die
sonden daden dat, dat haer (der stad) name sere
es vergeten ende van lettel lieden beseten, raro
incoUtur habitatore , Sp, II*, 36, 14. — Zie ook
BESETEN, 2).
4) Jhor zitten beiomen , oploopen ; vgl. BEGRIPEN ,
BEOAEN, BELOPEN. || Beter is beseten schande,
dan schande belopen, Hild. 21, 44; Hor, Belg, 9,
10, 134: Peijus eurrendo vieiumfit quam residendo,
6) Iet — , op iets gaan gitten^ in bezit nemen,
bezetten] vgl. bi| sitten.
a) Eigeniyk. || Daertoe hadden si allomme
beseten doe dat sitten, Lanc, III, 9130. Alse die
hinne haer kiekene broet, heeft hijt (God heC) al
beseten (in de dnbbele bet. van „hy zit op alles,
beschermt alles door er plaats op te nemen," en
„hij bezet alle plaatsen, is alomtegenwoordig"),
Wap, Mart, I, 307. — Den aften stoel be-
sitten, den wettigen stoel, den rechterstoel innemen,
Westfr, Dingt, 7 , e. e. Zie verder bij Aft.
5) Fignnrlgk. Eene plaats innemen, zich daar
nederzetten', vgl. 3), waar evenwel het feitelQke
innemen, de daad reeds geschied was. || Soe
comter twifel inne ende besit die selve stat, daer
si weet dat ie ben comen, Vad, Jft». 1,311,127.
e) Yan landen, steden, enz. Innemen, veroveren,
in bezit nemen, |) Doe die kersten die stadt besaten,
so waren daer tnsschen drie ende vier hondert
kercken , die al gedestmeert waren , Exc, Oron. 100c.
Men begat sQn lant van Amon tot Jobac , D, B, Nitm,
21 , 24. Ende Israhel versloech desen oec mit sinen
sonen , ende al sQn volc tot dattet al doot was ende si
^ besaten sgn lant, ald, vs. 36. In desen tide besaten
wi dat lant van Aroer, Deuter, 3, 12. Die kinder
van Israhel die nnt Egipten qnamen, besaten syn
lant, a^. 4,46. — Hetpf. ie hebbe bes e ten bet
dns eig. ik heb in bezit genomen, d. i. ik heb m
besit, \\ Uptie felle Wandalen . ., die tlant hadden
in langen tiden beseten met haerre ghewelt, Sp,
III», 26, 81.
</) Een hart — , het innemen, veroveren, |) Syt
willecome, Gloriant! ghi hebt beseten die herte
mQn, gij hebt mijn hart veroverd; g^ bezit, zijt
meester over mijn hart, Olor, 630.
e) Het bezit over iets verkrijgen, || Wie hevetnu
dat lant beseten? Ie wille dat wel weten, dat
tlant sonder oer bleef daer, lamb, YI, 2691 (het
pf. heeft ook hier weder de bet. van een praes.).
/) In het alg. Ontvangen, bekomen, || Wi, die
den last hebben gedragen den dach al dore in der
hitten, wine connen den loen niet besitten, Sp,
II*, 76, 32 (nihil consecuti sumus; de var. heeft
gehitten, dat de voorkeur verdient). Datse . . van
den vegevier verlost sonde werden ende die vruecht
der hemelen besitten, Bxe, Cron, ^Id,
6) Enen — , iemand in zijn bezit krijgen, tn
zijne macht brengen,
a) Eigenlgk. || Doet wech (o Gk>d) onse qnaetheden
ende onse sonden ende hwii ona(nosguepossideas),
J), B, Eaod, 34, 9. Dans sonen ghinghen op ende voch-
ten jegen Lesen ende wonnense, ende sloghense int
zwaerts mond ende besatense ende woendenre binnen,
Josua 19, 47 (zij annexeerden hen), — Yooral
met den dnivel sis onderwerp. Krankzinnigheid,
toevallen en dergeiyke kwalen werden aan den
invloed van den dnivel toegeschreven. || Hem zonde
de bet sgn talre stonde alse die qnade gheest hem
bezate, Bijmb, 9112. Die viant te hant besat des
heren dochter ende na dat werp hise int vier, Sp,
II*, 18, 69. Bi siere beden worden verjaecht Iq
1051
BËSt.
BESI.
1052
vele steden die davele, van die si besaten, Sp.
II*, 38, 41. In hare so quam die yiant, diese
besat altehant, III*, 23, 26. — Ook in het pass.
beseten met of van den viant. || Dat Karel,
coninc Lodaw^cs sone . . vanden yiant wart be-
seten, Sp. lY*, 60, 66. Twee die metten viant
waren beseten, JUjmb. 22906. — Ygl. beseten 2).
b) Ook van handtasteiyke overweldiging. Jam-
fat ten, aangrijpen, aanranden. || Daer naer so besat
hi sciere gheent kint ende waerpt in den brant,
Sp. III*, 26, 16. Wie es die man die heft beseten
ende heft teblouwen minen garsoen, daer ie sliep
in mgn pawelioen? Ferg. 2260. (Stephanut) bat
Gode . . ., dat hi hen di sonden wilde verlaten,
diene steinden of arch besaten, Minel, 338 (de
woorden of arch zQn misschien niet geheel luiver,
maar aangaande betaten kan geen twgfel bestaan.
Is arck byw., in den sin van ons erg, ster?).
7) Iemand vervullen, in fig. zin. Steeds in het
pass. en vergezeld met eene bep. met in of met.
Beseten met, voorzien, bezield, bevangen, ver-
vuld met. Hetzelfde als b e v a e n , waarmede het ook
verbonden voorkomt. Zie op bevaen. || Mannen
ende wiven, die met minnen syn beseten, Vod.
Mut. 1, 376, 30. Hoe si beede in grooter minnen
beseten waren ende hare sinne ne consten wel ver-
scheeden niet, Amand I, 4766. Wye met schoen-
heit wart beseten ende onghelatich is daer bj,
Hild. 79, 77. Ulizes die was zeer conftins ende
mit twifelen beseten, Mhoep II, 2892. Doe wart
dat serpent bevaen mit groten hongher ende beseten,
Jtein. II, 4880. Die metter doget syn beseten,
hebben seker goede ghebneren , Fad. Mut. 2 , 186,
2%. Yondelinc (te zijn) coric . ., ende (ie) dan
met dogeden ware beseten, BincL 934 (ook hier
nadert de beteekenis weder aan beset). — Met
arbeide van kinde beseten syn, door
barentweeèn gekweld worden, Prane. 9638.
8) Met be- in den zin van omringing (vgl. be-
gripen , begaen , enz.) samengesteld, heeft betitten de
bet. van intlmten, belegeren; lat. obtidere. Ygl.
BELIGOEN, beleggen en BESETTEN.
a) Met eene stad, burcht en derg. als obj. Ook
in dezen zin heeft het pf. dikwijls de bet. van
een praes. , zoodat die stat es beseten gelyk-
staat met zij wordt belegerd (eig. zij it inge-
tloten geworden, de vijand kteft zich er om ge-
legerd). II Pompejns besat Jhemsalemsaen, iS^. I*,
76, 62. Dese stat nochdoe si was beseten wale,
II*, 36, 31. Eens besat syn port met crachte van
Persen Sapor die coninc, 44, 12. Alaricns . .
hevet Rome die stat beseten, III ^, 11, 36. Dat
die coninc Totyla besat Rome met sinen Oester-
Goten, III*, 31, 14. Dat die casteel ware beseten.
Wal. 6793. Die casteel hi es beseten met wel
groter heercracht, 6816; vgl. 6831. Jnwe starcke
vesten sgn beseten, 7214 en 7684. (Si) besaten
Gabaon met groter ommaten, JUjmb. 6796. Daer
na so besat Benhadap . . met siere herscap Samarien,
13387. Bachides besat die stede met groter moeghent-
hede, 19703. Dat hi beseten hi^de . . die stat
van Tyren . ., ende hise nochtan niet ne wan,
16686. (Hoe de) Grieken Troien besaten, F/or. 639.
Sy besatten Agrippyne, Serv. II, 12. Metzedatsy
doen besaten , ald. 33. (Hi) versamende . . een groot
heer . . ende besat dair mede die stat van Groningen
al om, Matth. Jnal. 3, 137. Hi hadde met twaelf-
hondert scepen ter see waert die stat begrepen ende
te lande waert beseten, Alex. Y, 721. Aldnssnlai
varen Beverepaer besitten. Ren. 916. Den cloester
heeft Roelant beseten , 918. Hi heeft die stat beseten
ende heeft daer te doene vele , Limb. Y , 40. (Si)
hebben dat portekyn bezeten , Stoke II , 492. Die
dese stat selen swaer besitten ende vechten u,
Wrake 1 , 1836. Aldus wert Woeronc beseten tu
den heeren, Heelu 4164. — De onb. wysalsEnw.
gebruikt Beleg, belegering. || Seven weken ende
drie daghe dogeden donse zware plaghe int besitta
van Nichene. Sp. lY*, 8, 41. Om dat hi so vut
sach die stede . . datse hen niet dorsten vervaren
van besittene in tien jaren , Latte. H , 82190. Es dit
sake, dat Lanceloet mi in campe verwinnet, dat
gi sult dit besitten laten sciere, lY, 8647.
b) Met de bewoners der stad, enz. als obj. ||
Aldaer besatense die keytive (de Oallen) ende diden
hem anzt vanden Uve, iS^. I', 44, 19. (Hi) keret
met grotere were Archelaus daer beseten in eene
veste, I*, 71, 43. Hier binnen belagense die
Gallen. Tullius Cicero was van hem allen koret-
man van diere beseten waren, I*, 6, 27. Dat s
waren beseten ende in een harde swaer doen, 1*,
6, 2. (Die) Sassen, die waren beseten in die steden,
III*, 19, 23. Daer besatene entie sine Bellizarins
harde saen, dat hi nieweren en conste ontgien,
III*, 26, 74. Zoo ook lYs 86, 46. Opten berch
te Montesclare daer es beseten ene jondronwe,
Lane. II , 36998. Der coninginnen , die was beseten
in allen sinnen vanden ^coninc van Yrlant, Lene.
II, 46711; vgl. 46716. Hine sonde die vrove
hebben te wive . ., die hi beseten hadde daer
binnen, III, 18078 ^zoo ook 24398). Hi sonde
weten willen, wiene hadden beseten. Wal. 6838,
vgl. 10376. Dat hi es in groter noot ■wMrfike
up syn huus beseten, Bêmkm, 3, 134 , 86. Antonis
die volchde na ende hadse daer beseten, Aler.Y,
1136. Te Gazen < ., daer wilen Samson was beseten
van meneghen Philistee, Alex. III, 848. Dat hi . .
bisscop Coenaert besitten woude up Ysselmonde,
Clerc 44. Zie verder Fartk. 7849; Ferg. 3867,
4369; Stoke lY, 366; Yelth. I, 52, 4; Ngh. 2,
127; 196; Bijmb. 16723, 33367, 34149; ens.
9) Ook in den zin van beperken, bekriwyteu.
Ygl. BESETTEN en HEM BESETTEN, en Ben. 3,
333 : umkreiten, || Dat hi beset adde syn eten to
nauwe met ende beseten (var. (beter) : met vastei,
nauwen dyeten), dat hi so clene at ende dranc,
dat hi ward van live cranc, Heim. 917.
10) Ook de tegenwoordige bet. van in bezit kekkn
komt besitten voor. |i Selve Reinout . . bekilt
Gelderlant algader, ende besaet (d. i. besat ke()
eenen tyt met synre vrouwen, Brab. F. YI,6435.
Zoo ook F. d. Houte 476 var. e. e.
Onz. — - 1) Gezeten zijn, zitten ; vgL Ben. 2 , 333i.
II Met wien dat ie ben beseten om drincken ende
om eten, N. Doet. 1293 (var. gketeten; vgl. 1303:
dan seens bi wien ie ben gheseten).
2) Ziek ergent vettigen, nederzetten, gaanwoiun.
Yandaar de uitdr. beseten borger, d. i. gextet
burger. || Yan bezetenen borgheren scepen te wezen,
Stadtr. V. Zwolle 161. So en sal njemant scepen ia
Swolle wesen , hi en hebbe yrst over een drie jaer be-
zeten borgher gheweest in Swolle, ald.Ygl. beseten.
BESITTERE, znw. m. Bezitter. Zoo b. v. Cent.
V, Brugge 1, 336, 343 (tweemaal), enz. — Zie ook
het volg. art.
BESITTIGE (besitteoe), znw. vr. HetvronwL
van bezittere. Met den W.-Ylaamschen uitgu^
ige of igge, ter aanduiding van de vrouweljke
persoon. Bezittter, boedelkoudtter , slechta in West-
Ylaanderen in gebruik. || So waer dat ene dood
verstorven es, daer bezittere of bezittighe naf^
biyft, Cout. r. Brugge 1, 368. Dat de bezittefbe
1053
BESl.
6ESL.
1054
ansprekelic es voor tgnent dat sou (d. i. soe) in
de wettelicke deelrollen den aeldinghers van hneren
man overghegheTen heift, 658. Dat zoe als be-
sitteghe yan alden goede bleven naer de doot van
den Yoorsejden Janne , 2 , 64. Bezittere jof bezit-
tighe , 1 , 334 ptanm.
BESITTINGE , znw. tt. Mnd. hetittinge\ mbd. he-
ntMunge. Beeit^ng ^ dtf»V. || Cloesters dnllike te be-
droeven of baer besittinge him af te balen , CUrc
54; enz, — Ook in de bepaalde bet. van ^ofM^^i»^,
landerijen, || Onde besceioen {knappe) mannen, die
ackeren ende besittingbe knnnen meten , E, v, TJtr,
2, 101.
BESLABBEN, sw. wv. bedr. EjI. beslabben,
Utimbendo inqumare^ cibo Uquido commaeulare. Plant. ;
beslabben, slabben, baver, embaver] be-
slabber, slabber, baveur; beslabbingbe,
embavemeni, inqumatio. In eig. zin. Het drmien
en eten, voornamelijk het vloeibare, weder uit den
mond laten loope»; met eten en drinken morsen.
(vgl. het znw. tlabbe of slabbetje, d. i. slobbe-
doekje); vervolgens bezoedelen, bemorsen in het
algemeen. II M^n hant hebbic beslabd met giste,
Boerden YIII, 7. Om twee ffroete ofomdriestaen
si beslabt tote den cnie in den mortre , Vod. Mus,
1, 326, 26. ~ Ook als wederk. ^bmikt. j| In
haren morter beslabben si hem selden, ald, 327,
97. — Ook flganriyk. Bezoedelen, verontreinigen , be-
smetten, te seJkande maken. || Al des ghelijc plaghen
sy van hem in een swaer sentencye te vallen , die
die heilighe oerden (orden) mit bosen werken be-
slabden, Hs, 88,/. 34^. •— Hetzelfde bet. het freq.
BESLABBEREK, zw. ww. bedr. Mnd. beslabbem.
Met eten en drinken bezoedelen en in H alg. bevuilen ,
bemorsen, || Ie sit beslabbert toten oren , 3 Dag, H,
353. Ygl. BELABBEREN en het deelw. belabberd.
BESLAGE, znw. o. (mv. beslage).liixi^, beslack;
mhd. beslac.
1) Yan beslaen, in den zin van slaan (ald. 1).
Beslag, met eene vloeistof aangemengd en geklapt
meel. Nog heden in gebruik. — Yandaar be-
slachteile, beslagpot, || Een beslachteyle van
metael, ten oft eerde, Gesck. v, Antw, 2, 646.
2) Yan beslaen, in den zin van versieren (ald, 5).
Versiersel, belegsel, meest van goud en zilver gezegd ,
waarmede het in de tegenw. taal bijna altijd ver-
bonden wordt: gouden, zilveren beslag. || Sy
cleeden hem wael opten dach . . mit samite goet
ende duere, daer in stonden menighertiere beesten,
voghelen ende bloemen ende steen, die ie niet en
can ghenoemen ende menich beslach duer ende
goet , Troyen f, bbd,
3) Yan beslaen, in den zin van afsluiten (ald. 9).
Net, zegen, vaarmede men eene geheele sloot af sluit.
II Yoirt soe en sal niement vischkorve, fnken
leggen norh enich beslach doen inder Weteringen
Yoirscr., Nijh. 4, 36. Wie die vischkorven, fnken
of beslage vonde ende ophove (d. i. ophoeve), die
mach de enwech dragen sonder broicken, ald.
BESLACHTEILE. Zie beslach, 1).
BESLAEN, onr. ww. bedr. onz. en wederk.
(besloech, beslagen of bestegen), Mnd. besldn; mhd.
beslahen. Yan slaen (zie ald.).
Bedr. — 1) Het tr?aïB\Me^% slttan. Iemand oï iets
slaan, kloppen, || Yel te droghene, velup te slane,
vel in de bete te doene ende vel te beslane. Vod,
Mus, 2, 369 (uit eene keur op de lakenbereiding).
Of ie wel ghesproken hebbe, wat beslaestu mi,
He, V, 1348, 122d,
2) Jhor slaan , en bepaaldel^k door een handslag
bekrachtigen, omtrent iets bij handslag overeenkomen,
afspreken, bepalen. \\Wn,i cnaep uut s^n besleghen
loen ende begonnen werc ghinghe , eer h|jt volmaect
had, . . . verbuerde 12 se. Leid, Keurb. 106 §6.
Alle besleghen werc sel men untmaken, eer men
enich ander te comme (kuip) draecht, 77, 39.
3) Bezetten, eene ruimte innemen, in bezit nemen. Met
den 4den nv. van een land, stad, enz. || Die wille die
stat alleine beslaen ... als coninc yri, OFl. Lied. e,
Oed, 408, 173. Yander tijt, dat die kersten van bi
dees syde (d. i. bedesside) der zee dair tlant be-
sloegen ende bevochten, Exe, Oron, 26 3. Houdet
af den boem, waertoe beslaet hi die aerde, Boeck
V. d, L, J, 173a. Dat niemande eenighe bruggen , . .
ofte gemeen straten beslaen en sal moeten mit
eenigherhande goet, K, en O, v. Delft 203, 3.
Soe en sal ghien man synre ware (z^ aandeel in
het gemeenschappelijk landbezit) gebruken noch be-
sclaen (innemen, met vee doen beweiden ; hd. mit vieh
betreiben (Lubben , 1 , 273)) , hie en hebbe . . eyghen
cost, Ji, V, Zutf, 96, 16.
4) Beslag leggen op, \\ Datti daer omme . . .
haer dnwarie ende haer goede dede beslaen , Brab. T.
YII, 16611. Soe dat hi haer goede dede beslaen,
16286. (Daarom) dede die hertoghe beslaen . .,al
haer goede ende duwaerie, 16741. Soe worden . . .
haer goede in Henegouwen beslaghen tot shertoghen
behoef, 16772. Beslaen haer goede , toter tyt toe
dat vanden vors. gheloften volden es , Cout, v, Antw,
1, 82, 4.
6) Aanraken, bereiken, inhalen, \\ Jachhonde
coemen si daer et (de hyena) gaet , ende datse sQn
Scade beslaet (zoodat zijne schaduw hen aanraakt,
si umbram ejus tetigerint). Nat, BI, H^ 2091.
6) Bedekken, overdekken. \\ Een glasiin alemb^t
alomme bestopt ende wel beslegen , Hs. Yp. 106a.
Een scone dal dat was beslegen met tenten al,
Lane, UI, 23884. Straten, paden metten weghen
worden metten doden beslegen, Sp, III*, 41, 19.
Eerst heeftet hem besle^hen met muederen. Nat. BI,
YI, 471. Datter blyft dat besleet metten rosen,in
een eerden verlaetvat. Jan. Tp. 64. Yan een riet
te beslaen daer men die koersen mede ontsteect, 7 er..
Bek, d. Buurk. 214. — Yooral in gebruik van de
versiering met edele metalen en stéeTken, Eene ver-
siering van goud of zilver , enz. op iets aanbrengen (vgl.
onze uitdr. een gouden beslag). Met goude be-
slegen, met goud opgelegd, bewerkt, versierd, ||
Sam^t met goude beslegen, Alex, Y, 946. Daer
waren doren wel gheraect houtine, besleghen met
^oude , Bijmb, 11468. Dat hout beslegen met goude ,
daar men specie up ofiRren zoude, 11617. (Poorten)
met goude besleghen, portae qua laminis aureis
deeoratae erant, 11630. Die poorte . . . waren met
selvre ende met goude al besleghen menechfoude,
31468. Tselver . . ., daer thout mede was besle-
ghen , 33477. Die daer siden ende purperen pellen
aenvaten te draghen ende mit goude ende mit
silver ende perlen ende mit edelen ghesteenten
beslagen gaen, O, Troen lic. Die hoeftmast . . .
was altemale van cristael wel besleghen, Fragm,
Carl. 171. Zoo ook Bek, d, Or, S, 160; e. e. —
Het deelw. beslegen heeft, evenals in het mhd.,
de bet. met iets vuils bedekt, bevlekt, bezoedeld.
Ygl. boven Nat. BI, YI, 471. || Met bloede washi
besleghen, Boel. 1, 302. Sine voete beslegen in daerde,
Franc. 8166 (vgl. 8166 : omdat si (de voete) bemoedert
stonden). Die met muedren was beslegen, 8176.
7) Sluiten, dicht slaan, toesluiten. — d\lei — .
Annas ende Cayphas besloeghen vaste die aore ende
setten daer goede hoeders vore , Lsp. II , 36 , 846. Die
kerck was beslagen mit desen man, Matth. Anal,
i055
BESL.
BESL.
4056
1, 471 (vgl. ald.: Si sloten alle die doeren van
die kerck toe).
^) £ n e n — , hem opsluiten , besluiten. || Daerna biet
hi die kerstene yaen ende in karkeren beslaen, i^. Il*,
27 , 63. Die {de dochter) deetsi in ene tonne beslaen ,
Toree 141. — Enen in bojen beslaen, A^mm
boeien slaan ^ sluiten. || Onsochte was bi daerinne
gbepiert ende in boyen . . . sere besleghen,
Wal. 8288.
e) Van bet stoffelgk overschot van een gestor-
vene. In eene kist sluiten, bijzetten. \\ Sint word
syn hoeft gedregen in Patras die stat ende be-
slegen, Velth I, 16, 19. (Hi) bracbtet (gebeente)
inden cloester tot Middelbnrch , daert noch beslegen
leit boven der aerde in eenre kisten, Clere 126.
8) De nitdr. ene kerke beslaen (sie 7a),d.i.
haar sluiten, nam de bet. aan van den dienst in die
kerk verbieden, haar onder interdict stellen. \\ Soe wie
dat kerck ofte kerckhof vervochte of becommerde,
alsoo dattet beslagen wordde , diesal dat weder vrven
. . met syn zelves goet , Schwartz. 1 , 583. Geviel , dat
die voirsz. kerke daer omme besleghen worde , die
gheloven wi wederom te doene wienne op onsen cost,
y. d. Wall 166 (Mieris 2 , 3026). Sonder die kerk of
kerk hove daer mede beslagen te wesen of of*<:^ inter-
dict te komen , Charter aang. bij Y. d. Wall t. a. p.
— By uitbreiding ook van een land gezegd. j| Dat
hj (de bisschop van Utrecht) ons verwaeren (/. ver-
waeten) mochte, ende alt lant van Yrieslant be-
slaen. Mieris 2, 79a. Die soaden syn verwaren
(/. verwaten) ende in den ban des Paefs monde . . ,
ende al tlant van Westvrieslant zonde bliven be-
slegen ende tHeilighe Sacrament nemmermeer in
den lande te hebben, ald. b.
9) Inwikkelen, inkuilen.
a) Met een pers. in den 4den nv. || Mettien
cnssede hi hem menichwerf ende besloechen in
sinen mantel ende droechen nnt, Pass. W. 166c.
Die wort daer haestelijc nntgedragen in een linen
cleet beslegen, Hild. 1, 20. Beslaet n in desen
mantel, MLoep 11,3385.
b) Met eene zaak in den 4den nv., vooral van
koopwaren. Inwikkelen, inpakken. \\ Snachts so dede
sente Germaen die been in sine huut beslaen, Sp.
III», 44, 17. Wie dese laken untvoeren wil, die
en selse niet beslaen , dair en snllen twie wairdeyns
of meer bi wesen , Leid. Keurb. 82 , 66. XYI tonnen,
daermen die erweten voerscr. in dede ende be-
sloech , Oorl. v. Albr. 106. Van den torken (toortsen)
in den tonnen te doen ende te beslaen, 433. Een
merseman , die in sine merse taflet of sac of pacskijn
besleghen heeft, ZVl. Bijdr. 6, 34. Alle bale,
alle packe, ende tonnen, tsy botter, honich of
anders enich goet dat beslagen is, selmen opslaen
byden sysmeysteren R. v. TJtr. 1, 347, 234 (het tegen-
overgestelde ontslaen, of ontdoen, a/^.). Twee
tonnen, myns heren hamasch in te beslane. Rek.
d. Cfr. S, 163; vgl. 160 en 372. Thnnnekins daer
buspoeder in besleghen was, Invent. v. Brugge 5,
363. — Over hoeft (thoeft) beslegen, ge-
heel en al ingepakt (?). j| Van allen maercen ende
van elcken packsele dat der maercerye toebehoort
ende over hoeft beslegen es, dat sal gelden twee
schel. (var. overhoeft bezeghelt). Mieris 2, 3166.
Een tnrseel . . dat besleghen es over thooft,
Lett. N. W. 6, 81. Van eenen packeel dat over
thooft besleghen is mit maerserien , Oorkb. 2 , 2476.
10^ Verwikkelen (in eene moeiiykheid), maken
dat iemand getroffen wordt door de eene of andere
ramp. \\ Haer kynder, . . die si (^ra) alle overmits
)iare snnden mitter zwaerder maledixienbesloech,
dat si alle ymmers moeten sterven , over wier hoofi
Hj den vloek bracht, Bern, W. lUd.
11) Van water gezegd. Afsluiten, keeren. \\ Soe
hebben sy . . een cleine beke . . mit een dyke
beslagen ende gemaect, Divisie-chronijk , aamgek.
by Berkhey, Nat. Hist. v. HolUmt 1, 146. Soe
mochten wi beslaen den waterganc sonder weder-
tale . ., ende daer na mochten die van Lopike
dien dam uitdoen, Oorkb. 2, 3906. Waer oec dit
sake dat ie die Vlist besloeghe omme miere
woninghe willen, ie sondse leyden dor den coppei-
sloet in die Ysele, ald. 302«.
12) Opslaan, in elkaar slaan, oprichten, fneti^
van tenten, kramen en van alles, wat slechts
tydeiyk behoeft dienst te doen. || Si sagen daer
menege tente beslegen, Lane. III, 18073. Vu
platen ende van draynaghelen ende van staken tei
tenten te beslane, Bek. v. Gent 1, 497. Wieupten
Ryn woent ende marctdaghes stallen beslaen wil
voir syn hnns. Leid. Keurb. 61. Wie marctdaghes
staen wil npten Byn, die sel sgn stal beslaen als
die dachcloc des selven daghes gheluut is, tdi,
Wair yement , die den anderen van sinen besleghea
stal dreve, ald. Dat niemande binnen der steede via
Delft ... sal moeten eenighe stallen beslaen dan des
donredaechs, K. en O. v. Delft 203, 2. Van mgns heren
bedde te maken ende te beslane , Rek. d. Or, 3 , 122.
Van ploechysere te verlegghene, te scarpene ende
ghetonwe (machines) te beslane, £. r. Zeel. 2 , 190. —
Ook in de nitdr. die vierscaer beslaen, eig.eif
vier schragen (zie by Vierscaer) opsUum, en
vervolgens recht spreken, de vierschaar spannen, \\
Doe men die vierschaer sonde beslaen ^ alle die stat
qnam daer ghegaen, MLoep II, 3401.
13) Ook in algemeener zin. Inrichten, in orde
brengen. || Karel dede oec . . op die yle te Par§s
beslaen twee crit«, Lorr. II, 3668. Boden, die
onser comste ghewonghen . . ende onse herberghe
beslonghen, so dat wi vonden al bereet oase
woenste, Atnand II, 6049. Om aldair herberge tot
myns heren behoef te beslaen, Oorl. v. Albr. 20.
Ghi moet ander herberghe beslaen, SegA. 3818.
Den forier . ., van dat hi . . de herberghe be-
slonch ter Slnns, als onze ghednchte vrauwe . .
aldaer commen was, Invent. v. Brugge 4, 514.
14) Lant beslaen, het afsluiten, afpalen,
omheinen. \\ Dat dese hoy maden voer den scheides-
brieflf . . beslaegen ende bepaelt lant is gewest,
Etst. V. Dr. 162. Nadien dat die weyden bescMagfaea
syn, R. V. Zutf 97, 17.
15) Eene stof beslaen, haar bekleeden?
voeren? overtrekken? \\ Een beslege zwart webbe, Rek.
d.Buurk. 168. Een beïïslegen webbe ende een rinc, 177.
16) Een paert beslaen, als thans, Ferg.
3721; Invent. v, Brugge 1, 143 (waar tweemalea
beselane staat (/.beslane , ofmiuckien besclane (?) V.
17) In beslag nemen, bezighottden, ophouden. \^
bes lach, Kil. oceupatio. || In quaema niet af ia
langen tide, het sonde mi oec te vele beslaen, ie
saelt n cortelic overgaen, Velth. I, 42, 80.
Aanm. — In plaats van beslaen, Oriwsi. I,
2995: nSo wort (hi) beslaen met siecheden ende be-
swaert,*^ leze men bestaen (zie ald.) ; en JSsop. XXX T,
17: „Die vele beslaen enae Inttel sorghen, soekea
gherne valsche borghen," zal men het eveneens ia
bestaen, d. i. oiMi^ni^ntffi, moeten veranderen, JSi0p.
Oloss. wordt beslaen in de bet. ondernemen opge-
geven, doch zonder bew^splaatsen. Vgl. bestaek.
Wederk. — Hem beslaen met, eig. siek
met (iemand of iets) bezig houden (vgl. Kil.: be-
si ach, oceupatio)', ook in ongnnstigen zin. Ziek
i057
BESL.
BESL.
4058
afgeven met \\ Die hem hier heslaeA met yele
gheselscaps, die sal hi eneghen {eenzaam maten),
Ht. V. 1348, 2aa. — MLoep III, 222 eebrnikt yan
den nmmehandel van Pasiphaë met aen stier. ||
Dat was een wonderlike jacht, die dit wytP int
harte droech, doe si hoer mitten stier besloech.
BESLAPEN, st. ww. bedr. Mnd. beelapen;
mhd. betld/en. Behalve in de tegenw. bet. eene
vrouw beslapen, Stadsr. v. Zwolle 102 en 103
jMunm, enz.
1) In de oorspr. bet. yan bij iemand slapen, \\
My heeft een nader beslapen ; hy heeft my maecht
gelaten, OFl. Lied. 161. — Malcanderen be-
slapen, bij elkaar slapen. || Tensg dat sy . . dairna
tot eenre tafell mit malcander geweest ende mal-
cander openbairlic beslapen hebben, R. v. Uir. 2,
266; soo ook O. K. v. Delft II, 27, 6. — Ook
den man beslapen, yan de yronw gezegd.
Slapen bij haren man, || Yan joncfrouw Mergriet
yan Amerongen . ., doe sy horen man beslapen
hadde, een gouden am. galden, Bek. d. Buur k.^.
Doe sy horen man Dirc Taetse beslapen hadde , 95.
3) Den rocht niet recht beslapen heb-
ben, ie vroeg in hooger beroep gekomen zijn (?) , Btst.
V. Lr. 79.
BESLATEN, zw. ww. bedr. Van slaven in den
zin van slavenarbeid , hard en moeilijk werk ver-
richten, zich voor iets inspannen, zijn uiterste best
voor iets doen. \\ Tgoet dat snlc scaemel bloet be-
slaeft, D. War. 1, 416, 276. De lantlny moetent
beslaven met hunne handen, daer men inswerelts
waranden wel af vaert, Ned. Kluchtsp. 62, 64. Zy
beslavent zeere, om z^n yrienscepe te hebben,
74, 36. — Verg. bepinen.
BESLECHTEN. Zie beslichten.
BESLET, znw. o. Van besletten, in den zin van
belemmeren in de beweging (ygl. ald. 4). || Belem-
mering van een terrein, das rommel, omboel. || Item
80 en sel gheen beslet van cramen noch van tafelen
wesen npten Rjjn, Leid, Keurb. 61. Zie vooral
Oadem. , Wdb, op Hooft, bl. 42.
BESLETEREN, zw. ww. bedr. Benadeelen,
aeh^eruitbrengen; eig. belemmeren. (| Soe wye dat
mit onreden menrhet, die avontuer dat gheme
henghet, dat onreden him so besletert, sodathQs
selden wort verbetert, MLoep II, 2799 (de bet.
ellendig, verworpen maken, inhetGloss. opgegeven,
M minder jnist; de juiste verklaring is gegeven
door HaJb. Aant, 324 ; zie ald. , en ygl. got. marzjan
met mnl. merren),
BESLETSEN. Zie het volg. Art.
BESLETTEN, zw. ww. bedr. In de verwante
talen onbekend. Over' de afleiding zie Tijdsehr. 1 ,
129. Van dit besletten komt een ww. besletsen , dai
nog in Vlaanderen in gebruik is (De Bo en Schuer-
mans). Men kan besletten bijna altüd door het fr.
oeeuper weergeven. De oorspronkelijke opvatting
is binden, de vrije beweging belemmeren.
1) binden, verhinden. In eigendoeme be-
slet, in slavernij verbonden. \\ Dat vanden Wandelen
bleef te live . ., waren in Poelyen lant gheset
ende in eighgndoeme beslet, i^. III*, 26, 94; ygl.
de noot. lüsschien ook aldus te lezen, J?^^i/r. 660 :
„Al waer hi in souden beslet ^\ voor belet; vgL
Tijdsehr. 1, 130. Doch belet in iet is ook eene
^oede mnl. uitdrukking.
2) Verbinden, vereenigen. Beslet met eenre
dlnc, met iets verbonden. \\ So wat lant, dat nu
dyc bont, dat en zal men niet vri {hetzelfde als
het nsnl. onbeslet) vercopen , ten zei beslet bliven
mitten dyc, diet na heeft, Mieris 2, 3336. Vgl.
BEC0MMEREN, waarmede besletten groote over-
eenkomst van beteekenissen vertoont.
3) Figuurlijk. Iemand binden, verstrikken. Metten
afgoden beslet, in den dienst der afgoden ver'
strikt, ni«y 14, 22. — Ook wederk. Hem be-
sletten, zich verstrikken , zich aan banden leggen. \\
In dat gescrifte toegede hi met , dat hem de menege
heeft beslet, die dwerelike goet so mint, dat het
hen als met banden bint, II', 19, 26.
4) Beslaan. Met den 4den nv. eener plaats. Die
erde besletten, grond innemen, plaats beslaan,
met het bgdenkbeeld, dat daardoor iets anders
belemmerd wordt, dat die plaats meer waardig was. ||
Ghelijcheit {gelijkenis) des onvruchtbarighen boems ,
die die eerde beslette , Hs. 71 , Luc. Prol. Houwen
op {den boom) waertoe sal hi oec die eerde be-
sletten? ald. Loc. 13, 7. VgL onbeslet, en zie
het Wdb. op Hooft en Spiegel der Maechden
(1669) 46: Die menschen, die alle die weke met
uutwendige tyttelgcken dingen beslets {d. i. be-
sletst , bezet, beziggehouden, ingenomen) ende b e c o m-
mert hebben geweest.
BESLICHTEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als
beslechten (vgl. slecht en sUcht). Mhd. beslihten. \\
Om met stride die sake te beslichten, ^orc. Cron, 130i.
Het believet ons, dat hi alle dat beslichte ende
berechte , Boec v. d. L. J. 191 b. Vgl. Uitlegk.
Wdb, 1, 127 en bestichten.
BESLIREN, zw. ww. bedr. Eigenlek. Bemod-
deren, met slijk bedekken. Figuurlijk. Bezoedelen,
bevlekken, verontreiningen. || Dat wi ons leven dus
besliken, is vruchte God sal pueren {reinigen)
die werelt tonsen sneren, Vierde Mart. 169.
BESLIMEN, zw. ww. bedr. Mnd. ^^j/i«i^n ; mhd.
beslimen, op te maken uit besUmunge. Met slijm
bedekken. || Van heten ende couden humoren, die
de vilmen {vliezen) der maghen beslimende syn,
Barthol. 263 b. Humoren , die in den darmen be-
siymt leggen, 264 «. — Het deelw. beslQmt als
bnw. in den zin van slijmerig. || Die overvloedichede
in den zweetghateren der aderen werdt beslij mt
ende dyck ende soet , 8263.
BESLITEN, st. ww. bedr. Van sliten, in den
zin van een einde maken aan (zie ald. en vgl. Kil.
696: siyten den twist. j. slissen). Alleen als
. rechtsterm in gebruik. Beslissen , beslechten , uitwij-
zen, il Dat met recht waert besleten, Hild. 3, 206.
Soe maect hgt sinen here vroet, dattet wel mit
vonnes is besleten, 64, 132. Voert salmen alle
rechten beslyten ende eynden opten wech, daer
die saken van roeren , Mieris 4, 7093. Dat selmen
besliten sonder dinctael. Leid. Keurb. 3, 7. Dat
selmen besliten sonder dinctael, ende die in den
onrecht bevallet, verbuert 18 se, 134, 8. Ten
worde eer besleten mit rechte ofP ghedadiget,
Westfr. Dingt. 7.
BESLOPELIKE (besloeplire), bijw. Min of
meer vreemde afleiding, van beslupen; ten zij men
een zwakken tusschenvorm beslopen zou willen
aannemen. VgL slopenlike, Flandr. I, 667, en
slupelinge, 6^913. I, 2279. Op eene sluipende,
gluipende wijze \ verraderlijk. Vgl. lat. repente (van
repere, d. i. sluipen, kruipen). \\ Dai ons ridder no
garsoen verwite, dat wi besloepiyc comen, Flovent 14.
BESLOT (besloet), znw. o. Van besluten (zie
ald.). Omheining, afsluiting; ook afgesloten ruimte.
II Die . . maget . . es . . vonden in den beslote des
huis {binnenshuis, in huis) sonder gheseLscap, Ned,
Proza 116. Dat dbeslot {Hs. bleslot) van desen
boegaerde es de gracie ons heren, JAmb. Serm,
226 d. Welc dat besloet si , a/d. — Ook in flg. zin
34
4069
BESL.
ÈESL.
i060
11 de nitdr. in één beslot sinten, in éénen
adem noemen^ geüjkêtellen, || Hierom en ondersceide
hi niet den sondach in dit gebot, mer hi sloet
in een beslot die heilige dage al onyersceiden ,
mid. 8, 220.
BESLOTEN, deelw. bnw. van betluten; vgl.
mhd. beêloxzen (Lexer 1, 220), en beloken.
1) In de bet. sluitend, om het liehaam üuUende,
Tan kleederen gezegd. || Zint dat papen in der
werelde hem geestelike lolen honden an horen
cledren, zo ist yele temeliker dat die, die in den
orden zgn, besloten cleder draehen, A Orde 224.
2) Vaêt, bepaald, in de nitdr. besloten ant-
worde, d. i. uiUluiUel. \\ De heere van den
Qmuthnnze beloofde aldaer nte name van minen
fhednchten heere ten drien neren naer noene
esloten andworde te gheve, Onm, v. Vlaend.
2, 262.
3) In de nitdr. wel besloten, goed sluitende,
goed in elkaar gUtende, logitch , verstandig. \\ Goede
leer ende wel besloten, is dickent wysheit unt-
ghevloten, Hild. 109, 159.
BESLUPEN, st. WW. bedr. Ygl. mnd. besliken;
mhd. besl4ehen. Sluipend, plotseling, ongemerkt
iemand overvallen; hem van achteren aanvallen. ||
Hier mede ginc hi ende heeft bespiet, dat hi be-
sloep die coninghinne, i^ I*, 42, 14 var. (dl. 3,
bl. 440). Alse hi besloop . . sinen viant, I*, 14,
13. (Hi) waende Spaenyarden becmpen ende al
heimeliken besinpen, Lett. N. R. 7', 146, 66.
Want hy by nacht pleecht te cmpen ende die Inde
te besinpen, Troyen 7214. Die ridders die ons be-
slopen soe gister nayont, Lane. II, 28067. Datse
her Willem iet besloep of met haesten iet becroep,
Stoke IX , 699. (Doe) dachte hise in den steert te
beslnpene mit siere macht, Edew. 686. Mi beslop
(/. besloep) de wilde man ende swanc mi op sgn
part dan, Flandr. I, 102. Alst cout es . . . dat
menne niet en can besinpen , want hi moet in hole
cmpen , Nat. BI. Y, 88. — Ook met eene zaak als
ondw. II Die scnnt hoverde . ., eer sine beslnnpt
inden lichame, lUncl. %1.
BESLUTEN, st. ww. bedr., wederk., onz en onpers.
Mnd. besluten; mhd. besliezen. Van sluten;%ie ald.
en Tgl. BELUKEN.
1) Sluiten, dichts luiten , toesluiten. \\ Jin afgode
hilt hys hem al ende besloot den tempel ons He-
ren, /^. I* , 39 , 6. Die wachters die daer quamen
ende den carkere besloten vernamen, II*, 29, 45.
Bi skeysers gebode . . worden . . der gode tempele
besloten, II*, 22, 379. Dat alle die kerke van
der stede besloten waren, II*, 49, 48. Die doren
. . sgn onttaen . ., als oft si noyt eer besloten
waren, 56, Sloete, daer wi onsen tabernakel . .
mede . . beslnten moten , Rnnsb. 1 , 110. Doe leyde
h|jt neder . . in den scr^n ende wort besloten,
Hild. 176, 176. Mit enen steen besloet hy tgat,
Troyen f. 262 d. Die vetheit . . beslnt die matrice ,
M. en Vr. Heim. 947. Mettesen reet hi danen sciere
ende liet den casteel besloten staen. Wal. 1700.
Tere duere comen si ende vinden, dat soe besloten
was, 9308. Alse.. de doren besloten syn, L. v. J.
c. 165. Mign God heeft sinen enghel ghesonden
ende hy heeft der leeuwen monden besloten , D. B.
Dan. 6 , 23. Dat enen monec . . s^n gordel was . .
al besloten afghedaen , Rijmb. 26743. — Besloten
lichame, lyf, onvoldoende stoelgang, gebrek aan
ontlasting. || Die besloten heeft den lichame, consti-
patus, Nat. Bl. YIII, 825. Dien besloten lichame
deert, neme water, znker, violetten, X, 702. Ygl.
LICHAME. — Ook in de volgende absolute uit-
drukkingen; zie Tijdschrift 2, 190. — Beslo-
tenre (beslotenen) dore (doren), vset ge-
sloten deur (deuren). || Dat hi beslotenre dore
qnam te zinen jongheren, Lsp. II, 6, 176. (Hi)
qnam tote hen in beslotenen doren, Rnnsb. 1,
266. Onse Here qnam weder te hen beslotenre
doren ende sprac: Yrede si met u, 267. Zoo ook
Sp. II«, 67, 98. — Beslotenre (beslotene)
porte, hetzelfde, Sp.V,^,9. — Beslotene(ii)
gr ave, met gesloten graf , terwijl het graf gesUUen
u>a*. II Hi verrees beslotenen grave, £(^.26731.
Dat hi beslotenen grave nteqnam, 26736. Indeire
wys mochte Jhesns besloetenen grave gaen nat,
26746. Beslotene sinen grave, Sp. Y* , 34,40. Be-
slotene grave, ald. 28,31. — Beslotenes Iffs,
met gebrekkige ontlasting, lat. stipaius ventrre. \\
Die beslotenes lives gaet int bat , hi mach ontsien
sere, Heim. 1252.
2) Yan eene vrouw gezegd. Haar onvrmchthaar
maken, eig. de baarmoeder toesluiten, || Die Here had
besloten haer vronlicheit , D. B.\ Sam. 1 , 5. Sick ,
die Heer heeft mi besloten, dat ie niet ghebarsi
en mach. Gen, 16, 2. — Besloten (maghet),
maagdelijk, ongerept, niet door mannelijke aam-
raking bevlekt, onbezwangerd. || Mettien ontfinc si
waerUke den Gods sone van hemelrike ongheqnetst
ende besloten , Lsp. II , 6 , 121. Dat Maria beslot«i
bleef ende maghet, 172. Mettien ontfinc si det
heilighen Gods zone vri , maghet besloten ende on-
bes waert, II , 7, 115. Besloten vant (nl. Jezus Mana\
besloten liet, Sp. I*, 48, 12. Wel hiet hise {ie
moedermaagd) beslotene porte, ^. 1^,48,10.
— Beslotens lyfs, beslotene lichame
(lachame), gen. abs., hetzelfde, ^. I^, 34, 30;
Lsp. II, 6, 198. Besloten zeghels joncvronliker
reinicheit, Hs. v. 1348, 19r.
3) Figunrlük. Sluiten, besluiten, een einde
maken aan. || Derwaert reet die vremde gast, tot
dattie dach den nacht besloet, Lanc. III, 20450.
4) Binnen eene beperkte ruimte sluiten , opslmitem.
II Domicillen dede hi met crachte beslnten, Sf.
II*, 29, 36. Doe ginc hi neder toten diere ende
besloetenne daer binnen sciere, II*, 24,27. In ene
cluse hise besloet, 11', 71, 37. (Hi) besloeteae
daer hi wonde , recludens eum , 73 , 88. Ende menie
beslnte . ., daer hi sine penetencie doe, lY', 37,
31. Hier omme wart hi besloten daer, dat hiniet
predecte openbaer, clauserunt Hieremiam , ne puhliee
praedicaret, Rijmb. 14743. Daertoe hise besloet ii
enen torre harde vaste, Lorr. U, 3119. Hi stoot
besloten binnen muren, MLoep I, 1403. Hi wart
besloten in dat parck, 1481. In enen toren va4
beslnten, Segh. 2633. Die Fransoysen beslotei
Childerick in een cloester, Fass. W. IZd. Beslot»
te werden om penitentie te doen, Exe. Onm. 87a
Yan den drake dien Silvester besloet, Sp, U\
24 Titel. Ligghende besloten den termjn van eoei
jare, Invent. v. Brugge 3, 241. Ze ghinghen ii
eene conclave besloten seven daghen Imnc , aangd.
Gloss. ald. 29a. — Enen in een lant be*
sinten, iemand ergens eene bepaalde woompksii
aanwijzen. \\ Hi vincse alle ende daer nm voerde ki«
int lant van Caapya, daer dandre waren, harr
ghenoot, daerse sint Alezander besloot, lEysi
14159. — Met eene bepaling met baten verboBdei-
Buitensluiten. \\ Dat si lüdns met qnader bodr
buter porten besloten waren. Wal. 7001.
5) Sluiten, wegsUdten, wegbergen. — a) Eigenl^ P
Hoe die ezel in die kist besloten was , MLoep IL SSfï
var. Opsehr. Daer stont een ronde kist« groot, daerBCi
die haver in besloet, 3553. Alsmen moet van
d06i
BESL.
BESL.
1062
wycken, soe isser recht soe veel ghewonnen , als
of ie grepe nader zonnen ende wondse in kisten
gaen beslaten, Hild. 83, 44. In den screinendaer
waert besloten, 176, 177 var, (Doe si) gaen sonde
halen die ander helft, daer sise besloten hadde,
Clerc 164. Die outerdwalen ende die corporale , . .
zalmen wit ende reinlike honden ende beslnten,
D, Ord^ 262. — Van een overledene gezegd. Rem bij-
zetten. \\ (Si) besloten met groter eere daer in
(m het gewelf) Karele haren here, ^.lV»,33,8ö.
— *) Figuurlijk. Verbergen^verhorgen houden^ besloten
houden. \\ Haer hoverde es onghemaet ende die can
si qualike so beslnten, men wertere gheware van
buten, Teest. 2643.
6) Insluiten^ omtmgeten. \\ Alse mense slaet
achter ende voren, aldusdane wijs sullen wy daer
buten alle die vander stat beslnten, Trogen 1341
var. Die stat so beleide hi al, so dattie stat be-
sloten was, Bijmb. 14930. Te Jhemsalem dus
onsochte was dat lant al besloten , mm Vetpatianue
eingeret Hierosolymitanos , 30506. Doe geboot koning
Carel, dat men Aymgns volk in het heir besluiten
sonde, Heevuk. 42. Hier en binnen quamen die
hertoge aen deene 8|jde ende die here van Raven-
stejn aen dan der side ende besloten ende besingelden
dat here al omme, Ezc. Oron. 211*. Beslute dit
volc, heer, in diens volcs van Israhels handen,
simt hen in , lever hen over aan ƒ., D. B. I Maeeab. 4, 31 .
7) Chnsluiten. \\ Sine manlike lede mit yser sg
beslnten dede, MLoep III, 849. Die borstkijns
machmen wel anstoten, s|jn sy niet te vast be-
sloten (nl. door de kleederen) ^11, 1313.— -YuïdA&r
figuuriyk
tf) Van personen. Omringen, bewaken. \\ Si mocht
gaen onghebonden, mer vast besloten tallen stonden
MLoep II, 3876.
b) Van zaken. Verzekeren, leveiligen.WD^i vlies
hadde die coninc doen beslaten mitter nygromanc-
schen virtuten, ald. I, 669. Mine rosen , die ie om-
muren sal ende so besluten overal , datse die quade
kn echte en sel no gewinnen noch gestelen, Uose 3686.
— Daaruit ontwikkelt zich de bet.
c) Beveiligen, baten, helpen, steeds met eene
ontkenning. || Hem conste die halsberch niet be-
sluten , Trogen 6048 {var. ghesluten). Sfln sward
besloet hem niet twee peren , Lanc. II , 44778. Juwe
were mach u niet besluten, al waren siere binnen
die sjjn buten. Wal. 7039. Sijn vlien conste hem
niet besluten, Ferg. 4086. — Vgl.onz. 3); onpers.,
en BESCIETEN.
8) Afsluiten, versperren, belemmeren. \\ Hi dede
de bruggen in s^n lant afwerpen om den weehte
besluyten , op dat die hertoge niet weder en keerde,
Exc. Cron. 130c. Dat hi die stede met enen mure
al ommedede ende hi beslote lü haer uutlopen,
lUJmb. 32623. Het is ene grote pine dit lesen ende
dit singhen ende dus besloten te sine vore {be-
Ummerd te zijn in) vrie wandelinghen, OVl. Qed.
2, 112, lOÖ. Vgl. VORESLUTEN.
9) Uitsluiten, uitzonderen. —kW^en in de uitdr.
Besloten iüi, t\g. afgesloten, uitgesloten tijd.
— a) In rechte. Tijden, waarop geen recht mag
gedaan worden-, Kil. tempus elausum, dies nefasti.
Yg\. BEHOUDEN TUT. || Daervan sal hi s^jn onscult
doen altehant, ten were binnen besloetenen tyde,
Sfadsr. v. Zwolle 87 , 112. Datmen in besloten tjden
geen eet gedaen en heeft , 2>irf. jr«irJ. 203 , 38. Dat
men tallen tMen tsy in besloten tyden of dair
buiten, eede doen sal, ald. Zie vooral Matth. 169,
waar men uitvoerig beschreven vindt , welke tgden
open, en welke besloten zijn.
b) Tijden, waarop geen huwelijk mag worden inge-
zegend. Zie Kil. t. a. p. , en de uitvoerige aant. van
cUiiBse, Natuurk. bl. 198 vlg. |i Tusschen kersavont
ende daer ute gaet die besloten tgt. Natuur k. 111.
10) Omvatten , bevatten , hetzelfde als begripen
(zie ald.). || Al ist dat mense {de elementen) ghe-
voelt ende ziet, men machse gripen noch besluten
niet, Lsp. I, 17, 41. God (/. Gode) besluut enghene
stede, maer alle steden beluket {var. besluut) hi
mede in sine godlicheit, Wap. Mart. III, 183.
Wederk. Hem besluten.
1^ Süch opsluiten.
a) £igenlgk. || Doe si die mare vernam . .,
dat hoir guede man was doot, besloot sy hoer al
heymelic by den heelde, MLoep IV, 1379.
b) Figuurlijk. Zijne neigingen bepalen tot, op-
gaan in iets. \\ Dat aertsche goet, daer hi hem
selven in besloot, Hild. 186, 291. — Vooral
gezegd van hen, die zich van de wereld afzonderen,
om zich aan godsdienstige overpeinzingen over
te geven, in bet. gelgk aan hem begeven
^zie ald.). Slechts in het deelw. besloten. i|Daer
aoe woende de maget Clare . . ende was {d. t.
hadde haer) met maechden daer besloten , JVanr.
7883. (Clare) moeder van den armen vrouwen,
diemen mach besloten scouwen, 1783. Die voirgen.
beslotene personen vander reguliere oirden onder
sunte Augustgns regulen, Nnh. 3, 276. — Be-
sloten ordine, hetzelfde als begeven ordine,
kloosterorde, in tegenstelling met de Begynen en
Begarden (s. die woorden). I| Wilen sat in siere
cellen een Charterius . ., dat beslotene ordine es,
S^. V, 83, 1.
2) Zich afsluiten, zich verschansen, eich instaat
van tegenweer brengen. \\ (Hi) voer recht . . tote
Valenchine indie port ende dede hem daer be-
sluten vaste jeghen de HoUansche gaste, Stoke
III, 1426. Si ghinghen hem doe vaste besluten,
de binder borch waren beseten, VIII, 1230. Doe
brac hi syn besit ende is binnen der stede van
Valenschiin getogen ende besloot hem daer binnen
tegens die HoUantsche gaste, Clerc 107.
Onz. — 1) Een einde nemen, eindigen, uitloopen
in iets. || Dat nommermeer anders dan in goede
ontfarmehertechheit en mach besluten des minschen
leste dach, Christ. 760. Die drie sonnen besloten
in eenen regenboge met een witte streke daer
doer gaende , Exc. Cron. 306d. Al dat staet op den
wal ende besluitende met de walbrugghe, Invent.
V. Brugge 6, 648.
2) Sluiten met, overeenkomen, met iemands aard
overeenstemmen. || Dese pointen . . dinken mi alle
in u besluten, Praet7. Hiernaersalickerafscriven,
alst comen sal te siere stat, ende daer die redene
besluut van dat, wcuir het verstand, de verstandige
behandeling, de orde dit eischt (van dat zal wel
bet.: wat dat betreft, hetzelfde als het meermalen
overtollig gebruikte des), Amand II, 3982.
3) Door weglating van het by 6^) uitgedrukte
object wordt besluten onz., in de bet. baten, helpen,
steeds met eene ontkenning verbonden. || Hier en
mach besluten tmaken {het zich aanstellen als) den
scamelen noch den simplen mede, Cass. 1322.
Haer cracht en besloet niet ene pere, Lanc. II,
46630. Wy doen aerbeit, die niet en besluut,
D. War. 1, 426, 689. Het was dinc die niet be-
sloot, Wittek, V. S. 67. Dat was dinc, dat niet
besloot, Eragm. Carl. 13. Ie seide, en mochten
(/. mochte) niet besluten, dat si dorperlike daden.
Wal. 6262. Daer was menich perlement gedaen,
dat lettel besloet, Velth. III, 38, 7. Die ander
4Ö63
ÈÉSL.
ËESM.
1064
baden genade, maer dat besloet niet een pere,
IV, 9, 14.
Onpers. — Het beslunt, het baat ^ het helpt^
met den Sden of 4den nv. yan den pers. en steeds
met eene ontkenning verbonden. || Niet só vele
dat hare besloet, Eoie 213. Wat sine castiede,
nine besloet twent ane heme, cleine no groet,
13587. Wat ie mi keerde ter were , en besloet mi
niet ene pere, Lanc. II, 42725. En besloet bem
niet ene pere , 45112. Dat en besloet hen niet eeo
bast, 46971. En besloet haer niet en twint, UI,
1314B. Danc hebbe God, dat niet besloet , XÓrr. I,
1252. Al hadden sise met slaen gemort, ende (/. en)
hadde niet besloten een haer, Yelth. VI, 5, 48.
(Si) Yoerense zoeken hier ende daer, dat hem niet
en besloet een haer, Limb. I, 443. (Hi) slouch
meneghen doet, al waest dat hem niet en besloet,
II, 1185. Dat hare niene besloet, m, 811. Dat
ne mochte hem niet beslnten, Val. 1684. — Ook
met yerz weging van den (3den of) 4den nv. van
den pers. || Ha4de de Coninc ghewilt gheven half
dat conincrike . ., hetne hadde een twint niet
besloten, Stoke Y, 1243.
BESLUTERE (besluter), znw. m. Vronwl.
BESLUTERINNE. Mhd. besliezore , besliezerin.
1) Rij of zij die sluit, sluiter, sluitster. \\ Biecht
is een holpe der sielen . ., een beslnterinne der
hellen, biecht sluit de hel voor ons, bevrijdt ons
er van, Oulden Troen 6c.
2) Slotemaker, smid. || Alle die starcke heeren . . ,
ende elcken yroet man ende beslutere, D. B. II
Kon. 24 , 14. Wercluden ende besluters een dnsent ,
ald. VS. 16 (in onze vert. op beide plaatsen timmer-
lieden en smeden).
BESLUTINGE, znw. vr. Mnd. beslutinge\ mhd.
besliezunge. Yan besluten , in den zin yan afsluiten ,
versperren (ald. bedr. 8). Afsluiting, versperring,
belemmering. \\ (Si) hadden die stroemen gesloten
gehalden , . . oyermits welker beslutinee wille . .
wg . . mit alle den ghenen, die der besintinge der
stroomen . . te scaflfen hebben . . , ter yeeden geco-
men waren, Y. d. Wall 552.
BESLUUT, znw. o. Mnd. beslut. Stam yan het
WW. beslnten, in den zin yan insluiten , opsluiten.
1) In de nitdr. in synbeslnnt honden,
ingesloten, in zijne macht houden. || Al datse met
den crnch halen cunnen , se hondent vaste in hner-
lieder beslnnt, D. War. 1, 419, 376.
2) In concreeten zin. Gevangenis. Ygl. danoier,
dat denzelfden overgang van bet. vertoont. || Tmes-
doen, daer die ziele bi wan den helschen beslnnt
(/. thelsche b.?), Wap. Rog. 330. Dat hi qnam ten
helschen leede int donckere beslnnt, 606.
BESMAKEN , zw. ww. bedr. Proeven , eten.
Ygl. mnd. besmecien.\\ Yele dinghen tebesmaken,
maket een walghinghe, Bienb. 133(7.
BESMAREN, zw. ww. bedr. Dialectvorm van
besmeren, ohd. bismdron, alleen in het rijm (vgl.
begaren, dar en, paren, vertaren). Besmeren, be-
strijken, intortjven, insmeren, van eene vette zelf-
standigheid gezegd. II Dat mense met heeten smoute
besmare ende in den kerkere doe daer nare, Sp.
II', 12, 81. Wie datter mede (m^^ £^ 0/itf) besmaert
was , hi en hadde negeen mwaert {gevaar), Sp. II* ,
19 , 83. Met oliën hebben sine besmaert ende sine
voete sijn genesen, II*, 54, 16. (Hi) besmaerdere
sijn ogen mede, met het toater, ald. 36. Die sgn
smout neemt ende wgn ende hem daermede besmaert.
Nat. BI. II, 2263. — Ook in den zin yslu zalven. \\
Om dat hi mi heeft besmaert om te boodscepene
den goedertieren, JIs. v. 1348, 35d (Jesaia 61, 1).
BESMEREN, zw. ww. bedr. Mnd. beswuken\
ygl. hd. beschmeiehlen.
1) Met zachte woorden, vleiend toespreken-, iemand
trachten over te halen. \\ Om dat hg hoor ghenooch
doen wonde , so besmeecte hgse met aldnsdanighe
woerden, Fass. W. 74a. Doe dat Daciaen sach,
soe peynsde hi, dat hi hem besmeken sonde, dien
hi niet verwinnen en mochte met tormenten , ald. S.
16a. Waer om en hebstn mi niet van beghinne
besmeect mit sachten woerden , ald. b. (Doe) began
hy . . den mensche sachtelicken te besmeeken,
so . . dat hij bg nae ghevallen hadde , Bienb. 127i.
2) Fermurven, overhalen. || Die keyser . . is
besmeket van sinen ondersaten. . . so dat hg
metter jnsticien ghemenget hevet die barmhartiehejt,
Gest. Jt. f. 51d {c. 50). Laet hi hem daer vui
besmfiecken of wert hi vervaert van sinen dreygen,
die gherechticheit . . te verzwighen , Bem. S. 62«.
BESMELTEN, st ww. bedr. Wegsmelten.
a) Eigenlek. i| Ist dat mer of maect (van
electrum) een vat ende men vengn doet in dat,
het besmelt (varr. scarrent, snerct?) endeverUset
mede sine vamwe, Nat. BI. XIII, 75. Waar-
schijnlijk is delezing besmelt de ware niet, daar
het Lat. heeft : stridet quasi violenciam passum , en
er dus een woord staan moet, dat knarsen of iets
dgl. beteekent.
b) Figuurlijk. Verhoijnen, wegkwijnen. \\ lek
crgghe sulcken berou hertel^ck , dat my therte sal
sluyten, oft ick besmilte; mijn cracht faelgeert
my, Mar. v. N. 35, 860.
BESMELTEN, zw. ww. bedr. Yan smelten,
d. i. dunnen afgang hebben (zie ald.); in het
bg zonder van vogels gezegd, het fr. éwteutir.
Zijne uitwerpselen op iemand doen neerkomen, hem
met zijn drek bezoedelen, lat. concacare; vgl. SMELT.
II Een odevaer . . ontede daer sine vlerke ende
besmei te (/. -ten) daer wel onsoeten (/ -te) vanden
hoefde toten voeten, Yelth. lY, 10, 61. Dat hi
den havec te honen pleghet, want hine besmdt
als hi can, Nat. BI. III, 304.
BESMEREN, zw. ww. bedr. Mhd. besmêm,
besmirwen.
1) Eigenlijk. Met de eene of andere vettige zelf-
standigheid bestrijken, inwrijven; vgl. besmarek.
2) Figuurlijk. Iemand honing om den mond enteren,
vleien, trachten te verleiden. || Sduvels raden of
besmeeren mach niet scaden twee peeren den goeden
wille ghestade, Wap. Bog. 241.
BESMERTEN, st. ww. bedr. {^èesmart, be-
smorten). Yan het sterke ww. smerten', mhd. smêrsen,
eng. smart. Onkenbaar , leelijk, scherp , bitter maken.
Het eng. bnw. smart bet. nog scherp. Op de eenige
plaats , waar het WW. besmerten voorkomt , wordt
het van het gelaat gezegd. Opmerkelijk is, dat
smert (smart) ook nu nog gebruikt wordt voor e^e
ontvelde plaats, eene door scherpe stoffen veroor-
zaakte ontvelling achter de ooren of inde liezen v^n
kinderen. \\ Jou {van de hoovacerdif) groot samblant ,
jou fier ghelaet ... es binnen besmorten met venine,
Praet 3154.
BESMET (besmit), znw. o., m. (?).Ohd. ^anr^ra.:
mnd. besmtt. Ygl. besmetten. Vlek, smet, onreinheid. \{
Yertyt doch u dwase opset ende wacht u selvea
voir besmet, MLoep. lY, 1953 var.
BESMET (besmit), deelw. bnw. van besme-
ten (zie ald.). Vuil, smerig, onrein, eig. en fig. || Of
die eerde was besmit, daer wi alle s^n bate ghesïpit,
hoe souden wi zuver ghewesen , W^qf. Rog. 183. M|a
handen te doene, besmit, onreine binden bome èer
fonteine, O VI. Lied. e. Ged. 237, 111. Si eten nei
1065
BESM.
BESM
1066
handen besmet, Rijmb. 23670. Ghi zuverd dat,
datter bnten es ant vat, binnen latgd al besmid,
23663. Al ist (zwaard) roestich ende besmit , Segh,
984. Die een vanden drien {tüeren) was niet besmit,
ende hine was oec niet al wit, Lanc, III, 6889.
Of hi (de merucA) es scone of besmit, Praet 896.
Een snodel ries besmit, Wap. Mart III, 17. —
Vandaar
BESMETHEIT, znw. vr.; mv. besmetheden. Smet,
vlek, sonde, onremAeid. || Ende wi ons seWen moghen
sien in besmetheden ende sonden so yele, Amand
II, 6796. Ie sal u behonden yan allen nwen be-
smetheden , D, B. Ezech, 36 , 29. Ygl. Sp. d, Maegden
(1669) 198: Overmits nwe leel^cke besmetheden.
BESMETTEN (besmitten) , zw. ww. bedr. ,
wederk. en onz. Mnd. besmiiien; mhd. betmiizen',
ohd. bUmiezan.
Bedr. — Beo lekken, bezoedelen, bevuilen,
a) Eigenlgk. || Yersch vleesch besmit si (de
vlieg) sonderlinghe , NaL BI. VII, 742. Dn (de
wouv) heefs die kerken ende die ontaren bevnlt
soe dicke ende besmet, Esop. XIX, 8. — Vooral
in het deelw. besmet. || Die colomme staet noch
besmet met sinen bloede, Bijmb, 26382. Dese
heilege lichame was vonden snver ende beqname
. . . ., van geenre dinc besmit, maer welriekende
ende sneewit, Sp. II «, 49, 43. De sonne en wert
oec niet besmit daermede, al schynt si op vnele
saken, II*, 66, 46. 8{jn hals was lanc, wit ende
slecht ende was besmet een lettelkijn van dien
halsberghe, Parlk. 6208. Die aensichten sgn al
besmit metten bloede, SegA. 6068. — Zoo ook
Alex. V , 376 ; e. e. — Ook van besmettelijke ziekten.
£r door aangetast. \\ Die vanden groten evele es
besmit, Nat. BI. XII, 697. Enen onsuveren man,
die metten groten e vel (buikloop) besmet was,
Pass. fr. 74a.
b) Figuurlijk. Ontheiligen, bevlekken, veront-
reinigen. II Oemoedicheit die den minnere wale sit ,
daer nte spruut al edelheit, hadse ontrouwe niet
besmit, Vad. Mtu. 1, 399, 61. Veel Inden uut
Israhel . . oflferden den afgoden ende besmetten
den Saterdach , D. B. l Maechab. 1 , 46. Dat wi
den Saterdach besmitten sullen, ald. 2, 34. Ghi
richters, die hier over sit, soe waerlic ghi u ziele
besmit, N. Doet. 461. — Vooral in het deelw.
besmet. II Met meneghen dinc es si besmit, daer
si met pleghet om te gane, Hexe 62. Wie es ooc
gheboren dan, hine es van sonden seere besmit,
Amand I, 1208. Die mit woeker is besmit, Hild.
162, 66. In wat sonden hi is besmit, 163, 94.
Dat hi in zonden wert besmit, 217, 60. Sidi be-
smit in die overde, of met enigher hooftzonde,
Maleg. 1026. Die hem selven wisten besmit, door
deelgenootschap aan den moord bezoedeld, bevlekt,
Stoke V, 946. Zoo ook Wal. 6849; e. e.
2) Bij uitbreiding. Aantasten, aanraken, treffen.
Vg"!. het Lat. contingit met het znw. eontagio. ||
Wat siere toe gedoen conden, dat verbrande saen
sonder letten, maer Pontiusse en const (het vuur)
niet besmetten, % II', 29, 60. Gomt allen lieden
dit , oft somegen allene besmet , an aliquibus tantum
mori imminet (= contingit), IV, 4, 93. Doe sprac
die keyserinne: Ood ist becant, dat ie nye van
ander man besmet en hen (bezoedeld of aangeraakt),
Oeêt. B. c. 9. — In viantscepe besmet, %n
vijandschap geraakt, gewikkeld. \\ Abaer . . (die)
was besmet in viantscepen jeghen Isboseth, want
hi bi Sauls amye lach, Bijmb. 9906. —Denkm.3,
197 , 30: „ eene lelye wit . . met roeden bladeren al
besmit,'^ zal besmit wel in oneig. zin moeten
worden opgevat, doch de woorden zijn misschien
bedorven.
MTederk. — Hem besmetten, besmitten,
zieh bezoedelen, bevlekken.
a) Eigeniyk. || De beer (poreus), die hem te
male in die wase gaerne besmit. Nat. BI. 11, SQO.
b)YigVLva'\TJk. Bezondigen. || Noch hebsi hem swaer-
liker besmet, want si onnedele ende doren bisscoppe
te sine coren, Bijmb. 30132. Dat si die poorten sinten
jeghen vele van der juetscher wet, daermede hebsi
hem besmet, want die stat sonde snn ondaen allen
Joeden , 30232. In wat sonden hi es besmet ,
Velth. VII, 19, 94.
Onz. — Fuil worden, eene smet ontvangen.
a) Eigenlek. || (Tin) dats van naturen claer ende
wit, maer lichtelike et besmit. Nat. BI. XIII, 103.
Zilver is reyn ende wit, het en roest noch en
besmit, N. Versch, 4, 86, 39.
b) Figuurlgk. || Wie sonde al tquade te seggene ge-
hitten , hem en sonde de mont besmitten, ^.11^, 28,
113. Minne van manne ende van wive es dat si verga-
deren met live ende die suverheit besmet tot (/. met)
dien, Lamc. II, 13006. Mine suverhede en sal niet
besmetten daer mede, 13009.
c) Smetstof ü» zich opnemen» \\ Also die wive
menstmum ghedoeghen, mach men tierst sien in
haer oghen ende te hant daer af besmetten , ende
van den oghen sonder letten voert besmet die
lucht daema, Vr. Heim. 1642. Valtet (corre) op
saet, ten sals niet besmitten, D. B. Levit. 11, 37.
BESMETTENESSE (besmittenisse) , znw. vr.
Onreinheid, vlek, smet. || Ghewasschen . . . van
allen besmittenissen der sonde, Oest. B. 120b.
Crlstus . . wyes die besmettenisse of met sQn dier-
baer . . bloet, IQb. Een spieghel sonder vlec,
besmittenisse of vuyl , 177 d. Ist dat wi ene besmet-
tenisse of gebrec hebben , 203 a.
BESMETTEB (besmitter), znw. m. Hij die
verontreinigt, bevlekt; een schender. || Een neder-
werper der heyliger kerken, een besmitter goeder
maechden, Clerc 30. Doe haer niet ghenoch
wesen en mochten alle die mannen van Hispanien
tot haerre oncuuscheyt , si wolde oec in alsoe
heylighen oerden besmetters soeoken, Bienb. KHèd.
BESMEUREN (besmueren), zw. ww. bedr.
Hetzelfde als besmeren; zie ald. en verg. besmaren.
Nog in Zuid-Nederland in gebruik (Schuermans 46).
Besmetten, bezoedelen.
a) Eigenlijk. j| Beplect, besmuert,onzuver, onreyn,
Zri. Bijdr. 6, 232, 188.
b) Figuuriyk. || Ghy zijt ooc besmuert, ie en
stae tot uwen begrijppen (berispen) niet, Z>.
War. 1, 409, 71.
BESMIT , BESMITTEN , BESMITTER. Zie be-
smet, BESMETTEN, BESMETTER.
BESMORSTEREN, zw. ww. bedr. Bevlekken,
bezoedelen. || Soe dat daer menich vuul kalant van
den elleboghe tot der hant van den bloede be-
smorstert wert, als hadde hi enen osse ghehert
ijfeslacht), Brab. T. VI, 7179.
BESMORTEN. Zie besmerten.
BESMUDEREN, zw. ww. bedr. Bjj De Bo en
Schuermans besmodderen. Bezoedelen , bevlekken,
ook in fig. zin. || Dat ie scuwen mach de zevene
(zonden), daer ie ne meende niet in te znevene.
Ie waen mer lettel minnen ziet, sine sgnreofbe-
smudert iet, OVl. Ued.e.Qed. 613, 687.
BESNEDEN, deelw. bnw., van het ww. be-
sniden of hem besniden.
A. Van besniden.
1) Nauw, beperkt, eng (vgl. BESNIDEN 4). ||
4067
BESN.
BESN.
1068
Dus nauwe mate ende dus besneden scynt voer
aldie werelt lede , tam cireumcisa integnUa ,
Sp. I«, 40, 6.
2) Kort^ in de uitdr. cort be sneden, eig.ior^
afgetreden ^ misschien gevormd naar het voorbeeld
van het lat. eoneinu. || Siet hier een cort besne-
den wort, wat God de Yader uptie erde dode,
Sp. I«, 43, 18.
8) Beschaafd ,Jljn f schoon ^ welgevormd'^ sjnon. van
welgeraect. Vgl. besniden 6). Yan het lichaam
en de manieren gezegd. || Yan sinen seden diescone
sijn ende besneden, Brab. T, II, 1869. Yrou ont-
fermicheit, u tale besneden hebben wi gehoert,
Blisc. V. M, 1250. (Oalaie) die soe scone was ende
80 besneden van alg^der sinen leden, Lanc.lll^bl,
Int herte vul omoedicheden , in worden wQs ende
besneden, vroet van zinné, vroet inden mont,
Sp. I*, 32, 11. Besneden luden van vleesch sgn
van naturen abel van sinnen, molles came aptos
menie dicimiu , Matth. 93. — Ook als epitheton
ornans. || Patriarken ende propheten besneden , Blisc.
V. M. 1363.
4) Volmaakt (eig. afgewerkt). \\ So stare, so
vast, so besneden was tgelove van hem beden,
Sp. III* , 34, 63. Hi kende sine consiencie soe vry
ende puer daer in ende wel besneden, VI. Rijmk.
3522. Sijn grote ontfermicheit besneden es meerder
dan smenscen quaetheden, Blisc. v. M. 1172. Lof
hebbe sgn gracie groet, besneden, 1629.
B. Yan hem besniden (d. i. zich beperken).
5) Karig, schriel, in de uitdr. nau besneden. ||
Rijcke meen te in alle keer die hebben selden armen
heer, die ghierich is ofPnau besneden , Hild. 24, 259.
— Over besneden, Sp. I*, 40, 22, zie bij
BESNIDEN.
BESNIDEN, st. ww. bedr. en wederk. Mnd.
besniden; mhd. besniden. Yan sniden (zie ald.).
Bedr. — i) Besnijden, besnoeien, een deel van
iets afsnijden.
a) Yan boomen en planten. Snoeien. || Ie sallen
(den wijngaard) legghen woest, men en salne niet
besniden no begraven, D. B. Jes. 5, 6.
b) Yan de voorhuid, b.v. Rijmb. 1766, 1768,
2687 vlg. enz.; de thans nog gewone beteekenis.
c) Fig. van ondeugden en gebreken. || Die niet
en weet te beliën, die heeft nog veel ghebreken,
ende die dunket, dat hi niet te besniden en heeft,
die heeft noch genoech te besniden. Stemmen 11^.
2) Besnoeien , zich een gedeelte van iets toeëigenen
(vgl. geld snoeien). \\ Den vrecken, die testament
dus heeft besneden, N. Doet. 724.
3) Besnoeien, de waarde van iets verminderen.
Iet es besneden, iets is in waarde verminderd,
achtertiitgegaan. \\ Die doghet (moed) es soe be-
sneden, dat ie luttel nu can vinden iemant , op den
dach van heden, die hem mjjns wilt onderwinden.
Vod. Mus. 1, 312, 157. Edelheit es leden; die
werelt es al besneden, Vierde Mart. 759.
4) Beperken, bepalen, aan banden leggen, be-
toomen. || Mate ... besnijdt alle overdaet, Sp. I' ,
36, 1 (var. OVl. Qed. 3, 113,44: besnoeit). Alse
hare (minne) scamelheit besngt ende men trouwe
hevet mare, Wap. Mart. I, 421. Waren die manne
also behoet, dat si oghen, sin ende moet wel
consten besniden, so ware vrouwen minne spoet, 919.
5) Bepalen, bestemmen, voor een bepaald doel
afzonderen. || (God) die ons . . . heeft besneden te
'deser hoecheyt, BUsc. v. M. 277. (Hi) heeft sijn
sin daer toe besneden, om deser vrouwen loff te
breden, MLoep lY, 1347. — Sijn leven be-
luiden, OMn zijn leven eene bestemming geven , het
inrichten. || Ghj moet u leven anders besn jen , die
werelt haten, u selven temmen, Belg. Mus. 9,
184, 34.
6) Door snijden bewerken, beschaven, ala term
van de beeldende kunst Ook fig., op een steenea
hart toegepast. || Hoe men dat (het wuauur) be-
sniden mocnte, Ifat. BI. YII, 947 var. Hoe soade
men die harde stenen herten tescoren , diemen niet
en mochte besniden , Bern. W. 116a. — Yandaar het
deelw. besneden, d. i. fijn, beschaaf d (tit sXL).
— Figuurigk gebruikt Pap. Mart. 1 , 556. 1| Mi
dinct edelheit began ute reinre herten . ., met
dogheden besneden, met deugden gevormd, d. i.
van deugden voorzien , er mede begaafd. — In den zin
van vormen zal het ook wel moeten opgevat worden
OVl. Lied. e. Oed. 51 , 51 : An u (Maria) ne mochte
niet becliven ghepeins van dorperheden , maer een
rein omoedich (het woord, dat op becliven moei
rijmen, ontbreekt', misschien bliven?) was vast in
u besneden.
Aanm. — Lueid. 3671 : „Sine doecht gaet ter werelt
dure ende besnijt elke creature" is de lezing wel
niet in orde. Misschien moet men lezen bescgnt
Wederk. — Hem besniden, zich hetoomen,
zich inhouden. \\ Ie sal mi so na (/. nau) besniden,
dat alle die heren vri zeggen selen, dat goet si,
Lorr. II, 1079. En wilt niet volghen al u begheren,
mer u besnyden in allen dinghen , Sp. d. J. 97. —
Ygl. de uitdr. nau besneden, onder besneden.
— Moet hiertoe ook gebracht worden, Sp. I*,40,
21 : „ Smekers ende spotters mede met doghese
hem also besneden, dat si daden dorpre daden
ende sijt leden sonder scaden"? De woorden zgn
duister en beantwoorden volstrekt niet aan het lat
van Yinc: Neque licentiam peccandi aut alluden-
tibus tibi blande, aut illudentibus proterve per-
mittas. Ook zyn de drie woorden hem also be-
sneden door eene latere hand bijgevoegd; zie
Sip. , dl. 1 , bl. 466.
BESNIDENESSE, -isse, znw. vr. en onz. Be-
halve in de tegenw. bet. ook gebruikt in concreeten
zin. De afgesneden voorhuid. Ygl. besnidinge 2). ||
Te Jherusalem up den autaer brochte hem dinghel
ons heeren besnidenesse , IX Best. 491. Hi móX
ooc over in Brabant die besnidenis ons heren Jhesn
Christi . . ., welc besnidenisse schone miraculen
dede , Exc. Cron. 104 c. Thejlich besnidenesse om-
draghen, Oesch. v. Antw. 2, 602.
BESNIDINGE, znw. vr. Mhd. besnidumge. Yaa
besniden, in de tegenw. bet
1) In abstraeten zin. Het besnijden, besnijdenis, ||
Niet dat die besnidin^he quam van hem (Moaes),
mar van denghenen, die vor hem waren ,£. r. Jl ^
143. Ochte een mensche ontfeet sine beanidinghe
op den saterdach, ald. Dor die onraste ende t^H
so was die besnidinge ghespaert , Rijmè. 6587. Dit
was die sake vander ander besnidinge , D. B. Jat. 5, 4.
2) In concreeten zin. Het afgesneden gedeelte, dé
afgesneden voorhuid. || Die besnidinge ran oasea
Here was coninc Kaerle . . . van den ingvl Godi
gebrocht, Bijmb. 21359.
BESNOEIEN, zw. ww.he^r. Beperken, inkorten,
aan banden leggen. Ygl. besniden. || Mate . . .
besnoeit alle overdaet, OVl. Oed. 3, 113, 4S
(vgl. Sp. I * , 36 , 1 , waitr besnüt staai voor besBO€dt\
BESNOLLEN. Hoewel op de eenige plaats, wssr
het woord besnol voorkomt, het ook een bnw. zfa
kan, is het toch meer waarschgnlgk een rw. w.
bedr. met debet. Verschalken, f oppen, bedriegen.^
Ie legge hem onder voet een bert , dus wisch ba
ie ende so wispelstert, ie maec mi cleine ende »
4069
BESN.
BESO.
d070
besnol (»/. ie), Sc, en Cl, 128. Ygl. de aant. yan
De Vries, ald, hl, 169; hd. besehnellen (G-rimm,
irtb. 1, 1588); deensch beanilde (Molbach 1,79);
beierschjc^ji^/^, verschalken, bedriegen (Schmel-
Ier, B. Wtb. 3, 490), «cAim//, onwaarheid, slimme
lengen {ald, 489). Van het st. ww. *tnillen^ snel,
enuflun (Qrimm, Gramm, 2, 58),iiraarnit aan den
eenen kant snal, snelle» ontstond , aan de andere zijde
een (tot dus ver niet aangetroffen) snbst. snol, lengen,
bedrog, vanwaar (be)enollen. Daarnaast kent onze taal
met ander suffix het znw. snolle , tnol, een loos , be-
drieglijk vrouwspersoon, later op eene ontuchtige
vrouw toegepast. Bij Tondel 1 , 179 wordt Yenus nog
goefe snol genoemd en 11, 286 vindt men looze
snol. Het denkbeeld van slimheid, loosheid stond
dus bij hem nog op den voorgrond.
BESNUWET, bnw. Van snuto, welke bijvorm
van sneeuw in sommige dialecten van Noord-Neder-
land nog voortleeft. Vgl. Cron, v. Vlaend, 1, 62:
ffhesntidt, d. i. gesneeuwd. Met sneeuw bedekt, vol
sneeuw. Uet is besnuwet of besneuwet, er
ligt sneeuw, || Die meester . . . hadde suverlic in
den bomgaert, daert zeer besnuwet was, doen
decken, Clerc 98 (vgl. Velth. I, 26, 72 vlgg.).
BËSOCHT (besucht), deelw. bnw. van ^««otfit^w.
1) Beproefd, waarvan men eene {goede) onder '
vinding heeft opgedaan,
a) Van zaken. || Enen broeder diemen des ge-
trouwen mach, dat hi goeds ende besuchts levens
zi , D, Orde 274.
6) Van personen. || Een vroem ridder ende een
coene, ende wel besocht in allen doene, Brah, T,
VI, 4626. Gruetet Appellem, enen besochten man
in Christo, Rs. 16,/, 19* {Bom, 16, 10).
2) Die veel ondervinding hee/t, ervaren, bekwaam,
verstandig, || W|jse, besochte luden, die die proper
doget ende virtuit elcs dinges weten, Ned, Froza
178. Een besocht ende een verstandich chirurgiin ,
Lanfr. Inewn, 30r. Aldus mogen wi besochte wisse-
laers worden, diet toehoort ... te proeven, oft
Ajn gout is oft ghemaect gout is, 260. Al en was
hi niet besocht mitten (Ibeter in den) letteren,
Hs, 88, f, 48 a. Ie ben een besocht konstenaer,
Gest, fi. 22 a. Een subtfjl clerck , die besocht was
in die swarte consten, 118 ff. Alle die besocht ende
wijs syn, die voeghen hem naden gewoonten van-
den landen daer si comen, 191 c. Enen abelen be-
sochten meester cjrurgyn, Matth. 92. Vgl. Hild.
Gloss, op besocht. — Ook in de uitdr. wel be-
socht, bQna hetzelfde als wel bedacht (zie
BEDACHT, en vgl. BESOEKEN IQ). Verstandig, sHm. ||
Ave die was wel besocht, ende mercte nauwe des
▼os ghedocht, Hild. 34, 133.
BESOEC (besouc, besuec), znw. o. Mhd.
besuoeh,
1) Van besoeken, in den zin van vijandelijk aan-
tasten, aanvallen {ald, 3). Aanval, \\ Ter plaetsen,
die hi wel kende, die alnoch hiet dat wermoes-
broec, heeft hi ghedaen s^n besoec, Brab, T,,
VI, 1626.
2) Van besoeken, in den zin van onderzoeken
{ald, 6). Onderzoek , nasporing. Meestal in de uitdr.
besoec doen. || Ten alderbesten dat ie can , hebbic
der waerheit gedaen besoec, Brab, Y. VII, 170.
Ie wils gaen doen besoeck; wye sal my leenen
zijnen calenghier, Ned, Kluchtsp, 81, 80.
3) Van besoeken , in den zin van aan een ambtelijk
of gerechtelijk onderzoek onderwerpen {ald,7). Onder-
soei, enqtiéte,\\YeLn. den besueke, dat men doet in
Brabant, of cort doen sal ocht van der beden, Brab, T,
VI, 6712. Dat si een besoec doen souden tonder-
vindene , bi wiens scouden die twist . . . opghestaen
was, Brab, Y, VII, Jafi>l. 208. Dbesuec dat gedaen
heeft geweest op onse rechteren ende op onse
ambachtsliede , Brab, Y. , dl. 1 , bl. 793. Een wetteg
besoec doen . . . oppe alle de gene , die in sgnen
dienste gewest hebben , ald, 800. Dewelcke besoeke
geordonneert waren by alsesulken raede , alse voor-
geseit is , ald, Welck besoeck • sy gedaen hebben
in alle dier manieren, dat hen bevolen was, ald,
Vgl. dl. 2, bl. 666. Besoec daer af te doen ende
die waerheit te vernemen, Nyh. 4, 163. Alle die
mesdaden, die sullen ghevallen bi nachte . . , sullen
syn berecht bi loialen besoeke van den grave
sonder scependoem , Cout. v, Brugge 1 , 243 en 244.
Tbesonc van den ghescille, Invent, v, Brugge 2,
146. Dat sal staen aen onsen besoke, wedert van
desen twiste ghecomen ware oft neware, Oorkb,2,
3600. Daer naer wart een besouc ghedaen, wye
sy waren die ghevlouwen waren, Cron, v. Vlaend,
2, 114. Zoo ook Oendsch Chlb. 16. — Ook in den
zin van Huiszoeking, \\ (Si) hebben groot besuec
fhedaen al omme binnen der stat: si sochten
en heere van Assche, om . . . dien te vanghen,
Brab, Y. VII, 11990. Op desen selven saterdach dede
men groot besuec int stede om den heere van Assche ,
12014. — Over besoec sitten, zitting houden
voor eene enqttéte oï gerechtelijk onderzoek, Vgl. over
bedracht sitten. || Den 40 personen, die saten
over besouc , dat men dede np JPortegalen ende up
Pietre vander Mersoh, Bek, v, Oent 1^226, — Be-
soec met pinen doen, iemand met pijnigingen
onderzoeken, op de pijnbank brengen, \\ Lyttet die
poirter ongevangen, ongespannen ende sonder be-
soeck mit pinen op hem te doen, Matth. 198. —
Ook met weglating van met pinen. |i 6o most
die geweldige hant op hem besoeck doen , ald, 128.
4) In concreeten zin. Het stuk, hei proces-
verbaal, van de enquête opgemaakt, || Dat wy dat
besueek hebben gesien, dat gedaen is van den
rechte, dat her Heinrick van Wilre eysschende
was te Wesele ende hoe dat besuec (bet. 3) ge-
lopen es, Brab, 7., dl. 1, bl. 679. Welck besoeck
(bet. 3) sy gedaen hebben in alle dier manieren,
dat hen bevolen was, ende dat besoec hebben sy
aen hem bracht en hem gelevert, ald, bl. 800.
BESOEKEN (besoken, besueken, besuken,
bësouken), onr. ww. bedr. en wederk. (praet.
besochte of besaehte, deelw. besochfy, mnd. besoken;
mhd. besuochen. Van soeken (zie idd.).
1) Zoeken, opzoeken, || Dese bloemen hebben wi
besocht . . ute Aristotiles bonken, Sp. I',47,41.
Ie ga allene besueken dat. De meysenieden waenden
wel, dat hi tbordeel sochte ende niet el, II*, 13,
64. Mach men besoeken ende vinden dit in uwen
boeken, II*, 23, 198. Sulke boeke, daer hi w^js-
heit in besoeke, Melib, 1083. So langhe hjrt be-
sochte, dat hi in dien clooster gherochte, Amand
II, 4131. Doe quamen si ter haghedochte metten
doden ende besochten den wech. Wal. 8437. Om
den wech te besoeken, daer hi tot sinen vianden
comen mochte, Matth. Anal, 3, 170. Omme tebe-
souckene hout ter speye van den damme, Invent,
V, Brugge 3, 339. Logys bezonken omme tvolc,
6, 269. — Avonture besoeken, avontwren
opzoeken, op avontuur uitgaan. \\ Op den lande
ende in die zee selen si varen in allen hoeken om
avonture te besoeken, O VI, Oed, 3, 109, 306.
Dat eenighe cloecke Namoreusen . . wilden avontuer
besoecken, Exe, Cron, 2686. — Ook met eene bep.
met omme, in de plaats van den 4den nv. Zoeken
naar, \\ Dat hi uut zoude doen rijden, al on^me
4071
BESO.
BESO.
1072
besoecken om een wgff, die natte waer yoer sheren
lijflf, MLoep lY, 1104 var, Hi selve wonde doen
besoecken binnen Romen in allen hoecken om enen ,
die slants profijt wilde werken, Hild. 77, 105.
2) Bezoeken^ ergent heen gaan\ bet Lat. petere.
Met den 4den nv. eener plaats. Ongereer de thans
gewone bet. || Datmen niemen nnttrake met cracbte,
die de kerke Gods besacbte, Sp, III* , 9, 10. Up
enen dach alssoet (het beeld) besochte , Franc. 8196.
Besoect bi {gaat hij naar) die havene van Galoye,
dat sal sgn tsinen groten yemoie , Zam^. II , 39915.
Gringolet die besochte {ging naar) den oever ende
spranc in ter vaert tote oyer die medewaert zander
rivieren, Wal. 3738. Hi sloechse met willeger
bande, dat si besochten die erde neder, ter aarde
nedervielen^ Lorr, II, 378.
3) Vijandelijk aanvallen , aantasten ; lat. petere,
II Die n hnns anevochten ende met lederen be-
sochten, Melib, 2540. Mijn bere besoacse (de stad)
mergben vroucb, Limb. VII, 121. (Doe) voeren
si die stad asselgieren ende besonken in meneghen
manieren, 165. Ene romsce scare si besochten,
die waenden si vinden sonder hoede , Rijmb. 33270
var. Doen seyde Aljames: lek sal den man be-
soecken , ende hi nam een stercke spere ende wilde
op Hnghen rijden, Euge v. Bord. 69. Die gone
diet (/. diene) teerst besochte , hi corte hem die
been beneden cnien , Wal. 6506 (vgl. 6497 : die n e
teerst versoeken sal). Soe wie eenen poertre be-
sochte binnen sinen sloten ende hi met crachte
ende van noede hem ende sijn Igf . . bescudden
moeste, sloeghe hi den ghenen dien besochte,
doet ochte let af . . , hi ware qngte van den bere ,
Ch. V. Waelh. 16. (Doe) besochte elc anderen met
groten nide , Fl. Rijmk. 6396. Hoe fellicke sy hem
(d. i. elkander) besochten ende hoe vreselicke sy
vochten, Troyen 8454.
4) Doorzoeken, doorenufelen. || Messinen, pro-
veien si besochten ende aten tmes met haren monde,
Rijmb. 32870. Wat soe met hare hadde brocht van
over twater , was besocht ende vanden rovers hare
ghenomen, 33369. Doe die Bethsamiten besochten
die Arke ons Heren, Velth. I, 56, 28; vgl.
T. en Lettb. 6, 305 vlgg. Die besoeken heimelic-
bede, qui abdita scrutantur. Nat, BI. XII, 1053.
Toten hemde . . ende toter broeck, die was be-
socht , oft siere vet in hadden brocht, Velth. II, 3 , 36.
— Ook met den 4den nv. van den pers. Iemand
aan een nautokeurig onderzoek onderwerpen, alles
%oat hij aan heeft doorsnuffelen, jj Icsal a doen wel
baestelike besoeken ende die met u sijn al, dat
ie die letteren nes ondancs sien sal, Lanc. II,
26337. (Laban) besocht Lya ende beide die jonc-
wive ende hi en vant daer niet, D. B. Oen. 31,
33. Waert dat die rechter yement wilde bezoecken
van eenighen ontscbamelen wapenen, so wie hem
niet en wilde laten bezoecken , die verbnerde drie
pont, O. K. V, Dordr, 18, 28. Dat soe bi nachte
heymelike den coninc besachte , of hi hadde eneghe
{soms) oren, Rijmb. 17703.
5) Onderzoeken, zoowel in den zin YtLH onderzoek,
navraag naar iets doen, als in dien van nasporen,
tot het voorwerp zijner na^oringen maken.
a) Met den 4den nv. der zaak. || Dns besochti
in dier maniere die natnre van der riviere,
Sp I*, 40, 1. Hieromme sal elc hem selven scel-
den, hem selven wronghen ende melden, ende
besonken sine zinne, I', 63, 51. Daer hi al die
byble besochte ende nten Ebrenscen in latijn brochte,
III*, 35, 13. Eraclides, die dat besochte sowaer
so bijt verpinen mochte, III*, 48, 93. Tgheent
l
was besocht ende waer vonden, m* , 14, 35.
Tnlius , die ter menichger ore die heimelicheit der
scriftnren besochte. Rosé 5206. Doe si hoer comanscip
besochten, Hild. 62, 42. Als ai hoer rekeninghe
besoecken, 150, 45. Die die linde wel besochte,
men sonder sachticbeit in vinden, 214, 38. Als
syn gedochte iet de helege geest besochte, Freme.
5332. Vaste besochtent de cardenale, 7959 (vgl
7954: pronven, en 7955: ondersonken). iJs
hi in menscelike gedochte dese miracle besochte,
8147. Die man besochte sinen sin teeTonde,£tjic/.
723. Twee boden senddy in Tessale , diet beaochten
altemale, waeraf dat die dinghe yerst quameo,
Troyen 9919. Si . . hebben besocht de waerheit,
Brab. Y, VI , 10349. Nn heb ie . . der dinghen
veel besocht, MLoep I, 159. So dattie dochter
dat besochte, ende soe den vader te maren brochte,
dat hi al sonder oren ware , Rijmb. 17709. Dat soe
die cracht van sinen live besoeken sonde ende on-
dervinden , hoe sine mochten ghebinden , 8166.
Diet . . recht te gronde besochte, Bl^c. v. U.
1418. (Hi) dede besoeken die rivier te veel steden
wair hy beste mochte overcomen, Matth. Anal, 3,
192. Van bezonken van den ghebreke wesende in
de moerpype , Invent. v. Brugge 5 , 528 ; vgl. 4 , 299.
Dat hert ende s^n werken te mereken , onderüsten
ende besoken, Gest. R. c. 130^. Besnkt die scriftnren,
L. V. J, c. 120 en 174. Dat was besocht dicwijl
nochtan ende vonden gewarlec, Lutg, II, 1313.
Van der doden bant te bezoeken , Stadsr. v. Zwolle9è;
sijn dode bant bezoeken, ald, 89, een onder-
zoek instellen naar eene schuld van zijn erflater.
— Ook met eene bep. met o m m e , of een 2den nv.
in plaats van den 4den. Onderzoeken naar, \\ Die
conync besochte neerenstelike omme die dinc, of
die kerstine souden ontstaen moghen, Amand II,
1969. — Ook met den 2den nv. || Wat die v$f
senne van bntene begripen, dat brengen si te
bant der silen, dat si oec dis besiike, Limb,
Serm, 13».
b) Met een afh. zin. || (Hi) dede . . besneken,
wie kerstyn waren, Sp, II', 51, 55. (Hi) besochte
ende vant {door het lot te werpen), dat keyser
Karel verliesen sonde, IV % 14, 40. (Dat hi) doe
besonken met genende, waer Salvins ende sgn
jonger . . . begraven laghen, IV*, 31, 48. Want
hi met groten nerenste besochte, bi welken wege
of hoe hi mochte vulmaectelgxt dienen onsen here.
Franc, 6399. Die coninc besochte . . onder alle
zine wise doe , hoe dat mochte comen toe , Lap. H,
48, 390. Of men besochte, wie soe ware, Rijmb,
18100; zoo ook 15511. Doet besoecken ende be-
vraghen, oflf die laden hem yet beclaghen, Hild.
18, 179. Informeeren ende besonken, wie datse
(de bruggen) , . gheploghen hebben te doen makene,
Vad. Mus, 4, 111. — Schgnbaar onz. staat be-
soeken, in den zin van peinzen , studeeren, || Hets
snlc clerc die besochte, die tenen meester niet en
dochte, Melib, 1179. So dat hi so verre besochte ,
dat hi te sinen rade vant te sendene an den paens,
Jmand II, 1757.
6) Opsporen, nauwkeurig letten, het oog houden
op. II Die boeten sullen der stede knechts hebben,
ende dair voir zullen z^t besoeken ende bewaren.
Leid, Keurb, 139, 31. Voort zullen sg verbieden
ende besonken , dat gheen hacker . . . no vaerwer
barninghe legghe binnen veertien voeten ghehende
sinen ovene, Cout. v, Brugge 1, 361. — Het tgw.
deelw. in de nitdr. nau besoekende,9MMMp/^^&M.
II Hi dochte mi wel an s^n gebaren een nan be-
sonkende offtchier, OVl. Lied. en Oed. 343, 819.
1073
ST.i
BESP. ó
msf.a
4074
7) Aan een ambUlijh^ ook. gerechtelijk ^ onderzoek
onderwerpen,
d) Van zaken. Inepecteeren. |) Scepenen , . . . die
met hem ommeghinghen , doen men de vorte (ver-
Mchaalde) wgne besochte, Hek. v. Gent 1, 337.
Dit zullen de deken ende yinders scaerpelike be-
soncken, ZVl. Bijdr, 6, 176. — Ook met weg-
lating Tan het obj. Een {gerechtelijk) onderzoek in-
itellm. II Scoj, duyel, scoy tot yor den rechtere:
het geeft wel vrame terstont te besoekene, Bliêc.
V. M. 493. — Met een afh. zin, meermalen
O, R. p, Dordr. l, 362, 363, 364; doen besoeken
met een vonnis yan scepenen, een onderzoek over
iet* instellen door van de schepenen een vonnis daar-
over te vragen.
b) Van personen. || (Hi) bésochte ende ondenrant
die ghene, die mitter hant die qnade daet hadden
ghedaen ende rechte daer oyer saen , Lsp. II , 49, 25.
— Ook in de nitdr. enen besoeken mit pinen,
iemand onderzoeken met pijniging , hem door pijniging
of foltering tot bekentenis trachten te brengen. \\
Wil hy der zaken niet lien , hy mach hem dairom
doen bezoeken mit pynen, Matth. 196. DieseWe
niet besoeken met penningen , k^^/ fo /^^r^j» piningen ,
O. E. V. Dordr. 2, 277, 79; zie de noot ald. —
Ook in de nitdr. besoeken mit pinen an
enen, eene foltering op iemand toepassen. || Te be-
soken mit pynen an den genen , die den rechter ge-
melt syn, dat sy sgn qoadien, Matth. 200. — Vandaar
dat besoeken door weglating yan mit pinen
yolkomen gel^k wordt aan folteren ^ pijnigen. \\ Soe
heeft men ... die personen . . besocht, gheaerbeit, . .
swaerlgc ghepQnt, soe dat si . . . bekinden daer
ende yerliden, Brab. T. YII, 12266. So sal hy
raet nemen mitten scepenen, die daer by waren,
daer men bésochte (het obj. zit 6f in men, d. i.
men en, 6f is verzwegen), Mfttth. 198.
8) Atmzoeken^ verzoeken^ beproeven^ polsen. \\
Das hebsi den ingel besocht, nl. om de helft aan
te nemen ^ Bijmb. 15832. Want hise altoos om den
yrede met (lat. per) Josephnse hadde besocht,
31084. (Si hebbene) besocht, of hi den keyser
volghen wonde, Sp. III», 30, 60. — Ene van
minnen besoeken, een meisje om hare hand
verzoeken y aanzoek bij haar doen, haar tot een
mimnehandel trachten over te halen. \\ Dat si hem
soe scone dochte, dat hise van minnen besocht«,
ende bat, dat si sine wesen sonde, want hi al
hare wesen wonde, Lanc. III, 4415. Hi hadse van
minnen besocht saen, II, 765. ,
9) Vragen^ vernemen naar, informeeren. \\ Wat
schaedt versocht oft besocht, ongheeyscht is onghe-
weyghert. Spreuken 109. Herodes vragede ende
bésochte, waer hem ontfloen wesen mochte Pieter,
Sp. I*, 9, 33. Dat hi sonde nut onsen boeken
proeven al dat wi besoeken, willen weten, II*,
ii3, 319. — Meestal met eene bep. met ane of een
4den nv. , ter aanduiding van den persoon , aan
wien men iets vraagt. || Dies men an meneghen raet
bésochte, Stoke III, 794. (Ie) wille dine bede ontfaen,
die dit ane mi bésochte , Wap. Mart. 1 , 47. Nichode-
mas wilde dit horen , wat dat woort bedieden mochte;
an onsen Here hijt bésochte, JUjmb. 22406. Den
bode . . daer die abdt toe {d. i. doe) an bésochte,
twy die abdesse verhiesch die dinc, Amand II,
4102. Alsi an Byase besochten, twi hi niet en
vlnchte, Sp. I*, 49, 62. (Hi) besocht an hare , wie
8$n vader ware, III*, 14, 8. Snn raet an hem
beBOchte, twi hi so ghewillike dede des paens
wille, in*, 26, 96. Sinen camerlinc hi bésochte,
hoe diere men sine consen cochte, lY*, 83, 43.
Fransoys . . besocht {d. i. besochtet) an Gode
metter bede. Franc. 1539. Dat hi bésochte met
siere bede an Gode, wat syn wille ware, Rijmb.
8872. Trechte besocht an goeden vroeden lieden,
Invent. v. Brugge, Int. 421.
10) Verlangen, begeeren , zoeken. || Nochcamcaet
noch syden doecken, dat gheen man en moet be-
zoecken, MLoep II, 1603. Dat niemen kersten
wesen en sonde, dan diet bésochte, Sp. II*, 22 , 370.
11) Eischen, vereischen, noodig hebben, meteene
zaak als ondw. || Wgf ne gene daer ne was, die
in zinen wene dat kindekin zogen mochte, also
zine nature bésochte. Franc. 10263.
12) Beproeven, probeer en,
a) Met den 4den nv. v. d. pera. Beproeven, op de
proef stellen. || (Hi) bésochte sijns selves wijff,of
hoir oic te gheloven is, MLoep II, 2064 var.
b) Met den 4den nv. der zaak of een afh. zin.
De proef nemen, beproeven, trachten. \\ Ridderen
ende baetselare, die de wapenen minden seere , ende
diese hadden int gemeen verre besocht, Orimb.l,
2454. Hi . . . sout besoken nu te male, dan liete
hi dor engenen vaer , Lanc. II , 43706. Die andere
sijn te storme gegaen ende besoeken in allen sinnen,
hoe si den casteel mochten winnen, III, 19876.
Dat soe nemmermeer die dinghe ne ghedade no
bésochte, dat soene te valle brochte, i^. I*, 8,
14. (Doe) was hi te Conpostelle brocht ende te
gravene oec besocht, I*, 8, 31. Die viant, die
geme bésochte, hoe dat hine belopen mochte, III*,
36, 87. Willen sy henen varen in trouwen, ende
besoecken ander saken, wy sullen hem twalef
scepe maken, Trogen f. 216b. Dat si besochten
met valscheden van den vercoomen heligen man,
hoe sine ghebrochten des levens van , Amand I ,
3056. Die staerke macht al besouken, kan alles
ondernemen, Alex. X, 1261. — Ook als rechtsterm.
In rechte trachten gedaan te krijgen. \\ Doch hebben
sjjt so verre besocht, an heren ende an baroenen
brocht, dat men die inder kerken saten sonde
driven haerre straten, Sp. IV*, 15, 21. — Bij
uitbr. Gedaan krijgen. || Dese vier moenken . . .
pgnden daer omme vroe ende spade, -dat si die
scole van Rome brochten te Par^s, ende si be-
sochten dat bi den paens ende bi Karles bede,
Sp. m* , 88 , 77 {Brab. Y, II , 1293 zijn deze voorden
verdraaid).
13) Ondervinden , bij ervaring weten. Voor den over-
gang der beteekenissenvergeiyke men het mal. onder-
vinden, dat ook onderzoeken beteekent). || Want hi
vrome is ende fel, dat hebwi besocht algader wel,
Segh. 10951. Hets dicwyl besocht ende ondervonden ,
Matth. 220. (Si) hebben scandelike lachtere ende
slaghe besocht ende voertmeer bande ende kerkere,
Hs. 75, /. 105 c (Hebr. 11, 36). Jezus is een
soeticheit der herten . . . ; diet besocht heeft , macht
bekennen, Hs. f. 113 p.
14) Bevinden , iets door eene gebeurtenis of door
een onderzoek leeren. \\ Daer bevant men ende bé-
sochte, dat een man meer dogen mach daneenech
heeste, Sp. I*, 44, 26. So dat soe . . . mercte
ende bésochte, dat soet verweren niet en mochte,
IV' , 68, 38. Int jaer dusent ende tienwaerf viere . .
alsict inder jeesten bésochte , wart die derde Heinric
. . . keyser, IV* , 46, 1. Doe besocht syt harde
wel, dattie van Jabis-Galaat hem niene holpen,
Rijmb. 8412. Alsict over waer hebbe besocht, 23538.
15) Vernemen, \\ Alse Alezander dat bésochte,
dat men elswaer niet en mochte die porte liden,
Sp, I^, 33, 43. (Ie) hebbe besocht selke niemare ,
dies mijn herte es worden zware, Parth. 2976.
4075
BESO.
BESO.
1076
Als iet besachte, &>. IIP, 16, 59; Stoken, 541;
1217. Hebbic besocbt, ^. III«,3, TB.Tgheslachte
hebbic wel Ternomen ende besocht, daer hi of es
comen , Parth, 5825. Na saldi horen voert bedieden
van den stenen, . . . wat crachte ie daer of be-
sochte, Nat, BI. XII, 1147.
16) Vinden^ uitvinden, uitdenken. \\ Grote wysheit
hi besochte , diet maecte van dier natneren , dat
ommermere mocht ghedneren, Troyen, Hs./.126a.
— Ook in den sin van uitdenken , verzinnen; sjnon.
van vis i eren. i| Maer dat mi die mare brochte
Cebalijn , diet al besochte , want mine name niemen
en wroechde, Jlea:. YIII, 633.
Wederk. — Hem besoeken, beproeven, pro-
beeren. Zoo ook in het mnd. || Hi decte hem, so
hi best mochte, als syn meester hem besochte op
hem scermen ende houwen, SegA. 1423.
BESOEKER (besouker, besueker), znw. m.
1) Yan besoeken, in den sin van onderzoeken
(ald. 5.). Onderzoeker', hij die onderzoekt , naspoort. ||
Snbtile sonderlange clerke, besonkers van ons Heren
werke ende van sire moghenteit al. Franc. 6895.
2) Yan besoeken, in den zin van het oog houden op, na-
gaan {ald. 6). Hij die de hand houdt aan voorgeschreven
toetten en reglementen , hij die met eene speciale enquête
wordt belast, inspecteur ^vgl. BESOEKEN 7). ||
So waer men yemant van aen vorser, hneders ende
besnekers om deser saken wille moeyenisse dade,
Brab, Y. Dl. 2, bl. 616. Dat onse meyer ende
rentmeistre van Loeven . . van allen den pointen,
ordinancien ende coeren voirscreven hueders ende
eernsteghe besuekers selen wesen , ald. Dat sy ten
versneke haerder voors. besnekers . . ten steden
ende ten dorpen , dair hen dat van hare of van hare
voors. besnekers weghen cont ghedaen sal werden ,
hen onderdanich B^n,ald. 667. Dit sQn die pointen,
die die besneckers, die sy hertoginne . . van
Brabant nu geordineert heeft besuecke te doin
over al binnen haren lande . . op alle die ghene,
die drosseten , rechteren , rentmeesteren of andere
dieneren geweest hebben, 688.
BESOENEN (besuenen) zw. ww. bedr. Mnd. be-
sonen, besunnen; mhd. besuenen. Yg\. BESWOENEN.
1) Verzoenen.
a) Met een twist als obj. Door een zoen of ver-
gelijk ten einde brengen, uit den %oeg ruimen. \\
Dese ghesel broeders maecten veel soenen van
dootslagen . . ende van menighen swaren veten,
die te voren niemant besoeuen mochte, Matth.
Jnal. 3, 242.
b) Met de twistenden als obj. Ferzoenen , in goede
verstandhouding met iemand terugbrengen. || Dattie
stat van Utrecht . . ende hoir burgeren . . mit ons
besoent ende verleecken sijn, ald. 373 noot.
2) Iemand in dei^ zoen opnemen. || Die stat van
Utrecht ende van Amersfoerde werden by name
mede besoent, dat hem qualic gehouden wert,
ald. Ruerende van dat die van Utrecht mede in
der sneuen bezuent waren, Bel. v. L. 179. Die
sg dan onschuldigh vinden , die sullen wail besoent
binnen der Stede van Leyden comen , ald. 257. Des
sal hi inder zoene vorsz. bezoent wesen, O. R. v.
Bordr. 2 , 22. — Somtijds met eene bep. met o p. Eig.
iemand in een zoen opnemen , hem met een ander ver-
zoenen, een zoen sluiten o i^ zekere voorwaarde. ||
In allen punten , dair sii oflf besorget {verzorgd, voor-
zien) ende op besoent sullen worden inder soenen ,
Y. d. Wall 456. — Ook enen besoenen (ende be-
vreden) op een goet, in den sin van een zoen
aangaan, tengevolge waarvan iemand het ongestoord
bezit van dat goed is verzekerd. \\ Dat . . . onse
helper, die om onsen willen inder veten getreden sji,
vrylüc bezoent of bevreet sullen wesen op horen lenen
en allen horen goeden , Bel. v. L. 281 . Item sullen
die burchgreve en die anderen voirgenoemt op alle
hoir goede besoent wesen , beyde op leen ende op
eygen, 391. Dat wy . . niet en sullen xueoen,
vreden noch in vorwairden staen . . , wy en sullen
mede den here van Culenborch, sinen (/. sine)
ondersate (/. -ten) enz. beznenen, bevreden ende
bevorwairden , gelijc ons selven, op allen horen
goiden . . , so wair die gelegen siin , Ngh. 3 , 290.
Dat wij mitten hertoge van Gelre niet zuenen en
sullen , wg en sullen hem {den heer van Culenborci)
bezuenen op sulc geit , als hi optie voirscr. diensten
{ambten) staende heeft, wij zullen als bepaling w
den zoen opnemen, dat hij het geleende geld teruf-
ontvangt, 291 (a. 1409).
3) Met het obj. geit. Jls sehadevergoeiing
beloven; bij een zoen bepalen, dat het moet worde*
betaald. \\ Ende (d. i. als^ dat ghelt , dat daer besoent
is, betaelt sij, oflf beaevaert, de gheseghet sii,
betaelt sQn, Overijs. R. I*, 61.
BESOENGE, znw. m. Yan het mfr. besongne,
besoigne (Burguy 344); fr. besogne en besoim. Over
den germ. oorspr. van dit woord zie Burguy , t. a. p. ;
Scheler 48; Diez, Wib. 1, 386. Het zuiver muL
woord is besichede (zie ald.). Zaak, aangelegen-
heid, belang. || Dat hi eerst te haren {der eter ken)
bestringnen {l. besoengen) dede verstaen ende die
termineren mede, ende daemaer berechte hiandre
besteede (/. besichede), VI. Rijmt. 3003. Niet ne
ghinghen voert de bezoengen, 10017. Die om haren
besoenge varen, Beest. 147. Sal ie ooc yemant ia
hulpen staen, daer moet miede voren gaen of sine
besoenge sal niet clicken {gelukken), Praet 1761.
Dat sine besoenge niet sal dieden, 2048. — Ook
in den zin van ^noeilijke zaak, affaire. || Om
dat geen bode te gere ure bet es gelovet te gere
stede van sjjns heren besechede, dan die here
selve es, comic nu mine besoenge ontacken n,
Lanc. IV, 2856.
Aanm. — Moet men L. o. E. 1036: ^Hi {Jezns)
brac donwet die was geset, ende dede die be-
sondiehde van hare wet ," voor besondichde niet
lezen besoengen: de y^geboden, plichten hunner wet?**
BESOETEN, zw. ww. bedr., gevormd naar het
voorbeeld en als tegenstelling yan besuren en
alleen in verbinding daarmede voorkomende, In
West-Ylaanderen nog heden in gebruik (De Eo 123).
Genieten, de vruchten van iets plukken^ de mfor-
deelen er van smaken. || De sulc bezuert {doet de
moeite) , een ander moet bezoeten , O VI. Lied. e. Oed.
122, 9. Het gesciet, dat deen besoet dat dander
besuert, 362, 1394. (Ood) verleene oii saliche
avontuere om te bezoetene dat ie bezuere, 456,
17. Wildyt besoeten, ghy moetet syn besurende,
Ned. Kluchtsp. 53, 102. — Die niet beauert,
niet en besoet {Jles. I, 1322); niet ne besoet,
{scil. die) niet ne bezuert {Rosé C 2572), Wteniei
zaait, zal ook niet maaien; lat. nU siste sudore. —
Spreuken 56 in min juisten yorm: „Wat niet be-
suyrt, dat en besoetet niet."
BESOEYEN , zw. ww. bedr. MTaarschgnlgk can»-
tief van beseven {beseffen), gevormd van het impf. he-
j(7<p/(zieby BESEFFEN, en vgl.YO er en vmn yarei).
Eig. doen smaken , doen proeven , en by uitbreiding
bezorgen, verschaffen. Kil. besoeven, ybesotfen.
II Ie sal . . hangen stoppe en fiesache aen mf aea
hals, en brengen ons water uut oeaÜant van ak.
Ie sal (/. salt) u uten dale van droef heyt beaoeren. —
Och ja, ie souts alte gherne proven, FUgerw. 7a
1077
BESO.
BESO.
4078
BESONDEN (besdnden), cw. wit. bedr. en
trederk. Hetzelfde alsheniDesondigeii (sie ald.).
Bedr. ^Doot zonde bevlekten^ verontreinigen, \\
Want het sere besunden doet (met weglating van
het obj.), ^t brengt licht tot zonde, Tien FL 2197,
Wederk. — Met eene bep. met ane. Zonde in
iets doen, zijn geweten bezwaren, || Scuwet die eere
in allen stonden, daer du di ane waens besonden,
Sp, III», 9, 83.
BESONDER (besunder). bi|w. Mnd. betunder;
mhd. besunder,
1) Afzonderlijk, \\ Dorpen oft steden die bi onsen
Yorderen . . tzamen, beznnder, hoet zi, verpant
sgn, Brdb, T, VII, 1453.
2) Buitengewoon y bijzonder (achter zQn bnw.>. ||
So scone was soe (JuditA) besonder (zoo bijzonder
mooi), Rijmb, 17571. Indie vaert yant hi groet
wonder, dat goet te home ware besonder, ^. UI*,
66, 13. Datter nten tronke onder wies menech
telch besonder, Lorr. II, 597. — Een zeer ge-
liefkoosd rgmwoord op wonder, zonder Teel be-
t«ekenis. Zoob.v. Sp, I«, 47, 116; I', 61 , 89; II», 10,
20; n», 48, 19; n% 49, 38; IVS 8, 34; IV^
60, 3; Lane, II, 18675; III, 2081; enz,
BESONDEREN, zw. ww. bedr. Wid. besundem.
1) Afzonderen, uitzonderen. || So is hier buten
bezondert, wanneer onse Heer yan Hollant . . .
binnen Leyden sQn, dat dan een jghelic doblen
mach, Bel, v. L, 165 {Leid. Keurb, 64). Niets
antghesteken noch besondert, Qendseh Chtb. 194.
Tsnrplus wert all tsamen gebrujct by andere weer-
licke persoonen , besondert alleen 6 of 8 mergen ,
die gebm jct werdden by den baghinen tAmsterdam ,
Jnform. 51.
2) Tot een bepaald doel afzonderen, bestemmen;
van een leger, vergaderen, || Int jaer ons Heren
dertien hondert ende vQftien, so werd besondert
in Vrancrike een groet here, Velth. VI, 13, 1.
Dese heeft besondert een groot here , maer hets al
niet, Sp, TV, 46, 6.
3) Scheiden, verwijderen. || Elc {torre) stont van
andren besondert acht roeden bi getale, Lorr. 1, 2132.
= Het deelw. besondert als bijw. gebr. Zie
BESONDERU
BESONDERLINGE (besünd-), bgw. Mnd. be-
tunder Haufe. Afzonderlijk, \\ Soe souden si binnen
▼iertien daghen ende elc harer bezunderlinghen te
Bmessele incomen, Brab, T, VII, 13640.
BESONDERNE, bgw. Mhd. besundem; mnd. ^•
e9Mderen.Yg\. hd. sondem. Hetzelfde als b es on de r-
like of besonderlinge; z. ald. Voor den
▼orm yerg. men wondeme voor wonderlike {Lorr. II ,
2444; JVtfiM?. 2576; 2657; 4786 ; 5441 ; enz.) en vgl.
liübben, 1, 724 op -erne, -e rn^ e. Afzonderlijk,
op eene afzonderlijke plaats, \\ (Hi) sachdat lynwaet
daer ligghen ende dat laken daer syn hoeft met
was bedekt, nit metten lynwade, mar besondeme
ende oyereenghewonden , L, v, J. e. 236.
BESONDERT, deelw. bij w.van besonderen (zie ald.)
Afzonderlijk, voornamelijk in verbinding met
elc. II Elc besondert moest aldus sgns rantsoens
plegen , nadat sijn staet was gelegen , Brab, T, VI ,
4956. Olifante vierwerf hondert, op eiken enen
casteel besondert, lAmb. VIII, 833. — Ook zonder
elc. II Hi salre jegen senden hondert ende laetdie
striden besondert, Lorr. I, 339. — Zonder ander'
doel dan om als rgmwoerd te dienen op wondert
en h o n d e r 1. 1 1 Doemen screef wel besondert neghen
min dan dertien hondert, Wrake III, 734. Daer
«yn binnen si yflf, hondert, onder ridders ende
knapen besondert. Lanc. II, 39581. Een camere
sachi besondert (: wondert) , die binnen al was yan
ivore, Flandr, I, 1025. Vgl. BESONDER.
BESONDICH (desondegh, ook in den jongeren
door b^gedachte aan het deelw. yan besondigen ont-
stanen vorm besondicht (besondecht); vgl. be-
droevich (zie snppl.), besculdicht naast
besculdich, en Theoph,, bl. 130), bnw. .^oiw^,
met zonden behept. Meestal van personen gezegd,
maar eene enkele maal ook van het lichaam,
het leven, de ziel, || Ie ben een dat beson-
dichste w^f, die nie ter werelt ontflnc Igf,
L. o. H. 1414. Dat elc besondich knecht sinen
scepper ere, Ltmd. 1223. Dat hise op hem sal
wreken om hare besondige treken, 3459. Den
besondigen scalc vri maken, 3857. Die besondege
sielen, die hier in hoeftsonden vielen, 5207. Al
ben ie een besondech wijf, Beatr. 525. Ie aerm
meinsche, zere bezondich, OFl, laed, en Qed, 38,
261. Siudent dese besondege man so grote oratie
ghewan , Sp, III* , 33 , 89. Bi enegen besondegen
man, Lane. III, 1814. Eens besondechs ridders,
2110. En haddi niet so besondech gewesen alse
gi sijt, 2518. Ende ie mi stille ende openbaer be-
sondich mensche belie, Flandr. II, 138. In minen
besondegen lichame, Blise. v, M, 1694. Ie bem
een man, besondecht sere, Bijmb, 22458. Die
besondechde Magdalena, 23206. Datten een be-
sondecht w^f antast, 23213. Bezondichde meins-
ghen, OVl. lAed, e, Oed, 518, 1. Onser be-
zondichder meinsghelicheit, ald. 532, 422. Ie ben
een besondicht man, Theoph. 211. Ie ben beson-
dicht ende onvroet, 217. Waendi, yrient, dat
niemen el besondicht en es dan ghi ? 234. In dese
stat en si niemen besondecht gelijc mi, Sp, 11^,
56, 37. Die besondegede ridder, IV*, 72, 34; zie
ook II', 40, 8. In desen besondichden live, Vad,
Mus, 5, 328. So besondicht w^f ne was negene,
L, o, H, 1399 ; vgl. 4608. Bi der maget, die nie
en waert besondicht, die nooit zonde, onreinheid
pleegde met een man, Umb, VI, 208. Zie yerder
Fhr. 1257; L. v, J, e, 30; Lett, N, W, 5», 38;
Lanc, II, 2177; 25467; ÜI, 5082; 5536; 5611;
IV, 4587; D. B, Jes, 1,4. — Ook als znw.
Zondaar, zondares, \\ Van desen besondegen, ald,
345. Die besondege {var, besondechde; tekst son-
daers) entie publicane entie wokeraers, Bijmb,
25258 var. Het leent die een besondechde den
anderen, Hs. v. 1348 var, 198 <i.Vgl. ald.-. bezon-
dechde lieden {tweemaal). Dese besondichde , die op
mi screit, L. o. H. 1485. Die besondechde . ., dat si
penitentie sullen ontfaen, Rijmb, 23105. Wes ipi,
besondeghe , sonderlinghe goedertiere, O, Intern, 13.
Aanm. — Over besondichde, L. o. JT. 1037,
zie bü BESOENOE.
BESONDIGEN (besundigen) , zw. ww. bedr.
en wederk. Mnd. besundigen. Vgl. bësonden.
Bedr. — Bevlekken, bezoedeld, verontreinigen. ||
Dat si {de tong) besondecht sinen mont met quaden
woorden, Tien. Fl. 1322. Dat ander {pwnt) , . ,
dat ooc tghevoelen {het gemoed) seer besundecht,
1446.
Wederk. — a) Met eene bep. met ane. In iets
misdoen, zonde doen, zich vergrijpen. || An die af-
gode ende an die wive besondechde hem menich,
Rijmb. 6194. Ie en wil mi hieraen niet besondigen ;
ie gheef Hughen in uwen handen , jugeert hem oft
hi sterven sal oft niet, Huge v. Bord. 78. —
b) Met eene bep. met met. Hoererij bedrijven, ||
Dat hi met ere joncfW>u we hem besondechde dorper-
like binnen sinen hnwelike, Fad, Mus. 4, 819,
232. Wanneer dat enich mede besondichde (/. hem
4079
BESO.
BESO.
d080
daer mede b.), dat hy daer mede sonde werden
geqnelt, Ht. p. 1423, 216 ó.
BESOPEN, zw. WW. bedr. Mnd.(?) mhd. besoufen,
causatief Yan besnpen, mhd. hetüfen^ d. 1. ver-
drinken (vanwaar ons bnw. bezopen^ d. i. indrani
vertmoardy tmoordronken). Doen verdrinken^ onder
water zetten^ overttroomen. || Nylus , die dor Egypten
loopt, hadde tlant al meest besoopt, Rfjmb. 4109.
BESORCH (besorg), snw. o., stam van be-
torgen. Mhd. besore.
1) Zorff^ bijstand, behartiging der belangen van
personen of landen, || Om tbescnt of om tbesorch
des hertoghedoms van Lutzenborch , Brab. Y. VII,
1427. — Vooral in de nitdr. besorch doen,
zorg dragen.
a) Absoluut. II Daer af die heere van Culenborch
hadde ghelooft te doene besorch dat men van houte
na al ghevoech behoefte vinden sonde ghenoech,
ald. 8737.
b) Met den 3den nv. v. d. pers. (of het voorz.
vore). Moeite voor iemand doen, hem bijstaan. || Soe
selen wi hem doen besorch in haren laken, ald.
1792. Die buten onsen weghe gaet neme dats hem
te hebbene staet ; voor hem en doe ie gheen bezorch,
on. Lied. e. Ged. 249, 490.
2) Bestuur, bewind. \\ Datse haer so eerbaerlijc
hadt ghequeten int besorch vanden lande , Exc. Cron.
166^. In regemente ende in besorch, Brab. F. VI,
1136. Die voorscreven Anthongs sal sjjn besorch
des hertoghedoms van Lutzenborch . . . moghen
lossen ende redimeren, ducatum redimere et exsol-
vere, VII, 1337. Dat si hen hadden soe eerbaerlgc
ghequyt ende soe ghetrouwel\)c int besorch van
den ghemeinen lande, 11909. — In besorch
hebben, nemen, het bestuur hebben , aanvaarden
over. II Joes . . hadde in besorgh dmercgraefscap
van Brandenborch , Brab. T. VI , 697. Godert heere
tot Brandenborch , dat hi als heere hadde in besorch ,
VII , 2691. Die derde Jan nam sjjn (/. in) besorch
Brabant , Lotrijk , Lymborch , Fad. Mus. 3 , 446 , 249.
3) Bescherming, hoede, zorg.\\ Dat goede hoede
behoeft in stride, ende groot besorch hoert ter
banniere, Brab. T. VI, 1382.
4) Het in orde brengen, de voorbereiding, toe-
nuting. \\ Toten besorghe sijns oorloghen jeghen
dien van Gloucestere, ald. VII, 14866.
5) Oemak, confort. — Eig. dat wat iemand noodig
heeft, waarvan hij voorzien moet zijn. In de uitdr.
sijn besorch nemen. || Sonder syn logis oft
besorch aldaer te nemene op die borch, Brab. T.
VII, 18023.
6) Verzekering. \\ Welke penninghen wi hebben
bewesen in goet besorch opt {voor welk geld wij
verbonden hebben) hertoghedom van Lutzenborch,
ald. 1418. — Ook in den zin van verzekerde
bewaring || Daer na saen heeft hi die goede manne
gevaen ende in besorch dede hise leggen op die
borch, Brab. Y. VI, 4741. Die ghe vanghen heeft
hi al omme ghesonden in steden, in sloten, int
(/. in) besorch, in den lande van Lutzenborch,
VII, 2756.
7) Concreet. Hetgeen in orde te brengen is , zaak ,
taak; lat. negotium. Vgl. besichede 3). || Die heere
van Oeye was int besorch, bij de zaak, n1. tien vrede-
handel, Brab. Y. VI, 11058.Hertoghe Jan sant om
dit besorch heere Petren van Lutzenborch, VII,
14445. — Provoest vanden hesor g en , zaak-
waarnemer, zaakgelastigde. \\ Lysias des conincz
procurere ende syn maech ende syn provoest vanden
besorghen, D. B. II Maeeab. 11, 1.
8) Heeft besorch , evenals de synoniemen b e r e e
en berecht (zie ald.) , de bet strijd. Ygl. het Lat
rem hahere eum alqo. \\ Om tbesorch, dat toe-
comende mocht oprisen, Brab. Y. VI, 1880. Van
Brabant dierste hertoge Jan, die den strijt te
Woeronc wan , ende grave Heinric van Lutzenborch ,
die daer doet bleef int bezorch, 7407. (Hi) reet
selve int besorch, VII, 2737. — Beide beteekenissen,
die van zaken, en van strijd , oorlog kAu besorch
hebben Brab. Y. VI, 2267: Heere Jan . . dicye
seder den hertoge diende in sgn besorch, in den
orloge van Limborch ende voer Woeronc . . ia
den stryt
9) Van besorgen in den zin van vreezen (ald. 6).
Bezargdhfid, angst, vrees, pijnlijke onzekerheid, \\
Seker cooplieden van Straesborch die daer langhe
in groot besorch gheleghen hadden, in zwaer
verdriet ghevanghen, Brab. Y. VII, 3093.
BESORCHDELIKE , bijw. Van ^*<w<r*/ , in onze
bet. Met voorzorg, voorzichtig lijk. \\ Si nestelen
inden haechdoernen ende broeden haer eyer be-
sorchdeiyc ende si minnen of liefhebben haer
jongen , Barthol. 4044.
BESORCHSAEM , bnw. Zorgzaam ; zorg, bezorgd-
heid hebbende voor; belangstellend. Kil. 53 : sollicitus.
— Vandaar
BESORCHSAEMHEIT, znw. vt. Zorg , bezorgd-
heid, belangstelling. \\ By haerlieder fiaumoedicheden
ende cleen besorghsaemhede voor tghemeen volc,
niet ronckende (/. rouckende) up tghemeen orboor,
Invent. v. Brugge 6, 220.
BESORCHT. Zie besorgen eUBESORCHDELIKE.
* BESOREN (bezuren), zw. ww. bedr. Mnd. besoren.
Het is niet onmogeiy k , dat er een ww. b e s o re n in
H mnl. bestaan heeft (wel te onderscheiden van het
by Kil. genoemde besoer en, j. besueren,acer-
ba pati , van soer , d. i. zuer) , van soren, d. L rme ,
scherp , hard en droog zijn , ook pijnlek zijn (3 Dag.
H. 304) van soor, eng. sear (E. MüUer 2, 356).
Zie de verschillende beteekenissen van soren en
seuren by Kil. 610. Een ww. besoren zon dus denk-
baar zyn, doch alleen met doot als ondw.,
niet als voorw. , want in den zin van mnl. be-
pinen kan besoren niet worden opgevat; die
doot bepinen is eene onbestaanbare uitdrukking.
Doch nu op de eenige plaats , waar het voorkomt ,
nl. Franc. 3423: „Tote dat hi de doot besoorde,
addi enen roe ende een corde ende een nedercleet,
datti drouch," de dood voorwerp is, zal be-
soorde wel eene schryffout zyn voor becoorde.
Zie becoren.
BESORGEN, zw. ww. bedr. en onz. Mnd. be-
sorgen; mhd. besorgen. Het trans, sorgen.
Bedr. — 1) Zorg dragen voor iemand of Uts.
a) Met den 4den nv. van den pers. Ferzorgen , m»
het noodige voorzien. || Die fisisien . . . als hi sieke
besorghen sal, Rijmb. 22955. Besorgh mi desea
man; alsic keere, ie loont u dan, 25435. Altoes
es si sere vervaert om syn lyf ende om sga ere
ende besorchtene harde sere, Melib. 798 var. Nu
hoert . . . , hoe hi bezorghede {de belangen hekar-
tigde van) zinen veynoet, Denkm. 3, 169, 120. In
allen punten dair sii off besorget . . . siülea
worden in der soene, V. d. Wall 456. —
Als wederk. gebr. Hem besorgen, voor sieh
zelven zorgen. || Een yghelic ontfaet sün rentes
ende besorcht hemselven, alsof hi in die wereh
waer, Ned. Proza 69 *. legelgc wille hem daa
besorgen, dat hi si op den lesten dach bereet te
eeldene syn ghelach, Brab. Y. VI, 4020. — In
denzelfden zin Besorget syn, wesen. || Die
dach van morghen sal voor hem selven besorghet
i081
BESÖ.
BÈSÖ.
408^
wesen, Hs, Evang,^ Matth, 6,34. — Ook meteene
bep. met van. Voorzien van. || Wat enen eedelen man
toebehoort , daeraf sal ie n beaorgen, Huge v. Bord. 19.
Claramonde besorchdese al van eten ende drincken ,
ende van al dat hen van node was , 48. (Hi) dedese
wel besorgen van alle dat hem van node was , 64.
Ie ben dns langhe besorcht gheweest van al dat
mi van node was, 59.
b) Met den 4den nv. der zaak. Voor iets zorgen^
zijne gedachten over iets laten gaan , Aet behartigen , er
moeite voor doen, \\ Hoer rechte ende haircomen . .
alsoe besorgen, dat sy des wayl te vreden sullen
wesen, Y. d. Wall 466. Hi besorghede soe sere
tgemeyne, dat hLsgns selfs achtte clejne, T. en
Lettb. 3, 73, 69. £lc besorght nu snnderlinghe
sgn gherief ende sgns selves dinghe, ald. 76, 137.
r^tta beghers, bepgnstant yet ende dattu mint
(/. mins), besorcstnat niet? O VI, Lied, en Qed.
606, 396. Dach ende nacht besorghende, wie dat
zal vermaken myn herte geqnetst, 472, 479.
2) Verschajfen^ schaffen, zien te krijgen. \\ Ganc
ende besorch spise, die wi eten mogen, Limb. II,
414. — Thans nitslnitend met by voeging van een
3den nv. des pers.
3) In een toestand brengen, — Vandaar het deelw.
besorget, in een zekeren toestand, in de nitdr.
besorget s|jn en sitten, dat hier in bet. met
sg n gelijkstaat, vooral van onaangename toestanden
gezegd. Er in zitten, \\ De roeder dat es smenschen
wille , die in dat scip cont ende nat besorghet zittet
ende stille, Fraet 362. Die ziele die in a vat be-
sorghet es coat ende nat, nat van sonden ende
cont van gracien, 1673. In den laec Beatijn man
ende wyf waren ooc also besorget, in den-
zelfden ellendigen /!o^«^a»«?, diesinteFransojshevet
geborget ende halp hem uten watre diep. Franc,
9177. Ygl. BEOADEN, BERECHTEN en BERECKEN.
4) Besturen, regeer en. || Si was een endevyitich
jaer hertoginne . . na hertoge Jans haers vader
doot , daer af si dlant besorghde , Brab. Y, YI, 11788.
5) Bewaren, || Die helen connen ende besorghen
{nl,^ iet), daer en is njemant voir ghevejnst,
Jlila. 137, 26. Hi sal den sloetel doen besorghen,
166, 241. Hj en wilden {den sleutel) wel behouden
doen ende besorghen naerstelyc, 166, 246.
6) Yan zorgen, in den zin van vr^^zm. Hetzelfde
als beduchten (zie ald). Bevreesd, beducht, bezorgd
zijn voor iets. || Snlc der heeren van Brabant die
besorghden seere . ., dat het den lande namaels
te laste comen mochte , Brab, Y. YI , 9648. Qname
hi binnen Rome met ghewelt, het ware te besorgen ,
datter meerder scade af soude comen, Exc. Cron,
296 d. Die hatighe , nydighe . . mensch , staet te
besorgen, dat hi nntghesloten sel werden, Qest.
R.f, 69 6, — Yandaar het deelw. besorget, in
angstig onzekerheid, in vrees verkeerende. \\ Teerst
datti lande , wart hi ghevaen ; daer men doe leedde ,
moesti gtien , besorghet wat men sonde doen ,
Parth. 4099. Dyn vader heeft die ezellinnen ghelaten
ende is besorget om u, m bekommerd vo -r u, D.
B, I Sam. 10, 2.
Onz. — Zorgen, zorg dragen, — Deonb. wysals
znw. gebruikt. Zorg , bemoeiing, inspanning, || Uwen
scepper die u ghecleet heeft mit plnmen . . ende
n voedet sonder n besorghen, Ned, Froza 238 (vgl.
Mat^A, 6, 26).
BESORGEBE (besorger, besorqre) , znw. m.
Mhd. bezorger, Yan besorgen in de bet. 4). Bestuurder ,
regent. \\ Wes selve besorghere in myn lant , JZymd.
3021. Hi biet mede . . . sinen oudsten sone . . .
besorg^e ^ijn in Jherusalem, 20689. Het {hoor)
es onder bezorghers ende beleeders, Hs. v. 1348,
40tf. — Besorger van den gilde, hoofd van
het gild. || Deeckene ende besurghers van sente
Agneeten gulde van Ghent , Vad, Mus. 6 , 12 Aant. 1).
BES0BGIN6E, Inw. vr. Mnd. besorginge. Eig.
het in orde brengen, en verv. concreet het in orde
gebrachte, de zaak. Ygl. BESORCH 7), waarmede
het in bet. overeenkomt. Provoest van besor-
ghinc, hetzelfde als provoost vanden be-
sorgen, zaakgelastigde, zaakwaarnemer. || Dat
Lysias den procuroer ende provoest van besorghinc
met hem was, D. B. II Maccab, 13, 2 (lat. pro-
curatorum et praepositum ne goei o rum).
BESOÜTEN, zw. ww. onz. en bedr. Yan sout.
Onz. — Met zout doortrokken, door zeewater
overstroomd worden. \\ Men salt (het land) bieden
ten ban binnen den hoep, dairt binnen besouten
mach , Matth. Jnal. 1 , 270. Die grote Waert van
Zuythollant bi ongheval ende vloeden bezoudt is,
Y. d. Wall 366. Wair dat sake, dattet lant be-
soute van vloeden, Mieris 2, 270^. Wair dat zake,
dat dat lant bezontede , Oor kb. 2 , 361ff . Yan ghe-
broocken dycken, van besouten, ende anders , Lams
62 {a. 1422).
Bedr. — Door zeewater bederven. \\ Sonder onse
land te besoutene of scade te doene, Friv. v,
Brielle 2, 23.
BESFAEBSEN (besparsen, bespersen), zw.
WW. bedr. Yan spaersen (zie ald.). Nog heden in
W.-Ylaanderen in gebruik (De Bo 114).
1) Besprenkelen, besproeien, met vloeistoffen. ||
Yan desen {water e) wert besparst Yalentiaen , Sp, II* ,
29, 110. Die ziec waren versaemden si . . . ende
bespaersdense daer mede {met het bloed), III*,
73, 26. (Hi) bespaersde sine beesten, Franc.llSl,
Besperze mi, heere, met ysopen, ie worde ghe-
zuvert in dat dopen, O VI. lied. en Qed. 6, 114
(vgl. Boetps, 61, 29 en Vad, Mus. 2, 441, waar
op de overeenkomstige plaatsen bespraien ge-
lezen wordt).
2) Bestrooien, met vaste stoffen. || So bespers
syn aes met pulvere van wilgheblomen , Nat. BI. III,
1640 var, (Si) besparstendere mede (met het zand)
haer lant, Sp, II*, 68, 16.
3) Bespatten, bevlekken, bezoedelen. \\ Dat gras
was oft met roden greine besperst was , ^üt/. 8686.
Die straten van Jherusalem waren alle bespaerset
bi hem metter heileger lieden bloede , 6|p. I* , 41 , 9.
Ghecleedt met eenen cleede met bloede bespeerst,
Openb, Joh, 19, 13. — Ook met de stof zelve als
ondw. II Ene ronde wonde daer bloet uut ran te
meniger stonde, ende (d. i. daf) bede roe ende
nedercleet bespaersde. Franc. 7028.
BESPABEN, BESPABBEN. Zie besperren.
BESPABSEN. Zie bespaersen.
BESPELEN , zw. ww. bedr. Mnd. bespelen ; mhd.
bespiln,
1) Voor den gek houden, bedriegen, misleiden,
ook van den duivel gezegd. || Dye duvel bespeelde
dit wyf, soe dat hoer dochte, dat si den kersten
ghelove , dye si tot die tijt ghehadt hadde , tusschen
hoer borsten droech, Fass, W, 212^?.
2) Een wyf bespelen, haar beslapen, Ygl.
spelen en spel. || Datter ein junck man bespelen
sal ein junckvrouw unde de voedet van hem ein
kint, Fr o Excol. 6, 703.
BESPELLEN , zw. ww. bedr. en onz. Yan spellen
(zie ald.).
Bedr. — 1) Bespreken , verhalen , mededeelen. ||
Al dattie capittulen tellen, sal u die jeest al be-
spellen, Troyen 240.
1083
BESP.
ÈESP.
1084
2) Btteehenen^ beduiden, \\ Die aren die boyen
den bedde yloech, dat bespelt den vader sgn , ende
tjonc betekent Seghelyn, Segh, 1812.
Onz. — Beiproken worden^ bedoeld ^gektntehetst
worden. \\ Bi deser favelen 'soe bespellen, die
valsch syn ende valscheit tellen, E^op. IV, 25. Bi
deser favelen soe bespellet, die an heerscap es
ghesellet , die metgroote heeren omgaat^ ald. VI, 15.
Over den overgang tot de pass. bet.vgl. by betalen.
B£SP£R, znw. o., Mnd. besper ^ beipar. Stam
van beeperren (zie ald.). Eig. het opsluiten^ en
verv. het gevangen z\jn , de gevangenis , de hechtenis. ||
Moet ie bliven nu in besperre, soe doedi ons
onrecht groet, Limb. III, 1038.
BESFEREN, BESPEBINGE. Zie besperren,
BESPERRINOE.
BESPERREN (besparen , besparren , be-
spieren), ew. WW. bedr. Mnd- besperen\ mnd. **-
sperren. Van sperren\ zie ald. en verg. ons ver-
sperren.
1) Belemmeren^ verhinderen^ iemand de uit-
oefening van gijn functiên beletten. \\ Dat si den
Grave van Cleve .... weder {tegen) ons ende
weder alle dieghene, die dit goet besparen {hst
gebruik er van onmogelijk maken) ^ in desen goede
helpen halden ende bescarmen. Mieris 2, ö3£.
{Toen) en waert den burgheren van Ghenemnden
ae visscherye van njemant bespiert noch becroent,
Racer 6 , 127. Yan njemant bespiert {in het visschen)^
139. Dat ennich bnrgere . . des anderen . . erve,
geit ofte gnet besperreden {het gebruik van erve
enz. belette) , ottd oeren boninden ende schnlderen
verbode oer landt te bouwen, R. v. Zutf. 117.
Spise , die de nature bespaert , bexwaert , belemmert^
Rinel. 633. (Hi) betyet hem an, dat hy bespaert
heeft een stucke erfs ende lants, aan iemands
gebruik onttrokken j m. a. w. zich toegeëigend heef t,
Westfr. Dingt. 9. — Vgl. Ngh. 5, 168 noot: de
huweUjksgeboden bespieren.
2) Zijn recht doen gelden op, aanvaarden. \\ Want die
plecht in horen beclaechden boedel was, die sj mitten
recht besperret hadden, B. v. ütr. 2, 204. Dat die
plecht sculdich is weder te comen in den boedel ,
daer sy mit recht in besperret is, ende aldair bliven
sel ter tfjt toe dat sij mit recht uut den boedel
wint, ald. Dat die boedelherde zijnen eedt daer
alsdan op doen zeil als recht is . . , indien denselven
boedell bynen jaers ende daighs besperret wert,
ald. 296 {var. met recht aengesproken wort).
3) Opsluiten, vangen. || Hoe hadstu mi eens
besperret ten putte, Xein. II, 6432. (Dat wy)
noch doen sinten noch doen besperren in geenre
manieren voirtaen die coepman, Brab. T. Dl. 2
bl. 632. — Figuurlyk. || Hoet u dat ghi niet en
mert ende coemt besien, daer ligt bespert al u
herte ende in bedwange, Bose 2585.
BESPERRINGE (in dialecten ook besperinoe ,
bespierinoe), znw. vr. Mnd besper{r)inge. Belemme-
ring, verhindering , tegenwerking. \\ Sunder enicher-
hande bespiringe und wedersage undargelist, Nyh. 3,
59. (Dat sy) ennich krot, bespjrringe, schade,
hgnder off gebteke kregen o£f leden, 4, 219. Dat
he dat arve . . rusteljcken unde vredelycken heeft
gebmycket . . sonder iegerhande besperinge edder
ansprake, Fro Excol. 6, 680.
BESPERSEN. Zie bespaersen.
BESPEVEN, zw. ww. onz. Van denzelfden stam
als ohd. spuon, spuoan (Graff 6, 317), d. i. ge-
lukken; vgl. gaspuon, met dezelfde bet., en ags.
^tövan (Grein 471). Zie De Jager's Archief 4,
252 — 255. Baten, helpen, gelukken. || Alse hi
siet dat niet bespeeft, so peinst hi nauwe ende
beweeft , dat hi sulke dinc mach vinden , dat ld
moghe dat wyf seinden, S^. V, 65, 123.
BESPIËN, st. ww: bedr. {[bespeeek, bespegen)].
Mnd bespien. Bespuwen. \\ Dye hem selven veroot*
moedicht heeft tot dye ghedaente des knechts, tot dit
bespiën , tot dat hanghentnsschen twee moordenaere,
F. m. f. Ir. In de geesselinge . ., int bespien ,.. ist
cruys, 2r. In u nuese den stanc des bespyens,
lOr. Als die . . gheslaghen ende vemedert, mit
spekel bespegen is, ^«. /.17p. Hoe hi verraden..,
bespegen ende ghecmust solde werden , Bmgm. 2,
333. Syn anghesichte bespeghen, eonspuentês faaew^
G. Groote 100. Zie verder bespiewen.
BESPIEN, zw. WW. bedr. Mnd. hespen-, mkd.
bespëhen.
1) Bespieden, verspieden, zonder bewterkt te
worden nauwkeurig beschouwen. \\ Dat sine was
comen om ander dinc dan om bespien, wat hi
dede, Lanc. II, 26209. Doe sendde Josue . .liede
ter stede van Hay, diet bespien souden wel,
Bijmb. 6653. Doe wi bespiet hadden dat lut,
6903. Die daer of wilde nauwelike bespien , wat
in dien dienste sonde gescien, Sp. II*, 72, 88.
— Met den 4den nv. van den pers. Beloeren. || Die
dief heften bespiet, die altoes hadde in syn ge-
dochte, hoe hi die lieden roven mochte, Ferg.
2498. Dat lam {Christus) dede Herodes sere bespien,
Ferh. II KI. Inst. 6>, 49, 5. Alse Seghelyn dat
versiet, datten die heiden hebben bespiet, Segh.
7197. Doe clam Roelant op een berch bespiende
die heydenen, Exc. Cron. %\c. — Ook met weg-
lating van het obj. || De coninc . . dede bespien
ende wachten op de fleume Jordane bet dan v|f
dusent mannen, Cron. v. Vlaend. 1, 84. — De
onb. wys als znw. gebruikt. || (Si) stacdiewerde
vrouwe rein ter zden uut, ter brucghen neder;
in sachse noit sider weder; twifel vincse in syn
bespien, terwijl hij haar beloerde, OFL Lied. e.
Qed. 306, 2154.
2) Beschouwen , nagaan , opmerken. \\ Die bloemen,
die si dan bespien , waer hem goet of mach ghesciea^
Nat. Bl. YII, 77. Sinne ende bespiet der minnes
cracht daer inne, Wap. ifar^. II , 239. Dn sies twee
wege . . deen geeft bliscap, dander verdriet; sich
vore di, du best bespiet, gij wordt w V oog ge-
houden , fr. tu es al euag, Bsncl. 199. An clergien
hebbic bespiet, dat zi node gheven yet , Praet. ^22.
3) Acht geven, zorg dragen voor, zorgen, iet op
iets toeleggen.. \\ Hy begonste toe bespiene om die
gemeente sonder letten ende daerin amman ende
scepen setten, Yelth. lY, 43, 49. Herman, wat
hebdi hier bespiet? waarop hebt gij het toegelegd,
wat is uwe bedoeling hiermede? Here, dat ie u
lange heb geseit; nu mogedi ende ie onse leit op
hem {Floris) wreken, III, 44, 64. Clarette beeft
wel bespiet {gezorgd) haer scoenheide te g^veae
enen man die vele bat derschen can . ., dan var
enen riddere hem verweren, Lanc. III, 14790.
BESPIERE (BESPIÊR^, znw. m. Bespieder, spiom.
Il (Si) sonden binnen den selven dagbe twee be-
spiërs met brieven aen den capiteyn, Exc. Cron.
290c. Bistu een bailiu of eenbespyer,lioeh6et£(tm,
waen bistu, ende waerom draechstu deaen groten
stoc, Felgrim 32a.
BESPIEREN , BESPIERINGE. Zie besperren,
BESPERRINGE.
* BESPIEWEN, St. WW. bedr. (ó«jp«i»,^<pMric»,
deelw. bespouwen); ook in den vorm bespol w£Ji
en bespu(w)en {^eéïw. bespuwen, bespogen , td
zwak, bespuui, bespouwef). Mhd. hespmwen. De
4083
ËESP.
BÈSt>.
1086
oorspronkelgke vonn is tpiwen, got. tpetpan. Zie
yerder bij spuwen ob vgl. bespiën. Betpuwen.\\
Nu coemt hier .... die u steende ende even
ghedichte bespan in a waerde aensichte, Mask,
747. (Si) bespouwen {var, bespoghen) sgn soete
anscbgn, Ltp. II, 51, 111 (vgl. II, 63, 30).
Hi wart . . besponwen in sgn anschgn, Runsb. 2,
99. 8o werdic daema om u gegeeselt . . ende be-
sponwen , Yelth. YIII , 21 , 15. Gheqnest, bescerent,
besponwen in n ansch^n. Kal. 6, 80. Bespot ende
met gheselen ghedreven, bespuwen (varr. bespnnt,
bespoghen), ghecmnst, JLiJmó. 24844. Ghi liet
verbinden n heilighe oghen, n anschyn besponwen
ende blouwen, Ferh. II KI, Inst. 6*, 55, 37. Si
besponwen n schoon ansichte , ald, 51 , 112. Siet . . ,
m^n dochter, hoe mijn sone anderwerf wert be-
spnet, D. JFar, 3, 159, 76. Ghesleghen ende be-
spuwen, Hs. V, 1348, 1293. Bespot, bespouwet,
gnegheselt, ald,
BESPIINGE (bespyinge), znw. yt, Yvlu bespiën
(e. ald.). Betpttunng ^ ket bespuiaen, || Die hals-
slaege ende bespyinge Christi, S^, d. M, 1, böb.
BESFOEIEN, sw. ww. bedr. Hetselfde als be-
sproeien, waarmede het in varr. afwisselt Vgl.
spreke» en speken, eng. speak; toikken en wrikken',
spiet en spriet, deunen en dreunen. |) Neem dan
yan alsenen sap . . ende als hi ter sonnen sit,
bespoeiene ende makene nat, Nal. BI. III, 1719
var. {tekstks, besproyene). Ygl. verder Oudem. 1, 609.
BESPOT, bnw. Yan apoite, d. i. vlek. Kil.
macttla; eng. spot Oevlekt. j| Hi bescrgftse {de
spreeuwen) bespot bmun, Nat. BI. III, 3361.
BESPOT, snw. o. Bespotting, spot, ook in
concr. sin spottende, hoonende woorden. \\ Yersiet
u wael . . , datmen van u gheen bespot en scrive ,
MLoep I, 2373.
BESPOTHEIT , snw. vr. Bespotting, koon, smaad.
II Christus passie was bitter van pinen , versmadet
van bespotheden ende vol vruchtes , Pass. W. 255c.
BESPOTTEN, ew. ww. onz. en bedr.
Onz. — Spotten, schimpen. \\ Die ghierighe
phariseen hoorden alle dit ende si bespotten,
Hs. Bvang., Luc. 16, 14. Si bespotten met hem
al den langhen nacht, Hs, v. 1348, 299a.
Bedr. — In de tegenw. beteekenis , ^«. v. 1348,
129^ e. e. — Ook op eene onduidelgke plaats,
Yelth. YII, 28, 43. „Haer sonen ende haerdoch-
tere mede selen daer propheteren gerede ende dat
in selker reinichede ende in selke (/. selker) ge-
-warichede, so dattie lucht in hem ne can niet ne
can bespotten vortan " ; lat : et hoc in tali puritate
veritatis fiet, ut aerei spiritus irrisionem in
illis tune facere non possint.
BESPOTTENESSE, -nisse, -Nis,8nw. vr.^^.
11 Alle die ghene, die daer bi waren verweet tot
lachen ende bespottenis, Bienb. 128 a.
BESPOTTERE, -er, euw. m. Yr. bespotster ,
Spotter, spotster. \\ Die enen bespotter leert, hi doet
hem onrecht En wil niet begripen den bespotter.
Bestu sot ende een bespotter, D. B. Spreuk. 9,7,
8 en 12. Den bespotteren s^n bereet vonnissen
ende slaende hamers der sotter lichamen, Spreuk.
19, 29. Yan een yegelic ben ie bespotster , P^/^rün
A^ b, Gi en zgt anders niet dan een bespotster ende
die ander luyden dingen onderwint, 34 a. Bespot-
ters van den heyligen ghelove , Boeck v. d. L. J. 100a.
BESPOÜWEN Zie bespiewen.
BESPRAIEN (bespreien). Mhd. bespraken. Yan
spreien of spraien (zie ald.).
1) Besproeien, besprenkelen. \\ Dat bloet nam
hi . . ende besprayder sinen geselle mede , Sp, III* ,
80, 41. Die tumbe des graven sal ie bespraien
mit tranen, D. War. 3, 246, 8. Als Maria . .
besprayt es metten hemelschen douwe, Blisc. v,M.
1892. Besprai, mi her e, metysope, so werdic su ver
Boetps. 51, 29 (ygl. Vad. Mus. 2, 441: Du sels
mi besprayen met ysopen, en OVl. Lied. e. Ged.
6, 114: Besperze mi met ysopen). Dat hi metten
watere . . besprayen sonde sQn crancke leden,
Exe. Cron. 16 d. Alse ghi ghenomen hebt van dien
bloede . . ende van der oliën . ., soe seldi bespraien
Aaronne ende sine cledre, Buusb. 1, 261; vgl. 2,
52. Doe nette hi sinen vingher in dat bloet . .
ende besprayde seven werven . . dat paviment,
ende met den selve bloede besprayde hi ende
purgeerde sevenwerf dat tabernakel, 2, 101. So
bespreyet hi die kereke binnen ende buten mit
wy water, Pass. W, 68 c. Dan bespreyt hi eerst den
tempel mit water, 10 d. Doe dat vuer wort bespreyt
met sinen bloede, 185a. Doe nam Ghergn water
ende bespraydese in haer aensicht, dat si weder
bequam, Huge v. Bord. 68.
2) Bespatten, bevlekken, besoedelen.Wtrtci eerst
uit u opperst kleet, want maegdenbloet datspreit
soo breet, soot u bespreide, dat ware mi leet,
OVl. laed. 118. Christus aen den cruee ghenyed
{genageld), besprait met bloede, Lutg. I, 318.
Wasschet, o mensche, mit dinen tranen syn Uehaem,
bespraeyt synde met dien alderheylichsten bloede,
Boee v. d. L. J. 290a. Die want wort besprayt
mit haren bloede, D. B. II Kon. 9, 33. — Ook
in flg. zin. jj Huet dat der rim noch der honechdou
dat bloyende paradis uns herten iet bespraie,
Limb. Serm. 13bd. lek , als lazers , bespraeyt met
alderhande sonden , Boec v. d. L. J. 195a.
BESPEAIING (bespreiing) , znw. vr. Be-
sproeiing, besprenkeling. — Aldus zal wel gelezen
moeten worden , Pass. W. 676 : Die seven bespreyen
(/. bespreyingen) des waters sgn die seven uut-
stortinghe van Christus bloede. #
BESM:IDEN(bespreden),zw.ww. bedr.(deelw. / (^
bespredék of bespreei). Mud. bespre{%)den', mhd. be- '
spreiten. Yan spreiden.
1) Bedekken , overdekken , overspreiden , bekleeden,
bestrooien. || Dat zoo groot een lanc wgngaert ute
siere dochter lachame waert, dat hi bespreede al
Azia, Sp. V, 1, 13. Die mersee . . worden met
lelyen ende met crude ende met rosen . . al be-
spreet, S^. III', 45, 84. Die straten waren al
bespreit met pelne ende met singlatoene , ^tf/^^r. Y ,
942. Daert mi docht in allen zyden mit gnue,
mit bloemen wel bespreit, Hild. 204, 8 var. Dat
hi {de pijnboom) menech blat uutgheeft . . ende
al sine telgre heeft daermede . . . versiert ende
bespredet, Y. d. Houte 256 var. (vgl. bl. 50 , 134 :
verciert ende bespredet).
2) Uitspreiden, ontplooien. || Daer quam een
ylaech in corter ure, die tseyl bespreyde rechte-
voert, datter water ghine int boort, Hild. 80, 54
{Tkeopk. (Bl.) 83, 54).
BESPBEC (bespreec) , znw. o. (mv. bespreken)-,
vgl. Kil. en het mnd. besprake. Yan bespreken
(zie ald.).
1) Het bespreken, de ruggespraak. || Diehertoghe
Anthonijs . . antwoorde gaf . . sonder beraet of
vertrek ocht iemans ingheven of besprek , ^rad. Y.
YII, 2301.
2) Het besprokene, verhandelde, jj (Hi) heeft den
hertoghe te kenne gegheven tbesprec al van den
huwelike , FL Bijmk. 8720.
3) Gerechtelijke aanspraak, eisch, vordering. ||
Aldus antwoorde Ghisebert ... op sulc beclach
4087
BESP.
BESP.
1088
ende bespreCf als hem Evert Ghergts soen doet
opter helfte van der hnsinghe ende hofstede , JB. r.
Utr, 2, 193.
4) Overeenkomst^ verdrag^ voorwaarde, beding,
il Besprec wesende, dat enz., Diericx , if^fli. 2 , 8.
Ende dies gheen speciael bespreeck ghedaen , Couf.
V. Qent 18. Tis wel geseyt na deerste besprec,
eer gj met mj sult versamen . . . . , snldy mj
leeren die seven vry consten , Mar. v. N. 10 , 214.
Welke voorwaarde ende besprec es in deser manieren,
ZVl. Bijdr. 1, 156. Dus ginc hidaer den kindren
of haer besprec (in pass. zin : wat men in hun belang
was overeengekomen', vgl. bclof) ende haer belof,
dat hi hem vore had beloeft, Yelth. lY , 47 , 59. Die
coninc . . dede Chaerle gelofte . . te hondene . . . tbe-
sprec tusschenhem ende den grave , Fl. Rijmk. 6962.
5) Testament, beschikking by uitersten wil. \\
Van geliken zullen zy doen van erfnissen, die
zulken religieusen toecommen mogen, nietjegen-
staende testamenten, bespreken of makinge ter
contrarie, WieL Instr. 123, 326. Van Jacob
Havens wijfs ntinghe ende van horen besprec ende
testamente , Rek, d. Or. 1, 352. So en sel gheen
man sinen wive . . voirdeel maken van enighen
goede . ., mit enighen besprec of instrument , tensi
dattet bezeghelt worde, Leid. Keurb. 30, 21.
6) Arrest, beslaglegging. \\ Item en sal njement
bespreek oft bezate of pandinge dben op enich
erve . ., des hie gheen besit en heeft, eer hie
den eigendom ierste gewonnen heeft. Racer 3,
157. Die sullic bespreek oft besate gewonlike
gedaen hadde, ald.
BESFEEKEN, zw. ww. bedr. en wederk. Mnd.
bespreken; mhd. besprëchen.
Bedr. — 1) Het trans, spreken. Spreken over.
a) Met den 4den nv. der zaak. Ergens over
spreken. \\ (Hi) dede hem bejden uutsteken hoir
oghen, sonder meer bespreken, zonder verdere
pourparlers, MLoep III, 575. Dus eist, die recht
omoedich es, hine berecht no bespreect, waeromme
dat menne verspreect , Franc. 3014. — Op deze
laatste plaats is misschien nog juister de bet.
aanmerkingen maken op iets, te zeggen hebben op.
b) Met den 4den nv. van den pers. Over iemand
spreken, meestal in kwaden zin, hetzelfde als het
mnl. verspreken. Berispen , afkeurend over iemand
spreken, zich ongunstig over hem uitlaten. || Hoe
sal ie dit an hem wreken, datmen mj niet eu
mach bespreken? MLoep IV, 1743. Wille een
gracie impetreren, hi moet ghevengheltofmiede,
of symonie salt hem weeren, ende wel bespreken
voor de heeren, dat sine besoenge niet saldieden,
Praet 2043.
2) In rechte aanspreken, syn. van berechten,
in welke bet. het woord, zoowel met den 4den
nv. der zaak als van den persoon verbonden,
meermalen voorkomt in den Spiegel van Sassen
(a. 1482); b. v. f, 54: Wort yemant besproken,
nae doede syns vaders ende synre moeder, dat
hy onecht geboren si. Zie Taalg. 8, 280, waar
nog enkele plaatsen uit genoemd werk aangehaald
zyn. — Ook in rechte op iemand iets te zeggen
hebben, hem in eene bepaalde hoedanigheid wraken.
II Of oere een den anderen syn tuych besprake,
also dat {d. i. alse dat) de tughe bannich waren , dat ^
solden se male den anderen bewisen, Bacer6,69.
Zoo ook 101. — Vgl. BESPREC 3).
3) Met den 4den nv. der zaak en den 3den van
den.'peTS.Verklaren, uitleggen, mededeelen. \\ Menighe
gracieuse blomme huter scrifturen hi hem besprac,
4mand II, 972.
4) Met iemand spreken m eene zekere hoedanig-
heid, hem spreken, lat. agere cum oZ^a. || Die clesj
wouden hem beraden ende onderwesen hem, d^
sy horen heer eerst mosten bespreken ende ter
antwoort laten comen , Matth. Jnal. 1 , 440.
5) Door spreken verminderen , tot bedden brengen.
Vgl. onze uitdr. iemand bepraten. || (Hi)hevetden
paeus gebeden, dat hi bespreken ende berredea
soude des keysers overmoet, Sp. III*, 24, 7.
6) Afspreken, overeenkomen, onderling bepalen,
vaststellen. \\ Dit heeft die coninghinne w«le ende
die lupert besproken also, Rein. II, 3868. So w»
besproken een huwelyc van eenre scoenre maghet
ryc, Bloeml. 3, 9, 35. Dat ene brulocht vare
daer besproken tusschen Lodewike . . endeYoens
dochter der maegt, Lorr. I, 1032. Dus liet hise
in, als syt bespiuken, Parth, 157. So wat munten
besproken wort in vorwaerden , die verc^pere . .
selen nemen . . payment alsoe goet ende also vele
als die besproken munte na den ghemeinen loep
des lands ghedraeght, Cor. v. Aniw. 34, 115.
Doe ontboet hi sine maghe tenen besprokenen
daghe , die constituta , Limb. VI , 413. (Dat hg)
ghenen tribuut en sette in dat {land), maer name
besprokene scat, Sp. III*, 5, 29. Doe gaven si
ghisel bi vorworden ende oec bi besproken worden,
met eene bepaalde formule, dat hi de kore niet
soude doen af, Stoke X, 179. — De onb. wjs
als znw. gebr. in de bet. van het mnl. besprec
Overeenkomst. \\ Het was die alre achterste dach . .
die in den bespreken lach, Brab. T, V, 3492.
7) Met zich zelven uitmaken; beslissen, beramen,
overleggen. \\ Here, ghi moet die doot bespreken,
hoe wi Waleweine best moghen wreken, Wal. 1757.
8) Zich voornemen, uitdrukkelijk verklaren tett
te zullen doen, beloven. || Hi swoer . . dat hi
dordine meer en brake . . dit heeft hlre besproken
binnen, Lanc. III, 16345. Die sede . . sal ie
breken dor haren wille ende bespreken, dat icse
sal nemen ende houden te wive , Flor. 714. — Met
den 3dennv. van den pers. Enen iet bespreken,
beloven, toezeggen. || Om enighe goeden , die welke
si arbeyden te beloven den scepper alre dinghen,
want si ontsteken waren mitten brande der ge-
rechticheyt. Pass. JT. 238<?.
9) Bij testament toezeggen, vermaken, bespreken.
Nog heden in gebruik. Vgl. Eng.bequeath. \\ Gheeste-
like renten te lossenen, die besproken sgn. Leid.
Keurb. 30, 31 Titel. Dat enich mensch gheestelike
renten beprake up erven , die gheleghen s^n binnen
der vrihede van Leyden, grondrenten aan geestelijke
stichtingen vermaken, gevestigd op erven, gelegen
binnen L., ald. Enige goeden ter geesteliker hant
maken ende bespreken , 187 , 81. So mogen alle porte-
ren . . dat tiendendeel van horen goeden bespreken . .
den drien prochykerken van Leyden . ., sonder
dat te bezegelen , 201 , 33. M^n vader . . heeA
u desen gulden appel besproken tot een testament,
Gest. R. 89r. Als hi sterven soude , so besprac hi
den outsten soen , den leenhouwer , dat erf. . ; deo
middelsten besprack hi sgn scat , ende den joncsten
besprack hi enen costeliken nnc, 110a. Zoo ook
K. V. Brielle 14, 19.
10) Als rechtsterm. In rechte eiscken, met d«i
3den nv. van den pers. en den 4den der zaak, het-
zelfde als betalen (zie ald.). || Die den ander
sijn erve bespreket {var. die des anders erre
anspreket), Stadsr. v. Zwolle 119, 199.
11) Een toover/ormulier over iets uitspreken, bet
betooveren. \\ Hebdi dat sweert yet besproken of
besworen , Moll , Bijdr. Bijg. 3. Hebdi enich cmnt
4089
BESP.
BESP:
4090
besproken, ald, Hebdi dat yser of water yet be-
spoken , ald. Ie sal dg leren . . , boe da salste
werden gbemint sonder aersedye, sonder cmnt
en de sonder enich bespreken ofte sonder enige
toverye, Bienb, 69 i.
Wederk. — Hem bespreken.
1) OemeeTtsehappeïijk over iet» spreken^ onderling
heraadtl-agen ^ overleggen, \\ Dan snllen wi met desen
beren ons beraden ende bespreken , boe wi ons best
gbewreken, Bern, I, 434. Dat si bem alle be-
spraken, boe si alrebest gbewraken dese grote
OYerdade, 467. Die beste van den lieden bem be-
spraken ende berieden, si soaden bem met goeden
staden alle bespreken ende beraden, . . watter
Orestes best toe dade, Trogen 9366. Doe sGrayen
Tolc dat versacb, bespraken si hem ende berieden,
dat si een deel van baren lieden lieten liggben
▼oer deen casteel, Stoke lY, 336. (Si) bespraken
hen te bande, boe si boer scade ende boer scande
best gewreken mocbten, Orimb, I, 6261. So dat
hi bem daeromme wel besprac mit sinen ridderen
ende knecbten ende oyerdroecb daer mede , dat bi ,
«•jr. , Clerc 61. — Ook met den 2dennv. des ver-
bonden. II Wy soudens ons met n bespreken ende
met onsen vrienden , Grimb. 1 , 1439. (Doe) besprac
bus bem op enen dacb also metten Grave van
Cfeve, dat dat volc verloren bleve, bine belper
toe met sinen rade, Stoke Y, 308 (in dit laatste
voorbeeld is des overbodig, zooals meermalen in
bet Mnl.).
2) Terwijl bem bespreken in vele der ge-
noemde voorbeelden met bem beraden, verbonden
wordt , beeft bet self somtyds de bet. van dit laatste
aangenomen en bet. dan met ziek zelven te rade
ffoan^ overleggen^ zich bedenken (vgl. bedr. 6). ||
(Hi) wonde hem dies bespreken, want en was
noyt ghesien, dat yemeut gheloofde voor dien te
hondene reinichede, L»p. II, 6, 30. Dat bi dit
onghevoech optie vanden lande niet ne wreke,
maer dat hi hem soe bespreke, ocht bi op hem
come ende werden daer, endejegen hem metstride
▼rorde gespar {l. ende werde daer metstridejegen
hem gespar?), Lane. II, 17143.
BESPEEIEN. Zie bespraien.
BESPREKELT , bnw. Van sprekel, d. i, spikkel.
II Gespikkeld y gevlekt, || Dat si ghebaerden (lam-
veeren) van menigberhande verwen bevlect ende
besprekelt, J), B, Oen, 30, 39.
BESPRENGEN (bespringen), «w. ww. bedr.
Mhd. betprengen, Caus. van bespringen^ eig. dnsq^t?
i^ls doen springen of spatten.
1) Besprenkelen y besproeien., besprengen met eene
vloeistof. II (Si) besprenghen dat beelt mit dien
l>loede, Mandev. f, 42a. (Hi sal) laten die wande
des ontaers bespringhen met den bloede, Rnnsb.
^ , 64. Aldns selewi onse dorestile . . bespringhen
met des lams bloede, 168.
2) Bezoedelen y bevlekken ^ bespatten, \\ Ghi die
liinct naect aen tcruce ende sere besprinct ende
l>elopen met nwen bloede, FerA. IT** KL Inst. ^* j
4^. Zoo ook 60 en 168. Des menscen sone, met
l>loede roet die lede sine al bespringhet, Segh.
^322. Hi sach s^ne liede moede ende besprenct
fJZs,\ Franck: bespringt) metten bloede, Alex,
•V , 619.
3) Bestrooien, || Dat salmen pnlverenendemengben
^t^éit daermede sQn aes besprenghen, iVa^. ^/. III ,
■%G^1. — Ook flgnnriyk. Bestrooien ^ bezaaien ^ vooral
liet deelw. || Syn (despaards) hooft was al besprinct
bloemen , Flor, 1494. Een covertuer bespringet
gonde, Lane. UI, 23031. Sijn scilt was van
gonde roet, besprinckt met leewen van lasnere,
Troyen f, 66*.
BESPRENGENISSE (bespringenisse) , znw.
vr. Besprenkeling, JHut, 2 , 202 :bespringenisse,
aspersio, Vgl. mhd. besprengunge , respersio (Lezer
1, 223).
BESPRINGEN. Zie besprengen.
BESPRINGEN, st. ww. bedr. Mhd. bespringen.
Van springen,
1) Aanvallen, aantasten. Het een pers. of eene
plaats als obj. || (Hi) bespranc die (stad) metter
haest, die hi wan met groten arbeyt, E:ee. Oron,
290^. De poorter, die besprongen es in zijn huys
bg z^nen vianden, Wiel. Instr, IA:, 22. Swoens-
daghs . . soe waren groete menichte van sprincben
volke te Maelte . . ende bespronghen Bonwin
Rgms hnns, Oron, v. Vlaend. 2, 136.
2) Hetzelfde als het zw. besprengen. Bespatten,
bezoedelen (vgl. Lexer 1, 223). || Mit bloede waren
sy bespronghen, Trogen f. lOOtf.
BESPRINKELEN, zw. ww. bedr. Besprenkelen, ||
Dat har baer met blodegen druppelen over al
besprinkelt was sonder ghetal, Lutg, n, 1200.
BESPRINKEN (besprenken) , zw. ww. bedr.
Hetzelfde als besprengen (zie ald.). || Dn selte mi
besprenken mit ysope ende ie sel warden gereinicht,
Hs. Ps. 68r. — Besprinct, Flor. 149 en Troyen
f, 666 (aangeh. b^ besprengen) kan ook van dit
WW. zijn.
BE8SC0P, hetzelfde als bisscop, Lutg, II,
616; 646 e. e.
BESSEM, znw. m. Mnd. bessem. Bezem, \\ Snlc
was die enen bessem brochte, snlc enen vleghel,
snlc een rake. Rein. I, 722. Dan so verthi weder
ende vint dat bus ghekert met enen besseme,
L. V. J. e, 72. De dienaers van den watere . .
leveren scovetten (scopas) ende bessemen, Matth.
Jnal, 1 , 308. Enen bessem , daer wy onse woeninghe
mede keren, Bmgm. 1, 294. JÜüt desen bessem
sullen wy onse woeninghe . . suveren , $96. — Nog
heden leeft de vorm bessem in dialekten voort.
Zie Bein. Gloss., en Franck op Jlex,, bl. 397.
BEST (beste) , bnw., znw. en bgw. Got batista;
ohd. bezztsto. Ags. betsta, besta \ mhd. beste en
bezzist] mnd. beste. Snperl. bg go et (vgl. ald.);
comp. bat en bet, zie op bet.
I. Als BNW. — In hoofdzaak komt mnl. best
in gebmik met ons best overeen; vermelding
nog verdienen de volgende by zonderheden. — Dat
beste let, het hoofd, het lidioaarmede het leven ge-
moeid is, Ferg, 4173, — Dat beste heeu,dehals'
wervel (?) , W'al, 373 (van eene slang). — Best wordt
febmikt in den zin van het best, \\ Hoe dn net n best,
at men dit schelde, Kein, II, 6021. — Best
sQn met enen, ook met Gode, hoog bij
iemand in eer staan. \\ Hem halp penitentie soe sere ,
dat hi best es met Onsen Here, Theoph. 1191. Ygl. bg
BET. — Dat beste recht, het hoogste, striktste
recht, lat. summum jus, \\ Dat dit waer dat beste
recht, Hein, T^, 4136. Daer en was niemen int
hof, diet beste recht wist hier of, die wist, hoe
dit eigenlijk moest beslist worden , 4986. Ghi moet
ons nu dit scheiden na dat beste recht, 4998.
— Na minen besten wane, naar alle waar-
schijnlijkheid, Ygl. onze nitdr.: naar mijn beste
weten, \\ Hy peinst na sinen besten wane, dat hy
coemt om hem te slane, hij geloofde niet anders, of
zijn zoon kwam om hem kwaad te doen , Troyen 10681.
— Even als bat (bet) de bet. van meer heeft
(b. V. bet vore, bet achter, bet naer, enz.), zoo
heeft best de bet. van meest, Yandaar de nitdr.
36
i09l
BEST.
Dat beste deel, het groottte deel ^ wïk dê wuerder-
Aeid, II Hi heeft geten altemale van onsen spisen
dbeste deel, Ferg, 2641 (Ygl. 2646 : hi et te yele).
Hi doresloech hem . . coifie, halsberch ende bec-
kineel, ende Tan den hoyede tbeeste (/. tbeste)
deel , 2702. So waer zo dat beste deel der broedere,
die te jeghenwoerdich sQn , hene ghereet {htm raad
g^efC)^ des sal die meester . . volghen, D. Orde
233. Welc oec dat beste deel zi, of zi niet een-
drachtich en zjjn, dat cal men te oerdeel des
meesters laten, ald.
II. Als ZNW. — A. Als manl. znw. , waarbg moet
worden opgemerkt, dat men die best vindt (in
den sterken vorm), voor die beste, Kem, II,
7076. Vgl, Grimm, Wtb. 1, 1660, best 3).
V) J)e aatuienlijisle j de voomaavute, de edeUfe,
meestal in het mv. || Want ghi die beste syt
vanden lande, dat ghi sont minnen so slechten
wjjf, Laml. \h.) 191. Dat hire in ginghe (in z\jn
wagenburch£) ten naesten dage met sinen besten,
gheiyc het ware in eere vesten, Sp. III*, 24, 48.
Daer waren te sticken ghehonwen , die beste vanden
Sassen al, lU*, 49, 88. Die coninc Minos ende
die beste reden selve spelen daer , MLoep 1 , 2248.
Die rechthonders vander stede ende sommighe
vanden besten mede, II, 2557. Here, dit kennen
noch die beste, die te hove syn comen hier , iZW».
I, 86. Ghi hebt die eer van den stride: alle die
beste bliven n bi, II, 7372.
2) De dapperste^ meestal in het mv. || Dit ont-
bieden ons ae beste , die oint stat wonnen of veste ,
Sp. III*, 51, 15. Neemt die beste nwer maghe,
ende schiet n heymelic inder laghe , MLoep 1 , 3099.
B. Als onz. znw., waarbg moet opgemerkt worden,
dat men zoowel zegt dat best aJs dat beste.
1) Wat goed voor iemand ie, iemamds geluk ,
voordeel, belang. || Myn vader heeft minen droom
ghespelt . . te minen beste, fTal. 7786. Ie bems
wel wgs, dat ghi m^n beste seer begheert, Rein.
II, 6944. Emmer tot dinen besten ziet, let op
hetgeen goed voor u is, Denkm. 3, 2, 33. Dies
doet n beste, behartig uw eigen belang, zorg voor
u welven, lAmb. Y, 991. Als ghi daer sgt,8odoet
ja beste. Wal. 6032. — £nes beste doen,
iemandt belangen behartigen, in zijn voordeel handelen.
II Ie heb altoes u best ghedaen, ende voort sal,
waer ie can, Bein. II, 7562. Die monbaer zoel en
der kinder roet verwaren ende der kinder beste
doen daermede, Stadtr. v. Zwolle 132. Somoeghen
die monbaer . . doen der kinder beste mit dien
ghelde, ald, Also verre als hem . . dinken sal
dat onser beider beste is, Brab. T. Dl. 2, bl. 477.
Dat ghi . . onser heerlicheit van Ghelre beste doen
zullen, R. v, Zutf. 110. — Ook in de volgende
uitdrukkingen. — Te enes besten, zoo goed
iemand kan. \\ Gheraect mi toch tuwen besten,
Limh, 1 , 1121. — Ten besten, zoo goed mogelijk ,
Moo goed mogelijk er aan toe , zoo gelukkig mogelijk.
II Als een waent sijn ten besten , op het toppunt van
gijn geluk, werpt sine (de fortuin) neder inder
vesten, Lanc. lY, 10123. Hadde ten besten gehint
sine dinc, 10117. Der joncfronwen dochte doe haer
sake ten besten gaen , Limb. 1 , 964. (Na deu wille, d.i.
den coitue) soe heeft hi (de man) haers ffoet ontberen ,
ende siin aftrecken ten besten, zo0 hin hij een goed
heenkomen zoeken, 1642. (Evas) die ten beeten es ver-
gaen sgn doen, YI, 2236. Tsinen besten. Mor. 2101.
— Ten besten niet,ii»^^a/ /ér 6^«^;Ygl.mnl. een
niet, niet één , by een , telw. IJ Hoe si . . . ten besten
niet droeghen over een , niet al te beet overweg konden ,
Brab. Y. 111, 1066. — Dat beste hebben,
BEST.
het voordeel, de bovenhand hebben. \\ ^ vochten toUr
nacht , . . datmen bekinnen niet en ende , wie dbeite
hadde optie stonde , Leme. III , 19277. — Int beste
slaen , ten goede uitleggen, iets goed opeki*men. Het
tegenovergestelde van in arge keren; lie ald. koL
447. II Al ons vermonden int hattt wil slaen , Taf. op 3
f. 89. — Int beste spreken, een goed woord veer
iewtand doen. || Nn spreect voor mi int beate. Hor. Belg.
10, 136. — Op dat beste voegen, tot eem
goed eimde brengen , goed doen ajtoopen. \\ God diet
al is onverborghen , moetet op dat beste veeghes!
Rein. II, 7708. — Yor dbeste nemen, mA
schikken in, geduldig dragen. \\ Dat si alle te saoMB
Gods gesele vor dbeste namen, Sp. UI*, 11, 27.
— Op (over) sijn beste honden, in sisen
beste(n) menen, iets naar sijn beste weien aan-
nemen, het er zeker voor houden, niet beter weten
of. Ygl. bg bnw. || Dos sgn openbare die ghelotei
comen hare ende wi sgn nn int leste : aldna boadict
op myn beste , Teest. 1938. Als die ridder over s|d
beste hilt , dat si alle slapen waren , Vrouw. e. M.
YIII, 184. Dydo meende in horen besten, dat
Eneas daer bliven sonde, MLoep I, 1094.
2) Ret goede, de deugd. \\ Trect altoes ten besten,
archeit scnwet ende vliet. Vierde Mart. 801.
3) De bet van het meeste heelt dat beste ia
de uitdrukking: — Te h t&itn, zooveel WÊogel^k,^
Als si te besten laghen int werc, m hetdiepstvan
den arbeid, Boerden X , 27.
4) De bet. van spoedig heeft b e s t in de nitdnk-
kingen: — Na syn beste, met alden besten,
zoo spoedig mogelijk; vgl. het fir. de son wiieux, en
Ferg. Gloss. op meest. || Recht hi henen vloena
siin beste ter statwert toe, Limb. II, 1141. Daer
naer ran hi tier steden , barevoet met alden besten
(zoo hard hij maar kon), twee milen ter naestcr
vesten, Sp. lY*, 32, 58.
III. Als Bijw. — Best
1) Het best; op de beste, meest geschikte , gepaste
wijze. II Hoe wi ons best ghewreken, iZm. 1,
436; vgl. 468, 7024. Hoe hi best ten coninc ga«t.
969. Hoe dese daet best werde gherecht tes coninx
ere, 1004. Wat hi best dade jeghen Beinaerts
overdaet, 1334. Waer hi best den muer bestoede,
Rijmb. 31564. Te Cardoel, waer varic daer best,
Ferg. 633. — So ie bestcanversien, nam"
mijn bette weten, naar alle waarseht^lijkheid;hti-
zelfde als naer minen besten wane (lic
by bnw.). II Ghi scynt wale, so ie best ane «
versien can, eens conincs taleman, Ferg. 608.
— Somty ds moet best worden weergegeven door <
geheelen zin ; nl. door het best doen met. Ygl. bet. il
Datmen best bestonde (het best deed met man ti
vallen) de scare, daer Saladyns baniere in ware,
Stoke II, 753. Daer quam die viant vander helle
ende ghaf hem den raet, dat hine best te doot
slaet met ere esels cake , Rijmb. 864. Wiea ie vai
desen dinghen beest (/. best) gheven mach dea
prys, het best doe den prijs toe te kennen, met het
meette recht toekennen mag, O VI, Ged. 2 , 120, 139.
Wi vlien best, eer wi alle sterven, ir«/l 632S. Zo»
ook Sp. IY\ 57, 26; ens.
2) In de uitdr. best gheboren, superl. vu
welgeboren. Aanzienlijkst , edelst van geboorte. \\
Hi was best gheboren sonder Lamfroit allene. Rein. L
798. Faulas Emulus ende . . Fulvins . ., die doe
best geboren waren, Sp, I*, 22, 4.
3) Het meest. || Men sel noch vernemen om laac
wie best voordeels werdich si, R^vsh. 7144.
4) Het spoedigst, soo spoedig mogelijk, \\ loei
ons best vlien, Sacr. 661. Ygl. znw. B, 4).
i093
BEST.
ÈËSf.
1094
5) Het Uêfit II Up dat si hem die beste stede
in die woestine wisen souden , daer si best logieren
wonden, Bijmb, 7144.
Aanm. — Een comp. bes ter, die ook thans wel
gehoord -wordt, komt Yoor Invent. v, Brugge 6,
647: ,,Omme te meerder ende d^«^ bewaemesse.*'
BESTABBOMEN. Zie bestadbomen.
BESTADBOMEN (bestabbomen). Yan stat-
b o m e ; £. ald., en vgl. ^TkDi&ovkF.^, Schoeien^ den hant
van hêt land met een houten bekleedeel tegen den
invloed van den golfelag^ tegen afkableling vrij-
varen. II Dit Yorseide lant es bediket jof bestad-
boemet, Invent. v. Brugge 1, 36. AÏb dese ka
bestabboemt is, so seU die grafft wyt bliven . .
twee meden, O. B. v. Dordr, 2, 114, 150.
BESTADEGEN. Zie bestadioen.
BESTADEN , zw. ww. bedr. en wederk. (deelw.
hêêtadet of bestoet). Mhd. bestaden; mhd. bestaten.
Van stat; zie ala., en vgl. besteden.
Bedr. — 1) Plaatsen , eene plaats aanmjgen, ||
(Dat God) die ziele moete bestaden in dat ewighe
liecht, Serv. n, 2970.
2) Bergen y loegbergen^ eene plaats geven. \\ Al
hadde hi sine diere gewaden ende sine crone doen
bestaden, men mochte bi diere gebare merken wie
de coninc ware, Alex. I, 817. Si ... ynlden haer
coasen ende haer broeke {met goud) . . . ; so vele
hadden sQs geladen, si en oonstent gedragen
noch bestaden, III, 479. Hier hads selc so vele
(goud) geladen, hi en condt gedragen noch be-
staden, VI, 427. Dat toIc was 'soe geladen met
goede, si en constent bestaden, YIII, 231. Dar
na bestaede si . . dat ponder, dat har bleyen was,
Lanc. II, 22962. Doe bestaetmen (teist hesiede
men) dat jnweel, SegA. 3377. Doe dede die heilige
Helene bestaden in een selveren vat . . dat cmce ,
iS^. 11% 50, 167. Wat sond hierafmeerghewach?
veel meer goeds dan yement waent, namen sy vanden
dneren ghewaden, silver ende gout, sj en costen
(/. costent) bestaden , Troyen f. 20 a.
3) In zijn gemoed wegleggen^ ter harte nemen. \\
Datti dine vriende raden, saelstn in dinen sin be-
staden, JD. Cat. 395.
4) Het toevoeging van ter erden (monden).
Iemands stofeUjk overschot wegbergen <^ hem ter aarde
óes tellen, begraven, ^^;(tf/^:«». || Dpaepscap van Mets
. . . bestaeddene ter erden binnen Hets met groter
werden, Brab. Y. I, 321. Alse Godevaert metten
Baerde bestaet was ter aerde in die abdie van
Affelgheem, lY, 151. Sijn gewant, daer hij mede
wonde werden bestadet toe der eerden, Serv. I,
2954. Daer der bosscop reyne ter eerden bestaet
-was, II, 401. Hen bestade den werden mit eeren
totter eerden, 1164. Ter aerden bestadet werden,
Jjond/r. V. Vel, 10. Op den dach dat dl^ck ter
eerden bestaedt ware, Belg. Mus. 1, 257. Hen
S4>aden weten doen , dat ie bestaet ben ter monden ,
Xdmb. X , 1330. Hen bestaden ter erden eerliic na
coninx weerden, 1357. Die like waren bestaet ter
«rdon, alst recht was, met groter werden , Zorr. II,
1651. So namen si den lichame ende bestaeddene
ter erden, L.v.J.e.^9.
5) Plaatsen, toedeêUn, toezeggen. \\ Doe seide
saen her Lyoneel : ie nemer oec vive in min deel . .
Acglavael die seide doe: die andere vive horen
mi toe. — Doe sprac die riddere . . . : dns sQn si
aJle bestaet te samen; ende waer jeghen salie
-rechten dan? Idme. III, 19998.
6) Plaatsen j van de hand doen, verkoopen. ||
Scepensii ia gheender wisen en selen eopen gheen
assysen ende die setten ende bestaden voert, JTrake I,
982 (de verklaring in het Gloss, waar het door
bevestigen vertaald wordt, is onjnist; vgl. be-
steden 5).
7) UithüufeUjien , tig. eene eigene woonplaats aan'
wijzen, in eene eigene huishouding zetten. Ygl. lat.
eolloeare. \\ Oec docht hem die dochter hoghe aen
Achilles syn bestaet, ÏVöy«» ƒ. 44*. Yier dochteren
die hi in hnwelike bestaede harde hochlike (aan
zeer aanzienlijke mannen) , Brab. T. lY, 367. Aldns
benam . . . coninc Philips van Yrancrike , dat die
hertoghe . . . bestaden en const sgn kinder,want
hi en constese nerghen bestaden eerliken aen haer
gegaden, Y, 4709 var. Alsoe dat hi sgn kinder
bestade een deel alsoet Philips gaedde. Sinen ontsten
sone . . . bestaedde hi in Yrancrike aen heer Jans
dochter, 4729. Godevaert . . . bestaedde hi in
Borboen . . . an des hertoghen dochter dare , 4739.
Hi had dertich sonen ende dertich dochteren al
bestaet te hilick. Fase. Temp. 18 r. Yronwe, ie
wil, se met n vare, tes icse bestade na minen
wille, Lmb. I, 970. Ne ware ie ben een arm
man , ghi selt nwer dochter eire an bestaden ende
dat eerliic si, 1175. Sint hi ghelaten heeft sine
wet, sone mochtise {het meisje) in de werelt be-
staden bet, XII, 929. Bidi ie niet wert en si te
tronwen die keyserinne vri, soe seldise vele bat
hoechelüc bestaden tere andre stad, XII, 1257.
Dat hi die joncfronwe sonde bestaden met eren,
Lane. II , 39188. Op dat hi niegherincx bestaet en
si {als hij niet verloofd is), Vergi 133. Ygl. Nijh. 3,
196:bestaidtzn der te, ten huwelijk gegeven.Zit'EE,.
8) Weggeven, geven, schenken. \\ Terde (ors) sindi
harre dochter . . ., dat vierde harre suster . . ;
aldns bestaetdi sijn bejach, Lanc. II, 37545. Die
twee deele {van zijn goed) altesamen heeft hi
salechleke bestaet, also als droech sgn heilege
raet, Sp. II», 41, 70. — Yooral in verbinding
met het obj . m i n n e. || Ie wille , dat gise {uwe minne)
in ene stat (d. i. aan een persoon) bestaet, Bose
2207. Dat die beste ridder . . . sine minne an n
hadde geset, want hi mochtse bestaden bet, Lanc. II ,
15458. Hi mochte (sine minne) bestaeden bet Si
antworde: ie weet wel, dat hi sine minne hout
wel bestaedt ane mi, Lanc, II, 12929.
9) Besteden, gebruiken, gebruik maken van; eig.
plaatsen. \\AX scheen hi int nemen fel, hi bestadet
tsine gheme wel, male partis optime usus est,
Sp. II^ 5 , 17. Die wel bestaedden haren tijt ,11', 12 ,
146. Sone wondic mine jonghe joghet nemmermeer
bat bestaden, Belg. Mus. 2, 434 , 63. Sinen tijt . . .
nntteljjc bestaden , Lsp. m , 25, 5. (Die) den corten
ti|t beistaedt wel, 147 var. Hoe wel es dat goet
bestaet, dat men den goeden doet, Parth. 6566.
Soe vele bestaedt mens {van het goed) qnalike ende
so luttel heves die siele te bat, Teest. 2969. Die
moeder Gods beveelt u dat ghi hier bi ons big ft,
want het is haren wille . . . dat ghi uwen tijt
hier bestaedt, hier besteedt, slift, Exc. Oron. 23*.
Ie woude ie tghelt hadde van mijnder coe , dat ghi
dus wel hebt bestaet, Busk. 156. Soe hebbic wel
bestaet den cost, Belg. Mus. 10, 67, 87. Si be-
stadent {het geld) in anderen oneersamen dinghen ,
Rnnsb. 2, 183. Dat solt is guet, mer of dat solt
bedervet, waerin {waartoe) sal ment bestaden? Hs. 71,
Luc. 14, 84. Hoe hi best soe grote rijcdom alre
salichste ende nuttelicste in dye ere Goods bestaen
(/. bestaden; vgl. Brab. T. Y, 4712, waar de tekst
ook te onrechte bestaen heeft) sonde, Pass, W.
164*. Die n dient, waerlike, hi bestadet qnalike,
aan een onwaardige. Boel, I, 512. Ontseidic datu,
so haddi qnallc bestaedt au uwen dienst ende u
1095
BEST.
BEST.
1096
pine bede, Lanc, ü, 12929. (Dat) haer dinken
moge, dat si wel hevet die moawe bestaet {aan
een toaardige geschonken heeft ^ een goed gebruik
gemaakt heeft van de mouwi)^ die se hem gevet,
IV, 686. Hertoghe Willem maectse (Margareta)
heer in Hollant ende dede hem eer, want sy en
mochtet nerghen bet bestaden, aan geen waardiger
persoon besteden^ Hild. 122, 39. Andre vriende so
keerdi of, daer hijt (nl. het raadplegen) vele bet
an bestade, die hij daartoe met veel meer recht
zou gebruikt hebben ^ d. i. die dit veel meer waardig
waren, Denkm. 3, 132, 27.
— Ook in het pass. met een bgw. yan graad of
wijze. I) Noit was so wel bestaet mowe (m zulke
goed^ handen, eig. een zoo goed gebruik gemaakt
van eene mouw), die vrowe gaf ofte joncfrouwe,
als die nwe was bestaet daer, Lanc. lY, 2027.
Neemt ghenouch yan minen scatte, ende ghevet
den aermen datte, daert n dinct wel bestaet, die
u voorkomen dit waardig te zijn, iSJp. III*, 13, 37.
{Dat goed) dat hi achter hem laet , dan wetti niet ,
hoet es bestaet, in welke handen het komen
zal, Belg. Mus. 6, 191, 206. — Hets wel be-
staet, dat hi levet, Ferg. 354 en IU>se fr. 248,
5, het hem geschonken leven is aan een waardige
besteed, hij is het leven overwaard, verdient het leven
ten volle. — Ook met weglating yan het byw. |i
Die daer goet laet, daert es bestaet, waar men
dit waard is , Belg, Mus, 1 , 128. Malen ende
perde . . mach hi geyen znlken hemeliken yrienden
des huns, daer hi ziet, dat bestaet is, dat men
het verdient, D, Orde 287. — Vooral met eene
bepaling met ane en een bijw. yan graad of wijze:
iet es (wale) an enen bestaet, iets is {goed)
aan iemand besteed, het is in goede handen, het is
bij iemand op zijne plaats, hij is het waardig. \\
Sone yendwi niman , die onser minnen bat werdech
es, dan hi ende daer wys oec bat ane mogen be-
staden, Limb, Serm. 188(7. Soe verslet dan, dat si
ane n dat ridderscap so wel bestaet nu , dattie ere
behouden si yanden ridderscape daerbi , Lanc. III ,
1836. Ay . . goet swaerd! . . dune sals nembermer
yinden man, daer du alsoe bestaets (/. bestaet)
werdes an , alstu heves gewesen an mi , Lanc. IV ,
12052. {Het zwaard) en ware niet wel bestaet an
u , 12084. Ie wil yan uwer spisen eten ; het is bet
bestaet aen mi dan aen die wichteren , Bein. II ,
6676. Hy gaeft {prs) dien hyt geyen woude , daert
wale aen bestaet was , dat was myn heer PoUidamas,
Troyen 4499. Dat an niemen en ware bat bestaet
(nl. het koningschap), dan ane den riddrecoene, Limb,
YI, 2224.
10) Aanbesteden, || Op Sinte Thomaesdach was
haer Florans ghereden te Haerlem , om mijns heren
baerdze {barge, schuif) , . te besteden te maken,
Rek. d. Gr. 1 , 339. Ware dat quame een ongheval
an haren slusen, sou souden wi die vrese (risico)
bestaden of doen bestaden ende nemen onse ghelt
weder twiscatte , Oorkb, 2 , 391a. En dede hi hem
dan gheen wederwerc (wederwerc doen is
tegelijk met iemand werken, zoodat ieder de helft
van het werk doet), so mochte dan die ghene
die des wederwerkes begheerde, dat bestaden,
ende dat solde die ander half betalen Stadsr. v,
Zwolle 80 , 96. Dat al bestaet was in eere summe ,
Rek. V, Zeel. 2, 278. Clais die Costre van den
niewen dike . . bestaet, 17 roeden . . te heelne,
ald. Weert saeck, dat aen yemant bestaedt worde
dijc, voet, loep, hoegen . ., die sal s^n geit dair
van eijsschen, Overijs, R. 2*, 14. Ofte hie of
yemant dijke, voete . . . ofte tune aenneme of
aen hem bestaidt worde, ald, 15. Zoo ook 19;
Meyl., Delfl. 183.
11) £en ordeel an enen bestaden, kei op-
maken , ontwerpen van een vonnis aan iemand opdrage»
(besteden i\s het ware, zie Bacer 3, 141 noot).
Ook wel een ordeel bestellen geheeten, zie
Noordewier, bl. 408. || Enich man, daer een oerdeel
an bestadet word van scepene off van schuiten,
Stadsr. v, Zwolle 72, 76. Ende so sal de ghene,
daer dat ordel an bestadet is, des anderen naesten
richtdages . . to gueder tyt opt huys comen, aU.
(Onse amptlude ende richters) en suUen ghene
ordele bestaden aen hoeren dienren, dan allene
aen guede bescheiden manne . ., die lantsaten syi.
Racer 3, 141.
Wederk. — Hem bestaden,rur>lr^A«rA». ||
Ist saeck dat een knecht ofte een maghet hem
bestaed met yemant in onser stadt, Schwartz. 1,
584a. Enich knape of maghet, die hem bestadet
ende oeren dienst wederzeghe den oeren heer . .,
eer si an oeren dienst quemen, Stadsr. v. ZwolU
151. So wat knapen , amme off maget hem bestaed«t
te dyenen, die sal sgne vurwoerde holden vol-
comelic, Overijs. R, I', 188. — Bestaet sgn,
in iemands dienst zijn. || Vort verbiedewi aUen
den cnapen, . . die voer meester sin bestaet, dal
si neghene vel werken, die hais selves sin ofte
iemens, sonder hars meesters, daer si mede be-
staet sin, Fad, Mus, 2, 359.
BESTADINGE, znw. vr. — 1) ÜUhuweliftmg.Ygl.
BESTADEN 8). || In sgure bestadunge des vurg.
Edwarts, Nijh. 3, 345.
2) Aanbesteding (vgl. BESTADEN 10). |) Soe solden
die zwoern dat van stonden aen bestaeden . . ende
soe sal die schuit dair mede vortvaeren ghel|c
voirscreven is van anderen bestaedyngen , Overijs.
R.IV, 19.
BESTADIGEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde al.^
bestedigen (zie ald). Bevestigen, bestendigen. || In
taerwen, in wine, in olye hebbicne bestadicht,
Hs. V. 1348, 78rf {Genes. 27, 37). God fondeerde
die erde inder wijsheit ende bestadechde die
hemele inder vroetheit, ald. 224« (Prop«"4. 3 , 19V
BESTAEN, oorspr. vorm bestanden (zie ald.),
onz. WW. onz., bedr. en onpers. (3de pers. prae^
bestaet en besteel ; praet. bestoet en bestont ; parL Le-
staen en bestanden), Mnd. besten ; mhd. bestem , hestén.
I Onz. — 1) Blijven staan. Vgl. heUggen, be-
vallen. \\ Wat sullen wihier langer bestaen , Base {O
6382. Hier omme heetic di, dattune {den boom)
avehous; wat besteet hi hier? L. r. J. c, 141.
Wat wildi hier voren bestaen, ende beneemt dal
te hare niement en dar comen nare , Lorr. 1 , 310.
2) Blijven, vertoeven. \\ Omme dat lant van
Jherico . . . gheme plechtet {het dier) te bestaae.
Nat, Bl. VI , 782.
3) In dezelfde bet. alsdeuitdr. laten wesen,
d. i. laten blijven, nalaten, met iets ophouden, vam
iets afzien, vindt men de uitdr. laten bestaen,
waarin bestaen dus, evenals wesen, oor^.
blijven, vertoeven, halt houden beteekent. || Hiei^
mede latic dat bestaen ende spreke Tan de:9ei
bosen wive , MLoep IV, 452. Vgl. onze uitdr. laat
dat staan, d. i. staak dat, — Syn recht latea
bestaen, m een proces mtstel vorderen, een tervnjm
nemen, \\ Een heb den anderen doen dagen of be-
stellen, die dach van rechte come, of een syn recht
mach laten bestaen op sinen ban , Matth. 14^ Yfi
1ste uitg. , bl. 290 noot, waar Alkemade verklaari:
y^Zijn recht te laten staan, niet te vorderen , geea
dingtaal te houden.'^
1097
BEST.
BEST.
1098
4) Blijven ^ voortdurend sifn, en in het élg.zifn
(ygl. lat exittere en het mnl. bliven). || Helpt
mi, dat {het gedicht) nuttelyc besta, Snellaert,i\r(f<f.
Ged. 638, 106.
5) Met \ieX yoGTz.mti, Bestaanbaar ^vereenighaar
zijn met. \\ Becoringhe sonder consent van wille . .
besteet wel met ghenaden, Rnnsb. 3, 197.
6) Beginnen , een aanvang nemen. Zie by bedr. 7, b).
— In de volgende opvattingen met den 3den nv.
lyiemaiui ofiets bijblijven^ bij iemand of iets blijven ;
eig. er bij staan. \\ Dat elcke vleischonwer gehouden
sal zgn, eens ter weecke zQnre stal selver te be-
staen, K. en O. v. Delft 181, 8. Wi daghen,
dat ons (het aardsche goed) niet bestaet, endedat
on se zin vergaet, dan claghen wi nomeer nomin,
Sp. I«, 66, 15.
8) Bestand zijn tegen, tegen iemand zijn opge-
tPOêsen , hem aandurven. Ygl. Ben. 2* , 577, 4: halte
stand. II Sine felheit . . . was so groot, dat hi
en spaerde vader no moeder dor gene waerde, no
niemen en was , die hem bestont, hoe groot hi was,
hoe namecont, Sp. III*, 26, 55.
9) Betrekking hebben op , betreffen , te pas komen ,
behooren bij, lat. pertinere, gr. itQog^xetv. || Ende
mi sake en gene en bestaet, die ghi mi yraghet,
dat ie se u hale {verzwege) , Parth. 4999. Si moesten
al suiker feesten plegen alse bestont te suiker
minnen, Lanc. Il, 5428. Singen ende lesen began
hi saen, also te siere benedictien bestoet, ^.11^,
56, 28. Mi es al dat vergaen, dat ter minnen
mach bestaen , J). Cat. 5. Dat niemen wilde ontfaen
doopsel . . ., hine wiste bede quaet ende goet
ende dat den doopsel bestoet, Lueid. 4512. Al
datter ouder wet bestaet, Rijmb. 4645. Want si
{de feesten) ter onder wet bestaen ende onser wet
niet an ne gaen, 6261.
10) Aangaan, te maken hebben met. \\ Want si
{d€ geestelijke dingen) der aerden niet en bestaen,
Lsp. I, 17, 81. Gheestelic goet . . . dat dat der
heiligher kerken es , ende der werelt niet en be-
staet, I, 26, 131. Dat es dinc dat mi niet ane
en gaet gaet noch miere bootscap en bestaet , Parth.
7332. Die sal u ontfaen, want mi en modi niet
bestaen, met mij hebt gij niets uit te staan, Limb.
X , 459. In weet wat di dese twee bestaen , quid
isti tibi sint, Sp. II», 57, 116. Die mi een twint
niet en bestaen , menschen die mij niets schelen
kunnen, Stoke I, 170. Daer qnaem selc . . . dies
niet en bestaet, die er niets mede te maken had,
maer hem ontfermde dese valsce daet, Velth. I,
49 , 63. Sine scoenheit , wat bestaet si mi ? Ferg. 1413.
Hy ende al dat hem besteet sullen ons harde seer
ontmoeten, Troyen 1319. Al dat bestaet den
vrouwen . ., mindi (i»/. God) so met goeder
troawen, dat hise vanden honeghe formeerde,
Parth. 3599. Zine {de kerk) heeft geen lit, dat
haer bestaet . ., het en is mids der ghirichede
ontkeert van goeden zeden , Overzee 114. Die daer
naest den coninc varen , wie sijn si , bestaen si hem
iet ? Ja si . . , het sijn die van der tafelronde, ¥erg. 341.
Ie en heb vader nochte moeder, noch oec vrient,
die mi bestaet, die belang in mij stelt, Segh. 1144.
11) Mi bestaet ene dinc, iets komt mij van
rechtswege toe en dus ook ik heb recht, aan-
spraak op iets, II Si lietent daer an haren danc,
en bestoet hem niet te dele. Wal. 7355. Huwe
spise no huwen scat, die en bestaet ons plat , Brand.
2063. Doe (regeerde) Ode . . , dies {d. i. dien des)
o€€ niet bestont een haer, Sp. III', 56, 97. Doe
was een, die Cylpric hiet, die {d. i. dien) der
erven bestont niet, III», 62, 25. Her Gyen en
bestonts niet . ., hi hevet ouder broeders, Stoke
IX, 1345; vgl. VIII, 997. Hem niet bestont dat
lant, Lanc. III, 16301. Daer bi es tfiants titel
quaet te hondene , dat hem niet en bestaet , Mask.
541. Dus es der Joeden conincrike . . ghevallen an
dient niet bestont met allen, Bijmb. 20799. Hine
worde sgn man . . den ghenen, dies noit en
bestoet, Grimb. I, 1296. Daer toe bestaet haer
die crone van al Grieken, Parth. 3148. Ochte ghi
in dien, dat u nien besteet, onghetrowe syt, wie
sal u gheven dat uwe es , L. v. J. c. 149. — Ook
met een inf. of afh. zin. Recht hebben. || Dander
{genade) es, dat hem besteet, dat hi den heileghen
gheest ontfeet. Bed. d. M. 113. Al doet hi hare
nu dorpemie, wat bestaet u dat te wrekene, wat
hoeft gij dat te straf en? Lanc. III, 12306. Nu laet hier
gaen mine amie ! Wies besteet u hare te vorne achter
lande , wat hoeft gij haar overal mee te nemen ? 13072.
Het Gode allene bestaet, dat hi sterven doet den
man , Heim. 640. Wat bestaet u {wie geeft u het recht),
dat ghi doet up ons uwen overmoet , Sp, III* , 37 , 37.
12) Toebehoor en aan, het eigendom zijn van. \\
(Hi) wilt ons nemen al ons goet, datten cloestere
nie bestoet, Belg. Mus, 1, 333, 252. {Qhi) hebt
der heileger kerken goet, dat u te rechte noyt
en bestoet, Kerk. Cl. 155. Dat hi daer vore en
spaerde noch Igf noch goet, dat hem sonderlinghe
bestoet, T. en Lettb. 3, 73, 50. Dat men wel
ontfaet, dat van vrienden halven comt ende dat
vrienden oec bestaet , Vrouw, e, M. 1 , 294. Dat si
vercoepen wat hen bestaet ende gaven den armen
dat, Sp. II», 72, 44. Al dat goet dat die van
Romen ye bestoet, Hild. 1, 61. Alt goet, dat den
coninc Arture bestoet, Lanc. Il, 42059; vgl.
43940. In gheleenden cleederen, die hair niet en
bestonden, Matth. 178. —- Ook met eene eigenschap
als ,ondw. Eigen zijn. \\ By der dolheit, die hem
bestaet, verloren zi my, Merl, 4492.
13) Passen, voegen, betamen, Gr, nQog^xei. ||
Alse hogen lieden wel bestoet, Lanc. II, 43540.
Dit soudic wedersegghen saen, maer dat mi be-
staet niet, Brand. 1872. Dine bestaet niet hier te
sine, JEsop. XXX, 4. (Si) willen hem verheffen,
al ne bestaets hem meer no min. Nat. BI. II,
3964. Ene aventure . ., die den dorperen no den
doren niet bestaet, dat sise horen. Flor. 2. (Si)
daden dat hem bestoet te doene , 1939. Die scoene
joncheers begerden al te conne dat ridderen be-
staet, Jiol-fr. 879. Wat den papen anegaet ende
wat den lantsheren bestaet , wat tot den plicht behoort
van; lat. que sunt propria saeerdotum et que regum,
Sp. 111% 6, 5. Hadden hem die Vranken ente
Romeine also vrienden geweest . . alsten orloghe
hadde bestaen, als het bondgenooten betaamt ,111^,
24 , 77. Te herbergene {iemand te logeeren te vragen)
mi niet en besteet, Ferg. 747. Als hem ter werelt
bestoet, zoo als het hem overeenkomstig zijn stand
paste, Franc. 736. — Ook met eene bep. met
te in plaats van den 3den nv. || Het en besteet
niet te mi, dat ix orlof name an di, X. o. ^.
4333 (vgl. onze uitdr. het staat niet aan mij,
en staan in den zin van voegen), — Dikwjls kan
men bestaen in dezen zin het best door moeten
weergeven. || Sjjn goet mi te sterven bestaet,
zijn goed moet bij zijn dood op m\j overgaan , Limb,
IX, 188, Al helden si hem te voren blyde, nu
bestont hem zere te leyden, dat si waren dus
verscheiden, Hild. 62, 83. Hi trackene wel ghe-
weldelike boven alle sine hoghe baroene, des hem
niet en bestoet te doene, wat hij niet had moeten
doen, wat niet goed van hem was, Parth, 40.
4099
BEST.
BEST.
ItOO
14) Passen, dienstig , nuttig, goed mf'n voor,
Daer si ne wisten wech no rtet| die hem ter
lyftiere bestaet, Franc. 1507. Ten lesten, als td
was vuldaen dienst ende dinge, die hem bestaen,
die helege ziele wordt ontbonden , 7659. Wildi hem
hulpen ende gheven raet van snlker dino als hem
bestaet, TAeopA. 531. (Hi) gaf hem scat ende
ander goet vele ende ghenouch , alse hem bestoet,
Sp. I^, 51, 35. — Ook met eene bep. met te in
plaats van den 3den ny. || Laet ons yaren, hets
tijts, ende doen datter toe bestaet, wat noodig is,
wat er toe staat, Flandr, Y, 148.
Aanm. — De bett. 5) en 8) — 13) laten slechts
het gebruik yan het w w. bestaen toe in den 3den
pers. enky. en my. , m. a. w. bestaen is in de
genoemde beteekenissen een eenpersoonlijk ww. Zie
oyer het gebruik als onpers. ww. bij onpers.
15) In den bloede bestaan, verwant, vermaagsckapt
zijn. Il Cajms gheslachte ende al dat Adam ye
bestoet, Hild. 218, 20. Hely bestont desen ooo
jiiet, Éijtnb. 8581. Sijns neyen, die hem bestaet,
MLoep III, 335. Yan al den gonen, die ghi hier
siet, sone bestaet hem negheen, ïTal. 1916. Alle
die gene, die hem bestaen, en haddens hem niet
doen ayegaen, Toree 177. Negheen ne yaet sgn
gheslachte dat hem bestaet. Nat, BI. UI, 2779.
Coomt al herwaert die Beinaert bestaen ende mi,
Rein. Il, 5176. Dat icse moeie hiet, al seidic so,
si en bestont mi niet, 6572. Al den ghenen, die
hem bestaen ende ten tienden lede anegaen , Lansl.
827 ; ygl. 676. Hi waent dat hi es m^n broeder ,
maer hi en bestaet mi twint, Esm. 440; ygl. 944.
Ghi waert mgn oeme, waerdi goet . ., merghine
bestaet mi twint, ik beschouw u niet meer als
familie, omdat ghi Gode niet loyen wilt, Segh.
3727. Bestadi hem iet ? . . Yrouwe , of ie hem iet
besta? ie ben sijn moeder, 11850. Dat hi hem
een twint besteet, Parth, 5765. Yriende ende
mage, die hem bestoeden, Cass. 340. Si ylietmi,
die mi soude broeden bi naturen ende yoeden , ende
dese, die mi niet en bestaet, geeft mi troest,helpe
ende raet, Esop. XXX, 19. Wat ooc so hem bestoet,
zijn geheele gezin , Bijmb. 16041. — Ook met eene bep.
ter aanduiding yan den ^r^uu^ yan yerwantschap. || Si
bestonden ten derden lede, Brab. Y. YI, 195. Si bo-
stonden alsoe, naer dat die Paus . . dat huwelij c mocht
(/. moest?) consenteeren . ., want si ten derden
lede bestonden, 575. Yan swagherscape bestonden
si ten derden grade , YII , 7893. — Thans zegt men
yooral elkander bestaan, zonder nadere bepaling, zoo-
als Brab, T.YII, 7892.-Ook met het bflw. na (naer)
yerbonden.Ygl. ons znw. nabestaanden\GtT. oi nQog^X'
ovteg. II Der maecht . . (die) hem also na bestoet,
Zorr.1, 612. Daer so wasser oec, die mi bestoeden
arde naer, Httge v. Bord. lY, 158. Grimbert, die
Beinaerde na bestoet, Bein. I, 1902. (Hi) bestont
hem . . herde na yan bastardien, Orimb. I, 4953.
II Bedr. — 1) Het trans, staan, in den zin yan
gaan staan (ygl. onze uitdr. staan naar iets). Eene
Mudvng aannemen om iemand te tref en, te raken,
d. i. hem aanvallen, aantasten,
a) Met een persoon als obj. || Die hem sere weren
sonde , waert dat mense bestoede , Limb. Y , 213. Dat
wi selen . . ons wapenen . . ende selense . . bestaen ,
YIII, 335. Hi wonde dat here yrouch bestaen , 471.
Yan yoren bestonden sy se ende yan achter, Troyen
1732. (Si) selen yier coninghe bestaen , die welke si
doet selen slaen, Wrake I, 1870. Datte Maerscalc
soude gaen ter Yeren ende dat yolc bestaen , Stoke
YIII, 113. Datmen best bestonde descare, II, 753.
Bechte daer hi landen zoude . . , heeften sijn broeder
daer bestaen ; daer yachtmen mit nide groot , Itp. Il ,
48, 343. (Hi) bestont den hertoge SMa,Qrmh.\y
251 ; ygl. 254 en 510. Dat men se bi nachte soude
bestaen ende stillekine te doot slaen, AUx. lY,
1185; ygl. 1193. (Si) sagen dat mense bestont ?u
yoren, Yelth. Il, 5, 39. (Si) selen bestaen den
coninc yan Oesten, YII, 9, 75. Doe bestont hine
metter yaert ende sloghene met enen stocke doot,
Bijmb, 10724. Ende men dan bestaet there mettor
dagheraet, 17639. (Hi) heeft die yiande bestanden,
die hebben die ylucht ghenomen , 19964. So dat
si die boden bestonden, 28001; ygl. 19616. Te
nacht . . ne dorsten si u niet bestaen , om dat si
u gewapent sagen, Lane. U, 19278. Dattet vare
dorperhede . ., datmen enen ridder yerlode, ende
(hem) meer dan een man bestede , 43015. Moriaea,
die harde scire was bestaen yanden genen, die
daer lagen , 45049. Hi was met groter cracht be
staen, 21861; ygl. Torec 479, 1116, 1877. Nn
hebben si al om ende omme Seghelgn bestandea
in dat crgt, Segh, 2210. So soudic se alleen be-
staen met minen sweerde, 6349. Doe was bi be
standen daer yan eenre scare, 7703. Die seren
kinder, die binnen sgn, die waren fellike bestaen,
11074; ygl. 1078, 1947, 1985, 3071. So dat bi
bestaen begonde Fhilippe ende gaf hem dootwonde,
Sf, I«, 12, 7. In desen heeft hi bestaen die meesto
scare ende omgedaen, I*, 53, 27. Met gewelt
bestont hise buten mure, 68, 12. Si hebbense
{de roovers) bestaen ende hem yerwert, III', 10,
44. Ygl. I», 5, 41; I», 46, 31; 65, 27; H', 15,
39; lY', 24, 79; lY», 27, 17; lY», 4, 27; 11,
29; III», 32, 31. — Ook met eene bep., waw-
door het strüden nog duideiyker uitkomt || Die
Grieken hadden . . Cyruse met wighe bestaen,
Sp, I*, 7, 49. Si wildene met wighe bestaen, III ',
9 , 30. God yerboot hem te bestane met vigbe
Esaus gheslachte, Bijmb, 5922. Nichanor ..vilde
. . Judase met stride bestaen, 19489. Hier gbeloofdi
te bestane den graye te campe (ua een twetia^)^
Limb. III, 1074. Alsmen wilt bestaen met stride,
Heelu 3947. Eest dat ie ten campe besta den genea,
die dit heeft gedaen, Lanc. II, 38820. — De onb.
wjjs als znw. gebruikt. Strijd, gevecht. )) (Si)
sconflerdene ten bestane, so dat hi hem trike
afwan, Bijmb, 20448.
b) Ook van geyechten van menschen met dieren
of yan dieren onderling, jj Die hem gave enegbe
wonde . . bestaen soudine openbare, Nai. BI. II,
2244. So wille hine {de wolf hem) bestaen, 23^-
Alse hi {de wolf) enen osse ofte een paert bestaet
wille, 2424. Teerst dat si sien den man, besttea
sine ende dodene dan, III, 1747. Also dat (^ <•
dat het) die yisschers bestaen, daert hem niet at
mach ontgaen, lY, 113. Dat nieman (de boa) es
dar bestaen, YI, 220. Gheljjc datmen wint ese
stede , moestmen dat dier bestaen , eerment moebte
yerslaen, 246. Ende doet altoes niemenquaet,eBsi
datment swaerlike bestaet, 771.
c) Met den 4den ny. yan eene plaats of een laad.
II Dus heeft Otte die coninc saen Aken die goede
stat bestaen , Lorr. 1 , 627. Dat hi die poort badde
bestaen, Bijmb. 28027. Waer hi best den mtcr
bestoede, 31564. Die stat . . yan achter ende tei
yoren bestaen , Yelth. lY , 53 , 21. Hoe hi so sgn laat
behoede , dat ment niet onyersien bestoede ,Sp.l*^
19, 31. Noint bestont hi veste no stat , hine makelt
moede of mat, I\ 55 , 17. Dat hi die stat bestont met
nyde ende wanse, III», 33, 25. — Ook met eeie
nadere bepaling. || Dat hy Üant soade bestaen net
stride, soude (/. tsoude) in bant gaen,Yelth. II, 44, Si
1101
BEST.
BEST.
1102
d) Ook in den zin yan Uiaieren^ hestoken,\\'Dvd
wormen, diene {den menteh) dns bestaen, sonden
hem wesen onderdaen, Luetd, 793.
2) Eene zaak aantasten ^ aanpakken^ beet pakken.
II Eer hi den sac dorste bestaen, dedine enen
andren eer ontbinden, Velth. I, 27, 118.
3) leTnand aanranden ^ t» ket nauw brengen. \\
Theodosia . . noch die keyser Justiniaen niet en
hebben mi bestaen, maer die keyser Bjocletiaen,
d. i. „aan de beleedigende behandeling yan mg
zoa men niet zeggen dat het keizer J., maar D.
was," Sp. III», 27, 94. — Ook in flg. zin, yan
het yerrtand gezegd. In ket nauw brengen y ver^
bijsteren, || Mijn sin es so bestaen, dat ie en weet
wat anegaen, Melib, 229.
4) Iemand aanklampen, aan boord komen met woor-
den, aanspreken, met een yerzoek, maar ook met
barsche of onyriendelijke woorden. || (Doe) wart hi
bestaen yan eenen armen wiye, die liep an hem ende
claeghde ende riep dat hare coe ghestolen ware , FL
JUj'mk, 2486. (Hi) heeften herdelgc bestaen met feilen
stneren woorden, Ztp. II, 23, 8. Sinen waerd . .
ronpti . ., ende heeftene aldns bestaen : sie , broeder
waert! Franc, &864.
6) Overvallen,
a) Met een pers. als ondw. Onverhoeds aan-
vallen, overrompelen, || Dat die coninc yan Atnsien
yan achter siin here bestoede, Limb, YIII, 510.
Keert ter yaert weder ter woestinen waert, dat
si n ooc niet bestaen, R^mJt, 6719. Die niemare
dat ghi s^t stolinghe bestaen, Parth, 7844; ygL
7861. Die yan afteren bestaen enen man, Hild.
87, 18. (Si) wilden hem allene bestaen met yer-
raetnessen heymelike, Yelth. II, 36, 24.Dathine
besta onyersien, Sp, P, 80, 10. Die deghencoene
qnam inder Persen pauweljoene ende bestondse
np ene ayondstonde, I', 20, 33.
b) Met eene zaak als ondw. Overvallen, verrassen,
II Alse ons noet bestaet, lAmb. Serm, 56b, Daer
heeft de donker nacht bestaen hem ende sine
broeders, Franc. 2739. Dat ons die nacht bestoet ,
Jiein. II, 6326. Myn leyen ten indewerd geet ende
mi sciere de doed bestoet, spoedig zal de dood mij
overvallen (ygl. lat. instare), Lutg, II, 696. Soe
dat haer die yake bestoet ende sliep, MLoep I,
1633. Als mj die yake dan bestaet, II, 297. Sfjn
edel yron . . wert bestaen met der natnerliker
doet ende sterf, Exc, Oron, 156a.
6) Overvallen, plagen, aantasten,
a) Met eene ziekte, plaag oï ongemak tlBQinAir,\\
Haer sal cortelike bestaen groetesiecheitofgroete
qnale, Vr, Heim. 1126. Daer na saen wart si met
siecheden so bestaen, Lutg, TL, 778; zoo ook
1607; III, 561. So wort beslaen (/. bestaen) met
siecheden ende beswaert die . . hertoge , Grimb, I,
2997. Hi was yan hongere ende dorst bestaen,
jMtnc. II, 17289. Van siecheden utermaten sere
was dit kint aldaer bestaen, Yelth. II, 27, 4.
^aer een met siecheden bestaen, M, en Fr. Heim,
494; zoo ook Invent, v, Brugge 6, 513. Met eene
bamende coortse ende frenesie bestaen ende be-
Taen, Despars 3, 164. So wertse metten cortse
bestaen, Exc, Cron, 32a. (Hi) ghebaerde alsipleghen,
die metten cortse sQn bestaen, 1^, lY*, 79, 49.
Een hongherty t heyet bestaen Ytalen naer Gregorius
doot, III', 17, 10. Dat hare snster was bestaen
met onghemake, Parth, 8121. — Ook yan den
inyloed yan den duiyel, die zich yolgens het yolks-
^loof yooral openbaarde in krankzinnigheid,toevallenj
enz. II Amijs wgf wart oec bestaen metten qnaden
^eeste saen, Sp. III*, 80, 95. Al te hant sowert
bestaen ApoUonlos yan den yiant , Belg, Mus, 9 ,
427, 286. Ten andren daghe wert bestaen Paoline
mitten yiant ende sterf also te hant, 433, 460.
Dat si grnwelec was bestaen yan den geeste, die
haer ginc an, Christ, 697 ; ygl. 1132. — Ook mei
weglating yan de bepaling metten yiant. || (Hi)
es met siecheden sere beyaen; hi wert ghister
nayont alsoe bestaen, dat hi noit sint woort en
sprac, Lansl. 298. Gort na dat hi hadde ghedaen
sijn seggen, soe wort hi bestaen endemetter hant
Oods gheslagen, Brab. T. TL, 3933.
b) Yan rampen en ongelukken. |[ Wie die noet
toegebrocht heeft ende dede dese ondaet ende
jammerhede, daer ie mede bin bestaen, e^r^OM^^iw^
waardoor ik getroffen ben, Segh. 9078 var,
e) Yan hartstochten en gemoedsaandoeningen.!}
Jacop wart bestaen (hetzelme als b e y a e n , d. i. &r-
vangen) met yare, Bijmb, 2366 var. (Doe) worden
si zo gram om dat gone ende met felheden so
bestaen, zoo door toom bevangen, dat sine te hant
deden yaen, Zsp. n, 37, 26.
7) Eens zaak aanpakken, aanvatten, aanvangen,
beginnen.— a) Met den 4den of 2den ny. eener zaak. ||
Eermen daer bestont die porsse, Bijmb. 29614.
Dat wi den aesten (boek) bestaen, also alse die
materien gaen, i^. III*, 65, 119. Hi én weet wat
doen of eerst bestaen, Bein, II, 4430. Segi, ghy
heeren, wat segdy? wat wy nn bestaen gaen,
gattn beginnen, Orimb, II, 866. Die leweric . . .
wil sgns singhens nn bestaen, Frouw e. M, XII, 3.
Noch aldoen ... en waren die bntenste mnren
yan der stat noch niet begonnen . . ., maer men
bestontse . . ., int jaer daarna, ^rod. J.YI,1629.
(Kinderen) die spade gaen, dat si eerst sprekens
bestaen, Nai, BI. I, 19.
b) Met de onb. wQs yan een ww. met (soms zonder)
te. II Al die werelt bestont te daghen, O. E. Pass.
29, 845. Dattet yolck bestont {tekst bogonste) te
scheiden , Hild. 122 , 46 var. Doe bestont hi harde te
deneken, 146, 267 {var. begonde). Ber hi bestoede
te woeckeren nae eerdschen goede, 164, 199. Die
knaep die zere bestont te langhen, 60, 144.
Doe hi yechten erst bestoet jegen die here yan
erderike, OFl. Ged. 2, 71, 134. Want hem die
wech wert ondergaen, doe hi te clymmen hadde
bestaen , MLoep. II , 943. Doen yiel Karel op hem
ende . bestont met droeyer stemmen . . te screyen ,
Exc. Cron. %3e, So bestont hi te wenfn, 96df. Dat
de kerstene ane pine eer yaen , eer mense te pQnne
can bestaen, Sp, II', 18, 63. Het {schip) wert
yerynllet ende si bestonden te bedenren, Hs, 71,
L»c, 8, 23. Die hette bestaet te laenwen,.0ar/^/.
84^. Also langhe als si wit bliyen, ter tgt toe dat
si bestaen swart te werden, 393^. Als hy {de
vijgeboom) bestaet te draghen , 611^. Als si geyoelen
dat haer hoemen besten hart te werden, 7493.
Als si {de haren) , . aen dye eynden bestaen te
graenwen, 8126. Dat kindeken doet no ne weet
sdtoes ne gheerhande quaet, onthier ent spreken
bestaet, Nat, BI. I, 12. So dat al dicken bestaet,
begint dik te warden, YIII, 646; ygl. YU, 380.
— Ook in het pass., eyeaals \xei\sX,eoeptusest.\\
Eechteyoert so es bestanden den dach te blasene
oyer al, Stoke IX, 1142. — De onb. wijs als znw.
gebmikt. Begin, aanvang, || Sgn boec, inden be-
stane , spreect yan der groter woestine , Bijmè, 21012.
— Eyenals het lat. coepi, moet ook het Mnl. be-
staen meermalen öf door^Am ófmethetyolgende
WW. als één begrip yertaald worden. || So neren-
stelike hi haesten bestaet, zoo hardga^th^ loopen^
Pranc. 6442. Een man , . sonde labnren bestaen in
1103
BEST.
BEST.
1104
sinen wgngaerd , ^oai» wêrien^ 9687. Laet ons beiden
bestaen te gane ende (op veg geutn^ heengaan en)
enen pot biers te gader meten , Bram. P. 187 , 64.
(Si) worden verraert ende worpen haer wapenen
yan bem ende bestonden te lopen (gingen aan den
loop), £xe. Cron. 211a. Die andere, dit siende^be-
Htonden mede te ylien ende te lopen (gingen op de
vluchi), elck alle dat hi mochte, ald, Yioletten
men aieden bestaet in watre , men gaat heen en
kookt. Nat, BI. X, 646. Dit makic li denghenen
cont, die dit bestaen te lesene, gaan lezen, zullen
lezen, L. v. J. bl. 1. Enefonteine, daer die Jordane
aireeersten nut bestaet te ghane, waaruit de J.
ontspringt, Rijmb. 1633. — Ook alsintrans. gebruikt,
in den zin van beginnen, een aanvang nemen. ||
Hi bestont (nl. te regeeren; Yinc. coepif) int jaer
ons Heren 792, Sp. Vil*, 89, 37; vgl. lU», 2,
22. Si bestondens (de 2de nv. des vervangt den
inf) . . . int jaers Gods 408rVinc. «?qpmm^,III*,
2, 22. Na so coemt die derde etaet, die ten v^ftien
jaer bestaet (var. beeaet), Nat. Bl. I, 33. Dat
die hitte anegaet vanden onste ende bestaet, II J,
3321 var. Die werelt wordt seer verblyt, als dat
nuwe jaer bestaet, Hild. 207, 6 var.
8) Aanvaarden, aanpakken, eene moeilijke en ge-
vaarlijke taak. — a) Ondernemen, onderstaan, op
zich nemen. \\ Men bestont anderwarf twerc , i^(;»f ^.
17861; vgl. VS. 609. Die sonder twifelyet bestaet,
hi es bnten sorghe gheseten, Hild. 94, 172. Een
man sal goeden wille haen (hebben), mach hi der
wercken niet bestaen, 265, 81. Wildi bestaen die
avontnre, Ferg. 3321. Meneghen vrien aerbeit men
op vrouwen troest besteit, Fad. Mus. 2, 200,
153. Die vele beslaen (/. bestaen) ende luttel
sorghen, soeken gheme valsche borghen, Esop.
XXXV, 7. Diene bestaet ghene sake sonder raet,
Heim. 1485. Wi sullent gerne met di bestaen . .,
ende avonturen onse leven, Jlex. YI, 933. Want
hgs . . bat es vroet dan ie, hoe {hoewel) hijs
niet en bestoet, Brab. 7. YI, 33. Neghene dinc
bestaet hi . ., hine comets over. Nat. Bl. XII,
1367. Ie en hadde den aerbeit niet bestaen, eten
ware doer sinen wille, XIII, 162. Noyt en wart
ooc dinc bestaen van ons , sine es ooc wel vergaen,
Parth. 6768. Dat wi eerst int bedehuus gaeu alse
wi eene dinc bestaen, Sp. V, 22, 3. Dus hevet
Ifarchus die dinc bestaen ende screef . . die
ewangelie, I', 15, 1. (Als) een doghet wille ane-
vaen, hi hevet welna dat swerste bestaen, I*, 64,
18. — Yooral gebruikt in verbinding met woorden
die het begrip strijd en weg uitdrukken. || Enen
fleren strijt bestaen, Lanc. II , 3879. WJch b. , Bijmb.
4955 ; ^, I*, 21 , 41. Daer es een groet twist bestaen ,
Merl. 27125. Camp b., Maleg. 287. Campspel b.,
B^in. II, 6760. Orloge b., i^. UI*, 37, 72;ni«,
90, 5. — Enen wech (woch) b., een weg inslaan,
eene reis ondernemen, een toeht €Mnvangen, Pass. W.
98rf; Sp. \\ 21, 3; lY», 7, 13; Kein. I, 1096,
1696, 2604; iTane. 1338, 5041, 5102, 6116. —
Die (ene) vaert b., Yelth. I, 9, 64 ;iJi;;»i*. 23617;
Bein. I, 970, 1040; Nat. Bl. III, 1824; Terg.
6026. Enen pat b., Bose 7418, 7442. Diereiseb.,
&yA. 11804. — Met het obj. minne (liefde). ^é?»kf
amourette op het touw zetten. \\ (Doen) heeft hi ene
nuwe minne bestaen, MLoep I, 398. Yan liefden,
die hem beyden dwanck, ende gheckelic wort
bestaen, 1078. — Doen bestaen, doen onder-
nemen, d. i. laten-, lat. niror^. || Die sen te Clement
dede bestaen in GWlen te predekene, Sp. II*, 16,
3. Die u . . desen berch lanc over to lopene dede
bestaen, Bein. I, 563. — De onb. wijs als znw.
gebruikt. Onderneming. Nog heden gebruikt in de
uitdr. een stout bestaan. \\ In allen orboren . . so bsI
hi voer dat bestaen ghereescap doen te maken,
Melib. 2471.
b) Op zich nemen, op de schouders nemen, at»-
vaarden. || Doen gaf h^i (het keizerrijk) . .yfUltwA
sinen neve saen, diet vromelike heeft bestaen,
Yelth. I, 2, 12. Dat ghi des menscen bederre j
bestaet, zijne bekommeringen op u neemt, sijne
belangen behartigt, Blisc. v. M. 1431.
c) Beproeven, trachten, pogen. \\ Omme datrike
van Asia, hoe dat hgt winnen besta, Sp. V, 71,
5. Men sie , dat men ter spoet besta , hoe dat men
Barlaam geva, Sp. IV, 16, 7. Dat vier dat groet
was ende sterc wilden si te blusschen bestaen,
Boerden X, 26. Die den berch souden bestaen te
winnen, Bijmb. 29836. Wilwi dese heren bestaen
te werpene uten hove? Verk. Mart. 2. — Ook in
den zin van beproeven, de proef newten. || Die twee
weghen heeft bestaen, die weet wail, welc bestu
ghegaen, MLoep 1, 961.
d) Wagen, durven, durven doen, meest met den
2den nv. verbonden. || Dat hi szwemmens wonde
bestaen , dat hij het maar wagen zou over te zmemmtA,
MLoep II , 186. Wye des bestaet , verwervet schande,
2600. Sy en haddes nymmermeer bestaen, III,
226. Nu misdoedi alte zeer, dat ghi schimpens
dus bestaet mit uwen armen ondersaet. IY,1142.
Ie bem die gone dies niet en bestaet, dat ie
wille dat men verslaet goede riddere ende coene,
Alex. II, 671. Hi hads bestaen, die sere was
vroet, Bijmb. 18637. Men bestont (waagde hd)
daer ende men vacht. Franc. 5829. Sone sondic
niet durren bestaen, durven wagen, dat ie datf
over sonde gaen. Wal. 5047. Daer ne was gheea
so stout, die hant ane mi bestondt te doene,
5592. Die ander sprac: ie wilt bestaen, 8580.
9) Bij uitbreiding. Verrichten, ten uitvoer brengen
uitvoeren, doen. || Sine willen niet bestaen enige
doecht (eenig goed werk verrichten) noch anevaen,
Lucid. 3876. Als si yet archs willen bestaen, Xip.
I, 7, 74. Datmen met haesten bestaet, siet men
dicwile dat qualijc gaet, Melib. 415. Wel soete
wrene, nu moeten wi wonder bestaen, wondere»
doen, ie ende ghi, Segh. 6646. Al eest n te doene
swaer, het sal ymmer also sgn bestaen, 308 var.
Wildp voert aldus bestaen, ghi sout noch goei
ridder sQn, 1650. Yoer mi heeft hgt bestaen,
9486 var. (tekst: ghedaen). Dat hi altehant be-
staet, Sp. 11% 28, 64. Als si bestaen dat reckt
(de gebruiken opvolgen), dat es dat sine dwaen,
II', 48, 99. Si ginc te rade metten Heren, vat si
haer rieden te bestane, Stoke III, 1012. Goede
wercken te bestaen, MLoep 17, 955. — Boef
bestaen, rooven, plunderen. \\ Mordenaren , die
roef bestaen , die lude wonden ende slaen , Leti. N.
W. 5*, 30. — Pine bestaen, moeite doen. ||
Dat si niet bestaen de pine meerre broeders altoos
te sine, Franc.SOdS. — Den dienst, dat ambt
bestaen, het waarnemen, vervullen. \\ Dat si
gel^c bisscopen gaen, alsi den dienst Gods bestaen
met mitren, met staven bede, Yelth. I, 18, 49.
lu ammet nu bestaet gelgc of gi een coninc waerU
Merl. 10210. — Enes raet bestaen, hetselfde
als enes raet doen, hem opvolgen^ ten mttoer
brengen. \\ En wildi niet sgn bescouden . ., so
moeti minen raet bestaen , Ben. 505. — De onb. wjs
als znw. gebruikt. Bezigheid. \\ Als hi dus in desen
bestane (hiermede bezig, dit doende) wanderende
cam bi Bevane , Franc. 6445. Alse hi was in desen
bestane (hiermede bezig was), quam een ridder an
4405
BEST.
BEST.
1106
hem geyallen . ., diene doe van achter bestont
{aanviel), Lanc. II, 26771.
10) Opzoeken, bezoeken, ergens heen gaan; lat.
petere. \\ (Ie) maecte mi dane, d wilde Egypten te
bestane, Sp, III^, 27, 97. Hier en es so condich
noch Boe goet, ie en sal hem bestaen doen syn
graf, Troyen 4676.
11) Uitstaan, te verduren hehhen, \\ Den anxt,
die ie daer bestoet, en leedic noch om gheen goet,
Béin, II, 6503.
12) Met den 4den nv. van een gestorvene.
Zijne uitvaart vieren, hetzelfde als het meer ge-
wone bega en (zie ald.). || Wümen den doden be-
staen, soe moeten oec twelef onser borgher met
hem eten , Stadsr, v. Zwolle 108 , 162. Als die dode
bestaen is, ald, Alsmendendodeeerdet of bestaet,
109, 163. Als die dode gheërdet of bestaen is,
ald. 164. Als men den doden bestaet in der kerken,
ald. 106. Als men enen doden bestaet, so en sal
men daer niet meer over hebben dan twee stal-
keersen , ald. Yan offeren als men den daden bestaet ,
110, 167. — De plaatsen, waar het deelw. gebruikt
is , bewezen , dat men hier niet te doen heeft met
het WW. besta den, deelw. bestaet (zie ald.),
waarbij ook steeds de bepaling tereerden ge-
voegd wordt. Ygl. ook bestandenisse.
13) Als rechtsterm. Bestaen zQn. Met den 2den
nv. der zaak. £ig. tot iets , b.v. de betaling eener boete,
gehouden, verplicht zijn-, zie Ben. 2, 580a; bg
nitbr. in de nitdr. des gerechtes bestaen
snn, voor den rechterstoel moeten verschijnen. \\
Wie jemene doot, die sal s^n bestaen des gherechts
jnijn, Tien PI. 983.
III Onpers. — Mi bestaet van %jïQii.,ikheb
met iemand te maken, hij gaat mij aan. \\ Ie weet
wel, dat hl mi niet gheteme ende mi niet en be-
staet van heme, ende hem niet van mi te rechte,
Flor. 780. Yan di bestaets (des overtollig ;vgl.bQ
AENGAEN en afgaen) mi clene no groot, qutd
kaheo tecum commune, Bij mb. 22367. — Ygl. ONZ.9).
Aanh. — Bestaen komt te onrechte voor op
de volgende plaatsen. Segh. 4444: „Al s^n mgn
oren ofghesleghen , dat bestaet niet twint," lees:
dan (dat en) bescaet mi twint. Zie bescaden.
— Wrake I, 196: „Doen hi sach, dat niet en
bestoet^'' lees: bescoot (: groet). Zie b^ bescieten ;
200 ook Lsp. 1 , 23 , 38 : „ dat hem niet en bestoet
een haer," lees besloet of bescoet;Y&r.bescoet.Yg\.
BES LU TEN. — Lonc. lY, 9729 : „ In can vertellen
thonderste deel vander feesten niet geheel, alsoe alse
dlat^n besteel," lees: beseeet, d. i. mededeelt. Zie
BKSCEDEN. — Lanc. II, 16100: „ Hets soe verloren ,
datmen gene dinc vort ne mach bestaen van hem,
diere in gaen cleine ocht groet," lees: verstaen.
* BESTAEBLIKE. Hs. v. 1423, 208c {Soec der
fFiJsh. 4, 5) leest men: „Bestaerlijcke scoten en
snllen gheen hoghe wortel gheven noch setten
ghestadighe vastheit ", ter vertfding van lat. : „ adul-
terinae plantaiiones." Men zal het woord bestaerlike
wel op te vatten hebben als eene schrijffout voor
bastaertlike, eene niet zeer gelnkkige, maar
denkbare vertaling van het lat. woord adulterinus.
BESTAKEN, zw. ww. bedr. Mnd. bestaken; mhd.
besiêcken, ofschoon beide in eene andere beteekenis.
Staken, een einde aan iets maken. Ygl. onze uitdr.
een stokje ergens bij steken. || Dat hj te Delfos
wilde varen, ende daer dancken AppoUyne , dat hy
had bestaect syne pyne, TrogenlOl^O. — Hetmnl.
bestecken heeft de intrans. bet van blijven steken
(Lexer 1, 226).
BESTAL. Zie bistal. Hetzelfde als b i s t a n t, hnlp.
BESTALLEN. Zie bestellen.
BESTAMMET, bnw. Slechts in de nitdr. een
bestammet goet, leengoet of hofgoet,
een goed, dat aan den stam van den bezitter werd
ver intocht geacht. Zie Bacer 3, 54 vlg. || Wanneer
eyn hofvrye an hem copet ofte cryget eyn alink
gans vrye gnedt . ., versterve he daer inne ende
verervet dat alsdan van den enen hofvryen op den
anderen . . , ende van den (dien) tot den derden . . in
der selver echte (hoorigheid) wesende ende blyvende ,
soe wort dat angekofte gnedt voors. eyn bestammet
hofvrye gnedt, dat is ^ verstane, dat tselve be-
stammede gnedt vry blyvet, Bacer 4, 267 vlg.;
vlg. 3, 54 noot en T. k Sande, Consuet. Feud.
Tr. prael. ,c.Jl,% 7: Op een ghekoft dienstman mach
ghestammede leen niet erven.
BESTANDEN, st. ww. onz. en bedr. Oorspron-
kelijke vorm van het meer gewone bestaen (zie ald.).
Onz. — 1) Behooren tot, bij (vgl. bestaen
onz. 8). II Ofiïanden die ter ouder wet bestanden ,
mjmb. 6253.
2) Verwant zijn, in den bloede bestaan {ald. 14^).
II Ie wil gaen soeken die mi bestanden, Segh,
798. Dns wil ie soeken aventnre harentare after
lande, tes ie vinde die mi bestanden, 1158.
Bedr. — 1) Aanvallen, oan/^^ffi , van personen
en plaatsen (vffl. bestaen bedr. 1). || Soe sondsi
. . bestanden die van bnten, Segh. 10338. Om te
bestandene Anthonia, R^'mb. 32899. Doe ment
{Goude) eerst bestanden sonde, Stoke X, 318.
— Ook in den zin van aanranden. \\ Als si sach
haren man tkint bestanden dat hi wan, Segh. 2257.
2) Durven, wagen (ald. 8i). || In dar bestanden
jeghen hem spreken gaen , ik durf het niet wagen,
Limb. III, 584.
BESTANDEN, zw. ww. onz. Mnd. bestanden.
Yan bestant (zie ald.). £en bestand, een wapen-
stilstand sluiten. || Die een van ons en sall bnten
den anderen nyet bestanden, vreden noch af-
zwoenen, Nyh. 5, 83.
BESTANDENISSE, znw. vr. Yan *M^a«» in den
zin van de uitvaart vieren (bedr. 12). Hetzelfde als
het meer gewone begankenisse (zie ald. 2^). Plechtige
uitvaart, lijkdienst. Hs. 71 staat als opschrift
boven Joh. 11 (de opwekking van Lazams): {Te
lezen) op bestandenisse ende op jaertide.
BESTANDICHEIT. Zie bistandicheit.
BESTANT, znw. o. Mnd. bestant-, mhA. bestant,
bestands. Yan bestaen, in den zin van blijven staan
(onz. 1). Het op zijne plaats blijven, het zich van
vijandelijkheden onthouden, wapenstilstand.Ygl. „het
twaalfjarig b e s ta n d." || Alst was bnten bestande
reisde ele op anderen, Orimb. I, 2865. Lnden, die
hoir goed ghenomen ward binnen dien bestande.
Mieris 2, 208a. Yerde, bestand ende seker tgt,
es van twiste een overl^t, Denkm. 3, 5, 107. Zy
bat den coninek om bestant een deel daghen eermen
weder vechten sonde. Die coninek antwoerde : „ lek
en wil n niet een nre bestants gheven , Oest. B. c.
173. Zie verder O VI. Lied. e. Ged. 342, 801; VI.
Bijmk. 4826, 6766, 7789, 8834 , 10013 ; Dwiwi. 3,
138, 206; MLoep I, 2230; Oorl. v. Mbr. 52; Bek.
d.Cam.3,50. — Het in een bestant legghen,
een bestand, wapenstilstand sluiten. \\ Het es in een
bestant gheleit {var. het es eenen vrede gheset) tote
sondaghe dat ondergaet de zonne, Denkm. 3, 135, 122.
BESTABFTE. Zie besterfte.
BESTABCHEIT, znw. vr. Hetzelfde als starcheit.
Sterkte, kracht. \\ Bestarcheit ende schoenheit is
haer cledinghe , D. B. Proverb. 31 , 25 QAÏ.forütudo
et decor.
1107
BEST.
BEST.
BESTE, snw. yr. Andere schryfwijze Toor i^^f ^
Oat. hêttia, ofr. bette). Vod. Mue. 1, 73, 26;
Oarl. V, Albr, 69; Nat. BI, XII, 1348; e. e.
BESTE. Zie best.
* BESTEDE (besteede). Verkeerde leaing voor
besechede, Vi. Bijmk. 3005 : „daer naer berechte
hi andre besteede ;^* weet hij andere zaken uit, Vgl.
Y8. 3003: besoengen^ waar de tekst te onrechte
hestringnen heeft. Zie besechede en besoenoe.
BESTEDEN , zw. ww. bedr. en wederk. (impf.
betteedde en bettêidde, deelw. betteet en betteif),
Mnd. besteden; mhd. bettaten, Tan ttede (zieald.).
Vgl. bestaden.
Bedr. 1) Plaatten, aan iett QÏ iemand zijne plaatt
aannnjzen. || Het wert ten joncsten daghe claer , daer
di God sal besteden met sinen lieven leden, Wap,
Mart, I, 856. Rogier, Gods outfaermicheit moet
Jacoppe hebben bestelt, daer ie gherne qaame,
Wap. Rog, 53. — Fignnrlgk. In enes herte
beste det sQn, in iemandt kart gep/^attt , geplant ,
gegrondvett zijn, || Si es coninghinne in mire herten
gront, daer si es bestedet inne nn ende oec taller
stont, on. Lied. 11.
2) Wegbergen, vegtluiten, aan iett eene veilige
plaatt geven, het bewaren. || Die tsmeets hamer
wille besteden , salne {den tmid) doen van smedene
yreden, Wap, Rog. 826. Laden omme tghescot in
te bestedene, Invent. v. Brugge 4, 95. Jnstiniaen
besteidde dat algader bin sire kemenaden , Flandr.
1 , 219. In die kerke hyt (dat vingerlijn) doe brochte,
of hij t ieweren besteden {var. bestaden) conde, Sp.V,
61 , 12. Dat menre in {in den koffer) so mochta
besteden die jnwele van sconincs croene, 11^ , 6, 79.
Dese dinghen besteedt {mettet en tauf) in uwe
kiste of in nwe scrine ende uwe andre jnweelen
legt in n fortsier, lAvre d. Mett, 5. Dat hem over
blijft, dat besteet hi in een heymelike stat, daer
hijt vinden mach als hi hongher heeft, Barthol.
744tf. Want ghijt {het tacrament) met eren weet
te besteden nae syn weerde, Sacr. 211. Hi be-
steedde die wapine ende hevet saen tpaert npten
stalle ghedaen. Wal. 3005. Die vos bestedet {het
zwaard), 5173. (Hi) beval den andren ter vaert,
dat elkerlijc bestede syn swaert, 7575. Neemt eke
noten . . ende legse in asiin . ., daerna drogese
. . ende besteetse, Lanfr. 106r. Ziele, nu hebstu
vele goets besteet, opgelegd, weggeborgen, vergaderd,
jeghen vele jare, Ht. v, 1348, 158a {Luc. 12, 19).
Zie nog Cout. v, Brugge 1, 385. — Te be-
stedene geven, in bewaring geven. \\ Syn aecz,
die hi syns sculdenaren wyf ghegheven hadde te
bestedene, OFl. Ged. 2, 323. De prinche vraghde
den werdt, oft de mdders hem niet en gaven te
bestedene, Cron. v. Vlaend. 1, 41. So souden sy
dat ghelt . . der wairdinnen geven te besteden,
Matth. 101. (Si) gaven der vrouwen tghelt te be-
steden, ald, — Tautologisch is de uitdr. be-
steden te bewaren, aan een ander ter bewaring
toevertrouwen. || Ist goet, dat men mach driven
of draghen . ., die rechter sal dat goet besteden
te bewaren, 86, ald. Men moet dat goet besteden
te bewaren, als voirs. is, 88.
3) In zijn gemoed wegleggen, ter harte nemen,
beoefenen. || Mensche, hen {de gebod-en) sAsohesiee,
alsoe se God ghegheven heeft, Tien PI. 2476.
Van den ghenen, die vroescap hebben leit,dieno
doghet no redene int herte en roeken te bestedene,
Etop. I, 15.
4) Met toevoeging van ter erden. lemandt ttoffe-
lijk overtchot wegbergen , bijzetten , ter aarde bettellen.
II Die Joden en sal nieman ter erde besteden dan ,
Wrake U, 956. Dat die Ttn binaei eeriih m
Cjpre den coninc rike ter erden besteden hia
Limb. IX, 879. Vgl. bestaden, en M- *it/*aai
5) Plaatten, van de hand doen, Pcri0qpA.|!te
alle coepliede . . sekerlec selen gaen ende kem
ende haer comescap {d. t. comenicapjbeitadaKv
de Mase ende op desside, Brak. f. TI, KiSI
6) Geven, wegtehenken, Toomameljk net k
obj. h e rt e. || In mochtae {mijn hart) niver bestek
bet, dan daer icse hebbe geset, Lêm. IT, ^
Myn hertze heeft mi ontstreden ene die uéÉt
creature. Ie wil (/. wilt) au nienen el boteéa,
OFl. Lied, e, Ged, 67, 14.
7) Bene woonplaatt aanwijsen otmiemMtiyimi
aan een minderjarige , een kind ter versoryi»§ kt-
vertrouwen. \\ Dit kint sullen wi besteden, %i
295 en 305. Dat hi (dat kind) . . bestedet etifle
man, diet ophielde tot sinen jaren,Jlf£0^ 1,193$
S) UUhuweUjken, meestal met bgvoefiafm
te nuwelike. || Oec so en conde hertog)ie Jat-
zjn kinderen nergens eerlic te huwelic besteda,
Exe. Cron. ISbd.
9) Iet — , iett betteden, plaatten, ee%[^
gebruik van iett maken , {iemand) iett tekente» »b «w
guntt. II Een monech oec . . quam op een merie ^
reden. Hort hoe hise nn sal besteden : enei cnapc ha
hisegaf, Velth. IV, 33, 52. Men gaf den lieik|«8
man goets genouch, want eiken dochte, ditisi
niet bet besteden mochte, 1^. 111% 60,70.Setki
ter taflen ende doeten eten; ghine connesno^
{aan niemand) bat besteden , want hi es n niat
ter noet, Belg. Mut, 10, 82, 200. — Ook ia fei
pass. met eene bep. met a n e. Iett it wel ta
iemand betteed, h\j it het waardig, kif hitfte
recht op. || Al waert van claren woekemittei f
souden den volke wel bedieden , dat wel bestifi
ware an henlieden {dtU dat geld man gtm ma-
diger per tonen kon getchonken worden), ende gb«Ta
hen paerdoen , Fraet 2027. Omme te deelie ok
te ghevene den armen daert an besteet wm
omme de minne van Gode, Invent. v. Bruffei,
346. Omme . . . provenden te gheven daert ke*
lieden bestelt (d. i. goed betteed; zie b| ^^
staden, 9) zal (dinken?) wesen, 4,36. — ffieilK
behoort ook Wap, Bog. 1342. ||Mgn zinbibiven
wel bestelt, mijne bedoeling valt bij • iafodt
aarde, it bif u op hare pUuitt, wordt goei begrrfe^
10) Verrichten, doen. \\ Merct an hu selTciallc
die leden, ende besied den dienst, die si besteda.
Amand I, 4576.
11) Janbetteden, uitbetteden. |j Omme te b^
stedene de brexemen die tebroken waren is ^
dyke, Invent. v. Brugge 5, 356. Dat besteidt f»s
een ghedelf, 451. iSin zelt die rechter besteda
te diepen off in te halen, O. K. v. Roit. 51,1^
Daer tejnden macht {het tUk) die rechter bestedei
off te doen op der gheenre cost , die tgoet hv
is, O. r. V. Bott. 61, 175; vgl. 174. Soo f«
schouwe beschouwet wert ter deraer schonire eii<
bestedet, O, K. v. Enkh. 27, 136. So sal ^»{if
krengen) besteden wech te doen op des ^bcao
cost, djese toebehoirde, K. v. Brielle 134, 4. &
nog O. K. V. Delft I, 30 (tweemaal); Leid^ te^
Gloss., en vgl. bestaden.
12) Bettellen, laten gereedmaken, || Doe hi di^
bier dair bestede. Bek, d. Gr. 2, 409. Doê b«
dat bier bestede te brouwen tot Alcmaer, 531
Aanm. — Besteden, Sp. III*, 21, 65:, Doe*
en consten si niet met vreden tlant besitten wad
besteden ," verandere men in besceden, d.*
ordenen, regelen, betturen. Zie besceiden 7).
.2:^
1109
BEST.
BEST.
1110
Wedérk. — Hem besteden, ziek verhwrmy
van dienstboden enz. Ëig. snch plaatsen^ zieA eenê
betrekking {plaats^ bd. eine stelle) verschaf en, Ygl.
BESTEBTSTER. || Soe we sich bestedet in enen
dienst bynnen Groninghen, de sal den dienst
holden, Stadb, v. Oron. YIII, 39 (van de sieh
bestedet toe dienste), Wair enicb wyester off ofsteker ,
die hem besceden (/. besteden) te werken daer sj
niet en qnamen, R, v, Vtr, 1, 242, 11. Hem
besteden met enen, giek hij iemand verhuren^
Oeat. Bom, f. lOt?.
BESTEDIGEN (ook in den samengetrokken
Torm bestegen) , zw. ww. bedr. Hnd. bestedigen ;
mbd. bestatigen. Bevestigen, bekrachtigen, Ygl.
BESTADIOEN. || Yortmee bestege vir yronwe van
fichonecke mit desen brieve alsnlge brieve ind
Torworden enz., Nijb. 2, 60. Dat wi onser liever
stat . . van Arnhem . . bestedigen, vesten ende
genseliken conflrmiren alle haere . . privilegiën,
3 , 5. (Dat wij) geconfirmiert ende bestedicht hebben,
confirmieren ende bestedigen . . alle privilegiën,
4, 4. Zoo ook 5, 95^. Om hem . . inder recht-
▼aerdicheyt te bestedighen , Boee v. d, L, J. 22a. Dat
hi verworve aen den paeus . ., dat hi dat voer-
ghenoemde spetael bestegede, J). Orde 209. Be-
stedighen mit hantvesten end mit privilegiën, zo
wat hem in gheesteliker gaven van goeden laden
ghegheven wert, 210. Dese . . oerden . . hebben
. . menigherhande pawese . . verlucht ende be-
stedighet mit menigherhande vriheit ende privi-
legiën , 212. Dat hi dese ghezette vastelike houde
ende hise mit zinen inghezegele ewelike be-
stedighe, 313.
BE8TEDIGINGE , znw. vr. Bevestiging, ver-
sterking, bekrachtiging. || Utercorenheit dats also
vele alse ene bestediginge der ercorenheit, Limb,
S&rm* Xoc,
BESTEDINGE, znw. vr. Aanbesteding. Nog in
gebmik. || Yan den voors. ghedelve , twelke anghe-
nomen was by diversche persoonen in 24 be-
atedingben, Invent. v. Brugge 6, 451.
BESTEETSTEB. Zie het volg. Art.
BESTEETSTERIGGE , znw. vr. W.-Ylaamsche
vorm van besteetster. Ygl. -ege. Besteedster,
zij die dienstboden plaatst, htm eene betrekking
bezorgt. \\ Roberte die besteetsteriggbe verhnert
joncwiven ende knapen ende menighe voestre int
jaer, Livre d. Mest. 38.
BESTEGEN. Zie bestedigen.
* BESTEIDELIKE, verkeerde lezing voor be-
Bceidelike, Brab. T,, dl. 2, bl. 641. Zie ald.
bgw. 4).
BESTEKEN, st. ww. bedr. en onpers. Mnd.
heeteken; mhd. besteeken, hoewel in andere be-
ieekenissen. Yan steken (zie ald.).
Bedr. — 1) Met een scherp werktuig, steken,
aantasten, en in het alg. aanranden, aanvallen. \\
Die papen connen vele beraet; ie besteecse harde
node, Sein. 1, 1196.
Aanm. — Besteken: reeken, Orimb. II,
112 vlg. , moet veranderd worden in besoekeni
roeken', zie Tijdsehr. 1, 133.
2) Met den 4den nv. der zaak. Iemand iets inblazen ,
tem. door listige woorden, heimelijk voor iets winnen.
Ygl. het lat. insinuare, instigare, en onze nitdr.
i^m, iets insteken. || Die Geldersce . . . hebben
vernomen dese saken; aen eneghe dat sQt soe be-
staken . . ., ende die brachtent soe verre vort..,
dat qnam tot eenre dachvaert, ^ra^. T. YI, 11026.
3) Bezetten, opvullen, voorzien. || Twee hoofden
ghemaect an twee polderkins . . ende die te be-
stekene ende te crammen met stroo orame de be-
hondenesse van den dycke , Invent. v. Brugge 5 , 356.
Onpers. ~ Het besteect mi, eig. het prik-
kelt mij aan (vgl. het pikeert mij), d. i. ik heb zin,
lust in iets ; ik voel mij tot iets aangeprikkeld. \\ Zeder
heeft gheweest z^n zede, dat hi die zonden wrac,
nn hier, nn daer, alst hem bestac, X«jd. 1 , 30 , 28.
Selc kejser oec, alst hem bestac, den pans ate
sinen stoele stac, II, 60, 87. Bestaect mi , ie sondi
te handen hier beten doen met groten scanden,
Lanc. III, 14835. Aldns voer te meneger stont
die hertoge Jan van Brabant in sire viande lant,
alst hem bestac, met overmoede, Heeln 2087 (de
verklaring van Willems aan den voet der bladz.
is onjuist). — Ygl. besteken.
BESTEL, znw. o. Eig. stam van bestellen (zie
ald.). Gedrag , karakter. Ygl. hem bestellenl).
Tegen iemand die zich boos maakt, zegt een
eremiet; |) Kint, blijf te vreden {kaVuC), dat radic
wel ; de pais Gods zi in dgn bestel , rust en kalmte
moeten in uw karakter zijn, in uw karakter merk-
baar wezen, OVl. Lied. e. O. 608, 469. Ygl. het
tgw. gestel, dat echter voornamelijk van het lichaam
gezegd wordt.
BESTELEN, st. ww. bedr. Yan *Ap/^ (zie ald.).
1) Stelen, ontstelen; ook met den 3den nv. van
den pers. || Coninc, die scat was bestolen : ne waer
hi ooc ghestolen niet, daer ware die mort bi
Shesciet ane n lijf, Sein. I, 2162. Numerketdes,
at het (het bokje) niet bestolen es , Sijmb. 15333. —
Dat hi (Jezus) hare bestolen ware, 26780. Alse
hi dns wast verraden , wart hi (de steen) hem des
nachts bestolen, Sp. l" , 56, 28. Dat hi (Jezus)
hem bestolen ware, I^ , 96, 62. Hi es ons be-
stolen nachts bider apostelen laghen, I^ , 96, 52.
Dat soe (Blansefher) mi wort bestolen, Flor.2S16
var. (in D. War. 1, 608, 307). Yan eenen . . .
selverne nappen die bestolen was. Bek, v. Zeel. 2,
217. Yan Symon ... die scaep bestolen haddenp
die heemisse in Malland, ald. 270. — Enen dat
lijf bestelen, iemand, op eene listige wijze van het
leven berooven. || Wie hem tiyf hadde bestolen,
Sp. I«, 29, 64.
2) Wegstoppen, verbergen. \\ Die hadde heymelike
bestolen hondert propheten in twee holen, Bijmb.
12613. Soe {de kat) bi nachte in donkeren holen
vint mnse, die hare sijn bestolen, die zich voor
haar verborgen hebben, Nat. Bl. II, 2849 (var.
verstolen, bescolen).
BESTELGELT (bestellegelt), znw. o. Yan
bestellen 9). Zie ald. Het geld, dat men den ge-
rechtsdienaar (bode) betaalt voor het arresteeren van
iemand of iets. Ygl. het mhd. bestelle-tac. \\ Die . . .
den 6d. i. van den) bode had begeert eenen man te
bestellen tot sjnre behoef ende boet hem syn be-
stellegelt, Matth. 192.
BESTELIEE. Zie beestelike.
BESTELLEN (bestallen, bestillen), zw.
WW. bedr. en wederk. (praet. bestelde, enbestalde;
deelw. bestellet, bestallet, bestelt en bestalt). Mnd.
bestellen; mhd. bestellen, Yan stellen (zie ald.).
Bedr. — 1) Bezetten, vooral met gewapenden.
a) Van bezetting voorzien. || Alsnlke hayse, sloete
ende vesten, alse wi . . . bestalt ende beseten
hadden , ontsetten , Nijh. 2 , 116. — Yandaar bestalt-
brief in de noot 3 , aid.
b) Belegeren, insluiten, || Weer oeck , dat ennich
van ons sijn slot offte stat bestallet, belegen off
betymmert worde, III, 869. Oft gevyel, dat die
eertzbisscop ... off die syne . . . der stede . . .
een off meer bestalden, lY, 206. Also . . . her
1114
BEST.
BE§T.
1H2
Wilhem . . . ind die stad Arnhem . . . eyne wiele
tijtz . . . sweerlicken mit heerkracht belacht ind
befitallet (is), Y, 89. (Si) hadden die stat al om
ende omme bestelt mit ongetalliken wapentaers,
Matth. Jnal. 3 , 174. Hi bestalde ende wan Merode,
Gelre, Wapenb. 103. Dair na . . . bestalde hi ende
belach een sloot hiet Hamersbach , 104. Die Grave
. . . besat ende bestellede dat . . . casteel omtrent
een jaer lanck, Matth. Jnal. 181. Zoo ook 176,
323, 328, 386. (Si) togen rechtevoert voir Amersforde
ende bestelden dat alomme, Clerc 119. — Zoo leze
men ook de , Ondem. 1 , 558, op bescallen aangeh.
plaats, voor bes cal de.
2) Bezetten y vervullen ^ betrekken. \\ Ie bidde n,
wilt ghi desen nacht die wake bestellen, Exc,
Cron. 243^.
3) Orde stellen op , in orde brengen , inrichten. || So
eerliic besteldi sconinx dinc, dat (/. dats) hem
belove (/. belovede) die coninc, Limb. V, 1747. Hi
. . . voorsach al ... die ghebrekenessen van der
stede, ende besteldet al in suiker wyse , dat menne
met rechte wel mach prisen, Amand II, 301.
4) Besturen^ beheer en. \\ Datmen bestelle alsoe
sheren renten, dat hi ghedoe eerlij c na sinen staet.
Lep. III, 13, 61 var. {de tekst heeft bestimme).
5) Ook met den 4den nv. y. d. pers. Besturen ^
leiden y onderrichten. \\ Die coninc van Yranckeryke
was te Pevele eenpaerlike ende halp bestellen
tfolc aldaer, Amand II, 2775.
6) Voor iets zorgen ^ moeite doen^ zich op iets
toeleggen. Ygl. ons bestellen (b.v. in: zoo heb ik
het besteld)^ en ons znw. bestel^ d. i. zorg^ bezorging ^
bestuur. II Yort sal sy . . . mit emste bestellen,
dat . . die ghene , die joncfron Aliden van Poel-
gheest ende Willem Cnser bi nachte doot sloeghen, . .
aengetast worden ende gehouden, Brab. Y. Dl. 2,
bl. 683. Desgeliken sal hy . . mit ernst bestellen ,
dat Jan vander Maelstede . . ende anderen . .
sullen mit horen live ende goede aengetast worden
ende gehouden, ald.
1) In een zekeren toestand brengen ^behandelen. \\
Wy suUense {de Christenen) bestellen nae haer
recht, behandelen zoo als zij verdienen^ Sacr. 675.
— Yandaar het deelw. bestelt in de bet. in een
zekeren toestand ver keer ende. — a) Van het lichaam ,
vooral in ongunstigen zin. Slecht er aan toe ^ in een
slechten toestand ^ ongelukkig ^ rampzalig. \\ Wistijt,
hoe si sijn bestelt, dien (d. i. die en) hebben no
cleder no pant no geit, ende altoes thuus een
quaet wyf vinden, 3 Vag. H. 67. — b) Yan de
ziel. Gestemd^ gehumeurd. \\ In hoerde noit van
quaden wive, die noit aldus wel was bestelt, 306.
Ghevader, hoe sidi dus bestelt? Hoe hebdiusel ven
dus vercocht, 364.
8) Besteden. \\ Omme te wetene, wie men de
voers. aelmoessene gheeft ende bestelt , Cannaert 92.
— Als rechtsterm.
9) Met den 4den nv. van den pers. Beslag
leggen op^ arresteeren. \\ Buten redenen ende
buten besceede beleed ende best^Uet, Invent. v.
Brugge 2, 469. Dat recht van daghen ende be-
stellen, Matth. 85. Dat hy van den clagher aldair
ghedaecht of bestelt was, 149. Enen man te
bestellen, 192. Zoo ook 82, 58, 86 vlgg. passim ^
184, enz. So mach een poorter enen gast van
buten . . . becommeren ende bestellen bynnen
der vryheit van onser stede . . voir pennincscult
of anderen schade, die hi np him te daghen
hadde, Oorl. v. Albr. 315. Zoo ook K. v. Brielle
10, 7; 11, 11; 55, 6; 70, 3.
10) Met den 4den nv. der zaak. Beslag leggen
op. II Elc mach voer zyn hnyshnyer in zijn hnjs
bestellen sulc goet als hi daer in vint, mittei
bode , O. K. v. Bott. 29 , 79. Yan zulken schiepei
ende goeden , als tot Campen ende anderswair indeü
gestichte bestellet hebben geweest, Oorl. v. Alhr.
359. Scepe ende goede te bestellen ende te besetten,
501. Zoo ook K. V. Brielle 11, 11; 55, 6; 147 ü.
Bestelde goeden, Matth. 90. Yoort soe bestellen
ende bezetten die schout ende goede Inyden . .
alle alsulck verdient loen , als enige boden verdient
hebben, totter tijt toe, dat sy huer hooftgelt be-
taelt sullen hebben, O. R. v. Dordr. 1, 332, 141.
Wederk. — Hem bestellen.
1) Zich gedragen j zich houden , zich aanstellen. \\
Ie wil noch eens blasen minen horen ende besiea,
hoe si haer bestellen sal, Lansl. {H) 366. Want ie
hebbe noch meer ghesellen, die hen selve also
bestellen. Spreuken in Anz. 5, 342.
2) Zich gereed maken , in staai van tegenweer
brengen. Ygl. HEM BESETTEN en hem besaten. |1
Wi selen jeghen there uuttrecken ende ons be-
stillen ( : willen) , lAmb. XII , 130.
3) Zich begeven in iets. \\ Die in hilic hem be-
stellen, Hild. 155, 203 var. Want si in onrust
hem bestellen sonder noot mit vryen wille, 170,
36. — Ook in den fig. zin van zich in iets verpen^
zich met iets bezig houden, afgeven; in iets op-
gaan, II Die hem in zonden laet versmoren, waer-
hede ne kenne no wille horen, ende (ni. hem) u
dese werelt so bestellen , si moeten ewelike quellen,
XII Art. d. O. 57 (in Anz. 4, 70). Si doen oec
ledighe traghe ghesellen hem an quade wive be-
stellen, N. Doet. 937.
BESTELLINGE , znw. vr. Mnd. bestelUnge; mhd.
bestellunge.YAn bestellen, 9); zie ald. Arrest, beslag. |]
Die daghinghe of bestellinghe sal die bode doen van
sHeren weghe, Matth. 85. Of een poirter die
bestellinghe ghedaen had, so sal hyt den rechter
of bode segghen , 86. Zie verder ald. passim en 138.
BESTEM, znw. o. Yan bestemmen (aie ali).
Datgene, wat men bepaalt, goedvindt \ goedvinden,
wil. II Hi gafse in Lots handen benaet (/. bevaet,
zie bevaten), mede te doene na sijn bestem,
Taf. Lev. Jez. II, 3 (= Belg. Mus. 3, 280).
* BESTEMDE. Yerkeerde lezing voor bestede,
d. i. geregen {nl. mouwen). Mieris 2, 3414. Zie
op besten.
BESTEMMEN (bestimmen) , zw. ww. bedr. Mnd.
bestemmen; mhd. bestimmen.
1) Aan iets, vooral aan geld eene zekere be-
stemming geven , het voor een bepaald doel gebrmie»
of besteden. \\ Nemt tswinsich {d. i. twintich) grote
unde bestemse wael in zeevissche {et les empkiez
bien), Hor. Belg. 9 , 78. De welke vyftech ponden . .
men bestemmen sal bi den rade van . . den voeckt,
Cout. V. Oent 527.
2) Tot zijne bestemming, ter bestraider plaalss
brengen. \\ Op die selve tyt reet Symon . . tot
Egmonde . ., om tbier te bestemmen, dat in der
plaiten ghebroken was, Oorl. v. Albr. 111. Om
mijns heren pairde te bestemmen, 325.
3) Figuurlijk. Tot zijne bestemming brengen, oen
zijn doel doen beantwoorden, leiden, richten. \\Uff^
dat wise {de zielen) bestemmen moghen, dat si
Gode moghen doghen, Doet. III, 783.
4) Besturen, beheer en, van goed. {| (Dat ghi)
uwes Heren goet also bestemt, dat ghi van Hem
niet en wert ghewent. Wrake III, 79. (Hi) s»l
bestemmen ende beleiden sgn goet ter bester
baten , Xj?>. lU , 9 , 30 ( = Hild. 97 , 30). Als
een drossate . ., die bestimt sijns heren goetiaae
4113
BEST,
BEST.
1414
tgoet en heeft niet die drossate, maer hi be-
stimmet ter meester bate, DocL II, 8416. Datmen
bestimme alsoe sheren renten , dat hi gbedoe eerlijc
na sinen staet, L^. III, 13, 61.
BESTEN, zw. WW. bedr. Mhd. be*ten\ nrnd.
basten; vgl. bestinge (LtLbben 1 , 290). Ohd. 6^«^an ;
hd. beiteln. Kil. 63: besten, leviter eofuuere,
Yan bastj d. Lband; zie ald. en vgl. driegen , en
OPBESTEN en ONTBESTEN.
1) Bijgen , toerijgen , met groote steken vastmaken ;
in het mnl. bijna nitslnitend gebroikt met het
obj. mouw e, de mouw over de hand dichtrijgen ^
hetgeen dikw^ls met gouddraad geschiedde; zie
Weinhold , Die Deutschen Frauen 442 vlg. || Doe
Tessemdic die naelde saen, ende bem das nter
stat gegaen allene , bestende mine moawen , Bose 87
(rgl. de aant., en ys. 542—545). Mer ghy,
Troyesche baroen , ghj cleet n mit singlatoen ver-
weendelike als een wijf; mit weelden leid ghy ul^ f;
uwe moawen condy naawe besten ende a hoaden byn-
nen Tosten , dansen ende joye maken , Tragen f. 267(;.
Twee coninghen besteden hem s^jne moawen, Reemak.
28 (zie het Gloss.). Dat si hoer moawen on(t)beste ,
als si ghebest waren, Tass. W, 27c, Dat si, als
men die ewangelie las . . , (uit eerbied) haer moawen
ontbeste, als si ghebest waren, Ned. Froza 228.
Dat si noch knopede moawen, noch karspedoeke,
noch bonte voederen, noch beckede moawen noch
bestemde (/. bestede) en draghen. Mieris 2,3416.
An dese onzeghelbair lakene ghien starte te sneden
noch te besten, O. W. f. Jvu^. 53 , 63. Die (lakene)
Eal men vonden ende besten op al salke voade
ende bestinghe alse haer lantwize is, 54, 12.
2) Overdrachtelijk. Fereenigen met; vgl. mhd. y^-
èesten,\\ Wie dat anderen noyt verriet, die davele
.selense besten met harre spisen mesten, d. i. in
hun drek werpen , eig. er mede in aanraking brengen ,
Vierde Mart, 815. W^n herte es an a ghebest (Hs.),
als een clesse aen een hecken vest {aldus te lezen) ,
Belg. Mus. 1, 118, 16. Zie Tijdschr, 3, 181.
BESTENEN, st. ww. h^^t, {bestan, bestenen).
Aldus te lezen met Franck, Alex. lY, 462: ||
Hi was die alre eerste man, die te gader hadde
twee wijf; recht waest, dat hyt bes tan (: man;
Hs, bescoude): van oude verloos hi tsien. Ygl.
Oudem. 1, 625 en Franck t. a. p., bl. 437.
BESTEBF (bestorf), znw. o. Yan besterven
(zie ald.). || Érfenit, versterf; vgl. BESTERFTE. i|
Praghen si dier deelinghen niet overeen ende setten
hem eenen dach in die weke, so wie dat daer niet
en coemt, hi en sal van dien bestorve nemmer-
meer incoemste doen noch deelen, Oorkb. 2 , 340, 93.
Dat besterf, dat Jan ver Beelen is, die ballinces
ende haer zuster man es,bestorven was vanHenric
Bruis, Bek, v. Zeel, 1, 125. Jan Hughen s. cofte
dat besterf Meverswaerd , dat sire zuster bestarf, 128.
BESTERFELIJC, bnw. In de uitdr. bester-
fel^c goet, goed door erfenis op anderen over-
gegaan, II Ontfanghen van vercochten ambochte ende
anders besterfelijc goet, Bek. v. Zeel, 2, 68.
BESTERFENESSE (bestorfnesse), -isse, znw.
vr. Van besterven (zie ald.).
1) Het erven, het erfrecht, \\ Soe wien soe ane-
comet porters hureware, het si van coepe of van
besterfenessen, Oorkb, 2, 796. Alle erffenisse, die
aen ons van besterffenis comen moghen, Meyl.
JJelJl. 36. Om eenige goeden bij besterflénisse
alhyer te heffen, ende te boren off te ontfangen,
V. d. Wall 523. Poirters . . die eenich goet by
maickinge , bestorfnesse ofte eenige winlycke title . .
upcojnmet, K, en O, v. Delft 86, 17.
2) Erfenis, nalatenschap. \\ Dan w^ tot genen t{j de
exuwe off pontgelt nemen sullen van alsulcke goeden,
erfnisse of besterfnisse, als enigen van den poor-
teren van Haerlem aencomen ende besterven sullen,
Y. d. Wall 654. Yan den 25sten penninck van alle
erffenissen ende besterfnissen , Inform, 7. {Successie-
rechten) van der voirscr. erfbisse ende besteifnisse
. . . betalen. Leid, Keurb, 185, 78.
BESTEEFTE (bestarfte, bestorfte), znw.
vr. Yan besterven (zie ald.).
1) Dood, overlijden, || Zo wanneer enich ambocht
open wert te gheven, het si bi besterften ofte
dattet yemant opgave ofte datment hem name,
B. V. Vtr, 1, 143, 105.
2) Het erven, erfrecht, \\ So wie . . an erve
oft an huze coemt met cope, met huwelike of met
dat hem ghegheven wortofanecoemtvanbesterfte,
Y. d. Wall 142. Dat . . ons of onsen erfven die
lande ende heerlicheden van Yoime mit besterften
off anders aenquamen, 527. Yan goeden ende erf-
nisse, die . . bi besterften of bi anderen gevallen . .
aencomen of besterven mogen onsen luden , Oork. 2,
108tf. Met welken wive hi oeceen conincqjc nam,
dat hoer bi bestorften aenghecomen was , Fass, W,
96 d. Zoo ook Dingt, v. Delft 23, e. e.
3) Erfenis , versterf, nalaünsehap; ook de successie-
rechten. II Dit is Engebrechts {srentmeesters) ontfaen
van besterfte twisken der Mase ende den Houte,
Bek. d, Qr., 113. Ontfaen van bestarften in Zuit-
hollant, 135. Yan der bestarften van Jacob veren
Aechten zone , ald. Besterfte , die haer anbesterven
mochten van enighen van ons beyden, vader
ende moeder voirnoemd. Mieris 2, 1206. Dat
hy . . . overgheven soude alle aenspraec . . . van
alle besterften, die hem van den Heer van Arkel
dair of besterven of comen mocht, Matth. Anal,
3, 341. Yan alle de besterften, die de poorters
ancomen buyten de rechte linie, Inform. 826
(vgl. 11: Yan alle besterften ende erfnissen).
Rippaert . . , die mijns heren besterfte verwairt in
Yrieslant, Bek. d. Qr. 2, 407. Zoo ook O. K. v.
Delft II, 31 ; O. B. v. Dordr. 2 , 107 , 144; 148, 186.
BESTERYEN (bestorven), st. ww. onz. en
bedr. {bestarf of besterf, bestorven, bestorven). Mnd.
besterven; mhd. bestërben.
Onz. — 1) Yan personen. Sterven. \\ Ofse in salc
staet , endt gheviele , bestorve , waert niet sorghe ,
datse huer siele bedorve ? Ned. Kluehtsp. 77 , 150. Na
maten ons rouwes soe wort ons vergeven ende na
maten ons bestorvens soe antwoordt ons dat leven,
Ned. Froza 205.
2) Yan zaken. Te niet gaan , vervallen ; vooral in
de uitdr. bestorven lijfrenten, lijfrenten die
door den dood van hem, op wiens lijf ze gevestigd waren,
zijn vervallen. || LQfrenten, bestorven by den lijve van
Jan van der Horst , Inform. 43. Dat zij . . . hebben
moeten vercoopen up hueren voorsz. dorpe an be-
storven lijfftenten 500 R. gl. , Enq. 56. Ygl. Qr.
Flaccaatb. 4 , 703 , waar die renten afgestorven
renten genoemd worden, en waar o. a. de volgende
woorden voorkomen: „Aanbrengers van de afge-
storvene personen krijgen een jaar renten van de
vervallen capitalen.^*
3) In de uitdr. bestorven syn, d. i. zijne
familie door den dood verloren hebben , zonder familie
zijn. II Spreict ymant enen man an omme scot te
ghelden , die sal sine ghetaghe doen van der zwaerd-
zide . ., en ware dat dien baeliu kenlic ware . .
dat hi edel {vrijgeboren, schotvrij) ware ende also
besturven, dat hi sinen ghetuich niet doen en
mochte, tenzij zijne familie zoo uitgestorven is ^ dat
4115
BEST.
BEST.
1H6
Mj geenê getuigen van de zwaardzijde kan oproepen^
Oor kb, 2, d76a. Zoo ook Lams 4.
4) Met de bepaling in den goede verbonden,
wordt besterven gebmlkt van erfgenaam zoowel
als van erflater.
a) Yan den erflater. Het goed èy zijn dood na-
laten. \\I>9i UB. hoere doit, des si in in dese goede
besterven , hoere wive . . . hoer lyftoecht moghen
hebben, Oorib, 1, 206. In onse alinghe rgnten,
pachte, enz., daer onse lieve vrouwe ende moeder
. . ., der Got genedich sy . . , inne bestarf,
Nijh. 2 , 88. Vgl. Lubben 1 , 289^.
b) Van den erfgenaam. £ij iemands dood zijn
goed erven, || Wair enich poirter in enighe erfnisse be-
storven van. enen anderen poirter, Leid. Keurb. 19, 23.
Dairom so en mach geen untlems man eens poirters
goet , dair hy in bestnrven is , bnten der vryheit
trecken, Matth. 154. Na dat hy in den goede bestorven
is , so moet die clager ygelic erfnaem op hem selven
toespreken, 156; zoo ook Leid. Keurb. 184, 78.
— Vandaar de nitdr. kinder die bestorven
sgn, en bestorven kinder, d. z. kinderen die
geërfd hebben van hunne ouders ; die door den dood van
vader of moeder of van beiden een eigen vermogen heb'
ben. II Yan onmondighen kinderen, die bestorven sgn,
sullen der kinderen maghe comen voer die raedslude
van Leyden ende hem overgheven in scrifte alle goede,
als die kinder hebben. Leid. Keurb. 16, 17. Enich
man, de van kinderen, de van vader ende moeder be-
storven waren, . . ghenotofvordeeldaerinzochte,
ofte haer ghoet minrede , B. v. TJtr. 1 , 51 . Yan
onjarige kynder, die bestorven zyn, huer goet te
regieren, Schwartz. 1, 577*. Yan mondig {voogden)
to setten den bestorven kynderen , ald. Alle weduwen
ende bestorven kinder die geguedt syn tot twe-
hondert Bynsche gulden , Overijs. fi. I > , 185. Dat alle
bestorven maechden sculdich waren te hilicken
aen een van haren geslachte , Boee v. d. L. J. Ibb.
Zoo ook Lams 11.
5) Met eene bezitting , goed , erfenis en dgl. als
ondw. Vererven ^ door erfrecht op iemand overgaan,
door sterfgeval iemands eigendom worden , aan iemand
komen als erfgoed, hem aanbesterven. Ook meteen
3den nv. of eene bepaling met aen of op. Hetzelfde
als in den goede bestorven s^n (v. e. pers.).
II Dat alle goeden leggende binnen die vryheit der
steede van Delft . . erven ende besterven sullen nae
aesdomsche rechte , K. èn O. v. Delft 131 , 7. (Si)
seiden hem dat met rechte tgraefscap ant rike waer
bestorven, Stoke YII, 242. Soe sijn die heerlicheiden . .
bestorven op dese sonen drie , Brab, T. VI , 7782.
Dat hem bestorven was tlant . . van syn neven
sconincs weghen , Grimb. 1 , 229. Yan goeden ende
erfnisse, die . . bi besterften of bi anderen ge-
vallen . . aencomen of besterven mogen onsen
Inden, Oorkb. 2, lOSa. Dit goet en mach niet
besterven op mi also langhe alse hi . . een kint
hevet, n2a. Gheen ghued mach bestorven an ons,
et ne zi buten ersten lede, 282*. Dat hem aen
comen is ende bestorven , O. K. v. Dordr. 60. Zoo
ook Matth. Anal. 3 , 341; Mieris 2 , 120* ; Rek. d. Gr.
2, 10.
Brdr. — 1) Het hesteTy en, ten gevolge van iets
sterven, voor iets boeten met den dood , hetzij door eigen
schuld, hetzij door die van anderen, het met den dood
bekoopen, \\ Brinckene mi, dat hijt besterve: hets
recht^ want hys heeft verdient, Bijmb. 9372. Diesont-
ghingen wel die rike : die arme bestorvent ghemeen-
like , 10813. Hi heeft minon vader ommare ende heeft
jeghen ere ghebeden , dat moet hi besterven heden ,
11070. Daden of ne daden , men teecht hem an ende so
moesten sijd besterven dan, 32407. Dat bestvf
menech te waren , want si van hongre te tde
aten, 32780. Snlker dedemen so groot torment..,
diet bestaerf, Sp. Til*, 88, 70. In Borgoenyea
hevet bestorven jonc ende out, III*, 18, 22. Wït
. . ane Gode geloeft . ., moet besterven, X^rr. 11^
216. Salie besterven mine minne, Parth. 6311.
Wat mochte ver Teve, dat Adam dor haren wille
den appel nam, dat wi noch alle besterven? Wtf.
Mart. l, 937. Dat bestarf menich ridder coeie,
Troyen 8890 var.
2) Met den 4den nv. eener zaak. Erven. \\ Soo
wie die huyrwaer koopt . . . of bchuwelt of be-
sterft. Mieris 2, 33*. So wie enighe erfaiase of
foet besterft, Leid. Keurb. 19, 24. Yemant . .,
ie erf hnys bestorve , O. K. r. Delft U, 2Q (of
moet op de beide laatste plaatsen die en wie sii
datief worden opgevat?).
♦ BESTICHTEN, zw. ww. bedr. Waarschnnlïk
bedorven lezing voor beslichten, hetzelfae aU
beslechten (Kil. conficere, componere negotium), te»
einde brengen, volbrengen; of nog juister bes ei ck-
ten, intens, van bescicken (de lezing van il);
mhd. beschihten; mnd. beseiehten. Begelen,inrieUen;
lat. ordinare. Opmerkelnk is , dat sdle drie de ww.
bestichten, beseiehten en beslichtenlüer
een goeden zin geven. || Hoe ie best mgn heere
ghescare ende bestichte m^n orloge , Bose C 9836.
BESTIER, znw. o., stam van bestieren.
1) Leiding, onderrichting, opsickt. Vgl. BE-
STIEREN 1) en 2). il Dus toecht die lichame . .
der sielen die (/. dier) van heeft bestier, Vef.
Bog. 729. Als ie u eerst ansprac hier, sceenstdn
gaende al bestier ende gheens qoaets bane (/. al
met bestier, d. i. vondt gij zelf^ dat gij onder
goede leiding watart, die voor u niet de oorsaak
van kwaad zou worden, u niet op den verkeerde*
weg zou brengen), 1329. Myn meester alle viere,
die mi hadden in bestiere, OFl. Lied.e.Oed.^%,
1823. Mijn meester was van goeden bestier,
374, 1745..
2) Hoede, bescherming. || Ghi zgt ghenadick,
nem ziele ende Igf in d^n bestier, 29, 77. Neint
ons so in u bestier, dat ons elc meinsche vel
antier, 200, 39. (Doe) riep dat herte mijn np
Gode ende up de moeder zgn, dat zi mi namen
in bestiere, 465, 266. — Bestier doen, df
wacht houden. \\ Hoede, envie ende dangier dada
ter poorten haer bestier, 291, 1713.
3) Leefwijze, leefregel (vgl. sijn leven bestiert»).
II Vader, ghi noomt daer pointen viere {vasten, ens.1
die qualike waren van minen bestiere, 491, 53.
Des nachts te ligghen op die aerde sonder ftr»
ende sonder lettier {bed, leger), dit esmieensea
cranc bestier: ie en wils niet langher doghen,
Bein. II, 5710.
4) Leidsman, leidsvrouw, beschermer, -ster. Vgl.
beleit, d,i. beleider; bereit,d.i. *^rW<2^behoet,
d. i. behoeder, e. dgl. || Vriendelijc biddende, dak
hy wilde haerlieder bestier ende haerlieder be-
schermer syn jeghen de roevers, CVo». v. VUe»d.
1, 4. O vrouwe, mgn ewelic bestier, OFL Ued.
e. Ged. 133, 1. Nn moet ie wasen haer bestier,
ende die hem helpen, doen mi lieve, 386, 1509.
BESTIEBEN , zw. ww. bedr. en wederk. Mnd.
besturen.
Bedr. — l) Leiden, richtm, brengen tot iets, \^
Tebestieme haere ondersaten, Sp. 1% 29,3SwMeB
machen {den ever) in ghere manieren té gherr
hande doecht bestieren, maer emmer bliift ki
wreet eude fel, Nat. BI. II, 303. Dat dodit mi
iii7
EEST.
6EST*.
1448
den rechten ghanc toter claerheit die ie döchte;
ie danckte G^de, dat ie gberochte in enen wech
die mi bestiert, dié mij er brengt , OFl. Lied.
e. Ged. 240, 198. (Die tongbe) bestiert die spise
onder die tanden , Lanfr, 1309. Alse die mi wiste
te bestieme, ghinc soe {de hoop) bi mire siden
staen, OVl. lAed, e, Ged. 285, 1541. — De onb.
wQs als snw. Geleide, gevolg, gezelschap, \\ Swert
soe was al baer bestieren , orssen , banieren , riddren
ende knapen, Vod, Mtu. 1, 307, 141. — Hem
laten bestieren, zich late» leiden, verleiden
tot, II En laet n daertoe niet bestieren, dat gbi
valsch vonnesse nut laet gheven, Denkm. 3, 91,
207 (Belg. Mus, 6, 101, 202). •— S^n leven
bestieren, zyn leven leiden, inrichten. \\ Wilt
a leyen yoort bestieren in dnecbden sondertwife-
linghe, Amand II, 4990. — Met bet Toorz. yan.
Iemand ergens afbrengen. \\ Aaron ende Hur wilden
dat diet bestieren van der dolre vaert , Bijmb. 5002.
2) Begelen, ordenen, rangschikken, vooral een leger,
t) Mgn beer Amont hadde bewaert van Grimbergen
ende bestiert tvolc ende gevisiert sine scare, Grimb,
I, 4155. Tvolc ginc hi al te bant beracken, be-
stieren tien tiden ende wgsde hem, hoe sisonden
striden, II, 1381. Yan Grimbergen heer Amont
mot sinen sonen sterc ende stout . . voeren die
Inden bestieren, 1490. Doe wouden Aaron ende
Hnr dat volc bestieren ende te vreden scicken,
J?. V. 1357, 48a. — Ook iet — , iets regelen,
de tegw. beteekenis. — De onb. wijs ookalsznw.
Bestumr, leiding. \\ fialiuus ende offlcyrs (/. officieren),
die van tsgraven weghe tbestiers (/. tbestieren)
hebben souden vander zaken, VI. Bijmi. 9269.
3) Ook in ongnnstigen zin. Iemand een ver-
teerden veg vijzen, hem van het spoor af brengen,
misleiden, bedriegen. Kil. bestieren, f altere. ||
Yan mi , die ben ene arme dieme ; ie ben lichtelec
te bestierne, want in ben niets groets ghewoene,
Limb. I, 1617. Hebgeme alzoo bestiert, gheselle?
Ned. Kluchtsp. 82, 86.
Aanm. — Nog heden beteekent bestieren in
Ylaanderen toetakelen, slecht behandelen (De Bo
116). — Misschien heeft bestieren in debet. 3)
Kil. er toe gebracht, om bister te schrijven:
bg stier, waarvoor niet de minste grond bestaat.
Zie BIJSTER. — Yoor bestier, fTap. Bog. 1330,
zie bij BESTIER, 1).
Wederk. — Hem bestieren, eigenlijk sieh
leiden, richten op iets, m. a. w. zich ergens op toe-
leggen, werk van iets maken. || Dat elc te beteme
hem sonde bestieren die mesdaet, JTap. Bog. 1203.
Yoort ontflnc dese helighe heere priesterscip . .,
daer hi hem selven so in bestierde . ., dattene
God heeft vercoren, Amand II, 1717.
BESTIERHEIT, znw. vr. D. B. Foverb. 1, 5
gebruikt ter vertaling van gubemacula. Leiding,
bestuur (in onze vert. wijze raad). || Die wise diet
hoort sal te wiser sijn, ende die verstandel sal
die bestierheit besitten.
BE8TIERIGGE, znw. vr. Bestuurster. Ygl. -KOE.
II Yan alder werelt bistu gouvemisse ende van
den hemel bestierigge. Pelgrim 68^.
BESTIEBNESSE, znw. vr. Bestuur, opzicht. \\
Deen was van een beerde vercoren ter bestiemesse
der synagogen, Franc. 6292.
BESTIKGE, znw. vr. Yan besten (z. ald.).Mnd.
ieeOnge. Hei rijgen , hechten van goed. Zie een voor-
beeld uit O. W. V. Amst. op besten.
BESTILLEN. Zie bestellen.
BESTIMMEN. Zie bestemmen.
BESTINKEN. Zie bestonken.
i
BESTOFFÉREN , zw. ww. bedr. Stoffeeren, voor-
zien van. II Die slote . ., die men reken moeste
bat ende bestofferen wale met boghen ende met
springale, met drancke ende met spise, MeUb.
2315 var.
BESTOKEN , zw. ww. bedr. Kil. 54: b e s t o k e n
Flandr. j. bestormen.
1) Aanvallen, aantasten. Ygl. besteken.
a) Met den 4den nv. eener plaats. j| Dieheeren
ghinghen bestoken Audenaerde die vaste stede,
ri. Bijmk. 10065.
b) Met den 4den nv. v. d. persoon. || Ie hadde
gaem ten besten ghesproken, mer sij begondemij
te bestoken: ie was blide, dat icse liet, JTZoé^^II,
4015. Hy bestoeckede Ylaenderen . ., al dlant
roevende ende barrende, Oron. v. Vlaend. 1, 215.
Dese papen connen menich quaet: ie bestoetse nu
berde node, Bein. II, 1214 var. {andere var. be-
staetse , l. bestaecse ; Bein 1 , 1197 besteecse ; Proza-
Bein. bestoec). Ygl. bestoten.
2) Bij uitbreiding. Onderwerpen , overweldigen , in
z^ne macht brengen. \\ En was noit coninc, dan hi die
tlant bestoecte van Endi, Denkm. 3, 144, 99. In
Tyberius achttienste jaer, Jhesus Cristus, naer
dat waer die propheten hadden versproken, wildi
die felle doot bestoken, Sp. V, 20, 1.
Aanm. — Bestoken, Invent. v. Brugge 6, IIS,
is eene verkeerde lezing voor besouken, dat nog
eens aldaar voorkomt {besoucken).
BESTOKINGE, znw. vr. Aanval, aanveehüng.\\
Dattet {gebed) ofleyt alle bestokinge der souden,
Con. t^om. IQóbi
BESTONKEN, eig. deelw. van het st. ww.
bestinken , mhd. bestinken, d. i. beruiken. — Als bnw.
gebruikt in den zin van stinkend. \\ Du lichts be-
stonken ende al verfelt in dine souden . ., als
een , die voor sine deure smelt {Cacat) onzuverlike
onder den snee, Praet 2351.
BESTOPPEN (bestuppen), zw. ww. bedr., onz.
en wederk. Mud. bestoppen, bestuppen,
Bedr. — 1) Verstoppen, verstopt maken, dicht-
maken. \\ (Hi) bestopte die fonteinen . ., dat het
{here) water hadde noot, Bijmb. 14304. Die porte . .
was al bestopt met doden, Trogen 8200. Heeft hi
bestopt die nesegaten, Nat. BI. III, 1522. Mi sijn
bestopt myn nesegaten met vulecheden, Sp. III*,
60, 25. Doe vonden si die vont (/r. pc^^«) bestopt ;
si ginghen daerde daer ute draghen, Segh.\Q!3%0.
Die oude voute was bestopt, 1(S68. Die wech wort
bestopt tusschen der gaUen ende den darmen,
Barthol. Sla. Appoplexia . . bestopt die die
huyskens van der herssen, 229a. {De ziekte) be-
stopt alle die toepaden ende ghangen vanden
lichaem, 636tf. Zoo ook Jan Yp. 103, 104, 121.
(Si) heeft die matnce bestopt alsoe, datter gheen
zaet en mach comen toe, Vr. Heim. 1329. — Die
oren bestoppen, de ooren sluiten ^dichthouden.
Eigenlyk. || Ic bestoppe de oren des zieken
mit catoene ende ic steppe een hantscoech of een
cleet tusschen siin tanden , Lanfr. 48r. — Figuurlijk.
II Dat wi onse oren nit en bestupen vor den
ruepe der armer, Limb. Serm, 145<^. — Den
lic name bestoppen, de ontlasting belemmeren.
Zie LICHAME en vgl. Diut. 2, 208: bestoppen,
constipare. \\ Die bestopt hevet den lichame {var.
besloten), Nat. BI. YIII, 826 var. Nuttelec es hi
{de steen) te menighen doene, maer alremeest die
aen lechame bestopt hévet, XII, 778. Een rede.,
ende hooftsweere menichfout seere bestoppet den
lichame , Versl. en Ber. 4, 12 , 155. — In 't pass. ||
Oec plegen si dicwile bestopt te sine inden lichamsi
1119
BEST.
BEST.
1120
M. en Fr. Heim. 1211. — Bestoppede borst,
benauwde barst , belemmerde ademhaling^ FersL en
Ber. 4, 14, 213.
2) Keer en, afsluiten, vooral yan water. |) Dien
watergtinck bestoppen, alsoe lan^ ont zy beren-
warde hebben bebelet , Oor kb. 2 , 2196. Dat water . . ,
dat metten dike bestopt was, dattet niet wech en
mochte, Matth. Anal. 3, 153. Een vloet die be-
stopt wort ende baer vloeyen benomen wordt,
Hs. f. 57r. Soe moegen de nndersten de oeversten
oer water niet bestoppen noch bependen, Ettt.
V. Dr. 148.
3) Doen ophouden, een einde maken aan; van
brand, blusschen. Ygl. engl. stop. \\ Wie brandt
in zjn hnys verneemt ende hy dyen bestoppen
will, Schwartz. 1, 663, 100.
4) Verschalken , foppen. Kil. fallere (eig. iemand
in een voornemen belemmeren). \\ Wy selen desen
pape alte wel bestoppen in {d. i. en) n wgf,
Plajferw. 183.
Onz. — Verstopt worden. \\ Tsant . ., van den
welken twater dicwyi tot meniger stat bestopt,
Barthol. 5366.
Wederk. — Hem h e sio^i^eu, zich instoppen,
omhullen, bedekken, inwikkelen, sijn gelaat onzicht-
baar maken. \\ Frissche maechden, die hem be-
stoppen ende bewimpelen mit een cleyt , MLoep II ,
4164. — Vandaar het deelw. bestopt, vermomd. ||
Omdat hy ginck ind dner onse landen leet bestopt
(nl. als Franciscaner monnik vermomd) , Nijh. 4 , 445.
BESTOPPINGE, znw. rr.liLii^.bestoppinge. Ver-
stopping, verstoptheid. \\ Dat selve vallet . . over-
mits bestoppinge, want als die ander bestopt is
ende binnen besloten, so en mach die ganc des
bloets . . . gheen voetsel . . . seyndén, Barthol. 476.
Dan 80 is si een sake enigher opelacien, dat is
bestoppinghen, 8256. — Hetzelfde bet
BESTOPTHEIT, znw. vr. Verstoptheid, verstop-
ping. II Daer om ist goet teghen die bestoptheit
der mylten, Barthol. 5496. Apinm opent die be-
stoptheit der leveren ende der mylten, 5866. Ziechede
van bistopthede ende apostnmen ende renmen ende
vele andere siecheden, Lanfr. 76 v.
BESTOKEN (bestoiren), zw. ww. bedr. Krachte-
loos maken, verzet doen tegen iet^. || Off hem
yemandt met oudere brieven behelpen wilde, die
zal nae die voersz. drie sondaegse geboden
binnen een jaer ende zes weecken , met allen seven
den heemraeders mitten rechter, binnen bans,den
jongeren brieff moegen bestooren , O. R. v. Dordr.
2, 273, 73. So wie iemans vaderlike erve ofte
ander erve coept ende onder getuychnisse der
scepen, sonder bestoiren, jaer ende dach oflangher
besidt, Brab. T, dl. 1 , bl. 784 (de woorden
„onder bescoren jaren datti", ald. zijn bedorven,
en verbeterd naar de Cost. en XJs. van den Bosch ,
Ie vervolg, bl. 11).
BESTORF, BESTORFTE, BESTORVEN, Zie
BESTERF enz.
BEST0RIN6E, znw. vr. Het ontnemen der rechts-
kracht aan iets. \\ Soe sal altijts hy tij ds ge-
noech comen binnen den naesten jaere ende zes
weecken, naedat hy binnen lants gecomen sal wesen,
omme die bestoringe te doen, O. R. v. Dordr. 2,
273, 73.
BESTORTEN (besturten) , zw. ww. bedr. Mnd.
bestorten-, mhd. bestürsen.
1) Overgieten, begieten, met eene vloeistof. ||
Die sacrificiën mitten water te bestortten, D. B.
II Maccab 1, 21. Desgelgcx bestorte hi haer
handen ende cnstese, Exc. Cr on. 144rf. — Vooral
in het deelw. bestort met {yd^iï),drmpeniete»,
nat van, doorweekt met. || Doe stont die man Goods
voer die crebbe . . . mit tranen bestort, Hs. 88,
/ 47a. Want hijs bestort met men8cenbloede,£yiii.
10160 var. Ghewapent, bestnrt met bloede , 33187.
Covertnren ende banieren ... al meest bestort met
bloede, Heeln 8718. Daer voer menich ridder milde,
die seer wajs bestort met bloede, Troifenf.%h.
Van haren bloede wert al omme bestort Achilles
scoen (/. scone) tomme , f. 226^j!. So dattet paviment
bestort werdt met haren bloede, Exc. Cnm. 29dL
(Dat) haer aensicht dagelicx met tranen bestort
was ,316. — Ook met de vloeistof zelve als ondv. ||
Des bisscops bloet bestorte {vloeide over, door-
weekte, stortte over) . . . den bonc, ^. III*, 6, 25.
2) Overstorten, bedekken, van eene vaste zelf-
standigheid. II Alt lant . . . metter aerde vanden
baerme vanden vesten besturt, ZVl. Bijdr. 4, 68.
3) Fignnriyk. Vervullen, voorzien. || Daer nte
bestorte God ... die plaetse metten gaven s^ndei
goedertierenheit, Exc. Cron. 146.
4) Met eene ziekte als ondw. Aantasten, oter-
vallen. \\ Levende vleisch, dat mit lazarien bestoet
wort, is ontsnvert, D. B. Levit. 13, 15.
BESTOTEN , st. ww. , bedr. en onpers. Mnd.
bestoten ; mhd. bestózen.
Bedr. — 1) Tegen iets aanstooten, het beuken^
vooral met den wind als ondw. || Te hant qnam
daer een groten wynt ende bestyet dat huns, Pass. ÏÏ.
121d. So hief een migel storm in de zee, so^dit
dat schep wart van den vlaghen sere bestoten ende
bedrnct, L. v. J. c. 66. Hi en sal niet bestoten
worden in die vlage van den scepe , D. B. Jes. Sgr.
33, 2. — Ook (door den wind) kneuzen, kreuken,
knakken. \\ Hine sal niet vertreden dat bestoten
riet, D. B. Jes. 40, 3.
2) Bestoken, aantasten, ook. gewapenderhand vm-
vallen. || (Si) bestoten met wighe danne die Denen
ende die Noormanne, Brab. T. II, 4772. Petren
Contreel met sijnre roten met hen lieden te bestoten ,
VI , 4645. Soe wonden si dan ierst bestoten met eenen
hope . . die van der Vleeschonwerstrate, 4828,
Want wij zwaerlic bestoten gheweest hebben m
onsen lieven heere . . den grave van Vlaendffen
met orloghen, Brab. T., Dl. 2, bl. 497 en 499.
Dese papen connen menich qnaet: ie bestoetse ni
harde node , Rein. II , 1214 (vgl. by bestoken en be-
steken). En is dit die man niet, die dat lant ver-
stoerde ende die die riken bestiet , D. B. Jeseaa 14,16.
— Eene enkele maal ook van een land gezegd. || I>oe
gingen (si) . . in allen hoecken Brabant bestoten
met rove ende met brande, Exc. Cron. 129* (hier
kan het woord ook in de bet. 3) worden opgevat).
3) Plagen, kwellen. \\ Anxte bestoot mgn vleyscbe,
D. B. Job 21 , 6. Du snlste mi besloten mit anxte
bi visioen, 7, 14. Dat ick soe bestoten bjn
met droefheden, dat ick nanwe mach ghespreken,
Pass. W. 2316. Mijn onsalighe ghedachte, dye be-
stoten is metten wonden (?) hoerre onledicheyt, 230*.
Onpers. — Mi bestoot, het dunkt mij foM,
ik heb lust, genoegen, sin. Hetzelfde alB het meer
gewone mi besteect. Zie besteken, onpers. ||
Pylatns sprac, alst hem bestiet: En ben ie din
een Jode niet? Lsp. II, 36, 319.
BESTOTINGE , znw. vr. Het beroeren , het beuie»,
beroering. || Als di god vrede gegheven heeft ▼»
dinen arbeide ende van dineu (/. £ner) bestotisgbe
ende van den herden dienste, D. B. Jesaia 14, S>
BESTOUWEN. Zie bestuwen.
BE8TBANGEN. Zie het volg. Art.
BESTRANCTHEDE (bestranchede), raw.n.
il2i
ftEST.
BEST.
1122
BenauwdAeidj nood. Ygl. Kil. bestranghen, j.
benauwen. || Omme der groter bescranchede
(/. bestranchede) van den 'scaerpen ende grooten
vorste, Invent. v. Brugge 6, 61 (bet Eon ook
mogelQk sijn , het woord als strengheid op te vatten ;
Tgl. bestarcbeit, bedroefheit, enz.).
BESTBECKEN , zw. ww. onz. en wederk. Mhd.
hestreeken.
Onz. — 1) Zich uiMrekken. || Wekken ganck
bestrect totter dnere die dient ter voorseyder
Ghéraeds dievels stene, Diericx, Mém, 2,816.
2) Rusten^ gelegen siJn. || Een thiende bestreckende
np alle de leenen, Invent r. Brugge 4, 892.
Wederk. — 1) Ziek uitstrekken. Eigenlek en
figaariyk. || Yoorts so bestrect bem tvoorsejde
bnrchgraefscip op den bodem ende loopt van den
waetere nntewaerts, totter Langher bmggben,
Diericx, Mém. 1, 409. Het voorseide Marienland,
hem . . bestreckende teynden de bnrcbstraete , 685.
Elcthiendenaere, in wat prochie dat zy, daerdese
heerlicbede haer bestrect, Cout. v, Brugge 1, 217.
Dat zy niet verstonden, . . dat de voorseyde . .
pointen hem voorder of broeder bestrecten, 673.
2) Gelegen gijn^ rusten. || Eene heerelycke rente
. . haer bestreckende op sekere behuysde eerfach-
ticheden ghestaen ende gheleghen binnen der stede
van Ghendt, ald. 1, 489. Ende bestreckt hem up
alle tlands, Invent. v. Brugge 4, 392. Drie vier-
scharen ... die hem lieden syn bestreckende inde
prochien van Loppem, Seldeghem enz., Cout. v.
Brugge 1 , 415 nóot.
Aanh. — Bestreek en, leest men ook Botte v.
Sed. 794 9«r. {Denkm. 3, bl. 342) : „Ghi heeren,die de
werelt berecken enté lieden domen ende hestrecken ,"
waar de tekst heeft : „ entie die lieden snit b e^
treek en," doch de lezing hestrecken zal wel be-
dorven zijn. Kil. en Plant, hebben slechts de bett.
extendere en erogare, d. i. geld besteden. Zie op
BETRECKEN.
BESTRECKEN. Zie bestricken.
BESTRECSAEM, bnw. Van hestrecken^ in den
sin van hesteden. Kil. erogare (nl. pecuniam). Die
het geld goed hesteedt^ spaarzaam ^ zuinig. \\ Be-
strecksaem vranwe is een middelbaer pachtgoedt,
Spreuken 86.
BESTBIDEN (ook in den vorm bestryen, Cron.
V. Vlaend. 1, 194), st. ww. bedr. IkCnd. hestriden]
mhd. hestriten. Aantasten^ aanvallen^ bestrijden. \\
(Si) sloegen al doot datse vonden en bestreden
Teel sloten, Heemsk. 61. (Hi) heeft daer enen
tor bestreden, dien hi wan met vromicheden,
Yelth. II, 46, 5. Si en constense niet hestriden,
lAmh. fr. 722. Om te bestridene haren man , IJimh.
IV, 1566.
Aa nm. — Bestrijt, Velth. II , 3 , 34 , is eene ver-
keerde lezing voor bestrict. Zie bestricken, 4a.
BESTBIDEN, st. ww. bedr. Mnd. hestriden.
1) Eig. Besckrijden, heklimmen.Yg\. mud. strede,
d. i. schrede \ eng. strtde; ags. stridhan en gestrid-
han. In bet. gelgk aan het mnl. bescriden, waar-
mede het in varr. afwisselt. || Elc een ors met
groten leden ende met scarpen sporen bestreden,
Velth. IV, 29, 19. Die stiere can hi {de heer)^^
bestriden ende gaetne op den mgghe riden, Nat.
BL II, 3830 {var. bescriden).
2) Figunriyk. Aantasten^ aanpakken^ ovenoel-
digen^ bauwen. Ygl. BESCRIDEN, 3), en hd.: mein
her» iet beklommen. |j Die vreese van der doot
ende tsceiden vanden eerscen goede . . . ende dan die
jsiecte . . . , dese drie hebse also zeere bestreden,
JN. Thet. 2321 (de tekst heeft ^^«m//^; zie ald. 3).
BESTRIËN. Zie bestriden.
BESTBIËN (bestryen) , zw. ww. bedr. Ander»
vorm voor bestrooien; mnd. bestrouwen; mhd. be»
ströuweuj bestriuteen. Vgl. spouwen en spiên {bespiên),
I) Onse bedde is mit blonwen bestriet , Boee d, M. f.
69. Dit bedde is mit den bloumen der doeghden
bestryet, 70.
BESTBIKEN, si ww. bedr. Mnd. bestriken;
mhd. bestriehen.
1) In de tgw. bet. Zacht langs de oppervlakte
van iets strijken. \\ Hi bestreec dat glas metten blode ;
dermede {met dat bloed) bestreec hi den harden
stene, Ned, Proza 106. Bestr^c den ghenen sine
lede metten smeer, Hat. BI. Il, 1341. — Zoo leze
men ook Franc. 10376: „Van den hoofde toten
voeten bestrect hi hem vele soete*\ in plaats van
bescryt. Zie bescriden, Aanm.
2) Ook met eene zelfstandigheid, meestal eene
vloeistof, als ondw. Strijken y smeren. \\ Syn bloet
ende sont daer mede, bestreken an des menschen
lede. Nat. Bl. II, 1347.
Aanh.— Bestriken, Velth. II, 17, 77, is eene
verkeerde lezing voor bestricken; zie ald. 4d).
BESTBICKEN (hestrecken , vgl. strie en strec)^
zw. WW. bedr. Mnd. bestricken; mhd. bestricken.
1) Strikken, vaststrikken. \\ Och liden, wie ghevet
di die macht, dattn bestrickest die banden? Hor*
Belg. 10, 121.
2) In een strik vangen , strikken. \\ Hierom alse
wrede diere werdense bestrict in dese maniere,
Yelth. YII, 21, 26. Mit desen stricken soe wer-
dender zeer vele bestricket der gheender die bgder
aerden cmpen, Bem. W. 46.
3^ Figuurlijk. Als m een strik vangen^
«) Overvallen ; m» den val, in eene hinderlaag lokken^
hetzelfde als becnpen (zie ald.). |i Nu quam^i»
pelgrime ... die tAken gingen haer bedevard,
ende waren bestryt (/. bestrict) op die verd, sa
dat si berooft worden al, Yelth. II, 3, 32. Si
wilden, seiden si, overtrecken, ende haervianden
daer hestrecken, oft men soudem leveren wgch , lY,
61, 61. Die keyser hadde des wel raet, dat sine
bestricken niene conden, Y, 12, 60.
b) Iemand beet hebben , mit woorden vangen. \\
Die coninc heefse nu bevaen ende noch sal be-
striken (/. bestricken) meer, eer die maeltijt doet
sinen keer, Yelth. II, 17, 76 (de by Kil. opge-
geven bet. van bestriken, nl. honing om den mand
smeren, kan hier niet bedoeld zyn; daarentegen
komt bestricken in bet. geheel overeen met bevaen,
VS. 76).
c) Verstrikken, verlokken. \\ Datten die souden
vaen ende bestricken, N. Boet. 2170. Die manne
bestricken die wiven, Bienb. 106'<f. Op dat dy die
verdoemeiycke arbeit niet en bestricke, 86^. Si
bestrickt hare met valscher sconheide , Limh. Serm,
11b. Die ander pinen si te bestricken mitter vleysche-
liker wellust , Bern. W.4a.
6) Binden, verbinden. || Woerde die den brudegom
bestricken ende houden in den banden der minnen.
Stemmen 144. Drien personen . . ende (d. i. die)
syn in di alsoe vast in enen God bestrict, ver-
bonden, vereenigd, Tien PI. 68. Of een broeder mit
orlove . . vaert tenen andren geesteliken leven
ende weder tons coemt, eer hem die horsamheit
bestricke, D. Orde 266.
6) Insluiten, omsingelen, benauwen. Y&ndtar het
deelw. bnw. bestrict, in den zin yan benauwd,
nauw, eng. || Aenghemerct, dat si seer bestrict
ende nauwe in haer stat gehouden waren, £jfc,
Cron. 123tf.
36
i\2i
BEST.
PESU.
4124
♦ BESTRINGNEN. Verkeerde lezing voor be-
soengen, Fl, Rijmk. 3003. Zie op besoenoe en
vgl. Kansier, ald. bl. 600.
♦ BESTRI VEN, st. ww. bedr. Vgl. eng.strive,
en onze afgeleide ww. streven en stribbelen. Tegen
iets stribbelen^ tegenstreven^ zich verzetten tegen ^
tegenstand bieden aan. \\ Loghenacbticb keytyf out!
Twi waensta bestriyen twoert dat alle salicheit
brengt voert? lat.: cur deridere conaris salutis
predicationem, Sp. 11% 3. 61 (Dl. 2). Doob de
ware lezing is zeker bescernen, ^.11^,27,77,
Dl. 4, dat volkomen aan deridere beantwoordt.
Zie op BESCERENEN.
BESTROOIEN, zw. ww. bedr. Mhd. ii?*/rwitf«»;
bestrouwen\ bd. bestreuen. Bestrooien, \\ Dan bebt
amandelen in snkere gbefrunt ende setse boven den
blanmengiere bestrooyt met snkere, Keukenb. 11, 4.
BESTÜRTEN. Zie bestorten.
BESTU VEN, st. ww. bedr. en onz. (zwak deel w.
Jnform. 24 , bestwfvef) , Mbd. bestieben (st.) en
bestouben (zw.).
Bedr. — 1) Met stof^ ook zand bedekken. \\ Van
den boogen geestlande, . . bestnyvet van den
dnynen, Inform, 24. Bestoven metten gbestnbbe.
Pass. W, 231 d. Mesbarende, recbt als de dnlle,
hem bestnvende met mnlle, Sp. III*, 41, 81.
2) By nitbr. Bedekken in bet alg., meestal met
het bydenkbeeld van verontreiniging ^msax somi^di^
ook zonder dat begrip. || Sine wapenen ende sine
leden waren van bloede al bestoven, Qrimb. II,
2662. Met love heeft by (de Mei) bestoven die
hoven noort ende snut, OFl. Lied. 364.
3) Evenals het mbd. besteubt (Lexer 1, 228)
en bet hd. bestaubt (Grimm 1, 1668), had het
deelw. bnw. bestoven de nog niet geheel in
onbruik geraakte beteekenis yüsï vroolijk ten gevolge
van bet gebruik van sterken drank , een kleinen roes
hebbende^ aangeschoten. \\ Alst ghesciet dat ie bem
wat bestoven, willic met vrauwen hoven, OVL
Lied. e. Oed. 126, 46.
Onz. — Met stof of zand bedekt worden. \\
Bestu ven van voeten. Franc. 6341.
BESÜCHTEN, zw. ww. bedr. Mnd. besuchten.
Zuchten. Slechts in de uitdr. een suchten be-
suchten, een zucht slaken. \\ So spreect tegen
my die so menich suchten om dy besucht heeft,
so menich daghen gheclaecht en . . so menich
vraghen gevraecht. Mar. v. N. 39, 924.
BESTU WEN (BESTOUWEN), zw. WW. bedr. Mbd.
bestöuwen, Bedunngen, in bedwang houden j tot be-
daren brengen y dresseeren.\\DiQ zullen hoir kyudere
also bestuwen, dat zij ghienruymoir ofscreijinghe
en maken in der kerke, O. W, v. Amst. 36, 49.
Dit segghende mochte hi cume die scare bestuwen,
Ks. N. T. 36r (Handl. 14, 18). Die tongheencan
niemant bestouwen, seit die apostel, tis een on-
mstich lit dat lichtelic dodet, Bern. W. 48^.
BESUDEN (besude), voorz. Met den 3den nv.
Ten zuiden van , bezuiden. — Besude der wordt tot
besuder samengetrokken, evenals benorde der
tot benorder. \\ Besuder Merwede, Stoke VIII,
979 en 984.
BESUEC, BESÜEKEN, BESUEKER. Zie be-
SOEC, BESOEKER, BESOEKEN.
BESUECT (besuket), bnw., ook als znw. ge-
bruikt. Mnd. besuket. Hetzelfde als besiect^ en ge-
bruikt in de bepaalde opvatting van melaatsch. ||
Weert sake dat ennych man of vrowennaem , die
besuect weer, dat den schepenen kondich weer,
schowt bekennen wolde, R. v. Zutf. 142, 16. Ten
weer^ dat die besuecte syn behoeft daertoe dede.
ald. Dat de ziecmeysters vanden malateD. . .
nyemant innemen en zeilen, hi en zi bezuket,
R. V. Utr. 1, 226, 106.
BESUEREN. Zie besuren.
BESUNDEN, BESÜNDER, BESUNDICH,eni.
Zie BESONDEN, enz.
BESÜUTHALF (besutalf) , bgw. Van swtkalf,
d. i. zttidzijde. Vgl. BEDESSIDE. Aan de zvidzijdi
gelegen j zuidelijk. \\ Twe imete (gewtefe) bentilt
ant werf, daer Hughe Alards suene weende, Vgé.
Mtis. 2, 368 (vgl. op dezelfde bl. bewestialf).
Tien roeden . . . ligghende binden ambocbte ende
binder prochien van Tsendike , besutalf onder Ter
Margriete Jhan Vlamincs woninghe , 6, 288.
BESUREN, zw. ww. onz. en bedr.
Onz. — Hetzelfde als te sure worden (zie
suur).
1) Bederven f ontaarden, verzuren in fignnrlgk»
zin. II Dese vrienscap onlanghe duert, want si int
einde gherne besuert (tekst: snert) ende dicke
keert in viantscap, Lsp. III, 17, 67 var.
2) Moeite kosten. || Soe eest beter, hoe soet be-
suert, dat men der weldicheit ontbert, dan salecbeit
es geavontuert, Rincl. 298. In der ierster uren..
(zal dit werk) beginnen . . ende daema vord ter
aerder uren so sfd dit werc volmaect (?) besnrei
ende also in die seste vort werdet volmaect, TeltL
VII, 23, 67.
Bedr. — 1) Zuur maken , verbitteren , vergalle», \\
Noch heeft die man der viande mere, daer hi
nochtan harde zere siele ende lyf om avontnert
ende dat sgn leven dicke besuert, Teest. 2928.
2) Kwellen, doen lijden, a/sloven. || Dan nemei
die maghe tgoet, daer hl sgn lyf om besnerde
ende sijn ziele om avontuerde , ende verterent ii
groot riveel, Lsp. I, 28, 68. (Si) besnerden haer
edel liven in deere van den reinen wiven , ^r«i. f-
VI, 11903. — Enen h es u. ren, maken ydaiiemaMi
kwelling , verdriet heeft ; de oorzaak zt^n , dat hij
smart ondervindt. \\ Dat ie u oec soe besure, dies
en ben ie werdich niet, dat gij zooveel moeite
om mij doet, zooveel belang in mij stelt, Limk.
IX, 202.
3) Moeite doen voor iets, zich er voor in*pmt»e%,
ergens moeite voor over hebben. || Het is bUlic dat
hem lof buert, diet (<2^f^)manlic wintof besaert,
Vrouw. e. M. IX , 49. Harde goet waert offghéliien,
dat men besnyrt buten baten , Hild. 93 , 97. Xocbtia
hebbicker vele pinen om ghedaen ende («i. bet)
sere besurt, lAmb. XI, 172. Hets recht, diet so
besuert, datse dat suete daeraf ontfangen, D. F«r.
9, 161, 324. — Vooral in tegenstelling met be
soeten, de moeite voor iets doen, tegenover i^
vruchten van iets plukken. Zie voorbeelden bg be-
soeten. — Ook met een onb. wys. Zich inspannen. \\
Voorziet n wel, die avontnert l|jf ende goet ter
wilder zee: hoe vele te bringhene ghi bezaert,
achter u so blives mee, OVl. Lied. e. (7.448,210.
— De onb. wijs als znw. Moeite, inspanning. |l
Sonder eenich rroot besuren, Praet 162. Wteastt
dan comen sonder besuren in sine glorie van daer
boven? 2279.
4) Met moeite iets doen ; iets doen dat met §e-
vaar, moeite, bezwaren, lichaamssmart en èó%'
verbonden is, er mede gepaard gaat.
a) Met moeite, zuur verdienen. || S^n vleischeade
syn bloet heeft besuert, datmen hem daer ghceft.
Lsp. III, 1, 66. — Ook in de nitdr. dieiea
(verdienen) ende besuren. || Die gfaene dieat
ende besuurt meer dan dander seven cnechte, SpA\
73, 10. Ghi die werct bi dacbhueren ne vildi
1125
BESÜ.
BESU.
4120
verdienen no bezneren hnwen loen, ghi wertghe-
scent, Denim. 3, 116, 41.
i) Met moeite tot ttand brengen ^praeeteer en ^ uit-
werken. \\ (Si) spraken alle lof ende eere her
Everaerde . ., dat hyt dnci cloeciyc haddebesueri
ende soe seere^gheayentuert, Brab, T. YI, 1615.
Her Jan . ., niet en spaerde sine lede maer met
wapenen yele besnorde, 5882. Men mach gheen
boden daer toe winnen , diet yoer ons ejnden off
beghinnen: elck moet seWes^ndeelbesnrenfHild.
31, 43. Wes een manlic man besnert, hets recht
dat hem den lof gebnert, Claghe 15. Mach mense
{de nut) anders met woorden besneren, ten zal
yrylic aen mj niet ghebreken, £oom d. Scr. 159.
Al dat die somer can besneren, dat verteert die
winter al, Wint, e. S, 112.
e) Met moeite uithouden , volkouden. \\ Haddet
(het beleg) iet langer* moeten dnren, sienhaddens
niet meer connen besneren, Brab. T. YI, 8211.
Want iet tot hier heb besuyrt in eren eens goets
mans. Wrake III, 2510. Dies leggic myn wedde,
dat sy daer i^op bed) onlanghe sal dnren, sj en
mochte nemmee besuren. Treden 555.
d) Met moeite verwerven. || Wonnen gnet is
qnaet verloren, dat mit arbeyde is beznert, Hild.
77, 88.
e) Met moeite en inspanning doorbrengen , met Aet
doen van groote daden besteden. \\ Hoe hertoge
Jan .... sQn leven heerlic besnerde ende hoe
vromelic hl hem ruerde, Brab, T. Dl. 1, bl. 412,
▼s. 14.
/) Met moeite doorworstelen. || Dns clagic Gode
m^n mes val, dat ie dese werelt moet besneren,
ZansL 430.
g) Iets moeilijke y gevaarlijks ondernemen. || Die
Kone wiste wel . . dat hi emmer moeste varen
dese zware vaert besneren, deze moeilijke reis gaan
ondernemen y Lsp, II, 6, 29. Dat si so meneghe
▼rese ende so meneghe staerke rese (gevaarlijke
expeditie) dor sinen wille hadden besnert ende
hem so dicke geaventnert, Alex. III, 1203.
5) Lijden, uitstaan, ondervinden; te lijden, ie
verduren hebben. — d) Met een pers. als ondw. ||
Dat ie beznere, dat moetic zwighen, de redenees
mi te lidene zwaer ! OVl. lAed. e, Qed. 456, 19. Der
minnen pas {den weg , de gevolgen) moetic besnren,
Glor. 510. Wat hebbic al door n besnert ende mi
gheaventnert eer ie hier comen ben in dlant,641.
Hen hat die stede niet verbnert, soene hadde dat
niet besnert, Sp, III ^, 12, 89. Hier sal comen
t«cip van aventnren, dat menegen hevet doen be-
snren, Lanc, m, 25410. ^line minne hebdi n om
sere gheaventnrt. Twaren ghi hebt ghenouch besnert
ende herde sere verdient, JAmb, YI, 1224. Daer
ie vele in besnerde, Sp. W, 44, 32. Peinst wat
Jhesns ghedoghen wonde dor nwen wille ende
besnren, Overzee 206. Yallen, rysen, oec beznren
met penitencie vanden zonden, Hild. 217, 86.
Als God wil, oec wyet besnert (nl. het sterven),
soe ist verloren tenen male , 129 , 203. Een scheyden
mnsten si bezneren, MLoep I, 387; vgl. 11,1164.
Sulck sceyden ter werelt en achtick niet, dan dat
leste sceyden, dwelc elc besneren moet, Belg,
Mus. 9, 149, 92. Omdattn heefs ghescnert Gods
ghebod, heefstn besnrt (^^i-i^ verbnert), dathidgn
rike scnert met rechte, Rijmb, 12013 rar. (De kat)
maect node hare poten nat, het schynt, aat zoet
niet wille besnren, kan verdragen, Praet 2268.
— Ene plaghe besnren, Bdjmb, 4081. Groet
torment b., Lsp, III, 8, 33. Leet b., Toree 46.
Fine b., Hild. 99, 166; Bijmb. 26564. Die doot b..
hetzelfde als die doot \i^(iOT%r^, den dood onder-
gaan, smaken, sterven, Brab. T, YI, 1338; YII,
16042; Hild. 126, 266 ; iSt/md. 626 ; 29492; Aa^. JS/.
lY, 180; Alei, YI, 169; FUmdr, I, 784.
b) Met eene zaak als ondw. Doorstaan, verduren,
Ujden. II Die myne {mijn schild) heft soe veel
besnert beide van steken ende van slaghen , Trogen
7269. — De onb. wijs als znw. Smart, lijden,
kwelling. \\ Al brenctet scheiden groot besnren,
Hild. 116, 17. Wye dat boos is van natnren, wel
te doen is hem beznren, 218, 11. Een ewelijc
besnren , daer gheen eynde en is te wachten , 242,
40. Alsoe dicke machment . . setten so in avontnren,
dattet comt tot groten beznren, 248, 112. — Om
geen besnren, al moet men er nog zoo veel om
lijden, voor geen geld van de wereld, \\ Dat hi
. dit dorste avontnren ende niet laten om gheen
besnren, Hild. 1, 253. Die zeeman leeft der avon-
tnren, hy en dede niet om gheen besnren anders
dan hi selve gaert, 42, 139. Dat si dinghen
avonturen, si en dedens nae om gheen besnren,
194, 161.
6) Ergens voor Ujden, boeten,
a) Yoor de schnld van eenandei*. jj Dnsqnaemt
dat hi (Adam) tghebod verbrac, dat zi becochten
ende wi bezueren, OVl. lied, e. Oed, 516, 652.
Dat zwaerlic wilde besnren Onse here Christus
onse behont, om ons te benemene thelsche cont,
Lueid. 1563. Nu merc of Jhesns zelve wilde hemel-
rike meest besuren, als hi zgn bloet hier sturte
milde over ons allen creaturen, Praet 2275.
b) De treurige gevolgen zijner eigene handelingen
ondervinden, er voor boeten, ze ontgelden, duur
betalen. Ie besuer \%i, het wordt mij „te sure,"
het breekt mij op (waarin hetzelfde beeld ligt als
in besuren). \\ Die goede ridder heeft besnert alle
die minne van eertrike {die wereldsche minne), Segh,
5170. Doen ie quam in den strQt, besnerde ie den
eersten steke, kwam ik er slecht af, 8660. Al
sonde hyt stelen seer besuren, Hild. 10, 406. Al
soudic tavontmael besueren , 200 , 88. (Hi) brencten,
dat hi na besuert, al dat verdeel, dat hi socht,
252 , 90. Die gheme langhe int drinchuus dnren . .,
hoe si dat int inde besneren ende hoe si sijn dan
thuus ontfaen , Belg, Mus. 10 , 51 , 19. Hare sonden,
die si daeden . . in hare joget . ., dat si nu wel
sere beznert, Bose 4465 var, Hine was so coene
noch so stout, hine besnerde daer sgn sout, dat
si te voren hadden ontfaen, hij betaalde daar duur,
nl. met het leven, de soldij, Stoke YIII, 367.
Enen schat . . hadde hi besloten ende vast bemuirt,
den meuich goetman hadde besuirt ende tlQff
fheset in groten verliese, MLoep I, 564. Des
roech hi hoer ghetrouwe minne . . , dat si namaels
wail besnerde, 1982. Yanden grale die aventnren,
die menech riddere sal besnren, Lanc, III, 1099.
Der minnen . . , die langen tiit hadde gedurt ende
elkerliic {nom,) hadde besurt, die voor beiden een
bron van verdriet was geweest, Limb.ïX, 44. Selve
hilt hl {Lgcurgus) ende besnerde alle die wette, die
hi cuerde, S^, I*, 32, 54; hij ondervond de kracht
zijner eigene wetten bezegelde ze tot zijne eigene
schade. — Ook in het pass. || Yan minne, die
dicke wert beznert, als mense gheckelic aenvaet,
MLoep I, 3214. Eene enkele maal ook met den
4den nv. van den pers. jj Met rechte heb ie u
ghemint, want ie u sere hebbe besuert, ik heb
zeer veel om u geleden, Segh, 2596. — Het
besuren, het ontgelden, er voor boeten; het
doen besuren, het doen opbreken, jj Alsnecthi
sine minne ane u , wildi, ghi moghes wel ontberen.
4127
BESU.
BESW.
4128
want menegbe joncfroa . . bevet dicke swaerl^jc
besuerty Fad. Mm, 1, 400, 91. God en wils niet
meer besneren, want hi beeft eenwarff al betaelt,
Hild. 135, 114. Doet siit ooc, soe moet siit sciere
weder besueren in dat wont en de bebben de pine . .
menichfont, lAmb. I, 1720. Dn drives weelde ende
feeste . . , waendi , gbi en selt besnren ende dogben
hier omme wee, JD. War, 2, 363, 63. Met groten
slaghen ende met sneren so dede hyt hem allen
becueren (/. besueren), Troyen 4632. Woudi dat
die ridder fijn . . (de speer) wederghecreghe ent
besnerde met feilen slaghen aen sijn lijf? Segh,
6142. — Ook van hetgeen men Yoor anderen lijdt.
II Gbi hebbet . . stTtheaJiri ^ hard te verantwoorden
gehad y ende n selven gheaventurt dore minen wille,
Limb, VI, 1783.
* BESÜST, bnw. Verkeerde lezing voor be-
t i i n M t , met tijns , belasting bezwaard ^ zooals andere
teksten hebben. || Ten waere tselfde lant herent,
belast oft besnst (/. betiinnt) waer met scepenen-
brieveu, oude wilcoren oft geestelike renten,
O. R. V. Dordr, 2, 308.
BESWAERNISSE (beswernisse), znw. vr. Mnd.
be»v>emi99e\ mhd. beswarnwe. Bezwaar ^ Uut^
moeilijkheid. \\ Ocht hoere de roeke yet deren soud
daer af ent hare engeen beswemes en gaf, Lutg.
III , 886. Streckende tot bezwarenisse der rechteren
ende groeten achterdeel der twistiger parthien,
Overijs, R. P, 207. Off hem . . tot eniger tijt bij
yemande last off bezwarenisse toeqname, V. d. Wall
491. Off onser stede van Dordrecht . . lajst off
beswairnisse aenquame, 494. Dat het den lande . .
namaels te laste comen mochte . . ende te be-
swaemissen, Brab. Y. VI, 9663. Hoe wel te be-
swaernissen die woirden Inden meer daer ave
opten hertoge dan opten grave, Brab. T, Dl. 2,
bl. 77 , VS. 136. — Ook in den zin van la^tigheid,
II Bezwaemesse oft pijnl|jchede , Es, v. 1348, 244a.
BESWAREN (besweren) , zw. ww. bedr. en onz.
Mnd, besweren\ mhd. beswaren. Vgl. belasten.
Bedr. — 1) Zwaarder maken ^ verzwaren. || Als
si den man begripen moghen, daer sij mede be-
zwaren haer doghen , MLoep IV , 2195. — Ook s i n e
bant beswaren, zijne hand doen drukken. \\ Dat
bi (God) sijn bant alte ongbenadelic op di be-
swaert, Devoet B. (36) llr.
2) Last aandoen^ het iemand Instig maken ^
kwellen y plagen ^ bedroeven. || Hier na zolen die
broedere mit vlite staen, dat zi . . die een den
anderen niet en beswere, 1). Orde 257. Datte
lichame de ziele besweert, laitg, II , 1031. Brengs
du dine offerande toten outare ende ghedinct di
daer, dat dyn evenkersten es beswai-t van di, door
u gekweld is , reden van ontevredenheid op « heeft ,
L. V, J, c, 38. — Met God als ondw. Straffen ^
beproeven. \\ Onse Heere die wiltse bes weren op
dat sij dese mesdaet amen, Serv. I, 1726. — Met
eene zaak als ondw. Bedroeven ^ temeerslaan, \\ Al
dat him mach bezweren, dat verghet hi, MLoep
II, 1208. — Het bnw. deelw. beswaert bet.
bedroe/d, terneergeslagen. \\ Dat die goede mensche
heeft in , soe waer hi es , bliden sin van goeden
dinghen . . . ende van den quaden wert hi be-
swaret, laetari bonis et dolere contrariis^ Melib.
153. Here, wi comen van Coelne waert . . sere
beswaert . ., want bet was te jammeme sere,
Lorr. I, 1009. Dus voeren Garijn ende Ritsaert
tAken waert sere beswaert, 1125. Daer mense
leide uutwaert {naar den brandstapel) , worden die
liede sere beswaert, Ztm^. 1 , 1966. Al there wasser
sere af beswaert ende tonghemake, II, 1226.
— Enen beswaren tegen enen, iewtand met
een ander in moeilijkheden ^ oneenigheid brengen. ||
Enich borgher die enen anderen onsen burgber
beswaerde teghen eenighen g^t van buten , Stmdsr.
V. Zwolle 67, 60. Dengenen, daer hi hem te^a
beswaert hadde, alsoe groet vrient onsen burgner
te maken , als hi te voren was , ald. Item so hebben
Gheerd van den Dale, enz. beswaert die stad van
Swolle teghen goede Inde van buten, daer mede
hebben se verbciert elc hondert scillinghe ende dese
beswaringhe , die deze vier ghedaen hebben , heeft
der stad ghecost wel dusent pont, 176.
3) Bezwangeren. — Slechts in het deelw. be-
swaert, zwanger. \\ Die coninginne . . die bleef
thuus beswaert sere van kinde, daer soe af gelach,
Sp. III*, 44, 56. So dat soe bez waert waert van
kinde. Franc, 9406.
Aanm. Sp. III*, 49, 49: „Daer na worden sine
kindere beswaert ende worden quelende ,** is waar-
schynlijk slechts eene onhandige vertaling van het
lat. yt^Mi gravxter egrotavemnt."
Onz. — Bedroefd worden. — Doen beswaren,
bedroeven y temeerslaan. || (Hi) starf ... in sinea
jongen jaren, dat menich herte dede beswaren,
Brab. T. VI, 445.
BESWARINGE (besweringe), znw. vr. Mhd.
beswarunge, Vgl. beswaernisse.
1) Last, moeite y bezwaar. \\ Dat die veilich w»en
selen ende ghene moyenis , beswering, arresieringhe,
noch arch liden in eniger wgs, Ngh. 3, 237.
— Ook in den zin van moeilijkheid , oneenigheid. \\
Dese beswaringhe . . heeft der stad ghecost wel
dusent pont, Stadsr. v. Zwolle 176. Vgl. beswaren 2).
2) Bezwaring van het geweten ^ aansporing ten
kwade. \\ Oft gbi uwen wille hadt te doene, en
consti dan ons beswaringe niet wederstaen ? Blise.
v. M. 539.
BES WEERRE (besweraer), znw. m. Bezweerder,
duivelbezweerder y duivelbanner. Voor de vorming
vgl. men begeerre, leerre^ e. dgl. || Exorcisten,
dat luut besweerres in onse tale , Rijmb. 23192.
Hy hadde mit hem gokelaers ende besweraers,
D. B. II Chron. 33, 6.
BESWEET, bnw. Van sweet. Met zweet bedekt,
van zweet doortrokken, Vgl. besweten. || Alssise
{hun hemden) besweet laten rotten ende onghe-
uwoghen , Rein, II , 5122. Hi was bezweet ende seer
verhit, ende wilde dwaen sine lede , Stoke II , 954.
BESWELGEN, zw. ww. bedr. Inslikken, ver-
zwelgen. II Ist dat hiis {de zieke) niet en mach
bezwelgen , dan salmen in den put {holte) van dea
halse stellen een cleyne ventose, Lanfr. 94r (vgl.
95r: dan sal hy wel y^Tswelgen).
BESWELMT, bnw. Fuil, smerig, eig. berookt, be-
walmd ; van swelm of swalm , d. i. walm , swsook. Zie
Lubben 4, 484. || Den Griecken te verwyte sal ie rayn
bluesende aensch(f n vrg beswelmt ende leelick voort
toghen dy met tranen bedropen vol Tan ronve,
Troyen {Vb.) 32a.
BESWELTEN (beswilten), sL ww. onz. KiL
languescere, deficere animo. Zie swelten en T.en
Lettb. 5, 48—51. — 1) ( Van honger) sterven. \\ Datter
alomme veel schamele lieden van hongbere ht-
swolten. Despars 1, 270.
2) Bezwijmen, in onmacht vallen. || Mettien oit-
fait haer dat spreken ende sy beswalt, mer die
jonffrouwen namen saen op hare vrouwen ende
droeghen se in een camer aaen daer sy tas
hertten lach ontdaen, TVogen f. 256éiiL Si seecli
neder ende beswalt, Velth. IV, 40, 61. In hare
camere beswalt soe dare wel vierwerven oAe
1129
BESW.
BESW.
4130
vive, Flandr, Y, 18. Int herte ontflnc hi doen
jubelacie, die ridder, soe groet, dat hi bes walt
ende doot voer des ermiten voete valt , Vod. Mus,
1 , 56 , 232. Als das ghehoont was die joncfroawe . . ,
beswalt soe van groten sere, Parth, 2145. Doe
nioesti vallen ende beswelten tenegadere so menech-
waerf, mi wondert dat hi doe niet en staerf,
2394. (Doe) mochti een twint niet ghespreken
voort ende beswalt, 2525. Mettien beswalt die
keiserinne ende waert vele bleec ende verweloes,
3511. Doe suchtese stille ende beswalt vangroten
zeere , 3578. Hem qnam conde ende grote pine ,
dat hl viel ende beswalt, Alex, X, 1353. Van
ronwen wart hi so ontdaen, dat hi driewerf be-
swalt achtereen, Flor. 1127. — Nog heden in 't
Ylaamsch in gebruik (De Bo 126; Schuerman8 52).
B£SW£ND£L£N, iw. ww. onz. Mhd. betwindeln,
d. i. exl€uire^ yien. Ygl. hd. tchtoindeln^ ohd.
Mwintilén. Duizelen^ een gevoel hebben aleofmen rond-
draait. — Yandaar het deelw. bnw. beswendelt,
duizelig. || Onse Here . . hinc aenden cmce . . .
met beswendelden hoefde , met verscedenen herten,
Fad. Mm. 2, 429.
BESWEREN. Zie beswaren.
BES WEREN, st. ww. bedr. Mnd. besweren;
mhd. besioem,
1) Door een eed iemand binden j verplichten; van
daar in het pass. besworen syn, verplicht j
verbonden zijn door een eed of zijn eerewoord. || In
haren dienst bem ie bezworen eighin vry, OFl.
Lied. e. Oed. 147, 28. Biden gonde sidi bezworen
Gode te dienene al nwe jaere, Sal€td. 153. Johan
Zuerbroet . ., besworen ende bevraecht, off hij
kende die brieve ende segel voorseyt, R. v, Utr.
2, 86. — De onb. wijs als znw. Verbinteni* ^ samen-
zwering. II Doe Absalon offerde, soe wort daer een
machtich besweren ghedaen, D, B. II Sam. 15, 12.
2) Een eed doen op iet», ter bekrachtiging van \
ictsj de tegenw. beteekenis. || Die sal den vrede
besweren, Fri. Stadr. 98, 114. — Ook in het
algemeen. Een eed doen, zweren, — Ook in de
nitdr. besworen kerf, waarvoor Bet, d. Or. 1,
354, ghesworen kerf gelezen wordt, d.i.eig.de
kerf der betvoorenen of gezworenen; de kerven, die
door hen op den kerfstok gesneden werden, waar-
door werd aangeteekend het bedrag, dat ieder in
eene bede moest inbrengen. Besworen kerf bet.
dns eene wettige bede. || Zo waer dat onser poerteren
goet gheleghen is binnen jnwen lande , dat en sel
gheen onghelt ghelden dan binnen onser vrihede
van Aemstelredamme , zonder allene in beswoeren
kerve , O, B. v. Amst, 13. Zie de noot 2) op bl.
28 en vgl. kerf.
3) Onder eede iemand als den schuldige of den
medeplichtige aanwijzen. \\ Worde yemant in dien
dootslach bezworen, die daer niet vredeloes in
gheleyt en ware, die soude vrede hebben ter tyd
toe, dat hi up sgn niyme quame, tot dat hij zich
door de vlucht aan de straf onttrok, O, W, v, Amst,
7, 2. Nyemant daer in te besweren, hij en zij
bezaket ts voren eer men claghet, ald.
4) Met den 3dennv. Eenre stede besweren,
den eed doen op de vrijheden en rechten eener stad.
II Als onze . , ghednchte joncvranwe . . dese
stede bezwoer, Invent. v, Etugge 6, 160. Onzen
. . heere ende prince . . als hy dese zine stede
bezworen hadde, 170. Als onze ghednchte heere
ende . . vranwe deser voors. stede bezworen , a/^.
5) Een toover formulier , eene bezweringsformule
over iemand of iets uitspreken, {een boozen geest)
er doot uitbannen. Zie beswekrre en besweringe.
BESWERINGE, znw. sx.WDA.beswerunge;mxi^.
besweringe; hd. besehwörung. Uitbanning van een
boozen geest door een tooverformulier. Teuth, 267 :
besweryng tegen den duvel; 85: Tegen den
duvel beswering, exorcismus; 86: die die be-
sweringe doit, heyt excorcista.
BESWERCT, bnw. Ygl. mnd. beswerken. Yan
swerke (zie ald.). Bewolkt, beneveld. — Ook fig. ||
Mijn oghen waren al beswerct, OFl. Lied. e. Oed.
251, 526.
BESWETEN, zw. ww. bedr. Mhd. besweizen.
Kil. 54: Sudando niti, sudare multo labore. Ten
koste van zweet, van zwaren arbeid bekomen, jj Si
stelent (het goed) al den ghemeiynen armen, diet
met pinen besweten ende becarmen , N. Doet, 523.
— Zie ook BESWEET.
BESWETTEN , zw. ww. bedr. Yan swette , grens ,
(z ald.). Begrenzen, afperken. \\ De van Roeszwinckel
sollen oer bepaelde unde beswettede landt ge-
bruicken, Etst. v. Dr, 147. Ygl. mnd. beswettet,
beswat tet, d. 1. belendend (Lubben 1, 294, waar
o. a. belandett en b e s w e 1 1 e t verbonden voor-
komen).
BES WICHTEN, zw. ww. bedr. Inwikkelen , om-
hullen. Yerwant met ons zwachtel. Ygl. ohd. svfifan;
onr. svipa, d. i. involvere (Graff 6, 901); bisweifan
(t. a. p.) ; mhd. besweifen, omvatten (Lexer 1 , 232);
en ohd. umbisweifo, d. i. amictus (Qraff t. a. p.);
mhd. umbesweif (Ben. 2 , 786^) , d. i. wat iemand
omgeeft om hem te dekken. || Ondect die lieflike
aenghesichten , ende wiltse niet te duen bezwichten,
datmen die zoete wangskijns root schouwen mach,
MLoep II, 4147 (de verklaring van De Jager,
Arch. 4, 146 door beswiken, d. i. cireumvenire , is
onjuist).
BESWIJC (in hd. gekleurde geschriften ook
BESWIJCH), znw. o. Mhd. beswich. Af val , verraad.
Slechts in de uitdr. beswgc doen, hetzelfde als
beswiken (zie ald.). || Wie soudso mi dan doen
bezwijch, OVl. Lied, e, O. 70, 17. Hoe saltu mi
dan doen bezwijch, dyn zien es mi een hemelrijch,
(oorspr. blijkbaar: zwjjc: rüc), 130, 13.
BESWIKEN, st. WW. bedr. en onz. Mnd. be-
swiken; mhd. beswichen, Yan swiken (zie ald.).
Bedr. — In den steek laten, aan zijn lot over-
laten, zijne handen van iemand aftrekken, iem. be-
geven, verlaten, afvallig worden van iemand,
a) Met een pers. als ondw. en een pers. als
voorw. II Uwe kinderen, die ghl op desen dach
in eeuwigher verderffenessen bringhen sondt, op
dat ghi hen luden bezwijct, Cron, r. Vlaend, 1,
158. Nemmermeer en wordi van ons bes weken,
Troyen Vb. 32a. Ie hope, ghy my niet bezwjjcken
en selt. Mar, v. N, 16, 387. Dat hi heme (zijn
vriend) nine beswike, Bose 4624. So dat hi hem
niet en beswike ende hi hem soude staen in staden,
Stoke lY, 332. Hine besweec hem {zijnen heer)
nemmermere, YIII, 888. (Doe) hem sijn maghen
souden beswiken, Hild. 64, 251. In beswike ju
niet, troest ju in desen. Wal, 9435. Ocht ie u
emmermeer beswike, soe moete mi God seinden!
Beatr, 308. Mine vrient beswiken mi ter ure,
Lane, III, 15214. Zoo ook Y. d. Wall 296; Oest,
Bom.f.l^b. — Met God als ondw. || Minnen wi
Gode van hemelrike , die en sal ons niet beswiken,
Lansl. H. 916. (God) die niement en beswijct,die
te sgnre ghenaden strgct, JLsp. I, 47, 25. Hi
niman en beswict noch beswiken en sal, di hem
getruwe es, Limb, Serm. 215<?. Als hen God wilde
beswiken. Vierde Mart, 162. Bidt Gode, dat hi
ons niet en beswike, 435. {De ziel) ne blijft niet
4131
BESW.
BET.
1132
besweken van hem diet al ghevet, Wap, Bag.bbi.
Den mensche hi {Ood) nemmermeer besweke , Binel.
410. Zoo ook O VI. Lied, e. Ged. 53, 96; Wap. Mart.
III, 246; Hild. 185, 167. — Ook Boetpê, 38, 85
behoort hiertoe: „Na biddic di, Here, . . datghi
mi niene laet beswiken; men kan nl. laet als
zniyer hnlpww. opvatten; lat. {Ft. 38, 21): y^ne
derelinquat me , domine,^'* Of men heeft hier al een
voorbeeld van beswiken; in de bet. van ons be-
zvijken intr. , m krachten te kort schieten. — Met
God of een heilige als voorw. Zich van hem af-
keerenj gijn dienst vaanoel zeggen. || Santé Johan
en wonde si niet beswiken noch Maria Qodes moeder ,
Eor. Belg. 10, 92.
b) Met een pers. als ondw. en eene zaak als voorw.
Raar vaanoel zeggen^ afvallig worden van iet* ^ het
begeven. \\ Bat wi die doecht ie besweken, mach
ons rouwen alle weken , Vierde Mart. 276. — Ook
met een 2den nv. of eene bep. met van. || Der
tmwen en wonde sy niet bezwiken, MLoep II,
398. Dat en saldi niet gheliken , off ghi moet der
eer bezwfjcken, lY, 2231. Hi hadde ghemaect
een convent . . metten coninc Ëdewaerde . . van
hnwelike, dat haer gheen daer of beswike, Stoke
IV, 780.
c) Met eene zaak als ondw. en een pers. als
voorw. Ontzinken^ ontvallen^ begeven^ in den steek
laten. || Mgn vrienden, maghe ende scat die sullen
mi beswiken, OVl. Lied. 457. Wat mach mi nu
beswiken? Mijn lief heeft mi verbijt, Eor. Belg.
10, 145; vgl. 9, 42. (Dat) soe {armoede) niene
beswike, niet beschaamd doet uitkomen^ die hare
met trouwen wike, ^tf^. ifar^. 1 , 818. Mi beswiken
al mine lede, ja, omdat ie van ju sceden moet,
Wal. 6144. Die tale hem mettien besweec, Troyen
3132. Dat hem daer van enen hare sine coenheit
iet besweec, Lanc. II, 38572. So besweken hem
alle die lede, FUrr. 1019; Sp. \\\ 43, 27. Seghelijns
ors besweken die lede, Segh. 1934. Doe bezweken
haer die been ende viel in onmacht , Fyr. en Th. 373.
Onz. — In onmacht vallen^ bezwijmen. \\ (Doe)
gebrac hare therte ende si besweec, ende si sat
neder al bleec , Lanc. II , 11479. — Over beswiken
in de bet. van ons bezwijken, zie bij bedr. a).
BESWIMEN , oorspr. st. ww. onz. en bedr., doch
reeds in het Mnl. bijna nitsluitend zw. gebruikt.
Zie swiMEN. Mnd. bestoimen, -eln^ mhd. beswimen.
Onz. — Door eene duizeling overvallen worden ,
in onmacht vallen. || Hoe swaer wart dat herte
mijn! Mi docht, dat ie beswijmde al, Rein. II,
6196. — Vandaar het deelw. b e s w ij m t , duizelig ;
bij uitbr. dwaas, onzinnig. || De mensche es al te
zeer bezwijmt, die om caf hier gheeft zijn coren,
Praet 837.
Bedr. — Duizelig maken; bij uitbr. dol maken. ||
Soe {folie) es tlim van vele souden, die menighe
ziele zware wonden , wanneer dat soe mach be-
zwimen den mensche ende zinen geest belimen,
Praet 1146.
BESWOENEN, zw. ww. bedr. Oudere en oor-
spronkeiyker vorm van 3^.9(?^»tf}». Vooral in Geldersche
oorkonden voorkomende. Vgl. zwoel met zoel\ en
T. en Lettb. 2, 66 vlgg. — Vgl. vooral bksoenen.
1) Verzoenen, in eene goede verstandhouding
brengen met. || Die stede , borgere ende ingesetene . .
van alle saken . . mit onsen . . heren van Oistrich
ind van Cleve . . ganss vast int stede beswoent,
Nflh. 5, 129.
2) In een zoen of vrede opnemen, begrijpen. \\ Als
wij .. die ghoene, die sich mit oen in die vede
gemenget bedden, mede beswoenen, NJh. 4, 373.
Hier in sullen mede beswoent weses alle burgere . .
der stede Njmegen ende Grave, 6, 135. Anderre
Gelresscher, die hier in mede beswoent werdeo ,
ald. Mit den anderen mede beswoenden Gelres-
schen, ald. — Ook enen beswoenen op een
goet, een zoen aangaan, waarbij iemand het onge-
stoord bezit van dat goed is verzekerd. \\ Voert is
een yegelick beswoent op sgn goet, ald. 3, 24.
4) Met het obj. geit. AU schadevergoedimg beloven;
bij een zoen bepalen , dal het moet betaald worden. ||
Die en sal n^et langher borghe bliven dan tfaent
die zwoene uutgheseghet is ende dat ghelt, dat
daer beswoent is , betaelt zij , O verijs. £. , I ■ , 152.
BET, voorz. Mnd. bet, bette, bUte. In beteekenis
geiyk aan het hd. bis, waarmede het ook in vorm
verwant is, waarschijnlgk van bi (be) afgeleid,
evenals tot van te. Vgl. Grimm, Wtb. 2, 42. In
het mnl. zeer zeldzaam; het gewone woord voor
tot was tote en voor tot dat, onthier ende
(zie ald.). || Ende der vorghenoemder vgfpontgheldes
selen die heren van Oudmonster tUtrechtelksjaers
vermanen . . dien commenduer van sente Katerinen
bet an der tijt dat onse onrecht verghonden es,
Oor kb. 2, 425 a (a. 1296).
BET (bit; eig. bed , zooals uit de samenstellingen
blijkt), voorz. Met. Reeds in het onl. komt bit voor,
b.v. Ps. 2, 11; 3, 4. In het Mnl. aUeen in ge-
bruik in de samenstellingen al-bed-alU en niet-
bed-alle (zie die woorden), en in de dial. aan de
Zuidoosteiyke grens, b.v. in den u^to/., b.v. vs. 2:
bet sporen; vs. 11: bet haesten; vs. 26: betvaintn
munde; en zoo ook 54, 78, 88, 91, 94, 97 vlg.,
130 , 161 ; enz. — Zoo ook in de lAmb. Serm., b.v.
8a:al3»V blude begoten; 14a: der duvel . . vuget
bit sinen bosen raden, dat der mensce ilanc meer
ende meer becort wert; enz.
BET (bat), bijw. Ohd. ^«r;mhd. dor; mnd. M,
bet; ags. bet. Oorspronkelgk positief met de bet.
van mnl. mdJï^,- wel; comp. got. baüso, nl. beier;
superl. got. batists, ndl. best; vgl. Benecke l,93é;
later algemeen gebruikt , om den compar. van waïe
te vervangen en dus gebezigd in de bet. van ^/^.
I. Als positief. Wel, goed. || Si es dat bat-
geraecste wyf, dat nie ter werelt ontfinc liif,
Limb. I, 1305 (vgl. VI, 2649: Dat scoenste wgf,
die nie ontfinc van moeder liif, entie welyi#rd«ia/«
mede).
II. Als comparatief.
1) Beter. \\ Die swighere merct bat ende verstaet,
dan die met vele sprekens ommegaet, Meliè. 1011.
Dat ment niet bet besteden mochte, J^. Ill'i 60,
71. Jonathas maecte die mure . . . ende veste
{Jeruzalem) bat, Bijmb. 19986. Die een troeste hen
bat dan die ander, Vrouw. e. M. X, 54. Ie mane
u bi uwer wet, dat ghi u bepenset bet; bepeinst
u bat op dese sake, Theoph. 275. Si weten bet
dan ie ofte enech ander comanvoere ende weten oec
bat van Blancefloere , Flor. 1465. Die behaecht Gode
alsoe vele bat, Ruusb. 2, 112. (Het) smaket hem bet,
3, 36. Dat si alle dinc bat weten ende bat doen
dan yemen anders , 4 , 36. Vele bet te moede ,
L. o. ff. 364. Bedinct u bat, 2753. In lanc so \mi ,
244. Inlanc so bet. Rein. l, 1222. Bat is beiden,
dan verhaest, Hild. 4, 67; enz. — In de volgende uitdr.
— Bet gheboren, van aanzienlijker, edeler ge'
boorte (vgl. best geb"oren, Bein. I, 798). || Staicker,
scoenre , bet gheboren , Bijmb. 16053. So ghi bat sgt
gheboren , soot u bat sal toehoren , dat ghi u neder
hont ende clene, Lsp. III, 3, 49. Vgl. ons bnw. wel-
geboren en het Qr.evYevfjg' — Bat staende,
beter houding, uiterlijk. () Dat Walewein scoenre
1133
BET.
BET.
1134
ende bat staende aloppenbare, Lane, III, 20584. —
Bat maken, verbeteren , vertieren, \\ Kerken in elke
stat sietmen versieren ende maken bat , Teest 482.
Jhernsalem die stat sal hi stichten ende maken bat ,
J^p. IV, 7, 67. — Vandaar ghemaket bat, tier-
f ijker ^ van beter uiterlijk'^ hetzelfde als batghe-
maecter, batgeraecter; zie bij 6). || Ie en
sach noit in enegher stat enen ridder ghemaect bat,
Ferg, 620. — Mi wort bet, ik toord beter ^ het geuit
mij beter ^ ik ga vooruit, \\ Alsoet God wilde, so wert
hare bet, ende yan hare geboren waert een scone
knapelkijn, Sp. II*, 16, 22. Daer na, doe hem bet
waert, worden sioe kindere beswaert, III*, 49, 49.
— Bat hebben. — a) Beter worden y herttellen, \\
Datsi spise nam ende at ende wart gesterct ende hsïd
saen bat, Z)»/^. II, 601. (Hi) ghevnelde van binnen
wel, dat hi uyen hadde een twinteken bat, 111,519.
Op dat miin wee yet hadde bat, Hadew. 1 , 15, 67.
Doe Traghede hi yan hem die nre in welker hi
bet ghehadt hadde, Ht, 71, Joh. 4, 52. — b) Het
beter hebben, \\ Noch tan yerblides haer snnderleke,
alst convent in spisen had bat, Lutg, II, 102. —
Hem bat hebben, sich beter gevoelen, \\ Ende
had haer rastleker uamaels ende bat , dan si te
voren dede, Chritt. 711. — Bet syn met (bi)
enen, hooger ttaan aangetchreven bij iemand, Vgl.
best sijn met enen, b|j best. || Doen men Pirse
hinc, was hi metten coninc nochdoen vele bat dan
enich man, Heeln 1401. Isegrgn ende Brannsyn na
bet bi den coninc dan ie bi n , Rein, II , 3805. — Bet
varen. — a) Beter worden ^ genezen,\\VfMT ^vAxAl
man of vrouwe . . . coep deden alse si ziec sin,
ende wanneer si dan bet varen ende to kerken
ghaen, Stadtr, v, Zwolle 136, 226. — b) Gelukkiger
sijn^ er beter aan toe zijn, || Lasams voer vele bat,
nochtan was hi van haven bloet, Vad, Mat, 2,
169, 141. — Somtyds heeft bet met een ww. ver-
bonden de bet. van een verkorten zin, b. v. Ie
gave bet, heeft den zin van ik deed beter te
geven. Zie ook bij best en vgl. bij liever. || Hi
sweghe bat ende sprake niet, Belg, Mut, 1 , 113, 6.
Si begherens (/. beghevens) bat. Flor, 70. Ie
mochte vele bet swigen stille, L, o. H, 2538. Bet
doetmen dat wille Crod, dan men doet der liede
gebot, Sp, I*, 43, 9. Die claghe ware bet ver-
holen, het Mou beter geweett zijn, ze ttil te houden ^
Bein, I, 255. Costelike spijse, hoe die bat ge-
ernyt is, F. m, bv, — Te bet, te bat, eig. de
(die) bat, dat in H mnl. ook voorkomt. Zie by
DE, 8de Art. Te beter, det te beter, || Na
dordine van den ABC snllen haer namen sijn
geaet, omme dat mense vinden mach te bet, Nat.
BI, II, 230. Sine slapens maer te bet. Kerk,
CL 202. Dat gh^s te bat gheloeft, L. v, J, c. 197.
Omdat ghgt onthouden sult te bat, Natuurk.
1172. Om dat kenlic si te bet, Sp, II*, 22, 240.
Omdat wi hem te bat genaken, 244; enz, — Te
bet hebben, met den 2den nv. van den pers. of der
zaak, eig.: er det te beter aan toe zijn,
d) Voordeel, laat bij iett hebben; ergent de
vruchten van plukken, er iett aan hebben, || Wi
hebben al ghelaten ende sijn di ghevolgt, wat
aelewy s te rat hebben ? £. v, J, e. 146. Men nijght
onder den boom, daermen ie hei tSheeti^SIpreuken
76. Op Kamet dat si riepen . ., dies si hadden
clein te bet, want si verdronken, Boel. I, 428.
Levic, si selens hebben te bat, Velth. V, 19,44.
Omdat si mede der comenscape selen hebben daer
te bat, VII, 30, 32. Den tijt, dat de vrecke leeft,
nieman sgns te bat en heeft, maer als hi doet es
na dat, heeft men s^ns goet te bat, i>o0^. 11,425,
Want en heves nieman te bat, 2942. Wine selens
te bat nemmer hebben, Orimb. I, 5374. Dies heeft
sijne siele te bet, Ales, IV, 1078. üp dat wi
zullen besitten dieven, daer de ghene af hebben
te bet (genieten), die alle boesheit dor Gode be-
gheven, Belg, Mut. 8, 449, 38. Zoo ook jti»^. III,
764; Sp, IV», 30, 52; Merl, 28597; Ztp, Prol,
16; I, 9, 4; 48, 76; II, 45, 113; III, 1, 122;
5, 74. Vgl. het Oloss. — Want darghe moeten in
elke stat der goeder hebben te bat, Teett, 2096;
d. i. de tleehten moeten er voordeel van hebben,
dat er goeden zijn; het it beter een tlechte te
goed , dan een goede te tleeht te beoordeelen ; het is
dos het tegenovergestelde van : „de goeden moeten
om de kwaden lyden." — Hagheldet, snnwet,
vielet nat, diere was in hi hadts te bat, L. o. S,
353, d. i. de ttal van Bethlehem wat zóó ver-
vallen en oud, dat alt het hagelde, enz., degene,
die er in wat, er weinig aan had, niet merken kon,
dat hij in een huit watJ*^ Men leze das: „hine
hadts te bat.^*
b) Beter worden, genezen. || Hi sal dan vansire
quale te bat hebben, Ltp, III, 6, 60.
e) Ergent verheugd over zyn, in zijn tchik zijn. \\
Die coninginne dedem soe vele geven, dat h^js te
bat hadde al sijn leven, Lanc. II, 18610. Ende
hem die genas sine wonde soe vele , dat s^s waren
blide ende te bat hadden langen tide, IV, 2822.
U woerde troosten mi so sere, mi dinke, dat ics
heb te bet, Segh. 6902.
d) Te goed hebben, nog te vorderen hebben, ||
Dies heift soe te bat van den smale stelden . .,
hier boven ghenomt 116 dC, ^^^. Bijdr. 4, 328.
— Te bet moghen, met den 2den nv. (nl.
hebben), er det te beter dan toe zijn, in beteren
doen zijn, || Menich dienre wert verheven mit dat hem
die heren gheven , dat hijs te bet mach al sjjn daghe ,
Hild. 104, 87. In den clooster gaf hi gave, dat
sijs moghen noch te bet, 148, 400.
— Te bet sgn, met den 3den nv. van den
pers. en den 2den nv. der zaak.
a) Br te beter aan toe zijn , in een beteren toettand
zijn, gelukkiger zijn, || Eiker herten mochte sgn
te bet, Lanc, II, 46198. Ende gheven troest haren
vrienden . ., also dats hem zere is te hai, Ltp. I,
12, 29. Ghebner, nn segt mi, wat seit dwyf?
want wistict, mi waers vele te bat, 3 Dag. B. 232.
Ie wondt n vrienscap ende bate doen, dats n te
bat sonde wesen, Bloeml. 3, 27, 163.
b) Voordeel van iett hebben, vruchten plukken van,
genieten, er iett aan hebben; mi es te bat, het
baat, helpt m^'. || Alle dat des ons zonde zyn te
bat, Ltp. 1, 6, 11. Daer af hi hadde groten scat ,
des hem sere was te bat, ende die hemwelqnam
te staden, Bdew. 2007. Qine comt nemmer in die
stat, n en saels wesen te bat, Ferg, 888. Hen
allen waes te bet, dat gemaect was selke wet , S^,
II*, 22, 367. Mi nes niet te bat een hoy, Beatr,
230. Tis luttel den cnape te bet, dat de meester
rycke is. Spreuken 92. Reinaerde was lettel te bet,
dat hi den goeden bake ghewan, Bein, I, 226.
Waert al in duustemis te zweven, wat waer hem
dan des levens te bet? Hild. 224, 99. Mochte
u des te bet syn, al mjjn vermoghen es ughereet,
Amand II, 1374. Zoo ook Hild. 63,177; Ttt. BI.
1542; enz. — Wat si veet , si en wert niet sat ; al heeft
si vele, haer en eest niet te bat, het it haar niet
genoeg, baat haar niet, Ruusb. 4, 5. Eenmensche
beseten vanden onrejnen gheest, die riep . .: Wat
is des di of ons te bet, Jhesu Nasarene, welk
voordeel geeft het u of ont, wat hebben wij of gij
1135
BET.
BET.
1136
9r aan^ dat gij hier komt? Hf, 71, Mare, 1, 24.
— Te bet yareUf Er beter aan toe^ gelukkiger
zijn. II Dat ghi dan hoept te bet te Taren , Hild. 143 ,
47. Si voer een maent the bet daer af, Lutg, II,
105. — Te betwerden, met den 3den ut. Tan den
pers. en den 2den ny. der zaak. Er ie beter aan
toe zijn^ ergen* iets aan hebben. || Die rike mach
hi omme scat yerdingen, dies hem wert te bat?
maken dat hij er te beter aan toe is , Belg. Mus. 2 ,
73, 268. Ooc wgsdic den coninc enen scat, des
hem nie en wart te bat. Rein. II, 3975. Aldaer
soe sach hi enen man staen water putten in een
vat, des hem luttel wart te bat, want wat hi
putte . . , dat liep tene male onder doer , Hild. 43, 74.
3) Beter y nauwkeuriger^ in bijzonderheden. W^iet
na zalic yerclaren bat, wat rivieren daer ute
^namen, Rijmb, 418. Here, hier vore seydic u
dat, nu willict u verclaren bat, Melib. 1998. Als
ghi hier na noch bat sult horen , Brab. T. II , 944.
4) Beter, meer. — a) In grooter mate. \\ (Ie) ghe-
lovede anderen bet dan mi selven. Stemmen 125.
Omme dattet lant bet geit dant plach , Inform. 263.
Doch ghelovet die reaene mine bet der vstorien
in Latine, Sp. III*, 31, 67. Also moghendelike . .
of bet, Rijmb. 21566. Ëlc mensche . . sal vader
ende moeder wesen hout, ghelijc hem selven ofte
bat, Wrake I, 1314. Dus ghevielt mi bat dan wale,
Vrouw, en M. I, 41. Si ginc hoer palieren bet,
VIII , 106. Noit was ... die bet sceen een edel man ,
Ferg. 58. Men siet tfolc bat gaen ter kerken . . , dant
noyt dede, Teest. 471. Tfolc borght nu bat ende
leent deen den andren, 495. Maer emmer wiest
in lanc so bed, Amand I, 8051. Daer haer wert
wee so lanc so bat, Tien Fl. 2017. — Ook met een
volgenden comp. verbonden , gelijk men ook meer
bij een comp. vindt. Zie Franck op Mex. bl. 502. ||
Bat gheraecter kiut no vroeder, Limb. I, 76. Of
ghi saget nie batghemaecter creature, 964. Gheen
betgheraecter nO vroeder, Wal. 1440. Hem dochte,
datmen bet scaerper leven mochte,<SSp. IV», 9, 11,
Ende hi bet milder ware denaermen,III^,59,23.
Haddi ghewesen bet vroeder so hadde hi hertoghe
ghebleven , 57 , 84. Haddiit mi een deel bat eer geseit,
ie hadde gesfln in goeder hopen , Lanc. IV, 2092. Bidt
onsen here, dat hi bet sochter dijn verdriet kere,
Franc. 7475. Her ridder, rgt bet sachter, Ferg. 2235.
Si souden winden altehant tseil bet hogher , Stoke
IX, 1257. Meerre eere ware hem ditte, datmenne
up bet hogere trake, dan menne bat neder stake,
Sp. V , 15 , 64 ; Boo ook Farth. 2702 , Rijmb. 29000.
Siet dat ghi u bet meer scaemt, Rein. II, 6098.
Bet woester, Rijmb. 9467. Bet nauwer, 31439. Bet
vaster, Segh. 9784. Bet dicker ende meer vleischich,
Lan/r. 120». Bet conder, Sp. I* , 19,42. Zie verder
tal van voorbeelden bij Franck op Jlex., bl. 502.
Aanm. — Dit bat kan ook achter den comp.
staan, evenals vele. || Meer bat vanfaitedan van
rechte, Mask. 553.
b) Meer, bij getallen. || Een half mile of bet,
Leid. Keurb. 524, 15. Het is nu thien uren en
daertoe bet, Mar. v. N. 1, 17. Van skeysers volke
versmorden bet dan neghen duseut lieden ende
versleghen bet dan twaelf dusent, Oron. v. Vlaend.
1 , 19. Bat dan hondert dusent man , Brab. T, VI ,
5285. Datter zQn wat bet dan 300 communicanten,
Inform. 540. Bet dan 9 voeten zeedijcx, 130. Bat
dan tseventich jaren, Vad. Mtts.S, 365. Vgl. bij 7).
c) Als eigenlijke of adverbiale accusatief van een
WW. ; lat. plus , amplius. Deze adverb. ace. kan soms
door weer worden weergegeven. || Ie weet wel dat
God alleene bat mach dan al haer h eere, A?^/. III,
28. Die vele heeft, wille emmer bet, Fragm,Cérl.
273. Dats mi ghenoech: en gheer niet bet, Bein.U,
4336. Ie en begheerde niet bet dan yemant quaem,
die my bidden woude, Stemmen 13. Da heefs die
kerken ende die outaren bevult soe dicke ende
besmet , gheneestu oec , soe saltn bet , zoo sult ^
meer van dien aard doen, d. i. zoo suU gij het weer
doen, Esop. XIX, 8. Doe vraechde ie bet na dese
woerde : uut wat lande sydi gheboren ? Hild. 204 , 64.
d) Ter vervanging van den compar. van bnw.of
by w. II No van duechden bet vulcomen , Wal. 1443,
Dut si bat werdich waren , princen te sine dan Moyses.
Buusb. 2, 143. Ende es oec vele bat ghehoert..,
dant oec dede te voren eer, Theoph.lSl. Die week
is altoes sochter, scoonre ende bet ghetreden,
MLoep III, 1228. Tote dat hare sone werde bat
out, Sp. II*, 51, 49. Ende bleef ghedureger ende
bat gestade, 10, 117. Hi geraecten bat ter cuere,
juister, Orimb. I, 3433. Om te volgene bat gereet
den riddere , Lane. III , 3695. Bat nedere te minnen,
een meisje uit een logeren stand liefhebben ^ IV,
2108. Ende maken mi haers bat vroet, Hadew. 1,
151, 71.
e) Vooral in verbinding met bn woorden vaa
richting, waarbij bet in den regel vooropstaat,
maar somtQds ook het byw. volgt; in hei ohd. en
mhd. is het tegenovergestelde regel: niderhaz,
hind^rbaz, ufbaz , enz. ; zie Ben. 1 , 94^ ; Graff 3 , 223.
— Bet acht, %t\iK^T ,meer aehterwaartr',aehter'
waarts, terug, lat. retrorsum. || Gringolet trac bet
acht. Wal. 5082 (zie op acht, byw.). Hi trac bet
achter metter vaert, Lane. II, 2611. Hi deet^ebat
achter gaen, 45068. Set dyn ghetelt bet achter np
een scone velt, Sp. IV', 6, 67. Bet achter hiethi
een legioen ene andre logieringe doen, Rijmb.
30903. Prothesilaus toech bet achter, Troyen f. 631.
Men soutse doen bet achter staen , Alid. Blött. 1 ,
805 , 49. Zoo ook Ferg. 4719 ; Velth. Il , 38, 29; Troyeu
1370. — Doen trac hi achter bat, Roel. IV, 306.
— Bet an. — a) Verder, voorwaewts, pooruii.\\
Te bet dat si comet an, te meer dat lichtet dan,
Natuurk. 1509. Savons sien wise west dan staen,
Sanders avonts noch oest bet an {nog verder oostwaarts),
Sanders avonts bet oestweri dan, 381. Die Vlaminc
trocken doe bet an , Velth. IV, 51 , 24. (Si) reden bet
an , Wal. 4146. — b) Saderb^, ook met den Sden nv.,
nader bij iemand, lat propius aliqmewt. \\ Die
ghene quam noch bat an , ende gaf hem noch enea
slach, Belg. Mus. 1 , 31 , 166. Hi maecte enen casteel
bat an, Velth. I, 12, 32. (Hi) dreef bet an sinea
ram (stormram) , Rijmb. 34670. (Hi) trac Jhemsalem
bet an, 30424. Maer hi haeste hem ende trac sna
swaert, ende tert hem bet an ter vaert, WaJ.^St.
— B e t a f. — a) Achterwaarts , terug. || Si dreveose
{de Romeinen) bet af saen, Rijmb. 28523. Haddi
hare maniere ghekent, hi hadde bet of gheredea,
Wal. 4945. Die rike trac bet af, Vrouw. e. M. YIII,
277. Hi Uetse gaen bet of van Gods halven ende
rumen thof, Sp. III^ , 25, 75. Wgf! gmnc woch,
tree bet of, Sp. IIP, 88, 56. Hi spranc van hea
bet af, IV S 22 > 65. Die hertoghe dede sijn vtik
leden ter rechter hant een deel bet af, IV* , 10,
22. Omme enen berch dier lach te nn, dat die
berch bat af daer ga, heeft die heilege man ge-
beden, iS^. II*, 30, 38. —Ook met den aden BV. tl
Amelis sprac: Ganc mi bet af, ga weg 9am sff\
III*, 78, 5. Some traken si hem bet af in die
wilde foreesten bet uut, Sp. III», 41, 14.
b) Achteraf, iets verder verw^derd. \\ Hi giac
sitten onder den casteel in een dal bat of een deel,
Lanc. II, 15402. Savons was Bohorts bedde doei
4137
BET.
BET.
1138
maken in ene camere bat af, 17779. Mgn sone
Abylon leget bet ave, Sp. 111% 17, 34. Boe 80
Tonden sine in een ander graf liggende een deel
bet af, III^, 49, 21. Doe ontstac die lampte int
heilige graf, ende daer na alle dandere bet af
onts^ken sonder menscen hant, lY*, 24, 97. Bet
af waren die Sarrasine, 56. — e) Verder veg, ||
Jhesns trao bet af entie sine bi EiRrem neven die
wostine, Sp, I^, 16, 55. Als menne {den viscA)
Yoert dan bet of, daer hevet hi den nieren lof.
Nat, BL V, 161. — Ook met een 3den nv. Verder
weg^ verder verwijderd van, || Die goede sente
Qnintgn, die stont daer op een berchghelkgn bat
ave sente Obrecht, OVL Ged, 2, 107, 169.
— Bet bnten, verder af, meer buiten af, \\ Daer
sijn oec Ksperidee, bat bnten, bnten alle lant,
Sp. I', 31, 28.
— Bet dan en, verder van daar verwijderd^ meer
op een afstand, || Doe hiere een deel dns hadde ge-
vaen, lieten dandere tfangen staen, ende bielden
hen bat danen, Sip, II', 44, 305.
— Bet ghens. — a) Van plaats. Verder weg, \\
Doe trac hi noch bat gheins ende qnam tote Orlieins,
i^. m», 62, 61 (Brab, T. I, 910). - *) Vantijd.
Later. || Daris sal sterven . . over enen corten tyt
bat gins, Mex, Y, 391. Daema sinte Lauwereins
(dach) XLI daghe bet gheins. Natuur k. 60.
— Bet hare, herwaar te ^ naderbij \ inkdi. hèrbaz.
II Gheselle Roelant, compt bat hare , 22^^/. lY, 258.
— Bet in, xji^htri^ meer binnenwaarte'^verd-er^
dUper in, \\ Bet in stont die zale wide, Rijmb. 31362.
Doe si bet in qaamen ter stat, i^. I* , 24, 32. Ende
Karia die sach bet in den doden en sach soe meer no
min, I^, 34, 59. Daer hi ter woestinen bat in trac, II*,
48 , 86. Ie , diet nanwe wilde besien, ginc bet in een
deel, III ^, 25, 71. Hi ginc bat inwaerd ende hi
sach waer een ont man doet vor hem lach , Zanc. UI,
4773. (Hi) trac bat in ter zee ward, II, 45277.
Si waren alle van mi vervard ende togen bat in
ter zee ward, 45920. Honech es heet int beghin,
«nde droghe als et coemt bet in, Nat. BI.
VII , 240.
— Bet na, nare, naer, naerre. — a) Nader
bij , dichter bij, \\ Alse Alexander dat besochte . . ,
riep hi sine riddere bet na, Sp. I\ 33, 43. Hi
fhinc bat na al onghespaert, II > , 32, 172. Doe
ie baelin dat vernam ende dat wonder bat na sien
qnam, II « , 20, 52. Binnen dat hi dat te doene
gereit, qnamsi bat na. II*, 31, 102. Doe tart bet
naerder Hope, OVl. JAed, e, Oed, 293, 1782. Als
ie dat hoorde, ie sat bet naer, 318, 112. Ie tart
bet naer, 329, 407. (Ie) ginc bet naer ter zoeter
fonteinen, 461, 143. (Hi) voer bat naer met veer-
tich riddere, Brab, T, II, 2821. Hi ghinc bet naer
om te vinden sinen waert, Hild. 172, 64. (Hi)
riep bat na sine baroene, Alex. VII, 233. Pylatns
hiet den Joden zaen, datsi ghinghen nter vierscaer,
ende yesch Jhesnm bat naer, riep Jezus naderbij^
Lsp, II, 36, 388. Zoo ook Ben, 684; Bsop. LXI, 14;
Wal. 7275; Sp. I», 47, 6; III», 61, 64; Stoke
V, 984; Vod, Mus. 1, 334, 38; 4, 323, 377 en
391; Parth, 2668. — Ook met den 3den nv. iVo^ ,
dichter bij iemand of ietSj naar toe, \\ Als hi gheënt
hadde sine tale, ghinc hi bet nare den ammirale,
Flor. 3841. Mettien hi hare bat nare leegt ende spelde
met hare een spel, Boerden III, 92. Alse hi qnam bet na
Aglovale , Lanc. II , 2359. Bat naer den stene , 36146.
Poe voeric hare bet naer , Wal. 3997. Ie wil den knape
bet naerre gaen, Hild. 27, 39. (Hi) ghinc sitten
der zee bet naer, Bijmb. 23346. Bet naer den mnre
31579. Bet naer der stat, 31060. Zoo ook Vad.
Mus. 1, 48, 35; Frane. 8265; Vierde Mart. 821;
Brab. T. H, 513; Alex. V, 191; Sp. IV», 25,64.
— Bet neder, nederre, nederwaert,
a) Naar beneden, jj Die coninc qnam bat neder
doe, Lanc, II, 20952. — d) Za^^. jj Mordret staken
weder ende geraectene bat neder, Za^»;. Il , 28105.
Dan dede hi maken sijn sitten bat nederre om
dese saken, Sp. 11^, 32, 6. Wildi enighe ander
port bat nederwaert jeghen Ghent, Natuur k. 1^0^.
— Bet oest, noert, oostelijker , noordelijker. \\
Bat oest so leget Sweden, Alex. VII, 1449. Kort-
wegen es bat noort, men vint geen lant bat voort,
1451.
— Bet omme, wat meer om (met een ww. van
richting). || Wachten. . . tote dat die wint bat
omme geet, Lanc. III, 14151. Artoys heeft dit
teken vernomen, ende trac bat omme ter sonnen
werd, Yelth. lY, 22, 58.
— Bet op, hooger^ hooger op. \\ Tander hem
bet op verheft. Nat. BI. X, 46. Hebbic een deel
bet up ghesien twe veinstren claerlic open gaen,
OVl, lAed. e, Oed. 464, 241. Vier hemele bat up
. . . steet die sonne, Alex. III, 1264. Nilns hevet
al bevaen, die bat op oec Ganges heet, VU, 1216.
Vrient, hier sitti niet, gaet bet np {aan tafel)
sitten, ie ghebiet, Boue v, Sed. 624.
— Bet op hore, verder achterwaarts ^ terug.
II (Si) sijn ghetrect bet op hore, Stoke IX, 463.
Vgl. T. en Lettb. 6, 264 vlgg.
— Bet over, nog later, |] Qhene wjjch ter
noenen stoet ende bet over, S^, IV*, 21, 126.
— Bet n t e, verder weg, \ \ In sinen setel ginc hi daer
nare sitten ende hiet den volke bat nte gaen, i^. II*,
41 , 155. Some traken si hem bet af indie wilde
foreesten bet nnt, III», 41, 14. Een wilder lant,
dat lage bet nnt, III*, 56, 34. Hoet n van den
viant bet nnt, door van hem verwijderd te blijven ^
hem op een afstand te houden ^ lY*, 13, 39. Die
coninc ende die met hem waren reden bet nnt al
sonder sparen. Wal, 7542.
— Bet voert. — a) Verder, verder op. \\ Inden
derden muer, bet voort, sonde woenen tghemene diet,
Bijmb. 11132. Doe voer hi bat voort ende. street over
die flnme, 17411. Als ghi horen snit bat voort, 27534.
Van der L hebdi gehoert, van der M hoert nu
bet voert. Nat. BI. II, 2676. Een lettelkijn reet
hi bet vort, Ferg. 154. Dat Daris ware gevloen
bat voort, Alex. VII, 218. (Hi) voer bat vort, YI,
1199. Nn andworde mi bet voert, Wap, Mart. JII,
233. Zoo ook Rijmb. 2252, 2670. L. o. H, 1776;
Sp. l\ 19, 64; 21, 57; II», 22, 25; III», 41, 29;
Bein, II, 5755; OVl. Lied. e, Oed. 375, 1784,
Lanc, III, 5940; Wal, 7808; Hild. 184, 73; 221,
148; Brand, 806; Amand I, 3194; Base 657.
— Ook voort bat (in hd. gekleurde schriften). ||
Nu verneemt voert bat, Serv, I, 1200. Nu hoort
voort bat die ander ghebot, Tien BI, 704. — Bet
voort stellen, vertragen , uitstellen. \ \ Die besich
sijn met andere dyngen, dan den werken toebehoort,
die stellen haers werkens loon bet voort, OVl. Lied.
e. Oed. 363, 1414. — b) Wederom, andermaal, \\
Man, wi seggen di bat voert, dan weten wi niet,
man , dat du best God no Gods sone, L. o. H. 3090.
— Te bet, te meer. \\ Na dien Paschen wildine
ontliven, dat hi vrient te bet {den Joden) soude
bliven, Sp. I*, 9, 13. Al neghe hi u telker stat,
des en gheloeft hem niet te bat, Melib. 1842.
Waer bi dat hem God an sijnre gracien vele te
bat, Teest. 2445. Dat hi te bat mach sijn in vreden,
Hild. 101, 9. Dat si te bat inden weghe sullen
gheraken ende te meer begheren ghewarighe oet-
1139
BET.
BÈTA.
1140
moedicheit ende te bet bekennen mo^hen, wat
oetmoedicheit is, Buusb. 3, 27. — Ook pleonastisch
met een compar. verbonden. || Omme (de vijanden)
. . te bet viantliker ane te gripen, Nijb. 2, 116.
Snlc beere bem so nanwe beset, ende esdensinen
te milder bet, ffeim. 35.
7) MeeTy langer \ lat. dmtins, \\ Doen beyde die
vrouwe een deel bat, Melib. lOö. — Vooral met
dan en eene tijdsbepaling. || Bet dan drie weken,
OorL V, Albr, 225. Bet dan drie jaer, MLoep 1,
1282. Bet dan een jaer, Clerc 61. Bet dan sentien jaer,
6Vo». V. Vlaend, 1 , 2. Bet dan drie jaer, Brah. T. VI,
69S4. Bat dan een jaer , 7627. — Vgl. by 4*).
8) Liever y bij voorkeur; lat. potiitt. \\ Ui sonde
bet kempen jegben ghebnren dan bi jogben mi
sonde, Ehg. 1240. (Si) minden crunt tetene
bet dan te latene ons Heren wet, Rijmb. 18907.
Dat die Jueden sterven bet kiesen, dan te latene
die wet, 19071. Ie riede n bet te trecken achter
dan bier te comen, Ferg. 2236. Men stake (dat
oge) bet uut metter bant , Wap, Mart. 1 , 699. Ie en
mach gheen spise bet, "Eiein, II, 3828. Bet wanic
nochtan over waer, dat het ander dinc bediet,
Sp, III», 91 , 60. Dat elck bet mach , is syne
spise, Spreuken 71. So sant sise bat terwoestinen
waert dan ten hove, Ned, Froza 273. üte hem
dichtic te bat, BincL 8.
9) Liever y veeleer ^ eerder. \\ Twee gemeten ofte
beth mersch, Diericx, Mém. 2, 453. Genoech in
éénen doen ende bet gemeerdert dan gemindert,
Inform. 14. So dat sy bet scheen dnl oft een ver-
woede duyvelinne te wesen dan een kersten mensche,
Mar, V. N. b/. 3. Het dochtem bet een man wesen
uter ander werelt comende. Franc. 1735. Dies
rieden si bat, dat men den hertoghe lieten sijn
vaert nemen inne te Brabant waert, Brab. T. VI,
9888. Dat een kemel mochte eere naelden oghe
bet liden . ., dan die vrecke rike dor die poorte
van hemelrike, Bifmb. 24418. So sidi bat vroet
dan sot, Melib. 1352. Princen ende heeren of bat
tyrannen, £xe. Cron. 128«. Vele te bat, zooveel te
meer^ veeleer ^ Lep. III, 14, 242.
10) Verder; lat. ultervae^ porro. || Nu merct bat,
Ysidorns die sprect dat, Tien PI. 1434. SenteJan
hi sprect noch bat, 2126. Si ghinghen bat hare
weghe vri, Hadew. 1, 5, 63. Dat hi die heidene
dede gaen bat van den tempele, Sp. II >, 24, 66.
Met hem was coninc Josaphat, die noch leefde
ende noch bat die coninc van Ydumea, Rijmb. 13135.
11) Later y in het vervolg. \\ Nemmermeer bet
borger ofte inwoener te werdden , Schwartz. 1 , 5823.
Aanm. 1) — Blisc. V. M. Ibl'. „Sier quetsen
naem hi geerne bet", beteekent: hij zou gaarne
genezing bekomen van z|jne kwaal ", maar onzeker
is , of men moet lezen naem hi geerne te bet, in
de bet. van te bet hebben (zie onder 4), dan of
men bet als een znw. moet opvatten , met de bet.
van bate, d. i. beterschap.
2) — N. Doet. 526. „Alt gemeene betfiS henjegen",
is eene onzekere en onwaarschijnlyke lezing. De
var. (bl. 150) heeft: „dat ghemeene gebet".
3) — Bet leeft in de bet. meer nog voort in
namen van familiebetrekkingen, b.v. ^^i-oudover-
grootvader,
BETAEL, znw. m. Van betalen, in de tegw.
bet. Betaling. \\D\t emmer borcht ten anderen jaer
ende niet en comt tot enigen betael, int leste
speelt hi dan ter faeldie (/. fael?), Hild. 115,
94 rtfr. (/. te gheenre betaelge: faelge; de vorm
bèta el ge is waarschijnlijk ten behoeve van het
rijm gesmeed).
BETAELDIE. Zie bataelge.
BETAELGE. Zie betael.
BETAELGE, BETALIE. Zie bataelge.
BETAEM. Zie betahe.
BETAEMTE (betaemt, betaempte), mw. vr.
Van betamen.
1) Betamelijkheid y voegzaamheid. || Wgflike vraii-
wen, die in eeren hem hebben ghehouden in goeder
betaemte, Denkm. 3, 215, 49.
2) Hetgeen betaamt ^ voegt ^ past. In de uitdruk-
king. Na sine betaemte, naar het hem voegt^
gelijk het hem betaamt. \\ Dit selve huus heet Vaste
Hoede, daer elc wyf van goeden bloede in wesen
sal, na hare betaemt, Vod. Mus. 1, 335, 65.
Menich mesdoet, die reine ende goet waren ghe-
noech van live, hadden scaemte na hare betaemte
noch maegden, noch wive, Belg. Mue. 1, 129.
Persoonen, voor de welcke naer hare conditien
ende naer haer betaempten ende die van haere
vrienden thuwelick niet bereet en was, Oendsch
Chtb. 176. Hoe ie in den tempel uu beu vercleent,
om dat ghi my na der uaturen betaemte gheen
vrucht op erterike en verleent, Blisc. v, M. 1561.
3) Hetgeen betaamt of noodig is , behoefte. \\ Dat
de voorseyde Katelinen beede hare . . kinderen
met hare houden zal ende hem gheven eten,
drinken, cleedren, coussen, scoen, ende al hare
betaemte, Cout. v. Brugge 1, 432 (a. 1378). Zy
zullen goede lieder kindren als maeghdekins van
binnen der stede oftbuyten houden als tafelieren ende
andre scoolieren maeghdekins, hemlieden leerende
naer haer betaemte, ZVl. Bijdr. 1, 325 («. 1499).
BETAKEN, zw. ww. bedr. Zie taken. Beet-
pakken, vermeesteren y meester worden. \\ "Ende roof-
dent al cleen ende groot, wat dat s^ conden be-
taken, Orimb. 1, 2527 var. (in de uitgave staat
verkeerdelijk belaken).
BETALEN (betelen), zw. ww. bedr. en ouz.
Mnd. betalen; mhd. begoten; vgl. mbd. beseln,
en ohd. bizeljan. Zie vooral J!Óalk. Bijdr. 1 , 69— 83»
waar de verschillende opvattingen van dU merk-
waardige woord uitvoerig worden uiteengezet.
I Bedr. — 1) Betalen j zich van eene geldelijke
verplichting kwijten. Vooral in proza het gewone
woord ; synon. van gelden, dat meer in poëzie voor-
komt , en waarmede het ook verbonden wordt. [| Be-
taelt , vasseel , gi moet hier gelden nu een deel die
spise , die gi hebt verteert, Lane. III , 11493. Gelden
ende betalen, B. v. Utr. 2 , 206 ; e. e. Waermede dat
sy hem betalen souden {als weergeld). Soe wysen die
scepenen datmen betalen sal mit vier penninghen,
Dingt. v. Delft 45 enz. Zie verder %A. 3093 , 3115,
3122; enz. — Ook in de volgende, thans onge-
bruikeiyke opvattingen en uitdrukkingen.
a) Als krijgsterm. Enen betalen, ifsuuM^ftfim,
hem met slagen ontvangen^ duchtig onthalen. In ironieke
opvatting. || Hi sloech sgn ors te hant met sporen,
ende liet sine glavie nederdalen , alse die den genen
wilde betalen. Latte. IV, 11052. Dus selen hem
die Bertone betalen; dit ontboet hi jongen ende
ouden, datsi hen dus betalen souden, want bl
ember comen wonde , IV, 10076. Die den roese van
mi haalde ende so onsochte betaelde , SegA. 109S3.
— Ie betael , ik word ontvangen. \\ Dus beeft bier be-
taelt (b. V. het gelag) menech ridder goet, ende al
waerdi grave oft coninc, gine betaelt bier met
ander dinc, Lane. III, 11502.
b) Varen ende betalen, met pak en zmi ver-
trekken; eig. afreizen na afrekening. || (Hi) dede
tuersen sine cleder, alse die varen wiÜe ende be-
talen, Sp. IV>, 26, 104. ^ Een protbosteron.
4144
BÈTA.
BÈTA.
1442
e) Der dooi sine scout betalen, ook ellip-
tisch der doot betalen, of sine scout be-
talen, den tol befaien aan de natuur. || Die broos-
heit tsmeuschen . . . moet der doot betalen scont ,
Amand II, 5838. Soe betaelde die yronwe haer
scont, die wi moeten, jonge ende ont, betalen,
alst (/. alst) Gods wille si, Braó. T. YI, 389.
(Ui) wart ziec daer in die stede, so dat hi daer
der doot betaelt, Sp, 111% 43, 26.
d) Dat lijf Tor enen betalen, Aet leven
voor iemand veil hebben^ opofferen. || Datsitiyfvor
hem betalen tallen tiden in die noet, Eeim. 2138.
e) Enen sware betalen, iemand op eene on-
aangename foijze voldoen^ hem overlast^ pijn aan- i
doen (ironiek). Ygl. onze nitdr. iemand iets betaald
letten. \\ Medicine jeghen scnerft ende jeghen galen ,
die sware den menschen betalen , Nat. BI. VlII , 382.
2) Ontgelden, voor iet$ boeten, hetzelfde als
becopen (zie ald.). ||Dat die ziele dit al betale,
H^ap. Rog. 374. Oti moet betalen . . die overdaet,
die gi hebt gedaen, Zane. II, 38860. Frinchen
ende hoghe heren pynen sy, hoe sjse ontberen,
die herberghen sy ende onthalen, maer sy moeten
(/. moetent) daer betalen, Troyen 9591. Sine qnaet-
heit wert betaelt met pinen van den duvel , Amand
I, 3300.
3) Vergelden. \\ So betalen wi Di, al singende love-
sanc, He. Fe. 1529. Dat swaert daermede betalen,
dat ghi mi gavet. Wal. 3604. — Ook in de nog ge-
bruikeiyke uitdr. danc betalen. || Wi betalen
di danke als die dach volbrocht is , He. Ps. Ib2v.
— Ook in de bepaalde opvatting van a) Vergelden,
betaald zetten. \\ Het {paard) beet doet ende be-
taalde haer overdaet ende dede verdriet , SegA. 6168.
(Om) s^n felheit te betalen , 8912. — b) in goeden
zin. Vergoeden, beloonen. || Ie sal di corteljke be-
tiden ende ontfoen in ghuldinen zalen , ^. III*,59,
53. Die hertoge dede siere suster halen ende dede
den coninc haer betalen {vergoeding, scAadeloosstelling
geven) over haren lachter, Velth. II, 42, 43.
4) Met eene bep. met met verbonden. Iemand
met iets begiftigen, beschenken; ietfter beschikking van
iemand stellen. || Dat men Bohamonde soude halen
ende hem metter cronen betalen, ^. IV*, 24, 7.
Gode . . biddic, dat hi den duvel in denjoncsten
male metten scalke betale , dat hij dezen boosdoener
aan den duivel overlevere, Wap. Mart. I, 130. Ay
God , want ghg t wael vermoget betaelter mede den
duvel, Hand. Lett. 1867, bl. 32, vs. 39.
5) Loskoopen, vrijkoopen, verlossen. \\ Adaem ende
sine klnder . ., die Jhesns Cristus heeft ghehaelt
ende mids des crucen doet betaelt, Lsp. II, 36,
1987. Men deetse {de gevangenen) al Affrike dore
halen ende van {uit naam van) den goeden man
wel betalen, Sp. III*, 29,97 (de verklaring dezer
plaats is twQ felachtig , daar de woorden min of
meer bedorven zijn; zie Taalk. Bij dr. 1, 75).
6) Afkoopen. || Drie zielen machiere quite halen
ende daer toe alle sonden betalen, die meinsche
ter weerelt doen mochte, Amand I, 1486. Zoo
ook 1682.
7) Terugkoopen, terugkrijgen. \\ Tgoet mochte men
verhalen, maer den tQt en mach niemant betalen,
MeUb. 1307 var.
8) Zich kwijten van eene verplichting, voldoen
aan een plicht, ook hem ten uitvoer brengen, ver-
richten. II Yroe tsmorgens betaelde hi zgn ghetiden
ende dede misse , Bi^b. 45a. Priesters die mit den
ommelopen in sodanighen spelen {dansen) niet en
betalen Godes dienste, die si Cristo scnldich sijn,
1396. Des vriendes . . testament onder te holden
ende dat lansem te betalen, 157£?. (Hi) en achtedes
niet dat testamente zijnes oems te betalen, ald. e.
(Si) betaelde haere ghetide ghelijc den monicken,
170*. — Behoort hiertoe ook Merl. 7344: Daer dy
best duncket . . ende daer du Gode best betales,
waar gij aan den plicht jegens God het best voldoet,
m. a. w. waar het Oode het aangenaamst, welge-
valligst is? — Een testament betalen , het uitvoeren ,
Invent. v. Brugge 6, 238. — Ook in de uitdr. van
ridderscape betalen, zich van de gelofte van
ridderlijkheid kwijten, bewijzen geven van ridderlijken
moed. II Dat in engeen side van der zee nie en
wert op ene stat van ridderscape betaelt bat , dan
si voor Woeronc alle beide betaelden met vromichei-
den , Heelu 7873. Daer sach men . . beide ridderen
ende heeren tomieren ende met groter eeren van
ridderscape betalen, 1302.
9) Een gerechte lij ken eisch instellen tot verkrijging
van iets ; het opeischen , reclameeren ; rechten op iets
doengelden.Ygl. tal e en andere, samenst. van talen,
b.v. aentalen. || Daer hi lach in sinen agoene
quam die duvel . ., alse die de ziele wilde betalen,
1^. lY', 42, 19. Die duvel sal de ziele betalen,
Praet 1183. ülyxes, wildyt {het schild) over dyn
betaelen , soe coem hier toe , Troyen 7993. Sidert . .
wildse Clotaris wederhalen, ende over sijn wijf
betalen, Sp. III*, 38, 20. Off dat darde (^»if) nicht
en betelet {var. bl. 729 : weert dat he des nicht en
beteelde), so eget {rnoet) die arffenisse to erven
inde bant daer se van uuthgecoemen is , Vro Excol.
6 , 683 (de plaats is niet duidelijk ; het is onzeker
of betelen hier eischen beteekent (= betalen),
dan wel verwekken, telen (=6^/^/^; in het laatste
geval zou het ww. in pass. ^in moeten worden
opgevat: „zoo er geen derde lid verwekt is*').
Welck kint mach betelen vaders arffenisse alleen
by twieer manne tale unde by azage doeme,
ald. 703. — Bij uitbreiding ook de vrije beschikking
over iets hebben; vgl. mhd. bezaten. \\ Die heren die
tusschen Herke ende Halen ten tomoye wouden
betalen dat velt met ghewout, Heelu 1286. Die
hemel wilt mi halen, omdat ie daer soude betalen
dat rike, dat gherechte algadermet Jupiter, Alex.
X, 1391 (lat. solium regni et sedem sortitus). —
10) Doen gelden als , beschouwen ale , gelijkstellen
met, tellen als. \\ Dus maecte hi den lieden vroet,
dat . . men te rechte sal . . die sticken van cor-
peralen over heilichdoem betalen, Sp. UI* , 12 , 6S.
11) Yan tale (lat, oratio). Te woord staan,
onderrichten, inlichten. || Yrouwe, ghi hebt mi wel
betaelt , Amand 1, 5238. Here , daer af en wetic twint.
Tybaut seide doe: Lieve kint, ie sal u hier af
wel betalen, Lano. II, 37463. Neemt den ghenen
bQderhant, die u in doechden is bekant . . ende
u mach leren off ghi dwaelt, van him so wordi
wael betaelt, MLoep 1, 889.
II. Onz. — Gelden als, doorgaan voor, beschouwd
worden als. Ygl. bedr. 10). || Nochtan was daer selc . . ,
die in cnaepscap so street, dat hi wel ridder mocht
betalen, Yelth. III, 20, 36. Wie so wüle goet
rudder in m^n hof betalen, hi sal mi dat scaec-
spel halen. Wal. 80 en 1192. Seat no diere ghe-
waden . . , hoghe borgen , vergoude zalen , dese en
moghen geen rike betalen, regnum non faciunt , Sp,
I«, 53, 15.
BETALER (betaelder), znw. m. Hij die be-
taalt^ eene schuld afdoet, of hij die vergeldt. Ygl.
onze uitdr. een slecht betaler; kwade betalers. ||
Alrerechtvaerdichste ghelder ende betaelder , .B^r».
W. UU.
BKTALIC, bnw. Wanneer de lezing in orde is,
1443
BÈTA.
BÈTA.
4444
en men niet moet lezen b e t a m e 1 i c, d. i. pottend ,
gepatt^ sal het voord beteekenen inlichtend^ duidelijk
(van betalen in den zin van inlichten ; ald. 10). || Aldns
paeyde die helighe man sine broeders ende sprac
hem an met voorden betalic ende soete, Amand
II, 5766, — Het voord zal toch vel niets te
maken hebben met ohd. bixaltlih (Graff 5, 654),
d. i. notabilit?
Aanm. — De lezing betamel^'e vordt nog aan-
nemelijker, vanneer men vergelijkt MLoep II,
690 , vaar het tekst-hs. betelijck en de var, b e-
tamelgck heeft.
BETALINGE, znv. vr. Mnd. bezalinge; mhd.
bezalunge. Betaling, \\ Alsnlc payments alse in
onser stat gencachtich is in der tijt der betalingen,
te betalen die een helfte tot Paesschen naest-
comende ende die ander helfte tot Snnte Victoers
misse, 22. v. ütr, 2, 215. Want Willam die plecht
vedergevorven heeft in sinen handen . . mit
gunste, betalinge ofte ander ghiften, 203. Daer
men die selve gouden Rijnsche gulden in eiker
tijt der betalingen om coepen mach, 206. Daima
sal men den clagher recht van betalinghe an dat
goet vysen als recht is (hem het recht toekennen
daarop zijne tchuld te verhalen) , Matth. 157. Recht
van betalinghe, ald. en 156.
BETAM. Zie bëtame, Iste en 2de Art.
BETAME (betaem, betam), bnv. Verg. mhd.
gezame,
1) Voegzaam^ pattend, getchikt^ betamelijk ^ be-
hoorlijk, II Den vech van ontfermecheden , daer ons
heren ridderen den dach leden ende bi nachte na
den lichame na der zielen ingaen betame , Lanc, III,
2067. Ende groeflfene in ene stat betame, ^.11^,
29, 48. — Inzonderheid in de uitdrukking Betame
s y n , voegzaam zijn , patten , behooren , getchikt zijn, \ \
Ende dat niet vare betame, dat eens valse kersten
lichame bliven sonde ter stede daer , Lanc. III , 1703.
Herfst es droghe ende cout . . . out vQn es dan vel
betam, Heim, 1145. Ende hierommesoe es vel be-
tame , de slote te commene te mire hant, Vl. Bijmkr,
7692. Doe dit hare drie verf vas getoecht, heeft si
hare te vege vert gevoecht met scoenre meise-
nieden, alst vas betam, Sp, II*, 49, 19. Het vare
betame dat men dat pauesscap name, J^. IV', 73,
13. Ende groevenne daert vas betame, Sp, II*,
18, 128. Clerc, en vare niet betame, Lttcid. 6213,
— Ook vergezeld van den 3den nv. Enen — s ij n ,
iemand voegen^ patten. \\ Ende al dat riddere es
betame vant hi bi den selven lichame, Lanc, III,
1691. Doet metten lichame nadien dat heme vas
betame, IV, 3361. Hi riet hem dat hine {den
breidel) name, vant hi hem vel vare betame met
te ridene in zinen lande. Brand, 789. Het es eiken
here vel betame te maten drincken ende eten,
Salad. 215. Hoer hoghe gheboert, hoer edel naem
vaer alre doechden vel betaem, Hild. 66, 79.
Daer moeten goede vereken veseu, sel volcomen
sQn die naem, die eiker vrouven is betaem, 242,
114. Als hem beden vas betame, Stoke II, 691.
Ende doen dat hem es betame, X , 963. Dorgroten
scat . . ., meer dan coninc vare betame, i^. III',
3, 49. Alse den keyser es betame, III', 8, 53.
2) Aangenaam. \\ Si vort den here alsoe betame,
dat noyt haer veerde en vas volscreven , Blitc, v. M,
1760. Want die vandelinge betame in dijn mage-
doem bequame heefs JhesusCristusgereet, iSjp. IP,
2 (33. Vinc. iocundum . , . habitaculum).
BETAME, znv. vr. Zie betamen en betaemte.
Betamelijkheid ^ voegzaamheid. \\ "Ende hi meteerlic-
heden ende met betame den glorieusen lechame
van Karle dede ter eerden, Fl. Bymtr. 40fó. —
Ka betame, gelijk het betaamt , zooalt kei hoort, \\
Het schgnt, dune best niet na betame gheleeit,
Bincl, 954. — Na eens betame, naear het
iemand piut, overeenkomttig zijn tüuU, || Die Toecht
sel doen houdinghe den veesen na haren betame,
y. d. Wall 123 (a. 1303; misschien is hier en elders
betame de 3de nv. van een onz. znv. betam,
velke vorm ook als bnv. voorkomt).
BETAMELIJC,bnv. Ygl. betemelijc. Het den
3den nv. Battend voor^ overeenkomttig met. \\ (Ie sal)
u alsulken raet gheven, als is betaemlic nver
eren, Rein, II, 7608.
BETAMEN, zw. vw. onz. Zie tamen en be-
TEMEN. Mnd. betamen. Alleen gebruikeigk in den
3den pers. enkelv. , en vergezeld van eene bepaling
in den 3den pers.
1) Voegen^ patten, \\ „Here!" sprac hi, ^en
betaemt mynre eren niet so groot goet." Doe sprac
die coninc hooch ghemoet: „ie en aensie niet vat
di betame , maer vat betaemt minen name ," Ltp. m ,
23, 40. Hi voerde met hem enen cnape, alse vel
betaemt ten ridderscape , Limb, lY, 2049. — Lichte
betamen, licht voegen , gemakkelijk vallen. \\ Onsen
here betaemt lichte te gevene so scone ghichte,
Franc, 8397.
2) Behooren y toekomen ^ vertehuldigdsijn.\\y(tlt-
vein, dien al ere betaemt, Lanc, II, 41319. Ende
hi vas daer begraven doe, alse sulken man betamde
daertoe, III, 11023. Dusdanen betaemde, dat hi
sonde sgn onse bisscop helich ende fijn, ^«mm^ II,
6060. Want hem eren meer betaemt dan vi hem
ghedoen souden connen, iMnb. I, 550.
* BETAST, verkeerde lezing voor be8taeiL,d.L
overvallen (zie ald.), Bijmb. 2365. || Hi vilde tasten
oft Esau vare. Jacop vart betast (/. met C be-
staen) met vare (de fout is veroorzaakt door het
voord tatten van den vorigen regel).
BETASTEN, zv. w. bedr. Belatten^ aanrmkem,
Ygl. het vorige art. , vaar te onrechte betast ge-
lezen verd.
Afl. — Betastinge, aanraking ^ rgL Dimt.'^
208: betastinge, contactttt,
BETE, znv. vr. Yan beten, hd. beizen; mnd.
beten. Water., waarin de looiert de vellen bereiden \
by Kil. : „B e e t-v a t e r, nautea^ aqua eoriariorum." ||
Caproene te voedeme, vel te droghene, rel up te
slane , vel in de bete te doene ende yel te beslane,
dit machmen doen sonder mesdaet jeghen hiemene,
Fad. Mut. 2, 359 (a. 1280). So vie binnen der
vrihede van Leyden in enighen vateren . . . dede
lopen mit goten of dair in storte . . . logbe of
vuylnisse van ververie . . ., bete van pelsers of
hantscoemakers . . . ., verbnerde 12 se. Leid.
Kenrb. 7, 22.
BETE, znv. vr. Yan Biten, Mnd. beet. Beet,
bete. II Want hi (Adam) , , den tvaelf gheslachten mit
eenre beten gaf den doot, ende omme die bete
moeten varen ter helle menich moederbaren , Liteid.
1329. — Ook van een zvaard gezegd in de nit-
drukking. Yan goeder b.<)te, goed kunnende
bijten, d. i. tcherptnijdend, \\ Doch becochte hi sere
den smete — dat sveert vas van goder bete —
die luchter hant verloes hi saen , doe hi den slack
vaende ontfaen, Alex. III, 199.
BETE, znv. vv. Mnd. bete, Beet^ bèta dda
L. Yan de manneljjke mandragora vordt gez^gé. \\
Die hi es gheblaet in dier ghebare vel naer <^
die bete vare , Nat. BI, X , 333 var. Yerg. Dodoa.
748 b : „ Mandragoras Manneken heeft grooie,laBgke,
gladde, bleeck groene bladeren, als beete bladerea.**
iU5
BEtÉ.
BETE.
1440
BETE, znw. vr. Benaming van een verschijnsel
eener ingewandsziekte. Dysenterie? hamorrhdiden? \\
Bi den menisoene (Jbloeddiarrhee) so comt hem een e vel
toe ende heet die bete ; bi der perssingen die hi heeft
dor der beten wille valt dat bloet van boven neder ende
beneden (?) den lichame te drenten ; entie adren en
mogen niet gedogen die perssinge , waerbi dat bloet
stect die adren ute ende becomen groet, dat die
gene groten rouwe heeft ter stede, Ht. Yp. lAZd.
BETEEST , bnw. , Verward , verstrikt. Van teezen ,
fri. iysjen; eng. to tease; mhd. zeisen^ dat vooral
van het plnizen der wol wordt gezegd : minntatim
explicare lanam (Plant.). Zie verder tesen. Evenals
in het fri. tyzjen beteekent dow teezen in de toar
brengen: verg. fri. fortygd, zal ook be tesen den
zin hebben gehad van verwarren y verstrikken ^ van-
waar het bnw. deelw. bet eest. || Die hem in
donde niet en schamen , dat si jonc hebben gheweest
ende in sonden seer beteest , Hild. 244 , 28 var. (in
den tekst staat bed eest).
BETEKEN , verkorte vorm voor Betekenen , even-
als wapen voor wapenen y reken voor rekenen ^ dien
TOOT dienen; enz. Zie betekenen.
BETEKENARE (beteikenaer) , znw. m. Van be-
tekenen, in de bet. 3). Uitlegger ^ duider. \\ Ende
nochtan vergat die prince van den schenckeren
sines dromes beteikenaers , D. B. Gen. 40, 23.
BETEKENDE (beteikende), znw. vr. VanJ?<?-
tekenen , met het achterv. -de. Vgl. mhd. bezeickèn-
heit. Beteekenis. \\ Dese beteikende van den offer-
hande van den heilighen drie coninghen wort van
menigherhande meesteren menichsins beduit, Ned.
Proza 92.
BETEKENEN (beteikenen, beteken), zw. ww.
bedr. Mnd. betekenen; mhd. bezeichenen.
1) Beteekenen y de hedendaagsche opvatting. || Nu
weetstu, clerc, geloves mie, wat si beteken alle
drie, Lueid. 197.
2) Enen let — , iemand iets te kennen geven ^
hem kennis geven , betuigen. Vgl. onze uitdr. iemand
een vonnis beteekenen. \\ Dat hi dat hertoghe
Anthonise beteekenen wille met sinen brieve,
Brab. Y. VII, 4612. Ende bracht brieve van
hem, . . daer hi met beteekende claer sinen neve
van Brabant , hoe dat waer , enz. , VII , 14489 — 94.
3) Iet — , iets ver k Uren , uitleggen. || Wi hebben
enen droem ghesien , ende niemant en is, dien ons
beteikenen mach , V. B. Oen. 40 , 8. Ons gheschiede
also hi onsen droem beteikende , 41 , 13. — Als
onz. znw. Dat beteken, de ver klaring. \\Q(iswi\Li
over hare ende verwont, hord daer af dat beteken
nu , Lanc. III , 7288.
4) Iet — , iets opieekenen^ vermelden. \\ Oec
wair die goede in dat betoech beteykent staen off
niet, O. K. v. Rott. 26, 63. Twe boeken der
Machabeeu beteekenen die striden tusschen die
hertoghen der Joden ende tvolc van Persen,!).^.
I Maccab. Prol.
5) Enen of iet — bi of met ere dinc,
iemand of iets aanduiden , aanwijzen door iets. Vgl.
Tekstcrit. 89. || Een clene stucke eerden es so goet alse
die mensceende beter vele . ., dit was betekent bi den
8t«ne , Alex. IX , 1344. Ghi ztjt bi den paradjse wel
betekent, vrouwe van prise, Letterk. N. W. 5*,
59, 27. Maria, edele vrouwe goede, ghi zijt
betekent bi der roede, die tserpent droech van
nietale, 67, 183. Met desen vesche so syn ons
de gene betekent, die snnderlinge ende gemene
de werke scuweu der oncuscheit, Lutg. I, 777.
Dese volghen om roven mede, ende sgn betekent
bjr den ghiere die den here volghet, Beest.
122. Minne es zo edel in haer wesen, dat bi haer
claer beteekent zi dat God de ziele ghemaect heift
vri, on. Lied. e. Ged. 393, 188. (Die alve) daer
es ons betekent mede Jhesus Cristus witte cleet,
Bed. d. M. 182. Ie wane tgordel hier an si; daer
es ons betekent bi die ghcsele , daer Pylatns mede
Onsen Here gheselen dede, 189. Dus gaf hi exemple
als of hi woude beteekenen dat die lelie bi hare
anderwaerf gheplant ware, Amand II, 1602.
6) Van tijd of plaats. Vaststellen ^ bepalen. \\D9X
si . . comen souden, tot vueghliken beteekenden
daghen, om aensprake, verantwerden , redene,
besceit, Brab. T. VII, 16343. Ende daer na . . . was be-
teekent een dach , datmen die vrouwe soude sniemen
leveren in der stat van Riemen, VII , 17617. Item
so en zei nyement gheen broot backen off te coep
houden . . , hi en zei datselve broot beteykent
hebben . ., dats te weten, een broot van een
penninc mit enen stype, een broot van tweeu
penninghen mit twee stypen , O. K. v. Rott. 35 , 102.
So dat die grave daer om . . . een plaetse be^
tey kende bi enen dorp in Vrieslant, geheten
Wynkelremade, daer wt der graefscip vanHoUant
quamen wtgecoren manne, Clerc 33. Ende beteykende
grave Dirc Bave stede ende stonde tegen hem te
striden , 35. Bij horen bode die vroescip doen dagen
ende een seker uere nomen ende beteykenen om
opter stedehuys te wesen, Leid. Keurb. 173, 63.
Dair sijnde so betekende hl den goeden lieden
dach ende ure om met hem te spreken , Exc. Cron.
IQSd. Die keyser beteykende hem eenen dach ende
tyt om in der stadt te comen, 223^^.
7) Iet — , het van een teeken voorzien. ||
Ende ie screef in enen boec, ende ie beteikendet,
ende ie nammer oerconde over, D. B. Jerem. 32,
10 (Vuig. : etsignavi; Staten-Overz. : ende versegelde
dien). Daer om so beteykeue du dit visioen; want
hi sal na vele daghen wesen , Ban. 8 , 26 (Vuig. :
visionem signa; Biaien-OYerz,: sluyt ditgesichte toe).
— Ook Wederk. Hem — , zich van een teeken voorzien
en daardoor in zekere hoedanigheid kenbaar maken ^
zich doen kennen. || Dat een igelyc broeder aen
mantelen, . . an wapenrockeu een swart cruce
draghe, daer mede hi hem buten betekene, dat
hi een zonderlijc let zi des oerdens , D. Orde 223.
Aanm. — Natnurk. 288 is beteekenen eene bedorven
lezing. In den tekst staet: Dese betekenen elc na
minen wane. De ware lezing is uit het Leidsche
Hs. op te maken. Men leze (vs. 283 vlgg.) : „ Van den
zeven planeten wil ie u nu doen te weten ; haer loop is
onder tfirmament, ende negheen isser [so] wel
bekent alse de zonne ende die mane: dese kent
elc in minen wane; die ander vive alte male
diene kenmen niet so wale.'* In vs. 286 staat neghen^
hetwelk is uitgeschrapt en op den kant door Vil
vervangen. Doch men leze met V'. negheen,
en geen), en voege met Z7 so in het vers. Onder
e zeven planeten toch worden zon en i»tfai» mede-
gerekend. De verbetering in y%.^^^\ kent oi bekent
voor het onzinnige betekenen ^ is nu duideiyk.
BETEKENESSE, -ISSE, znw. vr. en onz. Mnd.
betekenisse; mhd. bezeichenisse.
1) Beteekenis y de hedendaagsche opvatting. || Den
hermite , die hem dede van den serpente ende den
lupaert mede dat betekenesse verstaen, Lane. II,
18076.
2) Getuigenis. Verg. betekenen 3). || In ken-
nessen van der waerheden leest mense {éUe ewangelie),
om dat die heren vry in exemplen zeere wrochten
daer by, ende gaven rechte beteekenesse , dat siere
af hadden goede kennesse, Amand II, 6131,
ï
4147
BETE.
BETE.
4148
3) Voorteeken , voorspelling. Verg. betekenen,
5). II Die aventaren, die gescien nu, sijnbetekenessen,
. . . van den heilegen Grale, Lanc. III, 6369.
BETEKENINGE (ook betekinge), znw. vt. Zie
betekenen, beteken. Mnd. betekinge; mhd. be-
zeichenunge.
1) Beteekenis. \\ Al syn die consecracien des
lichamen ons Heren ende s^ns bloets ghedeelt ende
onderscheiden, in materien ende in formen der
woerde , in ghedaenten ende oec in betekeninghen , . .
si vergaderen in één waerheyt, Rnnsbr. 3, 165.
Den boec op te laken ende sijn beteykeninghe te
ontbinden, Hs. 16 , f. \l^d, Gine segt en gene
dinge, daer en si ane grote betekinge, Lanc, III,
2043. Ende wet, here, dattie dingen nine sijn
sonder betekingen, III, 2627.
2) Uitlegging , verklaring. Verg. betekenen 4). ||
Ende Joseph seide tot hem : En is die beteikeninge
niet goets P D. B. Gen. 40, 8. Die landen ver-
wonderen in den lydekijns ende in dynen woerden
. . ende in dynen beteykeninghen , Ecclesiast. 47 , 9
(Vuig. : interpretationibtis).
3) Verklaring^ voorteeken^ voortpelling. |j Onse
here heeft mi . . . scone betekeninge gedaen, dat
hi selve soeken es comen, Lanc. II, 24260. Hl
peysde dat betekeninge ware van enegher dinghe,
II, 29366 (verg. 29382). Want alle die saken,die
horden ten drome, waren al ware dinge ende oec
grote betekeninge, Bose 2012.
BETEKINGE, Zie betekeninge.
BETEL (bketel). Zie beitel.
BETEMELIJC, bnw.Vgl. betameluc. In act. op-
vatting. Passend voor, d. i. behoaam in iets^ ervaren. \\
(Die) betemelijck sijn ten zwaerde, ende der wapen
gaeme behaghen , MLoep II , 690. — Vgl. bequame.
BETEMEN {betam, betemen , of beteemde, betemet),
st. en zw. onpers. en onz. ww. Zie Temen. Mna.
betemen, zw.; mhd. bezemen,
I. Onpers. — 1) Absolnnt. Betamen, be-
hoor en, voegen, passen. \\ Als ghi behoerlijc sult
vernemen ter plaetsen daer dat sal betemen,
Brab. Y. VI, 1027. Als dat voren bescreven es
tot der plaetsen daer dat betam, 11372. Als redelijc
was ende wel betam, VII, 1989. Tsoude seer
qnalike betemen hof te honden sonder broet, Hild.
6 , 124. Wantet ymmer niet en beteemde te scheyden
sonder sake o£f reden, MLoep II, 4004.
2) Met eene bepaling in den 3den nv. — a) Ene n — ,
iemand betamen, voegen, passen. W^dX hihemleere
ere ende scame, snlc alseconinge betame, 6)9. III',
10, 21. Hi begeert te wesene here meer vele dan
hem betame, Stoke VI, 1074. Want sijn leven
was eersaem, als enen dichter wel betaem, Lsp.
III, 16, 296 (var. eersam: betam). Dat elc man,
wie hi si, altoos met maten gheven sal ende ooc
te tide groot ende smal , also den persoon betame,
III , 23 , 8. Soe dat mense niet met namen kenlike
en mochte sunderlinge, als hen beteemde, ter
eerden bringen, Heelu 8820. Maer jonchere, ie
wonde ghi uwe tale seit, daer mense eer name
ende dat n ooc bat betame, Limb. I, 1168. Ende
bat haer , np dat haer betame , dat zoe mi secghen
wilde haer name, OVl. Lied. e. Ged. 399,86. Hoe
sonde ie dan fignren neemen , die enighen mensche
mochte betemen te liken gyeghen rechte hoveerde,
Hild. 81, 17. Alse hem haddebetcmet wale, ^/^x.
I, 928. Dat souda herde wel betemen, Limb. 1,
1264. Als goeden lieden wel beteemde, OVl. Ged.
3, 111, 608. Hare en beteemde hem te houden
enege woert, Belg. Mus. 6, 419, 37. Soen betemet
pi nyet wale, dat ie mi onderwerpe themale,
Lutg. II, 1417. Recht als Judas sonde betemen,
Hild. 233, 146. Soe macht der eren wel betemen,
241, 78. Si stont op alst haer betam, D. War.^
79, 66.
b) Enen — , iemand betamen, toekomen. \\ Doe
dedemen die vrouwe eerlike ter erden, alse wile
betam selker vrouwen loefsam , Lorr. 1 , 734. Ëade
dede sijn vaert ordineren heerlyc , alsoet hem betam,
Brab. Y. VI, 6974. Dat myn here es die conine
van Berberien, ende hem betame dat een conine
jeghen hem quame, Limb. YlU, 1439. Alse wel
selker maeg^ betam, Lorr.l, 1199. Alse wel betam
selken like, I, 1222.
e) Enen — iemand voegen, gelegen komen, mt-
komen. || Donsalichste dinc die leeft, dat es die
goets ghenoech heeft ende niet en beteemt dat hiere
ave sinen lichame ghenoech gave, Lsp. III, 21,
21 var. {var. H. taemt) , d. i. die goed genoeg heeft
en wien het niet gelegen komt, gepast pocrkomi,
dat hij er zijn lichaam genoeg van geeft. Naar
het mnl. taaieigen is de verbogen nv. <&i», naden
Isten nv. die, welke voorafgaat, weggelaten. De
variant taemt bevestigt deze opvatting; men vatte
betemen niet op als bedr. ww. , in den zin van
van zich verkrijgen, toelaten (zie Lsp, GIoss.).
II Onz. — 1) Met eene zaak als onderwerp.
— d) Enen — , iemand "betamen , voegen, passen. \[
Daer omme cuuscheit wel beteemt beyde den wivea
ende oec den man, X Plag. 1622. — b) Enen — ,
iemand toekomen. \\ Den lof, die haer van recht
betam, Brab. Y, VI, 11881.
2) Met een persoon als onderwerp. Voegen, passen^
behooren. \\ Bi desen, ende ooc mids des dat hi
niet gheseten en es noch ghegoet in Brabant iet,
soe en beteemt hi billics niet tot des princen rade,
Brab, Y. VII, 10619.
BETEMMEREN. Zie betimmeren.
BETEN (beeten, beiten), zw. ww. onz. {heette,
is ghebeef). Ohd. bevsfan; mhd. beisen ; mjïé^ beien.
Van biten afgeleid, evenals sweigen van stcigen,
leden of leiden van liden, neigen van nigen, be-
teekent het eig. doen bijten.
A. Het paard (ezel , muil enz.) in het gras doen
bijten, laten weiden, met het doel om a/ te stappen,
1) Van het paard of een ander trekéUer, ook van
een wagen afstijgen.
d) Met eene bepaling met het voorzetsel v a n. ||
Doe hi ghebeet was van den paerde, qnamen si
daer dandre waren, Stoke VI, 466. Doe beette
Roelant, die degen werde van sinen orsse op die
erde, Ben. 1109. Alse hi quam op die riviere,
beette hi vanden orse sciere, 6<m^. 437. Doe beette
si van den wagene saen, Sp. II*, 49, 27. Beet
van den peerde sonder belde, Lanc. II, 22699. HI
beette van den orse , Vad. Mus. 1 , 29 , 63. Doen
ie u vanden perde sach beten, ald. 61, 132. Van
dien munl bcetede hi saen, Èeim. 2007.
b) Met de bijvoeging te voet. |i Doe hi ghebeet
was te voet, C, en El. 1128. Ie wille met u beten
te voet, Limb. III, 327. Te voet beette hi daer
met desen. Franc, 414.
c) Absoluut. II Als hy daer quam, hy beette
te hant, ende heeft dat ors by den breidel gke-
nomen, Troyen 4926. Lief, waert n ghevoecb, wi
souden beten ende bloemen lesen, Beatr. 34S. Bi
heetten ten selven stonden, die mdders stont ende
milde . . . ende sliepen toten stonden enz., Jien,
269. Die conine bete ende ontdoet die porte, die
besloten stoet ende leider sgn ors nnt, C. en B*
161. „Wats ghesciet, sone stridic niet jesea a,
ie en ware ghebeet nu." — „Soe beet dan , seide
4149
BETE.
BETE.
4450
die paijn .; doe beete die ridder coene,X»0td.yi,
1120. Als hine sach, beetti ter vaert, ende
ginc te Toet te bem waert , JPVizii<r. 5625. Doe beitte
hi ende maecte hem te Toet, Terg, 1212. Teerst
dat hi was ghebeet, Alex. X, 1121. Al sonder
beten keerde die vrouwe gereet, V, 405. Tierst
dat si gebeet waren, Lanc. IV 1635 Doen si
gebeet waren, Heeln 2153. Eic beete, doen hi
quam in de stat, Grimb. 1 , 3857. Ook Jf^/. 30555.
— Ook zeer gebmikelijk in samenstelling met
neder (sie nederbeten), en in de uitdruk-
kingen ter neder beten en beneden beten.
11 Doe beeten daer . . een deel lieden ter eerden neder,
Qrimh. II, 3552. (Narcius) quam gereden op ene
fontaine ende heette beneden, Kote 1367. Girbeert
is gebeet ter neder ende seide te Ritsarde weder :
„Neemt dit ors, lieve neve," Lorr, II, 3658. Vor
die sale quamen gereden die heren ende beeten
beneden, V, 217. Vor die sale beite hi beneden
ende es daer boven gegaon, I, 1604.
2) Ziek nederzetten , sieh ned-ervHjen , zich legeren^
gaan zitten of liggen. \\ Die toverare leedde die sine
heimelike dor die wostine te Jherusalem ter port om
te doene sine mort , sijn volc dedi te samen beten daer
bi te Montoli veten, Sp, I', 30,17.Watsegdi,sprac
si, dorper fel sondic beten op dat velt ghel^c
enen wive, die wint ghelt dorperlgc met haren
lichame ! Beatr, 346. Alsi {de zon) laet haer schijn,
sullen si vanden werke beten. Lep. III, 1, 40
(d. i. van het werk uitnuten^ met werken eindigen).
— Sonder beten, zonder te rusten^ zonder uit
te itellen^ dadelijk. \\ Al sonder beten keerde hare
de vrouwe ghereet, Alex. V, 408.
3) Aan eene woning afitappen^ en vandaar zijn
intrek nemen ^ verblijf houden. || Ie bidde u , heren,
dat ghi mi wilt leren, bi wat zaken ghi te deser
tyt te desen huse ghebeet zyt, L»p. II, 13, 19.
Een huns vant hi mit dien, daer niement en
woonde inne . . daer dede hi Maria beeten. Lep.
II, 9, 52. Dat si thaers selfs huse node beten,
alsi eire om niet moghen eten, III , 4, 190. Niement
en can gheweten, waer si (de ziet) enen nacht sal
beten, I, 23, 79. In enen cloester es hi gebeet
die bisscop, Sp. II*, 57, 86. Laet die loetsen , laet
die keten, daer ghi in wonen moet ende beeten,
int aerme lant van Pannone, III*, 41, 43. — Ook
in flg. zin. Woning maken bij iemand^ wonen. \\Q\i\
rike, die gheven moocht, peinst om dese grote doocht,
die miltheit is gheheten, ende laetse in u beeten.
Lip. III, 23, 203.
4) Bg uitbreiding. Nederdalen ^ afdalen. \\^ dat
die coninc (Qod) mede in hare beghereiychede
van daer boven sine zinne beeten dede in hare
{Maria'' e) minne, ^. I*, 38, 9. Het zal keren in
corten dagen . . ende meerre gramscap up u beten,
Franc. 4645. — Vandaar wordt het gezegd — a) Van
engelen uit den hemel. |1 Dat vele ynghele wouden
beten ter feesten daer gheboren waert . . haer
flcepper van eenre maghet reine, Lsp. II, 11, 22.
— i) Van sterren. Ondergaan. \\ Planeten die int
risen ende int beten waren, Heim. 1609. — c)Van
vogels. Neerstrijken. \\ Daer staat een egglentier
ende bloyt van roken zoet, van bladen groen . .;
een duve die esser up ghebeedt, O VI. lAed. en
Qed. 399, 106. Daer si {de kraanvogeU) beeten
bi nachte , setten si hare sciltwachte , Nat. BI. III,
1 835. Alsi {de kraanvogel*) omme hare dinghe beeten ,
hare leidere staet in der hoede, i\ra/. BI. III, 1852.
Op daerde hi gheme betens pliet, opdat bi ghene
liede slet, 3611 (zie over deze laatste plaats,
die in de Uss. zeer bedorven is, Tydschr. 1^21^).
— d) Vooral gewoon van Christus* verschyning op
aarde, en van het nederdalen in den echoot van
Maria. || Nu es u overvloyethede (v. Maria) met
so groter simpelhede, dat dit dede beten daer ter
stont den Here in uwes herten gront, Velth.
VIII, 34, 62. Almachtich God, die door ons beetes
in der maeghden sal, O VI. &^^. 2,58, 122. Haren
vorders was bebeten, dat hare God noch soude
beeten in die maghet souder man, Sp. I^, 96,17.
Hi heette in dese aerme stat, in der reinre
magheden vat harde omoedelike , JVap. Mart. 1 , 810.
Ene reine nuwe zale, daer hi {Christus) heette
ende ruste in nam, Lsp. I, 25, 52. Datdeeneghe
Gods sone . . uut svaders scoot beten woude,
Vranc. 6356. Dedele Gods zone heette ute des
vaders scoot hier neder in onse noot, 2800.
5) Op den grond vallen , vallen. — a) Eigenlijk. j|
Diomedes . ., die meneghen riddere dede beeten
(m het zand bijten) wilen te Trojen vor die stede
dor sine grote vromechede. Nat. BI. III, 1197.
— b) Overdrachtelijk. KaZ/tf», ««-ptf/Z^» tot. \\ Wildi
draghen zwaere veeten, sekerlike so suldi beeten
allendich in scaden ende scanden, Denkm. 3, 201,
37. Exempel ghevet hi herde goet hem die eer
tijt {voor hun tijd) willen dimmen . .; (het) ware
hem beter dat si ontbeden, eer si om die eere
streden, dan si met scanden moeten beeten. Nat.
BI. III, 1402. Daer moesti vander eeren beeten,
Sp. I* , 9,19 (d. i. by de Massageten moest
Cyms van zyn roem vervallen^ zijn roem verliezen).
6) Tot iets overhellen^ neiging hebben tot^ zich
tot iets zetten. \\ Ghemerct dat creatueren alle . . .
in den eersten graet van gracien der jongher
juechdeliker zinnen beeten ten kiese der eerster
minnen, O VI. Lied. en Qed. 388, 47. — Ook als
wederk. ww. Hem beten, vervallen , afdalen tot. \ \
Hi sal sijns selfs vergeten ende hem te souden
haestelec beten, Velth. VII, 18, 31.
Aanm. Eindelijk wordt beten op eene zeer
vreemde wyze gebruikt door Velth. VIII, 9,20. |!
Tot Oliveten, des berges hort, die edel ende heylich
es geheten, bedie dat daeraf wilde beten onse
here, doe hi tsinen vader te hemel voer; . . .
aldaer onse Here te hemele clam. — In tegen-
spraak met het gewone gebruik staat het op deze
plaats in den zin van opvaren , opstijgen^ óf in dien
van opstappen^ de reis aannemen^ welke uit die
van A, 1), of ook uit B zou zyn af te leiden.
B. Het wild door den valk doen bijten^ en van-
daar op de valkenjacht gaan, in beteekenis geiyk
aan het meer gewone in rivieren varen, vgl.
Jonckbloet, Spee., hl. 120, en het znw. gebeet.
Ook in den vorm b ei t e n. || Als dat vischen ende dat
beten ende dat jaghen ware gedaen, OFl. Ged. 2, 114,
53. Die met voglen ende met honden jaghen ende
beeten tallen stonden ende haer kerke selden houden,
Teest. 3245. Laet ons varen uter stat betten (/. beiten),
Velth. III, 44, 29. Ofle si beiten of si jaghen,
Lsp. III, 26, 130. Als valken beiten opeenaeren,
Hild. 4, 54. Also ghedane jacht als men pleghet
te doen met roepen ende mit honden ende te beyten
mit vederspel , die en zolen die broedere niet orbaren,
D. Orde 231. — Vandaar de Barthol. 453a voor-
komende bet. van op aas uitgaan. \\^i {devissehen)
beyten meest eer dat die zon op gaet ende dair om
legghen die visschers dan hoer netten.
BETENE (BETEN)? II Uutgheven ten orloghe (bl.91)
. . . van piutsoenen, betenen ende andren cleenen
pintseelen (artikelen) ghecocht, Invent, v. Brugge 4, 94.
BETER , huw. en znw. Vgl. het meer gebruik^^i
lyke BET.
41M
BETE.
BETE.
H52
I. Als bnw. — 1) In de tgw. bet.; ook in de
volgende thans niet meer gebruikelijke uitdrukking.
Beter tgt, hetzelfde als beter c o o p, comp. van
goeden iijt (zie op goet en tut). Qoedkooper. ||
Het was beter tijt in Brabant, dant eire was in
enich lant, Brah. T, V, 3787. — Vgl. Exc. Cron.
131a: het was dair beter coop dan in anderen landen,
en DIF.RTIJT.
2) Meer. || Dairomme den prys van den selven
huysen, oock beter es dan die wasvoor lOjaeren,
In/orm. 390. Men prijstet beter dan enich gout,
Rein, II, 5591. Wat men mit scepenen beraden
mach, dat selmen den dagere uytpanden theuren
daghe, ende panden den derden penninck beter.
Mieris 2, 201tf.
3) Aamienlijker. || Soe sy beter is van aerde,
so sy snoder is van waerde, MLoep I, 3127.
Want soe een menscbe beter sy, 3129.
II. Als znw. — a) Manl., in den zin van s>ma»d^
meerdere y meestal verbonden met een bezitt. vnw. ||
Dat dat wij ff die beter zij van hoirre coomsten off
van guede, MLoep I, 2714. Soe maken sy hem
dan ghemeyn mit heren die hoir beter sijn, II,
2228. Onse beter hebbent voor ons ghedaen , Rein. II,
6709. Ghi sult ooc uwen caproenjeghen den betren
ofdoen. Lip. III, 4, 102. Laet den betren voren
gaen, 107. — b) Onz. , in de uitdr. — Om beters
wille, om bett wil^ met een goed doel. \\ Hi hevet
ghedaen om beters wille, Biuk. 171. Men moet
om beters wil bi tiden lieghen ende die waerheit
miden, Rein, II, 6709. Men moet verdraghen om
beters wille, ende somtijts swighen al stille al
eest dat enen tjeghengheet , 3 Dag. H. 121. —
Een beter, betere, ieU beters. Zie op een. —
Beter bederf, waarschijnlyk iets betert isnoodig^
lat. Di meliora , d. i. God betere Aet, Qod beware mij. \\
Mijn here Ywein sprac : beter bederf! wat sal doen
die here vanden lande dan? Lanc. II, 16933. Ygl.
BEDERVEN (Ie Art.).
BETEEDEN, st. ww. bedr. Zie terden en, voor
de vervoeging, Franck , Oramm. § 146. Betreden. \\
Tlant , dat betorde mijn voet , soude sijn ewelike mijn
goet, Rijmb. 6905. Ende tenen vondere leggen,
daert beterden wert met voeten thout vol der boeten,
V. d. Iloute 620. Och aerde , ontdoet u en sijt my
beluyckeude , want ie en ben niet waerdich , dat ie
n beterde, Mar. v. Nijm. 35, 851.
BETÉRDINGE, znw. vr. Van ^«r/^-^^ (zie ald.).
Gebruikt in de bijzondere opvatting van afmeting
van een afstand door de treden ot schreden te tellen^
opmeting , fr. arpentage. \\ Beterdynghe van deprochie
van Sint Anne ter Muyde , Lett. iV^. J2. 6 , 1 17. — Ook
betertinge; vgl. De Bo 118, waar beterden en
beterten beide opgegeven worden, d. i. eadastrale
opmeting. \\ Nyewe betertynghe van de paelen der
stede, Invent. v. Brugge, Int. 9.
BETEREN , zw. ww. bedr. onz. en wederk. Mnd.
beteren; mhd. bezzem.
I Bedr. — 1) Beter maken, verbeteren, goed
maken , herstellen , in orde brengen. — a) Van con-
creete zaken. || Hy deedse {de schepen) beteren
ende maken , ende vultse met dneren saken , Troyen
f. 251 d. Hi beterde mede die mure van Rome ,
Sp, IV', 42, 77. Tote Sinte Pieters kerke . . .,
om die te beterne , want soe was oud , Franc. 886.
Haer ghemeyn tresoer was groet, diemen daer
uutleyde ter noet om te betren die stede, Teest,
1330. (Die hadden) gebetert in allen wegen wat
gebrac in al haer lant, Lorr. fr. II, 98. Van
haren husen te doen beterne, Invent. v, Brugge 1,
96. Van den vorseiden jueelen te beterne, 2,441.
Een elkerlijc scipheere mach ziin scip up datlaot
setten . . . ende betrent {kalefateren het) wanner
ende also dicke als hem noot es, Invent. v. Brugge2, 53.
— b) Van abstracte zaken. || Datmen desen boemen
pleghet te beteren haer nature, steectmer enen
naghel dure, Nat. BI. VIII, 165. Die viande . . .
willen beteren dine meadABt^AostestHamimpiet^em
emendatum eunt, Rijmb. 33114. — e) Van toe-
standen. II Dat hi keerde in Jhemsalem, ende
beterde die dinc daers noot was, inteUexit im/«
Suae fiebant, Rijmb. 17994. Anti pater beterde
ie zaken met groter wgshede, 20612. Die saken
sal men yerste beteren , saten ende richt«n , Ngh. 2,
118. Wat baet een haestelic woert . . ., daermea
ghene dinghen en mach mede beteren op enighen
dach? MLoep IV, 1278. — rf) Van ziekten , kwalen,
enz. II Dien bat hi dat hi s^n ghebrec beterde:
hi sout hem wel lonen , Rein. II , 5852. — e) Van
rampen , ongevallen , enz. Herstellen , redresseeren,
vergoeden, goed maken, hetzij het ondw. zelf de
oorzaak van de ramp is , of niet. || Die hem beterde
sijn mesval, ald. 5847. Onse scade ende mesval
moet ons GK)d beteren al, Orimb. II, 1276. Qhe-
brect u iet, . . ie betert u sekerlike, lAmb. V,
1886. Hi wil hem beteren al sine scade, Velth.
II , 8, 7. Hi mach beteren al mgn verdriet, een
eind maken aan mijn v. , het in blijdschap veranderen ,
Segh. 1645. Ie sal beteren hjure smerten, 4084.
(God) mi betere mfin verdriet, 4287; vgl. 11193.
Alse die ghene die begheert hare te beteren dat
haer mesquam, 8970. Hoe mach ie betren dgn
verdriet, weder met coorne so met wine? Bijmk
13408. Die rike Godt moet n geleden ende betren
uwen aerbeit , Ferg. 4400. Hi sal betren sinen rouwe,
Wal. 7143. — f) Van personen. In den nitroep
God betere mi. God beware mij. Vgl. on«
uitdr. God betere het, en het lat di meliora. \\
Souddi .... maken uwe wandelinghe met eaei
verwatenen ballinghe . . . , God betere mi ! Rein.
1, 2732.
2) Zoowel in streng jnridischen als in algemeener
zin. Iemand schadeloosstellen, een misdrijf jegens
iemand goedmaken , hem genoegdoening of satisfactie
geven voor een aangedaan onrecht, boete (met
beteren van denzelfden stam) betalen. Meest al met
bijvoeging van den 3den nv. des persoons. |l Hevet
een mensche mesdaen enen mensche , hi willet saen
beteren, het dunct hem ere. Doei. III, 1545.
Dat hi betren wonde die mcsdaet, F/or. 1724. Die
mesdaet moeste ghebetert syn , 1705. So wie enen
andren misdoet, dat hie viertichvout beteren moet
Lsp. II , 36 , 409. Ende ghi wout beteren ende boeten ,
het soude minen toren soeten, Parth. 750. Men sal
den wulf ende Bruun den coenen . . betren hare mes-
daet, hetgeen htm misdaan werd (mesdaet in pass.
zin op te vatten, evenals b.v. bel of, belofte, eet,
scout; zie ald.). Hi en hebbe . . den roef^ brant ende
name . . ghebetert, Nijh. 2, 115 (a. 1359). Dat 6|s
haer voert ane wonde houden ende beterent Gode vaa
hemelrike, boete er voor doen aan God, Fad.Mu*.
1, 59, 43; vgl. 46. Hi wilt beteren den coniiic,
Lorr. 1 , 1658. Dat hi mi betre die valschede , die
hi mi . . dede, 1735; vgl. 1394. Die noit mesdede,
niet en weet waer af betren iet, 1997. Us broedex
doet es mi leet, ende n te beterne bem ie gereet,
Cass. 92; vgl. 114. Sturva die ghequetste van der
Suetsinghe . . , so soude men dat beteren ons ende
es doden maghen, Oorl. v. Albr. 614. Dat hi
zondicht off misdoet, selve hi dat beteren moet
mitten live of mitter ziele, MlA)ep IV, 861 (vgL
verder het Gloss.). Eer die termijn des bus Ternül
4153
BETE.
BETE.
1454
was ende die mesdaet ghebetert, Brab. T. BI. 2,
bl. 6563 (ff. 1383). Naem dair yement enighe scade
bi, dat soude die meesteren beteren bi den ge-
rechte , Zeid, Keurb. 109 § 4. Zie verder Bnusb. 2,
21; Nyb. 1, 243; Rijmb. 5430; 24193; 24911;
27996; Wal. 2319, 5895, 9873; Lanc, IV, 5048;
Hem. (O) 368; Se^A. 1647; Eein, I, 2777;
II, 4114; 4260; 4616; 4770; Orirnb,!, 6369; II,
1213, 1216, 1277; Matth. 99. — Sine sonden
beteren, snjne zonden uiétoitscAen door er voor
te boeten, || Dat wy beteren onse sonden , X. o. H,
33. Beterd hi dan niet sine sonden , so maect tallen
kerken cont, Bijmb. 24094. — De onb. wijs als
znw. gebmikt. Schadelooestelling ^ boete, \\ Waert
oec dat een beeste mede ene andre beest anestrede,
ende si doet bleve, diet began, daer en laghe
ghene betren an (varr. beteringe, betemisse).
Boet, n , 3187. — In plaats ran den dat. ook eene
bep. met j egen. || Hebbic geweest vree ende swaer,
dat wiUic beteren jegen n , ende staens tnwen wille
nn, Lane, III, 21643. — Sijn scont beteren
(jegen), hetzelfde als sijn scout gelden
(jegen), sijne boete betal^^ boete doen {aan),\\
Qc wille) beremyt werden in ghint wout ende oeteren
jegben God mgn scont, Segk. 11946.
3) Boen boeten^ 9traffeny wreken, || Deret u, so
betret, of gi moeget, nu. Dander sprac : . . ie
waent so betren, dat u sal rouwen, Lanc, II,
6710. Comt hi te spade die ghene die eescht , dat
sine contumacie es mere dan dsanders ende ghe-
betert sere, zwaarder gestraft, ifA»it. 217. Die juge
na sQns ambachts staet moeste selye beteren £e
mesdaet, 706. Die coninc . . sterflyc betert
{straft met den dood?) . . datmen mesdoet jeghen
home, 1020.
4) Verzoenen, — a) Met den 4den nv. der zaak,
vooral met het obj. sonde. || Sonde te doen is
menschelic, die te beteren is godlic, MLoep III,
1246. Om dese sonde te beteren, soe sende ons
die Vader sinen sone, Buusb. 3, 170. — b) Met
den 4den nv. van den pers. || Ende pensde hoe hi
sinen heer, die hi swerlic had verwracht beteren
mocht in sgn ghedacht, Versl, en Ber,6, 25,378.
Alle die sQn gheboren tote noch ter onrevnder
heUen ginc haer woch. Bedie dat ie (Ghod) die
beteren can, willic werden ander man, L,o,É.\Ab
(of moet men lezen dit beteren, dit veranderen,
kieraan een einde maken?), Hy en sonde enen minderen
man niet willen beteren noch zoenen, Matth. 100.
6) Van beter in den zin van meer. Vermeerderen,
vergrooten, uitbreiden, \\ Ende hi hem beterde ge-
meen sijn heerscap ende oic sijn leen, Orimb. I,
1329 (vgl. VS. 1675: Ons leen, ons goet . . met
yele lants meerderen). Kaerl betrendem (l, beter-
dem) sinen leen ende gaf hem borge ende steen,
Ben, 1861.
II Wederk. — 1) In de tegenw. bet. Ziek ver-
beteren, b.v. Bein, I, 2777, 2795.
2) Boor boete doen ziek met iemand {een meerdere)
verzoenen, \\ Die gene die u heelde waerp te neder
metten donre scarp, dat hi u also werpen sal, gine
betert u jegen hem al, Lanc. II, 2163.
UI Onz. — 1) Beter worden, zedelijk beter
worden, vooruitgaan, || Bi u en magie anders doen
niet dan betren, Lanc, II, 20727. Als ie beteren
sonde, quam die viant alsoe houde die midestrueerde,
III , 2833. Dat kersten volc (es) ghed^t ende ge-
betert . ., ende nemt in lanc so meer toe int ghelove
ende in weldaet. Ende also langhe als ertrQc staet,
0alt kerstenvolc beterende sgn, Teest, 446. Beterende
dyne die sal men prisen, OVl. Lied, e, Ged. 340,
735. — Ook met den 2den nv. der oorzaak (evenals
in het mnd.), of eene bep. met van. Boor iemand
of iets beter worden, er door worden gesOckt. \\
Alle die u ghenaken , selen uus ghebetert werden,
meliores a te recedent, Runsb. 4, 79. Datter oec
al deghene af ghebetert moten sgn , diet met goeder
willechheit . . selen lesen, Ned. Proza 8.
2) Beter worden, vooruitgaan, er beter op worden,
vooruitkomen, \\ En trouwen, ie ben ghebetert an
mgn springen, Busk, 97. Ie ben ghebetert ane
minen sanc alsoe wel als ie ane m^n scoenheit bin,
100. Oedoget dat te hove vare die neuwe ridder
die dare meer sal beteren dan hier met u , Lanc, III,
87. M^n hof en beterde noit ere, Walewein, bi u
alsoe sere , alst bi u sal argeren nu , 925. — Ook
met den 2den nv. der oorzaak, evenals onder 1).
II Uwe hejmelQcheyt suldi in u houden besloten
vry, ende daer af nieman vragen raet; in wat
poente dat u staet, ghine moghes ghebetert wesen ,
Melib, 1674.
3) Toenemen, vermeerderen, \\ Het {ket kind) es bi
der beden m^n soe vele gebetert (bet 2) in desen,
weltgt dat middach sal wesen, om dattet tier
wilen ontflnc doopsel, so sal . . sere beteren hem
sine cracht, Lanc, IV, 9333.
Aanh. 1) — Limb, IV, 1036: „Ghi beteret mi
soe sere ; conen vliegen soe sere biten ? ^* verandere
men beteret in beseret. Zie beseren.
Aanm. 2) — Oorkb. 2 , 440^ : „ Ware dat sake , dat
wie iemant vinden moghte , die dese . . scout schul-
digher beteere te gheldene mette rechte", is het
woord beteere wel bedorven, tenzij men wilde
lezen beterde (voor zou beteren, zie by 2), en
beterde te geldene als eene pleonastische uitdr. be-
schouwen.
BETERHEIT, -hede, znw. vr. Wid, bezzerkeit.
Hetzelfde als beteringe en betemisse (zie ald.). Sekade-
loosstelUng , vergoeding, \\ Hoe ie . . ., van mire
scaden ende van mire scanden mede hebben moge
beterhede, Lorr, II, 2829.
BETERINGE, znw. vr. Mnd. beteringe-, mhd.
bezzerunge, Vgl. BETERNISSE.
1) Verbetering, opknapping, kerstelling, \\ Omhe
de rechtinghe ende beteringhe van der vaert,
Invent, tw Brugge 4, 371.
2) Verbetering, kervorming,Yvsï beteren, bedr. 1).
II Die tweeste reformatie ende beteringhe van sinte
Benedictus ordene, Exc. Cron, 98 d.
3) Sckadevergoeding , sekadeloosstelling, vergoeding,
boete (ald. 2). || Die beteringe donct him wesen
goet, MLoep U , 24. Hi en es hoer gheen beteringhe
sculdich van alsulke dinghen, IV, 867. (Si) deden
hem onderdanicheit ende beteringe, als dair toe
behoerde, Matth. Anal. 3, 338. Ende u die sonden
dan rouwen met herten ende met trouwen ende
met warechteger beteringen, Xam/;. 111,2947. Bete-
ringe van quader sede, Sp. II', 27, 66. Dat elc
ter beteringen trake, boete zou doen, II*, 36, 30.
Si begheeren beteringe , die selve misdaen hebben,
Trogen {Vb.) 11a, Wye dat in berouwen leeft, die
wil in beteringhe staen, Hild. 225, 186. Dat . .
die hertoghe grote betringe hiesch ende hoghe,
Brab. r. VI, 9821. Beteringhe, ghewyst by do
wedt . , jeghen eenen brauwere , Invent. v, Brugge
2, 367. Beteringhe begheren, gheven, nemen,
O. K, V, Bordr, 14, 15. Beteringhe doen, ald, 16,
18; VI. Bijmk. 7398; Hüd. 226, 169, Brab. T.Yl,
9800; Lane. UI, 2920; Franc. 9769; Sp. III», 27,
48; Leid, Keurb, Gloss.
4^ Verzoening, zoen (ald. 4). Vooral in de uitdr.
te Deteringe, ten zoen: om iemand teverzoenen^
37
ii55
BETE.
ËEtE.
1156
gunêtig voor zich te stemmen. || Teere yolcomenre
betringhe vore alle mine sonden, Vod. Mus. 2,
216. Dnne sals mi els niet geven, te beteringen
dan dgn leven, Zanc. III, 18937. (Dat si) penitencie
daer af doen wonde, ende mense ontfaen te bete-
ringh sonde, Christ. 1013. Dat die van Athenen
tot eiker drie jaren enden vijff mannen sonden
senden . . bim te beteringhe énde te eeren , MLoep
1, 1406.
B£T£RNISSE, -nesse, znw. vr. Hetzelfde als
beteringe (sie ald.). Vergoeding , schadevergoeding^
schadeloosstelling^ boete. \\ Boven die penninghe
ende tgelt . ., sonde bi te beternessen doen dat
hi dlant van Cuyck sonde ontfaen van Brabant te
leene , Brab. Y. VI , 7840. Te beternesse doen een
bedevert, Vad. Mus. 2, 326 en 327. Dat Cbristns
voor ons allen in betemessen es gbevallen, boete
gedaan heeft, y,voldaan'* heeft , Jmand II, 893. Hi
sals bate ontfaen ende beternesse, Lorr. I, 1372.
Beternesse die dede eene waerzegghere, Inuent.v,
Brugge 6, 494. Edel kejser, doet Garine ontfaen
die beternesse mine, maak dat O. mijne genoeg-
doening aanneemt, II, 1441. Op datmen u beeft
mesdaen, gi seles beternesse ontfaen, Y, 99. Sine
beternesse nemen niet, eer die ghene met vonnes
verwijst is , Wrake III , 49. Nemt vore mine mesdaden
beternesse, die u eerliic si, lAmb. II, 1684. Al
leeght beternesse die snnden neder, Mask. 1045.
Laet n ghenneghen . . ., gbi hebt hogbe beter-
nisse ontfaen , 1280. Dat sy wilde van mj beternesse
ontfaen, Troyen 3518. Ende weettet wael, dit is
deynde : doet hy ons beternisse mede van dat Parys
in Griecken dede , Troyen f. 6bd. Wie dat badde
onrecht sake, dat hi beternesse sonde doen, Yelth.
y, 6, 44. (Si) versoenden mitten hertoge hem
beternisse doende, Exc. Cron. 123^. Daer si billic
af sonden ontfaen beternisse voor alle man, Brab.
Y. VII, 10602.
BETERSCAP, -SCOP, znw. vr. Voordeel, baat,
winst, saldo, batig slot', ook het bedrag waar-
mede gedurende den huurtijd de waarde van een
verhuurd goed is vermeerderd (een saldo dus in
zekeren zin, waarop somtijds aan den hnnrder recht
wordt toegekend). || Daerof de 13 mergen brouck-
lant z|jn , dat zoezeer belast is mit erf hqyere ende
renten, dat de beterscap niet veel en bedraecht,
Inform. 284. Ende zal een ander, mede ten achteren
wesende , dezelve schnldenaer alsdan mogen panden
an de beterschap vün de selve goeden , Leid. Keurb.
430, 48. (Een goed) daer die beterscop van toe-
behoert Johan Vnlvaet, Racer 7, 280. Dat die
selve Jan Lieboert ghepant hadde an die beter-
scap van der hnsinghe ende hofstede, R. v. Utr.
2, 19; zoo ook 238 (tweemaal). Verstoringhe doen
. . boven die beterscap van den erfpacht, 74.
Gegeven E^ert van Honnepel van dat hnns . . op
die 4 ryns gnl. losrenthen voir die beterscap
178 gl. , Rek. d. Buuri. 214. Gegeven Geertgen
. . van die beterscap van dat huns dat wy tegens
huer gecoft hebben op die rent die daer nut gaet
60 gld., ald.
BETER8INS, bgw. Op eene betere wijze. \\ Up
dat men de ettere betersins uut mach snveren,
Lanfr. 47r.
BETERTIEREN, bnw. Van beter en tier (zie
ald. en vgl. quadertieren, putertieren,
goedertieren, enz.). Van een beteren aard,
zachtzinniger. \\ Ende want een wyf betertieren is,
soe werpt si haer tranen eer uut dan die man,
Barthol. 1906. Ende si syn meer besorcht bi horen
jongen ende si syn beterthyeren , ald. 7646.
BETERTINGE. Zie beterdinoe.
BETICHT (BITICHT, BITICHTE), lUW. VT. Zie
Betien (1ste art.) en Ticht, en verg. Aenticht.
Mnd. beticht. Aanspraak in rechte, betieitvif^
beschuldiging. || Tot der tyt dat wi hem eade
sinen nacomelinghen van alre beticht ende tu
alre misdaet na sinen denken ende sire nacome-
linghe ghenoech hebben ghedaen, Oorkb. 2, 470i
(a. 1298). Voirt soe en mach sy nyemant byimen
onsen landen . . besetten oft becommeren, om
schuit oft om ennigerhande byticht , sy en moegeos
hem ontschaldigen mit oire eynre hant, Ngh. 1,
237 {a. 1328). Dat die ondersaten in onsen lande
. . malkanderen mitten stillen gerichte noch geist-
liken banne, van schade, van scholt, van eniger
bytichten off dergelyken , nyet anlangen off moyen
en soelen, 4, 180 (a. 1441). Te recht te brengen
van alre bi ticht, O. R. v, Dordr. 1, 10, 17 (mit.
beticht en betichtinghe).
BETICHTEN, zw. ww. bedr. Gebruikt in de
tegw. opvatting van beschuldigen , met eene bep.
met van of met. || Philips . . betichte . . de
coninghinne . . van lelicke saken , Exe. Cron. Il9c.
Die gheen, die daer mede beticht was, was een
eerbaer . . religioes, ald. 123J. Beticht of bernft
van eens smenschen doot , O. R. v. Dordr. 1 , 221 , 40.
BETICHTIGEN, zw. ww. bedr. Mnd. *^rtc^«.
Betichten, beschuldigen. \\ Of yemant van den Inden,
die gelooft hebben, dair in betichtiget worden,
ende men hem kenliken niet betugen en mochte,
dat hi gescil of onrust gemaeckt hadde, Bel t.
Leid. 238. Wairt oick dat wiis niet en betichtigeden
ende te talen en setteden binnen der tüt voirscfM
so sonde hii mede quiit ende vry wesen ?an allen
saken, Nijh. 3, 344 (dr. 1418). Die betichtigbde,
Lams 62. So dat van mijn diefte ende van mjn
verraet na deser tilt nyemant anders mede be*
tichtich (/. betichticht) en werde, Proxw- JZWn. 27r.
BETICHTINGE , znw. vr. Hetzelfde als beOeèt
(z. ald.). Aanklacht, beschuldiging , aanspraak m
rechte. \\ (Enen) te recht te brengen van alre
betichtinghe, O. R. v. Dordr, 1, 10, 17 var. Die
beticht] ge (/. betichtinge) niet en woude laten ver-
borghen. Lams 35: vgl. 37.
BETIDE, bgw. Van het voorz. be en tgt Bij-
tijds, vroegtijdig, vroeg. \\ Morgen so sal hi orlof
betide nemen, Ferg, 1369. Morgen vroe, alat sal
graken, sal hi hem betide wech maken, 1409;
vgl. 3728. Dattu vet vergeten sont dat ie dj
leerde heden betide, Troyen 893. Na den etene
betide ghingen si alle slapen, Limb. IX, 250.
Hets beter ghedaen betide dan beiden tot de aT<nt
lide, Vod. Mus. 2, 177, 29. Doe rees die soue
een deel betide, Rijmb. 2657. Ende ginc tei
bisscop rechts betide, Sp. III ^, 30, 75. Alie hi
in qnam so betide, III ^, 32, 75. Sanderdaecltf
wel betide, Lanc. II, 34251. Énde gingen slapea
saen betide , III , 23620. Die camerlinc stont op
betide, Ferg. 961. Het ne was niet spade, mr
betide, 3082; verg. 3650. Hi weckede LncinB
betide, Parth. 7794. — Ook versterkt met Troe.
Vroe (ende) betide. || Dese wil ter lackter
side ghedraghen s|jn vroe ende- betide, NmI. Bi^
XII, 382. Pinen, vemoy ende arbeit begoistic
heden vro betide, Praet 4165. Marghen vroack
betide, Limb. VII, 1786; IX, 801. Endemargiiei
porren vrouch betide, IX, 979. Des anderda(r^
vroe betide, XI, 1070. — Savons ende be-
tide, ^s avonds en ^s morgens , vroeg en laat, al&ji'^
Hi es savons ende betide tallen stonden vroeeadt
blide, Ferg. 3137. — Also betide, soo tt^-
ii5l
BETI.
BETI.
115Ö
Zie bij Also. || Up enetileke morgenstont , . . daer
hi bat an dene side yan den berge, also betide
heefti enen seraph yersien, Franc. 6952.
BETIDEN, bijw. Van het voora. be en tijt.
Mnd. beüden.
1) Bij tijden, somtijds. \\ Betiden heeft oec die
duTel macht van den ingel , die den mensch wacht,
dat hl den quaden mensch maect ongesont , Lucid.
4379 (in den tekst staat verkeerdelijk: betide).
2) Bij tijden, om beurten. \\ Ist datter yemant
spreect mitter tonghen alleen, dat moghen si
twie of ten meesten si drie doen ende betiden,
ende een bedndet, Es. 75, /. Zld.
BETIDEN. Zie het volg. Art. op het einde.
BETIËN, BETYEN, BETIDEN, st. WW. bedr.
(hetiet, betyet of betijt\ beteech, beteffen] beteffen).
Mnd. betien. Zie Tien en Aentien, en verg. Be-
tichten, Betichtigen.
1) Enen — , iemand betichten, beschuldiffen ,
hetzij absoluut, hetzy gevolgd door eene bepaling
in den 2den nv. of met het voorz. van of met,
hetzg gevolgd door een af hankelgken byzin. || Van
Clandins doot wert hi betegen, al heeft hine niet
versleghen, Sp. II', 8, 7. Soe ongemint was hi
altoes met sinen volke, ende graciloes, des men
vele beteech doen here Willeme van Ausoen,
Edew. 871. Das betgdt men meneghen des, dies
hi harde onscnldech es, Teest, 182. Men sonde
mi niet betien mede , dat ie Neptanabns kint ware,
Alex. I, 460. Houdstu die wandelinghe dijn metten
ghenen die lecker s^n, . . soe salmen di betien
dat ghi pleecht selker daet. Boet. II, 954. Dies
een selve moeste sijn ghepynt, en mach hi enen
anderen niet betien, Mask. 684. Doe dese deerne
Petmm sach, beteech si hem, dat hi oec plach
van Jhesus jonghers een te wesen, O. H. Pass.
15, 317. Si beteghen hem, dat hi een valschen
brief soude ^hescreven hebben, BevoetB.{^%)%^.
Als hi van den bosen menscen beteghen was, dat
heeft hi gnetelicken laten heengaen , Bern. W. 21d.
Met rechte ie u van morde betie , Lanc. III, 19006.
Ende beteech hem, dat hi hem scande anesprac,
Sp. III«, 11 , 28. Oec beteech hem die coninc
mede, dat hi veronrechte die kerke tAlyeme,in',
43 , 56. Want si souden mi betyen dat ie onghelove
brachte voert, Teest. 3153. Ende begonsten Jhesnm
betien dat hi haer kint hadde ghedoot, Lsp. II,
25, 16. Dat hem die scalke niene betien dat hi
sprake nut heresyen , II , 44 , 89. Met redenen ics
den clerc betie, Bincl. 1134. Someghe andre beteghen
seere daer inne den heere van Bouchout , Brab. Y.
VI, 8120. Menich wert tonrechte beteghen, VII,
5398. 8o wie so te rechte comt van dinghen daer
hy af beteghen es, ende hem vermeit an goede
liede, dat hy eire was te diere wile dat tfait
gheviel des hy beteghen es, Cout. v. Gent 441.
Dat onse richter daer yemant meer mede beteghen,
dan die handadich waer, Nijh. 1, 215 (a. 1327).
Dicwgl soe vraechde hi ende beteech hair dattet
waer was, maer si versakede dataltjjt, GestaBom.
f, 50c. Of hi al schuldich waer dat si hem op-
seyden of daer si hem mede betegen. Fase.
M. f. 76*.
2) Iet enen betien, iemand iets te laste
leggen , het hem aantijffen , er hem van beschuldigen.
(i Men en hadde mi die mort betegen, daer ie
mede bem bedregen, Alex.YHl , 631. (Ende) hi sinen
vader hevet bedreghen met moorde, die hi wel
beteghen mochte hebben andren dieren, Bein. I,
2525. Ende men m^n diefte ende verraet enen
anderen, dies niet en bestaet, niet en betie na
desen tiden, Bein. Il, 2083. Ende swegic dan ende
der quaetheit nege , recht waert dat mi God betege
der liede gebrec, die quaet begingen, Bincl. 106.
Grote scade, dat si beteghen den greve van
Vernenborch in derre wise , . . dat hen die scade ,
ende els niet , bi siere ooghelukinghe waer ghesciet,
Brab. T. VII, 17488. Al wat hem dat gheboeft
beteech, O. H. Pass. 17, 392. Welc fayt men
betyende was Lauwereinse van Brabant, Cannaert
372. — Iet betien, iet^ laken, berispen. \\ Had
ick dat niet ontfan^hen willen, so soudemen dan
mijn rustierscap ende grovicheit beteghen hebben ,
Gesta Bom. c. 8 (ƒ. 9*). — Iet betien ere
dinc, iets aan iets te laste leffffen, het er aan
wijten. II Alse u luxurie gaet an, soe betijt ure
kelen des , want si uwes buics vrient es , Doet. II,
2756. — Spreekw. Bethyen doet vryen, amantium
irae amoris inteffratio est. Spreuken 25.
= Later vindt men ook naast betien den vorm
betiden met ingevoegde d, evenals in kastijden
uit castien, belijden uit belien enz. || Des vechtens
dat ie u hier betyde, Matth. 139.
BETIEN; ook te onrechte betyen {betiet of
betyet', betoech of betooch, betoffen; betogen), st.
WW. onz. en bedr. Mhd. beziehen. Zie tien , ww.
Onz. — Beffaan, betijen, slechts in de uitdr.
enen laten betien. || Hier om wil icken wat
castyen ende laten dan daer meed betyen , O. H. Pass.
20, 491. Daernae soe ghinc !c die allien: mijn
maghen lieten mi betyen, des hadde ie zeder
crancke vrame, Hild. 127, 16.
Bedr. — 1) Ene dinc op iet b., — eene zaak
op iets betrekken, betrekkelijk maken, toepassen,
uitleffffen als iets bedoelende. \\ De croone die met
vijf tacken wert ghezien , die mach men up eenen
coninc bezien (/. betien). Taf. op 3 K. 71.
2) Ene dinc — , iets om iets trekken of maken.
II Ende dede ene veste maken, die alre scoenste
ende die beste, die noit wart gesien met ogen,
al omme dien rosier betogen, Bose 3814.
3) Ene dinc — , iets betrekken , overtrekken ,
bedekken; betogen met ere dinc, met iets be-
dekt. II Syn een oge (was) mit alsulker vlecken
betoghen, dattet daer niet mede en sach, Hs. 87,
/. 70 c. Om seems leer daer de providiersstoeleu
mede betoghen syn. Bek. d. Buurk. 179.
4) Enen — , iemand in rechte betrekken ; i e t — ,
eene zaak voor het gerecht brenffen. \\ "Wie dat binnen
deser core thien jaren besitter es van goede onbe-
claghet ter vierscaren , . . . hi macht houden metter
custinghen, spreket men daer an, ende nyement gheen
ander recht daer of doen , het en waer dat die clagher
mochte betoghen siin, Oorkb. 2, 331, 8 («.1290).
Alsoe Willem van Swieten , procnreur-generael van
Hollant, onlangs betogen en angesproken gehadt
heeft voir den Hove van Hollant Jan Engels,
Memor. e. Sent. v. d. Hove v. Eoll. N. , /. 321.
Of eenighe van die saecken . . . betoghen ghe-
weest hadden . . . voor ons ende voor onsen grooten
rade, Handv, v. Waterl. 26a.
5) Ene dinc — , iets leiden, besturen, bepalen.
Verg. BETREKKEN , bedr. 5). || Oftu betoghen hebste
minen wech daer ie nu in wandelen mach, D. B.
Oen. 24, 42 (Vuig. si direxisti viam meam). En
wilt my niet houden, want die Here heeft mijnen
wech betoghen, ald. 56. Want die Here was mit
hem ende betoech alle sine wercken, D. B, Oen.
39, 23 (Vuig. omnia opera eius diriffebatj.
6) Ene dinc—, iets afbeelden. Y erg. betrec-
KEN, bedr. 6). || Dat hi opsnede therte mijn, hi
soude mire vrouwen suete anscyn daer binnen sien
1159
BETl.
BETO.
1160
alse wel betogen alse na, daer icse sie met ogen,
Coiê. 1827. Hier na sagic gehouwen daer ende be-
togen . . . giricheit, Bose 176. Daer na so stoet
vort betogen nidicheit, 249; zoo ook 1484.
7) Ene dinc — met iet, iets beschilderen met
iets. II Die ander boge was bat geraect . . . , ende
wel betogen . . . met Trouwen ende met jonge-
lingen, die behagelike met allen leden stoeden
verheven ende besneden, Bose 887.
8) £ne dinc — , iets vermelden , verhalen. Terg.
VERTRECKEN. || Dandre die doe hadden voorPylatus
oghen Jhesns goede werken betogen, Lsp. II, 36,
190 var, (jt. vertoghen). Daer wonde hy van ons
weten die waemisse van allen sticken . . . doe wjse
hem betoghen hadden, doe bedanckede wyhem Oorkb.
2, 472a (a. 1298 ; er zal hier wel betoget gelezen
moeten worden. Zie de eerste aanh. bij betogen).
9) Sc ui de betien, schulden maken, \\ Die en
moghen ghene sculde betheen noch maken buten
consente hoerre olderen, Stadb. v, Oron. IX, 21.
Weert sake dat se schulde betoghen ende makeden,a/<^.
BËTIGEN, st. WW. bedr. Hetzelfde als betiën
(z. ald.). Betichten^ beschuldigen, \\ De sal dat mit
synen eede ontgaen , so vake als men em des
betigen willen, Stadb, v, Gron, IX, 30.
BETIJNST, metHjns, belasting bezwaard, AXAvlb
te lezen voor besust (z. ald.).
BETIMMEREN (betemmeren), zw. ww. bedr.
Mnd. betimmeren. Het transitieve timmeren. \\ Van
erve te betymmeren man ende wQf in echtscappe,
Stadsr, v, Ztvolle 128, 215.
2^ Voltooien^ aftimmeren. Verg. onbetimmert. ||
Enae dese twe cloosteren betimmert sgnde, so
gafse hertoghe Grymolt in handen den heiligen
Remaclns , Exc, Cron. 67 c, Onse hofstede ....
also alse betymmert staet, B. v. TJtr, 2, 96. Zoo
ook 98, en O, B. v, Dordr, 1, 231.
3) Van burchten, steden enz. Door het timmeren
of bauwen van vestingwerken versterken ^ met vesting-
werken insluiten. (| Dat sise (die borch) nemmer-
meer en souden hierna betemmeren te ghenen daghen,
Orimb. n , 6191. Oic heeft die hertoge ondersproken,
dat mense voert in ghenen kere betimmeren en
soude nemmermere, II , 6501. Dat in rheenen keere
die borch van Grimbergen nemmere betemmert en
soude mogen wesen, Brab, T. YI, 2827. In den
eersten soe sal die stat van Staveren ons toebe-
horen, ende sullen dair here of bliven, ende die
sal mit ons bevreedt wesen, ende wij suUense
mogen betymmeren tot onsen wille, uutgeset datmen
dat cloester noch den werf tot Sinte Odulfs niet
bevesten noch betymmeren en sal van geenre zide
binnen desen vrede, dat is te weten van onser of
van der Vriezen zide, Oorl. v. Albr, 550 (a. 1401).
Zoo ook Matth. Anal. 3, 367 tweemaal.
4) Van vijandeiyke plaatsen. Door het bouwen
van een sht of eene versterking ze in V nauw
brengen. \\ Weer oech, dat ennich van ons syn
slot offte stad bestallet, belegen off betymmert
worde, wy anderen solen ellick den sel vensenden
vgfT gewapent mit pravande ende reyscap ....
und helpen um dt^t sine holden off untsetten , Nijh.
3, 369 (a, 1419). Dat sy niet betymert noch be-
slait soilen weraen bynnen eynre wilen wegs van
onser stat vorser., Oork, v. 1402, aangeh.ald,
BETOGEN, zw. ww. bedr. Zie togen.
1) Toonen , eigenlijk en figuuriyk. || Daer wonde
hy van ons weten die waemisse van allen sticken . . ,
alzo ju was betoeghet: die betoghedewy hem,
Oorkb. 2, 472a (a. 1298). Ende si niet en conde be-
togen noch gebriugen vor ogen dien rechten barscul-
degen man , Lanc. II, 46257. Drie wondere toende onse
Here . . Brabande in dit orlogheu , die ie u hier wille
betoghen , Brab. r.y,3759. Si namen metten Hertoge
raet , die dit algader wederstaet , ende appeUeerde
te Romen int hof, ende betogede daer sgn belof,
Yelth. IV, 64, 85. Dat hl na den XLsten dage
wilde betogen gewaerlike, dat hl voer in hemel-
rike, Lucid, 2124. Hoe soude ie connen vreacht
betoghen? God heeft benomen mijn liefste ghenoot,
Hor. Belg. 2, 224, 3. Ende den meneghen liteken
ghegeven, si mochtent betoghen al hare le^en
weder , dat hise wel gherochte , Wal. 6486. Die
vfjfste redene die ghi hier vore betoghet mi, . .
die en doech niet een cave, Melib, 667. Totdat de
natuur enich wech betoget, Lanfr. 50 r. Hi
en gaf hem metten swerde liteken daer hine ghe-
rochte, dat hijtwel betoghen mochte, JTa/. 6516;
zoo ook 6487. Ie sal vraghen ende vleen, berecht
mi ja of neen van dat ie dl betoghe , JTap. Mart, 1, 33.
Bi reden willic dit betogen, Lucid, 3105.
2) Bewijzen ; lat. probare. \\ Ende lant heft de
scoutete te lene van den godehuse , alse vele alse
hi bi wette {t, werre) mach betogen, Oendtck
Chtb, 11 (a. 1252). Van hofwonden leeds lanc ende
naghels aiep ende die te betoghene met den
ambochtshere alse recht es , Y. d. Wall 133 (a.1303).
Dat ment betogen sal met tween goeden mannen die
s^n evenknie sjjn, 118. Waer ze wittelike ende
redenlike betoghen moghen, dat zi alsulc goit,
als zi upgheheven hebben ende ontfïanghen, ghe
besicht hebben in die orbaer sgreven van Ohelre,
Ngh. 1, 177 (a, 1318). Ende andre die negheene
vr^heit ofle goet ghemitte betoeghen en moghen,
Vad, Mus, 4, 217 {a. 1400). Ghi weet wel, dit
Huge zyn bootschap niet en heeft ghedaen, want
hy dat niet betogen en can ; daerom sal hy worden
ghehanghen, Huge v. Bord. 79. Behouden allet
uwer stede recht, dat ghy van onsen vorders hebt
ende van ons, ende bedoegen (/. betoegen) moecht,
Mieris 2, 7Bb. Diese (mifitf «<x7t<^) redelike betoghen
mach, Gesch, v. Antw. 1, 642. Nochtan mogewi
wel betogen ons volcs doet, ende soe gewont,dat
si meer en werden gesont, Lanc, II, 44320. Sal
ie comen voer myns kints ogen , dat ie sial dorren be-
toghen , dattu gherne names ghenaden , Theoph. 1113.
BETOGENEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde ils
betogen (zie ald. 2). Bewijzen, \\ Dar to hebwi hem
oc dat gelovet, dat wi alle de gene, dehemscnlt
sculdich sin binnen onsen lande . . . , de si betogenen
mogen mit brieven of mit scepenen of mit levende
orkonde, sulc hebben sullen ende dat doen, datsi
hem gelden de scnlt, Oorkb, 2, 159 a («. 127S).
BETOGENISSE , znw. vr. Van betogen (zie ald. 2).
Bewijs^ bewijsstuk, \\ Doe antwoirde die grave fu
Hollant, dat hy des niene gelovede, hy ne sagbe
die betogenisse, Oorkb. 2, 412b (a. 1298).
BETOMEN, zw. ww. bedr. — 1) In toom, «
bedwang houden. \\ Wilsoe (de ziel) den lichanie
gomen, so moetene met weldaden betomen ende
wachtene van mesgane, Wap, Bog. 813.
2) Met eene bep. met van. Vrijwaren tegen iets ^
voor iets behoeden, \\ Sie hier van Maerten (Marthê)
die figuere , die de weerelt begoomt van nootdorste
ende betoomt (l, ende van n. b. ?) , WTt^. Bog. 1439.
Aanm. — Betomen, vs, 1508 ald., is eeae
verkeerde lezing voor becomen (zie ald.).
BETONEN (betoonen, bethonen), zw. w».
bedr. Zie Tonen en vgl. Franck op Alez.y
bl. LXXXVIII.
1) Toonen, aantoonen. || Ie holpe hem ghene,
seidic doe, haddire enighe redene toe, die hi wei
1161
BETO.
BETO.
1162
mochte betonen , Grimb. 1 , 1265. Hoe gaerne sonde
ie weten, waer n die lelike lasarie ten eersten
uit sal breken , dat meisken dat niet laten en dorst ,
si nam een mes, si doofde baer borst: Siet,yader,
ie salt n betonen, Hor, Belg. 2, 96.
2) Bewijzen. \\ Ende wie hier af ghecalengiert
wordt sal sine maeghscap betoenen moeten vore
den scontet ende voer scepenen, Cor, v. Jniw.
54, 193. Alre scont ende verwerden, die men met
openen brieven betbonen mach, Nijhofif 2, 37
(a, 1348). Soe wie dat ledicgpanc maect int voir-
seyde ambacht, sal verhoren eenen ouden scilt,
alsoe dicke alst viele, indien dat ment betonen
can, Belg. Mus. 4, 78 {a. 1388). Maer ie biddu
dat ghi claerlike betoent mi met goeden exemplen
dat, 80 mach les gheloven te bat, Teest. 260.
Maercolf , ghi hebbet wel betoent mi metten werken
al bloet die dinghen daer ie u om ontboet, 2918.
Dat hi hem quame manscap doen , also uw verders
hebben geplogen te doen manscap den hertogen
van Brabant oit ende ie, ende wilt dat, also ie
lie, betonen wale, eest te doeue, met ridderen
ofte met baroene, Grimh.1, 1224. Dat hijt betoonen
wonde gereet dat die van Grimbergen plagen den
hertoge in onde dagen te dienen , daer sgt hadden
te doeue, I, 1662.
BETONISSE (betoonisse) , amw. vr. en o. Het-
zelfde als betogenisse (zie ald.). Bewijs ^ öemjê-
stuk. II Bringhet oft sendet alsulcken {d. i. alsulc
een) betoonisse van dien stucken aen den grave van
Hollant, waer by dat hy ju late in sulcken be-
sittinghe, Oor kb. 2, 472 {a. 1298).
BETOOCH, znw. onz. Van betogen.
1) Vertooning ^ verschijning^ visioen. \\ Te drien
malen eist ghesciet, dat die keyser Karel siet
van sente Jacoppe dit betooch, Sp. IV*, 11, 1.
2) Bewijs^ bewijssiui. \\ Ende waer dat sake,
dat enich poerter bi aventuren zonder brief ter
tollen quame mit zQn selfs goede, so sonde hi
weder afterwaert varen ende halen z^n betoech
ende daermede soude hi quijt wesen , O. R. v. Amst.
19 {a. 1342). Alsoe verre als si betoech hebben
van quitantie van hem bi sinen brieve , V. d. Wall
226 (tf. 1355). Aengesien alle betoech ende be-
scheit dat beide partien aen beiden ziden aen-
brochten, 365 ia. 1899). Ten einde van den jair,
als die gequetste syn leemte willen wil, so sel
hi betooch brenghen van den scepenen , dat hi dien
man voir ghenoemt heeft, Leid. Keurb. 37, 17.
Wanneer een knaep van buten binnen Leyden
werken sal , ende betoech heeft van twien knapen . . ,
dat hi lest in vrien steden ghewrocht heeft, die
mach werken , 79 , 43. Hier of sel een ygeiyc den
wairdeyns goet betoech brengen van den coopman
mit sinen bezegelden brieven, 537, 53. Endedair
of sel die coper goet betoech brengen, bezeghelt
van den stapel, 542, 61. Ende hem betoech onder
hair segel dair of gheven , Matth. 90. Dair sal die
bailin mitten scepenen betoech of seghelen, 119.
Die sullen dair of mit hem betoech besegelen,
122. Enige beseghelde betoghe , ald. Ende ml die
rechter , hy mach betoech hsdinghen van des hem
dair ghewQst is mit recht, 171. Als die segsluden
tghelt van den anderen daghe, die betoghen van
cloesterwinninghen ende zielmissen . . ontfangen
hebben, 224, e. e. Die soude dair betoech af
bringhen binnen vier daghen nadat hQ poirter of
buer wair gheworden, O. W. v. Amst. 22, 23.
Ende willen, alse dat dese selve briefdragher . .
also te doen (?) betoghe , brieve . . vercrighe , die
hi ons wederbrengen moghe, B,. v. Vtr. 2, 84.
BETOON (betuoon), znw. onz. Van betonen.
Hetzelfde als betooch (zie ald. 2).
1) Bewijs. W'&ndit sal daer tx)e goet betoen moten
doen, dat hy vier jaer voer eenen vrien mester
geleert heeft, Willems, Meng. 78 (a. 1442). Ende
oft die selve partien voorscreven eenich betoon
doen wouden . . . met privilegiën, carthen , regis-
tren, . . soe soude die hertoghe sonder messen
uut sinen rade vroede ende wise . . . senden in
elke van den steden, om tvoorseide betoon met
wijsheden, . . voort conde ende waerheit te ver-
boeren, Brab. T. VII, 16350.
2) Bewijsstuk. \\ Een dachvaert te Lucemborch . . ,
om aldaer yewer partye hoer bethoene , recht ende
reden over te brengen, Brab. T. Dl. 2, hl. 635
{a, 1379). Voere ons ende onsen rade te comenin
den Hage elck met sgnen bethoene ende rechten,
daer sy hem mede behelpen wilden, V. d. Wall
347 {a. 1393). Want wy daer en gheen betoen of
ghesien en hebben, N^h. 2, 228 {a. 1368). Aen-
ghesien betoen ende brieve, die men daer jeghen
toghen sel, 229. Die sal . . die bedevert doen,
soo dat hi niet weder incomen en sel voir die tjjt
dat hi dair geweest, ende goet betoon dair of
gebrocht, Bel. v. Leid. 260 (a. 1419). Ende beval
hem mede te brengen alsulc betoen, alst gesticht
had van der heerlicheden van Hagesteyn, Matth.
Anal. 3, 327. Rekeninge ende andere betJioenen,
als wy daertoe behouven zouden , Inform. 322. Zie
nog Brab. Y. VII, 16250; K v. Vtr. 1, 176,34;
195, 34 (tweemaal); 2, 55; 31; JT. en O. v. Delft
201, 1; O. B. V. Dordr. 2, 76, 102; em.
BETOBMENTEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als
tormenten (z. ald.). Pijnigen^ kwellen. \\ Wat be-
tormentstu dij selven met ydelen ende onnutten
p^nen? Vaderb. lli;.
BETEACHEN. Dit ww. vinden wg Bose {O) 7779
gebruikt in den volgenden samenhang: „Grote
horsen, weghende wel met florinen ende niet el,
entie oec vlieghen in plaetchen , hi mach hem alre-
best betrachen." — Het is de vertaling van : „ üne
grant borse pesans toute farsie de besans, se la
véoit saillir en place, tost i corroit & plaine brace."
De andere bewerking der Bose heeft : „ Die de borse
swaer doet coemen met florinen wel gespeet, hi es
wel ontfoen ende natrect." üit het rQmwoord
plaetchen blykt , dat de uitspraak geweest moet z^n
betraetsen. Hoogstwaarsch^nl^k hebben w^ dus
hier (indien de lezing juist is) te doen met een
woord , door den bewerker gesmeed van het f^. traeer,
d. i. suivre la traee, chercher avec soin (Burguy,
Gloss. 368), opsporen, naloopen; het zal dus wel
de vertaling zQn van de fr. woorden Tost i eorroii,
maar de zin van den fr. tekst is dan toch nog
slechts onvolledig en onnauwkeurig weergegeven.
BETRAP, znw onz. Van Betrap en. Set in
besit nemen, vangen. — Te eens betrape s^n,
aan iemand staan om het in bezit te nemen , iemands
rechtmatige buit zijn. \\ Hets tonsen betrape, dat bi
naturen geboren es, Blise. v. M. 812.
BETRAPEN, zw. ww. bedr. Betraq>pen.
1) Enen — , iemand betrappen, achterhalen,
overvallen, vangen, in zijne macht krijgen, machtig
worden, vooral met vgandelgke, maar ook met
vriendschappeiyke bedoeling. || Deken ende papen,
daer hise can betrapen, comen si in sire verde,
hi nemt hem mule ende yerde, Eleg. 251. Eest dat
hine opt velt betrape sander dages, hisalnevaen,
Lane. UI, 21622. Terstont in dier haesticheden
worden si hier ende daer gheraept, die opsetters,
ende betraept, ghevangen, die niet ontvlien en
1163
BETR.
BETR,
1164
mochten ^^JBrab. Y. YI , 4926. Of hl sal yatten ende
slaen ridderen , knechten , clercken , papen , waer dat
hUe can betrapen , Qrimb. 1 , 2427. Si ontboden rid-
deren , knapen , ende alle die sy mochten betrapen , I,
3899. Wien si connen hier betrapen, heeft seker
sgn lijf verloren, I, 5037. Dat si versloegen
groot ende cleyne, waer si betraepten die Romeine,
Sp, Wy 51, 19. Alse hl die (papen) conde be-
trapen, ontftnc hise eerlike, Sp. 11^, 30, 80. Men
saelt ons treek en te love , moghewine soe betrapen,
ochte bi vromecheiden van wapen , ochte bi goeder-
tiemheiden, dat wine te hove leiden, Lanc, II,
30619. Machmen heren ende papen mitter mjede
aldus betrapen, Hild. 141, 181. So seldi ons doen
betrapen saen, Koie 13316. Dat sine en mochten
betrapen niet, L, o. H. 1282. Die wy in den
stryt betraepen, Qrimb. II, 3714 var. veel sielen
die ie noch sal betrapen, BUsc, v. M. 457. Die
doot die sel mi schier betrapen, Hild. 78, 168.
Bi Qode , ie ware mi liever doet , dan mi die god in
valscheit groet betrapen mochté ochte rasteren,
Rosé 3171. Na seldi beiden ende gedogen, dat
gine in betren poente selt moegen betrapen, 3317.
Want die n woude in oncnescheiden betrapen,
vrouwe, hi mocht doen wale, 5484. Och, mocht ie den
losen pape binnen mynen huyse betrapen , Playeno.
158. M. L. Pleghen camerieren , joncwijfs en cnaepen
ulieden te volghene? Qh. Men zoudse betraepen
altemets onder ons lieder bewelt, V. ^ar. 1,412,
163. Ist dat ie hem eens op sijn bloote betrape , . .
ie sal den pleccaert den hals verstuycken. Mar.
V, N. 28, 661. — Zie ook berapen.
2) £ne dinc — , iets machtig worden ^ vinden,
II Wy moesten peynsen, hoe wy sullen betrapen
logyse, daer wy sullen mueghen slapen, Ned.
Kluchtsp. 96, 66. Om één (schaap) . . te betrapen,
liet hi alle dandere sonder hoede, Sp. 11^, 8, 50.
Die scepe sinctense , datmen betrapen niet en soude
waer si waren, Velth. VI, 20, 16.
BETREDEN (betrat, betraden y betrede) ^stww,
bedr. Mnd. betreden. Vgl. beterden.
1) Enen — , iemand aantreden ^ betrappen. \\
Mer die ophouden ende arresteren mit horen lyve
ende goede so wair syse vynden o£f betreden in
hoiren bedry ve te water ende te lande , V. d. Wall
477 {a. 1423). In wat hornick of steden men die
of oer guet betreden kan, Nijh. 4, 134 {a. 1436).
2) Enen of iet — , iemand of iets vertreden y
vertrappen. || Doe vele scaren om hem stonden,
also datsi malcanderen betraden, Hs. 71 {Lue. 12, 1).
Dattet niet goet en waer, datter verken voet die mar-
griten der ewangelien souden betreden, Stemmenl6S,
BETRECKELIJC,bnw. — l)ym betreckeny in den
jur. zin van in rechte betrekken y voor den rechter
roepen. Die voor den rechter geroepen kan worden. \\
Die poorter . . en es niet betrekkelic voor ander
juge dan voor dezelve wet {van Haarlem)y Wiel.
Instr. 73, 17. Dat een poortere ghecondemneirt
int gheestelic hof in de costen, ten zelven hove
verclaerst was wel betreckelic te zine om de zelve
costen te zien tauxeren, Invent. v. Brugge 2, 336.
2) Van betreckeny in den zin van iemand tot iets
rekenen. Gerekend wordende tot iets te behooren. ||
Woenste te hondene binnen der selver stede . .
sonder by dien . . betreclic te zine in de poerterie
ende vryheit van deser stede, Diericx, Jf^'m. 1,54.
BETRECKEN (ook betreken), st. en zw. ww.
bedr. en wederk. {betraCy betraken, betreken , of be-
trocken'y en betrecte, betrecf). Zie trecken.
I Bedr. — 1) Betrekken y overtrekken y bedekkeny
de hedendaagsche opvatting. — a) Eigenlijk. || Als
ie den hemel sel betrecken mitswartheit ende mit
wolken decken , myn reghenboech sel ie dan toenen,
O. H. Pass. 25, 681. — *) Deelgenoot maken y in
eene zaak wikkelen. || Ontslaen van der contributie,
daer in hemlieden betrecken wilden de prelate van
desen lande, Invent. v. Brugge 5, 206.
2) Enen — , iemand trekken y verlokken, ver-
leiden. Bij Kil. attrahercy pertrahere y alUcere. || Na
rust hi nummermeer nacht no dach, hoe hi den
mensche mach betrecken ter quaetheit, Hild. 220,
50 var. Tsgn al onghetrouwe ghesellen, die mal-
cander vast betrecken te wesen, daer si hoer ziel
bevlecken, 245, 182 var. Wiet hare na overmoet
doet arden, sine siele tijdt ten helschen Tarden:
dus can hoverde vrient betrecken, sgnt man,sgnt
wijf, diere ane s wecken, lünel. 1122.
3) Enen — , iemand met de t4mden vaneen-
trekken -y in figuurlijke toepassing, hem belasteren.
II Betreckinghe heet ie, die dieluydenmet minen
tanden betree ende stamp tot pottage , Pelgrim 78.
4) Enen — , iemand besturen y regeereny Uiden,
II Ghi heeren, die de werelt berecken, entie die
lieden sult betrecken, wedewen, weesen moetn
ontfarmen, Boec v. Sed. 793. Ie sal dat volc be-
trecken, ende die gheslachten sullen mi onder-
danich sijn, D. B. Boec d. Wijsh. 8, 14 {Hs. v.
1423, 213*). Mit groter waertücheiden bctrecstn
ons , want di is tonder dattu wilste vermoghen ,
Hs. V. 1423, 217c. — Ook als znw. Gods be-
trecken, Oods bestuur , leidingen. \\ Ich love ende
danck dyn betrecken , Vader b. 135^. — Ook in den
zin van aan de eene of andere macht onderwerpen. \\
Dat het {Vlaenderer^ gheregiert zy bi scepenen
zonder vordre betrocken te zine, Invent. v. Brugge
3, 510.
5) Ene dinc — , iets leiden y besturen. \\ Die
Here in wies aenscouwen ie wander, hi sal met
di sinen engel senden, ende hi sal dinen wech
betrecken, D. B. Gen. 24, 40 (Vuig. diriget viam
tuam). Ie ghelove dattie goede enghel Gods in
sinen gheselscep is, ende hi sal wel betrecken
dat omtrent hem ghedaen sal worden, D. B. Tob.
5, 29 (Vuig. disponet). So badt si den here God
van Israhel, dat hi haren wech betrecken vilde
ter verlossinghe van haren volke, D. B. JudUh
12, 8. Omdat bi sel betrecken die rontheit van der
werelt in effenheit, D. B. Boec d, Wijsh. 9, 3. Dat
hy alsoe ten beteren leven bekeere ende sgne
weeghe betrecke, soe dat hy in de uutvaert sgns
levens biyde syn moeghe, K<u^*. 195a. Omdat hy
alle synen wille betrack nae Gods wille , 137r.
6) Ene dinc — , iets afbeelden. Bg Kil. ^Be-
trecken 1. beworpen, delineare , rwdiier
depingere.^^ Verg. fr. pourtraire. \\ Wel conste hi
betrecken ontrouwen, die selke beelde conste
houwen, Bose 169. Hier na sag^c gehouwen daer
ende betrecket .... ghiericheit, Bose (C) 173.
Dus waren die beelden daer gehouwen ende vel
betrocken, bi mire trouwen, 449. — Ook Ont-
werpen. II Al ist dat dye sommige den bomeoft linie
der hoger princen ende hertogen van Brabant be-
treckende ende beginnende syn van Noes tyden,
Exc. Oron, 48tf.
7) Ene dinc — , iets besteden, gebruiken^ aan-
wenden. II Hoe hy dat grote goet dat hem gheblevea
was betrecken mochte, niet ter eren der werelt,
mer tot Goods love. Pass. W. f. \\a.
8) Als rechtsterm. Iemand in rechte betrekken y
hem te recht doen staan. \\ Dat men persoenen
niet pandelic binnen Ghend . . betrecken sal vor
viuderen als voor schepenen ende up hem pro-
1165
BETR.
BETR.
1166
cederen naer de costume van vinderen, Diericx,
Mém. 2 , 206. Waert dat deen poorter betrocken
ware b|j eenen anderen poorter voor ander jnge . .
dan voor de voirscr. wet, Wiel. Inatr. 73, 18.
9) Een vonnis betree ken, tegen eene uit-
spraak opkomen, \\ Zo wat poorter off poortesse
betreet de vonnesse van scepenen bij reformacien
oflf appellacien, Wiel. Inttr. 81, 69.
II Wederk. — 1) Hem betrecken, zich
voorttrekken^ door trekken zich voortbewegen. \\ Van
eenen scepe dat hem selven can bet betreken dan
enich man, al dade men hnlpe engbeene, Roee
C 52Ö0.
2) Hem betrecken, met den 2den nv. Zich
bedienen van iemand of iets^ gebruiken. \\ Wy
ne dorfvense niet ontsien in gbeender saken , maer
ons betrecken onser lieden, dat wy mogben, als
ick bediede, eerlick jeghens hem striden, Orimb.
II, 1080 var.
3) Zich terugtrekken^ vooral uit de wereld j zich
aan een geestelijk leven wijden. \\ Onser voorseyder
kerrken, alwaer sy over sekeren tydt ende termijn
hemlieden betrocken hebben, Diericx, Mém. 2,
460. Mits dat Pierone Hnghes met devocien haer
betrocken heeft in de clnse tEckerghem om Gode
te dien ene, 628.
4) Overgaan toty zich begeven. \\ Als de weese
huer betreet te hawelicke. Wiel. Instr. 118, 299.
Dat niement, onderzate zynde van den cuenync
van Scotlant hem betrecken zoude {zich er toe be-
geven zoUj het zou wagen , ondernemen) omme coo^-
manscepe te doene te Brngghe, Invent. v. Brugge 6, 25.
BETRECKERE, znw. m. Hij die een ander in
rechte betrekt ^ de aanklager, \\ De betreckere zonde
boeten 10 c^. Wiel., Inetr. 73, 18. Seght de betrec-
kere dat hy oircontscepe dar af heeft, Gendsch
Chtb. 168.
BETBECKINGE, znw. vr. Van betreeken
als bedr. ww., in de bet. 4). Kwaadsprekendheid ,
toeter. Zie de aanh. ald.
BETROÜWE (betrou), znw. vr. — 1) Trouw,
getrouwheid. \\ Om sonderlinghe betronwe, lieve,
vrienscippe ende yonste, als hi . . tot ons heeft,
y . d. Wall 268. Want . . Aelbrecht ons sulke lieve,
vrienscippe ende betronwe . . bewijst heeft, 269.
2) Vertrouwen. \\ Dat was eenuntvercoren joncfron,
an welcker die coninc had betrou , D. War. 4 , 616, 41.
Hebbe betrouwe in Sinte Elizabeth, Pass. W. 366.
BETROÜWE, bnw. Trouw, getrouw. — Bose
fr. 249, 8: „So wien so lief ende betrouwe,"
schijnt het te staan als synon. van lief, dus in
de bet. aangenaam, welgevallig-, mnl. bequame.
BETROÜWELIKE , bijw. Iiust;i^, kalm, vol
vertrouwen, \\ Des heren alre gheminste sal wonen
betrouwelyc in hem, D. B, Veuter. 33, 28. Si
woendenre alle in {in het land) betrouwelike ,
Ezéch. 38, 8. Als mgn volc van Israhel betrouwelijc
wonen sal, ald. 14.
BETROUWEN (betraüwen, betruwkn), zw.
vrw. onz. bedr. en wederk. Mnd. betruwen', mhd.
beiriuwen.
I Onz. — 1) Vertrouwen , zich verzekerd houden. ||
Hi mach ganselic betrouwen, dat hem God sijn
sonden vergeven sal, Ruusb. 3, 103. — De onb.
wffs als znw. gebruikt. Vertrouwen, verzekerdheid
de9 gemoeds. \\ Met enen ghewarighen betrouwen,
datfle {de zonden) hem God vergheven sal, Ruusb.
3, 104. Laet ons dan met enen betruwen onse sonden
groet weghen, ald. Du behaghes my wale in dgn
o vergheven ende in dijn betruwen, 4, 27.
2) Met den 3den nv. Vertrouwen stellen in , ver-
trouwen op. || Die der werlt te zeer betruwen,
Hild. 124, 69. Hi sal betrouwen ... der gronde-
loser riker miltheit Gods, Ruusb. 6, 127. Gods
{l. Gode) ... te betruwen, 3, 106. Ie ben ont-
fermich ende men en betrouwet mi niet , Stemmen 4.
Om dat hi aldaer so truwelic bi hem bleef, so
betruwen si hem daerna altoes te bet, Clerc 64.
Twee joncvrouwen, die hi waende so betrouwen,
Sp. II*, 29, 7. Want si vore allen menechfout
hen betroude van den lande, II*, 61, 60. (Earel)
die hem nochtans wel betroude, Exc. Cron, 93b,
Den dappere altoes scuwen ende den smekers niét
betruwen, Teest, 966; vgl. 3337. (Wi selen) Gode
betruwen boven al, dat hi ons ontfermen sal , 2472.
Helm, scilt, in der hem betrouwen, TrogenSSSb.
Die betruwet sinen ouden viant,dat8hemberuwet,
Esop. XXXIV, 23. Sone betroudi mi niet ten besten
ende tiet mi verraetnesse an, Velth. II, 13, 36.
3) Ook met den 3den nv. van den pers. en den
2den nv. der zaak. In iets op iemand vertrouwen
stellen. — a) Iemand in iets gelooven. || Hets saen
ghedaen, mi des betrouwet (lat. mihi crede), dat
namaels harde langhe rouwet, MeUb. 1964. —
b) Iets van iemand hopen, vertrouwen, verwach-
ten. \\\Y&nt hi des betrouwede Gode, dat hi daer
sonde de viande jaghen uut sijns vader lande,
Stoke III, 288., Het is onmogel^c, dat God dien
niet en sonde sQn sonden vergheven , dies op hem
betruwen, Ruusb. 3, 104. Sinen getrouwen vrient
die alsoe getrouwe is, dat hi niemant ontgaen en
mach, noch nie en dede, dies hem betruwede, 106.
— Met eene ontkenning. Iets niet van iemand ver-
wachten, iemand niet tot iets in staat achten, het
niet achter iemand zoeken. \\ Ie en hadt nemmer-
meer minen wive betrout, dat si mi heeft ghedaen ,
lApp. 68. — Enen alre eren, al goets, alre
doghet betrouwen, iemand tot alle goede, edele,
ridderlijke handelingen in staat achten, alles goeds
van iemand verwachten. \\ Ie betroude jou alre ere
Wal. 6629. Mijn heere betraut u alre eeren,
Denkm. 3, 134, 83. Ondoghet seldi scuwen, soe
mach men u al goets betrouwen, Vad, Mus. 1,
321 , 46. Die liede {vijanden) salmen scuwen , ende
in (/. hem) gheenre doghet betruwen , Melib, 1866.
Hi betroude hem doechden meer dan hl ghedaen
hadde eer, Brab. Y. I, 397.
II Bedr. — 1) Toevertrouwen, de beschikking
geven over; in het pass. de vrije beschikking hebben. \\
Daerom so wilt die ghecken scuwen ende den wisen
u eer betruwen , MLoepl, 817. Ie bleef thuus in sgn
erve ende betrouwet van allen goede, Amand 1, 1137.
2) Gelooven. \\ Dattu niet ne weets des enwiltu
niet betraüwen , Brand, 1910. Lichteiye te betruwen,
dat vrouwen draghen in den sin , MLoep IV, 1636.
III Wederk. — Hem betrouwen te, in of
o p, vertrouwen stellen op , zich verlaten op, \\ Hem ge-
dachte sire vrouwen, daer hi hem meer toe ne
mochte betrouwen, Lanc, II, 36679. Hoet mi,
vrauwe, up u ie mi betrauwe, O VI, Lied, e, Ged,
64, 119. So vele betrouwet hi hem in u, Farth.
7406. Want ies (des , d. i. in dezen) mi sere be-
trouwe tu, Limb. XII, 908. Dan wilUc mi tote u
betrouwen {mij bij u aansluiten, aan uwe leiding
mij overgeven), betren dan ghi en waen ie niet
scouwen , Ferg. 1066. Ie segghe n, dat ghi in gheenre
manier en tronwet daer ghi u niet in en moghet
betrouwen. In dese maecht en moeehdi n niet be-
trouwen met reden, want si en is haren eyghen
vader niet trou gheweest ... en hier om schijnt
merckelijcken , dat ghi in haer u niet betrouwen
en moecht, Gest. Bom, c. 6.
1167
BETR.
BETU.
1168
BETROUWENESSE (betruwenesse), -isse,
znw. vr. Mnd. betruwenitse,
1) Vertroufoen op een ander ^ geloof, \\ Waer ejn
haer goden , daer si haer betrnwenisse in hadden ?
D. B. Beut. 32, 37. Als dese twe goede menschen
dit hadden gheseit optie betronwenisse Gods,
Mandev. f, 66r. (Al tfolc) betroaden so wel, dat
si alle haren wille in hem lieten vallen. Met dus-
danigher betronwenessen brocht hi die lieden in
salker kennessen, dat em.^ Jmand I, 5813.
Want hi an Gode betronwenesse ontfinc, dat ten
besten sonde commen die dinc , II, 1541. Dat wy . .
mit alte vollen herten ende betronwenissen hoepen
moghen de glorie der {i. des) verrisenissen ,
Bienb. 152 a.
BETEOirWlCH, bnw. Vertrouwend, geloov%g,\\
In betronwigher zielen ende in den geeste der
nederinghe moeten wi ontfaen werden , Hs. v. 1348 ,
101c.
BETROUWINGE, znw. vr. Mhd. betruwinge\
mhd. betruwinge. Vertrouwen , doch ook in navol-
ging van lat. fides gebmikt in den pass. zin van
trouw, waarheid. \\ Dese woorde goos sien ware
ende gheloveliic ende vol van betronwingen , Openb.
Joh, 21 , 5 {verba fidelitnma sunf).
BETST. Oorspronkelijke vorm van den snperl.
best, Limb. Serm. 43a : Dat hi altoes der betste is ;
99 c: Dn best min dat betste ende ie ben din dat
betste ; en zoo pastim.
BETSTAPEL, znw. vr. Van bedde, bet, d.i.
bed, en stapel, d. i. plank (zie M.), Beddeplank.
Die vier betstapelen, de vier planken , waar-
tuêsehen het bed ligt, de bedstede. i| Voirt somogen
alle poirteren, dat tiendendeel van horen goeden
bespreken , dair si leggen in hoir vier betstapelen,
d. i. wanneer zij bedlegerig zijn, op hun laatste
ziekbed liggen. Leid. Kettrb. 201, 33.
BETSTRODE , znw. o. Anorg. vorm voor betstro.
Bedstroo. || Dat nyemant enige betstroede (mis-
schien mv.) en draech unt sinen hnyse, O, R.
V. Dordr. 1 , 313 , 3 {alwaar ook dat stroe staaf).
BETTEIN, znw. o. Eene stof (?). O. R. v. Dordr.
2, 39, 52 vindt men onder goederen, die in be-
waring gegeven worden , ook genoemd „twee ellen
bettein."*^
* BETTEN (Velth. III , 44 , 30) , verkeerde lezing
voor bei ten, op de valkenjacht gaan. Zie beten.
BETTEN, zw. ww. bedr. Eig. stoven (Kil.),
Tnet warm water bevochtigen, en by uitbreiding
nat maken, netten. || Dat lit betten mit watere,
Lanfr. 110». Vgl. BATTEN (2de Art.).
BETTER , BETTERHEIT , BETTERLIKE. Zie
bitter enz,
BETTIECTE, znw. vr. (?). Van bedde, bet
en t i e c t e, d. i. tijk-, mhd. bettezieche. Bedomkl^edsel,
beddetijk. || Van 2 nu wen bettiecten mid 2 nuwen
puyltiecten, elc 3 elle breet, Rek. d. Oraf. 2,59.
BETTINNE. In een versje, Hulth. Hs. f. 90^
(Tijdschr. 3, 179), leest men: „ Quistwater , quist-
water , ghi hebt twee oghen als een cater ; ende die
bec als een hinne, ende doren als ene bettinne;
ende u conté als een coe; u eerscat (^i^. i. eersgat) gheet
op ende toe ; ghi gaet al visten als een verken : al abel-
heit mach men aen n merken." Bettinne, zal met
den vr. uitg. -injte gevormd zijn van bette, geit
(De Bo 120). Vgl. beite, lam (ald. 96). Daar wordt
ook een voorbeeld van beite aangehaald uit Despars.
BETTOEN, hetzelfde als bottoen; zie ald.
BETÜCHTIGEN, zw. ww. bedr. Slechts innd.
gekleurde geschriften. Mnd. betuchtigen. Met den
4den nv. van eene vrouw. Haar eene bron van in-
komsten (hd. leibzucit, vgl. ons leeftocht) , aanwijzen ,
een vrucht aanwijzen , geven o{ vermaken ; hetzelfde ils
mhd. beUftuehtigen en mnl. bewedemen (zie ald.). ||
Voirt soelen wy . . . betuchtigen jonffrouwe Kathrjn
onse lieve gesellynne . . an die borch ende stat vu
Gelre, Ngh. 4, 10. Die soelen wy . . betuchtigeB
mit den voirgen. borch, stat, ampte ind allen
rechten ind opkomingen , 11. In hilicksvoirwerden . .
bevoirwert is , dat wg sie van stont an betuchtigen
sollen, 13. (Dat w^) dieselve onse lieve hujs-
vrouwe ind gesellynne bewedompt ind betuchticht
hebben, bewedomen ind betuchtigen avermltz desen
brief, 197.
BETÜCHTINGE, znw. vr. Van betuchUn, het-
zelfde als betuchtigen (zie ald.). Hawelijksgoei,
douairie. || Dat sy die vurgen. betuchtinge ind
wedom believen ind bewilligen, Ngh. 4, 199.
BETÜGEN (betuigen), zw. ww. bedr. Mnd.
betugen; mhd. beziugen.
1) Met den 4den nv. der zaak. Iets met getuigen
bewijzen, getuigen voor of tegen iets bijbrengen. ||
Daer waer hi sculdich reden af te gheven voerden
prince . ., alsoe verre als men betughen mocht,
Schaaksp. 42d. Dat mede betugen cUe heilegen,
dat onse here hefl waer gesproken , lamb. Serm. 13a.
Also dicke als ment betuygen mach met twee
witachtige getuygen. Mieris 3, 194*. Wie fruuwen
ofte jonckfi[^uwen verkrachticht , dat menterwair-
heyt betuygen mach, Nijh. 1, 236. Binnen drien
maenden nadat hgt betughet heeft, 2, 228. Hier
of en weet niemen tware dan wi: hoe souden w|t
dan betughen. Rein. II, 4638. Ist dat ment mi
betughen mach na den recht in enighen broken ,
ie wil dat aen mi sighewroken, 6174«Dat nyemant
. . van hem geenerhande . . schuit .. ofte betuygen
en sal oft verwinnen anders dan mit schepenen,
des men hem aevertuygen muchte mit oeren apenen
brieflfen, Nijh. 1, 235.Zooook WiUems, Jfov- ^^•
2) Met den 4den nv. van den pers.
a) Tegenover iemand door getuigen bewijzen. )|
Van den koeren die men breect machmen eiken
betughen met tween goeden knapen , Stadsr. v. Zwolle
45. Daer machmen hem of betughen ghel^c onsen
burgher, ende die gast die mach s^n onschult
doen, 61, 40. Enich onse burgher, die up onsen
burgher te zegghen heeft in der vriheit ende onsen
bnrgher anspreket, die mach den anderen be-
tughen met tween goeden . . knapen, 85, 111.
Zaken daer men enen van betughen mach, ald.
Een broeder , . . dien betughen twe of drie broedere
ons oerdens zonder alrehande onsculdenghe, D. Orde
260. — Ook met den 4den nv. van den pers. Het
bewijs leveren dat iemand schuldig of onseAuldig is.
II Also verre als hgs (/.hi?) dairaf betuycht worde
mit twee porteren, J?ra6. T. Dl. 2 bl. 609. Ende hi
des betuigt worde met wettegher waerheit, dat
die verboert sal hebben Igf ende goet, ald. 617.
Dat ennich man sijn thiende versaeeke . . , die
men betuygen mucht mit twee gueden luyden
opten heyligen, Ngh. 1, 234. Ten waere dat men
se mit gericht oft mit schepenen betuygen muchte,
237. So wie der poort water huutsteket of doet
huutsteken, hi verbuert XX rC, wort hgs be-
tughet, ZVl. Bijdr. 1, 240. Worde hQ begrepen
off betuycht, dat hij torff anden moeren h^dde
gehaelt, V. d. Wall 577. Dat hi claerliken betuucht
is, O. K. V. Dordr. I, 2. Worde hgs betuucht met
goeden wittachtighen lieden, a/^. Zoo ook 39 , 123 ;
44, 145; O. K. v. Rott. 19, 33 , Oorkb. 2 , 362^ , b.
3) Betuigen, verklaren, de tegw. beteekenis, ^
Ps. 89p (P*. 81, 9).
1469
BETU.
BEVA.
1170
BETUGINGE , znw. vr. Het aanvoeren van ge-
tuigein (?). II Yan der betugingheir ende van dien
gherichten, D. Orde 260.
BETUNEN, zw. ww. bedr. Mnd. hetunen\ mhd.
bezinnen. Omhtitten^ met eene heining of hek om-
geven, II Die wyngaert wert . . betnnnt ende
beheynt, Barth, 686d. Mine rosen, die ie so be-
tnnen sal ende so beslnten overal, IU)se (C) 3643
(J. ommuren). Enen wijngaerd . ., dien hi be-
tnnnde wel ter cure, Bdjmb. 25264. Den wech
betonen mitten doorn der tribulacien, Devoet B,
(36) 5r. Betnne dinen (/. dine) oeren mit doeme, opdat
wanneer die schadelycke reden daer ontstuerliken
wil in gaen, dattu die dan ontstnerlijcke verdrivest,
Bienb, 107a.
BETUNINGE, znw. vr. Omheining, heining. \\
Dat njement . . maken en sal . . tnsschen die
strate ende plate enige betujningen of beheyningen
van tnynen, Leid. Keurb. 146, 56.
BETWERF, bgw. Van bet, in den zin van «*«•
(zie ald.), en werf, d. i. maal. Meermalen^ her-
haaldelijk. II Hoe wi korts ende bettwerff . . gesent
hebben . . Jan van Mersen, Chart. aang. bij
V. d. Wall 468 noot.
BETWISTEN, zw. ww. bedr. Afkeuren, be-
strijden. II Dit pulver soe betwist Albncasis, Jan
Yp. 45.
BEULC. Zie bülc.
BEUBDEN, BEURDENAER. Zie borde, bor-
DENAER.
BEUREN. Zie boren.
BEURSE. Zie borse.
BEYAEN (bevangen), st. onr. ww. bedr. De
hoofdtgden zijn deels van dit ww. (deelw. bevaen\
conj. beva\ 3de p. tgw. t. bevaet of beveet (b. v.
Parth. 8166 , Runsb. 1 , 95 vlg.) , deels van den vorm
bevangen (impf. bevincy deelw. bevangen). Ygl.
Ben. 3, 204 en zie yeTderhijY\EV.Wid.bevdhen;
mnd. . bevangen. Ygl. vooral begripen , dat met
bevaen verscheidene beteekenissen gemeen heeft.
1) Grijpen y vangen , pakken.
a) Met geweld. || Mogense Gierbeerte bevaen,
si selen hem sgn hooft afslaen , Lorr. fr. 1 , 762.
Mach hi u selven bevangen , hi doet n bider kelen
hangen , Ben. 460. Al eist dat mense mach bevaen,
niet lichte machse ieman verslaen. Nat. BI. lY,
293 {var. begaen). Ie sie den rechten slaen , beede
bespotten ende bevaen, Wap. Mart. I, 10 var. Dat
men te doet . . sloech . . alle die Jueden, die in
sijn rike waren bevaen, Bijmb. 18173 var. Omme
dat Jesabel sloech doet Gods propheten, daersise
bevinc, 12516. Die berge van Caspia . ., daer
Alexander die coninc mene^n Joden in bevinc,
Alex. YII, 903. Mitten Inden, diemen daer op
{op de sloten) bevinge, Ngh. 3, 33.
b) Met list. Fangen y overvallen, betrappen, ver-
schalken. II Ie sonde (/. souden) heridegeme bevaen,
mochtic, dattie niemare, die mi geseite8,geoppen-
baert ware, Zdinc. lY, 4198. Dat serpent .. daer die
dnvel mede hadde bevaen onser eerster moeder Even,
^at. BI. YI, 413. (Die) met valscheiden omgaen ende
donnoesele gherne bevaen, Lsp. III, 12, 191.
c) Met woorden. Fangen , verstrikken. \\ Dat sine
bevaen mochten in sinen warden (woorden), L. v. J. c.
171. Die duvel die bevino Adame in sijn valsche
spreken ende dede hem sine vastene breken, Sp,
11*, 23, 236. Int leste dat hine soe bevinc met
sconen worden . ., dat hi hem yet soude maken
cont van siere conste, Yelth. I, 26, 16. Die
coninc heefse nu bevaen ende noch sal bestriken
(/. bestrick^n) meer, II, 17, 76.
l
d) Op 'zijne zijde brengen, tot zich trekken, aan
zich verbinden. || Hier met hi oec bevinc een deel
dier gene, die waren nu sine wedersaken, Yelth.
I, 3, 24.
e) Iemand verbinden, binden. \\ Ghi wilt mi al te
nauwe bevaen, lAmb. III, 1082. — Yooral inden
zin van iemand door een eed binden. \\ Doe dedemense
comen zaen ende heeftse echter mit eede bevaen,
Lsp. II , 36 , 1233. Met ede heeft hine bevaen , dat
hi hem sal te chense staen, Bijmb. 14823. Bi
ridderscape heeft hine bevaen, dat hi nember-
meer . . op hem ne orlog^et in sijn leven, Yelth.
II , 8 , 52. (Hen) bevinc de pape . . bi sire priester-
scape, dandre sworent ten heileghen . ., dat si
al daer waren, Heelu, bl. 671. — In wige
bevaen (deelw.), tot strijden verplicht, in den
strijd gewikkeld. || Hoe dat hine up sinen ghelede ten
campe liet bevaen int crijt. Wal. 2244. In den
wighe so es bevaen een rudder neven sire side,
2250. — Hem bevaen houden, zich gebonden
achten. \\ Weent hi ende heeft drove gelaet, so
weent mede, dats wel gedaen: na sinen sede hout
u bevaen , acht u gebonden u te gedragen naar zijn
voorbeeld, Bose 72i28.
2) Bereiken, binnen zijn bereik krijgen. \\ Een
verterende vier, die al verteert ende verslynt, dat
hi beveet, Runsb. 5, 125. Pude ende vische dats
syn spise, ende wat so levet in sire wise, dat hi
bevaet in sinen bedwanghe , Nat. BI. Y , 647. Den
bome reet hi bat naer , daer die helm boven hine,
dien hi met sinen swerde bevinc, so dat hi die
ketene sloech , ende daema den helm nederdroech,
Yelth. III, 30, 20. Sulcke dinc, die haer ogenie
en bevinc, Sp. IIV, 37, 35. — Ook met eene
bep. met binnen. ||So wat hi binnen den slaghe
belaet (/. bevaet), Segh. 999 var. Niement en
mochts ontgaen, dien hi bennen swerde bevinc,
Lorr. II , 434. Dolifant en cans ontgaen, can hi
{de draak) ne binden staerte bevaen , Nat. Bl. YI ,
345. Wie hi bevint (/. bevinc) binnen slaghe,
leverdi den duvel, lAmb. YI, 2344.
3) Ferwerven, verkrijgen. || Dat men hare vrient-
scap daer met bevange, 1^. II', 24, 84.
4) Ontvangen, aannemen (vgl. BEGRIPEN 3). ||
(Si) voer . . tote Philipse den coninc, diese al
daer in hoeden bevinc, Fl. Rijmk. 5249.
4) Bevoelen, betasten. || Hi (Thomas) moest
tasten metten handen, ende sine wonden also
bevaen. Brand. 1932.
5^ Aangrijpen, aantasten.
a) Eigenlek. Bestoken. || (De aarde) geeft se
{mine corre) den vulen slangen, die myn vlesch
hebben bevangen, hen te peysteme daermede,
Lanc. II , 18798. Her Hector heeften soe bevaen ,
dat hy hem niet en mach ontgaen, Troyen 4558.
Sy waren so van hem bevaen, dat hise onder die
voete reet, 5167. Een ridder wel gheboren hadse
{de non) mit minnen soe bevaen, dat enz., hij
maakte het haar zoo lastig, bracht haar zoo in het
nauw, Hild. 143, 50 (de uitdr. bevangen heb-
ben, staat hier in bet. gelijk met b e v a e n.Ygl. 6,a)).
b) Figuurlijk. Beginnen, ondernemen. \\ Int leste
was die zone gbehangen , ende die vader heeft
bevangen den wech te gane vore hem beden , maer
seere met jammer es hi gesceden , ende heeft sinen
wech gedaen, S^. lY*, 52, 32.
6) Omvatten, omvangen.
a) Eigenlijk. || Miin her Heinrüc . . bevinckene
om beide sine ziden, ende leidene op siin ors vor
hem, Limb. II, 1136. Joiousen so bevinc Karel die
stoute coninc , ende vertoech enen slach , Lorr. II,
1171
BEVA.
BEVA.
H72
781. Hare hant hi in de sine bevinc, Par/A. 7719.
(Si) bennc . . in hare handekine syn anscijo,
8248. Dat scip hi (dê vUch) al omme bevinc,
Brand. 2131. In sijn hant hi bevinc enen scerpen
snidenden brant , Orimb, II , 2560. Met dieren lijsten
waest graf bevaen, ¥lor. 1030. Enen rinc^dieden
boem fd omme beyinc, V, <f. ^ou/^ 505 (misschien
is op deze laatste plaats bedoeld al ommebeuine,
maar de bet. blijft dezelfde; zie op ommebevakn).
Haer arme nam die vrouwe fine ende hevet haer selven
bevaen om haer borste , f^erffi 953. Dit portael zal
wesen zo wyt ende zo lanc, dat bevanghen zal de
veinstre , staende buten der duere , Invent v.
Brugge 3, 491. — Ook in de uitdr. bevaen heb-
ben, met dezelfde bet. || Daer in staen sestien
manne ende hebben bevaen acht blasebalghe, die
si verdraghen, Wal. 3527. In sijn handen haddi
bevaen een spere , dat stijf ende erof was , Orimb. II ,
3323. £en ewich ommering, die al bevaen hevet
dat Gk)d ghemaect hevet van materien , Ruusb. 5 , 83.
— Voorjü gebruikt van het omvatten met de armen ,
iemand in zijne armen sluiten^ omhelzen, \\ Soetelike
hine {den haas) bevinc in also mearewlike gebare
als of hi zijn moeder ware, l^a>»r. 4438. Tot zoene
{zij hem) met helzene heeft bevaen, OFl. lAed. e.
Qed. 523, 148. Mettien bevinc hise in sinen armen
inhertelike, Wal. 8130. Hi hevet sine arme wide
ontdaen ; hi wiltse helsen ende daer in bevaen ,
Ruusb. 5, 270. Zoo ook Lanc. II, 26775; III,
18453, 18786; Torec 1361, 1869; j!fIo^ II , 3255;
Vrouw. e. M. VIII, 132; Lett. N. R. 7*, 136,
203. — Ook in de uitdr. bevaen hebben. ||
Hi hadse in sinen arm bevaen , dies was die vrouwe
metten bliden, Belg. Mut. 10, 68,114. — Hiertoe
behoort ook de uitdr. arm ende arm bevaen,
arm in arm. \\ Si leghet arm ende arm bevaen in
ghenen boegaert . . . met enen man, Qlor. 736.
— Ënphemistisch staat een wijfbevaen, evenals
onze uitdr. eene vrouw omhelzen^ voor rem habere
cum femina. \\ Ter vierder nacht saltuse ontfaen
ende metter vresen Gods bevaen, Rijmb. 15635.
b) Figuurlijk. Omvatten, tot stand brengen. \\ Het
dar meerre dinc bestaen, dan har cracht mach
bevaen. Nat. BI. III, 2647.
c) Omvatten , omringen , omgeven , van eene plaats,
eene ruimte. IJ Wel naer waest {Carthagó) in sijn
staen al omme metter zee bevaen, Sp. I*, 55, 5.
Binnen den kerchove so es tgat, met eenen mure be-
vinc hi dat, III*, 4, 55. Die bogaert es al omme
bevaen {of ommebevaen ?) ende besloten met enen
mure, Flor. 2531. Ie sach , dat men tpryel ontdede ,
dat van den lelyen was bevaen, OFl. Lied e. Ged.
327 , 360. (Si) saghen dat gheberchte ... al omme
met vianden bevaen, Rijmb. 28929. {De zaal) was
bevaen met enen mure , 31366. Menne conder omme
ghedoen ghene dinc anders, dan ment huns be-
vinc ende belach harde vaste, Stoke VI, 166. —
Ook in de uitdrukking bevaen hebben. || Nilus
hevet alom bevaen , die bat op oec Ganges heet ,
Alex. Vn, 1216. Alt volc . . ., dat Caucasus die
berch . . . aen die nortoestside heeft bevaen,
VIII, 135. — In (binnen) iet bevaen syn,
ergens in besloten, in zijn. \\ Stappans so looc die
dore, als siere binnen waren bevaen. Wal. 6072.
Die doden sullen opstaen, die in den grave sijn
bevaen, Lsp. II, 36, 1629.
7) Omvatten^ bevatten, begrijpen. || Dat si {de
minne) ... al onse ufeninge van dogeden in hare
beva, Ruusb. 1, 119. Inden dingen die men mit
vijf sinnen bevangen mach, Oreg. Hom. Ir. Drie
partien van menschen , daer alle die familie die Gode
dient , in bevaen is , Ruusb. 3 , 124. In desen ghebode
is bevaen alle die wet Gods ende alle die prophetea,
V, 127. Die alle dinc beveet, 6, 185. — Vooral
in de uitdr. bevaen hebben. || Al hevet hi
{een wijs man) bi hem niet, sgn gepens hevet al
bevaen, Sp. I*, 3, 28. Die scrifturc beeft benea
in worden dEwangelie al , Melib. 974. Elke ure
die es voert ghedeilt op soe corten eert, dit
elc cume heeft bevaen van der (/. den) oegben
een opslaen , Lsp. II , 54 , 79. Die vierde wise m
onghelove, die alle andere wisen van ongheloTe io
hare bevaen hevet, Ruusb. 5, 61. — Ook meteen
pers. als ondw. en eene bep. met i n. In iets be-
grijpen, besluiten, opnemen. || Oec heeft men in die
vede (/. dien vrede) bevaen Dyandraes geslechte
algader, Lane. II, 42394. Voetgangers ende wilt-
knechte , diemen niet en mach te rechte in ghetde
wel bevaen, Sp. IV» , 19, 47 {Brai. T. U, 3018).
8) Bevatten, in zich bevatten, bezitten. || Daer
en was so cleine dinc, van al dat die vergier
bevinc, Rosé 1481. Dat hi veronweerdde alle dinc,
dies (/. die) de weerelt noynt bevinc, lmé»d I,
1360. Al waer dat sake, dat alle dinc, die de
eerde nie bevinc, tsinen inde nu bekeerde, Velth.
VII, 17, 35. Wi hadden faute van alre dinc laa
dien dat die eerde bevinc , VI , 21 , 69. — Ook ii
de uitdr. bevaen hebben. || Hi haette dorperlyc
venijn ende meneghe doecht haddi bevaen, &/ii
15. God weet alleene ende niement el, in sine
macht heeft hijt bevaen. Hij heeft er de volhmm
beschikking over, Jmand II, 4770. üp die stonden
hebben die herdekine boodscip ontfaen , van dit i
de weerelt hadde bevaen , dat gij in de wereld
waart gekomen, 3810. Metten kinde dat si hadde
bevaen {hetzelfde als hadde begort; zie op be-
oorden), het kind dat zij in zich bevat, besloten
hield, waarvan zij zwanger wat, L. o. JET. 252.Vgl.
onder lid).
9) Bevatten, begrijpen, verstaan. \\ Die wjshcit
Gods bevaet onse bloete ghedachte , JW. Pros« 40.
God es so hoghe een wesen , men caent ghescrifea
noch ghelesen noch met herten bevaen, «^ ^
gemoed bevatten, Teest. 1472. Dits waerheit daer
ende ghinghe: snbtijl ware therte, diet bevingbe,
Wap. Mart. III, 23. — Ook «onder uitgedrukt
object. II Omdat si noch vleischelic waren, so en
mochten sy in geenre manieren begripen of he-
vanghen, Greg. Bom. 52 r. — In arge bevaen,
ten kwade uitleggen. \\ Si custen dickent, daer
toesagen alle die ten danse gingen, diet in arge
nine bevingen, hoe dickent dat si ondercutca,
Rosé 1214.
10) Overleggen, overpeinzen, \\ God ne maecte
noit dinc, die hi met redene niet bevinc, Jï««-
781. Dat hi in die scole hoert, sal hi thuns Ter-
trecken voert ende dicwile in herten bevaen, i^^^
955. Hine wilde niet achterlaten dinc , die hi i«
sijn herte bevinc, Velth. V, 38, 27.
11) Bezetten-, lat. occupare.
a) Van eene ruimte. Bezetten, betlaen. \\ ^ea
cleene padek^n ie ghinc, an beeden ziden ie he-
vinct (/. iet bevinc), OVl. Lied. e. Ö. 235, 68.
— Ook in de uitdr. bevaen hebben. || W«
bogaerde . ., die heme dochten hebben bevaen
slants ere milen lanc ochte mee, Fartk. 980.
b) Met gewapenden bezetten. || (Anthiochas)
quam ende hevet die stat bevaen ende sloagheie
in LXXX™ man, ende vercochtere oec nochtaa
XLm, Sp. I*, 45, 4. flanibal die hadde bena
met sinen here Spaengenlant , I*, 31, 4. Alse hi
die stat hadde bevanghen, sette hire sine wet ia ,
1173
BEVA.
BEVA.
1174
I', 35, 42. Den soudaen, diet al met here beeft
bevaen , Constantinople die grote stad, Umb, YII, 29.
c) Bezetten^ bedekken. \\ Na een 8wijnk\jn eest
ghedaen, ende es met dornen al bevaen. Nat. BI.
Il, 1770. Dat bede boscb ende haghe met groenen
loveren waren bevaen , Rein. 1 , 42. Dat si (de zon)
met dicken wolken es bevaen, Natuur k. 1855.
d) Bezetten^ vullen^ voorzien, vervullen. || Te
dien bende dat de voorseyde veste niet bevanghen
worde van den sontwatre, Invent. v, Brttgge 4,
320. Dinc, die . . met donckerenadrens ij n bevaen,
Natuurk. 969. Een glas, dat es bevaen met adren,975.
Dien die oghen trode bevaet , icien roodheid de oogen
bezet, die roods oogen hebben, Nat. BI. X, 146. Doe
voer die goede Sente Brandaen metten Gods zegne
(/. zegbene) bevaen toten oversten ende, Brand.
1667. — Vooral gebrnikelijk in de uitdr. met
kinde bevaen, zwanger. Vel. eng. with child.\\
Si hielden eerlike brnloft ende si wart haestelijck
mit kind bevaen, Oest. R. c. 163. (De heilige) die
de vronwen versonken gaen als si met kinde sijn
bevaen, Amand II, 1788. Vrouwen . ., die met
kinde sgn bevaen. Nat. BI. VIII, 626. Zoo ook
Lane. III, 16766; Limb. III, 783; L. o. H. 218,
301 (daer wijf met kinde gheet bevaen) ; F/or. 218.
12) Bedekken, overepre^en. Vgl. 11 c). \\ Die
telghe die waren wide gheleet ende wel ondaen,
si hadden een scone plein bevaen , Wal. 5098. Die
aem . . die metten vlercken bevanghen hevet die
clare fonteine, 7808. Den serc . ., daer dat graf
mede was bevaen. Bed. d. M. 725. Twee andre
(ylengels) hebben bevaen al den lechame ende
bedect. Franc. 6970. Dat een wijngaert nte hare
l^hinc die al tlant van Asyen bevinc, occupabai
totam Jtiam, Rijmb. 17205. Ene andere (co vertnre),
die al dors bevinc, Orimb. 1 , 4679. Al heeft natnre
tfleesch bevaen, al bedekt het lichaam den geeet,
Wap. Rog, 384. Al met bloede so was sijn ansichte
bevaen, Ferg. 3990.
13) Vervullen, figunrl^k. || Eest dat den mensche
oetmoet van binnen beveet , Rnnsb. 1 , 250. Dat
selve bevoelen dat al onse inwindecheit beveet ende
doregeet, 117. Swaemisse beveet den sin, Parth.
8166. — Vandaar bevaen sijn in iet, met iets
vervuld, bezig zijn, zich op iet* toeleggen, in iets
opgaan. || 6hi dinct mi sijn bevaen in harde goeden
dinghen, Rein. 1, 2730. Of hem evele sonde
^hescien eer hi danen mochte gaen, dat hi int
boochste waer bevaen, Parth. 563. — Vooral ge-
bmikt met eene bep. met in, met of van ter
aanduiding
a) Van eene gemoedsaandoening of een gemoeds-
toestand. — Met minnen bevaen, met liefde ver-
vuld, verliefd, Limb. III, 612; Troyen 3102, Rosé
fr. 254, 66; Belg. Mus. 10, 96,221;PtfrM. 8183;
Seatr. 106. — Ook met een bezitt.vnw. by mi n n e. ||
Of si yet mit s^nre minnen is bevaen. Vrouw,
e. M. IV, 36. Ie ben int harte soe bevaen met
uwer minnen, ende ontdaen, dat ie ghemsten niet
en mach, Belg. Mtts. 4, 222, 13. (Si) wart be-
vaen met siere minne, Rijmb. 3581. (David) wart
met haerre minnen bevaen, 10271. Zoo ook Sp. 1*,
1 0 , 34. — Aldns leze men ook Rijmb. 2366. Zie be-
neden Aanm. 1). — Met vare bevaen, van
srrees vervuld, bevreesd. Franc. 9326; Toree 1776.
. Met wondre bevaen, van verwondering ver-
vtsld, verwonderd, L. v. J. c. 66. — Met droef-
lieit (-heden) bevaen, bedroefd, fVrake lil,
2095; Limb. III 878; Lsp. IV, 9, 32; Segh. 6532.
Het rouwen bevaen, Rijmb. 29817; Limb.
II, 1408; JVal. 3772, 3830, 3979; Ferg. 1546;
Hild. 58, 147; Maleg. 1071; Vergi 1013. — Met
sere, serichede bevaen, Limb. III, 2226;
Maleg. 1072 ; Rijmb. 1224 (Wie so in der zerechede
ende in den (/. zerichede vanden) souden es bevaen ,
met droefheid over zijne zonden vervuld. — M e t (i n)
gepense bevaen,»» gepeins verzonken, vervuld
van de gedachte over iets. Wal. 7743; IsancWL,
16121. — Met (in) vronden, bliscap b., Lsp.Yl,
9, 19; Esm. 809; A?m. 1 , 898. — I n scamen b.,
met schaamte vervuld, beschaamd, Rijmb. 29818.
— Met (in) nide, nidecheden b. , Rijmb.
24085, 27912. — In toren b., Rijmb. 29525.—
Met (in) dogheden, souden b., vol goede
hoedanigheden; in ondeugd verzonken, Letl. N. W.
5*, 20; Theoph. 484; L. o. H. 1698. — In node
(noden) b. , in grooten nood , Lsp. III , 21 , 32 ;
Rein. I, 517; Rincl. 259; Rijmb. 9667; Hugev.B.
26. — Met (in) sorghe (8orghen)b., Rein.1,
516; Cass. 247; Sp. IV , 32, 8. — In anxt b..
Rein. II, 5786, 7418. — In gheclach b., rouw
bedrijvende, misbaar makende, Amand II, 4022.
— In twivele b., Wap. Mart I, 44. — Met
sinne, in den wille b. vervttld met het voor-
nemen; heizelfde üs indien begrepen, S^.Il*,
44, 39; Parth. 3514. — Met ledichede b., in
ledigheid verzonken , Amand II , 4289. — Met rade
b. worden, het besluit nemen. || Athanasius . . .
wert saén met goeden rade bevaen , dat hi Trumeu-
tins bisscop maect, Sp. II*, 51, 83. — In slape
bevaen worden, in slaap vallen. Wal. 5154;
Franc. 9546 ; in slapebevaensyn, ti» slaap zijn ,
VI. Rijmk. 7338.— Hiertoe behoort ook S^. III*,
43, 27: Ie en hebbe niet verstaen, dat hi met
wive ie wort bevaen, wanthistaerfal sonder kint,
dat hij ooit aan eene vrouw heeft gedacht, zich ooit
met eene vrouw heeft afgegeven. — b) Van een
lichamelijken toestand, vooral van een onaangenameu.
— Met siecten, siecheden bevaen, met
ziekte behept, door eene ziekte bezocht, Hild. 178,
311; Nat. BI. lil, 46; Playerw. 86. — Met
lancevel bevaen. || Die met lancevel es bevaen,
die de pleuris heeft. Nat. BI. Vm, 408. — Met
hongere, honger he^^^kevL, grooten honger heb-
bende, zeer hongerig, Rijmb. 34199; Segh. 6381;
Rein. II, 4880. — Met vetheideu bevaen,
zeer vet. Nat. BI. III, 3612. — Hiertoe behoort
ook Natuurk. 1229: Die tijt es bevaen metcoude;
is zeer koud; en 1237: Die winter, die met rechte
sonde sijn bevaen met groter conde.
14) Ook absoluut wordt het deelw. bevaen
gebruikt van verschillende gemoedsaandoeningen.
— a) Gestemd, in het alg. || Dat si quamen sonder
beyden: haer here waer silso bevaen, dat hise
sonde gheme ontfaen te sire vrienscap, Melib.
3471 (hetzelfde als begrepen inden wille; zie
begripen). — b) Bevreesd, bezorgd, beangst. \\k\B
si dat hoorden . . . , worden si bevende ende bevaen,
ende vielen op taenscijn neder saen, Rijmb. 15862. Die
keiserinne qnam of ghegaen binnen int herte sere
bevaen ende besorghet om haer amys, Parth.
5593. Noit en was volc so bevanghen , Segh. 10420.
— c) In liefde ontstoken, verliefd. WTiheev^i dat
hise {Judith) heeft versien , ward sQn herte bevaen
mettien ende soe neech hem openbare , J2i;fnd. 17581.
— d) Verblind (vgl. ons bnw. onbevangen). \\ Die
eens kersten was gedaen , maer daerna also be-
vaen ende daartoe also verwonnen, dat hi alse
gode ere dede der sonnen, Sp. II*, 7, 19.
15) Als rechtsterm. Hooft (boot) bevaen,
gaan naar de juridieke moederstad, om aldaar een
vonnis (ook hooftvonnisse genoemd) te halen.
4175
BEVA.
BEVA.
H76
Vgl. onze aitdr. iemand in den arm nemen voor hem om
rwad vragen^ en bij beleiden 8) en beleit 8). ||
Voert 80 en mogen onse Toirscrevene scepenen {van
^ê-Hertogenboêch) geen vonnisse langer onderhouden
dan drie genechten, si en moetent wisen ocht haer
hoet beyaen , Brab, T. dl. 1 , bl. 808 b ; vgl. ald. :
Soe moeten si hair vonnisse halen te haren hode.
Aanm. 1) — Rijmb. 2366: „Jacop wart betast
met vare , " verandere men betati in bevaen of men
leze met C: bestaen. Betast is ingeslopen ten ge-
volge van het ww. tasten van den vorigen regel.
Aanm. 2)—Belg.MusA, 264,22: „Datdairniemen
bleef, hen (/. hi en^ ware nochtan met zonden
bestaen ende bevaen , aaeromme treckeden si achter-
waen/* leze men: bestaen ende beswaert,^7»a/lf
rijmwoord achterwaert.— 7Voy«»/. 166c: „Sy en
waren niet alsoe ghedaen , alsof sy bruloft hadden
bevaen^ want haer helme goet ende dnere, waren
gesleghen in qaartiere /' zal men wel moeten lezen :
alsof sy bruloft hadden begaen, d. i. gevierd.
Zie BEGAEN, kol. 690. ^
BEYAERT. Hetzelfde als beeaert. Zie bede-
VAERT. II Als een die bevaert reysen wil , I'Vmc. jlf.
ƒ. 51 r. Zoo ook V. d. Wall 367, e. e.
BEVALLEN, st. ww. onz., onpers. en bedr.
(impf. beviel en bevel). Mnd. bevallen; mhd. bevallen.
Onz. — 1) Vallen y met het bijdenkbeeld dat
men belet wordt zich weder op te richten , bedolven
liggen of raken onder, geheel en al vastzitten in
iets, Vgl. beliggen, d. i. blijven liggen en be-
staen, d. i. blijven staan. — a) Eigenlijk. || (Hi)
liet hem ligghen onder den last, also als hi daer
onder bevallen was, Hs. %1 f. 91a. Een bode. . .,
die . . . onder een hout of huis of muir of des-
gelycs beviel , Matth. 210. Die daer bevallet onder
tnet , dat hem die bose heeft ghespreit, Hild. 237, 100.
b) Figuurl^k , hetzelfde als sneven (zie ald.). ||
Oec sijn hier ander zielen , die in souden bevielen.
Brand. {H) 6ö0.
2) Te bed gaan liggen , met het vooruitzicht het
niet spoedig te verlaten. Van zieken en zwangere
vrouwen. || In corter tyt hier na wort dese jonge
grave sieck van den buucevel ende bevel binnen
Haerlem (werd te H. bedlegerig) , daer hi starf
sonder kinder, Clerc 149. Int jaer . . 1276 . . so
beviel ende baerde die gravinne van Hennenberch
365 kinderen, Exc. Cron. 118a. — Onze uitdr.
van een kind bevallen is dus eene elliptische uit-
drukking voor mnl. bevallen ende van enen
kinde genese n, d. i. te bed gaan liggen en van
een kind verlost worden. Vgl. Grimm, Wtb. 1 , 1248.
3) Vallen , bezwijken , den moed verliezen , te kort
schieten. || In minen anxte ende in mijnre noet,
dat ie om hem {daardoor) niet en bevalle, Stemmen 135.
4) Als rechtsterm. Te kort schieten in zijn bewijs,
in het ongelijk gesteld worden.Ygl. lat. causa cadere. \\
Bevalt hy ende missprect of misdoet hy an dier
vierscharen, dats te beteren, na den eisch des wairlics
rechts, Matth. 103. Zo wat poorter off poortesse be-
treet de vonnesse van scepenen bij reformacien off
appellacien , ende hij bevalt , die verbuert X c^ jegen
den heer ende X öC jegen der stede , Wiel. Instr. 81 ,
69. Dat hy noch ter tijt niet bevallen en is , want hy
dach heeft, Dingt. v. Delft 40. — Somtjjds ook min
juist in het passief bevallen worden. || Dit
sal die ghene ghelden diere in bevallen wort.
Mieris 2, 160A. — Met eene bep. met v an. || Welck
daer of bevalt, die dienaangaande in het ongelijk
gesteld wordt, die heeft verbeurt X pont Hollants,
Mieris 2, 30^. Es oeck dat sake, dat die clager
enygen dach versittet, . . soe bevallet hij altemael
van sgnre saken, zoo verliest hij zijne zaak, Jt en
0, V. Delft 247, 13. So wie van hem daer if
beviele , alse recht es sal men (d. i. menne) be-
richte (/. berichten), V. d. WaU 117. Die dier of
bevallet, zyn lyff ende zyn goed is in sHeera
genaden, Priv. v. Brielle2, 17. — Wie dtir aiet
voir zweren en wil, die is bevallen van (/. in?)
den bueten voirscr. , die wordt veroordeeld tot it
boeten, Leid. Keurb. 533, 45. Van der meeltere
{nl. boete), daer hi of bevallet te wette. Gout. r.
Brugge 1, 292. Ist dat hoer enich bevellet (tf. i. be-
vallet) in jaerboten of in scout, D. Orde 309.
— Met eene bep. met in. — In eenre sike
(dinc) bevallen, in eene zaak veroordeeld, i»
het ongelijk gesteld worden ^ aan een wutdrijf
schuldig worden bevonden. || Bevallet hi inderuke,
so zQn die X ^C verloren, O. K. v. Bott. 19, 35.
Wie niet voort en quame opten eersten diJlgh^
dach, ... die bevallet in die zake, hi en macbt
mit sinne {d. i. nootsin) keren , 22 , 44. Wie ma
den steenwairder levert, die zei hi weder leverei
off in der zake bevallen {veroordeeld worden eb
schuldig aan het misdrijf), dair hi voir gheheflloff
ghetoofl waer, 25, 55. So wat poorter den andercB
poorter anspreect van dieften , moert . . off des
gelijcs, bevalt hi dair in, dats op een boete Taa
XX « nollans , K. v. Brielle 12 , 14 (aoo nog
tweemalen ald.). Omdat hi enen weerdach begheerde
jeghens pandinghe ende dair in bevel. Bek. d. Gr.
1, 279. (Als) hy daer in beviel, soo sonde hjTaa
dien daege vol schot mitten buren gelden ende te
boete gelden thien pondt. Mierik 2 , 33«. Scepenca,
die daer (/. daerin) bevallen, die sullen da
anderen haren lachter beteren eicx X pont . .;die
bevallen in der dinc , die sal die ghesworen geldea
haren cost, Oorkb. 2, 339, 89. Dirc Hambordi,
omdat him goet ontverret wart , daer hi an panden
sonde, ende daer in bevel, Bek. d. Gr. 1, 325.
Zoo ook Leid. Keurb. 2, 6. — In ene borcb-
tochte bevallen, verpUeht zijn de borgtocht U
storten. \\ Daer of gheve ie mi sculdich ende
verlie, dat ie in die bortochte bevallen ben, Ow^-
2, 462fl. — In ene keure bevallen, *cAii%
bevonden worden aan vergrijp tegen eene kewr. ||
Wat ambacht in dien keure bevullet, datverbnert
vyff schillinge, Oorkb. 2, 219* {Oorkb. v. Geld,
1038 ter). — In den rechte bevallen, m
zijne actie in het ongelijkgesteld worden. || Om dat hi
in sinen rechte bevel , Rek. d.Gr.l, 325. Ende bcnlt
die uutlems man in den rechte , die ander sal syn cost
. . op hem winnen met rechte , Matth. Jnai. 1 , 264.—
In den onrecht bevallen, schuldig bevonde»
worden; geoordeeld worden het onrecht, het ongeluk
aan zijne zijde te hebben ; w» het ongeluk gatfld
worden. || Soe wie in den onrecht der saken bevid,
dat die den cost gulde bi den gezwoeren scheits-
luden, Nijh. 3, 35. Wie in den onrecht bevallet,
die zei gheven dit uutgheleide ghelt , O. K. v. Sctt.
25, 54. Die in den onrecht bevalt, Terbeurt 18 se,
Leid. Keurb. 3 , 7. Zie ook Wiel. Instr. Gloss.
— In lantughe bevallen, in eenre oir-
conde bevallen, in gebreke blijven in het in-
brengen van de vereisehte getuigen. \\ Omdat si
bevel in lantughe , Rek. d. Or. l, 325. Wie tu
lyfschulde in eenre oitconde bevalt , verbuert II se-
den gheselscap, O. K. v. Delft 1, 4, 11. —I"
ede bevallen, te vergeefs een eed doen, doer
den eed niet gezuiverd worden , eig. te kort seÜete»
in het doen van den eed, nl. door dat die eed ni^
in den bepaalden vorm wordt uilgesproken. VgLl<t>
cadere formula. || Ist dat die gene, dien gewysl
1177
BEVA.
BEVA.
1178
is . . eedt te doen , anders na seit dan die rechter
Yoirseit . . ., bj beyalt in den eedt, op dat hy
dair of geyangen wort gapens monts , als hij daarvan
overtuigd wordt terwijl hij den eed doet ^lA^dXih.,lQi\.
Is dat sake, dat een poirter yan erye zweren sal,
die en mach inden eersten ede , noch inden anderen
beyallen, mar is dat bi derdewerye die maniere
yan zweren niet en bont ende bj qnaliken zweert,
80 yallet bi yan zynre zake, cadit causa, Meyl. ,
Deljl. 61 , 16 {K. en O. r. Delft 247 , 15)1
5) Gebeuren, gevallen. || Yoor dien dat dese
saken beyielen, Heela 8935. — Ook in de nitdr.
te dele beyallen, ten deel vallen. || Datti te
dele beyallen es, bonde dat, D. Cat. 255.
6) Uitvallen, ajloopen. Met den 3den ny. y. d.
pers. Voor iemand ajhopen. || Si yoeren wecbende
haer yaert beyiel bem wel te Babylonien waert.
Flor. 696.
7^ Sen inval doen, vallen. || Die yan Lndeke
beyielen met gheroere tnsscen die Mase entie Boere,
Braè. T. VI, 10507.
8) In de tegw. bet. Bevallen, behagen. || Of si
(Maria) ons wtde beyelt; war ane sal si ons wale
beyallen? Dat sal se dnn an al baren leyene, so
salse ons met regte wale beyallen, Limb. Serm.
SOb. Gesellen die bem int berte best beyellen , S^.
I*, 64, 60. Zoo ook /^. II1«, 22, 6; Bijmb.
18103 (op beide plaatsen impf. bevel); Tien Fl.
2196; met hebben yeryoegd, Brab. T. VII, 4022.
Onpers. — 1) Met den 3den ny. y. d. pers.
Te beurt vallen, gevallen, gebeuren. \\ SenteLnpus,
dien met sente Germane in Bertaengen beyiel te
gane, Sp. ni*, 46, 1.
2) Geschapen staan. \\ Die coninc swoer haer yrede
ende seide: „Verwec mi Samnel." TwQf dede als
daer toe beyel, zooals het er toe stond, waartoe zij
gedwongen werd, Rijmb. 9674.
Bedr. — 1)' Qp iemand vallen. \\ Ocb gbi ber-
fen , . ., dat gbij ons arme . . . katiye niet en
eyalt, Con. Som. 68a. God beladet mg soe mit
zynder barmberticbeyt ende weldaden ende beslnt
ende beyallet {overlaadt^ mi soe daarmede, datick
anders gbene borden yoelen en mach, Bem,S.^Xb.
2) Aanvallen, aantasten. — a) Eigenlijk. || (Si)
beyielen bertoge Kaerle yreesliken, die daer den
strijd yerloes, Exe. Oron. 231c. (Die) al te gadere
met heercrachte onse yors. bnys beyielen endebe-
lagben, Brab. T. Dl. 2, bl. 671 d. (Hi) beeft die
(stad) belegben met allen ende al omme ende omme
beyallen, Brab. T. VII, 887. Dat si des anders
daegbs . . . nnt comen sonden al met allen, om
die heeren te beyallen, 1092. Hoe si des ander-
daegs die beeren beyielen ende boe si meest yer-
slegben bleyen , 1096 Titel. Opdat zi beyallen waren,
datse die bertoghe ende tlant ontsetten sonden
altebant, 8774. — b) Figuurlgk. || Liede . ., die
beyallen waren metten rede (koorts), Fr. Heim. 1410.
Hi (God) es so guet, datten engeen baet beyallen
en macb , Limb. Serm. BSd.
3) Overvallen. — a) Met een pers. als ondw.
Overvallen, betrappen, vinden. \\ Als . . . sine dan
onder ben allen binnen Brabant mochten beyallen,
Mrab. T. VI, 9994. — b) Met eene zaak als ondw.
Overvallen, verrassen. \\ So wanneer die t|jt des
doeds bem beyelt, dat hg dan bereet si , Ngb. 1 , 339.
BEVALLIJC (bevellic) , -ike , bnw. — 1) Be-
vallig, welgevallig. \\ Mit beyelliken aensicbte,
Brngm. 2, 350.
2) Enen — , aan iemand welgevallig, behaaglijk.
\\ Dasse {Maria) Gode beyellike was dor bare
iLUScbeit, lAmb, Serm. 107 d.
BEVALLIJCHEIT , -hede , znw. yr. Geschiktheid,
vatbaarheid. Vgl. beqname, yan mnl. becomen
(ons bevallen). Hetzelfde als mnl. beqname-
Igcheid (z. ald.). Teutbon. 22: beqweem, be-
begelick, beyellick. || Aldns maectmen ene
bereetscap ende ene beyallgcbeit, een inwendich
begheerlic leyen ton(t)fane, Runsb. 6, 59.
BEVANGEN. Zie bevaen.
BEVANG (in den yerb. ny. beyange), znw. o.
Mnd. bevank. Vgl. berijt.
1) Van bevaen, in den zin yan eene ruimte om-
vatten. Omvang. \\ Snlcke crijgbers hebben grootelic
tbesmitten yan der ledicbeyt in swerels beyanc,
op de wereld. Vgl. binnen swerels eryen, ZVl.
Bijdr. 6 , 334 ; in swerels bergt, ald. ; binnen swerels
gestelle, 336; binnen sbemels beyreden, ald. —
Zie ook beneden, de Aanm.
2) In den engen zin yan gebied, rechtsgebied,
district ^hetzelfde als bet meer gebraikelgke
biyanc (zie ald.). || Dat die yan Liere . . . met
baren beyangbe ende bedriyen (/. bedriye) ben
yolgben souden, Brah. T. VII , 15052. Hier binnen
Tbillegbemscbe beyanc, ZVL Bijdr. 6, 236, 290.
— Ook in den zin yan iemands byzonder eigendom ,
grondgebied. Zie Bi V ANC 1). || Van sberen Clais
kinder beyant (/. beyanc) ontfaen . . yan desen jare
20 SC, Bei. V. Zeel. 1, 100. Die selye smoers
beyant (l. beyanc) 7 m(ete), ald. 104.
3) Macht, heerschappij (abstr.). || Mach by
gberaken in mgn beyanc, ZFl. Bijdr. 6, 320,200.
4) Gemoedsstemming (ygl. bevaen 14a). || (Si)
begonsten met bogben sangbe die messe ende met
bliden beyangbe, so dat men die sequentie zanc,
^. IV*, 47, 27 (bet lat. beeft slechts: „mwia
festivis clamoribus est acta).
5) In de uitdr. Sonder h^'^i.'Sit, zonder achter-
houdendheid, zonder iets te verzwijgen, openhartig.
Vgl. ons bnw. onbevangen. \\ Danne mach elc spreken
sonder beyanc ende seggben, dat hi wille, Belg.
Mus. 1, 47. Fransoyse teldijt, den belegen man,
altegader sonder beyanc. Franc. 1166. Laet minlic
hertzen sijn bi eyn sonder loos beyanc, OFl.Lied.
e. Ged. 206, 15.
Aanm. — Sp. I», 13, 25: „Twater wies ende bet
yerdranc al dat die werelt badde beyanc ," kan b e-
yanc geen znw. zijn. Men leze: „bet yerdranc al
dat was in swerelts beyanc", óf (en ditzal wel
de waarheid z||n) men yatte beyanc op als een
adyerbialen accusatief met de beteekenis yan in
sgn beyanc; al dat de wereld bevatte, watopde
wereld was. Vgl. ommeganc, dat ook adverbiaal
gebruikt wordt Zie onder 1, en bevaen 8).
BEVANKELIJC, bnw. Falbaar. || Die alte be-
vanckelijc biste van dronckenscap , Z>. B. Ezech,
23, 33.
BEVANKELIJCHEIT, znw. vr. Waarneembaar-
heid met de zinnen. || Egbeyne vorme en is in
Gode noch egbeyne bevanclgcbeit , maer bets een
syn ende een gbedachte, Faderb. %c.
* BEVANT, Bek. v. Zeel. 1, 100 en 104. Ver-
keerde lezing voor bevang; z. ald.
BEVAREN, st. ww. onz. en bedr. Mnd. *<?wr«i.
Synom. van belopen (z. ald.).
I Onz. — Belanden, bleven, alleen in vragende
zinnen (ook afbankeiyke vragen). || Dat man no wgf
no kynt van Madelgise ne wisten twint waer dat bi
was bevaren , Maleg. 1003. Men ne hoerde yan hem
ne gbeene niemare , waer hg bevoer no bequam , Fl,
Rijmk. 1778. Waer die edel prince bevoer, 5280.
Men wiste noyt waer by bevoer, Oron. v, Flaend,
1, 164. Waer dat de keyser bevaren was, 122,
4479
BEVA.
6eVA.
4180
Waer bevoer hy? In taveerne drincken, Ned.
Klucht^, 88, 290. — Ook met tgt als ondw. ||
Waer es den tp bevaren! OFl. Lied. 494.
II Bedr. — Door varen (d. i. al gaande) be-
reiken. Vgl. BELOPEN.
1) Binnen zijn bereik krijgen^ in handen krijgen ^
vangen^ vatten. \\ Int hof ((/^^A^^ana^ al daer men
Jhesnse bevoer, Bijmb. 26162. Magicker enen opt
lant bevaren , hi was ter quader tijt geboren , Lanc.
II , 4528Ö (vgl. 40173). Waer dat hi kerstene bevare,
dat hise doe ontliven, Sp. II \ 39, 4. Dat gine
slaet of gine bevaert, Parth, fr. 93. (Hi) sloech
doot die metsenaren, daer hiere een mochte be-
varen , Bijmb. 30636. Waer dat hise can betrapen . .
ochte bevaren, Grimb. 1 , 2429. Zoo ook Troyen 1268
var.; Velth. I, 51, 41. — Ook met eene zaak als
voorwerp. || Al te haelne wat dat si bevaren conden,
Velth. IV , 61 , 22. Men moetse (de visschen) vaen . .
int ondiepe ende so bevaren , Nat. BI. V, 248. Tote
diesmaels dat gi selt bevaren {erlangen ^verkrijgen)
ander goet (nl. huwelijksgenot)^ Bose 2798. Haer goed,
80 waert gheleghen ware ende hp bevaren conde
binnen onsen lande of daer buten, V. d. Wall
206 (a. 1346). — Ook gebruikt van een geregeld
gevecht. |) Wat hi binnen slage bevart , sloechi ave
met gewout, Lorr. II, 4315. Dien hi te stride
bevaren mochte, Trogen 4835. Wien dat hy in
den wych bevaert , deed hy haest syn einde doen ,
Troyen f. Ibd. Men hadde u heden in onsen
baren {verschansingen) belopen connen noch bevaren.
Cast. 1201. Zoo ook Velth. IV, 53, 40; Limb.
VII, 1183.
2) Aantreffen ., ontmoeten^ vinden. \\ £n ware dat
hise bevoere , hi soutse soeken sonder ende , Tlor.
1605. Soe waer dat sy priesteren jof clerken
bevaren met wapenen, Oorkb. 2, 243a. — Vooral
met het bijdenkbeeld van het onverwachte. Over-
vallen, betrappen. \\ Ënte knape wert bevaen van
dien van Naerden, Stoke V, 80. Hierna saen so
wert bevaren Sente Gereon met siere scaren ende
ontlivet, Sp. II*, 1, 109. Waer mense bevaren
can nu of namaels . . inder stat van Utrecht,
B. V. ütr. 1 , 54. Dat hise bevart met haren amise,
Bose bl. 252 , 260 (vgl. 257 , 280). -^oo ook Lanc.
II, 44011; Wal. 4014.— Ook met eene zaak als
ondw. II Dattie dach, die vreselike, u niet bevare
in den onvrede ghelijc dattie lovie wilen dede
die quade liede in Noes tiden, Bijmb. 25652. De
bevaren worden datse doen peccatum . .sodomiticum,
Stadb. V. Qron. VIII, 15.
3) Aanvallen, aantasten. \\ Om dat hi hem wonde
bevaren, Edew. 630. Die gene dire comen waren
ende heren Waleweine hadden bevaren, Lanc. II,
44085. — Ook in het pass. met eene aandoening als
ondw. II Maria die wert mit anxte bevaren. Hor.
Belg. 10, 30. — Ook wordt het verl. deelw. be-
varen absoluut gebruikt in den zin y&u ontsteld ,
ontroerd, beangst, van streek. Vgl. BEVAEN, 14).
II Die broeders werden bevaren ende benauwet . . .
omme der woerden willen, ^i^^. 85a. So stout sijn
vrient langhe seer bewaren (/. bevaren) , 70c. Hier
omme word ie bevaren ende verwonderde mi, 167^. Hi
wert meer dan men gheloven mach vervaert ende
bevaren , 76 ft. Die grave wert bevaren ende twijflfelde
. . wye dattet ware, 79c. Hier omme waert die
man bevaren , 12Sc. Als Herodes die coninck hoerde
datter een coninck der Joden was , so wert hy zeer
bevaren, want hy hadde anxt, dat hy uten rycke
soude werden verdreven, Bern. W. %id.
BEVAREN, zw. ww. bedr. Van vare, vrees.
Bevreesd maken, vrees aanjagen. Mnd. en mhd. be-
vdren. \\ Laet u herte niet bevaren noch bedroTeo,
Ks. 113, I99ft.
BEVAREN, deelw. bnw. van b e v a r e n (Ie Art 1}.
Ervaren, bekwaam. || Doctoren die in den weghen
Gods bevaren zyn , Fase. M. f. Ir. — Over b e? aren
in de beteekenis ontsteld, zie by het ww. 3).
BEVARENHEIT, znw. vr. Ervaring. \\ Door
lange bevarentheit alty t subtyl der woorden , fase
M. f. \v.
BEVASTEN, zw. ww. bedr. Vast maken, he-
vestigen {?). || Ay hadde ghenoechte dan redene doet,
si soudse wel cleine bevasten, Hadew. 1,96, 60.
BE VATEN, zw. ww. bedr. Ndl. bevatten; mhd.
bevazzen. — 1) Beet pakken , aangrijpen , innen. l| De
zoethuenighe baeten, die zy bevaeten met ghierighen
apetyte, D. War. 1, 410, 87.
2) Beperken, doen ophouden, t4)t bedt^en brengen.
II Ghelijc als den reyn den wynt bevaet, Zr/. Bijér.
5, 322, 252 (bevaet zal hier wel van bevaten
zijn en niet van bevaen; men vgl. het fr. spreebr.:
„Grande pluie ada^ grand vent,** en Lubben 1,306:
upp tho schortende ende tho bevaiende.
3) Omvatten, omvangen. \\J)tl (regenboog) hi&iwa
stout dattn al die lucht bevaets ende minen wechende
alle ander sterren loep wilst^ hinderen, Dial. OreaL U.
BEVECHTEN (bevichten), zw. ww. bedr.
Bevechten, aan^vallen. || Scarpe clueten ofte andere
gelijcke wapenen , omme yemande mede te bevichteo.
K. en O. V. Belft 61, 1.
BEVEDEN, zw. ww. bedr. Mnd. bevedigen\\L
befehden. Beoorlogen, vijandelijk behandelen. \\ Off
de graesscap mit veden belast ofif bedrongen worde
. . ende wurde de graesscap soe nyet beveedt noch
belastet, Nijh. 5, 95. — Vgl. beveet.
BEVEEL , znw. o. Mnd. bevele. Vgl. ons hevel.
Macht, heerschappij. \\ Amptluden ende dienrere
(/. dienres) van ennigen beveel (met allerlei be-
voegdheden; vgl. kol. 1182: vaa bèvolenen am-
bachte), Nijh. 4, 362. Sinte Loj hadde oec sorghe
ende beveel van veel ander bisdommen, Pass. W.
187a. Want zij geen macht of beveel en hebben np
malcanderen. Wiel. Instr. 114.
2) Bevel. \\ Doe broeder Henrie dat beveel hadde,
Bienb. 129a.
BEVEELDER. Zie bevelen 1).
BEVEELNISSE (bevelenisse), znw. vr. (en o. ?).
Mnd. bevelnisse; mhd. bev'èlhnüste. — 1) Abstract
Bevel, lust. \\ Doeicbeveelnissevan den princeontfiac,
die kersten in Damasco te vervolghen , Hs. Epist. 68i
Ghi leest dat Abraham bi bevelenessen sinensoie
nam ende wilde offerande hebben ghedaen, JmW
II, 2197. Dit was bi bevelenessen van Amande,
1 , 2957. So sal ie bi dynre bevelenisse gaen in
Sinte P. veghevier, JVifÉ?. Prosa 97. Die beveelnesse,
die wi Looper bevolen hadden, Mieris 2, 2o3i.
Bi beveelnesse van onsen lieven Here den Herto^e,
3, 389a. Om beden, beveünisse ende will ooss
lieven geminden heren, Nijh. 2, 215. Dat hv mit
wille . . ende van sonderlingen geheiten ejide
bewelenisse (/. bevelenisse) sijns joncker vors. die
borcht van Millen . . halden . . sal , Brab. T. BL %
bl. 633. Sonder enich ghebot jof beveelnesse mt
ons of van onsen nacomelinghen, V. d. Wall 1^
Zoo ook Invent. v. Brugge 1, 384.
2) Concreet. Hetgeen iemand toevertromted «f,
pand. II Ie bins seker, dat hys machüch is te oit-
houden in dien daghe toe die bevelenisse. die hi
mi betrouwet heeft, Hs. 76,/. 88c (II Ife». 1, 12)-
Bewaer die guede bevelenisse, die di bevolei u
overmits den heilighen gheest, ald. d (vs. 14).
BEVEELRE. Zie bevelen 1).
4181
fiEVË.
ËEVE.
118Ö
BEVEET (beveedt), bnw. Heteelfde als het
meer gewone g e v e e (e. ald.). In vijandtchap^ in veete
(mul. Yeede). ||Dat Tsbrand voorsz. beveet ware
teghen yemant , die hem te machtich ware , Mieris
2, 236a (er staat verkeerdelyk ben e et gedrukt).
BEVEINOTEN. Zie bevennoten.
BEVEINSINGE, znw. vr. Veinzerij. \\ Waer-
achtel[jck sonder beveynsinghe. Ygl. Oudem. 1 , 661.
BEYEINST, bnw. Geveinsd, vaUch, \\ Mit een
bcYeynst aensicht, Oett. R. f. l%ld. Kriekenput
dat is een beyeynst {gefingeerde) name , Froza-Bein.
35r (ygl. Rein. 1,2615: een gheveinsde name).
Met enen beveynsden toomichliken sin, ald. —
Byw. beveinsdelike. || Beveinsdelic te sweren ,
Hs. 122p.
BEVEINSTHEIT, znw. yr. OeveintdAeid , vaUcA-
Aeid. II Bekennen in rechter meyningen sonder
beveynstheit, dat waerachtelic zyn schuit te zyn,
Fase. M. f 29r. Ende bekennen nu warachtelic
sonder beyeinstheit, f, 47r. Wt een rechte meyninge
zonder beyeynstheit , ald. 42r. Dat si souden wor-
den bedrogen om mijnre beyeinstheit, D. B. II
Maccab. 6 , 25.
BEVEL. Zie bevelhebber.
BEVELEN, st. ww. bedr. Mnd. bevelen , bevalen ;
mhd. bevëlAen; ygl. got. filhan. De eig. beteekenis
was wegbergen y verbergen \ ygl. ons niet tunnen
velen, d. i. verbergen, verkroppen. Daaruit ontwik-
kelde zich de bepaalde opyatting yan
l) In iemandt gemoed wegleggen; iem. aanmanen',
hem op het gemoed , het hart drukken ; er bij hem
op aandringen', hetzelfde als ons aanbevelen; ons
bevelen was in H mnl. h e e t e n. || Vrauwe Haersenden
sinen wiye beyal hi bi haren liye dat soe stonde
bi Relnaerde, Rein. 1, 1975. (Hi) beyal hem
als ende als dat hi die lettren niet ne soude besien ,
3286. Dien (boom) beyaeldi (Adame) dat hi liete,
Amand I, 328. Die omoedelike . . . Fransoyse
zine onsculde beyal , Franciscm bad zijne onschuld
ter harte te nemen, voor hem tê pleiten. Franc. ^2,^%.
Si beyalen Gode t« sine stierman, Sp. I', 6, 18
(zij gaven zich aan Gods genade over). Aldaer hem
Onse Here beyel {d. i. beyal), dat hi sine scaep soude
voeden , Rdjmb. 27022. Hi beval (hij verzocht dringenc^
den here, dat hijt (het vingerlijn) dragen an sine
vinger alle dage, Torec 3263. Hi hadde dorst
ende die vrouwe beval dat hi den nap uutdronke
al, Idmc. II, 15161. Zoo ook Sp. LEI*, 13, 85.—
Deze beteekenis nadert aan die van ons bevelen, d. i.
gelasten, welke reeds in H mnl. wordt gevonden;
zie b. v. Rein. I, 439; Sp. II*, 35, 80; MLoep
IV, 20; e. e. — Ook komt bevelen ende
heten verbonden voor. || Men bevalt (het kind)
te sogene ende hiet ere heidenre voestre , Flor. 256.
Wi sullen hare bevelen ende heten bi haren live,
datsoe liegende blive stille, 458. Met haesten hiet
hi ende beval Lucium , dat hi den vrede van sinen
halven vaste dede , Farth. 7789. Het en ware dat . .
mgn vriende . . mi anders bieten ende bevalen,
£rab. r. VII, 10940. — Elliptisch bet. bevelen
(nl. te sine) ook iemand gelasten ergens te zijnen
ie blijven , hem zijne plaats aanwijzen. Vgl. mnl.
gebieden (nl. te levene). ||In den selven Gods-
hnys daer hem Sinte Monulphus gheleyt hadde ende
bevolen, Serv. II, 788. Dat onse here te sinen
oordele metten salighen ons bevele, Lsp. IV,
FroL 28. — Ook van het doen leggen in eene
gevangenis. \\ Zo wat persoone die eenen anderen
doet bevelen in vanghenessen , Invent. v. Brugge 6 ,
640. Eene persoone ten steene bevolen , 2 , 332. In
TaDghenis8e bevolen, Cout. v. Brugge 1, 76. Be-
volen wettelike in den steen, wettelijk gevangen
gezet , Cout. v. Brugge 1 , 315. Datten niemen ver-
swaren mach noch bevelen (nl. in de gevangenis)
van enigher scult, hi ne hebbe te voren ghenoech
ghedaen diene eerst beveelt, ald. Een Willem, . .
ligghende hier in vanghenesse bevolen jeghen
Sanders vriend 1, 572 (vgl. ons aanbevelen in
gijzeling). — De persoon die last geeft tot de arres-
tatie heet beveelre (bevoelde r), Cout. v.
Brugge 1, 76.
2) Opdragen, toevertrouwen, iemand de zorg voor
iemand of iets aanbevelen , hem aan iemand recomman-
deer en. II Mire moeder bevelic di , L. o. H. 3599 (vgl.
1^. I', 30, 19). Wye den wolf sijn schapen be-
veelt , Hild. 251 , 15. Dat hijt (het klooster) beval up
Baven, Amand II, 365. Hi bevalse (de ziel) sinte
Michiele, dat hise moeste bevreden, Wal, 4798.
Wien siit (de ouders het kind) mochten bevelen,
Flor. 250. Ie bevele u die kindre mine, datghire
wale pleghet nu ; vor alle dandre bevelic u minen
sone Eeinaerdine, Rein. 1, 1406.Alse hise (de kinderen)
den lieden beval, Sp. I*, 18, 3. (Si) gebenedide
dien Here, dien si bevolen had (opgedragen had
de beschikking over leven en dood). Christ. 592.
Den scat dien du mi hads bevolen , ^. 1^,49,62.
Syn ors beval hi sinen waert, Torec 2308. Enen
lijf, ere, ende goet bevelen, Doet. II, 1405. Hem waren
bevolen vier legioene, Sp. I*, 68, 41. Die stede.,
die men u op trouwe beval , Lsp. 1 , 44 , 87. Want
him bevolen was die i^ori, MLoep 11,3544. Enen
dat lant bevelen, Rijmb. 18369 , 18989. Den heren die
den campe (/. de(n) camp) bevolen was, het toezicht
over den tweekamp was opgedragen , Ruge v.Bord. 11. —
Zoo ook Rein. II, 5906; JTrake 1, 1232; Sp. I»,
2, 20; 22; enz. — Een bevolen ambacht,
de taak, het ambt, dat aan iemand is opgedragen,
toevertrouwd. \\ Hector die coene ende sgn werde
broeders dienden . . , elc van bevolenen ambachte ,
ieder met een eigene (var. sunderlinghen) hem toe-
betrouwden werkkring , Troyen 3642 var. — Ook in
den zin van een geheim toevertrouwen. || Daerom en sal
hem niemen bevelen dinghen die men wille helen ,
Teest. 2674. Hem ... al hare heimelicheit bevelen ,
Rjose 13849. Enen sinen heymeliken raet bevelen,
Doet. II, 1136. Niet en berecht, dat dy bevolen is,
Hed. Froza 221; zoo ook Hild. 177, 278. — Enen
ene maget bevelen, haar a^n iemand uithuwen.
II Wien men bevelen soude de maget (Maria), Sp.\^ ,
35, 49. Daer wart soe hem (Jozef) bevolen saen,
36 , 14. — Ironiek gebruikt wordt bevelen, Lanc. II,
10444: II Gevalt dat hi afsteect mi, bevelickene so
dat hi blijft gevangen ochte doet, dan recomman-
deer ik hem u , zoodat hij , enz. (men zou verwachten
so bevelicken u, dat hi). — Vooral gebruikelijk in
de uitdr. enen te Gode (Maria, een heilige
enz.) bevelen, hem en zijne belangen aan Ood op-
dragen, en vervolgens iemand vaarwel zeggen, hem
adieu wenschen, bij het heengaan den zegen over
iemand uitspreken. \\ Dus ghingen si uter kemenade
ende bevaelne onsen here , Wal. 2645 (vgl. 4393). Te
Gode bevalen sine hiemaer ende scieden uten clooster,
Grimb. l , 1385. Elc van hen beden beval den anderen
onsen here, Lanc. II, 41656. (Hi) bevalse te Gode
alle, Idmb. III, 771. Gode willicu bevelen, J2»>r.I,
382 (vgl. 11,6610). Zoo ook Mor. 3329; Ferg.49A;
Fad. Mus. 2, 388, 295. — Vandaar de uitdr. Gode
bevolen, die gewoonlijk in den verkorten vorm
Godevolen voorkomt (z. ald.). || Der Walewein
sprac totten garsoen: Gode bevolen, vrient, so
vare, Wal. 9486. Vgl. duvelvolen. — De
onb. wys als znw. gebruikt. Zegenwensch, zegen-
4483
BEVE.
BEVE.
4484
tpreking^ benedictie. \\ ü bevelen dunct mi wesen
berde goei , Fad, Mus. 1 , 376 , 98. — Enen den
yrede (Gods) bevelen, iemand den vrede Oodt
toetoentchen ^ eig. hem er aan opdragen. \\ Heeft
men die werdicbede, tscaep beveelt men den
vrede, Bisp. 350 (hier ironiek gebezigd voor
laat men aan zijn lot over ; vgl. Verwgs , op Stroph,
Oed.^ bl. 167). — Ook wederk. Hem bevelen
in den vrede, zich zehen de zegeningen van
den vrede Qodt toetcentchen, || Ie bevele mi in
den selven vrede , die God onder sine jongheren
dede (pax vobitcum) , Vad. Mus. 2 , 400 , 61. Ygl. het
geheele gedicht Ene bevelinge, a^. 398 — 400,
waarvan men den inhoud verkort terugvindt, iSfiind.
Av. 19. — Men vindt ook iet (enen) den duvel
bevelen, iemand of iets (ook zich) vervloeken^
(opp. zegenen), evenals men naast Godevolen ook
duvelvolen vindt. || Hi bevalse {de lantaarn) den
duvel , diese makede (vgl. onze uitdr. de duivel hale
iemand of iets), Parth. 2162. Alst hem mesginc . . .
beval hi hem selven den viant, Amand II, 4736.
3) Overlaten^ overleveren. || Der philosophien
listen bevele ie den constighen artisten, MLoep I,
69. (Hi) beval die dode dies si waren, hij liet
de begraving der doden aan hunne verwanten over.
Wal. 4423. Dat ie ter vuelheit gewoene m\jn
vleesch en bevele nemmermeere, Sp, II', 43, 60.
Als eene vrouwe doet metti dat hare dinct goet,
80 bestu dan hare al {t. al hare) bevolen , dan zijt
gij aan haar overgeleverd^ Heim. 761.
Aanm. — Hier en daar vertoont het ww. bevelen
(eig. bevehlen)^ nog de oorspronkelijke e (é?), b.v.
hi bevelt, Brab. T. VI, 499; Hild. 261, 16;
ook vindt men impf. bevel voor beval , doch slechts
in het rijm, b. v. Bijmb. 27022; Sp. II*, 36, 80.
BEVELHEBBER, znw. m. Van bevel, het-
zelfde als het mnl. beveel (z. ald.). Bevelhebber y
opzichter. \\ Twie ordinierde bevelhebber oppet
Nylandt ende Oltlandt, Tri. Stadtr. 271, 178.
BEVELINGE, znw. vr. Mnd. bevelinge; mhd.
bevëlhunge. — 1) Opdracht, last, commissie (lat. com-
mittere=z mnl. bevelen). || Hertoge Jan ende syn
vrienden, die hem seer geem geholpen hadden,
(sagen) dattie tyt van der bevelinge, die hy had,
vaste heen ginc, Matth. Anal. 3, 390. Daer
benevens bevelen wij u . . . voor sooveel als de
bevelinge van schepenen der voornoemde plaatse . .
aengaet, V. d. Wall 44.
2) Concreet. Lastbrief, mandaat. \\ Als hy der
steden ende tgherechts syns heren bevelinghe
ghetoecht heeft, Matth. 39. Weert dat zij van des
borgere wegen gheen bevelinge en hadden die scolt
te betalen, Overijs. R, l\ 163. Zoo ook O. R.
V. Bordr. 2, 117 (driemaal).
3) Bevel, gebod. || Ie en heb dine gheboden
niet achtergelaten, noch ie en heb niet vergheten
dgn bevelinghe, B. B. Beut, 26 13.
4) Aanbeveling. || Dat si mi door die selve be-
velinge {Jezus^ aanbeveling van Maria aan Johannes)
willen bewaren. Fase. M. f. 120r. — Ook in den
zin van aanbeveling, opdracht van zich zelven oj
een ander aan God of een heilige. \\ Ene bevelinge,
Gedicht in Vad. Mus. 2, 398—400. Vgl. bevelen 2).
BEVELLEN, zw. ww. bedr. Mhd. bevellen.— 1)
Eigenlijk. Ten val brengen, doen vallen. || Hoe ie
sterve es mi al een, weder mi doot werpt een
steen, so dat mi een berch altemale bevelle neder
in eenen dale, S^. I*, 64, 60.
2) Hetzelfde als v e 1 1 e n (z. ald.). Een einde maken
aan , stuiten , tot bedaren brengen, tegengeuin ; vooral
met een woord , dat tvnst , ondeugd en dgl. begrippen
uitdrukt, als voorw. || Der liede tale bevelleu {fro
murmure popuH sedando), Rijmb, 6779. Oec dede
hi . . . . daer te lande twist bevellen {t. vellen)
Heelu 1144. Onseden ende saken daer onraste of
porren mochte . ., te bevellene ende af te leggene,
Belg. Mus. 6, 93. Aldus wert daer bevelt die
strijt, Lanc. II , 37396. — Twist b. , O. K. v. Bor^.
19; Brab. T. VI, 6702; VII, 16393. Twist,
moynisse ende onlede b. , Brah. T. Dl. 2 bl. 632.
Rancoer , twist ende discort b., ald. bL 473. Twist
bevellen ende benemen, O. R. v. Bordr. 1 , 10, 19.
Brant b., K. v. Brielle 49, 16. Onrust off onlust
b., ald. 26, 13. Orloge b., JTap. Jdart.l, 729 var.
Druc b. , Blisc. v. M. 1607. Parlement {twist, ruzie) b..
Wint. e. S. 606. Overmoet b., Troyen rj.6i.0ver-
daet {moedwil) b., L. o. H. 1931. Enes blame bevellen,
iemands slechten naam tegengaan, verkeerde meeningen
die over iemand in omloop zijn bestrijden, Lsp. I,
26, 9. Om beters ghedaen ende om arghers te
bevelne, Qedenkst, 1, 241. Scaden te bevelne,
Invent. v. Brugge 2, 263.
3) Ook met eene goede zaak als voorw. Be-
lemmeren , beletten , tegenwerken , verhinderen. \\ Dter
wijfleec ere wert bevelt, Vad. Mus. 1, 377,39
(vgl. Lsp. in, 3, 1216 rar.). (Hi) waender in; bet
wert bevelt ; die dore was toe , dus bleef hiere
uut, Rincl. 686. Dat iemen bat varen soude daa
wi . . na m^n macht salict bevellen, Blise. v. M.
122. Die nüt bevelt hier in dit leven name {reputatie\
Brab. T. VI , 107. Viere dinghe die bevellen ende
beroven salicheit, Ruusb. 4, 260.
BEVELLIKE. Zie bevallike.
BEVELT. Zie beévelt (Stoke II , 1365).
BEVEN, zw. WW., bedr. en ons. Ohd. pipen;
mhd. biben; onl. bivón; ags. beofian; onr. bi/a.Zïe
verder de Wdbb.
Onz. — 1) Beven , bibberen , in onze bet. ; ook van
de aarde. || Dat hi beefde met allen leden. Vergt
1014. Dese doe ie gaen beven achter straten, al
warent jonghe edelinghen , Wint en S. 82. Ende M
beseft (/. bevet) ende hi dan toghetinplumen ofhi
cout ghedoghet , Nat. Bl. Hl , 1613. Derde sal beven
in vele staden, L. v. J. c. 196. Die erde bevede, ^. III *,
13, 26 (zie ook ertbeve en ertbevinge). — Deonb.
wijs. als znw. Vrees, angst. \\ Menich suchten ende
beven hadsi nacht ende dach, Beatr. 912. —2) TrüUn^
sidderen , van pijn, angst, enz. || Die sagittare moeste
beven van der smerte van sinen wonden, Flandr.
III, 170. Ende als hijt {het vergift) gheeienheeti,
al BÏjn lijf van sere beeft, Segh. 9047. lAjn herte
van groter scaemde beeft , Esm. 632. Thert« . . , sal
omme die moyheit beven {hiemamaals nl.), Wé^
Rog. 467. Waken , peinsen , zuchten , beren , swigen
ende droeflic leven, Pyr. en Th. 91. — 3)FigaurIjjk.
Ergens tegen opzien, een afkeer hebben van, \\ So
dat hi jeghen weldoen beeft, Wap. Rog. 957. —
4) Zich bewegen. — a) Van levende wezens. |) Die
{nagemaakte) voghelkine staen . . . recht ende beven
in der ghelike of si leven, Wal. 3634. — b) Tan de
zachte beweging van het water. Kabbelen , vloeien. \\
Een bome claer daer onder {onder dien boom) beeft,
Pyr. en Th. 237.
Bedr. — Boen beven, bevreesd maken , vrees afgn-
^'agen. \\ Hoe komt het dat wi bliscap driyen ; oss
mochte meer de keuse beven, Praet 4855 (de tot-
voeging van doen is onnoodig — Die berende
doemsdach, de verschrikkelijke oordeelsdei§ -^ de
dag, die doet vreezen, vrees aanjaagt. || Hi naoet
leggen onder die nauwe wrake ons Heren in den be-
venden doemsdach , Clerc 66 (vgl. Lubben 1 , d08 : v«?
dynen bevenden ordel, en het bnw. berelic
4185
BEVE.
BEVE.
I18é
(in den beveliken unde gruweliken dage des
ordels).
Aanm. — Onverklaarbaar scliynt beven, OFL
Lied, e. 0.159,1: „O, m. (Maria?) , wel zoete beven
drie, sondic dQns vergeten: dat ware een grote
onstedicheit." Misschien is de tekst bedorven.
BEYENDEN. Zie bevinden.
BEYENELLE, znw. vr. Benaming eener plant ;
mbd. hibenelUy bebe»elle; obd. b%binella,pibenella\
uit mlat. pifmtslla , pipenella ; later met invoeging
der m: pimpmêlla, ihaxis pimpgrnel gebeeten; ook
steenbreker genoemd, lat. Moxifraga, Ook de naam
bevenelle werd verbasterd, en wel tot bevemel,
sooals de plant ook wel genoemd wordt; hd.
bibêrHêlU', mbd. bibemelle, bevemêlle. Zie "WeigAud
1, 214; Andresen, Volktetym. 78. || SaxiAraga
of steenbreke dats bevenelle ende es heet enae
droge . . , ende daer omme heetse saxifraga, omdatse
den steen brect. Bevenelle in wine gesoden ende
gedronken doet wel orine maken, Hs. Tp. 106d.
BEVENNOTEN (beveinoten) Hem — , sw.
WW. wederk. lemandt vennoot worden, eene ver-
bintenit (vennootschap) met iemand aangaan, een
contract tintten, \\ Als een aeeman hem bevennoet
heeft mit enen stierman te varen . . , die sal varen
mitten stierman , daer hij hem eerst mede bevennoet
heeft. Ende wairt dat hg hem mit enen anderen
stierman bevennede , dat vander selver teelt roerde
(Priv, V. Briellei dat van den sel ven teelde of reden
ware>, dair hü hem voren off bevennoet hadde, die ver-
bnerde III « hollans, K. v, BrielU 105, 17 (vgl.
Friv, V. Brielle 2, 89, waar hier en daar eene af-
wekende redactie voorkomt). So wye yemant an-
name, die mit enen anderen bevennoet ware, dat
waire op die boete voirs., ald,
BEVER, enw. m. Mhd. biber\ mnd. bever \ hd.
hieber. Het bekende dier, lat. cattor. Rein. I,
126; 1856; II, 4298, 5185, 5192, 7396. — Ook
in den zin van bevervel, || Wanten van bevere.
Rek. d,Gr,S, 118. Zie ook beverijn en beverscul.
BEVERDEN, zw. ww. bedr.; hetzelfde als het
meer gebmikelgke bevreden (z. ald.). Vgl.
mnl. vrede en verde, treden en terden, scred-e en
aeerde; enz.
1) Uitmaken, beeleehten (een tioieé), en dus den
vrede keretellen, || Vrient, sprac die coninc, laet
^hewerden, dat willic tnsschen u beverden. Terg,
1021.
2) Behoeden, beechermtn, || Dat si (Jfaria) se
hoeden moete ende beverden die daer riduren
wouden werden, Lorr. fr. I, 638. Entie twee
snllen den derden (nl. 9ta$td) wjsheit leeren ende
beverden, i^. lY", 42, 35. Want si dicken Nabals
herden van meneghen verliese beverden, Bijmb,
9549 var.
3) Met eene bep. met van. Afbrengen, af-
konden. \\ Gracie sondse wel ter kneron vanqnaet
doene beverden, Wap, Bog. 1849.
4) Zorgen voor, besturen, \\ Liet ie n aldus
g^ewerden, ie sonde mgn spel qnalic beverden,
rass. 1761. — Zie verder bij bevreden.
BEVERIJN, bnw. Mhd. biberin. Fan bevervel
geméMkt, kastoren. \\ Beverine hoeden, Invent. v,
Mmgge 1, 454.
BEVERSCUL , znw. m. Hetzelfde als lat. easto^
renm; mnd. en nl. bevergeil, en mhd. biberhode. De
teelbal van den bever, welke tot geneesmiddel diende.
Zie ciiL. Misschien ook benaming eener plant, nl. de
remunculus ficaria. Zie Lubben , Suppl. 63 op b e v e r-
eeil. II Jeghen die jucht ist oec goet, op datmer
oeyerscnl toe doet. Nat, BI. X, 510. Dat hi rute
siet {d. L ziedt) ende beverscnlle met goeden
wine, ende nuttet over medicine, 547.
BEVERT, andere vorm voor bedevaert (Z^
die bevert gedaen hebben, K. v, BrielU 110, 13;
op béverden te gaen, Leid. Keurb, 183, 75). Zie
bedevaert.
BEVERWEN, zw. ww. bedr. Hd. bef arben, Be-
schilderen, kleuren, || Een beverwet sevl, Oorl, v,
Jlbr. 226. — Vooral gebmikelyk van bloed. Bood
kleuren. \\ Syn heilighe lichame was al beverwet
ende bebloet, Hs, 80 /. 148c. Meneghen glavie . .
sach men beverwen met bloede, Orimb. II, 5517.
Metten sweerden baer, die die ridders beverwden
met bloede, 5900. Sijn ors . . ^las al beverwet
roet . . met sgns selfs blode, Lanc. II, 42597.
Hi sach enen riddere sitten beverwet met blode
roet, 45016.
BEVESTSN, zw. ww. bedr. Mhd. en mnd.
bevesten.
1) Bevestigen , vastmaken , versterken, — a) Eigen-
lijk. II Dat hi slute ende be veste {in het tomoot)
sQn spere aen syns ghesellen helm, Belg. Mus. 5,
257, 154. — b) Fignnriyk. i| Hine conste niet
bevesten (doen stand houden, post doen vatten)
sine minne in haren zinne , Sp. III*, 39 , 54. — c) Als
krggsterm. || Dat men dat cloester noch den werf
tot Sinte Odnlfs niet bevesten noch betymmeren
en sal, Oorl. v, Albr, 550. Noch borch, casteel
nochte stede . . , hoe so si waren bevest , <Sp. I V ' ,
68, 31. Scone poorten, hoghe torrelen, bevest,
bemuert ende al besloten, OVl. JAed. e, Oed, 239,
178. — Ook als wederk. ww. Hem bevesten,
sich versterken. \\ Dese beveste hemghereet, Rij'mb.
30914. Dat legioen, dat hem beveste np Alathoen,
30935.
2) Bevestigen, plechtig verklaren, verzekeren. \\
Zweert mi ende bevest mi, dat ghi mi niet doot
slaen en sult, Z>. B, Bicht, 15, 12.
3) Bevest sijn met ere dino, iets bevatten,
met iets verbonden gifn; van het zwangere dier
gezegd: een ei (jong) dragen, drachtig zijn, || Als
der sie (aan het unjfjé) dan wert cont, dat soe
met eye es bevest, Nttt, BI. III, 2408 (vgl. mnl.
met Jünde bevaen s^'n).
Aanm. — Dit ww. is op verschillende plaatsen
in de jongere mnl. geschriften in de plaats gekomen
van het oorspronkelijke en echte b e westen. Zie
b.v. Sp, III», 53, 9; Parth. 874; Orimb. I, 2302;
2313. Biykbaar werd bewesten niet meer verstaan,
en door een woord vervangen , dat er in beteekenis
en vorm aan grensde. En dat ook hom bewesten
de bet. van zich uitrusten , zich versterken kon hebben,
bewgst Cass, 984. — Omgekeerd moet op ééne plaats
bewesten wel veranderd worden in bevesten,
nl. Wrake 1 , 344. Zie by bewesten 3). De bet. zich
vestigen is daar althans minder gewrongen dan de
opgegevene.
BEVICHTEN. Zie bevechten.
BEVICKEN, zw. ww. bedr. Van vicken
(f i c k en) , slaan , treffen ; mhd. ficken, wry ven (Lexer
3, 334); Kil. 144: ficken, ferire, leviter virgis
percutere ; ficken , fricare ; fieeken , pungere \fiecken ,
jacere, jactare; hd. ficken (Grimm, Wtb,^,l^lT),
Treffen, raken, || Dat si n wel seer be vicken in
dien tide, als si te sticken sloegen n buut al
omme en tomme, Segh. 5859 (/i#.)* ^R^* Tijdschr,
3, 217.
BEVINDEN (bevenden), st ww. bedr. Mnd.
mhd. bevinden. — 1) Finden, m. d. ace. des pers. en
der zaak. || TBoden) die besochten dat, of menne be-
vende teenigner stat, Amand 1 , 522. (Zij) hebben nae
38
iis-?
BEVi.
BEVI.
4488
zijn doot nae de octroyen gesocht, maer en hebben die
niet beTonden , Inform. 75. Dat men niet en berynt
die partie . . van den iaeren 1501 ende 2 , maer zijn
gestelt in de rekeningne yan den jaeren 1511 ende
12, ald. 76. Dit en bevint men oick niet in de
yoors. rekeninghe, ald. Soedat men moet kiesen
die nutste ende bequaemste, diemen beyjnden (mach?)
ende binnen den ambocht |weet te crygen , O. R. v.
Dordr. 2 , 250 ^ 39. Zoo ook 298 en 324 ; 5. v. Vtr. i ,
207 (goeden belengen ofte bevynden); e. e.
. 2) TJitvindeny uitdenken. \\ Hi en weet gheen
stat noch onwaerdicheit , die hi ghedcnken of be-
vinden can, Ruasb. 3, 7. Proef offic dit ontbinde
entie redene bcvinde, Wap. Mart. I, 675. £n es
geen herte diet bevinde, noch tonge so heilich
diet ontbinde, O. H. W. 100.
3) Vernemen. — a) Vernemen^ van een persoon,
hooren. \\ Nu hoort voort, wat ie u (?) bevonden
hebbe van- desen helighen man, Jmand I, 715.
(Ie wille) hem beconden , wat ie ane u heb bevonden,
Qrimb. II , 5416. — b) Vernemen , uit een boek , op-
geteekend vinden. \\ k\AO iet beveuden mach, Sp,H*^
12 , 141. Also iet claer bevende , II* , 11 , 43. Als iet
bevant, III', 35, 19. Als wijt connen bevinden,
Stoke 1 , 393. Die seste etaet , alsic be wende (/. be-
vende), duert toter werelt ende. Wrake II, 351.
4) Ondervinden , tmaken , gevoelen ; hd. empfinden^
zoowel van uitwendige als van innerlyke gewaar-
wordingen. II Menschen, die . . in hem ghevoelen
ende bevenden een levende leven, Rnusb. 3, 207.
Ghi selt smaken ende ghevoelen menighe selsene
wise, dat die ghene bevenden, die selker minnen
pleghen , ald. 134. Sgn moeder Rijchildt die wilde
Ylaenderen regieren nar haren wille, ghelijc dat
men zwaerlike bevant, Cron. v. F/a^n^^. 1 , 22. Dat
wi dit {die bliscap tonder inde) alle moeten be-
vinden! Ruusb. 4, 121. Daerom was hi uut den
paradise verdreven in dese elende, die wi alle
daghe smaken ende bevinden, 5, 66.
5) Onderzoeken^ vragen. \\ Soetlike hi an hare
bevint of soe sine gedane kint. Franc. 9549. —
Ook in den zin van opsporen^ navorschen. \\ Dat
iet naerre wil ombinden dan mi die reden helpt
bevinden, Hild. 70, 281. (Ie wille) mit reden dat
bevinden, waer om ghilden sijn visiert, 117, 36.
Dus sprect hi, die dware bevant, die de waarheid
onderzocht heefty haar door onderzoek is te weten
gekomen^ Kerk. Cl. 95.
6) Bezoeken. \\ Doe Alezander wilde bevinden
die wonderlike zee van Ynden, Sp. I^, 57, 1.
7) Als rechtsterm. Schuldig bevinden. Zie vinden,
en vgl. het woord vonnis. \\ Van den wive . . , die
bevonden was met keefsdome , L. v. J. c. 164 titel.
Gheen . . vuylnesse binnen zgnen huyse te houden
op een boete van XV se. , also dicke als hij daeraff
bevonden worde, O. K. v. Rolt. 37, 106. Wie dat
niet en dede ende daer in bevonden worde van
scepen off raet, verbeurt III i^, 40, 114. So wie
yemants boomgaert off tuininghe . . brake, daer
hi off bevonden worde, die verbeurt III ffi, 49,
166. Wie in desen van den gezworen bevonden
worden , die verbuerden III §i , Leid. Keurb. 505.
Wordt yement hier mede bevonden, hi sal also
dicken als hyt doet, verhuren III f§, ZVl.Bijdr.
5, 31; vgl. 32. Bevonden zijn metten sticke. Wiel.
Inttr. 159. Dat waer op III pont, alzoe dicke als
hi daerof bevonden worde, O. R. v. Dordr. 1,
250, 8.
BEVINGE, znw. vr. Mhd. bibunge^mnd. bevinge.
Beving , siddering. \\ Anxt ende bevinge quamen op
my, Qetijdeb, S. 60 c] e. e.
BEYISSCHEN, zw. ww. bedr. Mnd. beviscken.
Een water b., over de geheele uitgestrektheid er
van vissehen^ de vischvangst er in uitoefenen \ lat.
expiseare. \\ Een meer . ., wel 200 mergen groot ..,
die van mgns genadichs heeren weghen bevischt
wert, Inform. 357. Soe en sal men die slazen in
den Mazedam niet bevischen van onser Yrouven
daghe ... tot sinte Jansdaghe, Y. d. Wall 311.
Zoo ook Handv. v. Mkm. 22a.
BEYLECHTEN, st. ww. bedr. Mhd. bevlekten.
— 1) Omvlechten, omkronkelen^ verstrikken, jj Twee
kinder , die hy (Laocoon) hadde weert , bevlochten sj
in haren steert, Trogen 9289. Dat {het serpent) di
niet bevlechte, ïVap. Mart. I, 838.
2) Bij wijze van vlechtwerk omgeven. |j Tfenster-
kyn, dat met yseren banden dwers ende lanxwas
bevlochten, Beatr. 102.
BEYLECKEN, zw. ww. bedr, en onz. Mhd.
bevlëcken.
Beur. — In de tegenw. beteekenis. Bevlekken,
bezoedelen, vuilmaken. — Ook wederk. || Die door
die werelt sel gaen . . , hi moet hem besmetten
ende bevlecken, Rein. II, 4128.
Onz. — Eigenlyk vuil worden, bezoedeld vorien,
en by uitbreiding in een slechten naam komen, »
discrediet raken. \\ Dat ryck {onder Nero) be^onste
te bevlecken , Matth. Jnal. 3 , 3.
BEYLECKINGE, znw. vr. Mhd. bevlèehmge.
Bezwalking van iemands goeden naam, slechte naam. ||
Dicwile gesien wort, dat onsculdege liede vin
enigerhande bevleckingen dicwile anzte liden vao
scanden, Brab. T, Dl. 2 bl. 470.
BEYLIEGEN, st. WW. bedr. Mhd. bevliegen.
1) Vliegende bedekken, overstuiven. \\ Dat sant hadt
(nl. den weg) soe bevloghen ende ghedreven of het
waren grote zeebaren, Limb. X, 88.
2) Al vliegende zoeken, om iets heen vlijen. ||
Yenus die was onbekent, wat die voghelen daer
bevloghen, Vad. Mus. 1, 309, 38.
BEYLIËN (bevlyen), zw. ww. bedr.Yan vlyen,
vlijen, passen, voegen. Mnd. bevlien. Iets netjn
leggen op of onder iets. \\ Item moet niemant stroo
op sQn bakken leggen, daermen onder doorgaat
met keersen, hij bevlij het wel onder met houte
of met horden off helmriede, O. K. v, Enkh. 14,61
BEYLIETËN, st. ww. bedr. Mnd. ^^/^An»; mhd.
bevliezen; hd. bejlieszen. Overgieten, overstroomen.
Yooral in 't pass. be vloten met, overgoten met,
nat van. \\ Sin scone anschin dat minlike was, es
bevloten metter onreinre Juden speikeltem, limb.
Serm. 146 d.
BEYLOEIEN(bevloyen , bevloeden) , iw. ww.
bedr. en onz. Mnd. bevloien.
Bedr. — 1) Natmaken, drenken, bevochtigen. \\
De diken . . . alle inghegaen . . . ende tland der
omtrent bevloit, Invent. v. Brugge 3, 504. Daer
vier ryvieren van hogen pryse erderike uut comea
bevloyen. Taf. Lev. J. II, 8.
2) Overstroomen, doen onder loopen. || OveriDits
welken die werelt doe , van den water bevloejt, ver-
derf, ZZJr. 75, /. 121a. Overmits .... die groot*
ende zware stormen (sün) onze ondersaten bevlojt
{t. bebloyt) ende bescadicht . . . geweest, Inform t.
Alsoet {het land) bevloyt ismitten zouten watere, 151.
— Ook figuurlijk. || Als Adam ende Eva also he-
vloedet lagen mit onsprekelike tranen , nat «o»
tranen waren, in hunne tranen swommen^ Ht,
f. 160 r.
Onz. — 1) Nat worden, gedrenkt vorden, Wïhi
tfelt bevloyde van den bloede, IX Best. 556. —
2) Yooral van water gebruikt, in den zin vaa
4189
BEVL.
BEVÖ.
1190
Oh derloopen , overstroomd toorden , onder water staan.
II Dat die dycken dicwijl braken, so dattet lani
bevloeyde, Clerc 84 (Matth. Anal. 3, 146). (Si)
deden al Amsterlant be vloeyen milten water, Mattb.
Anal, 3, 120. Van der gbeenre goede, die boir
{wier) land milten walen bevloit gbeweest bevel ,
Mieris 2 , 281 0. Alsoe tgene dat uylgedolven es , dick
bevloyt ende onder water leyt, /n/onw. 532. Hetes
selden zomer , teen derde deel van den lande en be-
vloyt, 535. Omme dland ende meersscben daer bi
ende ontrent te doen bevloeyene, Diericx, ifm. 1,
379. Omme daermede . . . bevloyt te bondene ende
gbewatert de andwerpe ende meersscbe, 396. Onse
lande van West-Yrieslandt gescbepen waere inne
te breecken ende te bevloyen, Èandv. v, Enkh,
44 a («. 1492).
BEVOEQEN (bevuegen), zw. ww. bedr. Mhd.
hevuegen\ hd. hefugen^ hefügen^ boewei in eenigs-
zins andere beteekenis.
1) Iemand leiden^ richten, brengen. \\Dieazeghic
60de lof ende danc , naer dat natnre brooscb ende
cranc kiesen zonde in jonger jnecbt, datze Gods
gracie beeft bewnecht (/. bevuecbt) ter minne , die
mi can bope gheven , docb te verbeidene een zalicb
leven, OFl. Lied. e. Ged. 390, 91.
2) Iet — , iets toevoegen , aanbrengen. \\^i bl^ft
allein ... die mir bewuecbt (/. bevnechl) al mQn
gbennecbt, ald. 193, 25.
Aanm. — Op beide plaatsen staat bewuecbt,
d. i. b e wen ebt, en het is dus niet zeker, dat
het WW. bevoegen bedoeld is. Maar welk dan?
BEVOELEN (bevuelkn), zw. ww. bedr. Mnd.
bevolen. — 1) Gevoelen, jj Bemen in de belsche gloei
ende altoes conde ende hitte bevoelen, Xuo^. 848.
Als si bevoelde, dat si verlost ende vry was,
Oest. R. 179 b. Hi bevoelde . . . , dat hem nakende
was die dool, Brab. T. YI , 7359. Ie sel n segghen,
hoe ie mi van binnen bevoele, Ned. Proza 141.
Dat bi die Gods cracbt . . . bevoelt badde , Sp. III '^,
43, 62. Wedervecbten , dat ie ... in mi . . be-
voelde, Hs. 80, la. Leet b., Sp. in\45, 88. De
Gods minne b., II' , 74, 129. Sgn sterven b., Troyen
10630 var. Dmc b., Lett. N. F: 3, 91. Minne b.,
O VI. Ued. e. Ged. 481, 62.Zie verder IVawtr. 5491;
Stemmen 163. — Ook als wederk. gebruikt. Z^h
gevoelen, in sicA zelven gevoelen dat men iets is. \\
(Hi) sal hem bevoelen bereyder tot gbehoersambeit,
Ned. Proza 44. Zoedat zglnyden . . . hem bevoelen
geheel ende al perplex ende desolaet, Enq. 16.
Sinte Francisctts . . . bevoelde hem vanden heer
een pelgrim te wesen naden licbaem, Hs. 88,/. 44a.
Pat ghi u bevoelt van enige temptacie . . . onbe-
Yochlen te sijn , Gest. R. f. 20 b. Doe die deur-
luchtige vorst hem (een tcoord meevallen?) bevoelde,
doe docht hem wel, dat sgn leven dair mede ge-
cort sonde wesen, lÜBiih.Jnal. 3 , 356. — De onb. wQs
als znw. gebruikt. Gevoel, zoowel van uiterlijke
als van innerlgke (mystieke) gewaarwordingen, jj
Dese laghen alle te samen een langhe tyt be-
swijmt, so datter noch stemme noch bevoelen in
hem en was, Gest. B. 98c. So bluft die lichame
g^estrecl sonder bevolen op die aerde , Zficü^. 2246.
Alse oft hi sonder bevoelen ware, Sp. III* , 88,
22. Sien, horen, bevoelen, rieken, smaken, OFl.
Ued. e. Ged. 472, 477 {vgl. bl. 463, icaar het als
naam van het zintuig in den uitgebreidsten zin 11
tnalen voorkomf). Gaet uut uien bevoelen der
vleyscheliker mateerliker dinghen totten verlichten
verstande des gemoeds, Ned. Proza 79* (vgl.
Stemmen 24). Daer vinden wi dat selve bevoelen
dat al onse inwindecheit beveel ende doregeet,
Kuusb. 1, 117. Wi (moeten) ons senleec utekeren
met enen redeleken bevoelne tote der heileger
scrifturen (rationali sensu) ,71; vgl. 72. Na geeste-
liken ' bevoelen , 3 , 34. Al sulken Iroest ende be-
voelen tot Gode, 92.
2) Gewaar «orden, bemerken. \\ Als hi hem be-
voelt int strec, staet hi stille, Nat. Bl. III, 647.
Als hise {het wijfje) bevoelt bi hem syn,y 1,859.
Haer venijn beeft macht so groet, want eermens
bevoelt, so es men doet, 683. Ghelljc si selve,
opdat si wouden , wel merken ende bevuelen souden ,
Brab. T. VII, 10139. Dat wire luttel of bevoelen,
Hild. 231 , 134. Als hi bevoelde , dat die ander
mensche dat approbeerde, Rnusb. 3, 17. Als bi
bevoelde de machte van den coninc . ., trac hi
achter, Fl. Rijmk. 7798. Als si bevoelden, dat
niemen qnam, 10213. (Die) heimelic badden be-
voelt, dat die hertoghe metier slede acorderen
sonde, 10260. Alsict bevoele , iS^. I*, 16, 29. Zoo
ook Fl. Rijmk. 6532. — Sonder bevoelen,
ongemerkt f ongevoelig. \\ Daer die gemeynte onver-
dachtelic ende zonder bevoelen zeer mede verach-
tert, K. V. Brielle 160, 39. —Zoo ook Gest. R.f.
188^.; Sacr. 1179.
3) Begrijpen, inzien, jj Doe die grave bevoelde
die dingen van Valkenberge , dat hine niet mochte
behouden, Fl, Rijmk. 6426. Om dat wi bevoelen,
dat eenicheit ende acort . . . seer profitelijc waer,
Brab. 7. VI, 10239. Wi begheren van di te horen
die dinghen, die du bevoelste, uwe meening, Hs.
75 {Hand. 28, 22). Die na den gbeeste sQn, die
bevoelen des gheestes {bedenken de dingen des
geestes), ald, , Rom. 8 , 5. Zg bevoelen , dat z^ meer
dan die twee deelen vantguet . . verloren hebben,
Enq. 16. — Wi moghen wel bevoelen dat hi een
dwaes ware die op enen dach also vele gave,
Sehaaksp. 20 a. Die ander punten mach eenyeghe-
IQck in hem selven bevoelen , 20&. — De onb. wgs
als znw. gebruikt. Begrip, verstand, inzicht, gevoelen,
meening. \\ Mids die grof heit mijnre sinnen ende
cranc bevoelen, dat ie van binnen . . . hebbe,
Brab. T. VI, 129. Soe wort hy in alsulker over-
schouwinghe Goods verhangen, ende boven hem
selven ende boven menschelic bevoelen . . opghe-
toghen, Hs. 88 /. 44&. Dat hi wonde sijn eygen
bevoelen achterlaten ende voelen als die anderen,
Ned. Proza 290. Alsoe magie oec seggen na mijn
bevoelen, Ruusb. 1, 106.
BE VOELENTHEDE , -heit, znw. yr. Gevoel. \\
Dit leert ons de bevolentheyt wel, Fase. M. f. 2^.
Uut bevoelentbeyt die reverende te verminderen,
53r. Als ons dat die bevoelen theit leert, 1049.
BEVOELIJC. Zie bevoelluc.
BEVOELINGE, znw. vr. — 1) Aandoening, ge-
waarwording. II Die ongheoerlofde begheerten ende
bevoelinghen des vleysch, Gest. R. e. 47.
2) Meening. — d) Meening , gevoelen, inzicht, \\
Ist n lief, ie sal u m^n be voeling^ daer van
seggen, Gest. R. f. 185^. — b) Meening, dunk
aangaande sich zelven. \\ Also ist van allen menschen,
dye van hem selven cleyn bevoelinge heeft, ende
nyewarts (= nergens, niewers) hem in en verheft,
ald. f. 212 «.
BEVOELLUC (BEVOELIJC), bnw. Gevoelig.— a) In
Sassieven zin. Gevoelig, merkbaar. WYinnden . . .
ie in bevoeliker wisen mit hem streden, Hs. 88,
/. 44 ^. — b) In act. zin. Gevoel hebbende, gevoelig,
fijn ontwikkeld, fr. sensible (een woord der mul.
mystiek). || Sesse manieren van vruchten ende van
bevoeliken smake werden desen mensche ghetoent
in werclicheiden , Ruusb. 4, 261. Een bevoelik^
4491
BEVO.
BEVR.
di92
liefde, 262. Een bevoelic begheren, 2G2. Ene be-
voelike ongheduerighe minDe, ald. Ëen puer mensche
. . . als wij zijn, ende lidelic ende bevoelic , ^^nt.
S. 161 L
BEVOELLIKE (bevoelike), bijw. Duidelijk,
zóó dat ieder het voelen, begrijpen kan, \\ Men
machs niet scriven alsoe bevoelike, noch alsoe
Yolcomelike alst God toent den niinnenden gheesten,
Ruusb. 4, 260.
BEVOELLIJCHEDE (bevoelichede), -heit
jcnw. vr. Gevoeligheid. \\ Dat si niet en mogen ghe-
dogen sterke corrosiven , omme die bevoelichede der
zenuwen f Lanfr. 135 1'.
BEVOLGEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als ver-
volgen. Iet an (bi) enen b., goedkeuring voor iets
vragen van iemand. || So en sal engheen onser
borgher sculte werden in Swolle , hi en bevolghet
ijrsten bi den scepenen ende bi den rade van
Swolle, Stadtr. v. Zwolle 166 {pp dezelfde bl.-. wie
des niet en yevvolghede, als voirscr. is).
* BE VOLLEN, verkeerde lezing voor beoellen
(zie ald.) , Oorkb. 1 , 1256. || Zoe wye tot vermanen
des rechters om personen te arresteren off gaedt,
off om vrede te nemen off vichtinge te bevolleu
(/. bevellen, d.i. een einde maken aan eene vechtpartij) ,
daer niet toe en trade , es den rechter scnldich X se.
BEVOORWAERDEN , zw. ww. Mnd. bevorworden.
Conditionneeren , bedingen, bij contract bepalen,
overeenkomen. || Bij welke . . . ordonnancie . . . ghe-
conditionneert ende bevoorwaertware, Fad.Mus.S,
329. Ten weer, dat anders bevoirwairt ofte bebrieft
wair, Belg. Mus. 3, 87. In hilicksvoirwerden . . .
gededinght ind bevoirwart, Nijh. 4, 13 (vgl. 161
en 340). Seven dagen {soldij), die die Ingelsce bevor-
wairt hadden voir hoir thuys trecken , Oorl. v. Albr.
140 (vgl. 313). Gelyc in der zoenen ondersproken
ende bevoirwairt was , Matth. 226. Nadat die vrienden
van den doden . . . moghende syn, so bevoir-
wairden sy zielmissen tot des doden behoef, ald.
Soe snllen zy . . . gehouden wesen te betalen tot
sulcken dage, als op hunlieden bevoirwairt {met
hen overeengekomen) is, K. v. Brielle 149, 11.
Alsoe hy dat bedinct ende bevorwert hevet, Gest.
R. f. 38 d. Dese eer hij sjjn wijf beslapen soude
hebben , bevoorwaerde mit hoer , dat si drie dingen
soude moeten houden, Dial. (reat. 61<?. Zie verder
Leid. Keurb. 543 en 544; Brab. Y. VI, 3226;
11442; VII, 9753; Bel. v. L.2m',Stadsr.v. Zwolle
129, 130; O. B. v. Dordr. 2, 102. — Nog bij
Hooft, Ifarenar , YS. 206 : (be voorwaren de voor
bervoorwaerdende; vgl. verbasteren voor ver-
basterden; meewarig voor meewaardig ; enz.
BEVORDEREN (bevoerderen), zw. ww. bedr.
Bevoordeelen, \\ Dattet alleen ten voirdeele van een
ofte twee vanden kinderen behoirde te wesen.
Welcke redenen staen sullen tot discretie van scout
ende scepenen , ofte die saecke oick sulcx is , datmen
den een behoirt te bevoirderen ende dandre nyet,
A'. en O. V. Delft 127, 1.
BEVOREN, bjjw. Mnd. bevoren; mhd. bevor,
bevorne, bevorn; hd. bevor; eng. bef ore. Voorheen,
te voren, steeds met de bijw. hier of daer ver-
bonden. II In hem zei ven bleef hi so groot {de
boom), als hi was . . . daer bevoren, V Bomen \A.
Van den apostelen hier bevoren, Serv. I, 694. Als
hij dede daer bevoren , 1845. Dat werdighe ghe-
beyne van den busscoppen reyne die daer bevoren
waren rechte leeraren, 2873. Menghen dach daer
bevoren, 3234. Hi hevet mengher moeder kint
ghetroest daer bevoren ende sint, il, 2805.
BEVORMEN, zw. ww. bedr. Vormen, af beelden. ||
Dat eerste beelde lietmen houwen nae enen priester ,
die mochtmen scouwen bevormt in priesf«rliker
ghewade , Hild. 208 , 61 var. {t. ghevormt).
BEVRAGEN, zw. ww. bedr. Mnd. bevragen,
mhd. bevragen (beide wederk., zooals hd. be/ragen
nog). Naar iets vragen, onderzoek doen bij iemand,
iemand naar iets vragen. Met den ace. y. d. pers. of der
zaak, óf met den ace. der zaak en den dat. rau den
pers. , eene bep. met an e, öf met den ace. y. d. pers.
en den gen. der zaak , uf met een af h. bgzin. ||
Doet besoecken ende bevragen, off die Inden hem
yet beclaghen, Hild. 18, 179. (Dat si) bevragen
souden an onsen here, welc sijn wille ware, Franr.
6427. Met groter nerensticheden bevraechdgt ende
vant, 7712. Den pape . . hi bevraget s^n leven
ende hoe hi hem bejaget, Sp. II*, 74, 61. Die
baliu es in des conincs stede, die sal bevraghen
die waerheyt, Oorkb. 1, 247*. Moyses die be-
vragets Gode. God sprac: Ie wil menne dode,
Rijmb. 6747. Sine bevraegdens Gode niet, 6756.
Dalila die bevraegde dat Sam.sone, maer hi looch
hare, 8170. Doe bevraegde hi hem das, wat si so
drovelike spraken, 26872. — Zoo ook 18160,
24098 r«r.; Hild. 11, 505; Troyen SOS; Sp.V,2A,
30; 53, 80; IV», 20, 58; 22, 35. — Ook in den
bepaalden zin van iemand ondervragen. || Bevraecht
tsamen upt inhouden van der voors. instructie,
In f Of m. 214.
BE VREDEBRIEF, znw. ra. Hetzelfde als v r e d e-
brief. Een schriftelijk stuk , dat door den magistrasi
wordt geteekend, ten bewijze dat tusschen twee
partijen een voorloopige vred^ is tot stand gebracht.
II Dat alle de ghene, de na dessen dage bevrede-
breven halen uut der stad, de sal se den ghenen
kondich doen , daer he de bevredinge up ghebaelt
heeft, fVarfsconstit. 26. Vgl. ald. 57.
BEVREDEN, zw. ww. bedr. Mnd. bevreden;mU.
bevriden. Vgl. BEVERDEN.
1) Bevredigen , tevreden stellen , tot rust brengen. \\
Enghene dinc en mach bevreden den Yrecken coninc,
Alex. 1 , 673. Die here wordt bevredet , so dat hi
dat quaet niet doen en soude, dat hi ghesproken
had jegen syn volc, D. B. Exod. 32, 14. Dat »
hem alle daghe gaven twee sciipen , om dat si hem
daer mede bevreden souden , Pass. S.l^. — Knen
doden bevreden, eene zielmis laten doen rotrr
d£ rust der ziel van een gestorvene. || Die sel
den doden bevreden moghen , dair hy te groeve
Yaren wil. Leid, Keurb. 164, 45.
2) Van strijdende partyen. Ren tot vrede brengen,
iemand vrede verschaffen. || Ie sal hem bevrêdeB
mitten ghiften, D. B. Gen. 32, 20. £lc man vte
buten mach synen maech van binnen, die poerlrc
es, bevreden. Mieris 2, 93*. Alle dieghene, dk
medeghevochten hebben, zeilen inlegghen (i» Am*
blijven) veertien daghe, als voerscr. is, also verre
als zij bevreet werden. Ende welc medevechier niet
in en laghe, die bevreet waer, verbuert drie poot,
K. V. Rott. 11, 6; YgL D. War. 1 , 315 «mw/. W&re
yement van zinen magen, daer dien Yrede aen gbeve^i
worde , daer souden alle zinen maghen mede berreeïit
wesen, K. v. Dordr. 10, 4 (O. i2. r. Dordr. l,5k
4). Dat Coster H. Jan P. Costersz bevreet heeft
ende . . dat A. Touwe Cl. Touwen bevreet beeït
Ende ick segge, dat dese vrede . . ene alingW
vreede . . was over alle, Dingt. v. Delft 62. So*
sal die stad van Staveren ons toebehoren . . tvk
die sal met ons bevreedt wesen, Oorl. r. Al^
650. Des geliken sullen mitten Oistvriezen htsrtA
wesen die vander Scellinge, 551. Zoo ook fV. r.
Antw. 53, 92 en 93. Dat God te lesten nietes
1193
BEVR.
BEVR.
1194
schelde van mynre zielen, si en si bevreedt, alsi
uat minen lichaam sceedt, Kal. 6, 96. So en salmen
iiement hogher bevreden {op het niet nakomen van
den vrede eene hoogere boete stellen) dan siin g^et
weert Ih, Warfsconttit. 26; vgl. 109: eenen vrede
nemen tasschen twen parten bij XX marck. —
üolc met eene bep. met op: iemand in een zoen
opnemen^ hem met een ander verzoenen, op voor-
waarde f dat de geleden schade aan geld of goed
worde hersteld \ iemand schadeloosstellen. Zie voor-
beeldenvan bevreden in dezen zin, bij bësoenkn3).
3) Ten einde brengen, uitmaken, beslissen (vgl.
HEVERDKN 1). || Dat sl oec gerededat spel souden
onder hem bevreden, Velth. II, 6, 21.
4) Beschermen, bewaren, beschutten, de gewone
bet. II Si ende hoer Inde sullen overmits dit
verbont niet bescermt noch bevreedt sijn, Nijh. 3,
33. Sijn lant te bevreden ende te beschirmen, II,
95. Hi wilde bevreden sijn lant, Z<iAr. III, 18234.
Soe moet u onse here gheleiden nu ende . . altoes
bevreden, Limb. II, 1835. Woude mi tgheluc be-
vreden, Hild. 92, 18. Der vrouwen ziel moet God
bevreden, 122, 54. Dijn gracie ons be vrede ende
dijn ontfaermichede , OFl. Lied. e. Ged. 200, 20.
Doe soe (Maria) hare aflaet bejaghet van haren
Monden ende bevrede in der grotere scanden, Sp.
V, 60, 60. Wette, die waren tegaen . ., setti
weder ende dede bevreden, III», 19, 52. Zoo ook
11', 16, 62; 40, 156; III*, 6, 16; IIP, 10, 60;
IV», 48, 18; Wal. 736, 2207, 3755,3771,4005,
4798, 6143; Grimb. II, 1945; 22«». JBy/. 294 , 88 ;
Serc. I, 1667, 1675; II, 1821; JBra*. T. VI , 342 ;
Hild. 166, 170; Lsp. III, 1, 142. — Ook wederk.
I^ebruikt. || Steden, daer hem dat volc in soude
bevreden, Sp. I*, 9, 48. — Met eene bepaling met
van, vore ofjegen. Beschermen tegen , vrijwaren
voor, verlossen van. \\ Omme hemlieden te bewaerne
eude te bevredene van A^w \oVlq , Invent. v. Bmgge
3, 402. Te bevredene de cooplieden . . jegen de
]ikedeelres,462. Omme tvolc te bevredene van den
peerden, 5, 568. God die rike moete jou van on-
^hevalle bevreden, Wal. 3644. Hi bidt Gode, . .
(lat hine van quaden tonghen bevrede. Wrake lil,
161. Dat hine bevrede van alre sonde, Sp. W,
"27 , 48. Scoenheit ende cracht van leden die en
moghen nyemant hier bevreden voer die doot , Hild.
47, 227. Alsulken slach daer mi God af moet be-
vreden, Limb. XI, 306 var. (Dat God) vanden
viant ons bevrede, Doet. III, 1956. So moeti mi,
here , heden jeghen dit felle serpent bevreden ,
f^al. 497. Ie sonde ons wel bevreden van desen
lieden, Velth. I, 25, 21. — Zoo nadert de be-
teekenis aan bevrijden; vgl. ons vrijthof', met hd.
einfriedigen. \\ Soe sal u conien te gemoete u wyf
bevreed van allen quaden, Blisc. v. M. 1617. —
Op ééne plaats schijnt het zelfs de bet. van ver-
vallen verklaren, berooven te hebben, nl. Brab. Y.
I>1. 2, bl. 573: Ocht yman . . van haren magen . .
jegen desen pais . . yet dade . ., dat die bevreit
soude sijn van synre eren, sinen live ende van
ttinen goide voir alle heren , alse een ondedich man.
4) Iemand de naleving van iets verzekeren, eene
bepaling naleven, ten uitvoer leggen. || Dat alle ....
ding'e . . . hem . . . wel ghehouden worden ende
van allen baeliuwen van Zuytholland daer in ghe-
houden ende bevreed worden, Mieris 2, 244^.
5) Afsluiten, afperken, omheinen, afzetten; vgl.
hil. hefriedigen , einfriedigen, welk begrip zich uit dat
van beschuiten rechtstreeks ontwikkelt. || Want
salke licde die beemde {de gemeene veeweide) in
hadden gheslaeghen ende bevreedt, eude sulke
lieden bevreden wouden ende inslaen , Brab. Y. ,
dl. 1 , bl. 765. Dat si oit dandes side der gracht
hebben bevreet gesien, ald. Alle dieghene, die
binnen dien tune bevredet sin , Stadsr. v. Zwolle 79.
Dat eeq yeghelijc ghebuer den anderen moet hulpen
bevreden met enen tuyne binnen den utersten vesten
daer mens beghert, Cor. v. Antw. 53, 190. Omdat
he hoer bevredede landt' met den schapen bedreven
hadde. Etst. v. Br. 151. Hadde he up einich be-
vredet landt gedreven, dat de buer verwilkoerth
hadden , dat mochten de buer affgeschuttet hebben
als lantrecht is, 152. Doe he 'den kamp begunde
to vreden, so mach Lambert den kamp voert be-
vreden, 154. Gheen turff te graven binnen der
bevreder weyde by drie pondt, Handv. v. Weesp
51 a. Niemandt grasters off riedt te mayeu binnen
der bevreeder weyde, ald. Geen heet noch helm
te mayen binnen der bevreder sande, ald. Soo sal
die weyde bevreedt wesen alle jaer van Sinte Geerten
dach tot den eersten werckendaghe na Meyendach, 51 b.
6) Aan het algemeen gebruik onttrekken , aan den
dienst van God of een heilige toewijzen, heiligen,
wijden. \\ Die hem dede maken da eyne kerke
ende vrijen , bevreden ende wij en den Gods onder-
danen, Serv. II, Ö23.
7) Besturen , administreeren. \\ Dat hi sonde hoeden
ende bevreden dit (nl. het crijt), Lorr. II, 3563.
Die es sjjns selves man, die sijn goet ende hem
bevreden can, Boec v. Sed. 1085 (vgl. 920). Dat
een s\jn eiggn goet bevrede, 1^. III', 16, 2.
Niement en mach behouden wesen , en si dat hi . .
in groter oetmodichede syn Igf ende sijn ziele be-
vrede, Lucid: 1836. Dat lant bevreden, Stoke Y,
1069; Grimb. I, 3031. Sinen zin b. , Sp. I», 64,
24. Die foreeste b., Sp. III», 89 , 61 (vgl. JBraA. Y.
II, 1371). Den camp b., Ijanc. II, 42079. Dwater
b., Velth. I, 8, 13.
8) Verhoeden, voorkomen ',yg\. behoeden 4). ||
Om te bevredene merre scande. Mor. 2015.
9) Te niet doen, kwijtschelden. || Dat hy {God)
hem bevrede sijnen doem, Serv. I, 1669.
Aanm. — Trogen 206: „Si en mochtens niet be-
vreden", is de bet. niet duideiyk ; ook is het woord
zelf niet boven bedenking verheven, blykens de
var. Vgl. Franck in Zeittch. f. D. Alt. (neue Folgé)
13, 35.
BEVREDER (bevredere), znw. m. Bestuurder,
opziener. \\ Den hoochsten bevredere die wil u
lyden maken so langher so sochter, Mar. v. N.
46, 1080.
BEVREDINGE , znw. vr. Van bevreden (z. ald.).
Geruststelling , opbeuring, opwekking. || Als my iet
grieft of noost roep ie terstont op haer om een
bevredinge. Mar. v. N. 13, 288.
2) Het van hooger hand tot vrede brengen van twee
strijdende partijen. || Wo men de bevredinge kundigen
sal ende wo hoech men se mach nemen (d. i. welke boete
men op de schending zal stellen), Warfsconstit. 26.
Dat alle de gene , de na dessen dage bevredebreven
halen wt der stad, de sal se den ghenen kondich
doen, daer he de bevredinge up ghehaelt heft,
ald. Mysdede he eemande daer en boven , daer he de
bevredinge up ghehaelt hadde, dat waer dubbelde
buete ende dubbelde broke, ald. De ghene, daer
de bevredinge tusschen is ghenomen, 57.
BEVRESCEN, zw. ww. bedr. Mnd. bevreschen.
Uitvorschen, opsporen. \\ Nieweren en liet hi in
al sijn lant, daer hijt bevreeste ende vaut, wulf
noch bitende heeste doe, Sp. IV', 18, 7.
BEVRESEN, zw. ww. bedr. en onz.
BeüR. — Bevreesd maken, vrees aanjagen, ver"
il95
BEVR.
BEVR.
H96
êchrikken^ bang maken. \\ Dit biüpel macb . . . den
riken crempen doen in vaer, mer en beTreesi den
armen twent, Bincl. 616. Dat die edele gheest van
scalkernien wert berreest, O F/. Lied. e. Ged. 393, 199.
Onz. — Vreezen^ bevreesd^ bang zijn; in bet,
gelgk aan het wederk. w w. hem beyresen, dat be-
Htaan moet hebben , blijkene ons bevreesd^ het deelw.
bnw. daarvan. || Doe be vreesden si van desen, dat
hi die Gods sone mochte wesen, 3fa*k. 17. Dattn
bevresen sulste yet te dencken oft te doen, . . .
dattn voer die menschen di scamen sondest te
seggen oft te doen, Boec v. d. L. J. 306.
BEYRIËN (bevryen), zw. ww. bedr. Mhd. be-
vriend mhd. bevrien; ons bevrijden, dat reeds eene
enkele maal voorkomt ; hd. bef reien , doch gebruikt
in andere opvattingen, waarop vooral bevreden
invloed heeft uitgeoefend. Vgl. bevreden.
1) Beschutten y beschermen. \\D\% van den BoHsche
moesten verweren ende bevrien die palen des lants,
Brab. T. VI , 9332. Om donnosele te bevrien ende
te besceermene van ondade, Doet. II, 3494. Des
conincx perc was bevrijt aen deen side met die
riviere , Exc. Cron. 288 c. Die planten wil , hi moet
bevrjden. Spreuk. 67. Nu vinden wi ons alleene,
die tierst van Qode waren bevr|j t , Blisc. v. M. 390.
Ghehouden zyn ... om elcanderen te bevrydene
ende vrede te doene , Cmtt. v. Brugge 1 , 222. —
Dat si {de boozen) sullen bevrien (steunen, van
nut zijn) die salege met haren gewerke ... om
te nemen exempel te bet, Ltwtd. 2666. Dat si
{God en Maria) ons allen van sonden bevrien , ^^«»
de zonde in bescherming nemen, Roel. I, 661. — De
onb. wijs als znw. Bescherming. \\ In bewaernesse
ende in bevrien haers rechts , Brab. T, YII , 1430.
2) Omheinen, omgeven, afzetten. || Oec waest
{het vergier) besloten ende bevrgt met starken ende
met hogen muren, Bose {€) 134.
3) jQweren. \\ Behont ni tfelt ende den cry . . .,
bevryet wert hem die val, Wap, Rog, 1681.
4) Iemand vrij houden, voor hem betalen. || De
reste van den mergentalen staen onder den proost
van Coninxvelt, die deselve bevrjjt, Inform. 353.
Vgl. Gloss. ald.
5) In de uitdr. Enen in een ambocht be-
vrien, iemand de vrije uitoefening van zijn beroep
toekennen, hem autoriseeren tot het uitoefenen van
een bedrijf \\ Zo wat manne, die bevryet wesen
wille int vors. ambocht , die moet bringhen certif-
ficatie vander plaetsen danen hi es, dat hi goet
cnape es, ZFl. Bijdr. 6, 161 (vgl. a W. : de vryhede
van den vors. ambochte willen hebben). De welke
Willem al eest dat hi tambocht . . . niet en can,
hem bi subtilheden daer in hadde ghedaen bevryen,
Cout. V. Brugge 1 , 605. So en sal gheen knaep
malen in knaepcappen, hi en sal ghe ven zijn eerste
weeckhuere ende hiermede sal hy bevrijdt wezen
int ghild , O. R. v. Dordr. 1 , 126. Mids dat gheene
dochter daer in versterven mach {in het beroep
opvolgen) noch bevryet worden, ZFl. Bijdr. 3,
276. Zoo ook 3, 278; 6, 164 vlg.; 6, 346; Gesch.
V. Jntto. 1, 671; Cout. v. G«*^ 610, 613, 618;
Cout. V. Britgge 1, 604, 686. Vgl. ongevrgde
personen , V. d. Wall 798. — Ook van de uitoefening
der burgerschapsreehten. || Ende zullen den tyd,
dat zy dair wonen, bevrijdt zyn als poortere , t»^^
poorters gelijkstaan. Wiel. Instr. 72.
Aanm. — jDenkm. 3, 84, 28: „Hine hadde den
zeghe niet bevrijt", is de lezing onjuist; vgl.
Snellaert, Mnl. Ged. 640: „De zeghe en haddene
niet ghe vrijt."
BEVBIENDEN (bevrenden, bevrinden)Hem — ,
wederk. zw. ww. M nd. sik bevrsmden. Ziek vrienie%
verwerven , maken. \\ Men can sich te wjdt niet be-
vrenden , Spreuken 22. — Vandaar ons baw. bevrüii.
BEVBIESEN, zw. ww. onz. Xnd. 6nrr«f» ; nk^.
bevriesen, Vattvriexen, invriezen. \\ So herde stoit
si int ys bevroren, iZinV II, 6292. Dat si bevroos ia
den ise, dat dede dat si te Unghe sat, 6352. Zoo
ook 6286.
BEVBIJTHEIT, -hede, znw. vr. VeUigkeid.W
Sy dede ooc vernieuwen ende verhooghen den mier
an spaters lochtinc tot meerder bewmiinghe ende
bevrgtheit, Belg. Mus. 6, 162.
BEVRINDEN. Zie bevrienüen.
BEVRINESSE, zuw. Bevrijding, vrijmakimg. \\
Van der bevrinesse van den strome, Invent. r.
Brugge 3, 106.
BEVROEDEN (bevroden , bevroen (5mt.403)),
zw. WW. bedr., wederk. en onz. Mnd. bevrvden.
Bedr. 1) Enen — , iemand wijs metken, vroed
maken , leeren , onderrichten , inlicAien , voorlichten. \\
Die andere lieden wille bevroeden, en ctn hea
selven niet gehoeden, Sp. I*, 53, 19. (Si) heret
haren man bevroet dat soene tgelove dede Igeo
ende brochte nter bncgerien, UI*, 52, 14.NienuB
en can hem bevroeden, wanneer M hem voer
Runen sal hoeden, Fad. Mus. 2, 155, 153. Soes
mi wel van nooden, dat mi uwe leere bevroet,
Wap. Rog. 264. Ie wille eer iu bevroeden op een
punte wel hoge, 3ierl. 2067. Ghi hebt mi . . btt
bevroet dan Marcabers, Parth. 7153. Zoo ook
D. JFar. 7, 396, 43. — Ook met Aet verstand tk
object. II Om te doden tquade vermoeden, woide
hi sinen here den sin bevroeden, MLoep II, 513.
— Ook met een dat. v. d. pers. en den ace der zaak,
öf een ace. en een bQzin 6f den ace. v. d. pers. en da
gen. der 'zaak. || Wye maect u deser saken wgs
(d.i. vroef) ? . . Mine costet gheen man dus bevroeden,
Hild. 28, 131. Der helscher gloeden, die u encu
paep noch clerc bevroeden , 187 , 37. Doe ghincmen
elcken tsijn bevroeden, 208, 112. Hiermede wildise
bevroeden, dat hi hem tenen exemple gaf hem
selven, Rijmb, 24884. Soo hebben wg sg beide
vervolget {aangemaand) ende alsoo bevroet eade
bericht, dat sy alles twists . . aen ons bleveo
sijn, Nijh. 2, 104. Gheestelic broot . ., daer die
ziele bi wort ghevoet , als (d. i. hetgeen) ons Cristas
selve bevroet, Lsp. II, 41, 106. Als ie n namaels
wil bevroeden, Hild. 189, 27. Noch bevroedt ons
Tnllius des, Doet. III, 46. Soe willics u te rechte
bevroeden , II , 3460. Zoo ook 1 , 186 ; Boee (C)3588;
Rijmb. 17534; Lncid. 3967; MLoep 11, \^m,Teest.
627; 1081. — Hem laten bevroeden, rkA
laten leeren, inlichten, raden. \\ Laet a hieraf be-
vroeden: voer alle dinc seldi n hoeden tedoeae..
dat jeghen der Gode wille si, Troyen 5715. Aldis
soe liet hi hem bevroeden, Hild. 37, 118. Aldis
lieticx mi bevroeden, Fl. Rijmk. 1143. So liet hea
die edel prince daer af bevroeden , dat hi oec mede
minne daer toe creech, Sp. d. M. 1, 129a,
2) Mededeelen, leeren, met den ace. der zaak of e«a
bijzin. II Ghi moet vore al die heren die hier
staen emmer dit bevroeden, bi wat saken ende
hoe enz., Belg. Mus. 10, 60, 92. Heer Waleweia,
nu willic bevroeden, wat crachten an dat swaert
leghet (/. u bevroeden?), IFal. 1274, Nu hebdi mi
horen ghewaghen docsune van den doetslaghea,
so iet best bevroeden can, Teest. 778. Doe des ie
hier bevroede. Nat. BI. X, 148. Ghi moetasatei
emmer te minnen die edel goede bi eenre sakf,
die ie bevroede enz., MLoep II, 2174.
3) Begrijpen, inzien, met den ace. der zaak. ||^i
H97
BEVR.
BEVR.
4198
hebben yerloren Florise ons kint, so iet bevroede,
Flor. 372. Ghi moc^het bevroeden dese dinc, Segh,ViQl
var. Op dat syt bat bevroeden dan hi, Melib, 974.
lu soude die drie dinge geme bevroeden, die de
minne meest behoeden, üau. 1655. Ghj weet wel,
wildgt bevroeden, dat ie mgn lant moet naawe
hoeden, Troyen f. 255c. Zoo ook Hild. 123, 149;
178, 351; 181, 204; Wrake lU, 1568. Alsic be-
vroede, fMOT ik meen^ Hild. 86, 147; Segh. 1191;
Vr, Heim. 1439. — De onb. wQs als znw. Meening ^
iitzichf,gevoelen. || Menichhnwellc, na miin bevroeden,
sonde men . . breken achter lande, Rote^hh 251,
va. 201. Na mijn bevroeden, Vad, Jfitf. 1,352, 12.
— Ook in de nitdr. Bevroet sgn. — «) Eigenlijk.
Ingelicht^ otulerrichtgijn, \\ Dat wi . . des bevroet zyn ,
dat wi des segghens niet scnldich zijn te volghene,
Ngh. 1, 179. Hi peisde, dat al betekenesse was
ende ware gherne bevroet das, Lane. II, 29530.
Gheme waric bevroet . ., hoe dat recht mach
wesen , Wap. Rog. 158. — b) Bij uitbreiding. Zeker
sijH, wijs zijn f toefen ^ kennen] ook met den 2den
(later den 4den) nv. || Bem ie een deel bevroet der
van , des wille ie mi tote u keeren , JTap. Rog. 294.
Jan, nu doet mi zgn bevroet, wat profijte dat
tfleesch doet der zielen , 703. Nochtan wildi altoes
vallen ende bevroedt sQn van allen {aangaande allee) ,
Teest. 2998. Dat hy van den hertoge gheen lant,
goet en bilde ofte leen, also verre als h|jt bevroet
ware, Grimb. I, 1653. Alse h|js niet en wart
bevroet {loen hij het niet te weten kon komen y het
niet bedenken kon\ van rouwen was hi na verweet,
Farth. 7226.
Onz. — Verstand hebben, || Selen wi hen bidden,
dat si ons hoeden, die so vele niet en bevroeden,
Sp. Il», 22, 292. Die wel bevroet ende siet. Nat,
BI. IV , 67. Dus proeft men dat vische bevroeden, V ,
860. Elc mensche, die wille bevroeden, ^n'm. 1317.
Wederk. — 1) Verstandig y wijs sf\fn; inzicht ^
begrip hebben. \\ So moghen wi ons een anderwerf
hoeden ende te bat ons bevroeden, Melib. 2065.
Die hem also wel bevroeden, dat si . . haer in-
gheborne nature verdriven, Teest. 3016. Eer sy
hem selven dan bevroeden , soe brengen si menighen
8camelen man in wolrd , des hi nye schuld ghewan,
Hild. 9, 366. Dat hem elc bevroeden soude {zoo
verstandig zijn om) te doen e also hi ghebiet,
Praet 4127. — Met eene bep. met ane. Verstand
hebben van^ deskundige zijn. \\ Werclieden ende
anderen , hemlieden der an bevroedende , Invent. v.
Brugge 4, 210.
2) Begrijpen y vatten. |)Dats een dinc, dies ie mi
niet en bevroede , Rttbben 184. Na dat ie mi bevroeden
can , so leget vele verlies daer an , Vierde Mart. 80.
Eest als ics mi bevroede, {t. homoeden; {begrijp
ik de zaak goed) , so dolen dese vroede , JVt^. Mart.
1 , 779 par. ; zoo ook Hild. 252 , 138 var. ; V. d. Houte
331 var,\ BraÓ. T, TI, 121 (nzr. vermoeden). Alsoe
ie mi can bevroeden, quantum video , V. d. Houte 331.
3) Weten y hetzelfde als bevroet s^n. || Dan
sal ie na u vraghen berechten , soe ie best bevroede
mi, naar mijn beste weten , Vrouw. e. M. 1^ 851.
4) Zeker zijn^ zekerheid erlangen ^ zeker weten. ||
Dat ics mi bevrode, oft hier enech ridder leet
over dwater, Lanc. II, 44950. Zo zouden hem
de . . heeren gherne bespreken, beraden ende
bevroeden met manlic anderen omme gherecht
vonnesse te ghevene, Belg. Mus. 7, 93. Eer si
hem selven dan bevroeden {voor zij zekerheid hebben^
wie hen bestolen heefC), soe brengen si menighen
scamelen man 4n woird , des hi nye schuld ghewan,
Hüd. 9, 366.
Aanm. — Bevroeden zal wq^eene verkeerde
lezing zijn, Sp. I*, 56, 38: „Ter noot encondem
niemen bevroeden, maer inder weelden was hi
{Alexander) zot." Ken leze vervroeden, d. i.in
wisheid overtreffen. Of kan ook bevroeden deze
beteekenis hebben?
BEVROEDICHEIT , znw. vr. Beteekenis. || Wie
sal my segghen de rechte bevroedicheyt van mgnen
droom? Mar. v. N, 47, 1093.
BEYROEDOM (bevroeddom) , znw. o. Van
bevroet, deelw. bnw. van hem bevroeden,
wijsy verstandig. Vgl. vroetscap. Zienswijze^ ge-
voelen ^ meening y advies. \\ Dit es tbevroedom dat
de goede liede van Antwerpen overghesonden hebben
den goeden lieden van Brugghe , als van enen tol-
huse, Invent. v. Brugge 5, 223.
BEVROET, znw. o. Verstand^ inzicht. \\ Dits
deerste ghebot na mgn bevroet, Sp. d. J. Sy 165.
— Over het bnw. bevroet, zie het vorig Art.
BEVROYEN, dial. vorm voor bevroeden y Plagerw.
UI.
BE VROMEN (?). |i Ie sorghe, dat ick woerde
ghenomen van mynen neysten dye in derde stickt,
ie ghefaeliert in myn bevromen, Vad, Mus. 4,
196 , 69.
BEVROOCHDEN (bevroechden), zw. ww. onz.
Hetzelfde als het meer gewone vervroochden. Zie
ald. en vgl. mnd. bevrouwen. Zich verheugen y zich
verblijden y vreugde betoonen. || Die woest^n ende der
{daar) gheen wech en is sel bevroechden ende die
enicheit sel verbliden- ende bloeyen als die lelie.
Stemmen 150.
BEVROREN, zw. ww. bedr. Caus. van be-
vries en. Doen bevriezen. || Ghy siet wale wie der
wynter kalt die eerde bevroret ende haer vrocht
testoret, Serv. I, 3028.
BEVRUCHT, deelw. bnw. van het ww. hem
bevruchten; mnd. sik bevruchten ; mhd. bevürXFen ;
lid. sich befSfchten. Bevreesd y bang, \\ Die seere be-
scaemt waren ende bevrucht, meshandelt te sine
hadden si ducht, Brab. T. VI, 10913.
BEVULEN, zw. ww. bedr., bevulen. Bevuilen;
vuily morsig maken. || Du bevuulst {t. bewulst) mi
al dwater , dat ie drinken sal , Bsop, n, 5. Het ware ,
seit hi , grote scande , bevuuldic {t. bewuldic) hier an
mine tande, indien ik mijne tanden door het ver-
slinden van een ezel vuil maakte y XI, 8.
♦ BEVULVED, Leid. Keurb. 141, 43 titel. Men
leze bewulved (zie ald.).
BE VUREN, zw. ww. bedr. Vgl. hd. befeuereny
en mnd. bevuringe. ^»r»r^fi. || Vrauwe . . ., m^n
herte, m\jn zin bevure , dat ie u mach doen visen-
tatie met beden teser ure , O VI. Lied. e. Ged. 49 , 5.
BE WACHTEN, zw. ww. bedr. en wederk. Mhd.
bewahten.
Bedr. — 1) Bewaken y behoeden. \\ Dat ie be-
wacht hebbe . . . den scat, dien hi mi hadde be-
volen, Jmand II, 3837. Dat hise {de ark) be-
wachten soude, Rijmb. 8669. (Maria) wilt bewaken
{waken over) m^n leven , O VI. Lied. e, Oed. 453 , 79.
— Met eene bep. met van. Behoeden vooTy terug-
houden van,\\Tio\ü te be wachtene van dnlheden,
Rijmb. 27269 rar;
2) Beschermen y beveiligen. \\ Bewacht es zoe {de
bloem) in eiker ure van hem, die heere es aer
natuere, OVl. Lied. e. Oed. 408, 147. Sint dat
hise {de vos de hoenders) smakede . . . , ne conste
ons wachtre nochte bont no bewachten no bescaer-
men , Rein. 1 , 402. Soe {degraeie) bewacht {houdt in
stand) elke stede, Wap. Rog. 942. Die doeken wel
te bewachten mit scutte ende ander weer , Clerc X2%,
1199
BEWA.
BEWA.
1200
Wie eest die waent dat een medicns int honden of
dbewachten van den lieden heeft Gods weteutheit ?
Vaderb, 76c. — Ook met eene bep. met yan of
vore. Beichermen tegen y vrijwaren voor, \\ Enen be-
wachten van plagen , Vad, Mut. 5 , 325. Van donre
ende van blixeme. Nat, BI. XII ,973. Yansonden
ende van quaden ghedachte , Benkm. 3 , 101 , 13.
Van der (helscher) deemsterhede, ^mai»^ II, 3844.
Van hitten ende van coude, Wap. Bog. 444. Van
den viant, Sp, lY ^ , fr. 61. Van coringen, Lanc. III ,
3926. — Vor tsfiants geslacht, O Tl. Lied, e.Oed.
35 , 181. Vooralle scaemte {schande) , Troyen Vb. 24<:.
3) Ret opzicht houden over, regeer en^ besturen, \\
Tote Jhenisalem, dat hi doe sende Componinse,
enen van Bome, dat hijt bewachte ende begome,
Rijmb. 21906.
4) Beloeren y in het oog houden, bespieden, || Ende
bewachtene ende belagen sine vrient, die gerne
wrake sagen, Mor, 2021. Som seggense, dat mgn
her Lodewijc dat ierst bewachte sekeriyc ende
bracht vort also die sake, Velth. VI, 8, 27. Dor
hem meest waest bewacht nanwe al omme, werd
er gespied; toezicht, wacht gehouden, Bijmb,2916S.
Aanm. 1) — I{s. p. 1348,69fl: „Bewacht(hi) al
mine ghebode" is eene verkeerde vertaling van
lat. observare , in acht nemen, betrachten.
Aanm. 2) — Eenigszins vreemd wordt het deelw.
(of de geb. wjjs?) bewacht gebruikt, Heim, 73:
„ Here , ghef goet na dire macht ende emmer nader
(var, metter) maten bewacht." De bedoeling is : let
bij het geven altyd op de juiste maat.
Wederk. — Hem b e wachten, zich ergens
voor wachten, in acht nemen, hoeden, \\ Gode dienen
tallen stonden ende ons bewachten van sonden,
Amand II , 4382 Ne laet di niet te sceme driven . . ,
daer duns di moghes bewachten , Boec v, Sed. 499.
BE WACHTER, znw. m. Beschermer, || Datghi
(Maria en Sinte Jan) alle weghe ende alle t\jt
mine vaste bewachters syt, O Intern, 55.
BEWAEC (bewaic), znw. o. Wacht, toezicht. \\
Dat hy gheen bewaic en hadde . . . opte riviere
noch opten stroem aldair , Oesch. v. Antw. 3 , 575.
BEWAERDERNISSE. Zie bewaernisse.
BEWAERHEIDEN (bewareiden, bewaer-
heüen), zw. WW. bedr. Rechtsterm. Enen h.,het
overtuigend bewijs leveren, dat iemand zich aan een
misdrijf heeft schuldig gemaakt. Vgl. by waer-
HEIT. II Hier voire (voor dit misdrijf) salne
damman houden, waer men vint metter verscher
doet oft also dicke, alsen damman bewaerheiden
mach sonder daghen met tweeu poirteren. Ende
alsen damman metter verscher doet niet en
bevint, soe moet hijse (mv.) tierst bewairheiden
voir de scepenen met tween poirteren, Belg. Mus.
7 , 302. — Iet b. — , het in rechte bewijzen , waar
maken, lat. probare, \\ So wat man een poirter ont-
seide of dreychde te slaen, ende men dat bewar-
ryden mochte, O, K, v. Delft I, 10. Mit meer
lel\jcken onstantliken woorden, des sy op hem
beyden niet en heeft konnen bewairheiden, O, R,
V, Bordr. 1, 335, 149. Dat . . nyemant yet over
en segge dan hy selve staen ende bewaryden will,
301, 1. Soe verde men datselve bewaerheeden ende
becondtschappen conde dat sulcx gheschiet waer,
278, 81. — Thans nog slechts in gebruik in het
deelw. bewaarheid, d. i. door de uitkomst , de feiten
bevestigd.
BEWAERNEN (bewarenen), zw. ww. bedr.
en wederk. Freq. vkel bewaren ',m\i^,bewarnen,
Bedr. — l) In staat van tegenweer brengen,
versterken, W^i vonden alle die castele tien stonden
wel bewaerrent, Lanc, IV, 7635. Alae die tor wel
sal sgn bewarent, 8149.
2) Toerusten met, voorzien van, \\ Onae here hadde
u so wel beset ende bewarent so wonderlike van
allen dogeden, ald. 5070. (Die casteel) es so wel
bewarent . . . van ridderscape (ridders), dat hi
wesen mochte wel versekert bi desen, 7048. Die
tor es ... . van spisen wel bewarent in aUen wisen ,
8229. Van ridderscepe (ridderdeugden) sgn si (di
ridders) so bewarent, dat haer gelike nieweren en
es in al ertrike, 8796. Van ridderscepe, ende van
vromecheden bestu so bewarrent den dach heden,
dattu weerder bist dan ieman el, Vad, Mus. 4, 318,
207. Met claeuwen, home, met scerpen tanden . . .
so en es hi (de mensch) bewarent niet, Sp, II*,
75, 19.
Wederk. — Zich voorzien. \\ Eneas hadde hem . .
bewaernt alse die wise met eenre oliven rise,
Lsp. I, 42, %.
BEWAERNESSE, -nisse (ook bewaerder-
NISSE) , znw. vr. Mnd. bewamisse. — 1) Bescherming ,
hoede, \\ Dies gaen wi in de bewaernesse (hetzelfde
als geleide) van Gode, Amamd I, 2196. In onsc
bescermenisse ende bewaemissen . . nemen, Ngh.
3, 202.
2) Bescherming, beschutting, || Ter hoeden ende
bewaernessen ende ter bescermenessen ende oorbore
van den ghemeinen goede, BreJi, T. VII, 6465.
Twelcke al was ter bewaernesse van den coopman,
Cout. V. Brugge 2, 86 Aant.
3) Bescherming, behoud, instandhouding. || In
bewaernesse ende in bevrien haers rechts , Brmb. Y.
VII , 1430. Inder bewaemissen haerder heerlicheit,
heerlijke rechten, ald. dl. 2, bl. 483, Tot onder-
houdenisse ende bewaernisse van onsen rechte,
Inform, 2. In bewairderaissen der selver heerlicheyt,
Oesch. V. Antw, 3, 578.
4) Verdediging, \\ Daerinne wel behoirde voiniien
te wesen . . tot bewaernisse van derselver stede,
ald, 431. Dat men tot der bewaemissen (mot dit
bolwerk) wel hondert manne moeste ghissen , Brah.
Y, VII, 8768.
5) Onderhoud. \\ Van der schuit, diehemlnydea
an tlant gebrac van de bewaernisse van der Znjder-
zee, Inform, 103.
6) Bewaking, wacht. || Dach ende nacht saldi
bliven in die tabernakel , wachtende des heren be-
waernisse, dat ghi niet en sterft, D. B. Levil. 8,
35. Betaelt den serganten ende scotters die ter zee
laghen jeghen de Zeelanders omme de bewaemes^se
van den Zwene, Invent. v. Brugge 3, 459.
7) Bewaring. \\ Ende behoort de somellier af (>r
van, nl. vanden hoed) te nemen de bewaernisse, Matth.
Anal, 1, 277. Op dat men die (brieven) vinden
can ouder ons of in onze bewaernesse , Invent. r.
Brugge 5, 130.
BEWAERRE (beware, ook bewaerder), znw.
m. Mnd. bewarer,
1) Regent, bestuurder. || Die Grave van Gel re
bleef mit crachte des kynts bewaerre ende des
lants, Matth. u^im/. 3, 171. Der kerken van Utrecht,
dair die edel bisscop een bewaire of was, 313w
Hi dode ende verjaechde uten lande ende atea
steden die bewaerders, die coninc Karel daer
ghelaten hadde, £xc. Cron. 736.
2) Bewaarder, opzichter. \\ Bewares der blonm*
kine .... hebzi omtrent de stede gheset, or/.
Lied, e, O. 484, 169. Den bewaerre van dei
lynwade , Matth. Anal, 1 , 265. Als dit vernam die
bewaerre des tuyns , . . soe smeet hi den beer sga
lufter oer of, Gest. R,f. 105*. Ben ie een bewaerre
1201
BEWA.
BEWA.
1202
van minen broeder? S. v. 1357, Bc. O oefeuaer
ende bewaere der doechden , Sp. d. M, 1 ^ 69^. Die
soon was Aras des bewarers der clederen , D, B. II
CAron. 34 , 22 (jUii Hasra cuêlodU vsttium). Daerom
salmense tot bewaerres der meechden Christi sueken
die van reynen leven s^jn, ^. d, M. 1, 107a.
(Jezus) plach Joseph, sinen beware, te helpen
in tymmeren ende in arbeiden, Brn^. 2, 315. —
Samenst. — Kellenaerbewaerre, teldenoacAter.
II Soe beval by den kellenaer bewaerrer (/. bewaerre
of bowaerder), dat hij dye olye om Goods willen
f even sonde , mer die kellenaer bewaerre versmaede
at te doen. Pass, W, 249a. — Ambachts-
bewaerre (e. ald.); e. a.
BEWAEBT. Zie bewaren.
BE WAGEN, st. ww. bedr. (bewoecA, bewaken).
Gewaden, gewag maten; vgl. mnd. bewacA ^ d. i. hd,
erwagung, \\ Wat sy daer off veel bewaghen, die
vrouwen en hebben niet te daghen , MLoep 1 , 2695.
BEWAIEN (beweien), bw ww. bedr. Mhd. be-
wajen. Met den wind als ondw. Aamoaaien , waaien
tegen , waaiende bereiken, \\ War es die mensce die
spreken dorre datten nortwint noit en beweide,
Limb, Serm. 34^. Daer hi {de wind uit de blaat-
balgen) bewaeit die voghelkine , daer staen si recht
ende beven in der ghelike of si leven , Wal, 3534.
BEWAKEN, Ew. ww. bedr. Mhd. bewacAen,
Bewaken. Vandaar het euw. bewaec (e. ald.).
BEWANDELT (bewandert), eig. deelw. van
bewandelen; hd. bewandert,
1) Van wandelen , in den zin van reizen. Die veel
gereisd Aeeft, bereisd, || Heer Jan de Hertoghe een
ridder van love (t. Love) ende wel bewandelt,
Brab, Y, YII, 15423. Aldair soe hoerdic gheven
prys mannen, die wel bewandert waren; dat
vrouwen afler landen varen, dat en wistic nye
veel prisen, Hild. 21, 48. — Ook in de fiff. op-
vatting van ervaren (dat ook eig. bereisd beteekent),
slim^ gewikst, geroutineerd. || Dese ridder . . ghinc
tot enen subtilen, besochten, bewandelt clerck,
Gest, R, f, 50c (hd. ein bewanderter man; Ygl.gewandl),
2) Van wandelen, in den Ein van omgaan (zie
ald.). Die veel met iemand omgaat , zicA opAoudt met
iemand, \\ Den knecht, bewandelt met ghebuereu, ne
wil in gheenre manieren hueren , Denkm. 3,8, 183.
BE WANDEREN, zw. ww. bedr. — 1) Hetzelfde
als belopen (z. a). Door syn wanderen beAalen,
beloopen, ophopen, \\ Die belopen ende be wand eren
scaemt ende schande , die langhe duyrt , Hild. 21, 68.
2) Bewandelen, wandelen over iets, bewonen, \\ Gi
selt die aerde bewanderen ende vervollen, B, v,
1357, 6a. Bewandert dat lant in siin lencte ende
sine breete, 9d.
BEWANDERT. Zie bewandelt en bewanderen.
BE WANEN, EW. ww. bedr. en wederk. Mhd.
bewonen; mnd. bewanen (beide in de bet. van
verdenken),
Bedr. — 1) Wanen, ge looven^meenen, ver moeden,
er voor Aouden, \\ Ne bewaent üiet, edel coninc,
al bem ie een aerminc , hoe mochtic sulke mort be-
tamen , Rein, 1 , 2209. Tarqninius bewaende dat , dat
Thymothens hadde scat, Sp, IP , 21, 31. Al dat
wi goet bewanen, II*, 74, 122. Die viant ne wiste
over waer niet, dat Jhesus Gods Sone was, maer
dat hi bewaende das, om die mieracle , die hi dede,
Rijmb, 22914. Daer cam een, als men bewaent,
dies van Gode was vermaent. Franc, 4999. Sonder
dat si bewanen . . . , dat men hen soude ghetrouwe
bliven, Vad, Mm. 1, 345, 35. Dit sal de here
ende de stat moghen doen besouken op deghene , daer
mens op bewaent dat sy t doen , Cor, v, Aniw. 50 , 185.
2) Vermoeden, verwacAten, \\ Hi sal noch honen
binder maent sulken dies niet ne bewaent. Rein, 1, 175.
Si sinden boden ende vermaenden, daer si hulpe
ende troest bewaenden, Lanc, III, 17398. Van
daer hijs niet en hadde bewaent, wart hi te Con-
stantinoble gesleghen, Sp. \W , 33, 4. Diemen
tonser hulpen bewaende, die bleef al rechte jegen
ons staende, IV , 25, 73. Ist dat ons God die
seghe gan , des ie hope ende vermaen , Troyen Hs,
f. 279 a (vgl. /^. II» , 36, 42). Bewanic nie wighes,
so help mi God, verwacAt ik ooit een strijd, T ar IA,
1489.
Wederk. — Hem bewanen. — 1) Meenen,
gelooven, wanen. \\ Noch tan bewanic mi al das, dat
Philip syn vader was , Alex,\, 329. Keye bewaende
hem te haut das, dat die ghene Lanceloet was,
iMnc, II, 30010. Hi mach hem wel bewanen {Aet
er wel voor Aouden , er zeker van zijn) das , dat hi die
wort becopen sal, 26619. In hads mi nemmermeer
bewaent {nooit gedoe At), dat si van mi soude sijn
gevlouwen, Ferg. 2004. Zoo ook Franc, 221, 294,
8293.
2) VerwacAten. Met den ace. v. d. pers. en den
gen. der saak (of van), of den dat. pers. en den
ace. der zaak. || Hi bewaendem der doot, iS/;. III*,
11, 36. Alsi bewaende hem van {verwacAtten
te zullen vinden) spisen, RiJmb. 32418. (Si) be-
waende hare grooter mieden, Sp. IV , 56, 20. Dat
ie van orlogen ende van striden mi bewane in
corten tide. Rosé fr, 248, 41. Als die hem lof
ende prijs bewanen , Brab, T, VII , 2066. — Vooral
met eene ontkenning. Niet verwacAten, geene ge-
dacAten Aebben op , geen vermoeden Aebben van iets ;
hd. keine ahnung Aaben von, \\ Seghelyn was, die
hem bewaent van desen dinghen none wiste , SegA,
10178. Alse die hem niet bewaende das,datenech
riddere daer binnen was, Lane. II, 23508. Die
tAken lach . . . ende hem luttel bewaende van
striden, Brab, Y, II, 5636. Die Numidiene . . .
bewaenden hem niet van vianden , Sp, I * , 36 , 47.
Want hi hem berde lettel bewaende der groter
eren enter vramen, daer si sident toe quamen,
Aoil-fr. 1^1, — Ook in den zin van Geen Aoop
Aebben op. || Hine bewaendem ghere ghenaden , want
hi hem dede so vele scaden, Rijmb. 29165.
BEWANINGE, znw. vr. Meening. Als' var.,
L. V. J. c. 24 vermeld, Nalez. L, v, Jezus, bl. 13.
BEWANC. Zie bewant.
BEWANT, znw. o. Mhd. bewant,
1) Bestuur, gebied, macAt; synon. van beAout (z. a.) ;
vgl. bewenden, bedr. 2). || (Bessus) hadde in sijn
bewant vele meer volx dan Alezander, Alex.Yll , 346.
Dus voer deen in Beyeemlant ende bleef daer in
s^n bewant, waar Aij macAt over zicA zelven Aad,
veilig was, Velth. VI, 2, 49. Die viant hi haddene
in sijn bewant, Rijmb. 9273. Dat hi nemmermere
om bewane (/. bewant) noch om ghene dinghe
kerstendom iet ontfinghe, Brab. Y. II, 1038.
2) Toestand , gesteldneid. Vgl. bewenden,
wederk. 2), en hd. bewandtnis.\\Y>Q%e twee syn in
een bewant {in een toestand zóó d-af, in zulk een
toestand dat), dat costen moet seens leven, Wap,
Mart. II, 80.
3) Het laten blijven in denzelfden toestand, uitstel;
vgl. hd. bewenden lassen. || Van sulcken verstorven
lenen soellen die gheeue, den dat beruert, hoir
bewant hebn tontfangen, Nijh. 4, 392. Dat sy drie
weeken be wants haven moegen na der zy t {tijt) , dat
de brieve danaff an de heren komen syn, 146.
BEWANT, deelw. bnv van bewenden. Mud.
bewant.
1203
BEWA.
BEWA.
1204
1) Oesteld. Zie bewenden, wederk. 2).
2) Verwant \ mhd. mnd. bewant. \\ Om dat . . .
syne kinder ons van bloets wegen bewant sijn . . ,
Nijh. 4, 443. Twelck wy . . . na bewantenisse as
die Helve kindere onts van bloetz wegen bewant
syn . . ., nyet wael affwesen en mogen, 6, 115.
3) Als snw. gebruikt. Onderhoorige ^ die onder
eene pluats ressorteert] hd. angehörig. Zoo ook in
H mnd. || Nyemant van onsen borgeren ende be-
wauten der stadt ofte stadts heerlickheyden ,
JFW. Stadsr. 260.
BEWANTNISSE (bewantenisse), znw. vr. Hd.
bewandtnis (hoewel in anderen zin). Vertoantschap ^
vriendschappelijke gezindheid, \\ Uyt sunderlinger
grontlicker lieffden, bewantnisse iud toeneiginge.
— Een tweede voorbeeld, zie BEWANT, 2de Art. 2).
BEWAPENEN, zw. ww. bedr. Hetzelfde als het
meer gewone venoapenen (z. ald.; of moet men
verwapenen lezen?). Ten nadeele der schut deisehers
overdragen (veelal wordt deze uitdrukking gebruikt
van eene overdracht , die geacht wordt gefingeerd
te zijn). II Dat dit nyet gescieden en sel moegen
om vemant ziin goet mede te bewapenen voir
sculden , loften off plechten , die de ouders gemaict
. . hadden, R, v. Utr. 2, 301.
BEWARDEN. Zie bewerden.
BEWAREN, zw. ww. bedr. en wederk. (impf.
ook bewerde^ en deelw. bewerd, waardoor de ver-
warring met beweren (z. ald.) wordt in de hand
gewetkt). Ohd. bitoaron; of ri. biioaria; mhd. bewarn;
mnd. bewaren; hd. bewahren; eng. beware,
Bedr. — 1) Toezicht houden, nauwlettend acht
geven op^ nagaan, inspecteeren. || Al sijn die jonghen
te stride guet . . ., tmoet mit wgsheit sijn be-
waert, Hila. 69, 187. Den genen , diet vander stede
wegen bevoelen is te bewaeren, K, en O. v. Delft
104 , 22. Wair dat die rechter of yement van den
gherechte ghinghe omme die poorte te bewaren,
O, K. V. Rott, 41, 121. Twie man die elx in hoir
bnyrte bewaren sullen alle ghebrec van straten,
platen, ledderen, brandhaken enz.. Leid, Keurb,
7, 25. Item sal tgerecht alle jair vier gesworen
setten, dese voirscr. bruecken te bewaren, 242,
§ 6. Dat hi wilde henen varen sijn bisscopdoem
sien ende bewaren {in oogenschouw nemen), Sp, III* ,
36, 55.
2) Het oog houden op, administreeren , bestieren, ||
Om die (goederen) op te .scriven ende te doen bewaren
ende regieren na hore bester wetenscip , Leid. Keurb,
167, 50. Voirt en moet geen molenair meer wint-
molens houden dan een ende die sel hij selve be-
waren, O, K. V. Delft II, 69. Jason trike alleen
be waert, MLoep lY, 529. Dat niemande deser steede
goeden huyeren ofte bewaeren en sal moegen, ten
zy dat hij eerst poirtere . . . wesen sal, K. en O,
V, Delft 213, 6 Aant.
3) Het bevel voeren over. \\ Myn heer Arnout
heeft bewaert . . . den standaert, Gritnb, I, 4146
(vgl. 4155). (Si) lieten hare scaren die elc van hen
bewerde, Lanc. II, 34548.
4) Letten op, passen op, \\ Gi cont scone ende
wel bewaren u tale , uwe woorden met oordeel kiezen,
wikken en wegen, Cass. 1796.
5) Het oog over iemand of iets laten gaan ter
wering van gevaar , besehermen, behoeden, beveiligen. \\
Tgraf bewaren, Hild. 56, 11. Quick {vee) be-
waren , MLoep 1 , 1945. Hi sal u dienen . . . ende
u lyff ende ere bewaren, II, 3742. Bewaer mijn
heer den coninc. Rein. II, 4306. Vele edele . . ,
die te diere tijt laghen te Rotterdamme . . om die
stot te bewarene, Brab. Y, VII, 7807. Want hi
{de raet) bewaren sal sinen here ane lyf, anegoet
ende ane ere, Lsp, III, 13, 45. Item . . . sal men
hebben makelaers van wgn opt lant ende int water;
die zullen voer scepenen daer toe zweren, den
coepman te bewaren, O, K, v, Dcrdr, 36, 112. Dan
so zeit die taelman: of ie N. . . niet en bewaerde ,
verdedigde, als hem nut ende orbaer waer, O, R,
V, Dordr, 1, 361. Te bewarene trechte van den
stapele , Invent. v. Brugge 3 , 539. — Ook met eene
bep. met van of vore. Besehermen t^en. \\ Onsen
lantshere . . bewaren van alle dien, daer hem of
mochte misschien, Lsp. III, 19, 32. (Hi) dede . .
allomme syne lieden bewaren voirt van al dien,
daer hem af mochte messchien ende liet^e wesen
op haer hoede, Qrimb, I, 2323. Op dat sijn lyf
voor allen vresen te bet altoos bewaert soad wesen.
Rein, II, 5437. — Het deelw. bewaert, in de bet
— a) Beschermd, beveiligd, verzekerd, bestand, \\
Vor min speryser ende min swaerd sone es gene
dinc beward, Lanc. III, 24504. Off die vader
onwetelick storve ende hy syn kynderen ghien
monden gheset en hadde, off dat sye an hoeren
rechten monde van sibbes weghe nyet bewaert
waeren , indien zij in den persoon van hun wettigen
voogd geen voldoende zekerheid, waarborg hadden
(vgl. onder 13), Schwartz. 1, 663, 111. Dat dye
kynder ende hoer gued well bewaerdt werden , ald.
— b) Veilig , gerust, \\ Dat si hem te beteringhe
quamen , of hi (beter si) wonder tieghens bewaert
wesen , indien zij niet voor onaungename gevolgen
wilden vreezen. Rek, d. Gr, 1 , 448. — Bewaerde
hant, eene veilige, zekere plaats, \\ WantHindrick
dat geit niet gelecht hefft in bewaerder hant.
Etst, V. Dr. 108.
6) Eene plaats versterken , van gewapenden poar-
zien, in staat van tegenweer brengen, \\ Torre twee,
die coninc no keyser nemmermee met crachte ne
mochte ghe winnen , daer si bewaert waren binnen,
Parth. 504. Sijn borch dede hi als die vroede . .
wel bewaren ende spisen te twee jaren , Grime, l ,
2327. — Het deelw. bewaert als bnw. in de bet
versterkt, sterk, || Niet verre was hi optie vart,
hine sach enen casteel wel beward, Lanc. 11,
38273. Abobus soen ontfincken in een bewaert
stedekijn, dat Doch hete, D, B. 1 Maceab, 16, 15.
Gazara, die bewaerde stat, de vesting, II Kace^.
10 , 32. Machabeus ende die mit hem waren beleiden
die bewaerde stat vier daghen , ald,, 33. — Ook een
persoon in st^uU van tegenweer brengen, mtnuie»,
wapenen, \\ Syns selfs lichame heeft hi bewaert,
JÜx, IV, 1611. — Vooral in het deelw. gebruikt ||
Porus here was wale bewaert , met oliphanten alom
gescaert, Jlex, IX, 129. Acht hondert riddren . .
die alle syn wel bewaert. Ren, 878. Hoesihildea
daer gescaert met vier scaren wel bewaert , Grimb.
1, 4170. Daer quam van Leefdale heer Godevaert,
met sinen magen wel bewaert, II, 245 (vgl. 2090).
7) Iemand van het noodige voorzien, oppassen,
verzorgen, bedienen. Vgl. achterwaren. i| Den
surgien . . van zalven . . de gequetste mede te
bewaeme, Invent, v, Brugge 3, 52. Eenen jonc-
wive diene bewaerde, 103. Een surgien, die bewaart
hadde een sciltcnape die ghewont was, ald. Ie sal
ons harde wel bewaren : ie hebbe ene borch staende
bier bi, Lanc, III, 12374. Emont, seitM, na
bewaert Luciuse tavontmere : doet heme werdecheit
ende ere, Parth. 7349. Te bewaren enen siekea,
D. Ords 252. Ende soese {de zieke moeder) bat
bewaren sal. Flor, 465. Dat sise {de paésdem)
corenden ende wel bewaerden, 1837. Neve, bi
sidi wel bewaert, goed bezorgd, Rein. II, 68^
1205
BEWA.
BEWA.
1206
Beveelt him uwe zaken al: ghi snit yan him bet
sijn bewairt, MLoep I, 1770. Zoo ook Hild. 207,
303. — Opmerking yerdient dat mnd. en mhd. be-
waren de bet. hebben van ons het H. Avondmaal
toedienen ; vgl. ons bediening = Avondmaal, — Het
deelw. (wel^ bewaert wordt gebruikt in debet,
van ons gediend met^ d. i. inzijnsehii, tevreden. \\
Gaefdi mi een vette muns, daermede waer ie wel
bewaert, Rein, II, 1142. Herman van Woerden . .
ende van Velzen Gheraert waren hiermede wel
bewaert, Velth. III, 44, 14.
8) Ook met het obj. eenerzaak. Gereedmaken^ in
orde brengen. \\ Doe bewaerden si den boot, ParM.
1320 {de uitgever maakt er geheel verkeerd be-
waterden van). Met penetencien, eer bi storve, te
bewaerne sine nutfaert, sich voor de groote reit voor
te bereiden,
9) Voorzien van^ in het bezit stellen van^ toe-
rtêsten met, || Als hi van beiden {schaakbord en
stukken) was bewerd , hi bracht der joncf rouwen ,
Lanc, II, 18397. Die luchterhant was bewaert met
laghelen {kruiken)^ Rijmb. 7690. — Vooral in ge-
bruik in het deelwi bewaert, met eene bep. met
▼ an of met. Voorzien van] in het bezit van] toe-
gerust, begaafd met\ zoowel van concreete zaken als
van abstracte eigenschappen. || Eenen boegaert, die
met vruchte wel es bewaert, T, en Lettb. 3, 65,
21. Gheent huus was . . bewaert wel van goeder
spise, Esop. XII, 8. Ie sal u syn paert gheven
oec, alsoe bewaert mitten harnassche als hy der
op sat, Trogen 10905. Dat elc goet man moet
zin bewaert met v^f pointen , D, War. 7 , 391 , 2.
Bewaert met alre tiere dinge, Velth. II, 33, 14.
Koit en was huns bat bewaert van dieren dinghen,
Brand, {H,) 1684. Haer kelneren wel bewaert met
goeden wine, Teest. 3269. Van wapenen wel bewaert,
Onmb. II , 72 , 2734 ; Alex. 1 , 850 ; Lane. II , 25809 ;
IV, 4594. Met wapenen ende met spisen vaste be-
werd , Rijmb. 34503. Dus es hi metten crnce b. , voor-
zien van het teeken des kruises , Franc. 1^1, Vele meys-
nieden, met coeferen, met malen wel b.,^0iaiM? II,
1914. Een vaste starcke stat, die mit mueren ende
mit burghen wel b. was, D. R. II Jfoc^aö. 12, 14.
(Beelden) van maetselrien wel bewaert, goed toe-
gerust wat het snijwerk betreft^ schoon bewerkt^
OVl. Lied, e. Qed, 459, 88. — Een pard met
groter aierheit wel beward, Lane. III, 26157. Hi
was stout ende van lichten leden ende bewaret van
goeder seden, II, 5179. Nadat ickene nu weet be-
waert van groten geselscepe ende van stouten
ridderscepe {ridders) , IV, 4808 (elders bet. van
ridderscepe bewaert, met ridderlijke eigen-
schappen begaafd, Lanc, II, 35701 , 21497). Bewaret
▼an al desen (dogeden) , 6704. Van goeden woerden
wel bewaert, met vriendelijkheid, minzaamheid toe-
gerust, begaafd, MLoep I, 2380. Metten gelove wel
bewaert, sterk in het geloof, franc, 5796. Die therte
hebben met reinardiën van binnen bewist ende wel
bewaert, Overzee 151.
10) Iets bezorgen, inrichten, in orde brengen,
klaar maken, overleggen, ergens voor zorgen, \\
Laet dgn sorghen varen, die avontuer salt wail
bewaren, MLoep I, 103. Doch zal men dat sorch-
▼oldelike bewaren , dat in allen spetalen den zieken
nachts nemmer en ghebreke lichts, D. Orde 217.
Sijn rade hebbent also bewaert, dat hij een wij ff
▼an hogher aert tot sinen hove halen sonde,
MLoep IV , 1 189. Si bewarden ende bezaghen , dat
ghene pgnlichede ghesciede niewer altoos onder
die lieoe, R^mb, {C) 31518. So laet ons dan also
bewaren, dat onse here te sinen oordele metten
salighen ons bevele , Lsp. IV , Prol. 26. Dat ie soude
dit 80 bewaren, omdat men woude dat ghi goede
gevriende sout bliven, Grimb, 1, 1271. Die Philistene
haddent so bewaerd, menne maecte hem spere no
swaerd , caverant ne facerent gladium , Rijmb. 8901.
Ie sonde die dinc alsoe bewaren, dat hier soude
comen Artur die coninc, Lanc. II, 23117.
11) Ten uitvoer brengen, uitvoeren, volbrengen,
waarnemen ; ook een termijn waarnemen, behandelen,
van eene rechtszaak. || {Gezanten) ghesonden . . te
Bruessele , omme . . te hoorne . . de gheliefte van
onzen harden gheduchten heere ende ooc omme te
bewaerne . . de dochvaert dienende van der snbventie,
Invent. v, Brugge 5, 451. Eer dat die zelve talman
vorder enige andere zaeckeu in rechte zei moegeu
bewaren oue yemants woert sel houden in eniger
manieren , Leid, Keurb. 331 , 37. Twas syn dienst,
hi mostet bewaren, Hild. 67, 141. Ghi hebt u
boetscap wel bewaert, Glor, 381. Mits dat die twie
vestmeesteren beide die dienste teffens niet bewaren
en mogen om den laste ende arbeyt. Leid, Keurb.
167, 50. So wie tot enighen diensten van der stede
geset worden ende dat niet en bewairden, als si
dat sculdich waren te bewaren na den cueren ende
rechten van der stede, 540, 59. Die jonghe was
starck ende snel: hi meynde, hi sout bewaren
wel, wel klaar spelen, MLoep II, 3705. Doe vant
hijt al omme bewaert, de daad overal volbracht,
IV , 1061. — Ook zijn recht doen gelden. \\ Also ment
nu In tyt« bewaert met recht naden recht vander
stede , O, R, v, Dordr. 1 , 369. So hy dat nu wel in
tgts met recht ende met vonnes bedingt ende
bewaert heeft, 2, 118.
12) Enes stede bewaren, iemands funetiën
waarnemen; zijne plaats bekleeden, vervullen, in-
nemen, II Eist zo dat enich van hemlieden claer
belet heift, die zal moeten bidden eenen andren
ghildebroeder, zo dat hi zine stede beware, up de
boete van eenen groten, Invent, v, Brugge 4, 456.
13) Met eene bepaling met ane of met in de
bet. 11). Bij {van) iemand gedaan krijgen {klaar
spelen), verwerven van; lat. impetrare, || Dat hi
nernstelike bewairde aen minen here van HoUant,
datmen tgelt oversende toter soldenairs behoef, Oorl.
V, Albr, 190. Dat hijt nairstelic bewairde aen sinen
lieden, . . dat sy dair bleven tsinte Jans dach
toe, 400. Ziet dat ghijt wel met Sathanas be-
waert, V Maagd, 519.
14) Waarborgen, instcuin voor, verzekeren, \\ Daer
aen solewyne bi waren bi onsen eide , N^h. 1 ,
244. Daer en binnen sal een yeghelic van ons . .
bewaren mit sinen ghesworen , dat si voert bliven,
2, 120. Wanneer die vreden uitgaen, so sel elc
man thuys wesen , die den vrede pleecht te gheven
of enen man hebben , diene voir hem bewaren wil.
Leid, Keurb, 36 , 13. — Vooral in de uitdr. bewaert
sQn met iet, eig. door iets gewaarborgd zijn,
d. i. op iets aan kunnen, \\ Elk witmaker sel sinen
calanten setten enen goeden man , dair hi {de klant)
mede bewairt is. Leid. Keurb, 504, 41. Vier
waerdeins, daer die stede mede bewaert is, 517.
Item sal men telken twee maenden die strekels
brengen biden vynders ende die te punte maken ,
datter die coopman bi bewaert is, O, K, v, Dordr.
42 , 136. Die bodemen . . sullen . . gemaect wesen
van prise bijden gesworen branders, dair die
coopman ende visschers mede bewairt sullen siin,
K. V, Brielle 96. Alle lakene, dair die coeplude
niet mede bewairt en zijn, die zal men ontwee
snijden, O. W, v, Amst, 53, 63.
15) Geld beleggen, verzekeren, veilig plaatsen
T I
1207
BEWA.
BEWA.
1208
besteden. || Die kerstijn sjjn gheli bewaert an
menegerande comenscepe, Sp. 1\ 56, 54. Dat si
coroan siin ende gerne wouden . . an ander copinge
haer goet bewaren, Flor. 1633.
16) Besfeden, plaatsen. || Daertoe zweren, dat
ambocht te gheven daert beste aen bewaert waer ,
wien dit het best toevertrouwd was , nader stat orbaer ,
R, V. Utr. 1, 143, 105. Vgl. bksteden en
BESTADEN.
17) Een recht bewaren, het handhaven^ er
de hand aan houden , de eene of andere daad doen
om te maken y dat men dat recht niet verliest. ||
Dat sy woenstat daermede houden ende haer
poertrecht daermede bewaren , O. R. v. Dordr. 1 ,
297, 83 (doch het hs. heeft hier bewonen (z. ald.)).
18) Eene scouwe, enz. bewaren, eene
schouw of een of ander onderzoek behoorlijk kunnen
doorstaan^ aan zijne verplichtingen voldoen^ de ver-
eischte instrumenten in goeden staat kunnen toonen. \\
Dat alle inwoonres enz. van Delft hoeren ladderen,
emmeren, oesvaten, tobben, enz. bereit hebben
ende houden aullen , omme hoere scouwe daer
mede te bewaeren, K. en O. v. Delft 96, 1. Dat
alle die gheene, die eens anderen ladderen ofte
emmeren haelen, brengen ofte leenen, omme die
S€ouwe daermede te bewaeren, sullen verboeren
30 SC, 97, 5. Zoo ook O. K. v. Delft II, 3;
4; 5; 13.
19) Ook in onze bet. op eene veilige plaats bergen^
onder zich houden^ onder zijne berusting houden^
komt bewaren voor, b. v. IXBest.40\\ Nat. BI.
XII, 1252 par. Een ww. be waer den aan te nemen,
in den zin van op prijs stellen zooals de uitgever
schijnt te doen, is aan bedenking onderhevig.
Aanm. — Bewaren en beweren worden soms met
elkaar verward, vooral in den Rijmb. Zie beweren,
Aanm.; Rijmb. 31518, waar bewarden (van C) de
ware lezing is, en 31164: Tytus dede . . al there
treckcn bet naer der stat ende dede ooc wel be-
weren (/. met C. bewaren, nl. dat here) met
scutters jeghen der Jueden uutloopen. Vgl. ook
Wederk. 8).
Wederk. — 1) Het toezicht^ het oog op zich
zei ven houden^ zich besturen^ zich be toornen. || Vele
lieden segghen . . dat si (de papen) hem bewaren
cranckelike, Teest. 3148.
2) Zich in acht nemen ^ zich hoeden. \\ Had ie
ghekent den hoghen aert, de aanzienlijke afkomst
van Paris y ie {Oenone) hadde mi anders wail be-
waert, MLoep I, 2089. Hi hem bewaerde . . met
penitencien, met berounessen, dat hi dereweliker
verdomenessen ontvlo, Franc. 5900. — Hetzelfde bet.
Bewaert sijn, d. i. hem bewaert hebben. ||
Daer en is nyemant alsoe snel hier op eertrijc
noch 80 wijs, sel hi verdienen eer of prijs, hine
moet mit hoeden sijn bewaert, Hild. 197, 6.
3) Zich beschermen , zich beveiligen , zich sterken. \\
Dus heeft Jacob van Artevelde hem bewaert . .
(door verbonden) met groeten heren, Edew. 1073.
Selve sal hi (de veldheer) bliven achter inder lester
scaren ende metten besten hem bewaren, Lsp. III,
12, 154. Daer bi sal hi (de landshere) hem nemen
an vrome liede ende wise . . ende hem wijslee
met dien bewaren, III, 13, 28 (Lsp. IV, Prol.
26 moet niet als wederk. worden opgevat. Zie bij
Bedr. 10). Doen die heren saghen an , dat die
hertoghe ende sine man ghewillich ten stride
waren, wouden si hem iet bewaren, ende hebben
den grave van Hollant weder ten hertoghe ghesant
om aat hi van dien saken payH ofte vrede sonde
maken, Brab. Y. V, 2459. — Ook met eene bep.
met van. Zich beveiligen tegen. \\ Yfj sollen . .ou
bewaeren van alle dien, daer aff ons yet mocht«
meschien, Orimb. I, 2301 var.
4) Zich versterken^ zich in staat van tegenwfer
brengen. \\ Dat si hem souden bewaren jeghen
coninc Salomoens scaren , Brab. Y. III , 415.
Antwerpen . . bewaerde hem hier jegen wale met
meneger bliden ende springale, Edew. 1124. (Si)
vloen ter andere scaren waert, daer Yoen wu
jegen bewart (waar tegenover Yoen stond) yLorr.fr.
XII, 15. — Het deelw. bewaert in de bet. in
staat van tegenweer , op zijn hoede , op zijn qui-pice. \\
Die Romeyne waren bewaerd ende bestondense
metter vaerd , Rijmb. 33273. Wanttie Romeyne wel
waren bewaerd, 29667. Ie rade u, dat gi daer af
versiet nu, dat gi jegen hen bewaret sijt, Lanc.
II, 7553.
5) Zich van het noodige voorzien ^ zich uitrusten. \\
Dat si (de heren) hem also bewaren, dat si tea
wapenen souden sijn tierst dat men sage des daegs
schiin, Edew. 716.
6) Zich voorzien van^ zich toerusten met. || (Si)
ginghen hem sonder sparen wel bevesten (/. be-
westen) ende bewaren van wapen ende van peerden,
Grimb. I, 2312. EIck bewaere hem . . van dien
dat hem toebehoirt, 2269 var. Dat elc thuys vare
ende hem met eren beware, alsoe alst ten orloge
behoort, 2268.
7) Zich voorbereiden. \\ Hi bewa«rdem vor die
doot, Sp. III», 11, 36 var. (tekst hi bewaendem
der d. ; beide lezingen geven een goeden sin). — Het
deelw. bewaert, in den zin vslü voorbereid^ ergens
op gewapend. || (Die) niet en roven op ghene vaeri,
si en sijn daer jeghens bewaert (dan h^n die op
een aanval voorbereid zijn) Vrouw. e. M. XI, 231.
8) In rechte. Een wettige verontschuldiging aan-
voeren ^ zich excuseereuy zeggen dat men verhinderd
is en zich daardoor zijn recht voor het geval van niet-
verschijning voorbehouden. Vgl. beweren, wederk. ||
Enich onse burgher die gheboeden wort bi enen
cleynen hoede, ende die des anderen daghes in
der stad niet bliven en mochte , die mocht« ghaen
an die scepene van sjjnre straten ende bewaren
hem eens van enen (?) zaken , Stiulsr. v. Zwolle 88 ,
115. Ende hem dan bewaert mit soepen (bij de
schepenen) , var. ald. Die hem bewaert als recht
is , dien en mach men niet bieden , ald. — Ook Ziek
door eenige aanzegging het behoud van zeker recht
waarborgen. \\ Wie dat steenwerc tymmeren wil
op ledige hofsteden . . ., des hi hem bewaert,
Stadsr. v ZwolU 142. Die hem bewaert hadde
ende niet en tymmerde, des hem gheen onghev&l
an en veile . . , die verloer teghen die stad hondert
scillinghe, 143. Ie bewaer mi teghen iu van der
stad weghen , dat ie tymmeren wil ; daer is hi mede
bewaert, gedekt ^ 145. Zoo nog eenige malen aldaar.
BEWAREN, zw. ww. bedr. Andere vorm van be-
weren, in oorsprong geheel verschillende van het
vorige woord. Ook de beteekenissen loopen nu en
dan dooreen, of naderen elkander, hetgeen nog
zooveel te eer aanleiding gaf tot het gebruiken
van bewaren in de beide beteekenissen van be-
waren en beweren Omgekeerd wordt ook be-
weren voor bewaren geschreven. De plaatsen
waar bewaren zonder twyfel als beweren,
nl. afweren y voorkomen y beletten y tegenhouden moei
worden opgevat, zijn de volgende. || Selve qaam
hi achter ghevaren ende bewaerde (varr. bewerde,
verwerde) der viande scaren, Rijmb. 20757. Om
dat te bewarene (de proviandeering) bat, leide hi
volc van wapenen iu de stat, Brab, Y. VII, 11323.
1209
BEWA.
BEWE.
1210
Flandrijs ware bleven doot, ne ware de scilt die
dat bevaerde (/. bewaerde of bewerde), Flandr.
I, 933. Omme te bewaerne, dat de pilgaerts niet
binnen der stede commen zouden, Invent. v.
Brugge 3, 93.
BEWAREN, zw. ww. bedr. Geheel verschillend
yan de beide vorige woorden als afgeleid van het
bnw. waer, lat. verM. Ofv\,bwena\mTi^,bewdren^
bewarden^ betoeren\ mhd. bewaren\ hd. bewiihren.
Iets waar maken ^ eene zaak overtuigend be-
vnjzen , ingang doen vinden ; lat. probare. \\ Die
sullent anbrenghen den rechter . . ende alle dinc
bewaren bi hoiren eede. Leid.. Kenrb. 54, 14. (Die
vier wairdeyns) sullen alle punten bewaren bi
hoiren eede, die der draperie roeren, 66, 1. Dat
selve bynnen der benoemdcr tijt mit oeren ede
bewaeren, Nijh. 4, 465 (vgl. 1, 244: biwaren bi
onsen eide). So waer dat ment bewysen of bewaren
conde binnen der vriheit van Dordrecht, K, v.
Dor dr, 170. Soe mach hi dat mit een ordel be-
waeren ende bestaeden. Over. Dijkr. 1', 9. Sijt
blide nu, Reinaert, ghi hebt uwen dach (hier
rechtszaak) mit eren bewaert (nl. door het winnen van
den tweekamp), Rein. II, 7433 (vgl. 7720).
Aanm. — In ons ww. beweren kunnen dus twee
verschillende ww. zyn samengeloopen , n\. beweren,
hd. bewakren, d. i. bewijzen, en beweren, hd.
bewehren, d. 1. verdedigen. Zie verder bewaren,
en BEWEREN, Aanm.
BEWARENEN. Zie Bewaernen.
BEWARINGE, znw. vr. Mhd. bewarnnge; mud.
öewaringe.
1) Bescherming , hoede. || Gaet in Gods bewaringhe,
dochter. Mar. v. N., 1082.
2) Veiligheid. Zie een voorbeeld op bevrijtiieit.
3) Wapening, wapenrusting . \\ AA^vlb soe wapende
hi elcken met bewaringhe niet van schilden ende
Tan speren , mer mit alte guede redene ende rade,
D. B. II Maccab, 15, 11.
4) Wettige verontschuldiging. Zie bewaren,
wederk. 8). || Faff'^^K;arin^A^». Mer blevehi binnen
Swolle, als men richte, met argheliste, also dat
hi nerghent uyt en wolde, soe en mochte hem
Bine bewaringhe gheen stade doen , Stadsr. v. Zwolle
88, 115.
BE WARMEN, zw. ww. bedr. Verwarmen, koesteren.
II Dat es hi die men sal bewarmen inden liev^^n
blancken armen, MLoep II, 2165. — Nog heden
in Noord-Hollandsche dialecten in gebruik.
BEWARP. Zie bewerp.
BEWASEMEN, zw. ww. bedr. Door wasem tot
ontspanning, verruiming (verademing) brengen. \\
Ghi sult doen bewasemen met heeten water, Jan
Yp. 150. Die oghen sal men bewassenen (/. be-
wasemen) met heeten water dicwile, ald.
BEWASSEN, st. ww. bedr. Begroeien.— yooviX
in het deelw. bewassen, begroeid. \\ Enen camp
bewassen mit braem ende biesen , Rein. II , 6333.
Een hof . . al becommert ende bewassen mit
dijstel , mit doeme , mit netelen , Devoet B. (30) 21r.
* BEWASSENEN. Zie bewasemen.
BEWATEREN, zw. ww. bedr. Mud. bewatem-,
hd. bewassem. Besproeien. — Vooral iu het
deelw. bewatert, van water voorzien , besproeid. \\
Dat dat hint bider Jordanen wel bewatert was,
B. v. 1357, 9*. — Dit woord is door Bormans,
Parth. 1320, te onrechte in den tekst gebracht.
De ware lezing is bewaren (zie ald. 8).
BEWATERMARCT, bnw. Zie belantmarct.
BEWEDEMEN, zw. ww. bedr. Mhd. *iwtrfm«»;
mnd. bewedemen\yf^\. hd. widmen. Vao irpt/^nt, d. i.
huwelijksgoed (z. ald.). Slechts in oorkonden der
oosteiyke provinciën. Eene lijfrente aan eene vrouw
toekennen, \\ Dat wij . . onse lieve huysvrouwe
ind gesellynne bewedompt ind betuchtigt hebben,
bewedomen ind betuchtigen avermitz desen brieff,
Nijh. 4, 197.
BEWEDEREN, zw. ww. onz. Een onweder
{storm, enz.) doorstaan. Vgl. mhd. bewintern en
besomeren, en besomert vleesch (Plant.). Slechts in
gebruik in het deelw. b e w e d e r t, d. 1. door ongunstig
weer (storm) opgehouden,^ belemmerd, en dus op
gunstig weder wachtende; Plant.: bewedert,
empesché du mauvais temps. \\ Van coste in die
reyse mitten cogghe van Weespe ende anders
gheselscap , daer hi mede bewedert was , Rek. d. Qr.
1 , 349. Want si daer ghecomen waren om tgoet te
coepen ende daer bewedert laghen op den lande,
dat si niet of en mochten , al te samen 6 nachte ,
350. Want se bewedert waren tot Aemsteldamme,
426. Overmids onweder dat hi 2 daghe bewedert
lach tote Berghen, Rek. v. Zeel. 2, 289.
BEWEERTE, znw. vr. Van beweren (z. a.).
Belemmering. — Slechts in de uitdr. beweerte
doen, beletten, verhinderen. \\ Tmoet sijn ge-
wroken : des en can nyemen doen beweerte , Blisc.
. M. 340.
BEWEGELIJC, bnw. Van het trans. ww. be-
wegen.
a) Van het st. bewegen. Hetgeen in een anderen
toestand, tot andere gedachten brengt. \\ Laet be-
weghelic berou, datti van allen vlecken wasschen
mach, dijn moeder wesen. Stemmen 97.
b) Van het zw. bewegen. Roerend, trejfend. \\
Aenhorende dijn worden bewegelic, Saer. 275.
BEWEGEN, zw. en st. ww. bedr. Evenals in
het hd. zijn in het mnl. een sterk en een zw.
bewegen dooreengeloopen , hetgeen niet te ver-
wonderen is, wanneer men ziet, dat reeds got.
gavigan en gavagjan sommige beteekenissen gemeen
hebben. De eigenlijke vervoeging van het sterke
bewegen was bewegen , bewag , bewagen , bewegen. Het
part. nam de o aan (vgl. geste ken en gestoken , vrikans
mei gewroken, rikans mei*geroken, blijkens hooiro O k
(van reken), en nu deelde deze o zich langzamerhand
aan het praet. mede, waaruit onze tegenwoordige
vervoeging bewoog, bewogen , part. bewogen, ontstond ;
(vgl. het in andere bet. gebruikelijke simplex
wegen, woog, gewogen (vgl. waag); scheren, schoor,
geschoren (vgl. schaar), zweren, zwoor, gezworen
vgl. zwaar). Daarnaast ontstond een zwak bewegen ,
beweegde, deelw. beweget, beweecht, met eene
eenigszins sterkere bet. Vgl. hd. bewog = impuli,
adduxi; bewegte = agitavi, commovi (Grimm. Wtb.
1, 1770). Het eerste beteekent van zijn plaats brengen,
en dus ook in een anderen toestand brengen, het
tweede in beweging, beroering brengen. In H mnl.
is het zwakke bewegen veel meer in gebruik dan
het stérke, doch ook het sterke deelw. bewegen
komt in den zin van geschokt, geroerd ^voor. Soort-
gelijke versch^nselen bij mhd. bewegen (st.) en
bewegen (zw.) en by mnd. bewegen. — De over-
heersching der zwakke vormen van het ww. is
waarschijnlijk in de hand gewerkt door de gelijk-
luidende vormen van een ander bewegen, dat hoe-
wel oorspronkelijk één er mede in oorsprong, van
dit WW. moet gescheiden worden als afgeleid van
wech. Zie bewegen, 2de Art.
A. Het st. WW.; mhd. bewegen, doch ook en
vooral zw. vervoegd.
1) Van plaats of toestand doen veranderen', iets
ergens naar toe brengen QÏ iemand ergens toe brengen^
42H
BEWE.
BEWE.
4242
hem geleiden. — Hiertoe behooren ook de vol-
gende plaatHen , waar het zwak gebruikt wordt. ||
Eene . . rante , die nemmermeer beweecht en mach
werden, quiet quae nunquam moveri possit^ Rnnab.
2, 239. Ho beweecbde hi (God) die cooplieden . .,
no dat gi in die havene arriveerden ontrent dye
caMteel, Huffe v. Bord. 73. Dat veel geestelike . .
personen te min werden beweecht voor alsnlcke
heren te bidden , Exc. Cron. 62rf. — Bewegen^de
oorHaken, beweegredenen^ afdoende redenen^ Fri.
Stadtr. 264 (vgl. de nitdr. om redenen^ iemand
ergens toe move erende).
2) Overwegen^ bepeimen\ hd. bewegen ^ ery)agen.}\
Oec wert daer Heer op gedocht ende bewogen , hoe
die van Utrecht . . roit Uertoge Jan versoent waren ,
Matth. Anal. 3, 381. — Van deze bet., of liever
van het wederk. ww. hem bewegen d. i. hem
bepenHcn, hem bedinken, wordt het part. in
zwakken vorm, beweecht, als bnw. gebruikt in
den zin van vattberaden , mnl. wel bedacht (z. ald.
en vgl. lat. consideratu* ^ en mhd. bewegen^ het-
zelfde als hd. entêchlossen ^ unverzagt ; Lexer 1 , 254).
II Een wjjs ridder ende beweeght , Srad. T. VII , 348.
B. Het zw. WW.; mhd. bewegen, In beweging,
opscAitdding , beroering brengen \ schokken, treffen,
roeren, er toe brengen. \\ Sijn leringe . . was vol . .
des heilighen geestes . . , dat si daer of beweghet
worden ende bekeert, Ned. Proza 192. Doe dat
volc . . dat sach, dat grote wonder, so worden
sr beweghet, 199. Alle hoer crachten worden be-
weghen vanden groten boede, die hy hen boet,
212. Rechtevoert wert . . Jacob swaerlic beroert
inder herten ende bina beweget totten tranen toe,
288. Alse dat dyne . . tonghe niet beweghet en
werde tot laster, Bienb. 60c. — Ook in den sterken
vorm van het deelw. || Opdatstu niet anxteiycken
beweghen en werdes tot overvloed icheyt, Bienb. 60<?.
Oec en wert die aldersaftmoedichste Jhesus uiet
bewegen tot toernicheyt, Bern. S. 2d. Hi hevetal
dat volc beweghen van -Galileen tot dese stat,
0. II. Pass. 19, 466. Doe . . wert hi mit berm-
herticheit beweghen, Hs. 71, Luc. 7, 13 en 10,33.
Als die her van Kuuc vernimt, dat Gheryt van
Velsen aldus belegen is , was hi daermede bewegen,
C/erc 139. Mi hebben bewegen die deerl^cke dachten
myns volox, Exc. Cron. 28ö<r.
BEWEGEN, zw. ww. bedr. en wederk. Van wech.
1) Op weg brengen, geleiden. \\ Als Philips van
Elzat«n . . drutsmannen {tolken) besproken (hadde) ,
om henlieden te Sinay tebeweghene, Cron. v. Vlaend.
1, 83. Sinte Vincent, wilt mi helpen ende be-
wegen , dat ie met u daer boven comme , Vad. Mus.
5, 330. Dat hem God gestadichlic beweget ende
beschermt heeft, Exc. Cron. 86^.
2) Besturen. — a) Met een ace. v. d. pers. Aan-
voeren. II Daerna maecte hi scaren negheue. Dierste
(scare) gaf hi te beweghene (den heere) van Diest ,
Qrimb. II, 1384 (p^r. bewaren). — ^) Met den ace.
der zaak. Regelen. \\ Sy {de eerste hoof meester c. s.)
beweghen de ceremoniën van den Hove, Matth.
Anal. 1 , 252.
Wedkrk. — Hem bewegen, sich op weg be-
geven (ook mhd.). — Vooral gebruikt in de uitdr. b e -
weget syn, sich op weg begeven hebben , onder
weg sijn. \\ Segghet waer dat u vaert geleget eude
waer {werwaarts) dat ghi zilt beweghet , Lett. N. R.
1\ 139, 288.
BEWEREN (beweikkn), zw. ww. bedr. Mnd.
beweken; mhd. beweichen. Week maken, verzachten,
vermurwen.
a) Eigeniyk. || Een siel die weder ommekeert . . ,
wert gheliken enen steen verbert, düt si daersa
niet lichtelic te beweken en is, Stemmsem 97
{Ned. Proza 74*). Alle hartheit wort dagelgx
beweect van groetheit des lichts ; alle dorlieit wort
bevochtet met douwe hemelscher gncien, Ned.
Proza 120.
b) Figuurlijk. || Rnfinns beloefde, dat hi hem
beweken sou , Pass. S. ISd. Die stgfheit der ghe-
rechticheyt en laet haer niet bnghen noch beweken.
Pass. W. 106<f. Proeven of hi hair starke gemoede
yet beweken mochte , 1076. Die cracht der hejligher
sacramenten, . . die aUe borsten al ware si jserea,
mach beweeckeu, Bern. W, 1586. Dat onse herten
daer niet van beweket of bemorwet souden werden,
al te liden dat ons mochte opcomen, Devoet B.
(36) 1029. Ende want die moeder haers mans
hardicheit niet en consentierde ende gheen hope
en hadde dat men haers zoens stantachticheit yet
beweken mochte. Es. 88 /. bc. (Dn) beweicstedie
scarpe sententie des wreeden richters, Sp. d. M.
1, 105<r.
BEWELDIGEN, zw. ww. bedr. Mhd. beweiden;
hd. bewdltigen. Zich meester maten, betuieJkiigen ;
van een pers. in hechtenis nemen, van eene zaak
overmeesteren. \\ So wat manne die bnten woent,
die te banne wort ghedaen , om portres claghe . . ,
dien sal de here beweldighen, te sire naester
comst recht te doene, Oorkb. 1, 3126. Dat hi . .
trecken wonde voor sgn stat van Berghen . . om
die te beweldeghen, Brab, T. VII, 15446.
* BEWELENISSE, verkeerde lezing, Brab. T.
Dl. 2, bl. 6336. Zie beveelnisse.
BE WELF, znw. o.; mv. bewelven. Gewelf, dak,
verwulf t, by uitbr. in H mv. hms (*?). || Laetet
hoerekynt loopen , sendet binnen spaepen bewelven
(: selven), Belg. Mus. 6, 62.
BEWELLEN, zw. ww. bedr. Indien de lezing
goed is, kan het woord beteekenen bedekken, over-
dekken (vgl. mhd. bewëllen, Oudem. 1 , 676; Vondel
5, 622). II Hare voete hilden si (de Cherubijnen
bij de Ark) ocht si spelden; met goude dat si se
wel beweiden, Rijmb. 11487 var. (tekst: beleident
BEWELMERIE (?), znw. vr. Toovenj, gooche-
larij (?). II Niemant en sal sgn toverie noch be-
welmerie te rade gaen den ghenen die mitten dn vel
spreken noch waersaghers, D. B. Deut. 18, 10.
,BEWENDEN (bewinden), zw. ww. onz., bedr.,
en wederk. (deelw. bewanten bewent; impf. bewande).
Mhd. mnd. bewenden.
Onz. Wenden, keeren. — Slechts in het deelw. be-
want, d. i. gekeerd, met eene bep. met t e. Gekeerd
tot, bereid. \\ Weest oec ter voUeest niet bewant,
dyn raede en moerde noch dyn hant, Noek X Geh.
25. En doot nyemene metter hant, ende syt ten
wille oec niet bewant, Tien. PI. 924.
Bedr. — 1) Richten, geleiden, brengen. || Wonde
ons God also bewinden, dat si hen selven weder
kinden die in de archeit waken. Vierde Mart. 29.
Sie {de minne) hevet mi soe int wee bewent , dies
ie gevoele , in caent gheloven , Hadew. 1 , 95 , 25.
2) Inrichten, regelen, besturen. \\ Haer vader
hadt aldus bewant, Vad, Mus. 1, 58, 14.
3) Onderwerpen, dwingen, bedwingen. \\ Hi wonde
hem , als hen noet bewande , weder deagbel^cs
doen met sinen lande, Brab. Y. VU, 14717.
O Jesus, bant, o vurich brant, hoe heeft n minne
in mi bewant myn hertken onbedwongben ! H^.
Belg. 10, 132.
4) Aanwenden, toepassen. || Eer si {de simu%)
die haestecheit bewenden, diet nanwe sochte, hi
sonde venden, Vad. Mus. 2, 191, 439.
4243
BEWE.
BEWE.
4244
Weder K. — 1) Met een pers. als ondw. ZieA
wenden, keeren, richten, || Tot Godt sy haer bewaut,
Bag, V. P. 16, 856. Waerweert ie mi bewende,
ie blive ewelijc vrondeloes, Lansl. 918. Waer dat
wi ons bevonden, in scede van u te ghere noet,
Beatr. 310. Nn siet waer gin wilt bewinden, ende
welke strate gi mi wilt sinden. Mor. 1173. Soe
dat her Ywain vragende wart Lancelote , war lii
hem sonde bewinden ; bi seide , dame sonde binden
die aventure , Lanc. II , 22085. Zoo ook Ferg, 1200.
3665, 5757. — Bat niemen wete in dit covent,
werwaert dat wi sgn bewent {hetzelfde alt ons bewent
hebben), Beatr. 145. Niet lange na gonen doene
ginc hi nten religioene ende es ter werelt bewent,
Franc. 6239.
2) Met eene zaak als onderw. Een keer nemen.
— Slechts gebmikt in het deelw. b e w a n t. Gesteld,
in een gekeren toestand zijnde. || Scilt om hals ende
spere in hant ende helm opt hoeft, alsoe bewant
reet hi te genen scilde waert, Yelth. III, 28,47.
— Vooral in de uitdr. het es bewant, het ie ge-
steld, hei staat geschapen, de toestand is van dien
aard, hetzelfde als mnl. het staet so. Ook met
den 3den nv. van den pers. || Alsoe wast my be-
want aldaer, MLoep 1, 84. Hoet hem int herte
was bewant, 1646. Waert my dan soe bewant,
ware het mij vergund, dat ie mocht soeken Yenns
lant, II, 2459 rar. Even wel (goed) ist hem be-
want in den water ende op tlanet Nat. BI. IV,
489 var. Na eest met mi also bewant, het sal mi
oosten huns ende lant, of ie saels mi wreken.
Vierde Mart, 4. Daer men wilen trouwe vant , daer
eest nu also bewant, men wilt daer niemen horen,
hine bringe geit, 99. Dus eist bewant, i^. III»,
1 1 , 54 (vs. 57, ald. moet bewant veranderd worden
in gênant). Nader minnen lant, daert dicken ten
sorghen hem es bewant, Hadew. 1, 142, 134.
Hets ons (mi) ten sorghen bewant, het ziet er
treurig voor mij uit, Ben. 609 , 1268 ; A»». 1 , 1630.
Aldus campelijc was (het) bewant sinen sone,
Brab. Y. VI, 8245. Zie nog Vad. Mus. 1, 362,
6; Nijh. 4, 396. — Daer en was niet ane
bewant, Heelu 2501, bet. niet, zooals de uit-
gever zegt: daar zat de knoop niet, maar dat gaf
toch niets , dat had geen gevolgen. Vgl. mnd. dat en
was nicht vele bewent, d. i. es wollte nicht viel
sagen-, war der mühe nicht wert.
Aanm. — Bewent, Belg. Mus. 3 , 447 : is fout :
men leze beweent (juzta crucem lacrymosa).
Zie op BEWENEN.
BEWENEN (beweinen) , zw. ww. bedr. , wederk.
en onz. Mhd. hewevnen', mnd. bewenen.
Bedr. — 1) Rottw bedrijven, betreuren, treuren
over, beklagen. || Welke vrouwen hem bescreiden
ende beweenden, ffs. 71, Luc. 23, 27. Alseicbiu
come ende icker veel bewenen sal van dien du te
▼oren sondichden ende gheen penitencien endeden
ffs. 75, II Cor. 12,21. Alle gheslachten der eerden
sullen .... Hem selven bewenen oec waerlic,
ald. , Openb. 1 , 7. So eet die cukuuc mere dan
enighe drie van den clenen. Dit moet die moeder
somwile bewenen (var. beweinen). Nat. BI, III,
982. Een te beweenne strijt, lachrymabile èellum,
Sp. n*, 82 , 15. — De onb. wijs als znw. Rouw , droef-
Aeid, II Op dat wi hebben ghewareghen rouwe ende
bewenen . . om die druefheit van onser vrouwen,
Fad. Mus, 2, 411, 73. Bevaen met uyttermaten
bewene (= beweenne) , Troyen 2310 var,
Wederk, — Hem bewenen, zich beschreien,
met tranen bevochtigen, vooral van de oogen. |j De
coninck mitter spade houwet ende delvet, daer
haer die kercke af beclaecht ende beweent , Pelgrim
56a. — Vooral in het deelw. beweent, nat van
tranen, beschreid. Vgl. ons er beschreid uit zien,
dat eveneens komt van zich beschreien. || Dat kint
sach ende verheeste met beweenden ogen quade
feeste, Sp. III', 40, 31. Eet ie, drinc ie, wat ie
oe, dat is met twee beweende oghen. Hor. Belg.
2 , 224. Maria stont . . . seere bewent (/. beweent) . .
biden cruce daer Jesus an hinc , stabat Mater , . .
juxta crucem lacrymosa, Belg. Mus. 3, 447.
Onz. — Weenen, schreien. \\ Alle screidense ende
beweendense ende hi seide, en wilt niet wenen,
Hs. Evang., Luc. 8, 52.
BEWENINGE, znw. vr. Geschrei, het storten
van tranen. \\ Daer hadden wi grote beweninghe
van devotien onser herten, Man£fv. 21a.
BEWENTELEN, zw. ww. bedr. Rondwentelen;
ronddraaien, van alle kanten (rondom) in iets om-
wentelen, er in doopen. \\ Netten een weke (wiek)
in zeem ende bewentelent mit pulvere ende stekent
int ore, Lanfr. 127 r. Ie was so in densiyckeder
onreynicheyt . . . bewentelt , lag rondom in het slik,
Bern. W. 63tf.
BEWERDEN (bewarden) , st ww. onz. Evenals
in \ mhd. (evnen bewërden Idxen) slechts in de uitdr.
enen laten bewërden, iemand laten geworden',
hem laten doen wat hy wil; hem laten begaan , betijen.
II Grave Jan liet . . . siin soen mit desen oirloge
ende onlede in Hollant al bewërden, Clere 158.
Sy lieten se bewërden endebegaen,Matth. ^ma/. 1,
437. Sulcx dat den eygenair nyet om en syet nair
tlant noch de pachte van dien , mer laet den bruycker
dairmede bewarden, Enq. 311. Si lieten hem be>
werden, hoe dat hi moa^ii^, Proza-Rein. 10^.
Aanm. — Velth. III , 45 , 1. „Bewërden vorden
sine (Floris V) verdane" is de lezing bedorven.
De zin vordert „ Te Naarden vorden sine." Vgl.
Stoke V, 45.
BEWEREN, zw. ww. bedr. en wederk. Mnd.
beweren; mhd. bewem. Zie weren.
Bedr. — 1) Beletten, belemmeren, verhinderen,
afweren. || Syt voert van haren rade ende bewert
hare scade, Ferg. 4817. Dat hi dese dinc bewere,
Sp. III ^, 7, 6. Dus wilde hi die confusie beweren
der vadere, II*, 32, 46. Zoo ook II», 4,46; II*,
53, 92. Ghy sout algader syn in den laster, mer
ie alleen beweerdet, Trogen 7607. Alle die syn
hier, diene haddent gene macht te beweerne met
hare cracht, Maleg. 560; vgl. 572. Bewerd haren
lachter daer gi moget. Mor. 927. Dat en mocht
nie man ghestelpen met gheenreliste, no beweren,
Segh. 11362. Wie salt ons beletten? Twaer quaet
te beweerne, Blisc. v, M, 827 (vgl. 441, 1500). De
pachtere van Tammarde warts gheware ende wilde
be weeren de kerssen woch te dragene, Oron. v.
Vlaend. 1 , 50. Bewaren haerlieder lichamo eere . .
ende rechten ende beweeren alle die ghene, dye
ter contrarie souden willen doen, Diericx, Jfm. 1,
275. Bi den humoren die cout ende wac sgn ende
der leveren beweren haer naturlijc werc, Hs, Yp.
57^. Hine liet sgn spreken no sijn leren ghehermen
(/. ghescriven? lat. a notarüs excipi), daer hyt
mochte beweren, Sp. II*, 4, 45. Zoo ook Jan Yp.
137; OVl. Lied. e. Ged. 246, 890; 260, 817; 348,
990; 358, 1266; 518, 14.
2) Vermijden, ontgaan, \\ Bescuwen of beweren,
al dat hem comen mach te deren, Sp, I*, 41, 13.
Merke wel, datti mach deren: bewert, oftumoghes
beweren , 2>. Cat. 227. Dat nieman beweren (evitare)
en mach, Ruusb. 6, 40.
3) Verdedigen , beschermen , vrijwaren. Met den acc«
1245
BEWE.
BEWE.
1246
perfl. en den gen der zaak (of va n), of den dat. pers.
en den ace. d. saak. || Dander maelgen cleen no groot
n« mochten di der doot beweren , O VI, Lied. e. Qed,
420, 177. Omme te beweme van der dolingen die
liede, Sp. II', 32, 66. Want si dicken Nabals
herden van meneghen verliegen bewerden {varr.
beverden , verwerden^ , Rijmb. 9549. Si voren ute ,
omme hare here te beweme (/. liewerne) die felle
vard, Yelth. III, 8, 6. Dat hi haer dede groote
werde, ende God syn rike dore hare bewerde,
Sp. II \ 34, 13. Hi liet sine liede achter, die min
vrient souden beweren. Mor. 1460. Ie bit God...,
dat hij bewere mijn neve, dat ik hem niet en
dorsteke, Heemsk. 137. Zie nog Nat. BI. VI , 124 var.
Aanm. — Deze laatste beteekenis grenst aan die
van bewaren^ waarmede het nu en dan in de Hss.
wordt verward, gelijk men omgekeerd beweren
vindt voor bewaren. Zie bewarkn (2de Art.).
Wederk. Hem beweren. — 1) Zich onttrekken ,
ontgaan y ontkomen. \\ Aldus en 'can hi hem niet
beweren bi genen rechte . . ., hi en moet ons
ewelic horen toe, Blise. o. M, 674.
2) Zich verdedigen y sich verweren. \\ Paris die
wilen was herde ende hem s|jnt alsoe bewerde,
dat hys hadde eer ende lof, Irogen f. *6bb. Om
vernemen ende om spien, daer hem af mochte
misschien , dat hire hem jegen beweren mochte ,
Qrimb. I, 6671.
BEWERENEN, zw. ww. bedr. Freq. vorm van
beweren. Beschermen ^ verdedigen. \\ Hem syn lant
helpen te houden ende te verwaren, . . ende te
bewerenen heymelike ende openbaer tyeghens allen
man, Mieris 2, 278 0.
BE WERF, znw. o. Van bewerven (z. ald.).
— Sijn bewerfmaken, zijne maatregelen nemen^
toebereidjelen maken. || Tot Dordrecht . . . , daer
mijn here hadde stjn bewerf ghemaect met vele
ghewapens volcs voer Utrecht te trecken, Rek.
d. Gr. Sy 430. Om voert tot Staveren waert
te varen op die Vriesen, want mijn here syn
bewerf daer ghemaeckt hadde, 439. Tot Aemstel-
redam, doen myn here daer sijn bewerf ghemaect
hadde, om voert tot Staverenwaert op die Vriesen
te varen, 461.
BEWERKEN, zw. onz. ww. bedr. (praet. be-
\crochte y deelw. bewrocht). Mnd. bewer ken \mh!(i. be-
toer ken (in onze beteekenis maken ^ bouwen) eu be-
wiirken (in de bet. van mnl. bewerken, 2)).
1) In onze beteekenis. Bewerken ^ veroorzaken^
uitwerken. \\ In Te.s8alien bewrochte tien tiden ene
lovie wonder, want dat lantscep ghinc al onder,
Rijmb. 4040.
2) Aftlniteny versperren ^ omheinen. || Datein man
vonde in siner hofstede eins anderen mans guet
{beest) bewracht of onbewracht, Landr. v. Wedde
70, 74. Die hage ... die ie vaste bewrocht vant
met kaerden , met dornen ende met bramen , Rosé C
1597.
3) Insluiten y wegbergen. \\ (Si) daden {het hou f)
nter doren draghen, daert binnen was bewrocht,
F. d. Houte 668 var. Bi w^at redene mense {den
brief) bewrochte indie donkere haghedochte, ^.III*,
18, 16. In sinen hove was een struys, die hadde
een jonc, dat bewrochte Salomo in een groten
glasen vate, Ned. Proza 105. — Ook in den zin
van begraven y bijzetten. || (Doe) wart die prophete
Barnabas in Cypren vonden in enen crochte , daeme
groef ende bewrochte Jan Marcus, Sp. 111^,48, 12.
BEWERP (bewarp, bewierp), znw. o. — Schets^
ontwerp. Zie Oudem. 1 , 677 en vgl. den bekenden
titel: Ruigh-bewerp van de Redenkaveling. \\
De ghesellen hebben dat beweerp wel ghevisiteert
eude ghenoncht hemlieden met allen wel , Belg. Mus.
7, 27. In alzulker manieren als een bewerp, der
af ghemaect, claerlycke begr^pt ende bewijst,
Diericx , Mém. 1 , 396. Van diverschen bewmrpen
by hem ghemaect van den havene van Oosthende,
Invent. v. Bmgge 6, 322. Voor twee bewerpen by
hem ghemaect van den ghedelve van den Zwene,
6, 452. — Ook Concept y een ontwerp vttn een ge-
schreven stuk. II Van coste ghemaect daer men
dat bewierp maecte eer men vor tresoriera quam,
Invent. v. Bmgge 3, 312. — Ook buerp (voor
bewerp) geschreven. || Enen bode ghesent . . te
Brucghe . . met eenen buerpe van sconinx meeninghe,
ald. 1, 293.
BEWERPEN (beworpen), st ww. bedr. en
wederk. {bewarp^ bewerp ,, bewierp 'y beworpen). Mhd.
bewêrfen,
Bedr. — 1) Het trans, werpen. lewumd mei iets
werpen y met het bijdenkbeeld y dat dit over de
ge heel e uitgebreidheid van het lijdende voorwerp
geschiedt. \\ Daer soe plach ter kerken te gane,
dedise bewerpen met slike, ^. III*, 19, 12(vgL
Pass. W. 134«). Met slgc ende drec beworpen,
Dial. Oreat. Ibc. Sy sullense bewerpen mit stenen,
D. B. Levit. 20, 27. Hi bewarp hem oec mit dat
ghewide water , D. War. 6 , 398. Zoo ook D. B. Demi.
17, 6; 22, 24; Num. 16, 35 en 36. — Ook zonder
de bepaling met met; vgl. goi.biswteitan.\\JHenïe
met gnemake niet en laten die kinderkine entie w|f ,
sine beworpen siin scone lijf, lAmb. VI, 252.
2) Als term in verschillende handwerken ea
kunsten. Met een laag van de eene of andere stof
bestrijken.
a) Met kalk. Kalken y pleisteren ^ Aervoegen. \\ Van
den thorre van onser Vrauwen kerke, de welke
mids den groten varse {vorsf} verscoeyt ende be-
worpen moeste zyn omme dat calc al meest ute
ghevrosen was, Invent. v. Brugge 6, 328. Den tor
binnen van den nedersten zolder npwaerd te ver-
scoeyene ende daer up te bewerpene, ende buten
te bewerpene, daer de gaten staen, ZFl. Sijét:. 4,
322. Elf hoet calcs, der stede hnus mede te
stoppene ende te beworpene naer den groten storvme,
aangeh. ald. Gloss. 6976. Van der vors. camere
te wittene, van den beelefroyte te beworpene ,
aangeh. ald. G hegheven Janne Slabbaerde tonde
werc van der niewer halle te bewerpene buten ende
binnen, 4 veinsteren te stoppene, aangeh. ald. bl.
697a. Du sulstese {de steenen) bewerpen met calc,
D. B. Deut. 27 , 4. Van den steenhuse te bewerpene.
Rek. V. Zeel. 1 , 485. Van den mare vaa dea
proyeele, die ghevallen was in die graft, weder
te makene ende te bewerpene, 2, 276.
b) Met verf. Schilderen y verven. \\ Jan den scildere
van dat hi bewoorpen heift met olyevaerwen
tcamerkin, Invent. v. Brugge 5, 314. Een cafcoea
{schoorsteen) aldaer te bewerpene met scilderiea, 5,
312. — Zie ook c).
c) Met edele metalen. Afzetten. \\ Dat (graf) doet
maken ende bewerpen wale bede met silvere ende
met goude , Flor, 883. Een beelde van finen marbre
gehouwen, beworpen van silvere ende van goade
ende van varwen menichfoude, 911.
3) Ook in den zin van Af schetsen^ im^rifeny
uithouwen. || Moyses tafelen, daer hi die wet ia
dede bewerpen, Heelu bl. 336, vs. 260. TgL
Oudem. Bijdr. 1, 677.
4) Bergen , wegbergen^ eig. onder iets werpen , of
met iets bedekken (?). || Si beworpen den steea
onderdenst (?) aerde, Ned, Proza 105.
1217
BEWE.
BEWE.
4218
5) Overleggen^ ontwerpen, \\ (Hi) keerde Yan dcier
ende bewerp sine dinc daernaer mer (/. met) sQns
vaders mage, Yelth. lY, 69, 63. Ie hebt, waen
ie, beworpen soe, dat sijs mogen lichte onvroe
werden, Lorr, V, 29. — Vooral in den ain van
ontwerpen^ een concept maken, \\ Dat men sulcke
artikelen van den peys soude beworpen , die hy . .
sonde onderteeckenen , Belg. Mat, 8, 382. Daerop
worden brieve ende mennten beworpen, Brah, Y,
YII, 16884. Van siere rekeninghe te doen be>
werpene, Invent. v, ^ni^^tf 3 , 312. Van eenen clerc,
die bewierp in ghescrifte sine rekeninghe, ald.
Van den brieven, als si.. beworpen waren, 16911.
Soe en woude die proost . . . van Oamerike die
brieve niet beseghelen . . , die daer of beworpen
waren, 16936.
Weoerk. — ZicA toevertrottwen, zicA overgeven aan^
ziek verlaten op, zicA vervoegen bij, |) Die hem an
n bewerpet al , hine maget niet liden sonder mesfal,
Zanc, IV, 3169. Soe bewarp hare alsoe honde in
des conincx hoede van Yranckerike, F/. lUjmk,
1474. Hi ghinc henen ende bewarp hem an enen
borgher dies lants, He, Evang., Luc, 16, 16.
BEWERKEN, st. ww. Zie beworren.
BEWE&VEN, st. WW. bedr. en wederk. Mhd.
bewërben] mnd. bewerven.
BeüR. — 1) Verwerven, bezorgen, ver icAaffen.\\
Doe seide hi sinen jongheren, dat si hem een
sceepken beworven om der scaren wille, Ue, 71,
Mare, 3, 9. Si beworven den zieken ende die in
alrehande noet waeren oeren noetdrufte, levende
van den werken oerre handen , Materie, der Sonden
f, 106a (aang. bij Hnjd. Froeve 1, 139). Doe die
osse ghestorven was, beworven die duvelen daer
een kalf van gheliker verwen , om dat grove volck
mede te bedrieghen, Faec. Temp. 12r.
2) Bewerken, veroorzaken, oorzaak zijn van. \\
Dat dat kint soude verderven Troyen ende voert
bewerven sijns vaders ende sijnre broeder doot,
MLoep 1 , 1913. — Ook met een Af h. zin. i| Dus
hevet die valsche pelgrijn beworven, dat der
Isengrijn al toten cnien hevet verloren dat vel,
Bein, I, 2866. So bewarf soe ende bedroech, dat
806 wart van groten love. Flor, 202. Hi . . .
bewarf, dat mense {(ie d/^^^m^) hem brochte, 2867.
Hine moghe lichte beii^erven, dat hi hem selven
sniemen doe sterven , 1204. Bidden wi u (Maria), dat
Shi ons alao (d.i. dit) be werft {voor ons gedaan krijgt),
at wi niet en bliven bederft, Melib. 3381 (vgl.
hd. ticA für einen bei jemandem um etwas bewerben),
Ood late ons alsoe bewerven (geve ons te maken),
dat wi ane die ziele nien sterven , Doet, II , 3293.
8) ZicA vertcAafen, verkrijgen, zicA verwerven,
ontvangen, || Sell die sijsmeester . . tot s^nre
nutscap teykenen bewerven, ende die teyken sellen
vesen van helen vaten , van halven vaten , ende van
twe eymeren, R. v. Utr. 1, 290, 6. Dicke wert
een in minnen rijck ende bewerft dat hi begaert,
MLoep II, 2364 var, Hoe Reinaert . . bewerven
sal met sinne des coninz vrientscap ende hulde,
tiein. 1, 2170. So dat hi hemelrike bewerft, die buten
faooftzonde sterft. Lep, II, 16, 63. Als Annahaer
ander man sterf, den derden si doe bewerf, II,
2, 33. Wie hoerde noit van suiker dracht, die
(ace.) boven der natueren macht, maghet bewarf
ende maghet liet {die Aaar maagd liet) ende (welke
dracAf) menscheiyc van hare sciet, Vad. Mne. 2,
412, 19. TIant van siere hant bewerven, zicA van
het land meester maken, Bijmb, 16161. Zie nog
OeseA, v, Antw, 3, 678 vlg.
Wederk. — ZicA toeleggen op , zicA af geven met \
met den 2den nv. der zaak of een afh. sin.
Aldus moten si alle bederven die hen loesheiden
bewerven, Lanc, III, 22961. Hilderyc, die hem
alsoe nien bewarf, dat hi enech kint na hem liet,
Brab, Y, 1, 612. — In het mhd. en mnd. heeft
het wederk. ww. de bet. van krijgslieden aan-
werven. Zie bewerf.
BEWESSEN (bewissen), zw. ww. bedr. en
wederk.; hetzelfde als bewesten. Het simplex is
niet in gebruik. Wessen beantwoordt aan got.
vasjan, d. i. kleeden, terwQl westen eene afleitung
is van een aan got. vasti beantwoordenden vorm,
got. vastjan; vgl. lat. vestvre. De bet. van beide is
dus oorspr. bekleeden. Op verscheidene plaatsen
kan zoowel de in f. bewessen als bewesten bedoeld
zQn , daar dit uit het part. bewest niet blgkt. Het
zal daarom het best zgn, de beide ww. te zamen
te behandelen.
Aanm. — Meermalen vindt men in de Hss. te
onrechte bevesten voor bewesten. Zie bevesten.
Bedr. — 1) Bekleeden, ten uitvoer brengen ,
volbrengen. \\ Wijn boetscap soude hi wel bewesten,
Orimb, I, 1968. Vgl. Vondel 6,621: een dienst be-
kleed en.— In dezen zin mnl.ook bewaren, waar-
mede bewesten nu en dan verbonden voorkomt.
2) Fan Aei noodige voorzien, verzorgen, uit'
rusten, toerusten, \\ Vrouwe, dit kint moetti be-
wessen, want het is edel ende welgheboren, SegA,
346. — Vooral met eene bepaling met van of met,
of een gen. der zaak. Voorzien. \\ Daer vant hi
dies (van datgene wat) hi begaert die stat bewest tsinen
bouf, Sp. III*, 63, 8(par. be vest). Soe ((^^^^^r^tf)
was wel bewest van spisen alt jaer. Flor, 1843. Si
vonden die herberge wel bewest van so wat so
ai behoeveden, 1838. (Eene) borch, die ghi vont
wel bevest (/. bewest) van al dies u behoevede
best, PartA, 874. Hi (de casteel) was altoes so
wel bewest van spisen ende van riddren binnen,
1007. Oft hem ghebrake enigher ware, dat siere
hem souden bewessen, 4342. Si saghen doen dien
casteel bewest van diepen grachten ende wel
ghevest, 8062. Dat si van corne sQu bewist in
borghe, in stat, in solre, in kist, Heim. 636.
Ene arme dieme . ., met crnde bewist om te
scuwene den quaden mist (den stank van den
duivel), Sp. IV», 76, 30. — Het deelw. bewest
(bewist) ook in den slechten zin van met iets
kwaads vervuld. || Die therte hebben met reinardiën
van binnen bewist ende wel bewaart. Overzee 161.
3) Besturen, verzorgen, regeeren. || Rentmeestren,
scepenen, ghesworen raet, die stat ende lant . .
souden bewesten ende regheren , Brab, Y, VII , 4148.
Wederk. — 1) ZicA bekleeden, versterken,
dekken, || Een deel lieden van den besten, daer
hi hem met soude bewesten, Orimb. I, 2978. Her
Arnout hadde hem wel bewest, II , 962. Ter porten
van Far tpter vesten, daer si helden ende hem
bewesten om te doene grote were , Cass, 983. — Ook
met eene bep. met van. ZicA dekken, bescAutten
tegen, \\ Wy willen ons nu mede varen bevesten
(/. bewesten; var. bewaren) van al dien dat ons
schier mochte mischieu, Orimb, I, 2301.
2) ZicA van Act noodige voorzien, zicA voor-
bereiden (praepareeren). || Ie sal mi bewissen ende
doen lesen deerste bloemen , die men mach vendeu.
Flor. 2843. — Ook met eene bep. met v a n of
met. ZieA voorzien van. \\ (Si) ginghen hem . . wel
bevesten (/. bewesten) ende bewaren van wapen ende
van poerden, Orimb, I, 2312. Nem metti vierticÜ
dusent man ende bewisse di van water dan ,
Jlex, X, 661.
39
1219
BEWE.
BEWE.
1220
3) Voor sieA zelven zorgen^ zijne belangen be-
hartigen. II Sint hebben si {de papen) hen bewest
oest, suyt, noert ende west, dat terdendeel van
ertrike hem toehoert, Wrake I, 344; doch de
lezing is misschien bedorven; zie bij bevesten.
BEWEST, Voorz. m. d. 3den nv. Ten wetten
van^ aan de westzijde van. \\ Bewest den Rine,
benort den berghen, Sp. III*, 2, 13. Van den
lande yan Zeelant bewest der Scelt, Oor kb. 2,
379 a.
BEWESTALF. Zie bewesthalf.
BEWESTEN. Zie bewessen.
BEWESTEN, b^w. Aan de westzijde. Meestal
als voorz. met den 3den nv. Aan de westzijde
van, ten westen van. || Gallen al be westen den
Rine, Lanc. IV, 9693. Bewesten him . . vindmen
eerst dat zant , Sp. I ' , 29 , 6. Bewesten der Scelt,
Fl. JUj'mk. 4657.
BEWESTHALF (bewestalf), bijw. Zie half
en vgl. BEWESTEN (2de Art). Aan de westzijde. \\
Twe imete (gemeté) bezutalf ant werf . . , ende een
ghemet bewestalf ant vorseide werf, Vad. Mus. 2',
368. — Ook als voorz. met den 3den nv. || Den
boengard , bewestalf den weghe , aïd.
BEWETEN (Hem-), wederk. onr. ww. Mnd.
sik beweten (hoewel in eenigszins gewijzigde op-
yatting). Bij zijne kennis zijn^ bewustheid hebben.
Zie een voorb. bij bekennen, Wederk. 4).
BEWETTEN, zw. ww. bedr. In rechte behandelen.
II Jan es schuldich dese vorseide leene te bewettene
of doen bewettene met zineu bailliu ende met zinen
mannen, Qendsch Chtb. 121. Zie het volg. art.
BEWETTIGEN, zw. ww. bedr.— 1) £ene zaak
berechten. Kil. 68: „cognitionem rei ad jndicem
deferr£^\ || EIcke verhandelinge van den voorseyden
leene es men ghecostumeert te bewettighen met
den bailin ende mannen der kerken ende mgns
heeren vorseyt, Qendsch Chtb. 119.
2) J)e wet op iemand toepassen^ hem straffen^
vonnissen. || Dat die Van der Sinus gheene mes-
doerre, die om toccoisoen van desen bewetticht
worden , . . bin haren scependomme niet onthouden
zullen, ZFl. Bijdr. 4, 72.
BEWEVEN, st. WW. bedr. (het impf. bewaf
(mhd. bewap) komt niet voor; deelw. ^^te^^^). Mha.
bewëben.
1) Eigenlijk, wevende bedekken. Vgl. hd. „die
spinne had die thür bewebet^\ \\ Daer die vleder-
musen in wonen ende die spinnen beweven, Pass. W,
221 <?. — Ook fig. Als in een weefsel bedekken. \\
God hevet hem haer (crines) gegeven, daer sine
lede in s^n beweven, i^. 111% 33, 6.
2) Doorweven^ wevende bewerken. — Ook in
fig. opvatting. — a) Doorweven ^ doorzaaien^ ver-
vullen. Slechts in H part. || Dit boecskyn met
autoriteiten al beweven, Doet. I, 37. — b) Fijn
bewerken^ netjes inrichten. \\ Hi es vroet euae can
beweven sijn redene wel, Grimb, I, 1954 var.
3) In H algemeen. Bewerken^ op het touwzetten^
beramen^ overleggen. Vgl. onze uitdr. doorgestoken
werk. II Dies hebben wi bi crachte beweven dat wi
haren broeder verdreven , Limb. IV , 2009. De sticken
worden doe beweven , Stoke III , 1487. Dus mochte
hijs (Fortigern) bliven sonderblame voer de lieden,
al wast beweven bi hem selvcn , dat hl (de koning)
liet tleven, V, 448. Dit was quaet beweven ende
gheroert ouder die liede, VI, 1066. Daer omme
hebben si dit beweven, VI, 1244. Alse hi siet
dat niet en }>e8peefl, so peinst hi nauwe ende
beweeft, dat hi sulke dinc mach vinden, dat hi
moghe dat wijf seinden, Sp. 1% 65,. 123. Die die
scalcheit heeft beweven, daer en wert nie doget
in beseven, D. JFar. 4, 46, 23.
4) Formeny slechts in de uitdr. Het es be-
weven met, het staat geschapen vtetj het is ge-
steld met. II Diere sonder (n1. zonder wijsheiéT) leet sgn
leven, hets qualike met hem beweven , D. Cat. 241.
6) Evenals bg berokkenen^ gaat de bet. over in
bezorgen^ verschaffen, en wel bepaaldeiyk sieA be-
zorgen , zich verwerven , zoowel van goede als kwade
zaken. || Wat dadi in Tunes, in Arragoene? . .
wat eren hebdi daer beweven? Overzee 124. Vaa
dien dattu heves beweven saelstu Tro«delike
leven, D. Cat. 139. — Die de helle heeft bewev»
{verdiend), emmer moet hire in cleven, Z. ende
Lich. 272.
Aanm. — Eenigszins vreemd wordt het ww. als
znw. gebruikt, Lucid. 6241 : „Van deser werelttlange
leven waer met hem een cort beweven ende ene
wel galike doot,** d. i. voor de hemelingen is hei
langste leven op aarde niets dan een kortstondig bezit,
of een plotselinge dood. Deze bet. zal af te leiden
zyn, uit die van zich verwerven, ziek veraehaffen
(zie 5). Vgl. Tijdschr. 1 , 257.
BEWIËN, zw. WW. bedr. Mnd. bewiem. W^éen,
met gewijd water {wijwater) besprenkelen. || (Hi nam)
van den water, daer h|j sijn handen ende sga
voeten in ghewasschen hadde, ende bewiede alle
die beesten daermede, Hs. 88 f. 593. Met ysopea
bewyet hi ons, dat een oetmoedich cmvt is,
Bern. S. 169<?.
BEWIEROOKEN, zw. ww. bedr. Wierook kranden
{voor een Qod b. v.). Thans bgna uitsluitend oyer-
drachtelijk in den zin van iemand bijna afgodueke
eer bewijzen , hem uitbundig prijzen. || Als si daer siin,
soe hebben si wieroec ende ander dinghen , die wel
ruyken, ende bewieroeken desen afgod, recht ofi
waer den lichaem ons heren, Mandev. 42r.
BEWIERP. Zie bewerp.
BEWIGEN, zw. WW. bedr. Mnd. bewigen. Van
wy ch (s. ald.). Bestrijden, bekampen, aanvallen, \\
Dat men ierst belegghen soude die stat van den
Briele ende bewighen, Brab. T. VII, 8558. Wa»
wi mochten vercrigen soccoers , alse men ons sonde
bewigen, Merl. 15781.
BEWIJNCOPEN, zw. ww. bedr. Van wyiicoop
(z. a.). Door den vorm van tóijnkoop eene overeenkomai
sluiten. \\ Alsoe hy dat huys tegens Pieter Jansc
mit enen godespenning ghecoft, bewyncoept ende
wel betaelt heeft ende jaer ende dach in rustelick
besit gehadt heeft, Dingt. v. Delft 28. Oflte die
guede . . . by hoeren leven ind oick gesondt weaen
verkofit ind bewyncopt waeren, Racer 4, 212.
BEWIJS, znw. o. Mhd. bewie. — 1) Aanwijzing ,
onderrichting. \\ Wilt hooren . . . ende anacauwen
gheestelic bew^s, eene leerzame vertooning, F
3. — Ook in de uitdr. bewijs doen,
doen, den weg wijzen. || En haddic nietghesijn u vrient,
ende u bewijs ter eeren ghedaen , dese waerdich^t
ne haddi niet ontfaen , Denkm. 3 , 164 , 62. — 2) Amn-
wijzing^ verantwoording. \\ Rekeuinghe ende bewps
daer af te doene daer ende alsoet behoert , Infarm,
407. Zij behoeren rekening ende bewgs te doeac
van tguendt , dat zy heffen , 496. — 3) Aanwijsing
en uitkeering van een erfdeel. \\ Om te vuldoeae
ende te hondene alsulke bew|js, als wi ghedaea
hebben onser zuster . . ., van den welken bewise
wi seker brieve overghegheven hebben onsen broeder
ende onser suster, Brei. T., dl. 2, bl. 552.
BEWILEK, byw. Mhd. mnd. bewilen; hd. kei-
weilen. Bijwijlen, somwijlen, somtijdê (v^L bd.
zuweilen). || So stont hi (de toovenaar) voer dea
1221
BEWI.
BEWI.
1222
coninc Nero ende verwandelde sijn aensicht; be-
wylen so wasset jonc ende bewilen wasset out ghe-
scapen, Ned. Froza 101. Bewilen, als dat kynt
hoDger hadde , Hs. 80, /. 42b, Josep tymmerde oec
be wijlen f ald. 44^. Dat bewilen voert een recht
gaet tusscen tween partien ende {partyen nl.) be-
wilen in effeningen belien, een vergelijk treffen^
Merl 2214.
BE WILLECOBEN , zw. ww. bedr. Mnd. bewil-
koren, Vgl. wiLLECOREN en verwillecoren. Toe-
staan ^ veroorloven. || Soe eest dat wy . . bewille-
coren, mechtigen ende bevelen te componeren met
alle deghene die scnldech sijn onse borchtgrechten . .
te repareren, OescA. v. Antto. 1, 481.
BEWIMPELEN , «w. ww. bedr. Mhd. bewimpfen ;
mnd. bewimpelen.
1) Eigenliik. Mei een wimpel^ d. i. sluier ^ doei,
bedekken; sinteren. Yooral als wederk. gebruikt.
ZieA sluieren, het gelaat bedekken, || Si hadde hare
bewimpelt sere jegcn die heyten van der sonnen,
Lane, II, 14814. Frissche maechden, die hem be-
stoppen ende bewimpelen met een cleyt {doek),
MLoep II, 4164.
2) Bedekken, inwikkelen^ omkullen, — d) Eigenlek.
II Die wonde bewimpelt met drade, Jan Tp. 18
(vgl. 80). Maect soe deech met seeme ende dit be-
wimpeld met papier, 119. Daer nae bewimpelt dine
tentale {een instrument) voren met eenen scroedekin
van linwade diune, 184. Gansenpipen of swanenpipen
ende die bewimpelt, Hs. Yp. 116^. Pillen . ., be-
wimpelt met nuwelen van clareite, bid. — b) Figuur*
lyk. II (Die) een loghen wil visieren . . ende so
bewimpelen {inkleeden), daer mense hoert, met
doeken die hi daer om wint, dat mense voer die
waerheit mint. Rein. II, 4194. — Verg. voor deze
opvatting, onse uitdr. onbewimpeld en zonder er
doekjes om te winden.
BEWIN , znw. o. Eig. stam van het ww. bewinnen,
Hei telen , fokken , en concreet het aantal jonge dieren,
dat men (b.v. in een jaar) aanfoki. \\ Naer de
grootte van zijn huys, bewin van zynen beesten
ende havelicke goeden, Inform. 456.
BEWINDEK , st. ww. bedr. Mhd. mnd. bewinden,
— 1) Inwikkelen , wikkelen in , omwinden met. Meestal
met eene bep. met in of met; soms ook absoluut,
zooals Lanc, II, 19360: Si salvede hem die bene
sijn . . . ende bewant hem wel die been. || Men sach
haren hals ende hare kele dore den douc . . . daer si
met bewonden was, Limb. X, 216. Doe Joseph dat
lichaem ontfanghen hadde , bewant hgt in een reyn
linnen cleet, Hs. 71 , Matth. 27, 59. (Si) bewanten
in doeken . . ende leiden inder cribben, Es. 80/.
283. Doe ghinc die coninc daert lach {het zwaard)
met enen pellele bewonden, fTal, 3312. Doeken
ende luderkine, daer men mijn lyf in bewant,
Praet 4158. (Te) bewindene ende deckene de lem-
mere (der messen) metter serviette , Matth. Anal. 1 ,
278. J hesum . . . , dien si int zuver cleet bewonden,
O, H, Pass. 31, 898. Alse tkint es comen tsiere
ghebort , so leghet in een vel bewonden , Vr. Heim.
955. Zoe ook i^D. 11% 23, 529; Nat, ^/. II, 1159;
Mék. d, Or, S, SQ, S49; D. Orde 215; Ruusb. 1,
254; 2, 44; Z>. fFar. 5, 403. — Oneigeniyk bij
Jan Tp. 160 : Men sal dat let . . bewinden met
sande. — Ook figuuriyk. Bewimpelen. || Die scalke
rade connen vinden ende die met loesheiden be-
winden, Jhet. II, 3643 var.
2) Verstrikken', vooral in 't deelw.; vgl. lat.
implidtus, || En hadden si niet mit veel sonden
bewonden geweest, so haddese oec om sgn stout-
heit geslegen geweest ende achterghestoten, D.J?.
II Maccab. 5, IS.Yan allen siden sullen vrese vervaren
ende sullen sijn voeten bewinden, Job. 18, 8. Ie
vinde my selven also bewonden metten vleesche
ende metten sonden, Belg. Mus, 6, 171.
Aanm. — De bedoeling van bewinden, Brand,
94: „Dat zeil dede hi menichfout besniden ende
bewinden, ^"^ is niet duidelijk; in den hd. tekst is
er niets van te vinden.
BEWINDEN (Hem-), st. ww. wederk. (soms onz.
(ook bedr. ?); zie de Aanm.). Met den 2den of den
4den nv. , of eene bep. met van, of een afh. zin.
1) Zich onderwinden, zich verstouten, het onder-
nemen, het wagen, \\ Dat {het kind) hem nemmer-
meer bewinde mi te soeken, eer het can spellen
die vroetscap, Segh. 5348. Haddi u broeder ge-
wesen, gine hadt u niet bewonden van desen, te
doene sulke ongetrouwichede , Lanc. II, 5465.
Daer over hem te gane bewinden die Gallen, Sp,
I*, 58, 24. Hy waer sot, dies hem bewonde,
Troyen 367. Een rudder, die bewant hem das,
dat hi om scout bint enen armen, Franc, 9242.
Wilstu di des bewinden , dattu ghevechts wils onder-
winden, JD. Cat, 175 {yar,\ w. d. d. onderwinden,
dattu ghevechts wils bewinden). Zoo ook ifor. 830 ;
Wap. Mart. II, 147; Sp. II», 41, 16; II», 23, 45;
Stoke lY , 285 ; Amand 1 , 194 ; Segh. 10607. Lact ons
avonturen bewinden, Toree 1020 (men moet zich
ons tweemaal geschreven denken, en avonturen
als gen. opvatten; doch vgl. de Aanm.).
2) Zich ergens toe zetten, het op zich nemen, ||
Dat hi niet en sonde ten quaden hem selven be-
winden connen, Amand II, 155. Gi moget u des
soekens bewinden , maer gi sijt gefalgirt int vinden,
Lane, III, 4965. Ie wane, ie mi dus sal bewenden
{aldus te werk gaan) ende sien , of ie mach venden
. . ghenade, Theoph, (BI.) 957 (vgl. Sp, I*, 11,
33 : Th. . . ende Th. wilden hem bewinden d u s).
Niet dat ie u ghenesen can . . , des soudic my
bewinden node, MLoep I, 1701. (Lycurgus) die
hem bewant wette te makene te Lacedemone,
Sp. V, 32, 44. So hebbic mi bewonden des, dat
ie nu wil bringhen voort wat enen dichter toe-
behoort, Lsp. III, 15, 4. Zoo ook Rijmb, 23;
on. Lied, e. Oed, 393, 191; Praet 1710.
3) Beproeven, trachten, zijn best doen, zich
moeite geven {hd,sich bemühen; vgl. 4). || Hetssotheit,
dat hy (/. hys) hem bewint, hy en hefter rycheit
niet een twint, dat hy teghen ons mach stryden,
Troyen f. 25<7. Dies hem bewinden {trouwe te
zoeken), ne connen se vinden iii gheen saysoen,
Praet 2979 (vgl. 303). (Si) verbaden Marchuse
dat . ., dat ni hem wilde bewinden das, hem te
Rcrivene die wort, Sp. I", 14, 62. Dat sys hem
wilden bewinden te wrekene moeder ende vader,
III*, 15, 18. Hi dit ghetal innamen vinde ende
dan mi te noemene bewinde, Amand II, 6381.
Zoo ook I, 2001; Mor. UU; 3130; Rein. II,
1428; OFl, Lied. e. Ged. 519, 25.
4) Zich bemoeien met iets, zich mengen in, zich
inlaten met, zich iets aantrekken, \\ Yandesersake
bewant hem de van Gelre niet omme dat Willam
sgn swagher hiet, Stoke III, 102. PyUtus wijf
die sendem an, dat hi hem niet en bewonde van
dien rechten man, Sp. V, 28, 22. Gi suUes u be-
winden te spade als se toghet hare overdade,
er u te laat mede bemoeien, aan laten gelegen
liggen , Rosé 13969 var. (de lezing van den tekst
hem bedinken verdient de voorkeur). Do grepen
si alle Sostenen . . ende sloeghen voer den dincbanc.
Ende Gallio en bewants hem min noch meer, Hs,
75, Hand, 18, 17. Om dese sake . . latic die
1223
BEWI.
BEWI.
1224
werrlnge vortgaen ende en wils mi niet bewinden,
vore dat ie sie, hoe dat sal inden, Yelth. 111,88,
63. Nu genoege n dit van mi. Inne derfs mi
nemmere bewinden, Sp. II>, 4, 112. Zoo ook
OFl. Lied, e. Ged, 149, 12; D. IFar. 7, 398,131
(vgl. 123); Invent v, Brttgge 3,467;512enGlo8S.
ald, ZU.
6) Ziek het lot aantrekken van , zich laten gelegen
liggen aan y de zorg voor iemand op zich nemen. \\
Dat hi hem niet helpen, raden, hnzen, hoven . .
nochte ziins in gheenre manieren bewiinden en
zei, n. V. ütr. 1, 88, 29. Dattu dijns kints di
alzo vaderlike bewints, OFl. Lied. e. Qed, 4, 76.
Dat bi met Geertmden enten kinden hem des lants
sonde bewinden, Sp. IV», 62, 81. Qodsrechticheit
sal niement sparen, daer (/. dies?) sine ghenaden
(/. ghenade) hen (men verwacht haer) niet bewint,
Praet. 2322. Zine rechtichede sal mi daer slaen , of
zine ghenade sals hem bewinden, 2616.
6) Zich bezig houden mety beoefenen ^ uitoefenen, ||
Vader, du en salt dan niet versmaden, dat ie mi
gheme duns wercs bewinde, OVl, Liedje. Qed, 10,
215. Die him suiker minne bewinden , MLoep 1 , 691.
Wie dat hem der pinen bewant, Sp. II', 45, 70.
Die menege, die hare herte binden met wijfs minne
ende haers bewinden, Rote bl. 250, 82. Elc sie,
wes hi hem bewent , Vod. Mm. 2 , 186 , 277. Eer
hi hem iet bewinden soude sier officien, Brab. T.
VI, 3454. Omdat hem elc daer mach bewinden
sire neringhen in vreden, Heim, 466. Zoo ook
Sp, III', 6, 67; Leid. Keurb. 617; Segh. 562 var.
7) Ten uitvoer brengen y doeny handelen. \\ 6he-
brake n eenighe penewaerden, der ie mi af be-
winde {daar ik ale koopman in doCy handel) y Livre
d. Mest. 13. Doe en wisten si hem wies bewinden
(wat te doen) y dan wederkeren, S^, III', 4, 78.
Misselijc wes si haer bewinde, iaat zij doen zou,
Belg. Mm. 6 , 421 , 77. Die tjran dede beesten
wreet halen, om den lichame te verslinden, maer
si en wildens hen niet bewinden, Sp, 11^,22,28.
Dat si hen te bant bewinden, uitvoeren y ald. 38,
10. Groter sonden hi hen bewint , die valsce worden
vrouwen toesint; rechts soe sal ie mi moeten be-
winden {recht zal ik er over moeten doen) , Blitc. v,
M. 625. Waeraf wildi u he\r inden {toat tvilt gij gaan
d^en) ? Waendi int water avonture vinden ? Lane. II ,
1529. (Si) vraechde wies ie mi bewant, taat ik ging
doen {mnl. ook watmigesciede), OVl. Lied. e.
Oed. 250, 506. Zoo ook ijp. Il» , 18, 26. — Vandaar
dat hem bewinden iet te doene soms de bet.
heeft van het vervoegde ww. alleen. || Die moeder
es die hare bewint te cussene ende te helsene tkint,
JHtp, 534.
8) Zich iets aanmatigen (b.v. het gezag y bestuur) \
de macht zich toeeigenen y aanspraak maken op. \\
Wes bewinden hem dan de Vriezen? Stoke I,
765 (vgl. 768 : dat si h e m vriheden vermeten).
Alsoe dit huys . . gheervet is van Dirick Jansz. ,
des hem Pieter Jansz. bewonden heeft ende aen-
ghevaert heeft ende n oeck vercoft heeft. Dingt,
V, Delft 29. Overmits dat him die grave van Gelre
tegen was, so en bewant hi hem tslants van
Overyssel niet, Clerc 67. Dat die bisscop van
Utrecht mit onrecht hem bewynden wil die graef-
scip van Ostvrieslant , 82. Als hi hem die f hoge
heerlicheit ende gerechten van desen dorpen) be-
wonden hadde, Ooi-kb, 2, 211a. Soe en sal ie . .
mi voortan der slote niet meer . . bewinden ,
Brab, Y, VII, 2786. Dat hi hem der lande . .
van Hollant ende Zeelant niet meer en bewonde,
8270. Sulke goeden en sal hem nyement bewinden,
dan die heerlicheit alleen, want wair hemyement
anders dier bewonde, hy misdede der heerlicheit,
Matth. 176. Persepolis mede wan hi . . , die al
vul was ouder rijcheden, dier hem niemen en
bewant, Sp. I*, 29, 19. Tvgfste point, dies haer
minne bewint {waarop de liefde aanspraak maak f) y
OVl. Lied. e. Ged. 521, 109.
Aanm. 1) — Kene enkele maal vinden wij het
onz. bewinden gebruikt in plaats van het wederk.,
b.v. Rein. 11 y 4834: „Hi en heeft ooc niemen, die
sfjns bewinden, hem en wil helpen maech noch
vrient (hetzelfde als hem bewindend). Dit onz.
WW. zal ook wel bedoeld zijn, Praet 2333 (zie
Wederk. 5); Torec 1020, en D. Cat. 175 (zie
Wederk. 1).
Aanm. 2) — Stoke , dl. 2 , bl. 443, vs. 2 : „Hoc dat
quam dat bewant die Grave van Vlaenderen dese
ainc,^* zal men wel moeten lezen : „dat hem bewant . . .
deser {of dese) dinc." Zie wederk. 4). In elk geval,
hetzQ men hier iet bewinden heeft aan te nemen
of hem iet bewinden y is de beteekenis dezelfde.
BEWINDER , znw. m. en vr. Of van bewenden,
in den zin van besturen y geleiden. Beschermer y -ster;
geleider y -ster (hetgeen het eenvoudigst is), io
welk geval de eigenlgke vorm bewender zon
z|jn. Of van hem bewinden in de bet 5). Hy
die belangstelt in iemand y zich iemands lot aantrekt \\
(Maria) altoos wilt wesen ons bewinder. Lost oot
te tijt vor tsfiants kijf, OVl, Lied. e, Ged.M, 125.
BEWINDICH,bnw. Van hem bewinden, inde
bet. 4). Bemoeizieky wijsneuzig y in alles mee wit lende
praten. \\ Dese jonghen, als sy eerst inden sc«pen-
dom gheordineert sijn, zullen wesen scamel, dats
niet condich ipedant)y noch bewindich, in woirden
noch in werken, mer sullen rasch ende snellic
horen, Matth. 49.
BEWINC, znw. m. IFenky knik\ ftg. leiding. \\
Elc zye dat hine {den properen wille) wel bestede
ende gheve hem vroet bewinc, fTap. Rog. 206.
BE WINNEN , st. ww. bedr. Mhd. bewinnen (hoewel
in andereu zin). Bebouwen y van het land gezegd. ||
Wy bidden u, dat ghy mitter hant ons gheft lant
ende woestyne te bewynnen mit onser pyne , Troyen
f, 259*.
BEWINT (bewent), znw. o. Hetzelfde als be-
want (z. a.). Alle drie de woorden kunnen wiasel-
vormen zijn (vgl. bekinty bekent, bekanf), óf de beide
eerste kunnen als wisselvormen komen van bewinden
(2e art. , vgl. vinden en venden) , of van bewemden
(hetgeen het waarschijnlijkst is; zie ald. bedr. 2);
öf bewint kan van bewinden en bewent Tan
bewenden komen.
1) Administratie y bestttur, \\ So wie in der stede
boec niet ghescreven en staet, die ensel gheen
bewint hebben van der stede goede. Leid, Kettrh.
99, 118. Dese vrouwe sal dbewint hebben van den
cloestre algader, Denkm. 3, 187, 30. Bewent ,
momborie ocht regement, Brab, Y. Vil, 6411.
Tselve regement van der stat ende al tbewent,
VI, 5036. Wildy leven in goeden vrede, maect
uwen staet van cleynen bewinde, richt «we Ams-
houding en uw leven eenvoudig m, Sp, d. J. 210.
2) Macht y gezag, \\ Haer regement., daer macht
aen cleeft ofï groot bewent, Brab, Y, VI, 119.
Datti tVlaemsce diet in payse hilde sonder bewint,
zonder mach tsontwik keling y dwangmaatregelen^ FL
Rijmk, 8204.
3) Betrekking y bediening, \\ Hoewel die .. lieere
van Assche . . in. gheenen bewinde en soude wesen
bi den Hertoghe , Brab. Y, VII , 10446 (vgl. vs. '76 :
ambacht). Die moeder met haren soeten kinde die
4225
BEWI.
BEWI.
1226
B&l zijn van bewinde te bewaerne tornament van
der kerken, Denhn, 8, 187, 37.
4) Gelegenheid (?). || De Cappellaen en heeft geen
bewint gehadt, om dat oock seeckerlick te weten,
Inform. 78.
BEWISEN, st. en zw. ww. bedr. (de oorspr. ew.
vervoeging is in H mnl. nog de gewone , doch ook
de sterke komt reeds voor). Mbd. mnd. hewisen,
1) Wijzen^ toonen.W Uut desen wolken wort ons
die alrecorste rechte toepat des levens bewijst,
Stemmen 167. Conciencie, die ons bewiset die
weghe, daer men in mesdoet, O VI. Qed. 3, 134,
292. Hi en can dan niet bewisen dan baert ende
tanden, Iluge. v. Bord. 77. — Ook elliptisch voor
den weg wijzen. \\ Haddic u ontzweghen te troestene
ende niet bewgst ter eeren . . , ghi waert soiltcnapen
als te voren, Benkm. 3, 164, 56.
2) Aanwijzen^ aantoonen, \\ Soe bewijsde hi hem
y ilvoerden , omdat hi ten selven tiden nte ende in
sonde riden , Brab. T. Y, 2920. Dat hy hoer bewisen
soude , welc die Grave van HoUant waer onder die
ridder soap, Matth. dnal. 3, 147. Tot welckenpoorler
men ghelt noch pande en weet te bewezen , die
mach men panden an zyn poortrecht, 0.i,v.EoU.
29, 78. Datti ons enen naem bewise, eumwijze^
noeme, Blisc, v. if. '1749. (Hi) bewysdem enen
knecht ende een bedde, daermen echt in sine
woninge sgns plegen soude, Sp. III', 23, 98.
Wi sullen toet onser wedercoemste . . . bewisen,
waer elc land syn dyc ende sine wateringhe hebben
zal. Mieris 2, 212^. So zalmen eiken zQn wercbe-
wgsen, Sckaakep, 62^. Het en zij , dat men eiken zijn
eeghin werc bewijst , ald. Zie ook Leid. Keurb, Gloss.
— Ook iemand eene plaate aanwijzen , Aem ergent heen
genden, \\ (Die) naer den loep van den live mi bewise
ende bedrive ter bliscap sire vrienden, die hem
wel te wille dienden, O, Intern. 11. Die ziele
. . . keert te hant te Gode waert, ofte daerse
God bewpt, Ltp. I, 16, 37 par. — Ook in den
sin van eene plaats bepaald aanwijzen , uitdrukkelijk
noemen. \\ Dat (si) souden ... dat geldt gheven,
daert hem de Hooftmannen bewgzen souden , Cron.
V. Vlaend. 2, 124. TotCleveineenbewgsdeherberghe
dye hi ons wgst, Kgh. 2, 40. — Met eene zaak
als ondw. Uitwijzen. \\ Een huus also groot als de
▼orseide plaetse bewjst, Diericx, Mem, 2, 444.
S)Jantoonen^ doen zien , mededeelen. \\ Hadde enich
beter wise gheweest, onse Here hadse bewQst,
Buusb. 3 , 49. Hoemen die substancie ertseer dinghen
deylen sal in vier partien, dat hebbic voren be-
wast , 6, 130. Proeft, want hi (CAm /m) hoeveschelec
bewgst, dat smenschen scout es, daelt hi of ryst,
Binel. 609. Omme hem t« bewisene den eed die hi
der stede ende den volke doen zoude ende tvolc
hem, Invent. ». Brugge 4, 363. — Ook w zich
zelven d-oen z%en\ door zijn voorbeeld^ door daden
toonen. \\ Dat heeft die Heer bewnst te gronde,
Hild. 126,219. — Yandaar bispel bewisen, het
voorbeeld geven (eig. toonen), \\ Aldus doensitfolc ver>
doren , dien si souden leven voren ende bewisen goet
bispel. Kerk, Cl, 43. — Ook met een boek of ge-
schirift als ondw. Boen zien^ verhalen^ vermelden. \\
«Lex domini immaculata,^* ende voort also tveers
{in Tt. 19, 8) bewQst {wij zouden aé;^^^ inhoudt) ,
Amand II , 696. Die text van der ewa ngelien bewast
ons , hoe datter in dien tiden . . . twe van Jesus
jongheren ghingen tot enen casteel, die Emaus
hiet. Stemmen 166.
4) Onderwijzen (mn\, ook wisen). || ^Si)begheerden
Toor alle dinghen sjjn gheselscip enae syn bewisen,
Amand I, 3042 (hier fus znw. gebruikt : (MM^tmpi;^).
6) Begelen, besturen ^ regeeren, \\ Omme dat {het
gild) te regierene ende te bewjsene, in sulcker
manieren als daer toe behoren sal, Diericx, Mem,
2, 91.
6) Toewijzen ^ toekennen, || So wye . . . eniger kerc-
ken, . . . huysen off erven gheeft, besprect, be-
wust of belooft, K. V, Brielle 14, 19. Om des si
Antwerpen sullen houwen voer tien dusent penningen
. . . , soe hen dat es bewesen , Brab. Y, YI , 1962,
Tuernhout . . . , dat haer susterghedeilte was . . .
soet haer bewast was te voren, 11122. Hierjegen
hebben sy weder ontfangen, die him bewast s^n
in mynderinghe vander sommen voirscr. , an koime
an meel, 248 oude scilde, Oorl. v. Albr. 116. Dat
ons bewgst ware die glorie ende ghegheven,
Amand II, 726.
7) Yan eene schuld. Met eene bep. met op.
Goederen aanwijzen waarop de schuld kan worden
verhaald , ze daarvoor verÜnden ; ook een cijns , eene
rente daarop vestigen; een kapitaal of onroerend goed
aanwezen f en de renten daarvan of een gedeelte voor
een bepaald doel bestemmen {vgl, besetten). || Yort
moet Willem vorseit bewisen ende besetten erfelike in
de Hasselt YI pont . . . tsjaers, ende ie gheve
XII fê . , . tsjaers daertoe, die miin joncfrouwe
van Zedeghem . . . bewisen sal ende sculdech es
te bewisene, Vod. Mus, 4, 338. Die . . .twintich
scelghe sjars hevet ver Lisbette . . . bewist (/. be-
wijst) ende beset wettelike up huus ende arve, dar
soe waende ..., t^ gheldene alle jaer, ZVl.BiJdr.
4 , 208. Zoo ook Mieris 2 , 120a, passim, Erfrenten . . ,
die se haer bewjjst hebben ende bewisen in
sekere steden hier na beschreven, dats te weten
die renten van Tuernhout , Brab. F , dl. 2 , bl. 483.
De welke {gelden) der voors. stede bewijst waren te
hebbene ende tontfanghene up enighe van den smalen
steden , Invent, v. Brugge 4 , 61 ; vgl. ald, 62, en Gloss.
ald. 691b. Dese voreghesegde penninghe heft hi hem
bewist (/. bewijst) op sien hues ende op sien hoef.
Vod. Mus, 1 , 101. Welke penninghen wi hebben be-
wesen . . op thertoghedom van Lutzenborch, Brab, Y,
YII , 1418. Bewisen up yheestelic lant , Bek, d. Gr. 1 ,
348 vlg. passim. Om oat hi niet en dorfte sorghen
om sinen noodtorfte, so bewysden si hem tcheins
op haer lant, Lsp. I, 36, 41. Op die rente . . .
van den Bossche bewesen wale elcx jaers drie
hondert riale, Brab, Y. YI, 2322. Soe bewisen wi
hen ende benoemen jaerlecx dusentech pont van
diere jaerliker renten, die si ons gelooft hebben j
te ghevene viertech jaer naestcomende , die scade
ende dien cost mede te geldene , a/i/. , dl. 2, bl. 619.
Dair voor soude hi den convent assigneren ende
bewisen tot eewigen dagen hondert ponden parisys
jaerlicx, Exc, Cron, 1806. Of ennich ghebrec aen
desen renten ende tollen . . were . ., soe solewi
dat ghebrec bewisen ende vervullen aen anderen
onsen sekeren renten , NQh. 1 , 406 {aanwijzing
doen , om het tekort aan te vullen). — Ook in *t pass.
Eene assignatie hebben op iemand. \\ Daer hi myns
heren brief of heeft . . ., met welken brieve hi
bewijst es upten rentmeester van Kenemerlant {met
welken brief hij zich om betaling vervoegen kan bij)^
Bek.d, Gr, 3, 332. Zoo ook381^w««.Ontfaen van
heren Symoen van Teylinghen, die hi m|jn here
leende in ghereeden ghelde , daer hi of bew{|st es
weder tontfane upten rentmeester van . . . Yrieslant,
333. Yoor welke somme zoe bewesen es up den
pacht van den yssue tooter vuiler betalinghe,
Invent, v, Brugge 6, 399. Zoo ook Eek, d. Gr. 2,
201, en Belg, Mm. 6, 90 (zie op bewisenesse^.
7) Uitkeenng doen aan iemand, || Aldus heeft die
4227
BEWI.
BEWI.
d228
TTonwe vroet eiken kinde bewijst btjiï goet met
goeden, vroeden, wisen rade, F/. Rijmk. 6820.
lm das hi die meerder wilde begeren dan men se
hem wilde consenteren ende hi daer af won sijn
bewesen {uitkeering ontvangen) , Brab, Y. VI , 920.
Dat wg onsen lieven neve . . . gegheven ende be-
wijst hebben drye dnsent alde scilde, NUh. 3, 72
(ygl. 260). Dat si . . . de gravinne van Vlaenderen
goeden moghen ende bewijsen in onse land yan
Brabant, Brab. T., dl. 3, bl. 477. Hi . . was niet
tevreden met tgeen dat hem bewesen was, Exe,
Cron. 138a (vgf. 160c). Van welker somme . . de
stede bewyst ende ghegheven heift Andriesse . .
ontfanghere van Ylaendere ... de 7642 fl^ par.,
Jnvent. v. Brugge 4, 61. — Vgl, onze nitdr. moeder-
lijk bewijs.
8) Ergens voor instaan , als rechtsterm, welke be-
teekenis die van ons bewijzen nadert ; sy'non. van b e-
waren (z. ald. 14). || So zondemen recht doen . . . an
des gheens ffhereetste gleden . . . , so waer dat ment
bewisen of bewaren conde binnen der vriheit van
Dordrecht, O. K. v. Dordr. 170.
9) Aan den dag leggen, doen blijken , bewijzen. \\
Si (lant, bosch ende riviere) bewijsdent oec in
desen, . . . dat soe (de maan) daerom was ver-
varen ende dat hem die sterren bolghen , Alex. III ,
1196. De mensce heeft ongehorsamheit bewijst
ende n gebot weerleit, Blisc. v. M. bbl. Dine
grote minne ende liefde, die du mi heves bewjjst
in dinen bitteren dode, Vad. Mus. 2, 432. Der
getroQwichede , die hi sinen heere aldaer bewQsde,
Brab. Y. VI , 1648. Hy wort . . wel ontfaen ende zeer
gheprijst ende (nl. hem wordt) menighe doecht ende
eer bewijst, Hild. 77, 122. — Behoort hiertoe ook
Clerc 46: „Als grave Florijs doet gebleven is , wart
Dirc siin soen die negende graef van Hollant , dat
hi bewijsde mit siins vaders wapen , als men siet ?"
— Ook van onaangename bejegeningen gezegd,
verbonden met een obj. als oneer, schande, enz.
Aandoen. || So en conste hy hem gheen qnaet
bewijsen, want Hnyge was snet ende sachtmoedich
als een lam, Huge v. Bord. 76. Dat ghy my dese
schande bewijst sonder schalt, is my t'hert om
verdraghen, Mar. v. N. b, 96. Onse onrecht dat
wi bi onsen levene bewijst hebben, Oorkb. 2,
426d (vgl. a , waar de zin niet dnideiyk is). (Want si)
den hertoghe ende sinen lande bewesen hebben
oneer ende schande, Brab. Y. YII, 10616. Dat
nyemant den rectoer vander scholen . . onstandt
en bewyse met woerden off met werken, O. R.
. V. Dordr. 1, 296. Dat si desen casteleyn anders
niet en bewesen noch eenige p{jn . . aendeden,
dan si wilden dat haer . . eedelen . . aenghedaen
. . worde. Esc. Cron. 209a.
10) Verschaffen , geven , schenken. \\ Sodanctehi
hem seer van s^nre gaven, die hi hem bewesen
hadde, Huge v. Bord. 69. Rechte boete te bewisene
van sinen sonden , Amand 1 , 4367. Ëlcs {van sinen
kinderen bij Cetttra) bewijsde hi enen hoec vanden
lande . . ende al dat Abraham hadde, dat gaf hi
Ysaac sinen soen, B. v. 1367, 16^. — Enen
ene aelmoesene bewisen, iemand eene gave
schenken. Zie een voorbeeld bij aelmoesene.
— Ook van iets onaangenaams. || Dies tende
{het einde) bewijst vreese der doot, dat ons allen
toecomende es, dies sondewy . . altoos om een
goet ende pooghen, Amand II, 6623.
11) Volbrengen, doen. \\ Hem doen ende be-
wisen . . aldat een goet ondersate . . mach sinen
reohten here, Brab. Y. VII, 10919. Vele Inden,
die bewisen grote wercken, Bansb. 3, 89. — De
onb. wQs als znw. Doen, handelen, handelwijze.
Dronckenscap en es anders niet dan dat men enen
minsche siet syns dancs bi syns selves bewisen
sinen vrien sin verliesen, OFl. Qed. 3, 118, 483
(misschien moet hier in plaats van bewisen om hei
rym te herstellen riesen gelezen worden).
12) De onb. wijs bewisen gebruikt in den zin
van ons bewijs, kenteeken. || Het is een bewisen
der groeter minnen ons Heren Jhesn , Stemmen 96.
Wederk. — Zich gedragen, zich toonen; hd.
sich beweisen. || Di selven alle dgn jaren snlstn so
eerlick bewisen , datti nyemant en mach misprisen,
MLoep IV, 904. Die haer in suiker eer bewQst,
dat menre off scrgfft in boeken, 1664. — Ook,
eenigszlns vreemd, met eene bep met te. |) Die
hem te paise wille bewysen {zich op vrede wil
toeleggen, zich vreedzaam gedragen), diesalinGode
weder verrisen, O VI. lAed. e. Qed. 349, 1016.
BEWISËNËSSE, -ISSE, znw. vr. Aanwijzing,
vooral de aanwijzing van een goed tot zekerheid.
Vgl. BKwiSEN 4), en bewisinge 4)). || Soe sal
« mens gheloven den ghetugenessen, die waren over die
bewisenesse, Brab. Y. VI , 6721. Mids bewgssenyssen
ende goedvngen van hare suster van Vlaenderen, Dl .2,
bl. 669. Voirt geloven wy hen, dat wy van dier . . .
renten, die zy ons gelooft hebben te gevene 20 jaer
naest comende . . niemene bewyssenesse doen en selen
noch bewijsen. Dl. 1, bl. 771. Want dat die gene,
die Igftochte hebben op die stat ende bewgst
werden op die coperen van den assisen , coat ende
teere daden ochte scade rekenden op die stad . . ,
dien cost . . selen die coperen van den assisen,
daer die bewisenesse aen gedaen is, gelden ende
betalen den lijftochteneren , Belg. Mus. 6 , 90. — Ook
de aldus verzekerde vordering. \\ Antwerpen . . .
metter toebehoerten groot ende smal ende mett«r
bewisenessen al, Brt^. Y. VI, 11600.
BEWISINGE, znw. vr. Mhd. bewisunge; mnd.
bewisinge. — 1) Vitw^zing, uitspraak. \\ Blivende
de peene van eere ende trouwen, die de heren
daer onder gheset hebben, tot onser bewisinghe,
Nijh. 2 , 226. Alle saicken , die men behoifft bynnen
deser schouwen, die sullen staen ther heymraider
verclaronge ende bewysonge, 261.
2) Aanwijzing, opgave. \\ Soe sal hij sinen reyders
scriven ende inder scriflte bewisinge doen, woe
hij gevaren heeft, Overijs. K I', 131. Item vat
brouwer sijn bier selve tapt, die sal den exisenairs
dair bewisinghe off doen van elcken vate van sgnen
exsys, Leid. Keurb. 614 § 6.
3) Verantwoording, rekenschap. || Diere ons goede
bewysinghe of doen zal , Invent. v. Brugge 4 , 492.
— Vooral in de uitdr. Rekeninge ende be-
wisinge, rekening en verantwoord^. \\ (Wanthi)
hem van genen saken rekeninge nochte bewysinge
en dede , Matth. Anal. 3 , 260. Weer tsake , dat hi
van onsen tollen . . meer opboerde, dan hi van
onser wegen uytgheve . . , daer sonde hi ons goede
rekeninge ende bewisinge af doen, Nijh. 3, 49.
Aldair ter stede goede rekeninghe ende bewisinghe
of te doen , Leid. Keurb. 161 , 33. Zoo ook K. r. Vtr.
2, 42; 43 e. e.
4) Aanwijzing, toewijzing van een bepaald goed, b.v.
als erfdeel, aanwijzing tot zekerheid; ook de sekerkeid
zelve. II Als ick hem dese bewgzinge an seker»
genoemden gode hebbe gedaen , so sall ie benoi dair
op mgnen openen brieff geven , Nijh. 1 , 432. Dat
hunne goitshuys . . gheheelic ende al niet ge-
houden en selen sijn in deser bewisinghen , Brak. Y.
Dl. 2, bl. 483. De vuile bewisinghe van dei
X" guldinen sjaers, bl. 662. Die bewisinghe van
1229
BEWI.
BEWO.
1230
den tien dusent penninghen , die vrouwe Margriete
hebben sal op Antwerpen, £rab. Y. Vl, 2093.
Alsoe ons gheminde nichte . . noch bewisinghe
ghehad en heeft noch betalinghe van hnwelike,
1887. Waer bi onse lieve nicht van Ylaendren sal
hebben die bewisinghe al op Antwerpen, 2014.
4) Uitkeerinff] ook in concr. sin de som die
uitgekeerd wordt, \\ Alsoe . . die twie vestmeesters
last gehad hebben der wesekinder bewisinghe
van der stede wegen te ontfangen, Leid, Keurb,
167, 60.
6) Bewijs, — a) In den zin van kenmerk, || Altoes
wel te doen ende weynich van heniselve te honden
(met zich zelf op te hebben)^ dat is bewisinghe
van eenre oetmoediger sielen, Ned, Proza 247.
— 3) In den zin van waarheidsblijk, \\ Men sal alle
rejsen overscriven, woe menigen nacht ende dach
ende mit woe vele perden men uutgheweest es tot
gaeder bewisinge, Overijs, R. 1^, 175.
6) In de uitdr. Onsteghe bewisinge, Aet
bewijzen van gunsten] gimstige gezindheid, genegen-
heid (vgl. BE WIS EN 10)). II Die edel keiser . . toende
onsteghe bewisinghe sinen bmeder, maer snuder-
linghe sijnre suster der hertoginne bewgsde hi . .
grote minne, Brab, Y, VI, 6990.
7) Het doen, het tot stand brengen, volbrenging.
Vooral in de uitdr. bewisinge van werken,
het doen van werken, de daden zelf. || Dat vierde
teyken is bewisinghe goeder werken , Stemmen 173,
So was die heer so doghende, dat die bewisinghe
synre werken hem dede toegheven den naem van
eeren, dat men hiet goede grave Willem, Matth.
30. Den ghenen daer si hem keren an na be-
wisinghe van haren wercken, Hild. 247, 92.
BEWISSEN. Zie bewessen.
BE WISSEN (Hem-), zw. ww. bedr. en wederk.
Bedr. — Zeker maken, bewijzen, Vgl. mnd. be-
wissenen, d. i. eicherheit geben , en Kil. bewisten, d. i.
versekeren, || Des so sullen de parten . . malkanderen
ghenochsum besorghen ende bewissen m^t seghele
ende breven, Warfsconstit. 137.
Wederk. — Zlch verzekeren, zich vergewissen. \\
Die Pauwes die ginc hem bewissen, wien hi de
crone gheven mochte, Stoke III' 756. Oecmoghen
si lachtren nemmermere den ammirael ente sine . . ,
want si connen hem bewissen, z^f kunnen zich
zelven overtuigen (?), TX, 664.
BEWISTEN. Zie bewessen.
* BEWONDEN (Hem-) , zw. ww. wederk. Met den
2den nv. Hetzelfde als hem bewinden. Zich be^
moeien, gieh inlaten i9i^/. ||Och, wat deder mi be-
wonden, des en kan ie niet ghe weren, wat deed mij mij
met haar inlaten, waarom liet ik mij met haar in\
D, War. 8, 84, 20 (zoo althans kunnen de
eenigszins duistere woorden worden opgevat).
BEWONEN , zw. ww. bedr. Mhd. bewonen, — 1) In
de tegenw. beteekenis. || Gi selt husen tymmeren
ende gi en seltse niet bewonen, B, v, 1357, 77a.
So waer elc siin deel te clein te bewonen sy,
B. V, Utr. 2, 194.
2) Een recht bewonen, een recht behouden
door op eene bepaalde plaats te wonen (in eene
stad b. V.). II Dat sy woenstadt daermede houden
ende haer poortrecht daermede bewonen, O, R.
V, J)ordr, 1 , 297 , 83 (de verandering van bewonen
in bewaren is overbodig).
BEWOONRE, znw. m. Bewoner. \\ (So) mach
die gene, die de husinge off dat erve toebehoren . .
den bewoenre twe mmyngen off bieden , B. v, Ütr,
2 f 264. Ter eerster mmynge sell die bewoenre . .
borgen setten, ald. Wairt dattet die bewoenre
nutdede, ald. Dien scade sell die bewoenre hem
rechten ende verstoren, ald.
BEWORPEN. Zie bewerpen.
BEWORREN , deelw. van bet st.ww. b e w e r r e n;
mhd. bewërren; mnd. bewerren. Verstrikken, ver-
warren ; vgl. hd. verworren. \\ Bruder Were heft sin
herte also beworren met wereltliken saken, datter
nit guts in en mach , Limb. Serm. 210a. — Vgl. mhd.
beworrenheit en beworrenHche (Lexer 1 , 258).
BE WORTELEN, zw. ww. bedr. Grondvesten,
Slechts in het deelw. bewortelt, d. i. geworteld en
gegrondvest, \\ Die sevende doecht . . die staet be-
wortelt in oetmoede ende op een zeker fondament,
Hild. 86, 147. Vgl. Oudem. 1, 684.
BEWRACKEN, indien de lezing zuiver is (het-
geen niet zeker is , daar het Hs. , vs. 6536 , niet heeft
becact, maar beclat (Willems, bl. 244), en het
rijm dus in de war is), kan bewracken de bet.
hebben van pekelen , zout maken , afgeleid van het
bnw. wrac, d. i. brak, zout, zilt (Kil. 820), of
ook onbruikbaar maken, van wrac, d. i. onbruik-
baar. Kil. rejiculus. || Daer si in laghen, dat was
vuul hoi, clat haer urgn had bewract (uitg. v.
Mart.: bewraect). Rein, II, 6534 var,
* BEWREDEN, verkeerde lezing voor be-
vreden, OFl, Lied, e, Ged. 474, 631. || Twee.,
wel bewreidt (/. bevreidt, d. i. beschermd, zeker,
veilig) van allen blamen, dats vriendelicheit ende
wijsheit. Voor de verwarring van 10 en v in de
Hss. vgl. bewueghen, bewuUn, bewelenisse e. a.
BEWRIVEN st. WW. bedr. Wrijven over de ge-
heele oppervlakte van iets, herhaaldelijk wrijven. \\
Bewry ven dat seer wredelQcken met haren hemden
(? de drukken hebben heden) van kemelshaer ghe-
maect, Fass. W, 107 a.
BEWRONGELEN, zw. ww. bedr. Van wrongel,
en dit van wringen, Doen stremmen, eene compacte
massa doen worden. \\ Die (humoer) bewrongeltse
daer, BarthoL léa. Een aerdich bloet wort haest
bewrongelt, 82a. Bloet van enen stier wort eer
bewronghelt dan enich ander bloet, dat bloet van
allen dieren wort gecoaguleert enz., S2b.
* BEWÜEGHEN. Zie bevoegen.
* BEWÜLEN. Zie bevulen.
BEYAERDEN, BEYAERT. Zie beiaert.
BI, voorz. en b^w. Got. bi; ohd. pi, bi; mhd.
mnd. bi; ags. bë, bi, big; osa. bi, be. Het woord
komt in alle ogerm. talen , behalve in de noorsche,
waar het ontbreekt, oorspronkol^k voor met
korte vocaal; later zün de vormen met verlengde
vocaal overheerscheud geworden. Ook buiten de
germ. talen wordt het woord aangetroffen , nl. skr.
abhi; lat obi- (in obiter); slav. ob. Daar nu naast
igerm. abhi ook ambhi bestond , dat uit denzelfden
grondvorm gesproten is, en dit laatste woord
feitelijk ons om (voor ombe, Gr. dfiq>i, l&t.ambi',
ohd. umpi, ags. ymb) is, zoo volgt daaruit dat
onze twee woorden bi en om uit één zelfden grond
vorm zijn voortgekomen; nog flauw gevoelt men
dit in de verbinding om en bij. Zie over dit woord
verder Grimm , Wtb. 1 , 1202 vlg. en 1846 ; Weigand
1, 174; Taalk. Bijdr. 1, 201.
I. Als VOORZETSEL.
Oorspr. met dat. en ace, in verschillende opvat-
ting, doch in het mnl. z|)n de verschillende be-
teekenissen niet meer naar de regeering van het
voorz. te rangschikken. Zie een zelfde geval bQ Ane.
1) De oorspronkel^ke beteekenis rondom, welke
be in samenstelling met ww. ook nu nog bezit (b. v.
1231
BI.
BI.
1232
bekransen^ bekronen^ beUgeren; Eie Grimnif Wtb,l,
1203) verloor de praep. by al vroeg; in het mnl.
is er geen spoor meer van aan te wijzen , doch in de
volgende opvattingen vindt men w^zigingen dier
beteekenis. — a) Ten opzichte van (vel. lat. cireum
en eired)^ met het oog op. \\ Moye, dit en hebbic
niet geseit bi n . ., ie segt bi alrehande wijf, die
lopen om die lande te sconwen, Belg. Mm. 6,
410 f 36. Ygl. gpot. 5t , dat dezelfde beteekenis heeft.
— b) Met betrekking tot. || Alse men dat wals
teersten vinc, so waest des breidels ongewone,
aldus eist biden jongen sone, Sp. I", 52, 16.
— c) Wat betreft. \\ Bi namen wi voegen in eene
wise : Molhem , Molinens , hiers geene were , lUncl. 9.
— Vooral in de nitdr. bi getale (getalle), va/
het getal betreft (meestal knnnen die woorden onver-
taald blijven). i| Meer dan sestich bi getale , i2W;».
Byl. 292 , 9. Omtrent twee dnsent bi getale , Brab. Y,
IV, 626. Van silvere hondert (pont) bi getale,
Flor. 617. Zoo ook Sp. I", 8, 31; enz. Bi rechten
getalle, Wal. 1952. Bi ghetalle, 2235, 2427; enz.
— d\ Achten bi, komt éénmaal voor in den zin
van net gewone achten op (vgl. ons geven om). ||
Dat men niet en acht en twint bj die scoenheit
vanden menschen , ist dat hem een cruyt fael giert,
die wellic wi penninghen nomen. Vrouw. e. H. VIII, 7.
— e) Wats daer bi, tvat komt dat er op aan^
loat doet dat er toe^ wat zou dat {Yg\. daers niet
a n e , Wap. Rog. 250) ; eig. wat it dit met betrekking
tot de zaak in quaestie. |) Die abt antwerdde ; ende
wats daer bi? Propheten, Apostelen en waren si
niet menschen? Sp. II*, 64,43. — f) Ongeveer ^om
en bij. \\ Bi anderhalf hondert jaer, Alex. III, 789.
2) Uit de bet. rondom {om en bij) ontwikkelde
zich die van plaatselijke nabijheid; eig. met
ace.: het komen bij\ het naderen; met den dat.: het
zijn by\ het nabij zijn. — a) Meerdere of mindere na-
bijheid, bij in onze tegen w. opvatting. || Bi sinen
hove, Rein. I, 650. Bi haren welpekinen, 1366. Ie
hebbe gheslapen bi miere moien, 1671. Bi enen
eten, eten met, in gezelschap van iemand; in tegen-
stelling van eten met enen , d. i. bij iemand ten eten
zijn. Zie bij MET. — b) Bi dient ook om den be-
trekkelijken afstand nit te drukken, ons van - af. \\
Bethlem, dat staet bi Jhenisalem ses mieigen,
dat syn milen drie, Sp. III*, 27, 11. Vgl. bfl Byw.
— c) Daaraan grenst de beteekenis langs. || Bi den
tnne , Rein. 1 , 646. Alle die ginghen bi der strate ,
1496. Volghen bi dien selven p^e, 3295. Dat hi
bi enen wege ginc. Franc. 1316. Daer hi by enen
weghe ghinc, Es. 87 f. Sic. (Hi) quam tere pas-
sagen . ., daer hi opter zee bi quam. Mor. 2358
(vgl. voor daerbi, waarin bi eig. byw. is, de
Aanm. bjj Ane). Zie ook bg Bijw. — d) Uit de
bet. nabijheid ontwikkelde zich het begrip op -na,
behalve, uitgezond^d. || Die t^t was omghecomen
by twee uyren, nochtan dat die ridder niet ghe-
comen en was, Matth. 80. — Vgl. 4e).
3) De plaatselijke nabijheid kan ook figuurlijk
worden aangewend en wel in de volgende opvat-
tingen. — a) In de uitdr. bi seuwe ende bi
lande, te zee en te land. || Ne ghene twintich
milen neest bi seeuwen te vaerne, Rijmb. 4978.
Hi bestont dese viande beede bi zeuwe ende bi
lande, Sp. III«, 90, 13; I», 36, 33, e. e. — *) In
de uitdr. bi west, bi o est en dgl. Westelijk^
oostelijk. II Van den wale , die leghet bi Oest , Mieris
2, 2153. Van dane tote Avenhorne bi westen des
smitshuys, ald. Zoo ook by noorden, suden,
westen, O. K. v.Enkh.2%, 142; 31, 161; 32, 170.
— ff) In de bet. in het bezit van. \\ Brune . . te sceme
driven ende selve bi siere ere bliven, Rein. 1 , 544.
— d) In de uitdr. bi hem, bi haer,d. L^il^r^
b\j of met zich zelven, d. i. afzonderlijk, op nek
zelf, II Elc bi hem ende alle gemanc suUen u dei
weten meerren danc, Lane. II, 2791. (Si) maeeteB
doe hare vart elc bi hem te bosche wart, IH,
1179. Dat vleesch bi hem en doet gheen quaet,
Z. ende lAch, 141. Elf staden stonden daer, daer
Romen nu staet ende elc bi haer, Lsp. I, 43, 9.
Elc gheslachte bi hem, II, 9, 7. Doe Joseph
aldus bi hem woonde in Bethleem, II, 33, 1.
Alsoe bi haer selven was, seorsim potita, Sp.lH^^
26, 47. Sin ende vroetscap doet hier, dat cracht
en doet niet bi hem , Nat. BI. II , 3998. Dat hi
sach . . desen woerm tere stede in so menech stic
ghesneden . . ende elc levende bi hem allene,
Nat. BI. VII, 529. Zoo ook Sp. III», 43, 15. -
Sp. IV >, 44, 59: „Die {boeken) versamende sider
bi hem die broeder Martijn van Behem," heeft
bi hem de min of meer afwgkende bet. vao of
eigen gelegenheid; lat. proprio of suo Marte. — e)h
vergelijking van (eigenlijk wattneer men twee zake»
enz. in eikaars nabijheid zief). \\ Vrancryc is een
nu {nieuw) lant biden anderen, Clere 10. {Gte)dtDxkt
dijn ontfermenis die recht bi onse sonden is,
als bi een dropel is die zee , O. H, Pass. 25 , 691.
— /) Steeds met een datief verbonden. Van een
lichaamsdeel (of een deel der kleeding), waarop
de eene of andere werking, meest mishandeling
wordt toegepast, in welk geval ook wQ meeste
bij gebruiken , soms aan of met. Vgl. iemand b|
het haar, een oor trekken, bij den neus nemen, hi^
de hand leiden, bg het been pakken, bg het l^
nemen (figuurlyk, d. i. beet nemen), \ii^ de rokken
trekken, enz. || (Bruun, die) biden hoofde staet
ghevaen. Rein. I, 688. Hi was begrepen bi siere
muien so vaste , 694. Die hem selven hadde ghedaea
biden buke in dat gat, zich met zijn huik door het
gat gewerkt had, 1580 (de buik ging ernatnurlgk
het moeielgkst door; ghedaen in gevaen te
veranderen {Tijdsehr. 3, 221) is verkeerd). (Dat)
men Reinaert . . . daer an hinghe bi siere kele,
1888. (Hi) hadde Cuwaert bider kele ende sonde
hem thooft hebbbn ghenomen, 158. Dier Reinaol
hadde biden croppe hooft ende hals afgbebetea,
288. Soe trac hare selven biden hare, Wai. 5519
(gew. mnl. metten hare; zie met). Die vos namene
biden ghere , Wal. 6069. Die joncfrouwe nam hi
bi der hant, Ferg. 1221. — Vooral gewoon is
(enen) bider kele(n) hangen, b.v. Rijmk.
9976; Ren. 461, 901, 932, 1073; JBleg. 908,
1259; enz.
4) Van tijd gebruikt, drukt bi uit: — «) de
geiyktydigheid. Ten tijde van, gedHremdt,
Vgl. ons bij dag en bij nacht {Rein. I, 118, 408,
2347, 2349; II, 5409). || Hier vormaels bi Elenea
tiden. Rosé fr. 250, 72. VoertQts bi ondea
tiden , Sp. d. M. 1, 11^. Ter steden, daer hi
nu leget bi daghen, nu ter ti;d, Stoke 1, 47^
Donrecht dat hi (Ood) heeft bi vele daghen barde
guetlike verdraghen, Wrake I, 45. Dus ne kiect
men nu niet bi jare, nu ter tijd, Sp. III*, 45,36
(de verklaring van Halb. Jont. 199 is onjaisi).
Bi Loths tiden , Rijmb. 25657. — b) Met een bt.
znw. verbonden, dat een tijd uitdrukt, bc^eekeat
b i de herhaling , het meer of minder ^eref<dd
terngkeeren van dezelfde werking. || I>at is ee
zake, die ymmer moet bg wilen {interdum)
quaet eynde ontfaen, MLoep I, 1658. Bi
reet hi opten pas, daer Oenoene woenachticb
2001. Zie ook II, 819, 2274, 3053 ens. Die ii
1233
BI.
BI.
4234
die derde grade gaen meren bedde wel bj tQden,
II, 1668. Die vracht, die hi hadde ane, plach hi
tetsne bi stonden (mhd. zettunden)^ Sp. III ^, 29,
60. Bi tiden, bij tijd en wijle ^ Hf t^den^ Inoent,
w, Brugge 8, 609. Eer men dan ten eynde raoct
▼anden wegbe aldna bi staden, hij gelegenheden ^
b^ ttnkken en brokken , bij korten en stooten , Hild.
199, 160. — Behoort hiertoe ook Sp, III», 8, 3:
n Eng^stus . . . leet die zee over bi passen in grote
Bertaengen ** ? Halb. verklaart bi passen als bij
schreden^ gezwind^ doch waarop steunt deze ver-
klaring? — c) BQ tijdsbepalingen heeft bi soms
de beteekenis van op-af (vgl. by plaatsbep. van-af
{2b), II (Dors) stont daer bi enen daghe {op een dag
af) vijftien jaer, dat seit die jeeste, Segk. 6776.
6) Van ovutandigAeid en wijze gebruikt komt bi
voor in de volg. uitdrukkingen. || (Tlant) was ghe-
deelt bi suiker w^s, Sp, III< , 39, 61. — Bi
manieren, op de eene of andere^ de gebruikelijke
of ook op eene echoone^ uitstekende wijze, \\ (Soe)
mesbaerde gel^c dieren ende togede bi manieren
bede claghe ende bede, III ^, 21, 46. (Si) hebben
dien twist tebroken ende scieden tnsschen hem vieren
haer rike bi manieren , III* , 39 , 48. Men danste
den hofdans bi manieren. Bei». II, 3486. — Bi
staden, aU er eene goede gelegenheid is , op zijn
gemak ^ rustig^ i^^affr^ || Sente Remy qnam daer
bi staden {tempore opportune)^ Sp. III*, 8, 49. Si
begonsten te ciiven so si gevoechlicst consten van
grade te grade wel bi stade , Flor. 2906. Die vrouwen
quamen ember twee ende twee te samen wel bi staden
met gemake, Parth. 8114. Zoo ook Z<mc. II , 3821,
8722,8800, 16608. — Later werd bi staden eene
nitdr. zonder veel beteekenis. Zoo b.v. Hild. 90 , 43 :
Hi quaem wel tgts ghenoech by staden. Zie Taalk.
Mag. 4, 167 vlgg.; Tekstcr 9 vlg. en vjgl. onder 4^)
een ander bi staden. — Bi namen. — a)In de
nitdr. bi namen heeten, geteemd worden, eig.
met een naam genoemd worden, || Herodien hiet soe bi
namen , JUjmb, 20896. Haerre suster ... die hiet
bi namen Galsuwint, Sp, III*, 43, 74. Ëenen
grave nam hi bider hant, die Tyberius hiet bi namen,
UI*, 46, 70. Zoo ook I^ 40, 42 e. e. — j^ In
de bet. met name , hoofd voor hoofd (lat. nominatim).
II Hier na so hevet hi ghenoemt alle diehogheste
bi namen, Hein. I, 1(X)0. (Soe) bleef . . in hare
camere . . . , die coninc ne ontbootse bi namen ,
met naam en toenaam, uitdrukkel^'k, Rijmb, 18116.
Men leitse ghevanffhen daer, altemet dat si quamen
tot dat mense haa bl namen, £leg. 1122. — Bi
toenamen, met een toenaam, bijnaam, \\ Omdat
mense gheliken mach tsamen hetic dese andere bi
toenamen Meerlüns biteken, Yelth. YII, 10, 67.
Een bisscop ... die bi toenamen hiet vroet, ^. II* ,
44, 1. — Bi rade, met overleg. \\ (Si) keerden weder
thnus bi rade, Stoke III, 219. Die Romeyne,
die bi rade . . . altoos vochten ende streden , Bijmb.
31606. Men moet wel lieghen alst doet noet , ende
daer na beteren bi rade , iKtfu». II , 4260 (vgl. 4770).
— Bi aventuren, misschien, wellicht. \\ God sal
die zine bi aventuren qulten uter pine, Bijmb.
18201 {var, machlichte).
Aanm. Bi hande, ^. III*, 60, 42 {Lanc.
lY, 9720), is niet met zekerheid te verklaren.
Waarschgniyk is ghecleet bedorven en moet men
met het oog op de lat. woorden: a dectro et a
levo latere duo arehipontifiees ipsum t-enebant, lezen:
Clergie geleeddene bi handen.
6) Yooral in gebruik van oorzaak, reden en
aemleidmg, — a) Yan oorzaak. Ihor, uit', zoowel
van personen als zaken gebruikt; eng. by, jj Hoe hi in
Blancefloeren camer cam , bi welker list , bi welken
sinne, Flor. 3761 (vgl. 801, 819, 876 e. e.). Dat
Sinte Aelbrecht {het Üjk) was vonden bi ere nonnen ,
die tien stonden den Grave wgsde, waer hi lach,
Stoke I, 471. So dat si ne ghene dinc ne vonden van
mesdaden bi orconden , Bijmb. 16803. Want wi ons
hebben besmet metten onsen bi ommaten , uit over-
moed, 27828. Ne mare du suis wesen ewelike
onterft bi desen, Lane. lY, 4147. Bi der scout,
Ferg. 877; Nijh. 4, 148; Mor. 127, 734. Bi engiene,
Bein. I, 462. Bi barate, 363. Bi oorlove , II, 6093.
Bi sduvels cracht ende bi des duvels ghewelt, I,
2272. Bi avontnre, door, bij toeval, Bein. I, 161,
2673. Bi onrechte , Beatr. 762. Bi rade (van) , door
den raad, de inblazingen van, Bijmb. 19>20^\Beatr.
63 ; Lorr. 1 , 1249 ; Sp. I* , 6 , 46. Bi sinen toedoen,
Lucid. 3207. Zie verder Zörr. I, 742, 967, 1847; Eleg.
704; Bein., Bijmb,, Mor. Gloss. — Leven bi iet,
ergens van leven, jj De proofst Bertolf zwoer, hy
en hadde kume corens ghenouch eene maent by
te levene, Oron. v. Vlaend. 1 , 49. Ygl. bilevinoe.
— ^ Ook in den zin van door het voorbeeld van. ||
Dat moghedi bi mi wel weten, Bein, 1, 666. Ie
wille u . . bi beesten ende bi vogelen leren die
nature vanden lieden , Esop. Prol. 1. Da^ ie mi bi dien
man castien sonde, mij aan hem spiegelen zoude,
Voet. II, 2709. Zoo ook ITrake II, 1196, 1208;
Esop. XXIII, 16. — y) Yooral by zinnebeeldige
voorstellingen en vergeiykingen , bü de ww. be-
dieden, verstaen, bescriven, betekenen,
en dgl. Bedoelen me f, duidelijk maken onder het beeld
van , vergelijken bij; verstaan , zinnebeeldig voorstellen
door. II üter, ghi siter bi bedunt, bider sterren ende
biden drake, Sp, III*, 31, 26. Bi den witten .. be-
dudic des menschen leven, O VI. Ged. 3,126,192.
Den roe, . . daer wi haer nootdorste bi bedieden,
Yelth. YII, 22, 69. Daer sijn die quaetheden bi
bediet, Bijmb, 23398 (vgl. 23406, 26692). Bi den
vische machmen verstaen den zondare, Nat, Bl.
Y, 1022. Dat onghewederte zwaer wil ie bi den
duvelen bedieden, Tien PI, 1646 (vgl. 478, 2165
en Tekstcr. 89 vlg.). Also sijn alle ghelovighe bider
mane verstaen, Üs. Ib f. 179a. Daer is die su ver-
licheit der ewangelien . . by beteykent, Hs. 87
/. 89«. Zie verder /;«»<?. III, 2071 (vgl. 1789), 6309 ,
6341 ,'48, 6383; vgl. Zu^ritf. 3196, 3202, MLoep III,
230. — d) Ook in den zin van volgens den wil, met
toestemming van, \\ Soene hadt niet ommare , updat
biden coninc ware, Sp. I*, 6, 41. Dieioncvrouwen
zullen hebben tot haren scoenheden alsoe vele als
redenlic es, bi den ghenen die daer toe ghecoreu
sullen wesen , Nyh. 1 , 176. — b) Ook in den zin van
volgene, bij. Ygl. onze uitdrukkingen \)i^ de wet
verbonden, by vonnis, by besluit enz. || Hi nam
een wyf bider wet, Sp. V , 61, 63. Bi wette, bi
costume, Sp, III*, 8, 10; III*, 46, 74; 49, 36.
— f) In verschillende bywoordeiyke en voeg-
woordeiyke uitdrukkingen. — In de by woorden
Hierbi, daerbi, waerbi, hierdoor, daardoor,
waardoor. Zie o. a. Yan Wyn op Heeln 4 vlg. —
Bidi, bidie, bidien, bideeu, bidien dat,
Heelu 1693; Stoke I, 616; II, 629; Lane. III,
10769; lY, 10771; Sp. I*, 8, 21; I», 74, 106;
ni', 26, 36; Lsp, II, 36, 477; enz. Zie BEDI.
— Bi des, daardoor; vgl. mhd. indes, underdes,
vordes (Ben. 1, 316); hd. indessen, unterdies, mnl.
dor das; enz. || De werelt bi des besmet in hem
selven nu moet syn uut den stortene des cranrs
fenyu, dat die duvel so sterc wrochte, Jmand II,
4394. — In de voegwoorden Bidi, bidien (bi-
d e e n) , doordat, omdat; Vrouw, e. M, YIII, 262 ; Jan
4235
BI.
BI.
1236
Yp. 39 ; Ltp.lJ, 64; II, 36, 1481; III, 26, 100; IV,
4, 48; Liicid. 4447; Parth. 4916. Het«elfde als
bedi (z. ald.). — Bi dat, doordat^ omdnt (ffot. bi
tkateC). W^o dat si ter steden quam bi datse leidde
dingei ons Heren, Sp. 11% 49, 23. De pacient
heeft gproete pine int hoeft , bi dat daer versceden
€9^ dat te gader behoort te syne , Jan Yp. 39. Dat
werelt Yroescap es bekent voor 6ode sot ende blent,
bi dat soe met zonden smitte haer mesleet ten
helschen pitte, Praet 1228. — Bi also dat, in
verschillende opvattingen. Zie bij also. Dit also
moet in deze uitdr. beschonwd worden als voor een
znw. in de plaats te staan ;-bi also dat is eig.
op die wQze, op znlk eene wijze dat. Vgl. de
nitdr. op aldus, bij aldus. Ook als obj. vervangen
also en so een znw. Zie bij also op het einde.
Andere voorbeelden van bi also dat, vindt men
nog Getch. v, Antw. 1, 481; 3, 569; ö79 (orame, by
also dat ghyse in uwer gevenckenissen niet mechtich
en waert te houden, alhier gelevert te wordeue).
Bi also ende in also verren als wy . . . van den zevene
ponden gr.siaers zullen moghen ghebruken, Invent. v.
Brugge 3 , 306. Ende bleefs in sabs van Sente Baefs
loyael seggen, bi alsoe dat hi nemen sonde te
sinen rade dien hi wilde, Oend-tch, Chtb. 12.
— Ook bi also (so) verre, voor zoover aU^
waarin ook also verre als znw. moet worden op-
gevat; vgl. lat. qttantnm en fr. poitr atttant que^
Oesch. V. Antw. 4 , 521 en 523. — Bi aldien dat,
ingeval y bijaldien (vgl. Mor. 212). || Ist by aldien
dat de meeste partye . . het goedt dunct, wy
willen datse daer in blyve, Oendsck Chtb. 180.
— b) Van reden. Om. || Al is natuer van hem
ghebleven, die men minnen sel bi haer, Hild. 93,
88. — Vooral in de byw. uitdr. hierbi , daerbi,
waerbi, hierom^ daarom ^ waarom. \\ Daerbi moet
al na desen planeten, nadertijt divers wesen,
Natuurk. 1245. Hier bi en soude gheen meester
syn, wildi goet visiker syn, hine soude van
astrononomie leren, 1247. Alsene iemen hierbi be-
greep, dat scaerp was syn leven , Franc. 4932.Waerbi
soe roepti Anetuse , Limb. VIII , 552. — Bi desen,
dtutrom. || Ghi hieft mire dochter ende bi desen
ne mogedi mijn w\jf niet wesen, ^. III*, 39^99.
— c) Van aanleiding. Ten gevolge van. || Bi clenen
dinghen ... leestmen dat altoos strijd was, Bijmb.
12341.
7) Bij werkw. , die kennen en gekend worden
beteekenen , dient b i om aan te duiden de oorzaken
der kennis, m. a. w. de kenbronnen. || Ghi dunct
mi van edelen bloede bi de ghewaden, die ghi
hebt an, £sm. 288. Bi der tale . . bekenden alte-
hant Reinaert, Rein. II, 538. Hi es een Waloes
in scine bi sire tale ende bi aldien, dat ickerane
conde gesien, Jifor. 210. Baema wart hi bi den
goudinen halsberch vonden onder die dode, Sp.
!•, 12, 59. — Bij WW. van vernemen beteekent
bi de bron, waaruit men zijne kennis put, ons
van. jl Biden lieden , die daer leden, verstonden si
wel bi waerheden, dat sente Martij n was, iSjp. 111%
41 , 69. — Bij WW. van noemen beteekent b i de aan-
leiding tot de benoeming, die gelegen is in dege-
lijkheid van twee personen of een persoon en eene
zaak, ons naar. \\ Bi den ever ben ie gênant, jS^fy.
Mus. 1, 295.
8) Bij bezweringen en eedsformulen , waarin bij
eig. beteekent al* in de tegenwoordigheid van. Ook
thans nog eene gewone bet. van bij. [\ Ie neemt bi
gode ende mire wet, Flor. 3744. Dat ie bi gesel-
scepe bidde ende bi gerechten bruderscepe dat si
mins . . gedinken willen , Lanc. III , 6095. — Zoo ook
in 't mnd. Zie Lubben 3, 142, en vgl. over de
soortgelijke uitdr. iet nemen op sinen eet, Tijdtckr.
1, 142 vlg. — Vandaar uitdr. als bi tronwea,
bi waerheden, in waarheid, inderdaad, Bijmi.
14594; Sp. III*, 41, 70; enen groeten bi
Apolliue, iemand onder aanroeping van Jpoüo
alles goeds toewensehen, Flandr. I, 56; ens.
9) Eindelijk heeft b i de bet, van op perbettrte van;
vgl. 8. Men l)ezweert iemand b. v. bij sijn leven, hd. bei
leibe, en indien door een ander aan dien eed niet wordt
voldaan, gaat het leven verloren. In dezelfde be-
teekenis wordt thans op gebruikt. Vgl. de nitdr. op
verbeurte, op mijn woord, op mijne eer, enz. || Vrouwe
Hersinde . . beval hi bi haren live dat soe stonde
bi Reinaerde, Rein. I, 1983. Wiselent bare beveleo
vaste bi haren live. Flor. 458 var. Dat onse
richters . . op onsen ondersaten . . geen noitbede . .
doen en soelen . . bij hoiren ampte ende bg hoiren
guede, Nijh. 4, 85. By X scellinge, O. K. v.
Delft II, 20, e. e. Zeer gewoon in ordonnanciën
en keuren. — Ook in de tautologische uitdr. bi te
verbeuren, op strajfe van te verbeuren , O. X. f.
Delft I, 17 passim.
II. Als bijwoord.
Nabij, van plaats, tijd en omstandigheid. Vaak
met een datief verbonden, die bi voorafgaat,
slechts eens m. d. gen. {Sp. l"* , 60, 29: Alsoe
haers ghenesens was bi). || (Si) voeren Ayoele altoes
bi, AioUfr. 832. Die coninc dede Avoele hem
sitten bi, 1143. Doe leedde hi tfolc den berghe
\A,'RAJmb. 4549. Dat siit (here) sagen daer liggen
vore hem herde bi , lAmb. VIII , 498. Her Evax
was hem te bi, V, 415. Om dat Marien tgdt by
was, dat 8i> baren soude, Fass. W. 130a. (Hi es)
te Parys in die stat ocht hi esser harde bi,
Lorr. 1 , 658. Dat ie deringelelevene bi met broeschea
live mach bringen mi, iSjp. IP, 1, 60. Gheniartil|t
80 wart hi ende gheëert Sente Pietre bi, naagt
Petrits, Lsp. II, 44, 179. Sal hi Gode comen bi,
N. Doet. 2485. Recht ere valdore bi. Rein. I,
1619. Hets den avonde bi, 1911; Merl. 30291.
Dicken als ie al was bi, h'em te hebbene, ontgine
hijs mi, Sp. I*, 6, 55. Dat hemelrike es bi, Hs.
V. 1348, bb. Dattet bi was, dat men den tempel
verbemen soude mitten zwaerde, Hs. v. 1423, 81e.
Zoo ook Sp. III*, 25, 67; I', 60, 36; 11% 33, 84;
IV, 37, 16; Lsp. II, 5, 125; II, 48, 360; 967;
III, 2, 40; Htige v. Bard. II, 166; RijwOf. 6340,
6679; Stoke II, 940; O VI, lAed. e. G. 291,1716;
302, 2034; 435, 201 Tvoor doet leze men daar
dat); Segh. 432; Christ. 1428. — Verre of bi.
Rosé fr. 255, 128; Lorr. I, 699; Rein, I, 2046.
— Van h'\, van nabij, Christ. 669; Rosé 911;
Parth. 8023; Sp. I«, 34, 160. — Bi noch na.
Rein. Nal. 386, 92. Vgl. ons nabij. — Bi ende
breet, nabij en ver. || Becondicht dit in allen
weghen verre ende naer, by ende braadt, H. War.
1, 408, 24. — So bi, also bi, zoo nabij, Belg,
Mm. 1, 296; Rosé 2881; S^. m«,26,6S; i^;m,480;
Parth. 7756; Rein. II, 6967. — Enen bi of an
sijn, altijd om en bij iemand zijn , <S^. III*, 44, 31.
— Daer bi, aen ende over sgn, Tma welke
nitdr. allerlei variaties voorkomen; zie op AEN,kol.74,
bij eene plechtige handeling tegenwoordig rijn, do^
(hetgeen t. a. p. niet dnidelyk genoeg is iiitg«dnkt)
als daartoe verzochte getuigen. || Dat
sy dairby, aen ende over geweest hebben by
meister Jacop van Dordrecht ens., O. R. v. Dvrir.
2, 128; enz. — Het es daer bi dat, het
1237
BIAC.
BIBR.
1238
scheelt ¥>e%nig of^ C^ritl, 1417. — Soms beteekent
bi hetzelfde als ons van-af, \\ Op een myikgn
Romen bi, Ltp. II, 44, 485. Ygl. Sp. IIP, 31,
42 : Doe dedi maken buten der stede eenen cloestre,
twee milen bi {pp twee mijlen afêtanéS) , daert eenl^c
was ende vii. — Eene enkele maal beteekent het
Utngs. II Al haddic bi vort (hetzelfde ale vorbi)
willen Uden , Wal 6251.
Aanm. — In sommige Hss. vindt men bi- in
samenstelling met ww. voor be- zoo b.v. Rek. d.
Of af 2 , 530 vlgg. : bihiet , bilopen , bihoif , bitalen.
Lanfr. 6r. byghcerte, bjgint, 7r. byteykenesse ,
bykennen, 89. tobyhoren, bitaemlic, Svbyghinsel,
12r bynemen ; enz.
BIACHT (BIJ ACHT), BI ACHTER, BIACHT-
YADER. Zie. biechte, biechtër, biechtvader.
BIBLIYEN , st. WW. onz. Met den 3den nv. , die
meestal bi voorafgaat.
1) Volharden y bij iete blijven. \\ Uwer hoger
begeerten so blivic bi , ik blijf er bij , zal trachten
het tot etand te brengen^ Blisc. v. M. 1437. Bi-
blivende arbeyt (lat. labor aseiduiti) die verwint
grote dinghen. Stemmen 83.
2) Blijven bij iets^ bij iete stilstaan, — Ook
als znw. gebruikt. || Bi al dien goede , dat n God
doet, dair snldi hebben een bybliven in nwer
herten , daar xult gij » voortdurend mede bezighouden^
Stemmen 174.
3) Bij iemand blijven. || In die camere soe bleef
hi al den nacht der vrouwen bi, Vergi 101. Dus<
daneghe vrient en roke u niet, die di begheven
in df n verdriet , maer soect den ghene die di blgft
bi, on. Oed, 1, 81, 627. Alle die beste bliven
u bi, blijven op uwe zij de ^ u getrouw^ Rein. II,
7373. — Be onb. wijs als znw. Tegenwoordigheid, ||
Wanneer die quellende sielgheen ghestadich bibliven
en mach hebben mit haren brndegom , Stemmen 174.
BIBRENGEN, zw. ww. bedr. onr.
1) Iemand iets aanbrengen^ toevoeren. \\ Die hem
een onvermoyt volc bibrochte, daer grave Dirc
anderwerven teghen den bisscop te stride quam,
Ctere 36.
2) lem, iets aanbrengen , mededeelen , aantoonen. \\
Een ygelic sonde it synen heren bybrengen dat
gheen, dat sy versproken hadden, Matth. ^»a/: 1,
495. Want ons byghebracht is, hoe dat die van
Utrecht poogen souden willen, eenige van ouse
steden in te nemen, Handv, v, Veesp la. Of die
van Utrecht neder quamen , minen heere dat sonder
vertroc bi te brengen, Bel. v. L. 360. Doe die
ontsiende Vorst in Henegouwen was, wert hem
bigebrocht, woe dattie- Dolphyn . . gestorven was,
Matth. Anal, 3 , 355. Opdoen , toonen ende bringhen
bi dat poent van haren rechte , Brab, Y. Y II , 16305.
(So) hebben die van Antwerpen dat . . sinendrien
staten bibracht, 16320. Met cortheden soudi hem
bibrenghen doen tractaet bi sijns selfs ambassiaet,
14508. Dwelke compromis ons bibracht, getoont
ende gepresenteert is geweest, NQh. 4, 147. Dattet
den schepenen ende rade kenlicicen worde bighe-
brocht, O. B. v. Dordr, 1, 110 (rar. anghebrocht).
ZooookB.v. Utr.l^Sn. — Rechten bibrengen,
^jne rechten op iets bewijzen. \\ In snlken rechten als
lii opter Mazen hebben ende bibrengen ende be-
thonen moge, Y. d. Wall 502. — Als znw. gebruikt.
jianuHjzing. betoog. ZieBiBRENOiNOE. || By bibrengen
der vriende ende maghen, R. v. Utr. 2, 164.
— Ook in den sin van verklikken^ verklappen. ||
Al dit gheschien hadde een quaet knecht ghesien
ende heeft dit bibracht algheheel den meyer van
Loven, Brab. Y. YI, 4425 (vgl. 4580).
3) Tot stand brengen^ ten uitvoer brengen. Nog
heden gebruikelijk in de uitdr. aU ik het kan
bijbrengen^ d. i. klaarspelen kan. \\ Si wonden
overdwers mit dat hout ter dore van den tempel
in varen ende si en mochtens niet bibrenghen,
Pass. W. bbc. (Si) fantaseerde nacht ende dach,
soe zilt best by brenghen mach {tekst te wercke
bracht), MLoep I, 2285 var. Swerende, dat hy
dooden sonde . . alle Carels magen, daer hyt by-
brengen mocht, Heemsk. 10. Du const dyn loosheit
80 brenghen bi ende dyn baraet so wel vérsconen.
Rein. II, 6412. Ie denct hem so te brengen by
{het hem zoo klaar te maken) y dat hi en sel niet
weten daer wair hi hem hueden sel, 6450 var.
Ten eersten dat hi dat best bibrenghen ende doen
mach, O. R. v. Dordr. 2, 55. — Ook in den zin
van veroorzaken y brouwen. \\ Wat groter last,anxt
. . . oorloghen enz. die tonghe bibrenghen ende
brouwen mach, Hitge v. BorS. 3.
4) Inkleeden y inrichten. \\ Want hi syn bedriegende
woerden so scalckelike bibrengen ende bemantelen
of verwen can, Con. Som. Ha.
BIBRENGINGE. znw. vr. Aanwijzing, betoog. \\
Dat onmandighe kindere geen goed weerloos werden
en moghen , ten moet wesen by bibrenghingen der
vriende ende der maghe, dattet die denghenen
aenbrenghen, alse recht is , die ment mit recht
sculdich is aen te brengen , dattet der kinder oerbaer
ende noet is, R. v. Utr. 2, 156.
BIDDELIJC, bnw. Mnd. bedelik; hd. erHttlich.
Yertaling van het lat. exorabilis. Zie ook bidlug. ||
Wes biddelic op dinen knechten, Hs. Ps. 97r.;
Ps. 90, 13; Oeiijdeb. S, 187<?.
BIDDELERSSE , znw. vr. Bedelares. || Ie ligghe
voer uwer poorten als een arme biddelersse,
Hofk. V. Dev. 24r.
* BICHAGENESSE. Zie beiiagenesse.
BICHTE, BICHTEN. Zie biechte, biechten.
BIDDEN, st. WW. beJr. Mhd. biten, bitten',
mnd. bidden ; got. bidjan , naast bidan ; vgl. hd.
litfen en beten. Yoor de vormen in de overige
germ. talen, zie Grimm, Wtb. 1, 1696; 2, 51;
Eluge 29. Zie voor de indg. vormen en de oorspronke-
lyke bet. Grimm , Oramm, 2, 25; Kern in T^'dsehr. 1 ,
32; doch vooral Klnge t. a. p. , en vgl. beden.
1) Bij iemand op iets aandringen, iemand (Gk)d
of een mensch) dringend, met aandrang vragen,
verzoeken. — a) Met den datief of accusatief van
den persoon. || Gode bidden, Rijmb. 65, 3995,
4313, en passim; Gode onsen Here, 15696; Onsen
Here, 4214; Gode ende siere genaden, ^. III*,
2, 51; Sinen wive, 8165; Den coninghen, 21413;
Sinen vrienden, 30864; Wal. 10592. Den groten
heren bat hi sere, Alex. YI, 119. Hi was te
biddene goet, I, 912. Si bat der maghet Marien ,
Beatr. 841; enz. — b) Met den ace. der zaak
of een als zaak beschouwd persoon. || Bidt hem {voor
hem) trike mede, Rijmb. 11064. Helyas drinken
bat, 12476. Die coninc van Sodoma bat allene
die liede van der stat, ende Abram al tander
helde (lat. da mihi animas, cetera tibi tolle),1669.
(Hi) hevet hem sire dochter gebeden, 1S/7. III*, 43,
45. (Hi) bat ghenaden met weene, 10580. — Hi
en bat nieman syn huns, om huisvesting (vgl. enes
huus lenen), ende voer stille alse een muus achter
straten, Ferg. 725. Zoo ook Bouc v, Sed, 1074;
enz. — e) Met den gen. der zaak. || Dies biddewi
u op hovescede, Alex. lY, 210. Doch dat hys
hem 80 vele bat, B/^mb. 1867. Moyses baedts,
3822. Des biddic di, 5840. Eer hys bade, 12458;
zie verder Gloss. — d) Met een byzin met dat.
1239
BIDD.
BIDD.
1240
Sp. III*, 39, 10; III», 5, 10; Rijmb. 11057,
enE., welk dat ook kan worden weggelaten. i| (Hi)
bat menne decken sonde, RiJmb. 7377. — e) Met eene
bep. der zaak met o m. || Elc bat om een priester
halen, ^. I', 67, 12; zoo ook 111 \ S9,S',RiJmb.
8844. — /) Met eene b^p. der zaak met van. 1|
Alsemen degen van eneger reliqnien bat, 5jp. IIP,
12, 49. Jongelingen . . die mi van minnen te
biddene plagen, Rosé fr, 251, 178. — ^) Met eene
bep. van den persoon met ane, van of op. || Soe
bat an Gode, dat hise ghesterke, Rij'mb. 17616.
Die van yemene . . bade , dan van den coninc allene,
waert an mensche, wart an Gode, petere a qttocim-
que deo vel homine^ nin a te^ rex^ 16813. So vele
bat hi ap hare . ., dat der vronwen sijns ont-
farmede, Parth, 4167. — Ene bede bidden,
Een verzoek doen. \\ Soe weende np Samsone ende
bat bede ( : mede) , Rijmb. 8047. Dn bids . . bede
sware, magna petu^ 13059. Wat salie bidden ? Ende
de moeder antwerdde hare ende seide, dn sont
bidden Yan Baptisten hoeft; doe . . bat (si) hare
bede, L. v. J. e. 99. — Dach bidden, zie dach
op het einde. — Ook in verbinding met andere
WW. Bidden ende bieden. Zie bieden, envgl.
eng. to bid^ in welken vorm de beide woorden
zgn samengevallen. || Wy bidden ende gebieden
onsen amptman tot Tyele, Nijh. 2, 139. Die coninc . .
began bidden ende ghebieden, dat si hem wilden
bekeren, Sp. III*, 7, 45. Zoo ook I*, 19, 40 en
Fhr. 604. (Si) biddet mi dicken ende spaent, dat
ie Gode minnen sonde, Tarth. 2044. (Hi) troost
{wekt op) ende bidt . . . , dat hi verwerve , om
aat hi sconwe son'der orlof die joncfronwe , 2067.
— Ook in de uitdr. bidden ende lesen,
waarin bidden de ook nu nog gewone bet.
heeft van Ood aanroepen , en lesen 6f den zin van
ons lezen {den bijbel of stichtelijke geschriften)
heeft, b. v. O. H. Pass. 33, 27: „Ic en mach vasten
noch bidden noch lesen", 6f dien van prediken^ b. v.
Sp. IIP, 3, 1: „Sente Entropia bat ende las . .
ende troeste ter marteleren crone den goeden lie en."
2) Bedelen^ eene liefdegift vragen. \\ Al se hem
die honger dede gewont, bat hi eten, Sp. I',34,
37. (Dat) men mi graven mede sal met gebedene
luderen, met gebedelde doeken^ III*» 27, 69. Mit
gebeede segelen, met gevraagde^ geleende zegels ^
K. en O. V. Delft 30, 4. — Vooral met het obj.
brooi Broot bidden, bedelen (nl. liefdegaven
voor het koopen der noodzakelijke levensbehoeften),
Vgl. ons zijn brood hebben , zijn brood verdienen ,
om den broode, enz. || Al daer so bat hi broot dor
God , Rijmb. 7622. Hi scaemde hem te biddene broot ,
24514. Doe mi na der vasten soe seer hongherde
ende ie dat broet bidden most dat ie at , Ned Proza
322. Zoo ook Lsp. III, 10, 89; Beatr,^2^\ Wrake
III, 194; Sp. IIP, 27, 66; 71; 73; enz. Zie ook
BROOTBIDDER, en Vgl. bidder, d. i. bedelaar^
Oudem. 1 , 688. — Ook schijnbaar intr. met weg-
lating van het obi. evenals bij ons bedélen. \\ Soe
moet hi bidden of bederven, Hild. 163, 124. Dat
nyement . . . voirt meer bidden en sullen in der
kercken, Leid. Keurb. 490, 13. Bidden bi den
huyssen, 45, 16; vgl. 249, 74. Daer si en vonden
spise te cope no broet, soe dat si baden dore die
noet, Lsp. III, 3, 1034.
3) Enen — , iemand (een onderdaan) een verzoek
doen om geld^ hun belastingen opleggen. Vgl. BEDE,
3a). II Dat wijse nummermeer beschatten en sullen
off bidden, dat aen hoir goet dreecht, Nijh. 1,
239 {a. 1329).
4) lAefdegaven inzamelen in de kerk , collecteeren.
Ygl. BEDE, 33). II Yoirt sullen zi mede ommegaeB
mitter bede in Sinte Pancras kerc, alsmen tu
des goidshuys ende van anderen diensten wegha
bidt. Leid. Keurb. 489, 11.
6) Vragen^ verzoeken ^ mtnoodigen. Met da lec
v.d.pers. || Hoir vriende. . bidden tot horen dadia^he.
ald. 35, 12. Hier worden ghebeden totter jackt
vele hogher mannen, MLoep IT, 2121. Seldei
hebbic oec verstaen, dat si ghevaderen biddei
gaen. Boerden III, 233. Teenre feesten wts ie
ghebeden. Vrouw. e. M. I, 1. Mgn lantlieer m
ten eten bat, YII, 69. Oftn ter brnlockt words
ghebeden, Rijmb. 24616. Hier naer so b«ttenecei
Pharisee met hem, Sp. I*, 13, 53. Al hnddehaer
moeder warmoes vercocht oft liede gebeden ter
brulocht oft te like gebeden vrouwen, ml vos zij
groenvrouw geweest of noodigster ter krmloft of ter
begrafenis^ Fad. Mus. 1, 77, 9. Ygl. ons bidder
of aanspreker, en mnl. BiDDERSSE.
Aanm. — Baden, Sp. 11% 33, 69 moet waar-
schynlijk veranderd worden in andenj xoo althaai
stellen de uitgevers voor te lezen; zie Anden. —
Het is ook mogelijk , dat men beneden lezen moet
(lat. invidebant).
BIDDERS (BIDDER), znw. m. Mhd.6»<^, ^tier-,
mnd. bidder. — 1) Hij die bidt , verzoekt^ vramgL |[
Hovesschen biddre es wel recht dat menne hoves-
sceliic berecht, l^mb. IX, 1. Jacob vnn Merlaat
wille hieraf dichten dor der ghere bede dies hem
tUtrecht inde stede harde vriendelike baden, . .
want hi die bidders enten patroon {S. Frmneiêems)
minnet, Frane. 74. Es die biddere yan enegere
ere, Sp. I», 46, 9. —2) Hij die giften inzmmseU.\\
Wie men biddere zenden zole na (o») alemoese
den zieken, D. Orde 219. Sint dat zo groet coet
ten zieken behort , zo mach men . . biddere zenden
... dien zieken, ald. — 3) Bidder, noodiger ter
begrafenis. Zie. BIDDERSSE, 2).
BIDDERSSE, znw. vr. Ygl. mnd. biddettereeke
1) Zijy die bidty verzoekt, vraagt. || Biddersse,
troestersse van alre dinc , Yelth. YIII , 34 82 (mm
Maria). — 2) Zij die uUnoodigt, verzoekt, bepaaldel|k
voor anderen, b.v. noodigster ter begrafenis (aaMepreek-
ster). II Soe wat bidderssen enegen man bade ten
zevenden, ten dertichsten ofte ten jaerget^de,
Belg. Mus. 1, 257. Dat ne gheen helleman noch
bidderse eten en sal ten l^ken . . ., de helleman
of de • biddersse en warens op tien pond , 7 , 302.
— Ook nu nog heeten de b i d d e r s of aansprekers in
sommige steden , noodigers ter begrafenis , en worden
zij door de stad aangesteld. — Zie ook bidstere.
BIDDINGE , znw. vr. Mhd. bittunge ; mnd. bid-
dinge. — 1) Bedelarij. \\ Soe dagelicx veel biddingc
vallet voir die kercdueren , Letd. Keurb. 251 , 77
(vgl. ald. : hoeveel dat si in aelmissen gebeden
hebben).
2) Oebed, het bidden. || Die Phariseen mit haere
langer biddinge, Sïp. d. M. \, 127^.
BIDE , znw. vr. Mhd. bite. Het wachten , vertoef,
uitstel. Zie biden. || Het (i^^er^/) veroudert bilanghe
bide , Boxui v. Sed. 420. Hi zeide zonder bide : Ie zal
zjjn bi uwer zide, LeU. N. JB. 7', 146, 84. Te
vaerne sonder bide, Flor. 1353. Doen cnsten si al
sonder beide (l. bide) den muer, Pyr. en Tk. 71
(:8ide). — Biae doen, hetzelfde ids biden. ||
Doen ne wilde hys doen negene bide, Mne gadt
hem weder, ald. 2753.
BIDEN, st. WW. onz. en bedr. (beet, gthedtm).
Mhd. biten-, ohd. pUan-, got. d^üia»; eng. Mf, gew.
abide-, hd. dial. beiten. Zie verder Grimm, WtLl,
1403. Vachten, toeven. Ygl. BEIDEN.
4241
BIDI.
BIEC.
1242
Onz. — Brachten ^ toeven^ dralen. \\ Soe sit op
ende rQt tArtnrs hove ende nine byt, Mor, 803.
Daer en was geen langher biden, E leg, 152.
Myn vrient eo sal niet langre biden, hi en' sal
om mün ongheval blide sgn, Alex. II, 495. Sone
laet (d. i. late het\ het is snbj.) niet langre biden,
dune ghevest hem, Souc v. Sed. 113. — Vooral
in de nitdr. sonder biden, onverwijld^ dra;
hetzelfde als sonder beide, sonder bide, en
sonder beiden (z. ald.). || Dat hi n al sonder
biden overmorghen sal bestriden , Limè. YI , 2263.
Ie sal allene voren riden te Beverepaer sonder
biden, Ben, 1044. — Ook met eene bep. met na
of om. Op iele tcaehten^ iets verbeiden. \\ Hierom
wonde Alexander biden, Alex, X, 735 (vgl. 730).
Dat si alle snllen tien tiden om die hulpe van
Rome biden, Lanc, II, 33553. Mijn vronwe sal
hier na ons biden, 367.
Bedr. — Met een obj. in den ace. of in den
gen. Afwachten^ verheiden, \\ Dyn endde selstu so
biden, als oftnnt elcs daechs sonds Uden, i^. 11^,
87 , 33. Ie bide nwes hier in de sale , Fland. II , 176.
BIDI, BIDICHTE, BIDIEN, BIDIGER. Zie
BEDI, BEDICHTE, BI, BIEDIGER.
♦ BIDLIJC, bnw., verkeerde lezing Sp. IV',
46, 48: „Lievelike so horden si hem ende ont-
fingen sine bede, alst lovelijc was ende bidlijc
mede.^* Men verg. Stoke I, 354: „Liefliken ghe-
hoerden wi hem ende ontfinghen sine bede, alst
recht was ende bil lic mede," en leze met hem
blllijc voor bidlije of liever nog bildlüc. Ookin
H mnd. beteekent hildelik hetzelfde als lillijc. Zie
Lubben 1 , 334.
BIDSTERE, znw. vr. Hetzelfde als bidderssc,
(z. ald. 2). II Wat bidstre, . . die te like ende te
braden pleght te biddene, Cor, v. Antw. 48, 177.
BIE , znw. vr. (mv. bien). Bij , het bekende insect,
lat apit\ ook imme genoemd; hd. beie en biene\
mnd. bene^ beine^ bie ^ beie; ohd. bia; ags. beo;
eng. bee. Zie Grimm, Wtb. 1, 1367, op beie en
Klnge 27. || Natte ende vromelijc alse die bie,
Seim. 1904. Alse der aermer bie, die thonich
winnet, Diep. 218. Die bie trect honech ater brame,
Keri, Cl, 12; enz, — Ook inde aitdr. niet twee
b i e n , als versterkte ontkenning volstrekt niets , niets
hoegenaamd. \\ Sine cracht ne baette hem (Samsoen)
niet twee bien, hine moeste sterven onder tdac,
OVl. laed. e. O. 447 , 183.
BIEBUC (biebock, biebuyck) znw. m. Bijen-
horf^ Kil. 64 ; Kor. Belg. 7,3: Apiarium , alvearium ,
alvear; Bittt. 2, 200: alvear, bibw.
BIECHT. Zie biechte.
BIECHTDOCHTER, znw. vr. Het tegenover-
gestelde van b i e h t V a d e r. Zij die bij een geestelijke
te biecht geuit ^ hare biecht doet, Qest. R. 15a, b,
BIECHTE (biecht , biacht) , znw. vr. (eens ml.,
nl. Oest. R. 176^: des biachts); ook biechde
{Fiandr. Il , 131 : Biechde dat is der sonde hennesse).
Mhd. bihte, nit begiht, begihte; mnd. bicht , bichte ;
ohd. pigihti, pigiht, bijiht; ofH. biekte, bicht; hd.
beichte. Eene afleiding van het ww. begien; onl.
begian, d. i. bekennen, belijden (z. ald. en vgl.
gien , mhd. jêhen). Vgl. vooral Grimm , Wtb, 1 ,
1359; Klnee 22. Het znw. biechte en het daar-
van afgeleide ww. biechten was soms nog in H
mnl. drielettergrepig bi-echte, hetgeen blijktnitde
gchrtjfwiize H-jechte (Sp. V, 67, 40; 62; 102;
74, 141); ait het rQm (Teest. 3418: biechten: ver-
Uehten, d. i. bi-echten: verlechten; Lanc. II, 5053:
gehi-echt'. berecht; zoo zal men ook Lanc. III,
2496 metri caasa wel moeten lezen: Dat hi niet
en sprac bi-echte, voor bechte)), en ait den bijvorm
biacht {Franc. 5876; OFl. Lied. e. Ö.318, 128; 319,
136 ; 145 ; Matth. 84. Merl. 3533 {biachte : nachte ; wat
de uitgever geheel willekearig veranderd heeft in
bickte, lichte); biacAter, Nat. BI. III, 1920 var.;
biachten (ww.), Oest. R. f. 176d, 212^; biachtvader,
(ald.).Tus8chentrap tusschen de eigenlijke en de latere
uitspraak is bj echte. Later werd de vorm biechte (hd.
beichte, beieht) nog verkort tot bichte {Sacr. 618;
Rumb. Av. 24 , 8 ; 26; Fad. Mm. 1 , 52 , 61 ; 53 , 97 ; 55,
189; Merl. 4022). Ook de schrijfwijze /i(/(7>i/^ komt
voor {Rijmb. 10841, 22957). — De gewone vorm
was biechte, doch ook biecht komt voor (7Vöy«»
6608). De uitdrukkiogen in biechte (st. deel.)
en in biechten (zw. deel.) z^n even gebruikelijk.
Belijdenis , bekentenis , sedert de 12de eeuw (Lexer 1 ,
273) bepaaldelijk in gebruik van de belijdenis van
zonden voor een geordend geestelijke , oorbiecht. \\ Met
vrayer biachten, Franc. 5876. Die slotelen vander
biechten , de macht om de biecht af te nemen, de sleutels
van den biechtstoel, Lsp. II, 48, 1046. Menigher-
hande claghe, die ons over hem in biechten ghe-
croent is , Mieris 2 , 211£ ; enz. — Ook in de volgende
uitdrukkingen. || Biechte spreken, zijne biecht
doen, Sp.V,li, 141 ; Rijmb. 22957; Rtmb. Av. 24 , 8 ;
26;Bloeml. 3, 23, 25; 0^/. Lied. e. O. 319, 145.
— Biechte nemen, horen, de biecht afnemen ,
i^.V,&l,40;Gest.R.f.lOSb. — RGm in biechte
(met biechten) dwaen, zich door de biecht
zttiveren van schuld., Rein. I, 1460 (vgl. '43 — 45);
OFl. Lied. e. O. 318, 128.— Te biechte (bi-
achten) gaen, Rein. I, 1441; OVl. Lied. e. Ged.
318, 128. — Te biechte(n) gaen te enen, bij
iemand ter biecht gaen, Wal. Vè44;Rein 1, 1439, 1661.
Aanm. Minder juist wordt Troyen 6608: sine
biecht ontfaen gebruikt voor sterven. Men ont-
vangt niet de biecht, maar wel de absolutie na de
biecht, en alleen deze laatste uitdr. kan figuuriyk
•voor sterven gebruikt worden.
BIECHTEN (BiCHTEN, biachten), zw. ww. bedr.
en wederk. Uit biechten of bi-j echten, welke
vorm in 't mnl. ook gevonden wordt. Mhd. bihten
(uit bigihten) ; mnd. btchten. Zie bij biecht.
Bedr. — Enen biechten, iemand de biecht
a/nemen. \\ Hi bijechtedse sonder beide ende gaf
hare den lachame ons Heren, Sp. V , 67, 102. Al
eest dat si di biechten {d, i, bi-echten) ende dine
ziele verlechten, Teest. 3418. Die anders en dede
. . . dan hi biechte ende doopte kinder, Lsp. II,
48, 367. Ie biechte keysere ende keyserrinne,
Rosé 10828 (vgl. '846). Enen biechten ende absol-
veren, Lsp. III, 18,13; r^M^. 3323. Enen biechten
ende monegen (mneneghen), hem de biecht af nemen
eu het avondmaal toedienen , Wal. 8367 ; Lanc.
III, 17131.
Wederk. — Hem biechten (perf. gebiecht
sijn, d. i. ons gebiecht hebben), biechten, belijdenis
doen van zonden. \\ Si biechte harde wel hare ende
ontfinc onsen Here, Lanc. II, 35909. Dat si hen
biechten van allen haren mesdaden, Christ. 910.
Hem te byechten ofte beteren, Ned. Proza 157.
Zoo ook Yelth. I, 57, 56 en 63. Dat dit heylige
Sacrament niement te rechte sonde ontfaen . . ,
en si dat hi gebiecht ware, I, 55, 2. Sone aven-
turic mi niet, ie ne ben gebiecht ere, Lanc III,
1979. Als die ridder was gebiecht (^.t. gebiecht) ende
Goede ontfaen hadde ende berecht , II , 5053. Zie
verder Ruusb. 3 , 147 ; Franc. 8439. — Hem biechten
te of jegen enen, biechten bij, Boetps. 32, 21
en 25; Huge v. Bord. 15; Benkm. 3, 194, 244;
Mar. V. N., bl. 42.
4243
BTEC.
BIED.
1244
Aanm. — Ëene enkele maal komt reeds mul.
het onz. biechten voor, als ook het bedr. iet
biechten, nl. d^ zonden. Beide vindt men Gest.
jB. ƒ. 103^: Si toech te Romen ende biachte den
paens alle haer sonden; eer si biechte, so en
Kenden die een den anderen niet. — Ook komt het
onz. biechten met met verbonden (d. i. hij)^
voor, nl. Ifed. Proza 36: Alsnu willen si mit den
enen biechten ende te rade gaen van al horen
leven, ende als morghen kiesen si een anderen.
BIECHTERE (biechter, biachter^, znw. m.
Mhd. bihtare^ btAier; mnd. bichter; hd. beichter\
vgl. mhd. Mktigatre\ hd. beichtiger. — Den vorm
biachter vindt men Nat. BI, III, 1920 var.\ en
soms ook den vorm biechtere als biechtére
uitgesproken, b. v. Yelth. IV, 13, 41, ry mende
op utin kete. Door het verkeerd verstaan van desen
vorm vindt men nu en dan in varr. biechthere
{Ltp. III, 14, 269 var.', Runsb. ö, 227 var,).
1) Biechtvader. \\ Syn biechter was oec die gone
^Broeder Peter), Velth. III, 45, 46 (vgl. 50). Die
der coninginne . . . biechter was, V, 3, 4. Hi
en dede der penitencien niet, die hem sijn biech-
tere te doen hiet. Lep. III, 3, 601. Dies is God
mijn orconde ende mjjn biechter, Stemmen 104. Zo
zal hi sine biechte doen , iof hi so sterc is end of
hi den biechter hevet ende zal oec Goeds licham
ontfaen, oft die biechter raet, D. Orde 217. Van
dat haer hoer biechter leerde, Merl. 3348 (He.
bychter); eru.
2) Belijder , en wel — a) In den zin lOJigeloovige. \\
Gewarich biechtere so bestu . . , dn sals heden
desen daghe met mi sijn int paradys, L. o. II.
3247. — b) In den zin van den door de kerk aldus
genoemden confessor, d. i. belijder ^ bekenner
(vgl. b. V. Eduard den bekenner), d. i. iemand
wiens geheele leven eene belijdenis des geloofs
was, doch die niet het voorrecht genoot , daarvoor
ook martelaar te mogen worden ; vgl. Matth. Jnal.
3, 29 noot; Dn Cange 2, 530, i. v. confessor;
Yerwgs, Stroph. Oed. Gloss. bl. 212. || Dese
Gregorius, die een heylich biechter Gods was,
levede lange tyt, Matth. Anal. 3, 28. Dese selve
biechter wert begraven in die selve kercke eerlike, 29.
BIECHTHERE , hetzelfde als b i e c h t e r e , waar-
mede het soms in varr. afwisselt (z. ald.). || De
biechtheeren van den hove , die van den staete ende
beleede weten mogen , Gendtch Chtb. 180. Beanpere
onser gheduchter vrauwen biechtheere, Invent. v.
Brugge 3, 497.
BIECHTINGE, znw. vr. Verkeerde lezing, Wap.
Mart. III , 23 var. ; doch de beteekenis v^n het
woord kan geene andere zgn dan bekentenis^ belijdenis.
BIECHTVADER, ook in den vorm diaciitvader,
Gest. R. f. \l&by 212 ^ (wijse biachtvaders ende
harders). Zie verder bij biechte.
BIEDEN, st. WW. bedr. en wederk. Got.;
biudan; onr. bioda; ags. beodan; ohd. piotan^mhd.
bieten \ mnd. beden; zw. bjuda; de. byde;eiïg. bid;
skr. budh (yoorbAndA) ; gr. ttv^-, in Tivfddyea^fii,,
Zie o. a. Kluge 28 op bieten,
Bedr. — 1) Boen weten ^ laten weten ^ ter kennis
van iemand brengen. || Gi snit bieden over mi , dat gi
den camp wilt ang^en , Lanc. II , 17ö8ö. — Vooral in
uitdrukkingen als goedend ach, goeden avont,
sinen groet bieden on dg\. Iemand goeden dag ^
goeden avond zeggen^ Aem groeten. Zie by dach. ||
Sy boot hem schier goeden dach , Troyen 2085. lek
soudese vriendelijck groeten en bieden den goeden
dach (fr. Ie bonjou^, OFl. Lied. 126. Die borst-
kijns machmen wel anstoten ende byeden hem
gueden dach, MLoep II, 1313. (Si) boot da
coninc groot saluut, 1 , 2308. (Hi) bobt hare goeda
avont, Limb. X, 105. Si ghinghen jeghen hm
ende boden hem hare gruete, L. v. J. e. 127.
2) Gebieden^ gelasten. || Doen boet die hertogc
Jan bidien sinen vianden , dat si tien woudei . . .
achterwaert, Heelu 3000. Waer wert yc ridder
vernomen, die dorste met vele min lieden du
sine viande hadden , bieden dat daer boot die hertog
Jan, 3010. Dat onse voghet biede, dat elc mu
sal wol betalen, Ocerijs. J2. I' , 53. Man of wjf,
die verdreven is van quaden fayte . . . , die biedea
wi die poirte te rumen binnen vier daghe, Leii.
Keurb. 21 , 32. Al die heylige daghe , die die hejli^
kerke biet te vieren, 61, 34. Tselve gebot, dit
hi hem biet, dat breken si ende hondens niet,
Hild. 8, 251. (Hi) dede gemeen heervaert bieden
tegens Coeverden , Matth. Anal. 3 , 142. Zoo ook
Stadsr. v. Zwolle 70, 69.
3) Aanbieden ^ presenteeren. || Sijn scult(*^r«A/)
bieden wair te maken, Matth. 132. Ie biede n den
hantscoe {hij wijze van uitdaging) , Rein. Il , 6744 ; zie
de Aant. van Martin t. a. p. (Hi) hevet Sjm ghelt ge-
nomen ende hevet geboden omme broot , ^. III', 16,
91. Hi hadde geme ghescent die boden ende boot
f root present , III' , 16 , 33. Dit es een scone gebot,
at ghi mi hier biedt {eene sckoone oanbtediMg^
die gij doef)^ Umb. X, 730. Zulc biet den pen-
ninc opwaert {biedt een percent vuer, wil er ee»
percent bij doen?)^ al bode hi een selver paert
. . . hine vergolde niet opten tgt al d^ hi
van rechte sculdich es, N.Doet. 2462 (vgL 2467).
Den ingel hi die spise boot, Mijmb. 7470. Daer si
die beesten vonden doot omdat men hem en gaf
no en boot, JTrake III, 1732. Biedt hemvomtesse
te doene aldaer vor des coninx baroene, Lorr. I,
1389. Siere dochter biet hi di ende alt l&nt , Alex. IT,
201. Zoo ook Rijmb. 18195, '219; Limb. IV, 260;
Flor. 933. Den Joden boot hi groten scamp ende
boot met sinen live camp , Rijvib. 9185 (vgL 90 en 99).
(Si) trocken ... te velde . . . ende boden strgt,
Brab. Y. IV, 660. Ygï. onze midr. Aet Adwfd, tegen-
weer , tegenstand bieden. — Wedde bieden; ook
sijn wedde leggen, in een proces een wedden-
schap aangaan omtrent zijn recht ^ door het aan-
bieden van een pand (eene wij ze van litis-contes-
tatie). II Ende dat seyt Johan Claes soen , dat recht
is na den rechte ende gewoonte der stat van Utrecht
ende des boet hi siin wedde, R. v. Utr. 2,66.
Daerop dingde Jan Lubberts zoen ende seide:
dat dat ordel, dat die buerman ghewgst hadde,
een recht ordel waer, ende des boet hi aiin wedde,
99. Zie verder bij wedde. Somt^ds verschilde
het bedrag der wedde, naarmate men voor hooger
of lager vierschaar riep; vgl. S. v. Leeuwen , Om'.
V. Rijnl. 246. — Geit ende meer geit bieden
(p r e s e n t e e r e n). II So boden sy aldaer ghelt ende
meer ghelt, ende beriepen voor u hoeren scepenenvaa
Brucghe te onsen wetteliken hoofde, /iti?«i»/. v. Brugge
6, 644. — Onscult bieden in twee opvattingea.
— a) Onscult, in den zin van veronischmlêKgm§
(z. ald.). Zich verontschuldigen, \\ Ootmoedelikt
sprac die heere ende boot sine onsculden groot,
Amand I, 1967. — b) Onscult, in den zin vu
ons onschuld, in jur. zin. Aanbieden den onsekuUs^
af te leggen. || Als een onscult gheboden heeft,
als recht is, ende hem ghewgst is onscalt te
doen mit synre zekerheden, Matth. 160. Hi en sal
dan niet moghen wedersegghen of versakea of
onscult bieden , Gest, R.f. 41a. — Fande bieden.
Fanden, die men wil erecuteeren, oanHedenaanmt
4245
BIED.
BIED.
1246
daarop meer recht sou wilkn doen gelden , op vorm-
lijke wijze de voorgenomen executie aankondigen.
Wanneer dit bieden behoorlijk heeft plaats gehad,
is het pand volboden en kjan men tot de eigenlijke
executie overgaan. In denzelfden zin e r v e bieden,
de voorgenomen overdracht of executie van onroerend
goed aankondigen y Matth. 132 en passim.
4) Jan een god presenteeren ^ het hem opdragen. ||
Hadde men miuen goden dit kint bevolen ende
geboden, hen ware niet bleven doot, /^. III" , 6, 37.
5) Beloven j toezeggen. || Soe boet hi hem . . .
Antwerpen ende Mechelen te gheven . . ; voirt
boot hi . . te settene dlant . . in den handen des
lants van Brabant . . , maer wat hertoge Philips
boot, het en gheschiede clein noch groot, jSra^. T.
VI, 11411 vlgg. Den soadenieren boet hi meer;
den dorpers belovede hi vriheit, Alex. VI, 120.
Hoe dattet . . . vreselic is, lichtelic by ghehoer-
samicheit te bieden ende dan van dien ghebode
niet te honden, Hs. 88,/. 85*. Sinte Franciscns
placht selden enich dinc by ghehoers^micheit te
bieden, ald. Het ne mochte niet gheschieu, dat
hi tontsculden mochten commen doe, wat dat hi
boed daertoe, FL Rijmt. 1298. — Bieden ende
bidden, bidden ende gebieden, door ver-
zoeken , smeekgebeden en belojten iets trachten gedaan
te krijgen^ dringend verzoeken^ smeeken. || Hi boed
ende bat zeere, dat hi hem mochte verrechten,
VI. Bijmk, 1304, e. e. — Ook gebieden ende
bidden, Sp.V , 19, 40; III-, 7, 45; Nijh. 2,
139. — Ook gebieden ende gebidden. Flor.
604. Vgl. BIDDEN 1).
6) Iet (een wapen, een lichaamsdeel) — , uit-
steken'^ naar iemand richten^ toekeeren^ dikwijls
verbonden met een bijw. of eene bep. , waar-
door de richting nog duidelijker wordt om-
schreven. II Wat wilt dat si wonde raken, dat
plftch si daer mede {met pijl en boog) te ghenaken,
niet dan syt dairwairts boot, MLoep IV, 2101.
Dat hine wiste wedert was broet so vleesch, dat
hi te monde boet, in den mond stak ^ Flor. 1656 var.
Daer soe . . . den rechtren arem te werke waert
boot, daer bleef hi staende stide, Franc. 9521.
Enen dat kennebacke bieden, iemand de wang toe-
keeren, toedraaien, Wrake I, 259. Enen den rug
bieden , hem den mg laten zien , toedraaien, Exc. Cron.
99fl?; vgl. slippe bieden, met de noorderzon
vertrekken. Kil. 596. — Vooral in de uitdr. dat
(den) spere bieden, de speer tegen iemand
richten, haar vellen. \\ Enen andren hi tspere boet,
dien hyt dor den lichame stac, Lorr. II, 424.
Anderwerf den spere hi biet, Velth. III, 30, 15.
Enen riddere sward ende groet , die hem daer sjjn
spere boet, Lanc. III, 23509. Die gene haddeden
moet 80 groet , dat hem Walewein tspere boet , Mor.
1359. Wie een spere te hem war J boet , om hem te done
enege dere, 2564. — Die hant (hande) bieden,
de hand uitsteken. \\ Dat ie hem myn hande boot, naar
hem uitstak. Trog en 10321. (Hi) boot , die hant te hem
waerd : die hant verdarf metter vaerte, FUjmb. 12181.
Dei lasers boot die hant danomteebbendercaritate.
Franc. 416. De hant ter buerze bieden, 3635. Wale-
wein boet die hant derwaert, Lanc. II, 39242.
Dat {het beeld) emmer boet siin hant ter sonnen
waert gerect, Flor. 917. Doe ie die rosé plucken
waende ende ie mine hande daerwaert
boet. Rosé fr. 255, 142. Hi boot die hande, die
hi allene roeren mochte, Sp. I^, 69,53. Hant ende
mont hi daerwaert biet, Wap. Mart. II, 111.
— Ook met het doel — a) Om iemand te helpen ;
nog heden in gebruik. || God . . . sal ons die hant
bieden ende helpen bi haerre ghebede, i2t;;»*. 2454.
— b) Om iemand te smeeken, of ten teeken van
oiiderwerping. || (Hi) boot die hande tonsen Here,
32690. Mine hande boedic te di , Here , Boetps. 143 ,
21. Die vrouwe boet die»hant opwaert ende bat met
sinne over haer kint, Segh. 1558. Die Cristum niet
en bieden die hande, sijn der keyserlinge viande ,
Sp. II», 22, 321 (vgl. 327: die Cristum anebeedt).
(Doe) boot Gastor ten keiser ward sine hande of hi
ware vervaerd, Rijmb. 31805. Hier sloech men den
enen doot, een ander hier die hande boot, 34433. Die
gene doe die hande boet ende bat oetmodelike
genade, Lanc. III, 19293. (Alaricus) boot beede
sine hande, Sp. III^, 1, 38. Si boden haer handen
ende gaven een groet deel van harre haven , Fl-or.
137. Si boden , al wast scande , . . hare hande ,
Stoke VIII, 609.
7) Ontbieden , oproepen ; vooral voor het gerecht ,
dagvaarden. \\ So wye in eniger saken, inden recht
hangende, te tughe ghenoemt wort, den mach die
ghene, die den ghenoemt heeft, laeten bieden te
tughe, Ooerijs. R. I', 167. Zoo ook Stadsr. v.
Zwolle 87, 88, 89, 90 passim.
8) Laten blijken door zijne handelingen, aan
iemand zijne goede of slechte gezindheid toonen.
— a) Met een object van eene gewenschte , eene aan-
gename zaak; als eer, lof, eenen dienst enz. Be-
wijzen. \\\iQÜL, eere ende werde ben ie u bienlijc
(d.i. biedende) , Heilich Sacrament , Sacr, 984. Den
Sacramente oetmoet Mende, 228. Die dienst . .,
die Jupiter die God boet,.2Zo«tf 6189 (vgl. 6153).
Dat u God loon die deugt, die gij ons biet,
Heemsk, 83. DeiTe doget ende derre eren . ., die
ghi mi hier biedt, Limh. XII, 1251. Enen ere
bieden. Stemmen 128; Limb. VII, 415; Ruusb. 1,
143. — Vgl. ons znw. eerbied, dat van deze uitdr.
gevormd is. — b) Met eene onaangename zaak als obj.,
als schande , smaad, oneer enz. Aandoen. \\ (Niemene)
onweerde bieden met woerden , met werken , Ruusb.
4, 13. Den Joden boot hi groten scamp (= «»ia<?^,
Rijmb. 9185. Ie come in den name Gods, dien du
groten lachter bods (/. Goeds: boeds), 9239.
Donwerde die men hem boet, Yst. BI. 2104. Al
die vileynicheyt . . die my die coninck van
Vrancrijck boot, Belg, Mm. 9, 147. Dat men
vrouwen loesheit biet, Pgr. en Th. 218. Die grote
scande, die hem boot Laomedoen, Troyen 1109.
Entie versmadenesse groet, die mi die coninc
Otte boet, Lorr. I, 1181.
9} Brengen, jj (Hi) pijnde hem den gheest in
die teghenwoerdicheit Gods altoes te bieden, Hs.
87 /. 55*. Als men water voer die dueren biet,
so zelmen die leederen mede voer die husen zetten,
O. K. V. Rott. 41, 119.
Wederk. — Zich aanbieden, zich beschikbaar
stellen. \\ Ter zielen waert dat vleesch hem boot
te haren diensi^ telker noot, Wap. Rog. 319.
Inder scoenster joncvrouwen scoot, die hareomme
penningen boot, se nltro offerebat, Sp. I*, 8, 11.
(Hi) boet hem selven hovescelike onderdanech den
Roemscen rike , hij verklaarde zich voor onderdaan,
stelde zich als onderdaan ten dienste van het Rom.
rijk, III*, 15, 97.
BIEDI(>ER (bidiger), znw. m. Mnd. bedeger,
bedeger, beder. Gebieder (vgl. ook gebiedioer), in
het bijzonder benaming van de leden derDuitsche
Orde , welke onder den groot-commandeur of land-
meester over een of meer landschappen of ordehuizen
het bevel voerden. || Sente Johans des hospitaels
van Jherusalem ghemeyn bidiger, Ni)h. 3, 157.
Vgl. de noot en Lubben 1, 169.
1247
BIED.
BIER.
1248
BIEDINGE, «nw. vr. Dagvaarding. || Van der
biedinghe sal die boede hebben een groeten , Stadtr,
9. Zioollê 9(). — Zoo ook BODiNOE en vgl. ladinge.
BIEËN (BIÉNE), bljw. Bijeen, bij elkander. Vgl.
by EEN. II Dat wi doch bieen sijn, soete lief. .,
beide te gader emmermee, Pyr. en Tft. 413. Hoir
erfnamen sy bijeen nam ende bescickede al hoir
zaken , MLoep II , 1986. Bliven wi bieen als helden
coen , Hein. II , 5776. Daer . . saten daer bieen . . vele
liede, Heeln8871. — Ook in de uitdr. van biëne,
van elkander, vaneen, uiteen. \\ (Wi) sekeren van
byene niet te sceyden voir die tvd, dat wi . . .
alsulke broke . . . ghebetert hebben, Mieris 2,
267 tf.
BIEENBLIVEN, at. ww. onz. Bij elkander
blijven; zie een voorbeeld bg bieen.
BIEENCOMEN, at. ww. onr. onz. Bijeenkomen,
zich verzamelen, vergaderen. \\ {fiï) souden wederom
byeencomen the Wageningen , Matth. Anal. 1 , 495.
BIEENNEMEN, st. ww. bedr. Verzamelen, doen
b\j eenkomen. Zie een voorbeeld bij bieen.
BIEENSITTEN, st. ww. onz. Bij elkander zi/len.
Zie een voorbeeld by bieen.
BIEENTIEN, st. ww. onz. Bijeenkomen, bij
elkander kamen, elkaar opzoeken. || Hets dicke
ghesien, dat gherne tien die ghene bi een, die
van herten 8\jn in smerten, Belg. Mi». 1 , 121 , 19.
BIEL. Zie bile.
BIELEN. Zie bilen.
BIEN. Zie been. || Bugghe, bien noch lenden,
Frouw. e. M. VII, 147.
BIENLIJC. Zie bieden , 8a).
BIENTE. Zie' beente.
BIER ^beer, Ettt. V. Dr. 11 e. e.) znw. o., de
bekende arank. Over de verschillende soorten van
bier in de Middeleenwen, b. v. oottertch (oetlers)
bier, Hexe 61, 73; Idvre d. Mest, 11 (fr. chervoise
d^Alemaingne) , zie K. en O. v. Delft 166, 14;
167, 15; 168 aant. 2); 169, 18; V. Hasselt,
JmA. Oudh. 3, 143 vlgg.; Geld. Maalt, m Y\gg. ;
Moltzer, Dram. Poëzie, 186 aant., Inform. Gloss.
— Ook vindt men een bier, in den zin van
eene bepaalde hoeveelheid bier. \\ Dat willic wedden
om een bier, Lipp. 137. Zie Oudem. Wdb. op
Bredero 54. — Een half bier, Ned. Kluchtep.
63 {tweemaal). — Ook het verklw. b i e r k ij n ,
bierken, wordt in den zin van bier gebruikt. ||
Gheeft hem drincken tisane ofte bierken sonder
cruut. Jan Yp. 88 {Ht. Yp. 119^). Bierkin es
ghemaect van watre ende van gruse , lAvr. d. Mest.
11. Dunne bierkiin op gruus gebrouwen, Ht. Yp.
543. — Bier komt voor in de volgende spreek-
wijzen.— Van énen biere drinken, hetzelfde
lot ondergaan. \\ Soe datter daer bleef wale ontrent
twee dusent bi getale . ., die droncken daer van
enen biere , jBr«*. y. IV , 525. — Bier brouwen,
een plan beramen. \\ Die felle Fortier die ghe-
bronwen had dat bier om die vrouwe te bringhen
in pine, Segh, 9161. Daer moeste de ghene in
doen den ganc (Perillut in den koperen ttier)
ende dat bierkjjn voren smaken, dat hl bruwen
conste ende maken , de uitttekendheid bewezen van het
instrument dat hij zelf vervaardigd had ,Sp.l*,43, 28.
— Ook met den dat. v.d. pers. Iemand eene koolstoven,
een plan beramen in iemands nadeel. \\ Hem langhet
omme cloosterbier : nu gawi ende bruwen hem,
Jtein. I, 1960. Dien heren, die nu waren so fier,
dat si Reinaerde waenden bier te sineu lachter
hebben ghebrouwen, 2179. Nochtan si branden mi
znlc een bier, mine luste niet langher te blivene
hier, O VI, Lied. en Oed, 482, 99. WareMachar^s
mijn oem hier, hi soudu, Ajoel, selc een Iner
met vullen nappe scinken , ghi aoiida langhe moga
dinken, Aiol-fr. 15.
Aanm. — Wat bieren beteekent Matth. .iiMi/. 3,
371 : „Si sloegen die kelre ende bieren in ende
woesten al dat in die stede was sonder dmt doester,"
is niet duidelijk. Misschien is het woord bedorvea.
BIERBERRIE , znw. vr. Eene berrie om kier te
vervoeren. De stad had in den regel snik eeic
berrie, welke zy verhuurde. || Men geeft mn de
bierberrye die men verhuyert, te weten vmn eei
vat binnenbiers te draghen 3 denyts ende bnvten-
bier 1 groten, Inform. 262. Die blerberiie neeft
gegouden binnen 5 jaeren . . 591 ^^ , sJd, 403. Die
bierberry (galt) anno 1510 87 dC» ^^- 269,
BIERBOOM, znw. m. Eig. hetzelfde ala bier-
tol; z. ald. B^ uitbreiding boomgeld wmn kei hier,
het geld dat bij het in- en vUearen vom de haetu
voor de met bier geladen sekniten moest worden
betaald. || Die bierboom heeft gegonden int jaer
1507 77 Hf, Inform. 248.
BIERBUISE, znw. vr. Oesck. v. Aniw. onder
allerlei huisraad genoemd. Een grooie HerJtém wui
twee hantvatsels. Zie EjI. 95 op buyse.
BIEREN, zw. ww. onz. Bier verkoopen. \\ Wi
gheen brouwer noch bronster bnyten op een nnden
bierstal en sal moegen commen, ende spn bier
min geven , dan die gheene doet , die gewoonlycken
is up tselver bierstal te bieren , K, en O. v. Delft
168, 17.
BIERKEREE , znw. vr. Comische benaming voor
het bierhuis, mul. taverne. || In dye caetsbaen,
op dat dobbelspel , inder dansschoel of in die bier-
kercke, Gest. R. f. 108a.
BIERCLOCKE (beerclocke), znw. tt. Mhd.
biergloeke, waarvan ook bierglockensU. De tifd dat
de bierhuizen gesloten moeten zijn; eig. de klok,
waarmede die tijd wordt bekend gemaakt. \\ lat bi
nachte na der beerclocke ghescheen, so ist die
bote dubbelt, Stadb. v. Gron, III, 12.
BIERLAERS (bierleers), znw. m.Droukaetrd,
bierbuik. Vgl. onze uitdr. eene laars oem hebben,
d. i. dronken zijn; het woord bierbuis bg Kil., en
voor het latere gebruik van bierlaers, Ondem. 1,
692. il Dat worden moutvlyeghen , byerleersen of
dronckenbouts (hd. trttnkenbold), Ned. Proza 165.
BIERSCULT, znw. vr. Schuld aan eenkasteUm
voor het drinken van bier; onbetaalde vertermgen
in de herberg. \\ Van bierschulden. Item salmen
geen recht doen van bierschnlden , O. K. r. Enkk.
29, 149.
BIERSTAL, znw. vr. Kraampje, waar bier ver-
kocht wordt. Zie een paar voorbeelden op bieren.
BIERTAPPER, znw. m. Kastelein, biertapper,
herbergier, JVarfsconstit , 103; Leid. Kenrb. 239,
54; Etst. V. Dr. 11. Zie bg biervoget en bier-
WISCH.
BIERTOL, znw. m. De tol, het tolAmis, wmeer
de inkomende rechten van het bier moesten worden
betaald. Vgl. bier BOOM. || O. van sinen wedden
van der biertollen tot Aemstelredamme te verwaren ,
Bek. d. Gr. 1, 355.
BIERVOERDER , znw. m. Hij die bier Mtnwert. ||
Alle die ghene, die biervoerders siin dat Tan
buten den Brielle compt, K. v. Brielle 74, 5. Bal
gheen biervoerders off die scepen voeren {eckMÜe»
voerders) bynnen den lande, die en sullen nelvc
gheen bier tappen op correxie vander stede , mld. 7.
BIERVOOET , znw. m. Opzichter over het bier r?).
II Soe is gewast van den biervogeden Tan Ajuo,
dat sie van den biertappers niet nemen moegcen,
^240
BiEFi.
BtÖA.
42Ö0
dat sy geldt, excys ofte beer, Ettt. v. Dr. 11.
BIERWISCH, zn^w. Een bundel êtroo (stroounêch)^
welke op een biervat gestoken loordt^ ten feeken dat
daar bier verkocht wordt. Zie De Jager, Vertch.
313 Ylgg. II Dat geen wijntapper noch biertapper
voirt an geen wynvaten of biervaten upter straten
setteu en sal, om w^nwisschen of bierwisschen
dair up te setten, Leid. Keurb. 239, 54.
BIERVE (bierf, birve). Zie berf.
BIESE, znw. vr.; bies, znw. o. Mhd. biête;
mnd. bése, terwyl hd. binse heeft. Ygl. Grimm,
ir tb. 2, 38 en Klnge 29 op binse. Bies, lat.
juncus , earectum , de bekende grasplant in of aan
bet water. || Recht als een bies staet hem die
stele, droite comme jons, Rosé 1596. En weet
wcdert bies of stro was, Lsp. II, 36, 72. —
Bi es en werden gebruikt om den steenen vloer te
bestrooien voor meerdere zachtheid en ter wering
van kon. || Berte, scuert desen pot jeghen dese
hoghe daghen ende stroyet dese biesen In dese
Gameren, Livre d. Mest. 24. Die camere sonde oec
altemale met groenen biesen ghestroyt siin , Limb.
XI, 500. (Si) leedde mi . . tote in hare camere
binnen . .; np die versche biesen groene ghingen
wi sitten vor een bedde. Rosé fr. 254, 66. Eist
in den somer, so tempert die Incht, daer hi {de
zieke) leget, met groenen biesen , met wilgeloveren,
ende wyngartbladren . ., die gi strojt omtrent
siin bedde, Hs. Yp. 64rf. Die stroyinge van den
loveren vanden wiingarde ende rode biesen entie
vorseide stroyinge vanden sconen watere, 543.
Ygl. 29(7: „dien vloer bestroyen met lissce ende
met risen van wilgen ende met w^ngaertbladren."
— Bies, iets van weinig waarde , *6*oo. || Doe den
heren ierst verwies trouwen (/. trouwe) , ende men
hen inblies daer si bi werden moy , doe wert hare
edel coren bies, Vierde Mart. 602. — Niet een
bies, niet het minste, niet in het minst, volstrekt
nief. Zie De Jager, Lat. Versch. 92. || Inne ontsie
u niet een bies. Ren. 816. U en hadden viertich
man niet en bics en connen gescaden , Lorr. fr, I,
168. Tfolc .... en was beter niet een bies,
Teest. 340.
BIESGELT , znw. o. Onder allerlei kleine bij-
dragen ter bestrijding der kosten van den open-
baren eeredienst komt ook deze voor, O. R. v. Dordr,
1, 295, 2: „So en sal men gheen bisscopsgelt
bidden noch brengen , noch coninckgelt inden vasten,
noch kermiss-, noch past-, noch marct-, noch
hoechtijt-, noch kaerssgelt, noch biessgelt."
Denkelijk is hier bedoeld eene bijdrage voor het
bestrooien van den vloer van het kerkgebouw met
biezen. Zie BIESE.
BIESIJN, stoff. bnw. Van bies gemaakt, biezen,
teenen, rieten. || Met hem voerdi odevaren in
bnsekine, die byesin waren, in ar ds papireis,
Jtijmb. 3565.
BIEST, znw. vr. Hd. biest (m.); eng. biestings-,
mhd. bies,t (m.); mnd. best. Yoor de afleiding vgl.
Weigand 1, 218; Lexer 1, 269; Kluge 27. J)e
eerste melk der koe na het kalven, zooals heden.
— Ook schynt het woord in 't mnl. k€uu beteekend
te hebben, althans Livre d. Mest 10 vinden wij
„craime et froumegie*' YertBaMi door rome ende biest.
BIGAEN, st. onr. ww. onz. en onpers. Met den
3den nv.
Onz. — Bij iemand gaan, d. i. b( iemand naderen. \\
Dus gaen wy hem by met reverencie, Sacr. 205; —
6f in iemands nabijheid gaan, hem begeleiden. \\ In
hare hant so hilt si haren vrient, die hare ginc
bi, Rosé 1209.
Onpers. — Het ga et mi bi, het gaat mij.\\
Het gaet mi cranckelike bi; ie bin die nie geluc
gewan, D. fVar. 8, 86, 84.
BIGAERT. Hetzelfde als bigordel? z. ald.
II Waer hoort men van previlegien ghewaghen,
gheen bygaert te draghen buiten uwen consente?
Si syn al vercocht; ghy hadt goede rente, Belg.
Mus. 4, 253.
BIGAREREN, kakelbont maken, R. v. JJtr. 2,
315. Zie oebioareert.
BIGEBRINGEN, st. onr. ww. bedr. Hetzelfde
als bibrengen (zie ald.). — 1) Aantoonen, bij-
brengen, in rechte aanvoeren. \\ Na alle tgone dat
si daer af bighebringen conden , . . souden si voort . .
jeghen den heere van Berghen ... te rechte comen
voor den hertoghe, Brab. T. YII , 16309. — 2) r«»
uitvoer brengen. || Als du dat bighebrengen conste,
soe salstu dijn leven verwandelen, Bienb. 153^.
BIGEDÜREN, zw. wv. onz. Op eene eenigszins
vreemde wijze gevormd. Slechts als znw. gebruikt in
de nitdr. Int bigeduren, op den langen duur. \\
Sulc dunct , dat gheen sonde en sy , mach men soe
doen, al eest ierst vri, dat sonde wort int bighe-
dueren, N. Doet. 2183 (de var. heeft dezelfde
lezing).
BIGEN, zw. WW. bedr. Hetzelfde als het gewone
b u g e n , wat de beteekenis betreft , maar de vorm is
daarmede onmogeljjk overeen te brengen. Er is
een ww. bigen, beeg , gebegen met de bet. stapelen,
opstapelen (Grimm, Wtb. 1, 1372). Kan dit ww.
door de gelykheid van vorm de bet. van het geheel
verschillende bugen ook hebben aangenomen? Ygl.
Grimm t. a. p. , waar uit Alberus wordt aangehaald :
,^ich b e i g die knie'*'* , flecto genua , en uit Henisch :
b e i g e n , krümmen. Het komt slechts eens in H
mnl. voor en wel in den trans, zin van doen buigen,
naar beneden doen gaan. \\ Waer toe zouden wi hem
nighen ? Wi saghen hemselven bigben die tekene ,
die wi bilden daer, Lsp. II, 36, 159 (vgl. 170: dat
si en bnghen ghene vane).
BIGENAKEN , zw. ww. onz. Min of meer vreemde
samenstelling, in bet. overeenkomende met nabij-
komen. \\ In vreemden landen so doelde si tot dat
hoer tyt ghenaecte bij , dat sQ ghenas van enen
kinde, MLoep III, 755.
BIGESTAEN, st. onr. ww. onz. Hetzelfde als
bijstaan, te hulp komen. || (Een zak) dien hem
nature gaf ter noet om vele vissche daer in tont-
fane, sire nature bi te ghestane {var. bi te stane),
Nat. BI. III, 2862. Dat hi niet en conste . . .
dien van Rode bighestaen, Brab. Y. Y, 3293.
BIGICHTER, znw. m. Oudere, dialectische
vorm voor biechter (z. ald.). || Dien custeronser
ghesellinnen der grevinnen . . bigichter . . , opdat
hij onser ghedenke bi namen in sijnre missen ende
ghebede , Nijh. 1 , 343.
BIGORDEL (bigordrle), znw. m. en onz. Mhd.
bigürtel; mnd. bigordel. Ygl. Grimm, JFtb. opbei-
gürtel {Wtb. 1, 1373); Diefenb., i. v. crumena,
marsupium. Eene aan den gordel hangende tasch
vooral om geld in te bewaren , geldfasch , reistasch. \\
Een bigordel met gelde goet,i^.I* ,17, 16. Enen bi-
gordel sindic di mede , dattu teringhe te derre stede
hebben moghes ende broot, Alex. II, 67 (vgl. 105,
waar het onz. is). Om den man te soeken diet
bigordel gevonden soude hebben bi der zee. Rek.
d. Or. 2, 310 (vgl. 406). Om boegen ende om
bigordele, daer men mijns heren ghelt in voerde,
2 scilde, ald. 3, 338. Men solde hem wel een
bygordel toebetrouwen , als daer ghien geit in
en weer, Spreuken 34. Dragt met u noch gout
40
-1251
BIHE.
feiJST.
1252
nocb selyer noch en hebt gheli in bigordele , X. v, J.
e. 51. Sy gaven den weerdt dat bygorddele ende
tconfferkin metten ghesteente, Cron. v. Vlaend.
1 , 40. Hoe dat de een hadde een bigorddel met
gelde, ald. Om dat si hair clederen ende haer
bygordelen yinden ende crighen souden, &^«^. 72./.
27S. Ghine snit niet bezitten zelver no goud no
f helt in bigordelen , Hs. v. 1348 , 280^. (Si) gaven
er waerdinne een bighordel , . . datsi dat bighor-
del wel bewaren sonde, O. R, v. Dordr. 1, 234,
76. Van tween malsloten te tween bigordelen . .,
daermen ghelt in voerde , Invent. v. Brugge 3 , 162 ;
vgl. het Gloss. , ald,
BIHEBBEN, zw. onr. ww. onz. Met den dat.
van een wederk. vnw. Hem bi hebben, bij eicA,
7Mt zich hebben (vgl. onze uitdr. iemands bijhebbend
gezelschap), || Ornaat si gheenen pape hen en hadden
bi. Negeen pape en was hen so naer , Sp, II* , 69 , 21.
BIHOUDEN , st. WW. bedr. Met den dat. van een
wederk. vnw. Hem enen bihouden, iemand bij
zich houden. \\ (Hi) dede hen grote ere ende hiltse
hem bi vortmere, Lanc, II, 32280.
Aanm. — By dit WW., als bij verscheidene
andere samenstellingen, met bi, die in *t mnl. nog
niet talrijk zgn, staat men in tweestrijd of men met
een werkelgk of schynbaar compositum te doen heeft.
In elk geval is de verbinding met bi in ^t mnl.
nog niet zeer eng.
BIJAERT. Zie bejaert (Soe jonc, dat hy niet
byjaert en ware, Mieris 2, 159a).
BIJLHOÜWER, znw. m. Xn H alg. de werk-
man, die met den bijl arbeidt, dus timmerman. In
Amsterdam is bijltje nog heden eene benaming
voor een scheepstimmerman. || Die byihouwers
. . hoers ghilden ghelt aen hoers ghilden toem
vertymmeren zullen in horen slach ende dien toem
hoghen ende verbeteren zullen, R. v. ütr. 1,205,
56. Zoo nog tweemaal bl. 206.
* BUSTE (?) II Al bestu slecht ende scone dyn
vel , hets een byste ende niet el , J), War. 2 , 353. Men
zal wel moeten lezen v |j s te, d. i. wind, lat. crepitus
ventris , in den zin van iets zonder waarde. Ook een
unnd wordt op dezelfde w|jze gebruikt, b.v. Jlex, 1,47
en 890 , even als in platte taal nog heden een scheet.
BIJSTER, bnw. Mnd. bister; onr. bisir; zw.de.
bister. Een woord, dat in H hd. slechts zelden
voorkomt, en nit het ndd. is overgenomen (Lexer
1 , 285). Het is eene afleiding met -ter (cf. duister
e. a.^ van den stam van het ww. bisen, dat hier
en (laar nog van koeien gezegd wordt in den zin
van wild rondloopen. Zie Van Bale op biezen,
byzen, bissen; en vooral de Jager, Freq.2,26
^^SS' 1 v<^^ ^^ ^^^^ oorsprong is aangewezen. Het
t. a. p. 26 aangehaalde, in hd. dialecten voorkomende,
WW. hissbissen heeft eenovereenkomstigenterm in het
Nederlandsche dialectische kissebissen (spr. kizze-
bizzen) , dat de beteekenis heeft van bedrijvig heen
en weer loopen zonder veel uit te voeren. Het Eng.
nam het nd. woord over in den vorm boisterous
(E. MüUer 1 , 107). Vgl. mnd. bissen (Lubben 1 ,
343) ; vl. biezen (Schuermans 52) ; de mnd. samen-
stellingen bistergenge (d. i. umherschweifend) , bister-
lopen en bistervare (d. i. irrege/arener); het ww.
bijsteren, d. i. umherirren ; llor. Belg, 7', 11 : bgstren,
dwelen, eren, basen, dolen, verwilden, wiltlopen,
en ons ww. verbijsteren, met het bnw. verbijsterd,
d. i. cujtis sensus errant, wiens zinnen op den
loop a y n.
1) Van dieren en menschen. Loshopend, rond-
hopende waarheen men wil. \\ Beter is besloten te
we.teu eude behouden, dan byster te wesen eude
te lopen, Dial. Creat. 11a. (Boete) van een bysteren
verken 3 scellinghe , Rek, d. Gr. 1 , 391.
2) Uitzinnig, jj Dat ie al om liep haerenUer
bgster als een onvroet man, Rein. 11, 4406.
3) Verwilderd, woest, onherbergzaam. Vgl. onze
uitdr. bijster weer (d. i. boos weer) en mnd. bisterbose
(Lubben 1 , 344). || Hughe . . reedt wech meaigeo
bysteren wech door bosschen, over bergen, Eu§e
V. Bord. 27. Gy kom ter uit byster land , Hor. Belf.
2*, 167. Want onse landt van Velu wen een wilt
byster landt is , dair voele avergrepen in geschieo,
Nyh. 85. VgL ook bysterveldt, Ned. Klnehtsp.
49 , dat wel eig. zal bet. een woest land, en vervolgens
symbolisch genomen wordt voor het toppunt wa»
ellende.
4) Woest, vervallen, in slechten staat , niet onder-
houden. — a) Van zaken. || Datter in den voorn,
dorpe zgn 29 haertsteden , daerof dat de 15 byster
zyn , zoedat zy niet en wilden haer goet mitten lasten
aentasten, Inform. 51. Soe sullen die zwoem dei
bysteren dyc bueten. Over. Dijtr. II', 25. Soe toe
voelen tyden byster dyke, wege ende weteringe
synt biyven liggen in de SaUantsche schoawe,
I ', 232. Vgl. II>, 21 , 23 , 25 tweemaal. Soe salmenoir
vortvaeren ende holden in bgsteren voeten vu
dyken, loepen, waeden, tonen . ., weterynghe
ofte yet anders dat voir byster worde ghedeyU
(geoordeeld) by den zwoem ende hegmraedeni,
ald. 23. — Ook slecht, treurig, ongelukkig in het alg. 1|
Men moet den acker weder sayen om sanderenjaers
wat te mayen, of tworde een byster spel, een
treurige toestand, Hild. 238, 117. Soe waert eei
alte byster lot, 244, 34 var. — b) Van personen.
Arm, vervallen, in slechten toestand. \\ Zoedat zy . . .
dat hnn gebleven was verteert hebben ende z^d
byster geworden, Enq. 154. Vgl. verbijstert.
4) Buitensporig, buitengewoon. \\ De schippers als
zy hebben een hongher bystere, Han, H. 226. Si
maken wael een byster lach (t. gelaech) , die om
betalen niet en zorghen, Hild. 170, 42 vior.
BIJ STÈREN , zw. ww. bedr. Tot armoede krengen.
Vooral in het deelw. gebystert, hetzelfde als
verbystert (z. ald.). Vervallen, arm, tot den
bedelstaf gebracht. \\ Die landen worden geavert,
die Inden gebystert, gevanghen ende doot geslagen,
Matth. Anal. 3, 340.
BIJSTERLIJC(BISTERLIC), bnw. en bgw. Ver-
wonderd, verslagen. || Hy zad bysterlic hooren . .
als hy van myn mesdach honden crgght TOBtant,
Ned, Kluehtsp.SQ, 220. Hoe dat die helsche duvelen
verwonnen worden ende beheert van den coninc
der glorien ende bisterlic mosten sitosien, Bmgm.
2 392.
'bijsterlopende, bnw. Mnd. bisterlopen
(ook bistergenge). Her en der dwalende. \\ Hoer
angesicht als lampen ende als blixem bysterlopende,
D. B, Nahum 2, 4.
BIJT, znw. onz. en m. (thans vr.). Mhd. Hz.
In de tegenw. bet. van gehakte opening m» ket ijs.
Van bijten in de oorspr. bet. van kloovem, lat.
findere. Vgl. T. en Lettb, 1 , 64 vlg. en Kil. 67. —
Vooral in de uitdr. dat (die) helsce bijt, de
ijskoude hel, de hel. Vgl. Verwys, StropA. Ged.
Gloss. op ys. II Daer viel hi (Lucifer) in den
helscen biit, Wap. Mart. 1 , 605. Verlost huten helacen
biten (/. bite : vite) , Amand 1 , 4624. Eer ghi ver-
smoort int helsche byt, Praet 1145 (vgl. 1168,
3651, 4650). — Ook met weglating van helsce
in denzelfden zin. 1| Zo dat hi (Lucifer) viel ende
biyft int byt, ald. 2386. Omdat Adaem io den
appel beet, daer noch die duvel . . tonswaert om
^253
BUTS.
BICO.
4254
draecht jpx)ten ngt, om dat wi lagen in s^n bijt,
ende mitten cmce syn ondregen, Lueid. 1912.
BIJTSEL, snw. o. Jeukte, jeuk. Kil. bfjten,
j. joocken, prurire. || Men gevoelt sweringe,
bijtsel ende steecten sulc tgt boven den navel ende
sulc tijt daer onder, Ht. Yp. 37^. So gevoelt men
bijtsel ende snidinge onder den navel , 38c. Tcrnnt
geeten geneest bytsel in die mage ende geneest
punsten, 101^. Bijtsel ende joocsel omtrent den
hals van den vede, 386^.
BICANS. Zie bicant.
BICANT, bi|w. Bijna, ongeveer, bijkans (voor
hijkanti). Mnd. bikant. \\ In deser manieren . .
ben ie den riede ghelijc bicant, Amand I, 552.
Die eerste minne is onsprekelike , dander is bykant
dier ghelike, MLoep III, 87 var. Doe die enen
bont bicant van den wolf verwonnen was , Oett. R.
c. 133. Andere (tcAepen) sijn soe broes gbemaket,
dat si in stillen vloede bicant verdrencken , Past. W.
45c. — Ook bicans komt voor, b. v. InvenL
V. Brugge 5, 266.
BICKE, Enw. vr. Mnd. hicke\ mlat. hecca\ fr.
béche. Een teerktuig om te bikken , steenen ie houtoen,
bikhamer. Vgl. hd. bicke (Grimm , Wtb. 1 , 1808) ;
bickel (Kil. 65) , en Schnermans 53. || Yan bicken ,
spaden, hurters, yserine hantboeme . . ende vele
manieren van yser werke, Rek.v. Oentl,3&S..(ILi)
liep . . te Liedekerke omme bicken ende spaden,
428. Bicken, spaden, bilen ende auweelen, 473.
BICKELABE (bickelere), znw.m. Steenhouwer,
Kil. 65. — Ook als eigennaam Brab. T. DL 1,
bl. 791^. — Ook in de samenst. steenbickelare. j|
De timmerlieden ende die steenbickelere mit haren
gnldebmederen , Brab. T.Dl. 2, bl. 571. Engheenen
meester van den timmerlieden noch van den steen-
bickeleren, Belg. Mus, 7, 107 (ISr/md. 11272: steen-
becklaren).
BICKEN. Zie becken.
BICKEN, zw. WW. bedr. Mhd. mnd. ^tc^^i»; ndl.
bikken en pikken', it. piccare; fr, piguer. Het is
moeilijk uit te maken, in hoeverre dit woord in
oorsprong verwant is met het vorige bicken, dat
eene afleiding is van bek. Er zijn waarschijnlgk
twee stammen dooreengeloopen ; het eene ww. zou
eigenlijk becken , het andere pikken moeten luiden ,
maar ten gevolge der gelykvormigheid zgn zij
dooreengeloopen en nu is ae eig. oorsprong der beide
woorden voor het taalgevoel verduisterd. Vgl.
Grimm, Wtb. 1, 1809; Scheler SöO. — l) Houwen,
hakken , steken. \ | Men begonste sonder were die muere
breken ende bicken , Segh. 10094 var. Daer mocht men
. . sien . . hoefde slaen al in stucken (/. sticken) ende
met swerden deylen ende bicken, Trogen f, 7Qd»
2) Aanvallen, aantasten. Vgl onze uitdr. den
pik op iemand hebben, den hak hebben op, op tem.
Aakken en mnl. stekenjegen. || Omdat si deen na
dander betonden . ., sone wilden si niewer op
micken ende wilden altenen vorwaerd bicken ende
altemale dan bringen onder, Yelth. I, 3, 48. Dat
si opt zee voren dicken ende also op Ingelant
bicken ende roveden ende daden verdriet, III, 22 , 15.
BICOMEN, st. WW. onz. (deelw. bicomen). Mnd.
bikomen. — 1) Met den dat. Nabijkomen, naderen. \\
Si comt den zeiken zaen soe bi , dat sine gherQnt ,
Hadew. 1 , 148, 45. (Hi) dwanc (den duvel) so dat
hi nemmere hem dorste bicomen, Amandll, 1271.
Teerst dat hi der stat biquam, Sp. I^, 51, 1. Die
andere s^n gevolget sciere . . ende sijn hem bicomen
sacn, II*, 27, 54. Boven allen swerken . ., daer
hi der sonnen viere coemt bi. Nat. BL III, 127.
Der fonteinen cam ie bi, O VI. lAed. e. Ged. 237,
105. Ie comme u by, F* Maagd. 701. Die doot
der eertscher begeerten is een bicomen totten vuere
der godliker minne , Sp. d. M. 1 , 99a.
2) Met den dat. Iemand aan boord komen, hem
lastig vallen met een verzoek; fr. aborder. || Hier
om waren si seer in twy ende camen Pilato alsoe
by, dat hi tgraff bewaren dede, Hild. 56, 9.
3) Absoluut. Geschieden , plaats grijpen , gebeuren ,
nog niet geheel buiten gebruik in deze bet. || Nu maect
mi vroet , hoe sijn die saken comen bi , Wint. e. S.
458. Ten conde so haestelic niet bicomen, Clerc
101. Dus comt u mesdach-houden misselic by,
wonderlijk van pas , d. i. zeer te onpas. Ned. Kluchtsp.
83, 141.
BICOSTEN, zw. WW. bedr. Hetzelfde als be-
co 8 1 e n (z. ald.). || Des graven sun (zullen) se alghe*
like bycosten, ende watter mit den gravene be*
vredet wert, die solen den graven mede bycosten
marck markelike, Stadsr. v. Zwolle 79 var. Ende
80 sunse den graven bycosten al ghelike, 80 var.
{tweemaal). Vgl. 142 var.
BILANGES, bgw. Mnd. bilank, bilanges. Langs,
(vgl. onze uitdr. het was er bg langs, b^ het
kantje langs). || Die selve erfgenamen van den
Aldenbroecke sullen ene wanghe (begaanbare boord,
voetpad , eig. zijde) bilanges der weteringen an die
Gelresche sQde maken, Njjh. 4, 36.
BILDE, BILDEN. Zie beelde, bbelden.
BILE (bijle)? Etst. ». Dr. 77. || De vier vogeden
hebben rechte pandinge gedaen an der bglen , daer
de buren van Egeste van getueget hebben.
BILE (bijl, gewooniyk, doch te onrechte biel
geschreven; vgl. bielen voor bilen, d. i. blagen),
znw. m. Jagersterm. Mhd. bil, bile (Ziemann,
MAd. Wtb. 34) ; hd. beil (verouderd).
1) Het oogenblik, waarop het gejaagde hert, van
alle kanten door de honden aangeblaft, tot het
uiterste gebracht wordt. Het hangt samen met bilen,
d. i. blaffen, Ygl. fr. étre aux abois (Littré 13) ; eng.
to stand at bay (E. Muller 1 , 65). — BepaaldelQk
in de uitdr. te bile staen. Ygl. mhd. ze bile
sten. II Die hert was moede ende stont te bile,
en was tot het uiterste gebracht, fr. il était aux
abois (d. i. demière ertrémité) , Vod. Mus. 2, 153,
75. Daer die hert te bile stont, 154, 117.
2) Tegenweer, strijd, kamp; ook mhd. Zie Ben. 1,
123a ; Lexer 1, 272. || Dat si nu wilden houden bile
(mhd. gegen einem bile halten) jegen die wet van
Yrancrike, Yelth. lY, 43, 36. Hi slacht den ever
die niene vliet ende voer die honde gevet biel,
den kamp aanvaardt, aanbindt, aanbiedt, Lanc.Jl ,
38494. Tuschen bosch daer bleven si sciere hondene
(/. houdende) alle . . ende gaven hem biel aldaer in
dat enge, Merl. 14954. (Si) hielden biel daer ten
stonden, gelijc die ever doet vor den honden, 14963.
(Si) gaven biel, gelijc dat doet een ever, ende
sloegen menegen doet, 17671. Dander jageden si
tes koninges tenten toe ende daer gaven si hem
biel, 22880. —Te bile, hetzelfde als te stride,
te prlge, enz. Om strijd. || Twee manne eic met
enen vlogele stonden binder portestile (t. porte
stillef ende ondersloegen hem te bile, Flandr. I,
907 (de door den uitgever voorgestelde verandering
is onnoodig; zie ook de AantV
BILE, znw. vr. en m. (o.?). Hd. ^ft/(o.); mnd. bil
(o. en vr.) ; mhd. bihel (o.) ; ohd. pihal, bigil. Zie
verder Grimm, Wtb. 1, 1374; Weigand 1, 177. ||
Om enen bile ende om spikinghe. Bek. v. Zeel. 1,
149. Met ere scerper bilen, Bein. I, 816. Inder
bilen ende inder aexen, Getijdeb, S. llld. Yan
«pikeren, van disselen, van bilen ende sulck alse
4255
BILË.
ËlLG.
4256
die moelnare te doen heeft , Rek. d.Gr.l^dQ^ e. e.
* BILEDE, Enw. vr. Hetzelfde als blide, het
bekende oorlogswerktuig, waarover men zie Lubben
1, 357. Mhd. mnd. blide^ hd. bleide; nl. blijde. \\
Hi dede daer voer rechten bileden ende andere
instrumenten, alsmen in dien tiden plach, Clerc
61. Misschien is de lezing niet zuiver.
BILEGGEN, zw. ww. bedr. Mnd. bileggen. —
1 ) Met den dat. Iet* bij iemand ofiett leggen^ brengen. \ \
Dat hi dat ore den yse leght bi, Nat. BI. II,
3917. Op aventure wat hem makende (/. nakende)
si, leide hi hem helm ende scilt bi, lei bij sick^
Lanc. III, 11483.
2) Aanspraak, bemjs in ree A Ie; vgl. mnd., waar
het bet. betoeiien^ belegen. || Hi gaf te kinnen
sijn. aensprake ende syn bileggen om sulken recht
ende toeseggen als hi hem vermat op die slote
ende op dlant van Vueght, Brab. Y. VI, 7fl22.
BILEN, zw. WW. onz. (ook bielen geschreven,
Parth. 1180). Mhd. bilen^ verwant met h^. bellen;
zie Grimm, Wtb. 1, 1451. Blaffen. || Si hoerden
die honde bilen. Brand. 2169. Hets cleenre honde-
kine zede: so si sijn cranker, so si meer bilen,
Sp. I*, 18, 8. Die honde saghen den ever vlien:
daer was gheblelt so menechvout, dat ghescal
vervulde al thout, Parth. 1179. — Ook met den
ace. , oneig. als trans, gebruikt. Door blaffen te
kennen geven. || Die sulc een {kruid) hadde, hi
verstont dat hanen craien ende honde bilen, Èleg.
768. Vgl. BASSEN.
BILEVE, znw. vr. Vlaemsch bijleve (De Bo 131 ;
Schuerm. 54). Hetzelfde als b i 1 e v i n g e 2) ; z. ald.
II Als haer man doot ware , si sonde , wilde si de
valschede doen , hare bileve twee waerf winnen op
eenen dach , Belg, Mus. 1 , 70. Daer men dat leen
vercoept, daer eene weduwe bileve an hout, ende
si haers bilevens of gaet, ald. Haer biyft hare
bileve , ald. Zie verder De Bo , t. a. p.
BILEVEN, znw. o. VI. Ai/rr^i (De Bo , Schuerm.
t. a. p.). Hetzelfde als b i 1 e v i n g e 2); z. ald. j| Dat
si heeft over haer bileven dat vierendeel van den
gelde van den coepe, Belg. Mut. 1 , 70. Daer si
haers bilevens mede of sal gaen ende si moet
sweren nemmermee bileven dar an te eesschene,
ald. — Een ander voorbeeld zie bij bileve en een bij
BII.EVINOE 2).
BILEVINGE, znw. vr. Eig. gevormd van de
uitdr. leven bi iet, d. i. van iets leven (zie 6i).
Kil. byievinghe, ususfructus, et dot, dotalis
fructus, vulgo vitalia. De laatjite beteekenis is de
oorspronkeiyke.
1) Levensmiddel, leeftocht, mondkost, levens-
behoeften. WDea de goede liede gemeinlic, die wel
betalen, vele te dierre hare bilevinghe coopen
moeten, Belg. Mus. 10, 111.
2) Bepaaldelijk in den zin van levenslang vrucht-
gebruik van eenig goed , hetwelk by huwelykscontract
aan de vrouw, als zij weduwe worden mocht, wordt
toegekend. Zie Kil. en De Bo t. a. p. Fr. douarie.
Hetzelfde als lijftocht, wedeme en dowarie;
z. d. woorden, jj Daer een ondrachtich wyf huwet,
al ware si maghet, sine sal gheene bilevjnghe
houden , Belg. Mus. 1 , 70. Es een wyf drachtich,
si salse {de bilevinge) houden, op datter niement
bileven in hilt, ald. Si begheerde, dat men
haer soude willen bestellen ende bewysen op
Vlaenderen hare duwarye ende byievinghe , CVo». p.
Vfaend. 1, 26. Dat hy Richilden synder zwagherinnen
soude . . . gheveu . . . eene duwarie ende bilevinghe,
36. Hy belovede hare vore hare byievinghe te
ghevene dat rechte dardde deel van Viaenderen , 69.
Dien hi haer tocht ende bilevinge dair ane(aTe?)
gemaect heeft, Geseh. v. Aniw. 2, 642. Zie meer
voorbeelden ZVl. Bijdr. 6, 367 (tweeniaal); Vod.
Mus. 2 , 369; Gout. v. Brugge 1 , 541 ; CA}ut. r. Gent
583, 634, 535.
BILGIOEN. Zie billioen.
BILICHTE, bgw. 5f>* ^«?tf/(?). || Gmette haer
yemant bilichte, soe neichde sy hem te hant o«t-
moedelike haer hooft, i\r^<^. Prora 118. Of beteekeot
het in hare nabijheid (vgl. mhd. bilich ;hd. beiliei^
d. i. propinquus, vicinus)?
BILIGGEN , st. WW. onz. Mnd. biUggen. Met dea
dat. Bij iemand of iets Uggen , ook van den bijslaap.
II Dat inden scepe was her Ghy , die den neve
lach also bi , Stoke IX , 1139 (doch juister misschien
vat men b i hier op als een op zich zelf staand
by woord, met also als bep. Zie de Aanm. b^
BiiiouDEN). Op dat een deel verwaermet si, den
viere gheleghen bi , Nat. BI. III , 2057. Alse hi mare
dies vernam , dat hem Theodosius bi laghe , wilde hi
nachts met eere laghe den here bestaen onversien ,
Sp. III*, 3, 66. Liever heb ie, seit si, mgnen
mantel te latene , dan bi te liggene , Pelgrim 6W.
BILLE, znw. vr. Mnd. bille; mhd. hille, belle.
Vgl. ERSBIL, waarvan het woord bil eig. de ver-
korting is. In onze beteekenis , lat. clnnis , b.v. Saer.
303. — Ook gebruikt in de bezweringsformule b i
den billen van God (Christus), Mahomet
enz. II Bi Mamets billen , dit dunct mi syn betoverdea
wyn, Huge v. Bord. 26. Helpt, Lucifers billen!
Mar. V. N. 801. By Gods billen, Cannaert 55w
Bi den billen, Sacr. 654, 878.
BILLEN, zw. WW. bedr. Mhd. billen; hd. billen
(vgl. beilen, Grimm, ITtö. 1, 1379). Slaan, kloppen,
houwen , een molensteen scherpen (ook mhd.). — Vgl.
ons znw. aanbeeld en aenbilt (1, 80). |i Slaet
hem {d^n molensteen) mitten hamer niet ontwien,
maer pijnten allenken te billen ende weder goet te
maken, Hs. 88,/. 115a.
BILLENCRUÜT, znw. o. Hetzelfde als bilaen-
cruut, hyocyamus (z. ald.), Barthol. 629a.
BILLIJC (BiLLic, BILLEC, BiLC), bnw. Mhd.
billich; mnd. billich, bilk; hd. bilüg. Van ogerm.
bill , d. i. aquitas,jus. Vgl. eng. bill en Grimm,
JTtb. 2, 26 vlgg. In de thans nog gewone be-
teekenis van rechtmatig, Rein. II, 3734, 6663;
Sp. IV', 46, 60 (waar te onrechte bidlife staat;
z. ald. en vgl. Stoke I, 356).
BILLIJCS (BILLIJC, BILLIX, BILLECS, BILCS);
byw. Mnd. billix. Zie BILLIKE. Billijkerwijs,
naar recht en billijkheid, van rechtswege, zooah
billijk, betamelijk, natuurlijk ü. || Wye sgn souden
tellet tspot, die machmen billics schelden sot,
Hild. 233, 165. Dat mi die niders beniden, dat
lide ie bilcs, want ie wel daer over ghewroken
worde, Bs. 80, /. 1^. Als si billecs sonde pleghen,
N. Doet, 980. Wat hopen mach mgn vader ende
wi in u voortmeer hebben, die billics een man
vol stantachticheyt wesen sout, Trogen Vb. Abk.
En doet (hi) sulc onscout daer of als hi na recht
billix (/. ende b.?) sal, Bein. li, 3702. Dats hem
ewelic een ander billyx hoeden mocht, O. K. w.
Bolt. 49, 166. Zoo ook Rein II, 4615; 4981,
7092, 7212; MLoep I, 137, 813, 1084; FV, 1;
Hild. 234, 217 en 220; Ned. Proza 153; hemmen
30; 135; Vrouw. e. M. X, 12 ; 5ra*. F. VI , 6566 ;
VII, 974, 10057; Exc. Cron. 171c; Pass. IF. 113*.
Aanm. 1) — Ilor. Belg. 7 , 11 wordt ook de be-
teekenis forsan, d. i. misschien , wellicht, opgegeven;
doch is die juist?
Aanm. 2) — Soms vindt men billics ^bruikt
4257
BILL.
BILO.
1258
als bnw., b.T. Hild. 195, 48:Twaer billics , dat si
bellen droeghen; Vrouw. e. M, Vil , 17 : Tis bilUx ,
male moet syns aerts ghebraken ; en Brah, 7. YII,
3171 : Twelk billics soude hebben ghewesen na
inhont des bestants.
BILLIKE (billijc, billic, bilc), byw. Mbd.
billiche , hillichen ; mnd. billike(n) , bilken. Hetzelfde
als billiics (z. ald.). || Dien meister salmen billic
prisen, die van niete maecte yet, V Bomen 98.
Des (d, i. Dat) billic manne ende wive hem des
sallen spreken ere, Brab. T, YI, 372. Doe soude
sy hem billic voertaen vruechde ende vrede hebben
gedaen, MLoep II, 3021 (vgl. 3024). Cassamns
die onde degen gaf hem bilc wel dicken jegen,
ff af hem naar behooren , naar verdienste , naar recht
en billijkheid terug ^ Caes. 1123. — Ook in den
comp. billiker. || Veel billiker is een mensche
beter dan een scaep, het zal wel vanzelf spreken,
dat, H». Evang., Matth, 6,30.
BILLIOEN (belgioen, biloioen, bulioen,
BOELIOEN , bOlioen). Van fr. hill^m (Littré 1 , 347) ;
eng. bullion (E. Muller 1' , 156); mlat. billio , bullio
(Dnc. 1, 683); mnd. baliun , balliun. Goud en zilver ,
met andere metalen vermengd, en minder karaten
edel metaal bevattende dan bij de ordonnantién was
voorgeschreven, \\ Een stic boelioens gouds of seWers,
ZVl, Bijdr. 6, 39. Een stic bolions, 61 ; vgl. bl. 79.
Dat zy negheen belgioen ute den lande en voeren . .
teeuigher munten dan in de munte ten Brugghe,
Invent, v. Brugge 5, 385. — Vandaar ook valsch
goud, valsch geld in H algemeen. || Mj dynct,dat
ghy my bilgioen in dhant steict. Deze mans men
niet te vullen betrauwen mach , Ned. Kluchtsp. 81, 74.
G hegheven van den verliese van den ghelde dat
in handen bleef van den tresoriers , twelke sander-
daeghs al billioen gherekent was , Invent, v, Brugge
5, 20. Also vele als de zelve wisselaers billioens
in de munte ghelevert hadden, 19. Ghecocht met
ghelt, dat daer naer byllioen wiert, 22. Enghien
mulle noch bnlyoen te besigen . . in enigher ver-
werye, O. fV. v. u^»m^. 52 , 62. Ende so wie balyoen
van golde off van silver uyt onsen lande voerde,
dat weer op dat balyoen verloren sonder weder-
seggen. Voirt so en sal gheen wisseler wysselen
moghen yn onsen lande van Gelre, hy en sal ge-
loven ende hem verbynden, so wes balyoen dat
hem vallen sal, dat hi dat in der voirscr. onse
munte leveren sal, ende nerghen anders . . ende
so wat wysseler, die balyoen van golde off van
silver op ander munte leverden, den yn onser
munte voirscr. off yemant van synre weghen, die
solde verboeren dat balyoen, Nyh. 8, 252 {a, 1402).
BILODE (BILO) , tnsschenw. Eig. b i 1 o d e. Eene
bezweringsformule, omtrent welker afleiding geen
zekerheid bestaat. Men heeft er o. a. den H. Lodewijk,
den H. Eligius en den H. Laudus in meenen te
ontdekken. Het waarschijnlykst is het gevoelen
van Cos\jn, dat het eene opzettelijke verbastering
is van bi Gode {T. en Lettb, 6, 231). Nog heden
hoort men bijlo gebruiken. || Bi lode, ie en lieghe
n twint, Belg, Mus. 10, 98. Bilode, hem voeghet
syn sitten wale bi magheden, 8,100, 136. Bilode,
dat wetti selve wael, 101, 178. Ie en weets niet,
bijlo, Han. H. 19, e. e.
BILOKE, znw. vr. Van beluken (z. ald.).
— 1) Gevangenis.W'B.ei \%,c\i een ridder ter biloken,
Velth. IV, 62, 16. Coken {koks) sterven wel inde
byloke. Spreuken 81 (de verklaring van den uit-
gever is onjuist).
2) Een kluis, klooster, en wel een bepaald
klooster te Gent. || Jans van Artevelde dochter,..
doe mense clede nonne inde biloke, B^k, v. Gent
1, 273. Een huns staende buten cupen by der
byloken, Dieriez, Mém. 2, 263 (óf bet. het hier
gevangenis?). Jan van der Oersele, broeder in de
Biloke , 48 , 637 e. e. — Zoo sprakmen van „de abdij ,
het hospitaal van de biloke^', 636.
BILOKEN rPascen, Pinxter), hetzelfde als
beloken P. (z. ald.).
BILOEN (BILON, BILIOEN), znw. m. Fr. billon
(Littré 1, 347). Een schuins afgehouwen steen. Zie
vooral De Bo 102 op bel o en. Het woord bilon
komt onder andere benamingen van steenen voor
Invent. v, Brugge 6, 324.
* BILONNTE, verkeerde lezing voor vilonie
(z. ald.), Invent. v. Brugge 6, 473.
BIN (binne), voorz. m. d. dat. Meermalen met
het lidwoord den en der tot één woord binden,
binder vereenigd. Mnd. mhd. bin. Uit beïn
samengetrokken. Vgl. binnen en binner.
1) Van plaats en ruimte. Binnen de grenzen , den
omtrek van, binnen, in; hd. inner halb, \\ Als hi
was comen bin den doren, Parth, 486. Als hi bin
den palayse qnam, 539. Bin minen strecken sidi
gevaen, Bose C 1800. Dat bin haren claeuwen
comt, Praet 1883. Ware enich rudder bin minen
hove. Wal. 121. Bin den castele woent een gigant,
Flandr. I, 624. Wildemesse ligghende bin dgx
jof buten dijx, Gedenkst. 1, 244 (a. 1355; bl. 243
staat binnen dgx). Wes bin den huns hovesch,
Bouc V. S. 465. Bin den huns, Cout. v. Brugge 1,
353; Nat. Bl, X, 449, Stoke V,810. Binder stede
(steden, stat), Ren. \%0\',Frane, 8179; IJyui*. 11285
rar., 16788, 18791, 19924, 31527 ; ^«lan^ II , 688,
3311, 3330. Binden hove, OVl. Ued, e, G. 309,
2236; Bein, I, 1400. Bin den castele, Ben. 364.
Binder dure, Bijmb. 12267. M£n hande te doene . .
binden home der fonteine, Orl. Lied, e. G. 237,
111. T water, dat ie . . bin minen tanden hilt be-
loken, 120. Die binder moeder B|jn besloten.
Nat. Bl, VI, 849. Binder sale , C. en El. 706.
Binden torre, Bijmb, 31664. Hi {Christus) wUde
vleesch ende been . . . bin uwen live ontfaen,
OFl. Lied. e. Ged. 36, 210. Vier sone droech soe
bin haren live, Rijmb. 22654. Bin uwer porten
onder die sille. Val. 5740. Bin uwer saten, OFl.
Lied. e. Ged. 479, 21. Wat sal een vogel sonder
vlerken die bliven moet bin zinen sperten, 112,5.
Bin den lande, Flandr. iy,21',Barth.20é;Brab. Y,
dl. 2, bl. 417. Binden ambochte van Oestburgh
ende binder prochie van der Groede , Vod. Mus. 2,
356. Als Walewein was bin siere hoede, op eene
veilige plaats, in veiligheid was. Wal, 6564. Her
IsengrQn sprac binden kinne (in zijn baard), ja
so dat men nauwe verstout. Rein, II, 6064. Doe
si quamen binder stede , binden kerker mense dede ,
Jiol-fr. 570 (vgl. 546) Binne den mure , Wal. 6110.
2) Van tijd. — a) Binnen de grenzen van , binnen ,
vóór het einde van een bepaalden termijn. || Vier
tide sijn binden jare, Heim. 1053. Hine sliep binne
der nacht niet, Wal. 9037. Het verkeert bin corter
ure, Praet 1326. Bindes dages stonden wonnen
si niet enen , Franc, 9085. Hi sal noch honen binder
maent snlken, dies niet ne bewaent. Rein. I, 175
(vgl. Denkm. 3, 109; Flandr, IV, 24). Bin achte
jaren , Oor kb. 2 , 472*. Bin dagen drie , Éuge v. Bord.
III, 139. Bin corter i^ihÏBciet, OFl. Lied. e, Ged,
470, 413. — Ook in de uitdr. bin des en (nl.
a aken), Franc, 1502; ook bin dien(by Stoke: bin
d e e n , b.v. V, 650). intusschen , ondertusschen. \\ Bin-
desen so was Brune ghenaect, Rein. I, 988. Bin
desen voer . . . Alexander buten der port,/^. I^,
4259
BINA.
BINA.
1260
52, 1. Bin dien was die nacht tegaen, Beatr.SAb.
Zoo ook Wal. 1332, 2ö92, 5066; Eijmb. 28763;
Ren, 1662 ; eng, — ö) Gedurende (een vrij lang
tijdsverloop) ; ook mhd.; hetzelfde als Yid.ioaArend. ||
Binder tijt dat mste die heere, Amand II, 3309.
Dat si hinder nacht . . . een let niet en mochten
roeren. Rein. I, 2823. Begavic hin minen live
Floris, Flor. 3017. Dat sire niet qname huten
hin haren live nemmermeer, Segh. 2634. Binden
jare, Inuent. v. Brugge 3, 179. Bin drie daghen,
ald. Bin desen jare , ald. ; enM. — Ook in de uitdr.
hin langen (nl. tiden, stonden), meteene
ontkenning. Gedurende langen tijd niet,, in lang niet. \\
Ic ne sach u hin langhen niet, lAvre d. Mest. 2.
Dies ic hin langhen niet ghenas , O VI. lied. e. Ged.
251, 526. Zoo ook Franc. 3172, 7687, 9580. —
Ëenigszins vreemd en pleonastisch wordt h i n ge-
hmikt Brah. 7, dl. 2, hl. 536: In den payse die
wy maken ende enden sullen hin van nn zondaghe
eerstcomende in eere maent. — c) In^ op^ wanneer
de gelijktijdigheid zich tot het noemen van één
feit hepaalt. || No hinder nacht no hinden daghe
ne antwoorden niet onse Herc , Rijmb. 8970. Castor
sende hinder (/. hin derre) tijd te Symoene , i2(;}»d.
31824. Te Jemsalem sullen si tiden . . . binder
nacht. Ren. 1644. Binden selven daghe , Wal. 2^Sl.
8o vele daden wi hinder nacht, dat wi met allen
camen uut, O VI. Lied. e. Ged. 248 , 445. Bin haren
tiden so is tegaen Kaerls gheslachte , Stoke 1 , 802.
BINA, hijw. , schijnt mhd. en mnd. nog niet
voor te komen — 1) Bijna ^ Aaast y lat. paene; onze
tegenw. opvatting-, zie TijdtcArift 1 , 297 vlgg. || Dat
sy byna was doet, Vad. Mtt*. 4, 241 , 402. Isegrijn
wert hina hlint, Rein. II, 7056. Oec hadde hi
hina die aventure, dat hi met hem in ware ghe-
varen, Rijmb. 30450. Dat aertrike mit allen aen
hem hina al sonde vallen , Ltp. lY , 1 , 41 var.
Dat al sijn leden, al s^n zenen hi na gescheyden
sijn van enen, O. H. Pat». 25, 690. Zoo ook Sp.
I', 35, 9; IIP, 14, 11; m% 29, 48; Wal. 9101,
9865, 10628; Lanc. IV, 6550; enz.
2) Bijna y ongeveer \ lat. f ere. || Een vers hebbic
ghehoert, dat bina spreect dese woert, Melib.
1804. Hi gaf haer {aan de vereld) bina rechten
name, ^. I', Prol. 3.
BIN ACHTEN, zw. ww. onz. Hetzelfde als he-
n achten (z. ald.). Overnachten. || Daer huten niet
te hinachten, Nijh. 1, 245.
BINAER, hijw. Hetzelfde als hina, doch van
den comp. van n a gevormd. Zie TijdtcArift 1 ,
299. II 2100 mergen, daerof de helft bynaer ver-
dolven lant es, Inform. 309. Dat coper . . was
aLso scone alse gout binaer, Rijmb. 11548. Want
daer binaer al gheboren was , 17357. Bi naer
viertich dusent man, 18619. Akers . . , dat binaer . .
twe jaer hadde ghesijn heseten, Stoke II, 1024
(vgl. 538). So dat . . si binaer alle verdronken,
X, 559. Zoo ook Sp. l\ 50, 24; I*,39, 6; I*, 29,
24; I", 1, 51; <ww.
BINAEST (binaesten, binaeste), hijw. Het-
zelfde als bina en binaer, doch van den superl.
van na gevormd. Zie TijdtcArift 1, 299. Vgl. onze
uitdr. ten naatten bij. \\ Ic sach dat ic was binaesten
daer ic gaen wilde. Pelgrim 16c. Bynaest alle de
ghehele vlote verginck. Eng. 119. Binaest hadde
si hare ghehele liberatie mit ghedachtenisse ont-
houden, Patt. W. 239c. Welke claerheyt . . hi
naeste een half ure die ghehele kerke verlichtet
hadde , ald. d. — Ook de anorg. vorm h i n a e s komt
voor. II Mine voeten syn hinaes bewegen : mine gangen
siin hinaes uutgestort, ffs. Pt. 78<; (Pt. 73, 2).
BINALIJOS (binalecs), hijw. Bijna, Aaati.W
Als de nonne dit wonder sach, . . verweerde si
haer so seer, dat si binalecs comen was daer bi,
dat si daer stappans voer hen allen, van anxste
in ommacht was gevallen, Lutg. II, 924. Die
Romeynen wilen eere waren van alder werelt here . .
ende hijvalets (/. hij nalees) alle weghe hadden si
spoet ende seghe. Wrake III, 550 (vgl. Tijitckr.
1 , 301). Ledecheit . . can oec die liede leiden
binalix tallen argheiden. Boet. II, 2679 tar.
{t. nalees).
BINAMË , znw. m. en vr. Zie name. Mhd. bwme,
hd. beiname. Bijnaam , toenaam, || (Hem) mit sinen
name ende hiname in desen selven brief doen
heschriven, Brab. Y., dl. 2, hl. 709.
BINAMEN, hijw. Eig. bi namen (zie Bi, kol);
mhd. Innamen y benamen; mnd. binamen. Met name
genoemd, uitdrukkelijk. \\ Opdat hg onser ghedenke
hi namen in sijnre missen ende ghebede, Nyh. 1,
343. Elcken sonderlinghe binamen, Oorib. 2,
339, 89.
BINDE, znw. vr. Platte ijzeren lat opd^pelgen
van een viel. Nog heden in dien zin in *t WVlaamsck
in gebruik (De Bo 135). || Van binden up wielen
te lecghene, Invent. v. Brugge 3, 57.
BINDELE (bindel) , znw. m. — 1) Al wat bijeeii-
gebonden is; bondel y bundel; vooral van touw ge-
bruikt, ttreng. \\ Om 10 hindel touwe.s . . elc
bindel 28 penninc. Rek. d. Gr. l, 413. 35 hindel
touws , elc bindel 16 penninc, 2 , 505. Item ghecoft
jeghens Ghise den linemaker 268 bindel reepen,
daer elc hindele of coste 2 penninc groot, 3,466.
66 bindel reepen ten {beter ter) hliden behoef,
daer elc hindel of coste 18 penninc, tUd.
2) Alles waarmede men bindt, in H bijzonder
gordel, || Dat siden costelike subtgle gordel of
hindel, Gett. R. 12a.
BINDEN, st. WW. hedr. en onz. {banty honden,
gebonden). Mhd. mnd. binden; got. Hndan. Zie
verder de Wdbh.
1) Binden y vastmaken , gezegd van personen en
zaken. In onze opvatting. Rein. I, 1491, 1594,
2817, 2822; Rijmb. SOM; TAeopA.llSl. — Eihuii
s^n ors opten .stalle, C. en El. 1060.
2) Boeien y knevelen. \\ Hi die eer lach gebonden,
Sp. Vy 13, 51. (Doe) dede hi alle die lede sgn
met ysere binden, ende sere laden, 11^, 47, 40.
So wie lieden haer goet neemt ende huiden, Ooki.
2 , 337 , 64. In ga nieweren , Sente Remi hine come ,
die mi hier bant, ijp. III», 8, 80. — Ook figuurlijk.
Aan banden leggen y bedwingen. || Dat hi sijn herte
bint, Sp. I», 68, 23.
3) Verttrikken. — Vooral in het pass. in ge-
bruik en gezegd van de zonde. || Al sgn die
priesteren selve in dootsonden ende ter hellen
ghebonden, aan de Ael verknocAty voor de iel
bettemdy Ruusb. 5, 154. Die vule sterfelike sondeo,
daer wi mede sgn gebonden, Lueid. 1314. Om of
te doen smenschen sonden, daer hi zwaerliken ia
was gebonden, 1365. Want in de bete van den
appel dede hi seven sonden . . ende banter oec
mede waerlike al dat na hem quam in aertrike,
1264. Die swarte voghele sgn ghebonden ende
besmet met vulen sonden, Wal. 5849. Zoo ook
Tegtt. 3762; TAeopA. 248 en 1108; en::. Vgl.
TijdscAr. 1 , 130. — TAeopA. 779 ook als wederk. ge-
bruikt. II Nu hebbic mi selven ghebonden met idre
dorperliker sonden.
4) Kwellen. \\ Dattu mi hebhen does den brief
daer ic in . . dijns loochende ende oec d^n kint,
want dats dat mine ziele bint , in an^ti en banden
1261
BIND.
BIND.
1262
houdt ^ Sp. III*, 36, 55. Om te lossene dat dode
kint, dat diea vrouwen sere bint (varr, den
vrouwen; datten vr., dus overal datief)^ Nat. BL
X, 554. Een liebaert Heide tenen stonden, dat hi
niet evele ware gebonden, Bein. Bijl, 292, 2.
5) Tot slaaf maken ^ iemand de vriJAeid benemen.
J)e volle uitdr. is enen in eig|jndoeme
binden. 1| Dat hi omme dedel geslachte van
Troyen peinsde ende achte dat het jammer ware
ende zonde, dat ment in eigyndoeme bonde, Sp.
HI', 9, 63. Twi hebdi die wijf ghebonden? i^i/mó.
6295. — Ook van een land. Annexeeren. \\ Doe wart
(K^ypte) onder Rome ghebonden, Sp. I*, 39, 10.
6) Van de poëzie gezegd. Binden aan deeitchen
van maat en rijm, in gebonden stijl opstellen. ||
Dat ie mi noch onderwinde, dat ie {l. iet, nl. Aet
mirakel) in Dietsche rimen binde, Theoph. 21.
7) Van zuigelingen en lijken gezegd. Omwikkelen^
utnztoachielen ^ in doeken «inden. \\ Dat die herdden . .
anebeedden tien stonden tkint inde wieghe ghe-
bonden, Lsp, II, 44, 172. Si salvedene {Jezus)
ende bondene mede met clederen, na der Joden
zede, Sp. I', 33, 9.
8) Van kleederen en wapenen enz. Ze (zich of
eep ander) aanbinden, vooral van den helm ge-
zegd. II Oec wiste hi hem wel gelaten als hi den
helm hadde ghebonden ende die banieren sach
ont wonden, (himb. I, 2011. Menich baniere wert
daer ontwonden ende menich helm opt hooft ge-
bonden , II , 1480. Si bonden die heelme van stale,
Flovent 437. Si bonden helme Sarragose , Boel. II,
59. Scilt omme den hals, cousen gebonden, Fer^.
5321. Hi hilt leen ende lant, daer hi af baniere
bant, toiens vlag hij voerde, Heeln 4550. Zoo ook
Lanc. II, 2962, 6551; f>r^. 4613. Zie baniere. —
Hiertoe behoort ook Sp. III •, 16, 99: (Soe)ofrerde
hare zuverhede Gode . . in eens heilechs bisscops hant,
diese in Gods dienste bant, die haar de kenteekenen
van het kloosterleven aanbond, aandeed. Vgl. Halb.
Aant. 288.
9) Bevestigen, beslaan. || Aen Claes die sloot-
raakere van den voerscreven stoel met yseren banden
te binden , Vod. Mus. 3 , 37. Si (de poorten) sgn
van copere ende van metale gebonden met ysere
ende met stale. Wal. 5985 (vgl. 3467). Den kyel
dede hi binden met ysere harde staerke na die
oude aerke. Brand. 96. — Ook in den zin van
kuipen (vgl. Kil. 68: binder, j. knyper). || Van
tobben te binden 1 bot, Bel. v. L. 429. Van enen
ymmer te binden ter molen behoef, B^k. d. Or.
159. — WQn binden, in twee opvattingen.
— a) Wijn persen. || Tpersoer, daer men denwfjn
met ntewint ende so perst ende so bint, dat hi te
beter scine , JHsp. 146. — b) Wijn in vaten doen. || Die
selve wine te bindene, enen cuper in den kelnare,16 se.
Bek. d.Or.1, 52. Van scroedene nten scepene ende in
den kelre te doene , van bindene ende van vnlle wine ,
25 ® , Bsk. V. Oent 1 , 456. Van {wijn) scroden . . . ,
van binden , verlaten ende rilen (?), Oorl. v. Jlbr. 214.
10) Verbinden, van wonden. || Die wonden bonden
sy, die waren diep, dat daer gheen bloet uyt en
liep , Troyen f. 79 e. (Die) syne wonde bant ende
droghede, Troyen 5403. Als hem ghebonden was
sgn voet, Bijmb. 28841. Hare voete dwoechi,haer
zeer hi bant ende duwede tetter nut metter hant
Franc. 817. Hi naei^e ende bant hem sine wonden
ende goter in olye ende wQn, Hs. v. 1348, 178^.
Meijster Dijrike den wonde n-binder, omme dat
hi . . . den armborstiere sine wonden bant. Bek.
d. Cam. 3 , 125. Zoo ook Bijmb. 25431 ; Lanc. II ,
329, 1436, 46672; Grimb. I, 3846.
11) Verbinden, verplichten. \\ Daer sgn si in
allen stonden van rechter scout toe ghebonden ,
Wrake I, 308. Hi nes niet gebonden soe jegen
vrowe oft jegen maget, dat hi hare tekine draget,
Lanc. IV, 1586. Teerst dat menne ter pinen bant
(tot arbeiden noodzaakte, dwong), wart highesont,
Sp. III», 37, 91. — Ook als wederk. gebruikt.
Zich verbinden tot iets, het op zich nemen. \\ Soe
vele sprac min her Walewein doe, dat hem die
knape bant daertoe , dat hi die boetscap doen sal ,
Lanc. IV, 8483. Hi sal mi al gewapent vinden int
velt, als hi hem wille binden te campe tecomene
jegen mi, 8551. Voert bant hi hem voer ons ende
in die voerseide maniere eheliken bant te bindene
van desen voerseiden sticken, Vad. Mus. 2, 364.
Dat wy . . . maecten ene soene vaste ende elc
hem binden laste (?) die vonden wiert in onrecht ,
den anderen te beteren, Orimb. 1, 5361. — Ook
in den zin yau verbindend, verplich tiend verklaren. \\
Dit was ghebonden so zware, dat wel ghehauden
was daer nare, VI. Bijmk. 2215.
12) Verbinden door eene plechtige behfte van
trouw. Vooral in H pass. in de uitdr. in huwelike
gebonden sQn, of ook alleen gebonden sQn. jj
Soe wie vrouwe ochte jonfronweontscaect, die niet
ghebonden en is, Ch. v. Waelh. 8.
13) De uitdr. (ge)bonden tgt beteekent het-
zelfde ala bebonden tijt en het meer gebruike-
lijke besloten tijt (zie bebinden en besluten),
nl. tempus nefastum. || Van Jabbout ende sinen wive,
die binnen den bonden tiden te zamen qnamen, bidden
wi.den deken, dat hize absolvire, Mieris 2, 211a.
Onz. — Gebonden, dik worden. || Doet zieden
in eenen pot ende doeter in sukers genonch , latet
wel binden, dan settet of, Keukenb. 15, 24.
Aanm. — V. d. Iloute 548: „Wine connen
ghenen boem vinden , die wi in dit werc b i n d e n *\
is de beteekenis van binden niet duideiyk. Het
kan ziln, dat het eenvoudig heteékeni vtutmaken of
is de bedoeling gebruiken in dit werk, er toe bezigen?
BINDEN. Zie bin.
BINDEBE (BINDER), znw. m. Hij die knevelt,
boeit. II Van binders, die lieden haer goet nemen,
Oorkb. 2 , 337 , 64 titel. Enen rovere , bindere of dief,
ald. 70. — Zie ook bij binden, 9 en 10).
BINDER. Zie bin.
BINEDEN, bg w. Hetzelfde als b e n e d e n (z. ald.).
II Gryssilla dye ghinder byneden viell in onmacht,
Vad. Mus. 4, 241, 399. Allen dat lant boven ende
byneden, 412.
BINE VEN , bij w. Hetzelfde alsbeneven(z. ald.).
Naast. II Die broeder taste daer bineven, Hild.
180, 128.
BINDIEN (bendien), zw. ww. bedr. Hetzelfde
als BENEDIEN (z. ald.). II Gebeudijt si hope, die
geven can den minneren selken troest, Bose 2646. Ay
od, gebindijt moestn (d.i. moetstu) wesen, Jjanc. IV,
12874. Gebindijt moetti sQn embermere 12908.
BINDESEN, BINDIEN. Zie bij bin.
BINDSEEL. Zie bintseel.
BINNE. Zie bin en binnen.
BINNEN, voorz. en b^w. Mhd. mnd. hd. ndl.
binnen', uit be-innen, Vgl. BIN.
I. Als voorz. — Met den datief of genitief.
a) Met den dat. — 1) Van plaats. Binnen de
grenzen, den omtrek van eene bepaalde plaats of
ruimte, binnen. || Dat en liet ie niet bliven om al
die have . . die es binnen ertrike , Idmb. II , 1428.
Die scacht binnen den ridder brac, Ferg. 1840.
Die scacht binnen hem hilt, 1843. Dat wi binnen
der havene sterven, moriamur in portu, Sp. 1*^
1263
BINN.
BINN.
1264
60, 38. In die Zautzide was ghemaect een wendel-
8tene . . hemelike binnen dien mare, i2i;oid. 11453.
Nochtan liepsi binnen scoten, inirajactum^2S159.
Eer hi binnen der poorten quam, 29630. Daerdie
8ine al te samen binnen den poorten weken , 34524.
Saen men daema die kiste brochte, daer menne
binnen leide, Limb. YI, 1444. Geworpen in der
hellen brant , ende daer ewelec binnen staen , Kerk.
Cl. 101. Als hi binnen der tenten qnam , Limb. YIII,
1256. Binnen mare, 1268; IX, 528. Noit en cam
binnen lippen dine yoetsel van onreinen wine,
OFl. Lied. e. Oed. 23, 43. Hine mochte bi gheere
noot commen binnen starken maeren, Amand I,
3395 {pp de vorige plaafs^ evenals op deze en
elders zonder lidwoord om de ontkenning). Binnen
der veste, Cout. v. Brugge 1 , 353. Binnen der vriheit
van Lovene , Br ah. F., dl. 1, bl. 731. Binnen fosseide ,
Sp. III*, U, 68. Jagen . . binnen enen groten
foreeste, Mor. 2958. Dat (swaert) hevet hi binnen
sire hoede , Wal. 1273. Binnen den dorpe , Inform,
43. — Ook binnen het bereik van, in de nitdr.
binnen slag e. || Wat hi bevinc binnen slaghe
moeste die veyghe doet ontfaen , Limb. YII , 886.
Wat hi binnen slaghe gewan, moeste vore hem
wiken, 1254. Wat hi binnen den slaghe bevaet,
Segh. 999 r«r. — Ook komt binnen voor in de
bet. van in of op, zonder het bijdenkbeeld van
grenzen. || Walewein sat binnen der herstraten in
wel swaren ongesonden, Mor. 2536. — Binnen
den sonden liggen, geheel en al in zonden
liggen. || Omdat gi mi woat helpen dragen mine
zonden, daer ie ligge binnen, O. U. Pass, Zb
(Anzeiger 8, 585). — Binnen baten sijn, in
het voordeel zijn. || Oec mochten wy gherne soenen
laeten, want wy syns noch binnen baeten ende
hebben hem meer schaede ghedaen, dan sy ons
doen, Orimb. I, 5368 var. — In bijzondere toe-
passing wordt binnen gebruikt om de grens aan
te duiden, welke men bij het bepalen eener maat
al of niet overschrijdt. Yooral in de uitdr. binnen
velen met eene ontkenning, hetzelfde als n i e w e r-
na er en ons op verre na niet , eig. zelf s niet binnen
een grooten afstand, || Ie wane niet dat in Denemarke
enech ridder so goet si binnen velen, Ferg. 2924.
Alle sine dach varden willic helen, want ie en
weetne niet binnen velen , 2807. Ie wane noit man
en sach binnen der helt geene so diere graveele
(een half zoo kostbaar zand) , 3050. — Somtijds komt
binnen met een ace. verbonden voor, b.v. Rein.
II, 6509: Eer ie binnen dat hol quam; 3865:
binnen den bereh.
2) Yan tyd. — a) Binnen de grenzen van eene bepaalde
tijdruimte , binnen, in den loop van ; onze tegenw. op-
vatting. II Binnen middelen tiden, ondertusschen ,
middelenoijl, Invent. v. Brugge 3, 514; Fl. Rijmk.
10192, e. e. Zie middel. Dat hi mi binnen derre
maent sekerlike sal nemen te wive. Flor. 3015.
Binnen deser talen, Lafic, III, 23616. (Hi) ruumt
oec . . . binnen sonnenscine (vóór zonsondergang)
nu Parijs, Yelth. lY, 11, 67. Ie wille varen
binnen minen live (vóór mijn dood) mijn kint sien ,
Rijmb. 3209. Dies dede hijt al slaen binnen der
oude (onder den leeftijd van twee jaar) up dat hi
tkint vinden soude, Rijmb. 21517 var, Hets binnen
viertien jaren ghesciet (hoogstens veertien jaren
geleden) , d&i si uten cloester streec, Beatr, 592.
Hi voer henen . . hondert milen binnen eenre
ure. Rein, II, 5601. Binnen ses daghen, 3742.
Binnen vijf daghen, 3950. Binnen negen dagen,
Yelth. lY, 11 , 62. Binnen seoninx vrede ende
binnen des coninx ghelede (vóór dat de termijn
van den vrede geëindigd was) , Rein, 1 , 139.
Binnen vreden. Rek. v. Zeel. 2, 204; 205. Dat
binnen pays ende vrede qnam up hem upten
Pasehedach Stillieoen, Sp, III ^, 10, 20. Binnen
tgeding, O. R. v. Dordr. 2, 222. Binnen vreden,
Rijmb. 12290 ; Limb. YUI , 1043. — b) Gedurende
(een langer tijdsverloop) ; vaak met eene ont-
kenning. II Binnen deser eore, gedurende den
tijd, dat deze keur van kracht is. Oor kb. 1.
245a en b (driemaal). Driehondert jaer . ., daer
menich martelare binnen sijn bloet storte, Lsp.W^
45, 41. Menich jaer ende menighen dach, dat si
daer binnen noit en sach vader noch moeder, III,
3, 719. Dat enich overste . . binnen haren levene
comen mochte , diese drucken ende versmaden sonde,
Buusb. 4, 38. Si waren verpiint binnen negen
dagen ende binnen negen nachten in die see,
Flor. 1851. Waerbi dat hi niet en mochte slapen
binnen drien daghen, C, en El. 886. Ie hebbe
harentare gereden binnen desen halven jare. Mar.
622. Binnen desen naesten jare sone at hi vleei^:,
Rein. I, 270. Hieromme en at hi binnen drien
dagen, Sp. I*, 35, 34 (vgl. 47, 25). Nochtan dal
hi binnen tween nachten gherust en hadde, 1%63,
28. Hy en drouch noyt binnen sinen levene wapenen
aen sijn lijf, Cr on. v. Vlaend, 1, 21. Binnen
tsvaders oft moeders plecht (voogdijscJkap) , B.
V. ücele 22, 129. Binnen der bruutclocke ludende,
Cout, V, Brugge 1 , 353. J. . . ysend te Paris ende
te Putiers binnen seven weken, Invent. v. Brugge
1 , 291. Die met hemlieden waren binnen v^ f daghen,
3 , 239 ; zoo ook Rijmb, 6624, 20418, 26989 ; Sp. \l\\
35, 11; Segh. 2999, 6296; Clerc 41; Mor. 3769.
— c) In, op, bij, onder, zonder aanduiding van
grenzen, doch alleen om gelijktijdigheid uit te
drukken. || Dese waren beide . . . binnen enen
daghe gheboren, Parth, 6603 (vgl. iït>r. 1141 vlg.).
Dat men niet verwinnen en mach binnen dien dagbe
in ghenen strijt hem. Rein. II, 6788. Dat hi met
ere jonefrouwe hem besondechde dorperlike binnen
sinen huwelike, Vad. Mus. 4, 319, 232. Die op
sine borst lach binnen dien avontmaJe, L. v. J. c.
243. Binnen deser talen ende spraken, Grimb. 1,
5047 (var. hier en binnen). Binnen sijnre igt, sinen
tiden, sinen jaren, den jaren, in sijn tijd, Oron.
V, riaend, 1, 21; Lsp. I, 46, 7; Amandl, 2262;
Wal. 5250; Sp. II*, 31, 14; Serv. II, 1199.
AA.NM. — Hild. 223, 23, leze men met de mr.
bi in plaats van binnen. — Wat bvuten tiden
beteekent Parth. 6311: „Sal ie besterven mine
minne, dat moet binnen tiden wesen", is niet
duidelyk.
d) Ditzelfde begrip der gelijküjéUgkeid dmkt
binnen ook uit in verschillende by woordelijke en
voegwoordelijke uitdrukkingen. — Hier binnen,
daer binnen, binnen desen, binnen dien,
ondertusschen , onderwijl. \\ Dat men desen camp
hier naer verste noch tweejaer ende wi hier binnen
scermen leerden, Limb. III, 1007. Binnen desen so
qnam . . . een bode, Lorr. I, 640. Men hadde wel
ene halve mile moghen riden daer binnen , Limb. YII,
676. Die Romeyne . . . vesten haer here binnen
dien, Rijmb. 31004. Zoo ook 19587,30647, 30625;
Mor. 1379, 1570, 1636, 1794, 3524, e. e.; Zi«A. II,
268; YII, 336; Ren. 1445; Ferg. 32; Lanc. UI,
17919; Rein. I, 1308, 2403, »440; Lsp. 11,9,75;
III, 1, 42. — H ierenbinnen, mei de-sel/de
beteekenis (z. ald.). — Binnen den iersten,
zoo spoedig mogelijk. \\ Bynnen den yersten so sal
ick u doen weten ende verstaen, Troyen^ 46. —
Binnen dien dat, binnen dat(voegvr.), tenc^h
1265
BINN.
BINN.
1266'
lat. interea fl^um. || Binnen dien dat dit ge8ciede,80
qaamen de snstre van den cloestre te samen,
Christ. 1815. Binnen dat hi in desen gepense was ,
sacb hi op, Lanc. III , 4023. Zoo ook 5338 ; ^/o<?in/.
3, 9, 33; 3, 15, 269; L«p. II, 28, 48; CAm^. 1163,
1173; Rijmb. 21679; Ferg. 1533; em.
|9) Met den genitief; ygl. hd. innerhalb enmhd.
mnd. hd. binnen.
1) Yan plaats en ruimte. || Wat hi mochte be-
vaen binnen slages moeste emmer doet , Zmd. YII,
848. Binnen slants, Segh, 10954. Binnen lands ,
Umb, Vm, 99; Velth. IV, 64, 7; Stoke X, 406;
Belg. Mus. 10, 87, 116; e. e. Binnen mors (muurs)
Limb. VIII, 120. Binnes voets, 2ia»/r. 64p. Binnen
hnses, R, v. Zutf. 91, 7.
2) Van tijd. || Binnen jaers ende binnen daeghs ,
Brab. T. dl. 1 , bl. 731 (driemaal). Binnen jaers
ende daghes (daechs) , R. v. Utr. 2 , 233 , 243 vlg.
Binnen jaers, Nijh. 3, 294; Oorkb. 2, 198* {twee-
maal). — Gen. en dat. komen ook verbonden voor. ||
Binnen jaers ende binnen daghe , R. v. XJtr. 1 , 99 ,
7; 2, 102.
II. Als bijwoord , uitslaitend van plaats en ruimte
gebmikt. Binnen.
1) Eigeniyk. || Dit benijdde dus Reinaert, dat
sire waren so vaste binnen , Rein. 1 , 340. — Vooral
in de bet. in de stad. \\ Buten was wreeder Sjmoen
dan die Romeine . . . binnen, argher die Zeloten
dan Sjrmoen, Rijmb. 30639. Dus sijn si binnen sere
verladen , lAmb. II , 447 (vgl. 431 : dien van der
stad). Si hebben vrome liede binnen , VII , 941 ;
vgl. VIII, 267, 437. — Die van binnen,
hetzelfde als die vander stat, de belegerden^
de bewoners der stad. || Daema belach hi Colen met
grooter machte ende street tegen die van binnen
ende wat buten der stadt stont, dat destrueerde
hi, £xe. Cron. 113<r Took 288<r). Eist altoes ghereet
ter were, of die van binnen utequamen?i^mó. II,
638. Die portren van binnen, 1505. Zoo ook VII,
346; VIII, 349, 411, 1233; Sp. I», 17, 70; 18,
41. Dese dadent alle wel van binnen , Ferg. 5249 ; enz.
2) Meermalen volgt binnen op een znw. met
een voorz. (te of in) ter nadere aanduiding van
plaats of van richting; in de meeste gevallen kan het
bij ons onvertaald blijven ; vgl. onze uitdr. binnen
in. II Mochten si te Babylonieu comen binnen,
Flor. 694. Hi deetse in enen tor binnen, 721. Al
warp ment (hout) in een vier binnen, 974. Doe
cam gelopen haestelike . . . ter cameren binnen
die coninc , 1097 (vgl. Limb. III , 862 ; XII , 740).
Dat hi die scone . . . moeste . . . weder bringen
te lande binnen, 1723. (Hi) nam sgn sweert in
sgn hant binnen, Orimb. II, 3443. Die lieden
woénden in den bosch binnen, Lanc. II, 350. Hi
brachtse te Troyen binnen. Rein. II, 5559. Gods
ende der werelt minnen en mogen niet tsamen
eenre (/. teenre) herten binnen, Sp. II', 27, 53.
Die (ds Joden) in hare scrifturen binnen hem
(Ckriaius) kinnen mochten ende sien, Teest. 1930.
Zoo nog Rijmb. 16478; em.
3^ In de uitdr. binnen hebben, in verschil-
lenae opvattingen. — a) Eigenlijk. In zich hebben , op-
gegeten hebben. II Als icse(^tf^<»m^ra/tffi)hebbe binnen,
bebbicker af pine ende onghemac. Rein. I, 572.
— b) In zich hebben^ bezitten, hebben. || Die (nature)
hebben crude endebome binnen , Lsp.1, 18 , 50. Hoer
nature hevet binnen (lat. habet hoc, d.i. hee/l deze
eigenaardigheid), III , 3 , 1028. Wel hem 6\esB(clergie)
binnen heeft, III, 14, 267. En segghen wi niet
waer, alse wi segghen, dattu een Samaritaen
best ende den duvel binnen hefs? L. v. J. e. 178.
— c) Met eene plaatsbepaling, meestal werelt
erderike, als ondw. Bevatten , opleveren. || Van al
dat leeft of dat Grieken binnen heeft , Limb. IV , 413.
Soe waric donzalechste die leeft ofte erterike binnen
heeft, III, 643. Die beste riddre die leeft of die
de werelt binnen heeft (die op de wereld ie) , dats
u sone, IV, 2001. Zoo ook V, 747; IX, 168;
Esm. 544; Olor. 346, 400; Lanc. III, 22964. Alt
goet dat Rome heeft binnen, Beatr. 7Sb. — d) Be-
sloten houden, || Om datsi (de aarde) den wint
binnen hevet, diese al dorerent, Natuurt. 1782.
— Binnen houden, in zich besloten houden,
verzwijgen. \\ Als ghi mi ontseit jou minne, wildict
wel hebben iehouden binnen. Beest. 65 (vgl. 62:
ontvlieghen, en 64: ontdeete).
4) In de uitdr. Te binnen hetzelfde als i n
inne. Zie op inne. — a) Te binnen sijn, c^ de
hoogte zijn, goed weten. || Zo es myn here wel te binnen
ende gheinformeert , hoe de zaken gheschiet zijn,
Cout. V. Brugge 1 , 427. Alsic uus vor(t)stels ben te
bynnen, Blisc. v. M. 1085 (vgl. 1588). Op dat
die ghene diet sullen lesen des moghen te bat te
binnen wesen, Brab. T. VI, 2206 (vgl. 9774).
Mids dat ghi zijt te binnen van den pointen drie,
OVl. Lied. e. Qed. 483, 122. Zoo nog Sacr. 1021.
— b) Te binnen worden, te weten komen , be^
merken. \\ Sine viande . . wordens te binnen ende
vorsien, Fl.Rijmk,S596. — c)Te binnen maken,
op de hoogte brengen, doen weten, inlichten, \\ Te
binnen sal ie hier af di maken in cortiertale, Wap. Rog.
782. Dat ghi mi hebt ghemaect te binnen van deser
leere clare, 847. (Nu) makic te binnen u deser
meeren, dat Maria wert haren name, Blisc. v.U. 1758.
5) Van binnen. — a) Van concreete voorwerpen. ||
(Een kreeft) die binnen niet (niets) en hevet, non
invenitur in eo caro. Nat. Bl. V, 271. Om dese selve
sake dede die coninc Salomoen sinen tempel binnen
mit desen hout al om ghecleden , Rein, II , 5586. Al
die ghene , die deze lettere binnen zien, Oorkb. 2 , 96a.
Tierst dat hine (den brief) binnen las (las , wat er
in stond) , Theoph. 1416. — b) Vooral van het gemoed,
dikwijls met her te verbonden. In onze taal kan ^t
weder vaak onvertaald blijven. || (God) die alle herten
binnen kint , Teest. 142. Therte binnen sal mi breken ,
Ferg. 2319. Als een brant van groten viere dor-
gaende die herten binnen. Franc. 6598 (vgl.
6107, 7187). Hi was suver als een kint int herte
binnen, Theoph. 90 (vgl. 93, 114). Soe hebben si
binnen sijn ontsien (de vreeze Gods), Lsp, 111,12,
29. Die binnen is van quaden wille, III, 14, 60.
Oec conste soe van buten ghebaren scoenre dan
soet meende binnen, Rijmb. 20422 (vgl. 25528).
(Hi) toende hem blider in sinen doene, dan hem
sijn herte gaf binnen, dan zijne stemming hem
eigenlijk vergunde, Lanc. IV, 6038. Die scalcheit
es hem binnen gheboren. Rein. I, 1795 (vgl.
2497: gheboren int been). Salvetse (mine herte)
met uwen trooste binnen, so machic mijn leet al
yQTtvinnen, Beest. 197. — Ook van binnenkomt
inHmnl. voor, b. v. i;»p.I, 23, 11;III, 9,68; iW».
II, 4151, 4311, 5598; enz. — en bij Hadew. in
binnen, d. i. enbinnen (vgl. onze uitdr. binnen
in). II Wat so si hadde in binnen, beide herte
ende sin, daer en bleef niet in, het wert al ver-
swolghen in minnen, 1, 99, 32 (v^l. 1, 38, 23).
Vgl. mnd. hierenbinnen, en enbinnen.
6) In iets begrepen, medegerekend , er onder be-
hoorende. \\ Al waren si coninghinnen , men sondere
(der quader wive) niet tellen binnen, Teest. 3082.
Die soene maect ende pais . . jegen den here . . ,
hets recht datter sine liede sijn binnen Cass. 150.
1267
BINN.
BINT.
4268
7) Binnen syn, Matk. 784, bet. hetzelfde
als mnl. tonder syn, in het iumw gebrokt
zijn. II Yiant, wiltn yet segghen meer? Ja ie,
seit hi, ie wille beghinnen, ie ben noch soe
seer niet binnen. Vgl. 592: „in ben noch so
seer niet tonder.** Waaraan de beeldspraak
ontleend is, is niet duidelijk: in onze taal heeft
binnen zijn de tegenovergestelde beteekenis, nl.
die van in veiligheid z^n^ er boven op zijn^ eene
uitdrukking, ontleend aan het komen yan een
schip in de haven.
BINNENBACKEN, bnw. Oneig. samenstelling.
Binnen (of in de ttad) gebakken. \\ Alle wtheems broot
oile butenbacken broot sal . . . hebben sijn gewichte ,
gelijcken binnenbacken broot, O. K.v. Del f til ^49.
BINNENBÜUR, znw. m. Inwoner; tegenover
u u t b u u r , d.i.hij die elders woont, jj Dies behoort
alleene binnen den voors. dorpe den binnenbuyeren
omtrent 18 mergen lants, Inform. 43. Dandere
deel behoort noch uytbuyeren van diverschen steden
ende dorpen, zoedat . . maer deen helft behoort
den binnenbuyeren, ald. 215.
BINNENDIENRE, znw. m. Koffiehttiêknecht.W
Waert dat eenich tapper, crayeerre of binnendienre
ledich ghinge ende versocht ware, sinen dienst
te doen van yement die wjjn tappen woude, O,
K, V. Dordr. 31. , 90. Item en zullen ghcen tappers ,
crayeerres of binnendienres wijn drincken voor die
dore noch in kelders, anders dan daer sy dienen,
ald. 92 (O. R. v. Dordr. 1, 32, 92).
BINNENDIJCX, bijw. uitdr. Bmnendijkt. \\ In
enighen waterganc, binnendijcx off butendücx,
O. K. V. Bolt. 39, 111.
BINNENLANTSC, bnw. BinnenUndtch , in-
heenuch^ ingeboren. \\ Gheen uutheemsche luyden
noch gheen bynnenlandtsche luyden moten botter
noch kesen uutvoeren, Fri. Stad^. 117, 181. In
binnenlants Schouw, Overijs. R. Il', 36.
BINNENSTE, znw. onz. Slechts in 't mv.,
evenals mnd. binnemten. De binnenste deelen van
het menechelijk lichaam^ de ingewanden; vertaling
van lat. inte8tina,\\N9,n den vette dat die binnenste
bedecte,Ruu8b. 2, 28. Die vetheit onser binnenste ,
onser leyere ende onser nieren, ald. Zoo nog eens
ald. en Pats. W. 185a. — Overdrachtelijk ook van
den geest gezegd. || In die binnenste ons gheests
i^het diepste van ons gemoed) ^ Ruusb. 2, 28.
BINNENVALLEN, st. ww. onz. In eene stad
binnendringen , invallen ; de stad overrompelen. Thans
wordt binnenvallen slechts gebruikt van het komen
van schepen in eene haven, jj Entie Gallen ....
waren comen toten tinnen ende souden hebben
(zie vallen) gevallen binnen, maer eene gans
hevetse verroken, Sp. I», 45, 26.
BINORDEN, bijw. Benoorden. || Nortwart tot an
dien diecsloete die binorden den dike gaet, Oorkb.
2, lOOtf.
BINNER, voorz. met 3den nv. Binnen. Vgl.
BUTER. II Bynner onser stadt ofte buyten onser
stadt, Fri. Stadsr. 102, 124.
BINSEN, zw. WW. onz. Waarsch. bijvorm van
b i s e n (z. ald.), hoewel de tekst eig. b i n s c h e n heeft.
Van bisen komt voor het znw. bijse , Kil. tempestas
horrida, boreas. Bisen zou dus de bet. van hard
waaien j stormachtig ^ wild zijn (van het weder)
gehad kunnen hebben. Doch de var. la^efi bruusch^
en de lezing is dus niet geheel zeker. || Hetwait,
het binscht daer dagelike so sere, dat scijnt dat
met allen die sale te neder sonde vallen , Rosé 5822.
BINT, znw. o. Vgl. mhd. binde. Bundel, bos. \\
Een out wyf , die opt kerchof quam gaende ende
hadt een bindt stroes op hair hoeft, Matth. 213.
BINTADERE, znw. o. Een ongemak aan de tan^ ,
het te kort zijn van de tong , zooda^ men de tong met
kan uitsteken, doordat het lelietje onder de ton§
te veel verbonden is; ook co r tin ge genaamd. ||
Die tonghe mach te onghemake wesen van messe-
licke siecheden, alse pnusten, zwellinghen, cle*
vinghe en cortinghen, dat men heet bintadere,
Jan Yp. 111. Hoe men die bintadere ghenesen sal.
Alse die bintadere wast in den mensche onder der
tonghen, die soe wast meer in jonghe kinderen,
die nieu gheboren zyn, 113.
BINTHOUT, znw. o. Rijshout {jn takkebossen
gebonden) , eig. bijeengebonden hotU ; in H mnl. ook
faseelhout genoemd. 1 1 Van 25 hondert hoats onder
blocken ende binthout, Invent. v. Brugge 5, 423.
BINTSEEL f binsele) , znw. o. (als concreet voor-
werp van eene bepaalde afmeting m.) ; mnd. binlsel ;
mhd. bintseil. — 1) Bindtouw , touw, || Voer dry bint-
seel in den perdstal ende voer sestien blntseel in den
coestael, ZFl. Bijdr. 4,303. Van costenghedaen..
doe hi de voors. perden cochte . . mids bindzeelen
ende andren cleenen costen, Invent. v. Brugge 4,
100. — 2) Bindgaren , draad. \\ Een nye biinzeel , de
men altoes sal ontbiinden als men de wonde wil
vermaken, Lanfr. 32r. — 3) Ook van de zenuwen
en spieren. \\ Dat een breet binsel si een vellekin
ende oec dat een ront binsel niet en sy een zenuwe,
ald. 159. Die biinsele is cout ende droge ende
cornet uten benen, 17r. Dat derde capittel is van
wonden in zenuwen , coerden , miLsen , binselen , 6r.
BINT VOEDER, znw. o. Eene wagenlading , een
voer. II Een bintvoeder hoys, Gendseh Chtb. 196.
BIRIDEN, st. WW. onz. met den dat. pers. .0(;,
naast iemand rijden ; h^m rijdende vergezellen^ \\ Hel
sal met u varen Ritsaert ende u biriden Adelaert,
Ren. 1035. Die ridder den wech darwert nam ende
reet der jonfronwen bi, Limb. X, 984. — Ook in
den zin van rijdende naderen, inreden op. || Want
soe voert (vaert?) metten stoote aldnre ende ridet
bi ooc wel ter cnre np eiken daer loet leghen
hevet, Praet 3253.
BIROEPEN , st. WW. onz. Met den dat. van eeo
wederk. ynw. Bif zich roepen. \\ Sdaeclis ginc si
thnus ende riep hare bi hare kindere, die si
leerde, ^. II», 28, 150.
BIS, voorz. Germanisme. Tot; hd. ^.VgL Grimm,
Wtb. 2, 42. II Bis aen die noene, Serv. I, 3126.
Bis ane den doemsdach, 3066. Bis aen den Rga,
II, 1060; enz.
BIS (bisse, bissen), znw. o.; als stofnaam.
Naam van eene kostbare stof, een soort van fijne
boomwol; lat. bguus, gr. fivaaog. II Dien gaf die
bisscop daer ter stede te spinne pnerper , bi^ ende
vlas , /^. I*, 37 , 6. Een bedde met goude gebort , met
puerpere ende met bissen gedect, I', 47,40. (Cor-
tinen) van bissen, wit alse die snee, Rijmi, 4859.
Een rike man was, die hem cleede met pnrpre
ende met bissen beede, 24455. Ghecleet met purpere
ende met bissen , Ruusb. 4 , 84. Bissen dat is wit
van vorwen, B. v. 1357, 46d.
Afl. — Bissijn, stoff. bnw. Van hoowupoL \\
Reepe . . . blssinende ooc purperyn,i2^'«s^. 18050.
Ene byssine cortine, 4791.
BISAETSE (bisache, bezaetse), znw. vr.
Van fr. besace, mlat. bissaccia (Dnc. 1 , 688).
Een dubbele sak, een reiszak. \\ Ene bisaetse datsi
vonden inden wech ten selven stonden als of soe
vul pennege ware, Franc. 3595. Meer dan drie
waerf hondert merke in ene bisaetse harde sterke^
Sp. IV*, 35, 11 (ook 27 en 71). Slota . . ane diei
1269
BISA.
BISD.
1270
malen ende aen dien bizachen, D. Orde 229. Van
alrehande malen cleen ende groit, bolghen, bi-
saitsen ens., Rek. d. Qraf. 2, 544 (ook 484). Zoo
ook OorL V. Albr, 240.
BISACKE , znw. m. Een losse zak , een vrouwenzak.
II Eenen gilyeren croes . . stack hi heymelijck in
haer sale ofte bysacke, Exc. Oron. 31b.
BISANT (besant), znw. m. Mhd. bisant-^ mnd.
bisant fr. besant. — 1) Eene byzanHfnscAe gouden
munty een goudstuk. Vgl. Duc. 1 , 1391. || Hi gaf den
ridder een broei taetwgn (/. taerwijn),ende vQf besante
van gonde fijn, Lanc. III, 17088. Eiken ridder
willic in soude geven vflf besante van gonde , Alez. V,
824. Zoo ook VI, 408; Troyen 9650; Wal. 11130;
Bijmb. 24029; D. Orde 281; Hein. I, 1152; Lanc.
III, 3045, 16494; Flor. 2626, 2700, 2732; 5/7.1',
14, 39; Salad. 38, 43; «mt. — Ook waren er
zilveren bisante (bysantii albi); zie Duc. t. a.p.
II (Hi) gbaf hem 30O fine bisante wit selverine,
Bijmb. 3195. — Ook komt b i s a n t voor , X. v. J. e.
202 (driemaal) , voor draekma , pond {ïvl onze ver-
taling talent). \\ Here, dyn besant hert ghewonnen
tin besante.
2) In de wapenkunde. || Een ronde gouden of
zilveren schijf in den vorm van een bisanty doch
zonder stempel ^ waarmede vooral zij hnn schild
versierden , die eene reis naar bet H. Land hadden
gemaakt. Zie Littré 1 , 332. || Die scilt van gonde,
ten (/. den) rant van sable, daerin menich besant
gesait al te rikelike, Grimb. II, 2389. — Ook als bnw.
komt besant voor, indenzin vangebisanteert
(z. ald.). II Die . . met enen swerde sloech boven
in den wervele in den cant wel half af den helm
bisant ende totten hoefde oec in geslegen, Yelth.
IV, 34, 51 {of moet men daar bicant lezen'f).
BI8CARDEN (biscaerden, biscerden), zw.
WW. onz. Met den dat. pers. Yan se er den, dat
(Praet 2483) scaerden geschreven wordt , en dat, van
seerde , d. L schrede ^ afgeleid , hetzelfde beteekent als
schrijden. Naar iemand toe stappen, \\ Dan merct
wel wie hi si, den meester coc, ende scart hem
bi; nemen bi den hare ende sconten int sop open-
bare, Vad. Mus. 2, 274, 320.
BI8CICKEN, zw. ww. Enen (3de nv.) enen
(4de nv.) — , iemand aan een ander toevoegen. || Twee
Iniden, . . die die rait daertoe schiet. Ende wes
daerof coemt , daer zeilen off hebben die twee laide
vanden raide, die den scntmeyster bijgeschict
warden, die een helfte, 22. v. Vtr. 1, 325, 4.
Mombaren, die hem bygescict sellen wesen van
den rade, 2, 251.
BISOOP. Zie Bisscop.
Aanh. — Merl. 32348: „Opten selven dach . .
snllen alle bgseope in rouwe verkeren", te lezen
bliscape.
BISCOOT (bescoet , biscot) , znw. o. Beschuit.
Van fr. biscuit , uit lat. biseoetum ; de vorm biscot
komt rechtstreeks van den lat. vorm. || Daer hi
mede cofte bescotte , in die ghaleyd te legghen ,
14 ducate, Sek. d. Or. S, 226; vgl. 180.
— Samenst. brootbiscot. || Soe coft her Marke
... in Bodis broetbiscotte , dat men in die galeyde
leide . ., ende cofte dat voerselde biscot te 14
ducate, ald. 3, 240.
BISDOM. Mnd. bisched6m\ ^. I*, 61, 6, e. e.
Zie BisscoPDOM.
BISDOMMER , znw. m. Bewoner van een bisdom^
stichtenaar. \\ Van der clesi ende der bisdommers
goede van Utrecht, V. d. Wall 226.
BISDOMMER, znw. m. Verbasterde vorm van
inlat, vicedominus ; fr. vidame ; hd. vizthum , vizdom ;
mhd. viztuom. Plaatsbekleeder , stadhouder. || Heer
Heinryc Notbast . . , die heere tot Wemberch was
ende bisdommer van Beieren, Brab. 7". VII, 8679.
Hertoghe Jap van Beieren . . heeft daer van sinen
weghen ghe^onden den bisdommer van Beieren,
9073 (bfl Dynterus: Vicedominus; in de fr. vcrt.
vicomte -de Bavière).
BISDOMStOEL, znw. m. Bisschoppelijke zetel ^
waardigheid van bisschop. \\ Daer na wert hi totten
bisdomstoel van Losanen geroepen , Exc. Cron. 22d.
BISCOLE , zzw. vr. Bijzondere school , bijschool. \\
Op die boeten van 32 se. , die z^n kint in eenighe by-
schole settede of dede gaen {tegenover de grote scole
van Leyden). Ende die meester, die die byschole
hilde . . , die sel verbueren van elck kint . . 18 se,
Leid. Keurb. 187, 84.
BISE , znw. vr. Van mfr. biche , bice , bisse (Burguy
40); fr. biche. Hinde. \\ Hi helt stille al se lyeberde
plegen alse die bisen hebben versiegen ende si
niet meer vinden moegen, daer si wreetheit an
moegen toegen, Lanc. II, 17260.
BISE, znw. m. Noordenwind ^ koude wind. Nog
heden in het Maastrichtsch bijs geheeten. Zie T. en
Lettb. 6, 227. || Daer men af lest in cantiken:
Stant op, bise, dats vli van mi tracheit, die mi
verkels {verkilt) in der minnen ende come, sute
went van dëlPlniddage , die auster geheiten es,
lAmb. Serm. 205c.
BISE (bize), bnw. Zwart of donkerbruin. Zie
Duc. op bisus (gallice nigrum sonat); Rayuouard
op bis {brun)\ Qachet Gloss. op bis (de sable);
Littré op bis {d'un gris brun). Over de afleiding
zie ald. 1, 349. || Van bize dat onder tsasuur
(/. tlasuur?) leghet, Invent. v. Brugge 2, 197;
3, 488 (bij eene opsomming van verschillende
kleurstoffen , als sinoper^ oker^ menie^ vermiljoen^ enz.).
BISEÖELEN, Warfseonst. 38, e. e. Hetzelfde
als besegelen (z. ald.).
BISEGEN. Hetzelfde als beseggen (z. ald.).
BISEN, zw. WW. onz. OM. pisön\ mhd. bisen ^
hd. bisen y biesen; ndd. bissen; nl. bissen ^ Hezen ^
bijzen; vgl. BIJSTER. — 1) Wild rondloopen , ^a.n vee
dat door vliegen of andere insecten gestoken is. ||
Als die olde coeijen bissen, so clappen hem die
dauwen. Hor. Belg. 9, 4. Wanneer het jonghe
gheitken b^set, soe siet men blieken synen aers,
Sal. en Mare. 5.
2) Op een dwaalspoor geraken, verbijsteren, den
verkeerden weg op gaan. \\ Lichtelike dat si bysen,
die hem van zonden niet afgrijsen , ende vallen in
des duvels strec, Denkm. 3, 203, 76.
3) Loopen^ rondloopen , zwerven ; lat circumvagari. ||
Veel te lopen ende te bisen in g^lsicheiden over
pas, tis twifel ofmens ye ghenas, Hild. 170, 60.
Hebdi gheen geit, men laet u bysen, maer hebdi
geit, men doet u ere ende wert ghereketft metten
wisen, Fad. Mus. 2, 167, 54. — Nog heden wordt
bisen te Yperen in den zin van loopen gebruikt
{Belg. Mus. 1, 400). Vgl. ook ommebisen.
BISENDEN, zw. ww. bedr. Met den dat. pers.
Toezenden. || So sal ons Christus senden by sine
gracie, Amand II, 167.
BI8ETTEN, zw. ww. bedr. Met den dat. der
zaak. Bij iets zetten. || Si nam die wieghe . . ende
settese haren bedde bi. Boerden III, 57.
BISEX , znw. m. Eig. bnw. ; van lat. bissextus
nl. annus. Schrikkeljaar. || Oec vanthi (Clo^Mr) den
bisex ende der manen ghetal, IX Best. 141.
BISIDEN (biside), bQw. Hetzelfde als besiden
(z. ald.). II Boven, bislden ende onder, Lsp. I, 11,
53. — Zie ook het volg. Art.
1271
BISI.
BISO.
1272
BISIDER, voorr. bis i de der. Ter zijde van. \\
Yan der batelgieringhe te brekene bisider zant-
poorte, Invent. v. Brugge^ Int. 445.
BISIENDE, bnw. Ygl. M,beinchtich\%ixg.buon
(Maller 1, 84). Niet ons bijziende^ maar de oogen
kalf sluitende , ten einde beter te zien , eene eigen-
aardigheid van byzienden, met half dichtgeknepen
oogen. \\ Jalouzie ende heer Ontzegh , biziende als
die qualic zach, thooft so Intsti alden dach, also
noch scelnwe lieden pleghen, OVl, lAed. e. Oed.
266, 976. Zie ook het volg. Art.
BLSIENICH, bnw. Met half dichtgeknepen oogen.
Ook als znw. gebruikt. || Hoe hy als een bysienich
nae den hemel siet, Bern. S. 163r.
BISIJN, st. onr. ww. onz. Mhd. bisin. Ygl. bi-
wesen. Met den dat. — 1) Iemand nabij zijn. \\
Die yiant, die . . . hem altoos es by, den gonen
die buten weghe sy , Amand II , 396. Oft hem
iemene ware bi, B^n. I, 2364. Alle die hem waren
bi, Lorr, II, 1054.
2) Bijblijven^ na aan het gemoed liggen, \\ Den
wiven si oec dese lere bi, Tien PI. 2193.
BIiSITTEN , st. w w. onz. Hetzelfde als b e s i 1 1 e n
(z. ald. 2). Terechtzitten \ ook 9\» znw. Terechtzitting.
II Ghi sult sitten op twalef stoelen ende oerdelen
die twalef gheslachten van Israhel. Ten anderen
.soe sal dat bisitten sgn, om die sententie te con-
lirmeren. Ten derden sal dit bij sitten syn ter quader
(gen. pi.) verdoemenisse, Past. W. S7d.
BISITTER, znw. m. Mnd. betitter\ hd.beisitzer.
Bijzitter; lat. assessor. \\ De droste, de schryver,
des drosten bijsitter ende de doere waerers, fitst.
V. Dr. 52.
BISLACH, znw. m. Mhd. tUlac\ mnd. bislach;
hd. beischlag.
1) Valsche munt, eig. eene na de echte geslagene
munt (zoo ook mhd. en hd.). || Oec behoert hem
te besien oft {het muntstuk) enich bislach ware,
al staet daer eens conincs beelt op , Ned. Proza 260.
2) AI wat buiten aan een gebouw toegevoegd
is , zooals de uitstallingen voor de winkels (Plant.) ,
de stoepen voor de huizen (Kil. , hd. en mnd.) , luifels ,
enz. Welke van deze beteekenissen bedoeld is,
Spreuken 63: „Hy heft de byslaeghen ghetelt"
is moeiiyk uit te maken.
BISONDER, bnw. Mhd. besunder. Afzonder Ujk. ||
Elck in een bisonder lant, MLoep I, 1689.
BISLAEPSTER, znw. vr. Bijzit; vertaling van
lat. concubina] vgl. mnd. bislaferinne ; mnd. bi-
slepersche. \\ Rapha des conincs Sauls bijslaepster,
Bienb. 156^.
BISONDER (bisondere, bisonderen), bijw.
Mhd. mnd. besunder, besunder{e)n; hd. besonders,
Ygl. BESONDER.
1) In het bijzonder, inzonderheid, vooral. || Bi-
zonder aachic een rozier dat men met rechte wel
prisen mach, OVl, Lied. e, Oed. 404, 35. Dat zy
hem generen mit bouwery, visschen , vogelen ende
bysondere (mit) dycken, Inform. 123 (vgl. 195).
2) Afzonderlijk. || (Si) worden in vasten banden
ende boeyen geleyt in des graven steen elck bi-
sonder, Exc. Cron. 232^?. Die viere ghecreghen
des dodes slach elc bisonder op enen dach , MLoep
I, 1451. Hoerre gheen en mochter in van allen
desen drien den sin elck bysonderen exponeren,
Hild. 43, 101. — In denzelfden zin van bi-
sonder, ald. 157, 125.
Aanh. — Bisonder {besonder) wordt meermalen
gebruikt als rijmwoord zonder beteekenis , zoo b.v.
Troyen f.^\d: „ Die scoen vrouwe had syns wonder ,
al had syt gheweten bysonder , cume dorst sy die
oghen op slaen {Deidamia , na door AchHles onteerd
te zif'n)," Zoo vindt men ook besondert om als
rijmwoord te dienen op hondert.
BI80NDERLIN6E (bisonderlingen , bisln-
derlinoe; ook bisonderling), bijw. Mnd. èe-
sunderlinge; vgl. mhd. besunderUche en besonder-
LINGE. — 1) Afzonderlijk, een voor een. \\ Alle
dese punten voerscr. ende elliz bisonderlinge hebbes
wg geloeft, Nijh. 3, 46. Bisunderlinge op eiken
dach of op elke ty t , G. Groote 57. Die denie dede
afslaen eiken teen bisonderlinghen , ^i. 11678 r«r.
Doe grees hem allen voer die moert ende vrachden
elc bisonderling of hem die boesheit overghing,
O. H. Pass. 11, 168. Een yeghelic is een lit
bisunderlinghe ende yeghelics glorie dat is d^
anders glorie, Gerl. Peters 221. Dat oneer alre is ,
dat is eens yegheliken bisunderlinghe , 223. Elker-
lick bysonderlinghe, Fri Stadsr. 97, 111.
2) In het bijzonder, vooral, \\ Alle die philosophen
. . ende bisonderlinghe Seneca, Bienb. 496. Want
dese stede bisunderlinghe goede discipline gheholden
heeft, 19^. Die ghene, die bgsonderlinghe daer
na arbeiden, dat enz., 50^.
3) Bijzonder, buitengewoon. || Die eerweerdighe
man Mauricius is een bisonderlinghe verciert man,
Bienb. 3a. — Ook als bnw., doch eerst in de
latere middeleeuwen. || Twee bisonderlinghe bomen
nutghenomeu, Boeck v. d. L. Jhesu 9a.
BISPEL (bispil), znw. o. Mhd. hispél-, mnd.
bispel; ags. bigspeU; hd. beispiel, ^l, dat niets
met het andere woord spel (lat. ludus) te maken
heeft, bet. verhaal , gesprek , en is van den stam van
spellen, got. spillon. Zie verder Grimm, Wtb. 1,
1394 ; Eluge 23 , op b e i s p i el , en vgl. de woorden
BISPROKE en BIWOORT.
1) Toepassel^'k verhaal, zoowel van eenegebeor-
tenis , die werkelgk heeft plaats gehad , nXa van eene
verzonnen geschiedenis , ten einde eene les , die men
wil prediken, door een concreet geval daidelgker te
maken. — a) Yan een werkelgk plaats gehad hebbend
feit. Toepasselijke geschiedenis. || Hoort, ie sal u doen
bekint een herde scoon bispel, dat eens daer ave
ghevel, Lsp. II, 60, 116 {Daarop volgt: ^enhïs^
van O Intemerata, Cap. 61). Daer omme ist al
belanc aen des menschen uutganc . . . dat sal n
toghen openbaer dat bispel dat volghet hier naer,
III, 3, 587. Oec seide hi hem naer een bispel,
dat Saladyns vader gevel, Yelth. 1 , 53 , 13. Dicken
naturet . . nader sterren loop dat kint, ende dies
hort hier een bispel, wat up ene stont ghevel,
Heim, 1597 (vgl. 1644). — Ook geschiedenis,
verhaal in het alg. || Daer sach hi staen lieden
vele , die grote priselike bispele smekende spraken
vanden man , ^. I', 67 , 29. — b) Yan een niet werke-
lijke gebeurtenis. — a) Toepasselijk verhaal, toepasse-
lijke vertelling, eene vertelling met eene xedeUjke
strekking. \\ Elc lantsheere mach nemen wel exempel
an dit bispel, Denkm. 3, 212, 237. An dit bispel
mach men sien alse een doet bederve qnaet, sie
dat hijs te tide avestaet , J?^^. Mus. 10, 75, 218. Ëlc
mensche mach proeven wel ende merken aen dit
bispel, dat nieman om eneghe sake Gode en sal
bidden om wrake, Wrake III, 275. Dit bispel
heeft ons Willem ghepast van Hildegaersberck
ende wilt beduden tenen exempel sulken Inden enz^
Hild. 30 , 298. Dit bispel heeft ons Willem ghemaect,
dat elc man sel verduldich sgn, 186,321. Zoo ook
64, 258; 114, 54; 119, 202; 121, 162; 170, 94.
— ^ Fabel (waaraan in den regel eene moralisatie
is toegevoegd). || Ooc sijn . . bispele dicgheTonden . .,
die nie en waren noch en gheschi^en, mer om
\5in
BISP.
BISP.
1274
exempel allen lieden te gheven, JUin. Il, 7771.
Ten ghenen spreect dit bispel , die vele mach ende
dan es fel , Ssop. XYI , 19. Scone sprake ende scone
woert wort dicke te scerne gheareven, dit leert
ons dbispel yander teven , IX , 18. Dat Maria . . in
kemelrike es met ziele ende met lachamen ende
dit moetmen geloven vel sonder eenecb valsch
bispel, Sp, Vy 52, 10. — f) Gelijkenis ^ parabel
(waardoor eene zedelei worat gepredikt). || Een
bispel vanden verloren sone, Rijmb. C 56. Onse
Here seidem bispele van enen man , die zien coren ,
23352. Hierna seidi {Christitt) hem bispele , die mi
te lanc ende te vele tombindene sonde sijn, 23411.
Here ontbint uus (d.i, ons) dbispel , dat ghi seid saen,
23706 (vgl. 24017). (Een) bispel . . vanden riken
vrecken ries, Sp. V, 15, 26.
2) Zedeleê, moralisatie, \\ Lettel hortmen na gode
bispele, Torec 2490. Architan spreect in sijn bispel,
dat enghene dinc so fel van naturen esghegheven
den mensche alse weeldich leven, Sp. I', 42, 57.
Oec sprac hi somech wort oec wel alse die spreect
in dit bispel: wie so die w^shede begaren, moeten
weelde laten varen, I^, 31, 29. Om te cortenedie
woert en segghic op elc (dier)gheen bispel , Nat. BL
IV, 14 (vgl. III, 3660). Hier mach men horen
dese drie eiken secghen een bispel, Praet 664.
(vgl. 669). Bispele ende ezemple goet, Lsp. III , 7,33.
(Seneca) daer die bloemen entie bispele nte sgn
ghelesen, Sp» I*, 32, 20. Siet hier een reene
bispel, dat lantsheren betamet wel, I*, 42, 39.
— Ook in den zin van leering -, al wat iemand tot
leering zegt of sehrij/t \ dus ook — a) Leerboek, ||
Plinins sprect in sinen bispele , dat hi ghenonchlic
es ter spise, Nat. BI. V, 296. — b)Zedepreek.\\
Dit ende des ghelike vele seide Josephus in sinen
bispele ten sinen, Rijmb. 29355 (vgl. 29235: hi
begonste tfolc c a s t i e n). Hi bekeerde heidine vele
ende Joden met menegen bispele, Sp. I", 14, 28.
3) Spreekwoord^ zedespreuk ^ spreekwoordelijke zegs-
wijze. II Dat bispeel seghet wel : . . snlc waent wreken
sine scande ende slaet hem selven njrtten lande, Trogen
f, 20e. Men seit in een bispel {Rein. 1 , 181 : hets een
out bispel) : viants mont seit selden wel , Maleg. 366.
Dat qnaet te wachten es dat dier, dat te wonde wart
lopen wille, dat seit die dorper in sinen bispille.
Flor. 2143. Men seget dicke in bispele : dat vligende
craie bejaget iet, Lanc. III, 1104. Men seghet . .
overal . . een bispel , dat mi dnnct waer : oetmoet brect
alle strgt , Vrouw. e. if. 1 , 381. Hierom seit men in
bispele: coemt in Esebon, D. B. Num. 21, 27.
Tbyspel : is Saul onder den propheten , Bijbel (Hs.) u.
1360, aang. bij Clignett, Bsop. bl. 107. Zoo ook
Nat. Bl. XII, 890; JD. B, Habak, 2, 6.
4) Voorbeeld \ hd. beispiel. Omgekeerd komt
exempel meermalen voor in den zin yah verhaal.
Ook komen bispel en exempel verbonden voor,
b. V. Lsp, III, 7, 33. II Aldus doen si tfolc
verdoren , dien si souden leven voren ende bewisen
goet bispel, K, Cl. 43. Dat ie hier af secge dus
vele, en es waer als tenen bispele, Yelth. Y, 24,
63. Mochtic dit nog te bispele vertellen, dat
priisdic sere, Idmb. I, 2210 (vgl. 858 , waar staat :
j^te bi sele al vertreden'^] men leze óf te bispele
sal 9., 6f met de var. moet te spele al p. ; vgl.
Stoke II, 944; Limb. I, 2198). Neemt meer bispel
aen de papen dan aan riddre ochte aen knapen,
Christ, 1341 (vgl. 1941). Du sulste verloren wesen
ende in spotte ende in bispele {tot een afschrikkend
voorbeeld'^ in onze vertaling : tot een spreekwoord
alle den volke), D. B, ^»</. 28 , 37. Derre materie
es noch vele , dies cortict u metten bispele {daarom
laat ik het bij dit ééne voorbeeld)^ Torec 2598.
Een swaer bispel gaf soe den man , die den zeghe
al ginder wan, dat dit werelike gheval so onghe-
stade es over al, i§d. I*, 55, 55. (Gi sult) der
werelt togen wel een vreselgc swaer bispel, I*,
16, 42. Siere quaetheit was so vele, men const
getellen in bispele {zij was spreekwoordelijk ^ kon tot
een spreekwoord worden)^ I*, 100, 27.
BISPISEN, zw. WW. bedr. Enen iet ^^ iemand
iets bijzetten, hem van iets voorzien, Vgl. spisen
en mhd. spisen, d. i. mit etwas versehen, \\ God, die
ons node laet verloren, heeft ons die bode bighe-
spiset, (»/.J conciencie , die ons bewiset die weghe ,
daermen in mesdoet, OVl. Ged. 3, 134, 290
(vgl. VS. 286).
BISPBAKE, znw. vr. Mnd. bisprake. Hetzelfde
als het meer gewone bispel (z. ald.). Zie ook het
volg. art. en vgl. den titel van een van Roemer
Visscher^s werken: Bijspraax Almanak,
1) Gelijkenis, parabel. || In dien tiden seide
Jhesus tote sinen jongers dese bisprake: dat
hemelsce rike es ghelgc enen coninc ende wilde
rekeninghe hebben van sinen cnapen, Ft. p. 1348,
199^.
2) Spreekwoord. || Dife ghemene bijsprake: hoe
dat hoeft hogher is, soe die hals boechsamer is,
Bienö. 122d. — Zie een voorbeeld van een onz.
znw. bispraec, bij Oudem. 1, 708. — Vgl.
BI SPROKE.
BISPROKE, znw. vr. (en o.?). Mhd. bUpruch
(m.); mnd. btsproke (m.) Hetzelfde als bispel en
biwoort (z. ald.). Gelijkenis, parabel. \\ Darombe
sprac God selve ene bisproke in der ewangelie:
dat een vader hadde twee sone, Limb. Serm. 1516.
2) Spreuk, spreekwoord. || Men lesetin denbisproken
{in de Spreuken van Salomo): daer is heil, daer
vele raeds is, D. Orde 279. Daerom hadde hi dit
bisproke altoes in sinen mont ende in syn herte:
wie doet dat niemant en doet , dies verwondert alle
menschen , Ned. Proza 275.
BISSCOP (BISCOP, biscob; Oorkb, 2, 4433);
mv. biseope {Lsp. II, 45, 8), gew. bisscoppe. Van
lat. -gr. episcopus; it. vescovo; fr. évéque; enz.
1) In de gewone beteekenis, als naam der be-
kende geestelijke waardigheid. — Ook in de uitdruk-
king bisscop sitten, den bisseoppelijken zetel
bekleeden, bisschop zijn. \\ Een bisscop van levene
goet . . . sente Jacob, bisscop sat in Persen te
Nisebis, Sp, II*, 44, 1. Enursis, die in die stat
Torliens heilech bisscop sat, 45, 3. (Als) Theophilus
. . . bisscop te Alexandrien sat, II*, 29, 44. Zoo
ook II», e, e. — Ook in den zin van {heidensch)
priester. \\ Agrippus van Macribia was bleven, al
seynde men daerna; mer hy seynden opdieviande
den bisscop (Virg. Aen. VII, 760: sacerdos Umbro)
van synen lande, Umbro, een stout man ende een
goet, Trogen f. 261 d. — Ook van wereldlijke of
niet-geestelgke ambten werd bisschop gebruikt.
2) Onderwijzer, opziener over eene school, || Den
scoelren van Zirixee, die voer mgn here quamen
singhen met horen bisscop. Rek. d. Gr. 3, 370.
Zoo ook 101 en 383. Vgl. bij eselpaus.
BISSCOPDOM (BisscoPDOEH , samengetr. bis-
dom, Sp. I*, 21, 6; nl. bisdom-, hd. dix/tiin ; reeds
mhd. bischtuom; mnd. bischedöm; ohd. piseo/tuom
en piscetuom , znw. o. (mnd. m. en o.).
1) Bisschoppelijke waardigheid. || Van Aarons
bisscopdoeme, Rijmb. 5821. Zoo ook 5840, 18375,
18729, 19898, 19943, 20683, 27462. Van den
biscopdome van Sinte Peters van Meilanen , Lanfr,
49r. Bisscopdomme , . . vercoepen si om ghelt|
1275
BTSS.
6TST.
1276
Wrale IIT, 1003. Dat nieman en mochte winnen
bisücopdomme noch prelatie, 1015. Dese biüsoop
was gedaen van prieNterHcape eer hi ODtfaen heeft
dbisHcopdoem , ^. II«, 11, 27 (vgl. II», 8, 31;
I*, 21, 16). Syn bi8€opdoem ontfange een ander
H». N. T. 3r (Hand. 1 , 20). De bisHcop haddene . .
up (d. i. op verlies van) Mijn bixHCOpdom untfaen ,
Franc. 9304. Zoo ook DUp. 346.
2) Bitdom ^ het gebied van den bittchop. \\ Dat 8i
hare hertochdoeme gaven . . . ende maecter bisscop-
doeme af, Stoke 1 , 821. Want het nn tselve bisscop-
dom es, dat men van Ludike heet, Amand II,
1049 (vgl. 1046). Dat erdwch bisncopdoem van
Bremen, Sp. III», 93, 16.
BISSCOPLUC, bnw. BUtchoppelijk.\\ Van siere
bisscopleker stat, Sp. II», 8, 6. In denzelfden zin
bisscopstede, bu»choptze(ei\ waardigheid van
bisschop, Sp. III», 31, 38.
BIS8C0PSTEDE. Zie het vorig Art
BIS8E, BISSEN. Zie bis.
BISSEN, zw. WW. bedr. Hetzelfde aln bisen
(z. ald.). It Als die olde coeyen biüsen, soclappen
hem die claawen. Hor. Belg. 9, 4.
BISSIJN , stoff. bnw. Van b i s s e gemaakt Zie Bis.
BISTAEN, st. onr. ww? onz. (m. d. 3den nv.).
Mnd. bisldn. — 1) Eigenlgk slaan bij. \\ Si sellen
bi den rechter staen ende dat bistaen sel eerst
sijn ter heyligher eeren. Pass. W. %ld. Des zoons
stoele (dat.) staet bi sijnre moeder stoel (nom.),
i^. 1 , 3 , 29. — 2) Figuurlijk. Helpen , bijstaan. \\
Mag^c hem eneghen raet gheven of met daden
bistaen, Umb. YII, 528. Zoo ook ^^nanó. 1 , 3035 ;
II, 1706; Wal. 10595; Lorr. II, 2412.
BISTAENRE (bistander), znw. m. Mhd. bi-
stender ; hd. beistander. — 1) Omstander, foeschowcer.
II Inder bistaenre aenscouwen bistu myn hulper
gbeworden , D, B. Jes. Syr. 51 , 3. Al dit . . .
totten bistanderen gheseit, Boeck v. d. L. J. 31 b.
2) Helper, hij die bijstaat. || Des rades hulpers ende
by standers, Stadb. v. Gron. IV, 3. Sonder twgfel
ick sou de a een behulpelic bistander wesen in
allen saken, daert van node is, JSj-c. Cron. 224^.
BISTAL (bestal), znw. m. Hetzelfde als bistant.
Vgl. dial. bestal, voor messtal, d. i. misstand-, op-
stal en opstand] achterstal en achterstand, enz.
Mhd. bistal, mnd. bistel, beeft eene andere beteekenis.
Bijstand, hulp. \\ Doe her Witte bistal van hem
vernam, dede hi siin bannier binnen Haerlem ont-
winden, Cl^c 157. Soe staet hier Dirick Pietersz.
ende ick in zynen woerden , ende gheert een vonnis ,
alsoe hy dat recht alhier begonnen heeft, of hy
dat wel voert vorderen mach , mit bystal van zynen
maghen, JHngt. v. Delft 38 {tweemaal); vgl. 42.
Vooral de uitdrukking: met bistal vanden magen
komt veel voor , b.v. Dingt. v. Delft 35 {tweemaal),
38 {tweemaal), 42 {tweemaal), e. e.
BISTANDICH (bistantich, bistendich, bi-
stentich), bnw. Mhd. bistendec; mnd. bistandich,
bistendich', hd. beistandig. \\ Bijstand verleenende,
behulpzaam. \\ Alle de gone, die hem dairin ge-
bulpich ende bistandich zgn met rade of met dade.
Wiel. Instr. 145, 472. Dat sij hem gehulpich
ende bistandich 8\jn, Bel. v. L. 250. Bistandich
siin ofte enyghe hulpe doen , 279 (vgl. 280). Dat
ghi . . eiken van hen . . bistendich, gehulpich,
geradich ende bereet sijt, Brab. Y. dl. 2, bl. 723.
Alle minlike wandelinge ende bistentige yrienscap,
bl. 707. Zoo ook V. d. Wall 386; Njh. 3, 349;
Clerc 58; Brab. Y. VII, 8346, 10233.
BISTANDICHEIT (bistanticheit, bistendic-
HEIT , -HEDE) , znw. vr. Mnd. bistandich eit. Bijstand,
hulp. Il Hulpe, secours ende bystandigbede, Diericx
MéM. 2, 107 (vgl. 558). Door die bistaadicheyt
ende hulpe Gods werden si al meer vromer,
Ejtc. Cron. 103^. Dat hi bistendicheit doen soide
sinen zwager, Brab. Y. VII, 1052 (vgl. 14707).
Vriende ende maghe, omme van hemlieden te
hebbene raet ende bystanticheyt , Cron, v. VUend,
1, 54. Zoo ook Fl. Rijmk. 4912; Inform. 3; En^.
238; Brab. Y. dl. 2, bl. 707; Cout. v. Brugge 2,
99; Invent. v. Brugge 3, 502, 515; 4, 333; em.
BISTENDICH, BISTENTICH. Zie op bistan-
dich.
BIT. Zie bet (1ste Art.). Zoo nog Limb. Serm.
150b: „Nit bit gedwange, mar bit gudeo wille.''
Vgl. Diut. 2, 217: bit kinde, gravidai 222: bit
ener hant, mancus.
BIT. Hetzelfde als bijt, FrLStad4r.229.2XtBiiT.
BITALE, znw. vr. Mnd. bitale (vgl. bisprake).
Beschuldiging. \\ Weert dat enich onser burgher
worde to heymale gheladen van bloetwonden of
van enigherhande bitale, Stadsr. v. Zwolle 152.
— Ook in den zin van lasterlijke aantijging. \\
Dat hem dese zaken alinge ende al over versiert
is van haet ende van nyde van den ghenen die
hem niet lief en hebben , om hem mede te bedervea,
dattet bitael ende aenworp is, O. R. v. Dordr, 1,
359. — Vgl. voor de vorming b i t u u c h , d.i. valsehe
getuigenis , en b i t i c h t , d. i. valsehe beschuldiffin^.
BITEKEN (biteiken), znw. o. Mhd. bizeiehen;
mnd. biteken; hd. beizeichen.
1) Teeken, kenteeken, kenmerk, onderseheidingt-
teeken; lat. nota. \\ Aen de mereken kentmen de
balen , aent byteecken alle dinghen , Spreuken 106.
Allen die vorsz. koren als van der heren cleder
te draghen . ., die zullen staen op clederen,
rocken, scoepen, mouwen, caproenen, wambajsen
ende op allen anderen biteykenen, daer argbelist
in schulen mach, V. d. Wall 198; O. Jl. r.
Dordr. 55, 193. Scildekiue van witten ysere . .
die enighe van der stede werclieden tenen biteekene
droughen, Invent. v. Brugge 4, 219; vgl. 301.
Elke camere van den voors. engienen met eeaen
byteekene gheteekent, 5, 527. Met seekeren bi-
teekene, omme daer mede te teekenen alle saye
{stoffen van saai), aangeh. Gloss. ald, 598é. Een
marck of byteeken te branden , aangeh. ald, — Ook
in de wapenkunde. Toevoegsel aan een wapen tot
onderscheiding. \\ Hi was een diere baroene, die.,
ten stride voerde een biteeken op die wapene van
Gaesbeke, Heelu 8082. (Si) waren gewapent . .
metten selven wapene sonder dat si droegen by-
teekine, Grimb. II, 2734 var.
2) Sh/mboliek; prophetie in symboli*eAe termen,
in zinnebeelden. || Die derde prophesie van Daniele
ende Merlyns biteken, Velth. Vil, C^p. 9, Opschr.
Omdat mense geliken mach tsamen {Daniel en
Merlijn), hetic dese andere bi tonamen Meerijns
biteken in die word, VII, 10, 55.
BITEN, st. WW. bedr. In alle germ. talen over.
Sk. bhid; lat. findere. Vgl. Grimm, Wtb, 1,1399;
Kluge 23. 3de pers. sing. pr. ind. bit, 6m^ met ver-
korte vocaal , Bincl. 1331 ; Umb. III , 1305 ; Bein, I ,
3431; Nat. Bl. IV, 101; Hs. Yp. Ie (Een wattr
dat alle quade gate mach genesen ende al quact
vleesch af eet of bit). Zoo ook wit van witen,
Limb. VI, 1252; smit van smiten, Doet. 11,3451;
vgl. T. en Lettb. 5, 38.
1) Snijden, klooven. || Sy hadden sweerden die
seere beten, Grimb. II, 4399 var. Al was hi
here van den Siten, Amictas sweert mochten wel
biten, Jlex. V, 474. Hi . . soude . . doen di«
4277
BifË.
BITI.
-1278
grieze swaerde biten up dat wreede volc van Siten,
VIII , 868. I>at onse sweert goal biten ontwee , II,
939. Vgl. BETE. — Ook figuuriyk. Kwetsen , wonden^
grieven. || Ie bijtse gaern van after, al ist dat ie
scoen gelaet toge van voren , Pelgrim 60df. Altoes . .
sal hen int herte binnen biten, . . dat si {d^
Sarracenen) besitten dat heylighe lant, dat wilen
stoet in onser hant, Teett, 1070. Als hem dit int
herte beet, Franc, 6053. — Hiertoe behoort ook
het deelw. bitende, als bnw. gebruikt in de bet.
itrijdbaar. \\ Want si up hem slogen dan, 22000
bitender man, Bijmb. 8389.
2) Met de tanden klooven\ onze bet. || Die onser
irster moder dede den appel biten ende eten ,
Lanc, III , 4663 enz, — Hiertoe behoort het deelw. b i-
ten de, in de bet. verteheurend. \\ Der bitender
dieren, Rijmb. 1141. In die dorde eamer waren
die by tende dieren , in die vierde die softe dieren ,
ende twisschen die bitende dieren ende die softe,
daer was een doerganc, B, v. 1357, 5a. Zoo ook
Sp, I*, 45, 6; IV», 18, 9. — Ook in verschil-
lende thans ongebruikelijke uitdr. — Sine tande
te gader (samen) biten, zich op de tanden
bijten^ tandeknarten ^ als uiting van toom, van
groeten angst of buitengewone droefheid. || Si
beten anxtelic hoir tanden te samen, Devoet B.
(30) 126p. Doe wert Alexander toomich ende beet
sjn tanden van toorn, B, v. 1357, 230^^. Hi sleet
sijn haer, hi wranc sijn bande, hi beet te gadere
sine tande, TAeoph. 1271. Doe hi hem gewondet
verstoet, beet hi sine tonde, Merl. 23518. —
£nen breidel biten, op een breidel ienauwen^
figuurlijk doen wat men niet laten kan^ zijn
gang gaan (?). Vgl. „an desen breidel euwen",
Overz. 237. || Dus soe ganc dijnen wech, laet den
karel staen clappen ende b^ten sinen breidel ende
leenen op zijnen stock , Pelgrim 34r. — Ane slants
cant biten, het land afbreuk trachten te doen^
Brab, Y, V , 2079.
3) Hetzelfde als mnl. on t bit en (z. ald.). Zijne
tanden in iett zetten , eene beet van iets nemen , er van
proeven. \\ Dat hi . . vleisch, eijere, kese, visch,
wines niet en bite, D. Orde 248. Dat hi ne beet
no ats (/. aets) no drancs, L. o. H. 984. Hoe ghi
wondt, wat helpt groet gescal, ghine bites, dat
ghiere doot om bleeft, Bmcl. 719 (de zin is:
indien gij uwe tanden in de vrucht zet , zult gij sterven).
BITEN, zw. WW. bedr. Van byt (z. ald.). Bene
bijt in het ijs maken , (het jys) openhakken. \\ Soe
wie gheen byt en heeft, dair hijt sculdich is te
hebben gheby t , . . . verbuerde 12 se. , Leid, Keurk,
7 , 24. Tjrs te doen bitene , Invent. v. Brugge 3 , 23.
Van eene boote omme thys mede te bitene in de
veste, 5, 172. Dat men . . . alle daghe die veste
moeste byten, Exe, Oron., aangeh. Gloss. ald.4bb.
Van 3 kerf bilen , mede te biten , Bek, d,Or.l, 421.
BITICHT, zow. vr. Mhd. beziht. Beschuldiging. \\
Des en salmen niemant coriengeren om eenige
biticht, dan alst claerlic bevonden wordt dat hi
misdede
ende dese kuere is te verstaen, dat
men niement coriengeren en sal van woorden , noch
van eenich anderhande bitichten, dan alst claerlic
bevonden wordt. O. K, v. Bordr, 16, 22. Vanalre
biticht sonder van den voorsz. punten, 15, 17. Alle
verwynbrieve van bytichten , Ngh. 4, 465. — Ook, als
bitale, in den zin van valsehe beschuldiging, || Dat
hy dies allinge ende al ontschuldich waer ende dattet
niet dan biticht en ware, O, R. v, Bordr, 2, 301.
BITIDE, byw. Biftijds, vroegtijdig. \\ Den ander
(Uecbs wel bitide, wort de porte berde blide,
Stoke VI, 559.
BITIN6E , znw. vr. Mnd. bitinge. Snijding , kramp.
II Int ghedarmte . . . hadde hi bitinge harde swaer ,
B^mb, 21689. Twater, bloetsocht of biünge van
herten, M, e. Vr, Heim. 1128.
BITRECEËN , zw. ww. onz. Met den dat. pers.
Naderen^ op iemand aandringen. \\ Taerm gemeente ,
dat gemeenlic loopt na den prince , ende hem luyden
bytrecken ende drommen, omme hem te siene,
Matth. Anal. 1, 293.
* BITSWART. Bedorven lezing, Nat. BI, IX,
55. Zie de aant. ald. Kan er ook moeten staan
bisswarty dat eene tautologie zou zyn (zie bise),
en zwartbruin zou kunnen beteekenen ? De zin zou dan
vry wel met dien van vs. 57 overeenstemmen.
BITTER (better), bnw. Mhd. mnd, ^V^<?r;md.
bitzer. Voor de vormen in de overige germ. talen
zie Grimm, fVtb. 2, 53. Comp. bitter(r)e.
1) Bitter, EigenUjk , als tegenwoordig. || Menech
evel gheneest men wel met betteren dranke , Alex.
VI, 960. Bittere dan hout, Lanc, III, 3072.
2) Bitter^ figuurHjk. Verbitterd^ woedend. Vgl.
BITTERLIKE. || Sere bitter was die wych, Fhvent 78.
Vele bitter was diestrijt, ^«/. 10598. Van bitteren
{d, i. bitterren) stride hoordi nie callen , Belg. Mus.
8 , 257 , 84. So overbitter was die stry t, 109 ; vgl.
90: die stryt verbitterde, en vs. 102.
3) Bitter^ treurig. || So quam mare, de bitter
was, Stoke X, 369. Dit was bitter aen te siene,
• Belg, Mus, 8 , 257 , 105.
4) Puntig^ scherp (?). || Dits rechte biechte ende
die moet staen met acht poenten, sal si syn claer :
bitter , scamel , ghehel (/. gheheel) ende waer ens, ,
N, Doet, 2016 en var.
— Afl. bitteren, bitter maken. Nat. BI. y,9S^.
BITTEREN, bitter maken. Zie het vorig Art.
BIÏTERHEIT (betterheit), -hede, znw. vr.
Mnd. bitterheil] mhd. hd. bitterkeit. Bitterheid, ook
overdrachteiyk. || Dus es bitterheit int herte dyn,
alse grote alse soetheit sonde syn, iiain;. 111,3077.
BITTERLIJC (betterluc), -like, -lic, bnw.
Mhd. bitterlich.
1) Bitter, treurig, naar, || Die bitterlike doet,
Segh, 171; L, o. H. 1989. Ghi moget mi hangen of
radebraken ende bitterlike doet doen smaken, i>ry.
2849. Ene bitterlike plaghe, Tïen PI. 890. Van
groten bitterliken rouwe, Limb. IV, 1726. Met
enen betterliken rouwe, Velth. I, 24, 29 vlg. In
soe groter bitterliker scanden, Ruusb. 3, 9.
2) Verbitterd, verwoed. \\ Enen bitterliken stryt,
Stoke IV, 402. Zoo ook Troyen 1326. Een die
bitteriycste stryt, Mex. II, 114.
BITTERLIKE (betterlike), -leke, -liken,
-LUC, -LIC, byw. Mhd. bitterhche; mnd. bitter-
liken.
1) Op eene treurige, afschuwelijke wijze. || Hi
sal doen gereiden een instrument . . , daer mede
sal die maget te waren bitterlike ontlivet wesen,
^. II*, 4, 101.
2) Verbitterd, verwoed, woedend. \\ Daer alte
bitterlic gestreden was , Exc, Cron, 169 a. Zoo ook
Stoke I, 1232. (Hi) trac syn sweert als een man,
die wychs gheert ende voer in vele bitterlike,
Parth. 5251. Hi sprac ten ridder bitterleke, tVal.
9762. Den swarten ghinc hi asselgieren bitterlike
in suiker manieren, oft hine in die aerde sonde
maetsen, 9901. Zoo ook Belg, Mus. 8, 257, 79;
95; e. e.
3) Scherp, hid, hetzelfde als tangerlike
(z. ald.). II So riep hi lude ende bitterlike: die
mi minnen getrouwelike, die volgen mi na ter
vard ! Velth. I V , 29 , 5.
im
BITU.
BLAD.
4280
BITUME , EDW. o. Bitumen^ oardAars, ook joden-
lijm , hd. judenpech genoemd , wgl de stof vooral
in Palaestina wordt gevonden. (1 Baer droeghen
si hout toe sciere, bitume ende sulfur ooc mede,
mjmh. 33322.
BITUUCH, znw. o. VaUche getuigenii. Vgl.
BiTALE en BiTiCHT. Bi heeft in deze samenstel-
lingen de beteekenis van Gr. tnl. \\ Van allen
woirden cissinge , van bitnige of anders die doen
ter tgt gingen, V. d. Wall 694.
* BIVALETS, bedorven lezing, Wrake III,
554. Zie binalecs.
BIVALLEN , st. ww. onz. M. d. dat. (3de p. impf.
livel). Mbd. Invallen; hd. beif allen. — 1) Zich voegen
bij ^ ziek vereenigen met. || Bat him tgemeen volc
bivel,dien starcten, Clerc 120 (vgl. 157: tgemeen
volc . . vielen bi hem mit alle hoire machte). 8o
nam hi tAntwerpen aen die heylige crnysvaert,
daer veel jonghe ridders . . hem byvielen, Exc.
Cron. 97 d. Dat hi den ghonen dan met machte
bivallen sonde int openbare ende den anderen
contrare, Brab, Y. VI, 8278.
2) Ergens op aanvallen. || So wanen vogle dan
ter stonde, dat ene croonghe si, ende vallen hem
80 bi, Nae. BI. II, 3924.
BIVANC , znw. m. Mhd. bivanc ; mnd. bivank. Nog
heden bestaat de familienaam Bijvanck. Eigenlijk.
Een door voren of eene omheining {Hor. Belg. 7,
19: teptum) afgepaald ttuk land (zie Lubben
1, 347 en Brinckmeijer, Gloss. Dipl. l,367vlgg.,
en vgl. BEVANC). By uitbreiding
1) Iemand* erf ^ het gebied waarbinnen hij den
huiivrede geniet^ zijn rechtsgebied. || Maect een
man eenen borre binnen sinen bivangen (/. bi-
vange) of binnen zynen hove, JB. v. Vccle 22,
125. Waert dat een man van eeren vonde eenen
snooden menssche . . . besich mit zynen wive in
zyn hans, in zgn camere of eldere binnen zijnen
bivange. Wiel. ïnstr. 142, 457. Dat engheneghe-
ordende lieden ... en mogen . . . buten horen bi-
vange , daer si nu in woinen , voert meer gecrighen,
Brab. F., dl. 1, bl. 731. Meer erfs buten horen
bivanghe, daer si nu wonen binnen der vriheit van
Lovene , ald. Binnen den byvanghe van Vorsselair,
Ge»ch, r. Antw. 1, 470.
2) Het gebied van eene ttad^ de Mtadsvrijheid\
hd. bezirk. \\ Dat oude gheschil tusschen die van
Antwerpen ende van Loven om die van Liereende
van Santhoven met haren bivangen (/. bivange) ,
Exc. Cron, 169fl. Ghescille . . tusschen van Lovene
der stat ende dien van Antwerpen, . . om der
gheender wille van Liere met haren bivanghe,
Brab. Y. VII, 8605. (Dat) met haren bivanghe
die van Liere op die palen souden bliven . . .
ligghende in der stat van Breda, 8630.
BIVOET, znw. m. Ohd. pipöz , mhd. biböz; mnd.
bifot, bibot; nl. bijvoet] hd. beifttsz (in diaX.bibot^
Lubben 1, 347). Naam eener plant, de artemisia
viilgariSj het St. Janskruid. Over de afleiding zie
Lexer 1 , 264. Het woord heeft niets te maken met
voet en is door volksetymologie verbasterd. || Int
sap van arthimesia, dat waen ie dat bivoet si.
Nat. Bl. III, 1599 (ook 1703). Die bivoet in water
sode ende gaeft haer drinken, Fr. Heim. 1650.
BIWESEN , st. WW. onz. Met den dat. pers. Mhd.
biwësen ; mnd. biwesen.\g\. Bi SUN. || God onse here die
wese u bi ende mi mede , so waer ie si , Velth. VI 1 1,
35, 43. — Vooral als znw. gebr. — 1) Bijzijn^ ge-
zelschap^ omgang. \\ Zijn biwesen was goet ende
fijn, on. Lied. e. Ged. 460, 118 (ook 379, 1903).
^henoechlick in sinen biwesen, ghemeen in der
medespraec, wijs in der antwoerde ende levendick
in den woerden, Stemmen 153.
2) Bijzijn^ tegenwoordigheid. \\ Daema wertden
pays wtgeroepen ende gelesen . . int biwesen tu*
den heranten , Exc. Cron. 3056. Een minlike scey-
dinge .. . bi rade, biwesen ende g^tdunken des
eerbaers meesters Henric Mey, Belg. iftu. 2,163.
Bi bewesene . . van sesse personen notable , Brab. Y.
VII , 13523. — Wat beteekent biwesen (biwisen)
op de beide volgende plaatsen ? j| Dat bikent menbi
scerp zweringe ende biwesene der zieken ende bi
dat die stede heet is ende roet, Lanfr, 124r. Bi
datter en gheen is van den anderen seecheden ende
bi den biwisene der zieken, ald. 125r.
BIWONEN, zw. WW. onz. Met den dat. pens.
(vgl. mhd. biwonunge). Bij iemand ofietsbUjven.\\
Daer si selker leren woonden by, die daer valscb
gheheten si , Tien PI. 1062. Reyne ghedachte ende
goet maect den mensche van souden vrg ende
woent daermede Gode by, ald. 1218.
BI WOORT (BYWOERT) , znw. o. Mhd. mnd. bi»0Tt\
hd. beitoort; ags. bigvort; eng. bytvord. Ons bij-
woord is een geheel ander woord, nl.de platte ver-
taling van het lat. adverbium, — 1) Spreekwoord; vgl
BISPEL en BISPRAKE, en Grimm, Wtb, 1,1414.||
Na den by woerde : niemant mach geven und holden,
Winhoff 488.
2) Woorden , praatjes die mets afdoen , vgl. BAC-
WOERDICH. II Die bywoerde, die sy daerop seggen,
die en mogen Gelijs niet hinderen noch scaden,
R. V. Utr. 2 , 203.
BLA, bnw. Mhd. bid (gen. bldwes); onr. bla^
mnd. bla. In het ohd. luidt de nom blao (blaw).
Het is hetzelfde woord als blauw, maar de r
ging in eene keelletter over, welke op het eind
van het woord afviel. In het Mecklenb. diaL vinden
wij de keelletter terug in den vorm bl^ (Lubben
1 , 349). Vgl. ga en gauw , gra en grauw, na (hd. noch)
ennatiw. || Appelles screef den hemel hl^^Jlex. IV,
419. Soe regneert die asure bla, OFl. Ged. 3,
125, 99. Denct na die asure bla, 126, 223. — Zie
ook BLAVOET.
BLADEL ASSCHE , znw. m. Verbastering van
basiliscus; ohd. bladeleschi (Graff 3, 254). || Ser-
penten, slangen, bladelasschen , draeken, leeuwen,
ende lupaerden . . ende ander vreemde wilde dyeren,
Pass. W. 174/z. Du selste wanderen op die slange
ende bladelasche, ende du selste vertreden den
leen we ende den draeck , Getijdeb. S.llc. — Zie ook
BLARASCH.
. BLADELOOS , znw. vr. Mnd. bladelos. Benaming
van eene plant, behoorende tot de vetplanten,
sedum tel^hium en sedum acre L. Sint-Janskruid. ||
Crassula of orpyn (fr. orpin) es van twee manieren . .
ende die grote scelt men orpyn of cronecirmi of
roecelle, of smerewortte, entie cleine seelt men
bladeloes ende staet op husen ende op ouden
maysieren, Hs. Yp. 9bd.
BLADEN. Zie blayen.
BLADEN, zw. ww. bedr. Mnd. blad^n\ mhd.
blaten.
Bedr. — De vruchten^ het koren (Mlat. èladum;
fr. blé; v. h. germ. blad; zie op blat en vgL
BLADINGE) afplukken; in *t alg. rooven , uftg-
stelen. \\ Daer men Gods leden mede soade voe-
den . ., dat hebben al geblaet die giere, Overzee
157. — Met weglating v. h. obj. || Die gaen ia
Gods wijngaert bladen ende sniden af die drave
vet. Kerk. Cl. 138. Nu gaen si op die crune
bladen, die giere, die niemen en mochte versadea
{zij gaan leven van , teren op hun kruin , de rruekten
1281
BT.AD.
BLAE.
1282
plukten van het hehhen der tonsuur)^ K. Cl. 36. Ie
sie overal in dlant den heren (l. der eren ?) toegen
feilen tant ende an die archeit bladen, en (eren
op hun bootheid^ Vierde Mart. 792.
BLADEN, zw. ww. onz. In het blad- tomen ^
bloderen trijgen. \\ Alse deen (nl, bome) blaet,
draecht dander Yrocht, JLose 5722.
BLADER , Bnw. vr. Mhd. bléier ; ohd. pldtara ;
ags. bladre\ nl. bl^tar^ en met verkorte vocaal
mnd. bladder^ bledder, bledere; hd. blatter; ags.
blëddre; eng. bladder] onr. bladhra, bledhra\ zw.
bladra\ de blare (Weigand 1 , 228). Met de verkorte
vocaal bestaat ook het nl. ww. bladderen^ d. i.
blazen trijgen (van een pas geverfd voorwerp). Het
woord is verwant met blayen of bladen (z. ald.)
met blazen. Kond ^ blaawormig gezwel op de
huid^ blaar. || Van dat hi Godevert . . gemeistert
hadde . . sijn scaempte, een zwerte blader ende
een vinger, Oorl. v, Albr. 371. Aen hen worden
vonden bladeren ende wonden , zweren opgheblasen,
Tien PI. 896; vgl. 903. An hoeren vingher een
cleyn blader bemen, Schaattp. 60d. An uwen
vingher een blader bamen, 61a. Uat welcker
bladeren ie dat water hebben moet, ald. Het
worden in den menschen ende in den beesten
wonden van swellende bladeren, D. B. JSxod. 9,
10. Soe dat ie bladeren ghine onder m^n teder
voeten , Ned. Prosa 322. Zoo ook <^. I*, 2, 64 ; e. e.
— Ook blaer komt reeds voor. (1 So mit bnul
so mit blaer, Devoet B. (3G) IO69.
BLADINGE, znw. vr. Van bladen, in den zin
van oogtten. In concreete opvatting.
1) He opbrengst van het land of andere onroerende
goederen ; Kil. proventtu agrorum^ fruges. Zie De Bo
op blad er ing. || An sine leene can hi niet
vordere comen dan an de eateilen of bladinghe,
Belg. Mus. 1, 72. De vmeht, die bladinge ende
alle die vervallen van alle die goede van Amestelle,
Mieris 2, 47a. Dat hi behoude alle debladinghen
tsinen live , die comen snllen van den tween leenen,
Vad.Mut. 4, 338(/t9tf^»uM/).I>aer of sal die stede heffen
die bladinghe ende die profiten, Cout. v. Brugge
1 , 359. Omme de bladinghe van den hnnsen ende
erven te moghen innene, Invent. v. Brugge 2^ ^1.
Daeraf de bladinghe jaerlgcx ontfanghende , 335.
De bladinghen van den goedinghen van eenen
persoone , Cout. v. Brugge 2 , 20. De persoon , dien
dat verstorven ware de bladinghen ende proffyten
van dien, 113. Weder soe maer de bladinghe
heffen sal {van den leenen) tharen Ijve, Cout. v.
Gent 534; vgl. 585. Zie Ondem. 1, 716.
2) De rente van een tapitaal. \\ De andere vijf
lib. gro. (^MW/2nftyrooOtdi6 v&i^ der ander heltsceede
van der bladinghe van den hondert lib. gro. vallen
zullen, Cout, v. Brugge 1, 432. Alle de bladinghen
ende profflte, Qedentst. 1, 245 [a. 1355).
BLAECKOGEN, zw. ww. onz. Met de oogen
blaten y d. i. vlammende oogen hebben; oogen hebben^
dié vonten schieten van toom. Zie blaken. ||
Nu mach ick wel bmllen , blaeckoogen en huylen,
Mar. V. N. 36, 863 (vgL 35, 853).
BLAEMTE (blaempte), znw. vr. Jongere vorming
van blame (z. ald.).
1) Schande j tioade naam. \\ De blaemte gaet dan
npten schiltdrake voorscreven, ZFl. J5t;^. 3,280.
By hemlieden quam de eroene in blaemten ende
in schoffieringhen al kerstenheyt dore, Cron. v.
Vlaend. 1, 103. Dat het was groete blaemte den
coninc, . . . dat die . . . devote vrouwe . . . soe
Ter.9madelyke versteek en was , Cron. v. Vlaend. 1, 98.
2) Schande , smaad, hoon. \\ Hoe my de ogen leeken
van drucke dor dese grote blaemte, Blisc. v. M, 1556.
Van den blaemten ende scoffieringhen die Jacop
Ghiselins dede minen heere den tAii^Belg. Mus. 6, 179.
So hebben (si) die blaemte ende scofferingeu ghelooft
te beteme, ald. Twelke hem quam ter groeter
scaden , blaemten ende scoufieringhen , Cannaert 98.
Voor allen rudicheden ende blaempten beschermen^
Oesch. V. Anito. 4, 524.
BLAER, bnw. Met de gewone rekking der
vocaal vóór de r, en met overgang van * in r,
gevormd uit blos (vgl. taar, got. tas\ hd. war
voor was\ eng. hare voor haas); ohd. bias
(= wit aan het voorhoofd^ taal); mhd. blos;
onr. bles (witte vlet aan het voorhoofd); hd. blasz
(bnw.) en bldsse (znw. ; het nl. znw. blaer ,
Oudem. 1 , 713) ; nl. bles , dat één is in oorsprong
met blaer. Zie Grimm, Vtb. 2, 72; Weigandl,
227 ; en vgl. blasenhengst en blasros bij Lubben
1, 352, en blaertoe bij Oudem. 1, 713.
1) Met een witte vlet aan het voorhoofd, bles. \\
Een zwart blare coe, . . een roet blare eoe, Bjet.
d. Qr. 1 , 359. In coste in eenre maent ghecrighen
van mijnre blare coe eneghe botere, Rexe 41.
Tghelt van onser blaren coe, Bust. 178. Vgl.
Wdb. op Bredero 56. — Ook zonder coe. || Leekt
blare, om datse gheerne gheleckt ware, Spreuten
80. — Sprw. II Men hiet wel een koe blare, die
nochtan niet wits en heeft, men beschuldigt wel
eens iemand, die volstrett geen schuld heeft,
Spreuten 4 (thans is dit spreekwoord verloopen tot :
Men noemt geene koe bont, of er is een vlekje
aan, d. i. als men iemand beschuldigt, zal er oot
wel iets aan zijn, hetgeen een zeer onwaar en
onwaardig spreekwoord is. Vgl. Lsp. Gloss. op
blaer en Hor. Belg. 9, 32: Men en heit gheen
coe blare, si en hevet wat wits). — De blare,
de béte noire, de zondenbot, het slachtojfer. ||
Here Isengrijn ende Brune die vraet hebben nu
den nauwen raet metten coninc openbare ende arm
man Reinaert es die blare. Rein. I, 2467.
2) Kaal van hoofd. || Liede die scone waren
gehaer dedi maken die nolle blaer, occipitio caho
deturpabat, Sp. V, 100, 21. Op thoeft blaer was
hi, calvus erat, II', 88, 7.
3) Kaal, bloot. — a) Van personen. Berooid. \\
Laet den dorper varen blaer , van eren quite , Vert.
Mart. 75. — b) Van landen. Woest, onherbergzaam. ||
Dat si . . op een velt woeste ende blaer in couden
ende in winde ligghen soude van kinde, Lsp, III,
15, 168.
BLAER. Zie blader.
BLAES, znw. m. Windbuil, pochhans , blaastaat.
II Sine volghen anders niet dese blasé (/. deses
blasé , d. i. den riken man van vs. 427) , en doet die
soetheit van den ase, OFl. Oed. 1, 79, 438. —
Nog in de 17de eeuw beteekent blaes wind, ge--
poch, gezwets {Warenar 346; Huygens 1, 591). —
Zie ook BLASÉ.
BLAESBALCH (blasebalch), znw. m. Mhd.
bldsbalc; hd. blasebalg. Vgl. Muller 1», 75 op bel-
lo w s. Blaasbalg , thans veelal blaasbalt geheeten. ||
Die blaesbalch ghebrac int vyer, D. B. Jerem. 6,
29. Mit sulcken blaesbalch ende mit sulken wint
wort ven^nt dat vuer der onsuverheit, Con. Som.
163*. — Ook in den zin van orgelpijp. || Totten
blaesbalgen aen die orgelen. Bet. d. Buurt. 148.
Van den orgelen te verstellen ende die blaesbalgen te
vermaken , ald. — Blasebalch, Natuurt. 1 767 ,
1769; Wal. 3529. — Fig. van eene vrouw, die
iemands gemoed in vlam zet, \\ Blaesbalch in minen
sinne, Belg. Mus. 1, 118, 15.
41
4283
BLAE.
BLAY.
4284
BLAET, znw. m. Kil. blaet, accipUris genut»
Een soort van havik, \\ {Ik vermaak) Gillese den
yalkenere eenen groten blaed , Vod-. Mut, 4 , 358. Zie
een tweede Toorbeeld bij Van Hasselt op Kil. bl. 69.
BLAET, znw. m. Snorkerij, grooUpraak. || Wat
dat si zagheu, hoe goet het was, niement haers
valschs blaets en ghenas, OFl. Lied. e. Qed.
482, 94.
BLAEU (blaew). Zie blau.
BLAëXEME (blaecseme , blaxeh), znw. vr.Yan
blaken. Wel te onderscheiden van b 1 i x e m e , van
blecken, blieken, waarmede het in varr. wordt
yerward. Vlam, vuurgloed. || Ne ghene blaecseme
(A vlamme) hi gheven ne can. Nat. Bl. VIII,
311 var. (van den ebenus; vgl. Flor. 974 vlg.).
Een boem . . daer gheen blaxem . . nemmerme
an en mach ghewinnen, 445 (varr. blaxeme, blixene).
Die grote blaexeme, . . die daer <^ serpente nter
kele scoot, JFal. 417. Als die blaexeme was ghevelt
Yor hem in die riviere, 5014. Die blaexeme scoot
(uit het %oater\ also soe ere hadde ghedaen , 5080.
BLAFFAERT, znw. m. NI. hUffer , blafferd
(= klapper). Van het fr. hlafard^ d. i. vaaV^ Het
boek zon dan naar de klenr van het papier of
van den omslag genoemd zijn , evenals wy spreken
van een blauwboekje^ d^ blautoe bibliotheek ^ de
blauwe beul^ het groene boek, het oranje boek^
enz. Register y lijsten met oMdeele opgaven en
cijfers. || De blaffaerden ende ontfanckboncken
derselver stede, Inform. 428. By de voors. rekeninghe
ende oock by de blaffaerden van de tresoriers,
612. Eenen staet van den innecomen derselver
stede . ., gemaict nyten blaffaerden van den
tresoriers, 236.
BLAFFEN , zw. ww. onz. Mhd. mnd. blaffen. In
eig. zin, van honden, gelijk thans. — Ook in
flg. zin , evenals ons bassen (vgl. Helmers, HolU
Natie 87: „ een onverlaat , bassend nit zijn niet ") , en
keffen. Schimpen. || Mochtic mijn dingen scaffen,
in achtte niemens blaffen, Lett. N. ^.6, 151.
BLAYEN (bladen), zw. ww. onz. Ohd.b/ajan,
bldhan; mhd. blajen, blagen] hd. blahen; ags.
bléwen (redupl.); eng. to blow. Met de gewone
verwisseling van keelletter(^), w ofy, als sluitcons.
van den stam. De keelletter is in het mnl. over
in den vorm blaken (z. ald. , Iste Art.). Wat den
vorm bladen aangaat, daarin is de d anorganisch ;
de eig. vorm met uitstooting der hzovib fa-en zi^n.
Mhd. sameng. blmn\ ohd. plan. Het woord is
verwant met blazen en lat. flare.
1) Waaien, eigenlijk. || De selve wint, de wayde
was so clene, dat hi blayde so lettel, dat de grote
^epe . . . niet conden ghecomen voer de Arne,
Stoke VII, 87.
2) Waaien , wapperen. \\ De baniere . . , die boven
anden maste blayde, Aiol.-fr. 967. Doen si die
baniere sagen opgaen ende weder bladen, Heelu
5742. Dat die baniere sonde vor haer ogen van
Gelre openbare bladen, 6582. Pinchele, wimpele
ende bannieren begonden blayen, Brab. T., VI,
5829. Op sijn helm dat hoeflcleet lanc liet hi
blayen metten winde, Segh. 4906; vgl. 4915 , 4947,
4965, 5030. Die cleedre hanghen np die recke
ende laetse toten daghe vcrwayen ende in die lucht
altoes blayen, Rosé 8414 i;ar. Waer siet men nu
uwen standaert blaeyen, Belg. Mus. 4, 252, 47.
Voer hem hinc blayende een dwale, Brand. 1331.
— Behoort hiertoe ook Lutg. 1 , 234. „ Dengenen
. . . diese metter claerheit siner rayen bescheen
ende sijn Hecht deed in har blayen'''*? Of is dit
blayen hetzelfde als ons blaken?
3) Zwaaien. [| Siet hoese (hoovaardij) metten arm«Q
blait ende met haren scouderen mayt , th